34 725 XIII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Economische Zaken en Diergezondheidsfonds 2016

Nr. 1 JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN (XIII) EN DIERGEZONDHEIDSFONDS (F)

Aangeboden 17 mei 2017

Gerealiseerde uitgaven van EZ verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln). De totale uitgavenrealisatie over 2016 bedraagt € 5,1 mld.

Gerealiseerde uitgaven van EZ verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln). De totale uitgavenrealisatie over 2016 bedraagt € 5,1 mld.

Gerealiseerde ontvangsten van EZ verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln). De totale ontvangstenrealisatie over 2016 bedraagt € 3,2 mld.

Gerealiseerde ontvangsten van EZ verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln). De totale ontvangstenrealisatie over 2016 bedraagt € 3,2 mld.

Inhoudsopgave

A.

ALGEMEEN

5

 

1.

Aanbieding van het jaarverslag en verzoek tot dechargeverlening

5

 

2.

Leeswijzer

8

B.

BELEIDSVERSLAG

10

 

3.

Beleidsprioriteiten

10

 

4.

Beleidsartikelen

32

   

11

Goed functionerende economie en markten

32

   

12

Een sterk innovatievermogen

38

   

13

Een excellent ondernemingsklimaat

46

   

14

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

58

   

15

Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen

71

   

16

Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

75

   

17

Groen onderwijs van hoge kwaliteit

89

   

18

Natuur en regio

96

   

19

Toekomstfonds

105

 

5.

Niet-beleidsartikelen

110

   

40

Apparaat

110

   

41

Nominaal en Onvoorzien

114

 

6.

Bedrijfsvoeringsparagraaf

115

C.

JAARREKENING

118

 

7.

Departementale verantwoordingsstaat

118

 

8.

Samenvattende verantwoordingsstaat baten-lastenagentschappen

119

 

9.

Jaarverantwoording baten-lastenagentschappen per 31 december 2016

120

   

Agentschap Telecom (AT)

123

   

Dienst ICT Uitvoering (DICTU)

133

   

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

141

   

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)

153

 

10.

Saldibalans

164

 

11.

WNT-verantwoording 2016 – Ministerie van Economische Zaken

178

D.

JAARVERSLAG DIERGEZONDHEIDSFONDS (F)

186

 

12.

Beleidsverslag Diergezondheidsfonds

186

 

13.

Bedrijfsvoeringsparagraaf Diergezondheidsfonds

204

 

14.

Jaarrekening Diergezondheidsfonds

206

 

15.

Saldibalans Diergezondheidsfonds

207

E.

BIJLAGEN

209

 

Bijlage 1: Toezichtrelaties en Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak

209

 

Bijlage 2: Afgerond evaluatie- en overig onderzoek

220

 

Bijlage 3: Externe inhuur

241

 

Bijlage 4: Europese geldstromen

243

 

Bijlage 5: Rapportage burgerbrieven 2016

255

 

Lijst van afkortingen

257

A. ALGEMEEN

1. AANBIEDING VAN HET JAARVERSLAG EN VERZOEK TOT DECHARGEVERLENING

AAN de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik, mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken, het departementale jaarverslag van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) over het jaar 2016 aan, alsmede het jaarverslag met betrekking tot de begroting van het Diergezondheidsfonds (F) over het jaar 2016.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Economische Zaken decharge te verlenen over het in het jaar 2016 gevoerde financiële beheer.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Rekenkamer met betrekking tot:

  • a. het gevoerde financieel beheer en materieel beheer;

  • b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

  • c. de financiële informatie in de jaarverslagen;

  • d. de betrokken saldibalansen;

  • e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

  • f. de in de jaarverslagen opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

  • a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2016;

  • b. het voorstel van de slotwetten dat met de onderhavige jaarverslagen samenhangt;

  • c. het rapport van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • d. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2016 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2016, alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2016 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwetten zijn aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

2. LEESWIJZER

De leeswijzer gaat in op de volgende onderwerpen:

  • 1. Opbouw jaarverslag;

  • 2. Ondergrenzen toelichtingen;

  • 3. Controlenormen financiële en niet-financiële gegevens;

  • 4. Groeiparagraaf;

  • 5. Motie Schouw.

1. Opbouw jaarverslag

Dit jaarverslag bevat een beleidsverslag, een jaarrekening, het jaarverslag van het Diergezondheidsfonds (DGF) en diverse bijlagen. Deze bevatten informatie over de in 2016 gerealiseerde beleidsresultaten en de budgettaire realisatiegegevens van het Ministerie van Economische Zaken (EZ) en het DGF.

Het onderdeel beleidsprioriteiten van het beleidsverslag betreft de verantwoording over de beleidsagenda uit de EZ-begroting 2016. Naast het Nederlands EU-voorzitterschap worden in het beleidsverslag de andere prioriteiten van EZ voor 2016 toegelicht. Dit gebeurt langs de drie lijnen vernieuwen, verduurzamen en verbinden. Vernieuwen, omdat ruimte voor innovatie en vernieuwing in brede zin cruciaal is voor economische groei. Verduurzamen, omdat groei niet ten koste mag gaan van onze toekomstige welvaart in brede zin. Verbinden, omdat goed beleid alleen in constructieve dialoog en samenwerking met stakeholders tot stand komt.

De beleidsartikelen in dit jaarverslag hebben dezelfde opzet als de begroting 2016. Dit betekent dat de beleidsartikelen conform de Rijksbegrotingsvoorschriften van «Verantwoord Begroten» zijn opgesteld. Elk beleidsartikel bevat een paragraaf beleidsconclusies waarin voor de belangrijkste instrumenten een oordeel wordt gegeven over de uitvoering van het beleid in het afgelopen jaar. In beleidsartikel 14 (Een doelmatige en duurzame energievoorziening) is net als in de begroting 2016 een totaaloverzicht opgenomen van alle maatregelen van alle ministeries ten behoeve van het energieakkoord.

De bedrijfsvoeringparagraaf doet verslag van relevante aandachtspunten in de bedrijfsvoering van het Ministerie van EZ en van het DGF.

De jaarrekening bestaat uit de departementale verantwoordingsstaat, de samenvattende verantwoordingsstaat inzake de agentschappen, de jaarverantwoordingen van de agentschappen, de saldibalans en de WNT-verantwoording.

Het jaarverslag van het DGF bestaat uit een beleidsverslag (inclusief een bedrijfsvoeringsparagraaf) en een jaarrekening (verantwoordingsstaat DGF en een saldibalans). De apparaatsuitgaven voor de uitvoering van het DGF zijn deels opgenomen bij het moederdepartement (beleidsartikel 16).

De volgende bijlagen zijn opgenomen: Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO’s) en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (RWT’s), afgerond evaluatie- en overig onderzoek 2016, Europese geldstromen, externe inhuur, rapportage burgerbrieven 2016 en een lijst van afkortingen.

2. Ondergrenzen toelichtingen

Voor wat betreft het toelichten van significante verschillen in de uitgaven, ontvangsten en verplichtingen in de realisatie versus de vastgestelde begroting 2016 zijn de ondergrenzen gehanteerd zoals opgenomen in de onderstaande tabel.

Omvang begrotingsartikel

(stand ontwerpbegroting)

in € mln

Beleidsmatige mutaties

(ondergrens in € mln)

Technische mutaties

(ondergrens in € mln)

< 50

1

2

=> 50 en < 200

2

4

=> 200 en < 1.000

5

10

=> 1.000

10

20

In sommige gevallen, waar politiek relevant, worden ook posten toegelicht beneden deze ondergrenzen.

3. Controlenormen financiële en niet-financiële gegevens

Het jaarverslag bevat zowel financiële als niet-financiële gegevens (kengetallen en indicatoren). Deze gegevens zijn aan verschillende controlenormen onderhevig. De controle van financiële informatie is gebaseerd op normen zoals deze voortvloeien uit de Comptabiliteitswet 2001 en de Rijksbegrotingsvoorschriften 2017 (RBV). De controle van beleidsinformatie en informatie over de bedrijfsvoering is gebaseerd op normen zoals deze voortvloeien uit de RBV. Van een aantal indicatoren zijn de realisatiegegevens over 2016 nog niet bekend.

4. Groeiparagraaf

Tijdens het WGO jaarverslag van 7 juni 2016 heeft de Minister van EZ toegezegd om begrotingsmutaties zo vroeg mogelijk aan de Kamer voor te leggen en dit zo veel mogelijk in de suppletoire begroting en de Veegbrief te doen. Aan deze toezegging is voldaan. In de Veegbrieven zijn de begrotingswijzigingen ten opzichte van de 2e suppletoire begroting 2016 opgenomen (TK, 34 550 XIII, nr. 126; EK, 34 550 XIII, C; TK, 34 550 XIII, nr. 130 en EK, 34 550 XIII, D). De budgettaire verwerking van de aangekondigde begrotingswijzigingen zijn verwerkt in de Slotwet 2016.

5. Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. Voor de beleidsterreinen van EZ is één specifieke aanbeveling gedaan. Het gaat voor EZ om investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Dit is toegelicht in het beleidsartikel 12 (Een sterk innovatievermogen) onder het onderdeel beleidsconclusies («R&D als percentage van het bbp»).

B. BELEIDSVERSLAG

3. BELEIDSPRIORITEITEN

Inleiding

In 2016 werkte het Ministerie van Economische Zaken (EZ) via een breed pakket aan maatregelen aan een duurzame verbetering van onze economie. Dit in samenwerking met maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven, kennis- en onderwijsinstellingen, medeoverheden en met de Europese en andere internationale partners.

Het EU-voorzitterschap van Nederland in de eerste helft van 2016 heeft de mogelijkheid geboden om onderwerpen als de interne markt voor producten en diensten, het gemeenschappelijk landbouwbeleid en betere regelgeving verder te brengen. Naast het Nederlands EU-voorzitterschap zullen in dit beleidsverslag de andere prioriteiten van EZ in 2016 worden toegelicht. Dit gebeurt langs de drie lijnen vernieuwen, verduurzamen en verbinden. Vernieuwen, omdat ruimte voor innovatie en vernieuwing in brede zin cruciaal zijn voor economische groei. Verduurzamen, omdat groei niet ten koste mag gaan van onze toekomstige welvaart in brede zin. Verbinden, omdat goed beleid alleen in constructieve dialoog en samenwerking met stakeholders tot stand kan komen.

1. Gunstige cijfers

De Nederlandse economie heeft in 2016 een solide groei genoteerd van 2,2%. Daarmee vormt 2016 het derde jaar van herstel na de crisis. Het bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking heeft zich inmiddels weer hersteld tot het niveau van voor de crisis. Er was sprake van een breed gedragen herstel. Door een positief consumentenvertrouwen, de prijsgroei op de woningmarkt en de koopkrachtwinst van huishoudens nam de consumptie met 1,7% sterk toe. De bedrijfsinvesteringen kwamen door hun gestage toename weer op het langjarig gemiddelde te liggen. De toename van de uitvoer met 3,4% lag boven de groei van de wereldhandel. Deze goede cijfers vonden hun weerslag op de arbeidsmarkt: in het afgelopen jaar is de werkloosheid het snelst gedaald in tien jaar tijd. Eind 2016 daalde de werkloosheid onder de half miljoen (5,4% van de beroepsbevolking).

2. Voorzitterschap Europese Unie (EU)

Nederland heeft in de eerste helft van 2016 tijdens het voorzitterschap van de EU belangrijke boodschappen, zoals regionale samenwerking en betere werking van de interne energiemarkt, onder de aandacht gebracht. Zo heeft de Europese Commissie voorgesteld een miljard euro beschikbaar te maken voor een Quantum Flagship, een grootschalig Europees onderzoeksprogramma voor quantumtechnologie.

Met de ondertekening van de Noordzeeverklaring is een verdere impuls gegeven aan de energiesamenwerking tussen de Noordzeelanden. Ook op het gebied van telecom zijn er definitieve akkoorden over roaming en het vrijmaken van frequenties voor mobiele communicatie (700 MHz band) gesloten. Daarnaast is er een slag gemaakt met innovatie-vriendelijke regelgeving, de introductie van de Innovation Deals en zijn er tijdens de ruimtevaartconferentie afspraken gemaakt om in nauwe samenwerking toekomstig beleid vorm te geven.

Tevens heeft Nederland onder het voorzitterschap de discussie gestart in Europa over het verbreden van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) naar een Gemeenschappelijk Landbouw- en Voedselbeleid en zich ingezet om antibioticaresistentie aan te pakken. De Nederlandse inzet heeft geleid tot ambitieuze Raadsconclusies om het gebruik van antibiotica in de humane en veterinaire sector te verminderen.

3. Vernieuwen

Een van de belangrijkste pijlers van een duurzaam verdienvermogen van Nederland is de capaciteit om te vernieuwen. Zowel om economische groei aan te jagen als om maatschappelijke uitdagingen het hoofd te kunnen bieden. Het beleid van het kabinet is erop gericht geweest hiertoe de randvoorwaarden nog verder te versterken. Dit heeft het kabinet gedaan door de ontwikkeling van innovatie en kennis actief te stimuleren, de digitale economie dwarsdoorsnijdend op verschillende vlakken te versnellen, randvoorwaarden voor ondernemers op orde te brengen. Ook is het natuurbeleid vernieuwd.

Innovatie

Nederland is in 2016 voor het eerst leidend in Europa op het gebied van innovatie. Enkele voorbeelden van de bevordering van innovatie en kennis zijn de samenvoeging van de fiscale regelingen WBSO en RDA (thans WBSO), de verandering van TKI (Topconsortia voor Kennis en Innovatie)-toeslag naar PPS (Publiek-Private Samenwerking)-toeslag, waardoor deze nu makkelijker is aan te vragen, de eerste tender van het Toekomstfonds en de bundeling van krachten binnen de Toegepast Onderzoeksorganisaties (TO2), met de reorganisatie bij ECN/TNO en het Dutch Food Institute.

Mission Innovation

Nederland trad toe tot Mission Innovation, de internationale coalitie van landen die binnen vijf jaar hun publieke investeringen in energie-innovatie willen verdubbelen. Dit lidmaatschap helpt om de Nederlandse ambities op klimaatgebied kosteneffectief te realiseren, onze kennis en concurrentiepositie te versterken en Nederlandse oplossingen te positioneren in een sterk geglobaliseerde energiemarkt.

Digitale economie

De afgelopen jaren zijn op verschillende vlakken acties ondernomen om de digitalisering te versnellen. Een kleine greep uit de maatregelen:

  • In 2013 zijn de publiek-private doorbraakprojecten ICT gestart om het ICT-gebruik te vergroten en veelbelovende innovatieve ICT-toepassingen op te schalen. In 2016 heeft dit geleid tot de afronding van de volgende programma’s: MKB Innoveert, Open Data, Massaal Digitaal, Informatieplatformen in Topsectoren, Ondernemingsdossier, Big Data, Zorg&ICT en Energie&ICT.

  • Om verdere digitalisering in de industrie te versnellen is in kader van de Smart Industry aanpak een actieagenda Standaardisatie opgesteld.

  • Om de mogelijkheden van big data innovatie te benutten is het publiek-private programma Commit2Data gestart. Dit is een cross-sectoraal en meerjarig programma voor big dataonderzoek en innovatie.

  • Er is een publiek-privaat consortium gestart om te experimenteren met supersnelle draadloze 5G-technologie in Noord-Groningen, onder meer voor innovatieve toepassingen voor zorg, landbouw en mobiliteit. Dit is mede mogelijk gemaakt door EZ, de Economic Board Groningen, bedrijven, kennis- en onderwijsinstellingen.

  • Om te voorzien in de toenemende vraag naar personeel met ICT-vaardigheden heeft het Team ICT samen met het veld een ICT-Human Capital Actieagenda opgesteld. Een resultaat is dat in de Regio Utrecht aanbieders van ICT-opleidingen (WO, HBO, MBO) zijn gaan samenwerken om het onderwijsaanbod meer te richten op het opleiden voor big data professionals.

Ook de komende jaren blijft het kabinet zich inzetten om de digitalisering van de economie te stimuleren. Deze ambities zijn opgenomen in de Digitale Agenda. Bij de totstandkoming van deze agenda hebben tientallen organisaties hun kennis en inzichten met EZ gedeeld. Zij hebben de relevantie van deze agenda voor de digitalisering van Nederland versterkt.

Randvoorwaarden voor ondernemen

Ondernemers staan aan de basis van economische groei en vernieuwing. Belangrijke onderdelen hierin vormen de vermindering van regeldruk, het versterken van de mogelijkheden om digitaal zaken te doen, toegang tot financiering te vergemakkelijken en zeker te stellen dat ondernemers op een eerlijke manier met elkaar kunnen concurreren. De belangrijkste acties die hiertoe zijn ondernomen zijn onderstaand te vinden.

Vermindering regeldruk en meer ruimte voor innovatie

In 2016 heeft het kabinet grote stappen gezet waardoor de ambitieuze doelstelling –het structureel verminderen van regeldruk voor bedrijven, burgers en professionals met € 2,5 mld – gehaald gaat worden. Een belangrijk onderdeel van de regeldrukaanpak vormt het programma Ruimte in Regels. Dit programma zet zich in om een goed en actueel overzicht te geven van de belemmeringen van ondernemers die innovatieve investeringen beperken. Vanaf de start van het programma tot eind 2016 heeft Ruimte in Regels 306 belemmeringen opgepakt, waarvan het programma 53% heeft afgerond. In de bouw is bijvoorbeeld gekeken naar de mogelijkheden om belemmeringen in normering en certificering in de bouw weg te nemen.

De Bedrijfseffectentoets is aangevuld met een vraag over het effect van de voorgenomen regelgeving op innovatie, zodat hierop kan worden getoetst voordat de wetsvoorstellen in de ministerraad komen. Tevens is het Integraal Afwegingskader (IAK) uitgebreid met informatie over instrumenten waarmee wetgeving flexibeler, toekomstbestendiger en innovatievriendelijker kan worden gemaakt. Het gaat hierbij specifiek om doelregulering, experimenteerruimte en «right to challenge».

Digitaal zakendoen

Het afgelopen jaar zijn verschillende stappen gezet om het digitaal zaken doen met de overheid te stimuleren:

  • Er is een impuls gegeven op het gebied van het e-factureren door leveranciers van de rijksoverheid hier verplicht gebruik van te laten maken. De verwachting is dat Nederland hiermee versneld over gaat op e-factureren en daarmee eerder profiteert van de voordelen (€ 1 mld besparingen) die daar aan verbonden zijn.

  • Er zijn stappen gezet met betrekking tot de uitvoeringswet eIDAS (elektronische identificatie en vertrouwensdiensten) die een veilige publieke en private onlinediensten en elektronische handel binnen Europa als doel hebben. Ook regelt eIDAS het grensoverschrijdend gebruik van elektronische identificatiemiddelen en vertrouwensdiensten tussen de lidstaten van de EU.

  • Micro-ondernemingen en kleine rechtspersonen dienen vanaf het boekjaar 2016 de jaarrekening elektronisch in bij de Kamer van Koophandel (KvK) via Standard Business Reporting. Dit vermindert de papieren rompslomp voor deze ondernemers. Voor middelgrote rechtspersonen is deze verplichting vanaf het boekjaar 2017 ingegaan.

Toegang tot financiering

Een groot deel van de negen acties ten aanzien van MKB uit het aanvullend actieplan MKB-financiering van 2014 is in 2016 uitgerold. Dit om de financieringsmarkt te versterken door meer aanbod van risicokapitaal, meer alternatief financieringsaanbod en een beter werkende markt met meer transparantie. Met de uitwerking van de acties zal € 2,7 mld aan financiering in de markt beschikbaar komen.

Daarnaast zijn financieringsknelpunten zichtbaar met betrekking tot transitieopgaven zoals in de energie en verduurzaming. Het Nederlands Investerings Agentschap (NIA) is sinds 2015 actief om ook deze aan te pakken, door Nederlandse bedrijven en investeringsprojecten beter aan te sluiten op private en Europese financieringsbronnen zoals het Europees Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI). In de Miljoenennota 2017 is aangekondigd dat het kabinet besluiten zal nemen om de export uit en investeringen in Nederland nog verder te stimuleren, door de capaciteit en middelen op het snijvlak van publiek en privaat beter te organiseren. Op 10 februari 2017 heeft het kabinet daarvoor de oprichting van de Nederlandse financierings- en ontwikkelingsinstelling Invest-NL aangekondigd.

Concurrentie bevorderen

Per 1 juli 2016 is zowel de wet verhoging boetemaxima ACM als de aangepaste boetebeleidsregel ACM in werking getreden. Doelstelling van de wet is het vergroten van de afschrikkende werking van de ACM-boetes. Voor alle overtredingen die de ACM kan beboeten is het absolute boetemaximum verdubbeld van € 450.000 naar € 900.000. Kartelboetes zijn bovendien afhankelijk geworden van de duur van de overtreding en alle boetemaxima worden verdubbeld in geval van recidive.

Per 1 juli 2016 is de Aanbestedingswet 2012 gewijzigd ter implementatie van drie aanbestedingsrichtlijnen. De gewijzigde wet voorziet in maatregelen om de toegang van ondernemers tot overheidsopdrachten te verbeteren, de lasten te verminderen en meer ruimte te bieden voor het realiseren van strategische doelstellingen bij opdrachten (zoals innovatie en duurzaamheid). Door een betere e-overheidsdienstverlening en verlaging van de administratieve lasten zijn ondernemers minder tijd en geld kwijt.

Landbouw meer richten op hoogwaardige producten en kennis en innovatie

In september 2016 is de Kamer geïnformeerd over de toekomst van de agrarische export. Om duurzaam geproduceerde Nederlandse kwaliteitsproducten sterker te positioneren op de wereldmarkt werkt EZ samen met de sector onder meer aan de ontwikkeling van kwaliteitslabels, waarmee «Made in Holland», komt te staan voor betaalbare, hoogwaardige producten. Verder komen kennis, innovatie en technologie centraal te staan tijdens toekomstige handelsmissies. Ook krijgen start-ups en innovatieve agro-bedrijven een vaste plek binnen economische missies. Daarnaast zullen technologische matchmakingsmissies voor bedrijven, onderzoeksinstituten en technologiecentra geïntroduceerd worden.

Groen Ondernemersklimaat en Onderwijs

Het rapport Groen onderwijs in beweging – opgesteld naar aanleiding van de motie Van Meenen – is aangeboden aan de Tweede Kamer. Daarnaast is de Ontwikkelagenda Groen onderwijs 2016–2025: Investeren in Groene Groei aangeboden aan te Tweede Kamer. Deze agenda richt zich op investering in een vitaal onderwijssysteem voor een krachtige groene sector.

In 2016 zijn kennis- en innovatieprogramma’s tot stand gebracht waarin maatschappelijke opgaven centraal staan. Samen met de topsector Agri&Food en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen zijn 80 nieuwe Publiek-Private Samenwerking-projecten tot stand gebracht voor toegepast onderzoek. De projecten hebben een totale omvang van ongeveer € 150 mln. Extra focus kreeg de innovatieagenda High Tech to Feed the World waardoor acht innovatieve PPS’en met een totale investering van € 16 mln met bedrijven uit de topsectoren Hightech, Agrifood en Tuinbouw zijn gerealiseerd in deze programmeringsronde.

Op de Wageningen Campus zijn startups en investeerders bijeen gebracht voor succesvolle deals en netwerken. Om startende ondernemers te ondersteunen bij het opschalen is € 12 mln beschikbaar gesteld voor twee SEED Capital fondsen van en voor ondernemers in de Agri-Horti-Food. Diverse private investeerders zijn aangesloten die deze bijdrage verdubbelen waardoor minstens € 24 mln risicokapitaal beschikbaar komt voor innovatieve startups in deze sectoren.

Rijksnatuurvisie

De opgave uit de Rijksnatuurvisie is om te komen tot een natuurinclusieve samenleving, waarin ondernemers en burgers in hun handelen rekening houden met natuur. Het Ministerie van EZ heeft een vernieuwende aanpak gevolgd vanuit een stimulerende en faciliterende rol. Samen met regionale en lokale overheden zijn plannen («bidbooks») gemaakt om (natuur)gebieden te ontwikkelen tot Nationale Parken «nieuwe stijl» (toeristisch-recreatieve ontwikkeling, met behoud van de natuurwaarden) en deze (inter)nationaal te promoten. Door de publieksverkiezing «Mooiste natuurgebied van Nederland» is ook de samenleving hierbij nauw betrokken. De voornemens uit de Rijksnatuurvisie zijn met de provincies verder uitgewerkt in de agenda Tweede Natuur met daarin initiatieven voor natuurinclusief ondernemen op het terrein van onder meer landbouw, drinkwater, financiële sector, infrastructuur en sport/recreatie. Tevens is de wet natuurbescherming per 1 januari 2017 in werking getreden.

4. Verbinden

Verbinding is de basis voor vernieuwing. Vernieuwing komt voort uit nieuwe verbindingen, de combinatie van bestaande kennis in nieuwe producten en diensten. Dit vraagt om de verbinding van kennis, mensen, faciliteiten en geld. Hierin ligt de rol van de overheid want verbindingen en de hiermee samenhangende synergie komen niet vanzelfsprekend tot stand. Met bijvoorbeeld de energiedialoog en de voedselagenda werd hierop ingezet.

Energiedialoog

In 2016 kwam het kabinet met het Energierapport waarin het kabinet zich committeert om ook na de periode van het Energieakkoord vast te houden aan de afspraak om de CO2-uitstoot in 2030 met ten minste 40% en in 2050 met 80–95% terug te dringen op Europees niveau. Dit rapport vormde de aanleiding om de Energiedialoog met burgers, bedrijven kennisinstellingen, andere overheden en maatschappelijke organisaties te starten om zo te komen tot een gedragen uitwerking van de energietransitie. Deze energiedialoog is vastgelegd in een officieel verslag en heeft een veelheid en een rijkheid aan ideeën en initiatieven opgeleverd1. Het was daarmee een belangrijke inbreng voor de Energieagenda.

Voedselagenda

In 2016 is de uitvoering gestart van de Voedselagenda, die het kabinet eind 2015 in reactie op het WRR-advies Naar een voedselbeleid naar de Kamer heeft verzonden. Het gesprek met de samenleving – met maatschappelijke partijen, maar ook met geïnteresseerde burgers – is van start gegaan met de uitgave van een essaybundel, Aan Tafel!, waarin tien opinieleiders uit de voedselwereld hun visie op de toekomst van het voedselsysteem uiteen zetten. In de loop van 2016 is het voedseldebat onder de titel Aan Tafel! voortgezet op verschillende locaties, uitmondend in een groot publieksevenement op Wereldvoedseldag in Rotterdam.

In samenwerking met bedrijfsleven, instellingen en NGO’s is op specifieke onderdelen uitwerking gegeven aan de Voedselagenda: Zo is bijvoorbeeld samen met het Ministerie van VWS een impuls gegeven aan de voedseleducatie door het programma Jong Leren Eten. Met de Alliantie Verduurzaming Voedsel en enkele koplopers is gewerkt aan het vergroten van transparantie in de voedselketen. Daarnaast worden maatschappelijke initiatieven gericht op versterking van de productie en consumptie van groente en fruit (nationaal actieplan groenten en fruit), Dutch Cuisine en Green Protein Alliance ondersteund. Eind 2016 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang en de ambities van de Voedselagenda. De uitwerkingen van de voedselagenda zijn begin 2017 uitgebreid aan de orde gekomen tijdens de voedseltop.

StartupDelta 2020

Onder de naam StartupDelta 2020 is onder leiding van special envoy Constantijn van Oranje de succesvolle StartupDelta aanpak voortgezet. Vele partijen, publiek en privaat, werken hierin samen aan het verder professionaliseren van het startup ecosysteem in Nederland.

Techniekpact

De monitor Techniekpact en de derde voortgangsrapportage Techniekpact van 30 juni 2016 hebben laten zien dat de aanpak van het Techniekpact inmiddels goede resultaten oplevert. Zo is er een grote betrokkenheid van het bedrijfsleven. Al meer dan 2.000 bedrijven zijn actief in het beroepsonderwijs via de verstrekking van beurzen in (circa honderd) Publiek-Private Samenwerking-projecten of door het beschikbaar stellen van faciliteiten, machines en vakkrachten. De cijfers tonen daarnaast een positieve trend wat betreft stijgende instroom in technische opleidingen. Hiermee is het overkoepelende doel van een instroom van vier op tien studenten in technische opleidingen in 2020 binnen bereik. Zo volgt in het MBO 31% van de studenten een technische opleiding (gelijk aan het percentage in 2013/14), het aandeel instromende studenten bètatechniek steeg in het hoger beroepsonderwijs van 20% in 2013/14 naar 24% in 2015/16 en in het wetenschappelijk onderwijs is het percentage in drie jaar gestegen van 34% naar 36% in 2015/16.

Stedelijke concurrentiekracht

In 2016 zijn in acht city deals partnerschappen aangegaan met coalities van steden en stedelijke regio's. Daarmee zorgt EZ voor verbinding van publieke en private partijen om de concurrentiekracht van steden te bevorderen en daarmee groei, innovatie en leefbaarheid te stimuleren.

Retailagenda

EZ werkt met alle stakeholders van de retailsector – gemeenten, provincies, vastgoed, vakbonden, financiers, MKB-Nederland en de sector zelf – aan de uitvoering van de twintig afspraken die in de Retailagenda zijn gemaakt. Zo wordt er aan vitale winkelgebieden en het versterken van de verdienkracht in de sector gewerkt. In 2016 zijn 84 retaildeals met 119 gemeentes en alle provincies gesloten. Inzet is om de overcapaciteit van 20% van het winkelvloeroppervlak terug te dringen en overbodige plancapaciteit te schrappen.

ECN en TNO bundelen krachten energie-innovatie

In 2016 is het besluit genomen dat Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) en TNO hun krachten bundelen voor energie-innovatie. Sterke kennisinstituten zijn een basisvoorwaarde voor een gezonde kenniseconomie. Nederland beschikt over kennisinstituten die op mondiaal niveau aanzien genieten. Daardoor worden ze een nog aantrekkelijkere partner voor het (inter)nationale bedrijfsleven om gezamenlijk te investeren in onderzoek en ontwikkeling. Dat levert Nederland kennis, banen en inkomsten op. ECN wordt gesplitst waarbij het onderzoek naar duurzame energievoorziening en de nucleaire energieactiviteiten uit elkaar worden gehaald.

Mijnbouwwet

In 2016 zijn de wijzigingen van de Mijnbouwwet door zowel de Eerste als Tweede Kamer behandeld. Deze wijzigingen hebben voor een groot deel betrekking op de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) naar aanleiding van de aardbevingen in Groningen. Er zijn meer randvoorwaarden gesteld aan de veilige winning van de bodemschatten. Zo is veiligheid voor omwonenden rond mijnbouwactiviteiten beter geborgd. De wijzigingen zijn per 1 januari 2017 in werking getreden.

Nationaal Coördinator Groningen (NCG)

Het kabinet heeft toegezegd met voorstellen te komen om de publieke regie van NCG te versterken. Daarom is in 2016 een wetsvoorstel opgesteld waarin de positie van NCG wordt versterkt en NAM op grotere afstand komt te staan van de afhandeling van schade en de uitvoering van de versterkingsoperatie. Dit wetsvoorstel is voor advies voorgelegd bij de Raad van State. Daarnaast bemiddelt de NCG sinds 1 januari 2016 in zogenoemde complexe schadegevallen. Per mei 2016 zijn de arbiters aardbevingsschade gestart en hebben inmiddels in enkele tientallen gevallen uitspraak gedaan waar de NAM zich aan verbindt. In Groningen ligt een meerjarige opgave voor het rijk en de regionale besturen. De NCG voert hierop publieke regie, aan de hand van het Meerjarenprogramma Aardbevingsbestendig en Kansrijk Groningen. Per kwartaal rapporteert de NCG uitgebreid aan onder meer de Tweede Kamer over de voortgang van het Meerjarenprogramma.

5. Verduurzamen

De groei van welvaart is alleen duurzaam als in de behoeftes van de huidige generatie wordt voorzien zonder het vermogen van toekomstige generaties aan te tasten om in hun behoeftes te voorzien. Bij de inzet van EZ om het Nederlandse groeivermogen te versterken is duurzaamheid dan ook een belangrijke randvoorwaarde. Dit raakt aan verschillende facetten van beleidsterrein van EZ, zoals de transitie naar een duurzame energievoorziening en de verduurzaming van het agrocomplex.

Energietransitie

Nederland staat voor een grote opgave om de transitie te maken naar een duurzame energievoorziening. De afgelopen jaren heeft het kabinet voortvarend stappen gezet in deze transitie. Dit vroeg onder andere om aanpassing van wet- en regelgeving. Zo zijn in de evaluatie van de Warmtewet ruim twintig knelpunten vastgesteld. Deze zijn verwerkt in de nieuwe Warmtewet, gericht op een betere werking van de markt voor warmtelevering en bescherming van de warmteconsument. Na de internetconsultatie in de zomer is het voorstel voor de nieuwe Warmtewet eind 2016 voor advies naar de Raad van State gestuurd.

Het door de Eerste Kamer afwijzen van het wetsvoorstel STROOM noopte tot aanvullende wetgevingstrajecten. TenneT is aangewezen als netbeheerder op zee en knelpunten om windparken op land te realiseren zijn weggenomen. Deze wet is op 1 april 2016 in werking getreden. In december 2016 is het wetsvoorstel Voortgang energietransitie aan de Tweede Kamer aangeboden, waarmee overige relevante wijzigingen uit het wetsvoorstel STROOM alsnog kunnen worden vastgelegd. Verder werden de tarieven voor de Wet opslag duurzame energie voor 2017 vastgesteld ter dekking van de uitgaven voor de stimulering van duurzame energieproductie (SDE+).

Ook in de reductie van gaswinning uit het Groningerveld zijn belangrijke stappen gezet. Het kabinet beperkt de gaswinning uit het Groningenveld de komende vijf jaar tot 24 miljard kubieke meter per jaar. Er wordt in een nieuw winningsplan voor Groningen gestreefd naar een zo vlak mogelijke winning met zo min mogelijk schommelingen. Alleen in koude winters en als het strikt noodzakelijk is, mag extra gas worden geproduceerd.

Op het gebied van energiebesparing zijn in 2016 de doelen uit het Energieakkoord binnen bereik gekomen. Hiertoe zijn aanvullende maatregelen aangekondigd waarmee het doel van 100 PJ gehaald kan worden. Ten aanzien van de gebouwde omgeving is er een akkoord bereikt over een taakstellend convenant tussen energieleveranciers, installateurs, netbeheerders en overheid om 10 PJ energiebesparing in 2020 te realiseren.

Het bovenstaande illustreert slechts een klein deel van de inzet die er de afgelopen jaren is gepleegd door burgers, ondernemers en overheden om de verduurzaming van onze energievoorziening te realiseren. Deze inzet heeft tot belangrijke resultaten geleid. In de Voortgangsrapportage 2016 van de Borgingscommissie Energieakkoord van eind 2016 werd geconcludeerd dat alle doelen van het akkoord binnen bereik zijn. Uit de Nationale Energieverkenning (NEV) 2016 die in oktober 2016 aan de Tweede Kamer werd aangeboden, blijkt dat het aandeel hernieuwbare energie in Nederland (zeer) sterk zal stijgen: van 4,5% in 2013 naar 15,9% in 2023. De succesvolle aanpak rond windenergie op zee heeft dankzij het nieuwe tendersysteem geleid tot de lage prijs van 7,27 eurocent per kilowattuur (kWh), oftewel circa 8,7 eurocent per kWh inclusief de kosten van de netwerkaansluiting. Daarmee is de kostenreductie van 40%, die in tien jaar gerealiseerd zou moeten worden, al bereikt. Ook wordt in alle sectoren van de economie actief beleid voor energiebesparing gevoerd, met als resultaat dat Nederland jaarlijks 1,5% energiebesparing realiseert. De evaluatie van het Energieakkoord en de NEV 2016 illustreren het succes van de aanpak van het Energieakkoord. Het Energieakkoord heeft bijgedragen aan een versnelling van de energietransitie en er zijn resultaten geboekt waarvan het zeer aannemelijk is dat die anders niet of later zouden zijn bereikt.

De afgelopen jaren zijn de eerste stappen gezet in de energietransitie maar de doelen van het klimaatakkoord van Parijs vragen dat Nederland ook in de toekomst meters zal maken. In de Energieagenda heeft het kabinet een helder en ambitieus perspectief geschetst voor de transitie naar een betrouwbare, betaalbare, veilige en CO2-arme energievoorziening op een kosteneffectieve wijze. De energietransitie is alleen te realiseren als burgers, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en alle overheden hieraan bijdragen en samenwerken. Een breed pakket aan maatregelen wordt ingezet om dit te bereiken. Het kabinet zet in op een geleidelijke en dus tijdige energietransitie, bijvoorbeeld met een nieuwe routekaart voor wind op zee en het terugdringen van het gebruik van aardgas.

Verduurzaming in het agrocomplex

Op 21 november 2016 heeft de Staatssecretaris in reactie op het SER-advies Versnelling duurzame veehouderij aangegeven dat een regisseur wordt benoemd die samen met de veehouderijsectoren en partijen zoals de UDV (Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij) een platform inricht om de verduurzaming van de veehouderij te versnellen. In oktober 2016 hebben de Alliantie Verduurzaming Voedsel (AVV) en de UDV voor de komende vier jaar het netwerk MeatNL opgezet. Het doel van MeatNL is om de ontwikkeling van duurzame vleesconcepten te versnellen en de afzet hiervan te vergroten.

In 2016 is de vergroening van het GLB nader ingevuld: de landschapselementen zijn onder de vergroening gebracht en er is een nieuw duurzaamheidscertificaat geïntroduceerd (vezelhennep).

Daarnaast zijn belangrijke stappen gezet om de nationale fosfaatproductie in de melkveehouderij te beheersen. Tegelijkertijd met de behandeling van de wijziging van de Meststoffenwet, is het voorstel voor Wet grondgebonden groei melkveehouderij behandeld. Hiermee wordt de algemene maatregel van bestuur verantwoorde groei melkveehouderij (AMvB Grondgebondenheid) omgezet in wet. Deze wet maakt groei van bedrijven met melkvee mogelijk, mits de toename van de fosfaatproductie gebeurt op basis van voldoende grond in gebruik bij het bedrijf.

Weidegang

Door Stichting Milieukeur (SMK) is de Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV) aangepast om weidegang op melkveebedrijven te stimuleren. Per 1 januari 2016 kunnen de fiscale regelingen MIA en Vamil worden toegepast voor duurzame melkveestallen voorzien van weidegang volgens de MDV. Door EZ is een bedrag van € 1 mln toegezegd om weidegang te stimuleren via projecten als Nieuwe Weiders van Stichting Weidegang en «Wei en Maatschappij», dat door het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK) zal worden uitgevoerd.

Varkensketen

Op 23 juni 2016 is het actieplan vitalisering varkenshouderij aangeboden. De aanpak in het actieplan is gebaseerd op bouwen aan ketensturing, innovatie, kostenreductie en mestverwerking. Op 2 november 2016 hebben de Producentenorganisatie Varkenshouderij (POV), Rabobank en EZ de Coalitie vitalisering varkenshouderij opgericht. Hiermee is formeel de uitvoering van het actieplan gestart.

Antibioticaresistentie (AMR)

De Publiek-Private Samenwerking tussen overheid, veehouderijorganisaties en de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde (KNMvD) heeft in de periode 2009 – 2015 geresulteerd in een vermindering van het antibioticumgebruik in de dierhouderij met ruim 58%. In oktober 2016 organiseerde Nederland in Rotterdam de ministeriële conferentie over de Global Health Security Agenda (GHSA). In deze one health conferentie stond het belang van multisectorale samenwerking centraal bij de aanpak van besmettelijke ziekten (inclusief zoönosen) en AMR.

Dierenwelzijn

Samen met andere lidstaten zijn de voorbereidingen getroffen voor de oprichting van het Europees Platform dierenwelzijn (oprichting is voorzien begin 2017). Zo is dierenwelzijn opgenomen in het Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO)-convenant kleding en textiel en heeft er een evaluatie hondenhandel plaats gevonden. Daarnaast hebben verschillende sectoren samen met de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een hitteprotocol opgeleverd voor transport van dieren tijdens hoge temperaturen.

De NVWA

De NVWA ziet toe op de naleving van de regelgeving op het gebied van onder andere voedselveiligheid, dierenwelzijn, natuur en visserij. In het voorjaar van 2016 is het opdrachtenpakket van het Ministerie van EZ aan NVWA en het in 2013 ingezette Plan van Aanpak doorgelicht. Dit heeft geleid tot een aanpassing van het meerjarig financieel kader voor de NVWA. In het najaar van 2016 is een internationale vergelijking verschenen van de keurings- en toezichtskosten van de NVWA en is het NVWA-retributiestelsel getoetst aan het rijksbrede kader Maat Houden. Het onderzoek heeft niet tot majeure wijzigingen in het retributiestelsel geleid.

Beleidsregel Mededinging en Duurzaamheid

Op 5 oktober 2016 is de aangepaste beleidsregel mededinging en duurzaamheid gepubliceerd. De beleidsregel geeft de ACM richtlijnen hoe duurzaamheidsinitiatieven beoordeeld kunnen worden. Deze beleidsregels dienen ook rekening te houden met de voordelen voor toekomstige generaties. Hierdoor wordt de ruimte voor duurzaamheidsinitiatieven vergroot. Bovendien schept de beleidsregel meer duidelijkheid over de mogelijkheden van samenwerking binnen de Mededingingswet in het kader van duurzaamheid.

Realisatie beleidsdoorlichtingen periode 2010–2016

Realisatie beleidsdoorlichtingen

Art.

Naam artikel

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Wanneer gepland

Geheel artikel?

Behandeling in Tweede Kamer

Nr.

Naam artikel en eventueel artikelonderdeel

               

Jaartal

   

11

Goed functionerende economie en markten

 

x

       

x

 

2015

Ja

Schriftelijke vragen met antwoorden (TK, 30 991, nr. 32) betrokken bij EZ-begrotingsbehandeling 2017.

12

Een sterk innovatievermogen

x1

       

x2

   

2015

Ja

Schriftelijke vragen met antwoorden (TK, 30 991, nr. 26) betrokken bij EZ-begrotingsbehandeling 2016.

13

Een excellent ondernemingsklimaat

         

x2

   

2015

Ja

Schriftelijke vragen met antwoorden (TK, 30 991, nr. 26) betrokken bij EZ-begrotingsbehandeling 2016.

14

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

x3

     

x

     

2014

Ja

Schriftelijke vragen met antwoorden (TK, 30 991, nr. 20) betrokken bij AO Energie.

16

Concurrerende, duurzame en veilige agro-, visserij- en voedselketens

         

x4

   

2014

Ja

Schriftelijke vragen en antwoorden (TK, 30 991, nr. 27) betrokken bij EZ-begrotingsbehandeling 2016.

17

Groen onderwijs van hoge kwaliteit

       

x

     

2014

Ja

Schriftelijke vragen met antwoorden (TK, 30 991, nr. 15) betrokken bij EZ-begrotingsbehandeling 2015.

18

Natuur en regio

x5

       

x6

   

2015

Ja

Schriftelijke vragen met antwoorden (TK, 30 991, 30) betrokken bij AO Natuur/Ecologische Hoofdstructuur.

19

Toekomstfonds

               

2020

Ja

N.v.t.

X Noot
1

Gecombineerd met de Brede Heroverweging Innovatie en toegepast onderzoek.

X Noot
2

De beleidsdoorlichtingen van artikel 12 en 13 zijn gezamenlijk uitgevoerd.

X Noot
3

Gecombineerd met de Brede Heroverweging Energie en klimaat.

X Noot
4

Gecombineerd met het IBO Agro-, visserij- en voedselketens.

X Noot
5

Gecombineerd met de Brede Heroverweging Leefomgeving en Natuur.

X Noot
6

Gecombineerd met de OECD Territorial Review of the Netherlands.

Voor het meerjarenoverzicht is uitgegaan van de artikelindeling zoals deze van toepassing was tot en met 2016. Voor een toelichting op de afgeronde evaluaties in 2016 (en de beschikbare hyperlinks) wordt verwezen naar bijlage 2 «afgerond evaluatie- en overig onderzoek».

De meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen is opgenomen in de EZ-begroting 2017 conform een nieuwe artikelindeling (TK, 34 550 XIII, nr. 2). Deze meerjarenplanning is terug te vinden op de website Rijksbegroting.nl, zie: 2017 – XIII Economische Zaken – Planning beleidsdoorlichtingen – Rijksbegroting.nl.

Belangrijkste conclusies beleidsdoorlichtingen 2014–2016 en beleidsacties

Beleidsdoorlichting artikel 11 Goed functionerende economie en markten

De beleidsdoorlichting van artikel 11 is grotendeels intern EZ uitgevoerd en is in april 2016 naar de Tweede Kamer gestuurd (TK, 30 991, nr. 31). Uit de doorlichting komt naar voren dat de instrumenten die vallen onder artikel 11 in de regel doelgericht en doelmatig zijn. Het deel van de doorlichting dat ziet op de onderlinge samenhang van het beleid is uitgevoerd door een extern onderzoeksbureau. Zij concludeert dat de verschillende beleidsinstrumenten ook in samenhang bijdragen aan een goed functionerende economie en goed functionerende markten. Er zijn relatief weinig gebieden waarop de verschillende instrumenten met elkaar conflicteren. Het extern bureau doet desondanks een beperkt aantal aanbevelingen. Die zijn overgenomen door de organisaties waar de aanbevelingen op zijn gericht. Zo hebben de ACM en TenderNed aangegeven te herkennen dat de onderlinge coördinatie versterkt kan worden om een optimale balans te vinden tussen het mededingingsperspectief en aanbestedingsperspectief, en neemt de ACM de aanbevelingen rolvast te blijven ter harte. Het kabinet houdt hierbij de vinger aan de pols.

Het extern bureau heeft daarnaast geconstateerd dat een evaluatie naar samenhang van het beleid minder eenduidig kan plaatsvinden wanneer er te veel instrumenten onder een begrotingsartikel vallen die niet altijd logisch gepositioneerd zijn. De onderzoekers merken in dit verband op dat de positionering van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) onder een beleidsartikel met een vrij algemeen doel – zoals artikel 11 – het CBS mogelijk tekort doet. Het kabinet heeft aangegeven begrip te hebben voor deze constatering van de onderzoekers. Sinds 2013 wordt echter een vernieuwde wijze van begrotingspresentatie gehanteerd, onder de naam «Verantwoord Begroten» (VB). Kern van deze werkwijze is om begrotingen compact en overzichtelijk te houden. In het licht hiervan past het niet om het aantal artikelen van de EZ-begroting uit te breiden en het CBS in een apart artikel onder te brengen.

In deze beleidsdoorlichting zijn ook beleidsopties geformuleerd waarbij er 20% minder (of meer) middelen beschikbaar zijn. Hieruit blijkt dat alle posten onder artikel 11 op dit moment reeds te maken hebben met verschillende taakstellingen (Rutte I, Lenteakkoord en Rutte II). Dit leidt ertoe dat nu al zeer kritisch wordt gekeken naar de uit te voeren werkzaamheden. Veel efficiencywinsten worden reeds behaald, waardoor verdere ombuigingen alleen mogelijk zijn door het schrappen in wettelijke taken.

De beleidsdoorlichting is gebaseerd op een aanzienlijk aantal eerder uitgevoerde evaluaties van verschillende beleidsinstrumenten die vallen onder artikel 11 van de EZ-begroting. In de meeste gevallen zijn hierin aanbevelingen gedaan. Voor de opvolging van deze aanbevelingen wordt verwezen naar de afzonderlijke beleidstrajecten.

Beleidsdoorlichting artikel 12 en 13

Deze beleidsdoorlichting is in mei 2015 naar de Tweede Kamer gestuurd (TK, 30 991, nr. 23). In grote lijnen komt de achtergrondstudie tot de conclusie dat het beleid economisch adequaat wordt onderbouwd (legitiem), dat de meeste instrumenten effectief zijn (doeltreffendheid is vastgesteld) en de uitvoering van het beleid doelmatig is geweest («kleine doelmatigheid»). Over de «macro doelmatigheid» (wegen de totale kosten van het beleid op tegen de totale baten, of kunnen de doelen goedkoper bereikt worden?) wordt vastgesteld dat te weinig informatie voorhanden is om er een onderbouwde uitspraak over te kunnen doen. Dat laatste wordt vooral veroorzaakt door methodologische beperkingen en de stand van het economisch onderzoek op dit terrein. De achtergrondstudie doet een aantal observaties voor mogelijke heroriëntaties in de (balans en samenstelling van de) beleidsmix. De beleidsdoorlichting van artikel 12 en 13 heeft de nodige beleidsacties tot gevolg gehad, waaronder:

  • De integratie van de artikelen 12, 13 en een deel van artikel 18. Dit is inmiddels tot stand gekomen en verwerkt in de EZ-begroting 2017. De Tweede Kamer heeft met de integratie een samenhangende presentatie van het bedrijvenbeleid opgebouwd vanuit de beleidslogica.

  • De integratie van de fiscale innovatieregelingen S&O afdrachtvermindering (WBSO) en de Research & Development Aftrek (RDA). De integratie van beide regelingen leidt tot een eenvoudigere aanvraagprocedure voor bedrijven en vereenvoudigde uitvoering voor de Belastingdienst.

  • Meer aandacht voor niet-technologische aspecten van innovatie en meer aandacht voor beleidsexperimenten. Toegezegd aan de Tweede Kamer is om «evidence based» te gaan onderzoeken wat de betekenis van niet-technologische innovatie concreet is voor de innovatieprestaties van bedrijven en wat de rol van de overheid daarbij is. Thans zijn er vier concrete beleidsexperimenten met «randomised control trials» in uitvoering.

  • Vergroten van inzichtelijkheid en herkenbaarheid van het financieringsinstrumentarium. Om het MKB beter te kunnen ondersteunen bij het zoeken naar verschillende financieringsmogelijkheden (bancair of anders) is de Nationale Financieringswijzer ontwikkeld om inzichtelijk te maken welke financieringsvormen voor hen interessant en relevant kunnen zijn. In september 2015 is de website en «app» Nationale Financieringswijzer gelanceerd.

  • Knelpuntenanalyse van financieringsinstrumenten. In september 2015 is in de rapportage over het gebruik van de financieringsinstrumenten van de overheid door ondernemers een bijlage toegevoegd met de toegezegde knelpuntenanalyse.

  • Betere data over MKB en ondernemerschap. In november 2015 is daartoe de website de Staat van het MKB gelanceerd. Deze website is een samenwerking van CBS, MKB-Nederland, DARE en het Ministerie van Economische Zaken op initiatief van het Nederlands Comité voor Ondernemerschap en Financiering.

Beleidsdoorlichting artikel 14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Deze beleidsdoorlichting is in december 2014 naar de Tweede Kamer gestuurd (TK, 30 991, nr. 17) en had betrekking op de periode 2007–2012. De algemene conclusie van de beleidsdoorlichting is dat de inzet en inspanningen van het Ministerie van EZ in de periode 2007–2012 in redelijke mate hebben bijgedragen aan de operationele doelstellingen die in de begroting staan. Daarmee is volgens het onderzoeksbureau in voldoende mate een bijdrage geleverd aan de overkoepelende doelstelling van het energiebeleid. Uit het onderzoek blijkt overigens dat bij veel onderdelen voldoende bewijsmateriaal ontbrak om stevige conclusies te kunnen trekken voor doeltreffendheid en doelmatigheid. Met name op het vlak van doelmatigheid was regelmatig geen uitspraak mogelijk.

Deze integrale beleidsdoorlichting was de eerste van het volledige energie-beleidsartikel in deze vorm. De inhoudelijke beoordelingen bevestigen de lessen die de afgelopen jaren al waren getrokken. De lessen uit de doorlichting zijn meegenomen in de verdere beleidsvorming.

Zoals toegezegd in de beleidsdoorlichting is de Innovatieagenda Energie (IAE) in 2016 alsnog separaat geëvalueerd. Deze evaluatie is in februari 2017 naar de Tweede Kamer gestuurd (TK, 31 530, nr. 2).

IBO artikel 16, Concurrerende, duurzame en veilige agro, visserij en voedselketens

Dit Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) is in juni 2015 naar de Tweede Kamer gestuurd (TK, 30 991, nr. 25). De belangrijkste aanbevelingen uit het IBO waren: actualiseer de integrale visie op het agrocomplex, richt het beleid op ketens, en vergroot focus en massa met beperkte uitvoeringskosten. Naar het oordeel van de IBO-werkgroep lijken enkele financiële instrumenten in mindere mate bij te dragen aan de doelstellingen van artikel 16. De werkgroep adviseert in dit kader om in overweging te nemen om het budgettaire beslag dat gepaard gaat met twee fiscale faciliteiten (de landbouwregeling in de btw en de landbouwvrijstelling in de Wet IB 2001) meer gericht in te zetten.

Het kabinet heeft in de reactie op het IBO en in de brief naar aanleiding van het WRR rapport «Naar een voedselbeleid» de visie op het agrocomplex nader geduid (TK, 31 532, nr. 156). Het kabinet onderkent dat er te weinig geëvalueerd is om een goed oordeel over de effectiviteit en doelmatigheid van beleid te kunnen vellen. Het Ministerie van Economische Zaken heeft verbetermaatregelen getroffen die ertoe moeten leiden dat de kwantiteit en de kwaliteit op dit gebied omhoog gaan. Zo zal de programmering van evaluaties de komende tijd nauwlettender gemonitord worden en de uitvoering van de evaluatie zal ook meer via objectieve meettechnieken gebeuren. Het kabinet onderschrijft verder de noodzaak tijdig de inzet voor het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) te bepalen. In opdracht van EZ heeft het LEI inmiddels een eerste scenariostudie uitgevoerd. Op de informele landbouwraad is op initiatief van Nederland gediscussieerd over de toekomst van het GLB. Inmiddels is besloten om de btw-landbouwregeling per 1 januari 2018 af te schaffen (zie artikel 6; TK, 34 550 XIII, nr. 2).

Beleidsdoorlichting artikel 17 Groen onderwijs van hoge kwaliteit

Deze beleidsdoorlichting is in juni 2014 naar de Tweede Kamer gestuurd (TK, 30 991, nr. 11). De belangrijkste conclusies waren:

  • Groen onderwijsbeleid heeft een bijdrage geleverd aan de aansluiting van Groen onderwijs op de arbeidsmarkt.

  • Groen onderwijsbeleid heeft extra prestaties gericht op actueel, vooruitstrevend, internationaal en aantrekkelijk onderwijs mogelijk gemaakt.

  • De Groene collectieve ondersteuningsstructuur (kleinschaligheid grootschalig organiseren) heeft vooral via de Groene Kennis Corporatie (GKC) haar nut bewezen.

  • Kennisverspreiding en -benutting zijn voor het merendeel bereikt.

Deze resultaten zijn van belang voor het economisch en duurzaam versterken van de topsectoren Agrofood, Tuinbouw & Uitgangsmaterialen en het domein van de Natuurlijke Leefomgeving.

De beleidsdoorlichting plaatst ook kanttekeningen:

  • De kwantitatieve aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt kan worden verbeterd.

  • De samenhang binnen de collectieve ondersteuningsstructuur is onvoldoende tot stand gekomen.

  • De kwaliteit van de samenwerking tussen de onderwijsinstellingen en bedrijfsleven is voor verbetering vatbaar.

  • Er moet meer aandacht komen voor het duurzaam borgen van resultaten en effecten die voortkomen uit het Groen onderwijsbeleid.

  • De doelmatigheid van de uitvoering binnen het Groen onderwijsbeleid kan verbeterd worden.

  • Er wordt een grotere strategische oriëntatie vanuit de politieke beleidsagenda gevraagd op het Groen onderwijsbeleid.

Hieruit kwamen de volgende beleidsacties voort:

  • Bevorderen van een goede aansluiting van het opleidingsaanbod op de arbeidsmarkt door het stimuleren van een weloverwogen studiekeuze door onderwijsdeelnemers, via verbetering van publiek-private samenleving en via aanpak van de macrodoelmatigheid. Inmiddels zijn de volgende resultaten te melden:

    • Er is een nieuw profiel Groen voor het Voortgezet Onderwijs ontwikkeld waardoor er een betere aansluiting tot stand kan worden gebracht op het Middelbaar Beroepsonderwijs (MBO) en de regionale arbeidsmarkt.

    • Op zeven locaties met profiel groen zijn doorlopende leerlijnen VMBO-MBO vormgegeven met het concept Groen Lyceum. De deelnemende scholen beogen met deze doorlopende leerlijn een verkorting van één jaar te behalen en een betere aansluiting op de arbeidsmarkt.

    • Er is een nieuwe kwalificatiestructuur ingevoerd voor het MBO, waarin veel aandacht wordt besteed aan het borgen van wettelijke beroepsvereisten vanuit wetgeving van EZ.

    • Conform de afspraken in de Strategische agenda Hoger Onderwijs, Rijksnatuurvisie Natuurlijk verder 2014, topsectoren Agri&Food en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen en de bestuurlijke afspraken in het kader van de sectorplannen HAO en AOC, zijn Groene Centra voor Innovatief Vakmanschap (CIV’s) en Centres of Expertise (CoE’s) ingericht op de thema’s Agro, Food, T&U/Greenports, Biobased Economy, Open teelten en Agrodier.

    • Met de groene plus lectoraten is in 2016 geïnvesteerd in de kwaliteit en actualiteit van het curriculum van het groene HBO.

  • Bevorderen van samenhang binnen de collectieve ondersteuningsstructuur via integrale aansturing vanuit collectieve landelijke ontwikkelopgaven enerzijds en behoeften vanuit Centres of Expertise, Centra voor Innovatief Vakmanschap en individuele onderwijsinstellingen anderzijds; zie Ontwikkelagenda Groen Onderwijs (TK, 34 284 nr. 9).

  • Bevorderen van samenwerking tussen onderwijsinstellingen, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties door het opnieuw vastleggen van sturingsrelaties, centervorming en het stimuleren van een pact. Het akkoord werd in oktober 2016 gesloten en is neergelegd in de Ontwikkelagenda Groen Onderwijs (TK, 34 284 nr. 9).

  • Duurzaam borgen van resultaten en effecten die voortkomen uit het Groen onderwijsbeleid door het neerzetten van een basiskennisstructuur, prestatieafspraken, meerjarige investeringsprogramma’s per instelling en stimuleren van nieuwe verdienmodellen. De Regeling Praktijkleren en groene plus was geldend van 1 oktober 2014 tot en met 31 december 2015.

Beleidsdoorlichting artikel 18 Natuur en regio

Deze beleidsdoorlichting is in december 2015 naar de Tweede Kamer gestuurd (TK, 30 991, nr. 29). De belangrijkste conclusies zijn: (1) het onderzoek laat goed zien dat de lange termijn beleidsinspanningen voorafgaand aan de onderzoeksperiode hun vruchten afwerpen; (2) de inzet op versterking van ruimtelijk-economische structuur heeft bijgedragen aan een structureel sterke concurrentiepositie van de Nederlandse economie; (3) gemiddeld gezien is de achteruitgang van de biodiversiteit afgeremd en lijkt nu tot stilstand te komen. De indruk bestaat dat de investeringen die sinds begin jaren ’90 zijn gedaan in natuurgebieden en in milieucondities hieraan hebben bijgedragen; (4) Op beide terreinen is het zaak de zorgvuldig opgebouwde goede uitgangspositie te koesteren, de ingezette koers aan te houden en te blijven werken aan verdere verbetering. Daarnaast wordt geconstateerd dat er (inhoudelijk) geen samenhang is tussen enerzijds artikel 18.1 (Versterken mainports, brainports, greenports en andere clusters gerelateerd aan topsectoren) en anderzijds de artikelen 18.2 (Wederzijds versterken van ecologie en economie) en 18.3 (Behouden van de (inter-) nationale biodiversiteit en versterken van onze natuur), en dat logischer is om artikel 18.1 onder te brengen bij artikel 12 (Een sterk innovatievermogen) en artikel 13 (Een excellent ondernemingsklimaat).

In de doorlichting zijn ook een extensiverings- en intensiveringsvariant opgenomen. Er zijn drie extensiveringsvarianten uitgewerkt: de variant stelselverantwoordelijkheid die zich richt op het volledig decentraliseren van uitvoeringstaken, de variant technisch eenvoudige maatregelen die zich richt op een bezuiniging op maatregelen die nog niet juridisch verplicht zijn, en de variant schaven die een generieke reductie over alle uitgavenposten betreft. Deze varianten hebben alle ingrijpende beleidsinhoudelijke, juridische en bestuurlijke consequenties. De intensiveringsvarianten die waren geïdentificeerd, hadden betrekking op ruimtelijk-economisch beleid (bijvoorbeeld programmadoorsnijdende projecten), verbeteren van milieucondities, weidevogelstand en kansen voor natuur en water.

Inmiddels is de integratie van de artikelen 12, 13 en een deel van artikel 18 tot stand gekomen en verwerkt in de EZ-begroting 2017. Tevens is artikel 8 (voorheen artikel 18) opnieuw opgezet zodat deze in overeenstemming is met de rijksdoelen op het gebied van natuur.

Overzicht van risicoregelingen

Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2015

Verleend 2016

Vervallen 2016

Uitstaande garanties 2016

Garantie plafond 2016

Totaal plafond

Totaal stand risicovoor-ziening

Artikel 13 Een excellent ondernemings-klimaat

BMKB

1.756.289

656.739

586.013

1.827.015

765.000

 

58.633

 

Garantie Ondernemings-financiering

665.450

118.598

217.785

566.263

400.000

 

60.112

 

Groeifaciliteit

107.707

51.319

37.436

121.590

114.485

 

16.169

 

Garantieregeling Scheepsnieuw-bouwfaciliteit

42.040

   

42.040

376.662

 

10.136

 

MKB-financiering

         

750.000

9.000

 

Microkredieten

99.700

   

99.700

 

113.000

 

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energievoor-ziening

Aardwarmte

66.715

28.900

21.675

73.940

93.050

 

21.740

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Garanties voor investeringen en werkkapitaal landbouwonder-nemingen (Garantierege-lingen Landbouw en Garantieregeling Marktintroductie Innovatie)

322.398

37.690

41.276

318.812

120.000

 

13.535

Artikel 18 Natuur en Regio

Garantie voor natuurgebieden en landschappen

399.689

 

16.104

383.585

 

399.689

 

Totaal

 

3.459.988

893.246

920.289

3.432.945

1.869.197

1.262.689

189.325

Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitgaven 2015

Ontvangsten 2015

Saldo 2015

Uitgaven 2016

Ontvangsten en 2016

Saldo 2016

Mutatie risicovoor-ziening

2016 en (2015)

Artikel 13 Een excellent ondernemingsklimaat

BMKB

65.330

32.307

– 33.023

34.972

35.572

600

4.465

(– 12.387)

 

Garantie Ondernemings-financiering

10.600

9.443

– 1.157

2.056

9.653

7.597

7.001

(– 1.898)

 

Groeifaciliteit

3.499

2.964

– 535

6.057

4.376

– 1.681

– 831

(12.000)

 

Garantieregeling Scheepsnieuw-bouwfaciliteit

 

15

15

 

127

127

92

(0)

 

MKB-financiering

           

0

(0)

 

Microkredieten

           

nvt

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Aardwarmte

 

922

922

1.204

1.012

– 192

– 218

(1.922)

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Garanties voor investeringen en werkkapitaal landbouwonder-nemingen (Garantierege-lingen Landbouw en Garantieregeling Marktintroductie Innovatie)

28.347

1.696

– 26.651

3.644

2.008

– 1.636

– 8.627

(– 19.128)

Artikel 18 Natuur en Regio

Garantie voor natuurgebieden en landschappen

             

Totaal

 

107.776

47.347

– 60.429

47.933

52.748

4.815

 

De risicovoorzieningen bestaan uit begrotingsreserves. Een begrotingsreserve is een voorziening die door een ministerie op een afzonderlijke rekening-courant bij het Ministerie van Financiën wordt aangehouden. In de tabel «Overzicht verstrekte garanties» wordt met «totaalstand risicovoorziening» het saldo van de betreffende begrotingsreserve ultimo 2016 bedoeld. In de tabel «Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties» wordt met «mutatie risicovoorziening» de storting (+) dan wel de onttrekking (–) aan deze begrotingsreserve bedoeld. De mutaties op de begrotingsreserves worden in het betreffende beleidsartikel toegelicht.

Artikel 13 Een excellent ondernemingsklimaat

BMKB

De BMKB is bedoeld voor bedrijven die te weinig zekerheden (onderpand) kunnen bieden aan een bank. De bank vindt het risico dat het bedrijf zijn lening niet kan terugbetalen dan vaak te hoog. Via de BMKB staat de overheid borg voor het deel van de lening waar het bedrijf geen onderpand voor heeft. De bank kan voor dat deel dus terugvallen op de overheid. Op grond van de Regeling nationale EZ-subsidies kunnen financiers kredieten die zij verstrekken aan MKB-ondernemers onder de werking van de regeling brengen. Hierdoor stelt de Staat zich voor 90% borg ten behoeve van de financier voor de terugbetaling van deze kredieten (de zogenaamde bedrijfsborgstellingskredieten). Eén van de voorwaarden die de regeling hieraan stelt, is dat de financier gelijktijdig met het verstrekken van een bedrijfsborgstellingskrediet, aan de MKB-ondernemer een ander krediet verstrekt, waarvoor deze borgstelling van de Staat niet geldt. Als hoofdregel geldt dat het bedrijfsborgstellingskrediet ten minste even groot moet zijn als het daarmee gelijktijdig afgesloten andere krediet. Het laatstgenoemde krediet bedraagt daarmee ten minste 100% van het bedrijfsborgstellingskrediet (verhouding 1:1). Voor starters en het innovatieve MKB gelden andere verhoudingen. Om de kredietverlening te stimuleren is per 1 november 2013 het maximum van het borgstellingskrediet verhoogd van € 1 mln naar € 1,5 mln en geldt voor bestaande bedrijven met een borgstellingskrediet tot maximaal € 200.000 de ruimere startersfaciliteit.

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

Met het instrument GO kunnen banken een 50% Staatsgarantie krijgen op (middel)grote leningen vanaf € 1,5 mln. Door de verstrekking van een Staatsgarantie wordt het risico voor de bank op de ondernemingsfinanciering gereduceerd. Dit vergroot de mogelijkheden om te voorzien in de financieringsbehoefte bij het Nederlandse bedrijfsleven. Ter stimulering van de kredietverlening aan het bedrijfsleven zijn de voorwaarden voor de GO-regeling tijdelijk verruimd. In 2013 is het maximum van de garantie verhoogd van € 25 mln naar € 75 mln en is de GO, naast de al bestaande mogelijkheid om bankgaranties onder de GO te brengen, ook opengesteld voor alternatieve aanbieders van garanties aan bedrijven.

Groeifaciliteit

Met de Groeifaciliteit worden bedrijven geholpen bij het aantrekken van risicodragend vermogen door een 50% Staatsgarantie te verstrekken op achtergestelde leningen van banken (ten hoogste € 5 mln) en op aandelen van participatiemaatschappijen (ten hoogste € 25 mln). De Groeifaciliteit kan ondernemingen in een groeifase, bij bedrijfsovernames en bij herstructureringen helpen bij het aantrekken van risicokapitaal.

Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfaciliteit

Met de Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfaciliteit kunnen banken 80% Staatsgarantie krijgen op de nieuwbouwfinanciering van een schip. Hierdoor wordt het risico voor de bank op de te verstrekken bouwfinanciering of voorfinanciering gereduceerd. Dit vergroot de kans voor Nederlandse scheepswerven om financiering aan te trekken. De sector kan door deze regeling beter concurreren met buitenlandse werven die van soortgelijke garantieregelingen gebruik kunnen maken.

Garantie MKB-financiering

Uit het Aanvullend Actieplan MKB-financiering was in totaal € 1 mld garantieruimte beschikbaar. Hiervan is € 100 mln beschikbaar gesteld voor de funding van Qredits (zie Microkredieten) en € 150 mln is toegevoegd aan de Groeifaciliteit voor garanties op achtergestelde leningen. Van de resterende ruimte van € 750 mln is € 400 mln beschikbaar voor alternatieve financiers voor het MKB. In 2016 is in dit kader voor € 25 mln de eerste garantie verstrekt.

Microkredieten

Uit het Aanvullend Actieplan MKB-financiering is € 100 mln beschikbaar voor Microkredieten. Hierop is een garantie van € 86,7 mln verstrekt aan de Europese Investeringsbank voor de funding van de Stichting Qredits van € 100 mln voor de verdere groei van de dienstverlening van Qredits (micro- en MKB tot € 150.000) als de nieuwe dienstverlening van Qredits (werkkapitaal en de hogere MKB kredieten tot € 250.000).

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Garantieregeling Aardwarmte

De garantieregeling Aardwarmte heeft als doel het afdekken van het financiële risico indien een boring van een put voor de toepassing van aardwarmte voor de borende partij minder oplevert dan verwacht. De garantieregeling dekt het risico dat een boring niet in een goede watervoerende laag uitkomt, waardoor het vermogen dat vooraf verwacht werd, niet wordt behaald. In dat geval wordt voor een deel van de gemaakte kosten een subsidie uitgekeerd, gerelateerd naar de mate waarin de aardwarmteboring mislukt is. Er wordt een premie van 7% gevraagd. De regeling richt zich zowel op gewone als diepe aardwarmte-projecten (dieper dan 3.500 meter).

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Garanties voor investeringen en werkkapitaal landbouwondernemingen (Garantieregeling Landbouw en Garantieregeling Marktintroductie Innovatie).

Op basis van de garantstellingsregeling voor investeringen in landbouwondernemingen worden garantstellingen verleend aan banken, waarmee investeringen in de landbouw worden gefaciliteerd. Hierdoor wordt het voor boeren en tuinders gemakkelijker om bedrijfsfinanciering te realiseren, onder andere voor innovatieve en duurzame investeringen.

De Garantieregeling Marktintroductie Innovatie (GMI) is in 2016 niet opengesteld. De bestaande Garantstelling Landbouw is per 1 januari 2017 opgevolgd door de Borgstelling voor MKB-landbouwkredieten (BL). De GMI doeleinden zijn in de nieuwe BL geïntegreerd, derhalve zal voor de GMI geen aparte regeling meer verschijnen.

Artikel 18 Natuur en regio

Garantie voor natuurgebieden en landschappen

Het betreft het garant staan voor de leningen die aangetrokken zijn via het Groenfonds voor het realiseren van de EHS-gronden. Deze gronden zijn opgegaan in het Natuur Netwerk Nederland.

Overzicht verstrekte leningen (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande lening

Looptijd lening

Totaalstand risicovoorziening 2015

Totaalstand mutatie volume risicovoorziening 2016 en 2015

Artikel 13

Een excellent ondernemingsklimaat

Microkrediet Nederland

46.966

tot en met 2029

   

Artikel 14

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Energieonderzoek Centrum Nederland

25.260

tot en met 2023

   

Artikel 14

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Pallas

11.393

tot en met 2018

   

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Wageningen Universiteit

33.553

tot en met 2027

   

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Wageningen Universiteit

25.900

tot en met 2027

   

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Wageningen Universiteit

13.155

tot en met 2029

   

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Wageningen Universiteit

2.767

tot en met 2030

   

4. BELEIDSARTIKELEN

11 Goed functionerende economie en markten

Algemene doelstelling

Het scheppen van voorwaarden voor een goed functionerende economie en goed functionerende markten, waaronder de markt voor elektronische communicatie.

Goed functionerende markten dragen in belangrijke mate bij aan de economische groei en innovatie. In een goed functionerende markt reageren vraag en aanbod effectief op elkaar. Consumenten en bedrijven profiteren daarvan. Op goed functionerende markten ontstaat een optimale prijs – kwaliteitverhouding van goederen en diensten en hebben gebruikers keuzevrijheid. Het slim benutten van en zorgdragen voor hoogwaardige elektronische communicatienetwerken en digitale infrastructuren waar de Nederlandse samenleving op kan bouwen én vertrouwen draagt bij aan het economisch groeivermogen en een goed functionerende economie.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ ziet het als een taak eventuele belemmeringen voor het goed functioneren van markten te verminderen of weg te nemen en heeft een systeemverantwoordelijkheid voor de statistische informatievoorziening van rijkswege. De Minister van EZ is daarnaast, op grond van de Telecommunicatiewet, verantwoordelijk voor het stellen van regels voor vaste en mobiele communicatienetwerken. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

Stimuleren

  • Het stimuleren van een goede balans tussen de belangen van bedrijven en consumenten met generiek consumentenbeleid waarbij de Wet handhaving consumentenbescherming centraal staat.

Financieren

  • Het bijdragen aan het goed functioneren van markten door het financieren van een deel van de exploitatie van de Autoriteit Consument en Markt (ACM), van TenderNed (het elektronisch aanbestedingssysteem) en van diverse organisaties op het gebied van metrologie, normalisatie, accreditatie en markttoezicht.

  • Het financieren van een deel van de exploitatie van het Agentschap Telecom en het verrichten van uitgaven voor opdrachten inzake beleidsvoorbereiding en evaluaties voor frequentiebeleid en veiligheid.

  • Het financieren van het CBS om het van overheidswege verrichten van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap en het openbaar maken van de op grond van zodanig onderzoek samengestelde statistieken mogelijk te maken.

(Doen) uitvoeren

  • Het tegengaan van mededingingsbeperkende gedragingen met de Mededingingswet en mededingingsbeleid in alle sectoren van de Nederlandse economie.

  • Het reguleren van de postmarkt met de Postwet 2009 waardoor een toegankelijke en betaalbare basisvoorziening voor de post is gewaarborgd (universele postdienst).

  • Het opstellen van verkeersregels voor het gebruik van de ether, door afspraken te maken in internationaal verband voor harmonisatie en door – in geval van schaarste – te bepalen op welke wijze het spectrum wordt verdeeld.

  • Het inzetten op het realiseren van hoogwaardige en innovatieve breedbandige mobiele communicatie en omroeptoepassingen door verruiming van gebruiksmogelijkheden van het spectrum en door de uitgifte van beschikbare frequentieruimte.

Regisseren

  • Het bevorderen van goed functionerende markten door het scheppen van randvoorwaarden via wet- en regelgeving.

  • Het scheppen van voorwaarden waarbinnen concurrentie kan plaatsvinden door middel van de Waarborgwet, de Winkeltijdenwet, de Aanbestedingswet, de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie en de Metrologiewet.

  • Het op basis van de middellangetermijnvisie op de ontwikkeling van telecommunicatie, media en internet verder moderniseren van de regelgeving om deze te kunnen laten meegroeien met de ontwikkelingen in de markt en de behoeftes in de samenleving.

Beleidsconclusies

ACM

Per 1 juli 2016 is zowel de Wet verhoging boetemaxima ACM (Staatsblad nr. 22, van 14 januari 2016) als de aangepaste boetebeleidsregel ACM in werking getreden (Staatscourant nr. 34630, van 30 juni 2016). Doelstelling van de wet is het vergroten van de afschrikkende werking van de ACM-boetes en daarmee van de effectiviteit van het markttoezicht dat de ACM uitoefent. De nieuwe maxima gelden voor overtredingen begaan vanaf 1 juli 2016.

Postmarkt

Als gevolg van sterk krimpende postvolumes is er sprake van grote druk op de postmarkt. In 2016 is PostNL begonnen met de effectuering van de wettelijke ruimte die in 2015 was gecreëerd voor het verminderen van het aantal postvestigingen en postbussen.

Vanwege toenemende spanning op de postmarkt door conflicten over netwerktoegang, druk op arbeidsvoorwaarden en stevige prijsconcurrentie is EZ in 2016 een onderzoek gestart naar de ontwikkelingen op de postmarkt en het formuleren van beleidsopties voor mogelijke toekomstscenario’s. Het eindrapport is eind december 2016 aan de Tweede Kamer aangeboden (bijlage bij TK 29 502, nr. 135).

Tevens is eind december 2016 een beleidsregel gepubliceerd ten aanzien van de toepassing van het aanmerkelijke marktmacht instrumentarium door ACM (Staatscourant nr. 70314, van 20 december 2016). Uitwerking van mogelijke andere maatregelen zal in de 1e helft van 2017 plaatsvinden.

Naar aanleiding van een wijziging van de Postwet per 1 januari 2017 in relatie tot de arbeidsvoorwaarden voor postbezorgers is een wijziging van het Tijdelijke Besluit Postbezorgers 2009 op 23 december 2016 voorgehangen bij beide Kamers der Staten-Generaal (TK 29 502, nr. 134).

Wat betreft de postmarkt heeft 2016 verder vooral in het teken gestaan van de overnamepoging van PostNL door het Belgische Bpost. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een kamerbrief van 23 december (TK 29 502, nr. 135) waarin de Minister heeft aangegeven welke maatregelen hij wel en niet kan nemen om een kwalitatief hoogwaardige postdienst in Nederland te borgen. In dit kader wordt de evaluatie van de universele postdienstverlening die voor 2016 was gepland uitgebreid en voortgezet in 2017.

Aanbestedingswet

Per 1 juli 2016 is de Aanbestedingswet 2012 gewijzigd ter uitvoering van een drietal aanbestedingsrichtlijnen (Staatsblad nr. 241, van 30 juni 2016). De gewijzigde wet voorziet in maatregelen om de toegang van ondernemers tot overheidsopdrachten te verbeteren, de lasten te verminderen en meer ruimte te bieden voor het realiseren van strategische doelstellingen bij opdrachten (zoals innovatie en duurzaamheid).

Telecommunicatie

EZ zet in op het realiseren van hoogwaardige en innovatieve breedbandige mobiele communicatie en omroeptoepassingen door verruiming van gebruiksmogelijkheden van het spectrum en door de uitgifte van beschikbare frequentieruimte. Op 7 december 2016 is de Nota Frequentiebeleid 2016 (TK 24 095, nr. 409) aan de Tweede Kamer aangeboden. Deze nota bevat de algemene doelstelling en uitgangspunten voor het bestemmen, verdelen en gebruik van frequentieruimte in de komende vijf à tien jaar. Bij besluit van 22 april 2016 is frequentieband 1452–1492 MHz (de L-band) bestemd voor aanvullende downlink capaciteit in mobiele netwerken (Staatscourant nr. 22208, van 3 mei 2016).

De vergunningen voor digitale ethertelevisie zijn in 2016 opnieuw uitgegeven. Begin 2017 lopen de huidige DVBT-vergunningen (digitale ethertelevisie) van Digitenne (KPN) en de Publieke Omroep in het UHF-spectrum af. In de zomer van 2016 heeft Digitenne een nieuwe vergunning verworven voor de periode tot 2030. De vergunning van de Publieke Omroep zal worden verlengd. Ook is besloten dat de vergunningen voor commerciële radio met vijf jaar worden verlengd (2017–2022) en dat in 2017 een verdeling zal plaatsvinden van extra digitaal spectrum voor commerciële radiovergunningen.

Bij uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie van 28 april 2016 is de 700 MHz frequentieband (bij ander gebruik dan omroep met hoog vermogen) technisch geharmoniseerd voor draadloos breedband. De 700 MHz band zal per 2020 in Nederland beschikbaar worden gesteld voor mobiele breedband communicatie. Bij de uitgifte van nieuwe vergunningen voor digitale televisie (DVB-T) in 2016 is er rekening mee gehouden dat de vergunninghouder na 1 januari 2020 geen gebruik meer kan maken van deze band. Het uitgiftebeleid voor de 700 MHz voor mobiele breedband communicatie is in consultatie gebracht.

Op basis van de middellangetermijnvisie op de ontwikkeling van telecommunicatie, media en internet werkt EZ aan de modernisering van de regelgeving om deze te kunnen laten meegroeien met de ontwikkelingen in de markt en de behoeftes in de samenleving.

In 2016 is de wijziging van de Telecommunicatiewet in werking getreden. Hiermee werd de positie van abonnees bij netwerkstoringen versterkt, overstapdrempels voor kleinzakelijke abonnees weggenomen, de continuïteit van uitzendingen vanaf antenne-opstelpunten voor omroep verbeterd en de samenhang in het beleid op het terrein van elektronische communicatie versterkt (TK 34 271, nr. 9). Daarmee is de Telecommunicatiewet up to date en aangepast aan de behoeften van de samenleving.

Mede naar aanleiding van een overnamepoging van KPN in 2013 is de Tweede Kamer in 2014 geïnformeerd over het voornemen om de Minister van EZ extra bevoegdheden te geven indien een partij overwegende zeggenschap wil verwerven in een telecommunicatiebedrijf dat beschikt over vitale infrastructuur. In 2016 is onderzoek gedaan om de exacte reikwijdte van het wetsvoorstel te kunnen bepalen (TK 30 821, nr. 34). De Kamer zal in het tweede kwartaal 2017 nader geïnformeerd worden over het wetsvoorstel.

Encryptie

Het belang van open source software en het ondersteunen van open source encryptie projecten is groot. Bedrijven willen graag op onderdelen een bijdrage leveren. Zowel het Nederlandse standpunt over encryptie als het amendement waarin de Kamer aangeeft de ontwikkeling en versterking van encryptie te ondersteunen met € 0,5 mln aan open source encryptie projecten, is wereldwijd positief ontvangen. Met betrekking tot het amendement-Verhoeven (nr. 34588–13) is eind 2016 besloten om NLnet te belasten met de uitvoering hiervan. NLnet, een vanuit Nederland opererend ideëel fonds, investeert vanuit het collectief belang in duurzame beveiliging door inzet van hoogwaardige cryptografische technologie.

Budgettaire gevolgen van beleid artikel 11 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2014

2015

2016

2016

2016

               

VERPLICHTINGEN

228.384

214.441

195.559

197.904

193.012

183.401

9.611

UITGAVEN

233.701

216.199

197.270

200.072

194.204

184.622

9.582

               

Subsidies

 

797

356

900

600

100

500

Digitalisering regionale radio

 

797

356

900

600

100

500

               

Opdrachten

14.884

8.071

6.593

8.575

6.825

8.394

– 1.569

Onderzoek en Opdrachten

2.603

2.883

2.833

2.961

2.244

1.458

786

PIANOo/TenderNed

7.022

1.572

689

1.040

477

0

477

Beleidsvoorbereiding en evaluaties Frequenties en Veiligheid

5.259

3.616

3.071

4.574

4.104

6.936

– 2.832

               

Bijdragen aan agentschappen

10.984

14.510

16.075

20.074

23.260

15.524

7.736

Agentschap Telecom

10.984

10.921

10.735

12.021

14.571

9.539

5.032

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

 

365

351

996

1.145

0

1.145

DICTU

 

3.224

4.989

7.057

7.544

5.985

1.559

               

Bijdrage aan ZBO’S/RWT’s

205.019

190.090

170.667

166.532

159.720

156.690

3.030

Metrologie

15.171

14.969

14.319

14.268

10.182

13.573

– 3.391

Raad voor Accreditatie

93

162

262

190

231

142

89

ACM

2.901

1.333

695

645

637

375

262

CBS

186.854

173.626

155.391

151.429

148.670

142.600

6.070

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

2.814

2.731

3.579

3.991

3.799

3.914

– 115

Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)

898

790

1.480

1.234

1.144

1.206

– 62

Internationale organisaties

1.916

1.941

2.043

2.757

2.655

2.637

18

Raad van deskundige voor de nationale meetstandaarden

   

56

0

0

71

– 71

               

ONTVANGSTEN

82.680

3.846.784

58.853

52.224

103.840

59.934

43.906

Ontvangsten ACM

 

1.074

963

0

     

High Trust

32.060

16.655

34.441

31.880

30.568

31.300

– 732

Diverse ontvangsten

50.620

3.829.055

23.449

20.344

73.272

28.634

44.638

Toelichting op de verplichtingen

De hogere uitgaven op het verplichtingenbudget van in totaal € 9,6 mln zijn met name het gevolg van toegekende loon- en prijsbijstelling (€ 4,9 mln) en extra toegekende middelen aan het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) voor uitvoering van het verplichte EU-statistiekprogramma (€ 1,9 mln). Daarnaast is aan TenderNed extra budget toegekend voor renovatie/kwaliteitsverbetering en wettelijke aanpassing voor de EU-richtlijnen (€ 1,2 mln).

Toelichting op de uitgaven

Subsidies

Digitalisering regionale radio

De uitgaven zijn hoger uitgevallen door het verstrekken van een subsidie aan de Stichting Regionale Omroep Overleg en Samenwerking (ROOS). Deze subsidie wordt aangewend voor investeringen in digitale radio voor de regionale publieke omroepen.

Opdrachten

Beleidsvoorbereiding en evaluaties Frequenties en Veiligheid

De uitgaven zijn lager uitgevallen met name door overboekingen van budget naar Agentschap Telecom vanwege opdrachten voor het project commerciële radio.

De Herfindahl-Hirschman index (HHI) geeft een indicatie van de marktconcentratie en daarmee de mate van concurrentie. De HHI is afhankelijk van het aantal marktpartijen (hoe meer partijen, des te lager de HHI) en de respectievelijke marktaandelen (hoe lager het marktaandeel van de marktleider en/of hoe evenwichtiger de verdeling van de marktaandelen, des te lager de HHI). Vanaf de begroting 2017 is de HHI op nieuwe wijze bepaald, in verband met het actief worden van Tele2 als vierde netwerkpartij. Het jaar 2016 is het startpeiljaar. De berekening van de HHI wordt jaarlijks door ACM gedaan en gepresenteerd in haar marktmonitor.

Kengetal

2012

2013

2014

2015

2016

Concurrentie markt mobiele telefonie (HHI-index)

3.740

3.675

3.469

3.529

3.547

(Q2)

Bron: ACM

Bijdragen aan agentschappen

Agentschap Telecom

De hogere uitgaven hebben met name betrekking op de overdracht van het takenpakket van Verispect B.V. aan Agentschap Telecom, samenhangende met het toezicht op de Metrologie- en Waarborgwet.

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

De hogere bijdrage van € 1,1 mln heeft te maken met de plaatsing van PIANOo/TenderNed met ingang van 1 januari 2017 bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) en de kosten die RVO.nl heeft gemaakt voor het uitvoeren van werkzaamheden voor PIANOo/TenderNed.

DICTU

De hogere bijdrage aan DICTU van € 1,6 mln heeft te maken met de vereiste aanpassingen voor TenderNed.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

CBS

Zie voor de hogere uitgaven de toelichting op de verplichtingen.

Toelichting op de ontvangsten

Diverse ontvangsten

De hogere ontvangsten zijn met name het gevolg van de verlenging van UMTS-vergunningen over de periode 31 december 2016 tot en met 31 december 2020. Daarbij is rekening gehouden met een restitutie aan Veronica door het Ministerie van EZ ter uitvoering van een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) op 8 januari 2015 inzake de FM-vergunning van Veronica voor commerciële radio.

12 Een sterk innovatievermogen

Algemene doelstelling

Een sterker innovatievermogen van de Nederlandse economie.

  • De ambitie was de positie van Nederland in het Innovation Union Scoreboard te verbeteren naar de groep van innovatieleiders. Dit is in 2016 gerealiseerd.

  • In het kader van de Europa 2020-strategie stelt Nederland zich ten doel dat in 2020 2,5% van het bruto binnenlands product aan onderzoek en ontwikkeling (R&D) wordt uitgegeven.

  • Bovendien is het een ambitie van het bedrijvenbeleid dat publieke en private partijen in 2020 voor tenminste € 800 mln participeren in Topconsortia voor Kennis en Innovatie, waarvan tenminste 40% gefinancierd wordt door het bedrijfsleven.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is Rijksbreed verantwoordelijk voor versterking van het innovatievermogen, in het bijzonder gericht op het bedrijfsleven, om te komen tot:

  • Nieuwe of sterk verbeterde producten, processen of diensten;

  • Administratieve, organisatorische of marketinginnovatie.

Samen met de bewindspersonen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is de Minister van Economische Zaken verantwoordelijk voor het coördineren en borgen van de publieke kennisinfrastructuur voor toegepast en fundamenteel onderzoek.

Vanuit deze verantwoordelijkheden heeft de Minister een stimulerende en regisserende rol:

Stimuleren

  • Het stimuleren van extra investeringen in R&D en innovatie in generieke zin en specifiek ten aanzien van topsectoren, door alle bedrijven, inclusief het MKB.

  • Het stimuleren van privaat-publieke samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven, zoals in de topconsortia voor kennis en innovatie (TKI).

  • Het stimuleren van Europese en internationale samenwerking op het gebied van innovatie en samen met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het stimuleren van Europese en internationale samenwerking op het gebied van R&D.

Regisseren

  • De kabinetsbrede regie van het topsectorenbeleid en de invulling van de kennis- en innovatiecontracten.

  • Het regisseren van een effectief stelsel voor kennisbescherming en -benutting.

  • Het regisseren van het Nederlandse lucht- en ruimtevaartbeleid.

Voorts heeft de Minister een financierende en faciliterende rol bij het versterken van de innovatiekracht via het Toekomstfonds, zoals beschreven in artikel 19.

Indicator

Referentie

waarde

Peildatum

Raming 2015

Realisatie 2015

Raming

2016

Realisatie 2016

Bron

R&D-uitgaven als % van het BBP

1,98%

2013

2,1%

2,01%

2,0%

n.n.b.

CBS

waarvan private sector

1,10%

2013

1,3%

1,12%

1,1%

n.n.b.

CBS

waarvan publieke sector

0,88%

2013

0,8%

0,90%

0,9%

n.n.b.

CBS

Kengetal

2011

2012

2013

2014

2015

European Innovation Scoreboard: positie Nederland in de EU1

7e

5e

6e

5e

5e

Bron: Europese Commissie (European Innovation Scoreboard 2016)

X Noot
1

De posities van Nederland in deze tabel zijn overeenkomstig de rapporten uit het betreffende jaar. Herberekening van de ranglijst voor voorgaande jaren na aanpassingen van de methodiek zijn dus niet meegenomen.

Beleidsconclusies

Positie van Nederland in de European Innovation Scoreboard

De ambitie was dat de positie van Nederland in de Innovation Union Scoreboard te verbeteren naar de groep van innovatieleiders.

Nederland is op het European Innovation Scoreboard, dat in 2016 is verschenen, van innovatievolger doorgegroeid naar Innovatieleider. Samen met (1) Zweden, (2) Denemarken, (3) Finland en (4) Duitsland, vormt (5) Nederland de kopgroep van landen die minimaal twintig procent boven het Europese gemiddelde scoren op 25 indicatoren voor innovatiekracht.

Een en ander is toegelicht op de website www.bedrijvenbeleidinbeeld.nl (de digitale monitor van het Bedrijvenbeleid) en in de Rapportage Bedrijvenbeleid 2016 «Vooruitgang door vernieuwing». Deze Rapportage is op 5 oktober 2016 toegezonden aan de Tweede Kamer (TK, 32 637, nr. 256).

R&D als percentage van het bbp

Naar aanleiding van de motie Schouw (TK, 21 501-20, nr. 537) worden de landenspecifieke aanbevelingen voor Nederland in de departementale begrotingen opgenomen. De Europese Commissie heeft in 2015 Nederland voor onderzoek en innovatie het volgende aanbevolen: «Overheidsuitgaven verschuiven naar de ondersteuning van investeringen in onderzoek en ontwikkeling (O&O) en werken aan randvoorwaarden voor de verbetering van particuliere O&O-uitgaven, teneinde de neerwaartse trend in de publieke O&O-uitgaven te keren en het potentieel voor economische groei te vergroten.»

In het kader van de Europa 2020-strategie stelt Nederland zich ten doel dat in 2020 2,5% van het bruto binnenlands product aan onderzoek en ontwikkeling (R&D) wordt uitgegeven. De afgelopen jaren zijn de R&D-uitgaven substantieel gestegen, van 1,90% van het bbp in 2011 naar 2,00% van het bbp in 2014 en, volgens voorlopige cijfers van het CBS, 2,01% van het bbp in 2015. Hiermee blijft Nederland nog wel ver verwijderd van de doelstelling. Eurostat-gegevens laten zien dat Nederland in 2015 boven het EU-28 gemiddelde presteerde (1,95%). Nederland scoort daarbij relatief laag bij de R&D-uitgaven in de private sector en relatief hoog bij de R&D-uitgaven in de publieke sector. Bij de boordeling van de voortgang op de aanbeveling kijkt de Commissie echter naar de verwachte ontwikkeling van de Rijksmiddelen voor onderzoek en innovatie in de komende jaren, zoals gerapporteerd in het Nationaal Hervormingsprogramma, op basis van jaarlijkse cijfers van het Rathenau Instituut (Totale Investeringen in Wetenschap en Innovatie). Het Nationaal Hervormingsprogramma 2016 (TK, 21 501-07, nr. 1351) toonde een verwachte daling van betreffende middelen in de periode na 2015 (van € 6,9 mld in 2015 naar € 6,6 mld in 2018).

Publiek-private-samenwerking (PPS)

Eén van de beleidsdoelen van het Bedrijvenbeleid is dat er in 2020 voor meer dan € 800 mln aan (grondslagprojecten) publiek-private-samenwerking moet plaatsvinden met een bijdrage van private partijen van tenminste 40%. Uit de Monitor Bedrijvenbeleid 2016 blijkt dat de omvang van de totale publiek-private-samenwerking (inclusief de toeslagprojecten welke met de TKI-toeslag nieuw zijn gestart) in 2015 geschat wordt op circa € 1.020 mln met een private bijdrage van gemiddeld 48%. Daarmee was de doelstelling voor 2020 al bereikt.

In 2016 zijn een aantal nieuwe grote publiek private samenwerkingen tot stand gekomen, zoals de eerste fase van het topinstituut voor regeneratieve geneeskunde (RegMed XB), High Tech To Feed The World, Advanced Research Center Chemical Building Blocks Consortium waarin bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheden zich hebben vastgelegd op langdurige onderzoekssamenwerking.

Budgettaire gevolgen van beleid artikel 12 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2014

2015

2016

2016

2016

VERPLICHTINGEN

655.501

768.402

656.850

638.508

505.875

488.218

17.657

UITGAVEN

745.806

775.292

695.721

534.926

527.689

528.564

– 875

               

Leningen1

39.646

99.538

72.107

       

Innovatiefonds (IF): innovatiekrediet

27.296

48.965

43.282

       

IF: risicokapitaal

12.350

16.500

13.430

       

IF: Dutch Venture Initiative/Fund of Funds/Vroege fase/informal Investors

 

17.073

12.000

       

IF: Rom’s

 

17.000

3.395

       
               

Subsidies

124.365

73.576

49.598

45.154

40.896

57.645

– 16.749

MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT)

     

21.133

18.966

34.022

– 15.056

Eurostars

5.680

6.949

7.299

8.531

12.044

13.098

– 1.054

Lucht- en Ruimtevaart

22.434

7.812

7.317

3.511

1.998

4.874

– 2.876

Innovatie Prestatie Contracten

44.019

16.622

1.127

3.012

     

Overig

52.232

42.193

33.855

8.967

7.888

5.651

2.237

               

Opdrachten

2.366

1.436

1.151

1.650

3.353

1.493

1.860

Onderzoek en opdrachten

2.366

1.436

1.151

1.650

3.353

1.493

1.860

               

Bijdragen aan agentschappen

75.197

68.895

65.706

57.773

55.184

56.727

– 1.543

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

75.130

68.602

65.462

56.995

54.949

56.444

– 1.495

Agentschap Telecom

67

293

244

778

235

283

– 48

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

150.833

154.840

138.851

121.747

139.961

134.750

5.211

TNO

150.833

154.840

138.851

121.747

139.961

134.750

5.211

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

353.399

377.007

368.312

308.603

288.294

277.949

10.345

Toeslag Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI-toeslag)

 

25.434

58.011

54.638

76.156

75.364

792

Internationaal Innoveren

   

4.539

17.019

27.095

23.679

3.416

Topsectoren overig

223.355

183.625

171.756

128.268

58.268

68.613

– 10.345

Marin, Deltares, NLR

     

44.589

34.591

32.344

2.247

Syntens

31.453

19.797

         

Ruimtevaart (ESA)

48.805

92.895

90.154

63.982

91.287

76.776

14.511

Overig (inclusief onderzoeksprojecten)

739

454

824

107

897

1.173

– 276

Grote Technologische Instituten (GTI’s)

49.047

54.802

43.028

       
               

ONTVANGSTEN

70.496

96.098

61.491

51.891

56.154

45.449

10.705

Luchtvaartkredietregeling

1.519

2.515

2.523

4.980

11.438

5.777

5.661

Technische Ontwikkelingsprojecten (TOP)

3.939

2.128

860

948

499

2.000

– 1.501

Rijksoctrooiwet

36.787

35.287

35.182

39.456

38.857

32.512

6.345

Seed

585

2.188

3.209

       

Eurostars

1.143

104

248

112

2.437

3.572

– 1.135

Diverse ontvangsten

20.543

20.150

7.660

6.395

2.924

1.588

1.336

Innovatiekredieten

5.980

16.733

8.685

       

Fund of Funds

   

103

       

Ontvangsten ROM’s

 

16.995

2.999

       
X Noot
1

Met de nota van wijziging op de Ontwerpbegroting 2015 is het onderdeel Leningen (Innovatiefonds) onderdeel geworden van artikel 19 Toekomstfonds.

Toelichting op de verplichtingen

De realisatie van de verplichtingen is € 17,7 mln hoger dan de oorspronkelijke raming. De belangrijkste oorzaken hiervoor zijn:

  • € 15,2 mln hogere verplichtingen voor Ruimtevaart. Dit is grotendeels het gevolg van de ophoging van het verplichtingenbudget in de 2e suppletoire begroting 2016 ten behoeve van de verplichte ESA-bijdragen in het kader General Budget en Kourou.

  • € 12,5 hogere verplichtingen voor de TKI-toeslag. Deze hogere verplichtingenraming is met name het gevolg van: het amendement Van Veen (Smart Industry; TK, 34 300 XIII, nr. 12) waardoor € 5 mln van de TKI-toeslag is afgeboekt; de ophoging van de verplichtingenruimte met € 16 mln in de 2e suppletoire begroting op basis van de toen verwachte aanvragen; de ophoging van het verplichtingenbudget met circa € 3 mln voor het Organiserend Vermogen van de TKI’s, die ook onder de TKI-toeslag worden verantwoord. Tot slot bleek dat de verplichtingenrealisatie circa € 1,7 mln lager lag dan het uiteindelijk beschikbare budget.

  • € 10,5 mln hogere verplichtingen voor TNO. De overschrijding is grotendeels te verklaren door: het ophogen van de verplichtingenruimte in 2016 met € 3,7 mln voor de bijdrage van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ten behoeve van het Maatschappelijk Thema Arbeid en Gezondheid als onderdeel van de vraaggestuurde programmering TNO in 2017 (€ 3,7 mln); de ophoging van het verplichtingenbudget met de uitgekeerde loon- en prijsbijstellingstranche 2016 voor het jaar 2016 (€ 1,9 mln) en 2017 (€ 1,9 mln); de ophoging van TNO-budget met € 2,0 mln ten behoeve van de rijksbijdrage voor Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO).

  • € 20,8 mln lagere verplichtingen voor de regeling MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT). Dit wordt veroorzaakt doordat bij Najaarsnota van de in totaal beschikbare € 20 mln een eerste tranche van € 15 mln is overgeheveld naar het Provinciefonds ten behoeve van de decentrale uitvoering van de MIT. Omdat de uitvoering van de decentrale MIT door de regio’s wordt uitgevoerd, vormen de hiermee samenhangende middelen geen onderdeel van de verantwoording in het jaarverslag van het Rijk. Doordat niet het volledig beschikbare bedrag in 2016 is gedecentraliseerd, is aanvullend € 5 mln verplichtingenruimte niet gecommitteerd. Bij Voorjaarsnota 2017 zal het restant van de afgesproken middelen voor de decentrale uitvoering van de MIT in 2016 worden overgeheveld. De lagere realisatie van verplichtingen voor de MIT is derhalve niet ten koste gegaan van de € 35 mln die EZ voor de landelijke en decentrale uitvoering van de MIT in 2016 beschikbaar heeft gesteld.

Toelichting op de uitgaven

Subsidies

De uitgaven voor subsidies zijn € 16,7 mln lager dan de oorspronkelijke begroting. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt doordat voor de decentrale uitvoering van de MIT € 15 mln is overgeheveld naar het Provinciefonds. Omdat het decentrale deel van de MIT door de regio’s wordt uitgevoerd, vormt deze € 15 mln geen onderdeel van de verantwoording door het Rijk.

Daarnaast zijn voor Eurostars minder verplichtingen aangegaan dan oorspronkelijk geraamd hierdoor liggen ook de kasuitgaven op een lager niveau (– € 1,1 mln). Voor de uitfinanciering van de verplichtingen voor Innovatie Onderzoeksprogramma, Smartmix en Eurekaprogramma’s was € 2,2 mln extra budget nodig. Voor Lucht en Ruimtevaart was minder kas benodigd voor de uitfinanciering van oude verplichtingen waaronder TAPAS (– € 1 mln) en valt € 1,9 mln vrij ten gunste van het generale beeld voor de overeengekomen renteafdracht in het kader van de in het verleden verstrekte luchtvaartkredieten.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2015

Realisatie

20151

Streef-waarde 2016

Realisatie

2016

Bron

Aantal bedrijven dat deelneemt aan MIT

662

2014

1.600

1.206

1.700

1.287

RVO.nl

Omvang private R&D-uitgaven ondersteund met MIT (x € 1 mln)

61

2014

60

86

81,5

83

RVO.nl

X Noot
1

De cijfers over 2015 zijn inclusief de cijfers van de regio’s in tegenstelling tot voorgaande jaren. De cijfers over 2015 wijken af van het jaarverslag 2015 omdat in het jaarverslag 2015 nog niet alle gegevens van de regio’s beschikbaar waren.

Indicator

Referentie-

waarde

Peildatum

Streef- waarde

2015

Realisatie

2015

Streef-waarde 2016

Realisatie

2016

Bron

Aantal Nederlandse deelnemers aan Eurostars

20

2014

88

69

50

75

RVO.nl

waarvan bedrijven

13

 

68

50

40

52

 

waarvan hightech MKB (%)

100%

 

85%

96%

85%

90%

 

Door Eurostars ondersteunde private R&D-uitgaven van Nederlandse deelnemers (x € 1 mln)

7

2014

20,6

32

20

28

RVO.nl

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

De uitgaven aan TNO lagen in 2016 € 5,2 mln boven de oorspronkelijke raming. Dit is grotendeels te verklaren uit de uitgekeerde loon- en prijsbijstellingstranche 2016 (€ 1,9 mln) en uit de rijksbijdrage van € 2,0 mln die beschikbaar is gesteld voor Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Verder is het kasbudget van TNO in 2016 opgehoogd met € 0,5 mln ten behoeve van Smart Industry waarover de Kamer per brief is geïnformeerd (TK, 29 826 nr. 64).

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

De uitgaven aan (inter)nationale organisaties liggen € 10,3 mln boven de oorspronkelijke raming. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt doordat: € 3,4 mln meer budget nodig was voor de uitfinanciering van de aangegane verplichtingen in het kader van Internationaal Innoveren; € 2,2 mln is toegevoegd voor de financiering van Marin, Deltares en NLR voor de loon- en prijsbijstelling (€ 0,4 mln), een gewijzigd voorschotregime Deltares (€ 1 mln) en een budgettaire aanpassing in lijn met het beschikbare verplichtingenbudget (€ 0,8 mln); € 14,5 mln is toegevoegd aan het budget voor Ruimtevaart voornamelijk ten behoeve van de verplichte ESA-bijdragen voor General Budget en Kourou; € 10,3 mln minder nodig was ten opzichte van de raming voor de uitfinanciering van een oud FES-project NanoNext.NL. vanwege een gewijzigd kasritme.

Indicator

Referentie-

Waarde

Peildatum

Raming 2015

Realisatie

20151

Raming 2016

Realisatie 20162

Bron

Omvang middelen PPS-programma’s TKI (x € 1 mln)

814

2014

500

1.020

750

n.n.b.

TKI (bewerking RVO.nl)

waarvan private middelen (%)

44%

2014

40%

48%

40%

n.n.b.

TKI (bewerking RVO.nl)

X Noot
1

Dit betreft de geactualiseerde realisatie 2015 ten opzichte van verstrekte cijfers in het jaarverslag 2015. Deze cijfers waren ook opgenomen in de Monitor Bedrijvenbeleid 2016.

X Noot
2

De voorlopige realisatiecijfers over 2016 zijn nog niet bekend. De eerste voorlopige realisatiecijfers zullen worden opgenomen in de begroting 2018 en de Monitor Bedrijvenbeleid 2017.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde 2015

Realisatie

20151

Streef-

waarde 2016

Realisatie

2016

Bron

Aantal Nederlandse deelnemers aan KP7/ H2020

449

2014

250

712

1.350

984

RVO.nl/EC

waarvan bedrijven

298

 

180

500

900

713

 

Omvang KP7/H2020-middelen voor Nederlandse deelnemers (retour x € 1 mln)

538

2014

631

1.016

 

1.644

RVO.nl/EC

waarvan bedrijven (%)

31%

   

28%

25%

25%

 

Retourpercentage voor Nederland (%)

8,1%

2014

 

7,7%

7%

7,5%

RVO.nl/EC

X Noot
1

De hier vermelde cijfers over 2015 wijken licht af van de resultaten die vermeld staan in het jaarverslag 2015. De reden hiervoor is dat een bepaalde categorie projecten ten onrechte is meegerekend.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde 2015

Realisatie 2015

Streefwaarde

2016

Realisatie

2016

Bron

Klanttevredenheid Deltares

7,9

2014

8,0

8,7

8,0

8,6

Deltares

Klanttevredenheid Marin

9,0

2014

8,0

8,8

8,0

8,9

Marin

Klanttevredenheid NLR

8,7

2014

8,0

8,8

8,0

8,7

NLR

Klanttevredenheid TNO

8,3

2014

8,0

8,4

8,0

8,6

TNO

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde 2015

Realisatie 2015

Streefwaarde

2016

Realisatie

Bron

Kennisbenutting Deltares

 

96%

>80%

97%

Deltares

Kennisbenutting Marin

 

97%

>80%

100%

Marin

Kennisbenutting NLR

 

99%

>80%

99,5%

NLR

Kennisbenutting TNO

 

98%

>80%

98%

TNO

Indicator

Referentie-

waarde

Peildatum

Raming 2015

Realisatie

2015

Streef-

Waarde 2016

Realisatie

2016

Bron

Aantal Nederlandse bedrijven dat deelneemt aan ruimtevaartprogramma’s ESA

121

2015

100

121

125

n.n.b.

ESA

Ruimtevaart geo-return/retour (%)

1,09

2011

1

1,02

1

1,18

ESA

Fiscale regelingen

Kengetal

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Aantal bedrijven dat gebruik maakt van WBSO

19.450

20.530

22.220

22.640

22.974

22.980

22.330

Door WBSO ondersteunde private R&D-uitgaven (S&O-loon, x € 1 mln)

3.377

3.571

3.854

3.917

3.997

3.868

3.930

Toelichting op de ontvangsten

De ontvangsten lagen € 10,7 mln boven de oorspronkelijke raming in de begroting. Dit wordt met name verklaard uit de hoger dan geraamde ontvangsten voor luchtvaartkredieten (€ 5,7 mln). Dit komt doordat er door de bedrijven in 2016 veel is afgeleverd (een hoge omzet leidt tot een hoge terugbetaling).

Daarnaast zijn de ontvangsten op grond van de uitvoering van de Rijksoctrooiwet 1995 ook hoger dan de raming (€ 6,3 mln). Dit wordt veroorzaakt door een groter aantal gevalideerde Europese octrooien onder andere als gevolg van het wegwerken van de achterstanden in de verlening van Europese octrooien door het Europees Octrooibureau.

13 Een excellent ondernemingsklimaat

Algemene doelstelling

Bedrijven zijn de motor achter economische groei. De overheid zet zich in om de juiste voorwaarden voor een excellent ondernemersklimaat te creëren, zodat bedrijven kunnen investeren en groeien. Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar de concurrentiekracht van negen topsectoren en naar groene groei.

Om deze doelstelling te bereiken zet de Minister van Economische Zaken financiële instrumenten in, zoals borgstellingen en garanties. De financiële instrumenten verbeteren de toegang tot financiering voor het Nederlandse bedrijfsleven.

Daarnaast maakt de Minister van Economische Zaken gebruik van niet-financiële instrumenten, zoals het terugdringen van onnodige regeldruk en het verbeteren van (digitale) dienstverlening aan bedrijven. Onder deze doelstelling valt ook het opschalen van ICT toepassingen om maatschappelijke en economische uitdagingen op te lossen, bijvoorbeeld met de ICT-doorbraakprojecten. Via onder andere het interdepartementaal programma Biobased Economy, de Green Deal aanpak en het aanpassen van belemmerende regelgeving wordt bijgedragen aan groene economische groei.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is vanuit een stimulerende rol verantwoordelijk voor het scheppen van randvoorwaarden voor een excellent ondernemingsklimaat door:

Stimuleren

  • Het stimuleren van een ambitieuze en duurzame ondernemerschapscultuur.

  • Het stimuleren van de start en (internationale) doorgroei van bedrijven.

  • Het stimuleren van de implementatie en het gebruik van generieke digitale voorzieningen door alle overheidsorganisaties om de dienstverlening aan ondernemers te verbeteren, zoals eHerkenning, het digitaal Ondernemersplein, het Ondernemingsdossier en Standard Business Reporting.

  • Het stimuleren van het gebruik en kennis van ICT door het midden- en kleinbedrijf, in de topsectoren, de industrie en in sectoren als de detailhandel, logistiek, agro en het onderwijs door het in publiek-private samenwerking uitvoeren van de actieagenda Smart Industry, het Retailpact en de ICT-doorbraakprojecten.

  • De stimulering, coördinatie en facilitering van de transitie naar een biobased economy.

  • Het bevorderen van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen.

Regisseren/faciliteren

  • Het ondersteunen van de toegang tot (risico)kapitaal voor bedrijven en de transitie op de kapitaalmarkt met voldoende ruimte voor alternatieve vormen van financiering.

  • Inzetten op verdere investeringen in Nederland onder meer via de Nederlands Investeringsagentschap (NIA) en via het private initiatief van institutionele beleggers in de vorm van de Nederlandse Investeringsinstelling (NLII).

  • Het versterken van het startup ecosysteem onder de overkoepelende term StartupDelta.

  • Het verbeteren van de dienstverlening aan de ondernemers door de Kamer van Koophandel, onder andere door middel van Ondernemerspleinen.

  • De kabinetsbrede coördinatie van het topsectorenbeleid.

  • Het versterken van de bijdrage van ICT-innovatie aan de economie, onder meer door het vernieuwen van de kennis- en innovatieagenda 2016–2017 (Roadmap ICT voor de topsectoren), een topsectorenplan big data en een Human Capital agenda ICT.

  • De coördinatie en het faciliteren van het kabinetsbrede regeldrukverminderingsprogramma «Goed Geregeld, een verantwoorde vermindering van regeldruk 2012–2017». In dit programma zijn de vakministers verantwoordelijk voor de regeldrukvermindering op hun beleidsterrein. De Minister van Economische Zaken coördineert de aanpak voor bedrijven, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de aanpak voor burgers en professionals, evenals het lokaal toezicht.

  • Faciliteren van het Nederlandse bedrijfsleven in hun duurzame grondstoffenvoorzieningszekerheid zoals in de grondstoffennotitie.

  • De coördinatie van het Groene Groei-traject en de Green Deal aanpak.

  • Het waarborgen van een internationaal level playing field.

  • Een betere aansluiting tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt.

  • Het verbeteren van de match tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt voor technisch personeel (Techniekpact).

Uitgangspunt is de juiste randvoorwaarden te creëren en ondernemers de ruimte te geven voor vernieuwing en groei. In dialoog met bedrijven, maatschappelijke organisaties en medeoverheden worden kansen benut en knelpunten opgelost. De Minister van EZ is gesprekspartner en aanspreekpunt voor het bedrijfsleven, sectoren, branches en individuele bedrijven. De overheid is terughoudend met ingrijpen in het bedrijfsleven, maar er kan soms een rol zijn in geval van externe effecten, informatie-asymmetrie of verstorend gedrag van (internationale) overheden. Hiervoor zet de Minister zowel financiële instrumenten in, zoals garanties en subsidies aan bedrijven en instellingen, als niet financiële instrumenten.

1 – Global Competitiveness Index

2012

2013

2014

2015

2016

Positie van Nederland

5e

8e

8e

5e

4e

Bron: World Economic Forum (Global Competitiveness Report, 2016–2017)

         

2 – Aandeel snelle groeiers1

2008/2011

2009/2012

2010/2013

2011/2014

2012/2015

Nederland

3,3%

3,5%

3,5%

3,4%

4,0%

Bron: CBS

X Noot
1

Door een methodewijziging bij het CBS wijken de cijfers beperkt af van de cijfers die in een eerder jaarverslag zijn verwerkt.

Beleidsconclusies

Bedrijfsfinanciering

Alhoewel de situatie op de financieringsmarkt, en met name voor het MKB, de afgelopen jaren is verbeterd, wordt deze ontwikkeling niet ondersteund door de slagingspercentages van kredietaanvragen van het MKB. Deze slagingspercentages nemen voor het MKB af in de financieringsmonitor 2016–1 ten opzichte van de vorige meting in 2015 en liggen al substantieel lager dan de slagingspercentages van kredietaanvragen van het grootbedrijf. Inzet op bedrijfsfinanciering met het financieringsinstrumentarium en diverse aanvullende maatregelen blijft om bovenstaande redenen belangrijk. Met de maatregelen in het Aanvullend Actieplan MKB-financiering (TK, 32 637, nr. 270) zijn belangrijke acties uitgevoerd om het aanbod in de markt van MKB-financiering te verbreden en fricties en onvolkomenheden in de markt op te lossen. Het toegenomen gebruik van de bestaande financieringsinstrumenten, zoals de Borgstelling MKB, de Garantie Ondernemingsfinanciering en de Groeifaciliteit, in combinatie met het aanvullend actieplan geeft het belang van deze faciliteiten aan. Komende tijd blijft inzet op MKB-financiering nodig. Er is een duidelijke behoefte aan risicokapitaal en ruimte voor ondernemers om te investeren. Aangezien ontwikkelingen aan de aanbodzijde van de MKB-financieringsmarkt relatief nieuw zijn en de markt een snelle transitie doormaakt, kan nog niet gezegd worden dat hiermee het aanbod aan MKB-financiering in Nederland adequaat is.

Ambitieus Ondernemerschap

Groei en doorgroei van startups en scale-ups zijn van belang voor het ontwikkelen en op de markt brengen van nieuwe producten, diensten en processen. Zij zorgen voor economische groei en oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken. Hoofdpunt van de beleidsagenda is de uitvoering van StartupDelta. StartupDelta heeft in de periode 2015 tot medio 2016 met Neelie Kroes als special envoy veel resultaat bereikt, zoals de aanpassing van de gebruikelijkloonregeling en de internationale positionering van Nederland als vestigingsplaats voor startups en scale-ups. Vanwege de successen en het draagvlak bij de partners in het ecosysteem om door te gaan heeft het Kabinet in mei 2016 besloten om de publiek-private samenwerking voort te zetten onder de naam StartupDelta2020 met Prins Constantijn van Oranje als special envoy. De basis voor de werkzaamheden van StartupDelta2020 is het actieprogramma 2016–2017, dat in het najaar is gelanceerd en inzet op het agenderen en realiseren van maatregelen op de thema’s kapitaal, talent, kennis, markten en netwerken.

Techniekpact

Met het Techniekpact wordt er sinds 2013 via regionale aanpak beter ingespeeld op de specifieke arbeidsmarktvraagstukken en het in stand houden van relevant onderwijsaanbod in de techniek. De overkoepelende ambitie van het Techniekpact is dat 4 op de 10 jongeren een technische opleiding volgt in 2020 (voor het mbo is de tussentijdse ambitie gesteld op 30% in 2016). Voor het schooljaar 2015/2016 volgt in het middelbaar beroepsonderwijs 31% een technische opleiding, dat gelijk is aan het percentage in 2013/14. Het aandeel instromende studenten bètatechniek steeg in het hoger beroepsonderwijs van 20% in 2013/14 naar 24% in 2015/16, in het wetenschappelijk onderwijs is het percentage gestegen van 34% in 2013/14 naar 36% in 2015/16. De cijfers tonen een positieve trend wat betreft stijgende instroom in technische opleidingen, waarmee de ambitie van 4 op 10 in 2020 binnen bereik is.

Groene Groei

De transitie naar groene groei en een duurzame samenleving krijgt vorm door de inspanningen van bedrijfsleven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en overheden (Tussenbalans Groene Groei, 2015). De Green Deals zijn hiervoor een belangrijk en succesvol instrument, zo blijkt uit de in 2016 uitgevoerde evaluatie van dit instrument. Sinds de start in 2011 zijn inmiddels 208 Green Deals getekend (www.greendeals.nl). Voorbeelden van in 2016 afgesloten deals zijn elektrisch vervoer 2016–2020, biobased producten voor openbare ruimten en geothermie Brabant. Ook is in 2016 de eerste internationale green deal getekend (North Sea Resources Roundabout) en zijn – geïnspireerd door de green deals – de eerste health deals getekend.

In september 2016 bracht het kabinet het rijksbrede programma Circulaire Economie uit met als stip op de horizon een volledig circulaire economie in 2050. Als eerste uitwerking van het programma is in het najaar van 2016 gewerkt aan het grondstoffenakkoord, waarmee partijen in het veld zich committeren aan de ambities van het rijksbrede programma en een concrete bijdrage willen gaan leveren aan de realisatie hiervan. Het grondstoffenakkoord is op 24 januari 2017 ondertekend door meer dan 200 partijen.

Groene groei en circulaire economie vraagt innovatieve investeringen van ondernemers. Ondernemers lopen daarbij aan tegen belemmeringen in wet en regelgeving. Met het interdepartementale programma Ruimte in Regels www.ruimteinregels.nl werkt het kabinet aan het wegnemen van deze belemmeringen. In 2016 is onder andere gewerkt aan oplossingen voor belemmeringen die betrekking hebben op de deeleconomie, biobased economie, mestverwaarding, afval als grondstof, bouw en chemie (middels het chemieloket). Ruimte in Regels heeft 306 belemmeringen opgepakt waarvan er inmiddels 163 belemmeringen zijn opgelost of afgerond. Het oppakken van concrete casuïstiek geeft een goede impuls aan de gewenste innovaties.

Elektrisch Vervoer

EZ heeft ambities op het terrein van elektrisch vervoer. Zo is in het Energieakkoord en de Energieagenda de ambitie opgenomen dat in 2035 alle nieuw verkochte auto’s in staat zijn tot CO2 emissievrij rijden. Eind 2016 heeft de Minister van Economische Zaken de visie op de laadinfrastructuur naar de Tweede Kamer gezonden. Vanwege het succes van de Green Deal publieke laadinfrastructuur is er eind 2016 € 1,5 mln extra budget vrijgemaakt voor een bijdrage aan de publieke laadinfrastructuur.

ICT en regeldruk

Om de toepassing van ICT en digitale technologie binnen de topsectoren verder aan te jagen heeft Team ICT ook in 2016 een aantal belangrijke stappen gezet. Om de mogelijkheden van big data innovatie te benutten is het publiek-private programma Commit2Data gestart. Dit is een cross-sectoraal en meerjarig programma voor big data onderzoek en innovatie. Consortia hebben voorstellen voor het slimmer maken van de maakindustrie, logistiek, energiesector en generieke big data vraagstukken, via calls van NWO. Om het MKB te helpen bij big data innovatie is de eerste regionale big data hub geopend in Amsterdam, op initiatief van TNO. De Kamer van Koophandel heeft voorlichting gegeven aan het MKB over big data kansen. Zie ook: https://www.dutchdigitaldelta.nl/commit2data

Verder is een publiek-privaat consortium gestart om te experimenteren met supersnelle draadloze 5G-technologie in Noord-Groningen, onder meer voor innovatieve toepassingen voor zorg, landbouw en mobiliteit. Dit is mede mogelijk gemaakt door EZ, de Economic Board Groningen en bedrijven, kennis- en onderwijsinstellingen. Zie ook: http://www.5groningen.nl

De onstuimige groei van de ICT gaat gepaard met een grote behoefte aan personeel met de juiste vaardigheden. Het onderwijs kan deze vraag van de arbeidsmarkt moeilijk bijbenen. Zowel bij bedrijven in de ICT-sector als daarbuiten loopt het aantal vacatures op. Om beter op die vraag in te kunnen spelen, heeft het Team ICT een ICT-Human Capital Actieagenda opgesteld, samen met het veld. Een resultaat is dat in de Regio Utrecht aanbieders van ICT-opleidingen (WO, HBO, MBO) zijn gaan samenwerken om het onderwijsaanbod meer te richten op het opleiden voor big data professionals.

Budgettaire gevolgen van beleid artikel 13 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2014

2015

2016

2016

2016

VERPLICHTINGEN

977.386

725.485

757.490

928.330

1.063.313

1.836.110

– 772.797

Waarvan garantieverplichtingen

709.448

463.183

516.609

722.430

851.655

1.650.000

– 798.345

UITGAVEN

312.203

436.722

404.941

294.859

278.569

265.166

13.403

               

Garanties

144.946

114.100

153.377

91.429

54.648

67.480

– 12.832

BMKB

126.302

102.422

97.779

65.330

34.972

42.594

– 7.622

Storting begrotingsreserve BMKB

   

26.555

 

4.465

0

4.465

Groeifaciliteit

2.270

2.360

2.168

3.499

6.062

9.365

– 3.303

Storting begrotingsreserve Groeifaciliteit

     

12.000

     

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

16.374

9.274

17.875

10.600

2.056

11.842

– 9.786

Storting begrotingsreserve GO

       

7.001

0

7.001

Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfinanciering

 

44

     

3.679

– 3.679

Storting begrotingsreserve Scheepsnieuwbouwfinanciering

       

92

0

92

Storting begrotingsreserve MKB Financiering

   

9.000

       
               

Subsidies

71.136

77.685

30.567

26.537

15.907

21.486

– 5.579

Bevorderen ondernemerschap

7.928

7.383

8.254

10.675

9.905

10.709

– 804

Interdepartementaal Programma Biobased Economy

12.521

7.829

3.509

951

1.095

2.884

– 1.789

Microkrediet

750

30.989

506

300

     

Uitfinanciering subsidies

49.937

31.484

18.298

14.611

4.907

7.893

– 2.986

               

Opdrachten

34.353

24.660

24.104

21.411

20.783

20.956

– 173

Onderzoek & ontwikkeling

3.942

4.706

2.640

2.120

1.351

1.019

332

ICT-beleid

28.974

18.118

20.001

18.040

18.319

17.611

708

Beleidsvoorbereiding en evaluaties

283

831

459

   

120

– 120

Regiegroep Regeldruk/ACTAL

1.154

1.005

1.004

1.251

1.113

2.206

– 1.093

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

22.195

21.701

17.034

13.536

13.471

12.319

1.152

NBTC

15.213

13.536

10.152

8.810

8.634

8.469

165

UNWTO

252

271

291

313

321

240

81

Bijdragen aan instituten

6.730

7.894

6.591

4.413

4.516

3.610

906

               

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

18.496

153.144

150.288

109.287

135.775

117.606

18.169

Kamer van Koophandel / Ondernemerspleinen

18.496

153.144

150.288

109.287

135.775

117.606

18.169

               

Bijdragen aan agentschappen

21.077

45.430

29.573

32.659

37.984

25.319

12.665

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

8.368

28.582

25.906

30.501

33.328

23.109

10.219

Agentschap Telecom

       

2.711

0

2.711

DICTU

 

8.149

22

       

Logius

12.709

8.699

3.645

2.158

1.945

2.210

– 265

               

ONTVANGSTEN

41.763

37.435

55.967

63.493

56.243

61.952

– 5.709

BMKB

23.645

21.544

30.389

32.307

35.572

29.000

6.572

Onttrekking begrotingsreserve BMKB

     

12.387

 

5.000

– 5.000

Groeifaciliteit

2.154

2.047

2.436

2.964

4.376

8.000

– 3.624

Onttrekking begrotingsreserve Groeifaciliteit

       

831

0

831

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

13.391

10.160

18.992

9.443

9.653

13.000

– 3.347

Onttrekking begrotingsreserve GO

   

9.612

1.898

     

Borgstelling Scheepsnieuwbouw

 

44

46

15

127

4.000

– 3.873

Joint Strike Fighter

879

1.418

988

1.297

1.476

1.843

– 367

Diverse ontvangsten

1.694

2.223

3.116

3.184

4.208

1.109

3.099

Toelichting op de verplichtingen

De gerealiseerde verplichtingen waren in 2016 € 773 mln lager dan de oorspronkelijke begroting. De belangrijkste oorzaak hiervan is gelegen in lager dan geraamde garantieverplichtingen (– € 787 mln). Het is geen doel op zich om de garantieruimte van de verschillende garantieregelingen ook daadwerkelijk maximaal te realiseren. De geraamde bedragen in de begroting zijn de maximale garantieplafonds die jaarlijks via de verschillende regelingen benut mogen worden. De benutting van de BMKB, Groeifaciliteit (GF) en de Garantie Ondernemingsfinanciering (GO) was hoger dan of vergelijkbaar aan de benutting in 2015 al bleef op deze regelingen wel ruimte onbenut: BMKB (– € 108 mln), GF (– € 33 mln) en de GO (– € 281 mln). De Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering werd in 2016 niet benut (– € 400 mln). Tegenover deze lagere garantieverplichtingen stonden stortingen in de begrotingsreserves van de BMKB (€ 4,5 mln), de GO (€ 7 mln) en de GSF (€ 0,1 mln) en werd voor € 25 mln aan garantieverplichtingen aangegaan in het kader van het Aanvullend Actieplan MKB-financiering op de funding van alternatieve financiers.

Naast deze mutaties op de garantieverplichtingen waren de belangrijkste mutaties op de overige budgetten: Bevorderen Ondernemerschap (– € 2,2 mln) als gevolg van overheveling naar de bijdrage aan RVO.nl voor onder andere het Nedelands Investeringsagentschap, de transparantie benchmark en de funding garanties in het kader van het Aanvullende Actieplan), Small Business Innovation Research (– € 2,5 mln als gevolg van de overheveling van dit budget naar beleidsartikel 12), ICT-beleid (– € 2,1 mln als gevolg van overhevelingen naar de bijdrage aan RVO.nl voor de uitvoering van opdrachten in het kader van onder andere doorontwikkeling berichtenbox bedrijven en de digitale ondernemerspleinen, programma Boeren aan de Box en Digital Gateway). Tegenover deze lagere verplichtingenrealisatie stonden hogere verplichtingenrealisaties (€ 9,6 mln) op de bijdrage aan RVO.nl als gevolg van de hiervoor genoemde overhevelingen ten aan laste van Bevorderen Ondernemerschap en ICT-beleid en daarnaast onder anderen bijdragen ten behoeve van de uitvoering van de GO, de Groeifacilteit en eIDAS, de provinciale bijdrage aan het NIA, een overheveling van uitvoeringsbudget RVO.nl van beleidsartikel 12 naar beleidsartikel 13 en de bijstelling voor loon- en prijscompensatie. Daarnaast was er een hogere verplichtingenrealisatie ten behoeve van: Agentschap Telecom (€ 2,7 mln) ten behoeve van in het bijzonder het toezicht op de Europese eIDAS-verordening; de Kamer van Koophandel (€ 7,5 mln) als gevolg van de jaarlijkse bijdragen van andere departementen voor inputfinanciering van het handelsregister, de toevoeging van loon en prijsbijstelling voor 2016, aanvullende bijdragen voor (door)ontwikkeling van het digitaal ondernemersplein en voor de uitvoering van het programma «NL groeit» in 2017; Bijdragen aan instituten ten behoeve van in het bijzonder het voorschot op de bijdrage aan de Stichting ter bevordering van de uitvoer (SBU) voor 2017 (€ 1,1 mln).

Toelichting op de uitgaven

De realisatie van de uitgaven voor garanties is € 12,8 mln lager dan oorspronkelijk begroot. Voor de BMKB werd voor € 7,6 mln minder aan schades gedeclareerd als gevolg van de daling in het aantal faillissementen. Tegenover deze lagere schades staat een storting in de begrotingsreserve BMKB van € 4,5 mln om eventueel tegenvallende schades in latere jaren te kunnen opvangen. Voor de Groeifaciliteit lag de realisatie € 3,3 mln onder de raming. Doordat de benutting in de afgelopen jaren lager lag dan het garantieplafond, vallen ook de schades lager uit dan de raming. Doordat bij de Garantie Ondernemingsfinanciering de schades beperkt bleven tot € 2,1 mln kon € 7 mln aan de begrotingsreserve GO worden toegevoegd voor eventueel tegenvallende schades in komende jaren. De Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering is de afgelopen jaren beperkt benut. Er waren voor deze regeling geen schadeposten. Er kon daarom € 0,1 mln van de ontvangsten aan de reserve worden toegevoegd.

Kengetal

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verstrekte garanties BMKB, x € 1 mln

909

486

344

372

446

657

Totaal aantal verstrekte garanties

4.325

2.640

1.983

1.949

2.545

3.688

Bron: RVO.nl

Het bedrag en aantal verstrekte BMKB garanties is in 2016 verder toegenomen. Het gebruik van de BMKB is sterk afhankelijk van het aantal MKB-kredietaanvragen en toekenningen daarvan: de BMKB verstrekt een borgstelling voor in de kern gezonde midden- en kleinbedrijven die onvoldoende onderpand hebben om een krediet te verkrijgen voor nieuwe investeringen.

Kengetal

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verstrekte garanties Groeifaciliteit, x € 1 mln

12

13

8

32

19

37

Totaal aantal verstrekte garanties

17

21

16

20

14

17

Bron: RVO.nl

De Groeifaciliteit heeft in 2016 de toegang tot (risico)kapitaal verbeterd. De stijgende trend is in 2016 doorgezet en de eerste lening van het Achtergestelde Leningenfonds van het NLII is verstrekt.

Kengetal

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verstrekte garanties GO, x € 1 mln

261

103

103

82

137

58

Totaal aantal verstrekte garanties

62

53

51

39

76

36

Bron: RVO.nl

De GO-regeling biedt middelgrote en grote bedrijven de mogelijkheid een garantie van 50% van de overheid te verkrijgen, zodat nieuwe bankleningen en/of bankgaranties kunnen worden verstrekt. De GO-regeling is kostendekkend, met als opzet dat banken er slechts gebruik van maken indien zij vanwege het risicoprofiel zelfstandig niet of onvoldoende in staat zijn in de kern gezonde bedrijven te financieren. Het aantal verstrekte garanties in het kader van de GO-regeling is over 2016 afgenomen ten opzichte van 2015.

Kengetal

2013

2014

2015

2016

Verstrekte garanties Scheepsnieuwbouw, x € 1 mln1

11

3

Totaal aantal verstrekte garanties

4

1

Bron: RVO.nl

X Noot
1

De cijfers over 2013 zijn aangepast ten opzichte van de cijfers in het jaarverslag 2015 omdat per abuis het aantal fiatteringen werden vermeld in plaats van het aantal contracteringen.

Subsidies

De realisatie van de subsidies was € 5,6 mln lager dan de oorspronkelijke begroting. Er was minder budget benodigd voor in het bijzonder de uitfinanciering van de nog openstaande verplichtingen voor de subsidieregeling Innovatieve Scheepsbouw (SIS, – € 0,4 mln), het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000 (BSRI, – € 1,3 mln) en het Valorisatieprogramma (– € 1,1 mln). Daarnaast werd het budget samenhangend met het Small Business Innovation Research (SBIR) programma overgeheveld naar beleidsartikel 12 (– € 1,5 mln).

Indicator

Referentie- waarde

Peildatum

Raming 2015

Realisatie 2015

Raming 2016

Realisatie 2016

Bron

Aantal verstrekte kredieten (Micro- en MKB-krediet)

610

2009

1.550

1.500

2.250

1.750

Qredits

In 2016 zijn 1.750 kredieten aan kleine en startende ondernemers verstrekt, te weten 1.480 microkredieten, 105 MKB-kredieten en 165 flexibele kredieten. Dit zijn 250 kredieten meer dan vorig jaar.

Het aantal verstrekte microkredieten is toegenomen ten opzichte van 2015 (14%). Dit is een mooi resultaat, daar verstrekking microkredieten de kernactiviteit van Qredits is.

Het aantal aangevraagde MKB-kredieten is aanzienlijk toegenomen. Echter het aantal verstrekte MKB kredieten is achtergebleven bij de prognose (van 250). Voor een MKB krediet is een afwijzing van de bank verplicht, en is er dus al goed naar deze kredietaanvragen gekeken. De meeste aanvragen waren bestaande bedrijven die in een forse verliessituatie zitten en derhalve niet financierbaar.

Medio 2016 heeft Qredits het flexibele krediet geïntroduceerd voor de financiering van werkkapitaal. Er is veel vraag naar flexibele kredieten. Inmiddels hebben 165 ondernemers een flexibel krediet ontvangen. Dit is lager dan de prognose. De reden hiervoor is dat het product later geïntroduceerd is dan gepland, omdat de uitwerking van de ict-infrastructuur meer tijd vergde.

Opdrachten

Vermindering regeldruk (bedragen x € 1 mln)

Indicator

Referentie- waarde

Peildatum

Raming 2015

Realisatie 2015

Raming 2016

Realisatie 2016

Bron

Netto verlaging regeldruk (cumulatief)

527,4

2013

2.300

1.808 van

2.500

2.200

2.228 van 2.500

EZ

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

De kasuitgaven op Kamer van Koophandel/Ondernemerspleinen zijn in 2016 circa € 18,2 mln hoger dan begroot. Dit is verklaarbaar vanuit de jaarlijkse bijdragen van andere departementen en diensten die EZ aanvullend beschikbaar heeft gesteld aan de Kamer van Koophandel voor inputfinanciering van het handelsregister (€ 0,9 mln), de toevoeging van loon en prijsbijstelling voor 2016 (€ 2,6 mln), een kasschuif ten behoeve van een vervroegd voorschot voor de Kamer van Koophandel in 2016 voor 2017 in het kader van liquiditeit (€ 13,6 mln), een aanvullende bijdrage voor (door)ontwikkeling van het digitaal ondernemersplein (€ 0,5 mln) en de benodigde resterende bijdrage voor programma «NL groeit» 2016 (€ 0,6 mln).

Bijdragen aan agentschappen

De bijdragen aan agentschappen was € 12,7 mln hoger dan de oorspronkelijke raming. Dit is het gevolg van met name het toevoegen van budgetten voor de uitvoering van diverse taken door RVO.nl (€ 10,2 mln) en Agentschap Telecom (€ 2,7 mln). De aanvullende middelen voor RVO.nl betroffen in het bijzonder: het Nederlands Investeringsagentschap (NIA), de transparantie benchmark, de funding garanties in het kader van het Aanvullende Actieplan, doorontwikkeling berichtenbox bedrijven en de digitale ondernemerspleinen, programma Boeren aan de Box, Digital Gateway, de Garantie Ondernemingsfinanciering, de Groeifaciliteit, eIDAS, de provinciale bijdrage aan het NIA, een overheveling van uitvoeringsbudget RVO.nl van beleidsartikel 12 naar beleidsartikel 13 en de bijstelling voor loon- en prijscompensatie. De aanvullende werkzaamheden voor Agentschap Telecom betroffen onder andere het toezicht op de Europese eIDAS-verordening.

Industrieel participatiebeleid (bedragen x € 1 mln)

Indicator

Referentie- waarde

Peildatum

Raming 2015

Realisatie 2015

Raming 2016

Realisatie 2016

Bron

Gerealiseerde invulling compensatie / IP-verplichting (5 jaars gemiddelde)

383

2014

350

347

350

301

EZ

De uitvoering van de industriële participatie overeenkomsten met het plaatsen van opdrachten door buitenlandse bedrijven in Nederland is in 2016 conform verwachting verlopen. Toch is de realisatie lager uitgevallen dan geraamd. De belangrijkste oorzaak hiervan is dat de nieuwe overeenkomsten voor Industriële Participatie grotendeels in de 2e helft van het jaar zijn afgesloten. De daarin gemaakte afspraken leiden pas in de komende jaren tot activiteiten met de Nederlandse industrie en worden pas dan geteld als realisatie. Omdat de definitieve realisatiecijfers van de afgelopen jaren beperkt naar boven zijn bijgesteld, wijkt het realisatiecijfer 2015 af van de verantwoording in het jaarverslag 2015.

Toelichting op de ontvangsten

De ontvangsten zijn € 5,7 mln lager dan de oorspronkelijke raming in de begroting. Dit is in het bijzonder te wijten aan de lagere ontvangsten op de Groeifaciliteit (– € 3,6 mln), de Garantie Ondernemingsfinanciering (– € 3,3 mln) en de Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering (– € 3,9 mln). Deze lagere ontvangsten zijn het gevolg van de benutting in de afgelopen jaren die op een lager niveau lag dan het maximaal toegestane plafond. Voor de BMKB hoefden geen middelen onttrokken te worden aan de begrotingsreserve zoals oorspronkelijk geraamd was (– € 5 mln), omdat de premie-ontvangsten voldoende waren om de gerealiseerde schades te compenseren. De premie-ontvangsten voor de BMKB waren € 6,6 mln hoger dan geraamd vanwege de toegenomen benutting tot ruim € 650 mln en terugontvangsten als gevolg van afgewezen verliesdeclaraties. Voor de Groeifaciliteit werd € 0,8 mln onttrokken aan de begrotingsreserve ter compensatie van de schadedeclaraties. Daarnaast werd voor € 3,1 mln meer ontvangsten gerealiseerd bij de afwikkeling van in het verleden verstrekte opdrachten en subsidies en door de bijdrage van de provincies aan het NIA.

Toelichting op de begrotingsreserves

Begrotingsreserve BMKB

Bedragen x € 1 mln

Stand 1/1/2016

54,2

+ Storting

4,5

– Onttrekking

 

Stand per 31/12/2016

58,61

X Noot
1

Afrondingsverschil.

Op basis van de gerealiseerde schade-uitgaven, de beschikbare middelen op de begroting en de gerealiseerde ontvangensten is € 4,5 mln gestort in de begrotingsreserve BMKB.

Begrotingsreserve Groeifaciliteit

Bedragen x € 1 mln

Stand 1/1/2016

17,0

+ Storting

 

– Onttrekking

– 0,8

Stand per 31/12/2016

16,2

Op basis van de gerealiseerde schade-uitgaven, de beschikbare middelen op de begroting en de gerealiseerde ontvangsten is € 0,8 mln onttrokken aan de begrotingsreserve Groeifaciliteit.

Begrotingsreserve Garantie Ondernemingsfinanciering

Bedragen x € 1 mln

Stand 1/1/2016

53,1

+ Storting

7,0

– Onttrekking

 

Stand per 31/12/2016

60,1

Op basis van de gerealiseerde schade-uitgaven, de uitvoeringskosten en de gerealiseerde premieontvangsten is € 7 mln gestort in de begrotingsreserve Garantie Ondernemingsfinanciering.

Begrotingsreserve Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering

Bedragen x € 1 mln

Stand 1/1/2016

10,0

+ Storting

0,1

– Onttrekking

 

Stand per 31/12/2016

10,1

Op basis van de gerealiseerde schade-uitgaven, de uitvoeringskosten en de gerealiseerde premieontvangsten is € 0,1 mln gestort in de begrotingsreserve Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering.

Begrotingsreserve Garantie MKB-financiering

Bedragen x € 1 mln

Stand 1/1/2016

9,0

+ Storting

 

– Onttrekking

 

Stand per 31/12/2016

9,0

14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Algemene doelstelling

Een internationaal concurrerende energievoorziening die betrouwbaar, veilig en duurzaam is.

Om deze doelstelling te bereiken zet EZ financiële instrumenten in zoals subsidies en garanties, maar ook niet-financiële instrumenten zoals het stroomlijnen van energieregelgeving om de werking van de energiemarkt te verbeteren, de regeldruk te verminderen en efficiënter toezicht mogelijk te maken.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is op grond van de Elektriciteitswet en de Gaswet verantwoordelijk voor het energiebeleid. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

Financieren

  • Het voeren van het financieel instrumentarium op de beleidsterreinen hernieuwbare energie, energiebesparing en innovatieve energietechnologieën.

(Doen)Uitvoeren

  • Het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie (conform afspraken Energieakkoord: 14% in 2020 en 16% in 2023).

  • Het vergroten van het aandeel energiebesparing (conform afspraken Energieakkoord: besparing met gemiddeld 1,5% per jaar en 100 PJ in 2020).

Regisseren

  • Het regisseren van de realisatie van grote energie-infrastructuur projecten die onder de rijkscoördinatieregeling vallen; dit betekent als projectminister, samen met de Minister van Infrastructuur en Milieu, verantwoordelijk voor de ruimtelijke inpassing van projecten en voor de coördinatie van benodigde projecten.

  • Het stimuleren van een goed werkende Europese energiemarkt met een adequate infrastructuur.

  • Het creëren van randvoorwaarden waardoor de energievoorziening internationaal kan concurreren en het verdienpotentieel van de energiesector ten volle wordt benut.

  • Het creëren van randvoorwaarden voor een doelmatige en verantwoorde winning van onze bodemschatten.

  • Het stimuleren van de transitie naar een duurzame en betrouwbare energievoorziening.

  • Het bieden van mogelijkheden aan lokale energieprojecten.

  • Het coördineren van het energiebesparingsbeleid via de verschillende vakministers en het stimuleren van energiebesparing in de industrie en energiesectoren.

  • Het stimuleren van de ontwikkeling en gebruik van innovatieve energietechnologieën.

  • Het stimuleren van de verdergaande reductie van CO2-uitstoot van energiebedrijven en industrie.

Kengetal HHI en C3

De C3 is het gezamenlijk marktaandeel van de drie grootste leveranciers. De mate van concentratie op de kleinverbruikersmarkt voor elektriciteit en gas vormt een indicatie voor de concurrentie op die markten. Een indicator hiervoor is de Herfindahl-Hirschman Index (HHI). Een markt met een HHI onder de 1.800 punten wordt gezien als een competitieve markt en een markt met een index tussen de 1.800 en 8.000 punten wordt gezien als een geconcentreerde markt.

Kengetal

2011

2012

2013

2014

2015

2016

1.

Concentratiegraad in de retailsector elektriciteit

           
 

HHI

2.465

2.338

2.276

2.230

2.152

1.992

 

C3

85%

83%

81%

81%

79%

75%

2.

Concentratiegraad in de retailsector gas

           
 

HHI

2.344

2.258

2.204

2.171

2.052

1.895

 

C3

83%

81%

79%

79%

77%

74%

Bron: ACM

Kengetal

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Elektriciteitsstoring in minuten per jaar

23 min

27 min

23 min

20 min

33 min

21 min

Bron: Netbeheer Nederland

Beleidsconclusies

Groningen

Het kabinet heeft in 2016 de gaswinning uit het Groningenveld de komende vijf jaar beperkt tot 24 miljard kubieke meter per jaar. Er wordt gestreefd naar een zo vlak mogelijke winning met zo min mogelijk schommelingen. Alleen in koude winters en als het strikt noodzakelijk is, mag extra gas worden geproduceerd. De Minister van EZ heeft op 30 september 2016 ingestemd met een nieuw winningsplan voor Groningen (TK 33 529, nr 309).

In 2016 zijn de wijzigingen van de Mijnbouwwet door zowel de Eerste als de Tweede Kamer behandeld. Deze wijzigingen hebben voor een groot deel betrekking op de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) naar aanleiding van de aardbevingen in Groningen. In de Mijnbouwwet zijn meer randvoorwaarden gesteld aan de veilige winning van de bodemschatten. Zo is veiligheid voor omwonenden rond mijnbouwactiviteiten beter geborgd. De wijzigingen zijn per 1 januari 2017 in werking getreden (TK 34 348, nr. 2).

STROOM

Het door de Eerste Kamer afwijzen van het wetsvoorstel STROOM noopte tot aanvullende wetgevingstrajecten. Om noodzakelijke wijzigingen voor het tijdig realiseren van de doelstellingen van het Energieakkoord alsnog vast te leggen, is een wetsvoorstel aangenomen om TenneT aan te wijzen als netbeheerder op zee en knelpunten om windparken op land te realiseren weg te nemen. Deze wet is op 1 april 2016 in werking getreden (TK 34 401, nr 2). In december is het wetsvoorstel Voortgang energietransitie aan de Tweede Kamer aangeboden, waarmee overige relevante wijzigingen uit het wetsvoorstel STROOM alsnog kunnen worden vastgelegd (TK 34 627, nr 2).

Wind op zee

Op het terrein van windenergie op zee zijn grote stappen gezet, met onder andere twee succesvolle tenders van in totaal bijna 1.500 megawatt. Samen dragen zij ruim 1% punt bij aan het beoogde doel van 14% duurzame energie in 2020. De beoogde kostenreductie van 40% in 2023 is met de behaalde kostenreductie van meer dan 55% in 2016 al ruimschoots gehaald (TK 33 561, nr. 38).

Energieakkoord voor duurzame groei

De evaluatie van het Energieakkoord en de Nationale Energieverkenning (NEV) 2016 (TK 30 196 nr. 479) illustreren het succes van de aanpak van het Energieakkoord. Het Energieakkoord heeft bijgedragen aan een versnelling van de energietransitie en er zijn resultaten geboekt waarvan het zeer aannemelijk is dat die anders niet of later zouden zijn bereikt.

Uit de NEV van 2016 blijkt dat we op koers liggen om drie van de vijf doelen uit het Energieakkoord te halen. Uitsluitend de doelen van 14% hernieuwbare energie en 100 PJ extra energiebesparing in 2020 worden volgens de doorrekening uit de NEV 2016 nog niet gehaald. Op basis van de NEV 2016 is er met de partijen bij het Energieakkoord gewerkt aan extra maatregelen om alle doelen binnen bereik te brengen. Deze maatregelen zijn toegelicht in de Voortgangsrapportage Energieakkoord die in december 2016 aan de Tweede Kamer is aangeboden. In de Voortgangsrapportage concludeert de voorzitter van de Borgingscommissie namens de 47 ondertekenaars van het akkoord dat alle doelen binnen bereik zijn (TK 30 196, nr. 503).

In de evaluatie van de Warmtewet zijn ruim twintig knelpunten benoemd. Deze zijn verwerkt in de nieuwe Warmtewet, gericht op een betere werking van de markt voor warmtelevering en bescherming van de warmteconsument. Na de internetconsultatie in de zomer is het voorstel voor de nieuwe Warmtewet eind 2016 voor advies aan de Raad van State toegezonden (TK 34 415, nr. 1).

In 2016 is de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie (SDE+) weer opengesteld, dit keer met een verplichtingenbudget van € 9 mld. Om de kosteneffectiviteit van de SDE+ ook bij hogere verplichtingenbudgetten te borgen is daarbij een aantal wijzigingen doorgevoerd. Indien alle projecten tot realisatie komen, leveren deze een bijdrage van 51,8 PJ aan het doelbereik. In december 2016 is de vormgeving van de SDE+ in 2017 aangekondigd (TK 31 239 nr. 225). Daarbij zal de regeling in 2017 naar verwachting met twee keer € 6 mld verplichtingenbudget worden opengesteld.

In 2016 is de SDE+ geëvalueerd (TK 31 239, nr. 249). Uit de evaluatie blijkt dat de vormgeving van de SDE+ leidt tot concurrentie om het beschikbare budget. Daarmee worden ondernemers geprikkeld om voor een zo laag mogelijk basisbedrag aanvragen in te dienen. CE Delft en SEO Economisch onderzoek concluderen dat de SDE+ naast kosteneffectief ook doelmatig is en adviseren om de systematiek van de SDE+ te handhaven. Verder werden de tarieven voor de Wet opslag duurzame energie voor 2017 vastgesteld (TK 34 497).

Energierapport, Energiedialoog, Energieagenda

In het Energierapport 2016 houdt het kabinet voor de periode ná het Energieakkoord vast aan de afspraak dat de CO2-uitstoot in 2030 met 40% en in 2050 met 80–95% moet zijn teruggedrongen op Europees niveau. Het einddoel voor 2050 is een CO2-arme energievoorziening, die veilig, betrouwbaar en betaalbaar is. Het Energierapport werd in 2016 gevolgd door de Energiedialoog, waarbij burgers, bedrijven, andere overheden en maatschappelijke organisaties zijn uitgenodigd om in dialoog te gaan over de energietransitie. In drie maanden dialoog zijn zo’n 4.000 mensen met elkaar in gesprek gegaan in 144 bijeenkomsten, waarvan het merendeel georganiseerd door partijen buiten het Rijk. Online zijn zo’n 10.000 unieke bezoekers actief geweest. De Energiedialoog heeft een veelheid en een rijkheid aan ideeën en initiatieven opgeleverd, en was daarmee een belangrijke inbreng voor de Energieagenda (TK 30 196, nr. 484).

In de Energieagenda schetst het kabinet een helder en ambitieus perspectief voor de transitie naar een betrouwbare, betaalbare, veilige en CO2-arme energievoorziening op een kosteneffectieve wijze. De energietransitie is alleen te realiseren als burgers, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en alle overheden hieraan bijdragen en samenwerken. Een breed pakket aan maatregelen wordt ingezet om dit te bereiken. Het kabinet zet bijvoorbeeld in op het voortzetten van de SDE+, een nieuwe routekaart voor wind op zee en het terugdringen van het gebruik van aardgas (TK 31 510, nr. 64).

Europa

Van 1 januari tot 1 juli 2016 was Nederland voor de twaalfde keer voorzitter van de Raad van Ministers van de Europese Unie. Nederland heeft de lopende agenda efficiënt en effectief uitgevoerd. In de informele en formele Energieraad is gesproken over regionale samenwerking en de noodzaak tot hervorming van de elektriciteitsmarkt om een groeiend aandeel hernieuwbare energie in het energiesysteem te kunnen integreren. Tevens heeft de Raad een algemene oriëntatie bereikt op het voorstel voor herziening van het besluit inzake intergouvernementele afspraken (IGA-besluit). Er is een politieke verklaring ondertekend om de regionale energiesamenwerking op de Noordzee een verdere impuls te geven en daarmee een belangrijke bijdrage te leveren aan de reductie van de broeikasgasuitstoot richting 2050 (TK 34 139,nr. 18).

Ontwerp-Structuurvisie Ondergrond

Op 11 november 2016 is in overeenstemming met de Minister van IenM de ontwerp-Structuurvisie Ondergrond aan de Tweede Kamer aangeboden (TK 33 136, nr. 14). Besluitvorming in de ontwerp-structuurvisie op schaliegas (verlenging van het kabinetsbesluit om geen commerciële opsporing en winning van schaliegas toe te staan tot 2023) is mede gebaseerd op de planMER schaliegas. Om die reden is de planMER schaliegas voor advies aan de commissie voor de milieueffectrapportage aangeboden. Het advies wordt begin 2017 verwacht.

ECN en TNO

In 2016 is het besluit genomen dat ECN en TNO hun krachten bundelen voor energie-innovatie. ECN wordt gesplitst, waarbij het onderzoek naar duurzame energievoorziening en de nucleaire activiteiten uit elkaar worden gehaald. Daarnaast gaat de rekenmeesterfunctie over van ECN naar het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Tot slot wordt er nader onderzoek gedaan naar een (eventuele) verdere ontvlechting van de nucleaire activiteiten van ECN (TK 30 196, nr. 476).

Budgettaire gevolgen van beleid artikel 14 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2014

2015

2016

2016

2016

VERPLICHTINGEN

2.289.462

3.397.213

2.646.202

6.494.697

17.514.501

5.432.919

12.081.582

Waarvan garantieverplichtingen

147.225

47.342

526

31.873

28.900

93.050

– 64.150

UITGAVEN

1.085.460

1.251.807

1.441.886

1.557.919

1.824.624

1.820.326

4.298

               

Subsidies

857.264

1.030.692

1.181.789

1.347.519

1.621.186

1.594.948

26.238

Topsectoren Energie

29.792

30.282

34.925

57.681

70.432

55.840

14.592

Energie-innovatie (Innovatie Agenda Energie)

56.868

36.766

27.383

17.300

16.190

2.377

13.813

Green Deal

225

1.889

918

1.809

2.660

16.354

– 13.694

Energieakkoord

   

666

10.631

19.891

48.089

– 28.198

MEP

619.608

505.321

432.032

362.995

288.426

278.022

10.404

SDE/SDE+

100.954

169.133

235.116

323.059

631.283

1.119.215

– 487.932

Storting begrotingsreserve duurzame energie

 

225.007

369.356

503.423

473.061

0

473.061

Bijdrage aan ECN

       

40.000

0

40.000

Compensatie Energie-intensieve bedrijven (ETS)

   

56.955

31.765

45.008

51.000

– 5.992

CCS

5.531

5.015

4.905

2.500

171

8.040

– 7.869

Hoge Flux Reactor

7.250

7.250

7.250

7.250

0

8.111

– 8.111

Aanschafsubsidie zonnepanelen

21.339

29.632

         

Regeling Sportaccomodaties

       

5.822

0

5.822

ISDE-regeling

       

18.018

0

18.018

Elektrisch rijden

2.154

2.535

2.184

1.541

844

0

844

Caribisch Nederland

1.304

3.161

6.807

17.108

8.472

7.900

572

Overige subsidies

12.239

14.701

3.292

10.457

908

0

908

               

Garanties

 

526

9.206

1.922

2.242

0

2.242

Aardwarmte

 

526

0

0

1.230

0

1.230

Begrotingsreserve Aardwarmte

   

9.206

1.922

1.012

0

1.012

               

Opdrachten

24.654

33.861

28.108

19.813

13.029

25.686

– 12.657

O&O bodembeheer

2.897

2.497

3.843

12.651

2.614

10.768

– 8.154

Joint implementation

14.787

12.148

768

252

5

314

– 309

Straling

5.006

9.726

9.257

50

0

20

– 20

Pallas

154

1.001

10.004

0

0

12.034

– 12.034

Onderzoek en opdrachten

1.810

8.489

4.236

6.860

10.410

2.550

7.860

               

Bijdragen aan agentschappen

43.095

45.589

47.281

41.805

46.026

41.106

4.920

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

42.342

38.680

41.949

40.168

44.400

39.424

4.976

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

753

698

692

681

676

678

– 2

Kern Fysische Dienst

 

6.211

3.690

       

KNMI

   

950

956

950

1.004

– 54

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

86.418

103.039

110.603

107.423

113.356

113.116

240

Doorsluis COVA heffing

86.418

100.947

107.594

106.074

108.179

111.000

– 2.821

TNO bodembeheer

 

2.092

3.009

1.349

5.177

2.116

3.061

               

Bijdragen aan mede-overheden

             

Uitkoop

             
               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

74.029

38.100

64.899

39.437

28.785

45.470

– 16.685

ECN/NRG

73.557

37.757

57.903

38.819

27.982

44.487

– 16.505

Storting begrotingsreserve risicopremie lening ECN/NRG

   

6.600

       

Diverse instituten

472

343

396

618

803

983

– 180

               

ONTVANGSTEN

11.960.294

13.547.739

10.801.567

6.851.765

2.546.908

6.386.411

– 3.839.503

COVA

86.436

100.947

107.594

106.074

108.179

111.000

– 2.821

Opslag Duurzame Energie (ODE)

 

97.363

173.619

278.861

421.036

494.000

– 72.964

Onttrekking begrotingsreserve duurzame energie

     

20.000

77.000

77.000

0

Aardgasbaten

11.839.743

13.342.665

10.505.291

6.424.910

1.926.754

5.700.000

– 3.773.246

Ontvangsten zoutwinning

2.350

2.373

2.474

2.342

2.510

1.761

749

Diverse ontvangsten

31.765

4.391

12.589

19.578

11.429

2.650

8.779

Toelichting op de verplichtingen

  • De hogere verplichtingenrealisatie is met name toe te schrijven aan de hogere openstelling van de reguliere aanwijzingsregeling SDE+, de openstelling van twee tenders voor Wind op Zee (Borssele I en II en Borssele III en IV) en de subsidietoezegging aan TenneT voor de aanleg van het net op zee.

  • De lagere realisatie op de garantieverplichtingen heeft betrekking op de garantieregeling Geothermie, waarvoor minder aanvragen voor het afgeven van een garantie zijn ingediend dan verwacht.

Toelichting op de uitgaven

Subsidies

Topsectoren Energie

  • Op de SDE+-projecten topsectoren energie is voor een bedrag van € 13,3 mln minder uitbetaald dan beschikbaar in de vastgestelde begroting.

  • Op de Tenderregeling Energie-innovatie (TSE) is € 27,9 mln meer uitgegeven, met name vanwege een versnelling van de uitfinanciering op vóór 2016 aangegane verplichtingen.

Energie-innovatie (Innovatie Agenda Energie)

Bij de uitfinanciering van een aantal inmiddels beëindigde energie-innovatieregelingen, zoals Smart Grids, Groene grondstoffen, Wind op zee, Nieuw gas, de Unieke Kansen Regeling (UKR) en bij de Meerjaren Afspraken Energie (MJA-E), is de kasrealisatie € 13,8 mln hoger uitgevallen.

Green Deal

De lagere realisatie is met name het gevolg van overheveling van het grootste deel van het budget naar het Provinciefonds en het Gemeentefonds ter realisering van een aantal Green Deal projecten.

Energie-akkoord SER

De lagere uitgaven zijn met name toe te schrijven aan de Demonstratieregeling Energie Innovatie (DEI) en heeft vooral als oorzaak dat de betaling op reeds gecommiteerde projecten trager verloopt dan eerder ingeschat. Daarom is de kasraming voor de DEI bij 1e suppletoire begroting 2016 naar beneden bijgesteld.

Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP), SDE, SDE+ en regeling Investerings Subsidie Duurzame Energie (ISDE)

De hogere uitgaven op de MEP-regeling zijn veroorzaakt door een hogere gerealiseerde subsidiabele elektriciteitsproductie dan waar in de raming eerder rekening mee was gehouden.

Op de SDE- en de SDE+-regeling is minder uitgegeven dan beschikbaar in de ontwerpbegroting, onder meer als gevolg van het trager op gang komen of de uitval van projecten. Voor de uitgaven op de InvesteringSubsidie Duurzame Energie (ISDE) waren in de Ontwerpbegroting nog geen middelen beschikbaar, maar deze middelen zijn beschikbaar gemaakt uit de middelen voor de SDE+. De op deze regelingen per saldo niet uitgegeven middelen zijn gestort in de begrotingsreserve duurzame energie.

Storting in begrotingsreserve duurzame energie

De in 2013 gevormde begrotingsreserve duurzame energie is bestemd voor middelen die in enig jaar onbesteed zijn gebleven als gevolg van vertraging of niet doorgaan van projecten. Deze middelen moeten later alsnog worden uitbetaald voor dezelfde projecten, of kunnen worden ingezet voor andere vervangende projecten met het oog op het bereiken van de doelstelling. Via de begrotingsreserve blijven de middelen beschikbaar tot het moment dat ze alsnog zullen worden uitbetaald. In 2016 is € 473,1 mln in de reserve gestort. Hiervan was € 282,1 mln beschikbaar gekomen via de Opslag Duurzame Energie (SDE+, SDE+-projecten topsectoren energie en ISDE). De resterende € 191,0 mln zijn afkomstig van de MEP en de SDE.

Bijdrage aan het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN)

Als onderdeel van de herinrichting van het energieonderzoek is een financieel arrangement getroffen met Stichting ECN (TK, 30 196, nr. 476). Daarin is in 2016 een kapitaalinjectie gegeven van € 40 mln aan ECN/NRG voor het verwerken en afvoeren van het (historisch) radioactief afval.

Kengetal

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Ambitie 2016

Aantal deelnemende bedrijven bij TKI

Bron: RVO.nl

n.v.t.

301

500

850

1.150

1.400

700

Kwaliteit van het Nederlandse energieonderzoek gemeten als retourpercentage van het Achtste EU kaderprogramma thema energie

7,4%

7,0%

6,8%

6,9%

7,2%

7,0%

7,0%

Indicator

Referentie-

waarde

Peildatum

Realisatie

2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Streefwaarde

Planning

Bron

Duurzame energieproductie

4,5%

2013

5,5%

5,8%

in september 2017 bekend

16%

2023

CBS

Bron: BBS/NEV 2016

Opdrachten

Pallas

De eerder voor 2016 voorziene uitbetaling in het kader van de voorbereiding van de Pallas-reactor heeft niet plaatsgevonden, omdat de in 2014 door EZ verstrekte tranche voldoende blijkt te zijn om de uitgaven ten behoeve van het Pallas-project tot en met tenmiste 2016 te dekken.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Energieonderzoek Centrum Nederland/ Nuclear Research and Consultancy Group (ECN/NRG)

De eerder geplande 2016-tranche van de lening die in oktober 2014 aan ECN is verstrekt is in 2016 niet tot betaling gekomen. Het budget hiervoor blijft op basis van afspraken met het Ministerie van Financiën beschikbaar voor de jaren 2017 en verder.

Indicator

Referentie-

waarde

Peildatum

Streef-waarde 2016

Realisatie

2016

Bron

Klanttevredenheid ECN

8,6

2014

8,0

8,4

ECN

Kennisbenutting ECN

>80%

95%

ECN

Bron: rapportage klanttevredenheidsonderzoek ECN (15 februari 2017)

In 2015 zijn alle TO2-instituten overgegaan op een nieuwe, uniforme methode voor het meten van klanttevredenheid en kennisbenutting. De scores in bovenstaande tabel geven de gerealiseerde waarden van klanttevredenheid en kennisbenutting voor al het onderzoek dat ECN in opdracht uitvoert. Het betreft dus zowel Publiek-Private Samenwerking (PPS) onderzoek, als onderzoek in opdracht van private klanten als onderzoek in opdracht van de publieke sector (tenzij anders vermeld).

Ontvangsten

Opslag Duurzame Energie (ODE)

De ontvangsten op basis van de Opslag Duurzame Energie (ODE) zijn lager dan geraamd. De tariefstructuur van de ODE volgt de structuur van de energiebelasting. De ontvangstenreeks van de ODE is in eerste instantie in 2012 bij de invoering van de ODE meerjarig geraamd op basis van een aantal veronderstellingen over het energieverbruik, tempo van energiebesparing, de uitrol van zonnepanelen etc. De raming is in 2013 bij gelegenheid van het Energieakkoord weliswaar bijgesteld, echter zonder actualisatie van de variabelen die relevant zijn voor de hoogte van de ontvangsten. Bij het aantreden van een nieuw kabinet zal de ontvangstenraming van de ODE weer worden geactualiseerd op basis van de huidige inzichten. Naar verwachting zullen daardoor de verschillen tussen de geraamde opbrengsten en de gerealiseerde opbrengsten kleiner worden.

Aardgasbaten

De aardgasbaten zijn lager uitgevallen dan geraamd. De belangrijkste redenen hiervoor zijn een lagere gasprijs en lagere volumes. De gasprijs kwam in 2016 gemiddeld uit op circa 14 cent per m3, terwijl circa 20 cent per m3 was begroot. Qua volume vonden er verdere beperkingen van de hoogte van de productie uit Groningen plaats. Ten tijde van de begroting werd er rekening gehouden met een productieplafond van 33 miljard m3. Voor het gasjaar 2015–2016 (1 oktober 2015 tot en met 30 september 2016) gold een productieplafond van 27 miljard m3 (TK 33 529, nr. 212). Op 30 september 2016 heeft het kabinet een nieuw instemmingsbesluit genomen, waardoor vanaf het gasjaar 2016–2017 een jaarlijks productieplafond geldt van 24 miljard m3, conform het advies van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM), met ruimte voor meer winning bij een winter die kouder is dan gemiddeld (TK 33 529, nr. 309).

Kengetallen

2011

2012

2013

2014

2015

2016

1.

Gewonnen volume aardgas kleine velden (in Nm3)

Bron: TNO

28 mld Nm3

26 mld Nm3

26 mld Nm3

24 mld Nm3

22 mld

Nm3

20 mld

Nm3

2.

Aantal boringen exploratie onshore en offshore

Bron: TNO

18

16

9

21

16

4

3.

Aantal boringen productie onshore en offshore

Bron: TNO

39

19

18

32

17

16

4.

Productie aardgas totaal (in Nm3)

Bron: TNO

74 mld

74 mld Nm3

80 mld Nm3

66 mld Nm3

50 mld Nm3

48 mld Nm3

5.

Euro/dollarkoers

Bron: CBS/CPB

1,39

1,28

1,33

1,33

1,11

1,11

6.

Olieprijs (dollar/vat) Bron: CBS/CPB

111,3

111,7

108,7

101,4

52,5

43,3

7.

Beursprijs van TTF-gas (eurocent/ m3)

Bron: APX Endex

22,9

24,0

26,0

21,3

19,8

13,6

Toelichting op de begrotingsreserves

Begrotingsreserve Geothermie

Bedragen x € 1 mln

Stand 1/1/2016

22,0

+ Storting

1,0

– Onttrekking

– 1,2

Stand per 31/12/2016

21,7

De begrotingsreserve voor de garantieregeling Geothermie is bedoeld om het budget voor deze regeling meerjarig in te kunnen zetten en een eventuele mismatch in de tijd tussen inkomsten en uitgaven op te vangen. Om gebruik te kunnen maken van de garantieregeling Geothermie betalen marktpartijen een premie aan de uitvoerder van de regeling (RVO.nl) die wordt gestort in de begrotingsreserve. Als dekking van uitgaven aan verliesdeclaraties op basis van de garantieregeling heeft in 2016 een onttrekking van € 1,2 mln aan de interne begrotingsreserve plaatsgevonden.

Begrotingsreserve Duurzame energie

Bedragen x € 1 mln

Stand 1/1/2016

1.077,8

+ Storting

473,1

– Onttrekking

– 77,0

Stand per 31/12/2016

1.473,9

De begrotingsreserve Duurzame energie is bestemd voor onbesteed gebleven middelen als gevolg van vertraging bij projecten waaraan reeds subsidie is toegekend en reeds verplichte projecten die niet tot uitvoering komen en door andere projecten moeten worden vervangen met het oog op het bereiken van de doelstelling voor duurzame energieproductie. Het gaat hier om middelen ten behoeve van de MEP, SDE, SDE+, ISDE en de SDE+projecten van de topsectoren energie. Via de begrotingsreserve blijven de middelen beschikbaar tot het moment dat ze alsnog zullen worden uitbetaald. In 2016 is € 473 mln in de reserve gestort en € 77 mln aan de reserve onttrokken (TK 34 210 XIII, nr. 4, antwoord op vraag 5).

Specificatie van begrotingsreserve Duurzame Energie (bedragen x € 1 mln)

Specificatie begrotingsreserve Duurzame Energie

2013

2014

2015

2016

Totaal

MEP (algemene middelen)

23

16

2

0

41

SDE (algemene middelen)

143

220

297

191

851

Tijdelijke onttrekking (MEP/SDE)

   

– 20

– 77

– 97

SDE+ (ODE gefinancierd)

59

134

204

282

679

Totaal

225

370

483

396

1.474

Begrotingsreserve risicopremie lening ECN/NRG

Bedragen x € 1 mln

Stand 1/1/2016

6,6

+ Storting

0

– Onttrekking

0

Stand per 31/12/2016

6,6

De middelen op de begrotingsreserve risicopremie ECN/NRG zullen worden aangesproken als ECN – al dan niet tijdelijk – (gedeeltelijk) niet kan voldoen aan de terugbetalingsverplichtingen volgens de in 2014 afgesloten leningsovereenkomst.

Overzicht maatregelen ten behoeve van het Energieakkoord (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

2015

Realisatie 2016

Begroting 2016

Verschil

ENERGIEBESPARING

       

MJA3 / MEE (EZ, art. 14)

3.061

4.242

2.377

1.865

EIA (FIN, fiscaal)

106.000

147.000

101.000

46.000

Compensatie indirecte kosten ETS (EZ, art. 14)

31.765

45.008

61.000

– 15.992

Duurzame warmte (EZ, art. 14)

262

0

0

0

Demo Schoon en Zuinig (EZ, art. 16)

911

1

0

1

Innovatieagenda Energie (EZ, art. 16)

640

1.096

1.629

– 533

Marktintroductie energie innovaties (MEI) (EZ, art. 16)

4.768

3.537

3.689

– 152

Investeringsregeling Energiebesparing (IRE) / Investeringsregeling Milieuvriendelijke Maatregelen (IMM) (EZ, art. 16)

3.275

6.124

3.710

2.414

Wet Milieubeheer energiebesparing (IenM, art. 19)

3.913

1.066

425

641

Openbare verlichting decentrale overheden (IenM, art. 19)

17

0

0

0

Revolverend fonds Energiebespaarfonds (NEF) (WenR, art. 2)

0

35.000

35.000

0

(Voorlopig) Energielabel (WenR, art. 2)

11.745

6.132

7.500

– 1.368

Subsidieregeling STEP (WenR, art. 2)

 

0

   

VNG: ondersteuningsstructuur energieke samenleving (WenR, art. 2)

5.000

4.000

4.000

0

Revolverend fonds; leningen VvE’s (WenR, art. 2)

 

0

0

0

Revolverend fonds; leningen verhuurders (WenR, art. 2)

0

0

72.800

72.800

Energiebesparing Koopsector (WenR, art. 2)

 

7.383

19.700

– 12.317

         

HERNIEUWBARE ENERGIE

       

MEP (EZ, art. 14)

362.995

288.426

278.022

10.404

SDE/SDE+ (EZ, art. 14)

323.059

614.493

1.119.215

– 504.722

Storting in begrotingsreserve duurzame energie (EZ, art. 14)

503.423

473.061

0

473.061

Storting in begrotingsreserve

Garantieregeling Aardwarmte (EZ, art. 14)

1.922

1.012

0

1.012

InvesteringsSubsidie Duurzame Energie (EZ, art. 14)

0

18.018

0

18.018

         

ENERGIE-INNOVATIE

       

Topsector Energie (EZ, art. 14)

36.516

38.915

11.000

27.915

Demonstratieregeling Energie-innovaties (EZ, art. 14)

10.153

19.330

44.000

– 24.670

Innovatiemiddelen SDE+ (EZ, art. 14)

21.138

31.497

44.840

– 13.343

         

MOBILITEIT

       

Elektrisch rijden (EZ, art. 14)

1.541

844

0

844

Lean and Green Personal Mobility (IenM, art. 14)

540

83

0

83

Meerjaren bewustwordingscampagne «Hopper» (IenM, art. 14)

50

0

35

– 35

Organisatiekosten Green Deal Autodelen (IenM, art. 14)

60

0

0

0

Campagne veilige, zuinige, stille banden op spanning (IenM, art. 19)

172

98

100

– 2

         

OVERIGE

       

Bijdrage RVO.nl uitvoeringslasten Energieakkoord (EZ, art. 14)

5.200

5.200

5.200

0

Uitvoeringskosten Revolverend Fonds Energiebesparing Verhuurders (RVO.nl) (WenR, art. 2)

353

88

450

– 362

Ondersteunende activiteiten t.b.v. Energieakkoord (WenR, art. 2)

5.869

5.243

4.760

483

Uitvoering STEP (RVO.nl) (WenR, art. 2)

1.161

1.300

1.100

200

15 Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen

Algemene doelstelling

Het scheppen van voorwaarden voor een aardbevingsbestendig en kansrijk Groningen.

Om deze doelstelling te bereiken zorgt de Nationaal Coördinator Groningen in dialoog met alle maatschappelijke en bestuurlijke stakeholders voor een planmatige en daadkrachtige regie en sturing op een duurzame versterking en vernieuwing van het aardbevingsgebied, opdat deze regio weer veilig wordt en sterker dan ooit een nieuwe balans vindt tussen gaswinning en een versterkte gebiedsidentiteit en gebiedskwaliteit met nieuwe economische kansen en een leefbare en aantrekkelijke woon-, werk- en leefomgeving.

Rol en verantwoordelijkheid

De gaswinning in Groningen grijpt diep in op het dagelijkse leven van inwoners in het gebied, met name in het gebied waar zich frequent aardbevingen voordoen. Voor het kabinet staat de veiligheid van inwoners voorop. Naast een beperking van de gaswinning is gekozen voor een brede flankerende aanpak die zich richt op de veiligheid (schadeherstel), het (preventief) versterken van woningen en gebouwen en het gelijktijdig investeren in de leefbaarheid, economie en duurzaamheid. De opgave in Groningen is een nationale opgave van de NAM, regio en Rijk, waarbij wordt gezocht hoe Rijksopgaven en Rijksambities verbonden kunnen worden aan regionale opgaven en regionale ambities.

De gezamenlijke opgave heeft als eerste geresulteerd in het bestuursakkoord «Vertrouwen op herstel en herstel van vertrouwen» (TK, 33 529, nr. 28) en in de aanvulling daarop (TK, 33529, nr. 96, TK, 33 529, nr. 98). De afspraken in deze bestuursakkoorden zien mede op de intensivering, verbreding en versnelling van de inzet van betrokken overheden door middel van publieke regie in de vorm van een Nationaal Coördinator Groningen (NCG).

De NCG valt conform het Instellingsbesluit onder de verantwoordelijkheid van de Minister van EZ als coördinerend Minister (Staatscourant, nr. 12511). De NCG is belast met het bevorderen van de uitvoering van het meerjarenprogramma aardbevingsbestendig en kansrijk Groningen (bijlage bij TK, 33 529, nr. 212). De NCG voert de volgende taken uit:

Stimuleren

  • Het in samenhang bevorderen van de leefbaarheid, duurzaamheid en de economie van het aardbevingsgebied.

  • Het bevorderen van maatschappelijk, politiek en bestuurlijk draagvlak voor het meerjarenprogramma en van maatschappelijke participatie in de uitvoering daarvan en het bijdragen aan herstel van vertrouwen.

  • Het bevorderen van de instelling van een bedrijvenloket en een steunpunt voor burgers.

Financieren

  • Het financieel bijdragen aan de verduurzaming bij het herstel van woningen in de provincie Groningen.

  • Inzet specifiek instrumentarium voor de woningmarkt, waaronder een regeling voor achterstallig onderhoud en de opzet van een woonbedrijf.

  • Compensatie van extra kosten voor gemeenten en provincie.

(Doen) uitvoeren

  • Het bijdragen aan de uitvoering van het meerjarenprogramma.

  • Het behandelen van de complexe schademeldingen, door met alle betrokkenen te zoeken naar een oplossing en te komen met een bemiddelingsvoorstel.

  • Het inrichten van een breed instrumentarium ter bevordering van schadeafhandeling en de preventieve versterking van gebouwen, alsmede op de thema’s vergroten van leefbaarheid en de verbetering van de woningmarkt.

Regisseren

  • Het coördineren en faciliteren van de uitvoering van het meerjarenprogramma.

  • Het monitoren van de afhandeling van reguliere schadegevallen door het Centrum Veilig Wonen (CVW).

  • Het voeren van programmaregie bij de versterking van gebouwen in het aardbevingsgebied.

Beleidsconclusies

In 2016 is uitvoering gegeven aan het in december 2015 vastgestelde meerjarenprogramma (MJP) Aardbevingsbestendig en Kansrijk Groningen 2016–2020. Het eerste jaar van uitvoering heeft veel in beweging gezet. De inzet van gemeenten, provincie, Rijk, maatschappelijke organisaties en inwoners heeft verbeteringen tot stand gebracht. De Arbiter Bodembeweging (voorheen Arbiter Aardbevingsschade) is van start gegaan en complexe schadegevallen zijn voor bemiddeling naar de NCG gegaan.

Het afgelopen jaar is gestart met de werkzaamheden voor de versterkingsopgave, het aardbevingsbestendig maken van gebouwen. Er is gestart met een inspectie- en engineeringsprogramma van 1.467 gebouwen, voornamelijk (rij)woningen in Loppersum, ’t Zand, Ten Post, Overschild en Appingedam. De eerste berekeningen zijn in het vierde kwartaal ontvangen. Daaruit blijk dat alle berekende woningen versterkt moeten worden. Een analyse is gemaakt met als conclusie dat ook de overige woningen in het programma van 1.467 gebouwen versterkt moeten worden. De Kamer is op 7 december 2016 geïnformeerd over de eerste uitkomsten van dit programma en de noodzaak om deze gebouwen te versterken (TK 33 529, nr. 319).

Het programma voor versterken en nieuwbouw van scholen is vastgesteld. Een eerste vergoeding is in 2016 uitgekeerd.

Samen met het Centrum voor Veilig Wonen zijn mogelijkheden verkend om een versnelling van de versterkingsopgave te realiseren. Deze maatregelen zijn opgenomen in het geactualiseerde MJP dat in december 2016 is vastgesteld. Mogelijkheden zijn onder andere het toepassen van nieuwe rekenmethoden (zoals beschreven in de Nederlandse Praktijkrichtlijn, NPR) en het ontwikkelen van nieuwe aanpakken (bijvoorbeeld met gebruikmaking van referentiewoningen).

Budgettaire gevolgen van beleid artikel 15 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

 

2012

2013

2014

2015

2016

2016

2016

               

VERPLICHTINGEN

       

23.005

98.900

– 75.895

UITGAVEN

       

8.470

98.900

– 90.430

               

Subsidies

       

0

84.000

– 84.000

Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen

       

0

84.000

– 84.000

Verduurzamingsopgave uit aardgasbaten

             

Verduurzamingsopgave overig (kader relevante uitgaven)

             

Instrumentarium woningmarkt

             

Scholenprogramma (kader relevante uitgaven)

             
               

Opdrachten

       

8.320

14.900

– 6.580

Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen

       

0

14.900

– 14.900

Onderzoek

       

2.404

0

2.404

Werkbudget

       

5.916

0

5.916

               

Bijdragen aan agentschappen

       

150

0

150

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

       

150

0

150

X Noot
1

Stand 1e suppletoire begroting 2016 (TK, 34 485, nr. 2). Het beleidsartikel 15 is bij de 1e suppletoire begroting 2016 aan de EZ-begroting toegevoegd.

Toelichting op de verplichtingen en de uitgaven

Verplichtingen

In 2016 is de verplichting aangegaan om de overschrijding van de oude waardevermeerderingsregeling van € 12,350 mln over te nemen naar aanleiding van motie Bosman (TK 33 529 nr. 242). Er hebben in 2016 nog geen betalingen plaats gevonden.

Subsidies

Bij Voorjaarsnota 2016 is € 165 mln beschikbaar gesteld voor de combinatie van verduurzaming bij versterking en/of herstel van schade. Van de hiervoor in 2016 beschikbaar gekomen € 75 mln zijn nog geen uitgaven gedaan. Van de € 165 mln wordt € 23,5 mln aangewend voor het Scholenprogramma. In 2016 heeft een eerste uitkering van € 17,6 mln plaatsgevonden. Deze middelen zijn overgemaakt naar het Gemeentefonds van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om als decentrale uitkering beschikbaar gesteld te worden aan de betrokken gemeentes. Overdrachten via het Gemeentefonds worden niet verantwoord als uitgave (realisatie) maar als begrotingsmutatie.

Daarnaast is er in 2016 € 9 mln vrijgemaakt voor het opzetten van een garantieregeling achterstallig onderhoud en instrumenten ten behoeve van de woningmarkt. In 2016 zijn hiervoor geen uitgaven gedaan.

Voor de genoemde middelen is een 100% eindejaarsmarge overeengekomen waardoor zij beschikbaar blijven voor de komende jaren.

Opdrachten

De NCG heeft voor de komende jaren € 30 mln beschikbaar voor onderzoek, € 20 mln voor de compensatie van de betrokken gemeentes en provincie Groningen voor de extra benodigde inzet en € 55 mln als werkbudget. De NCG bevindt zich in een opstartfase. In het werkbudget voor 2016 is ruimte gereserveerd voor (stimulerings-)bijdragen, (samenwerkings-) trajecten en voorzieningen. Veel trajecten zijn in 2016 gestart maar geven pas in 2017 aanleiding tot uitgaven. Voor veel onderzoeken geldt dat de specificatie van opdrachten vaak complex en uniek is met een relatief lange voorbereidingstijd en aanbestedingsroute tot gevolg. Een goed voorbeeld vormt de opdracht voor de Nederlandse Praktijkrichtlijn Aardbevingen die eind 2016 gegund is. Voor werk- en onderzoeksmiddelen is een 100% eindejaarsmarge overeengekomen waardoor deze middelen beschikbaar blijven voor het programma.

Bijdrage aan agentschappen

In de oorspronkelijke begrotingsopgave was geen ruimte opgenomen voor diensten vanuit agentschappen. RVO.nl heeft in 2016 diensten geleverd voor het verzorgen van klantencontact voor NCG en het leveren van geografische informatie ten behoeve van het klanteninformatiesysteem.

16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Algemene doelstelling

EZ streeft naar internationaal toonaangevende, concurrerende, sociaal verantwoorde, veilige, en dier- en milieuvriendelijke agro-, visserij- en voedselketens.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is verantwoordelijk voor:

Stimuleren

  • Het versterken van de positie van de Nederlandse agro-, visserij- en voedselketens en het stimuleren van groene economische groei via energie- en klimaatbeleid voor de landbouw en de voedings- en genotmiddelen industrie.

  • Het stimuleren van een adequate en duurzame voedselvoorziening/voedselzekerheid, voedselkwaliteit op Europees en mondiaal niveau evenals het bijdragen aan het Europese en internationale landbouw- en visserijbeleid.

  • Het stimuleren van marktgedreven verduurzaming van de veehouderij door de ontwikkeling van onderscheidende duurzame marktconcepten, nieuwe vormen van ketensamenwerking en nieuwe marktstrategieën.

Regisseren

  • Het borgen van voedselveiligheid. Producenten en partijen uit de voedselketen zijn primair verantwoordelijk voor hun producten en productiewijze. Zij opereren op basis van normen en kaders die de overheid stelt en die goeddeels hun grondslag vinden in internationale, vooral Europese regelgeving. De Minister van VWS is verantwoordelijk voor wetgeving voor voedselveiligheid, met uitzondering van wetgeving voor het slachten van dieren en het keuren en uitsnijden van vlees, waar de Minister van EZ verantwoordelijk voor is.

  • Het zeker stellen van goede gewasbescherming, evenals het borgen van plant- en diergezondheid en dierenwelzijn.

Uitvoeren

  • Het uitvoeren van een effectief mestbeleid ter realisatie van de doelstellingen uit de Europese Nitraatrichtlijn (91/676/EEG).

  • Het uitvoeren van adequaat veterinair en fytosanitair beleid.

  • De controle op en handhaving van de regels voor de veiligheid van voedsel in de primaire productie en slachterijfase.

  • Het handhaven van de regelgeving op gebied van dier- en plantgezondheid, zorgvuldig gebruik van antibiotica en dierenwelzijn.

  • Het uitvoeren van kennisontwikkeling en financieren van innovatie ten behoeve van het groene domein.

  • Het uitvoeren van een gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid.

Bij het verder vormgeven van het Europees Landbouwbeleid voor de periode 2014–2020 heeft de Minister de rol om de Nederlandse inbreng goed tot zijn recht te laten komen. Vereenvoudiging is hierbij een belangrijk onderwerp van discussie. In de Beleidsagenda en bijlage Europese geldstromen wordt hier nader op ingegaan.

Kengetal

2011

2012

2013

2014

2015

2016

1.

Maatschappelijke appreciatiescore

Bron: TNS/NIPO

Geen meting

7,5

7,6

Geen meting

7,6

Geen

meting

2.

Mate van vertrouwen consumenten in voedsel

Bron: NVWA monitor

3,4

Geen meting

3,2

Geen meting

3,2

Geen

meting

3.

Export van agrarische producten uit Nederland (bedragen x mln):

         

Raming

 

Duitsland

18.613

20.125

21.079

20.820

20.857

21.627

 

België

7.483

7.856

8.479

8.652

8.661

9.227

 

Verenigd Koninkrijk

6.970

7.358

7.843

8.067

8.321

8.321

 

Frankrijk

7.154

7.296

7.481

7.122

6.860

7.692

 

Italië

3.736

3.776

3.787

3.480

3.207

3.511

 

Overige landen

27.633

30.476

32.287

33.561

33.515

34.660

Totaal

71.589

76.887

80.956

81.702

81.421

85.038

Bron: 2012–2015 CBS, 2016 Wageningen Economic Research/CBS

Ad 1. Indicator betreft de maatschappelijke waardering onder de Nederlandse bevolking van de landbouw vastgelegd in een rapportcijfer. Meting vindt vanaf 2013 om de twee jaar plaats. De volgende score zal in 2017 weer gemeten worden.

Ad 2. De NVWA meet op een schaal van 1–5 het vertrouwen van de consument in de veiligheid van voedsel. Meting vindt om de 2 jaar plaats.

De maatschappelijke appreciatiescore wordt een keer per twee jaar gemeten.

Ad. 3. Het betreft hier de export van primaire en secundaire agrarische producten. Uitgesloten zijn dus de tertiaire goederen, zoals bijvoorbeeld melkrobots.

Voorheen hadden de cijfers UN Comtrade als bron, nu zijn Wageningen Economic Research en het CBS als bron genomen, Daardoor zijn er lichte (niet signifcante) afwijkingen.

Beleidsconclusies

De onderstaande beleidsconclusies geven een beeld van de belangrijkste programma-uitgaven en de belangrijkste resultaten van het beleid in 2016. In 2016 zijn de meeste in de begroting 2016 voorgenomen prestaties gerealiseerd. Eventuele afwijkingen worden hieronder toegelicht.

Voedselagenda en voedselveiligheid

  • In 2016 is de uitvoering gestart van de Voedselagenda, die het kabinet eind 2015 in reactie op het WRR-advies Naar een voedselbeleid naar de Kamer heeft verzonden (TK, 31 532, nr. 156).

  • In samenwerking met bedrijfsleven, instellingen en NGO’s is op specifieke onderdelen uitwerking gegeven aan de Voedselagenda: Zo is samen met het Ministerie van VWS een impuls gegeven aan de voedseleducatie door het programma Jong Leren Eten.

  • In november 2016 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van deze Voedselagenda en zijn de opgaven en ambities voor de komende tijd verwoord (TK, 31 532, nr. 174).

  • Om de transparantie in de voedselketens te vergroten heeft de Staatssecretaris in 2016 afspraken gemaakt met de Alliantie Verduurzaming Voedselsystemen. Daarbij is aandacht besteed aan het opstarten van een pilot en een database (zie TK, 31 532, nr. 159 en TK, 31 352, nr. 176).

  • Verder heeft het Kabinet een verdere ordening van duurzaamheidskeurmerken bevorderd door het benoemen van een aantal solide keurmerken. Hierover is de Kamer in oktober 2016 geïnformeerd (TK, 31 532, nr. 170).

  • In 2016 zijn onder Nederlands voorzitterschap de Raadsconclusies over voedselverliezen en -verspilling aangenomen (ST 10730/16). De discussie over voedselverspilling en -verliezen is met deze EU-aanpak verbreed naar de raakvlakken met landbouwbeleid, voedselzekerheid en ontwikkelingssamenwerking.

  • Daarnaast hebben diverse activiteiten plaatsgevonden zoals een voedseldebat op diverse locaties.

Indicator

Referentie-waarde

Peil datum

Raming 2015

Realisatie 2015

Raming 2016

Realisatie 2016

Bron

Mate van afname van antibiotica-gebruik in de dierhouderij

Antibioticagebruik in 2009

2009

70%

58,4%

70%

Publicatie in 2016

SDa

Nalevingsniveau HACCP-verplichting

80%

April 2009

90%

89,7%

90%

85,6%

NVWA

Antibioticagebruik

Uit de jaarlijkse rapportage van de Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit (SDa) blijkt dat het antibioticagebruik in de periode 2009 – 2015 is gedaald met 58,4% (TK, 29 683, nr. 218).

De overheid blijft inzetten op verdere reductie van het gebruik en daarmee vermindering van risico’s voor resistentieontwikkeling en resistentieverspreiding voor de volksgezondheid. In 2017 worden nieuwe reductiedoelstellingen per sector vastgesteld, tot die tijd blijft de generieke reductiedoelstelling van 70% voor de veehouderij als geheel van kracht (TK, 29 683, nr. 220).

Hazard Analysis and Critical Control Points (HACCP)

In 2015 hebben de vleesproductiebedrijven waarvoor de HACCP verplicht is, voldaan aan 89,7% van de HACCP regels op de inspectielijst van de NVWA. In tegenstelling tot eerdere jaren kan nu ook de realisatie voor 2016 worden opgeleverd. Uit de nalevingsgegevens van 2016 blijkt dat het percentage HACCP regels is gedaald naar 85,6%. Deze daling is mogelijk te verklaren door het strengere en uniformere toezicht dat de NVWA op de slachthuizen uitvoert door het verbeterplan van de NVWA. Hierbij worden ook bij HACCP controles strenger en uniformer beoordeeld met als gevolg vooral een stijging van het percentage HACCP regels met geringe overtredingen.

Voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid

  • De inzet van EZ op voedselzekerheid richtte zich in 2016 op vier thema’s: genetische bronnen, klimaatslimme landbouw, voedselverspilling en oceanen en aquacultuur.

  • In 2016 heeft in Noordwijk de EU-AU Conferentie «Investing in a Food Secure Future» plaatsgevonden, waarin Nederland heeft toegezegd om 2–4 agri-incubators in Afrika op te zetten. Gestart is met een incubator in Tanzania (Center of Excellence aardappels).

  • In samenwerking met het Ministerie van Buitenlandse Zaken is de Tweede Kamer geïnformeerd over de resultaten van het voedselzekerheidsbeleid (TK, 33 625, nr. 233).

  • Er is invulling gegeven aan de motie Dik-Faber (TK, 21 501-32, nr. 932) om samen met maatschappelijke organisaties te komen tot een strategisch actieplan voor het terugdringen van voedselverliezen in ontwikkelende landen. In Indonesië is de eerste pilot gestart waarbij dit actieplan in werking is gezet.

  • In 2016 is een succesvolle Wereldvoedseldag georganiseerd in Rotterdam dat een stimulans heeft gegeven aan initiatieven uit de samenleving om bij te dragen aan een eerlijk, gezond en duurzaam voedselsysteem.

Visserij

In 2016 stond de invoering van een aanlandplicht centraal, dit als gevolg van de in 2014 ingezette hervorming van het Gemeenschappelijk Visserij Beleid. Vissoorten waarvoor vangstbeperkingen gelden mogen niet meer worden teruggegooid in zee, maar dienen te worden aangeland (zie voortgangsrapportage 32 201-86 van 23 december 2016).

Duurzame veehouderij

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2015

Realisatie 2015

Raming 2016

Realisatie 2016

Bron

Percentage integraal duurzame stallen

0%

2008

12%

13%

14%

13,8%1

Wageningen UR Livestock Research

Verhouding duurzame – totale investeringen

27%

2012

24,5%

n.n.b.

24%

Publicatie in 2018

Wageningen Economic Research

X Noot
1

De realisatie 2016 is nog niet bekend. Het aandeel in voorbereiding zijnde integraal duurzame stallen bedraagt circa 0,8% van het totaal aantal stallen. Als deze stallen allemaal worden gerealiseerd, bedraagt het aandeel integraal duurzame stallen eind 2016 13,8%.

Mestbeleid

  • In 2016 zijn stappen gezet om de nationale fosfaatproductie in de melkveehouderij te beheersen. De overschrijding van het fosfaatproductieplafond zoals beschreven in de Nederlandse derogatiebeschikking op grond van de Nitraatrichtlijn (91/676/EG), was aanleiding voor de invoering van een stelsel van fosfaatrechten in de Meststoffenwet (TK, 34 532, nr. 2). De oorspronkelijk beoogde datum van inwerkingtreding is een jaar verschoven naar nu 1 januari 2018 (TK, 34 532, nr. 18).

  • Tegelijkertijd met de behandeling van de wijziging van de Meststoffenwet, is het voorstel voor de Wet grondgebonden groei melkveehouderij (TK, 34 295, nr. 2) behandeld. Hiermee wordt de algemene maatregel van bestuur voor verantwoorde groei melkveehouderij (AMvB Grondgebondenheid) omgezet in een wet. Deze wet maakt groei van bedrijven met melkvee mogelijk, mits de toename van de fosfaatproductie gebeurt op basis van voldoende grond in gebruik bij het bedrijf.

  • Voor het jaar 2016 zijn de percentages verplichte mestverwerking verhoogd met 5% in de regio’s Oost en Zuid Nederland (TK, 33 037, nr. 169). De operationele mestverwerkingscapaciteit is in 2016 naar verwachting vergroot met 5 mln kilogram fosfaat.

  • In juli 2016 is de jaarlijkse derogatierapportage aangeboden aan de Tweede Kamer (TK, 33 037, nr. 178). Dit samen met de vierjaarlijkse Nitraatrichtlijnrapportage (TK, 33 037, nr. 179). Uit deze rapportage blijkt dat nitraatconcentraties in het water op Nederlandse landbouwbedrijven zijn gedaald en dat de kwaliteit van het oppervlaktewater is verbeterd. De verbeteringen zijn beperkt ten opzichte van de vorige monitoringsronde (2008–2011).

Plantgezondheid en plantaardige productie

  • Met een groot aantal stakeholders is in 2016 afspraken gemaakt over het versneld verduurzamen van de gewasbescherming in Nederland. In september is daarvoor de eerste pilot «systeempak» in de teelt van paprika gestart.

  • Onder het Nederlands EU-voorzitterschap is ingezet op het bevorderen van de beschikbaarheid van lagere risico middelen en van geïntegreerde gewasbescherming via de lancering van het implementatieplan «Duurzame Gewasbescherming» in de Landbouw- en Visserijraad (TK, 21 502-32 nr. 933). Dit plan is unaniem aangenomen en zal in 2017 verder worden uitgevoerd door de Europese Commissie, lidstaten en stakeholders.

  • Er zijn enkele nieuwe markten voor Nederlandse plantaardige producten geopend. Zo kunnen er nu paprika’s naar China en aardappelpootgoed naar Tanzania worden geëxporteerd.

  • In 2016 is een Europese conferentie georganiseerd over het herstellen van de balans tussen het octrooi- en het kwekersrecht.

  • In 2016 is een nieuwe nationale strategie voor de GMO groenten en fruit gepubliceerd (TK, 31 532, nr 161). In nauw overleg met het bedrijfsleven is meer focus aangebracht in de nieuwe strategie en is deze gericht op versterking van de afzetkracht, marktgericht ondernemen en verdere verduurzaming. Tevens richt de strategie zich op vernieuwing, collectiviteit en EU conformiteit.

  • In 2016 is de Brede Weersverzekering geëvalueerd. In de eindfase van deze evaluatie deed zich de water- en hagelschadeoverlast in Zuidoost-Nederland voor. Daardoor is extra discussie over mogelijke wijzigingen ontstaan. Over de resultaten van de evaluatie van de Brede Weersverzekering wordt nog met de sector gesproken. Om deze reden is deze evaluatie niet zoals gepland in 2016 bij de Tweede Kamer aangeboden. De evaluatie met appreciatie zal nu in 2017 naar de Tweede Kamer gaan.

  • In 2016 is het programma Keteninnovatie afgerond. Via de Kamer van Koophandel heeft het programma voor € 1 mln keteninnovaties gestimuleerd en begeleid waarbij samenwerkende waardeketens meer marktgericht zijn gaan ondernemen en waarbij nieuwe verdienmodellen zijn ontwikkeld.

  • In 2016 is de Borgstelling MKB-landbouwkredieten als opvolger van de Garantstelling Landbouw uitgewerkt en gepubliceerd. Per 1 januari 2017 is de nieuwe borgstelling operationeel.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2015

Realisatie 2015

Raming 2016

Realisatie 2016

Bron

1.

Totale CO2-emissie glastuinbouw

Circa 7,5 Mton

2013

7,1 Mton

5,7 Mton

6,9 Mton

Publicatie in 2017

LEI

2.

Energie-efficiency index voedings- en genotmiddelen-industrie (VGI)

100%

2005

84%

83%

82%

Publicatie in 2017

RVO.nl

Ad 1) De ramingen betreffen de maximale CO2-emissieruimtes van de glastuinbouw voor deze jaren. De realisatie 2015 ligt daar fors onder. De glastuinbouw ligt op koers om haar doelen voor CO2-uitstoot in 2020 te realiseren. De totale CO2-uitstoot ligt in 2015 16% onder het niveau van 1990 en daarmee loopt de glastuinbouw voor op de landelijke ontwikkeling (+9%).

Bron: LEI-WUR, Energiemonitor van de Nederlandse glastuinbouw 2015

Ad 2) De voedings- en genotmiddelenindustrie ligt qua energie-efficiency over 2015 iets voor op de raming. Hoe lager het percentage hoe efficienter.

Diergezondheid en dierenwelzijn

  • In 2016 is verder uitvoering gegeven aan de beleidsbrief dierenwelzijn van 2013 (TK, 28 286, nr. 651). Nationaal is het beleid op het terrein van de hondenhandel geëvalueerd en de vervolgstappen voor een verbeterd toezicht op de hondenhandel zijn in gang gezet. Het Besluit tot wijziging van het Besluit Houders van dieren is in 2016 besproken in de Tweede Kamer, maar nog niet vastgesteld, waardoor een aantal voornemens uit de beleidsbrief nog niet is bestendigd.

  • Er zijn in 2016 uitbraken geweest van zowel laagpathogene als hoogpathogene vogelgriep. De bestrijding van de hoogpathogene vogelgriep type H5N8 heeft extra inspanning gevraagd op het gebied van onderzoek en bewaking.

  • In 2016 is de voortgangsrapportage Plan van aanpak Dierproeven en alternatieven naar de Tweede Kamer gestuurd (TK, 32 336, nr. 64).

Indicator

Referentie

waarde

Peildatum

Raming 2015

Realisatie 2015

Raming 2016

Realisatie 2016

Bron

EU-OIE vrije status

7

2009

7

7

7

7

EU en OIE

Kennisontwikkeling en (agrarische) innovatie

  • Het onderzoek binnen de topsectoren Agri&Food en Tuinbouw&Uitgangsmaterialen en voor beleidsontwikkeling en politieke besluitvorming in het groene domein is uitgevoerd met een sterke focus op maatschappelijke opgaven zoals onder meer verwoord in de Voedselagenda. Voorbeelden zijn kennisopgaven op het terrein van stimulering van consumptie groente en fruit, bijen, duurzaam bodembeheer, mest en mineralen, en risico's van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij omwonenden.

  • De samenwerking tussen de topsectoren Agri&Food, Hightech en ICT is versterkt. In de akkerbouw gaat het bijvoorbeeld om PPS’en die nieuwe bewerkings- en teelttechnieken met lichte robots ontwikkelen. Een voorbeeld in de tuinbouw is de ontwikkeling van een «smart kas». In de zuivel- en vleesketens gaat het om benutten van big data bij ketenmanagement, real-time data voor optimalisatie van diervoeding, slimme controle van stalklimaat en robots in de stal.

  • Europese en internationale samenwerkingsverbanden met het doel efficiënt onderzoek te doen en kennis te delen met focus op maatschappelijk opgaven zijn beter benut. Zo neemt Nederland deel aan diverse ERA-netten en andere internationale onderzoeksprogramma’s. Voorbeelden zijn het internationaal netwerk STAR-IDAZ (diergezondheidsonderzoek, One Health), ERA-net SusAN (duurzame houderijsystemen), ERA-net Waterworks (duurzaam watergebruik en -beheer), ERA-net GAS (monitoring en maatregelen terugdringen broeikasgassen), ERA-net Core organic (biologische landbouw), JPI-FACCE (onder andere duurzaam bodembeheer) en ERA-net SUSFOOD-2 (duurzame voedselproductie).

Indicator

Referentie-waarde

Peil

datum

Raming 2015

Realisatie 2015

Raming 2016

Realisatie 2016

Bron

1.

Vraagsturing van groen onderzoek door maatschappelijke actoren (beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties)

80%

2013

>80%

Wordt niet meer gepubliceerd

>85%

Wordt niet meer gepubliceerd

PROSU

2.

Kennisbenutting door beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties

88%

2013

>85%

Wordt niet gepubliceerd

>85%

97%

PROSU/ Wageningen Economic Research

3.

Percentage innoverende agrarische bedrijven

11,6%

2006

10%

17%

10,8%

Publicatie in 2017

Wageningen Economic Research

Ad. 1 De indicator vraagsturing is vervallen, wordt voor 2015 en verder ook niet meer gepubliceerd.

Ad. 2 de indicator voor Kennisbenutting over het jaar 2015 wordt niet gepubliceerd, PROSU heeft in 2016 geen opdracht gekregen om deze informatie over 2015 te verwerken.

Ad 3. Innoverende (primaire) bedrijven innoveren vanwege een scala aan redenen. Door Wageningen Economic Research is er gekeken naar procesinnovaties en productinnovaties Procesinnovaties zijn geïmplementeerde vernieuwingen of verbeteringen in het productieproces.

Budgettaire gevolgen van beleid artikel 16 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2012

2013

2014

2015

2016

2016

2016

VERPLICHTINGEN

696.112

676.537

729.130

623.541

673.900

636.548

37.352

Waarvan garantieverplichtingen

43.374

37.707

28.537

28.430

37.690

131.610

– 93.920

UITGAVEN

613.752

666.001

660.124

667.686

642.217

544.121

98.096

               

Subsidies

99.065

71.753

78.379

90.430

103.230

40.817

62.413

Duurzame veehouderij

27.799

16.241

6.256

14.088

10.702

10.320

382

Investeringsregeling duurzame stallen

5.047

10.565

1.476

7.663

6.719

4.458

2.261

Kleine en grote netwerken POP-Nieuwe Uitdagingen

622

459

1.166

1.742

80

0

80

Regeling fijnstofmaatregelen

16.054

0

1.491

3.261

3.077

4.720

– 1.643

Overig

6.076

5.217

2.123

1.422

826

1.142

– 316

Plantaardige productie

19.327

15.396

12.724

9.562

9.917

9.063

854

Investeringsregeling Milieuvriendelijke Maatregelen (IMM)

       

6.124

5.100

1.024

Marktintroductie energie innovaties (MEI)

12.577

13.689

8.642

4.788

3.537

3.689

– 152

Duurzaamheids-investeringen Nieuwe Uitdagingen

3.855

1.931

2.068

3.275

     

Demoregeling Schoon en Zuinig

57

709

526

911

     

Investeringsregeling energiebesparing (IRE)

 

401

862

113

     

Overig

2.838

597

626

475

256

274

– 18

Diergezondheid en dierenwelzijn

2.518

3.017

4.820

3.368

     

Regeling in beslag genomen goederen

2.518

3.017

4.820

3.368

     

Visserij

8.549

8.774

5.416

6.229

3.729

6.518

– 2.789

Regelingen onder het nieuwe EFMZV

     

5.017

2.304

5.779

– 3.475

Overige (uitfinanciering regelingen onder EVF)

8.549

8.774

5.416

1.212

1.425

739

686

Agrarisch ondernemerschap

9.953

9.785

8.824

9.496

4.972

6.535

– 1.563

Flankerend beleid pelsdierhouders

2.000

2.000

2.000

2.006

     

Brede weersverzekering

1.421

1.471

1.403

3.550

4.672

6.518

– 1.846

Investeringsregeling Jonge Agrariërs

3.945

3.349

2.235

3.940

300

17

283

Demoregeling proefprojecten Gemeenschappelijk Landbouwbeleid

2.557

2.019

3.186

       

Overig

30

946

         

Kennisontwikkeling en (agrarische) innovatie

10.373

4.340

2.091

3.416

586

1.092

– 506

Samenwerking POP Nieuwe uitdagingen

548

591

2.091

1.978

237

0

237

Overig

9.825

3.749

 

1.438

349

1.092

– 743

Apurement

20.546

12.269

35.247

11.799

65.329

7.289

58.040

Regeling apurement

20.546

12.269

35.247

11.799

65.329

7.289

58.040

 

   

   

Begrotingsreserves

   

3.001

32.472

8.003

0

8.003

Storting begrotingsreserve landbouw

   

2.511

3.525

     

Storting begrotingsreserve apurement

   

490

28.947

8.003

0

8.003

       

   

Garanties

10.500

27.119

27.191

33.862

6.652

21.560

– 14.908

Storting bijdrage begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit

2.000

3.000

3.056

3.008

3.008

5.014

– 2.006

Verliesdeclaraties Borgstellingsfaciliteit

8.500

24.119

24.135

28.347

3.644

14.039

– 10.395

Garantstelling Marktintroductie Innovaties (GMI)

     

2.507

0

2.507

– 2.507

               

Opdrachten

151.569

145.478

156.959

136.504

121.118

121.899

– 781

Duurzame veehouderij

1.761

8.463

2.908

4.282

4.044

4.139

– 95

Mestbeleid

5.609

6.539

13.007

9.161

3.411

9.318

– 5.907

Plantaardige productie

3.934

4.541

5.334

1.057

1.462

1.877

– 415

Plantgezondheid

1.769

2.500

1.605

1.758

1.666

2.023

– 357

Diergezondheid en dierenwelzijn

13.161

10.011

9.075

8.044

9.301

11.967

– 2.666

Voedselveiligheid- en kwaliteit\ voedselagenda

12.799

7.137

5.909

3.820

5.562

4.572

990

Voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid

5.753

3.743

4.382

1.741

4.695

3.587

1.108

Visserij

5.387

1.923

1.388

3.398

1.683

1.202

481

Agrarisch ondernemerschap

4.155

4.655

2.547

2.849

1.728

2.409

– 681

Kennisontwikkeling en (agrarische) innovatie

97.241

95.966

110.804

100.394

87.566

80.805

6.761

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

117.704

120.616

105.610

82.746

78.720

83.206

– 4.486

Medebewind en overige voormalige publieke PBO-taken

20.354

23.750

25.477

4.774

1.535

5.631

– 4.096

Wageningen Research (vh Dienst Landbouwkundig Onderzoek)

95.027

94.819

77.341

75.221

75.232

75.646

– 414

College Toelating Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden

2.323

2.047

2.792

2.751

1.953

1.007

946

Centrale Commissie Dierproeven

         

922

– 922

               

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

4.200

5.577

3.145

14.064

12.253

4.040

8.213

Diergezondheidsfonds

4.200

5.577

3.145

14.064

12.253

4.040

8.213

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

 

12.615

10.647

10.519

10.042

8.861

1.181

FAO en overige contributies

 <