35 925 XVI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2022

Nr. 14 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 19 oktober 2021

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 30 september 2021 voorgelegd aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Bij brief van 15 oktober 2021 zijn ze door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De fungerend voorzitter van de commissie, Kuiken

Adjunct-griffier van de commissie, Krijger

Vraag 1

Hoeveel geld werd in 2021 en wordt in 2022 nog uitgegeven aan alle verschillende actieprogramma's die onder het kabinet-Rutte III zijn gelanceerd? Kunnen deze uitgaven per actieprogramma worden weergegeven?

Antwoord:

In de onderstaande tabel worden de uitgaven in 2021 en 2022 aan de verschillende actieprogramma’s weergeven in miljoenen euro’s.

Nr

Actieprogramma (in miljoenen euro's)

2021

2022

1

Actieprogramma «Eén tegen Eenzaamheid»

5,0

5,0

2

Onafhankelijke cliëntondersteuning

10,0

5,0

3

Actieprogramma «Werken in de zorg»1

6,2

35,8

4

Actieprogramma «Zorg voor de Jeugd»

9,0

0,0

5

Programmaplan «Rechtmatige zorg 2018–2021»

1,0

0,3

6

Aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling. «Geweld hoort nergens thuis»

10,0

5,0

7

Actieplan «(Ont)regel de zorg»

0,6

2,3

8

Programma «Langer Thuis»

11,0

11,0

9

Ontwikkeling Uitkomstgerichte zorg 2018–2022

17,2

17,3

10

Actieprogramma «Kansrijke Start»

10,1

14,0

11

Onbedoelde (tiener)zwangerschappen (incl. Nu Niet Zwanger)

11,4

13,6

12

Programma Volwaardig leven

15,0

9,0

13

Actieplan ambulancezorg

0,5

0,7

14

Actieprogramma Dak- en Thuisloze Jongeren 2019–2021

3,0

1,7

15

Programma VN-verdrag Onbeperkt meedoen!

4,3

4,3

16

Inkoop en aanbesteden Sociaal Domein

5,0

3,4

17

Actieprogramma personen met verward gedrag

9,0

11,3

18

Effectieve interventies

3,0

3,2

X Noot
1

De activiteiten in 2021 en 2022 bij het actieprogramma «Werken in de zorg» worden niet bevoorschot. De uitbetaling op basis van gerealiseerde activiteiten vindt grotendeels plaatst in 2023.

Vraag 2

Kunt u aangeven hoeveel de deelbegrotingen van alle zorgprogramma’s en de actieplannen hebben gekost? Kunt u daarin apart overzichtelijk maken hoeveel budget uitgegeven is aan communicatie, lunches en borrels met de betrokken partijen?

Antwoord:

Voor een overzicht van de begrotingsuitgaven aan actieprogramma’s verwijs ik naar mijn antwoord op nummer 1. Het is niet bekend hoeveel budget is uitgegeven aan communicatie, lunches en borrels met betrokken partijen vanuit alle zorgprogramma’s en actieplannen. Dit wordt binnen de reguliere apparaatsuitgaven op artikel 10 van de VWS-begroting opgevangen. Een dergelijk overzicht kan dan ook niet worden gegeven.

Vraag 3

Hoeveel wordt door dit kabinet geïnvesteerd in de zorg? Kunt u dit zowel weergeven in een totaalbedrag als uitgesplitst in aparte tabellen voor respectievelijk de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz), de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en de Jeugdwet?

Antwoord:

Er is in de afgelopen periode ten opzichte van de Startnota geïnvesteerd in de zorg, namelijk € 0,2 miljard in 2018 oplopend tot € 2,8 miljard in 2022. De intensiveringen vanwege de uitbraak van het coronavirus (tot nu toe € 20 miljard cumulatief in 2020, 2021 en 2022, zie ontwerpbegroting 2022 pagina 13) zijn in onderstaande tabel niet meegenomen.

In de onderstaande tabel zijn de omvangrijkste intensiveringen in de Zvw, de Wlz, Wmo en Jeugdwet opgenomen. De toelichtingen bij deze mutaties kunt u vinden in begrotingsstukken 2019, 2020, 2021 en 2022.

Tabel omvangrijkste intensiveringen sinds de start van Rutte III (Bedragen x € 1 miljoen)
 

2018

2019

2020

2021

2022

Toelichting

Zvw

100

220

286

395

435

 

Regelgeving veiligheid geneesmiddelen

 

70

70

70

70

OW 2019, pagina 198

HLA: huisartsenzorg

50

50

50

50

50

OW 2019, pagina 199

HLA: wijkverpleging

50

50

50

50

50

OW 2019, pagina 199

HLA: geestelijke gezondheidszorg

 

50

50

50

50

OW 2019, pagina 199

Invulling taakstelling MSZ

   

40

75

75

OW 2020, pagina 193

Beschikbaarheidsbijdrage Prinses Maxima Centrum

   

10

11

12

OW 2020, pagina 193

Standaardisatie inkoop- en verantwoordingseisen in aantal Zvw-sectoren

     

7

7

OW 2021, pagina 172

Meerkosten ambulancevervoer

     

13

13

OW 2022, pagina 164

Gedragseffect bevriezen eigen risico 2022

       

80

OW 2022, pagina 165

             

COVID-19: Fysiotherapie COVID-19-patiënten

   

12

16

 

OW 2021, pagina 172

COVID-19: Opschaling IC-capaciteit Zvw

   

4

4

 

OW 2021, pagina 172

COVID-19: Opschaling ELV-capaciteit

   

0

25

 

OW 2021, pagina 172

Verlengen voorwaardelijke toelating paramedische herstelzorg i.v.m. corona

     

25

9

OW 2022, pagina 164

Reservering opschalingsplan i.v.m. corona

       

20

OW 2022, pagina 164

             

Wlz

100

336

958

968

791

 

Voorziening voor door gemeenten ervaren knelpunten (interbestuurlijk programma)

100

       

OW 2019, pagina 208

Kostenonderzoek Wlz

 

128

128

128

128

OW 2019, pagina 209

Ontwikkelopgave zorgkantoren

 

12

10

10

10

OW 2020, pagina 199

Wet zorg en dwang

 

1

10

10

10

OW 2020, pagina 200

Bijdrage zorgvisie Groningen

 

6

6

6

6

OW 2020, pagina 200

Tegenvaller Wlz-kader

 

190

480

480

480

OW 2021, pagina 179

Dak- en thuislozen (sociaal domein)

   

75

125

0

OW 2021, pagina 180

Vrouwenopvang (sociaal domein)

   

59

59

54

OW 2021, pagina 180

Meerkosten Wet zorg en dwang

       

103

OW 2022, pagina 173

             

COVID-19 Wlz – Zorg in natura

   

150

   

OW 2021, pagina 180

COVID-19 Wlz – Persoonsgebonden budget

   

40

   

OW 2021, pagina 180

Meerkosten corona Wlz

     

150

 

OW 2022, pagina 173

             

Wmo

0

38

50

61

73

 

Ambulantisering ggz-domein

 

38

50

61

73

OW 2020, pagina 204

             

Jeugdwet

0

350

190

903

1.504

 

Jeugdhulp

 

350

190

290

190

OW 2020, pagina 199

Incidentele middelen jeugdzorg1

     

613

1.314

Begroting gemeentefonds en VWS

             

Overig

0

0

57

43

0

 

Covid-19 Caribisch Nederland

   

57

13

 

OW 2021, pagina 163

Langdurige zorg en ondersteuning (Artikel 3 corona uitgaven)

     

30

 

OW 2022, pagina 158

             

Totaal

200

944

1.541

2.370

2.803

 

Bron: VWS-begroting 2019, 2020, 2021 en 2022.

X Noot
1

Door het rijk beschikbaar gesteld voor de acute problematiek in de jeugdzorg – deels het gevolg van de corona-pandemie – en de financiële druk die dit veroorzaakt wordt beschikbaar gesteld via het gemeentefonds en de VWS-begroting.

Vraag 4

Kunt u een overzicht sturen met de jaarlijkse uitgaven aan de zorg vanaf 2000 tot en met 2021 in zijn totaal en uitgesplitst per wet?

Antwoord:

In de onderstaande tabellen zijn de niet-gecorrigeerde cijfers (onder meer voor overhevelingen tussen zorgdomeinen) van de ontwikkeling van de zorguitgaven 2000 tot en met 2021 opgenomen in zowel totaal (tabel 1) als uitgegeplitst per wet (tabel 2).

Het betreft hier de zorguitgaven die vallen onder de definitie van het Uitgavenplafond Zorg (het UPZ), dit betreft grotendeels de premiegefinancierde uitgaven. De zorguitgaven die verantwoord worden op de VWS-begroting en de middelen voor de Wmo en Jeugdzorg die per 2019 zijn toegevoegd aan het gemeentefonds zijn niet in de tabellen opgenomen.

Tabel 1 Ontwikkeling van de zorguitgaven en -ontvangsten onder het Uitgavenplafond Zorg 2000–2021 (bedragen x € 1 miljard)1
 

2000

2001

2002

20032

2004

2005

20063

20074

2008

2009

Bruto zorguitgaven

34,6

38,4

43,1

43,7

44,9

46,5

48,3

51,0

55,5

59,3

Eigen risico/ eigen betalingen

2,6

2,6

2,4

2,4

2,2

3,8

3,8

3,7

3,0

3,0

Netto zorguitgaven

32,0

35,8

40,7

41,3

42,7

42,7

44,5

47,3

52,6

56,3

X Noot
1

De zorguitgaven zijn exclusief de begrotingsgefinancierde zorguitgaven (VWS-begroting en aanvullende post Financiën).

X Noot
2

De Zorgverzekeringswet (Zvw) is in 2006 ingevoerd. Daarvoor maakten deze uitgaven deel van het Ziekenfondswet (ZFW), particuliere verzekeringen, eigen betalingen ZFW en eigen betalingen particuliere verzekeringen.

X Noot
3

De integratie-uitkering Wmo huishoudelijke hulp is in 2007 ingevoerd.

X Noot
4

Exclusief de eenmalige stimuleringsimpuls voor de bouw uit het aanvullend coalitieakkoord Balkenende IV (€ 320 miljoen) die niet aan het Uitgavenplafond Zorg is toegerekend.

20101

2011

2012

2013

2014

20152

2016

2017

2018

20193

2020

20214

62,5

64,5

67,9

68,8

69,3

68,9

71,0

72,8

76,1

74,8

79,1

81,1

3,0

3,2

3,6

4,6

5,1

5,1

5,1

5,0

5,0

5,0

5,1

5,1

59,4

61,3

64,3

64,2

64,2

63,7

65,9

67,8

71,1

69,9

74,0

76,0

X Noot
1

De uitgaven voor Wmo en de Jeugdwet betreffen alleen het deel dat valt onder het Uitgavenplafond Zorg. Gemeenten ontvangen via het gemeentefonds via verschillende uitkeringen ook andere budgetten om aan hun wettelijke verantwoordelijkheden op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdwet te voldoen. Het totale budget dat gemeenten aan de Wmo 2015 en de Jeugdwet uitgeven kan alleen indicatief worden gegeven op basis van Iv3. De gemeenten leveren via het Iv3-systeem (informatie voor derden) informatie aan over hun begroting en hun daadwerkelijke gerealiseerde uitgaven. Op basis van het Iv3-systeem wordt voor een deel van de taken geen onderscheid gemaakt tussen de Wmo 2015 en de Jeugdwet, en de overhead wordt niet per taak inzichtelijk gemaakt maar op één taakveld door gemeenten geboekt.

X Noot
2

Bij de startnota Kabinet Rutte III zijn vanaf het jaar 2019 middelen vanuit het Wmo-budget en jeugdbudget, dat voorheen tot het Uitgavenplafond Zorg behoorde (met uitzondering van het budget voor beschermd wonen) overgeheveld naar de algemene uitkering van het gemeentefonds (Uitgavenplafond Rijksbegroting). Vandaar die afname van de uitgaven van Wmo en Jeugdwet vanaf het jaar 2019.

X Noot
3

De zorguitgaven zijn in 2021 gecorrigeerd als gevolg van de technische correctieboeking van de schadelastdip ggz van – € 1,2 miljard. Per 1 januari 2022 wordt een nieuw bekostigingsmodel voor de ggz ingevoerd. In dit nieuwe model wordt voor de bekostiging niet meer gewerkt met DBC’s en komt er een aparte bekostiging voor de basis-ggz. De DBC’s die worden geopend in 2021 worden derhalve uiterlijk 31-12-2021 afgesloten; dit geldt ook voor de huidige bekostiging van de basis-ggz. Hierdoor is er in 2021 om technisch-administratieve redenen sprake van eenmalig lagere zorguitgaven in termen van schadelast. Deze technische aanpassing heeft geen gevolgen voor de hoeveelheid ggz die feitelijk kan worden geleverd of op de omzetten van zorgaanbieders. Er is geen sprake van een bezuiniging. Deze technische bijstelling heeft dan ook geen gevolgen voor het EMU-saldo en geen invloed op de premiehoogte.

X Noot
4

De zorguitgaven zijn exclusief de begrotingsgefinancierde zorguitgaven (VWS-begroting en aanvullende post Financiën).

Tabel 2 Ontwikkeling van de zorguitgaven en -ontvangsten onder het Uitgavenplafond Zorg per wet 2000–2021 (bedragen x € 1 miljard)
 

2000

2001

2002

2003

2004

2005

20061

20072

2008

2009

Zorgverzekeringswet (Zvw)

                   

Bruto Zvw-uitgaven

18,1

20,0

22,3

23,5

23,7

24,3

25,3

26,1

31,5

33,8

Eigen risico

0,7

0,9

0,8

0,5

0,4

2,0

2,1

2,0

1,3

1,4

Netto Zvw-uitgaven

17,4

19,2

21,5

23,0

23,2

22,3

23,2

24,0

30,2

32,4

Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)

                   

/Wet langdurige zorg (Wlz)

Bruto AWBZ/Wlz-uitgaven

14,6

16,2

18,4

20,2

21,2

22,2

23,0

22,9

21,8

23,2

Eigen betalingen

1,6

1,6

1,6

1,8

1,8

1,8

1,8

1,6

1,6

1,6

Netto AWBZ/Wlz-uitgaven

12,9

14,7

16,8

18,3

19,4

20,4

21,2

21,2

20,2

21,6

Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)3

                   

Bruto Wmo-uitgaven (gemeentefonds)

             

1,4

1,5

1,5

Jeugdwet4

                   

Bruto Jeugdwet-uitgaven (gemeentefonds)

                   
X Noot
1

De Zorgverzekeringswet (Zvw) is in 2006 ingevoerd. Daarvoor maakten deze uitgaven deel van het Ziekenfondswet (ZFW), particuliere verzekeringen, eigen betalingen ZFW en eigen betalingen particuliere verzekeringen.

X Noot
2

De integratie-uitkering Wmo huishoudelijke hulp is in 2007 ingevoerd.

X Noot
3

De uitgaven voor Wmo en de Jeugdwet betreffen alleen het deel dat valt onder het Uitgavenplafond Zorg. Gemeenten ontvangen via het gemeentefonds via verschillende uitkeringen ook andere budgetten om aan hun wettelijke verantwoordelijkheden op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdwet te voldoen. Het totale budget dat gemeenten aan de Wmo 2015 en de Jeugdwet uitgeven kan alleen indicatief worden gegeven op basis van Iv3. De gemeenten leveren via het Iv3-systeem (informatie voor derden) informatie aan over hun begroting en hun daadwerkelijke gerealiseerde uitgaven. Op basis van het Iv3-systeem wordt voor een deel van de taken geen onderscheid gemaakt tussen de Wmo 2015 en de Jeugdwet, en de overhead wordt niet per taak inzichtelijk gemaakt maar op één taakveld door gemeenten geboekt.

X Noot
4

Bij de startnota Kabinet Rutte III zijn vanaf het jaar 2019 middelen vanuit het Wmo-budget en jeugdbudget, dat voorheen tot het Uitgavenplafond Zorg behoorde (met uitzondering van het budget voor beschermd wonen) overgeheveld naar de algemene uitkering van het gemeentefonds (Uitgavenplafond Rijksbegroting). Vandaar die afname van de uitgaven van Wmo en Jeugdwet vanaf het jaar 2019.

20101

2011

2012

2013

2014

20152

2016

2017

2018

20193

2020

20214

35,5

36,0

36,7

39,2

39,2

41,8

43,8

45,1

46,8

48,8

50,7

50,9

1,5

1,5

1,9

2,7

3,1

3,2

3,2

3,1

3,2

3,1

3,2

3,1

34,0

34,5

34,7

36,5

36,1

38,6

40,6

42,0

43,6

45,6

47,6

47,8

                       

24,1

25,2

27,9

27,5

27,8

19,5

19,9

20,4

21,6

23,8

25,9

28,2

1,5

1,6

1,7

1,9

2,0

1,9

1,9

1,9

1,8

1,8

1,9

2,0

22,7

23,6

26,2

25,5

25,8

17,7

18,0

18,5

19,9

22,0

24,0

26,2

                       

1,5

1,5

1,5

1,6

1,7

4,9

4,9

4,9

5,1

1,8

1,9

1,5

                       
         

2,0

1,9

1,9

2,0

     

Bron: VWS

X Noot
1

Exclusief de eenmalige stimuleringsimpuls voor de bouw uit het aanvullend coalitieakkoord Balkenende IV (€ 320 miljoen) die niet aan het Uitgavenplafond Zorg is toegerekend.

X Noot
2

De Wet langdurige zorg (Wlz) is in 2015 in werking getreden. Hierbij zijn middelen vanuit de AWBZ/Wlz overgeheveld naar de Wmo en Jeugdwet, vandaar die afname van de uitgaven bij de AWBZ/Wlz en toename bij de Wmo en Jeugdwet.

X Noot
3

Bij de startnota Kabinet Rutte III zijn vanaf het jaar 2019 middelen vanuit het Wmo-budget en jeugdbudget, dat voorheen tot het Uitgavenplafond Zorg behoorde (met uitzondering van het budget voor beschermd wonen) overgeheveld naar de algemene uitkering van het gemeentefonds (Uitgavenplafond Rijksbegroting). Vandaar die afname van de uitgaven van Wmo en Jeugdwet vanaf het jaar 2019.

X Noot
4

De zorguitgaven zijn in 2021 gecorrigeerd als gevolg van de technische correctieboeking van de schadelastdip ggz van – € 1,2 miljard. Per 1 januari 2022 wordt een nieuw bekostigingsmodel voor de ggz ingevoerd. In dit nieuwe model wordt voor de bekostiging niet meer gewerkt met DBC’s en komt er een aparte bekostiging voor de basis-ggz. De DBC’s die worden geopend in 2021 worden derhalve uiterlijk 31-12-2021 afgesloten; dit geldt ook voor de huidige bekostiging van de basis-ggz. Hierdoor is er in 2021 om technisch-administratieve redenen sprake van eenmalig lagere zorguitgaven in termen van schadelast. Deze technische aanpassing heeft geen gevolgen voor de hoeveelheid ggz die feitelijk kan worden geleverd of op de omzetten van zorgaanbieders. Er is geen sprake van een bezuiniging. Deze technische bijstelling heeft dan ook geen gevolgen voor het EMU-saldo en geen invloed op de premiehoogte.

Vraag 5

Wat is de ontwikkeling van de zorgkosten geweest in relatie tot de ontwikkeling van het bruto binnenlands product (bbp) in de afgelopen vier jaar?

Antwoord:

In onderstaande tabel staat de ontwikkeling van de netto-zorguitgaven onder het Uitgavenplafond Zorg in relatie tot de ontwikkeling van het bruto binnenlands product (BBP) in de afgelopen vier jaar.

Bij de beoordeling van deze cijfers is van belang dat de groei van de zorguitgaven wordt beïnvloed door wijzigingen in de definitie van de zorguitgaven onder het BKZ/UPZ (zoals de overheveling van grote delen van de Wmo en de jeugdzorg uit het UPZ in 2019) en door statistische vertekeningen, zoals in 2021 de statistische verlaging van de uitgaven vanwege de nieuwe bekostigingssystematiek in de ggz.

Ontwikkeling zorguitgaven 2018–2021 (bedragen x € 1 miljard)
 

Basisjaar 20171

20181

2019

2020

20212

Gemiddelde 2018–2021

Netto zorguitgaven (€)

62,7

65,7

69,9

74,0

76,0

71,4

Groei van de netto zorguitgaven (€)

 

3,0

4,2

4,1

2,0

3,3

Groei van de netto zorguitgaven (%)

 

4,8%

6,4%

5,9%

2,7%

4,9%

BBP (€)

738,1

774,0

813,1

800,1

849,7

809,2

Groei BBP (€)

 

35,9

39,1

– 13,0

49,6

27,9

Groei BBP (%)

 

4,9%

5,1%

– 1,6%

6,2%

3,6%

             

Netto zorguitgaven / BBP (%)

8%

8%

9%

9%

9%

9%

X Noot
1

Dit betreft de netto zorguitgaven exclusief de rijksbijdrage Wmo (met uitzondering van beschermd wonen) en jeugd in 2017 en 2018. Omdat deze vanaf 2019 geen onderdeel meer uitmaken van de netto zorguitgaven is deze correctie nodig om vergelijkbare cijfers te presenteren voor de kabinetsperiode 2017–2021.

X Noot
2

De zorguitgaven zijn in 2021 gecorrigeerd als gevolg van de technische correctieboeking van de schadelastdip ggz van –€ 1,2 miljard. Per 1 januari 2022 wordt een nieuw bekostigingsmodel voor de ggz ingevoerd. In dit nieuwe model wordt voor de bekostiging niet meer gewerkt met DBC’s en komt er een aparte bekostiging voor de basis-ggz. De DBC’s die worden geopend in 2021 worden derhalve uiterlijk 31-12-2021 afgesloten; dit geldt ook voor de huidige bekostiging van de basis-ggz. Hierdoor is er in 2021 om technisch-administratieve redenen sprake van eenmalig lagere zorguitgaven in termen van schadelast. Deze technische aanpassing heeft geen gevolgen voor de hoeveelheid ggz die feitelijk kan worden geleverd of op de omzetten van zorgaanbieders. Er is geen sprake van een bezuiniging. Deze technische bijstelling heeft dan ook geen gevolgen voor het EMU-saldo en geen invloed op de premiehoogte.

Vraag 6

Kunt u aangeven op welke terreinen bezuinigd wordt in de begroting voor het jaar 2022 ten opzichte van de begroting voor het jaar 2021? Kunt u per terrein de reden geven van de bezuiniging?

Antwoord:

Er zijn geen nieuwe bezuinigingen in 2022 ten opzichte van de begroting 2021. Wel is er nog de doorwerking van de hoofdlijnenakkoorden 2019–2022 in de curatieve zorg. De besparing op basis van de akkoorden loopt in 2022 op, omdat ook voor dat jaar afspraken zijn gemaakt over een lagere volumegroei dan in het basispad voor de groei van de zorguitgaven was voorzien. Desondanks kent de Zvw-raming nog steeds een toename van ruim 4 miljard euro in 2022 t.o.v. 2021.

N.B. De totale omvang van budgetten voor alle corona uitgaven bij VWS zijn lager in 2022 dan in 2021. Het kabinet beziet op basis van de ontwikkeling van de epidemiologische situatie steeds of dit voldoende is.

Vraag 7

Hoeveel reserves hebben de zorginstellingen in de Wlz, Zvw, Wmo 2015 en in de jeugdzorg opgebouwd?

Antwoord:

Ik beschik niet over de precieze informatie die u vraagt. Onderstaande tabel geeft een overzicht van het eigen vermogen (waar de reserves onderdeel van uitmaken) van instellingen met minimaal tien werknemers in verschillende zorgsectoren in de jaren 2015–2019:

Bedragen in € miljoen

2015

2016

2017

2018

20191

Universitair medische centra

2.072

2.228

2.479

2.784

2.980

Algemene ziekenhuizen

3.707

3.930

4.149

4.498

4.795

Categorale ziekenhuizen

341

373

381

395

432

GGZ met overnachting

1.299

1.341

1.385

1.419

1.594

Gehandicaptenzorg

2.516

2.690

2.921

3.080

3.224

Jeugdzorg met overnachting

251

267

321

342

283

Maatschappelijke opvang (24-uurs)

281

271

322

349

314

Ambulante jeugdzorg

54

63

61

69

75

Verpleeg-, verzorgingshuizen, thuiszorg

4.530

4.462

4.696

5.117

5.543

Bron: CBS Statline, tabel Zorginstellingen; financiën en personeel

X Noot
1

voorlopige cijfers

Vraag 8

Hoeveel mensen maken gebruik van zorg vanuit de verschillende domeinen Zvw, Wmo 2015, Wlz en jeugdzorg?

Antwoord:

In onderstaande tabel staan cijfers over het aantal gebruikers van zorg in de verschillende domeinen. Een deel van de personen maakt gebruik van zorg uit meerdere domeinen, in welke mate precies is onbekend. Op basis van gegevens van het CBS uit 2015 is bekend dat 94% van de Wmo-cliënten en 86% van de Wlz-cliënten met een eigen bijdrage ook kosten maakte onder het eigen risico in de Zvw.

Tabel: Aantal gebruikers van zorg in een bepaald domein (in duizenden)

Domein

Aantal gebruikers

Zvw1

17.455

Wlz2

332

Wmo 20153

1.221

Jeugdzorg4

429

X Noot
1

Cijfer voor 2021. Bron: CPB, MEV 2022. Dit betreft de raming van het aantal verzekerden in 2020. Niet elke verzekerde zal echter gebruik maken van zorg.

X Noot
2

Peildatum 1 juli 2021. Bron: CIZ. Zie ook antwoord op vraag 213.

X Noot
3

Cijfer voor 2020 (voorlopig). Bron: CBS. Betreft het aantal cliënten met een Wmo-maatwerkvoorziening. Er bestaat geen landelijk inzicht in het gebruik van algemene voorzieningen.

X Noot
4

Cijfer voor 2020 (voorlopig). Bron: CBS

Vraag 9

Hoeveel hebben de kabinetten-Rutte I, -Rutte II en -Rutte III bezuinigd op de zorg? Kunt u dit per kabinetsperiode apart aangeven in een tabel met daarin graag tekstuele uitleg waarop bezuinigd is, met hoeveel budget bezuinigd is en wat de reden daarvoor was?

Antwoord:

Kijkend naar het totale Uitgavenplafond Zorg (UPZ) is er de facto niet bezuinigd op de zorg. De uitgaven onder het Uitgavenplafond Zorg (UPZ) zijn tijdens de kabinetten-Rutte I en II gegroeid van € 59,4 miljard in 2010 naar € 67,8 miljard in 2017 en groeit naar € 81,4 miljard in 2022.

Voor de intensiveringen en maatregelen van de kabinetten-Rutte I en II onder het Uitgavenplafond Zorg, verwijs ik u naar de antwoorden op de vragen 16 t/m 19 bij de begroting 2018 (TK 34 775 XVI nr.14).

In onderstaand overzicht is het totaal aan beleidsmatige mutaties (maatregelen, ramingsbijstellingen en intensiveringen) van de zorguitgaven onder het Uitgavenplafond Zorg onder het huidige kabinet-Rutte III opgenomen. Deze zijn uitgesplitst naar de verschillende domeinen (Zvw, Wlz, Wmo en Jeugd). De budgettaire reeksen zijn in beeld gebracht vanaf de ontwerpbegroting 2019. Het overzicht bevat alleen de beleidsmatige mutaties en dus niet de autonome groei.

Alle genoemde maatregelen, ramingsbijstellingen en intensiveringen zijn via de VWS-begrotingen aan uw Kamer gepresenteerd. Voor de volledigheid vindt u hieronder een overzicht van de betreffende Kamerstukken van de VWS-begrotingen en bijbehorende paginanummers.

  • Startnota (TK 347 75 XVI 15 nota van wijziging)

  • OW 2019 (TK 35 000 XVI, nr. 2), pagina 196 t/m 201, 205 t/m 211 en 2014.

  • OW 2020 (TK 35 300 XVI, nr. 2), pagina 190 t/m 194, 197 t/m 201 en 204.

  • OW 2021 (TK 35 570 XVI, nr. 2), pagina 168 t/m 173, 178 t/m 182, 185 en 186.

  • OW 2022 (TK 35 935 XVI, nr. 2), Pagina 162 t/m 166, 171 t/m 175.

In de eerste tabel zijn de omvangrijkste intensiveringen opgenomen sinds de start van het kabinet-Rutte III en in de tweede tabel zijn de omvangrijkste maatregelen opgenomen. De toelichtingen bij deze mutaties kunt u vinden in desbetreffende begrotingsstukken.

Tabel omvangrijkste intensiveringen sinds de start van Rutte III (Bedragen x € 1 miljoen)
 

2018

2019

2020

2021

2022

Toelichting

Zvw

100

220

286

395

435

 

Regelgeving veiligheid geneesmiddelen

 

70

70

70

70

OW 2019, pagina 198

HLA: huisartsenzorg

50

50

50

50

50

OW 2019, pagina 199

HLA: wijkverpleging

50

50

50

50

50

OW 2019, pagina 199

HLA: geestelijke gezondheidszorg

 

50

50

50

50

OW 2019, pagina 199

Invulling taakstelling MSZ

   

40

75

75

OW 2020, pagina 193

Beschikbaarheidsbijdrage Prinses Maxima Centrum

   

10

11

12

OW 2020, pagina 193

Standaardisatie inkoop- en verantwoordingseisen in aantal Zvw-sectoren

     

7

7

OW 2021, pagina 172

Meerkosten ambulancevervoer

     

13

13

OW 2022, pagina 164

Gedragseffect bevriezen eigen risico 2022

       

80

OW 2022, pagina 165

             

COVID-19: Fysiotherapie COVID-19-patiënten

   

12

16

 

OW 2021, pagina 172

COVID-19: Opschaling IC-capaciteit Zvw

   

4

4

 

OW 2021, pagina 172

COVID-19: Opschaling ELV-capaciteit

   

0

25

 

OW 2021, pagina 172

Verlengen voorwaardelijke toelating paramedische herstelzorg i.v.m. corona

     

25

9

OW 2022, pagina 164

Reservering opschalingsplan i.v.m. corona

       

20

OW 2022, pagina 164

             

Wlz

100

336

958

968

791

 

Voorziening voor door gemeenten ervaren knelpunten (interbestuurlijk programma)

100

       

OW 2019, pagina 208

Kostenonderzoek Wlz

 

128

128

128

128

OW 2019, pagina 209

Ontwikkelopgave zorgkantoren

 

12

10

10

10

OW 2020, pagina 199

Wet zorg en dwang

 

1

10

10

10

OW 2020, pagina 200

Bijdrage zorgvisie Groningen

 

6

6

6

6

OW 2020, pagina 200

Tegenvaller Wlz-kader

 

190

480

480

480

OW 2021, pagina 179

Dak- en thuislozen (sociaal domein)

   

75

125

0

OW 2021, pagina 180

Vrouwenopvang (sociaal domein)

   

59

59

54

OW 2021, pagina 180

Meerkosten Wet zorg en dwang

       

103

OW 2022, pagina 173

             

COVID-19 Wlz – Zorg in natura

   

150

   

OW 2021, pagina 180

COVID-19 Wlz – Persoonsgebonden budget

   

40

   

OW 2021, pagina 180

Meerkosten corona Wlz

     

150

 

OW 2022, pagina 173

             

Wmo

0

38

50

61

73

 

Ambulantisering ggz-domein

 

38

50

61

73

OW 2020, pagina 204

             

Jeugdwet

0

350

190

903

1.504

 

Jeugdhulp

 

350

190

290

190

OW 2020, pagina 199

Incidentele middelen jeugdzorg1

     

613

1.314

Begroting gemeentefonds en VWS

             

Overig

0

0

57

43

0

 

Covid-19 Caribisch Nederland

   

57

13

 

OW 2021, pagina 163

Langdurige zorg en ondersteuning (Artikel 3 corona uitgaven)

     

30

 

OW 2022, pagina 158

             

Totaal

200

944

1.541

2.370

2.803

 

Bron: VWS-begroting 2019, 2020, 2021 en 2022

X Noot
1

Door het rijk beschikbaar gesteld voor de acute problematiek in de jeugdzorg – deels het gevolg van de corona-pandemie – en de financiële druk die dit veroorzaakt wordt beschikbaar gesteld via het gemeentefonds en de VWS-begroting.

Tabel omvangrijkste maatregelen sinds de start van Rutte III (Bedragen x € 1 miljoen)
 

2018

2019

2020

2021

2022

Toelichting

Zvw

– 100

– 303

– 369

– 309

– 454

 

Ramingsbijstelling geneesmiddelen

– 100

– 100

– 100

– 100

– 100

OW 2019, pagina 198

Prijsontwikkeling genees- en hulpmiddelen (intra- en extramuraal)

0

182

182

182

182

OW 2019, pagina 198

Pakketmaatregel vitaminen, mineralen en paracetamol

0

– 40

– 40

– 40

– 40

OW 2019, pagina 198

Ramingsbijstelling opleidingen

0

– 225

– 176

– 86

– 150

OW 2020, pagina 192

Verlagen groeiruimte geneesmiddelen

0

– 120

– 160

– 230

– 230

OW 2020, pagina 192

Ramingsbijstelling apotheekzorg en hulpmiddelen

0

0

– 168

– 100

– 100

OW 2021, pagina 170

Besparingsverlies vertraging Wgp

0

0

88

0

0

OW 2021, pagina 170

Besparingsverlies uitstel modernisering GVS

0

0

0

40

0

OW 2021, pagina 170

Voorraadverhoging apotheekzorg

0

0

5

25

25

OW 2021, pagina 171

Inzet resterende groeiruimte Zvw

       

– 41

OW 2022, pagina 165

             

Wlz

– 89

– 298

– 513

– 843

– 1.250

 

Ramingsbijstelling Wlz

– 100

– 223

– 159

– 165

– 159

OW 2019, pagina 208

Ramingsbijstelling groei Wlz

0

– 30

– 110

– 160

– 160

OW 2019, pagina 209

Ramingsbijstelling NHC in Wlz-tarief

11

– 8

– 30

– 36

– 43

OW 2019, pagina 208

Ramingsbijstelling Wlz

0

– 37

– 116

– 273

– 322

OW 2020, pagina 199

Tariefherijking verpleeghuiszorg

0

0

– 87

– 87

– 87

OW 2020, pagina 200

Ramingsbijstellingen overige Wlz-uitgaven

0

0

– 11

– 121

– 138

OW 2021, pagina 179

Bijstellen Zorginfrastructuurmiddelen

0

0

0

0

– 35

OW 2022, pagina 174

Tijdelijke middelen kwaliteitskader

0

0

0

0

– 307

OW 2022, pagina 174

             

Totaal

– 189

– 601

– 882

– 1.152

– 1.704

 

Bron: VWS-begroting 2019, 2020, 2021 en 2022

Vraag 10

Hoeveel hebben de kabinetten-Rutte I, -Rutte II en -Rutte III geïnvesteerd in de zorg? Kunt u dit per kabinetsperiode apart aangeven in een tabel met daarin graag tekstuele uitleg waarin geïnvesteerd is, met hoeveel budget en wat de reden daarvoor was?

Antwoord:

De uitgaven onder het Uitgavenplafond Zorg (UPZ) zijn tijdens de kabinetten-Rutte I en II gegroeid van € 59,4 miljard in 2010 naar € 67,8 miljard in 2017 en groeit naar € 81,4 miljard in 2022.

Voor de intensiveringen en maatregelen van de kabinetten-Rutte I en II onder het Uitgavenplafond Zorg, verwijs ik u naar de antwoorden op de vragen 16 t/m 19 bij de begroting 2018 (TK 34 775 XVI nr.14).

In onderstaand overzicht is het totaal aan beleidsmatige mutaties (maatregelen, ramingsbijstellingen en intensiveringen) van de zorguitgaven onder het Uitgavenplafond Zorg onder het huidige kabinet-Rutte III opgenomen. Deze zijn uitgesplitst naar de verschillende domeinen (Zvw, Wlz, Wmo en Jeugd). De budgettaire reeksen zijn in beeld gebracht vanaf de ontwerpbegroting 2019. Het overzicht bevat alleen de beleidsmatige mutaties en dus niet de autonome groei.

Alle genoemde maatregelen, ramingsbijstellingen en intensiveringen zijn via de VWS-begrotingen aan uw Kamer gepresenteerd. Voor de volledigheid vindt u hieronder een overzicht van de betreffende Kamerstukken van de VWS-begrotingen en bijbehorende paginanummers.

In de eerste tabel zijn de omvangrijkste intensiveringen opgenomen sinds de start van het kabinet-Rutte III en in de tweede tabel zijn de omvangrijkste maatregelen opgenomen. De toelichtingen bij deze mutaties kunt u vinden in desbetreffende begrotingsstukken.

Tabel omvangrijkste intensiveringen sinds de start van Rutte III (Bedragen x € 1 miljoen)
 

2018

2019

2020

2021

2022

Toelichting

Zvw

100

220

286

395

435

 

Regelgeving veiligheid geneesmiddelen

 

70

70

70

70

OW 2019, pagina 198

HLA: huisartsenzorg

50

50

50

50

50

OW 2019, pagina 199

HLA: wijkverpleging

50

50

50

50

50

OW 2019, pagina 199

HLA: geestelijke gezondheidszorg

 

50

50

50

50

OW 2019, pagina 199

Invulling taakstelling MSZ

   

40

75

75

OW 2020, pagina 193

Beschikbaarheidsbijdrage Prinses Maxima Centrum

   

10

11

12

OW 2020, pagina 193

Standaardisatie inkoop- en verantwoordingseisen in aantal Zvw-sectoren

     

7

7

OW 2021, pagina 172

Meerkosten ambulancevervoer

     

13

13

OW 2022, pagina 164

Gedragseffect bevriezen eigen risico 2022

       

80

OW 2022, pagina 165

             

COVID-19: Fysiotherapie COVID-19-patiënten

   

12

16

 

OW 2021, pagina 172

COVID-19: Opschaling IC-capaciteit Zvw

   

4

4

 

OW 2021, pagina 172

COVID-19: Opschaling ELV-capaciteit

   

0

25

 

OW 2021, pagina 172

Verlengen voorwaardelijke toelating paramedische herstelzorg i.v.m. corona

     

25

9

OW 2022, pagina 164

Reservering opschalingsplan i.v.m. corona

       

20

OW 2022, pagina 164

             

Wlz

100

336

958

968

791

 

Voorziening voor door gemeenten ervaren knelpunten (interbestuurlijk programma)

100

       

OW 2019, pagina 208

Kostenonderzoek Wlz

 

128

128

128

128

OW 2019, pagina 209

Ontwikkelopgave zorgkantoren

 

12

10

10

10

OW 2020, pagina 199

Wet zorg en dwang

 

1

10

10

10

OW 2020, pagina 200

Bijdrage zorgvisie Groningen

 

6

6

6

6

OW 2020, pagina 200

Tegenvaller Wlz-kader

 

190

480

480

480

OW 2021, pagina 179

Dak- en thuislozen (sociaal domein)

   

75

125

0

OW 2021, pagina 180

Vrouwenopvang (sociaal domein)

   

59

59

54

OW 2021, pagina 180

Meerkosten Wet zorg en dwang

       

103

OW 2022, pagina 173

             

COVID-19 Wlz – Zorg in natura

   

150

   

OW 2021, pagina 180

COVID-19 Wlz – Persoonsgebonden budget

   

40

   

OW 2021, pagina 180

Meerkosten corona Wlz

     

150

 

OW 2022, pagina 173

             

Wmo

0

38

50

61

73

 

Ambulantisering ggz-domein

 

38

50

61

73

OW 2020, pagina 204

             

Jeugdwet

0

350

190

903

1.504

 

Jeugdhulp

 

350

190

290

190

OW 2020, pagina 199

Incidentele middelen jeugdzorg1

     

613

1.314

Begroting gemeentefonds en VWS

             

Overig

0

0

57

43

0

 

Covid-19 Caribisch Nederland

   

57

13

 

OW 2021, pagina 163

Langdurige zorg en ondersteuning (Artikel 3 corona uitgaven)

     

30

 

OW 2022, pagina 158

             

Totaal

200

944

1.541

2.370

2.803

 

Bron: VWS-begroting 2019, 2020, 2021 en 2022

X Noot
1

Door het rijk beschikbaar gesteld voor de acute problematiek in de jeugdzorg – deels het gevolg van de corona-pandemie – en de financiële druk die dit veroorzaakt wordt beschikbaar gesteld via het gemeentefonds en de VWS-begroting.

Tabel omvangrijkste maatregelen sinds de start van Rutte III (Bedragen x € 1 miljoen)
 

2018

2019

2020

2021

2022

Toelichting

Zvw

– 100

– 303

– 369

– 309

– 454

 

Ramingsbijstelling geneesmiddelen

– 100

– 100

– 100

– 100

– 100

OW 2019, pagina 198

Prijsontwikkeling genees- en hulpmiddelen (intra- en extramuraal)

0

182

182

182

182

OW 2019, pagina 198

Pakketmaatregel vitaminen, mineralen en paracetamol

0

– 40

– 40

– 40

– 40

OW 2019, pagina 198

Ramingsbijstelling opleidingen

0

– 225

– 176

– 86

– 150

OW 2020, pagina 192

Verlagen groeiruimte geneesmiddelen

0

– 120

– 160

– 230

– 230

OW 2020, pagina 192

Ramingsbijstelling apotheekzorg en hulpmiddelen

0

0

– 168

– 100

– 100

OW 2021, pagina 170

Besparingsverlies vertraging Wgp

0

0

88

0

0

OW 2021, pagina 170

Besparingsverlies uitstel modernisering GVS

0

0

0

40

0

OW 2021, pagina 170

Voorraadverhoging apotheekzorg

0

0

5

25

25

OW 2021, pagina 171

Inzet resterende groeiruimte Zvw

       

– 41

OW 2022, pagina 165

             

Wlz

– 89

– 298

– 513

– 843

– 1.250

 

Ramingsbijstelling Wlz

– 100

– 223

– 159

– 165

– 159

OW 2019, pagina 208

Ramingsbijstelling groei Wlz

0

– 30

– 110

– 160

– 160

OW 2019, pagina 209

Ramingsbijstelling NHC in Wlz-tarief

11

– 8

– 30

– 36

– 43

OW 2019, pagina 208

Ramingsbijstelling Wlz

0

– 37

– 116

– 273

– 322

OW 2020, pagina 199

Tariefherijking verpleeghuiszorg

0

0

– 87

– 87

– 87

OW 2020, pagina 200

Ramingsbijstellingen overige Wlz-uitgaven

0

0

– 11

– 121

– 138

OW 2021, pagina 179

Bijstellen Zorginfrastructuurmiddelen

0

0

0

0

– 35

OW 2022, pagina 174

Tijdelijke middelen kwaliteitskader

0

0

0

0

– 307

OW 2022, pagina 174

             

Totaal

– 189

– 601

– 882

– 1.152

– 1.704

 

Bron: VWS-begroting 2019, 2020, 2021 en 2022

Vraag 11

Hoeveel winst is gemaakt in de Nederlandse zorgsector in 2021?

Antwoord:

Ik beschik niet over de precieze informatie die u vraagt. Het jaar 2021 wordt pas later afgesloten. Het gemiddelde winstpercentage is in deze sector zeer laag. Onderstaande tabel geeft een overzicht van het bedrijfsresultaat (de bedrijfsopbrengsten minus de bedrijfslasten, exclusief het saldo van financiële en buitengewone baten en lasten) van instellingen met minimaal tien werknemers in verschillende zorgsectoren in 2017, 2018 en 2019. In de Zorgverzekeringswet en Wet langdurige zorg vallen instellingen van intramurale zorg en delen van de extramurale zorg, zoals de medisch-specialistische zorg, onder het verbod op winstoogmerk op grond van de Wet toelating zorginstellingen. Zij mogen geen winst uitkeren. Het positieve resultaat dat zij boeken, kan aangewend worden voor het aanleggen van reserves, of herinvesteerd worden in de zorg.

Bedrijfsresultaat per sector (x € 1 miljoen)
 

2016

2017

2018

20191

Universitair medische centra

314

350

244

184

Algemene ziekenhuizen

563

547

566

559

Categorale ziekenhuizen

39

31

32

47

GGZ met overnachting

104

144

77

197

Gehandicaptenzorg

249

308

232

190

Jeugdzorg met overnachting

28

36

8

– 10

Maatschappelijke opvang (24-uurs)

– 12

43

55

– 3

Ambulante jeugdzorg

12

– 3

8

11

Verpleeg-, verzorgingshuizen, thuiszorg

163

504

592

547

Bron: CBS Statline

X Noot
1

voorlopige cijfers

Vraag 12

Hoeveel winst is uitgekeerd aan de investeerders, aandeelhouders en eigenaren in de Nederlandse zorgsector in 2021?

Antwoord:

Er is geen integraal overzicht van uitgekeerde winst. Zoals in antwoord op een vraag bij de VWS-begroting 2020 is vermeld, hebben SIRM en Finance Ideas in 2019 in opdracht van VWS onderzoek gedaan naar dividenduitkering door zorgaanbieders met een Wtzi-toelating.1 In hun rapport zeggen de onderzoekers hier het volgende over: «Het is moeilijk rechtstreeks te achterhalen hoeveel dividend in de zorg is uitgekeerd. Onze ruwe schatting komt op € 275 miljoen voor 2016. Hieronder valt niet eventueel dividend uitgekeerd door BV’s aan wie WTZi toegelaten zorgaanbieders zorg hebben uitbesteed. Daarvoor hebben we onvoldoende gegevens. Wel hebben we de medisch-specialistische bedrijven meegenomen in de schatting. Het in de zorg uitgekeerd dividend bestaat grotendeels uit dividend van bedrijven van medisch specialisten, huisartsen, tandartsen, apothekers en paramedici. Een klein deel, ongeveer € 6 miljoen per jaar, wordt uitgekeerd door BV’s, werkzaam in de extramurale GGZ en thuiszorg. Of een ondernemer-zorgaanbieder kiest voor een BV of werkt als zelfstandige, is deels een juridische en fiscale optimalisatie. Daarom is ook de vergelijking met winst van zelfstandig gevestigde zorgverleners zonder BV relevant. Dat schatten we voor 2016 op € 605 miljoen.»

Vraag 13

Kunt u een overzicht naar de Kamer sturen van de zorgaanbieders die winst uitkeren?

Antwoord:

Op 9 juli 2019 is de Tweede Kamer geïnformeerd over onderzoeken naar winstuitkering in de zorg, waaronder een analyse van de huidige praktijk en de effecten van dividenduitkering in de Nederlandse gezondheidszorg door onderzoeksbureaus SiRM en Finance Ideas.2 De onderzoekers merken op dat winstoogmerk is toegestaan in sectoren die circa 24% van de totale zorgomzet innemen. Binnen die sectoren waar winstoogmerk is toegestaan, wordt ongeveer 30% van de zorg verleend door organisaties met als rechtspersoon een BV (die dividend kan uitkeren). Zorgaanbieders die dividend kunnen uitkeren, leveren dus ongeveer 7% (24%*30%) van de zorg, waardoor over over maximaal 7% van de zorguitgaven mogelijk rechtstreeks dividend wordt uitgekeerd.3 Daarbij wijzen de onderzoekers erop dat mogelijk ook dividend wordt uitgekeerd door BV’s aan wie de zorgverlening is uitbesteed, maar dat daarover geen informatie beschikbaar is. Overigens noemen de onderzoekers dat uitbesteding van zorgverlening relatief weinig voorkomt. Uitbesteding van zorgverlening lijkt met name, maar niet alleen, plaats te vinden bij zelfstandige behandelcentra.

Er zijn slechts beperkte data beschikbaar over zorgaanbieders die winst uitkeren: niet elke zorgaanbieder hoeft zich financieel te verantwoorden. Met de inwerkingtreding van de Aanpassingswet Wet toetreding zorgaanbieders per 1 januari 2022 wordt deze verplichting via het Jaarverslag Maatschappelijke Verantwoording verbreed.

Vraag 14

Kunt u een overzicht naar de Kamer sturen hoe hoog de winsten van alle zorgverzekeraars in totaal en afzonderlijk waren vanaf 2006 tot en met 2021?

Antwoord:

De Nederlandsche Bank (DNB) publiceerde jaarlijks – op basis van de verslagstaten van DNB – een landelijk overzicht van het resultaat technische rekening zorgverzekeraars voor de basisverzekering. Deze overzichten zijn beschikbaar van 2007 t/m 2015.

Jaar

Resultaat technische rekening (bedragen x € 1 miljoen)

2007

– 269

2008

– 218

2009

464

2010

125

2011

381

2012

937

2013

1.229

2014

918

2015

323

Bron: DNB

Deze resultaten werden gepresenteerd op basis van Solvency I-cijfers en kunnen daardoor niet worden aangevuld met de cijfers na 2015.

Op basis van de transparantieoverzichten van zorgverzekeraars bedraagt het resultaat over 2016 ruim € 300 miljoen negatief; voor 2017 ruim € 550 miljoen negatief; voor 2018 ruim € 260 miljoen positief, voor 2019 € 300 miljoen positief en voor 2020 € 140 positief. Dit bedrag is inclusief beleggingsopbrengsten en na inzet van het resultaat voor lagere premies in het komende jaar van zorgverzekeraars op de basisverzekering. De cijfers 2016, 2017, 2018, 2019 en 2020 betreffen de resultaten conform de systematiek van de jaarrekeningen.

Onderstaande tabel geeft de resultaten en de bestemming van de resultaten per verzekeraar over 2020. Deze resultaten zijn voor aftrek van de teruggave in de premie 2021. Het resultaat over 2021 is nog niet bekend.

Resultaat en bestemming resultaat basisverzekering ultimo 2020 (in € miljoen)
 

Resultaat 2020

Bestemming lagere premie 2021

Bestemming toevoeging reserves

ASR

4

0

3

CZ

193

105

88

DSW-SH

64

5

59

Eno

17

15

1

Menzis

68

135

– 67

ONVZ

25

5

20

VGZ

152

198

– 46

Zilveren Kruis

211

136

75

Z&Z

24

21

3

Totaal

758

620

137

Bron: transparantieoverzichten van de jaarcijfers basisverzekering 2020, zoals door individuele zorgverzekeraars gepresenteerd op de website. Totaal kan door afrondingsverschillen afwijken.

Vraag 15

Hoeveel winst maakten zorgverzekeraars op collectieve zorgverzekeringen die in samenwerking met gemeenten aangeboden werd? Hoe hoog was die winst in 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015, 2016, 2017, 2019 en 2020?

Antwoord:

Zorgverzekeraars publiceren hun resultaten niet per polis (modelovereenkomst) en evenmin per (soort) collectiviteit. Ook de gemeentelijke bijdrage per collectief is niet inzichtelijk.

Vraag 16

Hoeveel winst is door welke verzekeraars uitgekeerd?

Antwoord:

Geen. Sinds de invoering van het Zvw-stelsel in 2006 is er nog nooit winst uitgekeerd aan aandeelhouders. Winsten zijn in de vorm van lagere premies grotendeels aan verzekerden teruggegeven.

Vraag 17

Welk beleid dat samenhangt met het actieprogramma Werken in de zorg wordt gecontinueerd en welk beleid niet?

Antwoord:

Het actieprogramma Werken in de zorg (WIDZ) is in een aantal recente rapporten geevalueerd.4 Uit de adviezen van die rapporten volgt de algemene lijn dat het wenselijk is meer focus te leggen op behoud en anders werken, met blijvende aandacht voor voldoende instroom. Instroom begint bij het meer opleiden van zorgpersoneel, maar ook bij het anders opleiden met bijvoorbeeld ruimte voor flexibel en modulair onderwijs om het zo onder andere voor zij-instromers eenvoudiger te maken. Er is daarom ook brede aandacht gevraagd voor opleiden en loopbaanontwikkeling in de zorg. In samenhang betekent dit dat een actieprogramma gericht op werken en leren in de zorg een logische vervolgstap zou kunnen zijn. De precieze inhoud en vormgeving van een vervolg op het actieprogramma Werken in de Zorg is aan een nieuw kabinet.

Vraag 18

Wat zijn de resultaten van de programma’s «extra handen voor de zorg» en «de Nationale Zorgklas»?

Antwoord:

In de periode maart 2020 t/m augustus 2021 hebben in totaal ongeveer 29 duizend mensen zich aangemeld bij Extra Handen voor de Zorg. Van die 29 duizend aanmeldingen waren er ongeveer 17,5 duizend inzetbaar. Daarvan zijn er ongeveer 15 duizend voorgesteld aan zorgorganisaties. Van die 15 duizend mensen die zijn voorgesteld, zijn er circa 6.300 gestart bij een zorgorganisatie. Via de Nationale Zorgklas zijn 3.280 mensen in drieënhalve dag via een interactief, online lesprogramma klaargestoomd om aan de slag te gaan in de zorg in ondersteunende functies. Sinds 1 januari 2021 biedt de Nationale Zorgklas ook mbo-certificaten voor mensen die duurzaam de zorg in willen stromen. Er zijn 1.721 mensen die via een combinatie van online leren en praktijkopdrachten deze landelijk erkende mbo-deelopleidingen op niveau 2 en 3 volgen.

Vraag 19

Hoeveel geld wordt uitgetrokken vanwege de bijgestelde overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (OVA)? Wat is het effect van de motie Hijink/Bikker op de OVA in de komende jaren?5

Antwoord:

In de brief «Budgettaire uitkomsten APB»6 die de Minister van Financiën op 5 oktober jl. naar uw Kamer heeft gestuurd, is een meerjarig overzicht opgenomen van de financiële effecten van het genomen maatregelenpakket, waaronder de uitvoering van de motie Huijnk/Bikker.

Vraag 20

Kunt u een tabel naar de Kamer sturen met de gerealiseerde OVA (in miljoenen) van de afgelopen vijf jaar én inclusief de raming over 2022?

Antwoord:

In onderstaande tabel is voor de jaren 2017 tot en met 2022 de overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (ova) in miljarden euro’s weergegeven. Voor 2022 gaat het om het bedrag inclusief de extra middelen als gevolg van uitvoering van de motie Hijink/Bikker.

Ova in miljarden euro’s

2017

2018

2019

2020

2021

2022

0,8

1,7

1,9

1,1

1,0

2,2

Bron: VWS

Vraag 21

Hoe hoog zijn de geraamde kosten voor een investering in de snellere implementatie van kosteneffectieve en arbeidsbesparende innovaties in de zorg? Is een schatting te maken van dit bedrag voor de langdurige zorg en de curatieve zorg?

Antwoord:

In het verleden zijn hier diverse onderzoeken naar gedaan. Het meest recent is het rapport van SIRM Substantieel potentieel: Schatting van de potentiële opbrengst van substitutie van zorg en inventarisatie van de benodigde voorwaarden7. De conclusie uit dit rapport (en andere rapporten) is dat er op een groot potentieel is voor digitale zorg en de goede verankering van digitale technieken in het zorgproces, maar dat dit sterk afhankelijk is van de context. Dat maakt het moeilijk een concreet besparingscijfer aan te koppelen.

Het realiseren van een versnelling is afhankelijk van de aanwezigheid van de juiste randvoorwaarden (zoals ICT, personeel en het veranderen van organisatieprocessen). In de praktijk zullen de opbrengsten per regio en organisatie sterk kunnen verschillen. Immers, als zorgorganisaties alleen nieuwe technologie inkopen, zonder hun processen aan te passen, dan worden de potentiële besparingen niet behaald, terwijl de zorg duurder wordt.

Vraag 22

Hoeveel zorgverleners zijn er in het afgelopen jaar bijgekomen? Kunt u dit uitsplitsen per zorgsector?

Antwoord:

Tussen het eerste kwartaal van 2020 en het eerste kwartaal van 2021 is het aantal werknemers in zorg en welzijn met ruim 34 duizend personen toegenomen (dat is het aantal werknemers ultimo maart 2021 minus het aantal werknemers ultimo maart 2020). Dit betreft alle werknemers, dus zorgpersoneel en ondersteunend personeel, maar is exclusief het personeel niet in loondienst (o.a. uitzendkrachten en zzp’ers). In onderstaande tabel is een uitsplitsing naar branche gemaakt.

Aantal werknemers in zorg en welzijn totaal (exclusief kinderopvang) en naar branche, in duizenden personen, niet-seizoensgecorrigeerd, eerste kwartaal 2021 vergeleken met eerste kwartaal 2020 (voorlopige cijfers)
 

2020 1e kwartaal

2021 1e kwartaal

Verschil

Universitair medische centra

78,1

80,9

2,8

Ziekenhuizen en overige med. spec. zorg

220

220,9

0,9

Geestelijke gezondheidszorg

98

100,9

2,9

Huisartsen en gezondheidscentra

31,9

32,1

0,2

Overige zorg en welzijn

123,1

126,3

3,2

Verpleging, verzorging en thuiszorg

435,4

454,1

18,7

Gehandicaptenzorg

184,1

187,7

3,6

Jeugdzorg

31

32,4

1,4

Sociaal werk

53,1

53,6

0,5

Totaal zorg en welzijn (smal)

1.254,6

1.288,9

34,3

Bron: CBS, AZW StatLine

Vraag 23

Hoe groot is het personeelstekort in de ambulancezorg? Hoe is het verloop van het personeelstekort vanaf 2015 tot heden?

Antwoord:

Ik beschik niet over cijfers over het personeelstekort in de ambulancezorg.

Vraag 24

Hoe groot is het personeelstekort in de geestelijke gezondheidszorg (ggz)? Hoeveel nieuw personeel heeft de inzet voor extra personeel in de ggz in 2019 opgeleverd? Wat zijn de verwachtingen voor 2021?

Antwoord:

Tussen het eerste kwartaal van 2019 en het eerste kwartaal van 2021 is het aantal werknemers in de ggz toegenomen met 7.600 (voorlopige cijfers, seizoensgecorrigeerd; bron: CBS, AZW Statline). Op basis van de laatste prognose (najaar 2020) wordt in 2021 een tekort van 3.500 tot 6.800 werknemers verwacht in de ggz (bron: ABF Research, Prognosemodel Zorg en Welzijn). Een nieuwe arbeidsmarktprognose is naar verwachting in november gereed.

Vraag 25

Wat is het percentage psychiaters en psychologen in de ggz dat werkt als zelfstandige zonder personeel (zzp)?

Antwoord:

De meest recente (voorlopige) cijfers van CBS Statline over de positie in de werkkring van BIG-geregistreerde zorgverleners zijn afkomstig uit 2019. Uit deze cijfers blijkt dat er in 2019 3.725 psychiaters geregistreerd stonden in het BIG-register, waarvan bij 3.490 tevens informatie bekend was over de arbeidspositie. Uit deze informatie blijkt dat er van dit totaal 755 psychiaters werkzaam waren als zelfstandige en 630 als werknemer en zelfstandige8.

Voor GZ-psychologen gaat het om 16.000 geregistreerden en van 15.735 is informatie bekend over de arbeidspositie. 3.695 zijn werkzaam als zelfstandige en 2.385 werkzaam als zelfstandige en werknemer.

Vraag 26

Hoe groot is het personeelstekort in de jeugdzorg op dit moment? Is het personeelstekort toegenomen de afgelopen jaren? Kunt u cijfers geven van de afgelopen vijf jaar?

Antwoord:

Op basis van de laatste prognose (najaar 2020) wordt in 2021 een tekort van 600 tot 1.400 werknemers verwacht in de jeugdzorg (bron: ABF Research, Prognosemodel Zorg en Welzijn). Uit het prognosemodel blijkt dat het tekort in 2019 500 werknemers was. Het verwachte tekort voor 2020 werd geraamd op 500 tot 1.100 werknemers. Bij de nieuwe prognose, die naar verwachting in november gereed is, wordt het daadwerkelijke tekort in 2020 berekend. Voor eerdere jaren is het personeelstekort niet bekend.

Vraag 27

Hoeveel openstaande vacatures zijn er voor huisartsen in Nederland?

Antwoord:

Er zijn ons geen eenduidige en betrouwbare gegevens bekend over het aantal openstaande vacatures voor huisartsen.

Vraag 28

In welke steden kunnen mensen geen huisarts krijgen en om hoeveel mensen gaat dit ongeveer?

Antwoord:

De toegankelijkheid van huisartsenzorg is niet alleen in steden een aandachtspunt. Momenteel loopt er vanuit het Ministerie van VWS samen met de Landelijke Huisartsen Vereniging een arbeidsmarktaanpak, waarbij ondersteuning wordt aangeboden in de 9 regio’s waar het het meest knelt in het (dreigende) tekort aan huisartsen. Per regio wordt er door een extern bureau ondersteuning geboden aan die regio, om de vraagstukken waar ondersteuning op is gewenst op een duurzame manier aan te pakken.

De locaties, duur en omvang van tekorten aan huisartsen lopen uiteen en fluctueren sterk. VWS heeft geen cijfers om hoeveel mensen het gaat. Omdat de gegevens te veel fluctueren, is door de zorgverzekeraars in afstemming met de NZa afgesproken om geen landelijke wachtlijst bij te houden.

Indien een verzekerde geen huisarts kan vinden, kan hij zich melden bij zijn verzekeraar. De verzekeraar zal dan bemiddelen vanuit zijn zorgplicht. Als er voor een patiënt geen ruimte is om bij een huisarts in te schrijven, dan dient de zorgverzekeraar ervoor te zorgen dat de patiënt alsnog toegang heeft tot de huisartsenzorg. Dit betreft huisartsenzorg in den brede en niet alleen acute zorg.

Vraag 29

Hoeveel extra huisartsen moeten nieuw worden opgeleid om het grote tekort in de perifere regio’s op te vullen?

Antwoord:

Het Capaciteitsorgaan raamt de landelijke opleidingsbehoefte van huisartsen. Zij heeft in december 2019 een nieuw integraal Capaciteitsplan met instroomadviezen voor de periode 2021–2024 gepubliceerd en in april 2020 is een aangepast advies uitgebracht voor dezelfde periode. Door het Capaciteitsorgaan wordt geadviseerd om jaarlijks een instroom te realiseren van 921 artsen in opleiding. Om de stijging in aantallen opleidingsplaatsen te kunnen realiseren zijn naast beschikbare kandidaten ook meer opleiders en praktijkopleiders nodig. Deze zijn volgens Huisartsen Opleiding Nederland niet in voldoende mate beschikbaar om het advies van het Capaciteitsorgaan te volgen. Voor 2021 zijn uiteindelijk 820 plaatsen beschikbaar gesteld. Voor 2022 neemt dit aantal toe tot 850 plaatsen.

Vraag 30

Kunt u aangeven welke beroepsgroepen er worden meegenomen in de voorbereiding van het vervolg van het actieprogramma Werken in de Zorg in 2022?

Antwoord:

Het eventuele actieprogramma gericht op werken en leren in de zorg zou mijn inziens in de basis zorgbreed moeten worden opgezet. De precieze inhoud en vormgeving van een vervolg op het actieprogramma Werken in de Zorg is aan een nieuw kabinet. Voor de beoogde focus van het programma zie verder het antwoord op vraag 17.

Vraag 31

Kunt u aangeven of apotheekzorg wordt meegenomen in de voorbereidingen van het vervolg van het actieprogramma Werken in de Zorg in 2022?

Antwoord:

Het eventuele actieprogramma gericht op werken en leren in de zorg zou mijn inziens in de basis zorgbreed moeten worden opgezet. De precieze inhoud en vormgeving van een vervolg op het actieprogramma Werken in de Zorg is aan een nieuw kabinet. Voor de beoogde focus van het programma zie verder het antwoord op vraag 17.

Vraag 32

Op welke manier zet u zich in om de arbeidsmarktproblematiek in de apotheekzorg tegen te gaan?

Antwoord:

Het eventuele actieprogramma gericht op werken en leren in de zorg zou mijn inziens in de basis zorgbreed moeten worden opgezet. De precieze inhoud en vormgeving van een vervolg op het actieprogramma Werken in de Zorg is aan een nieuw kabinet. Voor de beoogde focus van het programma zie verder het antwoord op vraag 17.

Vraag 33

Hoeveel zorgverleners werken in deeltijd en voltijds in de zorg? Kunt u dat uitsplitsen per zorgsector?

Antwoord:

Volgens het CBS waren er in 2020 circa 254.000 voltijdsbanen en circa 1,15 miljoen deeltijdbanen binnen de sector zorg, welzijn en kinderopvang (bron: CBS Statline). Cijfers over deeltijdbanen in zorg en welzijn (zonder kinderopvang) en een uitsplitsing per sector zijn niet voor handen.

Vraag 34

In welke regio’s is het arbeidstekort het grootst?

Antwoord:

Bij de laatste prognose (van najaar 2020) was het verwachte personeelstekort voor geheel zorg en welzijn (exclusief kinderopvang) voor 2022 in absolute zin het grootst in de regio’s Rijnmond, Friesland, Zuid-Limburg, Utrecht en omgeving en Haaglanden en Nieuwe Waterweg (bron: ABF Research, Prognosemodel Zorg en Welzijn).

Vraag 35

In welke regio’s is er een tekort aan zorgpersoneel, en aan welk zorgpersoneel?

Antwoord:

In alle regio’s is in meer of mindere mate sprake van een tekort aan zorgpersoneel. De verwachte personeelstekorten voor 2022 zijn in absolute zin het grootst in de regio’s Rijnmond, Friesland, Zuid-Limburg, Utrecht en omgeving en Haaglanden en Nieuwewaterweg. Het betreft voornamelijk verzorgenden en verpleegkundigen.

Vraag 36

Hoe groot zijn de personeelstekorten in de wijkverpleging en in de palliatieve zorg?

Antwoord:

Er zijn geen aparte prognoses van het personeelstekort beschikbaar voor de wijkverpleging of de palliatieve zorg.

Vraag 37

Hoe groot is het tekort aan zwemleraren?

Antwoord:

Hoewel de omvang van het tekort aan zwemleraren niet exact bekend is, geven meerdere grote zwemlesaanbieders aan dat ze een tekort aan zwembadpersoneel hebben. Hieronder vallen dus ook de zwemleraren.

Vraag 38

Wat wordt gedaan tegen het tekort aan zwemleraren?

Antwoord:

De aanbieders van zwemles proberen via actieve werving, stageplaatsen en interne scholing voldoende zwemdocenten te bieden. Dat is – net als voor diverse andere branches in deze economische tijd met historisch lage werkloosheid – niet altijd eenvoudig.

Vraag 39

Welke precieze beroepen in de zorg hebben de grootste tekorten? Hoeveel bedragen deze tekorten?

Antwoord:

Bij de laatste prognose (van najaar 2020) was het verwachte personeelstekort voor geheel zorg en welzijn voor 2022 het grootst bij de beroepen verzorgende en verpleegkundige. Het tekort voor verzorgenden ligt tussen de 18.000 en 19.900, voor mbo-verpleegkundigen tussen 9.300 en 11.700 en voor hbo-verpleegkundigen en verloskundigen tussen 6.000 en 7.200 (bron: ABF Research, Prognosemodel Zorg en Welzijn).

Vraag 40

Wat zijn de verwachte personeelstekorten voor de komende jaren en waar zijn de tekorten het grootst?

Antwoord:

Hiervoor verwijs ik naar de antwoorden op de vragen 34, 35 en 39.

Vraag 41

Hoeveel zorgverleners werkten in de zorg in 2021?

Antwoord:

Er waren in het eerste kwartaal van 2021 1.285.000 werknemers in de zorg (voorlopige cijfers, seizoensgecorrigeerd; bron: CBS, AZW Statline).

Vraag 42

Hoeveel hbo-verpleegkundigen zijn werkzaam in de zorg, uitgesplitst per sector?

Antwoord:

In onderstaande tabel is een indicatie gegeven van het aantal hbo-verpleegkundigen dat werkzaam is in de zorg, uitgesplitst naar branche. Door afrondingen en onvoldoende respons bij sommige branches kan er een verschil ontstaan tussen het totaal zorg en welzijn (smal) en de optelsom van de branches. Er zijn geen recentere cijfers beschikbaar.

Aantal hbo-verpleegkundigen (inclusief gespecialiseerd verpleegkundigen en verpleegkundig coördinatoren), indicatief, afgerond op honderden werknemers

Universitair Medisch Centrum

14.100

Ziekenhuizen en overige medisch specialistische zorg

50.500

Geestelijke gezondheidszorg

15.300

Huisartsenzorg en gezondheidscentra

9.400

Verpleging, verzorging en thuiszorg

29.700

Gehandicaptenzorg

4.400

Jeugdzorg

.

Sociaal werk

.

Overige zorg en welzijn

5.100

Zorg en welzijn (exclusief kinderopvang)

130.900

Bron: CBS, AZW Werknemersenquête tweede meting 2019, bewerking door CBS

N.B. Als in plaats van een waarde een punt is weergegeven, is er onvoldoende respons om betrouwbare uitspraken te doen.

Vraag 43

Hoeveel mbo-verpleegkundigen zijn werkzaam in de zorg, uitgesplitst per sector?

Antwoord:

In onderstaande tabel is een indicatie gegeven van het aantal mbo-verpleegkundigen dat werkzaam is in de zorg, uitgesplitst naar branche. Door afrondingen en onvoldoende respons bij sommige branches kan er een verschil ontstaan tussen het totaal zorg en welzijn (smal) en de optelsom van de branches. Er zijn geen recentere cijfers beschikbaar.

Aantal mbo-verpleegkundigen (basisverpleegkundigen niveau 4), indicatief, afgerond op honderden werknemers

Universitair Medisch Centrum

3.300

Ziekenhuizen en overige medisch specialistische zorg

21.400

Geestelijke gezondheidszorg

4.300

Huisartsenzorg en gezondheidscentra

.

Verpleging, verzorging en thuiszorg

37.300

Gehandicaptenzorg

6.100

Jeugdzorg

.

Sociaal werk

.

Overige zorg en welzijn

.

Zorg en welzijn totaal (exclusief kinderopvang)

74.200

Bron: CBS, AZW Werknemersenquête tweede meting 2019, bewerking door CBS

N.B. Als in plaats van een waarde een punt is weergegeven, is er onvoldoende respons om betrouwbare uitspraken te doen

Vraag 44

Hoeveel wijkverpleegkundigen zijn werkzaam in de thuiszorg?

Antwoord:

Er waren begin 2019 circa 15.000 wijkverpleegkundigen werkzaam in de thuiszorg (bron: CBS, AZW werknemersenquête eerste meting 2019, bewerking door CBS). Er zijn geen recentere cijfers beschikbaar.

Vraag 45

Hoeveel verzorgenden IG zijn werkzaam in de zorg, uitgesplitst per sector?

Antwoord:

In onderstaande tabel is een indicatie gegeven van het aantal verzorgenden IG dat werkzaam is in de zorg, uitgesplitst naar branche. Door afrondingen en onvoldoende respons bij sommige branches kan er een verschil ontstaan tussen het totaal zorg en welzijn (smal) en de optelsom van de branches. Er zijn geen recentere cijfers beschikbaar.

Aantal verzorgenden IG, indicatief, afgerond op honderden werknemers

Universitair Medisch Centrum

.

Ziekenhuizen en overige medisch specialistische zorg

.

Geestelijke gezondheidszorg

.

Huisartsenzorg en gezondheidscentra

.

Verpleging, verzorging en thuiszorg

57.900

Gehandicaptenzorg

.

Jeugdzorg

.

Sociaal werk

.

Overige zorg en welzijn

.

Zorg en welzijn totaal (exclusief kinderopvang)

61.700

Bron: CBS, AZW Werknemersenquête tweede meting 2019, bewerking door CBS

N.B. Als in plaats van een waarde een punt is weergegeven, is er onvoldoende respons om betrouwbare uitspraken te doen

Vraag 46

Hoeveel verzorgenden zijn werkzaam in de zorg, uitgesplitst per sector?

Antwoord:

In onderstaande tabel is een indicatie gegeven van het aantal verzorgenden dat werkzaam is in de zorg, uitgesplitst naar branche. Door afrondingen en onvoldoende respons bij sommige branches kan er een verschil ontstaan tussen het totaal zorg en welzijn (smal) en de optelsom van de branches. Er zijn geen recentere cijfers beschikbaar.

Aantal verzorgenden niveau 3, indicatief, afgerond op honderden werknemers

Universitair Medisch Centrum

.

Ziekenhuizen en overige medisch specialistische zorg

.

Geestelijke gezondheidszorg

.

Huisartsenzorg en gezondheidscentra

.

Verpleging, verzorging en thuiszorg

146.300

Gehandicaptenzorg

4.900

Jeugdzorg

.

Sociaal werk

.

Overige zorg en welzijn

8.400

Zorg en welzijn totaal (exclusief kinderopvang)

167.400

Bron: CBS, AZW Werknemersenquête tweede meting 2019, bewerking door CBS

N.B. Als in plaats van een waarde een punt is weergegeven, is er onvoldoende respons om betrouwbare uitspraken te doen.

Vraag 47

Hoeveel helpenden zijn werkzaam in de zorg, uitgesplitst per sector?

Antwoord:

Er waren eind 2019 circa 24.600 helpenden werkzaam in zorg en welzijn. Circa 21.800 daarvan waren werkzaam in de VVT (bron: CBS, AZW werknemersenquête tweede meting 2019, bewerking door CBS). Over de andere branches kan het CBS geen betrouwbare uitspraken doen in verband met onvoldoende respons in de werknemersenquête. Er zijn geen recentere cijfers beschikbaar.

Vraag 48

Hoeveel alfahulpen zijn werkzaam in de zorg?

Antwoord:

Er zijn geen cijfers beschikbaar over het aantal alfahulpen dat werkzaam is in de zorg.

Vraag 49

Hoeveel huishoudelijk verzorgenden zijn werkzaam in de zorg?

Antwoord:

In de kwalificatiestructuur wordt onderscheid gemaakt tussen helpenden zorg en welzijn (niveau 2) en zorghulpen (niveau 1). De term huishoudelijk verzorgende wordt doorgaans gebruikt voor helpenden zorg en welzijn (niveau 2). In het najaar van 2019 waren er circa 24.600 helpenden en 41.700 zorghulpen werkzaam in de zorg (bron: CBS, AZW Werknemersenquête tweede meting 2019, bewerking door CBS). Er zijn geen recentere cijfers beschikbaar.

Vraag 50

Hoeveel medisch specialisten, uitgesplitst per beroep, zijn werkzaam in de zorg?

Antwoord:

In onderstaande tabel zijn het aantal geregistreerde en een schatting van het aantal werkzame specialisten per 1 januari 2021 opgenomen, inclusief klinisch technologische specialisten en seh-artsen (bron: Capaciteitsorgaan).

Specialist

Aantal geregistreerd

1-1-2021

Schatting aantal werkzamen

1-1-2021

Anesthesioloog

2.138

1.821

Cardioloog

1.293

1.154

Thorax chirurg

159

138

Dermatoloog

670

598

Chirurg

1.554

1.380

Internist

2.659

2.436

KNO arts

587

517

Kindergeneeskundige

1.735

1.560

Klinisch chemicus

326

326

Klinische fysica

458

458

Kl. geneticus

185

169

Kl. geriater

355

339

Longarts

781

709

MDL arts

671

598

Microbioloog

341

310

Neurochirurg

182

157

Neuroloog

1.133

1.049

Nucl. geneesk.

208

187

Gynaecoloog

1.239

1.091

Oogarts

831

708

Orthopeed

915

818

Patholoog

503

438

Plastisch chirurg

406

359

Arts psychiater

3.834

3.479

Radioloog

1.449

1.252

Radiotherapeut

383

336

Reumatoloog

382

346

Revalidatie arts

670

623

Profiel SEH

649

630

Sportarts

157

147

Uroloog

517

466

Ziekenhuisapotheker

620

599

Totaal

27.990

25.198

Vraag 51

Hoeveel verloskundigen, kraamverzorgenden en gynaecologen zijn werkzaam in de zorg?

Antwoord:

Er stonden op 1 oktober 2021 4849 verloskundigen geregistreerd in het BIG register en 1266 medisch specialisten met de specialisatie obstetrie en gynaecologie. Van deze groep samen is niet bekend hoeveel daarvan ook werkzaam zijn. Via het Pensioenfonds Zorg & Welzijn is inzicht in het aantal werkzame kraamverzorgenden: 8.946 (2020).

Vraag 52

Hoeveel huisartsen zijn werkzaam in de zorg?

Antwoord:

Op 1 januari 2021 was het aantal werkzame huisartsen naar schatting 13.693. (bron: Capaciteitsorgaan)

Vraag 53

Hoeveel opleidingsplekken zijn er in 2022 voor gz-psychologen? Wat is de raming van het Capaciteitsorgaan over 2022?

Antwoord:

Er zijn 832 beschikte opleidingsplekken voor gz-psychologen voor 2022. De raming van het Capaciteitsorgaan voor 2022 is 832.

Vraag 54

Hoeveel verpleeghuisartsen zijn werkzaam in de zorg?

Antwoord:

Op 1 januari 2021 was het aantal werkzame specialisten ouderengeneeskunde naar schatting 1.587. (bron: Capaciteitsorgaan)

Vraag 55

Hoeveel nurse practitioners en physician assistants zijn werkzaam in de zorg?

Antwoord:

Op 1 oktober 2021 was het aantal werkzame nurse practitioners en physician assistants naar schatting 5931. (bron: Capaciteitsorgaan)

Vraag 56

Hoeveel anesthesisten zijn werkzaam in de zorg?

Antwoord:

Op 1 januari 2021 was het aantal werkzame anesthesisten naar schatting 1.821. (bron: Capaciteitsorgaan)

Vraag 57

Hoeveel zzp’ers zijn werkzaam in de zorg? Hoe is dit verdeeld over de verschillende sectoren?

Antwoord:

In onderstaande tabel is het aantal zzp’ers in de zorg per branche weergegeven. Hierbij gaat het om het aantal mensen dat hoofdzakelijk als zzp’er werkt. Zorgverleners die naast hun hoofdbaan als werknemer ook nog als zzp’er werken worden zijn hierbij niet meegenomen. Door afrondingen kan er een verschil ontstaan tussen het totaal zorg en welzijn (smal) en de optelsom van de branches.

Aantal zzp’ers in zorg en welzijn en per branche, voorlopige cijfers, in duizenden
 

2020

Zorg en welzijn (smal)

115

Universitair medische centra

1

Ziekenhuizen en overige med. spec. zorg

9

Geestelijke gezondheidszorg

15

Huisartsen en gezondheidscentra

8

Overige zorg en welzijn

48

Verpleging, verzorging en thuiszorg

22

Gehandicaptenzorg

3

Jeugdzorg

1

Sociaal werk

7

Bron: CBS, AZW StatLine

Vraag 58

Hoeveel mondhygiënisten zijn werkzaam in de zorg?

Antwoord:

Het exacte aantal van werkzame mondhygiënisten is niet te geven. Inschrijving bij de beroepsvereniging is geen verplichting en evenmin is uit te sluiten dat mensen wel in het register van de beroepsvereniging staan als mondhygiënist, maar inmiddels niet meer werkzaam zijn. Het geschatte aantal werkende mondhygiënisten rond juli/augustus 2019 is 3.569 (Capaciteitsplan 2021–2024 – Deelrapport 3b Eerstelijns Mondzorg, Capaciteitsorgaan december 2019). Het Capaciteitsorgaan komt eind 2022 met een nieuw rapport.

Vanaf 1 juli 2020 is de geregistreerd-mondhygiënist als experimenteerberoep tijdelijk opgenomen in het BIG-register. Op 1 september 2021 staan er 456 geregistreerd-mondhygiënisten in het BIG-register.

Vraag 59

Hoeveel tandartsen zijn in Nederland werkzaam? Kunt u dit uitsplitsen naar zowel Nederlandse als buitenlandse tandartsen?

Antwoord:

In 2019 waren er 8.485 tandartsen werkzaam in Nederland (Staat van Volksgezondheid en Zorg). Dit is het meest actuele cijfer over het aantal werkzame tandartsen. Voor wat betreft registraties staan er op 1 september 2021 12.252 tandartsen in het BIG-register met een actieve BIG-registratie. In Nederland zijn er 9.668 tandartsen met een actieve BIG-registratie op basis van een Nederlands diploma en 2.583 tandartsen met een actieve BIG-registratie op basis van een niet-Nederlands diploma. Het aantal daadwerkelijk werkzame tandartsen wordt niet apart geregistreerd.

Vraag 60

Hoeveel zorgverleners vallen onder een salarisschaal van Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG) 30 of lager?

Antwoord:

Ik kan geen sluitend antwoord geven op uw vraag. De functiewaarderingssystematiek FWG wordt niet in alle branches binnen zorg en welzijn toegepast. Ondermeer umc’s, jeugdzorg en sociaal werk kennen een andere functiewaarderingssystematiek.

In het loononderzoek van de Algemene Werkgeversverenging Nederland (AWVN) in opdracht van de Brancheorganisaties Zorg (Boz) is voor een aantal branches die met FWG werken een overzicht opgenomen met de verdeling van de werknemers over de verschillende FWG-schalen. Daaruit blijkt dat binnen de branches VVT, GGZ, ziekenhuiszorg en gehandicaptenzorg gemiddeld ongeveer 23% van de werknemers in FWG 30 of lager zitten. Daarbij moet aangetekend worden dat werknemers die in salarisschalen zitten die afwijken van de reguliere systematiek (zoals de hulpen in het huishouden die in een aparte salarisschaal zitten) niet apart te onderscheiden zijn en dus niet mee konden worden genomen in het percentage werknemers in FWG 30 of lager.

Vraag 61

Hoeveel tandartsen zijn in 2020 en 2021 nieuw opgeleid, hoeveel zijn vanuit het buitenland ingestroomd in de Nederlandse arbeidsmarkt?

Antwoord:

In 2020 zijn er 250 tandartsen met een Nederlands diploma BIG-geregistreerd in Nederland en 173 tandartsen met een niet-Nederlands diploma. In 2021 zijn tot 1 oktober 187 tandartsen met een Nederlands diploma BIG-geregistreerd in Nederland en 165 tandartsen met een niet-Nederlands diploma.

Vraag 62

Hoeveel opleidingsplaatsen zijn er in 2021 bijgekomen, uitgesplitst naar artsen, medisch specialisten, verpleegkundig specialisten en physician assistants?

Antwoord:

Onderstaand schema toont het verloop van de diverse groepen.

Opleidingsplaatsen 2019 t/m 2021
 

2019

2020

2021

Artsen

2.785

2.785

2.785

Medisch specialist

1.225

1.216

1.187

Verpleegkundig specialisten en physician assistants

790

700

700

Vraag 63

Hoeveel opleidingsplaatsen zijn opgevuld door zorgverleners afkomstig uit het buitenland? Kunt u dit uitsplitsen per sector?

Antwoord:

Ik beschik niet over de door u gevraagde gegevens.

Vraag 64

Hoeveel buitenlandse zorgverleners zijn geweigerd om in Nederland te komen werken omdat zij niet voldoen aan de eisen?

Antwoord:

De Commissie Buitenslands Gediplomeerden Volksgezondheid is verantwoordelijk voor de inhoudelijke advisering ten aanzien van aanvragen van buitenlandse zorgverleners om in de Nederlandse gezondheidszorg te komen werken. Er zijn van 2016 t/m oktober 2021 in totaal 4.560 aanvragen voor een verklaring van vakbekwaamheid en erkenning van de EU-beroepskwalificiatie ingediend door zorgverleners met een buitenlands diploma. In deze periode zijn 1.093 aanvragen goedgekeurd en 317 positief met voorwaarden. De commissie heeft verder in 710 aanvragen aanvullende opleiding of aanpassingsstages geadviseerd. Er zijn 1.113 aanvragen na een inhoudelijke beoordeling afgewezen. 1.151 aanvragen zijn in deze periode niet in behandeling genomen vanwege onvolledige aanvraag en ontbreken van stukken. De overige aanvragen lopen nog.

Vraag 65

Hoeveel zorgverleners verdienen op basis van een voltijdscontract minder dan een modaal jaarsalaris (€ 36.500)? In welke sectoren bevinden zij zich en in welke aantallen?

Antwoord:

Via het Pensioenfonds Zorg en Welzijn beschikken we over gegevens over de inkomensverdeling van een groot gedeelte van de medewerkers binnen Zorg en Welzijn. In de onderstaande tabel is het bruto jaarinkomen op basis van een voltijdscontract weergegeven over 2019. Daarin ontbreken de gegevens van medewerkers binnen de umc’s en een gedeelte van de eerste lijn. Een verdere uitsplitsing naar branche en/of beroep is niet voor handen. De cijfers betreffen niet alleen zorgverleners, maar ook medewerkers in niet-cliëntgebonden functies, zoals de administratie. Tot slot is het goed om te benadrukken dat het alleen gaat om mensen in loondienst (alle zelfstandigen ontbreken dus).

Op basis van de onderstaande tabel kan de grove inschatting worden gemaakt dat iets minder dan de helft van de werknemers binnen zorg en welzijn (exclusief umc’s en gedeelte eerste lijn) minder dan modaal verdient.

Bruto jaarinkomen binnen zorg en welzijn (exclusief umc’s en gedeelte eerste lijn)

Inkomensklasse

Aantal werknemers

Aandeel in %

20.000 of minder

9.784

0,8

20.001 t/m 30.000

275.621

23,9

30.001 t/m 40.000

444.292

38,6

40.001 t/m 50.000

233.336

20,3

50.001 t/m 60.000

111.475

9,7

60.001 t/m 70.000

35.134

3,0

70.001 t/m 80.000

17.024

1,5

80.001 t/m 90.000

6.939

0,6

90.001 t/m 100.000

4.249

0,4

100.001 of meer

14.278

1,2

Totaal

1.152.132

100,0

Bron: Pensioenfonds Zorg en Welzijn

Verder is via de kennisbank Openbaar bestuur informatie beschikbaar over de inkomensverdeling van de werknemers van de umc’s. In onderstaande tabel is de inkomensverdeling van werknemers binnen umc’s weergegeven. Het gaat hier om het bruto maandinkomen. Ook hier gaat het alleen om werknemers in loondienst en niet alleen zorgverleners, maar ook om medewerkers in niet-cliëntgebonden functies.

Op basis van de onderstaande tabel kan de grove inschatting worden gemaakt dat circa 10 duizend werknemers binnen de umc’s minder dan modaal verdienen op basis van een voltijdscontract.

Bruto maandinkomen binnen umc’s (inclusief toeslagen)

Inkomensklasse

Aantal werknemers

Aandeel in %

2.000 euro of minder

213

0,3

2.001 t/m 3.000

9.621

13,1

3.001 t/m 4.000

23.060

31,3

4.001 t/m 5.000

19.573

26,6

5.001 t/m 6.000

10.166

13,8

6.001 t/m 7.000

2.750

3,7

7.001 t/m 8.000

1.304

1,8

8.001 of meer

6.946

9,4

onbekend

5

0,0

Totaal

73.638

100

Vraag 66

Uit welke landen wordt buitenlands personeel aangetrokken om te werken in de zorg in Nederland?

Antwoord:

Het demissionair kabinet voert geen specifiek beleid in het werven van buitenlands zorgpersoneel. Wel staat het zorginstellingen vrij om buitenlandse zorgverleners in dienst te nemen, mits zij voldoen aan de Nederlandse kwaliteitsstandaarden, zoals vastgelegd in de wet BIG, en de overige voorwaarden van de toelatingsprocedure. In het jaar 2020 hebben zorgverleners uit 96 landen een aanvraag ingediend om in Nederland te mogen werken. Uit landen van elk continent hebben wij aanvragen ontvangen.

Vraag 67

Hoeveel waarschuwingen heeft Nederland ontvangen en gegeven aan andere lidstaten over zorgverleners die niet meer mogen werken vanwege eerdere incidenten?

Antwoord:

Nederland heeft in de periode 1 oktober 2020 t/m 1 oktober 2021 via het Europees waarschuwingssysteem 41 beroepsbeperkingen en – verboden aan de andere lidstaten gemeld. Van zorgverleners kunnen meerdere meldingen gedaan worden. Bij die 41 meldingen ging het dan ook om 29 zorgverleners. Er zijn in deze periode 5.656 meldingen ontvangen van andere lidstaten. Slechts een zeer beperkt aandeel daarvan heeft betrekking op zorgverleners die in Nederland een aanvraag tot erkenning hebben gedaan en/of geregistreerd staan in het BIG-register.

Vraag 68

Hoeveel zorgverleners hebben een beroepsverbod gekregen?

Antwoord:

In de periode van 1 oktober 2020 tot en met 30 september 2021 is voor 10 personen in het BIG-register verwerkt dat hen blijvend de bevoegdheid is ontnomen om het beroep uit te oefenen.

Vraag 69

Hoeveel zorgverleners hebben een schorsing gekregen?

Antwoord:

In de periode van 1 oktober 2020 tot en met 30 september 2021 zijn 6 schorsingen, 12 voorwaardelijke schorsingen en 2 maal een deels onvoorwaardelijke en deels voorwaardelijke schorsing in het BIG-register verwerkt.

Vraag 70

Hoeveel zorgverleners hebben een sanctie gekregen?

Antwoord:

In de periode van 1 oktober 2020 tot en met 30 september 2021 zijn 38 maatregelen verwerkt in het BIG-register.

Vraag 71

Hoe hoog is het ziekteverzuim onder zorgverleners, uitgesplitst per zorgsector

Antwoord:

In onderstaande tabel wordt het ziekteverzuim in het tweede kwartaal van 2021 per branche weergegeven.

Verzuimpercentage, voorlopige cijfers
 

2021 2e kwartaal

Universitair medische centra

5,1%

Ziekenhuizen en overige med. spec. zorg

5,8%

Geestelijke gezondheidszorg

6,1%

Huisartsen en gezondheidscentra

5,3%

Overige zorg en welzijn

4,5%

Verpleging, verzorging en thuiszorg

7,9%

Gehandicaptenzorg

7,2%

Jeugdzorg

5,8%

Sociaal werk

6,1%

Gemiddelde zorg en welzijn (smal)

6,5%

Bron: CBS, AZW StatLine

Vraag 72

Kunt u een overzicht geven van de uitstroom van zorgmedewerkers naar leeftijdscategorie als aandeel van het aantal werknemers per leeftijdscategorie?

Antwoord:

In onderstaande tabel wordt uitstroom uit zorg en welzijn naar leeftijdscategorie als aandeel van het aantal werknemers per leeftijdscategorie weergegeven. Het betreft de uitstroom in het eerste kwartaal van 2021.

 

1e kwartaal 2021

Jonger dan 25 jaar

18%

25 tot 35 jaar

9%

35 tot 45 jaar

6%

45 tot 55 jaar

5%

55 jaar of ouder

11%

Bron: berekening op basis van CBS, AZW Statline

Vraag 73

Hoeveel mensen zijn geregistreerd in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) en hoeveel mensen zijn dit per beroepsgroep?

Antwoord:

Aantal registraties in het BIG-register

Per 1 september 2021

Beroepsgroep

Aantallen

Apothekers

6.095

Artsen

77.092

Bachelor Medisch Hulpverleners (tijdelijke BIG-registratie)

290

Fysiotherapeuten

37.395

Geregistreerd-mondhygiënisten (tijdelijke BIG-registratie)

456

Gz-psychologen

17.546

Klinisch technologen

311

Orthopedagogen-generalist

1.924

Physician assistants

1.636

Psychotherapeuten

5.378

Tandartsen

12.252

Verloskundigen

4.815

Verpleegkundigen

212.947

Totaal

378.137

Vraag 74

Waarom is oefentherapie-Mensendieck/Cesar geen BIG-geregistreerd beroep?

Antwoord:

De uitoefening van de individuele gezondheidszorg is in principe vrij voor iedereen. Een uitzondering hierop vormen de beroepen waarbij beroepsbeoefenaren dusdanig handelingen verrichten dat de patiënt moet worden beschermd tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen. Deze beroepen zijn gereguleerd in de Wet BIG (Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg). Bij de wettelijke beroepenregulering wordt de «nee, tenzij systematiek» gehanteerd: alleen reguleren als dit vanuit patiëntveiligheid strikt noodzakelijk is. Voor de oefentherapeut geldt deze BIG-registratie niet, wel valt het beroep onder artikel 34 van de Wet BIG en heeft daarmee een beschermde opleidingstitel. Dat betekent dat iemand alleen deze beschermde opleidingstitel mag voeren mits hij voldoet aan de opleidingseisen zoals beschreven in de Wet BIG.

Vraag 75

Welke maatregelen treft u om de agressie tegen hulpverleners in de zorg aan te pakken?

Antwoord:

Agressie tegen hulpverleners is te allen tijde onacceptabel. Zorgverleners moeten veilig zijn en zich veilig voelen zodat ze op een gezonde en prettige manier hun beroep kunnen uitoefenen. Helaas krijgt een deel van het personeel in zorg en welzijn toch te maken met agressie en ongewenst gedrag. Dit maakt aandacht voor preventie, goede opvang en nazorg essentieel.

Vanuit de Arbowet ligt de eerste verantwoordelijkheid voor het aanpakken van agressie en geweld op de werkvloer bij de werkgever. Werkgevers zijn verplicht om beleid te voeren om werknemers tegen agressie te beschermen. Ze worden hierbij op verschillende manieren ondersteund door de overheid. De toenmalige Minister voor Medische Zorg en Sport heeft eind vorig jaar specifiek voor de sector zorg en welzijn een brede aanpak van agressie en ongewenst gedrag aangekondigd9.

De eerste stap was een grootschalig onderzoek om in kaart te brengen waar agressie en ongewenst gedrag voorkomen en welke ondersteuningsbehoefte medewerkers hebben. De resultaten van dit onderzoek zijn op 13 april jl. gedeeld met de Kamer10 en besproken met de sector. De volgende stap is aan vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers om gericht aan de slag te gaan om branchegerichte aanpakken (verder) te ontwikkelen. VWS biedt de mogelijkheid om hiervoor subsidie aan te vragen.

Tot slot is melden van agressie een belangrijke voorwaarde om er iets mee te doen. We weten dat dit in de praktijk nog niet vanzelfsprekend is en de bekendheid van de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) die gemaakt zijn rond de opsporing en vervolging van agressie tegen hulverleners, niet overal even groot is. Daarom zoekt VWS hiervoor de samenwerking met de sector, politie, OM en het Ministerie van JenV om de aangiftebereidheid te vergroten. Hierbij kan gedacht worden aan het bieden van kennis en informatie over wat aangiftewaardig is en welke mogelijkheden er zijn om anoniem aangifte te doen.

Vraag 76

Hoe groot zijn de wachtlijsten voor de mbo- en hbo-verpleegkundige opleiding?

Antwoord:

De instroom voor mbo opleidingen in de zorg is hoog. De instroom en het totaal aantal studenten in deze sector groeien sinds schooljaar 2016/2017.11 Voor de meeste mbo-opleidingen geldt geen landelijke numerus fixus. Vanwege tekorten op de arbeidsmarkt in de zorg wordt een landelijke numerus fixus voor mbo verpleegkundige dan ook niet geadviseerd. Instellingen hebben de vrijheid zelf een numerus fixus voor opleidingen in te stellen. In het schooljaar 2019–2020 hanteerden tien opleidingen tot helpende, verzorgende en verpleegkundige een numerus fixus, waarvan vier opleidingen onderdeel zijn van Defensie.12 Bij 11% van de numerus fixus opleidingen in de sector zorg en welzijn is het aantal inschrijvingen hoger dan het aantal beschikbare plaatsen. De monitor toelatingsrecht mbo met hierin de cijfers van het schooljaar 2020–2021 wordt dit najaar met de Kamer gedeeld. De meest opgegeven reden voor het instellen van de numerus fixus in het schooljaar 2019–2020 in de sector zorg & welzijn is het gebrek aan stageplekken.

Tot studiejaar 2018–2019 hadden tien van de zeventien hogescholen een numerus fixus voor de opleiding verpleegkunde. Vanaf studiejaar 2019–2020 is het aantal hogescholen met een numerus fixus gedaald tot één. Deze onderwijsinstelling hanteert een numerus fixus omdat ze al een grote instroom kennen en bij een nog grotere instroom niet kunnen garanderen dat een student een stageplek in de regio kan vinden.

Voor zowel het mbo als het hbo geldt dat wanneer een student zich aanmeldt bij een numerus fixus opleiding de student wordt toegelaten of niet toegelaten. De student kan dan bij een andere onderwijsinstelling terecht. Er zijn derhalve geen wachtlijsten in het mbo en hbo.

Vraag 77

Zijn er wachtlijsten voor andere zorgberoepen? Zo ja, welke? Hoe lang bedraagt de wachttijd gemiddeld?

Antwoord:

Wanneer een student zich aanmeldt bij een numerus fixus opleiding in het hbo of mbo wordt de student toegelaten of niet toegelaten. Er zijn derhalve geen wachtlijsten in het hbo en mbo.

De meest opgegeven reden voor het instellen van de numerus fixus in het schooljaar 2019–2020 in de sector zorg & welzijn is het gebrek aan stageplekken. Voor de opleiding tot doktersassistent geldt eveneens dat door het gebrek aan stageplaatsen onderwijsinstellingen soms kiezen voor een limiet dat aan het aantal studenten dat kan starten gesteld worden. Een aantal hogescholen hebben een numerus fixus voor andere opleidingen in de zorg, voor met name de opleidingen Verloskunde, Fysiotherapie, Medische Hulpverlening of Mondzorgkunde.

Vraag 78

Hoeveel opleidingsplekken zijn er in Nederland voor zorgopleidingen en voor welke niveaus?

Antwoord:

Het Ministerie van VWS is verantwoordelijk voor de bekostiging van diverse vervolgopleidingen in de zorgsector. De aantallen opleidingsplekken in Nederland voor gesubsidieerde vervolgopleidingen in de zorgsector in 2021 zijn in onderstaande tabel weergegeven.

Voor nadere informatie over aantallen opleidingsplekken op mbo- en hbo-niveau en de initiële opleidingen op wo-niveau, verwijs ik u naar de Minister van OCW.

Opleiding

Aantal plaatsen

Medisch specialist c.a.

5.4431

Medisch specialisten instroom vooropleiding interne geneeskunde en heelkunde

2562

Huisarts

2.0973

Specialist ouderengeneeskunde

4523

Arts verstandelijk gehandicapten

643

Sociaal geneeskundige

3103

GGZ

3.2433

Verpleegkundig specialist, physician assistant

1.6922

Ziekenhuisopleidingen (CZO vervolgopleidingen verpleegkunde en medisch ondersteunende beroepen)

4.1332

X Noot
1

In fte

X Noot
2

In personen

X Noot
3

In fte

Vraag 79

Welke beleidsmogelijkheden zijn er om tijdens een formatie onderscheid te maken in het vrijmaken van middelen voor de zorgsalarissen? In andere woorden: welke varianten zijn er om bepaalde zorgsalarissen te bevoordelen en te benadelen?

Antwoord:

In de brief Reactie SER advies «Aan de slag voor de zorg; een actieagenda voor de zorgarbeidsmarkt»13 die op 3 september jl. naar uw Kamer is gestuurd, heb ik aangegeven dat er veel varianten denkbaar zijn ten aanzien van het verhogen van de lonen.

Als de overheid ook geacht wordt te sturen op de besteding van de extra middelen, dan moeten ook afspraken worden gemaakt met de zorginkopers (gemeenten, zorgkantoren en verzekeraars) over het doorgeven van de extra middelen in hogere tarieven en met sociale partners over het aanpassen van en verwerken in de cao’s. Daarbij is de ruimte voor de overheid om zich in cao-onderhandelingen te mengen beperkt en kan aanpassing van de cao’s zeker niet worden opgelegd in verband met de contractvrijheid van partijen en internationale verdragen die vrije cao-onderhandelingen voorschrijven.

Tevens geldt dat differentiatie in extra loonruimte tussen branches/cao’s zich niet goed verhoudt tot de ova-systematiek en de financieeringssystematiek in de zorg. Wanneer de salarissen van bepaalde (beroeps)groepen extra moet worden verhoogd of juist niet en deze (beroeps)groepen zijn (zeer) ongelijk verdeeld over de verschillende branches/cao’s, dan kan namelijk niet worden volstaan met een generieke aanpassing van de ova-ruimte en generiek doorvertaling van die ruimte door zorginkopers. De middelen zullen dan immers gericht en gedifferentieerd terecht moeten komen bij (mogelijk een deel van de) aanbieders. Anders zullen de betreffende werkgeversorganisaties niet bereid zijn hun cao’s erop aan te passen. In het geval van gedifferentieerde extra loonruimte per branche/cao zijn afspraken met werkgevers nodig om in afwijking van het ova-convenant te differentieren in loonruimte tussen domeinen en financiele kaders. Het is daarbij de vraag of een meerderheid van de werkgevers daartoe bereid is, zeker als de meerderheid daar geen voordeel van heeft. Instemming van een meerderheid van de werkgevers is conform het ova-convenant wel benodigd. Daarnaast zal er ook differentatie nodig zijn in aanpassing van de gereguleerde tarieven en budgetten door de NZa. Tot slot zal ook de afspraak moeten worden gemaakt met zorginkopers dat zij de extra loonruimte gericht toekennen aan de juiste aanbieders. Kortom, er is dan een zeer complex proces nodig om de extra middelen gedifferieerd en gericht bij de juiste aanbieders te krijgen.

Vraag 80

Hoeveel zorgverleners zijn in 2020 en 2021 ontslagen vanwege bezuinigingen, uitgesplitst per zorgsector en beroep? Wat zijn de cijfers van voorgaande jaren?

Antwoord:

Er zijn geen (landelijke) cijfers beschikbaar over het aantal zorgmedewerkers dat in 2020 en 2021 is ontslagen. Voor inzicht in bezuinigingen verwijs ik naar het antwoord op vraag 9.

Vraag 81

Hoeveel werkzoekenden zijn er in de zorg per sector en functieniveau?

Antwoord:

In mei van dit jaar waren er 52.977 mensen bekend bij het UWV die werk zochten in een zorg- of welzijnsberoep. Het gaat hier om werkzoekenden zonder dienstverband, die geregistreerd stonden bij het UWV. Dat zijn mensen die een uitkering ontvangen en wel kunnen werken (verplichte registratie) of mensen die geen uitkering ontvangen maar wel hun cv op de website werk.nl van UWV hebben geplaatst.

Er is een uitsplitsing naar opleidingsniveau mogelijk:

Opleidingsniveau

Aantallen werkzoekenden

basisopleiding

8.376

vmbo/mbo algemeen/mbo 1

11.528

havo/vwo

2.410

mbo 2, 3 en 4

16.099

hbo

7.432

wo

3.912

onbekend

3.220

totaal

52.977

Vraag 82

Kunt u een overzicht geven van de cao-loonontwikkeling in zorg en welzijn per jaar sinds 2010?

Antwoord:

In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de cao-loonontwikkeling in zorg en welzijn (incl. kinderopvang) per jaar sinds 2010.

Index cao-lonen per uur inclusief bijzondere beloningen (2010=100)

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

100

101,7

103,3

104,9

106,3

107,6

109,3

110,6

112,5

116

119,2

Bron: CBS statline

Vraag 83

Kunt u aangeven hoeveel zorgverleners onder modaal verdienen? Welke beroepen betreft dit precies?

Antwoord:

Via het Pensioenfonds Zorg en Welzijn beschikken we over gegevens over de inkomensverdeling van een groot gedeelte van de medewerkers binnen Zorg en Welzijn. In de onderstaande tabel is het bruto jaarinkomen op basis van een voltijdscontract weergegeven over 2019. Daarin ontbreken de gegevens van medewerkers binnen de umc’s en een gedeelte van de eerste lijn. Een verdere uitsplitsing naar branche en/of beroep is niet voor handen. De cijfers betreffen niet alleen zorgverleners, maar ook medewerkers in niet-cliëntgebonden functies, zoals de administratie. Tot slot is het goed om te benadrukken dat het alleen gaat om mensen in loondienst (alle zelfstandigen ontbreken dus).

Op basis van de onderstaande tabel kan de grove inschatting worden gemaakt dat iets minder dan de helft van de werknemers binnen zorg en welzijn (exclusief umc’s en gedeelte eerste lijn) minder dan modaal verdient.

Bruto jaarinkomen binnen zorg en welzijn (exclusief umc’s en gedeelte eerste lijn)

Inkomensklasse

Aantal werknemers

Aandeel in %

20.000 of minder

9.784

0,8

20.001 t/m 30.000

275.621

23,9

30.001 t/m 40.000

444.292

38,6

40.001 t/m 50.000

233.336

20,3

50.001 t/m 60.000

111.475

9,7

60.001 t/m 70.000

35.134

3,0

70.001 t/m 80.000

17.024

1,5

80.001 t/m 90.000

6.939

0,6

90.001 t/m 100.000

4.249

0,4

100.001 of meer

14.278

1,2

Totaal

1.152.132

100,0

Bron: Pensioenfonds Zorg en Welzijn

Verder is via de kennisbank Openbaar bestuur informatie beschikbaar over de inkomensverdeling van de werknemers van de umc’s. In onderstaande tabel is de inkomensverdeling van werknemers binnen umc’s weergegeven. Het gaat hier om het bruto maandinkomen. Ook hier gaat het alleen om werknemers in loondienst en niet alleen zorgverleners, maar ook om medewerkers in niet-cliëntgebonden functies.

Op basis van de onderstaande tabel kan de grove inschatting worden gemaakt dat circa 10 duizend werknemers binnen de umc’s minder dan modaal verdienen op basis van een voltijdscontract.

Bruto maandinkomen binnen umc’s (inclusief toeslagen)

Inkomensklasse

Aantal werknemers

Aandeel in %

2.000 euro of minder

213

0,3

2.001 t/m 3.000

9.621

13,1

3.001 t/m 4.000

23.060

31,3

4.001 t/m 5.000

19.573

26,6

5.001 t/m 6.000

10.166

13,8

6.001 t/m 7.000

2.750

3,7

7.001 t/m 8.000

1.304

1,8

8.001 of meer

6.946

9,4

onbekend

5

0,0

Totaal

73.638

100

Vraag 84

Kunt u aangeven hoeveel zorgverleners modaal verdienen? Welke beroepen betreft dit precies?

Antwoord:

Via het Pensioenfonds Zorg en Welzijn beschikken we over gegevens over de inkomensverdeling van een groot gedeelte van de medewerkers binnen Zorg en Welzijn. In de onderstaande tabel is het bruto jaarinkomen op basis van een voltijdscontract weergegeven over 2019. Daarin ontbreken de gegevens van medewerkers binnen de umc’s en een gedeelte van de eerste lijn. Een verdere uitsplitsing naar branche en/of beroep is niet voor handen. De cijfers betreffen niet alleen zorgverleners, maar ook medewerkers in niet-cliëntgebonden functies, zoals de administratie. Tot slot is het goed om te benadrukken dat het alleen gaat om mensen in loondienst (alle zelfstandigen ontbreken dus).

Op basis van de onderstaande tabel kan de grove inschatting worden gemaakt dat iets minder dan de helft van de werknemers binnen zorg en welzijn (exclusief umc’s en gedeelte eerste lijn) minder dan modaal verdient.

Bruto jaarinkomen binnen zorg en welzijn (exclusief umc’s en gedeelte eerste lijn)

Inkomensklasse

Aantal werknemers

Aandeel in %

20.000 of minder

9.784

0,8

20.001 t/m 30.000

275.621

23,9

30.001 t/m 40.000

444.292

38,6

40.001 t/m 50.000

233.336

20,3

50.001 t/m 60.000

111.475

9,7

60.001 t/m 70.000

35.134

3,0

70.001 t/m 80.000

17.024

1,5

80.001 t/m 90.000

6.939

0,6

90.001 t/m 100.000

4.249

0,4

100.001 of meer

14.278

1,2

Totaal

1.152.132

100,0

Bron: Pensioenfonds Zorg en Welzijn

Verder is via de kennisbank Openbaar bestuur informatie beschikbaar over de inkomensverdeling van de werknemers van de umc’s. In onderstaande tabel is de inkomensverdeling van werknemers binnen umc’s weergegeven. Het gaat hier om het bruto maandinkomen. Ook hier gaat het alleen om werknemers in loondienst en niet alleen zorgverleners, maar ook om medewerkers in niet-cliëntgebonden functies.

Op basis van de onderstaande tabel kan de grove inschatting worden gemaakt dat circa 10 duizend werknemers binnen de umc’s minder dan modaal verdienen op basis van een voltijdscontract.

Bruto maandinkomen binnen umc’s (inclusief toeslagen)

Inkomensklasse

Aantal werknemers

Aandeel in %

2.000 euro of minder

213

0,3

2.001 t/m 3.000

9.621

13,1

3.001 t/m 4.000

23.060

31,3

4.001 t/m 5.000

19.573

26,6

5.001 t/m 6.000

10.166

13,8

6.001 t/m 7.000

2.750

3,7

7.001 t/m 8.000

1.304

1,8

8.001 of meer

6.946

9,4

onbekend

5

0,0

Totaal

73.638

100

Vraag 85

Kunt u aangeven hoeveel zorgverleners twee keer modaal verdienen? Welke beroepen betreft dit precies?

Antwoord:

Via het Pensioenfonds Zorg en Welzijn beschikken we over gegevens over de inkomensverdeling van een groot gedeelte van de medewerkers binnen Zorg en Welzijn. In de onderstaande tabel is het bruto jaarinkomen op basis van een voltijdscontract weergegeven over 2019. Daarin ontbreken de gegevens van medewerkers binnen de umc’s en een gedeelte van de eerste lijn. Een verdere uitsplitsing naar branche en/of beroep is niet voor handen. De cijfers betreffen niet alleen zorgverleners, maar ook medewerkers in niet-cliëntgebonden functies, zoals de administratie. Tot slot is het goed om te benadrukken dat het alleen gaat om mensen in loondienst (alle zelfstandigen ontbreken dus).

Op basis van de onderstaande tabel kan de grove inschatting worden gemaakt dat iets minder dan de helft van de werknemers binnen zorg en welzijn (exclusief umc’s en gedeelte eerste lijn) minder dan modaal verdient.

Bruto jaarinkomen binnen zorg en welzijn (exclusief umc’s en gedeelte eerste lijn)

Inkomensklasse

Aantal werknemers

Aandeel in %

20.000 of minder

9.784

0,8

20.001 t/m 30.000

275.621

23,9

30.001 t/m 40.000

444.292

38,6

40.001 t/m 50.000

233.336

20,3

50.001 t/m 60.000

111.475

9,7

60.001 t/m 70.000

35.134

3,0

70.001 t/m 80.000

17.024

1,5

80.001 t/m 90.000

6.939

0,6

90.001 t/m 100.000

4.249

0,4

100.001 of meer

14.278

1,2

Totaal

1.152.132

100,0

Bron: Pensioenfonds Zorg en Welzijn

Verder is via de kennisbank Openbaar bestuur informatie beschikbaar over de inkomensverdeling van de werknemers van de umc’s. In onderstaande tabel is de inkomensverdeling van werknemers binnen umc’s weergegeven. Het gaat hier om het bruto maandinkomen. Ook hier gaat het alleen om werknemers in loondienst en niet alleen zorgverleners, maar ook om medewerkers in niet-cliëntgebonden functies.

Op basis van de onderstaande tabel kan de grove inschatting worden gemaakt dat circa 10 duizend werknemers binnen de umc’s minder dan modaal verdienen op basis van een voltijdscontract.

Bruto maandinkomen binnen umc’s (inclusief toeslagen)

Inkomensklasse

Aantal werknemers

Aandeel in %

2.000 euro of minder

213

0,3

2.001 t/m 3.000

9.621

13,1

3.001 t/m 4.000

23.060

31,3

4.001 t/m 5.000

19.573

26,6

5.001 t/m 6.000

10.166

13,8

6.001 t/m 7.000

2.750

3,7

7.001 t/m 8.000

1.304

1,8

8.001 of meer

6.946

9,4

onbekend

5

0,0

Totaal

73.638

100

Vraag 86

Kunt u aangeven hoeveel zorgverleners drie keer modaal verdienen? Welke beroepen betreft dit precies?

Antwoord:

Via het Pensioenfonds Zorg en Welzijn beschikken we over gegevens over de inkomensverdeling van een groot gedeelte van de medewerkers binnen Zorg en Welzijn. In de onderstaande tabel is het bruto jaarinkomen op basis van een voltijdscontract weergegeven over 2019. Daarin ontbreken de gegevens van medewerkers binnen de umc’s en een gedeelte van de eerste lijn. Een verdere uitsplitsing naar branche en/of beroep is niet voor handen. De cijfers betreffen niet alleen zorgverleners, maar ook medewerkers in niet-cliëntgebonden functies, zoals de administratie. Tot slot is het goed om te benadrukken dat het alleen gaat om mensen in loondienst (alle zelfstandigen ontbreken dus).

Op basis van de onderstaande tabel kan de grove inschatting worden gemaakt dat iets minder dan de helft van de werknemers binnen zorg en welzijn (exclusief umc’s en gedeelte eerste lijn) minder dan modaal verdient.

Bruto jaarinkomen binnen zorg en welzijn (exclusief umc’s en gedeelte eerste lijn)

Inkomensklasse

Aantal werknemers

Aandeel in %

20.000 of minder

9.784

0,8

20.001 t/m 30.000

275.621

23,9

30.001 t/m 40.000

444.292

38,6

40.001 t/m 50.000

233.336

20,3

50.001 t/m 60.000

111.475

9,7

60.001 t/m 70.000

35.134

3,0

70.001 t/m 80.000

17.024

1,5

80.001 t/m 90.000

6.939

0,6

90.001 t/m 100.000

4.249

0,4

100.001 of meer

14.278

1,2

Totaal

1.152.132

100,0

Bron: Pensioenfonds Zorg en Welzijn

Verder is via de kennisbank Openbaar bestuur informatie beschikbaar over de inkomensverdeling van de werknemers van de umc’s. In onderstaande tabel is de inkomensverdeling van werknemers binnen umc’s weergegeven. Het gaat hier om het bruto maandinkomen. Ook hier gaat het alleen om werknemers in loondienst en niet alleen zorgverleners, maar ook om medewerkers in niet-cliëntgebonden functies.

Op basis van de onderstaande tabel kan de grove inschatting worden gemaakt dat circa 10 duizend werknemers binnen de umc’s minder dan modaal verdienen op basis van een voltijdscontract.

Bruto maandinkomen binnen umc’s (inclusief toeslagen)

Inkomensklasse

Aantal werknemers

Aandeel in %

2.000 euro of minder

213

0,3

2.001 t/m 3.000

9.621

13,1

3.001 t/m 4.000

23.060

31,3

4.001 t/m 5.000

19.573

26,6

5.001 t/m 6.000

10.166

13,8

6.001 t/m 7.000

2.750

3,7

7.001 t/m 8.000

1.304

1,8

8.001 of meer

6.946

9,4

onbekend

5

0,0

Totaal

73.638

100

Vraag 87

Hoeveel zorgverleners verdienen meer dan drie keer modaal op voltijdsjaarbasis (>€ 109.500) zowel in loondienst als (naar beste inschatting) als zelfstandige?

Antwoord:

Via het Pensioenfonds Zorg en Welzijn beschikken we over gegevens over de inkomensverdeling van een groot gedeelte van de medewerkers binnen Zorg en Welzijn. In de onderstaande tabel is het bruto jaarinkomen op basis van een voltijdscontract weergegeven over 2019. Daarin ontbreken de gegevens van medewerkers binnen de umc’s en een gedeelte van de eerste lijn. Een verdere uitsplitsing naar branche en/of beroep is niet voor handen. De cijfers betreffen niet alleen zorgverleners, maar ook medewerkers in niet-cliëntgebonden functies, zoals de administratie. Tot slot is het goed om te benadrukken dat het alleen gaat om mensen in loondienst (alle zelfstandigen ontbreken dus).

Op basis van de onderstaande tabel kan de grove inschatting worden gemaakt dat iets minder dan de helft van de werknemers binnen zorg en welzijn (exclusief umc’s en gedeelte eerste lijn) minder dan modaal verdient.

Bruto jaarinkomen binnen zorg en welzijn (exclusief umc’s en gedeelte eerste lijn)

Inkomensklasse

Aantal werknemers

Aandeel in %

20.000 of minder

9.784

0,8

20.001 t/m 30.000

275.621

23,9

30.001 t/m 40.000

444.292

38,6

40.001 t/m 50.000

233.336

20,3

50.001 t/m 60.000

111.475

9,7

60.001 t/m 70.000

35.134

3,0

70.001 t/m 80.000

17.024

1,5

80.001 t/m 90.000

6.939

0,6

90.001 t/m 100.000

4.249

0,4

100.001 of meer

14.278

1,2

Totaal

1.152.132

100,0

Bron: Pensioenfonds Zorg en Welzijn

Verder is via de kennisbank Openbaar bestuur informatie beschikbaar over de inkomensverdeling van de werknemers van de umc’s. In onderstaande tabel is de inkomensverdeling van werknemers binnen umc’s weergegeven. Het gaat hier om het bruto maandinkomen. Ook hier gaat het alleen om werknemers in loondienst en niet alleen zorgverleners, maar ook om medewerkers in niet-cliëntgebonden functies.

Op basis van de onderstaande tabel kan de grove inschatting worden gemaakt dat circa 10 duizend werknemers binnen de umc’s minder dan modaal verdienen op basis van een voltijdscontract.

Bruto maandinkomen binnen umc’s (inclusief toeslagen)

Inkomensklasse

Aantal werknemers

Aandeel in %

2.000 euro of minder

213

0,3

2.001 t/m 3.000

9.621

13,1

3.001 t/m 4.000

23.060

31,3

4.001 t/m 5.000

19.573

26,6

5.001 t/m 6.000

10.166

13,8

6.001 t/m 7.000

2.750

3,7

7.001 t/m 8.000

1.304

1,8

8.001 of meer

6.946

9,4

onbekend

5

0,0

Totaal

73.638

100

Vraag 88

Kunt u een overzicht geven van alle convenanten die sinds 2020 zijn afgesloten tussen het Ministerie van VWS en de betrokken partijen in de zorg? Kunt u daarbij aangeven welke convenanten succesvol hebben gewerkt en welke convenanten minder succesvol waren, met een toelichting daarop?

Antwoord:

De onderstaande convenanten zijn sinds 2020 met partijen in de zorg afgesloten. Over het succes ervan kunnen we nu nog geen conclusies trekken omdat de convenant periode daarvoor nog te kort is.

Titel convenant

Stand van zaken

Convenant Bevorderen continuïteit jeugdhulp 7-7-2021

Convenant tussen de Branches Gespecialiseerde Zorg voor de Jeugd (BGZJ), de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Justitie en Veiligheid (JenV) over het bevorderen van de continuïteit van jeugdhulp.

Convenant Versterking Testketen Corona 12-1-2021

Afspraken tussen Minister De Jonge, de GGD’en en GGD GHOR Nederland over de samenwerking rond het testen op het coronavirus.

Convenant Randvoorwaarden en facilitering medisch-generalistische zorg voor mensen met een beperking. 29-10-2020

Afspraken tussen belangenorganisaties in de zorg voor het organiseren van randvoorwaarden en het faciliteren van zorgverleners om de kwaliteit en toegankelijkheid van de medisch-generalistische zorg voor mensen met een beperking te verbeteren.

VWS is geen convenantspartij, maar ondersteunt wel de ervan. In het convenant zijn acties voor VWS opgenomen die VWS ook uitvoert. Om er zo ook aan bij te dragen dat het convenant een succes wordt.

Convenant VWS en REshape 14-1-2020

Doel van dit convenant is om in gezamenlijkheid verschillende edities van de Health Innovation School (HIS) mogelijk te maken. De HIS draagt bij aan het stimuleren van een innovatieve manier van denken, het uitwisselen van kennis en vaardigheden en het bevorderen van samenwerking in (regionale) netwerken. Dit stimuleert innovatie waarmee goede zorg toegankelijk en betaalbaar blijft.

In 2020 hebben 4 regionale edities plaatsgevonden.

Vraag 89

Kunt u de uitgaven vanuit de Wmo 2015 op een rij zetten voor de jaren 2007 tot en met 2021?

Antwoord:

Vanwege de decentralisaties zijn per 2015 de Iv3-functies14 voor het sociaal domein gewijzigd. Een aantal nieuwe Iv3-functies betreft zowel de Wmo als Jeugd. Daarom is in de tabel voor 2015 en 2016 een bedrag «onverdeeld Wmo en Jeugd» opgenomen.

Om beter aan te sluiten bij de gemeentelijke praktijk zijn per 2017 de Iv3-functies vervangen door Iv3-taakvelden. Door de overgang naar taakvelden vertegenwoordigen de bedragen niet meer hetzelfde als tot en met 2016. Ook wordt in tegenstelling tot en met 2016 de gemeentelijke overhead niet meer door de individuele gemeenten zelf opgesplitst en toegerekend aan de verschillende Iv3-functies, maar in zijn geheel door de gemeenten op een afzonderlijk taakveld voor de totale overhead geboekt. De gemeentelijke uitgaven aan de Wmo voor het jaar 2020 zijn gebaseerd op voorlopige cijfers, voor 2021 zijn deze nog niet bekend.

Tabel:

Jaar

Uitgaven

2007

€ 2.910 miljoen (Wmo)

2008

€ 3.104 miljoen (Wmo)

2009

€ 3.322 miljoen (Wmo)

2010

€ 3.724 miljoen (Wmo)

2011

€ 3.705 miljoen (Wmo)

2012

€ 3.684 miljoen (Wmo)

2013

€ 3.501 miljoen (Wmo)

2014

€ 3.485 miljoen (Wmo)

2015

€ 4.098 miljoen (Wmo) en € 3.783 miljoen (onverdeeld Wmo en Jeugd)

2016

€ 4.121 miljoen (Wmo) en € 3.577 miljoen (onverdeeld Wmo en Jeugd)

2017

€ 5.129 miljoen (Wmo) en € 2.651 miljoen (onverdeeld Wmo en Jeugd)

2018

€ 5.419 miljoen (Wmo) en € 2.757 miljoen (onverdeeld Wmo en Jeugd)

2019

€ 5.930 miljoen (Wmo) en € 2.883 miljoen (onverdeeld Wmo en Jeugd)

2020

€ 6.376 miljoen (Wmo) en € 2.833 miljoen (onverdeeld Wmo en Jeugd)

Bron: CBS, op basis van gemeentelijke rekeningcijfers Iv3 (Iv3: Informatie voor derden, het format voor gemeenten op basis van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten). 2020 op basis van voorlopige cijfers.

Vraag 90

Kunt u de uitgaven vanuit de Wmo 2015 op een rij zetten van de jaren 2015 tot en met 2021?

Antwoord:

Vanwege de decentralisaties zijn per 2015 de Iv3-functies15 voor het sociaal domein gewijzigd. Een aantal nieuwe Iv3-functies betreft zowel de Wmo als Jeugd. Daarom is in de tabel voor 2015 en 2016 een bedrag «onverdeeld Wmo en Jeugd» opgenomen.

Om beter aan te sluiten bij de gemeentelijke praktijk zijn per 2017 de Iv3-functies vervangen door Iv3-taakvelden. Door de overgang naar taakvelden vertegenwoordigen de bedragen niet meer hetzelfde als tot en met 2016. Ook wordt in tegenstelling tot en met 2016 de gemeentelijke overhead niet meer door de individuele gemeenten zelf opgesplitst en toegerekend aan de verschillende Iv3-functies, maar in zijn geheel door de gemeenten op een afzonderlijk taakveld voor de totale overhead geboekt. De gemeentelijke uitgaven aan de Wmo voor het jaar 2020 zijn gebaseerd op voorlopige cijfers, voor 2021 zijn deze nog niet bekend.

Tabel:

Jaar

Uitgaven

2007

€ 2.910 miljoen (Wmo)

2008

€ 3.104 miljoen (Wmo)

2009

€ 3.322 miljoen (Wmo)

2010

€ 3.724 miljoen (Wmo)

2011

€ 3.705 miljoen (Wmo)

2012

€ 3.684 miljoen (Wmo)

2013

€ 3.501 miljoen (Wmo)

2014

€ 3.485 miljoen (Wmo)

2015

€ 4.098 miljoen (Wmo) en € 3.783 miljoen (onverdeeld Wmo en Jeugd)

2016

€ 4.121 miljoen (Wmo) en € 3.577 miljoen (onverdeeld Wmo en Jeugd)

2017

€ 5.129 miljoen (Wmo) en € 2.651 miljoen (onverdeeld Wmo en Jeugd)

2018

€ 5.419 miljoen (Wmo) en € 2.757 miljoen (onverdeeld Wmo en Jeugd)

2019

€ 5.930 miljoen (Wmo) en € 2.883 miljoen (onverdeeld Wmo en Jeugd)

2020

€ 6.376 miljoen (Wmo) en € 2.833 miljoen (onverdeeld Wmo en Jeugd)

Bron: CBS, op basis van gemeentelijke rekeningcijfers Iv3 (Iv3: Informatie voor derden, het format voor gemeenten op basis van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten). 2020 op basis van voorlopige cijfers.

Vraag 91

Hoeveel is uitgegeven aan de Wmo 2015 in de periode 2010 tot en met 2021?

Antwoord:

Vanwege de decentralisaties zijn per 2015 de Iv3-functies16 voor het sociaal domein gewijzigd. Een aantal nieuwe Iv3-functies betreft zowel de Wmo als Jeugd. Daarom is in de tabel voor 2015 en 2016 een bedrag «onverdeeld Wmo en Jeugd» opgenomen.

Om beter aan te sluiten bij de gemeentelijke praktijk zijn per 2017 de Iv3-functies vervangen door Iv3-taakvelden. Door de overgang naar taakvelden vertegenwoordigen de bedragen niet meer hetzelfde als tot en met 2016. Ook wordt in tegenstelling tot en met 2016 de gemeentelijke overhead niet meer door de individuele gemeenten zelf opgesplitst en toegerekend aan de verschillende Iv3-functies, maar in zijn geheel door de gemeenten op een afzonderlijk taakveld voor de totale overhead geboekt. De gemeentelijke uitgaven aan de Wmo voor het jaar 2020 zijn gebaseerd op voorlopige cijfers, voor 2021 zijn deze nog niet bekend.

Tabel:

Jaar

Uitgaven

2007

€ 2.910 miljoen (Wmo)

2008

€ 3.104 miljoen (Wmo)

2009

€ 3.322 miljoen (Wmo)

2010

€ 3.724 miljoen (Wmo)

2011

€ 3.705 miljoen (Wmo)

2012

€ 3.684 miljoen (Wmo)

2013

€ 3.501 miljoen (Wmo)

2014

€ 3.485 miljoen (Wmo)

2015

€ 4.098 miljoen (Wmo) en € 3.783 miljoen (onverdeeld Wmo en Jeugd)

2016

€ 4.121 miljoen (Wmo) en € 3.577 miljoen (onverdeeld Wmo en Jeugd)

2017

€ 5.129 miljoen (Wmo) en € 2.651 miljoen (onverdeeld Wmo en Jeugd)

2018

€ 5.419 miljoen (Wmo) en € 2.757 miljoen (onverdeeld Wmo en Jeugd)

2019

€ 5.930 miljoen (Wmo) en € 2.883 miljoen (onverdeeld Wmo en Jeugd)

2020

€ 6.376 miljoen (Wmo) en € 2.833 miljoen (onverdeeld Wmo en Jeugd)

Bron: CBS, op basis van gemeentelijke rekeningcijfers Iv3 (Iv3: Informatie voor derden, het format voor gemeenten op basis van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten). 2020 op basis van voorlopige cijfers.

Vraag 92

Hoeveel is bezuinigd op de Wmo 2015 in de periode 2006 tot en met 2021?

Antwoord:

Gemeenten kunnen zelf bepalen in hoeverre zij – binnen de kaders van de wet – sturen op de uitgaven van bepaalde voorzieningen. Er is geen landelijk overzicht beschikbaar van de omvang van eventuele bezuinigingen.

Vraag 93

Hoe hoog waren de uitvoeringskosten van de Wmo 2015?

Antwoord:

Gemeenten zijn niet verplicht om de uitvoeringskosten voor de Wmo 2015 apart te registreren. Het Rijk beschikt dan ook niet over deze gegevens.

Vraag 94

Hoeveel mensen maken gebruik van de Wmo 2015, in aantallen?

Antwoord:

Gemeenten bieden op grond van de Wmo 2015 een diversiteit aan algemeen toegankelijke en individuele maatwerkvoorzieningen op het terrein van de maatschappelijke ondersteuning. Er is geen landelijke registratie van het aantal mensen dat daadwerkelijk een beroep doet op deze voorzieningen. Wel zijn er ramingen van het CBS beschikbaar die een inschatting geven van het gebruik van individuele maatwerkvoorzieningen. De voorzieningen zijn uitgesplitst naar globale categorieën voorzieningen, omdat de precieze definitie van voorzieningen kan verschillen per gemeente.

Tabel:

Jaar

2017

2018

2019

20201

Totaal2

1.051.520

1.097.855

1.166.485

1.220.910

Ondersteuning thuis

282.000

311.585

316.890

322.030

Hulp bij het huishouden

398.090

390.950

439.060

496.120

Verblijf en opvang

34.055

42.530

44.965

47.775

Hulpmiddelen en diensten

694.715

724.805

757.850

771.500

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek (dataleverancier: gemeenten) Gebruik Wmo-maatwerkvoorzieningen | Gebruik | Monitor Langdurige Zorg

X Noot
1

2020 o.b.v. voorlopige cijfers.

X Noot
2

Het totaal is niet de som van de onderliggende categorieën omdat één cliënt meerdere voorzieningen kan gebruiken.

Vraag 95

Wat is de verwachte opbrengst over 2021 van de eigen bijdragen, voor zowel de Wmo 2015 als de Wlz?

Antwoord:

De verwachte opbrengst van de eigen bijdragen Wlz over 2021 wordt in de VWS-begroting 2022 geraamd op € 1.991,6 miljoen (zie pagina 172 van de ontwerpbegroting 2022). De eigen bijdragen Wmo 2015 vallen onder de verantwoordelijkheid van gemeenten. Dit betreft opbrengsten van eigen bijdragen van maatwerkvoorzieningen, algemene voorzieningen, beschermd wonen en opvang. Op dit moment bestaat er nog geen landelijk inzicht in de opbrengsten van de eigen bijdragen voor de Wmo 2015 voor 2021.

Vraag 96

Wat wordt de verwachte opbrengst in 2022 van de eigen bijdragen, voor zowel de Wmo 2015 als de Wlz?

Antwoord:

De verwachte opbrengst van de eigen bijdragen Wlz over 2022 wordt in de VWS-begroting 2022 geraamd op € 2.073,3 miljoen (zie pagina 172 van de ontwerpbegroting 2022). De eigen bijdragen Wmo 2015 vallen onder de verantwoordelijkheid van gemeenten. Dit betreft opbrengsten van eigen bijdragen van maatwerkvoorzieningen, algemene voorzieningen, beschermd wonen en opvang. Op dit moment bestaat er nog geen landelijk inzicht in de opbrengsten van de eigen bijdragen voor de Wmo 2015 voor 2022.

Vraag 97

Welke gemeenten vragen geen eigen bijdrage voor zorg en voorzieningen uit de Wmo 2015?

Antwoord:

Op grond van informatie van het CAK blijkt dat alle gemeenten eigen bijdragen vragen voor op grond van de Wmo 2015 verstrekte voorzieningen. Gemeenten kunnen er wel voor kiezen om voor bepaalde voorzieningen geen eigen bijdrage te vragen. Ook kunnen gemeenten kiezen voor minimabeleid, waarbij zij ervoor kiezen om de eigen bijdrage voor cliënten tot een bepaald bijdrageplichtig inkomen op nul te stellen. In 2021 passen 66 gemeenten minimabeleid toe.

Vraag 98

Gemeenten ontvangen jaarlijks ongeveer € 287 miljoen om zorgkosten en ondersteuning te vergoeden voor mensen die dit nodig hebben, hoeveel van dit geld is uiteindelijk gebruikt voor het bekostigen van de zorgbehoeften van de mensen die in aanmerking komen voor deze subsidie?

Antwoord:

Na de afschaffing van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) en de Compensatie eigen risico (Cer) is besloten om de fiscale aftrekmogelijkheden voor zorgkosten in aangepaste vorm voort te zetten en daarnaast via het Gemeentefonds geld ter beschikking te stellen aan gemeenten (structureel € 268 miljoen), ten behoeve van financieel maatwerk voor hun ingezetenen in verband met hun kosten van zorg en ondersteuning. Ik doe de aanname dat in de vraagstelling gedoeld wordt op deze middelen voor financieel maatwerk.

De middelen die gemeenten ontvangen voor de Wmo 2015 zijn niet geoormerkt en kunnen naar eigen inzicht worden ingezet. Er bestaat geen inzicht welk deel daadwerkelijk wordt ingezet om mensen financieel te ondersteunen ten aanzien van hun zorgkosten.

Vraag 99

Hoeveel mensen betalen een eigen bijdrage uit vermogen, uitgesplitst naar Wmo 2015 en Wlz?

Antwoord:

Onderstaande tabel geeft informatie over het aantal Wlz-cliënten en Wmo-leefeenheden in beschermd wonen waarbij vermogen een rol speelt in de berekening van de eigen bijdrage. Vanwege invoering van het abonnementstarief, speelt vermogen in de Wmo alleen nog een rol in de berekening van de eigen bijdrage voor beschermd wonen.

Aantal cliënten/leefeenheden met vermogen, peildatum oktober 2020:
 

Wlz

Wmo Beschermd Wonen

2017

70.300

1.900

2018

75.900

1.900

2019

78.800

1.800

2020

70.200

1.500

20211

66.500

200

X Noot
1

Voor 2021, het lopende kalenderjaar, is er nog geen compleet beeld bekend.

Vraag 100

Hoeveel personen hebben een volledig pakket thuis (vpt)?

Antwoord:

Volgens de uitvoeringsinformatie van het Zorginstituut hebben 15.448 personen een Volledig Pakket Thuis (vpt) op 1 juli 2021. Dit zijn de meest recente cijfers.

Vraag 101

Hoeveel personen hebben een modulair pakket thuis (mpt)?

Antwoord:

Volgens de uitvoeringsinformatie van het Zorginstituut hebben 40.665 personen een Modulair Pakket Thuis (mpt) op 1 juli 2021. Dit aantal is inclusief cliënten die overbruggingszorg krijgen. Dit zijn de meest recente cijfers.

Vraag 102

Hoe vaak wordt een vpt ingezet in het huis waar een oudere al jarenlang woont?

Antwoord:

Een vpt kan worden ingezet in het huis waar de cliënt al jarenlang woont, maar ook in een geclusterde woonvoorziening of binnen de muren van een zorginstelling. Er is geen centrale registratie van het aantal ouderen dat een vpt ontvangt in het huis waar men al jarenlang woont. Ik beschik daardoor niet over de gevraagde informatie.

Vraag 103

Hoe vaak wordt een vpt aangevraagd in een geclusterde setting?

Antwoord:

Er is geen centrale registratie van de aanvragen voor een vpt in een geclusterde setting. Er wordt ook geen uniforme definitie gehanteerd van een «geclusterde setting». Een clustering is immers denkbaar door te kijken naar adressen, objecten panden of door te kijken naar buurten. Het komt ook voor dat vpt in en pand wordt aangeboden waar ook cliënten verblijven.

Het CBS heeft op mijn verzoek bezien of meer cliënten met vpt woonachtig zijn in hetzelfde pand. Een pand is gedefinieerd als de kleinste bouwkundige eenheid die nog functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandig is, direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.

De clustering levert het onderstaande beeld op (peildatum november 2019):

   

Woonsituatie

Wlz-verblijf

 
 

Totaal vpt

Niet geclusterd

Geclusterd

Niet in Wlz-instelling

Wel in Wlz-instelling

Aantal personen

13.115

3.035

10.085

4.180

5.900

Aantal clusters

1.775

 

1.775

435

1.340

Door afronding op 5 kunnen getallen afwijken van de som der delen.

Gekozen is voor de volgende methode:

  • 1) Een cliënt heeft «niet geclusterd vpt» indien er in het pand minder dan 3 personen wonen die gebruik maken van een vpt, zonder cliënten met Wlz-verblijf.

  • 2) Een cliënt heeft «geclusterd vpt, niet in instelling» indien er in het pand 3 of meer personen wonen met een vpt, zonder cliënten met Wlz-verblijf.

  • 3) Een cliënt heeft «geclusterd vpt, wel in een instelling» indien er in het pand ten minste 1 persoon met een vpt woont en minimaal 1 persoon met Wlz-verblijf.

U treft alle gegevens en een toelichting aan op: Geclusterd wonen onder personen met een volledig pakket thuis (vpt), 2019 | Maatwerk publicatie | Monitor Langdurige Zorg

Vraag 104

Hoe vaak wordt een mpt ingezet in het huis waar een oudere al jarenlang woont?

Antwoord:

Een mpt kan worden ingezet in het huis waar de cliënt al jarenlang woont, maar ook in een geclusterde woonvoorziening. Er is geen centrale registratie van het aantal ouderen dat een mpt ontvangt in het huis waar men al jarenlang woont. Ik beschik daardoor niet over de gevraagde informatie.

Vraag 105

Hoe vaak wordt een mpt aangevraagd in een geclusterde setting?

Antwoord:

Er is geen centrale registratie van de aanvragen voor een mpt in een geclusterde setting. Er wordt ook geen uniforme definitie gehanteerd van een «geclusterde setting». Ik beschik daardoor niet over de gevraagde informatie.

Vraag 106

Welk percentage van de vpt’s wordt gebruikt op locaties die feitelijk een onofficiële instelling zijn?

Antwoord:

Een vpt kan worden ingezet in diverse situaties. Een cliënt kan een vpt ontvangen in het huis waar hij al jarenlang woont. Ook is het mogelijk dat zorg via een vpt wordt verleend in een complex met geclusterde woonvoorzieningen of binnen de muren van een zorginstelling. Er is geen centrale registratie van de locaties waarop cliënten een vpt ontvangen. Ik beschik daardoor niet over de gevraagde informatie.

Vraag 107

Welk percentage van de mpt’s wordt gebruikt op locaties die feitelijk een onofficiële instelling zijn?

Antwoord:

Een mpt kan worden ingezet in diverse situaties. Een cliënt kan een mpt ontvangen in het huis waar hij al jarenlang woont. Ook is het mogelijk dat zorg via een mpt wordt verleend in een complex met geclusterde woonvoorzieningen. Er is geen centrale registratie van de locaties waarop cliënten een mpt ontvangen. Ik beschik daardoor niet over de gevraagde informatie.

Vraag 108

Hoeveel budget wordt besteed aan de mpt’s?

Antwoord:

In 2020 is een bedrag van circa € 1,1 miljard besteed aan mpt in de Wlz. Dit bedrag is gebaseerd op de declaratiecijfers die de zorgkantoren over het jaar 2020 hebben aangeleverd bij Vektis.

Vraag 109

Hoeveel budget wordt besteed aan de vpt’s?

Antwoord:

In 2020 is een bedrag van circa € 820 miljoen besteed aan vpt in de Wlz. Dit bedrag is gebaseerd op de declaratiecijfers die de zorgkantoren over het jaar 2020 hebben aangeleverd bij Vektis.

Vraag 110

Hoeveel mensen zijn hun zorg vanuit de Wmo 2015 kwijtgeraakt, uitgesplitst per gemeente?

Antwoord:

De Wmo 2015 is een kaderwet die gemeenten opdraagt beleid te voeren op het gebied van maatschappelijke ondersteuning. Er is dan ook geen landelijk beeld van de gevraagde gegevens.

Vraag 111

Hoeveel gemeenten hebben tot nu toe hun Wmo-beleid aangepast conform de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep? Welke gemeenten hebben hun beleid nog niet aangepast?

Antwoord:

Ik heb geen inzicht in het aantal gemeenten dat hun beleid conform de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) al dan niet heeft aangepast.

In vervolg op de uitspraken van de CRvB heb ik gemeenten, die klachten en bezwaren tegen beschikken op resultaat ontvangen, in mijn brief van 12 april 201917 opgeroepen om samen met de cliënt te zoeken naar een oplossing die past bij de lokale uitgangspunten en tevens recht doet aan de uitspraken van de hoogste bestuursrechter. Verder acht ik het raadzaam dat gemeenten hun lokale beleid en uitvoering al zoveel mogelijk in lijn brengen met de voorgenomen wetswijziging en al datgene doen om de rechtszekerheid van hun cliënten in de praktijk te borgen.

Vraag 112

Met hoeveel procent is de bureaucratie in de Wmo 2015 toegenomen? Welk bedrag is hiermee gemoeid?

Antwoord:

Op landelijk niveau zijn geen gegevens beschikbaar over het percentage en de kosten van bureaucratie in de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Het Kabinet zet zich wel in om de bureaucratie in de uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet te verminderen. Onder de vlag van het programma (Ont)Regel de Zorg worden diverse activiteiten ondernomen die bijdragen aan het verminderen van de bureaucratie in het sociaal domein. Bijvoorbeeld door het verbeteren van het proces rondom inkoop en verantwoording door het ketenbureau i-sociaal domein of het organiseren van schrapsessies voor hulpverleners.

In de brief van 14 december 2020 bent u geïnformeerd over de laatste stand van zaken bij de aanpak van de administratieve lasten in de uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet (Tweede Kamer, vergaderjaar 2020–2021, 29 515, nr. 452).

Vraag 113

Met hoeveel procent is de bureaucratie toegenomen na de decentralisaties naar de gemeenten, uitgesplitst naar Wmo 2015 en Jeugdwet? Hoe hoog waren de kosten hiervan, uitgesplitst naar Wmo 2015 en Jeugdwet?

Antwoord:

Op landelijk niveau zijn geen gegevens beschikbaar over het percentage en de kosten van bureaucratie in de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Het Kabinet zet zich wel in om de bureaucratie in de uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet te verminderen. Onder de vlag van het programma (Ont)Regel de Zorg worden diverse activiteiten ondernomen die bijdragen aan het verminderen van de bureaucratie in het sociaal domein. Bijvoorbeeld door het verbeteren van het proces rondom inkoop en verantwoording door het ketenbureau i-sociaal domein of het organiseren van schrapsessies voor hulpverleners.

In de brief van 14 december 2020 bent u geïnformeerd over de laatste stand van zaken bij de aanpak van de administratieve lasten in de uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet (Tweede Kamer, vergaderjaar 2020–2021, 29 515, nr. 452).

Vraag 114

Op welke wijze hebben de gemeenten het toezicht op de Wmo-zorg georganiseerd? Wie is per gemeente de toezichthouder?

Antwoord:

Gemeenten zijn verplicht om op grond van artikel 6.1 van de Wmo2015 een toezichthouder aan te wijzen. Uit de jaarrapportage 2020 van de Inspectie Jeugd en Gezondheidszorg (IGJ) is gebleken dat bijna iedere gemeente een toezichthouder heeft aangewezen. Gemeenten hebben op verschillende wijzen invulling gegeven aan de organisatie van het Wmo-toezicht. Ik beschik niet over een overzicht per gemeente, maar kan wel aangeven welke organisatievormen in de uitvoeringspraktijk zijn ontwikkeld. Een groep gemeenten heeft toezicht zelf georganiseerd, een groep gemeenten heeft het Wmo-toezicht georganiseerd bij de regionale GGD en in enkele gevallen zijn samenwerkingsverbanden opgezet voor het Wmo-toezicht.

De IGJ heeft in 2020 geconcludeerd dat de wijze waarop gemeenten het Wmo-toezicht invullen te traag is en dat het toezicht op lokaal niveau nog niet op orde is. Hierover heb ik uw Kamer op 9 december 2020 geïnformeerd18 en tevens mijn voornemen kenbaar gemaakt een verkenning uit te voeren naar de standaardisatie van het Wmo-toezicht. In opdracht van het Ministerie van VWS voert onderzoeksbureau Significant momenteel een onderzoek uit naar het Wmo-toezicht. VNG, GGD GHOR, de IGJ en Toezicht Sociaal Domein (TSD) zijn betrokken bij de uitvoering van het onderzoek. Naar verwachting wordt het onderzoek eind 2021 afgerond. Het is aan een volgend kabinet om de vervolgstappen te bepalen.

Vraag 115

Hoeveel mensen maken gebruik van de Wmo 2015, uitgesplitst in thuiszorg, dagbesteding, begeleiding, beschermd wonen en hulpmiddelen (en/of een combinatie hiervan)?

Antwoord:

Gemeenten bieden op grond van de Wmo 2015 een diversiteit aan algemeen toegankelijke en individuele maatwerkvoorzieningen op het terrein van de maatschappelijke ondersteuning. Er is geen landelijke registratie van het aantal mensen dat daadwerkelijk een beroep doet op deze voorzieningen. Wel zijn er ramingen van het CBS beschikbaar die een inschatting geven van het gebruik van individuele maatwerkvoorzieningen. De voorzieningen zijn uitgesplitst naar globale categorieën voorzieningen, omdat de precieze definitie van voorzieningen kan verschillen per gemeente.

Tabel:

Jaar

2017

2018

2019

20201

Totaal2

1.051.520

1.097.855

1.166.485

1.220.910

Ondersteuning thuis

282.000

311.585

316.890

322.030

Hulp bij het huishouden

398.090

390.950

439.060

496.120

Verblijf en opvang

34.055

42.530

44.965

47.775

Hulpmiddelen en diensten

694.715

724.805

757.850

771.500

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek (dataleverancier: gemeenten) Gebruik Wmo-maatwerkvoorzieningen | Gebruik | Monitor Langdurige Zorg

X Noot
1

2020 o.b.v. voorlopige cijfers

X Noot
2

Het totaal is niet de som van de onderliggende categorieën omdat één cliënt meerdere voorzieningen kan gebruiken

Vraag 116

Hoe ziet de verdeelsleutel eruit voor de uitkering in het gemeentefonds van gemeenten voor de Wmo 2015, dagbesteding, begeleiding, beschermde woonvormen en de jeugdzorg?

Antwoord:

De middelen die gemeenten ontvangen voor de uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet worden verstrekt via verschillende verdeelmodellen. De middelen die gemeenten ontvangen via de decentralisatie-uitkeringen maatschappelijke opvang en vrouwenopvang, en via de algemene uitkering, worden objectief verdeeld. Dit betekent dat het budget wordt verdeeld op grond van de objectieve structuurkenmerken (demografisch, sociaaleconomisch, gezondheid, fysiek en (sociaal-)geografisch) van de gemeenten. Voor het budget dat gemeenten ontvangen voor beschermd wonen geldt dat dit momenteel wordt verdeeld op basis van historische kosten. Volgens de huidige planning zal in 2023 een deel van de middelen voor beschermd wonen voor het eerst objectief worden verdeeld.

Vraag 117

Wat kost de Wmo 2015 jaarlijks, uitgesplitst in huishoudelijke verzorging, dagbesteding, beschermd wonen, vervoer en hulpmiddelen?

Antwoord:

De gemeenten leveren via het Iv3-systeem (informatie voor derden) informatie aan over hun begroting en hun daadwerkelijke gerealiseerde uitgaven. Het Iv3-systeem kent een sterk geaggregeerd niveau en overlap met andere gemeentelijke taken, waardoor de gevraagde uitsplitsing op landelijk niveau niet kan worden gemaakt.

Vraag 118

Hoeveel personen maken gebruik van vervoer van en naar dagbesteding in de Wmo 2015 en in de Wlz?

Antwoord:

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor een passend aanbod aan voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning. Ik beschik niet over een landelijke registratie van het aantal personen dat gebruik maakt van vervoer van en naar dagbesteding in de Wmo.

Volgens gegevens van het CBS zijn er de Wlz op jaarbasis ca. 64.000 unieke personen op jaarbasis waarvoor een vervoersprestatie is gedeclareerd. Dit aantal bevat zowel cliënten die zijn opgenomen, maar op een andere locatie dagbesteding of dagbehandeling ontvangen als thuiswonende cliënten waarvoor de instelling het vervoer van- en naar de dagbesteding of dagbehandeling regelt. Ook zijn cliënten zonder Wlz-indicatie meegenomen die dagbehandeling ontvingen via de Wlz-subsidieregeling.

Jaar

Totaal

Sector

ggz

ghz

vv

2019

64.225

25

45.615

18.670

2020

63.600

45

45.225

18.405

De tabel en toelichting hierop treft u aan op: https://www.monitorlangdurigezorg.nl/publicaties/maatwerk-publicaties/2021/10/05/personen-met-een-declaratie-voor-een-wlz-vervoersprestatie-2015–2020

Vraag 119

Hoeveel mensen maken gebruik van begeleiding?

Antwoord:

Op dit detailniveau zijn er geen cijfers bekend, zie verder vraag 94.

Vraag 120

Hoeveel mensen maken gebruik van begeleiding in combinatie met persoonlijke verzorging?

Antwoord:

Op dit detailniveau zijn er geen cijfers bekend, zie verder vraag 94.

Vraag 121

Hoeveel bezwaren zijn in 2020 en 2021 ingediend tegen besluiten van de gemeenten betreffende de Wmo 2015?

Antwoord:

Op landelijk niveau zijn geen gegevens beschikbaar over het aantal bezwaren dat is ingediend tegen besluiten van gemeenten uit hoofde van de Wmo 2015.

Vraag 122

Hoeveel rechtszaken zijn in 2020 en 2021 gevoerd tegen besluiten van de gemeenten betreffende de Wmo 2015?

Antwoord:

Informatie van de Raad voor de Rechtspraak geeft het volgende beeld.

In deze cijfers zijn zowel bodemprocedures als voorlopige voorzieningen opgenomen en ook enkele zaken tegen een andere partij dan een gemeente (zoals een zorgkantoor of zorgverzekeraar). De uitspraken van de Centrale Raad van Beroep in Wmo 2015-zaken zijn hierin niet opgenomen.

Jaar

Aantal zaken waarin rechter uitspraak heeft gedaan

2020

1.217

2021 t/m juni

554

Vraag 123

Hoeveel mensen hebben het afgelopen jaar afgezien van zorg vanuit de Wmo 2015, omdat ze dit niet meer kunnen betalen?

Antwoord:

Hoeveel mensen afzien van ondersteuning vanuit de Wmo 2015 door de eigen bijdrage is onbekend. Het Rijk beschikt niet over deze gegevens.

Vraag 124

Hoeveel Wmo-regio’s (groepen gemeenten die gezamenlijk de zorg inkopen) zijn er?

Antwoord:

Er is geen (landelijk) vastgestelde regio-indeling voor de uitvoering van de Wmo. Voor Maatschappelijke Opvang en Beschermd Wonen bestaan er op dit moment 43 samenwerkingsverbanden. Voor voorzieningen van vrouwenopvang zijn er 35 centrumgemeenten. Er zijn daarnaast 26 Veilig Thuis-organisaties, die tezamen een landelijk dekkend netwerk vormen en nauw samenwerken met de Veiligheidsregio’s.

Vraag 125

Hoeveel gemeenten zijn door u op de vingers getikt omdat zij Wmo-beleid uitvoerden dat in strijd met de wetgeving is en was over de jaren 2020 en 2021? Welke gemeenten waren dit en waarom?

Antwoord:

In 2020 en 2021 zijn, in het kader van interbestuurlijk toezicht, gesprekken gevoerd met de volgende gemeenten: Amsterdam, Hollands Kroon, Krimpen aan den IJssel, Laren, Leusden, Peel en Maas, Oisterwijk en Voorschoten. Met alle gemeenten is gesproken over het lokale beleid dat gemeenten voeren ten aanzien van Hulp bij het Huishouden. Tot op heden heeft dit nog niet geleid tot het opleggen van maatregelen zoals de vernietiging van de lokale besluitvorming.

In het geval van de gemeenten Krimpen aan den IJssel en Leusden is geconstateerd dat zij in strijd met de Wmo2015 handelen. Op 22 juli 2021 heb ik beide gemeenten een brief gestuurd om het lokale beleid voor 15 oktober in overeenstemming te brengen met de Wmo2015 en mij te informeren over de uitkomst van hun besluit. Indien zij dit niet doen dan beraad ik mij op de inzet van het vervolg van de interventieladder in het kader van het interbestuurlijk toezicht. Hiervoor heb ik uw Kamer geïnformeerd op 17 augustus (voetnoot: Kamerstukken II, nr. 3780, 2020/2021).

Vraag 126

Hoeveel verordeningen zijn in 2021 vernietigd inzake de Wmo 2015?

Antwoord:

In 2021 zijn geen verordeningen voorgedragen voor vernietiging.

Vraag 127

Hoeveel is bezuinigd op de huishoudelijke verzorging vanaf 2006 tot en met 2021?

Antwoord:

Gemeenten kunnen zelf bepalen in hoeverre zij – binnen de kaders van de wet – sturen op de uitgaven van bepaalde voorzieningen. Er is geen landelijk overzicht beschikbaar van de omvang van eventuele bezuinigingen.

Vraag 128

Wat zijn de minimumtarieven die gehanteerd mogen worden voor huishoudelijke verzorging?

Antwoord:

Er zijn geen landelijke minimumtarieven voor huishoudelijke verzorging op grond van de Wmo 2015. Op grond van de Wmo 2015 moeten gemeenten een reëel tarief vaststellen voor de gecontracteerde dienstverlening (waaronder huishoudelijke verzorging). Hierbij dienen gemeenten op grond van het Besluit reële prijs lokaal in kaart te brengen met welke kosten aanbieders vanuit de gestelde gemeentelijke kwaliteitseisen te maken hebben en daar hun tarief op te baseren.

Vraag 129

Welke gemeenten hanteren nog steeds te lage tarieven voor huishoudelijke verzorging?

Antwoord:

Ik beschik niet over de gevraagde informatie. Op grond van de Wmo 2015 moeten gemeenten een reëel tarief vaststellen voor de gecontracteerde dienstverlening (waaronder huishoudelijke verzorging). Hierbij dienen gemeenten op grond van het Besluit reële prijs lokaal in kaart te brengen met welke kosten aanbieders vanuit de gestelde gemeentelijke kwaliteitseisen te maken hebben en daar hun tarief op te baseren. Het is primair aan de gemeenteraad om het college van burgemeester en wethouders te controleren op een juiste uitvoering van de wettelijke eisen ten aanzien van de vastgestelde tarieven.

Vraag 130

Hoeveel mensen zijn gekort in hun uren huishoudelijke verzorging, uitgesplitst per gemeente?

Antwoord:

Op grond van de Wmo 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk om zorgbehoevende inwoners de zorg en ondersteuning te bieden die passend is bij de specifieke situatie van deze persoon. Ik beschik niet over de gevraagde informatie, omdat er geen landelijke registratie plaatsvindt.

Vraag 131

Hoeveel mensen maken gebruik van huishoudelijke verzorging?

Antwoord:

Gemeenten bieden op grond van de Wmo 2015 een diversiteit aan algemeen toegankelijke en individuele maatwerkvoorzieningen op het terrein van de maatschappelijke ondersteuning. Er is geen landelijke registratie van het aantal mensen dat daadwerkelijk een beroep doet op deze voorzieningen. Wel zijn er ramingen van het CBS beschikbaar die een inschatting geven van het gebruik van individuele maatwerkvoorzieningen. De voorzieningen zijn uitgesplitst naar globale categorieën voorzieningen, omdat de precieze definitie van voorzieningen kan verschillen per gemeente.

Tabel:

Jaar

2017

2018

2019

20201

Totaal2

1.051.520

1.097.855

1.166.485

1.220.910

Ondersteuning thuis

282.000

311.585

316.890

322.030

Hulp bij het huishouden

398.090

390.950

439.060

496.120

Verblijf en opvang

34.055

42.530

44.965

47.775

Hulpmiddelen en diensten

694.715

724.805

757.850

771.500

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek (dataleverancier: gemeenten) Gebruik Wmo-maatwerkvoorzieningen | Gebruik | Monitor Langdurige Zorg

X Noot
1

2020 o.b.v. voorlopige cijfers

X Noot
2

Het totaal is niet de som van de onderliggende categorieën omdat één cliënt meerdere voorzieningen kan gebruiken

Vraag 132

Kunt u de uitgaven van de dagbesteding en begeleiding op een rij zetten over de jaren 2015 tot en met 2021?

Antwoord:

De uitgaven voor dagbesteding en begeleiding maken onderdeel uit van de totale uitgaven aan de Wmo. In het antwoord op vraag 89 zijn de totale uitgaven aan de Wmo op een rij gezet voor de jaren 2007 t/m 2020. Gemeenten leveren via het Iv3-systeem (informatie voor derden) informatie aan over hun begroting en hun daadwerkelijke gerealiseerde uitgaven. Dit Iv3-systeem kent een sterk geaggregeerd niveau en overlap met andere gemeentelijke taken, waardoor het gevraagde inzicht voor alleen dagbesteding en begeleiding niet kan worden gegeven.

Vraag 133

Hoeveel dagbestedingslocaties zijn er? Hoeveel dagbestedingslocaties zijn gesloten sinds 2015?

Antwoord:

Het aantal locaties waar dagbesteding wordt aangeboden wordt niet op landelijk niveau bijgehouden. Ook het aantal dagbestedingslocaties dat sinds 2015 is gesloten is niet landelijk bekend.

Vraag 134

Hoeveel mensen maken gebruik van dagbesteding?

Antwoord:

Op dit detailniveau zijn geen cijfers bekend, zie verder het antwoord op vraag 115.

Vraag 135

Hoeveel personen maken gebruik van Valysvervoer, leerlingenvervoer en zittend ziekenvervoer?

Antwoord:

Valys:

Uit de meest recente beschikbare gegevens blijkt dat er 371.026 Valys-pashouders zijn. Hiervan hebben 7.792 een hoog Persoonlijk Kilometerbudget (Bron: Kengegevens Valys augustus 2021).

Niet alle Valys-pashouders zijn actief. Er zijn ongeveer 125.000 actieve pashouders.

Leerlingenvervoer:

Het leerlingenvervoer valt onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Uit de meest recente monitor leerlingenvervoer Nederland die in juni 2018 is gepubliceerd blijkt dat in het schooljaar 2016/17 70.000 leerlingen gebruik maakten van een vervoersvoorziening. Het gaat hierbij om leerlingen in het primair, voortgezet onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs.

Ziekenvervoer:

Het aantal gebruikers van het ziekenvervoer is in de afgelopen jaren stabiel gebleven. Sinds 2015 zijn het er ongeveer 90.000 per jaar (Bron: Zorginstituut NL). Alleen in 2020 zijn de aantallen teruggevallen, naar verwachting ongeveer naar 80.000. Waarschijnlijk heeft dit te maken met COVID-19.

Vraag 136

Hoeveel klachten en bezwaren heeft Valys in 2021 ontvangen en hoe verhoudt zich dit tot voorgaande jaren? Is hierin een trend waarneembaar?

Antwoord:

Uit de meest recent beschikbare gegevens (over het eerste en tweede kwartaal van 2021), blijkt dat er in 2021 over het eerste en tweede kwartaal 1.028 klachten ontvangen zijn, waarvan 777 gegrond zijn verklaard. In deze periode hebben 264.595 ritten plaatsgevonden.

De afgelopen jaren (2016, 2017, 2018 en 2019 en 2020) zijn er in totaal 24.788 klachten ontvangen. Deze zijn allen afgehandeld. Zie onderstaande tabel voor een overzicht van het aantal klachten, het aantal gegrond verklaarde klachten en het aantal klagers dat in beroep is gegaan.

 

Aantal ritten

Aantal klachten

Gegrond verklaard

In beroep

2016

965.334

5.018

4.314

4

2017

958.287

5.847

5.153

2

2018

998.429

7.054

6.523

1

2019

1.067.113

4.914

4.139

0

2020

499.263

1.955

1.542

0

Er is geen duidelijke trend waarneembaar. Veruit het grootste deel van de klachten (zowel gegrond als ongegrond) gaat over de ophaal- of aankomsttijd en over de reistijd. Daarnaast gaat een groot aantal klachten over het combineren van ritten. VWS heeft regelmatig overleg met de aanbieder om de klachten en (het verbeteren van) de kwaliteit van de dienstverlening te bespreken.

Tot slot dient vermeld dat de jaren 2020 en 2021 een afwijkend beeld geven in absoluut aantal ritten en klachten. Dat valt te verklaren doordat er veel minder ritten hebben plaatsgevonden door de verschillende coroamaatregelen.

Vraag 137

Kunt u de uitgaven ten behoeve van beschermd wonen in een overzicht op een rij zetten over de jaren 2015 tot en met 2021?

Antwoord:

De uitgaven voor beschermd wonen maken deel uit van de totale uitgaven aan de Wmo. Gemeenten leveren via het Iv3-systeem (informatie voor derden) informatie aan over hun begroting en hun daadwerkelijk gerealiseerde uitgaven. Dit Iv3-systeem kent een sterk geaggregeerd niveau en overlap met andere gemeentelijke taken, waardoor het gevraagde inzicht voor alleen beschermd wonen niet kan worden gegeven. Wel kan worden gemeld dat het budget voor beschermd wonen apart via de integratie-uitkering beschermd wonen aan de centrumgemeenten wordt verstrekt.

Jaar

Uitgekeerd budget

2015

€ 1,4 miljard

2016

€ 1,4 miljard

2017

€ 1,5 miljard

2018

€ 1,6 miljard

2019

€ 1,8 miljard

2020

€ 1,9 miljard

2021

€ 1,5 miljard1

X Noot
1

Dit budget is lager dan in 2020 vanwege de openstelling van de Wet langdurige zorg (Wlz) voor mensen met een psychische stoornis per 1 januari 2021

Beschermd wonen wordt separaat benoemd omdat dit budget – in tegenstelling tot de overige onderdelen van de oude integratie-uitkering Sociaal domein deel Wmo 2015 – nog niet is overgeheveld naar de algemene uitkering van het gemeentefonds.

Vraag 138

Hoeveel is bezuinigd op het budget van beschermde woonvormen vanaf 2015 tot en met 2021?

Antwoord:

Er is geen sprake van bezuinigingen op het budget van beschermde woonvormen. Zie verder het antwoord op vraag 137.

Vraag 139

Hoeveel is bezuinigd op dan wel geïnvesteerd in beschermde woonvormen? Kunt u een overzicht geven van de afgelopen jaren?

Antwoord:

De uitgaven voor beschermd wonen maken deel uit van de totale uitgaven aan de Wmo. Gemeenten leveren via het Iv3-systeem (informatie voor derden) informatie aan over hun begroting en hun daadwerkelijk gerealiseerde uitgaven. Dit Iv3-systeem kent een sterk geaggregeerd niveau en overlap met andere gemeentelijke taken, waardoor het gevraagde inzicht voor alleen beschermd wonen niet kan worden gegeven. Wel kan worden gemeld dat het budget voor beschermd wonen apart via de integratie-uitkering beschermd wonen aan de centrumgemeenten wordt verstrekt.

Jaar

Uitgekeerd budget

2015

€ 1,4 miljard

2016

€ 1,4 miljard

2017

€ 1,5 miljard

2018

€ 1,6 miljard

2019

€ 1,8 miljard

2020

€ 1,9 miljard

2021

€ 1,5 miljard1

X Noot
1

Dit budget is lager dan in 2020 vanwege de openstelling van de Wet langdurige zorg (Wlz) voor mensen met een psychische stoornis per 1 januari 2021

Beschermd wonen wordt separaat benoemd omdat dit budget – in tegenstelling tot de overige onderdelen van de oude integratie-uitkering Sociaal domein deel Wmo 2015 – nog niet is overgeheveld naar de algemene uitkering van het gemeentefonds.

Vraag 140

Hoe groot zijn de tekorten op beschikbare plekken in beschermde woonvormen?

Antwoord:

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het bieden van beschermde woonvormen aan mensen die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Zij zijn verantwoordelijk voor het inkopen van voldoende plekken, passend bij wat in hun regio noodzakelijk is. Het aantal beschikbare plekken kan daarmee fluctueren. Er is geen centrale registratie van de beschikbare plekken in beschermde woonvormen en dus ook niet van eventuele tekorten op beschikbare plekken.

In 2020 heb ik samen met de VNG een onderzoek laten uitvoeren naar wachtlijsten en wachttijden in beschermd wonen.19 De insteek van het onderzoek was om enerzijds inzicht te krijgen in de wachttijden en -lijsten beschermd wonen (kwantitatief) en anderzijds om een beter beeld te krijgen van oorzaken die ten grondslag liggen aan wachtlijsten en mogelijke oplossingsrichtingen (kwalitatief). Het onderzoek bevat gegevens uit 2017, 2018 en 2019. Uit het onderzoek blijkt dat een groot deel van de centrumgemeenten te maken heeft met omvangrijke wachtlijsten voor beschermd wonen die bovendien een structureel karakter lijken te hebben. De cijfers zijn echter lastig onderling te vergelijken en tevens zijn veel uiteenlopende oorzaken voor het ontstaan van wachtlijsten en wachttijden gevonden. Verschillende ontwikkelingen in de GGZ, zoals de openstelling van de Wet langdurige zorg (Wlz) voor mensen met een psychische stoornis per 1 januari 2021 en de voorgenomen doordecentralisatie van beschermd wonen zullen naar verwachting een effect hebben op de omvang en samenstelling van de wachtlijsten beschermd wonen.

Vraag 141

Hoeveel mensen wonen in een beschermde woonvorm?

Antwoord:

Naar schatting wonen in 2020 ruim 38.000 mensen in een beschermende woonvorm.

Vanwege de openstelling van de Wet langdurige zorg (Wlz) voor mensen met een psychische stoornis per 1 januari 2021, neemt het aantal mensen met een arrangement voor beschermd wonen onder de Wmo 2015 in 2021 met ongeveer 13.000 af.

Vraag 142

Kunt u een overzicht geven van de totale uitgaven in de verpleeghuiszorg, vanaf 2010 tot en met 2021?

Antwoord:

Onderstaand treft u de uitgaven van de intramurale verpleeghuiszorg vanaf 2010 tot en met 2021.

Intramurale verpleeghuiszorg (Wlz) 2010 – 2020 (bedragen x € 1 miljard)

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

7,4

7,7

8,7

8,4

8,6

8,5

8,8

9,2

10,1

11,7

12,7

13,8

Bron: VWS-cijfers

Vraag 143

Kunt u een overzicht geven van alle plussen en minnen inzake de verpleeghuiszorg?

Antwoord:

De middelen voor de verpleeghuiszorg nemen in 2022 ten opzichte van 2021 toe met circa € 0,4 miljard. Deze stijging komt voornamelijk voort uit groeiruimte. Hier staan geen minnen tegenover. Naast de extra middelen zal het totale budget bij Voorjaarsnota 2022 worden geïndexeerd voor loon- en prijsontwikkelingen.

Vraag 144

Hoeveel mensen wonen in een verpleeghuis?

Antwoord:

Op 1 juli 2021 maken 116.725 mensen gebruik van intramurale verpleeghuiszorg (zorgprofiel VV4-VV10). Dit aantal is afgeleid uit de uitvoeringsinformatie van het Zorginstituut. Dit zijn de meest recente cijfers.

Vraag 145

Wat is het verschil aan zorgkosten indien iemand nog thuis woont in vergelijking met de kosten van het wonen in een verpleeghuis?

Antwoord:

In dit antwoord vergelijken wij het verschil aan zorgkosten voor cliënten met een Wlz-indicatie voor verpleeghuiszorg die intramuraal zijn opgenomen in een verpleeghuis op basis van een zzp inclusief behandeling met cliënten die thuis wonen en zorg ontvangen op basis van een volledig pakket thuis (vpt) of modulair pakket thuis (mpt).

Gemiddeld bedragen de kosten per verpleeghuiscliënt in 2021 op jaarbasis afgerond € 111.000. Dat is € 304 per dag. Dit zijn de gemiddelde kosten voor cliënten die intramuraal verblijven op basis van een zzp V&V 4 t/m 10 inclusief behandeling. Bij dit bedrag is rekening gehouden met de extra middelen vanuit het kwaliteitsbudget verpleeghuiszorg.

Gemiddeld bedragen de kosten per thuiswonende cliënt met een vpt V&V 4 t/m 10 exclusief behandeling afgerond € 75.000. Dat is € 205 per dag. Het verschil tussen de zorgkosten indien iemand thuis woont met een vpt in vergelijking met de kosten van het wonen in een verpleeghuis bedraagt aldus op jaarbasis circa € 36.000.

Gemiddelde bedroegen de kosten per thuiswonende cliënt met een V&V-indicatie in 2019 circa € 24.200 op jaarbasis voor een mpt. Cijfers over 2021 zijn nog niet bekend. Uitgaande van de gemiddelde loonprijsontwikkeling zou het bedrag van € 24.200 uit 2019 kunnen zijn gestegen naar circa € 25.700. Het verschil tussen de zorgkosten indien iemand thuis woont met een mpt in vergelijking met de kosten van het wonen in een verpleeghuis bedraagt aldus op jaarbasis circa € 77.300.

De verschillen in kosten tussen de verschillende leveringsvormen laten zich verklaren door kosten van huisvesting en maaltijden, medische basiszorg en 24- uurs toezicht, die onderdeel zijn van de intramurale Wlz-zorg. Daarnaast zijn er verschillen in zorgzwaarte tussen de verpleeghuispopulatie en de Wlz-cliënten die nog niet zijn opgenomen.

Vraag 146

Hoeveel kost een verpleegdag in een verpleeghuis?

Antwoord:

De kosten van een verpleegdag in een verpleeghuis zijn afhankelijk van het zorgprofiel van de cliënt. In de tabel bij antwoord 214 zijn de maximumtarieven voor de zzp’s per zorgprofiel opgenomen. Gemiddeld komen de kosten per verpleeghuiscliënt in 2021 uit op afgerond € 111.000. Dat is € 304 per dag. Dit zijn de gemiddelde kosten voor cliënten die intramuraal verblijven op basis van een zzp V&V 4 t/m 10 inclusief behandeling. Bij dit bedrag is rekening gehouden met de extra middelen vanuit het kwaliteitsbudget verpleeghuiszorg. De bedragen zijn afgeleid van de declaraties die zorgkantoren over de eerste helft van 2021 bij Vektis hebben aangeleverd.

Vraag 147

Kunt u een overzicht geven hoeveel commerciële aanbieders van verpleeghuiszorg via een bv-constructie winst uitkeren?

Antwoord:

De NZa brengt jaarlijks de Informatiekaart «Concentraties in de zorg» uit. In deze informatiekaart De NZa brengt jaarlijks de Informatiekaart «Concentraties in de zorg» uit. In deze informatiekaart staan geen absolute aantallen private equity organisaties, die betrokken zijn bij de ouderenzorg, maar wel in hoeverre zij een rol spelen bij concentraties (fusies en degelijke). In 2020 was dat bij 12 van de 51 concentraties in de langdurige zorg (verpleeghuiszorg, gehandicaptenzorg en langdurige ggz) het geval. In de sector langdurige zorg spelen private equity partijen vooral een rol bij zorgorganisaties die zijn gericht op exclusieve woonzorg.

Vraag 148

Hoe verandert de verhouding tussen het aantal ouderen dat thuis blijft wonen en het aantal ouderen dat in een verpleeghuis woont?

Antwoord:

De laatste decennia is er sprake van een trend waarbij ouderen langer zelfstandig blijven wonen. We zien een relatieve daling van het aantal ouderen dat in het verpleeghuis woont ten opzichte van het percentage dat thuis blijft wonen. In 1998 woonde 24,9% van de 80-plussers in institutionele woonvormen waaronder verpleeghuizen (bron: CBS). In 2020 is dat 11,5% van de 80-plussers.

De komende jaren zal het aantal ouderen flink toenemen. Het aantal personen in de bevolking van 80 jaar of ouder neemt naar verwachting toe van ongeveer 0,8 miljoen in 2019 tot ongeveer 1,6 miljoen in 2040 (zie: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2019/51/prognose-19-miljoen-inwoners-in-2039). In welke mate ook het aandeel van de ouderen dat thuis blijft wonen zal stijgen, is niet geheel duidelijk. Ik verwijs u naar de analyses uit het TNO-rapport Prognose capaciteitsontwikkeling verpleeghuiszorg fase II, dat ik u heb toegestuurd op 24 augustus jl (Kamerstukken 31 765, nr. 515) en mijn reactie hierop van 21 september (Kamerstukken 31 765, nr. 517). Aannemelijk is dat als er nieuwe woonvormen tot stand komen, er meer alternatieven voor verpleeghuisopname ontwikkeld kunnen worden. Dit kan binnen de Wlz leiden een verdere verschuiving van verblijf naar extramurale leveringsvormen zoals het VPT, MPT en pgb.

Vraag 149

Hoe groot is de toename van het aantal ouderen dat een beroep zal doen op de verpleeghuiszorg in vergelijking met de groep ouderen die thuis woont? Zal die verhouding veranderen?

Antwoord:

De laatste decennia is er sprake van een trend waarbij ouderen langer zelfstandig blijven wonen. We zien een relatieve daling van het aantal ouderen dat in het verpleeghuis woont ten opzichte van het percentage dat thuis blijft wonen. In 1998 woonde 24,9% van de 80-plussers in institutionele woonvormen waaronder verpleeghuizen (bron: CBS). In 2020 is dat 11,5% van de 80-plussers.

De komende jaren zal het aantal ouderen flink toenemen. Het aantal personen in de bevolking van 80 jaar of ouder neemt naar verwachting toe van ongeveer 0,8 miljoen in 2019 tot ongeveer 1,6 miljoen in 2040 (zie: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2019/51/prognose-19-miljoen-inwoners-in-2039). In welke mate ook het aandeel van de ouderen dat thuis blijft wonen zal stijgen, is niet geheel duidelijk. Ik verwijs u naar de analyses uit het TNO-rapport Prognose capaciteitsontwikkeling verpleeghuiszorg fase II, dat ik u heb toegestuurd op 24 augustus jl (Kamerstukken 31 765, nr. 515) en mijn reactie hierop van 21 september (Kamerstukken 31 765, nr. 517). Aannemelijk is dat als er nieuwe woonvormen tot stand komen, er meer alternatieven voor verpleeghuisopname ontwikkeld kunnen worden. Dit kan binnen de Wlz leiden een verdere verschuiving van verblijf naar extramurale leveringsvormen zoals het VPT, MPT en pgb.

Vraag 150

Zorg in een verpleeghuis is veelal zorg in de laatste levensfase, wat is de huidige gemiddelde opnameduur?

Antwoord:

Volgens gegevens van het CBS bedraagt het gemiddeld aantal opgenomen dagen van alle cliënten die in 2018 zijn overleden 1.101 dagen. Er zijn geen gegevens beschikbaar van de gemiddelde verpleegduur in kleinschalige woonvormen. In onderstaande tabel is het gemiddeld aantal Wlz-opnamedagen weergegeven van personen die in 2018 overleden zijn met een ZZP VV01 t/m VV10.

Te zien is dat cliënten die zijn overleden met als laatste ZZP een VV01 of VV02 gemiddeld langer opgenomen zijn geweest dan cliënten met een hoog zzp bij overlijden. Dit is de meest actuele versie van dit overzicht.

label

aantal overleden

Gemiddeld aantal dagen

VV01

40

3.469

VV02

130

3.076

VV03

405

2.767

VV04

5.055

1.026

VV05

22.990

1.019

VV06

11.820

1.026

VV07

4.080

1.666

VV08

895

1.514

VV09B

685

331

VV10

50

957

Totaal VV01 t/m VV10

46.150

1.101

Vraag 151

Hoeveel verpleeghuizen zijn gesloten en hoeveel zullen dat er naar verwachting zijn in 2022?

Antwoord:

Er wordt landelijk geen lijst bijgehouden van locaties die sluiten of gaan sluiten.

Vraag 152

Hoeveel verpleeghuizen voldoen niet aan de norm van de personeelssamenstelling zoals genoemd in het Kwaliteitskader Verpleeghuiszorg?

Antwoord:

Verpleeghuizen moeten vanaf 2022 volledig aan het Kwaliteitskader Verpleeghuiszorg voldoen, inclusief de personeelsnorm. Het Kwaliteitskader wordt in de periode vanaf 2017 geleidelijk geïmplementeerd, waarbij verpleeghuizen in hun eigen tempo hiernaar toe groeien. Het is op dit moment niet mogelijk om aan te geven hoeveel verpleeghuizen er niet aan de genoemde norm voldoen. De vijfde voortgangsrapportage van het programma «Thuis in het verpleeghuis» (TK2020/2021, 31 765 nr 546) laat overigens zien dat de gerealiseerde en geplande extra personeelsinzet in de pas loopt met de gewenste ontwikkelingen.

Vraag 153

Hoeveel verzorgingshuizen, verpleeghuizen en kleinschalige woonvormen zijn er in Nederland?

Antwoord:

Er is geen uniforme definitie van de begrippen locatie, verzorgingshuis, verpleeghuis of kleinschalige woonvorm. Op basis van de bevindingen van TNO schat ik in dat er ruim 2.700 locaties zijn waar verpleeghuiszorg wordt geleverd. Dit aantal treft u aan in tabel 8B op p. 74 van het rapport van TNO dat is verstuurd als bijlage bij mijn brief van 24 augustus 2020 (TK, 31 765, nr. 515). Dit aantal is niet uitgesplitst naar verzorgingshuizen, verpleeghuizen en kleinschalige woonvormen.

Vraag 154

Hoeveel verpleeghuizen en kleinschalige zorgvoorzieningen zijn er bijgebouwd vanaf 2019 tot heden?

Antwoord:

In de rapportage die is gemaakt naar aanleiding van «de ActiZ Leden-enquête; Capaciteitsontwikkeling verpleeghuiszorg 2020» (6 mei 2020) gaven de ActiZ-leden die de enquête hadden ingevuld aan, dat er in 2020 naar verwachting 400 extra verpleeghuisplekken met verblijf zouden worden gerealiseerd. Voor 2021 is de verwachting ruim 2.000 plaatsen. Indien de steekproef als representatief wordt beschouwd, betekent dit dat er landelijk in 2020 750 en in 2021 ruim 3.500 verpleeghuisplekken met verblijf worden gerealiseerd. Er zijn geen gegevens bekend over 2019.

Vraag 155

Hoeveel plaatsen zijn nodig in verpleeghuizen en kleinschalige woonvormen om de toekomstige vraag naar instellingszorg te voldoen voor de komende jaren?

Antwoord:

Uitgaande van de prognose zoals gepresenteerd in het TNO-rapport «Prognose capaciteitsontwikkeling verpleeghuiszorg fase II» (28 juli 2020), zijn er in 2025 ruim 22.000 extra plaatsen en in 2040 ruim 100.000 extra plaatsen nodig om te kunnen voldoen aan de vraag naar verpleegzorg.

Vraag 156

Hoeveel ouderen hebben nu een plek nodig in een kleinschalige woonvorm of een verpleeghuis terwijl er geen plek voor hen is? Wat is de verwachting voor de toekomst, wordt deze groep groter of kleiner?

Antwoord:

Het Zorginstituut publiceert op de site https://www.zorgcijfersdatabank.nl/toelichting/wachtlijstinformatie/wachtlijsten-landelijk-niveau de stand van de wachtlijst op landelijk niveau voor de sectoren verpleging en verzorging, gehandicaptenzorg en geestelijke gezondheidszorg.

In 2021 is de wachtlijstinformatie aangepast. Uit deze informatie is bekend dat voor de sector verpleging en verzorging op 1 augustus 2021 172 cliënten urgent wachten. Zij worden op korte termijn geplaatst; vaak is dat binnen 2 weken. Daarnaast zijn er 1.961 cliënten die actief door de zorgkantoren worden geplaatst binnen een periode van 6 weken. De overige wachtenden (13.660) kunnen nu met behulp van thuiszorg in hun zorgvraag worden voorzien en wachten op een plaats in hun instelling van voorkeur.

De wachtlijstomvang is in de periode januari-juli 2021 afgenomen van 21.000 naar 15.800, maar zou weer kunnen oplopen als de voorgenomen extra te bouwen capaciteit geen gelijke tred houdt met de toenemende zorgvraag.

Vraag 157

Hoeveel partners zijn in 2021 meeverhuisd naar het verzorgingshuis, verpleeghuis of kleinschalige woonvorm?

Antwoord:

Op basis van gegevens van het Zorginstituut schat ik in dat in de eerste helft van het jaar 2021 ruim 320 partners zonder eigen Wlz-indicatie zijn meeverhuisd naar een verzorgingshuis, verpleeghuis of kleinschalige woonvorm op basis van Wlz-verblijf.

Vraag 158

Hoeveel mensen wonen in een kleinschalige woonvorm?

Antwoord:

Mensen die in een kleinschalige woonvorm wonen kunnen zorg ontvangen uit de Wmo, de Wlz of Zvw (wijkverpleging). Er is landelijk geen registratie beschikbaar van het aantal mensen dat in een kleinschalige woonvorm woont.

Vraag 159

Kunt u aangeven hoe er in het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) Ouderenzorg 2021–2022 invulling wordt gegeven aan de aanbeveling om nieuwe woonvormen te realiseren, tussen thuis en het verpleeghuis in?

Antwoord:

In het IBO worden beleidsopties onderzocht gericht op een houdbare ouderenzorg die met name zien op de eigen verantwoordelijkheid van ouderen en het verhogen van de toegangsgrens. De aanbevelingen van de commissie toekomst zorg thuiswonende ouderen worden naast beleidsopties uit andere trajecten als input voor het IBO ouderenzorg gebruikt. Daarbij wordt expliciet gekeken naar de randvoorwaarden om deze opties mogelijk te maken, zoals het zorgen voor voldoende passende woonzorgvormen.

Vraag 160

Hoeveel ouderen zijn de laatste jaren mishandeld en wat zijn de meest actuele cijfers?

Antwoord:

In 2018 is een onderzoek uitgevoerd door Regioplan naar de aard en omvang van ouderenmishandeling in Nederland. Uit dit onderzoek blijkt dat circa 170.000 ouderen in Nederland te maken hebben met verschillende vormen van ouderenmishandeling. 1 op de 20 thuiswonende 65-plussers krijgt ooit te maken met ouderenmishandeling; 1 op de 50 thuiswonende 65-plussers heeft op jaarbasis te maken met ouderenmishandeling.20

Veilig Thuis-organisaties verstrekken tweemaal per jaar registratiegegevens aan het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Volgens de meest recent gepubliceerde cijfers heeft Veilig Thuis in 2020 2.580 meldingen van ouderenmishandeling ontvangen.21

Vraag 161

Hoeveel jongeren, volwassenen en ouderen zijn eenzaam?

Antwoord:

De Gezondheidsmonitor (RIVM) meet elke vier jaar de eenzaamheid onder volwassenen in Nederland. Hieruit blijkt dat in 2020 47% van de volwassenen vanaf 19 jaar zich eenzaam voelt. 11% voelt zich ernstig of zeer ernstig eenzaam. De mate van eenzaamheid neemt toe met de leeftijd. Van de 75-plussers voelt 56% zich eenzaam. Landelijke cijfers over het vóórkomen van eenzaamheid bij jongeren tot 19 jaar zijn niet beschikbaar.

Bron: RIVM, 2021. Gezondheidsmonitor Volwassenen (2020). Beschikbaar via https://www.volksgezondheidenzorg.info/onderwerp/eenzaamheid

Vraag 162

Hoeveel wordt besteed aan het bestrijden van eenzaamheid?

Antwoord:

Dit kabinet heeft voor een brede aanpak eenzaamheid in 2022 en 2023 € 5 miljoen per jaar beschikbaar gesteld. Deze middelen worden onder andere besteed aan de publiekscampagnes en de week tegen eenzaamheid, de verschillende manieren van ondersteuning die aan gemeenten wordt geboden (zoals adviseurs, masterclasses en toolkit), onderzoek en ondersteuning van initiatieven.

Gemeenten hebben sinds de invoering van de Wmo 2015 een verantwoordelijkheid in het bevorderen van zelfredzaamheid van hun inwoners en daarmee ook het terugdringen van eenzaamheid. Gemeenten ontvangen hiervoor middelen via de algemene uitkering van het Gemeentefonds. In verband met de beleidsvrijheid van gemeenten is hier binnen niet geoormerkt welk deel beschikbaar is voor het bestrijden van eenzaamheid.

Vraag 163

Welke effecten heeft eenzaamheid op de fysieke gezondheid? Wat zijn hiervan de kosten?

Antwoord:

Hoe sterk het effect van eenzaamheid op de fysieke gezondheid is en vervolgens welke kosten daar mee samenhangen is niet exact onderzocht. Wel komt uit recent onderzoek komt naar voren dat de zorgkosten van eenzame Nederlandse volwassenen aanmerkelijk hoger zijn dan die van niet eenzame mensen.

Bron: SSPH+ | Does Loneliness Have a Cost? A Population-Wide Study of the Association Between Loneliness and Healthcare Expenditure (ssph-journal.org)

Bereikbaar via: https://www.ssph-journal.org/articles/10.3389/ijph.2021.581286/full

Vraag 164

Hoeveel mensen hebben geen netwerk om zich heen dat kan helpen bij ziekte of zorg?

Antwoord:

Uit de publicatie «Zorg en ondersteuning: kerncijfers 2016» van het SCP blijkt dat één op de tien Nederlanders een sociaal netwerk voor zorg mist. Bij ouderen of mensen met beperkingen geldt dit bij 1 op de 5 mensen.

Vraag 165

Wat is de laatste stand van zaken met betrekking tot ondervoeding van ouderen?

Antwoord:

Er wordt de komende twee jaar nader invulling gegeven aan de uitvoering van de structurele borging van de aanpak ondervoeding bij ouderen. Een basis hiervoor is het adviesrapport BOTO-X dat u per brief van 7 juli 2021 (Kamerstuk 35 570-XVI-193) is aangeboden.

Vraag 166

Welke programma’s zijn er tegen het bestrijden van ondervoeding?

Antwoord:

Als het gaat om het bestrijden van ondervoeding beschik ik niet over een overzicht van programma’s en projecten. Het is belangrijk om het tijdig herkennen en aanpakken van ondervoeding onderdeel uit te laten maken van de reguliere zorg en ondersteuning. Voor wat betreft de aanpak van ondervoeding bij ouderen geeft VWS hier de komende jaren uitvoering aan via de Stuurgroep ondervoeding. Door de Stuurgroep worden interventies doorontwikkeld en pilots regionale samenwerking en een domein-overstijgend partnernetwerk opgezet.

Vraag 167

Hoeveel en welke thuiszorgorganisaties zijn in 2020 en 2021 failliet gegaan?

Antwoord:

Volgens het CBS gingen er in 2020 en 2021 (tot en met augustus22) 39 «instellingen met als hoofdactiviteit maatschappelijke dienstverlening zonder overnachting gericht op ouderen en gehandicapten» failliet. Deze definitie valt niet geheel samen met «thuiszorgorganisaties». Zie ook het antwoord op vraag 335. Ik beschik niet over een overzicht welke thuiszorgorganisaties in deze periode failliet zijn gegaan.

Vraag 168

Hoeveel thuiszorgmedewerkers zijn er vanaf 2015 ontslagen?

Antwoord:

Er zijn geen (landelijke) cijfers beschikbaar over het aantal thuiszorgmedewerkers dat vanaf 2015 is ontslagen.

Vraag 169

Hoeveel mantelzorgers zijn er in Nederland? Wat zijn de meest recente cijfers?

Antwoord:

Ongeveer 35% van de Nederlanders van 16 jaar en ouder gaven in 2019 mantelzorg. Dit komt uit op circa 5 miljoen mantelzorgers. Het aandeel mantelzorgers is iets toegenomen ten opzichte van 2014 en 2016. Dit zijn de meest recente cijfers, daterend uit 2019 (Blijvende bron van zorg, SCP december 2020).

Vraag 170

Wordt verwacht dat het aantal mantelzorgers en vrijwilligers toeneemt, gelijk blijft of daalt? Zo ja, wat is de reden daarvan?

Antwoord:

Het aandeel mantelzorgers is in 2019 iets groter dan in 2014 en 2016 (toen 32%, nu 35%). Evenals het aandeel mensen dat actief is als vrijwilligers in de zorg en ondersteuning (in 2016 was het 8,5%, in 2019 ongeveer 10%). (bron: Een blijvende bron van zorg, SCP december 2020). Voor het aantal mantelzorgers verwachten het PBL en SCP voor 2040 een daling vanwege de toenemende vergrijzing (bron: Planbureau voor de Leefomgeving, Toekomstverkenning mantelzorg aan ouderen in 2040, 2019).

Vraag 171

Hoeveel overbelaste mantelzorgers zijn er in Nederland, wat zijn de meest recente cijfers? Wat is de ontwikkeling hiervan vergeleken met voorgaande jaren?

Antwoord:

In 2019 is bijna een op de tien mantelzorgers (9,1%) ernstig belast door het geven van hulp. Dat is geen significante wijziging ten opzichte van 2016. Het aandeel ernstig belaste mantelzorgers is daarmee niet veranderd. Het absolute aantal is vergeleken met 2016 wel toegenomen (van 380.000 naar 460.000 personen). (Blijvende Bron van Zorg, SCP december 2020).

Vraag 172

Hoe vaak worden mantelzorgers ingezet als vervanging van professionele zorg?

Antwoord:

Dat is niet bekend, omdat hiervan geen landelijke registratie plaatsvindt.

Vraag 173

Kunt u aangeven hoeveel kosten in totaal worden gemaakt voor mantelzorg en op welke plekken in de begroting van VWS deze zijn opgenomen?

Antwoord:

Bij het aantreden van het huidige kabinet is een extra intensivering beschikbaar gesteld voor mantelzorgondersteuning en dagbesteding van € 35 miljoen voor 4 jaar (10, 10, 10, 5 en vanaf 2021 structureel € 5 miljoen per jaar). Verder is tijdens de begrotingsbehandeling 2021 van VWS een amendement ingediend waarmee € 10 miljoen euro extra is vrij is gemaakt voor de verdere ondersteuning van mantelzorgers en mensen met dementie in Nederland.

Vraag 174

Kunt u aangeven wat de reden is voor de kasschuif voor de ondersteuning van mantelzorgen en mensen met dementie?

Antwoord:

Het budget voor de ondersteuning van mantelzorgen en dementie wordt in 2021 mede vanwege de coronabeperkingen niet volledig ingezet. Een bedrag van € 5 miljoen wordt daarom doorgeschoven naar 2022.

Vraag 175

Kunt u toelichting geven hoe Nederland internationaal samenwerkt bij de thema’s vergrijzing en dementie?

Antwoord:

Binnen de EU is er samenwerking in verschillende gremia, waaronder de reguliere overleggen op ministerieel en ambtelijk niveau, in partnerschappen en gezamenlijke initiatieven tussen de Europese Commissie en EU-lidstaten. Daarnaast is er samenwerking met landen via de Verenigde Naties, zoals de UN Open Ended Working Group on Ageing en de UNECE Standing Working Group on Ageing, en met de WHO. Bij het RIVM is een «WHO Collaborating Center Lifecourse and Ageing» in oprichting. Ook zijn er bilaterale samenwerkingen en kennisuitwisselingen met landen wereldwijd, zoals Japan en China.

Specifiek met betrekking tot dementie zijn er ook samenwerkingen via de World Dementia Council en de European Governmental Group of Experts on Dementia.

Vraag 176

Hoeveel kost een verpleegdag in de wijkverpleging?

Antwoord:

In de wijkverpleging is geen sprake van verpleegdagen. Cliënten wonen in hun eigen huis en op basis van de voor die cliënt gestelde indicatie wordt zorg thuis geleverd.

Vraag 177

Hoeveel mensen maken gebruik van wijkverpleging?

Antwoord:

Volgens Vektis hebben in 2020 576 duizend mensen wijkverpleging gekregen.

Vraag 178

Hoeveel patiëntenstops zijn er geweest in de wijkverpleging in 2021? Hoeveel waren dit er in voorgaande jaren?

Antwoord:

De NZa monitor contractering wijkverpleging 2021 (Tweede Kamer 2020–2021, 29 247, nr. 330) laat zien dat in 2020 15% van de zorgaanbieders een cliëntenstop heeft afgegeven in verband met het bereiken van het omzetplafond (tegenover 18% in 2020, 19% in 2018 en 16% in 2017). Daarnaast heeft 10% van de zorgaanbieders in 2020 een cliëntenstop afgegeven als gevolg van een tekort aan personeel (tegenover 20% en 2019, 14% in 2018 en 15% in 2017).

Over 2021 zijn nog geen gegevens beschikbaar.

Vraag 179

Kunt u een overzicht naar de Kamer sturen hoeveel geld sinds 2015 is overgehouden op de wijkverpleging ten opzichte van de geraamde bedragen?

Antwoord:

In de jaren vanaf 2015 is sprake van een toenemende onderschrijding. Zie onderstaande tabel.

 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Beschikbaar kader

3.167

3.432

3.525

3.860

4.018

4.218

Verwachte realisatie

3.114

3.237

3.400

3.617

3.530

3.490

Onderschrijding t.o.v. beschikbaar kader

53

195

125

243

488

728

Reeds eerder gedane ramingsbijstelling

         

401

Additionele onderschrijding

         

327

De totale cumulatieve onderschrijding ten opzichte van het oorspronkelijke budget bedraagt in 2020 € 728 miljoen. Ten opzichte van het bijgestelde kader is de onderschrijding € 327 miljoen.

Vraag 180

Waarom is leeftijd bepalend bij de vergoeding voor wijkverpleging?

Antwoord:

Leeftijd is niet bepalend bij de vergoeding voor wijkverpleging. De wijkverpleegkundige indiceert de zorg die nodig is en leeftijd van de cliënt speelt daarbij geen rol. De vergoeding van de zorg hangt vervolgens af van de polisvoorwaarden en de contractstatus van de aanbieder; als de aanbieder niet-gecontracteerd is, is de vergoeding van de zorg lager.

Vraag 181

Waarom verschillen de vergoedingstarieven voor de wijkverpleging tussen gecontracteerd en niet-gecontracteerd zorg of per zorgverzekering?

Antwoord:

In de zorgverzekeringswet is in artikel 13 bepaald dat als een verzekerde met een naturaverzekering zorg afneemt bij een niet-gecontracteerde zorgaanbieder, de verzekerde recht heeft op een door de zorgverzekeraar te bepalen vergoeding van de voor deze zorg in rekening gebrachte kosten. Het is dus de zorgverzekeraar die de hoogte van de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg bepaalt. In contracten maken zorgverzekeraars met zorgaanbieders afspraken over de beschikbaarheid, kwaliteit, doelmatigheid en de manier waarop de zorg georganiseerd en verleend wordt. Op deze manier wordt geborgd dat verzekerden de zorg kunnen krijgen waar zij recht op hebben en dat deze zorg doelmatig geleverd wordt.

Vraag 182

Wat gaat u doen om het verschil in vergoeding onder gecontracteerde en niet gecontracteerde wijkverpleegkundigen te verminderen?

Antwoord:

Er zijn geen voornemens om het verschil in vergoeding onder gecontracteerde en niet gecontracteerde wijkverpleegkundigen te verminderen. Het verschil in vergoeding is in lijn met artikel 13 van de zorgverzekeringswet, waar is bepaald dat als een verzekerde met een naturaverzekering zorg afneemt bij een niet-gecontracteerde zorgaanbieder, de verzekerde recht heeft op een door de zorgverzekeraar te bepalen vergoeding van de voor deze zorg in rekening gebrachte kosten. Het is dus de zorgverzekeraar die de hoogte van de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg bepaalt. In contracten maken zorgverzekeraars met zorgaanbieders afspraken over de beschikbaarheid, kwaliteit, doelmatigheid en de manier waarop de zorg georganiseerd en verleend wordt. Op deze manier wordt geborgd dat verzekerden de zorg kunnen krijgen waar zij recht op hebben en dat deze zorg doelmatig geleverd wordt.

Vraag 183

Waarom moeten patiënten die een zorgindicatie hebben gekregen van een wijkverpleegkundige soms tot zes weken wachten op goedkeuring en financiering van de zorg?

Antwoord:

Als de aanbieder van wijkverpleging geen contract heeft met de zorgverzekeraar kan de zorgverzekeraar om een machtiging vragen. Zorgverzekeraars kunnen dan het gepast gebruik van de zorg inschatten, bijvoorbeeld op basis van het zorgplan en de indicatiestelling. De NZa heeft recent onderzoek gedaan naar de doorlooptijd van machtigingen bij zorgverzekeraars23. Uit dit onderzoek blijkt dat lange doorlooptijden veelvuldig voorkomen. Daarvoor kunnen verschillende oorzaken zijn, zoals: een incompleet ingediende aanvraag, beperkte capaciteit bij de zorgverzekeraar om aanvragen af te handelen of onduidelijke communicatie en registratie door zorgverzekeraars. De NZa vindt lange doorlooptijden bij het aanvragen van toestemming voor niet-gecontracteerde wijkverpleging of een pgb onacceptabel. De NZa hanteert de vuistregel van een doorlooptijd van vijf werkdagen bij correct ingediende aanvragen van machtigingen voor niet-gecontracteerde wijkverpleging en zes weken bij het aanvragen van een pgb. De NZa heeft een aantal aanbevelingen gedaan om de doorlooptijd te verkorten. De Nza roept zorgverzekeraars op om te zorgen voor een uitgebreid gecontracteerd aanbod wijkverpleging en dit – en de voordelen ervan – goed kenbaar te maken onder verzekerden. Daarnaast moet er voldoende capaciteit zijn bij de zorgverzekeraars om de machtigingsaanvragen voor niet-gecontracteerde wijkverpleging en aanvragen voor pgb’s uit de Zorgverzekeringswet binnen de termijnen af te handelen. Ik verwacht dat de Nza erop toeziet dat zorgverzekeraars deze aanbevelingen opvolgen.

Vraag 184

Waarom bepaalt een zorgverzekeraar hoeveel zorg een patiënt aan huis kan krijgen in plaats van dat de wijkverpleegkundige dat bepaalt?

Antwoord:

Voor de wijkverpleging (gefinancierd uit de Zvw) geldt dat de wijkverpleegkundige een indicatie en bijbehorend zorgplan opstelt. Het behoort tot de taken van de wijkverpleegkundige dat deze indicatie is opgesteld volgens de geldende beroepsnormen en dat deze indicatie voldoende en helder is onderbouwd. De wijkverpleegkundige bepaalt dus hoeveel zorg een cliënt aan huis kan krijgen, niet de zorgverzekeraar. De zorgverzekeraar is verantwoordelijk voor de vergoeding van de verzekerde zorg. De zorgverzekeraar heeft de wettelijke taak om de rechtmatigheid en doelmatigheid van de geïndiceerde zorg vast te stellen. Bij aanbieders met een contract worden hierover afspraken gemaakt in een contract. In het geval van een pgb of bij niet-gecontracteerde wijkverpleging, kan de toets op rechtmatigheid en/of doelmatigheid vooraf plaatsvinden via een machtiging. Controle achteraf op de rechtmatigheid en doelmatigheid van de verleende zorg gebeurt via materiële controle.

Vraag 185

Waarom worden niet-gecontracteerde zorgprofessionals uitgesloten bij een aantal zorgverzekeraars?

Antwoord:

Zorgverzekeraars contracteren zorgaanbieders om daarmee aan hun zorgplicht te kunnen voldoen. In contracten maken zorgverzekeraars met zorgaanbieders afspraken over de beschikbaarheid, kwaliteit, doelmatigheid en de manier waarop de zorg georganiseerd en verleend wordt. Op deze manier wordt geborgd dat verzekerden de zorg kunnen krijgen waar zij recht op hebben. De NZa houdt hier toezicht op. Zorgverzekeraars hoeven dus niet alle zorgaanbieders te contracteren maar wel voldoende om aan hun zorgplicht te kunnen voldoen.

Vraag 186

Hoeveel mensen wonen in een verzorgingshuis?

Antwoord:

Op 1 juli 2021 maken 748 mensen gebruik van intramurale verzorgingshuiszorg (zorgprofiel VV1-VV3). Dit aantal is afgeleid uit de uitvoeringsinformatie van het Zorginstituut. Dit zijn de meest recente cijfers.

Vraag 187

Hoeveel kost een verpleegdag in een verzorgingshuis?

Antwoord:

Verzorgingshuiszorg wordt in dit antwoord gedefinieerd als zorg die wordt geleverd aan cliënten met een zzp VV 1 t/m 3. De kosten voor een verpleegdag in een verzorgingshuis bedragen in 2021 gemiddeld € 154 per dag. Dit gemiddeld bedrag is afgeleid van de declaraties die zorgkantoren over de eerste helft van 2021 bij Vektis hebben aangeleverd.

Vraag 188

Hoeveel verzorgingshuisplekken zijn er op dit moment?

Antwoord:

Op 1 juli 2021 zijn er circa 750 verzorgingshuisplekken in een intramurale instelling voor cliënten met een zorgprofiel VV 1–3. Dit aantal is afgeleid van het aantal cliënten met een zorgprofiel VV 1–3 dat volgens de uitvoeringsinformatie van het Zorginstituut op 1 juli 2021 is opgenomen. Dit zijn de meest recente cijfers.

Vraag 189

Hoeveel verzorgingshuisplekken zijn er onder de kabinetten-Rutte I, -Rutte-II en Rutte-III verloren gegaan? Kunt u dit aangeven per kabinet?

Antwoord:

Verzorgingshuisplekken worden in dit antwoord gedefinieerd als plekken waar zorg is geleverd aan cliënten met een zzp VV 1–3.

In onderstaande tabel is het aantal intramurale verzorgingshuisplekken VV 1–3 weergegeven sinds 2010 dat het startjaar is van het kabinet-Rutte I. In de periode 2010–2013 is het aantal verzorgingshuisplekken afgenomen met circa 21.500 plekken. Dit weerspiegelt de trend die al langer gaande is, namelijk dat mensen steeds langer thuis blijven wonen.

Vanaf 2013 worden geen nieuwe indicaties VV 1–2 meer verstrekt en vanaf 2014 niet meer voor VV 3. Daardoor vindt per 1 januari 2013 geen nieuwe instroom in VV 1–2 meer plaats en per 1 januari 2014 in VV 3 (extramuralisering). Ten tijde van het kabinet-Rutte II is het aantal verzorgingshuisplekken VV 1–3 met circa 24.200 plekken afgenomen van 30.500 in 2013 naar 6.300 in 2017.

Op 1 juli 2021 zijn er circa 750 verzorgingshuisplekken in een intramurale instelling voor cliënten met een zorgprofiel VV 1–3. Hieruit volgt dat onder het kabinet Rutte-III het aantal verzorgingshuisplekken is afgenomen met circa 5.550 plekken van 6.300 in 2017 naar 750 op 1 juli 2021.

Aantal intramurale verzorgingshuisplekken VV 1–3 vanaf 2010

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

1-7-2021

52.000

45.100

38.700

30.500

22.000

14.600

9.800

6.300

3.900

2.400

1.400

750

Het aantal plekken tot en met 2017 is afgeleid van de omvang van de productieafspraken die zorgkantoren voor deze zorg hebben gemaakt. Voor de periode 2018–2020 is het aantal plekken afgeleid van de omvang van de declaraties die zorgkantoren bij Vektis hebben aangeleverd voor deze zorg. Het aantal verzorgingshuisplekken op 1 juli 2021 is afgeleid van het aantal cliënten met een zorgprofiel VV 1–3 dat volgens de uitvoeringsinformatie van het Zorginstituut op 1 juli 2021 is opgenomen. Dit zijn de meest recente cijfers.

Vraag 190

Hoeveel verzorgingshuizen zijn tot op heden gesloten en hoeveel zullen dat er naar verwachting in 2022 zijn?

Antwoord:

Er wordt landelijk geen lijst bijgehouden van locaties die sluiten of gaan sluiten.

Vraag 191

Kunt u een overzicht geven van de vermogensontwikkeling van verpleeghuizen, verzorgingshuizen, gehandicapteninstellingen, thuiszorgorganisaties en ziekenhuizen vanaf 2010 tot en met heden?

Antwoord:

Het CBS rapporteert over de vermogens van zorginstellingen over de periode 2015–2019. In onderstaande tabellen zijn het gemiddelde weerstandsvermogen (eigen vermogen/bedrijfsopbrengsten) en het eigen vermogen per sector weergegeven. Voor 2019 gaat het om voorlopige cijfers. Over de periode 2010–2014 zijn deze gegevens volgens deze indeling niet beschikbaar.

Weerstandsvermogen (%)

2015

2016

2017

2018

2019

Universitair medisch centra

25

26

28

31

31

Algemene ziekenhuizen

21

22

23

24

25

Categorale ziekenhuizen

27

29

30

28

29

GGZ met overnachting

24

24

24

24

25

Gehandicaptenzorg

29

29

31

31

30

Jeugdzorg met overnachting

18

20

23

23

19

Maatschappelijke opvang (24-uurs)

17

13

18

21

18

Ambulante jeugdzorg

9

9

8

10

10

Verpleeg-, verzorgingshuizen, thuiszorg

27

26

27

28

28

Bron: CBS, tabel Zorginstellingen; financiële kengetallen

Eigen vermogen (x € 1 miljoen)

2015

2016

2017

2018

2019

Universitair medisch centra

2.072

2.228

2.479

2.784

2.980

Algemene ziekenhuizen

3.707

3.930

4.149

4.498

4.795

Categorale ziekenhuizen

341

373

381

395

432

GGZ met overnachting

1.299

1.341

1.385

1.419

1.594

Gehandicaptenzorg

2.516

2.690

2.921

3.080

3.224

Jeugdzorg met overnachting

251

267

321

342

283

Maatschappelijke opvang (24-uurs)

281

271

322

349

314

Ambulante jeugdzorg

54

63

61

69

75

Verpleeg-, verzorgingshuizen, thuiszorg

4.530

4.462

4.696

5.117

5.543

Bron: CBS, tabel Zorginstellingen; kerncijfers

Vraag 192

Kunt u een overzicht per jaar geven van de kostenontwikkeling van verpleeg- en verzorgingshuizen en de thuiszorg van 2000 tot 2005 en van 2006 tot en met 2021? Kunt u deze cijfers voorzien van uw duiding?

Antwoord:

Ja. Bij de beantwoording van de schriftelijke vragen bij de ontwerpbegroting 2016 (TK2015–2016, 34 300XVI, nr 12, antwoord 230) is het gevraagde overzicht verstrekt tot en met 2013 en van een duiding voorzien. Dat is gedaan via een tabel over de totale ouderenzorg uit de «Zorgrekeningen» van het CBS over de periode 2000–2013. De cijfers uit de «Zorgrekeningen» zijn niet gewijzigd en dat geldt ook voor de duiding.

Hieronder treft u de tabel over de intramurale ouderenzorg voor de periode 2014 tot en met 2021. De cijfers tot en met 2020 zijn gebaseerd op het jaarverslag van VWS. Voor 2021 betreft het cijfers uit de ontwerpbegroting 2022. Dit cijfer wordt bij het jaarverslag geactualiseerd. Naar verwachting stijgen de uitgaven in 2021 ten opzichte van 2020 met circa € 1,1 miljard tot € 13,8 miljard. Daarbij is rekening gehouden met de extra middelen die beschikbaar zijn gesteld voor verbetering van de kwaliteit in verpleeghuizen (van € 1,7 miljard in 2020 naar € 2,1 miljard in 2021), de groeiruimte en de loon- en prijsontwikkelingen.

Intramurale verpleeghuiszorg (Wlz) 2010 – 2020 (bedragen x € 1 miljard)

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

8,6

8,5

8,8

9,2

10,1

11,7

12,7

13,8

Bron: VWS-cijfers

Vraag 193

Hoeveel bewoners in zorginstellingen moesten in het afgelopen jaar gedwongen verhuizen naar een andere locatie?

Antwoord:

Het komt voor dat mensen door omstandigheden moeten verhuizen naar een andere locatie. Ik beschik echter niet over een landelijke registratie, waaruit af te leiden is hoe vaak dit voorkomt. Relevant daarbij is steeds de context waarbinnen een verhuizing plaatsvindt. Dat is een zaak tussen de cliënt en de zorgaanbieder.

Vraag 194

Wat gebeurt er momenteel om het gebruik van antipsychotica en/of psychofarmaca in de ouderenzorg omlaag te brengen?

Antwoord:

Het toedienen van psychofarmaca bij cliënten met een psychogeriatrische aandoening valt onder de reikwijdte van de Wet zorg en dwang (Wzd). Indien psychofarmaca niet wordt toegediend overeenkomstig de geldende professionele richtlijnen moet altijd het stappenplan van de Wzd worden gevolgd. Hierdoor wordt het gebruik van antipsychotica en psychofarmaca ontmoedigd. Uit de monitor «»Trends in de verpleeghuiszorg voor mensen met dementie» (Kamerstukken II, 2020–2021, 31 765, nr. 546), blijkt dat er een dalende trend is in het gebruik van psychofarmaca in de ouderenzorg.

Vraag 195

Wat zijn de kosten van eerstelijnsverblijf (ELV)-bedden?

Antwoord:

De NZa heeft drie prestaties voor eerstelijnsverblijf vastgesteld met een maximumtarief en één prestatie met een vrij tarief. In onderstaande tabel zijn de bedragen per dag (regelgeving 2021) weergegeven.

Prestaties

Tarief

Eerstelijnsverblijf laag complex

Maximaal € 174,53

Eerstelijnsverblijf hoog complex

Maximaal € 266,09

Eerstelijnsverblijf voor palliatief terminale zorg

Maximaal € 357,07

Resultaatbeloning en zorgvernieuwing

Vrij tarief

Uit de realisatiecijfers van Vektis blijkt dat het vergoede bedrag voor ELV laag complex, hoog complex en palliatief terminale zorg in 2020 € 243,90 miljoen bedraagt. Het is daarbij mogelijk dat nog niet alle declaraties over 2020 volledig zijn, waardoor dit cijfer nog kan wijzigen.

Vraag 196

Hoeveel ELV-bedden zijn er?

Antwoord:

Uit de voorlopige realisatiecijfers van Vektis blijkt dat in 2020 ruim 32.100 personen gebruik hebben gemaakt van het eerstelijnsverblijf (ELV). Dat aantal is ruim 4.000 minder dan in 2019. Het is waarschijnlijk dat COVID-19 invloed heeft op het gebruik van bedden laag complex, hoog complex en palliatief terminale zorg. In 2020 zijn er namelijk ook specifieke afspraken gemaakt voor ELV-covidbedden, voor aanbieders met een corona Cohortverpleging binnen het eerstelijnsverblijf. Een exact aantal ELV-bedden is niet beschikbaar.

Vraag 197

Hoeveel kost een verpleegdag in een ELV-organisatie?

Antwoord:

De NZa heeft drie prestaties voor eerstelijnsverblijf vastgesteld met een maximumtarief en één prestatie met een vrij tarief. In onderstaande tabel zijn de bedragen per dag (regelgeving 2021) weergegeven.

Prestaties

Tarief

Eerstelijnsverblijf laag complex

Maximaal € 174,53

Eerstelijnsverblijf hoog complex

Maximaal € 266,09

Eerstelijnsverblijf voor palliatief terminale zorg

Maximaal € 357,07

Resultaatbeloning en zorgvernieuwing

Vrij tarief

Vraag 198

Hoeveel tijdelijke bedden zijn er in verzorgingshuizen en verpleeghuizen?

Antwoord:

Er is geen landelijke definitie van tijdelijke bedden in verzorgingshuizen en verpleeghuizen. Ik beschik daardoor niet over de gevraagde informatie. Wel maken de instellingen in hun jaarverslagen melding van het gebruik van plaatsen c.q. bedden op hun locaties voor ELV en GRZ als hier gedurende het jaar ruimte voor is. Het totaal aantal plaatsen hiervoor zoals opgegeven door de zorginstellingen bedraagt per einde 2018 rond 4.490 voor ELV en 7.930 voor GRZ. Deze aantallen treft u aan in de tabel op p. 68 van het rapport van TNO dat is verstuurd als bijlage bij mijn brief van 24 augustus 2020 (TK, 31 765, nr. 515). Het aantal ingekochte plaatsen voor Wlz-crisiszorg heeft TNO helaas niet gespecificeerd.

Vraag 199

Wat zijn de precieze kosten of een inschatting van de kosten voor ziekenhuizen vanwege de hoge bezetting van ouderen die langer in het ziekenhuis verblijven dan noodzakelijk, omdat in de thuissituatie geen plek is of omdat er wachtlijsten zijn bij verpleeghuizen of ELV-bedden?

Antwoord:

Voor ziekenhuizen is er in de bekostiging een prestatie beschikbaar voor het verblijf van patiënten in het ziekenhuis, waarbij er geen medisch-specialistische indicatie meer is en er ook géén sprake is van een Wlz-indicatie. Ik schat het macrobeslag van deze prestatie op ruim € 45 miljoen in 2020. Deze globale inschatting is gebaseerd op het NZa maximumtarief in 2020 van € 387,78 maal het aantal keer dat deze prestatie is gedeclareerd (ruim 146 duizend). Daarnaast bestaat er ook een «verkeerd bed» prestatie voor het verblijf van patiënten in het ziekenhuis, omdat er geen mogelijkheid is tot opname in een instelling die Wlz-zorg met verblijf biedt. Uit gegevens van het Zorginstituut blijkt dat de declaraties «verkeerde bedden» een verwacht macrobeslag in de Wlz hebben van circa € 10,6 miljoen in 2020 (tarief maximaal € 322,85 per dag voor patiënten met een Wlz-indicatie). Ik sluit niet uit dat deze cijfers geen compleet beeld geven van de in deze vraag bedoelde kosten.

Vraag 200

Hoeveel ouderen die opgenomen waren in het ziekenhuis moesten daar noodgedwongen langer blijven omdat er ergens anders geen plek voor hen was?

Antwoord:

Voor ziekenhuizen is er in de bekostiging een prestatie beschikbaar voor het verblijf van patiënten in het ziekenhuis, waarbij er geen medisch-specialistische indicatie meer is en er ook géén sprake is van een Wlz-indicatie. Op basis van cijfers van de NZa ging het bij het verblijf met een vervallen medisch-specialistische indicatie in 2020 om circa 29 duizend personen. Daarnaast bestaat er ook een «verkeerd bed» prestatie voor het verblijf van patiënten in het ziekenhuis, omdat er geen mogelijkheid is tot opname in een instelling die Wlz-zorg met verblijf biedt. Op basis van het macrobeslag van € 10,6 miljoen en het maximumtarief van € 322,85 kan ik enkel een globale schatting geven van het aantal ligdagen (33 duizend) en niet van het aantal personen. Daarbij sluit ik niet uit dat deze cijfers geen compleet beeld geeft van de in deze vraag bedoelde aantallen.

Vraag 201

Hoeveel respijtvoorzieningen en logeeropvanghuizen zijn er in Nederland?

Antwoord:

Dat is niet bekend, omdat hiervan geen landelijke registratie plaatsvindt. Het is aan gemeenten en zorgkantoren om voldoende zorg in te kopen of te regelen. Ook kunnen cliënten vanuit de verschillende domeinen zelf met pgb logeeropvang of zorg organiseren om de thuissituatie te ontlasten.

Vraag 202

Hoeveel kost een verpleegdag in een hospice?

Antwoord:

Het aanbod van hospicevoorzieningen is divers van aard. Naast hospices zijn er bijna-thuis-huizen (BTH’s), high care hospices en palliatieve units die gekoppeld zijn aan een verpleeg- of ziekenhuis. Om een beeld te geven van de kosten is informatie opgevraagd bij de Vrijwillige palliatieve terminale zorg Nederland (VPTZ). Een gemiddeld hospice kost rond de € 175 per dag. Dat is voor het vrijwilligersdeel, coördinatiekosten en huisvesting. De verpleegkundige zorg komt daar nog bij en wordt geleverd door de wijkverpleging. Het aantal uren verpleegkundige zorg per BTH’s verschilt: sommige BTH’s kiezen er voor 24 uur per dag verpleegkundigen in huis te hebben, andere alleen gedurende de avond/nacht en/of op afroep. De Associatie Hospicezorg Nederland (AHzN) heeft eind 2019 door Bureau Berenschot een onderzoek laten uitvoeren naar de kostprijs van high care hospicezorg. Bij high care hospicezorg is 24 uur per dag een verpleegkundige aanwezig en zijn de verpleegkundigen in dienst van het hospice. Volgens dit onderzoek kost een dag in een high care hospice circa € 524.

Vraag 203

Hoeveel mensen hebben een zorgzwaartepakket (ZZP) 1? Hoeveel waren dit er in voorgaande jaren?

Antwoord:

Op 1 juli 2021 hadden 5.995 mensen een indicatie voor een zzp 1 (bron: CIZ). De onderstaande tabel laat zien hoeveel dit was in voorgaande jaren op peildatum tweede vrijdag van november (bron: CBS/monitor langdurige zorg).

 

Aantal cliënten op peildatum

Zorgprofiel

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

zzp 1 VV

1.690

1.270

950

680

450

300

230

zzp 1 VG

670

615

595

625

620

590

575

zzp 1 LVG

40

25

25

20

15

15

10

zzp 1 SGLVG

465

415

390

385

320

310

300

zzp 1 LG

315

265

220

195

165

145

130

zzp 1 ZG vis

90

75

65

50

35

25

25

zzp 1 ZG aud

85

80

75

70

65

65

65

zzp 1B GGZ

5

5

5

0

0

0

0

Zzp 1W GGZ

.

.

.

.

.

.

4.660

totaal zzp 1

3.360

2.750

2.325

2.025

1.670

1.450

5.995

Vraag 204

Hoeveel mensen hebben een ZZP 2? Hoeveel waren dit er in voorgaande jaren?

Antwoord:

Op 1 juli 2021 hebben 10.795 mensen een indicatie voor een zzp 2 (bron: CIZ). De onderstaande tabel laat zien hoeveel dit was in voorgaande jaren op peildatum tweede vrijdag van november (bron: CBS/monitor langdurige zorg).

 

Aantal cliënten op peildatum

Zorgprofiel

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

zzp 2 VV

5.590

3.920

2.665

1.735

1.140

700

540

zzp 2 VG

5.375

4.825

4.605

4.445

4.210

4.020

3.910

zzp 2 LVG

590

510

490

500

475

405

370

zzp 2 LG

1.530

1.600

1.620

1.605

1.595

1.625

1.660

zzp 2 ZG vis

330

300

270

245

220

205

205

zzp 2 ZG aud

410

430

455

470

465

470

480

zzp 2B GGZ

60

50

50

0

0

0

0

zzp 2W GGZ

.

.

.

.

.

.

3.630

totaal zzp 2

13.885

11.635

10.155

9.000

8.105

7.425

10.795

Vraag 205

Hoeveel mensen hebben een ZZP 3? Hoeveel waren dit er in voorgaande jaren?

Antwoord:

Op 1 juli 2021 hebben 37.980 mensen een indicatie voor een zzp 3 (bron: CIZ). De onderstaande tabel laat zien hoeveel dit was in voorgaande jaren op peildatum tweede vrijdag van november (bron: CBS/monitor langdurige zorg).

 

Aantal cliënten op peildatum

Zorgprofiel

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

zzp 3 VV

10.905

7.395

4.885

3.080

2.055

1.270

985

zzp 3 VG

22.395

23.845

24.405

24.880

25.215

25.545

25.895

zzp 3 LVG

1.320

1.120

1.070

1.065

985

960

895

zzp 3 LG

1.195

880

690

535

430

350

310

zzp 3 ZG vis

645

645

645

655

625

600

590

zzp 3 ZG aud

455

505

540

565

615

640

635

zzp 3B GGZ

585

540

525

145

130

130

95

zzp 3W GGZ

.

.

.

.

.

.

8.575

totaal zzp 3

37.500

34.930

32.760

30.925

30.055

29.495

37.980

Vraag 206

Hoeveel mensen hebben een ZZP 4? Hoeveel waren dit er in voorgaande jaren?

Antwoord:

Op 1 juli 2021 hebben 57.180 mensen een indicatie voor een zzp 4 (bron: CIZ). De onderstaande tabel laat zien hoeveel dit was in voorgaande jaren op peildatum tweede vrijdag van november (bron: CBS/monitor langdurige zorg).

 

Aantal cliënten op peildatum

Zorgprofiel

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

zzp 4 VV

31.310

31.785

32.680

34.995

36.025

33.595

32.660

zzp 4 VG

12.505

14.335

15.990

16.470

16.925

17.330

17.690

zzp 4 LVG

375

280

275

275

295

295

285

zzp 4 LG

4.010

4.350

4.490

4.510

4.605

4.705

4.840

zzp 4 ZG vis

400

390

400

385

380

355

350

zzp 4 ZG aud

240

230

235

245

235

230

225

zzp 4B GGZ

1.065

990

915

530

495

405

200

zzp 4W GGZ

.

.

.

.

.

.

930

totaal zzp 4

49.905

52.360

54.985

57.410

58.960

56.915

57.180

Vraag 207

Hoeveel mensen hebben een ZZP 5? Hoeveel waren dit er in voorgaande jaren?

Antwoord:

Op 1 juli 2021 hebben 104.860 mensen een indicatie voor een zzp 5 (bron: CIZ). De onderstaande tabel laat zien hoeveel dit was in voorgaande jaren op peildatum tweede vrijdag van november (bron: CBS/monitor langdurige zorg).

 

Aantal cliënten op peildatum

Zorgprofiel

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

zzp 5 VV

62.500

66.340

69.670

74.660

81.005

84.750

85.910

zzp 5 VG

10.115

11.270

13.210

13.535

13.820

14.215

14.500

zzp 5 LVG

75

35

25

30

30

20

15

zzp 5 LG

1.170

1.405

1.965

1.885

1.850

1.825

1.820

zzp 5 ZG vis

560

565

605

610

640

645

630

zzp 5B GGZ

3.990

3.780

3.850

2.670

2.740

2.740

1.625

zzp 5W GGZ

.

.

.

.

.

.

360

totaal zzp 5

78.410

83.395

89.325

93.390

100.085

104.195

104.860

Vraag 208

Hoeveel mensen hebben een ZZP 6? Hoeveel waren dit er in voorgaande jaren?

Antwoord:

Op 1 juli 2021 hebben 70.810 mensen een indicatie voor een zzp 6 (bron: CIZ). De onderstaande tabel laat zien hoeveel dit was in voorgaande jaren op peildatum tweede vrijdag van november (bron: CBS/monitor langdurige zorg).