Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201734725-XVI nr. 1

34 725 XVI Jaarverslag en slotwet Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2016

Nr. 1 JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT (XVI)

Aangeboden 17 mei 2017

Gerealiseerde uitgaven van het departement verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1.000)

Gerealiseerde uitgaven van het departement verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1.000)

Gerealiseerde ontvangsten van het departement verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1.000)

Gerealiseerde ontvangsten van het departement verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1.000)

INHOUDSOPGAVE

     

Blz.

A.

ALGEMEEN

5

 

1.

Aanbieding van het jaarverslag en verzoek tot dechargeverlening

5

 

2.

Leeswijzer

7

       

B.

BELEIDSVERSLAG

9

 

3.

Beleidsprioriteiten

9

 

4.

Beleidsartikelen

37

   

– Beleidsartikel 1 Volksgezondheid

37

   

– Beleidsartikel 2 Curatieve zorg

49

   

– Beleidsartikel 3 Langdurige zorg en ondersteuning

62

   

– Beleidsartikel 4 Zorgbreed beleid

72

   

– Beleidsartikel 5 Jeugd

84

   

– Beleidsartikel 6 Sport en bewegen

91

   

– Beleidsartikel 7 Oorlogsgetroffenen en Herinnering Wereldoorlog II

98

   

– Beleidsartikel 8 Tegemoetkoming specifieke kosten

104

 

5.

Niet-beleidsartikelen

108

   

– Niet-beleidsartikel 9 Algemeen

108

   

– Niet-beleidsartikel 10 Apparaatsuitgaven

111

   

– Niet-beleidsartikel 11 Nominaal en onvoorzien

118

 

6.

Bedrijfsvoeringsparagraaf

120

       

C.

JAARREKENING

124

 

7.

Departementale verantwoordingsstaat

124

 

8.

Samenvattende verantwoordingsstaat agentschappen

125

 

9.

Jaarverantwoording agentschappen per 31 december 2016

126

 

10.

Saldibalans

152

 

11.

WNT-verantwoording 2016

162

       

D.

FINANCIEEL BEELD ZORG

166

       

E.

BIJLAGEN

256

 

Bijlage 1: Toezichtrelaties op de Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak

256

 

Bijlage 2: Afgerond evaluatie- en overig onderzoek

266

 

Lijst van afkortingen

278

 

Trefwoordenregister

286

A. ALGEMEEN

1. AANBIEDING EN DECHARGEVERLENGING

AAN de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik, mede namens de Minister, het departementale jaarverslag van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) over het jaar 2016 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport decharge te verlenen over het in het jaar 2016 gevoerde financiële beheer.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Rekenkamer met betrekking tot:

  • a. het gevoerde financieel en materieelbeheer;

  • b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

  • c. de financiële informatie in het jaarverslag;

  • d. de betrokken saldibalans;

  • e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

  • f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

  • a. het Financieel Jaarverslag van het Rijk over 2016;

  • b. het voorstel van de slotwet dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • c. het rapport van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • d. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2016 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2016, alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2016 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M.J. van Rijn

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring doorgezonden aan de Minister van Financiën.

2. LEESWIJZER

1. Indeling jaarverslag

Voor u ligt het departementale jaarverslag 2016 van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).

Het onderdeel Algemeen omvat het verzoek tot dechargeverlening en deze leeswijzer.

Het beleidsverslag is opgebouwd uit vier onderdelen:

  • De beleidsprioriteiten. Deze paragraaf gaat in op de belangrijkste resultaten van het Ministerie van VWS over het afgelopen jaar. Het gaat om de hoofdlijnen van het beleid en de beleidsprioriteiten van het huidige kabinet en bewindspersonen.

  • De beleidsartikelen. Hierin wordt per artikel de algemene doelstelling vermeld en wat de rol en verantwoordelijkheden zijn van de Minister. Daarnaast bevat elk beleidsartikel beleidsconclusies waarin een oordeel wordt gegeven over de uitvoering van beleid in het afgelopen jaar. Ten slotte wordt de budgettaire tabel vermeld inclusief een toelichting op de belangrijkste bestedingen van middelen en op de opmerkelijke verschillen tussen de gerealiseerde en begrote uitgaven en ontvangsten.

  • De niet-beleidsartikelen. De artikelen bestaan uit een budgettaire tabel en een toelichting op de opmerkelijke verschillen tussen de gerealiseerde en begrote uitgaven en ontvangsten.

  • De bedrijfsvoeringsparagraaf geeft informatie op het gebied van rechtmatigheid, totstandkoming beleidsinformatie, financieel en materieel beheer en overige aspecten van de bedrijfsvoering.

De jaarrekening is opgebouwd uit de departementale verantwoordingsstaat, de samenvattende verantwoordingsstaat agentschappen, de jaarverantwoordingen van de agentschappen, de saldibalans en de topinkomens.

Vervolgens wordt het Financieel Beeld Zorg (FBZ) gepresenteerd. Het FBZ geeft een integraal beeld van de ontwikkeling van de uitgaven en ontvangsten onder het Budgettair Kader Zorg (BKZ).

Tot slot bevat het jaarverslag een aantal bijlagen, te weten de toezichtrelaties op de Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO’s) en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (RWT’s), afgerond evaluatie- en overig onderzoek, externe inhuur, de lijst met gebruikte afkortingen en het trefwoordenregister.

2. Groeiparagraaf

In de groeiparagraaf wordt aangegeven wat de belangrijkste verbeteringen in het jaarverslag zijn ten opzichte van vorig jaar:

  • Als gevolg van het focusonderwerp «Focus op beleidstoetsing» is het model over de realisatie beleidsdoorlichtingen aangepast. Om deze reden is een paragraaf toegevoegd waarin wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies en beleidsacties van de beleidsdoorlichtingen.

  • In de bedrijfsvoeringsparagraaf is een overzicht voor overschrijdingen van rapporteringstoleranties fouten en onzekerheden toegevoegd. Daarnaast is het onderdeel frauderisico’s komen te vervallen.

De focusonderwerpen zijn «focus op beleidstoetsing, het trekkingsrecht pgb en de acute overgang van de eerste lijn in de ouderenzorg naar de tweede lijn als gevolg van een calamiteit en substitutie van tweede- naar eerstelijnszorg».

3. Afwijkingen van de Rijksbegrotingsvoorschriften

Historische realisatiecijfers

De begroting 2016 is geheel volgens de systematiek van Verantwoord Begroten opgesteld. Dit jaarverslag is vervolgens ook vormgegeven conform de voorschriften van Verantwoord Begroten. Deze nieuwe indeling heeft er voor gezorgd dat de historische realisatiecijfers (T-4) niet volledig gereconstrueerd konden worden.

Norm toelichting verschillen tussen budgettaire raming en realisatie

Bij toepassing van de normen conform de Rijksbegrotingsvoorschriften worden er maar enkele onderdelen toegelicht. Om meer inzicht te geven in de verschillen tussen de budgettaire raming en de realisatie is afgeweken van de toelichtingsnormen in de Rijksbegrotingsvoorschiften.

De in dit jaarverslag gehanteerde normen voor het toelichten zijn:

  • Het verschil tussen de budgettaire raming en de realisatie op de onderdelen van een instrument groter of gelijk is aan € 2,5 miljoen.

  • Als het verschil kleiner dan € 2,5 miljoen is, maar het onderdeel van beleidsmatig of politiek belang is.

4. Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. In de beleidsprioriteiten wordt teruggekomen op de landenspecifieke aanbevelingen zoals verwoord in de begroting.

B. BELEIDSVERSLAG

3. BELEIDSPRIORITEITEN

Inleiding

Gezondheid is ongelooflijk belangrijk in een mensenleven. Van geboorte tot overlijden willen mensen een kwalitatief goed leven waarin zij zich gezond en wel voelen en meedoen in de maatschappij. Zorg moet dus voor iedereen toegankelijk, betaalbaar en kwalitatief goed zijn. Wat goede zorg is, is echter niet statisch.

Tijden veranderen, mensen veranderen en de samenleving verandert. Er zijn verschuivingen in de ziektelast en technologische ontwikkelingen. En er zijn maatschappelijke trends die ook de organisatie van de zorg beïnvloeden. Zoals de mate waarin mensen in staat zijn zelf richting aan zorg en ondersteuning te geven. En de eisen die zij hieraan stellen. De zorgvraag blijft daarnaast groeien. In 2030 is ongeveer 1 op de 4 Nederlanders ouder dan 65. Er zijn dan 4,2 miljoen 65-plussers waarvan de helft ouder is dan 75 (tegenover 1,2 miljoen 75-plussers in 2013).

Onze zorg zal over tien jaar radicaal anders zijn. Om op de toekomst te zijn voorbereid, zijn ingrijpende aanpassingen in het zorgstelsel doorgevoerd. Deze hervormingen waren niet makkelijk en ook niet pijnloos. Intussen heeft in de afgelopen periode al de nodige vernieuwing plaatsgevonden dankzij de inzet van alle partijen. Wij zijn enorm trots op alle bevlogen mensen die hard aan deze omslag en vernieuwing hebben gewerkt. En zich hier elke dag met volle toewijding voor inzetten. Van de superspecialisten in onze topziekenhuizen tot degenen die in onze verpleeghuizen, buurten en wijken het verschil maken voor ouderen en chronisch zieken. Ook als vrijwilliger of mantelzorger.

Onze opgave voor deze regeerperiode was om werk te maken van het organiseren van zorg vanuit mensen in plaats van systemen. Waarbij niet het aanbod centraal staat maar de behoeften en wensen van patiënten en cliënten.

Het afgelopen jaar zijn tegen deze achtergrond opnieuw de nodige stappen gezet in het verplaatsen van zorg naar de buurt. De focus lag daarbij op het aanbrengen van praktische verbeteringen. Met de verdere ontwikkeling van e-health blijkt het mogelijk om zorg en begeleiding niet alleen beter en patiëntvriendelijker te maken, maar deze ook zo dichtbij mogelijk of zelfs thuis te organiseren. Zorgverleners in de eerste lijn hebben meer mogelijkheden om maatwerk en innovatie vergoed te krijgen. Wijkverpleegkundigen hebben meer ruimte gekregen om vanuit hun professionaliteit te handelen. Overal zijn wijkteams aan de slag die bij mensen over de vloer komen. Formulieren en indicatiestellingen maken plaats voor een gericht gesprek over wat mensen nodig hebben. Daarnaast zijn er stappen gezet in de concentratie van complexe zorg als dat kwalitatieve meerwaarde heeft.

Ondanks alle mooie en hoopvolle ontwikkelingen en initiatieven betekent dat niet meteen dat alles goed gaat. Zoals met elke verandering kost het tijd tot alle partijen elkaar naadloos weten te vinden, voordat iedereen precies de weg kent en weet wat hij moet doen of wie hij bijvoorbeeld moet bellen. Ministeries, gemeenten, zorgverzekeraars en zorgaanbieders kunnen en moeten nog meer dan nu samen zorg en ondersteuning over de schotten heen bieden. Om knelpunten op te lossen, zijn wij in 2016 verder gegaan met praktijk- en aanjaagteams zoals Zorg op de juiste plek, Palliatieve zorg en Verwarde Personen. De eerste resultaten van deze vernieuwende aanpak zijn positief.

Het Europees voorzitterschap in de eerste helft van 2016 bood ons de gelegenheid antibioticaresistentie een prominente plek op de internationale agenda te geven. Antibioticaresistentie is immers een wereldwijd probleem. Daarmee voorkomen we dat bacteriën ongevoelig voor antibiotica worden. Tegelijkertijd is een akkoord bereikt over de veiligheid van medische hulpmiddelen en zijn afspraken gemaakt over de Europese samenwerking op het terrein van gezondere voeding en de betaalbaarheid van dure innovatieve geneesmiddelen. Samenwerking in het kader van geneesmiddelen maakt de positie van de Nederlandse patiënt sterker waardoor de toegankelijkheid wordt vergroot. Ook is een analyse gestart naar de Europese regelgeving op het gebied van geneesmiddelen zodat medicijnen sneller beschikbaar komen voor de patiënt.

Om ruimte en vertrouwen aan mensen in de zorg te geven was het ook noodzakelijk om regeldruk terug te dringen. Hoewel er bij het verminderen van regeldruk al een aantal stappen is gezet, is het van groot belang om hier de komende tijd onverminderd op in te blijven zetten. Daarvoor is de inzet van zorg- en hulpverleners cruciaal; zij weten welke administratieve lasten overbodig zijn en hun functioneren hinderen. Minder bureaucratie betekent meer tijd voor zorg aan patiënten en cliënten. En daardoor meer tijd voor artsen en behandelaren om met patiënten en cliënten het goede gesprek te voeren. Want steeds meer wordt samen besloten wat de beste behandeling is. Ook het afgelopen jaar is daarom geïnvesteerd in het versterken van de positie van patiënten en cliënten.

Wij zijn er in geslaagd de groei van de zorguitgaven te remmen. Jarenlang groeide de zorg harder dan de economie; nu gaat het gelijk op. Dat betekent dat onze zorg duurzaam betaalbaar kan worden gehouden. En daarmee toegankelijk voor iedereen. Ook in 2016 bleven de zorguitgaven onder de afgesproken kaders. De Zvw-premie was in het afgelopen jaar min of meer vergelijkbaar met die van 2011. De rustige uitgavenontwikkeling maakte het ook mogelijk dat wij het afgelopen jaar de taakstelling op de Wlz konden schrappen. Wij vinden het van het grootste belang dat juist deze sector – na een periode van veel onrust en onzekerheid – stabiliteit en vertrouwen krijgt. De brede maatschappelijke aandacht voor ouderenzorg bevestigt dat het hier beter kan en moet.

Tegelijkertijd is er als het gaat om uitgavenbeheersing geen reden tot achterover leunen. Volgens het Centraal Planbureau zullen de zorguitgaven zonder nieuwe maatregelen onder een nieuw kabinet stijgen met 3,4% en daarmee een fors beslag leggen op de verwachte economische groei. In het afgelopen jaar zijn al stappen gezet om toekomstige generaties niet met een te hoge zorgrekening op te zadelen. Dat beleid blijft onverminderd van belang.

In dit beleidsverslag blikken wij uitgebreider terug op het afgelopen jaar. Dat doen wij aan de hand van de opzet van de beleidsagenda 2016 en de daarin opgenomen driedeling: (1) naar merkbare zorg dichterbij; (2) minder regels: vertrouwen in elkaar; en (3) uitgavenbeheersing: gezamenlijk inspelen op toekomstige ontwikkelingen en uitdagingen.

Gegeven de opzet van de beleidsagenda 2016 biedt dit verslag geen compleet overzicht van alle behaalde doelen, maar behandelen wij de meest relevante ontwikkelingen op ons beleidsterrein. En blikken wij terug op wat er met de in de beleidsagenda aangekondigde maatregelen en acties is gebeurd. De Tweede Kamer heeft voor de Jaarverantwoording in elk geval gevraagd naar de ontwikkelingen rondom het trekkingsrecht pgb en de acute zorg voor kwetsbare ouderen. Deze focusonderwerpen zijn in de tekst als separate boxjes toegevoegd. Daarnaast plaatsen wij de Nederlandse zorg en gezondheidsuitkomsten in internationaal perspectief.

Ten slotte bevat dit beleidsverslag een overzicht van de realisatie van beleidsdoorlichtingen. In de toelichting op deze beleidsdoorlichtingen wordt ook aandacht besteed aan een vierde focusonderwerp, te weten beleidsevaluaties.

In de VWS-begroting 2017 (en de daarin opgenomen beleidsagenda) zijn we aan de slag gegaan met het verbeteren van de verantwoordings- en monitorfunctie onder andere door het SMART maken van beleidsvoornemens en maatregelen. In de VWS-begroting 2018 en het jaarverslag 2017 zullen we verdere stappen zetten in het uitwerken van de monitorfunctie en de ontwikkeling van indicatoren. Door het concreter en specifieker formuleren van maatregelen en het toevoegen van een gericht aantal indicatoren, moet het mogelijk worden de invulling van de meer recente beleidsprioriteiten af te zetten tegen de langetermijndoelstellingen en trendontwikkelingen. In de huidige praktijk wordt overigens al met monitoring gewerkt, zoals de E-healthmonitor en de Monitor Transitie Jeugd.

Focusonderwerp: De Nederlandse zorg en gezondheidsuitkomsten in internationaal vergelijkend perspectief

Wij vinden het belangrijk de Nederlandse zorg ook internationaal te spiegelen. Om te leren, te duiden en om verantwoording af te leggen. Regelmatig komen ook internationaal vergelijkingen uit waarin landen in het algemeen gerankt worden, zoals die van de Commonwealth Fund (CWF) of de Euro Health Consumer Index (EHCI). Nederland staat meestal hoog op die lijstjes. Dit is mooi, maar relatief.

In deze box wordt een beknopte internationale duiding beschreven van cijfers die voornamelijk afkomstig zijn uit de Staat Volksgezondheid en Zorg (Staat VenZ). In deze box is slechts ruimte voor een beperkt aantal internationaal vergelijkende indicatoren. Ook is er vaak spanning tussen geschikte indicatoren voor specifiek de Nederlandse situatie versus die voor internationale vergelijkingen, waardoor enkele aanvullende indicatoren van de OECD en de Commonwealthfund (CWF) zijn meegenomen.

Het algemene beeld is dat de Nederlander een goede, maar geen exceptionele levensverwachting heeft (81,5 jaar). Tegelijkertijd geeft ons land relatief veel geld uit aan zorg (10,8% van het BBP). Internationaal gezien liggen de uitgaven aan curatieve zorg (ziekenhuizen en revalidatiecentra) echter onder het gemiddelde. Nederland stond als het gaat om uitgaven aan de curatieve zorg op de OECD-lijst in 2013 Europees gezien op een 11e plaats en wereldwijd op een 14e plaats.

Met name de uitgaven aan langdurige zorg zijn hoger dan het gemiddelde. Nederland stond als het gaat om uitgaven aan de langdurige zorg op de OECD-lijst in 2013 Europees en wereldwijd gezien op een 1e plaats.

Wel lijken deze uitgaven de laatste jaren wat meer af te vlakken dan in andere OECD-landen. Het financiële beleid van het kabinet heeft de groei van de zorguitgaven weten te stabiliseren rond de groei van de economie.

Het lijkt erop dat leefstijl en omgevingsfactoren een deel van deze paradox (levensverwachting versus zorguitgaven) zou kunnen verklaren. De omvang van de vermijdbare sterfte – dat deel van de mortaliteit die bij goede zorg kan worden vermeden – ligt in ons land relatief laag (86 per 100.000 mensen). Dat kan impliceren dat andere factoren een grotere rol spelen: zo wordt vooral door laag opgeleide vrouwen veel gerookt tijdens de zwangerschap (ca. 22,1%); de trend van rokende zwangere vrouwen is al een paar jaar stijgend. Met name het aantal rokers (15 jaar en ouder) is met 19,1% nog steeds hoog. Dat is ruim hoger dan in Noorwegen (12,9%) en bijna twee keer zo hoog als in Zweden (9,8%); alhoewel lager dan in Frankrijk (22,4%) en Oostenrijk (24,3%).

Het aantal mensen dat sterft na een opname in het ziekenhuis voor een hartinfarct ligt met 9% rond de mediaan van de OECD (8,7%). Bij sterfte aan een beroerte is dit respectievelijk (9,6% versus 9,9%). Nederlanders worden meestal snel geholpen. Zo scoort ons land het beste bij het aantal heupfracturen waarbij nog dezelfde of de volgende dag al wordt geopereerd (86,8% versus 70,1%). Wel lijkt er een optimum bereikt: de trendverbetering voor wachttijden is in de afgelopen jaren gestagneerd. Kijken we naar de vijfjaarsoverleving bij enkele veel voorkomende vormen van kanker, dan ligt het gemiddelde voor borstkanker en darmkanker boven het gemiddelde van de OECD en voor baarmoederhalskanker net onder het gemiddelde. De verschillen in vijfjaarsoverleving zijn echter klein.

Het aantal (vermijdbare) opnames voor chronische aandoeningen zoals diabetes en COPD ligt laag. En volgens de International Health Policy Survey van de CWF (2013) ligt het aantal patiënten dat aangeeft problemen te ervaren met de afstemming tussen de eerste en tweede lijn lager dan in andere landen. De huisarts is terughoudend met het voorschrijven van antibiotica en slaapmiddelen voor ouderen.

De toegang tot de zorg is in Nederland bovengemiddeld. Wachttijden liggen laag, reistijden zijn kort en de zorg buiten kantooruren (huisartsenposten) is goed geregeld. De eigen betalingen zijn als percentage van de gemiddelde zorgkosten per volwassene laag, maar zijn de afgelopen tien jaar wel gestegen; bovendien kiezen mensen daarnaast soms voor een vrijwillig eigen risico.

Het concluderende beeld is dat het Nederlandse zorgsysteem van een kwaliteit is die de vergelijking met andere ontwikkelde landen goed kan doorstaan en een erg goede toegang tot zorg biedt. Daar staat tegenover dat met name de uitgaven aan de langdurige zorg aan de hoge kant zijn en dat sommige leefstijlindicatoren (roken) negatief zijn.

Merkbaar betere zorg dichtbij mensen

Mensen willen de zorg en begeleiding die bij hen past. Dichtbij huis en als het even kan het liefst thuis, zodat hun leven zo min mogelijk overhoop wordt gehaald. En mensen willen ervan uit kunnen gaan dat de geboden zorg van goede kwaliteit en veilig is.

E-health

E-health moet het mogelijk maken dat de zorg zich kan verplaatsen van de wachtkamer naar de woonkamer. Het gaat hierbij niet alleen om complexe of kostbare digitale hulpmiddelen, maar ook eenvoudige oplossingen die het leven van patiënten gemakkelijker maken en het werk van professionals verbeteren. Om dit mogelijk te maken hebben wij in 2014 drie ambities geformuleerd om via e-health binnen vijf jaar de kwaliteit van leven te verhogen. Deze ambities komen er op neer dat meer mensen direct toegang hebben tot bepaalde medische gegevens, dat er meer mogelijkheden voor chronisch zieken en ouderen zijn om aan zelfmeting en telemonitoring te doen en dat beeldschermzorg (ondersteund door domotica) voor iedereen beschikbaar is die zorg en ondersteuning thuis krijgt.

In 2016 zijn verschillende initiatieven ontplooid om deze ambities te realiseren. Zo doen we goede ervaringen op met het sluiten van Health Deals. In het afgelopen jaar hebben we bijvoorbeeld samen met het Ministerie van EZ, patiëntenorganisaties, bedrijven, ziekenhuizen, zorgverzekeraars en netwerk- en kennisinstellingen afspraken gemaakt over de ontwikkeling van keuzehulpen die patiënt en behandelaar moeten ondersteunen bij het samen kiezen van de best passende kankerbehandeling. Met het eveneens in samenwerking met het Ministerie van EZ in 2016 gestarte Fast Track eHealth Initiatief geld kunnen MKB-ondernemers worden ondersteund en begeleid bij de opschaling van goede e-health initiatieven. Doel is veelbelovende innovaties sneller bij de patiënt te brengen, breder in Nederland toe te passen en een plek te geven in de gezondheidszorg (TK 27 529, nr. 141).

Om gezondheidsgegevens beter beschikbaar en uitwisselbaar te maken zijn afspraken nodig. Wij ondersteunen het onder leiding van de Patiëntenfederatie in 2016 gestarte MedMij. Eind 2016 zijn de eerste MedMij-standaarden gepubliceerd waaraan persoonlijke gezondheidsomgevingen en ICT-systemen moeten voldoen om goed, veilig en betrouwbaar gegevens uit te kunnen wisselen. Ten slotte hebben wij het afgelopen jaar besloten middelen vrij te maken om te realiseren dat patiënten zelf eenvoudig digitaal toegang krijgen tot hun gegevens bij het ziekenhuis (TK 27 529, nr. 142). Tegen deze achtergrond was het belangrijk dat de Wet cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens werd aangenomen (Staatsblad 2016, nr. 373).

Dat er nog veel meer goede ideeën rondom e-health in Nederland leven en mogelijkheden tot innovatie en samenwerking zijn, bleek wel in de internationale e-healthweek (TK 27 529, nr. 139) van juni 2016 en de nationale e-healthweek van januari 2017. Dat er ook nog veel te winnen valt, blijkt uit de laatste E-healthmonitor. Daaruit blijkt onder andere dat zorgaanbieders weliswaar steeds meer online hulpverlening aanbieden, maar dat veel patiënten de weg naar deze hulpverlening nog niet goed weten te vinden (TK 27 529, nr. 141). We zullen dan ook initiatieven blijven ontplooien om onze ambities te halen, zoals door maandelijkse e-healthbijeenkomsten te organiseren, via het Versnellingsprogramma Informatie-uitwisseling Patiënt en Professional en zo nodig met aanpassing van wet- en regelgeving.

Focusonderwerp: Acute zorg voor kwetsbare ouderen

De acute zorg staat de laatste tijd in toenemende mate onder druk. Dit heeft verschillende oorzaken (TK 29 247, nr. 225). Naast (dreigende) personeelstekorten zijn er de afgelopen periode bijvoorbeeld ook steeds meer ouderen op de spoedeisende hulp (SEH) gekomen. Hoewel dit deels door de vergrijzing komt, lijkt deze toename ook het gevolg van het niet tijdig beschikbaar zijn van voldoende en passende zorg. Dit komt voor een belangrijk deel ook door onvoldoende samenwerking in de keten.

Mensen willen langer thuis blijven wonen. Die trend is al sinds 1980 zichtbaar. In de afgelopen jaren is door alle betrokken partijen verder op deze ontwikkeling ingespeeld. Dit door de zorg zo dicht mogelijk bij mensen thuis te organiseren. Dit vraagt op alle fronten om veranderingen in de organisatie van zorg. Niet alleen in de eerste en tweede lijn en in de langdurige zorg, maar vooral ook in de samenwerking in de hele keten van de acute curatieve zorg en ouderenzorg. Dit loopt nog niet altijd zoals gewenst.

Vooral ouderen komen hierdoor nog te vaak onnodig op de SEH terecht en blijven te vaak te lang op de SEH, omdat zij niet tijdig kunnen doorstromen naar een regulier ziekenhuisbed of een andere vorm van vervolgzorg. Wij achten het van belang dat ouderen de juiste zorg op de juiste plek krijgen.

Het eerstelijns verblijf speelt hierbij een belangrijke rol. Eerstelijns verblijf is medisch noodzakelijk kortdurend verblijf, bedoeld voor kwetsbare mensen die tijdelijk niet meer of nog niet verantwoord in hun eigen woonomgeving kunnen verblijven, maar waarvoor geen opname in een ziekenhuis of andere zorginstelling is aangewezen. Deze zorg is gericht op herstel van de patiënt en daarmee op terugkeer naar huis. Opname in het eerstelijns verblijf kan een ziekenhuisopname of SEH-bezoek voorkomen en/of er ook aan de achterkant voor zorgen dat een patiënt die in het ziekenhuis is behandeld maar niet naar huis kan, tijdelijk passende zorg kan krijgen. In 2016 is het budget voor het eerstelijns verblijf opgehoogd. Per 2017 is de bekostiging voor eerstelijns verblijf ondergebracht binnen de Zorgverzekeringswet (Zvw). Met het onderbrengen van eerstelijns verblijf in de Zvw is het mogelijk voor de zorgverzekeraars om de curatieve zorg in samenhang in te kopen (TK 34 104, nr. 125).

Om de druk op de SEH verder te verlichten is de inzet van professionals dicht bij huis en van de sociale omgeving onontbeerlijk. Voor de doorstroom van de oudere patiënt in de keten is regionale coördinatie belangrijk. Het is in eerste instantie aan de zorgaanbieders om hierover afspraken te maken. Wij hebben echter ook de zorgverzekeraars laten weten dat we van hen een integrale (inkoop)visie verwachten en gaan er vanuit dat zij de zorgaanbieders aanspreken op hun verantwoordelijkheid (TK 29 247, nr. 226). Gemeenten kunnen bij een hulpvraag kijken naar risico’s en inzetten op adequate preventie. Ook wijkverpleegkundigen en huisartsen kunnen voorkomen dat ouderen onnodig op de SEH terecht komen (TK 29 247, nr. 226). Ten slotte hebben wij besloten om meer mogelijkheden te creëren voor de huisarts om de specialist ouderengeneeskunde in te schakelen (TK 33 578, nr. 33).

Sinds februari 2016 is daarnaast het praktijkteam «Zorg op de juiste plek» actief: www.denieuwepraktijk.nl/praktijkteam. Dit landelijke team beantwoordt vragen die zorgmedewerkers hebben over de overdracht van kwetsbare cliënten tussen thuis, ziekenhuis of kortdurende opname, en de regels die hierbij gelden. Het praktijkteam bestaat uit experts van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het praktijkteam regelt zelf geen zorg, maar brengt mensen met elkaar in gesprek en adviseert bij vragen. Veel vragen van zorgverleners gingen over organisatie en financiering van de overdracht tussen verschillende vormen van zorg en verblijf. Het praktijkteam maakte duidelijk wat kan. Het leidde onder meer tot een interactieve tekening die veel antwoorden geeft: www.denieuwepraktijk.nl/praktijkteam/zorgketen-in-kaart

Bij meerdere zorgverleners leefde daarnaast onduidelijkheid over de financiering van de wijkverpleegkundige die langskomt in het ziekenhuis om de overdracht naar huis zo soepel mogelijk te laten verlopen. Zorgverleners wisten niet dat een bezoek aan een ziekenhuis door een wijkverpleegkundige om de zorg na een ontslag te regelen vergoed wordt. Het praktijkteam nam misverstanden hierover weg (TK 33 578, nr. 33). Tot slot is er aandacht voor het opleiden van verpleegkundigen: van wijkverpleegkundige tot SEH-verpleegkundige. De plaatsen die beschikbaar zijn, moeten worden ingevuld; stages moeten voorhanden zijn. Hier ligt ook een belangrijke taak bij de zorg zelf.

Betere compensatie chronisch zieken

In onze brief Kwaliteit loont die we in 2015 naar de Tweede Kamer hebben verzonden, was aangekondigd dat er een forse aanpassing van de berekening van de vereveningsbijdrage zou komen. Dit diende ervoor te zorgen dat verzekeraars meer geprikkeld worden om zich te richten op het aantrekken van mensen die (veel) gebruik maken van zorg en voor hen kwalitatief goede zorg in te kopen. Inkopen op kwaliteit moest met een beter risicovereveningsmodel meer lonend worden dan tot dan toe het geval was. In 2016 zijn daartoe grote stappen gezet. Er zijn 350.000 extra chronisch zieken geïdentificeerd in het vereveningsmodel waarvoor verzekeraars een relatief hoge vereveningsbijdrage ontvangen. De herverdeling van budget bij verzekeraars van gezond naar ongezond moet daarmee toenemen van € 5,2 miljard in 2006 naar € 13,8 miljard in 2016; oftewel van 26% naar 36% van de curatieve zorguitgaven (TK 29 689, nr. 617).

Vanaf 2017 zijn zorgverzekeraars volledig risicodragend. Dat betekent dat zij niet langer achteraf gecompenseerd worden als kosten onverwacht hoger uitvallen (TK 29 689, nr. 725).

Samenwerking zorgaanbieders en zorgverzekeraars

Goede contracten en goede werkrelaties tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars komen de kwaliteit van de zorg ten goede. In het afgelopen jaar is de Geschilleninstantie Zorgcontractering van start gegaan. Deze instantie kan optreden als bemiddelaar tussen zorgverzekeraar en zorgaanbieder wanneer zij er tijdens contractbesprekingen niet uitkomen (bijvoorbeeld door mediation). Het doel van de instantie is om een gang naar de rechter te voorkomen. Dat moet veel tijd en geld besparen en is ook gericht op het continueren van de samenwerking (TK 29 689, nr. 717).

Depressiepreventie

Ongeveer 1 op de 20 volwassen Nederlanders worstelt elk jaar met een depressie. Het is in Nederland een van de meest voorkomende redenen voor ziekteverzuim. Toch is depressie niet of nauwelijks een onderwerp van gesprek. Mensen weten er weinig van, vinden het lastig om er op te reageren en weten niet hoe ze iemand met een depressie kunnen helpen. Dat moet anders. Om die reden zijn wij in 2016 een landelijke publiekscampagne begonnen om depressie bespreekbaar te maken en de kennis erover te vergroten (TK 32 793, nr. 259). Ook zijn wij gestart met een langjarig onderzoeksprogramma en een landelijke agenda suïcidepreventie. Ten slotte is de hulplijn 113Online financieel enorm versterkt (TK 32 793, nr. 218).

Verwarde personen

In september 2015 hebben wij samen met de Minister van VenJ en de VNG het «Aanjaagteam Verwarde Personen» geïnstalleerd. De inzet van het aanjaagteam was om te bevorderen dat gemeenten, voor zover dat nog niet het geval was, binnen een jaar zouden beschikken over een sluitende aanpak van zorg en ondersteuning van personen met verward gedrag. In de tweede tussenrapportage van het aanjaagteam wordt geconcludeerd dat ondanks alle inspanningen de zorg en ondersteuning beter kan en moet. Ook is er nog een grotere inzet van alle partijen nodig; zeker daar waar het gaat om preventie en vroegsignalering.

Wij hebben aan deze oproep gehoor gegeven door in 2016 een nieuw schakelteam in te stellen. Alle gemeenten en regio’s moeten beschikken over een goed werkend systeem voor de ondersteuning van mensen met verward gedrag. Het schakelteam zal tot 1 oktober 2018 alles uit de kast trekken om dit te faciliteren, waarbij we er vanuit gaan dat veel regio’s ruim voor die tijd al een functionerend systeem hebben. In een aantal «verdiepingsregio's» experimenteren gemeenten en organisaties al met een betere aanpak. Zo wordt op verschillende plaatsen gewerkt met alternatieve vormen van vervoer die beter aansluiten bij de behoefte van mensen die verward gedrag vertonen. Ook zijn er verschillende opvanglocaties voor mensen met verward gedrag waar snelle risicotaxatie en eventueel doorverwijzing plaatsvindt. Het schakelteam gaat gemeenten en hun partners ondersteunen in het realiseren van dergelijke voorzieningen, onder andere door het verspreiden van kennis en goede voorbeelden (TK 25 424, nr. 321).

Ter ondersteuning van de brede aanpak rondom verwarde personen lopen verschillende acties, bijvoorbeeld op het gebied van onverzekerden. In de praktijk komt het helaas voor dat mensen geen vaste woon- of verblijfplaats hebben en ook geen briefadres. Een zorgverzekering vereist een adres. Hierdoor hebben deze dak- en thuislozen ook geen zorgverzekering en zijn zij verstoken van medisch noodzakelijk zorg. Om dit aan te pakken zetten gemeenten zich ervoor in dat mensen uit kwetsbare groepen zonder adres, zo snel mogelijk worden ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie zodat ze vindbaar zijn voor instanties en beter gebruik kunnen maken van voorzieningen. Daarnaast is sinds 1 maart 2017 de Subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden van kracht (Staatscourant 2017, nr. 10332). Deze regelt dat aanbieders de kosten van verleende zorg aan onverzekerde verzekeringsplichtigen onder voorwaarden vergoed krijgen; ook als de papieren nog niet op orde zijn.

De Wet verplichte ggz is op 14 februari 2017 aangenomen in de Tweede Kamer. Deze wet stelt de zorg centraal in plaats van de gedwongen opname van een patiënt en maakt het mogelijk deze zorg, ook in gedwongen kader, ambulant te verlenen. Hierdoor hoeft niet te worden gewacht tot het gevaar zo ernstig is dat het alleen door middel van een gedwongen opname weggenomen kan worden. Ook zorgt de wet ervoor dat familieleden beter worden betrokken.

Decentralisatie jeugdhulp en Wmo

Deze kabinetsperiode zijn grote hervormingen in het sociaal domein doorgevoerd. Zodat kwetsbare mensen eerder hulp krijgen en ondersteuning op maat. Zodat mensen langer thuis kunnen wonen en met hun sociale netwerk zoveel als mogelijk zelf de regie houden over hun leven. Door de decentralisaties in het sociale domein zijn de gemeenten de eerstverantwoordelijke overheid geworden voor werk, maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp.

Na een zorgvuldige voorbereiding zijn de Jeugdwet en de Wmo 2015 op 1 januari 2015 in werking getreden. Bijna twee jaar later blijkt dat de continuïteit van jeugdzorg is gewaarborgd. «Door de bank genomen zijn ouders tevreden over de kwaliteit van de geboden zorg», stelde ook de Kinderombudsman afgelopen jaar.

Na de stelselwijziging blijft het jeugdhulpgebruik vrijwel gelijk. De lichte daling die over de afgelopen jaren kan worden geconstateerd, hangt samen met demografische trend van 1% minder jeugdigen per jaar. De decentralisaties zijn pas echt geslaagd als mensen ervaren dat ze goed worden geholpen: preventie, aansluiten op wat ouders en kinderen zelf willen en kunnen, passende hulp dichtbij, integrale ondersteuning en met alle ruimte voor professionals. Nu twee jaar na de invoering worden de vernieuwingen in de jeugdhulp goed zichtbaar. Het lokale maatwerk is nog onvoldoende ontwikkeld (zoals blijkt uit de Monitor Transitie Jeugd 2016). Cliënten melden dat de ontvangen hulp niet aansluit bij hun hulpvraag. Samen met gemeenten en aanbieders proberen wij deze signalen op te pakken. Zo is afgesproken dat gemeenten een aanspreekpunt met doorzettingsmacht gaan inrichten waar gezinnen terecht kunnen als zij dreigen vast te lopen.

De invoering van de Jeugdwet heeft geleid tot verschillende uitdagingen in het organiseren van jeugdhulp. Belangrijk onderdeel daarvan is de transformatie en daarmee samenhangend borging van essentiële specialistische jeugdhulpfuncties. Om te voorkomen dat er gedurende de transformatie van het zorglandschap essentiële functies in de jeugdhulp verdwijnen, is besloten om de Transitie Autoriteit Jeugd met een jaar te verlengen (TK 31 839, nr. 554).

Om ouders met ernstig zieke kinderen gemakkelijker duidelijkheid te geven over zaken waarover zij zich zorgen maken, is in 2016 een expertisepunt zorg voor deze groep ingericht. Daar kunnen niet alleen ouders maar bijvoorbeeld ook verzorgers, professionals en gemeenteambtenaren terecht voor specifieke vragen (TK 34 104, nr. 148).

Kinderen moeten er daarnaast op kunnen rekenen dat zij in een veilige omgeving opgroeien. In Nederland moet op een meer systematische manier worden gewerkt aan de veiligheid van kinderen en andere kwetsbare groepen. Uit de meest recente voortgangsrapportage Geweld in afhankelijkheidsrelaties blijkt dat 25 van de Veilig Thuis-organisaties de basis voldoende op orde hebben en nog één organisatie onder verscherpt toezicht staat. Zoals met de Tweede Kamer afgesproken is het essentieel dat Veilig Thuis een «radarfunctie» voor veiligheid vervult. Daarvoor wordt momenteel een impactanalyse uitgevoerd. Tegelijkertijd ligt een advies voor bij de Raad van State om de meldcode aan te scherpen. Hierin wordt een afwegingskader voorgeschreven waarmee professionals in staat worden gesteld om te beoordelen of er sprake is van (een vermoeden van) ernstig huiselijk geweld of ernstige kindermishandeling, dat melden bij Veilig Thuis vereist (TK 28 345, nr. 174).

Ook voor de Wmo 2015 geldt dat de aandacht moet worden verlegd naar een goed werkende praktijk, die voor gebruikers van zorg en ondersteuning en professionals merkbaar beter wordt. Langs de in 2016 vastgestelde, gezamenlijke agenda Volwaardig meedoen 2016–2018 moeten gemeenten, Rijk en cliëntorganisaties prioriteit geven aan drie doelstellingen. Die drie doelstellingen zijn: versterking van de positie van de cliënt, het bieden van maatwerk in levensbrede ondersteuning (gericht op participatie en zelfredzaamheid) en de bevordering van een «inclusieve samenleving» die wordt verrijkt door maatschappelijke initiatieven (TK 29 538, nr. 214).

Uit de voortgangsrapportage Wmo over de tweede helft van 2016 wordt duidelijk dat er inmiddels veel goede initiatieven lopen die invulling geven aan de bedoeling van de wet. Zorgverzekeraars en gemeenten werken steeds beter samen om de zorg en ondersteuning in de wijken beter op elkaar af te stemmen. En zij onderzoeken hoe er een betere verbinding kan komen tussen de medische zorg en het sociaal domein. Sociale wijkteams onderhouden samen met de wijkverpleegkundige, huisarts en wijkagent de contacten met de wijk. Daardoor kunnen signalen eerder, beter en meer in samenhang worden opgepakt; soms zelf voordat er al een gerichte zorgvraag is. De wens om de cliënt centraal te stellen is nog niet overal in de praktijk aanwezig. Hoewel de goede weg is ingeslagen, is extra inspanning, tijd en vertrouwen nodig om hier de noodzakelijke volgende stappen te zetten. Wat past bij een ontwikkelende praktijk is dat goede voorbeelden in het zonnetje worden gezet. Dat gebeurt onder andere via de website www.denieuwepraktijk.nl. Op langere termijn moeten de evaluaties van het SCP de effecten van het nieuwe beleid in beeld brengen (TK 29 538, nr. 230).

Wie voor ondersteuning bij de gemeente aan klopt, is het best af met één contactpersoon en met hulpverleners en ondersteunende instanties die goed samenwerken. De vraag moet centraal staan, niet de regeling of het type zorg. Vijf grote gemeenten en drie ministeries hebben in 2016 een City Deal gesloten om zo’n integrale aanpak te bevorderen. De deal moet leiden tot nieuwe manieren van ondersteuning voor mensen met een ondersteuningsbehoefte. De gemeenten Eindhoven, Enschede, Leeuwarden, Utrecht en Zaanstad werken aan nieuwe vormen van ondersteuning voor huishoudens met meer problemen, zoals verstandelijke of lichamelijke beperkingen, werkloosheid, armoede, schulden en opvoedings- of psychische problemen.

Ten slotte moeten gemeenten een reële kostprijs gaan betalen voor Wmo-hulp voor ouderen en mensen met een beperking. Op 10 februari jl. is een besluit afgekondigd dat regelt dat gemeenten dit moet regelen (Staatsblad 2017, nr. 55). Het gaat om het «Besluit regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening en de continuïteit in de hulpverlening tussen de cliënt en de hulpverlener». De Wmo 2015 verplichtte de gemeenteraad al om bij de uitvoering van de Wmo regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs en de kwaliteit van een voorziening. Dit besluit stelt daarvoor ter verduidelijking nadere regels aan deze verplichting. Gemeenten kunnen hiermee vechtcontracten, waarin partijen zorg onder de reële kostprijs aanbieden, buiten de deur houden.

Focusonderwerp: pgb-trekkingsrechten

Het pgb maakt het mogelijk voor mensen om zelf zorg in te kopen, die past bij hun wensen. De groei van het aantal pgb’s maakt duidelijk dat deze vorm van zorgverlening voorziet in een behoefte. Het nadeel van het pgb is dat dit gepaard gaat met hoge uitvoeringslasten en een grotere fraudegevoeligheid. Met de inwerkingtreding van de Wlz, de Wmo 2015 en de Jeugdwet is ook het trekkingsrecht persoonsgebonden budget (pgb) ingevoerd. Dit betekent dat het budget niet langer aan de budgethouder zelf wordt verstrekt, maar na controle de betalingen rechtstreeks aan de zorgverlener worden gedaan. De invoering van het trekkingsrecht in 2015 is niet zonder problemen verlopen. Het jaar 2015 stond daarom in het teken van herstel. In 2016 is ketenbreed gewerkt aan het verder stabiliseren en verbeteren van het systeem van trekkingsrecht (TK 25 657, nr. 235).

Over de voortgang is de Kamer regelmatig geïnformeerd. De laatste voortgangsrapportage is op 2 november jl. aan de Tweede Kamer verzonden (TK 25 657, nr. 273). Uit deze voortgangsrapportages blijkt dat in 2016 verschillende verbeterslagen zijn gerealiseerd. Zo waren de betalingen gedurende het hele jaar stabiel en vanaf november 2016 wordt de totale set reguliere controles uitgevoerd zoals afgesproken (TK 25 657, nr. 261). Dit draagt bij aan de controledoelstelling van het trekkingsrecht, maar verdere verbeteringen in met name de administratieve afhandeling zijn en blijven nodig. Verbeteringen die op dit vlak zijn ingezet zijn onder meer het ontwikkelen van een gebruikersvriendelijk portaal, vergaand standaardiseren en digitaliseren, het beter borgen van taken en verantwoordelijkheden voor de verstrekker en noodzakelijke investeringen bij de SVB. (TK 25 657, nr. 249). Over de totstandkoming van het portaal is de Tweede Kamer op 16 december jl. geïnformeerd (TK 25 657, nr. 275).

Dementie

In ons land leven naar schatting 260.000 mensen met dementie. Het aantal mensen met dementie zal, vooral als gevolg van de vergrijzing, stijgen tot naar schatting meer dan 400.000 in 2050. Van de mensen met dementie woont 70% thuis. Meer dan 40% van de mensen met dementie is alleenstaand. Voor mensen met dementie staan naast de beroepskrachten en vrijwilligers naar schatting 300.000 mantelzorgers klaar. Gemiddeld leven mensen met dementie ruim zes jaar thuis en ruim anderhalf jaar in een instelling. In het afgelopen jaar hebben wij niet alleen extra geld vrij gemaakt voor wetenschappelijk onderzoek naar de dodelijke hersenaandoening, maar is ook de campagne Samen dementievriendelijk gestart (TK 25 424, nr. 313). Begin 2017 hadden zich 14.371 mensen geregistreerd als «dementievriendelijk». In 2020 moeten dat er zo’n 300.000 zijn: één voor elke Nederlander die op dat moment leeft met dementie.

Mensen met een beperking

Sinds 14 juli 2016 geldt daarnaast het VN-verdrag Handicap. Dit verdrag bepaalt dat iedereen volwaardig moet kunnen deelnemen aan de samenleving. Helaas is dat in Nederland niet altijd het geval. Mensen met een handicap lopen regelmatig letterlijk en figuurlijk tegen obstakels aan. In ons land hebben ruim 2 miljoen mensen één of meer handicaps. Ze zijn slechtziend, blind of doof, hebben een andere lichamelijke of een verstandelijke beperking of een psychische of psychiatrische aandoening.

Mensen met een beperking of chronische ziekte krijgen een centrale rol bij de invoering van het VN-verdrag. Zij zijn actief betrokken bij de totstandkoming van actieplannen per sector waarin concreet wordt uitgewerkt hoe algemene toegankelijkheid in de praktijk wordt gerealiseerd. Een AMvB die dit moet regelen hebben wij naar de Eerste en Tweede Kamer gestuurd (TK 33 990, nr. 61). Met de begin 2017 gestarte campagne Meedoen met een handicap willen wij zaken door de ogen van iemand met een handicap laten bekijken en daarmee bewustwording creëren. Dan blijkt sporten, boodschappen doen of een terrasje pakken helemaal niet zo vanzelfsprekend.

Ouderenzorg

Omdat ouderen langer thuis blijven wonen is de zorg die zij nodig hebben als zij uiteindelijk wel naar een verpleeghuis gaan, complexer dan vroeger. Het verbeteren van de kwaliteit van de verpleeghuis- en gehandicaptenzorg is dan ook een van onze speerpunten. Voor de ouderenzorg hebben wij met «Waardigheid en Trots» in 2015 al een breed plan gelanceerd om in alle Nederlandse verpleeghuizen liefdevolle zorg door trotse medewerkers te bewerkstelligen. Daartoe zijn vanaf 2016 extra middelen beschikbaar gesteld voor zinvolle dagbesteding van bewoners en het versterken van de deskundigheid van personeel. Daarnaast is met het vervolg «Waardig leven met zorg» de invloed van ouderen op de kwaliteit van zorg verhoogd. Hun wensen moeten bepalen hoe de zorg er uit ziet. Daarom worden die leidend bij de bekostiging en inkoop van zorg.

Goede personeelsbezetting in alle verpleeghuizen is ook een centraal thema in het door de hele Tweede Kamer omarmde manifest Scherp op Ouderenzorg van Hugo Borst en Carin Gaemers. Begin 2017 hebben wij op basis van dit manifest besloten € 100 miljoen extra uit te trekken. In 2016 hebben wij een voorgenomen bezuiniging van € 500 miljoen geschrapt en extra middelen gereserveerd voor opleidingen om steeds complexere zorg te kunnen verlenen (TK 31 765, nr. 260).

Hiermee worden instellingen niet alleen financiële rust en stabiliteit geboden, maar moeten zij de verpleegzorg ook naar een hoger plan gaan tillen. Met ingang van 13 januari 2017 is het kwaliteitskader verpleegzorg vastgesteld. Na jaren van discussie is het voor het eerst dat zo’n alomvattend kader (inclusief normen voor personeel) er nu daadwerkelijk is. Zo wordt voor iedereen – van cliënten tot medewerkers en bestuurders – duidelijk waarop mag worden gerekend en zal worden toegezien.

Dat er al enige stappen in de gewenste verbeterslag zijn gezet, blijkt ook uit de conclusies van de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Bij de door de inspectie aangemerkte verpleeghuizen met een verhoogd risico is – sinds de start van extra toezicht in 2015 – bij 111 van de 150 de kwaliteit op orde en extra toezicht van de Inspectie niet langer nodig. Vijf verpleeghuizen vielen eind 2016 nog onder het meest intensieve toezicht van de IGZ (TK 31 765, nr. 245).

Sport en bewegen in de buurt

Jong of oud, met of zonder beperking – sport is gezond en brengt mensen bij elkaar. Het leert kinderen om te gaan met regels, met winnen en verliezen, met elkaar. Om sporten en bewegen in de buurt voor zoveel mogelijk Nederlanders mogelijk te maken, hebben wij de afgelopen jaren een enorme impuls gegeven aan het lokale sportbeleid. Ruim 4.800 buurtsportcoaches (2.948 fte) waren afgelopen jaar door heel het land aan de slag. Naar schatting bereiken zij 1 tot 1,5 miljoen mensen. Ruim 500 Gezonde Scholen hebben inmiddels het deelcertificaat sport en bewegen waarmee zij zo’n kwart miljoen leerlingen extra sportief in beweging brengen. Dankzij ons sportstimuleringsprogramma Special Heroes kunnen meer kinderen in het speciaal onderwijs sporten en bewegen. Met dit programma zijn in totaal 370 scholen en ruim 45.000 kinderen bereikt (TK 30 234, nr. 157). Eind 2016 waren 116 gemeenten aangesloten bij Jongeren Op Gezond Gewicht (JOGG), een programma om overgewicht bij jongeren tegen te gaan. Dit betekent dat circa 832.000 kinderen bereikt kunnen worden.

Leefstijl en preventie

Nederlanders leven steeds langer en blijven langer gezond. Dat danken we onder meer aan onze ziektepreventie: het rijksvaccinatieprogramma blijft een effectieve pijler in infectieziektenbestrijding. Moderne screening en bevolkingsonderzoeken helpen ons ziekten in een vroegtijdig stadium op te sporen of zelfs te voorkomen.

Maar dat danken we ook aan het verbeteren van onze leefstijl. Onze jeugd rookt en drinkt steeds minder. De opwaartse trend in overgewicht lijkt te stabiliseren. Ondanks deze gunstige ontwikkelingen, is er nog altijd een wereld te winnen. De ziektelast als gevolg van ongezond gedrag is nog steeds groot. Ook blijft de jeugd kwetsbaar, omdat voor hen de schadelijke gevolgen van bijvoorbeeld alcohol, tabak en overgewicht groter zijn.

Daarom blijven wij actief inzetten op de maatschappelijke beweging die op gang is gekomen in het kader van Alles is gezondheid. In 2016 werden 45 nieuwe zogeheten pledges getekend, waarin partijen zich binden aan gerichte en concrete activiteiten van de beweging. Eind 2016 zijn er in totaal 309 pledges ondertekend en zijn er 1.825 unieke organisatie betrokken bij de beweging: van bedrijven tot gemeenten en scholen. In het afgelopen jaar is daarnaast hard gewerkt aan de subsidieregeling preventiecoalities. Met deze regeling (die op 1 januari 2017 in is gegaan) willen wij structurele samenwerking tussen zorgverzekeraars en gemeenten op het gebied van preventieactiviteiten voor risicogroepen stimuleren en activeren. Doel is om zo de gezondheid van juist deze groep te verbeteren (TK 32 793, nr. 245).

Tegelijkertijd krijgen veel mensen nog veel zout, verzadigde vetten en suikers binnen. In het kader van het Europees voorzitterschap is door alle lidstaten brede steun uitgesproken voor de «Roadmap for action». Daarmee onderschrijven de deelnemers de urgentie voor gezamenlijke actie om het productaanbod stap voor stap gezonder te maken door zout, verzadigd vet en toegevoegde suikers (calorieën) in producten te verlagen (TK 34 139, nr. 18).

Antibioticaresistentie

Nederland had tijdens het Europees voorzitterschap de primeur om, voor het eerst in de geschiedenis van de Europese Unie, zowel bewindslieden van Volksgezondheid als van Landbouw bijeen te brengen om de dreiging van antibioticaresistentie te bespreken. Deze «One Health»-aanpak geeft aan hoe cruciaal samenwerking tussen beide sectoren is op dit thema. Door overmatig en verkeerd gebruik van antibiotica hebben bacteriesoorten zich sneller met resistentie ontwikkeld tegen deze levensreddende medicijnen. Hierdoor dreigen ziektes als long- of blaasontsteking weer ernstiger te verlopen, met verhoogde kans op voortijdig overlijden. In Europees verband is daarom onder andere afgesproken dat alle landen maatregelen treffen om zorgvuldig gebruik van antibiotica bij mens en dier zeker te stellen. Ook gaan lidstaten de ontwikkeling van nieuwe antibiotica en alternatieven voor antibiotica bevorderen. Wij hebben voor de komende vier jaar ruim € 6 miljoen voor onderzoek naar nieuwe antibiotica uitgetrokken. Het geld is bestemd voor een nieuw onderzoeksprogramma en verbonden aan het eveneens nieuw op te richten National Antibiotic Development Platform. Het platform is onderdeel van het Netherlands Center for One Health en gaat onderzoek bundelen en versterken. Het platform en het onderzoek zijn eind 2016 van start gegaan (TK 34 139, nr. 18).

Minder regels: vertrouwen in elkaar

Het jaar 2016 stond in het teken van het afbouwen van de regeldruk en vergroten van het onderling vertrouwen. Zorgverleners moeten meer tijd kunnen besteden aan zorg en minder aan onnodig papierwerk. Daarnaast moeten zorgverleners voelen dat eigen initiatief en samenwerking wordt gewaardeerd en ruimte wordt geboden voor nieuwe efficiënte en effectieve manieren van zorgverlening.

Vermindering regeldruk

In 2016 zijn verdere stappen gezet bij het verminderen van de regeldruk en het vereenvoudigen van regels. Zo is de declaratieregelgeving toegankelijker gemaakt door toelichtingen te integreren en te verduidelijken. Naast het vereenvoudigen van valide regels is ingezet op het schrappen van overbodige regels. Zo is in 2016 een wetsvoorstel ingediend om de verplichte papieren polis te schrappen. Nieuwe wet- en regelgeving dient alleen te worden ingevoerd als dit noodzakelijk is en als de lasten in verhouding staan tot de baten van de nieuwe regelgeving. Om deze reden wordt nieuwe regelgeving sinds dit jaar aan de regeldruktoets onderworpen (TK 29 515, nr. 395). Ook kan worden geleerd van resultaten uit eerdere regeldruk-trajecten. De lessen zoals uit het experiment regelarme instellingen hebben geholpen bij het vormgeven van nieuw beleid: het vereenvoudigen van de bekostiging in de wijkverpleging, het eenvoudiger melden van calamiteiten bij de IGZ en het bevriezen van de CQ-index waardoor gegevens niet hoeven te worden uitgevraagd.

Voor de Wmo 2015 en de Jeugdwet zijn in samenwerking met het programma i-Sociaal Domein regeldruksessies georganiseerd en is een onderzoek gestart naar mogelijkheden om inkoop-, kwaliteits-, facturatie- en verantwoordingseisen te verminderen. De bedoeling is dat gemeenten en zorgaanbieders de producten van het programma i-Sociaal Domein zullen verheffen tot veldnorm, om daarmee administratieve lasten verder te beperken (TK 29 515, nr. 388).

Het grootste deel van de regels waar zorgprofessionals in hun dagelijks werk mee te maken hebben is niet opgelegd door de overheid maar door de sector zelf. Daarom zijn initiatieven vanuit de sector van het grootste belang. Onder de noemer Het roer moet om zijn huisartsen in 2015 een project gestart om de bureaucratie in de zorg terug te dringen. Als gevolg van dit project is een groot aantal overbodige formulieren en machtigingen afgeschaft. Met de ggz, de paramedische zorg en de farmaceutische keten volgen we een vergelijkbaar traject om de administratieve lasten zoveel mogelijk terug te brengen. De Innovatieplaats Cure is bedoeld voor zorgaanbieders die bij de uitvoering van hun zelfontwikkelde zorgoplossing tegen de grenzen van de huidige wet- en regelgeving aanlopen. 15 zorgaanbieders hebben het afgelopen jaar de mogelijkheid gekregen om hun zelf bedachte, regelarme werkwijze in de praktijk te brengen.

Wij stimuleren dit type initiatieven en willen aansturen op effectievere samenwerking om tot een substantiële vermindering van de regeldruk te komen. Ook bijvoorbeeld in ziekenhuizen en revalidatie-instellingen. Ook willen wij meer vrijheid geven voor eigen invulling van zorgprestaties. Resultaat: meer ruimte voor innovatie en maatwerk. Uiteraard zal deze ruimte alleen geboden worden als de sector aan randvoorwaarden voldoet om verantwoord te dereguleren. Het nemen van maatregelen ter vermindering van de regeldruk is echter niet afdoende. De professionals moeten ook ervaren dat de regeldruk is afgenomen. De ervaren regeldruk zal de komende periode worden onderzocht (TK 29 515, nr. 395). Daarnaast wordt bezien aan welke extra reductiemaatregelen uitvoering kan worden gegeven. Hierbij is en blijft focus op de praktijk het uitgangspunt.

Rechtmatige zorg

Bij het verminderen van onnodige regelgeving en administratieve lasten is het evenwicht gezocht met de noodzaak om fraude, verspilling en slecht bestuur aan te pakken. De aanpak van fouten en fraude in de zorg is een van de beleidsprioriteiten van het huidige kabinet. Daarom is in het voorjaar 2015 het programmaplan Rechtmatige Zorg – aanpak fouten en fraude 2015–2018 opgesteld (TK 28 828, nr. 89). Anderhalf jaar later zijn met alle betrokken partijen belangrijke stappen gezet. Allereerst is het thema fouten en fraude in de zorg bespreekbaar gemaakt. Waar dit aanvankelijk soms weerstand opriep, zijn alle partijen zich nu bewust van het belang van rechtmatigheid en nemen zij hun verantwoordelijkheid om fouten en fraude tegen te gaan en aan te pakken. Zorgaanbieders werken aan het verbeteren van het correct registreren en declareren. Met de VNG wordt gewerkt aan kennisopbouw bij gemeenten, zodat zij de lokale aanpak van fouten en fraude goed kunnen uitvoeren.

Uiteraard gaat het niet alleen om het signaleren van fraude, maar ook om het kenbaar maken ervan. In 2016 is een handreiking ontwikkeld die zorgprofessionals handvatten geeft hoe om te gaan met vermoedens van fouten of fraude binnen hun organisatie. Ook is op 1 november gestart met het Informatieknooppunt Zorgfraude (IKZ) bij de Nederlandse Zorgautoriteit. Zowel burgers als professionals kunnen hier fraudesignalen doorgeven, waarna toezichthouders en opsporingsdiensten de signalen onderzoeken en afhandelen. Daarnaast zijn de mogelijkheden om fraude te onderzoeken verbeterd door de capaciteit voor toezicht, opsporing en vervolging uit te breiden en te zoeken naar manieren om effectiever te werken (TK 28 828, nr. 98).

Transparantie van informatie

Bij verbeteringen in de zorg is informatie over kwaliteit een voorwaarde. Patiënten moeten op basis van betrouwbare en begrijpelijke informatie kunnen kiezen voor een ziekenhuis, een arts of een behandeling. In 2016 heeft transparantie prioriteit gekregen. In dit jaar is de informatievoorziening voor patiënten verbeterd. Patiënten kunnen bij de meest voorkomende aandoeningen gebruik maken van keuzehulpen om de voor hen beste behandelaar te kiezen. Over ruim 150 aandoeningen zijn korte informatieve teksten beschikbaar gesteld. Ook zijn er stappen gezet bij het verbeteren van de positie van de patiënt. Zorgverzekeraars hebben een actieplan opgesteld om hun aanbod voor verzekerden inzichtelijker te maken en overstappen te vergemakkelijken. Er zijn concrete afspraken gemaakt met zorgaanbieders, zorgverzekeraars en de NZa over verbetering van het contracteringsproces, zodat verzekerden weten bij welke polis zij bij welke zorgaanbieder terecht kunnen. Zorgverzekeraars moeten voor 1 april inzichtelijk maken wat hun inkoopbeleid voor het jaar erop is.

Iedereen vindt dat goed inzicht in de kwaliteit van zorg nodig is, maar de gegevensregistratie die gepaard gaat met het inzichtelijk maken van kwaliteit is nog onderwerp van discussie. Registratie aan de bron kan de oplossing vormen. Gegevens worden in een keer aan de bron geregistreerd en kunnen dan voor verschillende doeleinden – declaratie, kwaliteit, sturing – worden gebruikt. Met deze inspanning is de afgelopen tijd een stap gezet in het vergroten van de transparantie van kwaliteit van zorg. Dit proces moet in de komende periode voortgezet worden (TK 32 620, nr. 168). De kwaliteitsinformatie wordt verder gestandaardiseerd waarbij van internationale kennis gebruik wordt gemaakt. Het patiëntenoordeel moet daarbij inzichtelijk worden gemaakt. Ook zal de komende jaren worden ingezet op het verbeteren van de keuze-informatie voor patiënten.

Wet kwaliteit klachten en geschillen zorg en aanpassing Gezondheidswet

Meer transparantie en openheid moet er ook komen over klachten en ongewenste voorvallen in de zorg. Door van incidenten te leren wordt de kwaliteit van zorg verbeterd. Op 1 januari 2016 is de Wet kwaliteit klachten en geschillen zorg (Wkkgz) in werking getreden. Vanaf 1 januari 2017 moeten zorgaanbieders hun klachtenregeling inregelen in overeenstemming met de nieuwe wet. Hierdoor wordt de positie van patiënten en cliënten versterkt.

In 2016 is de Eerste Kamer akkoord gegaan met de wijziging van de Gezondheidswet. Met deze wijziging kunnen handhaving- en inspectiegegevens van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Inspectie Jeugdzorg actief openbaar worden gemaakt (Staatsblad 2016, 448).

Uitgavenbeheersing: gezamenlijk inspelen op toekomstige ontwikkelingen en uitdagingen

Beheersing van de zorgkosten is en blijft noodzakelijk. Er zijn forse stappen gezet in het beheersen van de zorgkosten door een grotere risicodragendheid van zorgverzekeraars, het hogere eigen risico en de gesloten hoofdlijnenakkoorden. Dankzij deze maatregelen was de groei van de totale zorguitgaven de afgelopen jaren historisch laag. We zijn er echter nog niet. De zorg moet immers niet alleen nu maar ook voor volgende generaties betaalbaar blijven. Daarom zijn in 2016 aanvullende maatregelen genomen.

Aanpak verspilling

Een middel om de zorguitgaven te beheersen is het tegengaan van verspilling. Door middel van het programma Aanpak verspilling in de zorg is bij burgers en zorgverleners geïnventariseerd waar zij verspilling zagen. Door een brede vertegenwoordiging vanuit de zorgpartijen is over oplossingsrichtingen nagedacht, waarna zes pilots zijn gestart die besparingsmogelijkheden in beeld brengen. Zo moet het op maat voorschrijven van geneesmiddelen voorkomen dat medicijnen ongebruikt overblijven en moet een inkoopdoorlichting in beeld brengen hoe door slimmer in te kopen besparingen kunnen worden gerealiseerd (TK 33 654, nr. 22).

Bij het tegengaan van verspilling is de afstemming en samenwerking tussen professionals van groot belang. De meeste reductie van verspilling wordt immers bereikt op de werkvloer, door professionals die met elkaar besluiten om anders te werken en zo verspilling tegen te gaan. Voor elke organisatie is de winst anders, maar de succesverhalen laten zien dat aanzienlijke besparingen mogelijk zijn. Om die besparingen te bewerkstelligen blijft gezamenlijke inzet op zinnige en zuinige zorg cruciaal (TK 33 654, nr. 22).

Dure geneesmiddelen

Een van de oorzaken van de sterke stijging van zorgkosten ligt in het toenemend gebruik van nieuwe, zeer dure geneesmiddelen die een grote toegevoegde medische waarde hebben en vaak zijn bedoeld voor kleine groepen mensen. Als er niets verandert komt de betaalbaarheid van deze nieuwe medicijnen steeds verder onder druk te staan. De aanpak van dit probleem was één van de beleidsprioriteiten tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap. Tijdens de Raad van de Europese Unie zijn afspraken gemaakt over betere Europese samenwerking tegen te hoge medicijnprijzen. Deze afspraken sluiten nauw aan bij de geneesmiddelenvisie die wij in 2016 hebben ontwikkeld om de kostenstijging beheersbaar te houden (TK 29 477, nr. 397). De geneesmiddelenvisie is grofweg gebouwd op drie pijlers. Ten eerste wordt er toegewerkt naar een duurzame verandering in de farmaceutische sector. Beschermingsconstructies worden onder de loep genomen. Samen met andere EU-landen, NGO’s en de farmaceutische industrie wordt toegewerkt naar nieuwe businessmodellen. Hierbij moet er voldoende ruimte blijven voor nieuwe ontwikkelingen en innovatie terwijl tegelijkertijd het betaalbaar en toegankelijk houden van geneesmiddelen centraal staat. De tweede pijler richt zich op de ongewenst hoge prijzen van geneesmiddelen. Door middel van nationale en internationale samenwerkingsverbanden kunnen gemeenschappelijke onderhandelingen over prijzen gevoerd worden, waardoor de countervailing power ten opzichte van de industrie wordt versterkt. De derde pijler richt zich op het gepast gebruik van geneesmiddelen waardoor verspilling wordt tegengegaan. Diagnostiek die vooraf aangeeft of een geneesmiddel werkt bij een specifieke persoon, kan de patiënt veel bijwerkingen en onnodige uitgaven besparen. We hebben € 10 miljoen uitgetrokken om deze nieuwe diagnostiek verder te ontwikkelen (TK 29 477, nr. 405).

Realisatie beleidsdoorlichtingen

Realisatie beleidsdoorlichtingen

Nr

Naam artikel

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Wanneer

Geheel artikel?

Behandeling in Tweede Kamer

1

Volksgezondheid

                 

Nee1

 
 

Gezondheidsbescherming

     

X

       

2013

   
 

Ziektepreventie

         

X

   

2015

 

Plan van aanpak Commissiebrief en antwoorden betrokken bij WGO JV VWS 2014

Art. 1.2 Betrokken bij AO ziektepreventie

 

Gezondheidsbevordering2

     

X

       

2013

 

Art. 1.3 Betrokken bij AO ziektepreventie

 

Ethiek

   

X

         

2012

   

2

Curatieve zorg

                 

Nee3

 
 

Kwaliteit en veiligheid

           

X

 

2016

 

TK 32 772, nr. 4 en TK 32 772, nr. 7 commissiebrief en antwoorden betrokken bij WGO JV VWS 2014

Art. 2.1 Feitelijke vragen en antwoorden bij doorlichting

 

Toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg

   

X

         

2017

 

Plan van aanpak Schriftelijk overleg, antwoorden nog te ontvangen

 

Bevordering van de werking van het stelsel

   

X

     

X4

 

2015

 

Plan van aanpak Commissiebrief en antwoorden betrokken bij WGO JV VWS 2014

Art. 2.3 Feitelijke vragen, antwoorden worden betrokken bij AO zorgverzekeringswet

3

Langdurige zorg en ondersteuning

               

2011

Nee5

 
 

Participatie en zelfredzaamheid van mensen met beperkingen

                     
 

Zorgdragen voor goede en toegankelijke langdurige zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten

 

X

               

Langdurige zorg: indicatiestelling AWBZ 2003–2008: Art. 43 Rondetafel en algemeen overleg AWBZ/pgb op 23 juni 2011.

4

Zorgbreed beleid6

                 

Nee7

 
 

Versterking van de positie van de cliënt

           

X8

 

2015

 

Plan van aanpak Commissiebrief en antwoorden betrokken bij WGO JV VWS 2014

Art. 4.1 Feitelijke vragen en apart AO op 16 juni 2016, over de Beleidsdoorlichting artikel 4.1

 

Opleidingen, beroepenstructuur en arbeidsmarkt

 

X

         

X

20169

 

Plan van aanpak Commissiebrief en antwoorden betrokken bij WGO JV VWS 2014

 

Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling

               

2017

 

Plan van aanpak Schriftelijk overleg, antwoorden geagendeerd voor AO Innovatie/Verspilling in de zorg.

 

Inrichting uitvoeringsactiviteiten

                     
 

Zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland

           

X

 

2016

 

TK 32 772, nr. 9 Commissiebrief en antwoorden betrokken bij WGO JV VWS 2014

Art. 4.5 Schriftelijk overleg, inbreng nog niet geleverd

5

Jeugd 10

X

             

2010

Ja

Art. 2 en 3 Betrokken bij behandeling ontwerpbegroting 2011

6

Sport en bewegen

 

X

           

2017

Ja

Art. 46 AO Sportbeleid op 30 juni 2011 en WGO jaarverslag 2010

Plan van aanpak Schriftelijk overleg, antwoorden behandeld in WGO sport.

7

Oorlogsgetroffenen en Herinnering WO II

                 

Ja

 

8

Tegemoetkoming specifieke kosten

                 

Ja

 
X Noot
1

Voor artikel 1 is, gegeven de diversiteit van de beleidsonderwerpen en de omvang van het beleidsartikel, gekozen om het beleid per artikelonderdeel door te lichten.

X Noot
2

Vanaf begrotingsjaar 2013 is sprake van een nieuwe indeling van de beleidsartikelen.

X Noot
3

Voor artikel 2 is, gegeven de diversiteit van de beleidsonderwerpen en de omvang van het beleidsartikel, gekozen om het beleid per artikelonderdeel door te lichten.

X Noot
4

Vertraging is ontstaan omdat de begeleidingscommissie voorstelde een globaal beeld op te nemen van het functioneren van het stelsel van de curatieve zorg met het doel duidelijk te maken hoe artikel 2.3 past en functioneert binnen het Nederlandse systeem van de gezondheidszorg.

X Noot
5

Omdat er al diverse stelselevaluaties over de AWBZ beschikbaar waren, is ervoor gekozen om de beleidsdoorlichting te richten op een operationele doelstelling betreffende de toegankelijkheid van de AWBZ-zorg via de indicatiestelling.

X Noot
6

In deze tabel is gekozen voor aansluiting bij de tabel uit de begroting. In de begroting 2016 is abusievelijk de beleidsdoorlichting van artikel 4, artikelonderdeel 6 «Voorkomen oneigenlijk gebruik en aanpak fraude» niet opgenomen. Bij de eerstvolgende publicatie van de meerjarenplanning van beleidsdoorlichtingen zal dit worden hersteld.

X Noot
7

Voor artikel 4 is, gegeven de diversiteit van de beleidsonderwerpen en de omvang van het beleidsartikel, gekozen om het beleid per artikelonderdeel door te lichten.

X Noot
8

Het rapport met de beleidsdoorlichting van de externe onderzoekers is in 2015 ontvangen. Conform de werkwijze van het Ministerie van Financiën om een beleidsdoorlichting tezamen met een kabinetsreactie naar de Tweede Kamer te sturen en het belang van een zorgvuldige procedure met betrokken partijen, is het rapport met de beleidsdoorlichting tezamen met een kabinetsreactie 27 januari 2016 aan de Tweede Kamer aangeboden.

X Noot
9

De beleidsdoorlichting van artikel 4.2 is najaar 2016 opgeleverd. De uitkomsten ervan zullen in samenhang met de evaluatie van de registratiecommissies worden bezien. Dat onderzoek is aanbesteed en is op dit moment in uitvoering. Deze beleidsdoorlichting wordt verwacht in mei 2017.

X Noot
10

Gezond opgroeien & Zorg en bescherming: Deze beleidsdoorlichting stond op de begroting Programmaministerie voor Jeugd en Gezin.

Voor het meest recente overzicht van de programmering van beleidsdoorlichtingen, klik op Tabel meerjarenplanning beleidsdoorlichting 2017. Voor de realisatie van andere onderzoeken, zie de bijlage 5 Evaluatie en onderzoek.

Belangrijkste conclusies en beleidsacties van de beleidsdoorlichting artikel 1.2 Volksgezondheid: ziektepreventie

De beleidsdoorlichting laat zien dat met de inzet op het terrein Ziektepreventie veel gezondheidswinst wordt behaald tegen acceptabele kosten. Geconcludeerd wordt dat het beleid gericht op Ziektepreventie over het geheel gezien doeltreffend en doelmatig is. Daar waar zich knelpunten lijken voor te doen in de doelmatigheid worden maatregelen genomen. Wel ontbreekt op een aantal punten informatie om een compleet beeld te krijgen over de doeltreffendheid en doelmatigheid.

Belangrijkste conclusies en beleidsacties van de beleidsdoorlichting artikel 2.1 Curatieve zorg: kwaliteit en veiligheid

De beleidsdoorlichting laat zien dat de inzet van de instrumenten over het algemeen positieve effecten heeft gehad. De onderzoekers achten het aannemelijk dat de inzet van middelen een aanjaagfunctie heeft vervuld voor positieve ontwikkelingen in de zorg en in onderzoek. Diverse activiteiten binnen de thema’s patiëntveiligheid, lichaamsmateriaal en zwangerschap en geboorte alsmede de kankerregistratie en de subsidie aan Nictiz zijn beoordeeld als doeltreffend. Er is ook sprake van een doelmatige besteding van middelen in termen van geleverde prestaties (output) dankzij het gevoerde subsidiebeleid en de verantwoordingscyclus.

Voor de meeste thema’s geldt evenwel dat er vanwege het ontbreken van onafhankelijke evaluatieonderzoeken geen harde uitspraken kunnen worden gedaan over de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid in termen van de behaalde effecten en de beoogde maatschappelijke doelen (outcome en impact).

Op vier algemene punten is verbetering mogelijk:

  • 1. De onderzoekers bevelen aan om voorafgaand aan de subsidieverlening, daar waar dat mogelijk is, de beoogde doelen en uitkomsten op uitvoeringsniveau scherper te bepalen. Daartoe pleit het rapport om periodieke evaluaties op te nemen in de reguliere subsidiecyclus.

  • 2. De onderzoekers bevelen aan om de mogelijkheid van een toetsingskader te onderzoeken voor omvangrijke stimuleringssubsidies. De randvoorwaarden die zijn gebruikt bij het landelijke VMS patiëntveiligheidprogramma in de ziekenhuizen kunnen daarbij als voorbeeld dienen.

  • 3. De onderzoekers bevelen aan om de input van betrokken partijen beter te borgen waar het gaat om de uitvoering van landelijke functies en diensten waarvan de overheid niet de afnemer is. Het gaat om de taakuitvoering van instellingen die landelijke functies uitvoeren ten dienste van het zorgveld zoals Nictiz, PALGA en IKNL. De onderzoekers bevelen aan om daarvoor een apart orgaan op te richten.

  • 4. De onderzoekers constateren dat er behoefte is aan het expliciteren van de criteria voor de financiering van functies door de rijksoverheid. De onderzoekers bevelen aan daarvoor een integraal afwegingskader te ontwikkelen gelet op de gegeven rolverdeling in het stelsel. Dit kader kan dienen om IKNL, NKI en PALGA aan te toetsen.

De Minister van VWS kan zich vinden in de analyse van het rapport ten aanzien van de beoordeling van doelmatigheid en doeltreffendheid. De gehanteerde systematiek om de doelmatigheid en doeltreffendheid te bepalen in termen van output, outcome en impact is helder. Om in de toekomst beter te kunnen sturen op directe effecten van subsidies (outcome) worden de genoemde aanknopingspunten voor verbeteringen opgepakt.

Belangrijkste conclusies en beleidsacties van de beleidsdoorlichting artikel 2.3 Curatieve zorg: bevordering van de werking van het stelsel

De overall conclusie van deze beleidsdoorlichting is dat de verschillende studies die betrekking hebben op het huidige stelsel van de curatieve zorg, zoals de evaluatie van de Zvw (2014), erop duiden dat de werking van het huidige stelsel van de curatieve zorg verder is verbeterd. Uit de evaluatie van de Zvw blijkt voorts dat er op de verzekeringsmarkt geen sprake is van een disbalans tussen verzekerden en verzekeraars.

Verzekeraars geven goed invulling aan de acceptatieplicht; er is geen risicoselectie waarneembaar. Dit wijst op een redelijk tot goed werkend risicovereveningssysteem. Wel dient de transparantie van kwaliteit van het zorgaanbod te worden verbeterd zodat patiënten en zorgverzekeraars daarop beter kunnen kiezen. Over de instrumenten op het artikel 2.3 zijn de volgende bevindingen en conclusies getrokken:

  • Doelen en streefwaarden: Aangezien afgebakende doelen en streefwaarden vooralsnog ontbreken zal VWS de komende periode onderzoeken welke streefwaarden voor verschillende regelingen mogelijk zijn. Dit onderzoek zal in overleg met het Ministerie van Financiën en het Zorginstituut (CAK) worden uitgevoerd.

  • De wanbetalersregeling: Met de invoering van de «Wet verbetering wanbetalersmaatregelen» is de wanbetalersregeling volop in beweging. De huidige maatregelen moeten de tijd krijgen om effect te sorteren en de wanbetalersproblematiek te laten verminderen.

  • Onverzekerdenregeling: Door datamining door de SVB wordt voorkomen dat buitenlandse studenten onterecht als onverzekerde worden aangemerkt. Opgemerkt wordt dat deze maatregel al in de praktijk werd gebracht.

  • Het project Zinnig en Zuinig: De beleidsdoorlichting gaf aan dat gekeken kon worden naar de noodzakelijkheid van de omvang van het onderzoeksbudget van dit project. Het Zorginstituut heeft op verzoek van VWS een nieuwe uitvoeringstoets uitgebracht, met een bijgestelde meerjarenbegroting. VWS en het Zorginstituut hebben afspraken gemaakt over de werkwijze en het bijbehorende (onderzoeks)budget.

Belangrijkste conclusies en beleidsacties van de beleidsdoorlichting artikel 4.1 Zorgbreed beleid: positie van de cliënt

Het overkoepelende beeld van de doeltreffendheid van het beleid is dat een gemengd oordeel krijgt. De patiënten- en gehandicaptenorganisaties (pg-organisaties) werken efficiënter dan voorheen. Wel is geadviseerd de financiële armslag van pg-organisaties groter te maken en in de toekomst een antwoord te formuleren op een aantal trends. In de kabinetsreactie is een onderscheid gemaakt in maatregelen op de korte en de lange termijn. Voor de korte termijn is het beleidskader subsidiëring pg-organisaties per 1 januari 2017 op enkele punten aangepast. Voor de lange termijn is een open proces (een patiëntendialoog) aangekondigd dat moet leiden tot een meer fundamentele herziening van het beleidskader subsidiëring pg-organisaties per 1 januari 2019 (TK 29 214, nr. 73).

Belangrijkste conclusies en beleidsacties van de beleidsdoorlichting artikel 4.5 Zorgbreed beleid: zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland

Een belangrijke aanbeveling uit deze doorlichting is dat de doelstellingen van het zorgbeleid nader moeten worden geëxpliciteerd. Hiervoor zijn meerjarige gegevens over bijvoorbeeld prevalentie van ziektes en gezondheid noodzakelijk. In 2015 zijn hierop reeds acties uitgezet en vanaf 2017 zullen gegevens beschikbaar komen. Uit de beleidsdoorlichting blijkt voorts dat de deskundigheid en wisselingen in het personeelsbestand een risicofactor zijn voor de effectiviteit van de jeugdzorg in Caribisch Nederland. Op verzoek van de Staatssecretaris is JGCN inmiddels gestart met verbeteracties.

De beleidsdoorlichting constateert verder dat het beleid voor kwetsbare groepen nog niet voldoende is, bijvoorbeeld als het gaat om de care en in het bijzonder om de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. Daarom heeft de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling de komende jaren prioriteit. Het gaat dan om een integrale aanpak, van preventie tot hulpverlening. De voortgangsrapportage geweld in afhankelijkheidsrelaties die aan de Tweede Kamer is gestuurd, gaat in op de stand van zaken en de verdere concretisering van dit voorstel. Voor de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling zijn middelen beschikbaar gesteld.

Focusonderwerp: beleidsevaluaties

Om als overheid effectief te zijn, is inzicht in de kwaliteit van de uitgaven van cruciaal belang. Dit staat in het rapport van de 15e Studiegroep Begrotingsruimte. Politici ervaren dat er niet altijd voldoende informatie beschikbaar is over «value for money» op het moment dat zij keuzes (willen) maken. Om inzicht te krijgen in de kwaliteit en tot verbeteropties te komen, worden verschillende instrumenten gehanteerd. De Studiegroep wijst daarbij onder meer op IBO’s waarbij het een aandachtspunt is dat de onderwerpkeuze onderdeel kan zijn van een politiek proces waardoor het instrument (te) beperkt wordt ingezet. Verder stelt de Studiegroep dat beleidsdoorlichtingen een goed overzicht geven van waar het geld aan wordt besteed, maar de toegevoegde waarde beperkt is als het gaat om inzicht in de kwaliteit van de uitgaven en de mogelijkheden om die te verbeteren. De Studiegroep adviseert daarom een operatie te starten om dat inzicht te verbeteren.

VWS heeft de handschoen opgepakt en is – in overleg met Financiën en de Algemene Rekenkamer – eind 2016 gestart met de voorbereiding van de pilot Beleidsevaluaties VWS. VWS wil zich voor de vijfjaarsperiode 2018–2022 committeren aan een moderne, ambitieuze opzet en uitvoering van beleidsevaluaties. Het doel is om het beleid van VWS verder te verbeteren door beter inzicht te krijgen in de kwaliteit van het gevoerde en voorgenomen beleid en daar lessen uit te trekken. Het gaat hierbij om zowel de uitgaven van de VWS-begroting als de zorguitgaven onder het BKZ. Van belang is verder dat de kwaliteit en de onafhankelijkheid van het evaluatieonderzoek goed worden geborgd. Een uitgewerkte opzet en invulling van de pilot wordt in september 2017 aan de Tweede Kamer gestuurd.

De stappen die VWS op het terrein van beleidsevaluatie wil zetten sluiten aan op het meer transparant en resultaatgericht maken van de beleidsagenda en de begrotingsartikelen. Ook biedt de pilot goede kansen om deze te verbinden met de ontwikkelagenda van VWS, waarbij meer gebruik wordt gemaakt van kennis en kunde van de buitenwereld: deskundigheid uit de zorgsector en deskundigheid op het terrein van evaluaties (bij bijvoorbeeld andere departementen, de wetenschap en de Algemene Rekenkamer).

Overzicht van risicoregelingen

Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

 

Uitstaande garanties 20151

Verleend 2016

Vervallen 2016

Uitstaande garanties 2016

Garantieplafond

Totaal plafond

Totaalstand risicovoorziening

2

Voorzieningen tbv De Hoogstraat

begrotingswet

9.631

 

397

9.234

 

9.234

 

2

Voorzieningen tbv ziekenhuizen

1958

322.939

3.9162

48.561

278.294

 

278.294

 

3

Voorzieningen tbv verpleeghuizen

financiering

19.215

 

5.691

13.524

 

13.524

 

3

Voorzieningen tbv psychiatrische instellingen

1958

27.624

 

2.865

24.759

 

24.759

 

3

Voorzieningen tbv zwakzinnigen inrichtingen

1958

9.975

 

2.310

7.665

 

7.665

 

3

Voorzieningen tbv overige instellingen

1958

862

 

198

664

 

664

 

3

Voorzieningen tbv instellingen gehandicapten

1958

24.668

 

2.118

22.550

 

22.550

 

3

Voorzieningen tbv zwakzinnigeninrichtingen

rijksregeling

7.367

 

1.919

5.448

 

5.448

 

3

Voorzieningen tbv instellingen gehandicapten

rijksregeling

79.541

 

9.720

69.821

 

69.821

 

2

Voorzieningen tbv ziekenhuizen

rijksregeling

503

 

201

302

 

302

 

3

Niet sedentaire personen

 

972

 

127

844

 

844

 

Totaal

 

503.297

3.916

74.107

433.105

 

433.105

 
X Noot
1

Door afrondingsverschillen kan de som van de delen afwijken van het totaal.

X Noot
2

Dit bedrag betreft het totaal van de Hoofdsommen van de herfinancieringen 2016.

Toelichting

De verstrekte garanties uit de tabel komen voort uit drie aparte regelingen: de Garantieregeling inrichtingen voor gezondheidszorg 1958, de Rijksregeling Dagverblijven voor gehandicapten inzake erkenning, subsidiëring, verlening van garanties en toezicht uit 1971 en de Rijksregeling Gezinsvervangende Tehuizen voor gehandicapten, ook uit 1971. De betreffende regelingen dateren uit een tijd dat de overheid een expliciete verantwoordelijkheid had voor bouw en spreiding van intramurale zorgvoorzieningen.

De Rijksgarantieregelingen zijn gesloten voor nieuwe gevallen waardoor het financiële risico van VWS door reguliere en vervroegde aflossing van de uitstaande leningen geleidelijk wordt afgebouwd. De laatste rijksgegarandeerde lening loopt af in 2043. Het monitoren van de instellingen aan wie een rijksgarantie verstrekt is, alsmede van de leningen (bijv. renteherziening), wordt sinds 2004 in mandaat uitgevoerd door het Waarborgfonds voor de Zorgsector (WFZ) namens de Minister van VWS (Besluit van 17 december 2003, Stcrt. 2004, nr. 7, blz. 11).

Overzicht verstrekte garantie (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2015

Verlenen 2016

Vervallen 2016

Uitstaande garanties 2016

Garantieplafond

Totaal plafond

Totaal stand Risicovoorziening

2

GO Cure

26.851

0

2.326

24.526

 

24.526

 

TOTAAL

           

Door afrondingsverschillen kan de som van de delen afwijken van het totaal.

Toelichting

Garantie Ondernemingsfinanciering Cure

De tijdelijke regeling Garantie Ondernemingsfinanciering Curatieve Zorg (GO Cure) is in het kader van de kredietcrisis ingesteld om de bouw in de gezondheidszorg te stimuleren. Ziekenhuizen, categorale instellingen, geestelijke gezondheidszorg en zelfstandige behandelcentra hebben tot en met 2012 gebruik kunnen maken van de regeling. Bij de GO Cure heeft de overheid garanties verstrekt voor 50% van een nieuwe banklening vanaf € 1,5 tot € 50 miljoen, met een maximale looptijd van 8 jaar. De verstrekte garanties lopen af in 2020. De GO Cure maakt deel uit van de bredere Garantieregeling Ondernemingsfinanciering (GO) die wordt uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken. De cijfermatige gegevens van de GO Cure zijn daarom eveneens opgenomen onder de GO in het jaarverslag van het Ministerie van Economische Zaken.

Overzicht achterborgstellingen (bedragen x € 1.000.000)

Omschrijving

20151

2016

Achterborgstelling

8.329,2

7.953,6

Bufferkapitaal

259,6

272,5

Obligo

249,9

238,6

X Noot
1

De achterborg 2015 was € 8.330,3 miljoen en het bufferkapitaal 2015 was 260,0 miljoen.

Toelichting

Het Ministerie van VWS is achterborg voor het Waarborgfonds voor de Zorgsector (WFZ). Het totaal bedrag aan uitstaande verplichtingen is, volgens informatie van het WFZ, € 7.953,6 miljoen. Dit bedrag is de uitstaande restschuld per 2016. VWS staat daadwerkelijk borg, indien het risicovermogen van het WFZ en de obligoverplichting van 3% van het restant geborgde leningen van de deelnemers tezamen niet voldoende is om het WFZ aan zijn verplichtingen jegens geldgevers te laten voldoen. Via renteloze leningen van VWS aan het WFZ wordt in die situatie invulling gegeven aan het borg staan. In het kader van het kabinetsbeleid voor versobering van risicoregelingen is besloten om, vanaf het jaar 2017 een begrotingsreserve aan te leggen voor eventuele schade in het kader van de achterborg.

Overzicht verstrekte leningen

Overzicht verstrekte leningen (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande lening

Looptijd lening

2

IJsselmeerziekenhuis

1.000

1

De Stichting IJsselmeerziekenhuizen heeft in het voorjaar van 2009 twee leenovereenkomsten (van € 12,5 respectievelijk € 2 miljoen) gesloten met VWS als gevolg van financiële problemen. De IJsselmeerziekenhuizen werden destijds aangemerkt als systeemziekenhuis waarbij de continuïteit van zorg moest worden gewaarborgd. Eind november 2016 is, op grond van artikel 5 lid 2, de achtergestelde lening van € 2 miljoen kwijtgescholden. Op dit moment is de uitstaande lening € 1 miljoen.

4. BELEIDSARTIKELEN

Artikel 1 Volksgezondheid

1. Algemene beleidsdoelstelling

Een goede volksgezondheid, waarbij mensen zo min mogelijk bloot staan aan bedreigingen van hun gezondheid én zij gezond leven.

 

1981

1990

2000

2005

2010

2011

2012

2013

2014

2015

1. Absolute levensverwachting in jaren:

                   

– mannen

72,7

73,8

75,5

77,2

78,8

79,2

79,1

79,4

79,9

79,7

– vrouwen

79,3

80,1

80,6

81,6

82,7

82,9

82,8

83,0

83,3

83,1

2. Waarvan jaren in goed ervaren gezondheid:

                   

– mannen

59,9

60,6

61,5

62,5

63,9

63,7

64,7

64,6

64,9

64,6

– vrouwen

62,4

61,9

60,9

61,8

63,0

63,3

62,6

63,5

64,0

63,2

1. Bron absolute levensverwachting: Staat van Volksgezondheid en Zorg

De levensverwachting van in Nederland geboren vrouwen in 2015 bedroeg 83,1 jaar. Dat is 3,4 jaar hoger dan die van mannen (79,7 jaar). Sinds 1981 is het verschil in levensverwachting tussen de seksen kleiner geworden. Mannen boekten vanaf 1981 een winst van 7,0 jaar, vrouwen zijn gemiddeld 3,8 jaar ouder geworden.

2. Bron levensverwachting in goed ervaren gezondheid: Staat van Volksgezondheid en Zorg

Voor het berekenen van levensverwachting in goed ervaren gezondheid is het aantal «gezonde» jaren bepaald op basis van een vraag naar de ervaren gezondheid. In de loop der jaren is de vraag naar de ervaren gezondheid op twee (vrijwel identieke) manieren gesteld, namelijk:

1. Hoe is het over het algemeen met uw gezondheid?

2. Hoe is over het algemeen de gezondheidstoestand van de onderzochte persoon?

Mensen die deze vraag beantwoorden met «goed» of «zeer goed» worden gezond genoemd.

2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

Een belangrijke beleidsopgave van de Minister van VWS is het beschermen en bevorderen van de gezondheid van burgers. Dit laat onverlet dat mensen in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor hun gezondheid en zichzelf – indien mogelijk – dienen te beschermen tegen gezondheidsrisico’s. De verantwoordelijkheid voor veilig voedsel en veilige producten ligt primair bij het bedrijfsleven. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), een agentschap van het Ministerie van Economische Zaken (EZ), ziet namens VWS onder meer toe op de naleving van de Warenwet en de Tabakswet. Op het gebied van voedselveiligheid en consumenteninformatie zijn vrijwel uitsluitend Europese Verordeningen rechtstreeks van toepassing.

De Minister is verantwoordelijk voor:

Stimuleren:

  • Bevorderen dat mensen gezonder leven door gezonde keuzes makkelijker te maken en te zorgen voor betrouwbare informatie over een gezonde leefstijl.

Financieren:

  • Financieren van doelmatige, kwalitatieve en toegankelijke bevolkingsonderzoeken ter voorkoming en vroegtijdige opsporing van levensbedreigende ziekten, zoals borstkanker, baarmoederhalskanker en darmkanker.

  • Vroegtijdige opsporing en bestrijding van infectieziekten. Dit betreft onder andere de financiering van het Rijksvaccinatieprogramma en de bescherming tegen infectieziekten.

  • Financiering voor het uitvoeren van wettelijke taken en beleidsondersteuning zorgbreed door het RIVM. Dit betreft onder andere infectieziektebestrijding en medische milieukunde.

  • Financiering van de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting

  • Financiering van de abortusklinieken.

Regisseren:

  • Het opstellen van een wettelijk kader voor bescherming van consumenten tegen onveilige producten en levensmiddelen en het handhaven ervan door de NVWA.

  • Het tegengaan van ontstaan en verspreiding van antibioticaresistentie in de gezondheidszorg, voedsel, milieu en binnen de veehouderij, in nauwe samenwerking met het Ministerie van EZ.

  • Opstellen wettelijk kader en doen handhaven kwaliteit jeugdgezondheidszorg.

  • Opstellen van het wettelijk kader voor de bescherming van de gezondheid van burgers tegen de risico’s van het gebruik van alcohol en tabak en doen handhaven ervan door gemeenten respectievelijk de NVWA.

  • Inzetten op een gezonder aanbod van voeding (Akkoord Verbetering Productsamenstelling) en aandacht voor een gezonde, beweegvriendelijke en veilige omgeving waarin de gezonde keuze de makkelijke keuze is.

  • Coördinatie interdepartementaal drugsbeleid en verantwoordelijk voor het wettelijk kader (Opiumwet) en voor de gezondheidsaspecten van het drugsbeleid.

  • Het formuleren van wet- en regelgeving en beleid op het terrein van medisch-ethische vraagstukken.

3. Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar nagenoeg conform de verwachtingen, zoals vermeld in de begroting.

Nationaal Programma preventie

2016 was het laatste jaar van de eerste fase van het Nationaal Programma Preventie (NPP). Het programma was bedoeld om meer samenhang aan te brengen in preventieactiviteiten van de Rijksoverheid. Evaluatieonderzoek (TK 32 793, nr. 245) van onder meer de universiteiten van Maastricht en Nijmegen laat zien dat we op de goede weg zijn. Er is een maatschappelijke beweging op gang gebracht naar een vitaler en gezonder Nederland. Om deze beweging in stand te houden is het echter noodzakelijk om de huidige aanpak voort te zetten. Daarnaast is er nog winst te behalen door meer verbinding te realiseren met andere beleidsterreinen die raken aan de (verbetering van de) volksgezondheid.

Ziektepreventie

Binnen de preventie van infectieziekten is het afgelopen jaar speciale aandacht besteed aan infectieziekten bij vluchtelingen en Zika. Mede hierdoor is het aantal meldingen van in de Wet publieke gezondheid genoemde infectieziekten stabiel gebleven (Meldingen Wet publieke gezondheid tot en met week 52, 2016). Wel zagen we een kleine daling van de vaccinatiegraad bij zuigelingen (Staat van Volksgezondheid en Zorg). Nader onderzoek moet uitwijzen of deze daling doorzet en wat deze daling veroorzaakt.

Gezonder voedingsaanbod

Tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de EU is sterk ingezet op een gezamenlijke aanpak van productverbetering (minder zout, (verzadigd) vet en suikers in levensmiddelen). Het doel van de inzet op dit onderwerp was tweeledig. Ten eerste is er op ingezet dat alle betrokkenen (lidstaten, Europese Commissie, WHO, bedrijfsleven en ngo’s) het belang onderschrijven van een versterkte gezamenlijke aanpak. Daarnaast is aangestuurd op het maken van eerste concrete afspraken voor een dergelijke aanpak, met zowel lidstaten als bedrijfsleven en andere betrokken organisaties. Deze doelen en resultaten zijn allen bereikt via een inspirerende conferentie waar een publiek-private Roadmap for Action on Food Product Improvement met brede steun is aangenomen. Verankering van de gemaakte afspraken heeft plaatsgevonden via aangenomen Raadsconclusies over verbetering van voedingsproducten. Er is hiermee in de EU een beweging op gang gebracht.

Evaluatie Drank- en Horecawet

Het afgelopen jaar hebben we de Drank- en Horecawet uitgebreid geëvalueerd. Daarbij is vooral gekeken naar verschillende onderdelen van de wet. Voor de evaluatie is een groot aantal onderzoeken uitgevoerd en er is met veel partijen gesproken. Dat gaf goed inzicht in op welke wijze de wet, en het alcoholbeleid in het algemeen, werkt. Op een groot aantal onderdelen werkt de wet goed en zien we positieve trends. Er blijft echter een aantal aandachtspunten waarmee we de komende jaren aan de slag kunnen. Deze informatie is met de brief van 16 december 2016 aan de Tweede Kamer gezonden (TK 27 565, nr. 149).

4. Budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2014

2015

2016

2016

2016

Verplichtingen

442.213

571.788

614.940

625.302

600.651

606.939

– 6.288

               

Uitgaven

465.780

462.031

494.841

591.257

595.127

613.156

– 18.029

               

1. Gezondheidsbescherming

 

97.595

103.671

104.033

108.666

103.030

5.636

               

Subsidies

 

1.453

1.716

2.134

2.363

4.988

– 2.625

waarvan onder andere:

             

Uitvoering landelijke nota gezondheidsbeleid / Nationaal Programma Preventie

 

963

934

2.020

2.233

4.654

– 2.421

Crisisbeheersing Volksgezondheid

 

135

345

114

0

319

– 319

               

Opdrachten

 

3.223

4.600

1.227

1.647

2.735

– 1.088

waarvan onder andere:

             

Crisisbeheersing Volksgezondheid

 

2.560

3.550

72

40

1.268

– 1.228

Aanschaf Jodiumtabletten

 

0

0

0

668

1.000

– 332

               

Bijdragen aan agentschappen

 

92.892

97.052

100.569

104.371

94.975

9.396

waarvan onder andere:

             

Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit

 

74.115

77.672

79.647

80.354

78.313

2.041

RIVM: wettelijke taken en beleidsondersteuning zorgbreed

 

18.479

19.024

20.526

23.726

14.627

9.099

               

Bijdragen aan medeoverheden

 

27

94

82

125

100

25

waarvan onder andere:

             

College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden

 

0

0

0

0

100

– 100

               

2. Ziektepreventie

 

295.238

321.563

416.453

417.267

441.512

– 24.245

               

Subsidies

 

192.112

201.112

207.238

209.220

221.253

– 12.033

Ziektepreventie

 

4.133

4.477

5.555

6.358

15.036

– 8.678

Jeugdgezondheidszorg

 

2.269

3.024

2.078

1.884

1.952

– 68

RIVM: Uitvoering Subsidieregeling Publieke Gezondheid

 

174.259

182.334

187.214

188.546

192.125

– 3.579

RIVM: Infectieziektebestrijding en/of bevordering seksuele gezondheid

 

11.452

11.278

12.390

12.433

12.140

293

               

Opdrachten

 

585

464

284

508

15.377

– 14.869

waarvan onder andere:

             

(Vaccin)onderzoek

 

578

0

284

0

15.271

– 15.271

               

Bijdragen aan agentschappen

 

102.541

119.003

207.352

206.614

203.916

2.698

RIVM: Opdrachtverlening Centra

 

102.541

119.003

207.352

206.614

203.916

2.698

               

Bijdragen aan medeoverheden

 

0

984

1.579

925

966

– 41

               

3. Gezondheidsbevordering

 

50.809

51.796

50.805

50.885

50.445

440

               

Subsidies

 

33.064

33.615

33.082

33.417

30.733

2.684

waarvan onder andere:

             

Preventie van schadelijk middelengebruik (alcohol, drugs en tabak)

 

0

1.185

1.787

2.203

1.524

679

Verslavingszorg

 

10.179

9.153

9.163

7.410

7.361

49

Gezonde voeding en gezond gewicht/JOGG

 

0

9.803

10.326

11.730

10.458

1.272

Gezonde leefstijl jeugd

 

8.919

0

100

300

300

0

Letselpreventie

 

5.297

4.670

4.325

3.931

3.709

222

Bevordering kwaliteit en toegankelijkheid zorg

 

3.218

4.074

4.751

5.067

4.579

488

Bevordering van seksuele gezondheid

 

5.451

4.658

2.631

2.775

2.631

144

               

Opdrachten

 

3.255

3.629

3.647

3.343

4.951

– 1.608

waarvan onder andere:

             

Heroïnebehandeling op medisch voorschrift

 

2.743

2.874

2.782

2.712

3.100

– 388

Communicatie verhoging leeftijdsgrenzen alcohol en tabak

 

0

0

0

0

1.060

– 1.060

Preventie schadelijk middelengebruik (alcohol, drugs en tabak)

 

0

0

644

602

513

89

Letselpreventie

 

0

233

18

0

75

– 75

Gezonde voeding en gezond gewicht/JOGG

 

218

181

200

29

196

– 167

               

Bijdragen aan agentschappen

 

0

0

0

0

577

– 577

RIVM: Voedselconsumptiepeiling

 

0

0

0

0

121

– 121

RIVM: Monitoring, opdrachten, kennisvragen e.d.

 

0

0

0

0

106

– 106

Afgifte Schengenverklaringen via het CAK

 

0

0

0

0

350

– 350

               

Bijdragen aan medeoverheden

 

14.490

14.552

14.076

14.125

14.184

– 59

waarvan onder andere:

             

Heroïnebehandeling op medisch voorschrift

 

14.490

14.552

14.076

14.125

14.067

58

               

4. Ethiek

 

18.389

17.810

19.966

18.308

18.169

139

               

Subsidies

 

588

1.331

16.573

17.197

17.067

130

Abortusklinieken

 

0

0

15.705

15.913

15.661

252

Beleid Medische Ethiek

 

588

1.331

868

1.284

1.406

– 122

               

Opdrachten

 

59

132

210

79

396

– 317

               

Bijdragen aan agentschappen

 

4.452

2.164

1.130

1.032

703

329

CIBG: Uitvoeringstaken medische ethiek

 

4.452

2.164

1.130

1.032

703

329

               

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

 

13.290

14.183

2.053

0

3

– 3

ZiNL: Rijksbijdrage abortusklinieken

 

13.208

14.122

2.053

0

0

0

Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek

 

82

61

0

0

3

– 3

               

Ontvangsten

21.135

16.565

37.511

21.221

16.001

10.903

5.098

waarvan onder andere:

             

Bestuurlijke boetes

 

5.260

5.341

4.112

5.418

4.252

1.166

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Als gevolg van afronding kan de som van de delen afwijken van het totaal.

5. Toelichting op de instrumenten

1. Gezondheidsbescherming

Bijdragen aan agentschappen

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

De gerealiseerde uitgaven op dit instrument bedragen € 80,4 miljoen. Dit is circa € 2 miljoen hoger dan het oorspronkelijk geraamde bedrag. Dit heeft met name te maken met een tegemoetkoming in de stijging van loonkosten en extra taken samenhangend met de tabaksproductenrichtlijn.

Belangrijkste financieringsstromen van VWS naar de NVWA 2016
(bedragen x € 1 miljoen)

Beleidsterrein

Bedrag

Voedselveiligheid

54,4

Productveiligheid

13,2

Tabak en alcohol

7,7

Overig

5,0

Totaal

80,4

Als gevolg van afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

In onderstaande tabel is weergegeven hoe het aantal verloren gegane gezonde levensjaren door voedselinfecties zich ontwikkelt.

Kengetallen voedselveiligheid: Aantal verloren gezonde levensjaren ten gevolge van voedselinfecties door ziekteverwekkende micro-organismen in voedsel in Nederland gegevens 2015 (Bron: RIVM Letter Reports – Disease burden of food-related pathogens in the Netherlands, 2012, 2013, 2014, 2016)

Micro-organismen

Aantal verloren gezonde levensjaren

(DALY=Disability Adjusted Life Year)1

 

2012

2013

2014

2015

Toxoplasma gondii

1.950

1.930

1.950

1.920

Campylobacter spp.

1.560

1.430

1.530

1.390

Salmonella spp.

1.350

600

500

490

S. aureus toxine

670

670

670

660

C. perfringens toxine

490

490

490

490

Norovirus

300

280

280

290

Rotavirus

185

210

100

190

B. cereus toxine

100

100

100

100

Listeria monocytogenes

90

60

180

150

STEC O157

57

60

60

60

Giardia spp.

14

13

13

12

Hepatitis-A virus

9

8

10

7

Cryptosporidium spp.

8

8

8

8

Hepatitis-E virus

2

2

3

3

Totaal

6.780

5.850

5.890

5.770

Bron: Letter Reports disease burden 2012, 2013, 2014 en 2016; M. Bouwknegt et al.

X Noot
1

DALY=Disability Adjusted Life Year. Maat voor ziektelast in een populatie uitgedrukt in tijd; opgebouwd uit het aantal verloren levensjaren (door vroegtijdige sterfte) en het aantal jaren geleefd met gezondheidsproblemen (bijvoorbeeld een ziekte), gewogen voor de ernst hiervan (ziektejaarequivalenten). In deze maat komen de drie belangrijke aspecten van de volksgezondheid terug: kwantiteit (levensduur), kwaliteit van leven en het aantal personen dat een effect ondervindt.

De getallen in de tabel zijn afgerond. Het totaal kan afwijken van de som van de weergegeven getallen.

RIVM in verband met wettelijke taken en beleidsondersteuning zorgbreed

De opdrachtverlening 2016 inzake de programma’s aan het RIVM bedraagt € 23,7 miljoen en is € 9,1 miljoen hoger dan oorspronkelijk geraamd. Dat is een gevolg van een groot aantal aanvullende opdrachten waarvoor budget is overgeheveld naar dit instrument. Deze mutaties zijn reeds in de eerste en tweede suppletoire wet toegelicht. Voorts is € 2,9 miljoen overgeboekt van de Eigenaarsbijdrage op artikel 9 met als doel de kortlopende vordering van het RIVM op het moederdepartement te verlagen.

2. Ziektepreventie

Subsidies

Ziektepreventie

De gerealiseerde uitgaven bedragen € 6,4 miljoen. Dat is circa € 8,7 miljoen lager dan het in de begroting geraamde bedrag van € 15 miljoen. Het verschil wordt voornamelijk veroorzaakt door diverse mutaties die reeds in tweede suppletoire wet zijn toegelicht. Dit betreft onder andere overheveling van budget voor het antibioticaresistentiebeleid naar het instrument Bijdragen aan agentschappen voor aanvullende opdrachten aan het RIVM (€ 5 miljoen) en overheveling naar artikel 10 Apparaatsuitgaven voor beleidscommunicatie (€ 0,7 miljoen). Verder is door vertraging in de uitvoering van het antibioticaresistentiebeleid € 2,2 miljoen van dit budget niet tot besteding gekomen.

RIVM: Uitvoering Subsidieregeling Publieke Gezondheid

De gerealiseerde uitgaven bedragen € 188,6 miljoen. Dat is circa € 3,6 miljoen lager dan het in de begroting geraamde bedrag van € 192,1 miljoen. Het verschil wordt voornamelijk veroorzaakt door diverse mutaties die reeds in de eerste en tweede suppletoire wet 2016 zijn toegelicht. Dit betreft onder andere een overheveling van budget (€ 2,5 miljoen) naar artikel 2 Curatieve zorg voor de dekking van amendement 28 van de leden De Lange en Tanamal (TK 34 300-XVI, nr. 28) en een bijdrage aan de subsidieregeling Donatie bij leven, een overheveling naar de artikelonderdelen Gezondheidsbevordering (€ 0,6 miljoen) en Gezondheidsbevordering (€ 1,6 miljoen), een herschikking binnen artikelonderdeel Ziektepreventie naar de instrumenten Opdrachten en Bijdragen aan agentschappen (€ 2,7 miljoen). Verder is het budget verhoogd voor de vertraging van de uitrol darmkankerscreening (€ 1 miljoen) en met € 2,7 miljoen voor de loonbijstelling tranche 2016.

Kengetallen Deelname aan vaccinatieprogramma, bevolkingsonderzoeken en screeningen in procenten
 

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

1. Percentage deelname aan Rijksvaccinatieprogramma

94,0%

94,5%

95,2%

95,0%

95,4%

95,4%

95,5%

95,4%

94,8%

2. Percentage deelname aan Nationaal Programma Grieppreventie

73,5%

71,5%

70,4%

68,9%

65,7%

62,4%

59,6%

52,8%

50,1%

3. Percentage deelname aan Bevolkingsonderzoek borstkanker

82,4%

82,0%

81,5%

80,7%

80,1%

79,7%

79,4%

78,8%

4. Percentage deelname aan Bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker

66,6%

66,0%

65,3%

64,3%

65,0%

63,9%

64,7%

64,6%

5. Percentage deelname aan Bevolkingsonderzoek darmkanker

71,3%

6. Percentage deelname aan hielprik

99,9%

99,8%

99,8%

99,7%

99,5%

99,5%

99,5%

99,3%

Bron:

1. Staat van Volksgezondheid en Zorg

Voor het verslagjaar 2016 (betreft alle vaccinaties gegeven t/m 2015) is dit percentage 93,1%. Dit betreft het percentage kinderen geboren in 2013 dat basisimmuun is voor DKTP vóór het bereiken van hun 2-jarige leeftijd.

2. Staat van Volksgezondheid en Zorg

Dit kerncijfer betreft het percentage gevaccineerde personen in de groep patiënten die conform het advies van de Gezondheidsraad in aanmerking komen voor vaccinatie tegen influenza.

3. Staat van Volksgezondheid en Zorg

Dit kerncijfer betreft het percentage vrouwen uit de doelgroep, dat deelneemt aan het bevolkingsonderzoek borstkanker. De populatie van het bevolkingsonderzoek bestaat uit 50–75 jarige vrouwen.

4. Staat van Volksgezondheid en Zorg

Dit kerncijfer betreft het percentage vrouwen uit de doelgroep, dat deelneemt aan het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker. De populatie van het bevolkingsonderzoek bestaat uit 30–65 jarige vrouwen.

5. Staat van Volksgezondheid en Zorg

Dit kerncijfer betreft het percentage personen dat deelneemt aan het bevolkingsonderzoek (screening) naar dikkedarmkanker.

6. Staat van Volksgezondheid en Zorg

Dit kerncijfer betreft het percentage pasgeborenen dat gescreend is.

Deze cijfers geven een goede indicatie van de ontwikkelingen op de beleidsterreinen met dien verstande dat de nadruk op geïnformeerde keuze voor deelname ligt en niet op een zo hoog mogelijk percentage. De beschermingsgraad ligt in de praktijk hoger dan het met het deelnamepercentage weergegeven cijfer in verband met bijvoorbeeld de groepsimmuniteit.

Opdrachten

(Vaccin)onderzoek

Bij de eerste suppletoire wet heeft een desaldering van € 3,5 miljoen plaatsgevonden voor de terugbetalingsverplichtingen aan het Ministerie van Financiën met betrekking tot het FES-fonds. Verder is, zoals gemeld bij de tweede suppletoire wet, € 11,8 miljoen overgeboekt naar artikel 10 Apparaatsuitgaven, omdat het vaccinonderzoek, de ontwikkeling van het Respiratoir Syncitium Virus (RSV)-vaccin en het onderzoek naar alternatieven voor dierproeven uitgevoerd wordt door de Stichting Antonie van Leeuwenhoek-terrein.

Bijdrage aan agentschappen

RIVM: Opdrachtverlening centra

De gerealiseerde uitgaven op dit instrument bedragen € 206,6 miljoen. Dat is circa € 2,7 miljoen hoger dan het in de begroting geraamde bedrag van € 203,9 miljoen. Het verschil wordt voornamelijk veroorzaakt door een overheveling van subsidies ziektepreventie voor aanvullende opdrachten in het kader van het antibioticaresitentiebeleid (€ 5 miljoen). Voorts is een deel van de loonbijstelling tranche 2016 niet tot besteding gekomen (€ 2,3 miljoen).

3. Gezondheidsbevordering

Kengetallen Gezondheidsbevordering (in procenten)1
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Rokers 18 jaar e.o.1

28,6

26,9

27

24,5

24,7

25,7

26,3

Rokers laatste maand, 12–16 jaar 2

   

16,9

     

10,6

Alcoholgebruik laatste maand, 12–16 jaar 2

   

37,8

     

25,5

Cannabisgebruik laatste jaar, 12–16 jaar 2

   

6

     

8,2

Cannabisgebruik laatste jaar 18 jaar e.o.1

           

6,7

Overgewicht 18 jaar e.o.1

46,4

47,3

47,3

47,1

47,1

49,4

49,3

Overgewicht 4–18 jaar1

13,2

13,3

12,5

12,3

11,7

11,9

11,6

Aantal spoedeisende hulpbehandelingen in ziekenhuizen door privéongevallen en sportblessures (x 1.000)3

640

600

600

590

430

519

 

Vindpercentage seksueel overdraagbare aandoeningen (soa’s) bij bij de Centra voor Seksuele Gezondheid4

13,2

13,7

14,3

15,1

14,7

15,5

17,2

Bronnen:

1. Staat van Volksgezondheid en Zorg . Gezondheidsenquête CBS/Leefstijlmonitor RIVM. Staat van Volksgezondheid en Zorg: Gezondheidsenquête CBS/Leefstijlmonitor RIVM. Door wijziging in meetmethoden tussen 2009–2010 en 2013–2015 zijn de cijfers vóór en na deze perioden slechts in beperkte mate te vergelijken.

2. Staat van Volksgezondheid en Zorg . Gezondheidsenquête CBS/Leefstijlmonitor RIVM.

3. Kerncijfers LIS, VeiligheidNL. De daling in 2013 is toe te schrijven aan een technisch registratieprobleem in dat jaar.

4. Staat van Volksgezondheid en Zorg .

Dit kerncijfer betreft het percentage van de bezoekers van Centra Seksuele Gezondheid (CSG) bij wie één of meer soa (chlamydia, gonorroe, syfilis, hiv en/of hepatitis B) gevonden is.

X Noot
1

De kengetallen zijn gewijzigd t.o.v. de begroting 2016. Bij de begroting 2017 zijn de categorieën aangepast. Deze cijfers zijn opgenomen in de Staat van Volksgezondheid.

Ontvangsten

Bestuurlijke boetes

De ontvangsten bestuurlijke boetes zijn circa € 1,2 miljoen hoger uitgevallen dan geraamd. Voor de Tabakswet is het gemiddelde boetebedrag hoger uitgevallen. Daarnaast is het aantal opgelegde boetebeschikkingen met betrekking tot de Warenwet hoger. Ook geeft de NVWA minder waarschuwingen voordat zij een boete oplegt.

Overig

De overige ontvangsten zijn € 3,9 miljoen hoger dan geraamd. Bij de eerste suppletoire wet heeft een desaldering plaatsgevonden van € 3,5 miljoen voor de terugbetalingsverplichting aan het Ministerie van Financiën met betrekking tot het FES-fonds. De hogere ontvangsten van per saldo € 7,4 milljoen worden voornamelijk veroorzaakt door niet geraamde ontvangsten in verband met in voorgaande jaren teveel betaalde voorschotten voor het Nationaal Programma Grieppreventie, (€ 3,6 miljoen), het Rijksvaccinatieprogramma/Nationale Hielprik Screening (€ 1,2 miljoen) en de invoering van de HPV-vaccinatie (€ 2,4 miljoen).

Artikel 2 Curatieve zorg

1. Algemene doelstelling

Een kwalitatief goed en toegankelijk stelsel voor curatieve zorg tegen maatschappelijk verantwoorde kosten.

2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister van VWS is verantwoordelijk voor een goed werkend en samenhangend stelsel voor curatieve zorg. De Zorgverzekeringswet vormt samen met de zorgbrede wetten, zoals de Wet marktordening gezond-heidszorg (Wmg) en de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi) de wettelijke basis van dit stelsel.

De Minister is verantwoordelijk voor:

Stimuleren:

  • Het bevorderen van de kwaliteit, (patiënt)veiligheid en innovatie in de curatieve zorg.

  • Het ondersteunen van initiatieven op het terrein van de Life Sciences and Health met als doel de beschikbaarheid van medische producten en materialen op termijn te bevorderen.

  • Bevorderen van de uitbreiding van het implantatenregister en het bevorderen van de juistheid, volledigheid en betrouwbaarheid van het implantatenregister.

  • Het ondersteunen van initiatieven om de toegankelijkheid en betaal-baarheid van de curatieve zorg te garanderen en/of te verbeteren. Belangrijk daarin zijn de initiatieven om verspilling in de zorg tegen te gaan.

  • Het ondersteunen van initiatieven om fraude in de zorg zoveel mogelijk te voorkomen.

  • Het bevorderen van de werking van het stelsel door het systeem van risicoverevening.

Financieren:

  • Het bevorderen van kwalitatief goede zorg door medefinanciering van hoogwaardig oncologisch onderzoek.

  • Verbetering van de kwaliteit van de zorg door financiering van de familie- en vertrouwenspersonen in ggz-instellingen.

  • Het (mede)financieren van het digitale communicatiesysteem voor de zwaailichtsector.

  • Het financieren van initiatieven die bijdragen aan een zorgvuldige orgaandonorwerving in de ziekenhuizen, het onderhouden van het donorregister en het geven van publieksvoorlichting over orgaandonatie.

  • Het financieren van bijwerkingenregistraties ten behoeve van het monitoren van de productveiligheid.

  • Bevorderen van de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg door het deels compenseren van de gederfde inkomsten van zorgaanbieders als gevolg van het verstrekken van zorg aan illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen.

  • Bevorderen van de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg door het financieren van de zorguitgaven voor kinderen tot 18 jaar.

  • Het financieren van kostencomponenten die een gelijk speelveld verstoren.

Regisseren:

  • Het onderhouden van wet- en regelgeving op het gebied van genees-middelen, medische hulpmiddelen, lichaamsmaterialen en bloedvoor-ziening.

  • Het (door)ontwikkelen van productstructuren op basis waarvan onderhandelingen over bekostiging plaatsvinden.

  • Het bepalen van de normen/criteria, waaraan de registers (bijvoor-beeld BIG-register) die worden bijgehouden om de werking van het stelsel te bevorderen, moeten voldoen.

  • De werking van het zorgverzekeringsstelsel wordt bevorderd door het actief opsporen van onverzekerden en wanbetalers.

3. Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar nagenoeg conform de verwachtingen, zoals vermeld in de begroting.

Risicoverevening

Gegeven de acceptatieplicht en verbod op premiedifferentiatie zorgt het risicovereveningssysteem voor een gelijk speelveld tussen zorgverzekeraars. Daarnaast is de risicoverevening van belang om risicoselectie tegen te gaan en de doelmatigheid te blijven bevorderen.

De risicoverevening wordt ieder jaar verder verbeterd door het toevoegen van nieuwe kenmerken en het verfijnen van bestaande kenmerken aan het model. Per 2016 is er een groot aantal verbeteringen doorgevoerd in de risicovereveningsmodellen. Hierdoor wordt het voor verzekeraars meer lonend om zich op groepen kwetsbare verzekerden te richten die veel zorg gebruiken. Deze verbeteringen hebben er onder andere toe geleid dat er in 2016 350.000 extra chronisch zieken zijn geïdentificeerd waarvoor verzekeraars een hogere vereveningsbijdrage ontvangen. Ook is er een forse stap gezet in de herverdeling van middelen van verzekeraars van gezonde verzekerden naar chronisch zieken. In 2006 werd 26% van de totale zorgkosten binnen de somatische zorg herverdeeld ten gunste van chronisch zieken, in 2016 is dit toegenomen tot 36% van de somatische zorg (TK 29 689, nr. 617).

In 2016 is een grote stap gezet in de afbouw van de ex post compensaties. Door de verbetering van het model is het mogelijk geweest om per 2017 de laatste stap te zetten naar volledige risicodragendheid van verzekeraars. Daarmee is invulling gegeven aan de doelstelling uit het regeerakkoord.

Verder heeft VWS in 2016 een symposium georganiseerd over de toekomst van de risicoverevening. Hierbij kwamen meer dan 100 mensen van diverse organisaties samen om met elkaar van gedachten te wisselen. De overheersende opinie was dat we met de risicoverevening op de goede weg zijn en er al veel verbeteringen in het model zijn doorgevoerd. Mede naar aanleiding van de input die partijen hebben gegeven is een meerjarig onderzoeksprogramma opgesteld.

4. Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2014

2015

2016

2016

2016

Verplichtingen

2.799.219

2.644.586

2.753.584

8.697.819

3.640.438

4.098.913

– 458.475

               

Uitgaven

2.648.164

2.789.790

2.722.717

4.614.648

4.236.316

4.188.457

47.859

               

1. Kwaliteit en veiligheid

 

116.315

114.608

118.505

128.572

129.213

– 641

               

Subsidies

 

110.631

105.024

111.162

120.556

118.421

2.135

waarvan onder andere:

             

Integraal Kankercentrum Nederland

 

27.830

34.219

34.334

35.259

34.490

769

Nederlands Kanker Instituut

 

17.254

18.274

17.208

17.331

17.226

105

Zwangerschap en geboorte

 

2.402

1.852

3.574

4.796

3.505

1.291

Registratie en uitwisseling zorggegevens (PALGA)

 

3.443

3.572

3.264

3.339

3.462

– 123

Nictiz

 

4.450

5.105

5.113

5.349

5.110

239

Stichting Lareb: bijwerkingenregistratie voor vaccins en teratologie informatie service

 

1.224

1.385

1.323

1.427

1.272

155

Regio's landelijke implementatie pilots orgaandonatie

 

10.864

9.090

8.413

6.665

6.819

– 154

Nederlandse Transplantatie Stichting

 

0

3.084

3.033

3.705

3.032

673

Regeling Donatie bij leven

 

0

475

444

483

700

– 217

Onderzoek

 

0

0

0

0

2.000

– 2.000

TKI Life Sciences and Health (LSH Plaza)

 

0

0

4.043

2.708

2.825

– 117

LSH projecten inclusief DCTI

 

18.743

17.162

2.813

7.571

7.742

– 171

UMC Groningen: Lifelines project

 

6.100

4.600

2.802

3.498

3.498

0

Expertisefunctie zintuigelijk gehandicapten

 

0

0

0

21.967

21.250

717

               

Opdrachten

 

1.876

6.743

3.855

4.611

7.923

– 3.312

waarvan onder andere:

             

Implantatenregister

 

504

0

0

406

300

106

Publiekscampagne orgaandonatie

 

0

0

1.461

1.557

1.500

57

               

Bijdragen aan agentschappen

 

3.808

2.841

3.488

3.355

2.869

486

waarvan onder andere:

             

CIBG: Donorregister

 

3.571

2.744

2.746

3.035

2.355

680

               

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

 

0

0

0

50

0

50

               

2. Toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg

 

2.609.284

2.549.096

4.324.964

3.924.276

3.919.193

5.083

               

Subsidies

 

12.293

12.029

14.224

22.459

15.654

6.805

waarvan onder andere:

             

Eerstelijns gezondheidscentra in VINEX-gebieden

 

1.312

1.331

1.314

1.532

2.000

– 468

Anonieme e-mental health

 

785

1.090

925

1.000

2.000

– 1.000

Vertrouwenspersoon in de ggz

 

6.098

6.199

6.204

6.476

6.199

277

Suïcidepreventie

 

1.110

1.561

1.854

3.154

1.642

1.512

Verspilling in de zorg

       

324

0

324

Kwaliteitsimpuls apothekers

       

2.858

2.900

– 42

               

Bekostiging

 

2.594.090

2.532.710

4.306.800

3.896.700

3.893.700

3.000

waarvan onder andere:

             

Rijksbijdrage Zorgverzekeringsfonds voor financiering van verzekerden 18-

 

2.565.500

2.498.500

2.470.800

2.508.700

2.508.700

0

Rijksbijdrage dempen premie ten gevolgen van HLZ

 

0

0

1.804.000

1.353.000

1.353.000

0

Zorg illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen

 

0

33.045

32.000

35.000

32.000

3.000

               

Opdrachten

 

1.858

3.142

2.670

3.315

7.845

– 4.530

waarvan onder andere:

             

Programma Verspilling in de zorg

 

0

115

129

30

300

– 270

Aanvulling ZonMw-programma Doelmatigheidsonderzoek

       

0

500

– 500

Programma Goed Geneesmiddelen Gebruik

 

0

0

410

0

2.880

– 2.880

Publiekscampagne Depressie

       

900

0

900

               

Bijdragen aan agentschappen

 

1.043

1.215

1.270

1.802

1.375

427

CIBG: WPG/GVS/APG

 

1.043

1.215

1.270

1.802

1.375

427

               

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

 

0

0

0

0

619

– 619

ZiNL: Uitvoering Compensatie kosten van zorg illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen

 

0

0

0

0

619

– 619

               
               

3. Ondersteuning van het stelsel

 

64.191

59.013

171.179

183.467

140.051

43.416

               

Subsidies

 

3.226

353

37.183

2.339

31.930

– 29.591

waarvan onder andere:

             

Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen

 

232

331

1.085

927

791

136

Overgang integrale tarieven medisch-specialistische zorg

 

0

0

35.920

1.120

30.000

– 28.880

               

Bekostiging

 

3.144

4.191

0

47.750

0

47.750

Afwikkeling algemene kas ZFW

 

3.144

4.191

0

47.750

0

47.750

               

Inkomensoverdrachten

 

35.757

32.241

113.098

110.137

26.927

83.210

waarvan onder andere:

             

Overgangsregeling FLO/VUT ouderenregeling ambulancepersoneel

 

35.713

32.241

25.297

25.041

26.927

– 1.886

Schadevergoeding Erasmus MC

 

0

0

85.000

85.000

0

85.000

               

Opdrachten

 

2.566

4.014

4.746

7.358

4.529

2.829

waarvan onder andere:

             

Risicoverevening

 

1.179

1.139

1.857

1.826

1.890

– 64

Uitvoering zorgverzekeringstelsel

 

335

313

361

548

471

77

Patiëntenvervoer Waddeneilanden

 

0

0

0

4.056

0

4.056

               

Bijdragen aan agentschappen

 

19.498

18.214

16.152

15.883

21.539

– 5.656

CJIB: Onverzekerden en wanbetalers

 

19.498

18.214

16.152

15.883

21.539

– 5.656

               

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

 

0

0

0

0

51.022

– 51.022

waarvan onder andere:

             

Zorginstituut Nederland: Onverzekerden en wanbetalers

 

0

0

0

0

35.954

– 35.954

Zorginstituut Nederland: Doorlichten pakket

 

0

0

0

0

15.068

– 15.068

               

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

 

0

0

0

0

4.104

– 4.104

VenJ: Bijdrage C2000

 

0

0

0

0

4.104

– 4.104

               

Ontvangsten

92.490

78.105

81.998

98.455

152.126

60.955

91.171

waarvan onder andere:

             

Wanbetalers

 

66.343

69.681

85.785

82.640

59.902

22.738

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Als gevolg van afronding kan de som van de delen afwijken van het totaal.

5. Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen

Voor het in 2015 aangaan van de verplichtingen ten behoeve van de rijksbijdrage Zorgverzekeringsfonds voor de financiering van zorguitgaven voor jongeren (18-) en de rijksbijdrage ten behoeve van het dempen van de hoogte van de premie ten gevolgen van HLZ voor 2016, is verplichtingenbudget overgeheveld van 2016 naar 2015. Zie ook de tweede suppletoire wet 2015 (€ 3,9 miljard).

Daarnaast is voor het in 2016 aangaan van de verplichtingen van deze onderwerpen verplichtingenbudget overgeheveld van 2017 naar 2016 (€ 3,4 miljard). Zie ook de tweede suppletoire wet 2016.

1. Kwaliteit en veiligheid

Subsidies

Regeling donatie bij leven

In 2016 is de subsidieregeling donatie bij leven gewijzigd naar aanleiding van de bevindingen van de in 2015 uitgevoerde evaluatie. De wijzigingen betreffen onder meer een verbetering van de tegemoetkoming voor ZZP-ers. De uitgaven voor de subsidies bedroegen in 2016 € 0,5 miljoen.

Kengetallen donoren

Aantal donoren en aantal transplantaties 2008–2016

Aantal donoren en aantal transplantaties 2008–2016

Bron: www.transplantatiestichting.nl d.d. 18 januari 2017

Toelichting op de tabel:

In 2016 is het aantal postmortale orgaandonoren ten opzichte van 2015 gedaald met 11% van 265 naar 235 orgaandonoren die een of meer organen hebben gegeven na hun dood. Hierdoor is ook het aantal orgaantransplantaties met organen van overleden donoren gedaald. Door een groter aantal donoren dat meerdere organen heeft gegeven is de daling (8%) kleiner dan die van het aantal donoren. Het aantal orgaantransplantaties met organen van levende donoren is in 2016 gestegen met 11% van 517 in 2015 naar 574 in 2016. Het totaal aantal orgaantransplantaties is hierdoor nagenoeg gelijk gebleven (-0,7%).

Onderzoek

De geraamde middelen voor een bijdrage aan het Onco XL (€ 2 miljoen) initiatief zijn in 2016 nog niet tot besteding gekomen omdat de ontwikkeling van het strategisch plan door het consortium langer heeft geduurd dan voorzien en er nog overleg gaande is over de bijdrage van Onco XL aan de beleidsdoelstellingen van VWS.

Kengetal aantal geregistreerden in het donorregister

Kengetal aantal geregistreerden in het donorregister

Bron: www.donorregister.nl/cijfers

Toelichting op de tabel:

Het aantal geregistreerden steeg sterker dan voorgaande jaren. Dit is vooral veroorzaakt door de behandeling van het initiatiefwetsvoorstel Actief Donorregistratiesysteem (ADR). In reactie op het aannemen van het wetsvoorstel door de Tweede Kamer in september is vooral het aantal mensen dat zich met «Nee» in het Donorregister heeft geregistreerd gestegen.

2. Toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg

Bekostiging

Rijksbijdrage Zorgverzekeringsfonds voor financiering van verzekerden 18-

Kinderen tot achttien jaar betalen geen nominale premie Zvw. De rijksbijdrage Zorgverzekeringsfonds (circa € 2,5 miljard) voorziet in de financiering van deze premie.

Rijksbijdrage demping premie ten gevolgen van HLZ

De transitie van de AWBZ naar de Wlz, waarbij tevens overhevelingen plaatsvinden van de AWBZ naar de Zvw, zorgt voor een effect op de Zvw-premie. Een tegengesteld effect doet zich voor als gevolg van de overheveling van de jeugd-ggz naar de gemeenten. Om het gesaldeerde premie-effect te dempen is een rijksbijdrage ingevoerd. Deze rijksbijdrage loopt af van € 1,8 miljard in 2015 naar € 0 in 2019. In 2016 bedroeg de rijksbijdrage circa € 1,4 miljard.

Zorg aan illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen

De totale kosten zijn in 2016 uitgekomen op € 35 miljoen dat is € 3 miljoen hoger dan oorspronkelijke begroot. Bij vrijwel alle zorgvormen is sprake van toenemende kosten, maar vooral bij farmacie, kraamzorg en ggz. Ziekenhuiskosten zijn daarentegen flink gedaald. Voor sommige zorgvormen wordt daarnaast een deel van de stijging verklaard door achterstallige declaraties die nu tot uitbetaling komen. Ook de toegenomen bekendheid van de regeling kan een stijging van het aantal declaraties veroorzaken. Deze zorgkosten kwamen voorheen ten laste van de zorgaanbieders. Ziekenhuiskosten zijn daarentegen lager dan begroot.

Opdrachten

Programma goed geneesmiddelengebruik

De kosten voor het ZonMw programma Goed Geneesmiddelengebruik zijn overgeheveld naar artikel 4 Zorgbreed beleid.

3. Bevorderen werking van het stelsel

Subsidies

Overgang integrale tarieven medisch-specialistische zorg

Zoals reeds gemeld in de tweede suppletoire wet is in 2016 beperkt gebruik gemaakt van de subsidieregeling voor medisch specialisten waardoor uiteindelijk een bedrag resteert van circa € 29 miljoen. De vrijvallende middelen bij de subsidieregeling worden toegevoegd aan het kader medisch-specialistische zorg waaraan ze eerder in overleg met het veld zijn onttrokken.

Bekostiging

Afwikkeling algemene kas ZFW

In 2016 is het Zorginstituut in het kader van de afwikkeling van de voormalige Algemene Kas voortgegaan met het doorbelasten van de door hen betaalde uitgaven en het doorberekenen van de ontvangen bedragen aan het Ministerie van VWS. In 2016 heeft ZiNL de uitgaven en ontvangsten van de Voormalige Algemene Kas over het jaar 2014 verrekend met VWS. In 2014 heeft het Zorginstituut de bedragen in het kader van de voormalige Ziekenfondswet afgerekend met de voormalige ziekenfondsen en particuliere ziektekostenverzekeraars. Dit heeft geleid tot een betaling van € 47,7 miljoen en een ontvangst van € 61,1 miljoen.

Inkomensoverdrachten

Schadevergoeding Erasmus MC

Zoals reeds gemeld in de eerste suppletoire wet moet VWS Erasmus MC een schadevergoeding van € 235,9 miljoen betalen vanwege het niet nakomen van twee toezeggingen uit 2009. VWS heeft in 2015 en 2016 een bedrag van € 85 miljoen betaald. Het restant zal worden betaald in 2017.

Opdrachten

Risicoverevening

Het systeem van risicoverevening wordt jaarlijks aangepast aan wijzigingen in de zorg en op basis van gericht onderzoek worden verbeteringen in het systeem doorgevoerd. In de brief «Kwaliteit loont» (TK 31 765, nr. 116) is al aangekondigd dat extra middelen worden vrijgemaakt voor onderzoek en de begeleidingscapaciteit binnen het Ministerie van VWS. In 2016 en de jaren daarna wordt de aandacht gericht op de verbetering van de risicoverevening voor de kosten van de somatische zorg inclusief wijkverpleging en de kosten van de geestelijke gezondheidszorg. Hiermee worden de verzekeraars in het risicovereveningssysteem beter gecompenseerd voor chronisch zieken en andere verzekerden die veel zorg gebruiken. Voor verzekeraars wordt het aantrekkelijker om zich te richten op deze groep verzekerden. Hiervoor is in 2016 circa € 1,9 miljoen beschikbaar gesteld. Verder heeft er een kwantitatieve analyse van de werking van het vereveningssysteem plaatsgevonden. Over de uitkomsten hiervan is de Kamer begin 2017 geïnformeerd.

Patiëntenvervoer Waddeneilanden

Zoals reeds gemeld in de eerste suppletoire wet wordt het spoedeisende patiëntenvervoer vanaf de Wadden vanaf augustus 2016 uitgevoerd met een ambulancehelikopter in opdracht van RAV Fryslân. Deze voorziening wordt in 2016 vanaf de begroting bekostigd (circa € 4,1 miljoen). De middelen zijn op basis van facturen betaald aan Rijkswaterstaat.

Bijdragen aan agentschappen

CJIB: Onverzekerden en wanbetalers

De uitvoeringskosten van het CJIB ten behoeve van de aanpak van wanbetalers zijn lager dan geraamd. Deze lagere kosten zijn voornamelijk het gevolg van lager dan geraamde kosten voor gerechtsdeurwaarders.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Zorginstituut Nederland: onverzekerden en wanbetalers

Op dit artikel wordt een deel van de uitvoeringskosten van het Zorginstituut geraamd. Gedurende het uitvoeringsjaar worden deze middelen overgeheveld naar artikel 4 Zorgbreed beleid.

Alle inwoners van Nederland moeten zich verplicht verzekeren voor zorg en ziektekosten. Doen zij dat niet, dan worden zij aangeschreven door Zorginstituut Nederland (vanaf 1 januari 2017 het CAK). Eventueel volgen boetes en een ambtshalve verzekering. Sinds 1 juni 2016 vloeien de opbrengsten van de bestuurlijke boeten onverzekerden in de Rijkskas.

Op grond van de wanbetalersregeling in de Zvw worden wanbetalers met een premieachterstand van zes maanden overgedragen aan Zorginstituut Nederland. Via onder andere bronheffing betalen zij verplicht een bestuursrechtelijke premie die tot 1 juli 2016 130% van de standaardpremie bedroeg en sinds 1 juli 2016 125% van de gemiddelde nominale premie bedraagt. De uitvoeringskosten van Zorginstituut Nederland en het CJIB (verantwoordelijk voor de minnelijke incasso) worden door VWS betaald.

Kengetallen onverzekerden en wanbetalers Zorgverzekeringswet

Stand 31 december jaar t

2013

2014

2015

2016

Aantal onverzekerden

28.740

29.454

22.432

1

Aantal wanbetalers

316.006

327.334

312.037

275.765

Bron: Zorginstituut Nederland

X Noot
1

Nog niet bekend.

Zorginstituut Nederland: Doorlichten pakket

In het regeerakkoord Rutte-Asscher II is afgesproken dat het Zorginstituut Nederland (ZiNL) jaarlijks een deel van het verzekerd pakket zal doorlichten (stringent pakketbeheer/systematische doorlichting pakket). Hiervoor wordt aan het ZiNL aanvullend budget beschikbaar gesteld ten behoeve van de uitbreiding van personele capaciteit en onderzoek.

Naar aanleiding van de leerervaringen in de eerste jaren, heeft het ZiNL de aanpak van het Programma Zinnige Zorg aangepast. Voor een verdere uitwerking en draagvlak voor de onderzoeksvragen betrekt het ZiNL het veld intensiever en vraagt hen om een actieve bijdrage te leveren. Mede door deze gewijzigde aanpak is vertraging opgelopen die ook geresulteerd heeft in onderuitputting op het beschikbare budget. Voor de projectdoelstellingen heeft dit geen gevolgen. De planning is nog steeds om in 2021 alle ICD-10 gebieden te hebben doorgelicht.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

VenJ: Bijdrage C2000

Dit betreft een overboeking naar het Ministerie van Veiligheid en Justitie voor de jaarlijkse VWS-bijdrage aan de exploitatiekosten C2000 (€ 4,1 miljoen).

Ontvangsten

In 2016 is het Zorginstituut in het kader van de afwikkeling van de voormalige Algemene Kas voortgegaan met het doorbelasten van de door hen betaalde uitgaven en het doorberekenen van de ontvangen bedragen aan het Ministerie van VWS. In 2016 heeft ZiNL de uitgaven en ontvangsten van de Voormalige Algemene Kas over het jaar 2014 verrekend met VWS. In 2014 heeft het Zorginstituut de bedragen in het kader van de voormalige Ziekenfondswet afgerekend met de voormalige ziekenfondsen en particuliere ziektekostenverzekeraars. Dit heeft geleid tot een betaling van € 47,7 miljoen en een ontvangst van € 61,1 miljoen.

Wanbetalers

De ontvangsten als gevolg van de aan wanbetalers opgelegde bestuursrechterlijke premie worden met ingang van 2012 voor 23% toegevoegd aan de begroting van VWS. Voor 2016 is dit deel van de ontvangsten uitgekomen op € 82,6 miljoen. Dit is hoger dan geraamd. Bij de begroting van 2016 is destijds rekening gehouden met een verwachte daling van het aantal wanbetalers en de verlaging van de bestuursrechtelijke premie, vanwege de Wet verbetering wanbetalersmaatregelen (Stb. 2015, 502).

Terwijl het aantal wanbetalers inderdaad is gedaald van circa 325.000 eind 2014 naar circa 280.000 op 1 december 2016, zijn de gerealiseerde ontvangsten hoger dan geraamd. Er is een aantal redenen voor de hoger dan geraamde ontvangsten:

  • Hoewel een relatief grote groep inderdaad is uitgestroomd, stromen er minder mensen dan verwacht uit bij wie de bestuursrechtelijke premie door middel van broninhouding werd geïnd. Die inning blijft dus doorgaan.

  • Bij de raming van de ontvangsten is uitgegaan van een verlaging van de bestuursrechtelijke premie per 1 januari 2016. Dit is 1 juli 2016 geworden.

  • Tegenover het lagere aantal wanbetalers en de lagere bestuursrechtelijke premie staat een succesvollere incasso van oude vorderingen. Dit heeft mogelijk te maken met een toegenomen betaalcapaciteit van mensen als gevolg van de betere economische situatie, maar ook door succesvolle inningsactiviteiten, zoals de tweede deurwaardersgang.

Overig

Op 1 juli 2016 is de wet «Verbetering wanbetalersmaatregelen» inwerking getreden. Met deze wet komen de van onverzekerden ontvangen bestuurlijke boeten, niet meer ten gunste van het Zorgverzekeringsfonds, maar vloeien naar de ontvangsten op de VWS-begroting.

Onder andere als gevolg van latere invoering van de gewijzigde wetgeving wanbetalers zijn de ontvangsten als gevolg van de aanpak van wanbetalers in 2016 hoger dan oorspronkelijk geraamd.

Beleidsartikel 3 Langdurige zorg en ondersteuning

1. Algemene doelstelling

Een stelsel voor maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg dat ieder mens in staat stelt om zijn leven zo lang mogelijk zelf in te vullen en – wanneer dit nodig is – om thuis of in een instelling kwalitatief goede ondersteuning en zorg te krijgen. Daarbij worden ondersteuning en zorg aangeboden aansluitend op informele vormen van hulp. De complexiteit van de zorgvraag, de kwetsbaarheid van de burger en de mogelijkheden van zijn informele netwerk staan centraal. Er wordt gestreefd naar welbevinden en een afname van de afhankelijkheid van ondersteuning en zorg. Dit alles tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

In dit begrotingsartikel zijn de begrotingsuitgaven voor de langdurige zorg en maatschappelijke ondersteuning opgenomen.

De premie-uitgaven en -ontvangsten op het terrein van de langdurige zorg en ondersteuning komen aan bod in het hoofdstuk Financieel Beeld Zorg (FBZ).

2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister is verantwoordelijk voor een goed en efficiënt werkend systeem van langdurige zorg en maatschappelijke ondersteuning in Nederland. Mensen die zorg en ondersteuning nodig hebben, dienen dit zoveel mogelijk thuis of in een instelling op maat en van een goede kwaliteit te krijgen.

Gemeenten dragen zorg voor de ondersteuning thuis via de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het budget voor de Wmo 2015 wordt via de integratie-uitkering Sociaal domein aan gemeenten uitgekeerd. Daarnaast ontvangen gemeenten ook budget met betrekking op de Wmo 2015 via de integratie-uitkering Wmo/huishoudelijke verzorging, de decentralisatie-uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en HHT (huishoudelijke hulp toelage), en de algemene uitkering van het gemeentefonds.

Voor mensen met een blijvende behoefte aan permanent toezicht en die 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig hebben, is zorg vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) beschikbaar. Zorgkantoren sluiten namens Wlz-uitvoerders overeenkomsten met zorgaanbieders voor het leveren van verzekerde zorg. Het kan onder andere gaan om verblijf in een instelling, persoonlijke verzorging en verpleging en/of geneeskundige zorg in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget.

Voorts is de Minister verantwoordelijk voor:

Stimuleren:

  • De Minister stimuleert vernieuwing in de langdurige zorg en maatschappelijke ondersteuning en jaagt deze aan. Vernieuwing wordt hoofdzakelijk door burgers, cliëntenorganisaties, gemeenten, zorg- en welzijnsaanbieders en zorgverzekeraars vormgegeven.

  • De Minister stimuleert de ontwikkeling en brede verspreiding van kennis, waaronder goede voorbeelden en innovaties op het gebied van langdurige zorg en maatschappelijke ondersteuning en initiatieven om de kwaliteit en het innoverend vermogen van de zorg en de ondersteuning te versterken.

Financieren:

  • De Minister draagt zorg voor het financieren van de Wlz en de Wmo 2015.

  • De Minister is (mede)financier door onder meer de rijksbijdrage in de kosten van kortingen (BIKK) in de Wlz en door het financieren van partijen die een belangrijke rol vervullen binnen het stelsel, zoals het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) en Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE).

Regisseren:

  • De Minister stelt de wettelijke kaders van de Wmo 2015 en de Wlz vast en stuurt voorts door het maken van bestuurlijke afspraken.

  • De Minister is verantwoordelijk voor het monitoren en evalueren van de uitwerking van de Wmo 2015 en de Wlz.

3. Beleidsconclusies

De in de begroting opgenomen beleidswijzigingen op terrein van het nationaal programma palliatieve zorg, kwaliteitsverbetering intramurale ouderenzorg, mantelzorg, geweld in huiselijke kringen en de ratificatie van het VN-verdrag Handicap, zijn grotendeels uitgevoerd volgens plan. Aanvullend kunnen de volgende conclusies over het gevoerde beleid worden getrokken:

Afronding transitie langdurige zorg

De transitie langdurige zorg is afgerond en daarmee staat goede zorg voor de burger steeds meer centraal. Na de eerste implementatieperiode is de aandacht in 2016 verlegd naar de nadere uitwerking van specifieke onderwerpen. Het gaat hierbij onder meer om zorgverlening aan de Wlz-indiceerbaren, de voorbereiding voor de overdracht van eerstelijns verblijf naar de Zorgverzekeringswet per 2017 en het uitbreiden van het modulair pakket thuis met huishoudelijke hulp. Ook daar staat de kwaliteit van zorg, door de ogen van de cliënt, centraal. Door middel van de Voortgangsrapportages Wlz is de Tweede Kamer periodiek geïnformeerd over de voortgang van onder meer deze onderwerpen met betrekking tot de Wlz. De laatste voortgangsrapportage is verschenen op 2 september 2016 (TK 34 104, nr. 138).

Geconstateerd kan worden dat in 2016 op hoofdlijnen de gestelde doelen zijn bereikt. Wel zijn verschillende niet voorziene aandachtpunten naar voren zijn gekomen, zoals het hoger dan voorziene gebruik van de subsidieregeling eerstelijns verblijf (Stcrt 2016, 51483). Steeds weer wordt daarbij geprobeerd de systemen aan te passen aan de mensen. In het genoemde voorbeeld wordt dit bereikt door de budgettaire kaders voor eerstelijns verblijf te verhogen.

Waardigheid en Trots

In 2016 is verder uitvoering gegeven aan het plan Waardigheid en Trots «Liefdevolle zorg voor onze ouderen». Omtrent de voortgang van het plan heeft de Tweede Kamer twee voortgangsrapportages ontvangen in 2016, waarvan de laatste op 4 juli 2016 is verzonden (TK 31 765, nr. 215). In 2016 heeft de nadruk gelegen op de uitvoering van het programma. Inmiddels is een onomkeerbare beweging in gang gezet. In het veld vindt vernieuwing vanuit de praktijk plaats. Ook is de lat voor alle instellingen verhoogd door de afronding van het kwaliteitskader (welke op 13 januari 2017 is vastgesteld), de personeelsnorm en de afspraken over transparantie van veiligheidsindicatoren. De IGZ heeft het eindrapportage «toezicht op de 150 verpleegzorginstellingen» waar een risico op onverantwoorde zorg bestond afgerond. Op 31 oktober 2016 is de Kamer (TK 31 765, nr. 245) nader geïnformeerd met een nieuwe geactualiseerde lijst. Belangrijkste conclusie is dat het toezicht bij 111 van 150 zorgaanbieders is afgesloten en dat 8 instellingen onder intensief toezicht blijven staan.

Transitieagenda Langer zelfstandig wonen: een helder handelingskader voor alle partijen

De transitie naar een betere aansluiting van het huidige aanbod en de vraag om langer zelfstandig te wonen met nieuwe zorgarrangementen, zal meerdere jaren beslaan. Daarbij is het noodzakelijk dat alle partijen vanuit eenzelfde perspectief naar de samen te verrichten opdracht kijken. Zoals aangekondigd in de Voortgangsrapportage Transitieagenda Langer zelfstandig wonen van 1 juli 2015 (TK 32 847, nr. 182) is in 2016 in alle regio’s of gemeenten het overleg gestart om afspraken te maken tussen gemeenten, woningcorporaties en zorgaanbieders over het aantal geschikte woningen en de te leveren zorg en ondersteuning om mensen langer thuis te kunnen laten wonen. Ook is afgesproken dat burgers goed worden geïnformeerd over de mogelijkheden om langer thuis te wonen en de kosten die daarmee gemoeid zijn. Met de transitie-agenda kunnen alle partijen op volle kracht vooruit.

Vermindering van de administratieve lasten

Het afgelopen jaar is er een slag gemaakt in het terugdringen van de administratieve lasten. Het Experiment Regelarme Instellingen (ERAI) is geëvalueerd. Mede naar aanleiding van dit experiment zijn vereenvoudigingen in regelgeving doorgevoerd bijvoorbeeld op het terrein van de zorginkoop in de Wlz door zorgkantoren, het AZR berichtenverkeer en DigiMV. In het eindrapport zijn meer voorbeelden gegeven.

Pgb trekkingsrechten; van stabilisatie en verbetering naar vernieuwing

Met de inwerkingtreding van de Wlz, de Wmo 2015 en de Jeugdwet is ook het trekkingsrecht persoonsgebonden budget (pgb) ingevoerd. Dit betekent dat het budget niet langer aan de budgethouder zelf wordt verstrekt, maar dat de betalingen (na controle) rechtstreeks aan de zorgverlener worden gedaan. Deze beleidswijziging diende ertoe om fouten en fraude met het pgb terug te dringen en om de budgethouder in zijn administratieve taken te ondersteunen. In 2016 is ketenbreed gewerkt aan het verder stabiliseren en verbeteren van het systeem van trekkingsrechten (TK 25 657, nr. 235).

Over de voortgang binnen het systeem van trekkingsrechten is de Kamer regelmatig geïnformeerd. De laatste voortgangsrapportage in 2016 is op 2 november aan de Tweede Kamer verzonden (TK 25 657, nr. 273). In deze voortgangsrapportages is te lezen dat de betalingen gedurende 2016 stabiel waren. Bovendien zijn vanaf november 2016 de totale set reguliere controles weer uitgevoerd, wat bijdraagt aan de controledoelstelling van het trekkingsrecht (TK 25 657, nr. 261). Tevens zijn structurele verbeteringen voor het systeem van trekkingsrechten ingezet, waarbij het op nieuwe wijze ontwikkelen van een portaal, vergaand standaardiseren en digitaliseren, taken en verantwoordelijkheden voor de verstrekker beter borgen en het doen van noodzakelijke investeringen bij de SVB voorop staan (TK 25 657, nr. 249). Over de totstandkoming van dit portaal is de Kamer op 16 december 2016 geïnformeerd. Met deze maatregelen is de richting ingezet voor verdere verbetering van het trekkingsrecht pgb naar een toekomst en verdere verbetering voor de budgethouder.

4. Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2014

2015

2016

2016

2016

Verplichtingen

5.638.535

4.085.519

4.479.923

7.052.568

3.783.240

3.643.306

139.934

               

Uitgaven

5.633.924

4.055.646

4.560.102

3.604.436

3.708.112

3.644.801

63.311

               

1. Participatie en zelfredzaamheid van mensen met beperkingen

 

188.010

188.367

113.809

88.651

88.899

– 248

               

Subsidies

 

25.465

34.667

31.381

26.176

22.629

3.547

waarvan onder andere:

             

Movisie

 

8.106

8.198

8.204

7.313

7.198

115

Transitie en transformatie

 

0

0

3.971

827

1.135

– 308

Wmo-werkplaatsen

 

0

0

2.685

2.346

2.600

– 254

Ondersteuning vrijwilligers

 

0

0

0

1.692

1.400

292

Mezzo

 

3.159

3.200

3.262

3.038

3.200

– 162

Siriz (opvang specifieke groepen)

 

0

0

1.518

1.566

1.517

49

Mantelzorg en vrijwilligersbeleid

 

0

0

0

3.311

0

3.311

               

Inkomensoverdrachten

 

87.285

87.555

20.867

0

0

0

Mantelzorg ondersteuning

 

87.285

87.555

20.867

0

0

0

               

Opdrachten

 

59.431

63.376

60.329

62.475

66.270

– 3.795

waarvan onder andere:

             

Bovenregionaal gehandicaptenvervoer

 

55.458

59.648

55.645

57.736

60.654

– 2.918

Evaluatie Wmo 2015

       

0

980

– 980

Categorale opvang slachtoffers mensenhandel

       

1.629

1.700

– 71

Aanpak Laaggeletterdheid

       

456

2000

– 1.544

               

Garanties

 

12.720

0

0

0

0

0

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

 

3.109

2.769

1.232

0

0

0

               

2. Zorgdragen voor langdurige zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten

 

3.867.635

4.371.735

3.490.627

3.619.461

3.555.902

63.559

               

Subsidies

 

182.391

229.472

79.651

81.685

82.613

– 928

waarvan onder andere:

             

Compensatieregeling pgb-trekkingsrechten

 

0

11.671

0

0

18.000

– 18.000

Vilans

 

5.253

5.315

5.158

4.754

4.686

68

Centrum Consultatie en Expertise (CCE)

 

11.110

10.767

11.194

11.501

11.142

359

InVoorZorg! (IVZ)

 

19.414

30.205

22.541

5.598

9.642

– 4.044

Joodse en Indische instellingen

 

0

0

2.593

2.504

2.504

0

Subsidieregeling palliatieve zorg

 

19.589

19.035

15.514

15.504

15.551

– 47

Subsidies netwerken palliatieve zorg

 

0

0

3.478

3.520

3.480

40

Kwaliteitsverbetering palliatieve zorg

 

1.470

1.942

2.171

2.532

2.416

116

Waardigheid en trots

       

18.014

0

18.014

Kwaliteitsagenda gehandicaptenzorg

       

0

0

0

Dementie

       

2.460

3.000

– 540

Transitie HLZ

 

0

6.055

6.336

3.133

4.722

– 1.589

Bureau mentorschap

       

551

513

38

               

Bekostiging

 

3.679.200

4.136.300

3.250.000

3.382.200

3.365.700

16.500

Bijdrage in de kosten van kortingen (BIKK)

 

3.679.200

4.136.300

3.250.000

3.382.200

3.365.700

16.500

               

Inkomensoverdrachten

 

0

0

0

135

0

135

               

Opdrachten

 

3.832

3.260

4.188

3.696

12.859

– 9.163

waarvan onder andere:

             

Informatievoorziening zorg en ondersteuning

 

2.725

1.441

599

86

1.670

– 1.584

Transitie HLZ

 

0

485

1.481

139

2.350

– 2.211

               

Bijdragen aan agentschappen

 

2.212

2.703

2.735

2.824

2.600

224

CIBG: Opdrachtgeverschap

 

2.212

2.703

2.735

2.824

2.600

224

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

 

0

0

154.053

148.921

92.130

56.791

waarvan onder andere:

             

Uitvoeringskosten SVB pgb-trekkingsrechten

 

0

0

76.241

77.558

23.400

54.158

Centrum Indicatiestelling Zorg

 

0

0

77.811

71.363

68.707

2.656

               

Ontvangsten

7.320

7.723

9.404

2.755

31.887

3.441

28.446

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Als gevolg van afronding kan de som van de delen afwijken van het totaal.

5. Toelichting op de instrumenten

1. Participatie en zelfredzaamheid van mensen met beperkingen

Kengetal: De participatie van mensen met een lichamelijke beperking, lichte of matige verstandelijke beperking, ouderen (> 65 jaar) en de algemene bevolking in 2014 (percentages)

Kengetal: De participatie van mensen met een lichamelijke beperking, lichte of matige verstandelijke beperking, ouderen (> 65 jaar) en de algemene bevolking in 2014 (percentages)

Bovenstaand kengetal is afkomstig uit de Participatiemonitor 2015 van het NIVEL (met gegevens tot en met 2014). Het belangrijkste doel van de Participatiemonitor is het beschrijven van ontwikkelingen in de wijze en mate van maatschappelijke participatie van mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking, ouderen (65+) en de algemene bevolking in Nederland. Daarnaast is de monitor ook bedoeld om beter zicht te krijgen op factoren die de participatie kunnen bevorderen dan wel belemmeren en op het verband tussen participatie en kwaliteit van leven.

De Participatiemonitor wordt om de twee jaar uitgebracht.

Subsidies

Mantelzorg en vrijwilligersbeleid

Het betreft hier uitgaven op het gebied van informele zorg waaronder diverse (project)subsidies gericht op ondersteuning en versterking van de positie van vrijwilligers en mantelzorgers (€ 3,3 miljoen). In de tweede suppletoire wet zijn hiervoor middelen beschikbaar gesteld.

Opdrachten

Bovenregionaal gehandicaptenvervoer (BRV)

Mensen met een mobiliteitsbeperking konden ook in 2016 gebruikmaken van het bovenregionaal sociaalrecreatief vervoer (ook bekend als Valys) per (deel)taxi. De totale uitgaven bedroegen € 57,7 miljoen in 2016. Dit is minder dan begroot (€ 2,9 miljoen).

Over het geheel genomen geven de pashouders het reizen met het BRV een hoog waarderingscijfer (zie onderstaande tabel).

Valys indexcijfers

Bron & toelichting

Bron & toelichting

Bron: Tevredenheidsonderzoek Valys, november 2016, Jes marketing en onderzoek.

pkb = persoonlijk kilometer budget

Het BRV is vraagafhankelijk vervoer, dit betekent dat factoren zoals de toegankelijkheid van het

lokale openbaar vervoer, het weer of de gezondheid van de pashouders invloed kunnen hebben

op het aantal verreden kilometers.

Evaluatie Wmo 2015

Het budget voor de evaluatie van de Wmo 2015 (€ 1 miljoen) is samen met het budget dat per eerste suppletoire wet is overgeboekt van andere artikelonderdelen (€ 2,1 miljoen) per tweede suppletoire wet overgeboekt naar het Sociaal Cultureel Planbureau voor het evaluatieonderzoek van de Hervorming van de Langdurige Zorg (HLZ) en de Wmo 2015.

Aanpak Laaggeletterdheid

Voor de aanpak laaggeletterdheid is bij tweede suppletoire wet € 1,6 miljoen overgeboekt naar OCW voor het actieprogramma «Tel mee met taal».

2. Zorgdragen voor langdurige zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten

In de eerste suppletoire wet is reeds gemeld dat in het kader van Verantwoord Begroten er een technische herschikking heeft plaatsgevonden tussen de instrumenten subsidies en opdrachten.

Subsidies

Compensatieregeling pgb-trekkingsrechten

In de tweede suppletoire wet is reeds gemeld dat de uitvoering van de compensatieregeling trekkingsrechten in het eerste kwartaal 2017 van start zal gaan. De middelen blijven beschikbaar voor de uitvoering van de compensatieregeling in 2017.

InVoorZorg!

Zorgaanbieders, cliëntenorganisaties, gemeenten en zorgverzekeraars, en zorgkantoren zijn als gevolg van de hervorming van de langdurige zorg in andere verhoudingen tot elkaar komen te staan. Het programma «InVoorZorg!» heeft zorgorganisaties geholpen hun werkprocessen in te richten met het oog op de toekomst. Niet alle middelen die in 2016 beschikbaar waren zijn tot besteding gekomen. Een deel van de middelen (€ 2,3 miljoen) is getemporiseerd. In de eerste suppletoire wet is dit reeds gemeld.

Waardigheid en trots

In totaal is een bedrag van € 185 miljoen in 2016 oplopend tot € 210 miljoen structureel vanaf 2020 beschikbaar gesteld voor Waardigheid en Trots. In de begroting 2016 is dit gehele bedrag gereserveerd binnen het Budgettair Kader Zorg omdat de nadere verdeling tussen het Budgettair Kader Zorg en de begroting nog niet was gemaakt. Bij de eerste suppletoire wet is structureel € 17,5 miljoen overgeboekt naar de begroting voor uitgaven in het kader van Waardigheid en Trots door middel van opdrachten en subsidies. Aan subsidies is uiteindelijk € 18 miljoen uitgeven voor onder andere de ondersteuning van 150 verpleeghuizen die projecten uitvoeren om de kwaliteit te verbeteren en aan het publiceren van cliëntervaringen op Zorgkaart-Nederland.

Kwaliteitsagenda gehandicaptenzorg

Bij de ontwikkeling van het kwaliteitsplan voor de gehandicaptensector is ervoor gekozen om eerst samen met betrokken partijen na te gaan welke aanpak goed past bij de gehandicaptensector. Dit heeft geleid tot een gezamenlijke kwaliteitsagenda «Samen werken aan een betere gehandicaptenzorg» die op 1 juli 2016 aan de Kamer is gestuurd. Vanwege de latere start zijn de bij begroting 2017 (TK 34 550-XVI, nr. 1) aangekondigde beschikbare subsidiemiddelen 2016 niet besteed (€ 1,6 miljoen). Inmiddels is samen met veldpartijen hard gewerkt aan een meerjarenplan inclusief begroting voor de komende periode.

Transitie HLZ (subsidies en opdrachten)

De middelen zijn ingezet ter ondersteuning van de regio’s voor onder meer het aanstellen van ambassadeurs, monitoring, communicatie en onderzoek. Een bedrag van € 1,4 miljoen is binnen artikel 3 overgeheveld naar Participatie en zelfredzaamheid van mensen met beperkingen. Circa € 2,4 miljoen is door een temporisering van de uitgaven niet tot besteding gekomen.

Bekostiging

Bijdrage in de kosten van kortingen (BIKK)

De BIKK is een rijksbijdrage die is ingesteld om de lagere premieopbrengst van de Wlz als gevolg van de grondslagverkleining van de Wlz bij de invoering van het nieuwe belastingstelsel in 2001 te compenseren (circa € 3,3 miljard). De uitgavenraming voor de BIKK is bij de eerste en tweede suppletoire wet bijgesteld op basis van de ramingen van het Centraal Planbureau.

Opdrachten

Informatievoorziening zorg en ondersteuning

Per 1 januari 2016 zijn diverse producten en projecten afgerond en/of overgedragen aan (uitvoerings)organisaties, waaronder het CAK en het Zorginstituut (in totaal € 0,6 miljoen). Een bedrag van circa € 1 miljoen is niet tot besteding gekomen in 2016.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Uitvoeringskosten SVB pgb trekkingsrechten

De SVB heeft in 2016 € 77,6 miljoen ontvangen voor de uitvoering van trekkingsrechten pgb. De afwijking ten opzichte van de oorspronkelijke begroting komt doordat de bijdrage van gemeenten aan de SVB-begroting is verwerkt in de eerste suppletoire wet. Daarnaast zijn extra middelen beschikbaar gesteld in de tweede suppletoire wet.

CIZ

Het CIZ verzorgt de indicatiestelling in het kader van de Wlz. Daarnaast verricht het CIZ werkzaamheden in het kader van de artikelen 11 en 12 van het Besluit uitvoering kinderbijslag van het Ministerie van SZW. Voor deze taken is het kader bij eerste suppletoire wet met € 2,6 miljoen opgehoogd. Deze middelen zijn nodig om het CIZ de advisering ten behoeve van de bepaling van de zorgintensiteit van kinderen te laten uitvoeren. Deze mutatie betreft de overboeking van de middelen van de begroting van SZW naar VWS omdat de financiering van het CIZ via de VWS-begroting plaatsvindt.

Ontvangsten

De initiële ontvangstenraming wordt met € 28,4 miljoen overschreden door enkele substantiële incidentele in de tweede suppletoire wet gemelde ontvangsten. Deze bestaan onder meer uit € 12,7 miljoen vaststelling mantelzorgcompliment 2014, € 10,8 miljoen extra ontvangsten CIZ (lagere operationele kosten en een vrijval uit de voorzieningen), verkoop VWS-aandeel Zonnehuizen (€ 2,5 miljoen) en terugontvangst subsidies zorgkantoren 2013 en 2014 (€ 3 miljoen).

Artikel 4 Zorgbreed beleid

1. Algemene beleidsdoelstelling

Het scheppen van randvoorwaarden om het zorgstelsel te laten werken zodat de kwaliteit, de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van de zorg voor de burger is gewaarborgd.

2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister bevordert de werking van het stelsel door partijen in staat te stellen hun rol te spelen en door belemmeringen weg te nemen die een goede werking van het stelsel in de weg staan.

Daar waar publieke belangen in het geding zijn die niet voldoende door (partijen in) het stelsel behartigd kunnen worden, bevordert de Minister dat deze belangen worden behartigd.

Stimuleren:

  • dat verzekerden, waaronder patiënten, een stevige positie innemen in het zorgstelsel, onder meer door goed samenwerkende patiënten- en gehandicaptenorganisaties;

  • van kwalitatief goede en veilige zorgverlening met keuzevrijheid voor consumenten;

  • van transparantie over kwaliteit en kosten van zorg;

  • van een logische beroepenstructuur die aansluit op de huidige en toekomstige zorg- en ondersteuningsvraag;

  • van beschikbaarheid van voldoende gekwalificeerd zorgpersoneel door kwalitatief goede en samenhangende opleidingen;

  • van innovaties in de zorg en de ontwikkeling en toepassing van ontwikkelde kennis;

  • van betrokken partijen om het aanbod van (jeugd)zorg in Caribisch Nederland te verbeteren. Wat de zorg betreft conform de aanbevelingen van de Commissie Goedgedrag en wat jeugd betreft conform de bestuurlijke afspraken uit 2009.

  • van initiatieven om onrechtmatigheden in de zorg zoveel moelijk te voorkomen.

Financieren:

  • van patiënten- en gehandicaptenorganisaties om de belangen van verzekerden, waaronder patiënten in het systeem te behartigen en hen goed te informeren;

  • van ZBO’s (CAK, NZa, ZiNL, CBZ, CSZ) om hun wettelijke verantwoordelijkheid in het zorgstelsel invulling te kunnen geven;

  • van agentschappen (CIBG, RIVM) om hun taken in het zorgstelsel uit te voeren;

  • van veldpartijen middels een subsidie om informatie over de kwaliteit van het zorgaanbod snel te ontsluiten voor patiënten;

  • van instrumenten om personeel in de zorg goed op te leiden en bij te scholen (bijvoorbeeld Stagefonds, kwaliteitsimpuls ziekenhuispersoneel);

  • van zorg en welzijn in Caribisch Nederland.

Regisseren:

  • van een stevige positie van de patiënt in het zorgstelsel door wet- en regelgeving en toepassing en handhaving daarvan, zoals de Wet BIG;

  • dat alle betrokken partijen in de zorg in staat zijn hun verantwoordelijkheid in het zorgstelsel waar te maken;

  • van goed bestuur in de zorg en het toezicht daarop;

  • van de dialoog tussen veldpartijen, gericht op de toekomstige (arbeidsmarkt-)uitdagingen en de (arbeidsmarkt-)gevolgen van de transities;

  • door het ontwikkelen van een wettelijk kader voor de taken van NZa, ZiNL en andere organisaties;

  • van verlagen van regeldruk in de zorg;

  • van het tot stand komen van een passend aanbod van (jeugd)zorg in Caribisch Nederland;

  • van de totstandkoming, implementatie en monitoring van een ketenaanpak voor preventie, toezicht, opsporing en vervolging op het gebied van fraude, oneigenlijk gebruik en onrechtmatig declareren in de zorg.

3. Beleidsconclusies

Positie cliënt

Om de positie van cliënten op het terrein kwaliteit van zorg en de afhandeling van klachten en geschillen te verbeteren, is per 1 januari 2016 de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) in werking getreden. Ter bevordering van een goede implementatie zijn zorgaanbieders door het Ministerie van VWS ondersteund door middel van presentaties en het beantwoorden van vragen. Op www.kwaliteitenklachtenzorg.nl staan onder meer antwoorden op de meest gestelde vragen, waaronder een brochure «Val ik onder de Wkkgz?». Specifiek voor kleine zorgaanbieders staat er op www.kwaliteitenklachtenzorg.nl een handreiking «Omgaan met incidenten».

De Wkkgz verplicht zorgaanbieders zich per 1 januari 2017 aan te sluiten bij een erkende geschilleninstantie. Eind 2016 zijn 19 geschilleninstanties Wkkgz erkend door het CIBG (www.geschilleninstantieszorg.nl). Hiermee is er nu voor alle aanbieders die onder de Wkkgz vallen een geschilleninstantie beschikbaar.

In 2016 is een nulmeting Wkkgz uitgevoerd. Eind 2017 zal er een monitor uitgevoerd worden van ontwikkeling van klachten en geschillen.

Zo heeft de commissie Innovatie, Zorgberoepen en Opleidingen van het Zorginstituut in 2016 als vervolg op het advies over de veranderende zorgvraag een advies uitgebracht over een passend opleidingscontinuüm. Zowel door de commissie als vanuit het Zorgpact werden ook in de praktijk mooie innovaties en samenwerkingsverbanden in de regio’s gezien. In 2016 zijn regionale actieagenda’s tussen zorg, onderwijs en lokale overheid afgesloten en hebben zich 51 koplopers bij het Zorgpact aangesloten met goede praktijken die nieuwe kennis beschikbaar maken (TK 29 282, nr. 263).

Zo wordt er in de samenwerkingsverbanden aan gewerkt om studenten vroeg in de opleiding praktijkervaring op te laten te doen. In de Achterhoek gaat hierbij de docent mee met de studenten en is de wijkdocent in het leven geroepen. Ook is er veel aandacht voor de introductie van technologie binnen de zorg en het onderwijs. Zo zijn er bij Zorgtechniek Limburg (ZTL) modules Zorgtechnologie in het curriculum geïntroduceerd en is een volledige e-learning onderwijsmodule ontwikkeld die voldoet aan het kwalificatiedossier. De module is niet alleen voor eigen leerlingen, maar ook voor andere scholen beschikbaar (TK 29 282, nr. 263).

In 2016 heeft er een beleidsdoorlichting plaatsgevonden van het beroepen-, opleidingen- en arbeidsmarktinstrumentarium. Voor de uitkomsten van die doorlichting wordt verwezen naar de kabinetsreactie die dit voorjaar aan de Tweede Kamer wordt verzonden.

Arbeidsomstandigheden (Veilig werken in de Zorg 2016)

2016 was het laatste jaar van het zorgbrede actieplan Veilig Werken in de zorg (TK 29 282, nr. 260). Bijna vijf jaar hebben werknemers- en werkgeversorganisaties en het kabinet uiteenlopende activiteiten ondernomen om agressie tegen zorgverleners te bestrijden. De campagne Duidelijk over Agressie heeft bijvoorbeeld bijgedragen aan een cultuuromslag in de zorg: agressie is nooit acceptabel en men komt altijd in actie na een incident. Ook heeft het kabinet aangifte onder nummer mogelijk gemaakt en het doen van aangifte door werkgevers gestimuleerd (TK 28 684, nr. 454). Het actieplan heeft er voor gezorgd dat binnen zorginstellingen meer gedaan wordt tegen agressie. Ruim 90% van de werkgevers geeft bijvoorbeeld aan dat ze actie hebben ondernomen om agressie bespreekbaar te maken onder werknemers (Werkgeversenquête 2016, AZWinfo).

Wet BIG

In december 2016 is het wetsvoorstel modernisering tuchtrecht Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) naar de Tweede Kamer gezonden (TK 34629). De evaluatie van de Wet BIG is aanleiding geweest voor dit wetsvoorstel. Met het wetsvoorstel wordt het functioneren van het tuchtrecht verbeterd met als doel een effectievere bescherming tegen slecht functionerende beroepsbeoefenaren in de individuele gezondheidszorg. Daarnaast wordt het stelsel van voorbehouden handelingen aangepast, waardoor duidelijk is dat de Wet BIG ook van toepassing is op handelingen die buiten de individuele gezondheidszorg worden verricht. Ook wordt de toegankelijkheid van het BIG-register verbeterd doordat beroepsbeoefenaren hun BIG-nummer moeten gaan vermelden.

Stageplaatsen zorg/ Stagefonds

In 2016 is de subsidieregeling stageplaatsen zorg II geëvalueerd. De onderzoekers concluderen dat het op basis van het voorliggende onderzoek gerechtvaardigd lijkt om het Stagefonds te continueren. Zij stellen dat de subsidiemaatregel een waardevolle regeling is voor de zorgsector om meer en tevens kwalitatief betere stageplaatsen te verwezenlijken. De evaluatie is samen met het voorstel om de subsidieregeling te verlengen aan de Tweede Kamer aangeboden, waarna de subsidieregeling is verlengd tot 1 augustus 2021 (TK 29 282 nr. 252).

Publieke gezondheidszorgopleidingen

De afgelopen jaren is – ondanks publieke financiering – de instroom in de opleidingen publieke gezondheidszorg (jeugdartsen, artsen infectieziektenbestrijding, TBC-artsen en medisch milieukundigen) onvoldoende geweest om in de toekomst te kunnen blijven voldoen aan de vraag naar deze beroepen. In 2016 hebben we een voorstel gedaan aan de sector hoe we de opleiding aantrekkelijker kunnen maken, bijvoorbeeld door de administratieve lasten voor opleidende instellingen te verlagen door het werkgeverschap van artsen in opleiding centraal te beleggen. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd bij brief van 6 juli 2016 (TK 29 282 nr. 255). In 2017 willen we deze voorstellen samen met de sector verder uitwerken en het draagvlak in de sector vergroten.

Opleiding verpleegkundig specialist/ physician assistant

In 2016 heeft het Kenniscentrum Beroepsonderwijs en Arbeidsmarkt in opdracht van VWS de Subsidieregeling opleiding tot physician assistant (PA) en opleiding tot verpleegkundig specialist (VS) geëvalueerd. Uit deze evaluatie blijkt dat er aanwijzingen zijn dat het taakherschikkingsbeleid, in het bijzonder het opleiden en inzetten van de PA en VS, een succes is. In vergelijking met 2015 worden ruim 100 PA’s en VS’en meer opgeleid, in totaal circa 1.240. De regeling beantwoordt aan het doel waarvoor zij in het leven is geroepen, en wordt doelmatig uitgevoerd. Alle respondenten uit dit onderzoek (zorginstellingen, hogescholen, studenten, beroepsorganisaties en stakeholders) geven aan het belangrijk en wenselijk te vinden dat deze subsidieregeling blijft bestaan, teneinde het taakherschikkingsbeleid succesvol voort te zetten. Uit eerder onderzoek blijkt dat vrijwel alle afgestudeerde PA’s en VS’en ook daadwerkelijk een baan vinden in de functie waarvoor ze zijn opgeleid.

CIBG

BIG-register

Het CIBG voert zowel de registratie als de herregistratie van Nederlandse BIG geregistreerde beroepsbeoefenaren in het BIG-register uit. Apothekers, tandartsen, gz-psychologen en psychotherapeuten met een diploma van voor 2012 hebben zich voor 1 januari 2017 moeten herregistreren. In het BIG-register hebben ook buitenlands gediplomeerde zorgverleners zich geregistreerd die in de Nederlandse gezondheidszorg willen werken.

UZI

Vanaf februari 2016 kunnen UZI-passen bij het UZI-register digitaal aangevraagd worden. Door aanpassingen van het proces zijn de administratieve lasten voor de gebruiker afgenomen en is de doorlooptijd van het aanvraag- en uitgifteproces hierdoor verkort van gemiddeld 21 tot 7 dagen. In 2016 zijn de voorbereidingen gestart voor een nieuwe aanbesteding van de UZI-pas.

Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling

Transparantie over de kwaliteit van de zorg

Met inspanning van alle partijen hebben we afgelopen jaar vooruitgang geboekt in het vergroten van de transparantie over de kwaliteit van zorg (TK 32 620, nr. 168). Patiënten krijgen meer heldere informatie voor, tijdens en na de behandeling en steeds vaker wordt het goede gesprek gevoerd in de spreekkamer. Om dat te onderstrepen is de campagne «betere zorg begint met een goed gesprek» gestart (www.begineengoedgesprek.nl). Voor het goede gesprek is belangrijk dat arts en patiënt inzicht hebben in uitkomsten die er voor patiënten echt toe doen. Dat dient in de komende jaren voldoende aandacht te krijgen.

Innovatie en zorgvernieuwing

Afgelopen jaar zijn innovaties in de zorg gestimuleerd, in het bijzonder door het realiseren van de drie e-health doelstellingen die het kabinet medio 2014 heeft gesteld in vijf jaar te behalen (TK 27 529, nr. 130). Instrumenten zijn onder meer ingezet voor het stimuleren van start-ups, het organiseren van bijeenkomsten om goede voorbeelden uit de praktijk tot opschaling te bevorderen en ondersteuning van projecten die gericht zijn op verbeterde informatievoorziening in de zorg en gebruik van e-health. In de jaarlijkse E-health monitor zal in de tweede helft van 2017 zichtbaar worden in hoeverre er sprake is van toegenomen gebruik van e-health in 2016.

Zorg, welzijn en jeugdzorg Caribisch Nederland

Het doel van het beleid is om de zorg en jeugdzorg in Caribisch Nederland naar een voor Europees Nederland aanvaardbaar niveau te brengen, rekening houdend met de specifieke omstandigheden in Caribisch Nederland. Dat betekent dat VWS streeft naar kwalitatief goede, voor iedereen toegankelijke en betaalbare zorg en jeugdzorg in Caribisch Nederland. De verbetering van de zorg in Caribisch Nederland, op basis van het advies van de commissie Goedgedrag (TK 31 568, nr. 135), is zoals uit de beleidsdoorlichting Caribisch Nederland (TK 32 772, nr. 24) blijkt, in 2016 doorgezet en binnen de vastgestelde financiële kaders gebleven. Het belangrijkste sluitstuk van het verbetertraject in de curatieve zorg is, zoals vermeld in de VWS begroting 2016 (TK 34 300, nr. 2), het in 2016 gestarte vierjarige bijscholingstraject van de huisartsen in Caribisch Nederland. Op het gebied van de informatievoorziening, langdurige zorg, maatschappelijke ondersteuning en jeugdzorg valt nog meer te verbeteren en ontbreken nog een aantal belangrijke voorzieningen. Vooral in de preventieve sfeer en eerstelijnszorg.

Fraude

De uitvoering van het gezamenlijke programmaplan Rechtmatige Zorg – aanpak van fouten en fraude 2015–2018 (TK 28 828, nr. 89) heeft bijgedragen aan de solidariteit en betaalbaarheid van het zorgstelsel. Het afgelopen jaar hebben we samen met alle partijen belangrijke stappen gezet om het thema fouten en fraude in de zorg bespreekbaar te maken. Partijen nemen hun verantwoordelijkheid om onrechtmatigheden tegen te gaan en aan te pakken. Met onder meer de start van het Centraal Meldpunt Zorgfraude (CMZF) bij de NZa, waar het Informatieknooppunt Zorgfraude (IKZ) onderdeel van uit maakt, weten mensen waar ze terecht kunnen met signalen van fraude. Ook hebben we de mogelijkheden verbeterd om fraude te onderzoeken en te handhaven door onder andere de inzet van een onafhankelijk deskundige arts bij strafrechtelijke onderzoeken. Wij hebben de vijfde voortgangsrapportage Rechtmatige Zorg in oktober 2016 aan de Tweede Kamer aangeboden, waarin wij rapporteren over de activiteiten en behaalde resultaten uit het programmaplan (TK 28 828, nr. 98).

4. Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2014

2015

2016

2016

2016

Verplichtingen

748.883

578.654

715.427

1.146.830

937.310

829.432

107.878

               

Uitgaven

1.832.888

815.589

697.803

873.245

879.449

871.197

8.252

               

1. Positie cliënt

 

33.238

26.045

24.556

24.859

23.383

1.476

               

Subsidies

 

28.142

21.501

17.890

17.883

20.002

– 2.119

waarvan onder andere:

             

Patiënten- en gehandicaptenorganisaties

 

27.814

21.080

17.463

17.541

19.730

– 2.189

               

Opdrachten

 

3.763

3.678

5.466

6.906

3.289

3.617

waarvan onder andere:

             

Ondersteuning cliëntorganisaties

 

3.581

3.139

3.144

2.437

3.144

– 707

               

Bijdragen aan agentschappen

 

1.333

866

1.200

70

92

– 22

               

2. Opleidingen, beroepenstructuur en arbeidsmarkt

 

354.735

253.067

389.110

393.142

430.131

– 36.989

               

Subsidies

 

334.307

242.099

373.060

376.410

414.954

– 38.544

waarvan onder andere:

             

Kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg

 

0

48.353

135.468

194.024

191.433

2.591

Stageplaatsen zorg / Stagefonds

 

105.926

110.400

109.950

107.881

112.022

– 4.141

Publieke Gezondheidszorgopleidingen

 

15.093

16.054

16.634

16.172

20.615

– 4.443

Vaccinatie stageplaatsen zorg

 

3.789

3.869

4.504

4.086

4.700

– 614

Opleiding tot verpleegkundig specialist/physician assistant

 

21.744

20.718

19.433

22.227

38.197

– 15.970

Opleidingsplaatsen jeugd ggz

       

845

1.501

– 656

Regionaal arbeidsmarktbeleid

 

7.500

7.813

7.949

8.078

8.500

– 422

Innovatie, beroepen en opleidingen (o.a. ziekenhuisarts)

       

9.934

8.312

1.622

Pensioenregeling UMC's

       

0

0

0

Arbeidsomstandigheden (o.a. veilig werken in de zorg)

       

3.106

3.474

– 368

               

Opdrachten

 

2.379

2.649

4.619

4.517

8.653

– 4.136

waarvan onder andere:

             

Arbeidsmarktonderzoek

     

2.042

1.192

1.250

– 58

Celsus

       

0

550

– 550

               

Bijdragen aan agentschappen

 

16.963

8.319

11.431

12.215

6.521

5.694

waarvan onder andere:

             

CIBG: Bijdrage voor onder andere UZI-register, BIG-register en SVB-Z

 

16.001

8.319

11.431

12.215

6.521

5.694

               

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

 

1.086

0

0

0

3

– 3

waarvan onder andere:

             

Zorginstituut Nederland: sectie Zorgberoepen en opleidingen

 

0

0

0

0

3

– 3

               

3. Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling

 

119.318

109.189

124.203

134.188

124.782

9.406

               

Subsidies

 

5.293

5.287

7.711

13.047

10.636

2.411

waarvan onder andere:

             

Nivel

 

5.093

5.187

5.835

5.710

5.636

74

Innovatie en zorgvernieuwing

     

0

1.770

0

1.770

Jaar van de transparantie

 

0

0

1.805

3.784

5.000

– 1.216

               

Opdrachten

 

48

60

226

590

344

246

               

Bijdragen aan agentschappen

 

2.123

2.099

2.535

1.453

3.791

– 2.338

waarvan onder andere:

             

CIBG: toelating nieuwe zorgaanbieders

       

500

500

0

CIBG: Landelijk register Zorgaanbieders

       

0

1.411

– 1.411

CIBG: Jaardocument Maatschappelijke Verantwoording

 

708

845

750

774

800

– 26

               

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

 

111.854

101.743

113.731

119.098

110.011

9.087

waarvan onder andere:

             

ZonMw: programmering

 

105.673

101.743

113.731

119.098

110.011

9.087

               

4. Inrichten uitvoeringsactiviteiten

 

215.718

220.856

227.614

214.965

180.401

34.564

               

Subsidies

 

256

426

80

0

26

– 26

Uitvoering Wtcg

 

256

426

80

0

26

– 26

               

Opdrachten

 

2.568

4.411

2.526

186

202

– 16

waarvan onder andere:

             

Uitvoering Wtcg

 

170

169

156

172

102

70

               

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

 

212.894

216.019

225.008

214.779

178.173

36.606

waarvan onder andere:

             

CAK

 

98.319

102.156

100.916

87.335

69.870

17.465

NZa

 

46.844

47.120

52.756

54.821

55.969

– 1.148

Zorginstituut Nederland

 

64.004

62.928

67.738

70.016

48.503

21.513

CBZ

 

1.204

892

898

0

899

– 899

CSZ

 

2.523

2.923

2.700

2.500

2.932

– 432

               

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

 

0

0

0

0

2.000

– 2.000

EZ: ACM

 

0

0

0

0

2.000

– 2.000

               

5. Zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland

 

92.580

87.895

106.717

110.954

109.018

1.936

               

Subsidies

 

0

21

0

0

0

0

               

Bekostiging

 

92.580

87.874

106.717

110.954

109.018

1.936

Zorg en welzijn

 

92.580

87.875

106.717

110.954

109.018

1.936

               

6. Voorkomen oneigenlijk gebruik en aanpak fraude

 

0

748

1.044

1.341

3.482

– 2.141

               

Subsidies

 

0

494

444

1.028

300

728

               

Opdrachten

 

0

254

600

313

3.182

– 2.869

               

Ontvangsten

33.922

20.251

32.300

36.609

11.375

4.858

6.517

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Als gevolg van afronding kan de som van de delen afwijken van het totaal.

5. Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen

Voor het in 2016 aangaan van de verplichtingen ten behoeve van de opdrachtverlening aan de NZa voor 2017 is verplichtingenbudget overgeheveld van 2017 naar 2016 (€ 54 miljoen). Daarnaast is voor het in 2016 aangaan van de opdrachtverlening aan ZonMw voor 2017 verplichtingenbudget overgeheveld van 2017 naar 2016 (€ 40 miljoen) en van 2018 naar 2016 (€ 10 miljoen).

1. Positie Cliënt

Opdrachten

Er zijn extra middelen beschikbaar gesteld voor de campagnes «Antibiotica Resistentie» (€ 1,2 miljoen), NIX18 (€ 1,1 miljoen) en diverse kleinere campagnes en communicatietrajecten (€ 2 miljoen).

Als gevolg van gewijzigde betalingsvoorwaarden voor ondersteuning cliëntorganisaties is de realisatie in 2016 lager dan begroot.

2. Opleidingen, beroepenstructuur en arbeidsmarkt

Subsidies

Kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg

Zoals reeds in de tweede suppletoire wet is gemeld, is het beschikbare bedrag verhoogd in verband met de loonbijstelling tranche 2016.

Stageplaatsen zorg/ Stagefonds

Het totaal aantal gesubsidieerde stageplaatsen onder de subsidieregeling stageplaatsen zorg II is in het schooljaar 2015–2016 gestegen in vergelijking met het voorgaande jaar. Deze stijging heeft echter niet in alle categorieën plaats gevonden. Het aantal gesubsidieerde stageplaatsen is gestegen in het HBO en bij de MBO beroepsopleidende leerweg (bol). Bij de MBO beroepsbegeleidende leerweg (bbl) is het aantal echter juist gedaald. Daardoor is het beschikbare budget voor de betreffende categorieën over een lager aantal stageplaatsen verdeeld en zijn de in de subsidieregeling vastgelegde maximumtarieven bereikt. Als gevolg hiervan is het voor de betreffende categorieën beschikbare budget niet volledig uitgeput. Aangezien in de subsidieregeling schuiven van middelen tussen categorieën niet is toegestaan is daarmee ruim € 4 miljoen van het budget voor de subsidieregeling beschikbare budget niet uitgeput.

Publieke gezondheidszorgopleidingen

De gerealiseerde opleidingsplaatsen zijn lager vastgesteld dan geraamd door het niet kunnen, in deeltijd of later in het jaar realiseren van opleidingsplaatsen en/of vroegtijdige uitstroom. Ook de uitgaven zijn daarom lager vastgesteld (€ 4,4 miljoen).

Opleiding verpleegkundig specialist/ physician assistant

Ziekenhuizen zijn terughoudend in het beschikbaar stellen van stageplaatsen voor studenten Physician Assistant (PA) en Verpleegkundig Specialist (VS), mede vanwege de onduidelijkheid over de consequenties van de invoering van de integrale bekostiging. Hierdoor is het beschikbare budget (€ 38,1 miljoen) niet helemaal uitgeput (€ 16 miljoen). Uit de evaluatie van de subsidieregeling in 2016 komt naar voren dat de behoefte aan het volgen van de opleiding tot PA en VS bij studenten onverminderd hoog is, en dat ziekenhuizen deze beide beroepen steeds meer gaan inzetten. Het feit dat de instroom in beide opleidingen in september 2016 ruim 100 plaatsen hoger is dan het jaar daarvoor onderschrijft dit.

Opleidingsplaatsen Jeugd GGZ

In 2016 kwamen in beginsel 14 opleidende jeugd GGZ-instellingen in aanmerking voor subsidie voor opleidingsplaatsen op basis van de regeling Opleidingsplaatsen Jeugd GGZ. Op basis van de verdeling van opleidingsplaatsen voor 2016 heeft slechts de helft hiervan daadwerkelijk opleidingsplaatsen gekregen, waardoor slechts de helft in aanmerking kwam voor subsidie. Dit verklaart de onderuitputting in 2016.

Opdrachten

Een aantal opdrachten, die oorspronkelijk onder het instrument «Opdrachten» waren geraamd, zijn uiteindelijk uitgevoerd door agentschappen. De budgetten zijn overgeboekt naar Bijdragen aan agentschappen. Dit verklaart hoofdzakelijk het verschil tussen de geraamde en gerealiseerde uitgaven op het instrument Opdrachten.

Celsus

De geraamde uitgaven voor aan de Celsus Academie zijn niet gerealiseerd omdat de werkzaamheden van Celsus pas na 2016 worden gefactureerd en betaald.

Bijdragen aan agentschappen

CIBG: Bijdrage voor onder andere UZI-register, BIG-register, SVB-Z

Zoals reeds gemeld in de tweede suppletoire wet is de bijdrage aan het agentschap CIBG hoger dan oorspronkelijk geraamd. Dit is het gevolg van onder meer extra uitgaven voor het BIG-register en kosten voor het voorkomen van problemen bij het gebruik van de UZI-pas.

3. Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling

Subsidies

Het Kwaliteitsinstituut, als onderdeel van het Zorginstituut, heeft met betrekking tot transparantie een belangrijke rol en is daarom gemandateerd (Stcrt 2016, 27102-n1) voor het verstrekken van subsidies voor de stimulering van de transparantie over de kwaliteit van zorg (Stcrt 2016, 26926). In 2016 is voor het thema «Samen beslissen» totaal € 1,7 miljoen beschikbaar gesteld. Uiteindelijk is voor € 4,5 miljoen aan subsidies verstrekt en door het Zorginstituut in 2016 € 1,6 miljoen bevoorschot.

Bijdragen aan ZBO’s/ RWT’s

ZonMw: programmering

Conform de begroting heeft ZonMw diverse projecten en onderzoeken op het gebied van gezondheid, preventie en zorg laten uitvoeren. Toch zijn de uitgaven hoger dan begroot. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt doordat bij eerste suppletoire wet budget is toegevoegd vanuit artikel 6 Sport en bewegen voor de Sportimpuls tranche 2016 (€ 6,5 miljoen), het programma sportblessurepreventie (€ 0,6 miljoen), de kennis en innovatieagenda sport (€ 1 miljoen) en diverse kleine mutaties (per saldo € 1 miljoen).

4. Inrichten uitvoeringsactiviteiten

Om de taken die door intermediaire organisaties voor VWS worden uitgevoerd doelmatiger te organiseren zijn taakoverhevelingen in gang gezet. In het jaar 2016 zijn voorbereidingen getroffen om de vier burgerregelingen (wanbetalers-, onverzekerden-, gemoedsbezwaarden – en de buitenlandtaak, inclusief het Nationaal contactpunt) en de uitvoering van de compensatieregeling voor zorg aan onverzekerbare vreemdelingen per 1 januari 2017 van het Zorginstituut Nederland over te hevelen naar het CAK. Per 1 januari 2017 voert het CAK deze regelingen uit.

De wijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) voor de verdere uitwerking van de aanbevelingen uit de evaluatie Wmg en NZa, ligt ter behandeling in de Tweede Kamer (TK 34 445).

Bijdragen aan ZBO’s/ RWT’s

CAK

De uitvoeringskosten van het CAK zijn in 2016 hoger uitgevallen dan oorspronkelijk geraamd (€ 17,6 miljoen). Bij de opstelling van de VWS-begroting 2016 is nog geen rekening gehouden met extra taken en uitvoeringsactiviteiten, die waren op dat moment nog niet bekend en/of begroot. Zo is aan het CAK gevraagd om extra inspanningen te verrichten voor het inrichten van MijnCAK, het vereenvoudigen van de aan burgers te verzenden facturen, de beveiliging van informatie en het voldoen aan de vereisten van opendata.

Zorginstituut Nederland

Aan Zorginstituut Nederland (ZiNL) is € 23,1 miljoen extra beschikbaar gesteld voor onder meer de uitvoeringskosten van de regelingen bijzondere groepen (verdragsgerechtigden, wanbetalers, onverzekerden, illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen, gemoedsbezwaarden). Aan onderzoek heeft ZiNL circa € 1,6 miljoen niet uitgegeven, waardoor het verschil € 21,5 miljoen bedraagt.

6. Fraude

Subsidies en opdrachten

De lagere realisatie op de uitgaven voor het voorkomen van oneigenlijk gebruik en de aanpak van fraude heeft verschillende oorzaken. Er hebben zich diverse technische mutaties voorgedaan op het instrument opdrachten. Een deel van de middelen is overgeheveld naar het instrument subsidies en er hebben diverse mutaties plaatsgevonden naar andere begrotingsartikelen en hoofdstukken van andere ministeries. Zo hebben er overboekingen plaatsgevonden naar het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en Veiligheid en Justitie (VenJ) in verband met de intensivering van de strafrechtelijke opsporing en vervolging van fraude in de zorg. Hiervoor zijn bij eerste suppletoire begroting extra middelen beschikbaar gesteld voor de strafrechtelijke handhaving. Deze middelen zijn niet tot volledige besteding gekomen. Dit vloeit voort uit het feit dat zowel het Centraal Meldpunt Zorgfraude (CMZF) – en daarmee ook de aansluiting van gemeenten bij het CMZF – als het operationaliseren van een volledig extra rechercheteam voor het bestrijden van fraude niet volledig of later tot stand zijn gekomen in 2016.

Ontvangsten

De hogere ontvangsten kennen meerdere oorzaken, waarvan onder andere:

Door uitval gedurende het jaar is het aantal opleidingsplaatsen tot verpleegkundig specialist (VS), tot physician assistant (PA) en in de opleiding publieke gezondheidszorg lager. Het teveel aan bevoorschotting van ongeveer € 4,2 miljoen is teruggevorderd (bij de tweede suppletoire wet is hiervan reeds € 2,8 miljoen gemeld).

Ook zijn er hogere ontvangsten van € 2,5 miljoen als gevolg van de vaststellingen van de bijdragen 2015 aan het Zorginstituut, de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en het College Sanering Zorginstellingen en € 1,4 miljoen als gevolg van de subsidievaststelling 2013 van Ieder-in. Daarnaast heeft de NZa € 0,8 miljoen aan geïnde boetes en dwangsommen afgedragen.

Artikel 5 Jeugd

1. Algemene doelstelling

Kinderen in Nederland groeien gezond en veilig op, ontwikkelen hun talenten en doen mee aan de samenleving.

2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

Ouders/verzorgers zijn primair verantwoordelijk voor de opvoeding en verzorging van hun kinderen. Als ouders of het ondersteunende sociale netwerk hun rol niet kunnen vervullen, is er een taak weggelegd voor de overheid om jeugdigen met hulp op maat naar een zelfstandige toekomst te leiden. Kinderen die in hun ontwikkeling worden bedreigd, moeten passende hulp krijgen en indien nodig in bescherming worden genomen.

Met de invoering van de Jeugdwet op 1 januari 2015 zijn gemeenten bestuurlijk en financieel verantwoordelijk voor de ondersteuning, hulp en zorg van jeugdigen (jeugdhulp) die voorheen viel onder de Wet op de Jeugdzorg, de Zorgverzekeringswet (jeugd-geestelijke gezondheidszorg) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (zorg voor jeugdigen met een verstandelijke beperking). De Ministers van VWS en VenJ zijn systeemverantwoordelijk voor het gedecentraliseerde stelsel van jeugdhulp, waaronder het wettelijk kader (de Jeugdwet).

De Minister is verantwoordelijk voor:

Stimuleren:

  • Stimuleren dat de kwaliteit en veiligheid in de jeugdhulp geborgd worden door verdere professionalisering en het stellen van kwaliteitseisen.

  • Bevorderen van een effectieve aanpak van kindermishandeling, onder andere door de uitvoering van de midterm review van het Actieplan aanpak kindermishandeling 2012–2016 «Kinderen veilig».

  • Het stimuleren van gemeenten om perspectief te bieden aan kwetsbare jongeren door verbetering van de samenhang in beleid en uitvoering tussen zorg, school en werk.

  • Een landelijke kennisinfrastructuur voor beleidsontwikkeling, -implementatie en zorgvernieuwing en hierbij gemeenten en het veld van jeugdhulp de ruimte geven om de eigen aanpak verder te ontwikkelen.

Financieren:

  • Financieren van de gemeenten via het Gemeentefonds om hun verantwoordelijkheid voor jeugdhulp op grond van de Jeugdwet te financieren.

  • Uitvoeren van de Regeling vergoeding bijzondere transitiekosten Jeugdwet.

  • Uitvoeren van de Subsidieregeling schippersinternaten.

Regisseren:

  • Het wettelijk kader (Jeugdwet) dat regels bevat voor de inrichting van het systeem onder andere op het gebied van toegang, kwaliteit en beleidsinformatie.

  • Bestuurlijk overleg met de relevante actoren in het jeugdstelsel gericht op het realiseren van de maatschappelijke doelen van het jeugdstelsel.

  • De Inspectie Jeugdzorg (IJZ), de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en Ministerie van Veiligheid en Justitie (VenJ) zijn verantwoordelijk voor het uitvoeren van onafhankelijk toezicht op de aanbieders van jeugdhulp.

  • Monitoren en evalueren van de werking van het jeugdstelsel. De Jeugdwet verplicht tot een evaluatie na 3 jaar.

3. Beleidsconclusies

In 2016 is de uitvoering van het beleid volgens plan verlopen. De behaalde resultaten zijn als volgt:

Vernieuwing jeugdstelsel en gepaste zorg

Terugblikkend op 2016 is de conclusie dat de transitie van de jeugdhulp geslaagd is verlopen en zorgcontinuïteit is gerealiseerd (TK 31 839, nr. 524 en TK 31 839, nr. 554). Hiertoe was het wel noodzakelijk om – op advies van de Transitie Autoriteit Jeugd – ondersteuning te bieden aan een aantal organisaties die als gevolg van de decentralisatie met frictiekosten kampen. Ook de vernieuwing van de jeugdhulp (transformatie) wordt in de praktijk goed zichtbaar. Op de Voor de Jeugd Dag van 3 oktober 2016 in Amsterdam, hebben ruim 1.500 jeugdprofessionals en ervaringsdeskundigen in meer dan 120 deelsessies inspirerende voorbeelden van vernieuwing gedeeld (www.voordejeugddag.nl/presentaties).

De transitie van de jeugdhulp is geslaagd verlopen, maar er zijn nog wel verbeteringen mogelijk en nodig. Het lokale maatwerk schiet vaak nog tekort. Cliënten melden dat de ontvangen hulp niet altijd aansluit bij hun hulpvraag (www.monitortransitiejeugd.nl). Met het interventieteam zorg en onderwijs zijn passende oplossingen gezocht voor hardnekkige problematiek van kinderen die onnodig thuis zitten, terwijl ze met de nodige ondersteuning wel naar school zouden kunnen. Samen met de VNG en gemeenten is een landelijke werkagenda in uitvoering genomen om kwetsbare jongeren te begeleiden naar volwassenheid.

Wachttijden als gevolg van budgetplafonds bij hulpaanbieders belemmeren eveneens de mogelijkheden om met succes lokaal maatwerk te kunnen verlenen. Over deze en andere verbeterpunten heeft in 2016 veelvuldig overleg plaatsgevonden met gemeenten en aanbieders. Afgesproken is dat normen voor verantwoord wachten in de jeugdhulp worden ontwikkeld en dat aanbieders hun wachttijden openbaar maken.

Kinderen veilig

Met de wet verplichte meldcode uit 2013 en de vorming van de Veilig Thuis-organisaties in 2015 is het fundament voor de aanpak van kindermishandeling gelegd. Uit diverse adviezen van o.a. de Taskforce Kindermishandeling en seksueel geweld en uit rapporten van de Inspectie Jeugdzorg bleek dat nog te veel mishandelde kinderen niet goed in beeld zijn. Ook gaf de inspectie aan dat de Veilig Thuis-organisaties nog in ontwikkeling zijn en kampen met wachtlijsten. De Veilig Thuis-organisaties zouden meer mishandelde kinderen op de radar moeten krijgen. Dit betekent het vervullen van een coördinerende rol bij signalen van mishandeling, het beoordelen van de veiligheid en waar nodig deze kinderen volgen. Daarom is in 2016 in overleg met de Tweede Kamer besloten dat de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling verder verbeterd moet worden. Dit vraagt om een meerjarig veranderingstraject. Als eerste stap hiertoe is eind 2016 het voorstel voor wijziging van het Besluit meldcode naar de Raad van State gestuurd. Daarnaast is met hulp van een ondersteuningsprogramma door gemeenten en de Veilig Thuis organisaties gewerkt aan het verminderen van de wachtlijsten en is gerealiseerd dat de toegang en doorverwijzingen van zaken van kindermishandeling en huiselijk geweld verbetert.

Professionalisering jeugdhulp

Het doel van de Jeugdwet is dat kinderen en jongeren gezond en veilig opgroeien, hun talenten ontwikkelen en naar vermogen participeren in de samenleving. Hiervoor is het noodzakelijk dat professionals in de jeugdhulp en jeugdbescherming goed zijn opgeleid en zich blijven ontwikkelen in hun vak. In het Programma Professionalisering Jeugdhulp en Jeugdbescherming 2015–2018 wordt door het werkveld samengewerkt met financiële steun van VWS om dit te verwezenlijken. Het feit dat het programma van, voor en door het veld is, biedt de meeste garantie op succes. In 2016 zijn er grote stappen gezet op het terrein van de beroepsregistratie. Eind 2016 waren bijna 27.000 jeugdprofessionals geregistreerd en ruim 11.000 jeugdprofessionals vooraangemeld in het Kwaliteitsregister Jeugd. Dit jaar is besloten om het programma met een jaar te verlengen tot en met 31 december 2019, zodat de jeugdprofessionals die per 1 januari 2020 volledig aan de registratie eisen moeten voldoen tot deze datum ondersteund kunnen worden.

4. Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2014

2015

2016

2016

2016

Verplichtingen

1.560.615

1.496.199

136.133

117.034

120.532

126.154

– 5.622

               

Uitgaven

1.503.200

1.472.741

1.545.047

110.430

97.631

126.154

– 28.523

               

1. Laagdrempelige ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien

 

37.705

47.516

0

0

0

0

               

2. Noodzakelijke en passende zorg

 

1.435.036

1.497.532

0

0

0

0

               

3. Effectief en efficiënt werkend jeugdstelsel

 

0

0

110.430

97.631

126.154

– 28.524

               

Subsidies

     

103.068

94.851

112.345

– 17.494

Schippersinternaten

     

20.076

18.403

22.484

– 4.081

Participatie

     

1.630

1.894

1.932

– 38

Kennis en beleidsinformatie

     

7.316

8.126

6.076

2.050

Kindermishandeling

     

952

1.960

1.816

144

Jeugdhulp

     

56.511

22.168

20.026

2.142

Transitie jeugd

     

16.582

42.301

60.011

– 17.710

               

Opdrachten

     

3.522

1.926

12.374

– 10.448

waarvan onder andere:

             

Kennis en beleidsinformatie

     

923

672

1.737

– 1.065

Kindermishandeling

     

196

203

1.668

– 1.465

Jeugdhulp

     

1.023

414

4.504

– 4.090

Transitie jeugd

     

1.349

595

4.465

– 3.870

               

Bijdragen aan agentschappen

     

1.209

853

1.232

– 379

               

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

     

2.631

0

203

– 203

waarvan onder andere:

             

OCW: Onderwijskosten JeugdzorgPlus en kijkwijzer

     

183

0

203

– 203

               

Ontvangsten

24.143

24.454

24.660

11.647

42.192

82.508

– 40.316

waarvan onder andere:

             

Laagdrempelige ondersteuning opvoeden en opgroeien

 

107

0

0

1.500

4.423

– 2.923

Effectief en efficiënt werkend jeugdstelsel

 

0

0

8.099

38.964

78.000

– 39.036

Noodzakelijke en passende zorg

 

14.139

15.236

3.548

1.728

85

1.643

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Als gevolg van afronding kan de som van de delen afwijken van het totaal.

5. Toelichting op de instrumenten

Subsidies

Schippersinternaten

Voor de opvang en verzorging van minderjarige kinderen van binnenschippers, kermisexploitanten en circusartiesten hebben internaten subsidie ontvangen (€ 18,4 miljoen). Door de daling van het kindertal is dit lager dan begroot (€ 22,5 miljoen). In de begroting 2017 is de raming hierop aangepast.

Participatie

Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind vormt de basis voor het jeugdbeleid.

Zo onderhoudt Defence for Children (DCI) met subsidie van VWS een website over kinderrechten voor jongeren, professionals, overheden en andere partijen, en organiseerden zij voorlichtingactiviteiten over kinderrechten in de jeugdhulp en kinderrechten in relatie tot kindermishandeling.

Ook werd in 2016 het project Kinderrechten in de Klas van Unicef uitgevoerd. Unicef heeft in dit kader een methode ontwikkeld en op scholen lessen verzorgd over kinderrechten.

In 2016 subsidieerde VWS de Nationale Jeugdraad (NJR) voor activiteiten in het kader van het Nederlandse EU-voorzitterschap uitgevoerd. Ook adviseert de NJR overheden en andere organisaties over het jeugdbeleid. In dat kader richt de NJR zich steeds meer op gemeenten en hun nieuwe rol in het gedecentraliseerde jeugdstelsel, in 2016 onder andere met het project Impactprogramma voor gemeenten.

Naast de activiteiten van NJR in het kader van het EU-voorzitterschap heeft het Nationaal Jeugdinstituut (NJI) afgelopen najaar in opdracht van VWS de internationale peer learning «Towards a mental health care-informed youth work and a youth involved-mental health care» georganiseerd.

Verder neemt VWS 50% van de bureaukosten voor de uitvoering van het Europese programma Erasmus+ Jeugd voor zijn rekening. In het kader van dit programma worden onder andere uitwisselingen van Europese jongeren georganiseerd waarbij jongeren tussen de 13 en 30 jaar uit verschillende Europese landen elkaar en elkaars achtergrond en cultuur leren kennen, van elkaar leren en nieuwe vaardigheden opdoen. De Europese Commissie betaalt de overige 50% van de bureaukosten en de programmakosten als geheel.

Daarnaast zijn subsidies verstrekt aan andere organisaties die een actieve bijdrage leveren op het gebied van participatie, zoals de Stichting LOC, die daarmee activiteiten verricht voor en door jongeren op gebieden als participatie op gemeentelijk (Adviesvangers) en landelijk niveau en binnen instellingen, beleidsbeïnvloeding en methodieken als Eigen Kracht. Ook is een website/portal ingericht voor jongeren.

Subsidies en opdrachten

Kennis en beleidsinformatie

In 2016 neemt het raadplegen van de jeugdmonitor verder toe en is de grens van 100.000 kliks gepasseerd. Het Jaarrapport haalde in december 2016 weer diverse landelijke media en is interactief gemaakt. Hierbij is een themafilm gemaakt over de relatie onderwijs-jeugdhulpgebruik, waarbij hypothesen van een hoogleraar via interviews op de werkvloer zijn getoetst.

Aantallen bezoekers website jeugdmonitor (x 1.000)

Aantallen bezoekers website jeugdmonitor (x 1.000)

Bron: CBS

In 2016 zijn er twee dataleveringen beleidsinformatie jeugd gerealiseerd. Door te kijken naar verschillend jeugdhulpgebruik zijn verschillende nadere onderzoeken gestart en afgerond naar de betrouwbaarheid van de data, toegenomen crisisplaatsingen en de samenhang tussen schoolverzuim en jeugdhulpgebruik. Andere onderzoeken die zijn gestart hangen samen met wachtlijsten, zorgpaden ADHD en de mogelijkheid te sturen in het zorglandschap van meer gespecialiseerde vormen van jeugdhulp.

Een belangrijke toevoeging aan de beleidsinformatie jeugdhulp is de opdracht aan het CBS om aanbieders van jeugdhulp uniforme spiegelrapporten te verstrekken over de geleverde jeugdhulp. Gemeenten krijgen hierdoor inzicht in hun markpositie bij de aanbieder en kunnen het aanbod van verschillende aanbieders beter vergelijken door de uniforme rapportage. Dit lijkt een belangrijke rol te gaan spelen in de rationalisering van inkoopprocessen van gemeenten en aanbieders in 2017.

Kindermishandeling, slachtoffers seksueel misbruik en slachtoffers loverboys

In 2016 heeft de heer Sprokkereef de opdracht gekregen om met betrokken partijen aan de slag te gaan om de meldcode Kindermishandeling en Huiselijk geweld beter te laten werken in de praktijk.

In 2016 hebben onder aanvoering van de VNG met ondersteuning van het Ministerie van VenJ, OCW en VWS, zes gemeenten – het Collectief tegen Kindermishandeling – de verbeteragenda’s voor de aanpak van kindermishandeling in de lokale praktijk uitgevoerd.

Daarnaast is in 2016 een kwartiermaker forensisch- medische expertise voor kinderen (FMEK) aangesteld die advies gaat uitbrengen rondom de organisatie en financiering van het FMEK aanbod. Conform het advies van de TAJ is er ter overbrugging subsidie gegeven aan de FPKM en het LECK.

2016 is het laatste jaar van de Taskforce kindermishandeling en seksueel misbruik. De middelen hiervoor zijn in samenwerking met en via de begroting van Veiligheid en Justitie beschikbaar gesteld.

In 2016 is in samenwerking met landelijk kenniscentrum LVB een traject gestart om de bestaande producten van commissie Azough met betrekking tot aanpak meisjesslachtoffers van loverboys toepasbaar te maken voor de LVB en ggz-sector. Deze groepen zijn extra kwetsbaar en lopen meer risico om slachtoffer te worden van loverboys. Er is al veel materiaal ontwikkeld om onder andere de weerbaarheid van meisjes te vergroten, maar deze kunnen niet één-op-één vertaald worden naar gebruik in LVB/ggz-instellingen. Met dit traject worden de bestaande producten wel toepasbaar gemaakt voor deze sectoren. Eind januari 2017 loopt dit traject af waarna er medio februari een eindconferentie plaatsvindt waarin de resultaten worden gepresenteerd.

In 2016 is er in opdracht van VWS een onderzoek uitgevoerd door Regioplan over de overeenkomsten en verschillen van de problematiek van jongensslachtoffers van loverboys ten opzichte van meisjes en of dezelfde hulp voor hen ingezet kan worden. Door middel van dit onderzoek worden de verschillen vormen van uitbuiting duidelijk alsook bij wat voor zorg deze jongens het meeste baat bij hebben.

Voor de organisatie KLOKK en SKIP van slachtoffers van seksueel misbruik in respectievelijk de Katholieke Kerk en de jeugdzorg is in 2016 subsidie verstrekt voor belangenbehartiging, lotgenotenbijeenkomsten en de begeleiding van slachtoffers. 2016 laat een duidelijke afname zien van het aantal nieuwe slachtoffers dat zich meldt.

Transitie Jeugd

In 2016 is circa € 42,3 miljoen aan subsidies voor ondersteuning van de transitie van het jeugdstelsel beschikbaar gesteld. Dat is circa € 17,7 miljoen minder dan begroot. De uitgaven zijn echter substantieel hoger dan in 2015 (€ 16,6 miljoen).

Er zijn minder onderzoeken gedaan in het kader van de transitie doordat er minder subsidieaanvragen zijn binnengekomen. Ook is een deel van de onderzoeken door eigen personeel van de TAJ gedaan.

Ontvangsten

Laagdrempelige ondersteuning opvoeden en opgroeien

De raming van deze ontvangsten is gebaseerd op een oud artikel welke voor de decentralisatie relevant was. Tegenwoordig worden deze middelen geboekt op effectief en efficiënt werkend jeugdstelsel (zie hieronder).

Effectief en efficiënt werkend jeugdstelsel

De ontvangsten op dit artikel bevatten onder meer de terugstortingen van de CJG’s, de terugbetaling van subsidies die niet tot besteding zijn gekomen en de ontvangsten van de provincies en de stadsregio’s in het kader van het terugstorten van egalisatiereserves door provincies. De raming was € 78 miljoen, deze raming is in de tweede suppletoire wet met € 42 miljoen naar beneden bijgesteld.

Beleidsartikel 6 Sport en bewegen

1. Algemene doelstelling

Een sportieve samenleving waarin voor iedereen passende en veilige sport- en beweegmogelijkheden aanwezig zijn en waarin uitblinken in sport wordt gestimuleerd.

2. Rol en verantwoordelijkheid

Aan het sportbeleid van de rijksoverheid ligt vooral de maatschappelijke betekenis van sport ten grondslag. Sport en bewegen dragen in belangrijke mate bij aan een betere gezondheid, aan het verbeteren van leefbaarheid en veiligheid, sociale samenhang en integratie, aan het verbeteren van schoolprestaties en het verminderen van schooluitval. Daarnaast erkent de rijksoverheid de intrinsieke waarde van sport.

Stimuleren:

  • Het bevorderen van de samenwerking tussen partijen uit verschillende sectoren, zodat op lokaal niveau passende en veilige sport- en beweegmogelijkheden tot stand komen en blijven.

  • Het bevorderen van innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling.

Financieren:

  • Het ontwikkelen en (mede)financieren van programma’s die er aan bijdragen dat er voor iedere Nederlander passende en veilige sport- en beweegmogelijkheden in de buurt aanwezig zijn.

  • Het faciliteren en mede financieren van de top 10 ambitie. Het scheppen van randvoorwaarden voor talenten en topsporters in Nederland, waardoor zij op een professionele en verantwoorde wijze kunnen uitblinken in sport, ook tijdens topsportevenementen in eigen land.

  • Het (mede) financieren van innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling.

Regisseren:

  • Het tot stand brengen van de omvorming van de Dopingautoriteit van stichting naar zelfstandig bestuursorgaan als gevolg van de in behandeling zijnde Wet uitvoering antidopingbeleid, in nauwe samenwerking met NOC*NSF en de Dopingautoriteit.

3. Beleidsconclusies

In 2016 is binnen het sportbeleid ingezet op de thema’s sportparticipatie, topsport, kennis en innovatie, veilig sportklimaat en integriteit om van Nederland een krachtig sportland en sportieve samenleving te maken. Een land waar voor iedereen passende en veilige sport- en beweegmogelijkheden zijn, waar uitblinken in sport wordt gestimuleerd en waar (top)sporters en sportbestuurders het goede voorbeeld geven. De voorgenomen beleidswijzigingen uit de begroting 2016 zijn binnen de kaders uitgevoerd.

Binnen het thema sportparticipatie zijn «Sport en bewegen in de buurt» en «Grenzeloos Actief» de programmalijnen waarlangs het beleid is uitgevoerd. Uit de jaarlijkse monitor «Brede impuls combinatiefuncties» blijkt dat de buurtsportcoaches voor verschillende doelgroepen zijn ingezet: jeugd en dan met name jeugd in gezinnen met een laag inkomen, mensen met een handicap, scholen voor speciaal onderwijs en kinderen met overgewicht. De betrokken lokale partijen zijn positief en de meeste gemeenten geven aan met deze impuls door te willen gaan. Het Mulier Instituut voert een effectmeting uit waarvan de resultaten eind 2017 bekend zullen worden.

De «Voortgangsrapportage Monitor Sport en Bewegen in de Buurt 2016» geeft aan dat de meeste sportimpulsprojecten inzetten op gezondheidsbevordering. De aandacht neemt toe voor specifieke doelgroepen zoals gehandicapten, chronisch zieken en ouderen. De kwaliteit van projecten is toegenomen en lokale samenwerking komt doorgaans goed tot stand. Aandachtspunten zijn de financiële borging na afloop van het project en het risico op oneigenlijke concurrentie. In de subsidieronde 2016 is hieraan extra aandacht besteed.

Topsport zet Nederland op de kaart. Moderne trainingsfaciliteiten, goede begeleiding, een inkomensregeling voor topsporters, mooie sportevenementen met side-events en innovatie en kennis dragen hieraan bij. Met een elfde plaats in het Olympisch Medaille klassement en een zevende plaats Paralympisch is in 2016 een mooie prestatie neergezet. Ondanks de soms kleine verschillen tussen wel of geen medaille laat dit zien dat Nederland het goed doet en dat er aansluiting is bij de beste tien sportlanden van de wereld.

Sporters, scheidsrechters, ouders en supporters hebben recht op veiligheid op en rond de sportvelden. Het VSK-programma, dat door NOC*NSF in nauwe samenwerking met sportbonden uitgevoerd wordt, richt zich hierop. De VSK-monitor van het Mulier Instituut heeft de afgelopen jaren laten zien dat er vooruitgang is geboekt wat betreft het realiseren van een veiliger sportklimaat. Steeds meer sportverenigingen werken hieraan door bijvoorbeeld het geven van cursussen en het aanvragen van een Verklaring Omtrent Gedrag. Ondanks de vooruitgang van de afgelopen jaren blijft het voetbal de sector waar de meeste incidenten plaatsvinden. Daarom wordt juist deze sector de komende jaren via het VSK-programma ondersteund en zullen de KNVB, Bureau Halt en de gemeenten sportverenigingen begeleiden om een veilige en pedagogisch verantwoorde verenigingcultuur te realiseren.

Topsporters dienen voor veel mensen als rolmodel of inspiratiebron om het beste uit zichzelf te halen. Een schone, integere sport is niet alleen cruciaal voor een eerlijk speelveld, maar dient ook als goed voorbeeld. Daarom is dit onderwerp, zowel nationaal als internationaal, hoog op de agenda gezet. Zo is tijdens het EU-voorzitterschap van Nederland ingezet op meer transparantie en goed bestuur bij de organisatie van grote sportevenementen. Ook is een internationale dopingconferentie georganiseerd en is het wetsvoorstel uitvoering antidopingbeleid naar de Tweede Kamer gezonden. Hiermee is in 2016 verder ingezet op het scheppen van een schoon en integer sportklimaat.

4. Budgettaire gevolgen van beleid
Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Oorspronkelijk vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2014

2015

2016

2016

2016

Verplichtingen

115.573

84.156

84.715

63.971

58.865

106.757

– 47.892

               

Uitgaven

69.612

70.485

69.986

73.079

65.225

128.813

– 63.588

               

1. Passend sport- en beweegaanbod

 

25.334

26.825

25.144

17.388

79.098

– 61.710

               

Subsidies

 

17.219

17.596

16.468

14.094

22.591

– 8.497

waarvan onder andere:

             

Gehandicaptensport

 

2.966

2.828

3.071

1.704

2.124

– 420

Verantwoord sporten en bewegen

 

2.404

2.571

2.418

100

929

– 829

Sport en bewegen in de buurt

 

3.740

4.773

3.459

5.052

12.085

– 7.033

Stimuleren van een veiliger sportklimaat

 

7.111

7.424

7.520

7.237

7.453

– 216

               

Bekostiging

 

8.065

9.229

8.638

3.013

3.000

13

Compensatie van betaalde energiebelasting

 

8.065

9.229

8.638

13

0

13

Energiebesparing en duurzame energie

 

0

0

0

3.000

3.000

0

               

Opdrachten

 

50

0

38

281

0

281

Sport en bewegen in de buurt

 

50

0

38

281

0

281

               

Bijdragen aan medeoverheden

 

0

0

0

0

53.507

– 53.507

Sport en bewegen in de buurt

 

0

0

0

0

47.108

– 47.108

Energiebesparing en duurzame energie

 

0

0

0

0

6.399

– 6.399

               

2. Uitblinken in sport

 

37.018

37.002

41.006

39.888

40.263

– 375

               

Subsidies

 

26.842

25.533

29.783

27.774

28.028

– 254

Topsportevenementen

 

4.065

4.912

6.771

4.624

7.033

– 2.409

Topsportprogramma's

 

21.109

18.754

21.465

21.379

19.508

1.871

Dopingbestrijding

 

1.668

1.866

1.547

1.771

1.487

284

               

Opdrachten

 

28

0

0