Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2013-2014nr. 7, item 12

12 Opzegging Statuut Industriële Ontwikkeling

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Goedkeuring van het voornemen tot opzegging van het op 8 april 1979 te Wenen tot stand gekomen Statuut van de Organisatie der Verenigde Naties voor Industriële Ontwikkeling (33446 (R1992)).

De beraadslaging wordt hervat.

Minister Ploumen:

Voorzitter. Ik dank de leden voor hun vragen en opmerkingen. Laat ik beginnen met te zeggen dat ik hoop dat, als ik ooit in ernstige problemen kom, mijn verdediging ter hand wordt genomen door de senatoren op een soortgelijke wijze als waarop zij zich gebogen hebben over een mogelijke opzegging van UNIDO (United Nations Industrial Development Organization). Zij hebben het eloquent, geïnformeerd en bij tijd en wijlen hartstochtelijk opgenomen voor UNIDO. Ik heb in reactie op de schriftelijke vragen een aantal antwoorden gegeven. Ik heb luisterend naar de senatoren geconstateerd dat die antwoorden niet bevredigend waren. Ik wil graag enkele opmerkingen maken.

Mij is gevraagd of dit een kwestie is van penny wise, pound foolish. Is dit ingegeven door beleidsoverwegingen of door bezuinigingen? Of we nu leven in tijden van overvloed of in tijden van krapte, het is de opdracht aan elke minister om heel precies te kijken naar de beste besteding van het beschikbare budget. Ik zeg het de senatoren na, dat de jaarlijkse bijdrage aan UNIDO niet heel omvangrijk is. Dat wil echter niet zeggen dat er niet met dat geld op een effectievere wijze bijgedragen zou kunnen worden aan hulp en handel dan UNIDO doet. Mijn pleidooi – nog even los van waar wij elkaar straks hopelijk zullen kunnen vinden – is toch om telkens goed te kijken naar de effectiviteit van bestedingen, of het nu om grote of kleine bedragen gaat, om tijden van overvloed of tijden van krapte; daartoe heb ik mijzelf in ieder geval verplicht.

Wat betreft de beleidsoverwegingen vind ik dat de senatoren het punt van de beleidscontinuïteit terecht onder mijn aandacht hebben gebracht. In tegenstelling tot mijn voorgangers heb ik de landen- en themakeuze van mijn voorganger in stand gehouden. Dat waren goede keuzes – daar begint het mee – die gebaseerd waren op onder andere het WRR-rapport dat een gedegen studie was. Ik heb echter ook zeer zeker het argument van continuïteit laten meewegen. Ik was zelf niet op precies dezelfde landenkeuze gekomen, maar het leek mij buitengewoon onverstandig om alleen op basis van de wisseling van de wacht tot een andere keuze te komen. Landen, ambassades en organisaties hadden zich immers de afgelopen twee jaar op die vijftien landen gericht. Een vermeende wispelturigheid wordt inderdaad weleens aan de dag gelegd door bewindslieden, maar dat lijkt mij nu net niet gelden voor de inzet op UNIDO. Het beleidsvoornemen was immers al door een vorig kabinet ingestoken en ik heb dat in de Tweede Kamer verdedigd.

Ik voel mee met de senatoren die zeggen dat de hardheid van de argumenten hen niet overtuigt. Er werd onder andere gerefereerd aan de wijze waarop je een verkering zou kunnen uitmaken. Je maakt het uit, maar je moet wel zeggen waarom je het uitmaakt. Dat waarom zou hier ontbreken. Ik zou willen zeggen dat ik het daar in algemene zin wel mee eens zou willen zijn, maar in het geval van verkering is er ook nog zoiets als discretie. Ik heb weleens een verkering uitgemaakt en dat feit bekendgemaakt, maar niet aangegeven waarom ik het had uitgemaakt. Ik begrijp dat er in dit huis andere mores gelden en dat ik mij moet verantwoorden voor elke keuze die ik maak, liefst op inhoudelijke gronden.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik heb ook weleens een verkering uitgemaakt. Meestal heb ik aan buitenstaanders niet verteld waarom, maar wel aan de betrokkene.

Minister Ploumen:

Ik geloof dat wij het hierover eens zijn, maar in dit huis werkt het anders. Ik vind dat ik, hetgeen ik met UNIDO bespreek ook met de Kamer moet bespreken. In die zin spreken wij met één mond.

De afgelopen periode heb ik mij verdiept in de werking van UNIDO. Ik ben, zoals de woordvoerders weten, een overtuigde supporter van het multilaterale stelsel. Nederland is een overtuigde supporter van het multilaterale stelsel. Dat neemt niet weg dat wij ook kritisch kunnen zijn. We hebben daar ook enkele woorden over gewisseld. Nederland is altijd een van de aanstichters om te komen tot One UN. Waar effectiviteits- en efficiencywinst te behalen is, proberen wij daar middels samenwerking toe te komen. Ik kan me echter voorstellen dat de senatoren met mij mee zullen voelen als ik zeg dat wij in de loop der decennia met name in het VN-systeem nieuwe organisaties hebben opgericht met nieuwe, soms overlappende, mandaten, zonder dat dit per se consequenties had voor bestaande organisaties. Daarin vind ik in eerste instantie de grond om het voorstel te doen het lidmaatschap van UNIDO te beëindigen.

Ik heb goed geluisterd en ik heb gehoord dat ik voor dat voorgenomen besluit hier op weinig sympathie kan rekenen. Ik zou daarom het volgende voorstel willen doen. Ik hoor dat men in de Kamer de rationaliteit van keuzes van belang acht. Daar zou ik in mee willen gaan. Ik heb daarom het volgende verzoek: laten we de behandeling van dit wetsvoorstel opschorten tot het najaar van 2014. Dan zal ik de Kamer nader informeren over enerzijds de status van de inspanningen van de nieuwe leiding van UNIDO; daar zijn terechte opmerkingen over gemaakt. Anderzijds zal ik, net als voor andere multilaterale instellingen is gedaan, mede op basis van die inspanningen een scorekaart laten opstellen. Die ontbreekt namelijk nog. Dan zou ik de Kamer daarover willen rapporteren waarbij wat mij betreft alles open ligt.

De heer Thom de Graaf (D66):

Ik probeer me even voor te stellen hoe het overkomt als je tegen je partner zegt: ik overweeg om de relatie te beëindigen, maar ik ben bereid nog een jaartje te wachten om dan een rationele afwachting te maken. Ik weet niet of dat erg verstandig is. Ik vraag me af of de minister niet zou moeten concluderen dat er in deze Kamer geen steun bestaat voor het voornemen om het lidmaatschap van UNIDO op te zeggen. De kans dat die steun over een jaar plotseling wel bestaat op basis van de argumenten die vandaag door bijna alle fracties zijn gebezigd – het standpunt van de PVV kan ik even niet inschatten – en op basis van de argumenten die we nu nog niet zouden kennen, is niet zo groot. Zou de minister dus niet beter kunnen concluderen dat het einde oefening is?

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik hoor twee argumenten om het een jaar uit te stellen. Het eerste argument is dat er dan een nieuwe directeur-generaal is die dan de kans heeft om zich een jaar te laten zien. Dat vind ik een wonderlijk argument. De vorige directeur-generaal is namelijk geroemd vanwege de veranderingen die hij al heeft aangebracht. Ik vind het wonderlijk om het besluit of wij actief blijven in een multilaterale organisatie afhankelijk te maken van het persoonlijk functioneren van de leider van een organisatie. Dat argument zou ik dus zeker niet willen meenemen.

Het tweede punt, de scorekaart, blijft over. Daarover zou dan nieuwe informatie kunnen zijn. Tegelijkertijd is het niet zo dat er op dit moment geen enkele evaluatie op tafel ligt, zij het niet van Nederland, maar wel in den brede van allerlei andere organisaties, plaatsen en landen, zoals het reeds genoemde Noorwegen. Wat dat betreft verwacht ik niet dat het simpele feit dat er over een jaar een scorekaart ligt, een reden is om het nu aan te houden. Het lijkt mij dan meer terecht om dit wetsvoorstel in stemming te brengen of terug te trekken. Mocht de minister over een jaar verwachten de Kamer op basis van nieuwe gronden wel te overtuigen, dan kan ze tegen die tijd met een nieuw verhaal komen.

De heer Schrijver (PvdA):

Ik ben blij dat de minister af en toe spreekt over "mogelijke opzegging" van het lidmaatschap van UNIDO. Ik zag ook nog wel een paar andere verstandige openingen in haar betoog, maar de gegeven oplossing trekt mij ook niet meteen aan. Ik denk weliswaar niet meteen in termen van "liefdesrelaties", maar wij vervullen ons ambt hier allen wel met hartstocht. Ik krijg de indruk dat de minister zowel de organisatie alsook het Nederlandse bedrijfsleven, de Nederlandse ngo's die bij UNIDO betrokken zijn en de consultancy-bedrijven erg in het ongewisse laat. De minister kiest eigenlijk voor een soort "bungeloptie". Ik raad de minister aan om daar nog eens heel goed over na te denken.

De heer Elzinga (SP):

Ik sluit mij eigenlijk voor een groot deel aan bij de vorige twee sprekers dezer Kamer. Ik denk ook dat het niet verstandig is om een zwaard van Damocles boven deze multilaterale organisatie te laten hangen. Het is wel altijd verstandig, zoals de minister zegt, om kritisch te blijven over welke beslissing dan ook en over de deelname namens Nederland van de minister aan organisaties. Nieuwe afwegingen en argumenten kunnen altijd naar voren worden gebracht. Ik denk dat het beter is om het nu niet te doen en volgend jaar verder te zien.

Mevrouw Martens (CDA):

Ik denk dat het goed is dat de minister helderheid heeft over de verschillende posities. Ik kan zeggen dat de fractie van het CDA denkt in lijn met de vorige sprekers. Het is de vraag of de minister een jaar lang onduidelijkheid wil laten bestaan, terwijl de uitslag eigenlijk al nagenoeg bekend is.

Minister Ploumen:

Ik heb gehoord dat de optie, het verzoek dat ik heb gedaan, door de leden als een bungeloptie wordt gezien en niet als een opening. Als zij dat zo zien, ben ik de leden niet voldoende tegemoetgekomen. Dat betekent dat ik op suggestie van de verschillende sprekers moet constateren dat er op dit moment inderdaad geen steun is voor de opzegging. Er is wel steun – dat doet mij deugd – voor continue monitoring, zoals bij multilaterale organisaties gebruikelijk. Er is ook steun voor het idee om UNIDO daar nadrukkelijk bij te betrekken. Dat biedt niet zozeer openingen, maar het is wel een moment waarop wij elk jaar bekijken hoe het met die organisaties gaat. Wij gaan daarbij overigens niet over één nacht ijs, want er moeten natuurlijk altijd verbetertrajecten mogelijk zijn.

Voorzitter, het is mij dus helder waar uw Kamer staat. Zonder de steun van uw Kamer, vervalt de grond voor mijn voorstel om het lidmaatschap van UNIDO op te zeggen.

De voorzitter:

Betekent dit dat de minister het voorstel intrekt?

Minister Ploumen:

Ja, dat betekent dit.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Minister Ploumen:

Voorzitter. Hetgeen hiervoor gewisseld is, betekent dat ik mijn voorstel mee terugneem naar het kabinet, het daar bespreek en dat ik daarna een brief hierover zal zenden.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik dank de minister.