Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2013-2014nr. 7, item 10

10 Goedkeuring associatieovereenkomst en handelsovereenkomst

Aan de orde is de gezamenlijke behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Goedkeuring van de op 29 juni 2012 te Tegucigalpa tot stand gekomen Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Midden-Amerika, anderzijds (Trb. 2012, 163) (33467);

  • - het wetsvoorstel Goedkeuring van de op 26 juni 2012 te Brussel tot stand gekomen Handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds (Trb. 2012, 178) (33591).

De beraadslaging wordt geopend.

De heer Elzinga (SP):

Voorzitter. We hebben vandaag twee debatten met de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Terwijl de regering het lidmaatschap van de multilaterale verdragsorganisatie wil opzeggen, legt zij twee nieuwe verdragen ter goedkeuring voor. Beide zijn primair handelsverdragen, al heet het ene een handelsovereenkomst en het andere een associatieakkoord. Handel en dus pure handelsakkoorden zijn sinds het Verdrag van Lissabon immers een Europese competentie. Of dat goed is, laat ik voor nu maar even in het midden.

Beide verdragen zijn zogenoemde gemengde akkoorden, vandaar dat ze ook in ons parlement ter goedkeuring liggen. Ze kennen niet alleen handelsbeleid en dus economisch beleid, maar ook elementen van buitenlandbeleid. Dat laatste is onderwerp van codecisie, waardoor instemming van de lidstaten vereist is, zelfs al is het element van buitenlandbeleid minimaal, zoals geldt voor de handelsovereenkomst met Colombia en Peru. Volgens de memorie van antwoord gaat het hier om een akkoord dat zelfs voor 99% een puur vrijhandelsakkoord is. In het begin is er nog onderhandeld over een breed verdrag met als drie pijlers politieke dialoog, samenwerking en vrijhandel, maar na het afhaken van Bolivia en Equador bleef nagenoeg alleen de vrijhandel over. Die ene procent van het verdrag die de bepalingen van de gemeenschappelijke handelspolitiek te boven gaat, maakt ook dit verdrag een gemengd akkoord. De vraag is wat dit nu precies betekent of, nauwkeuriger, wat er nu precies de consequentie van is als een van de lidstaten van de EU het gemengde akkoord niet ratificeert. In de memorie van antwoord geeft de minister klip-en-klaar aan dat alle parlementen van alle lidstaten met het akkoord moeten instemmen, dat het parlement van een lidstaat zich uitspreekt over het vrijhandelsakkoord als geheel en dat het gehele akkoord niet in werking treedt als een parlement van een van de EU-lidstaten het vrijhandelsakkoord niet goedkeurt. De vraag van mijn fractie aan de minister is of zij hier en nu nog eens kan bevestigen dat deze gemengde akkoorden inderdaad ondeelbaar zijn.

Volgens de memorie van antwoord wordt ondertussen het handelsdeel, de 99%, al sinds 1 maart jongstleden met Peru toegepast. Voorlopige toepassing met Colombia zou tijdens het schrijven van de memorie van antwoord een kwestie van tijd zijn. De SP-fractie verneemt graag van de minister of de handelsbepalingen met Colombia inmiddels al worden toegepast en sinds wanneer.

Het associatieverdrag met Midden-Amerika dat nog wel op de drie pijlers rust, kent ook een voorlopige toepassing van het handelsdeel voor vijf van de zes landen. Wat gebeurt er nu precies met deze voorlopige toepassingen indien een van beide akkoorden niet in werking treedt doordat een of meerdere lidstaten niet wensen te ratificeren? Mij lijkt dat de voorlopige toepassing dan niet langer gegrond zou zijn. Kan de minister uitleggen wat er voorlopig wordt toegepast als het betreffende akkoord van de baan is? Het klopt toch dat de voorlopige toepassing eveneens gebaseerd is op artikelen uit de respectieve akkoorden die in deze mogelijkheid voorzien? En als het gehele akkoord van de baan is, dan is het artikel dat in de voorlopige toepassing voorziet dat toch ook? Mijn fractie hoort graag bevestigd dat voorlopige toepassing van een akkoord dat verworpen is, geen wenselijke situatie is. Dus: óf het akkoord wordt aangenomen, óf de voorlopige toepassing dient zo spoedig mogelijk te worden gestaakt.

Ik kom op de gevolgen en daarmee de wenselijkheid van beide akkoorden. Zowel het vrijhandelsverdrag met vooral Colombia, als het associatieverdrag met de Midden-Amerikaanse landen is van meet af aan omstreden geweest, vooral bij maatschappelijke organisaties in de genoemde landen. Er is vrees voor economische asymmetrie, vrees voor de gevolgen van de zwaardere concurrentie voor kleine boeren en daarmee voor de voedselzekerheid op met name het platteland, vrees voor de teloorgang van de zuivelindustrie in met name Colombia en Peru, vrees voor de gevolgen van grootschalige productie van biobrandstoffen en van winning van steenkool voor de Europese markt in met name Colombia, vrees voor het ontheemd raken van oorspronkelijke bewoners dat daarmee gepaard kan gaan, vrees voor de inmiddels infame traditie van straffeloosheid in diverse Latijns-Amerikaanse landen en vrees voor de voortdurende schendingen van mensenrechten. Met name schendingen van elementaire arbeids- en vakbondsrechten zijn berucht in landen als Colombia en Guatemala. Moet Europa als handelspartner en investeerder wel willen profiteren van lagere loonkosten als gevolg van uitbuiting en onderdrukking van werknemers en hun vakbonden, onderstreept door tientallen moorden op vakbondsleiders en -activisten, door verdwijningen en honderden bedreigingen? Overigens geldt voor leiders van inheemse volkeren en van mensenrechtenverdedigers in het algemeen ongeveer hetzelfde.

Naar beide verdragen is in opdracht van de Europese Commissie een SIA, een Sustainable Impact Assessment, uitgevoerd. De SIA EU-Centraal- Amerika, uitgevoerd door Ecorys, benadrukt de speciale aandacht die nodig is voor arbeidsomstandigheden, gendergelijkheid en kwetsbare sociale groepen. Ook waarschuwt de SIA voor de effecten van het handelsakkoord op de landdruk.

De SIA naar het vrijhandelsakkoord met Colombia en Peru wijst op verdere ontbossing en vermindering van biodiversiteit, alsmede op toenemende sociale conflicten als mogelijke significante gevolgen van het akkoord. Beide SIA's doen dan ook stevige beleidsaanbevelingen, bijvoorbeeld het instellen van monitorings- en evaluatiemechanismen inzake de sociale en ecologische impact van de verdragen. Ik vraag de minister om aan te geven wat er precies met al deze aanbevelingen is gebeurd. De Europese Commissie laat zo'n Sustainable Impact Assessment toch zeker niet voor niets uitvoeren?

In 2008 nog dreigde de Europese Commissie om Colombia te schrappen van de lijst met bevoordeelde handelspartners omwille van de mensenrechtenschendingen in het land. Sinds 2002 is alleen al in Colombia circa 8 miljoen hectare land onteigend ten behoeve van grote infrastructurele projecten of mijnbouwprojecten van grote mijnbouwbedrijven. De grootschalige landbouw doet daar nog een schepje bovenop. Leiders van de lokale boerenbevolking, vooral bestaande uit kleine boeren, die tegen onteigeningen in opstand kwamen, werden vermoord.

Na 2008 is de situatie niet verbeterd, maar nu wil de Europese Commissie een vrijhandelsakkoord met Colombia. Is het vreemd dat dan lokale belangengroepen, het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenactivisten, maar ook bijvoorbeeld internationale vakbondskoepels deze koerswijziging van de EU zien als beloning voor slecht beleid? In Colombia belijdt de regering-Santos verbeteringen met de mond, maar blijven echte verbeteringen volgens waarnemers uit. In 2010 ging de regering van Colombia akkoord met het respecteren van enkele internationale standaarden op het gebied van arbeids- en vakbondsrechten als voorwaarde voor handelsverdragen met de VS en Canada. Sindsdien zijn 47 vakbondsactivisten vermoord, 18 mislukte aanslagen op vakbondsleiders gepleegd en 760 doodsbedreigingen geregistreerd aan het adres van kaderleden en vakbondsbestuurders. Bij meer dan negen op de tien moorden en 99,9% van de bedreigingen heeft geen enkele vervolging plaatsgevonden.

Zoals gezegd, bestaat het associatieverdrag met Centraal-Amerika uit veel meer dan alleen een vrijhandelsakkoord. Ook de 1% die in het akkoord met Colombia en Peru extra is, bevat mooie woorden. Zo luidt artikel 1 van hoofdstuk 1 in de preambule: "Eerbiediging van de democratische beginselen en fundamentele rechten van de mens, zoals vastgelegd in de Universele Verklaring van de rechten van de mens, en het beginsel van de rechtsstaat vormen de basis van het binnen- en buitenlands beleid van de partijen. Eerbiediging van deze beginselen vormt een essentieel element van deze overeenkomst." Maar ja, met het opschrijven van zulke mooie woorden wordt Colombia niet ineens een lidstaat van de Raad van Europa. Het EVRM heeft het mensenrechtenhof in Straatsburg als stok achter de deur, maar deze preambule legt geen enkele sanctie vast. Er is ook geen enkele indicator opgenomen voor wanneer de rechtsstaat of de mensenrechten wel of niet geëerbiedigd worden. Zonder aanvullend en flankerend beleid dreigt het een dode letter te blijven. Het is om die reden dat het Europees Parlement in een resolutie een road map voor de verbetering van mensenrechten, vakbondsrechten en het milieu voorwaardelijk heeft gesteld aan het akkoord. Maar ook dat blijft uitermate vaag. De road map is veel minder specifiek dan het Labour Action Plan dat de Verenigde Staten hebben opgelegd. En dat heeft al geen concreet resultaat opgeleverd. Er zijn wel nieuwe regels vastgesteld, maar de inspectie is ineffectief, de bescherming is zwak, het recht op organisatie wordt nog steeds ontzegd en het gebrek aan gerechtigheid blijft de norm, aldus een rapport van een van de Amerikaanse senatoren van het Congress in de VS. Het associatieverdrag met de Centraal-Amerikaanse landen is veel uitgebreider, maar ook dat verdrag bevat minder bindende multilaterale afspraken dan het oude GSP-plusinstrument op basis waarvan voorheen prioritaire handel met deze landen werd bedreven.

Zowel het associatieverdrag als het vrijhandelsverdrag bevat geen bindende mechanismen om mensenrechtenstandaarden, elementaire vakbondsrechten, rechtsstatelijkheid of democratische basisbeginselen af te dwingen. Het zijn precies deze zaken waarop de SIA's aanbevelingen deden, waarop het maatschappelijk middenveld heeft ingezet vanaf het begin van de onderhandelingen en waarop de kritiek van de internationale vakbeweging en mensenrechtenactivisten zich richt. Mooie woorden kan iedereen spreken, maar wat komt ervan terecht?

Hoe definiëren we precies de mooie woorden uit de preambule? Wanneer spreken we van schendingen van mensenrechten, van tekort aan rechtsstatelijkheid en van gebrek aan democratie? Hoe meten we het tekort of de overtreding? Wie controleert dat en hoe? Wat zouden de sancties moeten zijn die daarop staan? Dat zijn helaas stuk voor stuk zaken die mijn fractie volslagen duister zijn. Ik hoop dat de minister ons hier vandaag in kan verlichten.

De minister geeft in de memorie van antwoord aan dat elke partij bij schending van dat mooie artikel 1 onmiddellijk passende maatregelen in overeenstemming met het internationale recht kan nemen, waaronder in het uiterste geval opschorting van het akkoord. De maatregelen moeten in verhouding staan tot de schending. Hierbij wordt voorrang gegeven aan maatregelen die de werking van de overeenkomst het minst verstoren en worden de maatregelen ingetrokken zodra de redenen waarom zij zijn genomen niet meer bestaan. De SP-fractie vraagt wanneer in het geval van Colombia over een uiterst geval gesproken kan worden dat opschorting van het akkoord rechtvaardigt. Hoeveel vakbondsactivisten, boerenleiders of vertegenwoordigers van inheemse volkeren moeten daarvoor vermoord worden? En in welk tijdsbestek? Of staat opschorting als maatregel hier niet in verhouding tot de schending? Voorzitter, ik ben zeer benieuwd naar de antwoorden.

De heer Schrijver (PvdA):

Voorzitter. Het is al de tweede keer dat wij dit jaar met de minister van gedachten kunnen wisselen over de totstandkoming, de inhoud en de toekomst van handels- en ontwikkelingsverdragen tussen de Europese Unie en haar lidstaten enerzijds en ontwikkelingslanden anderzijds. Dat is een groot genoegen. De vorige keer kreeg ik de indruk dat dit genoegen wederzijds was. Ik hoop dat de minister na afloop van dit debat datzelfde gevoel heeft.

Dergelijke overeenkomsten passen in het bredere geheel van overeenkomsten die de Europese Unie met ontwikkelingsregio's in de wereld probeert af te sluiten. Dit met het doel deze onder de reikwijdte van artikel XXIV van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel – de GATT, nu onderdeel van het WTO-recht – te brengen. We hebben de vorige keer al besproken dat dit niet van een leien dakje gaat, gezien het vooralsnog uitblijven van de zes EPA's, de Economic Partnership Agreements, die bij de sluiting van het Cotonouverdrag beoogd werden, en wel per uiterlijk 1 januari 2008. Dat betrof zes regio's in de zogenaamde ACS-groep (Afrika, het Caraïbische gebied en de Stille Oceaan). In de nuttige bijlage bij de memorie van antwoord – dank voor de uitstekende kwaliteit van die memorie van antwoord – bij het eerste wetsvoorstel zien we twee overeenkomsten uit 2009, respectievelijk met Zuid-Afrika en met Oost- en Zuidelijk-Afrikaanse landen die nog niet in de goedkeuringsprocedure zitten. Misschien kan de minister ons nog een korte update geven over de huidige stand van zaken met die EPA's.

Vandaag richten we ons op twee overeenkomsten met landen buiten de ACS-groep. In het algemeen juicht de Partij van de Arbeid de sluiting van deze overeenkomsten toe, omdat die zowel zien op verbetering van handelsmogelijkheden als ook een verbintenis zijn om duurzame ontwikkeling te bevorderen, armoede te bestrijden en mensenrechten te eerbiedigen. Het valt ons allereerst op dat de twee overeenkomsten veel gemeenschappelijke kenmerken vertonen, maar dat er ook wel wat verschillen zijn. De overeenkomst met de zes Midden-Amerikaanse landen is een associatieakkoord, die met Colombia en Peru is een handelsovereenkomst. Wat voor betekenis moeten wij aan dit verschil hechten? Is dit omdat eigenlijk een associatieakkoord met meerdere landen in het Andesgebied wordt nagestreefd, maar dat dit uitblijft omdat Bolivia en Ecuador dwarsliggen? Wij vragen de minister of er niet enig gevaar dreigt dat Europa deze Andeslanden tegen elkaar uitspeelt nu de EU apart in zee gaat met Colombia en Peru en inwerkingtreding van de reeds in 2003 tot stand gekomen overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de EU en de vijf landen van de Andesgemeenschap is uitgebleven. Stel dat het alsnog lukt om met de Andesgemeenschap als geheel tot een akkoord te komen, hoe verhoudt deze overeenkomst met Colombia en Peru zich dan tot dat grotere geheel? Wij vragen de minister ook wat naar haar inschatting het mogelijke effect kan zijn van de recente toetreding van Bolivia en Venezuela tot de Mercosur-groep op de toekomst van de Andesgemeenschap als een EU-partner.

Een tweede in het oog lopend verschil is dat in de associatieovereenkomst met de zes Midden-Amerikaanse staten wel een artikel is opgenomen over de wenselijkheid dat zij partij worden bij het statuut voor het Internationale Strafhof en dat een dergelijke clausule niet in het verdrag met Colombia en Peru is opgenomen. Ik vermijd maar even de naam uit te spreken van de stad waar de overeenkomst tot stand is gekomen, voorzitter.

De voorzitter:

Heel verstandig.

De heer Schrijver (PvdA):

Mijn vraag aan de minister is opnieuw: welke betekenis moeten wij aan dit verschil hechten, nu er bijvoorbeeld wel soortgelijke bepalingen over mensenrechten, milieubescherming, ontwapening en nota bene over non-proliferatie en massavernietigingswapens zijn opgenomen? Alsof dat laatste een issue is in die regio! Wij hebben vastgesteld dat de clausule over het partij worden bij het statuut van het in Den Haag gevestigde Internationaal Strafhof meer en meer een standaardbepaling is geworden in door de EU gesloten vrijhandels- en associatieakkoorden. Om die reden hebben we schriftelijk de vraag gesteld of dat ook voor nieuwe vrijhandelsakkoorden met bijvoorbeeld China, Rusland of de VS gaat gelden. Ik begrijp best dat dit misschien een wat ongemakkelijke vraag is, maar nu we schriftelijk geen antwoord hebben gekregen, herhalen wij deze vraag vandaag. Het kan toch niet zo zijn dat we dergelijke bepalingen over het Internationaal Strafhof alleen proberen op te nemen in verdragsrelaties met landen die in een ongelijke relatie tot de EU staan?

Ik kom op een laatste verschil. De associatieovereenkomst met Midden-Amerika voorziet ook in culturele samenwerking. In de toch ook brede en zeer uitvoerige overeenkomst met Colombia en Peru hebben wij daar niets over kunnen terugvinden, terwijl er toch rijke culturele tradities bestaan die Europa en deze Latijns-Amerikaanse landen binden. Graag krijg ik een reactie op onze vragen over deze drie verschillen. De sluiting van deze overeenkomsten is ook ingegeven door de uitholling van het systeem van algemene tariefpreferenties, het APS- en het APS-plusregime van de Europese Unie dat op 1 januari 2014 ingaat. In de schriftelijke stukken heeft de minister gesteld dat alle betrokken landen er in feite in handelsmogelijkheden op vooruitgaan, met name ook door de liberalisering van de markttoegang voor een aantal gevoelige producten zoals rum, rietsuiker, bananen en rundvlees. Dat heeft echter wel enkele consequenties. Ik noem er drie.

Ten eerste heeft dit een geopolitieke consequentie. Lange tijd hebben wij de ACS-landen op dit terrein de status van de meest begunstigde partners – our most preferred partners – gegeven en hebben wij bijvoorbeeld de Afrikaanse en Caribische zogenaamde "eurobananen" opzettelijk beschermd tegen de moordende concurrentie van de dollarbananen uit de overige Latijns-Amerikaanse landen, die veelal door Amerikaanse multinationals zoals Chiquita en United Fruit Company op de wereldmarkt worden gebracht. In de schriftelijke stukken heeft de regering om die reden een lichte erosie van de tariefpreferentie niet uitgesloten. Onze vraag aan de regering is wat het handelseffect is van deze nieuwe liberalisering op de positie van de ACS-staten, met name in het Caribisch gebied.

Ten tweede hebben wij een ontwikkelingspolitieke vraag. Wat is het effect van deze voortschrijdende liberalisering van de internationale handel op de bijzondere handelsprivileges die de minst ontwikkelde landen onder het initiatief Everything but Arms genieten, het zogenaamde "EBA"? Ik kom in Brussel en bij de Verenigde Naties nog steeds ambtenaren tegen die dit initiatief vanwege de hartstochtelijke pleidooien van de toenmalige minister, de ambtsvoorganger van minister Ploumen, nog steeds "Eveline barks again" in plaats van "Everything but Arms" noemen. Als nu meer en meer ontwikkelingslanden, waaronder de acht Latijns-Amerikaanse staten die we vandaag bespreken, ook vrijstelling van invoerrechten voor industrie- en visserijproducten krijgen, wat blijft er dan nog over van de voorkeursbehandeling voor de categorie van de minst ontwikkelde landen die het nog steeds erg zwaar hebben in de wereldeconomie?

Ten derde bespoedigen de nieuwe overeenkomsten het verdwijnen van de werking van het APS-plussysteem, de zogenaamde "bijzondere stimuleringsregeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur" waarbij de Europese Unie extra algemene tariefpreferenties koppelt aan respect voor arbeidsnormen, milieunormen en goed bestuur. Natuurlijk juicht de Partij van de Arbeid het toe dat hiervoor een verdragsmatige verbintenis in de plaats komt om vijftien multilaterale arbeidsrechtelijke overeenkomsten en milieuovereenkomsten te respecteren. In een aantal staten waarop de overeenkomst betrekking heeft, is het echter heel dubieus gesteld met de vrijheid van vakorganisaties, met name in Guatemala en Honduras. Het is terecht dat SP-collega Elzinga daar reeds in de schriftelijke voorbereiding veel aandacht voor heeft gevraagd. Onze vraag is of de geïnstitutionaliseerde politieke samenwerking van het verdrag wel vergelijkbare beleidsinstrumenten biedt voor de EU en haar lidstaten om op te komen voor de eerbiediging van mensenrechten, inclusief vakbondsrechten, als onder het APS-plusregime dat de Europese Unie geheel zelf kon controleren, omdat het een unilaterale maatregel was. Een soortgelijke vraag hebben wij met betrekking tot de milieunormen. Het is ons opgevallen dat het APS-plusregime stoelt op een totaal van 27 milieu-, arbeids- en mensenrechtenconventies en dit akkoord op 15. Kan de minister daar een toelichting op geven? Wat zijn de consequenties?

Wij juichen het toe dat onder de vleugels van dit verdrag met Midden-Amerika een raad inzake handel en duurzame ontwikkeling opgericht zal worden. Begrijpen wij het goed dat het hier gaat om duurzame ontwikkeling in de brede betekenis van het begrip, dus inclusief sociaaleconomische en ecologische dimensies evenals mensenrechtendimensies? Wij begrijpen dat overleg in de raad allereerst een zaak van regeringen is, zoals de regering in de schriftelijke voorbereiding schrijft. Ons is evenwel niet duidelijk wie hier het primaat heeft. De heer Elzinga vroeg daar ook al naar. Is dit de Europese Commissie of zijn het de individuele lidstaten of allebei? Net zoals de minister achten wij het van groot belang dat ook maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven een inbreng in de raad inzake handel en duurzame ontwikkeling kunnen leveren. Ziet de minister daartoe kansen? Is de Nederlandse regering bereid, deze te bevorderen?

Bij de handelsovereenkomst met Colombia en Peru geldt een minder zware institutionele structuur. Wat bij het verdrag met Midden-Amerika de raad inzake handel en duurzame ontwikkeling is, is hier een subcomité. Wij vragen de regering hoe toch zo doeltreffend mogelijk ingezet kan worden op toezicht op de zogenaamde "non-trade concerns", de normen op het terrein van milieu, arbeid en mensenrechten, ook door Europese bedrijven. Hoe kan voorkomen worden dat Europese bedrijven betrokken raken bij de grootschalige en vaak illegale ontbossing, bij landroof en bij gedwongen verplaatsing van de lokale bevolking in deze twee landen? Welke mogelijkheden heeft Nederland om naast de Europese Unie vanuit de eigen speerpunten in het Nederlands ontwikkelingsbeleid bij te dragen aan de naleving van niet-handelgerelateerde bepalingen, met name op het terrein van milieu, arbeidsnormen en mensenrechten? Welke mogelijkheden heeft de minister om lokale initiatieven en capaciteitsopbouw te ondersteunen? Hoe kunnen de Europese Unie en ook Nederland deze landen bijstaan in de aanpak van drugshandel en de daaraan verbonden criminaliteit, waaronder het witwassen van crimineel geld?

Evenals collega Elzinga is mijn partij ook buitengewoon verontrust over de beknotting van de arbeidsrechten in Colombia. Terecht heeft FNV Mondiaal daar uitvoerig de aandacht voor gevraagd naar aanleiding van de totstandkoming van deze twee overeenkomsten. Om al deze redenen, maar zeker vanwege de laatste, ziet de Partij van de Arbeid met heel veel belangstelling de reactie van de regering tegemoet.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Voorzitter. In het besef dat de inhoud van dit soort verdragen besloten wordt in Brussel en Tegucigalpa, in het besef dat de inhoudelijke afweging daarvan hier maar beperkt besproken kan worden, omdat die natuurlijk al op zo veel plekken is uitonderhandeld en besproken en met dank voor de antwoorden van de regering op eerdere vragen, kan ik mij eigenlijk heel goed aansluiten bij de bijdragen van mijn collega's Schrijver en Elzinga en die beschouwen als mede namens mijn fractie uitgesproken. Ik zou er dan ook verder het zwijgen toe kunnen doen, maar ik wil toch graag een enkel punt toevoegen en aanscherpen. Dat betreft met name de zorg die bij mijn fractie leeft over de niet-handelsaspecten zoals mensenrechten, arbeidsnormen en milieuaspecten, die reeds genoemd zijn. Op zichzelf delen wij de visie dat handelsovereenkomsten de strijd voor mensenrechten, fundamentele vrijheden en dergelijke kunnen ondersteunen, maar de bottomline is de vraag of bijvoorbeeld Colombia al zo ver is dat dit ook gaat werken. Hoe kijkt de minister aan tegen het feit dat daar elke drie dagen een vakbondsactivist wordt vermoord, dat de arbeidsomstandigheden structureel beroerd zijn, dat kinderarbeid nog veelvuldig voorkomt en de sociale zekerheid ver te zoeken is? Wat antwoordt de minister aan de Colombiaanse vakbonden die ons oproepen om eerst de mensenrechtensituatie te verbeteren en dan pas vrijhandelspreferenties te bespreken?

In de behandeling is overigens bij herhaling gebleken dat er onduidelijkheid kan ontstaan bij de gedeelde bevoegdheden rond de non-trade concerns. Wat gebeurt er concreet wanneer Nederland constateert dat bijvoorbeeld de milieu- en arbeidsnormen in de akkoorden niet worden nageleefd? Ik krijg graag een wat concretere toelichting op de doorzettingsmacht die Nederland heeft op dit punt.

Zijn de afspraken over mensenrechten en duurzaamheid meer dan lippendienst in het geval een partner zich hier niet aan zou houden? Geven de verdragen de mogelijkheid om de economische samenwerking werkelijk op te schorten als de democratische ontwikkeling tekortschiet? Wat is daar voor nodig? Dit vroeg collega Elzinga ook. Kortom, hoe verhouden handel en duurzame democratische ontwikkeling zich, de facto en de jure, bij deze verdragen? In een iets groter kader, niet alleen wat deze concrete verdragen betreft, vraag ik of de minister bereid is, zich ervoor in te zetten dat met name de naleving van mensenrechten en de waarborging van fundamentele vrijheden voorwaardelijk worden voor het sluiten van handelsakkoorden. Ik overweeg een motie op dit punt. Ik krijg dus heel graag helderheid hierover van de minister.

Ten slotte vraagt mijn fractie zich af wie er nu precies beter wordt van dit type vrijhandelsakkoorden: de ontwikkelingslanden of de EU? Cui bono? Als ik het goed begrijp, regelen deze akkoorden bijvoorbeeld dat de intellectuele eigendomsrechten van farmaceuten verlengd worden. Dat ontneemt ontwikkelingslanden direct de mogelijkheid om een eigen farmaceutische industrie te ontwikkelen en zo te voorzien in betaalbare medicijnen voor de eigen bevolking. Ik snap dat dit prettig is voor Europese bedrijven, maar het kan schadelijk zijn voor de ontwikkeling van bijvoorbeeld de gezondheidszorg bij onze partners. De vraag doemt op of deze vrijhandelsafspraken een wezenlijke bijdrage leveren aan een inclusieve, duurzame economische ontwikkeling of dat ze een nieuwe vorm van koloniaal imperialisme mogelijk maken. Hoe ziet de regering dit? Mijn fractie is benieuwd naar de antwoorden op deze vragen en de vragen die al door collega's gesteld zijn.

De voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Ganzevoort. Wenst een van de leden in eerste termijn nog het woord? Dat is niet het geval.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.