Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201733625 nr. 233

33 625 Hulp, handel en investeringen

Nr. 233 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 oktober 2016

Met de beleidsbrief «Nederlandse inzet voor wereldwijde voedselzekerheid» (Kamerstuk 33 625, nr. 147) heeft het kabinet eind 2014 het voedselzekerheidsbeleid uiteengezet. Dit beleid kent de volgende doelstellingen:

  • 1. Uitbannen van honger en ondervoeding, met als nieuwe accenten het versterken van reproductieve gezondheid en rechten van vrouwen en het vergroten van weerbaarheid, zoals tegen schommelingen in voedselprijzen.

  • 2. Bevorderen van inclusieve en duurzame groei in de agrarische sector, met als nieuwe accenten het terugdringen van voedselverliezen en het verbeteren van landbouwbeleid.

  • 3. Realiseren van ecologisch houdbare voedselsystemen, met als nieuwe accenten het toepassen van de landschapsbenadering en het verduurzamen van de veehouderij.

Het voedselzekerheidsbeleid richt zich primair op het ondersteunen van ontwikkelingslanden bij het realiseren van de targets van Global Goal 2: uitbannen van honger en ondervoeding, verdubbelen van productiviteit en inkomen van kleinschalige boer(inn)en en verduurzamen van voedselproductiesystemen in 2030. In de uitvoering worden coherentie en synergie nagestreefd met aanpalende thema’s, zoals private sector ontwikkeling, water en klimaat, en met het brede kabinetsbeleid met betrekking tot hulp en handel en duurzaam voedsel.

Mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken informeer ik uw Kamer hierbij over de voortgang op het gebied van voedselzekerheid. Daarmee komt het kabinet tegemoet aan de toezegging uit het AO Voedselzekerheid van 27 januari j.l. (Kamerstuk 31 532, nr. 158) om uw Kamer per brief te informeren over voortgang en resultaten op de doelen van de beleidsbrief Voedselzekerheid van 2014. Met deze brief wordt uw Kamer tevens geïnformeerd over de uitvoering van de volgende moties op het terrein van voedselzekerheid:

  • agrarisch beroepsonderwijs en capaciteitsopbouw (moties Van der Staaij, Kamerstuk 33 625, nr. 27, en Mulder/Van der Staaij, Kamerstuk 34 000 XVII, nr. 19);

  • een actieplan tegen voedselverliezen (motie Dik-Faber, Kamerstuk 33 625, nr. 199);

  • definitie van klimaatslimme landbouw en positie van kleine boeren en boerinnen hierin (moties Thieme, Kamerstuk 33 625, nr. 195, resp. Van Laar, Kamerstuk 33 625, nr. 201);

  • intensivering op landrechten (motie Smaling, Kamerstuk 33 625, nr. 203).

Tijdens het AO/VAO Voedselzekerheid heeft uw Kamer ook aandacht gevraagd voor de onderwerpen voeding, vrouwenrechten en gendergelijkheid, toepassing van een landschapsbenadering in de cacaoteelt en export van intensieve veehouderij. Deze onderwerpen vormen onderdeel van de brief, evenals de uit het AO inclusieve ontwikkeling van 9 maart jl. voortgekomen toezegging om aandacht te besteden aan de positie van boeren/boerinnen met een beperking.

Meer gedetailleerde informatie over de activiteiten en hun specifieke resultaten op gebied van voedselzekerheid zijn terug te vinden in de resultatenrapportage die uw Kamer recent toeging.

Resultaatgebied 1: Uitbannen van de huidige honger en ondervoeding

Wereldwijd lijden 2 miljard mensen aan chronische honger en/of micronutriëntengebrek, de zogenaamde verborgen honger. Verborgen honger is een gevolg van voedselinname van lage kwaliteit wat tot gevolg heeft dat met name kinderen gebrek aan vitamines en mineralen hebben. Dit leidt tot groeiachterstand en maakt hen veel vatbaarder voor infecties. De ambitie van Global Goal 2 is helder: honger en ondervoeding in 2030 de wereld uit. Nederland heeft daarbij de ambitie om tussen nu en 2030 voor 32 miljoen mensen ondervoeding en honger uit te bannen.

Met de resultaten die Nederland de afgelopen jaren geboekt heeft liggen we op schema om onze ambitie met betrekking tot de Global Goals te behalen. In 2014 werden 8 miljoen ondervoede mensen bereikt; in 2015 waren dat er 18 miljoen. Deze toename is in belangrijke mate het resultaat van de samenwerking met UNICEF, die in 2015 de eerste resultaten opleverde. Het kabinet zal deze stijgende lijn continueren, uitvoering gevend aan de motie Van Laar/Smaling (Kamerstuk 34 000 XVII, nr. 23).

Met het bereiken van ondervoede mensen draagt Nederland direct bij aan de verbetering van hun voedingssituatie, maar daarmee zijn ze nog niet definitief «uit de ondervoeding gehaald». Bij ongeveer 10 van de 18 miljoen bereikte mensen was in 2015 aantoonbaar sprake van inname van kwalitatief betere voeding, vooral door het verschaffen van voedingssupplementen en extra vitaminen. Bij bijna 5 miljoen mensen was (ook) sprake van een verbetering van de toegang tot voedsel, onder meer dankzij kleinschalige groententeelt en beschikbaarheid van verrijkt voedsel. Ruim 3 miljoen ondervoede mensen werden (ook) weerbaarder tegen onvoorziene gebeurtenissen, bijvoorbeeld dankzij het opzetten van spaargroepen of door toegang tot water het hele jaar door.

Zoals gesteld in de beleidsbrief Voedselzekerheid uit 2014 is het, naast de directe bestrijding van ondervoeding, essentieel om ook de onderliggende oorzaken aan te pakken. Vooral de voedingstoestand van adolescenten is van belang. Als zij ondervoed raken en bij een eerste zwangerschap ondervoed zijn, wordt de ondervoeding van moeder op kind doorgegeven en start de volgende generatie al met een achterstand. Voedingsprojecten in Bangladesh hebben daarom reproductieve gezondheids- en genderaspecten geïntegreerd in hun training modules. Ze geven meisjes, boerinnen en hun schoonfamilie voorlichting over goede voeding, HIV/aids, veilige seks, seksueel misbruik en de gevaren van tienerzwangerschappen.

Een tweede nieuw accent is het weerbaarder maken van mensen tegen voedseltekorten en ondervoeding, bijvoorbeeld via inkomen genererende diversificatie van de voedselproductie. Uit een studie die het kennisplatform voedselzekerheid op verzoek van de topsector Tuinbouw/Uitgangsmaterialen liet uitvoeren blijkt dat investeringen in de groente- en fruitsector in Oost-Afrika daadwerkelijk de voedselzekerheid vergroten. Boer(inn)en die groente en fruit verbouwen hebben een hoger inkomen, waarmee ze onder meer hun voedselpakket kunnen uitbreiden, en blijken ook feitelijk beter gevoed te zijn dankzij een beter vitaminen- en mineralenrijk dieet.

Resultaatgebied 2: Bevorderen van inclusieve en duurzame groei in de agrarische sector

Iedere boer(in) verdient de kans om haar/zijn bedrijf te ontwikkelen, ook al zal niet iedere kleinschalige boer(in) een succesvolle agrarische ondernemer kunnen worden. Doel van het Nederlandse beleid is om die kansen te vergroten, vooral voor vrouwen en jongeren. Dat laat onverlet dat ook moet worden gezorgd voor de mensen die geen bestaanszekerheid meer aan de landbouw kunnen ontlenen: verzekeringen en vangnetten zijn voor hen van levensbelang. Het kabinet heeft uw Kamer toegezegd om in dit verband ook aandacht te besteden aan boer(inn)en met een fysieke of mentale beperking. Het is niet eenvoudig om die groep te bereiken en te ondersteunen. Het voedselzekerheidsbeleid was daar tot nu toe ook nog niet op gericht. Samen met organisaties die hieraan werken wordt gezocht naar de juiste aanpak en naar mogelijkheden om die te verbreden. Bijvoorbeeld met ICCO, dat er in Bangladesh in slaagt om met extreem arme plattelandsvrouwen met een beperking hun inkomens uit (pluim)veehouderij en visserij te verhogen. Het kabinet zal uw Kamer vanaf volgend jaar over de voortgang informeren via de jaarlijkse resultatenrapportage.

Het Nederlandse beleid richt zich met nadruk op de 500 miljoen kleinschalige boer(inn)en wereldwijd. Zij zijn in Azië en Sub Sahara Afrika verantwoordelijk voor 80% van de voedselproductie. Global Goal 2 streeft naar een verdubbeling van hun productiviteit en inkomen in 2030. Nederland zet zich in voor het helpen realiseren van die verdubbeling voor ongeveer 8 miljoen boer(inn)en.

Werden in 2014 circa 4,5 miljoen kleinschalige boer(inn)en ondersteund, in 2015 waren dat er 7,1 miljoen. Zij werden bereikt met training, productievere gewassen, financiële diensten, opslag en verwerking, infrastructuur en/of organisatieversterking. Daarmee is niet gezegd dat deze boer(inn)en ook structureel «uit de armoede gehaald zijn». Bij 1,7 van de 7,1 miljoen in 2015 bereikte boer(inn)en werd een verhoging van productiviteit en inkomen vastgesteld. Bij 2,8 miljoen was sprake van een betere toegang tot markten. En van 2,0 miljoen werd hun boerenbedrijf weerbaarder tegen (klimaat)schokken. Er worden naar schatting ongeveer evenveel vrouwen als mannen bereikt, maar met de huidige data is het nog niet mogelijk om totaalcijfers betrouwbaar te disaggrereren naar gender. In de toekomst zullen niet alleen genderanalyses aan alle activiteiten ten grondslag liggen, maar ook resultaten ten aanzien van gendergelijkheid beter in beeld komen.

Een nieuw accent in de beleidsbrief Voedselzekerheid is de bilaterale samenwerking ter ondersteuning van landbouw- en voedselbeleid. Doel is het scheppen van optimale randvoorwaarden voor landbouwontwikkeling en nationale voedselzekerheid. Nederland draagt hieraan bij met kennis en eigen praktijkervaring, ook vanuit het bedrijfsleven in publiek private samenwerkingsverbanden. Zo werkt bijvoorbeeld het Kadaster samen met lokale instanties in Bangladesh, Benin, Colombia, Mozambique en Rwanda aan de registratie van landeigendom. Met het bedrijfsleven en Wageningen UR wordt de ontwikkeling van de zaaizaadsector ondersteund in onder meer Ethiopië, Oeganda en Tanzania. Meer boer(inn)en krijgen zo toegang tot verbeterd zaaizaad dat productievere gewassen oplevert die minder vatbaar zijn voor ziekten. Samen met capaciteitsopbouw, bijvoorbeeld op fytosanitair gebied, leidt dit tot betere productieomstandigheden, markttoegang en goede dienstverlening aan de boer(in).

Ook in multilateraal verband draagt Nederland bij aan verbetering van landbouw- en voedselbeleid. Bijvoorbeeld via het FAO-programma «Monitoring and Analysing Food and Agricultural Policies» (MAFAP), dat landen inzicht verschaft in de effectiviteit van hun landbouwbeleid en van hun publieke uitgaven in de landbouwsector. Nederland ondersteunt ook de Afrika-brede ontwikkeling van landbouwbeleid in het kader van het Comprehensive African Agriculture Development Programme. Op 4-6 juli 2016 organiseerde Nederland samen met de African Union en de Europese Commissie de conferentie «Investing in a Food Secure Future» over landbouw, voedsel en klimaat. De conferentie heeft een belangrijke impuls gegeven aan samenwerking op het gebied van duurzame investeringen in de agrarische sector in Afrika. Nederland heeft toegezegd twee tot vier Agri-business incubators te financieren in Afrika.

Voedselverliezen

Conform de beleidsbrief Voedselzekerheid zet Nederland in op het terugdringen van voedselverliezen. Dit is in lijn met Global Goal 12 (Ensure sustainable consumption and production patterns), waarvan target 3 streeft naar terugdringen van voedselverliezen. In juni 2015 is op initiatief van Nederland de conferentie «No More Food to Waste» georganiseerd in Den Haag, waar een internationale actieagenda is vastgesteld. Hieruit is het initiatief «Champions 12.3» ontstaan: een internationale coalitie van inmiddels 53 leiders van overheden, bedrijfsleven, internationale- en maatschappelijke organisaties die zich inzetten om Global Goal 12.3 te realiseren en om anderen te mobiliseren. Zo is in dit kader bijvoorbeeld het EU Platform on Food Losses and Food Waste opgericht en is het programma YieldWise gelanceerd dat door middel van demonstratieprojecten laat zien hoe voedselverliezen kunnen worden voorkomen.

Nederland stimuleert daarnaast onder meer efficiëntere zuivelketens in Indonesië en Vietnam, verbetering van productie en transport van voedsel in Sub-Sahara Afrika en snellere afhandeling van formaliteiten aan de grens. De Ministeries van Buitenlandse Zaken en Economische Zaken werken daarbij nauw samen met Nederlandse bedrijven, NGO’s en kennisinstituten in het «Postharvest Network». Zoals verzocht door uw Kamer (motie Dik-Faber, Kamerstuk 33 625, nr. 199) formuleert het Postharvest Network momenteel een actieplan voor het tegengaan van voedselverliezen in ontwikkelingslanden. Het actieplan bundelt de activiteiten van de NGO’s. Voorbeelden zijn trainingen aan kleine boeren in Rwanda voor het bewaren van fruit (ICCO), opzet van gekoelde melkinzamelcentra in Malawi (Heifer), betere transportfaciliteit voor verse producten in Oeganda (Cordaid) en lobbyactiviteiten van lokale maatschappelijke organisaties in Rwanda rond voedselverliezen (SNV). Het actieplan richt zich op:

  • 1. uitwisselen van informatie tussen Nederlandse actoren die bijdragen aan het terugdringen van voedselverliezen in ketens in ontwikkelingslanden;

  • 2. uitvoeren van een aantal gezamenlijke pilots op landenniveau, te beginnen in de vers fruit-, vis- en sjalotten ketens in Indonesië, om voedselverliezen tegen te gaan; en

  • 3. opschalen en duurzaam financieren van initiatieven die een aantoonbare positieve impact hebben op de efficiëntie van voedselketens in ontwikkelingslanden.

Resultaatgebied 3: Realiseren van ecologisch houdbare voedselsystemen

De ecologische houdbaarheid van voedselsystemen begint bij een «duurzame intensivering» van de landbouw. Dat wil zeggen dat niet alleen de productiviteit en inkomens van boer(inn)en verbeteren, maar dat die verbeteringen ook agro-ecologisch verantwoord zijn. Duurzame intensivering speelt zich bovendien af binnen een veranderend klimaat: meer/langere droogtes, overstromingen, hogere temperaturen, nieuwe ziektes en plagen. Adaptatie aan en weerbaarheid tegen effecten van klimaatverandering, en het terugdringen van de broeikasgasuitstoot van de landbouwsector waar mogelijk, zijn onderdeel van de Nederlandse inzet.

Global Goal 2 streeft naar duurzame voedselproductiesystemen in 2030 en behoud van de genetische diversiteit van dierlijke en plantaardige voedselbronnen in 2020. Met de focus op de productiviteit van kleinschalige boer(inn)en gaat het hier in eerste instantie om het duurzaam gebruik en beheer van hún land, water, bodem, voedingsstoffen en agrobiodiversiteit. Nederland stelt zich ten doel om dat te helpen realiseren op 7,5 miljoen hectare door kleinschalige boer(inn)en beheerd land.

De resultaten laten een goede voortgang zien. In 2014 werd op 0,5 miljoen hectare land bijgedragen aan duurzamer gebruik. In 2015 was dat opgelopen naar 2,5 miljoen hectare. Ecologische duurzaamheid wordt niet in enkele jaren bereikt maar vereist langdurige investeringen, op individuele akkers en in de omringende gebieden. Effecten van de Nederlandse inzet zijn wel deels al zichtbaar. In 2015 werden op 0,6 miljoen hectare land, water, mest en bestrijdingsmiddelen efficiënter gebruikt. Op 0,4 miljoen hectare werden maatregelen genomen om (klimaat)schokken beter te weerstaan, zoals aanleg van barrières om water vast te houden en erosie te voorkomen. Van circa 0,1 miljoen hectare landbouwgrond werd ook het omringende stroomgebied beter beheerd, bijvoorbeeld door bossen in stand te houden en daarmee de waterhuishouding te beschermen.

Ecologisch houdbare voedselsystemen overstijgen het niveau van individuele boerenbedrijven. Dat vereist een geïntegreerde (landschaps-)benadering, conform het accent in de beleidsbrief Voedselzekerheid. Uw Kamer vroeg 27 januari jl. specifiek naar initiatieven in de cacaoteelt. In 2015 startte een programma van het Initiatief Duurzame Handel (IDH) in het cacao productiegebied grenzend aan het Tai nationaal park in Ivoorkust. Vanuit een landschapsperspectief wil men komen tot verduurzaming van de productie van cacao, inclusief beter beheer van het Tai nationaal park en het tegengaan van ontbossing. Het is nog te vroeg voor concrete resultaten: in 2015 is een baseline studie uitgevoerd en de eerste activiteiten starten dit jaar.

Ook rivieren, kustgebieden en oceanen zijn belangrijke voedselbronnen. De ontwikkeling van duurzame aquacultuur past daarin. Nederland speelt een leidende rol in het Global Network on Blue Growth and Food Security. Dit netwerk bouwt voort op de uitkomsten van de «Global Action Summit for Food Security and Blue Growth» die in 2014 in Den Haag plaats vond. In mei 2016 heeft Nederland samen met Grenada het initiatief genomen voor het opzetten van een «Blue Growth Innovation Centre».

In het kader van duurzaam gebruik van genetisch materiaal van planten heeft Nederland het «Nagoya Protocol» in 2015 geratificeerd dat toeziet op een eerlijke verdeling van de opbrengsten van genetische bronnen. Daarnaast werd met Nederlandse steun in februari 2016 de eerste Access to Seeds Index gepubliceerd. Deze index beoogt leidende zaaizaadbedrijven aan te zetten om kwaliteitszaad beter beschikbaar te maken voor kleine boeren. Ook investeert Nederland in het werk van de Global Crop Diversity Trust die diversiteit van landbouwgewassen voor wereldwijde voedselzekerheid nastreeft.

Een nieuw accent in de beleidsbrief Voedselzekerheid is de verduurzaming van de veehouderij. Hierbij staan de behoeften van de betreffende boer(inn)en centraal, zodat technologische innovaties en lokale omstandigheden goed op elkaar aansluiten. Een voorbeeld is de samenwerking met Oegandese melkcoöperaties, die met Nederlandse steun hun eigen, energiebesparende melkkoelers hebben aangeschaft, waardoor het mogelijk is de stedelijke bevolking te voorzien van kwalitatief goede melk. Hiermee krijgen de coöperaties betere prijzen en meer leden. Tienduizend veeboeren verdienen nu jaarlijks ieder honderden Euro’s extra. Intussen is gestart met verbeterde veevoerproductie en wordt gekeken naar mogelijkheden voor melk-kiosken in steden, waar consumenten gemakkelijk veilige melk kunnen kopen. Op internationaal beleidsniveau is Nederland een van de trekkers van een wereldwijde multistakeholder dialoog over verduurzaming van de veehouderij.

Klimaatslimme landbouw

Uw Kamer verzoekt om een heldere definitie van klimaatslimme landbouw, die recht doet aan duurzaamheid en het recht op voedsel (motie Thieme, Kamerstuk 33 625 nr. 195). Tevens verzoekt uw Kamer om investeringen in klimaatslimme landbouw te richten op kleinschalige boer(inn)en en om het op ecologische wijze verbeteren van hun productiviteit tot kernpunt van beleid te maken (motie Van Laar, Kamerstuk 33 625, nr. 201).

Het kabinet onderschrijft de internationale (FAO) definitie van klimaatslimme landbouw: een benadering die zich richt op transformatie en heroriëntatie van landbouwsystemen om ontwikkeling en voedselzekerheid te ondersteunen in een veranderend klimaat. Doelen zijn duurzame verhoging van productiviteit en inkomens, aanpassing aan en weerbaarheid tegen effecten van klimaatverandering en, waar mogelijk, terugdringen van emissies van broeikasgassen. Deze definitie is ook het uitgangspunt van de Global Alliance for Climate Smart Agriculture, waarvan Nederland een van de voortrekkers is. In de interpretatie van het kabinet liggen duurzaamheid en het recht op voedsel ten grondslag aan deze definitie.

In lijn met het verzoek van uw Kamer richt het kabinet zijn investeringen in klimaatslimme landbouw op een ecologisch verantwoorde productiviteitsverbetering. Het voedselzekerheidsbeleid zet in op het duurzaam verhogen van de productiviteit en weerbaarheid van met name kleinschalig producerende boer(inn)en, waardoor deze kwetsbare groep de gevolgen van klimaatverandering beter kan opvangen. Daarbij staat, conform de beleidsbrief Voedselzekerheid, niet één enkel «model» van landbouwontwikkeling centraal. Uitgangspunt zijn de mogelijkheden en behoeften van de betreffende boer(inn)en. Praktijken en technologieën worden aangepast en ontwikkeld vanuit de lokale ecologische en sociale context. Voorbeelden van deze benadering van adaptatie in de kleinschalige landbouw zijn onder meer te vinden in het klimaatprogramma van het International Fund for Agricultural Development (IFAD), het klimaatprogramma van de Consultative Group on International Agricultural Research (CGIAR) en het Geodata for Agriculture and Water programma, alle ondersteund door Nederland. Dankzij die programma’s worden bijvoorbeeld boeren in Nicaragua en Honduras geholpen om hun voor warmte- en schimmelgevoelige koffiestruiken te vervangen door variëteiten die daar beter tegen bestand zijn; worden veehouders in droogtegevoelige gebieden in Mali voorzien van satellietinformatie over beschikbaarheid van goede weidegrond en water; wordt op proefboerderijen in Kenia onderzoek gedaan naar nieuwe oplossingen voor de lokale landbouw die met meer droogte en hitte te maken krijgt; en worden miljoenen boeren in Ethiopië verzekerd tegen de risico’s van onverwachte droogtes.

Daarnaast stimuleert Nederland duurzame, klimaatslimme investeringen in alle schakels van de voedselketen, samen met de private sector, onderzoeksinstituten, maatschappelijke organisaties en overheden. Zo werken we in Algerije aan klimaatslimme oplossingen voor de verduurzaming van de aardappelketen door het opzetten van een pilot met alle betrokken partijen en in Marokko aan de introductie van klimaatslimme technieken in de bedekte tuinbouw. Om de sociaalecologische duurzaamheid van deze investeringen te garanderen worden door het kabinet, naast de OESO richtlijnen voor multinationale ondernemingen, de Voluntary Guidelines on Governance of Land Tenure en de Principles for Responsible Investment in Agriculture and Food Systems van het Committee on World Food Security toegepast. Dit is onderdeel van de inzet op coherentie ten behoeve van voedselzekerheid, zoals verzocht door uw Kamer.

Resultaatgebied 4: Randvoorwaarden voor voedselzekerheid

Een aantal activiteiten resulteert niet direct in beter gevoede mensen, beter verdienende boer(inn)en of beter landbeheer, maar schept daarvoor wel de noodzakelijke randvoorwaarden. Dit gebeurt doorlopend via internationale beleidsbeïnvloeding, «voedseldiplomatie», binnen relevante organisaties zoals de FAO, het Committee on World Food Security, het Wereldvoedselprogramma (WFP), de Wereldbank, de OESO, de EU en het World Economic Forum (WEF). Aandacht voor voeding, reproductieve rechten en gender, inclusiviteit, jongeren, private sector ontwikkeling en klimaatverandering worden door Nederland, waar relevant, naar voren gebracht. Voorbeelden zijn de aandacht voor voeding binnen de samenwerking op landbouw met de Wereldbank, het benadrukken van de rol van de private sector binnen voedingsprogramma’s bij WFP en UNICEF en het bepleiten van de implementatie van richtlijnen voor verantwoord investeren in landbouw en voedselsystemen in WEF verband. Naast voedseldiplomatie wordt ook geïnvesteerd in randvoorwaarden voor voedselzekerheid, met name in kenniscapaciteit en landrechten.

Kennis, agrarisch beroepsonderwijs en capaciteitsopbouw

Nederland investeert in kennisoverdracht en kennisinfrastructuur ten behoeve van voedselzekerheid. Zo werden in 2015 2 miljoen boer(inn)en getraind en/of voorzien van verbeterde technologie. De benadering is maatwerk, aansluitend bij de vraag en de mogelijkheden van de betreffende boer(in). Een voorbeeld is het programma Plantwise van onderzoeksorganisatie CABI. Plantwise traint zg. «plant doctors» die spreekuur houden voor boeren. Met een juiste diagnose kan de oorzaak van problemen worden aangepakt. In Oeganda bracht een nieuwe pootmethode voor peulvruchten bijvoorbeeld uitkomst voor een grote groep boeren en boerinnen die kampten met een plantenziekte die niet op toediening van (dure) bestrijdingsmiddelen reageerde.

Dit soort kennis en innovatie komt niet vanzelf, maar vereist capaciteit. Het agrarisch beroepsonderwijs heeft daarin een sleutelrol en wordt ondersteund via onder meer het NICHE en het Learn4Work programma. Zoals verzocht door uw Kamer (moties Van der Staaij, Kamerstuk 33 625, nr. 27, en Mulder/Van der Staaij, Kamerstuk 34 000 XVII, nr. 19) is de verbetering van het aanbod en de kwaliteit van agrarisch beroepsonderwijs voor jonge boer(inn)en gericht op een verbeterde aansluiting op de arbeidsmarkt. Tevens vormt dit een onderdeel van de beleidsdialoog voor voedselzekerheid die de Nederlandse ambassades in de partnerlanden voeren met de relevante vakministeries en met bedrijven en NGO’s.

Landbouwontwikkeling vraagt om lokaal toepasbare kennis. Met dat doel wordt geïnvesteerd in vraaggestuurd internationaal landbouwkundig onderzoek via samenwerking met de Consultative Group on International Agricultural Research (CGIAR), de Global Research Alliance on Agricultural Greenhouse Gases (GRA) en via Europese onderzoekssamenwerking, zoals het Joint Programming Initiative on Agriculture, Food Security and Climate Change (JPI FACCE). Ook nationaal streven we naar effectieve samenwerking in kennisprogramma’s via het Food & Business Knowledge Platform en via de ondersteuning van de internationalisering van het groene (beroeps)onderwijs. De gehele kenniskolom is hierbij betrokken via het zogenaamde «Borderless Network», bestaande uit Wageningen UR, HBO’s en Agrarische Opleidingscentra. Ook het bedrijfsleven participeert in dit netwerk.

Landrechten

Ten slotte is het versterken van landrechten een belangrijke randvoorwaarde voor landbouw en voedselzekerheid. Dit heeft de volle aandacht van het kabinet. Nederlandse ambassades in Bangladesh, Benin, Burundi, Colombia, Indonesië, Mozambique, Rwanda en Uganda investeren ter plekke in betere landrechten. Hierbij wordt gebruik gemaakt van Nederlandse kennis en kunde. Dit heeft in 2014 en in 2015 geresulteerd in betere landrechten voor ongeveer anderhalf miljoen mensen. Uw kamer verzoekt om die inzet met geïnteresseerde partnerlanden te intensiveren (motie Smaling, Kamerstuk 33 625, nr. 203). Daarom is onlangs besloten om de bijdrage aan de Nederlandse Academie voor duurzame en inclusieve Land Governance (LANDac) te verlengen tot 2021. Het LANDac partnerschap wordt daarmee verder uitgebreid: naast Afrika Studie Centrum, Agriterra, Koninklijk Instituut voor de Tropen, Utrecht Universiteit en Wageningen UR gaan nu ook Oxfam Novib, Rijks Universiteit Groningen, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en Universiteit Twente/ITC meedoen. Dat vergroot de hoeveelheid beschikbare kennis en kunde en daarmee de mogelijkheden voor geïnteresseerde partnerlanden om hier gebruik van te maken. Zo wordt, naast registratie van landeigendom, ook samengewerkt aan transparantie van landtransacties, landgebruiksplanning en compensatieregelingen bij onteigening. Ook de relatie tussen landrechten en onderwerpen als verstedelijking, gender ongelijkheid en klimaatverandering maken deel uit van de samenwerking.

Tot slot

Voor de komende jaren ambieert het kabinet om de ontwikkeling van de voedsellandbouw te blijven ondersteunen, ondervoede mensen niet alleen bij te staan, maar structureel uit de ondervoeding te halen en meer te doen aan ecologische duurzaamheid van voedselproductie. Meetbare resultaten zullen daarbij leidend zijn. Daartoe zullen de effecten van Nederlandse interventies scherper in beeld worden gebracht, zodat de Nederlandse bijdrage aan de targets van Global Goal 2 zo veel mogelijk kwantitatief kan worden weergegeven, inclusief voor de meest kwetsbare groepen en met betrekking tot gender aspecten. Het kabinet blijft dan ook graag in gesprek met uw Kamer en met betrokken partijen om deze inzet te consolideren en waar nodig verder te intensiveren.

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, E.M.J. Ploumen