Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2006-2007nr. 56, pagina 3167-3188

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van de Leerplichtwet 1969 en de Wet Inburgering in verband met de invoering van een kwalificatieplicht (30901)

.

De voorzitter:

Vandaag is voor het eerst staatssecretaris Bijsterveld in deze Kamer aanwezig. Twee leden zullen hun maidenspeech houden en, zoals bekend, zij worden dan niet geïnterrumpeerd. Ik geef allereerst het woord aan de heer Biskop van het CDA voor zijn maidenspeech.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Biskop (CDA):

Voorzitter. Vandaag leveren dus de staatssecretaris en ik een eerste bijdrage. Die eerste bijdrage betreft een onderwerp dat mij zeer na aan het hart ligt, namelijk de kwalificatieplicht. Dat komt niet alleen doordat ik met kinderen heb mogen werken die het kan betreffen, maar ook doordat ik hier sta als een zoon van ouders die volgens de definitie van deze wet volstrekt niet gekwalificeerd waren met alleen maar lager onderwijs. Ik ben dus blij met dit onderwerp.

De CDA-fractie onderschrijft van harte de doelstellingen van dit wetsvoorstel. Het is niet acceptabel dat jongeren onvoldoende worden uitgedaagd en daardoor niet in staat worden gesteld om hun talenten ten volle te ontplooien. In tegenstelling tot de Olympische gedachte geldt hier: meedoen is winnen. Te veel leerlingen verlaten voortijdig hun school zonder een startkwalificatie te behalen. Dat maakt hun kansen op de arbeidsmarkt geringer. Wij verwachten dat ze actief meedoen in onze samenleving en daar ook verantwoordelijkheid dragen. Dat is in het belang van de burger, maar ook in het belang van de gehele samenleving. Jongeren die daarvoor de capaciteiten hebben, moeten daarom zoveel mogelijk een startkwalificatie behalen.

Deze overwegingen hebben er in het verleden toe geleid dat de CDA-fractie een leer-werkplicht heeft bepleit. Met de motie-Verhagen is die wens verwoord en door een ruime Kamermeerderheid ondersteund. Wij zijn blij dat dit wetsvoorstel aan de orde is. Het is een belangrijk wettelijk kader voor het tegengaan van het voortijdig schoolverlaten. Dat het de regering ernst is met het tegengaan van schooluitval, leiden wij af uit het feit dat een van de projecten van het coalitieakkoord zich daarop specifiek richt. Wij zijn benieuwd naar een concretisering ervan. Meer dan 50.000 jongeren verlaten per jaar zonder startkwalificatie het onderwijs. Dat is toch te gek voor woorden. Zo gaan wij niet om met de talenten van onze jongeren.

Ik zal achtereenvolgens spreken over de invoering van de kwalificatieplicht, de doelgroep waarop die van toepassing is, de handhaving en de financiële consequenties. De CDA-fractie is blij met deze wijziging van de Leerplichtwet, omdat daarmee de partiële leerplicht komt te vervallen en vervangen wordt door een kwalificatieplicht. Het doel is niet om tot een bepaalde leeftijd naar school te gaan. De bedoeling is dat er ook een bepaalde kwalificatie wordt behaald. De suggestie dat de leerlingen nu op zestienjarige leeftijd vrijblijvend kunnen stoppen, is wat ons betreft onaanvaardbaar. Dit leidt namelijk tot veel schooluitval en zoals gezegd, kan dat niet.

Het voorstel gaat het komende schooljaar, het schooljaar 2007/2008, gelden voor die leerlingen die dan nog geen zeventien jaar zijn. De leerlingen die op 1 augustus aanstaande 17 jaar zijn, blijven met een overgangsmaatregel buiten het bereik van dit voorstel. Deze groep is naar het oordeel van de regering beperkt en grotendeels niet bereikbaar met de doelstelling van de kwalificatieplicht. Deze argumentatie verbaast ons. De beperkte omvang van de groep doet onzes inziens niets af aan het grote belang voor iedere individuele jongere. Misschien zijn die 17-jarigen een traject begonnen en zou de kwalificatieplicht kunnen bevorderen dat zij dat traject afronden. Namens de CDA-fractie dien ik dan ook het amendement op stuk nr. 7 in met als doel artikel 3 uit het wetsvoorstel te schrappen en om het van toepassing te doen zijn op de gehele doelgroep.

Wij staan positief tegenover het invoeren van de kwalificatieplicht voor leerlingen tot 18 jaar. Wij verwachten dat dat tot een aanzienlijke daling van het aantal voortijdige schoolverlaters zal leiden. Een kwalificatieplicht voor de jongeren vraagt onzes inziens ook om een inspanningsverplichting of, zo men wil, een aanbodplicht van de onderwijsinstellingen. De vraag is of met de invoering van een kwalificatieplicht er voor alle betrokken jongeren een passend onderwijsaanbod beschikbaar is. In het bijzonder geldt dat voor de leerlingen uit de clusters 1 tot 4 uit de Wet op de expertisecentra die onder deze wet gaan vallen. Wij hechten aan een sluitende aanpak, zeker voor leerlingen met gedragsproblemen of leerlingen die in de justitiële jeugdinrichtingen verblijven. Overigens genieten zij daar gedurende bepaalde tijden van het jaar geen onderwijs omdat het vakantie is. Desondanks verblijven zij daar dan wel. Daarvoor zijn aanvullende maatregelen nodig. Wij vragen aan de staatssecretaris welke visie zij daarop heeft.

Verder vragen wij ons af of bij een van de uitzonderingen, de leerlingen van het praktijkonderwijs, leerlingen kunnen zijn die de startkwalificatie kunnen behalen. Leidt deze wet er niet toe dat zij daartoe niet meer in de gelegenheid worden gesteld?

Voorts wordt in de memorie van toelichting ingegaan op zogenaamde sectorstartniveaus. Wat moeten wij ons daar precies bij voorstellen en hoe verhouden die zich tot de startkwalificaties?

De kwalificatieplicht geldt totdat de jongere de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. De regering is optimistisch over het afmaken van de studie na het bereiken van de achttienjarige leeftijd. De vordering in de studie blijkt niet altijd een stimulans om de opleiding af te maken gelet op het grote aantal schoolverlaters, ook in de laatste fase van de opleiding. Toezicht van de gemeente is niet altijd even effectief gebleken. Hoe kunnen wij ervoor zorgen dat de studie alsnog wordt afgemaakt?

De kwalificatieplicht is geen doel op zich. Waar het om gaat is meedoen in onze samenleving. Alleen in samenhang met andere maatregelen is dat te bereiken. Alle verantwoordelijken, van school tot leerplichtambtenaar en zo mogelijk officier van justitie, dienen hun verantwoordelijkheid te nemen en gebruik te maken van alle ter beschikking staande instrumenten om voortijdig schoolverlaten tegen te gaan. De regering gaat een adviesvraag voorleggen aan de toezichthouders in het kader van het programma Integraal Toezicht Jeugdzaken over de effectieve handhaving van die kwalificatieplicht. Daaruit mogen wij afleiden dat de regering er nog niet van overtuigd is dat het toezicht op lokaal niveau dient plaats te vinden. Wij menen dat het toezicht zo dicht mogelijk bij de praktijk van alledag dient plaats te vinden om te voorkomen dat jongeren tussen de regionale wal en het bovenlokale schip terechtkomen. De toegezegde extra middelen voor meer leerplichtambtenaren zullen ongetwijfeld een positieve bijdrage leveren, maar de organisatie van het toezicht zal tevens verbeterd moeten worden. Wat doet de staatssecretaris als gemeenten onvoldoende in staat zijn hun rol hierin scherper neer te zetten? Wij vragen haar met klem voor de zomer met een voorstel hieromtrent te komen.

Wij praten over het eerste deel van een tweeluik. In de motie-Verhagen wordt om een leerplichtwet tot 23 jaar verzocht. Inmiddels is in het coalitieakkoord een leer-werkplicht tot 27 jaar wenselijk geacht. De Raad van State heeft fundamentele kanttekeningen geplaatst bij het oorspronkelijke voorstel en gevraagd om het op belangrijke punten aan te passen. Ik wil nogmaals gezegd hebben dat het CDA in tegenstelling tot de Raad van State wel overtuigd is van de noodzaak en de effectiviteit van een leer-werkplicht. De persoonlijke en maatschappelijke gevolgen van het voortijdig schoolverlaten vragen om minder vrijblijvende maatregelen en een stok achter de deur. Wij hebben met verbazing geconstateerd dat de Raad van State stelt dat meerderjarige schoolverlaters die zich niet inschrijven bij het CWI en geen uitkering aanvragen, de samenleving in beginsel niet tot last zijn. Naar het oordeel van mijn fractie kun je je niet vrijblijvend onttrekken aan je verantwoordelijkheid in deze samenleving en getuigt deze stelling van kortzichtigheid. Het is de plicht van de wetgever om alles in het werk te stellen om talenten tot volle wasdom te laten komen. De CDA-fractie vindt daarom de oorspronkelijk door de regering voorgestelde maatregelen proportioneel. Wij dringen er bij de regering op aan, een volgend wetsvoorstel, het tweede luik van de leer-werkplicht, binnen afzienbare termijn aan de Kamer voor te leggen.

Ik kom op de uitvoeringsconsequenties. Als gevolg van het invoeren van de kwalificatieplicht zullen maximaal 23.000 extra leerlingen jaarlijks onderwijs volgen. Wij verwachten wel dat de voor de Voorjaarsnota 2007 toegezegde middelen conform toezeggingen van het vorige kabinet beschikbaar zullen komen. De financiële consequenties van de kwalificatieplicht mogen niet op scholen worden afgewimpeld. Wij verwachten dat de kwalificatieplicht juist ook leerlingen zal aantrekken die extra aandacht behoeven. Kan de staatssecretaris aangeven of daarvoor nog extra middelen noodzakelijk zijn?

Wij hebben grote zorgen over stageplaatsen. Hierover ontvangen wij tegengestelde signalen. Enerzijds horen wij van de kenniscentra dat voor alle branches voldoende stageplaatsen beschikbaar zijn, maar anderzijds maken leerlingen en scholen met enige regelmaat kenbaar dat zij geen stageplaatsen kunnen vinden. In het licht van de kwalificatieplicht lijkt ons dit een belangrijk element. Kan de staatssecretaris de Kamer hierover nader informeren? Wij zien graag een reactie tegemoet waarin gedifferentieerd naar vmbo en mbo wordt ingegaan op deze problematiek.

De voorzitter:

Mijnheer Biskop! Aan mij de eer om u als eerste te feliciteren met uw maidenspeech over een onderwerp dat ook mij zeer na aan het hart ligt. Van harte gefeliciteerd!

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De heer Depla (PvdA):

Voorzitter. Onder het motto "geen kind van school zonder diploma" is de PvdA-fractie voorstander van de diplomaplicht. In het regeerakkoord is daarover een leer-werkplicht tot 27 jaar afgesproken. Het voorliggende wetsvoorstel is min of meer een stap in het geheel en wij steunen het dan ook. Wij zijn van mening dat alle jongeren met leermogelijkheden de kans moeten krijgen en verplicht dienen te worden om een startkwalificatie te behalen. Enerzijds kunnen zij daardoor het beste uit zichzelf halen en anderzijds hebben zij dan een betere kans op een baan. Zij kunnen meedoen met de samenleving en crimineel gedrag kan vaker worden voorkomen. Het lijkt logisch om tot 18 jaar de kwalificatieplicht op te leggen en na die leeftijd een leer- of werkplicht. Zodoende is een betere afstemming op de mogelijkheden en de positie van de jongeren mogelijk. De vraag is inderdaad of iedereen ermee is geholpen als hij tot 23-jarige leeftijd naar school moet.

Waarom is de grens bij 18 jaar gelegd? Uit de cijfers maak ik op dat verhoging van de leeftijd naar negentien jaar tot 20.000 extra leerlingen in het mbo zal leiden. Dat is een grote groep die wij nu laten lopen. Waarom zijn er van die 20.000 extra leerlingen slechts 4800 meer die een startkwalificatie behalen? Liggen er financiële argumenten ten grondslag aan het feit dat ervoor is gekozen om negentienjarigen te laten vallen? Hoe zal het gaan met de leer-werkplekken voor mensen tot 27 jaar? Die zouden volgens het regeerakkoord een besparing moeten opleveren van 250 mln. Hoe is dat mogelijk?

Een kwalificatieplicht op zichzelf is niet voldoende. Papier is geduldig, dus die startkwalificatie moet een onderdeel zijn van een groter pakket aan maatregelen om schooluitval te voorkomen. Binnenkort zullen wij daarop terugkomen in een algemeen overleg.

De gemeenten zijn verantwoordelijk. Geconstateerd is dat het resultaat van de gemeenten niet gelijkwaardig is. Het is daarom goed dat er extra geld is en dat zij achter de broek worden gezeten.

Ik heb een amendement ingediend, geïnspireerd door een praktijkvoorbeeld in Amsterdam. In het stadsdeel Slotervaart zijn veel scholen gevestigd en in het stadsdeel De Baarsjes niet. De leerplichtambtenaren zijn per stadsdeel georganiseerd. Er is dus sprake van verdeling van bevoegdheden per stadsdeel. De leerplichtambtenaar van stadsdeel De Baarsjes kan zich alleen bezighouden met schooluitval in dat stadsdeel. Het gevolg is dat allerlei zaken mis gaan. Het zou beter werken als de school en de leerplichtambtenaar actie kon ondernemen tegen alle scholieren die uitvallen. Hetzelfde geldt voor Zeist en Utrecht. Het zou ook goed zijn als leerplichtambtenaren opsporingsbevoegdheid kregen. Nu moeten zij de politie erbij halen op het moment dat zij iets constateren. De politie kan dan, indien nodig, een bekeuring uitschrijven.

Ik heb vernomen dat leerlingen soms driekwart jaar thuiszitten. Die kinderen zijn bijvoorbeeld door de ouders van school gehaald omdat daar problemen zijn ontstaan. Er wordt dan alleen een bekeuring gegeven, maar daarmee is het werkelijke probleem niet opgelost. Die jongeren worden vaak niet terug naar school geleid. Erkent de staatssecretaris dat? Zo ja, wat kunnen wij daaraan doen?

Deze wet leidt tot meer leerlingen. In de memorie van toelichting staat dat de extra kosten daarvan zijn gedekt. Voor het middelbaar onderwijs is dat geen punt met het oog op de openeindfinanciering. Begrijp ik goed dat de vermelde bedragen voor het beroepsonderwijs bedoeld zijn voor het wetsvoorstel? Begrijp ik ook goed dat de staatssecretaris in de Voorjaarsnota de bijkomende kosten voor de huisvesting regelt? Leerlingen zonder gebouwen vormen immers een probleem. Een functionerende wet zonder gebouwen mist zijn effect.

Jongeren moeten het beste uit zichzelf kunnen halen. Ik heb dan ook lang geworsteld met de kwalificatieplicht. Jongeren in het praktijkonderwijs hoeven na hun zestiende jaar niet aan de kwalificatieplicht te voldoen als zij een getuigschrift krijgen. Twee groepen in het praktijkonderwijs, de moeilijk lerenden en de dubbel gehandicapten, hoeven na hun zestiende jaar niet per definitie aan de kwalificatieplicht te voldoen. Voor hen geldt een generieke vrijstelling. Ik heb lang geworsteld met de vraag of die generieke vrijstelling omgezet moet worden in een kwalificatieplicht met de mogelijkheid van individuele vrijstelling. Die keuze maak ik uiteindelijk niet met het oog op het gevaar van te veel bureaucratie. Ik wil echter de zekerheid dat het wegvallen van de kwalificatieplicht de overheid niet van de verplichting ontslaat om leermogelijkheden te zoeken voor deze jongeren na hun zestiende jaar.

Jongeren moeten het beste uit zichzelf halen. Dat betekent dat alle leerlijnen open moeten zijn. Een van die lijnen is die tussen vmbo of middelbare school naar volwassenenonderwijs. Daar is nu een knip gemaakt. Een evaluatieonderzoek over dit onderwerp is in mei gereed. De wet gaat al op 1 augustus in. De ouders van deze kinderen moeten dan ook nu al de zekerheid krijgen dat hun kinderen kunnen doorstromen naar het volwassenonderwijs. Als jongeren het beste uit zichzelf willen halen, moeten wij de leerlijnen openen in plaats van die langzaam dicht te laten slibben.

Jongeren die niet gemotiveerd zijn, vallen vaker af. Een factor daarbij is dat wie op het vmbo bij Engels 1 blijft steken alleen een diploma op dat niveau kan halen, ook al is iemand excellent in techniek. Dat is een zeer frustrerende aangelegenheid. Wij moeten deze jongeren dan ook maximaal motiveren. Wanneer komt hierin verandering?

Ik sluit bij aan bij de vragen van de heer Biskop over het tekort aan stageplaatsen. Afgelopen vrijdag stond in Metro dat er een onderzoek is gedaan door www.stageplaza.nl. De resultaten daarvan worden binnenkort bekendgemaakt. Kan de staatssecretaris daarover wat meer zeggen? Volgens Metro voelde de helft van de leerlingen zich gediscrimineerd of werd de helft van de leerlingen gediscrimineerd. Ik wil hierover graag wat meer weten voor het volgende debat over schooluitval.

Het amendement van de CDA-fractie gaat over jongeren die zeventien jaar oud zijn. Jongeren moeten het beste uit zichzelf halen. De kwalificatieplicht moet voor zo veel mogelijk mensen gelden. De wet moet ook gelden voor 17-jarigen. Met het wetsvoorstel is niet voor niets de grens naar 18 jaar verhoogd. Mijn twijfel over steun aan het amendement hangt samen met de uitvoerbaarheid daarvan. Gaat het hier om jongeren die al van school zijn? Zijn die, als het lukt om ze terug naar school te krijgen, misschien toch al niet achttien jaar geworden? Kan de staatssecretaris inzicht geven in de praktische mogelijkheden en onmogelijkheden bij uitvoering van het amendement? Ik ben er voorstander van om deze groep erbij te halen. Ik wil het amendement graag steunen. Ik zit echter niet te wachten op symboolwetgeving.

Dit is een mooie stap naar de leer-werkplicht tot 27 jaar. Het idee is niet om jongeren bezig te houden, maar om jongeren het beste uit zichzelf te laten halen. Het gaat om de kans op werk en de kans om mee te doen. Het gaat tevens om het voorkomen van ontsporing van jongeren. Ook die jongeren moeten wij met deze wet kunnen bereiken. Als het goed is, kunnen wij met de nieuwe wet ook wat doen met jongeren die niet op school zitten en geen diploma hebben en van wie volstrekt onduidelijk is waar zij hun inkomen vandaan halen. Kortom, ik vind het goed dat wij deze eerste stap zetten, maar zeg tevens dat het niet zo mag zijn dat wij niet met voortvarendheid de volgende stappen zetten.

De heer Slob (ChristenUnie):

Mevrouw de voorzitter. Allereerst feliciteer ik collega Biskop van harte met de maidenspeech die hij zojuist heeft uitgesproken. Ik complimenteer hem met de inhoud daarvan. Het was een stevige tekst die hij heeft uitgesproken. Het getuigt van enig lef als je in je maidenspeech al kritisch de vinger durft te leggen bij het advies van de Raad van State. Dat heeft hij gedaan, en met overtuiging. Dat schept verwachtingen over zijn inzet bij volgende debatten. Wij zullen hem uiteraard met belangstelling volgen. Het is altijd goed om in het midden van de commissie voor Onderwijs mensen te hebben die in het verleden in die sector werkzaam zijn geweest. Ik ga ervan uit dat hij zijn ervaringen zal meenemen in de debatten die wij de komende jaren zullen voeren. Misschien blijkt dat al direct uit het feit dat hij reeds een amendement heeft ingediend.

Mevrouw de voorzitter. Het onderwerp dat wij vandaag bij dit wetsvoorstel bespreken, is van grote maatschappelijke importantie. Mijn fractie heeft er niet voor niets bij het debat over de regeringsverklaring de vinger bij gelegd dat het onaanvaardbaar is dat de aantallen voortijdige schoolverlaters nog steeds zo hoog zijn en dat het ondanks de inzet in de afgelopen jaren niet is gelukt om die aantallen substantieel omlaag te krijgen. Wij waarderen het dat het kabinet in dat opzicht ook een hoge ambitie heeft geformuleerd voor de komende vier jaar. Want, wij weten allemaal dat als jongeren zonder startkwalificatie van school gaan de kans groot is dat zij een achterstand oplopen waarvan zij hun levenlang last kunnen houden. Dat is overigens geen automatisme. Dat de ambitie groot is om er iets aan te doen, is dus heel goed. Wel is enige nuancering op haar plaats. Wij weten dat ongeveer de helft van de voortijdige schoolverlaters gewoon een baan heeft en actief is. Voor een deel van die jongeren geldt dat zij op een plek zitten waar zij zich prima voelen en zich verder kunnen ontwikkelen. Ik denk bijvoorbeeld aan jongeren die bezig zijn met vakmanschap. Natuurlijk is het ook goed om hen (en hun werkgevers) te prikkelen om zich te blijven ontwikkelen, zodat zij een hoger niveau kunnen bereiken. Niet iedere voortijdige schoolverlater slentert met zijn ziel onder zijn arm over straat. Gelukkig niet, zeg ik er gelijk maar bij.

Ook om te proberen dit vraagstuk zo breed mogelijk aan te pakken, heeft mijn fractie destijds vol overtuiging de motie-Verhagen gesteund, waarmee de indiener beoogde leer-werkplicht te realiseren voor jongeren in de leeftijd van 18 tot 23 jaar. Ook wij constateren dat dit wetsvoorstel het voorafje is, zoals ik het maar noem, van het wetsvoorstel waarin dat daadwerkelijk moet worden geregeld. Wij hebben er begrip voor dat zorgvuldigheid geboden is om dat te kunnen realiseren en om te komen met een wetsvoorstel dat grondrechtelijk houdbaar is. Wij hebben er dus begrip voor dat dit nog enige tijd kost. Misschien is het wel het moment om de ambitie uit het regeerakkoord tot ophoging van de leeftijdsgrens tot 27 jaar in het wetsvoorstel mee te nemen. Wij horen graag straks of dat gaat lukken.

Het is, zoals ik al zei, een voorafje. Ik bedoel dat niet in negatieve zin. De motie wordt nu gedeeltelijk uitgevoerd. In het wetsvoorstel wordt gedeeltelijk de kwalificatieplicht geregeld voor jongeren tot 18 jaar. Dat is veel specifieker dan de huidige partiële leerplicht en het is concreet gericht op het behalen van een startkwalificatie. Tezamen met de verhoging van de leeftijd wordt daarmee ook in onze ogen een cruciale fase overbrugd, want wij zien de meeste uitvallers bij de overstap van het vmbo naar het mbo, dus bij de zestien- en zeventienjarigen. Ook wij denken dat daaraan met dit wetsvoorstel in ieder geval op papier concreet iets kan worden gedaan. Het heeft dus onze steun.

Mijn fractie is ook blij te kunnen constateren dat de regering in het kader van het dossier Goed bestuur ook wil verkennen of het mogelijk en wenselijk is om scholen een zorgplicht op te leggen en verantwoordelijk te laten zijn voor een leerling totdat deze bij een andere instelling is ingeschreven. Kan de regering aangeven wat de mogelijke belemmeringen kunnen zijn? Ik vraag dit omdat het op dit moment nog niet concreet handen en voeten krijgt.

De verwachtingen rond de effecten van het wetsvoorstel zijn hooggespannen; dat blijkt ook wel uit de nota naar aanleiding van het verslag, waarin aantallen worden genoemd van jongeren die bij dit beleid ook daadwerkelijk een startkwalificatie zouden krijgen. Wij vinden het wel van groot belang dat leerplichtambtenaren ook daadwerkelijk handhaven; collega Depla legde daar terecht de vinger bij. Wij weten dat dit in het verleden nogal tegenviel, maar dat had met name te maken met het feit dat de partiële leerplicht voor de leerplichtambtenaren zeer moeilijk te hanteren is. Wij vinden dat de aangekondigde maatregelen van de regering om de handhaving te verbeteren, vrij algemeen blijven. Dit blijkt uit de concrete maatregelen die worden voorgesteld in de nota naar aanleiding van het verslag en in de memorie van toelichting. We weten dat die allemaal geld kosten. Ik vraag de staatssecretaris om een concrete onderbouwing. Natuurlijk staat of valt alles daarmee; we kunnen alles op papier prachtig regelen, maar als er onvoldoende mogelijkheden zijn om te handhaven, blijkt dit straks een lege huls. Dat kan toch niet de bedoeling zijn.

Wij zijn ook benieuwd naar de grond van de veronderstelling dat een deel van de kosten kan worden opgevangen via besparingen die het gebruik van het onderwijsnummer oplevert. Hiervan ook graag een concrete onderbouwing.

Daarnaast heeft het kabinet besloten om via een toevoeging van middelen aan de specifieke uitkering een impuls te geven aan de leerplichtambtenaren. Zo is het kabinet verzekerd van de juiste prioriteitsstelling. Mijn fractie constateert dat daarmee de doelstelling om te snoeien in specifieke uitkeringen aan gemeenten wordt omzeild. Is dit niet voorsorteren naar een regionale aanpak van de handhaving van de Leerplichtwet conform de uitvoering van de Wet op de jeugdzorg? Graag ook een toelichting op dit punt.

De inzet voor de handhaving van de verlengde leerplicht loopt vooral via een regionale aanpak. Ook wordt gestreefd naar eenloketregistratie. Nu zijn op de diverse roc's zorgadviesteams actief. In deze teams participeert ook een leerplichtambtenaar. Mijn fractie vraagt zich af of één team met één leerplichtambtenaar in zo'n grote school, met soms wel 25.000 leerlingen, voldoende is. Is de extra inzet van het kabinet er ook op gericht om de zorgadviesteams meer inhoud te geven, zodat bijvoorbeeld niet op één roc, maar op elke afdeling een zorgadviesteam aanwezig is? Graag een reactie van de staatssecretaris. Wij hebben er veel vertrouwen in dat met name het opzetten van de zorgadviesteams in het voortraject een belangrijk instrument is voor preventieve actie, een speerpunt van dit kabinet.

Ik sluit mij aan bij de vragen over de huisvestingsproblematiek. Er wordt doorverwezen naar de Voorjaarsnota 2007, maar wordt daar concrete financiële ruimte voor vrijgemaakt? Ook kunnen we lezen dat in de komende jaren structureel 35 mln. extra beschikbaar wordt gemaakt voor het plaatsen van moeilijk plaatsbare jongeren. Over welke groep hebben we het daarmee? Waar zitten de knelpunten precies? Zijn deze sectorgebonden?

Ook wij zien dit wetsvoorstel als een goede stap in de richting van een wat bredere aanpak van de leer-werkplicht die er zal moeten komen voor jongeren tot 27 jaar. Voortijdig schoolverlaten is een groot maatschappelijk probleem, maar het vraagt enige nuancering. Dit is met name het geval voor de jongeren van wie bekend is dat de startkwalificatie voor hen te hoog is gegrepen, maar die gelukkig wel een plekje op de arbeidsmarkt hebben gevonden. Dit geldt ook voor de jongeren die nooit een startkwalificatie zullen halen. Ik denk dat het kabinet voor hen terecht een uitzondering heeft gemaakt. Dat laat onverlet dat als het hun wel lukt om zover te komen – die voorbeelden zijn er gelukkig – we hen moeten stimuleren waar dat maar kan. Ik ben blij met de inzet op vele scholen in die richting.

Er zijn nog veel meer maatregelen nodig om het voortijdig schoolverlaten aan te pakken, maar die overstijgen de breedte van dit wetsvoorstel. Ik vraag aandacht voor de jongeren die geen startkwalificatie halen vanwege psychosociale problemen; soms is dat een onderliggende oorzaak. Het overstijgt de competenties van scholen om daar iets aan te doen. Het vraagt echter wel om begeleiding. Ik vraag de staatssecretaris om te reageren op onze suggestie om te bezien of de Wet op de jeugdzorg ook voor deze vormen van behandeling kan worden verruimd. Wij denken met name aan het verhogen van de leeftijdsgrens. Hiermee zou een instrument worden gecreëerd waarmee dit grote probleem kan worden getackeld.

De voorzitter:

Het woord is aan mevrouw De Rooij, die haar maidenspeech zal houden.

Mevrouw De Rooij (SP):

Voorzitter. Zo'n 60.000 jongeren verlaten ieder jaar hun school zonder mbo-2-, vwo- of havo-diploma. Vaak zijn dit jongeren die onderweg van het vmbo naar het mbo of tijdens het mbo uitvallen. Dat is veel. Dat is heel veel. Voorzitter, ik weet niet of u wel eens bij Pinkpop bent geweest of er thuis op de bank wel eens naar kijkt als het op televisie is, maar dat is net zoveel als die heel grote massa mensen die daar het veld vult. Het is meer dan een uitverkochte Arena. De meeste uitvallers zijn te vinden op de twee laagste niveaus van het mbo. Het zou goed zijn als een deel van deze jongeren een diploma haalt. De motie-Verhagen over de leer-werkplicht zorgde voor een hoop onduidelijkheid. Daarom heeft mijn fractie destijds tegen deze motie gestemd. Het wetsvoorstel dat nu voor ons ligt, over kwalificatieplicht, legt wel de goede nadruk. Het kan bijdragen aan het verminderen van voortijdig schoolverlaten. "Bijdragen", zeg ik nadrukkelijk, want de SP-fractie is van mening dat je vroegtijdig schoolverlaten niet vermindert door het te verbieden, maar door het te voorkomen.

Dit wetsvoorstel is een stap in de goede richting. Hoe moet het probleem verder worden aangepakt bij de kern? Begin bij het begin. Zorg voor goede, gemengde basisscholen. Werk taalachterstanden weg. Zorg ervoor dat vmbo- en mbo-opleidingen gebruikmaken van het talent van hun doelgroep: praktisch bezig zijn. Zorg voor kleinschalige scholen en kleine klassen, waar iedereen elkaar kent en waar snel wordt gezien of een leerling niet lekker in zijn of haar vel zit, thuis ruzie heeft of een probleem heeft met zijn of haar gezondheid. Geen enkele leerling wordt echt gelukkig op een grote school waar hij verzuipt in de menigte, waar niemand hem ziet of kent. Het is van immens belang dat een leerling in zijn schoolloopbaan voldoende begeleiding krijgt, zeker als het even niet meezit. Waarom zouden wij een school geen zorgplicht opleggen? Het is goed dat wij meer aandacht willen besteden aan de overdracht van de middelbare school naar het beroepsonderwijs, de zogenaamde warme overdracht. Zorg dat de mbo-scholen weten wat er in het korte leventje van een nieuwe student is gebeurd, zodat zij daarop op een goede manier kunnen inspelen. Al doe je nog zo je best met leerlingenzorg op de middelbare school, als het kind vervolgens op een immens groot roc binnenkomt en zich daar verloren voelt, zal de zorg niet effectief zijn geweest.

Voorzitter. Verwacht u dat Fatima zelf aan de bel trekt om te vertellen dat haar vader en al haar broers vorig jaar zijn opgepakt en in de gevangenis zitten? Dat Shirley zelf komt vertellen dat haar moeder verslaafd is aan drugs en dat Shirley dus voor de baby van haar moeder moet zorgen? Dat Ahmed zelf komt vertellen dat hij al vijf maanden alleen woont met zijn zusje omdat zijn ouders spoorloos zijn? Neen, dat doet een kind alleen als hij zich veilig voelt. Zo is het ook met de overhaaste en ondoordachte invoering van het competentiegericht onderwijs. Gelukkig is de verplichte invoering uitgesteld, maar toch zijn veel scholen halsoverkop begonnen aan deze manier van lesgeven, met alle gevolgen van dien.

De staatssecretaris was afgelopen vrijdag net zoals ik bij de presentatie van de resultaten van de bustour van LAKS, JOB en LSVb. Deze studenten- en jongerenorganisaties maakten een bustour door het land om te inventariseren wat jongeren nu werkelijk denken van de kwaliteit van onderwijs. De actiekaarten hebben zij aan de staatssecretaris overhandigd. Slechts een kwart van de scholieren en studenten had geen klachten. Veel klachten wijzen op te weinig contact met de docent. Dat is niet alleen belangrijk als je iets niet goed begrijpt van je opdracht, maar zeker ook als het niet goed gaat of als je ergens mee zit. Een jongere heeft begeleiding nodig. Onzorgvuldig en overhaast ingevoerd competentiegericht onderwijs doet ze verzuipen. Ik hoor hier graag een reactie op.

Ik ben blij met de extra middelen om ervoor te zorgen dat er voldoende stageplaatsen zijn. Ik hoor nog te vaak dat leerlingen moeten afhaken omdat zij geen goede stageplek kunnen vinden of van stageplaats naar stageplaats sjokken omdat hun gedrag misschien wat moeilijk is. Afgelopen week las ik in de krant dat 60% van de vmbo-leerlingen niet weet welke vervolgopleiding hij of zij moet kiezen. 56% van de leerlingen in het eerste jaar van het mbo laat vervolgens weten dat zij de studiekeuze niet nog eens zouden maken als zij het opnieuw mochten doen. Een verkeerde beroepskeuze leidt ook tot voortijdige schooluitval. Het is moeilijk om jezelf te motiveren voor een opleiding waar je je niet helemaal op je plek voelt. Uit het artikel kwam naar voren dat leerlingen vaak een heel verkeerd beroepsbeeld hebben en daardoor een verkeerde keuze maken. Gelukkig zijn er ook een hele hoop goede voorbeelden, zoals een bank die een voorlichtingsmiddag houdt voor een klas of een vmbo-klas die een dag gaat meelopen op een roc in de buurt. Laat leerlingen tijdig kennis maken met de praktijk en begeleid ze goed in hun studiekeuze.

Het wetsvoorstel waarover wij praten, vereist een goede samenwerking tussen jeugdzorg en leerplicht. De laatste tijd is jeugdzorg volop in het nieuws met de wachtlijsten. Bij binnenkomst zou er een intakegesprek worden gehouden waardoor kinderen van de wachtlijst af zijn. In plaats van de benodigde tien uur, kan er soms maar drie uur zorg worden geboden. Kinderen met een speciale zorgbehoefte zitten thuis omdat het op school niet gaat en omdat er geen ondersteuning komt. Wij willen het risico niet lopen dat het op termijn weer elders gaat klemmen in de jeugdzorg. Kan de jeugdzorg deze extra druk aan die door dit wetsvoorstel op hun dak komt?

De organisatie voor leerplichtambtenaren Ingrado geeft aan dat gemeenten nog niet de helft van het vereiste aantal leerplichtambtenaren in dienst heeft dat volgens haar nodig is. Kunnen zij dit bolwerken? Als er nieuwe leerplichtambtenaren worden aangesteld van het extra budget, in hoeverre zal het dan mogelijk zijn om snel nieuwe leerplichtambtenaren aan te trekken? Gaat de staatssecretaris erop toezien dat gemeenten goed omgaan met de handhaving van de leerplicht en de besteding van het hiervoor bedoelde budget? Is het mogelijk dat leerplichtambtenaren hun bijzondere opsporingsbevoegdheid gaan halen, zodat zij snel actie kunnen ondernemen en geen beroep hoeven te doen op de politie om een sanctie op te leggen? Is het budget van 12 mln. waarover wordt gesproken, alleen bedoeld voor leerplichthandhaving of ook voor het passend maken van onderwijs? Zal het verzuim van leerlingen ook worden opgenomen in het elektronisch kinddossier? Melden alle scholen hun verzuim wel vroeg genoeg om goed actie te kunnen ondernemen? Kan en wil de staatssecretaris scholen een meldingsplicht opleggen?

Er zijn gemeenten die preventief beleid voeren en er zijn gemeenten die beleid voeren op basis van sancties waar het gaat om leerplicht. Is bekend wat het effect is van de beide manieren van beleid voeren? Het verwachte extra aantal leerlingen door deze maatregel werd net al door mijn collega's Slob en Depla aangehaald. Ook ik ben benieuwd naar de antwoorden van de staatssecretaris op vragen over huisvesting.

Eigenlijk willen wij dit allemaal. Wij willen allemaal goed onderwijs. Wij willen allemaal zo veel mogelijk leerlingen van school met een waardevol diploma, maar dat kan niet enkel en alleen bereikt worden door dit wetsvoorstel. Het is een start, maar het is belangrijk dat wij zorgen voor goede randvoorwaarden. Wij moeten er hard aan werken dat er kleinere klassen komen, dat er doorlopend zorg is voor leerlingen, dat leerlingen een praktijkgerichte opleiding krijgen met voldoende stageplaatsen, dat wij voldoende aandacht besteden aan beroepskeuzevoorlichting, dat wij leerlingen niet de dupe laten worden van onze vernieuwingsdrift in het onderwijs en dat leerplicht en jeugdzorg goed kunnen samenwerken om uitval aan te pakken. Pas dan maak je het mogelijk voor jongeren uit achterstandswijken om straks hun school met succes af te ronden. Dan is Fatima straks kapster, Shirley verkoopster bij Etos en Achmed automonteur. Wij hebben dan ons werkelijke doel bereikt. De overheid moet daarin haar verantwoordelijkheid nemen, want voortijdig schoolverlaten verminder je niet door het te verbieden, maar door het te voorkomen.

De voorzitter:

Aan mij het genoegen om u als eerste te feliciteren met uw maidenspeech. Ik schors nu om uw collega's de gelegenheid te geven, hetzelfde te doen.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De heer Van der Ham (D66):

Voorzitter. Allereerst wil ik natuurlijk mevrouw De Rooij graag van harte feliciteren met haar maidenspeech. Het was een zeer gedegen en betrokken verhaal. Als zij alle namen van de kinderen opnoemt over wie zij spreekt, heb je het gevoel dat zij ze echt kent. Dat is van belang, als je volksvertegenwoordiger bent. Dat klonk ook uit haar woorden. Ik hoop en verwacht dan ook dat zij een betrokken Kamerlid zal zijn. Het rood zal niet alleen symbool staan voor het tomaatje van de SP, maar ook voor het doorbloede hart voor de samenleving en voor dit soort onderwerpen. Dus, van harte en welkom in ons midden!

Ik feliciteer ook de heer Biskop, die zojuist zijn maidenspeech heeft gehouden. Hij had ook een mooi verhaal. Straks is er de maidenspeech van de staatssecretaris.

Het is allemaal ongelooflijk fris en nieuw. Zo voel ik mij ook een beetje, want dit is de eerste keer dat ik dit onderwerp behandel. Ik moet het overnemen van mijn fractievoorzitter. Natuurlijk doe ik dat met grote liefde. Je zou kunnen zeggen, dat wij onder vrienden zijn.

De voorzitter:

U begint nu toch wel met uw bijdrage?

De heer Van der Ham (D66):

Ja, voorzitter. Wij hebben het vandaag over de Leerplichtwet en de invoering van de kwalificatieplicht. In 2010 heeft Europa de meest competitieve en dynamische kenniseconomie ter wereld. Dat hebben wij althans zeven jaar geleden in Lissabon afgesproken. Daar streven wij ook naar.

In het kader van de Lissabondoelstelling hebben wij afspraken gemaakt over onder andere de omvang van de groep voortijdige schoolverlaters. Zo is er een vermindering afgesproken van het aantal jongeren dat geen onderwijs volgt en geen startkwalificatie heeft. Het streven is dus om dat aantal met de helft terug te brengen. Dit is een ambitieus voornemen en D66 kan dat van harte steunen. Ik ben blij dat ook het kabinet het belang hiervan onderschrijft en dat wij vandaag dus kunnen spreken over de invoering van de kwalificatieplicht.

Het vroegtijdig school verlaten is een groot maatschappelijk probleem. Mensen die zonder startkwalificatie het onderwijs verlaten, kunnen daar hun hele leven lang nadelen van ondervinden. Natuurlijk loopt het niet met elke voortijdige schoolverlater slecht af, maar feit is wel dat deze mensen in een kwetsbare positie zitten en in mindere tijden het eerst klappen krijgen. Bij een economische laagconjunctuur verliezen werknemers zonder diploma namelijk het eerst hun baan. Bij outsourcing van productie naar lagelonenlanden zijn het wederom de laag- en ongeschoolden die hun baan verliezen. Dat leidt tot werkloosheid en een toenemend beroep op de sociale zekerheid, alsook tot andere problemen.

Evenals iedereen hier aanwezig, zo is mijn inschatting, vinden wij het voorkomen hiervan beter dan genezen. Wij moeten er alles aan doen om te voorkomen dat jongeren het onderwijs verlaten zonder startkwalificatie. Dat is gemakkelijker dan ze daarna terug te halen. Een startkwalificatieplicht is wat D66 betreft daarom een stap in de goede richting.

Als wij een kwalificatieplicht gaan opleggen aan jongeren tussen zestien en achttien jaar, zonder havo-, vwo- of mbo 2-diploma, moet er natuurlijk een passend aanbod gedaan worden aan de jongeren die zich met de kwalificatieplicht geconfronteerd zien. Maatwerk en flexibiliteit zijn dan ook essentieel bij een individuele benadering.

Om schooluitval te voorkomen, is flexibiliteit van het onderwijsstelsel onmisbaar. Op het moment dat een jongere, om welke reden dan ook, vastloopt in zijn of haar huidige opleiding, mogen bureaucratische belemmeringen een overstap naar een andere opleiding niet in de weg staan. D66 is daarom blij dat voor jongeren de zogeheten derde leerweg is opengesteld, zodat zij via werk en EVC-procedures alsnog een startkwalificatie kunnen binnenhalen. Bij flexibiliteit hoort wat D66 betreft ook de mogelijkheid om te stapelen. De Onderwijsraad concludeerde verleden jaar dat de overstap van het vmbo naar de havo lastig is en ontmoedigd wordt. In hoeverre herkent de staatssecretaris dit en wat gaat zij daaraan doen?

Verleden jaar constateerden de onderwijsinspectie en het interdepartementaal beleidsonderzoek beroeps- en volwasseneneducatie dat de grootschalige roc's leerlingen nog te veel als een nummer zien en dat de zorgstructuur niet voldoende ontwikkeld is. De vorige minister erkende dit probleem en heeft hiervoor inmiddels extra middelen ter beschikking gesteld. Graag verneem ik van de huidige staatssecretaris welke maatregelen daaruit gefinancierd worden. Is er nu meer begeleiding bij de overstap tussen vmbo en mbo, is er ruimte voor individuele assessments, krijgen leerlingen een mentor of een coach toegewezen en komt er meer aandacht voor de rol en de autonomie van de docent, zodat zij ook de ruimte krijgen om maatwerk te leveren? Graag verneem ik het antwoord van de staatssecretaris. Mevrouw De Rooij sprak in dit verband nog over de stages en de stagebegeleiding. Dat is een essentieel onderdeel.

In het schooljaar 2005-2006 telden wij nog steeds een kleine 57.000 vroegtijdig schoolverlaters. In 2010 moeten dit er nog maar 35.000 zijn. Duidelijk moge zijn dat er nog heel veel moet gebeuren, sterker nog: de beleidsdoelen die wij zeven jaar geleden afspraken, zijn al ernstig in gevaar. Het invoeren van een kwalificatieplicht is daarom mooi. Het heeft de steun van de fractie van D66, maar, nogmaals, dit is niet genoeg. Wat mijn fractie betreft, starten wij de aanval op de uitval al vroeg in de schoolcarrière van een kind. Het CPB-rapport van juli vorig jaar over dit probleem toont aan dat voor- en vroegschoolse educatie een van de effectiefste manieren is om vroegtijdige schooluitval tegen te gaan. Voor- en vroegschoolse educatie moet breed beschikbaar zijn en goed aansluiten op het reguliere onderwijs. Aan het bestrijden van achterstanden bij kinderen op jonge leeftijd moet aandacht worden besteed. Die aandacht moet gedurende de leerloopbaan worden voortgezet. Ik lees in het verslag van de Inspectie van het onderwijs dat 25% van de leerlingen in de basis- en kaderberoepsgerichte leerweg zijn leerboeken niet kan lezen. Daaruit trek ik de conclusie dat wij ergens tekortschieten. Deze functioneel analfabeten lopen grote kans, voortijdig schoolverlater te worden. Deze jongeren bevinden zich bovendien in de kwetsbaarste leeftijdscategorie voor wat betreft het voortijdig schoolverlaten. Voor de leeftijdscategorie vanaf vijftien jaar moet preventie van vroegtijdige schoolverlating dan ook prioriteit nummer één zijn. Ik hoor graag ook hierop de reactie van de staatssecretaris.

Ik maak ten slotte twee korte opmerkingen over de amendementen. De heer Biskop heeft een amendement ingediend waarvoor mijn fractie sympathie heeft. Mijn fractie hoort alleen nog graag van de staatssecretaris wat er de consequenties van zouden zijn. Hoeveel gaat het kosten? Is het echt nodig? Mijn fractie vindt dit in ieder geval een zeer sympathiek amendement. Dit geldt ook voor het amendement van de heer Depla.

Zoals anderen hebben gezegd over de aanpak van dit grote maatschappelijke probleem, vind ook ik dit een zeer goede stap in de richting. Er zal alleen eveneens moeten worden gewerkt aan kleinere klassen, betere begeleiding, betere docenten, meer docenten, beter betaalde docenten, ook juist in de wijken waar het zo ongelooflijk moeilijk is. Via een pakket aan maatregelen kunnen wij ervoor zorgen dat jonge mensen, ook in achterstandswijken of met een achterstand in andere zin het beste van hun leven kunnen maken. Dat is een gemeenschappelijk doel, voor welke "couleur" wij hier ook in het parlement zijn.

De heer Bosma (PVV):

Voorzitter. De zweetplekjes hier op de grond maken duidelijk dat wij vandaag twee mensen met maidenspeeches hebben gehad. Vorige week leek het eerste debat met minister Plasterk en twee debutanten al een beetje op een staande receptie.

Collega Biskop ken ik een beetje als mijn achterbuurman in de bankjes. Jammer dat mijn partij weinig rugdekking van hem krijgt, maar dat komt nog. Leuk voor hem dat hij het spits heeft afgebeten. Hij brengt veel ervaring mee uit het Brabantse. Het getuigt van lef dat hij meteen tijdens zijn eerste debat een amendement heeft ingediend.

Mevrouw De Rooij is ook een echt talent met veel passie. Ik ga dit jaar in ieder geval naar Pinkpop om een beetje een idee te krijgen van het huidige aantal voortijdig schoolverlaters. Wat mij betreft, krijgt dit parlement er een dikke plus bij. Het is jammer dat mevrouw Verdonk niet meedoet, anders hadden wij er drie gehad. In vak-K zit de laatste debutant: de nieuwe staatssecretaris. Daarmee houdt het debutantenbal echt op. Wij zien uit naar een vruchtbare samenwerking. Deze staatssecretaris valt in ieder geval met haar neus in de boter. Vandaag is er namelijk een onderwerp aan de orde dat het hart van de onderwijsproblematiek vormt: schooluitval. Schooluitval is een drama in Nederland. Ik kan het niet anders noemen. Er waren 57.000 uitvallers in het schooljaar 2004-2005. 23,5% van de leerlingen verlaat school zonder diploma. Dat is bijna een kwart. Gelukkig komt een gedeelte daarvan toch nog goed terecht. Dat vindt gewoon een baan of komt later alsnog terug in de schoolbanken. Hoe dan ook, in deze cijfers mogen wij niet berusten.

Kwalificatieplicht is een stap in de goede richting. Om te beginnen maakt het een einde aan de moeilijke handhaafbaarheid van de partiële leerplicht. Dat is winst. Het zorgt er ook voor dat jongeren voor de juiste keuze worden gesteld: leren of werken. Het is goed dat de mogelijkheid om op een uitkering te teren niet meer wordt genoemd, want een zestien- of zeventienjarige die gezond van lijf en leden is, moet gewoon bezig zijn. Ledigheid is des duivels oorkussen. Ik moet vaststellen dat dit wetsvoorstel slechts deel I is van de uitvoering van de motie-Verhagen uit 2005, waarmee gedoeld werd op jongeren tot 23 jaar. Vandaag praten wij slechts over zestien- en zeventienjarigen. Wat gaat het kabinet met de rest van de groep doen? Welke maatregelen worden genomen om die groep in beweging te brengen? De problemen onder negentienjarigen zijn zeker niet minder groot dan die onder zeventienjarigen. Schooluitval is ook niet zo maar voorbij op de achttiende verjaardag. Wie gaat dit oppakken? Het zou nog niet duidelijk zijn welk ministerie zich hiermee gaat bezighouden. Is dit het ministerie van Onderwijs, van Sociale Zaken, of wordt het het nieuwe departement van vicepremier Rouvoet? Hierover schijnt gesteggeld te worden. Dat mag niet langer duren, want daarvoor is het probleem te erg. Wie o wie gaat dit dus doen?

Ik ben benieuwd wat het kabinet op dit punt gaat doen. Mijn fractie dringt aan op een snelle voorbereiding en realisatie van een hernieuwd wetsvoorstel voor de leer-werkplicht. De fractie van de PVV pleit voor een meldingsplicht voor mensen zonder startkwalificatie die niet meer leerplichtig zijn, zodat deze jongeren in beeld komen en adequaat kunnen worden begeleid naar een scholings- of leer-werktraject. Waarmee gaat het kabinet komen?

De kwalificatieplicht is zeker niet de panacee voor alle kwalen; er kunnen kanttekeningen genoeg bij worden geplaatst. Om te beginnen werkt alleen dwang niet. Als scholen jongeren niet weten te motiveren, kan een leerplichtambtenaar dat zeker ook niet. Dat wil niet zeggen dat deze leerplichtambtenaar daarom dan maar niet in actie moet komen, integendeel. Alleen de harde hand is echter niet genoeg. Wij zien bijvoorbeeld al heel veel schooluitval in het mbo, uitgerekend het terrein waar straks het nieuwe leren zich nog veel meer zal laten gelden. Dit betekent nóg meer uren googelen en het zinloos vullen van competentiemappen. Beter onderwijs begint met gemotiveerde leraren die lesgeven aan gemotiveerde leerlingen, niet met een leerplichtambtenaar.

Juist het vmbo, dat de ingang moet zijn van het mbo, kent enorme problemen. Opleidingen als de mavo en de lts gingen uiteindelijk op in het grote vmbo. Mijn fractie is altijd voorstander geweest van de terugkeer van de ambachtsschool, waar jonge mensen met twee rechter handen weer gewoon praktisch in de weer kunnen zijn. Juist praktijkgericht onderwijs kan mensen die ook voor de leerplichtambtenaar ongrijpbaar zijn, binnenboord houden.

Jongeren worden straks opgeleid voor een diploma, maar wat stelt zo'n diploma nog voor? Steeds meer ondernemers klagen erover dat iemand met een diploma steeds minder weet en slechter inzetbaar is. Ook de organisatie Beter Onderwijs Nederland wijst hierop. Het laatste wat moet gebeuren, is dat er onder invloed van deze wet straks nog wel volop diploma's worden uitgereikt, maar dat die steeds minder betekenis hebben. Het mag zeker niet betekenen dat de kwaliteitseisen naar beneden worden geschroefd. Wat gaat de staatssecretaris op dit vlak doen?

In een aantal gemeenten krijgen jongeren geen bijstandsuitkering meer, bijvoorbeeld in Amsterdam. Dit is een goede zaak, want ik herhaal dat wie gezond is, moet werken. Ik weet dat deze staatssecretaris niet gaat over bijstandsuitkeringen en dat zelfs de minister van Sociale Zaken inmiddels nog maar een beperkte invloed heeft op de bijstand, omdat dit een zaak van de gemeenten is. Het zou echter goed zijn als er een landelijke richtlijn komt, waarin staat dat er geen bijstandsuitkeringen meer worden verstrekt aan jongeren. Het regeerakkoord leek al een beetje in die richting te gaan. Ik wil graag meer duidelijkheid van de regering op dit punt.

Ik kom op de handhaving. De rechter kan boetes tot zelfs meer dan € 2200 uitdelen aan wie niet op school komt. Dit is een goede zaak, want wie niet horen wil, moet maar voelen. Volgens de Raad van State stuiten leerplichtambtenaren echter op het probleem dat de boetes moeilijk te verhalen zijn op de ouders. Zo komen armlastige jongeren hiermee gemakkelijk weg. Als dit klopt, moet hieraan een einde komen, want ouders moeten hun verantwoordelijkheid nemen. Het wordt tijd dat niet betaalde boetes automatisch voor rekening komen van de ouders. Wie graag stoer wil doen door te spijbelen, moet op de blaren zitten. Is de handhaving op orde? Staan de gemeenten klaar om in actie te komen en leerplichtambtenaren te dirigeren naar de probleemhaarden?

Deze maatregel kost nogal wat geld. In 2009 gaat het zelfs om 131 mln. In "Het Marokkanendrama", het nieuwe boek van Fleur Jurgens, staan schrikbarende cijfers. Zeven op de tien Marokkaanse jongeren, dus 70% verlaat school zonder diploma. Het betreft Amsterdam, maar mijns inziens is het in wezen een landelijk cijfer. Dit betekent dat het Nederlandse immigratiebeleid zich in dit debat en dit probleem opnieuw doet gelden. Het geld dat wij vandaag alloceren voor deze kwalificatieplicht, moeten wij dus voor een groot gedeelte optellen bij de kolossale bedragen die de Nederlandse belastingbetaler toch al moet ophoesten voor het multiculturele experiment. Dit is opnieuw een bewijs dat een goed onderwijsbeleid begint met een goed immigratiebeleid.

De heer Dibi (GroenLinks):

Voorzitter. Ik word omringd door voortijdige schoolverlaters. Het zijn vooral jongens, maar soms ook meisjes, die het woord "kwalificatieplicht" niet eens kunnen spellen, laat staan definiëren. Ik wordt ook omringd door potentiële voortijdige schoolverlaters. Ook dit zijn vooral jongens. Zij gaan wel naar school, maar spoken daar niets uit. Althans, zij eten en drinken in de klas, telefoneren, en genieten van de laatste toevoeging aan hun iPod. Je zou denken dat deze jongeren niet worden opgeleid, maar dat worden zij natuurlijk wel. Zij worden opgeleid om de achterstandspositie van hun ouders te erven en een nummertje te worden in allerlei probleemstatistieken.

Dit kabinet kent de oorzaken van voortijdig schoolverlaten en is klaar voor de aanval op de uitval. De GroenLinksfractie wil niets anders dan hieraan een bijdrage leveren. Ook wij willen deze vicieuze cirkel graag doorbreken. Ik vraag mij echter af waarom wij het sluitstuk van de aanval op de uitval bespreken terwijl het offensief nog niet eens is ingezet. In de beleidsnota Aanval op de uitval, die later nog eens is aangehaald door de Raad van State, wordt deze volgorde vergeleken met dweilen met de kraan open. Ik verneem hierop graag de reactie van de staatssecretaris.

Onder het motto "voorkomen is beter dan genezen" kiezen wij voor een preventieve aanpak die overeenkomt met de aanval op de uitval. Daaraan hebben wij echter nog wel een en ander toe te voegen. Spijbelaars dienen beter te worden aangepakt. Er dient meer toezicht door de leerplichtambtenaren te komen op de naleving van de Leerplichtwet 1969. Zoals mevrouw De Rooij al stelde, kampen de leerplichtambtenaren echter zelf met capaciteitsproblemen. Wat zal de staatssecretaris, in samenspraak met de gemeenten, ondernemen om ervoor te zorgen dat elke gemeente voldoende leerplichtambtenaren heeft om de voortijdige schoolverlaters in kaart te brengen?

Het is van belang om in het onderwijs meer aandacht te schenken aan de vraag hoe en wanneer een startkwalificatie is behaald en hoe belangrijk dit is voor de latere arbeidsmarktpositie. Hierbij moeten de ouders worden betrokken.

Er valt nog veel te winnen in het extra belonen van leraren die veel achterstandsleerlingen onderwijzen. Met steun van de PvdA, SGP, LPF, VVD en ChristenUnie is een motie van mijn partijgenoot Vendrik hierover aangenomen. In het regeerakkoord is opgenomen dat wordt ingezet op belonings- en functiedifferentiatie. Dit sluit naadloos aan op de motie-Vendrik. Wanneer en hoe zal de staatssecretaris uitvoering geven aan deze motie?

In de aanval op de uitval staat het regelen van stageplekken hoog op de agenda. Er wordt al heel erg lang over de stageproblematiek gesproken. Deze hangt samen met discriminatie, maar ook met het feit dat deze jongeren niet in staat zijn om zichzelf goed te presenteren. Wat vindt de staatssecretaris ervan om voor eens en altijd de stageplicht in te stellen? Deze zou kunnen worden neergelegd bij de onderwijsinstellingen die worden verplicht om, in samenwerking met de gemeenten en bedrijven, voor alle leerlingen een passende stage te vinden?

De kosten van het uitvoeren van het noodzakelijke plan voor de aanval op de uitval zijn hoog. Het is merkwaardig dat de staatssecretaris 155 mln. bezuinigt op het mbo door de peildatum te verschuiven van 1 oktober naar 1 april. Wij zien in dat deze verschuiving een noodzakelijke prikkel vormt voor instellingen om jongeren zo veel mogelijk binnenboord te houden. De instellingen hebben het geld echter hard nodig. Is de staatssecretaris bereid om het mbo minimaal te compenseren voor deze bezuiniging van 155 mln. en misschien zelfs nog iets extra te geven om de aanval op de uitval echt handen en voeten te kunnen geven?

Hoewel leerplichtambtenaren ernstig tekortschieten in hun toezicht op de naleving van de Leerplichtwet, wil het kabinet via een kwalificatieplicht jongeren tot hun achttiende verjaardag op school houden. Wanneer een scholier dan toch niet slaagt in het behalen van een startkwalificatie, is het voor de politiek einde verhaal. Een achttienjarige is nu eenmaal meerderjarig. Het kabinet stelt zelf dat een generieke kwalificatieplicht moeilijk toepasbaar is. Dit roept de vraag op of de invoering van de kwalificatieplicht niet gewoon een verlening van de leerplicht tot 18 jaar is. De staatssecretaris zegt zelf dat deze verlenging onvoldoende bijdraagt aan het door zoveel mogelijk jongeren laten behalen van een startkwalificatie. Verschillende onderzoeken wijzen dit uit. Het is opvallend dat de staatssecretaris bovendien ook zegt dat de invoering van een kwalificatieplicht hoge kosten bespaart in vergelijking met een verlenging van de leerplicht en voorkomt dat wij zouden indruisen tegen internationale regelingen. Ik vraag daarom aan de staatssecretaris of de kwalificatieplicht niet gewoon een vermomde maar goedkopere verhoging van de volledige leerplicht is.

"Gij zult een startkwalificatie behalen." Deze boodschap zendt het kabinet aan jongeren. Ook aan jongeren die de diploma's vmbo 1, vmbo 2 of vmbo 3 en mbo 1 behalen. Welke waarde hebben deze jongeren? Is het vereiste niveau van de startkwalificatie voor eenieder noodzakelijk? Tot slot sluit ik mij aan bij mevrouw De Rooij, die ik overigens net als de heer Biskop nog feliciteer met haar maidenspeech, wanneer zij zegt dat het voorkomen van schoolverlaten beter is dan het verbieden ervan.

De heer Slob (ChristenUnie):

U begon heel indringend met aan te geven dat u in uw omgeving jongeren ziet die het risico lopen dat zij niet goed terechtkomen in de samenleving, als zij niet uitkijken. Maar aan het eind vroeg u zich min of meer af wat dit voorstelt, of het wel echt nodig is dat jongeren een startkwalificatie behalen. Hoe is het begin van uw betoog te rijmen met het eind ervan? U laat mij nu in verwarring.

De heer Dibi (GroenLinks):

Ik vind het van belang om aan te geven dat het behalen van een startkwalificatie goed is, maar dat het in ieder geval belangrijk is om te voorkomen dat jongeren in allerlei problemen komen. Een startkwalificatie is belangrijk, maar als jongeren een andere weg vinden, bijvoorbeeld als zij op hun zestiende besluiten om te gaan werken als zij vmbo 1, 2 of 3 of mbo 1 hebben gehaald, waardoor zij vervolgens toch nog succesvol kunnen deelnemen in de samenleving, dan heb ik daar ook geen moeite mee. Wat ik aan het eind van mijn betoog wilde aangeven, is dat wij deze kwalificatieplicht niet moeten opblazen. Zo heeft in Vlaanderen het verhogen van de leerplichtige leeftijd tot zchttien jaar tot een grotere uitstroom van leerlingen geleid. Wij moeten de kwalificatieplicht in het juiste perspectief zien en ik vind dan ook dat wij er niet veel meer van moeten maken dan wat het is.

De heer Van der Ham (D66):

Jongeren van zestien jaar kunnen in het algemeen na het vmbo wel werk vinden. Ik heb zelf op een mavo gezeten en heel veel leerlingen die afgestudeerd waren, konden onmiddellijk werk vinden. Maar de jongens en meisjes die dit hebben gedaan, zijn eerder de pineut wanneer het economisch tegenzit. Ziet u dit ook? En overigens ben ik er ook wel benieuwd naar of uw fractie voor of tegen het wetsvoorstel zal stemmen.

De heer Dibi (GroenLinks):

In tijden van recessie zijn niet alleen dit soort jongeren het slachtoffer, maar ook anderen die werken. Dit is een steeds terugkerend verschijnsel, dus nogmaals, wij moeten dit in het juiste perspectief zien. Dit wetsvoorstel is een prima sluitstuk, maar het kan pas als sluitstuk dienen na een hele aanval op de uitval. Natuurlijk begrijp ik ook wel dat dit een goede aanvulling op het instrumentarium van de leerplichtambtenaar zou zijn waarmee die ervoor kan zorgen dat deze kinderen een startkwalificatie halen, maar leerplichtambtenaren hebben nu ook al allerlei instrumenten in handen om ervoor te zorgen dat jongeren tot hun 17-de op school blijven.

De heer Van der Ham (D66):

Ik geloof dat alle woordvoerders wel hebben aangegeven dat er nog veel meer moet worden gedaan, maar u bent heel kritisch, dus ben ik heel benieuwd of uw fractie uiteindelijk voor of tegen dit wetsvoorstel zal stemmen.

De heer Dibi (GroenLinks):

Ik wacht even de reactie van de staatssecretaris af, als u het niet erg vindt.

De voorzitter:

Dit is pas de eerste termijn, mijnheer Van der Ham, u bent heel haastig.

De heer Van der Ham (D66):

Maar ik mag het natuurlijk wel vragen, en ik weet nu het antwoord.

De voorzitter:

Inderdaad.

De heer Van der Vlies (SGP):

Voorzitter. Dit wetsvoorstel is een aanzienlijk afgeslankte versie van het oorspronkelijk ingediende voorstel. Bij de indiening was het de bedoeling om naast de invoering van een kwalificatieplicht, waarover wij nu spreken, een informatieplicht en een leer-werkplicht te regelen. Het advies van de Raad van State gaf echter aanleiding om nader te bezien of het voorstel op deze punten overeenstemde met de Grondwet en met internationale regelingen. Onze fractie heeft hier begrip voor. Tegelijkertijd moeten wij beseffen dat het bij het bestrijden van voortijdig schoolverlaten om een urgente kwestie gaat. Het komt helaas nog op veel te grote schaal voor dat leerlingen de school zonder startkwalificatie verlaten. Deze kwetsbare groep jongeren verdient bijzondere aandacht. De ambitie om het aantal voortijdig schoolverlaters aanmerkelijk te laten afnemen – deze ambitie heeft ook een internationale dimensie – vraagt om een adequaat beleidsinstrumentarium. Met de beoogde leer-werkplicht kan er aan jongeren maatwerk worden geboden, waarmee zowel deze jongeren als de samenleving gediend zijn. Daarom vraag ik de staatssecretaris wanneer het wetsvoorstel ter introductie van een leer-werkplicht de Kamer zal bereiken.

De SGP-fractie deelt van harte het streven om meer jongeren aan een startkwalificatie te helpen. Daarbij moeten wij echter wel realistische doelstellingen hebben. Terecht wijst de regering erop dat bepaalde groepen jongeren nooit een startkwalificatie zullen kunnen behalen. Zij vallen dan ook niet onder het bereik van het wetsvoorstel. In de nota naar aanleiding van het verslag staat op pagina 9 dat het daarbij gaat om ongeveer 5% van de totale populatie. Het betreft jongeren uit het praktijkonderwijs als ook zeer moeilijk lerende en meervoudig gehandicapte jongeren. Hoe verhoudt dit zich overigens tot het gegeven op pagina 10 van de nota naar aanleiding van het verslag dat na invoering van de kwalificatieplicht maximaal 160.850 jongeren uit een cohort van 196.300 een startkwalificatie zullen behalen? Dat is dus een kleine 82%. Dat is veel minder dan de 95% van zojuist. Moet of mag daaruit de conclusie worden getrokken dat de regering verwacht dat 13% van de jongeren na hun achttiende alsnog tot een startkwalificatie kan worden geleid? Ik wil die ambitie niet temperen, maar ik vraag mij wel af of deze verwachting realistisch is. Er kunnen immers ook nog andere redenen dan de reeds genoemde zijn waardoor jongeren geen startkwalificatie halen. Denk aan sterke motivatieproblemen of sociaal-psychische problemen.

Het voorstel om een kwalificatieplicht tot 18 jaar in te voeren is een begrijpelijke stap en een wezenlijk onderdeel in de totale aanpak van het voortijdig schoolverlaten, de aanval op de uitval. Het is een wezenlijk onderdeel en misschien zelfs sluitstuk, maar dan toch. Als die andere instrumenten nog niet kunnen, waarom dan dit al niet voorgesorteerd en ingezet? Dat is een beetje onze praktische benadering. Het geeft ook een heldere norm die beter kan worden gehandhaafd dan de nu bestaande partiële leerplicht na het zestiende levensjaar.

Op welke manier is de regering voornemens erop toe te zien dat de handhaving van de nieuwe leerplicht ook daadwerkelijk wordt verbeterd? Dit moment blijken er geen landelijke richtlijnen te bestaan voor de handhaving door gemeenten. Ik vraag de staatssecretaris dan ook om de handhaving van de leerplicht goed te monitoren en zo nodig alsnog landelijke richtlijnen te laten ontwikkelen.

Mijn fractie is altijd terughoudend geweest ten aanzien van de uitbreiding van de leerplicht. Dat heeft een hele historie, maar daar ga ik nu aan voorbij. Nu gaat het om een beperkte doelgroep, een kwetsbare doelgroep die een steuntje in de rug nodig heeft gezien de bestaande problemen die zij in de samenleving hebben. Gezien die context steunt mijn fractie dit voorstel.

Voor de financiering van de huisvestingscomponent wordt in de nota naar aanleiding van het verslag verwezen naar de aanstaande voorjaarsnota. Kan daar inmiddels wat meer over worden gezegd? Het is toch wel een knelpunt en het moet bekwaam worden aangepakt en, kan het zijn, ook op korte termijn worden opgelost.

In de schriftelijke voorbereiding is aan de orde geweest of de grens van 18 jaar voor een kwalificatieplicht wel zo voor de hand ligt. De regering heeft duidelijk aangegeven dat een aanzienlijke uitbreiding ervan, bijvoorbeeld tot 23 jaar, alleen al gezien de te verwachten opbrengsten niet proportioneel is. Of dit ook geldt voor een uitbreiding tot bijvoorbeeld de leeftijd van negentien jaar is echter niet geheel duidelijk. De regering stelt bijvoorbeeld op pagina 4 van de nota naar aanleiding van het verslag dat de effecten in termen van startkwalificatiewinst bij een verlenging van de kwalificatieplicht na het negentiende jaar minimaal zijn. Wordt hier wellicht het achttiende jaar bedoeld, zo vraag ik heel bescheiden. Kan dit nader worden toegelicht?

Uiteraard zal er via de leer-werkplicht zoveel mogelijk aan moeten worden gedaan om jongeren zoveel mogelijk naar een startkwalificatie te geleiden. Daarbij is maatwerk onmisbaar. Ik constateer overigens met instemming dat de regering op dit punt niet stilzit, gelet ook op de informatie die gisteren over de stimuleringssubsidie werd gepubliceerd.

In dit verband wil ik aandacht vragen voor de jongeren die wellicht al jaren een baan hebben, maar nog geen startkwalificatie. Is het de bedoeling het beleid ook actief op deze jongeren te richten, zodat zij met gebruik van inmiddels verworven competenties alsnog in aanmerking komen voor een startkwalificatie? Wat vindt de regering in dat verband van het pleidooi van Ingrado voor een meldingsplicht voor niet meer leerplichtige jongeren?

Ondertussen moeten wij ons niet alleen richten op het begrip startkwalificatie en doen alsof daarmee alles gezegd zou zijn. Ik ken jongeren zonder een startkwalificatie die een prima plek op de arbeidsmarkt hebben gevonden. De geheel andere situatie komt helaas ook voor. Er zijn dus meer factoren in het spel. Ik noemde al het brede spectrum van de sociaal-psychische problemen. Het beleid ten aanzien van jongeren vraagt nadrukkelijk om een integrale benadering die ook de situatie buiten het onderwijs betreft. Ik ga er dan ook van uit dat bij het beleid voor het tegengaan van het voortijdig schoolverlaten naast de staatssecretaris voor Onderwijs, ten minste de ministers van Sociale Zaken en voor Jeugd en Gezin betrokken zijn. Graag krijg ik op dit punt een toezegging.

De vergadering wordt van 17.01 uur tot 18.30 uur geschorst.

De voorzitter:

Aan de orde is de eerste termijn van de regering. Wij kunnen de staatssecretaris geen maidenspeech toestaan, dus interrupties zijn toegestaan.

Staatssecretaris Van Bijsterveld-Vliegenthart:

Voorzitter. Ik vind het een eer om hier te mogen staan en vooral een eer om in te gaan op datgene wat in de eerste termijn is ingebracht. Van alle sprekers gaat veel engagement en betrokkenheid uit bij het onderwerp dat wij vandaag behandelen. Heel treffend vond ik de woorden van mevrouw De Rooij van de SP-fractie. Zij beschreef een aantal individuele situaties waarbij het zo duidelijk wordt waar het uiteindelijk om gaat. Het gaat om mensen. Wij moeten ervoor zorgen dat mensen daadwerkelijk tot hun recht komen.

Het motto van dit kabinet is "Samen werken, samen leven". Dat geldt zeker voor het meedoen van mensen op de arbeidsmarkt. Daar is deze kwalificatieplicht nadrukkelijk op gericht. Het gaat enerzijds om het recht van mensen om hun talenten te ontplooien, anderzijds om het tot hun recht laten komen van mensen op de arbeidsmarkt, het leveren van een bijdrage aan de samenleving en het in staat zijn tot zelfstandigheid. Het is geen technisch voorstel. Het is een heel mooi voorstel. Eigenlijk heeft Nederland vanavond een wereldprimeur. Er is geen land dat daadwerkelijk de kwalificatieplicht tot achttien jaar gaat invoeren. Wij kennen veel landen met een leeftijdsgrens van zestien jaar, maar tot achttien jaar is een hele stap verder. Ik heb begrepen dat Engeland dit voorstel op de voet volgt en overweegt om het in te voeren. Dat is alleen maar mooi. Zo zijn wij toch weer een beetje dat gidsland dat wij graag willen zijn.

Het voorstel is heel belangrijk omdat de mogelijkheid om jongeren vast te houden op school essentieel is om hun straks een toekomst te bieden. De kwalificatieplicht zal leiden tot heel wat meer jongeren die daadwerkelijk de startkwalificatie halen. Dat zullen wij straks met elkaar moeten meten en vaststellen. Zoals het ernaar uitziet zullen dat ongeveer 13.000 tot 19.000 jongeren meer zijn. Dat is zeer de moeite waard. Daarom ben ik blij dat dit de eerste wet is die ik hier mag behandelen. Ik bedank de woordvoerders van de fracties nogmaals voor hun inbreng en commitment en de gehouden maidenspeeches.

Mijn beantwoording is opgebouwd uit een aantal elementen. Ik zal beginnen met de leer-werkplicht waarover veel is gezegd. Vervolgens zal ik de kwalificatieplicht op een aantal punten toelichten en ingaan op de kwalificatieplicht als sluitstuk voor de aanpak van het vroegtijdige schoolverlaten, de leerplichthandhaving, de financiering en uiteindelijk de implementatie van het wetsvoorstel. Ik probeer dit binnen de tijd te doen die mij gegeven is. Ik hoor graag wanneer ik te lang bezig ben, maar dat zal zeker gebeuren.

De kwalificatieplicht is inderdaad de eerste etappe van de stap naar meer ruimte en meer gebondenheid van mensen om daadwerkelijk tot kwalificatie te komen en zodoende sterker op die arbeidsmarkt te staan. Natuurlijk had ik graag het hele wetsvoorstel rond de leer-werkplicht tot 23 jaar gepresenteerd. De Raad van State heeft hier echter kritische kanttekeningen bij geplaatst. Het gaat dan met name om het feit dat de leer-werkplicht voor meerderjarigen te veel internationaal-rechtelijke en grondwettelijke twijfels oproept. Wij hebben toen moeten kiezen. Wij hadden de hele wet kunnen aanpassen en aan de slag kunnen gaan met de totale wet, inclusief kwalificatieplicht. Daarvoor hebben wij niet gekozen, ook omdat het probleem te urgent is. Wij hebben ervoor gekozen, de kwalificatieplicht eruit te lichten en hier vandaag voor te leggen. Uit de reacties vanuit de fracties merk ik dat dit een heel breed draagvlak heeft. De leer-werkplicht is in het regeerakkoord inmiddels aangevuld tot 27 jaar. Dat moet dus aan de orde komen. Omdat er een link is gelegd met de Wet werk en bijstand, zal dat onder leiding van minister Donner gebeuren. Minister Rouvoet en ik zullen hem daarbij steunen.

Het is belangrijk dat wij de stap zetten naar de kwalificatieplicht. De partiële leerplicht leverde op het punt van de handhaafbaarheid immers problemen op. Juist het oprekken naar de leeftijd naar achttien jaar zal minder schooluitval tot gevolg hebben tijdens de eerste twee jaar van het mbo en bij de overgang van vmbo naar mbo. Met die maatregel is het immers mogelijk om die jongeren vast te houden, wat van belang is. Jongeren zullen te maken krijgen met een volledige leerplichttermijn. Zij moeten een startkwalificatie behalen. Met die maatregel is betere handhaving mogelijk in het voltijdonderwijs: het havo, het vwo, de bol en de bbl. Vanuit het veld is er veel steun voor de kwalificatieplicht. Daaruit blijkt dat wij met de kwalificatieplicht daadwerkelijk tegemoetkomen aan de wensen op lokaal en regionaal niveau.

De kwalificatieplicht tot achttien jaar zal op zichzelf geen gevolgen hebben voor deelname aan het speciaal onderwijs. Dat gebeurt namelijk via de inhoudelijke indicatiestelling. Vervolgens zal worden bepaald of aanspraak kan worden gemaakt op speciaal onderwijs en of er sprake zal zijn van een leerlinggebonden financiering. Staatssecretaris Dijksma is de eerstverantwoordelijke voor passend onderwijs. Zij gaat op dit moment na hoe zij daaraan ook in de toekomst een goede invulling kan geven. Ik ben het ermee eens dat ook de leerlingen die gebruikmaken van die onderwijsvorm hun talenten op een goede manier moeten kunnen ontwikkelen. Daaraan wordt dan ook hard gewerkt.

De heer Depla (PvdA):

De staatssecretaris heeft terecht geschetst hoe de indicatiestelling werkt. Ik heb de kwestie van het speciaal onderwijs ook aan de orde gesteld, omdat er momenteel kinderen thuis zitten. En niet voor niets is in het regeerakkoord het opruimen van die wachtlijst als prioriteit opgenomen. Ik wil dat de staatssecretaris expliciet zegt dat de vrijstelling in de toekomstige wet niet mag leiden tot een vrijstelling om die kinderen les te geven.

Staatssecretaris Van Bijsterveld-Vliegenthart:

Nee, overeind blijft dat die jonge mensen ook de kans moeten hebben om hun talenten te ontwikkelen. Zij moeten in beeld blijven en zo goed mogelijk worden opgeleid. De praktijkschool zit er dicht tegenaan. De vrijstelling in de toekomstige wet mag inderdaad niet leiden tot het loslaten van die jongeren. Dat zou contraproductief werken. Natuurlijk zullen wij er scherp op toezien dat dat niet gebeurt. De ervaring leert echter dat de praktijkschool leerlingen, als het enigszins kan, verder wil leiden. Dat zal met de toekomstige wet niet veranderen. Het gaat erom de jongeren die het echt kunnen als het ware beet te pakken met de intentie dat zij hun doelen realiseren. Jongeren met de leeftijd van achttien jaar zijn vaak door de moeilijke periode heen. Ouders van jongeren in 2-mbo hopen vaak dat die hun school af weten te maken. Als dat niet gebeurt, treedt de regelgeving voor jongeren tot en met 23 jaar in werking. Ik doel op de rol van het RMC en de plicht van het RMC om waar mogelijk jongeren tot een startkwalificatie te leiden. Die blijft recht overeind.

De heer Dibi (GroenLinks):

De staatssecretaris zegt dat een jongere van achttien jaar zonder startkwalificatie buiten beeld blijft bij de kwalificatieplicht. De leerplicht is dan moeilijk toepasbaar. Wat is het verschil tussen de kwalificatieplicht en een verhoging van de leerplicht naar achttien jaar?

Staatssecretaris Van Bijsterveld-Vliegenthart:

Dat is een groot verschil. Bij de kwalificatieplicht hebben mensen tot achttien jaar de plicht om op school te zitten totdat zij een mbo 2-, havo- of vwo-diploma hebben behaald. Een volledige leerplicht betekent dat leerlingen die al het mbo 2 of het vwo hebben afgerond op school moeten blijven. De heer Depla heeft al gezegd dat het een diplomaverplichting is. Dat is iets anders dan een volledige leerplicht.

De voorzitter:

Ik geef de heer Dibi nog een keer het woord. Ik zeg erbij te proberen om dit debat om half acht af te ronden met het oog op het volgende debat.

De heer Dibi (GroenLinks):

Wat gebeurt er onder de kwalificatieplicht als iemand de startkwalificatie niet haalt? Wat is het verschil met verhoging van de leeftijd voor de algemene leerplicht?

Staatssecretaris Van Bijsterveld-Vliegenthart:

Kinderen moeten tot hun achttiende verjaardag naar school. Na het achttiende jaar treedt in werking wat tot op heden gold voor andere leerlingen die buiten de leerplicht vielen. Ik noem het RMC en het werken aan de leer-werkplicht tot 27 jaar. Dan is immers de gehele groep in beeld.

De heer Biskop vroeg naar het waarom van het overgangsjaar. Hij heeft daarvoor een amendement ingediend. Ik waardeer het lef en de moed om bij zijn eerste optreden een amendement in te dienen. Dualisme is immers ook in de Kamer heel relevant. Vanuit mijn positie leven er echter bezwaren. Wij kaarten de wet de komende week hier af. Vervolgens gaat die voor behandeling naar de Eerste Kamer. Daarna moet die nog in de Staatscourant verschijnen. Als het een beetje tegen zit, is dat pas half mei of eind mei. Dat kan gebeuren, gezien het soms lage tempo van behandeling in de Eerste Kamer.

Dat betekent dat jongeren die nu nietsvermoedend op het vliegtuig naar Torremolinos stappen, drie maanden later ineens een plicht blijken te hebben om weer naar school te gaan. Dit zal veel vergen van de huidige leerplichtcapaciteit. Daarvoor moeten middelen ingezet worden. Ik ben daarbij niet vooruitgelopen op de besluitvorming van de Kamer. De campagne is dus nog niet gaande. De bedoelde jongeren moeten dan ineens gescout worden om ze naar binnen te trekken. Ik vind dat qua energie niet verstandig. Ik richt de energie liever op de komende groep. Daarbij gaat het om veel leerlingen. Bij de jongeren de nu zeventien jaar zijn en die na de zomer willen gaan werken, betekent dit ingrijpen op het laatste moment.

Vanuit de optiek van energie en laat ingrijpen vind ik dat wij het niet moeten doen. Ik begrijp echter de zorg van de heer Biskop. Wij moeten de roc's dan ook vragen om de groep in de overgangsperiode extra aandacht te geven. Ik wil dat echter niet meenemen in de wet.

De heer Biskop (CDA):

Ik snap dat vakantiereisjes naar Torremolinos heel belangrijk kunnen zijn. De wet is echter bedoeld om een groep leerlingen te pakken. Zonder het amendement starten wij met een achterstand. De communicatie over de nieuwe wet is ook al gaande. Ik zou het zonde vinden om nu al meteen een groep jongeren te laten zitten, terwijl er in het mbo leerlingen die wat ouder zijn, naar die scholen worden gehaald om daar een stukje onderwijs te genieten. Ik vind het zo zonde van de groep die de staatssecretaris gewoon laat schieten.

De voorzitter:

En uw vraag was?

De heer Biskop (CDA):

De vraag is wat de staatssecretaris daarmee doet. Zij schrijft een groep jongeren kennelijk zo af.

Staatssecretaris Van Bijsterveld-Vliegenthart:

Dat is ten stelligste niet het geval. Deze groep jongeren zal via de RMC verder begeleid worden. Dat moet ook gewoon per 1 augustus 2008 gebeuren. Die leerplichtorganisatie moet een extra slag krijgen en daar zijn extra middelen voor. Het is mijn insteek om die middelen in te zetten om de groep die er nu aankomt goed op te vangen. Laat die 17-jarigen niet lopen via de RMC, maar begin met de mensen die 18 jaar worden als de wet van kracht wordt.

De heer Van der Ham (D66):

Ik heb een vraag over het amendement, want mijn fractie staat er sympathiek tegenover. Er is dus geen juridisch argument tegen, maar het is puur dat het moeilijk is om het te communiceren naar de groep waarover het gaat. Wij stemmen dinsdag over het wetsvoorstel. Ik kan mij niet voorstellen dat de Eerste Kamer er om wetstechnische redenen tegen zou zijn. In dat geval staat het overmorgen in de krant. Het is dan toch gecommuniceerd? Ik begrijp het probleem niet, behalve als het een juridisch probleem zou zijn.

Staatssecretaris Van Bijsterveld-Vliegenthart:

Juridisch is er geen probleem, maar eer de behandeling in de Eerste Kamer achter de rug is en eer de Staatscourant het gepubliceerd heeft en eer wij het ook gecommuniceerd hebben, is een ander verhaal. Wij vinden het namelijk met elkaar belangrijk dat wij hier dingen doen in samenspraak en goede interactie met de samenleving. Voordat jongeren zich op 17-jarige leeftijd überhaupt bewust zijn van het feit dat dit er aankomt... De periode vind ik zo kort, dat ik zeg dat wij dat niet moeten willen. Dat kost veel energie. Je moet de jongeren uit een onverwachte situatie halen en dat is de argumentatie waarom ik zeg dat wij dat niet moeten doen. Wij moeten er wel voor zorgen dat de RMC deze groep goed in de gaten houdt, zoals de RMC alle jongeren tot en met 23 goed in de gaten moet houden en waar mogelijk moeten toeleiden naar school of arbeid.

De heer Van der Ham (D66):

De Eerste Kamer is natuurlijk aan zet als de Tweede Kamer is geweest. Als er geen wetstechnische problemen zijn, dan zie ik niet echt een probleem met de Eerste Kamer. Ik verwacht niet dat de Eerste Kamer het wetsvoorstel zal tegenhouden of om een nota van wijziging zal vragen.

Staatssecretaris Van Bijsterveld-Vliegenthart:

Dat hoop ik ook niet.

De heer Van der Ham (D66):

Op het moment dat het politieke primaat hier ligt en wij hier zouden besluiten dat wij doorgaan naar 17 jaar, dan kan vanaf dat moment al worden gecommuniceerd dat het waarschijnlijk vanaf 17 jaar zal gelden. Ik zie dan het probleem niet dat het veel energie kost om dat in een korte tijdspanne te communiceren. Het gebeurt heel vaak dat wij hier al een beslissing hebben genomen die nog moet worden geaccordeerd door de Eerste Kamer.

Staatssecretaris Van Bijsterveld-Vliegenthart:

Het blijft dan toch nog een korte tijd. Ik vraag begrip van de heer Van der Ham voor het feit dat wij de campagne en de communicatie met de brede samenleving pas echt op een later tijdstip aangaan. De krantenlezers vormen maar een heel kleine groep. Zeker deze groep jongeren kan niet onder de reguliere krantenlezers worden geschaard. Daarvoor hebben wij een heel goede campagne opgezet. Uit respect voor de Eerste Kamer vind ik het correct om af te wachten tot de wetgeving daar is goedgekeurd en afgehandeld voordat wij de communicatie ter handnemen. Dat betekent dat jongeren pas over een X tijd te maken krijgen met de inhoud van deze wetgeving. Daarna zullen wij alles op haren en snaren zetten. Dat vergt veel energie, die je op dat moment niet kunt steken in de groep die er achteraan komt. Bovendien creëer je dan wel een heel onverwacht klimaat. Ik vraag mij af of dat wenselijk is. Daarom heb ik bezwaren tegen dit amendement.

De heer Depla (PvdA):

U noemt twee argumenten. Het eerste argument is dat het ook van belang is voor de Eerste Kamer en het tweede heeft betrekking op de uitvoering. U wilt de energie van de leerplichtambtenaren en de RMC richten op de groep die erna komt. Daar kan ik mij iets bij voorstellen. Daarna zegt u dat de jongeren tot 23 jaar toch al door de RMC in de gaten worden gehouden. Dan snap ik uw argument niet dat het ten koste van de capaciteit gaat. Kunt u dat nog eens uitleggen? Ik ben minder onder de indruk van de jongeren die op vakantie gaan, want drie maanden is wel een erg lange vakantie. Ik maak mij meer zorgen over jongeren die nu al min of meer van school zijn en werk hebben. Als het amendement wordt aangenomen, betekent dit dan dat die jongeren weggehaald worden van hun baan en weer naar school moeten?

Staatssecretaris Van Bijsterveld-Vliegenthart:

Dat klopt, want dat zou de consequentie zijn. Ik ben het van harte met u eens dat die vakantie niet relevant is. Als je wacht tot de jongeren al verplichtingen zijn aangegaan om na afloop aan de slag te gaan, want dat was het einddoel na die vakantie, grijp je op een te laat moment onverwachts in. Natuurlijk deel ik uw mening dat ook de inzet van het RMC energie kost. Dit zal moeten gebeuren voor die hele groep tot 23 jaar. Maar de leer-werkplicht die voortvloeit uit de kwalificatieplicht vraagt om een tandje extra inspanning, omdat zij op de school moeten worden geplaatst en daar ook echt aan de slag moeten gaan. Ik vind dat er moet worden opgepast bij die verdeling. Op dit moment ben ik dan ook geen voorstander van het amendement van de heer Biskop.

De heren Biskop en Depla vroegen naar de sectorstartniveaus. Ik wijs erop dat dit met name uit het bedrijfsleven komt. Natuurlijk kunnen jonge mensen die deze behalen een gevoel van trots krijgen. Dat is het mooie eraan, maar uiteraard mogen de sectorstartniveaus niet leiden tot een verlaging van de startkwalificatie; die kwaliteit staat op zichzelf en moet als zodanig overeind blijven. De sectorstartniveaus komen dus vanuit het bedrijfsleven en maken het voor jongeren helder op wat voor niveau zij moeten zitten om in te kunnen stromen op een bepaalde functie in het bedrijfsleven of in een maatschappelijke organisatie.

Diverse afgevaardigden vroegen om een toelichting op de effecten van de verlenging van de kwalificatieplicht tot negentien jaar of ouder. Er gingen allerlei cijfers over de bühne. Ik ben het eens met degenen die vinden dat de nota met antwoorden heel ingewikkeld was en tot veel optellen en aftrekken leidde. Als we de zaak heel nuchter bekijken, kunnen we vaststellen dat mensen die tot hun achttiende de mogelijkheid en de plicht hebben om deze startkwalificatie te halen, toch al zo'n zes à zeven jaar in het voortgezet onderwijs zitten. Zo hebben ze een hele slag geslagen. De mogelijkheden om dit binnen die periode te halen zijn ook optimaal. Maar daarna hebben wij last van de wet van de afnemende meeropbrengsten; het is dan ook de vraag of je het dan op die manier moet doen. Op dit moment stuiten we op de bezwaren tegen de leer-werkplicht die bij de Raad van State leven; een generieke kwalificatieplicht opleggen na 18 jaar levert dezelfde bezwaren op. Daarom stel ik voor om dit te doen tot het achttiende jaar en de periode daarna, inclusief het negentiende jaar, mee te nemen in de leer-werkplicht tot 27 jaar. Dit lijkt me de goede lijn. Beide kunnen we in het nodige tempo doen, dus wij zullen in staat zijn om dit tot stand te brengen als de heer Donner straks zijn wet in de Kamer bespreekt.

Diverse sprekers hadden het terecht over het praktijkonderwijs. Ik heb op hen gereageerd. Tot slot stelde de heer Dibi, verwijzend naar Vlaanderen, de vraag of de leerplicht tot 18 jaar niet eerder problemen oplevert in plaats van oplossingen. In Vlaanderen geldt tot 18 jaar de partiële leerplicht; daar spelen dus dezelfde problemen die wij kenden. Dat is minder effectief dan het huidige voorstel behelst. De volledige leerplicht tot zestien jaar bleek in België juist wel na twee à drie jaar een goed effect te sorteren. Als dat hier ook zo werkt en wij ook na twee of drie jaar die effecten zien – met de genoemde aantallen zou dat prachtig zijn – heeft dat zijn invloed op de verplichtingen in het kader van de Lissabondoelstellingen. Ik ben hier dus minder negatief over dan de heer Dibi.

De heer Depla (PvdA):

Voorzitter. Eerst de effectiviteit met betrekking tot de negentienjarigen, althans de afnemende meeropbrengsten. Mag ik erop wijzen dat 20.000 nog steeds een fors aantal leerlingen is? De winst met betrekking tot de achttienjarigen was 24.000, dus waarom vindt u die 20.000 een afnemende meeropbrengst? Kunt u vertellen waarom die keuze dan toch is gemaakt? Waren het financiële overwegingen?

Staatssecretaris Van Bijsterveld-Vliegenthart:

In financiële zin is de effectiviteit met betrekking tot de achttienjarigen echt hoger. Dat zit in de tijd. Als mensen zo'n periode hebben gehad, kan je ze behoorlijk vasthouden als je ze eenmaal hebt. Zij zijn dan immers over de moeilijke hobbel heen. Als wij de kwalificatieplicht willen uitbreiden tot boven de 18 jaar, krijgen wij ook met de meerderjarigheidsgrens te maken. Dan zullen wij naar alle waarschijnlijkheid dezelfde problemen tegenkomen als wij bij de leer-werkplicht tegenkwamen. Volgens de Raad van State leverde die problemen op met internationale wetgeving en de Grondwet. Daarom willen wij dit tot 18 jaar doen en de rest meenemen in de leer-werkplicht tot 27 jaar die wij willen invoeren.

De heer Dibi (GroenLinks):

In Vlaanderen verbeterden de resultaten op een gegeven moment inderdaad. De eerste vier jaar steeg de uitstroom echter aanzienlijk. Die daalde pas toen er aanvullende maatregelen werden genomen. Dat ondersteunt mijn pleidooi om echt de aanval op de uitval in te zetten en niet zozeer hier op te hameren. Dit is het sluitstuk van de aanval op uitval. Erkent de staatssecretaris dit? Is zij bereid om met de Kamer te praten over de aanval op uitval en haar inzet op dit terrein?

Staatssecretaris Van Bijsterveld-Vliegenthart:

De heer Dibi wordt op zijn wenken bediend, want ik ben nu aangekomen bij de kwalificatieplicht in het kader van vroegtijdig schoolverlaten, de aanval op de uitval.

De kwalificatieplicht is een sluitstuk van het beleid met betrekking tot vroegtijdig verlaten. Dat wil niet zeggen dat wij met dit beleid stoppen. Minister Plasterk is bestuurlijk verantwoordelijkheid voor het beleid ten aanzien van vroegtijdig schoolverlaten. Dit beleid moet breed worden ingezet, met meer dan alleen deze wet. De leerlingen moeten echter wel in beeld worden gebracht en daar zorgt deze kwalificatieplicht voor. Hierdoor kunnen leerlingen worden vastgehouden op school en uiteindelijk zo ver worden gebracht dat zij gekwalificeerd raken. De verwachting is dat deze wet binnen twee à drie jaar effect zal hebben. Het is heel mooi dat deze kan meetellen voor de Lissabondoelstelling.

Het beleid ten aanzien van schooluitval moet inderdaad breder zijn dan alleen deze wet. Staatssecretaris Dijksma is bezig met vroegschoolse educatie. Daar zal scherper op worden ingezet. De inzet op taal- en leerachterstand is ontzettend belangrijk. Daarnaast moet ervoor worden gezorgd dat zorgleerlingen passend onderwijs krijgen. De aansluiting tussen basisschool en voortgezet onderwijs moet worden verbeterd. Er moet voor worden gezorgd dat een aantal leerlijnen goed doorloopt, bijvoorbeeld op het vlak van rekenen en taal. De komende maanden zal worden bezien hoe op deze terreinen betere lijnen tot stand kunnen worden gebracht. Registratie van spijbelen en vroegtijdig schoolverlaten en de werkzaamheden van de RMC in dat kader zijn erg belangrijk. Dat geldt ook voor de extra investeringen met betrekking tot stages. De samenwerking tussen mbo en vmbo is een van de grote kernpunten in de aanval op de uitval.

Met dit hele pakket is het kabinet bezig en gaat het de komende tijd verder aan de slag. Er vindt overleg plaats met de veertien convenantsgemeenten die met hun scholen hiermee bezig zijn. Daarna zal worden onderzocht wat zij nodig hebben om de komende tijd een nog succesvoller beleid te voeren. De doelstelling, die vrij ambitieus is, zal ons alleen maar prikkelen om dit daadwerkelijk te doen. De betrokkenheid van de Kamer zal dit nog verder stimuleren.

Er werd door verschillende leden gevraagd hoe wordt omgegaan met de warme overdracht van vmbo naar mbo. Dat is erg belangrijk en wordt ook gestimuleerd. De convenantsgemeenten zijn met de scholen aan het onderzoeken hoe de samenwerking kan worden verbeterd. Er zijn inmiddels vmbo-scholen die voor een deel mbo-onderwijs aanbieden. Het is immers te gek voor woorden dat sterke leerlingen op de havo en het vwo vijf of zes jaar op één school blijven in een relatief mooie en beschermde omgeving en juist de kwetsbare leerlingen van een vmbo naar een mbo moeten overstappen. Wij moeten echt bezien hoe wij dat beter in beeld en beter onder controle kunnen krijgen en hoe een betere overdracht kan worden gerealiseerd.

Er zijn de afgelopen jaren extra investeringen gedaan in de extra begeleiding van zorgleerlingen, namelijk 30 mln. in 2006 oplopend naar 103 mln. in 2009. Het is zeer belangrijk om te investeren in het vasthouden van zorgleerlingen op het mbo. Ik ben afgelopen week bijvoorbeeld in Dordrecht geweest waar een peer-supportproject liep in het kader waarvan leerlingen uit de laatste mbo-groepen jonge mbo'ers begeleiden. Het was geweldig en bleek ook echt goed te werken. Op allerlei manieren zijn mbo's dus bezig om dit goed vorm te geven. Een ander mooi project is "vmbo: het betere werk" in het kader waarvan dit schooljaar negen projecten lopen, waaronder "Waterland". Dat ga ik binnenkort bekijken. Er wordt nagegaan hoe vmbo's en mbo's nauwer kunnen samenwerken. Daar wordt dus veel aan gedaan en in geïnvesteerd. Wij gaan de komende tijd na wat die experimenten voor structureel beleid opleveren.

De heer Depla had een vraag over stageplaza en discriminatie van allochtone jongeren. Ik vind dat wij er alles aan moeten doen om dat te voorkomen. Laat dat duidelijk zijn. Het is namelijk heel erg en heeft een heel slechte uitwerking op groepen mensen in onze samenleving. Zij krijgen het gevoel dat zij er niet mogen zijn. Heel belangrijk is natuurlijk dat het Landelijk meldpunt discriminatie dit zeer nauwlettend in het oog houdt. Verder zijn er tijdens de werktop 2005 afspraken gemaakt. Ik vind het heel belangrijk om tijdens de komende participatietop na te gaan in hoeverre die zijn nagekomen en op welke manier wij kunnen voorkomen dat werkgevers naar gelang van de achtergrond van iemand beslissen of die al dan niet een plek krijgt. Wij hebben daarnaast extra geld voor stage- en simulatieplaatsen gereserveerd: 35 mln. Dat geld wordt uitgetrokken voor extra steun aan leerlingen die met veel moeite een stageplek krijgen. Onder hen bevinden zich allochtonen. Scholen kunnen er met dat geld beter op toezien dat zij wel een stageplek krijgen.

De fracties van de ChristenUnie en de SP waren positief gestemd over de zorgplicht voor scholen. Ik kan mij daar op zichzelf best iets bij voorstellen. Het is namelijk goed als het helemaal geregeld is en je het idee hebt dat het voor elkaar komt. Aan de andere kant zie ik dat heel veel vmbo- en mbo-scholen ermee bezig zijn. In het kader van de aanval op de uitval zie ik ook dat het gebeurt. Bovendien maakt de kwalificatieplicht dat wij jongeren vasthouden en niet zo maar meer kwijtraken. Ik herhaal ook dat de overgang van het vmbo op het mbo heel belangrijk is. Die hebben wij nu in beeld. Dat is het mooie van het verhogen van de leerplicht van zestien tot achttien jaar. Daarom ben ik terughoudend met het wettelijk verplicht stellen. Ik wil eerst nagaan wat het effect van de experimenten is. Los daarvan hoor ik van veel vmbo's en mbo's dat zij geweldig met elkaar samenwerken. Bovendien wordt het besef groter vanwege het beleid ten aanzien van vroegtijdig schoolverlaten dat onder het motto "aanval op de uitval" wordt gevoerd. Met de kwalificatieplicht hebben wij een instrument in handen om die feitelijk in te zetten. Leerlingen kunnen tijdens de vakantieperiode tussen het vmbo en het mbo niet meer uit zicht verdwijnen. Wij hebben dankzij het onderwijsnummer namelijk oog op ze, grijpen ze bij de lurven en laten ze gewoon weer aan de slag gaan, in het onderwijs wel te verstaan.

De kwalificatieplicht is het sluitstuk in de aanpak van vroegtijdig schoolverlaters. Mevrouw De Rooij van de fractie van de SP heeft de belangrijke vraag gesteld hoe het met de samenwerking tussen scholen, leerplichtambtenaren en Jeugdzorg zit. Mij lijkt het zeer belangrijk dat de zorgadviesteams die wij op allerlei plekken in het land zien, in de toekomst, zo mogelijk, nog beter gaan functioneren. Het is een heel belangrijke vorm van samenwerking rondom een leerling om te voorkomen dat hij of zijn ouders van het kastje naar de muur worden gestuurd. Waar het nog niet gebeurt, stimuleert het project Zorg in en om school (ZIOS) extra zorgadviesteams. Op dat niveau moet dus worden samengewerkt.

Hoe wordt de zorgstructuur bevorderd? Enerzijds gebeurt dat vanuit de zorgadviesteams. Bovendien hebben wij de interne zorg op scholen voor kinderen met psychosociale problemen of leerachterstanden. Verder bestaat het leerwegondersteunend onderwijs, waar leerlingen extra ondersteuning krijgen en, inderdaad, de externe zorgstructuur. Ik kan mij voorstellen dat de heren Slob van de fractie van de ChristenUnie en Biskop van de fractie van het CDA zich afvragen of Jeugdzorg voldoende aangesloten is op de goede zorg voor kinderen in het bo en vo, maar wij moeten wel nagaan of Jeugdzorg voldoende mogelijkheden heeft om, mede gezien de leeftijd van de kinderen, op scholen te functioneren. Dit is een zaak van de minister voor Jeugd en Gezin. De convenantgemeenten plaatsen hier kritische kanttekeningen bij. Zij lopen tegen barrières op waardoor het niet optimaal is.

Mevrouw De Rooij heeft ook gevraagd of de Wet op de jeugdzorg breder toepasbaar moet worden gemaakt qua leeftijd. Ik heb al gezegd dat de minister voor Jeugd en Gezin hier een oordeel over moet vellen. Ik hoor wel dat het voor scholen problematisch is dat Jeugdzorg slechts aan kinderen tot de leeftijd van 18 jaar kan worden verleend. Ik denk dat dit een punt is waar de minister in ieder geval naar moet kijken.

Mevrouw De Rooij stelde ook dat het belang van beroepskeuzevoorlichting erg groot is, want daarmee kunnen wij jongeren richting en focus geven. Ik onderschrijf haar stelling van harte. Er gebeurt op dit punt al veel. Ik denk bijvoorbeeld aan het carrouselproject in Groningen, waarbij jongeren snuffelstages lopen, ik denk aan Leiden en de Bollenstreek, waar de roc's nauw samenwerken aan de hand van portfolio's en bezien hoe men de loopbaan kan uitstippelen. Verder gaat de Taskforce Jeugdwerkloosheid hiermee komend jaar volop aan de slag. Ook zijn er de kenniscentra van het bedrijfsleven. Kortom, er gebeurt op dit punt heel veel, en het is heel belangrijk dat dit gebeurt.

Er zijn twee vragen gesteld over de doorstroom van het vmbo naar volwassenenonderwijs en de havo. Wij zijn aan het evalueren waarom deze beoogde doorstroom op belemmeringen stuit en hoe die kunnen worden weggewerkt. Dat moet gebeuren, want juist jongeren in het vmbo moeten carrièreperspectief krijgen in het onderwijs.

De heer Van der Ham vroeg wat wij doen met de derde leerweg. Wij zijn op dit moment volop aan de slag met de mogelijkheden met de elders verworven competenties, samen met de directie Leren & Werken en met het bedrijfsleven in de regio's. Dit is wat langzaam van start gegaan omdat het onderwijs er een beetje aan moet wennen. Er is een taakstelling van 20.000 EVC-trajecten aan het einde van het jaar. Er zijn er nu 4000, dus er valt echt nog wel een slag te maken. Mensen worden hierover echter steeds enthousiaster. Het is natuurlijk prachtig dat je ervaring uiteindelijk kunt labelen met een diploma of een echte kwalificatie. Verder is er uiteraard de beroepsbegeleidende leerweg, die ook een tussenweg biedt tussen scholen en werken. Hiermee kunnen jonge mensen school en werk met elkaar verbinden. Juist voor leerlingen die niet goed stil kunnen zitten – wat ik best begrijp – is dit belangrijk.

De heer Van der Ham stelde verder dat de aanpak van voortijdig schoolverlaten al moet beginnen bij de voorschoolse opvang. Ik verwijs hier naar mijn beantwoording van de vragen van de heer Dibi.

De heer Dibi vroeg of scholen moeten helpen bij het vinden van stageplaatsen. Dat is het geval. Op dit punt was er veel schimmigheid, maar uiteindelijk is het geregeld in het wetsvoorstel deregulering en administratieve lastenverlichting. Je vraagt je af wat dat met die verplichting te maken heeft, maar mij is verteld dat het er wel degelijk mee te maken heeft. Dit wetsvoorstel, de zogenaamde DAL-wet, ligt bij de Kamer.

Er is gevraagd of het nieuwe leren aan de uitval bijdraagt. Mijns inziens kan het nieuwe leren aan de uitval bijdragen als het niet goed wordt uitgevoerd. Leerlingen die niet vastgehouden worden en waarmee geen contact is, lopen gevaar. Wij moeten tot een goed evenwicht komen tussen kennen en kunnen. Het is echter ook zo dat ouderwets klassikaal lesgeven voor heel veel jongeren tot verveling kan leiden, en dan zijn wij ze ook kwijt.

De vraag of er voldoende stageplekken zijn, kan met ja en nee worden beantwoord. Er zijn er voldoende in kwantitatief opzicht, maar kwantitatief zijn er hier en daar vraagtekens te plaatsen. De aansluiting tussen de stageplaatsen en het bedrijfsleven kan soms beter. Daarom investeren wij 35 mln. extra. Daarmee kunnen wij waar het lastig is, een extra impuls geven. Er wordt dus aan gewerkt. Nu de conjunctuur omhoog gaat, neemt bovendien het aantal stageplaatsen toe. Bij de participatietop zullen wij extra aandacht vragen voor dit punt.

De heer Van der Vlies stelde een vraag over de 13%. Ik was onder de indruk van de optelsom. Eén ding is wel duidelijk: de 5% van de mensen van wie wij denken dat zij het echt niet kunnen, hebben wij in de groep apart gezet. Wij gaan volop aan de slag met de groep die het wel kan via de kwalificatieplicht. Wij houden deze mensen in beeld. Het is uiteraard een uitdaging om ervoor te zorgen dat de groep die vanwege groenpluk of iets anders van school en aan het werk is gegaan en daardoor de startkwalificatie nog niet heeft, hetzij via het RMC, hetzij via het project Leren & Werken uiteindelijk de startkwalificatie wél haalt. Deze ambitie is er nadrukkelijk. Ik heb het nog niet over de percentages, want ik moet even nadenken over de optelsom. In ieder geval is de inzet wel degelijk op de 13% gericht.

De heer Depla (PvdA):

U zegt dat het onderwijsnummer er al is, maar het probleem is juist dat het er nog niet overal is. Kunt u aangeven wanneer het echt overal ingevoerd zal zijn? Verder zegt u dat de doorstroming naar het volwassenenonderwijs ook belangrijk is, omdat mensen moeten kunnen blijven leren. Dit wordt nu geëvalueerd, maar ik zou graag zien dat er voor 1 mei een besluit over genomen kan worden, opdat het verbod om vanuit bepaalde onderwijsvormen door te stromen naar het volwassenenonderwijs vervalt voordat het komende schooljaar begint. Anders gaat er weer een jaar voorbij en zijn er kinderen die niet doorstromen, maar uitvallen.

Staatssecretaris Van Bijsterveld-Vliegenthart:

Ik kan niet precies de datum aangeven waarop het onderwijsnummer overal ingevoerd zal zijn; ik zal dit de Kamer nog laten weten. En wat de tweede vraag betreft, ik vind het belangrijk om het resultaat van de evaluatie af te wachten. Ik weet niet wanneer deze afgerond zal zijn, maar zodra wij een beeld hebben van de belemmeringen en de beste manier om deze weg te nemen, zullen wij de zaak aanpassen. Dit spreekt vanzelf, maar omdat er belemmeringen bleken te zijn, hebben wij afgesproken dat wij goed zouden moeten bekijken waardoor ze zijn ontstaan.

De heer Depla (PvdA):

Ik zou het jammer vinden als de evaluatie half augustus klaar was en wij dan pas maatregelen konden nemen, want dan zou er een jaar verloren gaan. Kunt u ons beloven dat het voor het einde van dit schooljaar geregeld zal zijn, opdat er volgend schooljaar meteen gebruik van gemaakt kan worden?

Staatssecretaris Van Bijsterveld-Vliegenthart:

Ik heb nu even niet paraat wanneer de evaluatie afgerond zal zijn, maar ik zal ook hierover de Kamer nader informeren.

De heer Dibi (GroenLinks):

Voorzitter, enkele vragen zijn nog niet beantwoord. Ik heb een vraag gesteld over de uitvoering van de motie-Vendrik, die al in 2003 is aangenomen, een motie over beloningsdifferentiatie om leraren die lesgeven aan veel achterstandsleerlingen, extra te belonen. Ik heb ook gevraagd of de staatssecretaris bereid is om het mbo compensatie te geven voor de bezuinigingen op deze onderwijsvorm. Ook is het mij onduidelijk hoe zij tegenover de stageplicht staat. Zij begon over deregulering; ik ben ook geen voorstander van meer bureaucratie, maar bij de afweging van stageplicht en meer bureaucratie weet ik het wel. En ten slotte wil ik nog even terugkomen op de opmerking van de staatssecretaris over het nieuwe leren. Zij meent dat dit hier en daar bijdraagt aan uitval. Ik begrijp heel goed dat wij niet terug kunnen naar klassikaal onderwijs, maar er zijn van verschillende kanten voorstellen gedaan om naast de bbl en de bol een derde leerweg te bieden, een leerweg die de leerlingen misschien wel motiveert. Kan de staatssecretaris ons daar al enig inzicht in geven?

Staatssecretaris Van Bijsterveld-Vliegenthart:

Op deze laatste vraag ben ik al eerder ingegaan, daarbij zijn het EVC-traject en de bbl belangrijk. Verder hebben scholen de plicht, stages voor hun leerlingen te zoeken. Dit is dus al vastgelegd en het is ook nog nadrukkelijk opgenomen in de wet met de moeilijke naam die ik zojuist noemde. Over de stand van zaken bij de uitvoering van de motie-Vendrik zou ik de Kamer schriftelijk willen informeren.

De heer Dibi (GroenLinks):

Ik doelde op de stageplicht waarbij scholen, gemeenten en bedrijven/werkgevers verantwoordelijk zijn voor het aanbieden van een stage aan elke leerling. Ik begrijp wel dat dit al is vastgelegd, maar wij weten allen dat de beschikbaarheid van stageplekken een groot probleem vormt.

Staatssecretaris Van Bijsterveld-Vliegenthart:

Dan moet ik u teleurstellen, wij zullen bedrijven niet verplichten om stageplaatsen aan te bieden. Ik vind dat bedrijven zelf het belang van stages moeten inzien. Zij zien dit belang ook steeds meer in. Dit thema komt ook weer aan de orde bij de participatietop.

Mevrouw De Rooij (SP):

Voorzitter, klopt het nu dat de staatssecretaris een pilot heeft opgezet waarbij zij het handhavingsbeleid van verschillende gemeenten vergelijkt?

Staatssecretaris Van Bijsterveld-Vliegenthart:

Nee, ik heb de inspectie gevraagd om een onderzoek te doen naar de werking van het integrale toezicht in de jeugdketen, naar de vraag hoe de keten van signaleren, registreren, melden en begeleiden van spijbelaars en vroegtijdig schoolverlaters werkt. Aan de hand daarvan zal ik kijken hoe ik verder met de leerplicht en de handhaving daarvan omga. Op dit moment zijn er echter geen projecten waarin ik gemeenten onderling vergelijk, tenzij mij dat is ontgaan in de gauwigheid.

Mevrouw De Rooij (SP):

Wanneer kunt u ons vertellen wat eruit is gekomen?

Staatssecretaris Van Bijsterveld-Vliegenthart:

Ik hoop rond de zomer.

De heer Dibi (GroenLinks):

Mijn vraag over het mbo is nog niet beantwoord.

De voorzitter:

U hebt nog een tweede termijn. Er zijn echt grenzen aan wat wij kunnen doen.

Staatssecretaris Van Bijsterveld-Vliegenthart:

Voorzitter. De handhaving van de leerplicht is primair een gemeentelijke taak. De heer Slob van de ChristenUnie en de heer Biskop van het CDA vragen of je dit wel regionaal moet willen organiseren en of leerlingen dan niet tussen wal en schip van de regio en de gemeenten vallen. Ik denk dat wij inderdaad heel erg moeten uitkijken op welke wijze wij dat organiseren. De leerplicht is inderdaad een gemeentelijke taak, maar ik vind het wel goed als tussen gemeenten samenwerking wordt georganiseerd en waar mogelijk ook tussen de gemeentelijke leerplichttaak en de RMC-taak. Ook daar zijn er meer gezamenlijke belangen dan aparte belangen. In dat kader heb ik de samenwerkende inspecties gevraagd om te kijken hoe op dit moment de keten loopt en waar het beter kan.

Ik kom bij het amendement van de heer Depla over de leerplichtambtenaar. Artikel 16 van de Leerplichtwet geeft al de bevoegdheid om personen te horen buiten hun ambtgebied. Gemeenten kunnen samenwerken in een gemeenschappelijke regeling. Dat gebeurt overigens ook in Leiden en in Dordrecht. Daar hebben de ambtenaren al de mogelijkheid om hun leerplichtbevoegdheid breder in te zetten dan alleen de gemeente. De organisatie van de leerplicht is echter een gemeentelijke taak. Ik vind het aan de gemeenten zelf om te bepalen hoe zij hun leerplichtambtenaren toerusten. Zij zijn er verantwoordelijk voor. Ik kan mij heel goed voorstellen dat veel gemeenten ervoor kiezen om daadwerkelijk een opsporingsbevoegdheid te geven, want dan kunnen zij ook gewoon hun processen-verbaal schrijven. Ik wil mij niet mengen in de kwestie in Amsterdam, de coördinatie tussen Slotervaart en de Baarsjes. Ik vind het echt een taak van Amsterdam zelf om het op een goede manier tussen de stadsdelen te regelen.

De opsporingsbevoegdheid gaat via justitie. Die moet aangevraagd worden, maar het is echt een taak van de gemeenten om dat te doen. Daar zou ik het ook echt willen laten. Zij moeten gewoon kijken hoe zij dat vormgeven. Sommige leerplichtambtenaren zijn vooral met administratieve zaken bezig op het gemeentehuis en sommige gaan inderdaad het veld in, waarbij zij de opsporingsbevoegdheid en het kunnen uitschrijven van processen-verbaal et cetera ook echt nodig hebben. Daarin wil ik niet ingrijpen. Daarom ontraad ik aanvaarding van het amendement.

Mevrouw De Rooij van de SP heeft gevraagd of scholen een meldplicht hebben. De scholen hebben op grond van de Leerplichtwet en de RMC-regeling een wettelijke meldplicht aan de woongemeente van de jongere. Straks hopen wij dat via het digitale loket te doen en zal het rechtstreeks daar gemeld worden. Dat zal een hoop rompslomp wegnemen.

Onder andere de heer Biskop van het CDA en de heer Dibi van GroenLinks hebben gevraagd of ik zorg zal dragen voor een betere leerplichtbehandeling en wat er gebeurt als een gemeente het toezicht niet waarmaakt. De handhaving van de leerplicht is ongelooflijk belangrijk. Dat is ook de reden dat er meer middelen beschikbaar komen, juist ook om met het oog op de kwalificatieplicht die taak waar te kunnen maken. Wij gaan werken aan verdere verbetering, zoals dat ene digitale loket waar scholen en gemeenten direct gebruik van kunnen maken. Daarnaast zijn er extra middelen, 5,8 mln. tot 13 ml. structureel. Verder stimuleer ik dat in regionaal verband uitwisseling plaatsvindt van deskundigheidsbevordering en dat op grotere schaal heel gericht bepaalde projecten of acties in het kader van de leerplicht kunnen plaatsvinden. Ook hier geldt dat de samenwerkende inspecties in het kader van het project Integraal toezicht jeugdzaken zullen kijken hoe de keten verloopt.

Voor leerlingen tot 18 jaar zijn zowel de ouders als de leerlingen zelf wel degelijk aanspreekbaar op de sancties.

Ik heb gezegd dat het onderzoek van de inspectie naar de keten van vroegtijdig schoolverlaten en leerplicht rond de zomer beschikbaar komt, maar dat is pas eind dit jaar. Het duurt dus iets langer voordat die informatie beschikbaar is.

Terecht worden extra middelen ingezet voor de financiering van de kwalificatieplicht. Het is immers een forse operatie die goed moet worden uitgevoerd. In 2007 is 50 mln. extra beschikbaar. Dat loopt in 2008 op tot 130 mln.: 110 mln. voor het onderwijs, 13 mln. voor de handhaving van de leerplicht en 7 mln. voor het verbeteren van de uitvalregistratie.

Verschillende afgevaardigden hebben vragen gesteld over de huisvestingscomponent en de daarvoor beschikbare budgetten. De minister-president heeft toegezegd dit bij de Voorjaarsnota aan de orde te stellen. In het kader van het coalitieakkoord zijn bovendien extra middelen gereserveerd voor het mbo, waaraan deze kwalificatieplicht een heel belangrijke bijdrage levert. Ik zal de komende tijd bekijken hoe een en ander het beste geregeld kan worden en zal de Kamer daarover aan het einde van de honderddagenperiode rapporteren.

De heer Slob heeft gevraagd of het onderwijsnummer een bezuiniging oplevert. Wij denken dat dit inderdaad het geval is bij de gemeenten. Bovendien geeft het efficiencywinst bij de scholen. Volgens de eerste berekeningen kan het de gemeenten een aantal miljoenen opleveren. Wat mij betreft moeten de gemeenten dat geld inzetten voor verbetering en versterking van de handhaving van de leerplicht, want bij een aantal gemeenten kan dat beslist beter.

De heer Dibi vroeg hoe wij omgaan met de korting als gevolg van de teldatum in het mbo. Ik herhaal wat de minister-president heeft gezegd tijdens het debat over de regeringsverklaring, namelijk dat het budgettaire effect van deze bezuiniging door het ministerie van Financiën vooraf wordt ingeboekt op het macrobudget van het beroepsonderwijs. De afspraak is dat bij de tweede peildatum bekeken zal worden in hoeverre de korting aangepast kan worden. Als scholen groeien, moeten zij gecompenseerd worden en als zij minder leerlingen hebben, moeten zij ook inderdaad worden gekort. Het is een extra stimulans om leerlingen vast te houden en doet ook recht aan het feit dat het mbo steeds meer tussentijdse instroom heeft. Scholen kunnen er bij de tweede telling soms beter uitkomen dan bij de eerste telling.

Het is ontzettend belangrijk dat deze wet op een soepele manier wordt ingevoerd. Vanaf het moment dat de Eerste Kamer instemt met deze wet, zullen wij volop aan de slag gaan om iedereen hiervan op de hoogte te stellen. Dat zal gebeuren via Postbus 51 met een campagne die ook jongeren bereikt. Jongeren van vijftien, zestien, zeventien jaar zien namelijk niet wat wij hier in Den Haag regelen. Wij moeten hen daarover informeren. De scholen worden rechtstreeks geïnformeerd. VNG, Ingrado en de leerplichtambtenaren gaan allemaal aan de slag om deze kwalificatieplicht tot een succes te maken. Nogmaals, ik denk dat het meer dan de moeite waard is dat dit gebeurt en dat wij nu een prachtige stap zetten. To be or not to be, om met Shakespeare te spreken, daar gaat het om bij 18-jarigen: wel of geen startkwalificatie. Wij gaan voor de startkwalificatie voor die 18-jarige zodat hij of zij klaar is voor de arbeidsmarkt en daar duurzaam werkzaam kan blijven. Alles wat met werken, leren en levenslang leren te maken heeft, zal daarop worden ingezet.

De heer Biskop (CDA):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording. Zij heeft aangegeven dat het tweede deel van de regelgeving voor de leer-werkplicht door minister Donner wordt behandeld. Ik wil graag weten op welke termijn dat zal gebeuren.

Op mijn opmerkingen over passend onderwijs heb ik een prima antwoord gekregen. Wij krijgen echter signalen die erop wijzen dat met invoering van deze wet leerlingen van bijvoorbeeld cluster 4 ingeschreven moeten worden bij een regulier roc en daar verstoken zouden kunnen blijven van de nodige begeleiding. Graag krijg ik op dit punt nog een reactie van de staatssecretaris.

De staatssecretaris is mij nagenoeg geheel tegemoetgekomen met haar antwoord op mijn opmerkingen over het praktijkonderwijs. Kan zij ons een jaar na invoering van deze wet op de hoogte stellen van de consequenties voor met name de leerlingen van de praktijkscholen? Ik hoop dat zij ons te zijner tijd kan melden dat er dankzij deze kwalificatieplicht uiteindelijk veel meer leerlingen van het praktijkonderwijs zijn doorgestroomd naar het vmbo en niveau 2 dan was voorzien.

Ik vind het jammer dat de staatssecretaris niet ontvankelijk is voor de aangedragen argumentatie voor aanneming van mijn amendement. Er is geen juridische blokkade. Haar opmerkingen hebben te maken met de uitvoering. Zij zegt dat als leerlingen aan het werk zijn en nog niet gekwalificeerd zijn de overheid alsnog haar nek moet uitsteken om ze aan een kwalificatie te helpen. Dat antwoord impliceert dat deze wet wordt uitgevoerd, terwijl men als het ware een groepje leerlingen verloren laat gaan. Ik zou zeggen: laat deze wet ook gelden voor de 17-jarigen. Doe voor hen iets, ook als zij al werken. Met leren en werken is binnen het mbo voldoende ervaring opgedaan. Daarom zeg ik: help ook deze jongeren aan een kwalificatie.

De heer Depla (PvdA):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de uitgebreide beantwoording en voor de goede motivatie. Het gaat namelijk niet om de wet, maar om het feit dat mensen meer kansen krijgen op onderwijs en werk en om iets van het leven te maken, zodat zij niet op het verkeerde pad komen. Ik dank de staatssecretaris ook voor haar toezeggingen betreffende het onderwijsnummer en de doorstroming naar het vvo. Ik wil graag binnen een week horen welke datum zal gelden, zodat ik weet hoe het traject eruit moet zien.

De opmerkingen van de staatssecretaris over de financiering waren helder. Ik ga ervan uit dat het extra geld ook bedoeld is voor het mbo, waarvoor normaal geen leerling-financiering geldt. Als er echter meer leerlingen op een school worden geplaatst, zal er voor die extra leerlingen geld zijn. Dat is de bedoeling van de wet. Graag hoor ik de reactie van de staatssecretaris.

Ik vind de argumentatie ten aanzien van mijn amendement niet overtuigend. Natuurlijk is er een verantwoordelijkheid voor de gemeenten. De mensen in het veld wijzen op de moeilijkheden in het geval een leerplichtambtenaar in een bepaalde gemeente werkt en de desbetreffende leerling in een andere gemeente op school zit. Leerplichtambtenaren kunnen mensen uit andere steden horen. Waarom zouden wij ze ook niet de mogelijkheid bieden om voor mensen in andere steden in actie te komen?

In elke gemeente zijn er voldoende leerplichtambtenaren met een opsporingsbevoegdheid. Die kunnen aan het werk. Zij hoeven in voorkomende gevallen niet de politie erbij te halen. Kortom, ik wil dat het veld een handreiking wordt gedaan. Dat is cruciaal, omdat anders de wet een papieren wet is. Wij willen juist dat die werkt. Daar hoort handhaving bij.

Mevrouw De Rooij (SP):

Voorzitter. Ik bedank de staatssecretaris voor de beantwoording. Ik vind het een gemis dat ik geen duidelijkheid heb gekregen over het opnemen van het verzuim in het elektronische kinddossier. Ik merk op dat door de kwalificatieplicht de leerlingen wel in beeld blijven, maar dat wil niet zeggen dat de zorg gewaarborgd wordt. Een kwalificatieplicht is geen zorgplicht. Verder hoop ik dat ik ervan uit kan gaan dat de staatssecretaris naar de minister voor Jeugd en Gezin gaat en het initiatief neemt op het gebied van de zorg en de begeleiding van leerlingen. Ik heb volgens mij niets gehoord over de kosten van huisvesting en de groei van het aantal leerlingen. De meldplicht is er, maar de sanctiemogelijkheden zijn er niet. Dat brengt mij tot het indienen van twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er aanwijzingen zijn dat meldingen van verzuim en voortijdig schoolverlaten niet overal (tijdig) plaatsvinden;

overwegende dat scholen met name ten aanzien van melding van voortijdig schoolverlaten nog onvoldoende hun verplichtingen nakomen;

overwegende dat een van de aanbevelingen in het eindrapport van Regioplan is om voortijdig schoolverlaten tijdig te melden;

overwegende dat bij het achterwege laten van de meldingsplicht door scholen sanctiemogelijkheden ontbreken;

verzoekt de regering, voorstellen te doen om de meldingsplicht van scholen inzake verzuim en voortijdig schoolverlaten aan te scherpen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid De Rooij. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 9(30901).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat gemeenten inzake het voortijdig schoolverlaten zijn onderverdeeld in gemeenten met preventieve dan wel repressieve handhavingsinstrumenten;

overwegende dat in kaart gebracht kan worden bij welke typen schoolverzuim gesanctioneerd is en wat daarvan het effect was;

van mening dat het zinvol is gemeenten met een preventieve aanpak en gemeenten met een repressieve aanpak te vergelijken op de effecten van handhaving;

verzoekt de regering, een pilot te ontwikkelen om gemeenten met een preventieve aanpak en gemeenten met een repressieve aanpak te kunnen vergelijken op effecten van handhaving,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid De Rooij. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 10(30901).

De heer Dibi (GroenLinks):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording en ik feliciteer haar met haar maidenspeech. Zij voelt de urgentie. Althans, dat hoor ik in haar reactie. Het kan haar niet zijn ontgaan dat ik veel liever met haar had gepraat over een echte wereldprimeur of een tovermiddel om de schooluitval tegen te gaan. Ik had niets liever gewild dan het op poten zetten van een breed ambitieus plan. Wij hebben het echter over het sluitstuk. Daarover zegt de staatssecretaris dat pas na enkele jaren na de invoering van de kwalificatieplicht kan worden geëvalueerd of de beoogde resultaten worden behaald. Ik vind dus ook dat wij dat sluitstuk in het juiste perspectief moeten bezien.

Tegelijkertijd heb ik niet voor niets de jongeren uit mijn omgeving genoemd die behoefte hebben aan een motiverende leeromgeving en aan handhaving. Als dit sluitstuk daarvoor zorgt, is dat prima.

Ik heb twee keer een vraag gesteld over de bezuiniging op het mbo en dien daarover een motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het goed is dat het kabinet van plan is, de teldatum mbo te verschuiven van 1 oktober naar 1 april omdat onderwijsinstellingen zo geprikkeld worden, de leerlingen het volledige leerjaar binnenboord te houden;

constaterende dat door deze verschuiving mbo-instellin­gen 155 mln. minder ontvangen;

overwegende dat een bezuiniging van 155 mln. desastreus is voor mbo-instellingen;

verzoekt de regering, mbo-instellingen het geld dat zij mislopen door de verschuiving van de teldatum minimaal te compenseren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Dibi. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 11(30901).

De heer Dibi (GroenLinks):

Voorzitter. Er is een enorm tekort aan stageplaatsen voor scholieren die beroepspraktijkvorming volgen. Dat geeft de Raad van State aan, maar het blijkt ook uit talloze onderzoeken. Het kabinet voelt de noodzaak om ervoor te zorgen dat er voldoende stageplekken zijn. Toch ben ik zeer teleurgesteld over het feit dat de staatssecretaris heeft gezegd dat bedrijven niet veel meer worden verplicht om stageplaatsen voor jongeren te realiseren. Ik veronderstelde dat dit kabinet een breuk met het verleden voor ogen had en dat iedereen erbij betrokken zou worden om ervoor te zorgen dat de leerlingen daadwerkelijk een startkwalificatie behalen. Wij weten allemaal dat discriminatie een groot probleem is en dat er veel jongeren zijn die geen stageplaats kunnen vinden. Daardoor is het voor hen ook onmogelijk om de startkwalificatie te behalen. Ik verzoek de staatssecretaris om een en ander te onderzoeken en om deze kwestie te bespreken met de andere bewindslieden.

De heer Van der Vlies (SGP):

Mevrouw de voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording. Het antwoorden ging haar volgens mij goed af. Dat neemt niet weg dat ik uit bepaalde frasen in haar beantwoording opmaakte dat er sprake is van onzekerheid over de trajecten. Het is een sluitstuk op een totaalpakket dat beoogt een aanval in te zetten op de uitval. Mijn fractie zal dat steunen. Zij heeft daarvoor in eerste termijn haar argumenten aangedragen. Het kan echter niet de bedoeling zijn dat de andere maatregelen achterblijven. Er is tijd nodig om een wet te maken die de leer-werkplicht regelt. Toch moet er sprake zijn van drukuitoefening. Ik verzoek de staatssecretaris om aan het pakket met maatregelen in het beleidsprogramma, dat wij na de vastgestelde termijn van 100 dagen zullen ontvangen, een taakstelling en data toe te voegen. Zodoende krijgen wij ook zicht op de andere maatregelen die nodig zijn en die niet achter mogen blijven. Als dat wel gebeurt, vrees ik dat dit alles in de lucht blijft hangen.

De vergadering wordt enkele minuten geschorst.

Staatssecretaris Van Bijsterveld-Vliegenthart:

Voorzitter. De heren Biskop en Van der Vlies zeggen terecht dat het ontzettend belangrijk is dat de leer-werkplicht er komt. Er moet een totaalplan komen. In de afgelopen jaren hebben wij al veel geïnvesteerd in het voorkomen van vroegtijdig schoolverlaten. De aanval op de uitval is volop gaande. Ik raad iedereen aan om in de steden op bezoek te gaan. Daar is enthousiasme, betrokkenheid en engagement bij de bestuurders te zien. De cijfers laten de effectiviteit zien. Die moet nog groter worden. Daarvoor zetten wij ons in.

Wanneer komt de leer-werkplicht er? Voormalig onderwijsminister Van der Hoeven heeft gezegd dat die er voor de zomer is. De Raad van State heeft echter een aantal punten meegegeven die niet eenvoudig zijn. Vorm en inhoud moeten houdbaar zijn als de bezwaar- en beroepsprocedures worden gestart. Minister Donner moet dit punt oppakken. Ik zal hem vragen om de Kamer hierover zo spoedig mogelijk te informeren.

Wij zijn in het kader van het 100 dagenplan volop in gesprek met het veld, met de mensen in onderwijs en gemeenten, met leerplichtambtenaren et cetera, over wat zij als belangrijkste drempels voor beter beleid ervaren. Aan het eind van die periode wordt een helder plan neergezet. Met Aanval op de uitval is een mooi en ambitieus plan ontwikkeld. Wij doen daar al veel mee. Ik geef de heer Dibi echter gelijk dat het nog beter moet. Aan het einde van deze vier jaar staat er een heldere en kwantificeerbaar doelstelling. Het beleid zal niet alleen uit mooie woorden bestaan, maar uit wetten en uit een te behalen doelstelling. Daar zet ik mij honderd procent voor in.

Er is gevraagd of de leerlingen in cluster vier de ruimte krijgen voor begeleiding. Het moet helder zijn dat met deze wet daaraan niets verandert. Via de indicatiestelling blijft de toegang overeind. Ik denk dus niet dat deze wet daaraan iets verandert. Dat moet worden bekeken. Deze wet gaat over de kwalificatieplicht voor achttienjarigen. Bij cluster vier gaat het over leerlingen die via indicatiestelling de benodigde begeleiding krijgen.

De heer Biskop (CDA):

Ik heb gezegd dat het beeld is ontstaan dat de wet dit effect heeft. Is de staatssecretaris bereid zich in te spannen om die beeldvorming weg te poetsen?

Staatssecretaris Van Bijsterveld-Vliegenthart:

Dat doe ik door hier helder aan te geven dat het een niet met het ander vermengd mag worden. Als de heer Biskop de indruk heeft dat er sprake is van bepaalde beeldvorming, zal ik nagaan hoe wij dat beeld kunnen rechtzetten. Het is dus niet de bedoeling. Het heeft ook niets met elkaar van doen.

Er is gevraagd om bij de praktijkscholen over een jaar te evalueren. Dat is niet realistisch. De praktijkschool valt niet onder deze wetgeving. De leerlingen op die school ook niet. Een evaluatie in het licht van deze wet is dus niet passend. Ik heb in eerste termijn beloofd dat de mensen in de praktijkschool de ambitie blijven houden om de jongeren zo ver mogelijk te brengen. Het is van belang om de vinger aan de pols te houden bij de jonge mensen in de praktijkscholen. Als die ambities en kwaliteit hebben, moeten die waar enigszins mogelijk doorstromen. Dat gebeurt in de praktijk gelukkig ook.

De heer Biskop vindt het jammer dat de groep van zeventienjarigen verloren gaat. Zo wil ik het niet zien. Het zou betekenen dat ik alle mensen boven de zeventien jaar verloren laat gaan. Dat doen we niet. Via het RMC pakken we deze mensen op. De technische uitvoerbaarheid moeten wij echter wel bekijken: krijgen we deze jongeren wel in zo'n korte tijd in beeld, voor banen waarvoor al contracten zijn aangegaan? Of misschien waren zij al aan het werk omdat zij de leerplichtleeftijd al waren gepasseerd. Moeten zij dan alsnog worden teruggehaald? Dat vind ik niet correct. Maar voor scholen is dit technisch ook niet uitvoerbaar, omdat zij deze leerlingen in heel korte tijd weer een plek moeten zien te geven. Ik begrijp de intentie, de Kamer mag ervan uitgaan dat ik hiervoor aandacht vraag via het RMC, maar doe het niet via de weg van dit amendement. Ik ontraad dit echt.

Ik kom bij de vraag van de heer Depla over de toezegging met betrekking tot het onderwijsnummer. In het voortgezet onderwijs is dit in 2004 gedaan, in het BVE in 2006-2007 en in het PO komt dit in de komende jaren. Ik kan inmiddels dus iets scherpere informatie geven. Voor deze groep betekent dit dat er een volledig bereik moet ontstaan.

Mevrouw De Rooij wees op het grotere aantal leerlingen. Welnu, die moeten zoals altijd worden meegenomen in de leerlingenramingen. Daarnaast zijn er de reeds genoemde extra budgetten. Zij wees verder op haar amendement. Als er daadwerkelijk een samen­werkingsregeling bestaat tussen gemeenten en leer­plichtambtenaren dus genoodzaakt zijn om over grenzen heen te gaan, zoals in de Bollenstreek, Leiden en Dordrecht, is er geen probleem. En verder kan elke gemeente die wil dat bepaalde mensen als leerplichtambtenaren, opsporingsambtenaren of boa's het veld in worden gestuurd, voor hen een opsporingsbevoegdheid aanvragen. Gemeenten hebben hierin een eigen verantwoordelijkheid en hebben hiervoor ook honderd procent ruimte. Ik voel er niet voor om dit verplichtend op te leggen. Ik respecteer de autonomie van de gemeenten in dezen. Zij moeten goed vormgeven aan de leerplicht. In het onderzoek van de inspectie wordt de totale keten bekeken. Als daar algemene knelpunten uit voortkomen, moeten die worden opgepakt en verbeterd. Ik heb echter niet het idee dat gemeenten op dit moment hierin worden belemmerd of onwillig zijn. De gemeenten hebben deze mogelijkheid en het is aan hen om dit te doen.

De heer Depla (PvdA):

Laat ik deze reactie positief zien. U heeft eigenlijk geen bezwaar tegen dit amendement, want de gemeenten moeten dit volgens u zelf doen en met dit amendement regelen we dat. En u zegt ook dat dit kan worden geregeld als er een gemeentelijke regeling is. Maar niet heel Nederland kent gemeentelijke regelingen. Ik wil dat overal geldt, ook waar geen gemeentelijke regelingen zijn, dat leerplichtambtenaren niet alleen binnen hun gemeente kinderen en scholen kunnen aanspreken. Als u het amendement niet nodig vindt, kunt u er ook niet tegen zijn. Ik zal het dan ook in stemming brengen.

Staatssecretaris Van Bijsterveld-Vliegenthart:

De heer Depla pakt het vrolijk op, maar ik zit hier anders in. Ik begrijp zijn argumentatie, maar ik ben helder geweest: ik vind het ene overbodig en het andere echt niet wenselijk; dat vind ik paternalistisch jegens de gemeenten en daar wil ik niet voor gaan.

Mevrouw De Rooij wilde dat verzuim in het elektronisch kinddossier terechtkomt. Wij zijn ermee bezig om dit kinddossier uit te breiden met mogelijkheden. Ik kan op dit moment niet zeggen of verzuim er ook in komt; dat gaat om een bredere afweging en het moet natuurlijk ook effectief zijn. Ik kan hier op dit moment geen verdere informatie over geven.

Verder zegt zij dat kinderen met die kwalificatiewet weliswaar in beeld komen, maar krijgen zij ook zorg? Van Bijsterveld-VliegenthartJa, dat komt in tweede instantie. Daar moeten wij ook voor zorgen. Ik gaf net aan hoe zorg op scholen vorm krijgt, zowel intern voor kinderen met een probleem in de sfeer van leermogelijkheden en achterstanden, als extern door de jeugdzorg hierbij te betrekken als kinderen problemen in hun omgeving hebben of problemen in de persoonlijke sfeer. Er gebeurt dus veel, maar het komt er wel op aan dat wij die kinderen in beeld hebben. Met de kwalificatieplicht kunnen wij hen in beeld krijgen; zorg en kind worden dus wel degelijk gekoppeld.

De heer Van der Vlies sneed het onderwerp leer-werkplicht aan. Hij heeft gelijk dat alle elementen op orde moeten zijn. Het zal niet altijd perfect zijn, want het gaat toch altijd om work in progress, het gaat om mensen en het gaat om de dynamiek die scholen nu eenmaal in zich hebben. Het zal dus steeds zoeken zijn. Ook de samenleving verandert. In de afgelopen tijd heb ik veel overlegd met scholen. Zij geven aan dat zij het gevoel hebben dat de groep kinderen die problemen hebben, hardnekkiger en groter wordt. Dat is een ontwikkeling die je misschien gisteren dacht te beheersen, terwijl je morgen opnieuw moet kijken wat je ermee doet. Het blijft werk in ontwikkeling. De heer Van der Vlies heeft gelijk dat je daar een totaalvisie op moet hebben. Dat hebben wij ook en op een aantal onderdelen loopt dat gelukkig ook. Wij moeten er steeds scherp op blijven dat het adequaat is.

De heer Dibi vroeg om een breed ambitieus plan en daarover heb ik al wat gezegd. Hij heeft een aantal punten aangereikt, zoals het enorme tekort aan stageplaatsen. Hij vroeg of ik het bedrijfsleven geen verplichting kan opleggen. Ik blijf bij mijn antwoord dat ik vind dat dit niet kan. Een bedrijfsleven dat verder kijkt dan vandaag, zal altijd proberen jonge mensen binnen te halen. De praktijk leert op dit moment dat wij niet eens een kwantitatief tekort hebben aan stageplaatsen, maar een kwalitatief tekort. Daarvoor hebben wij die 35 mln. heel gericht ingezet. Wij zien het tekort aan stages op dit moment alleen maar aflopen. Het bedrijfsleven heeft namelijk hard mensen nodig. Het bedrijfsleven wil jonge mensen aan zich binden, omdat er straks anders gewoon geen mensen in het bedrijfsleven zijn aangezien ze elders aan de slag zijn. Dat geldt even goed voor maatschappelijke organisaties, onder meer in de zorg.

Mevrouw De Rooij heeft een motie ingediend waarin zij vraagt om een pilot te houden ten behoeve van de vergelijking van repressieve en preventieve aanpak van leerplichthandhaving in gemeenten. Ik stel voor, dit element mee te nemen in de adviesaanvraag aan het Integraal toezicht jeugdzaken. Die vraag kan dan gewoon worden meegenomen, zodat wij niet allemaal dingen naast elkaar aan het doen zijn. Ik ben geen voorstander van een aparte pilot. Met het oog op mijn voorstel vind ik aanname van de motie overbodig c.q. ondersteuning van de lijn die ik inzet richting het Integraal toezicht jeugdzaken. Ik hoop dat mevrouw De Rooij daarmee tevreden kan zijn.

De tweede motie van mevrouw De Rooij heeft betrekking op de sanctie inzake de meldingsplicht van scholen. De afdeling leerplicht van de gemeente kan scholen al sanctioneren bij niet melden. De gemeente heeft geen sanctiemogelijkheden richting scholen voor wat betreft de RMC. Uit oogpunt van de Leerplichtwet is aanname van de motie overbodig. De vraag naar de wenselijkheid van sanctiemogelijkheden van de RMC zou toegevoegd kunnen worden aan de adviesaanvraag aan het Integraal toezicht jeugdzaken. Dat standpunt zou eind dit jaar gereed kunnen zijn. Als wij dat op deze manier vorm kunnen geven, neem ik de twee moties van mevrouw De Rooij mee in onderzoek door het Integraal toezicht jeugdzaken naar de keten om te kijken of het toegevoegde waarde zou kunnen hebben.

De heer Dibi heeft een motie ingediend over de teldatum voor het mbo. Daarover heb ik al gezegd wat ik wilde zeggen. Dat betekent dat ik aanname van deze motie ontraad.

De heer Dibi (GroenLinks):

Een groot deel van de schooluitval vindt plaats in het mbo en u ontneemt het mbo het astronomische bedrag van 155 mln. Is dat niet een aanval op uw aanval op de uitval?

Staatssecretaris Van Bijsterveld-Vliegenthart:

Daarom ben ik ook blij met de beantwoording van de minister-president van vragen van de heer Tichelaar. Hij heeft dit punt nadrukkelijk aan de orde gesteld tijdens het debat over de regeringsverklaring. Het mbo zal uiteindelijk naar de telling beoordeeld worden. Er vindt dan een telling aan het begin van het jaar en een telling halverwege het jaar plaats. Een mbo dat probeert leerlingen binnen te halen en tussentijds te laten instromen, zal gecompenseerd worden. Een mbo dat daartoe niet in staat is, zal uiteindelijk worden gekort. Dat is de afweging die is gemaakt tijdens de coalitiebesprekingen. Als staatssecretaris heb ik het daarmee te doen en ik zie daar ook wel positieve kanten aan.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Mevrouw Van Bijsterveld, ik ben het eens met de heer Van der Vlies, die u complimenteerde. Ik vind dit een bijzondere eerste prestatie in deze Kamer.

Ik stel voor, aanstaande dinsdag over de ingediende moties en het wetsvoorstel te stemmen.

Daartoe wordt besloten.