Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201633529 nr. 244

33 529 Gaswinning

Nr. 244 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 februari 2016

Op 26 januari jl. vond een plenair debat plaats over de gaswinning in Groningen (Handelingen II 2015/16, nr. 46, item 24), waarna uw Kamer een 14-tal moties heeft aangenomen. Hierbij informeer ik uw Kamer over de wijze waarop ik met deze moties omga.

Voorfinanciering toekomstbestendige scholen

Met de motie van het lid Van Veldhoven c.s. (Kamerstuk 33 529, nr. 218) wordt de regering verzocht om de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) in staat te stellen om met scholen en gemeenten een oplossing te vinden voor het vraagstuk dat sommige scholen en gemeenten eerder dan voorzien geconfronteerd worden met kosten maar dat dit toekomstbestendige keuzes niet in de weg moet staan, en om daarbij ook voorfinanciering als instrument te onderzoeken. In het Meerjarenprogramma Aardbevingsbestendig en Kansrijk Groningen is een aanpak voor de versterkingsopgave opgenomen, waarvan ook scholen en zorggebouwen deel uitmaken. De NCG maakt op dit moment een overzicht van de extra kosten die dit met zich meebrengt, waarbij ook gekeken wordt naar de opgaven in de zorg en het onderwijs. Daar waar de bestaande budgetten voor het versterken van gebouwen en vergroten van de leefbaarheid en het economisch perspectief binnen de eerder vastgestelde middelen uit het bestuursakkoord en de betreffende begrotingen van overheden en instellingen tekort schieten, kunnen aanvullende middelen nodig zijn om toch toekomstbestendig te investeren. Het kabinet heeft de NCG gevraagd om inzichtelijk te maken wat de omvang is van deze eventueel benodigde middelen voor onder meer onderwijs, zorg, cultureel erfgoed en openbare ruimte en zal op basis daarvan, waar nodig, dekking zoeken. Daarbij stelt het kabinet vast dat de aansprakelijkheid van NAM het uitgangspunt is, dat de bestaande (financiële) verantwoordelijkheden, bijvoorbeeld op het terrein van onderwijs en zorg, onveranderd blijven en dat de NCG binnen dat kader een regierol vervult. De gesprekken over deze inventarisatie worden momenteel gevoerd. Ook zal hierbij de mogelijkheid van voorfinanciering in beschouwing genomen worden. Bij de voorjaarsnota verwacht ik uw Kamer te kunnen informeren over de eerste uitkomsten van de inventarisatie.

Opzet onderzoeksprogramma ondergrond

Met de motie van de leden Van Veldhoven en Jan Vos (Kamerstuk 33 529, nr. 220) wordt de regering verzocht om het onafhankelijk onderzoeksprogramma naar de ondergrond zodanig op te zetten dat ook het onderzoek op basis waarvan het winningsbesluit wordt gemaakt daar onafhankelijk belegd kan worden. Ik heb het initiatief genomen voor de inrichting van een onafhankelijk netwerk van universiteiten, rijksinstituten en publiek/private kennisinstellingen. Dit kennisnetwerk zal zich specifiek richten op de risico’s van mijnbouw in Nederland, waaronder gaswinning. Het netwerk zal los van overheid en bedrijfsleven onder toezicht van een wetenschappelijke raad van toezicht de relevante gezaghebbende kennis ontwikkelen. Het kabinet heeft hiervoor extra middelen vrijgemaakt in de rijksbegroting. Hiermee komt onafhankelijke kennis beschikbaar om de risico’s van mijnbouw gezaghebbend te beoordelen. Zoals in de Mijnbouwwet is vastgelegd en ook in het rapport «Aardbevingsrisico’s in Groningen» van de Onderzoeksraad voor Veiligheid wordt benadrukt, hebben en houden mijnbouwbedrijven een eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot mijnbouwactiviteiten, met de daarbij horende onderzoeksplicht. Het streven is om het netwerk medio 2016 van start te laten gaan. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie. Met het oog op het komende winningsplan dat uiterlijk 1 april 2016 moet worden ingediend, zal het onafhankelijke onderzoeksprogramma nog geen rol kunnen spelen. Het kennisnetwerk zal in eerste instantie waarschijnlijk niet in staat zijn het gehele onderzoeksprogramma dat bij NAM loopt te kopiëren. Belangrijke redenen daarvoor zijn de kosten (NAM besteedt hier jaarlijks tientallen miljoenen aan) en de benodigde computerinfrastructuur (de betrokken kennisinstellingen hebben nog niet de benodigde rekenkracht).

Complexe schadegevallen

Met de motie van het lid Van Tongeren c.s. (Kamerstuk 33 529, nr. 221) wordt de regering verzocht om de Nationaal Coördinator Groningen voldoende ruimte te geven om te komen tot een snelle en ruimhartige afhandeling van alle oude complexe gevallen, en ervoor te laten zorgen dat deze laatste zaken in ieder geval voor het krokusreces finale duidelijkheid hebben. Met betrekking tot de afhandeling van de complexe schadegevallen heb ik met NAM eind 2014 afgesproken dat zij alle 195 openstaande complexe schadegevallen zouden oplossen voor eind 2015. In al deze gevallen heeft NAM een redelijk aanbod aan de eigenaar/bewoners gedaan. Op dit moment staan er nog 9 complexe schadegevallen open, waarbij het aanbod niet tot een overeenstemming heeft geleid tussen eigenaar en NAM. In de meeste gevallen is sprake van een nog niet afgeronde contra-expertise-procedure. In een enkel geval wordt door de eigenaar/bewoner overwogen de zaak voor te leggen aan de rechter. Overeenstemming tussen eigenaar/bewoners en NAM over een oplossing is in 8 gevallen niet voor de krokusvakantie mogelijk. In 1 geval wordt overeenstemming een dezer dagen voorzien. De NCG volgt de voortgang van deze zaken nauwgezet.

Verplichting aanbrengen trillingsopnemers

Met de motie van het lid Van Tongeren c.s. (Kamerstuk 33 529, nr. 222) wordt de regering verzocht om uitvoering van artikel 33 van de Mijnbouwwet te handhaven en NAM te verplichten om trillingsopnemers rond kwetsbare objecten aan te brengen. Ik ga ervan uit dat met «kwetsbare objecten» wordt gedoeld op productie-installaties en industriële objecten zoals het tankenpark Delfzijl. Artikel 33 van de Mijnbouwwet is onvoldoende basis om NAM te verplichten trillingsopnemers rond deze objecten aan te brengen. In wezen is echter al uitvoering aan het gestelde in de motie gegeven. Rond productie-installaties en industriële objecten zoals het tankenpark Delfzijl is thans namelijk al een netwerk van trillingsopnemers tot stand gebracht. Bovendien is de NCG momenteel in dialoog met industriële partijen over kwetsbare objecten. Mocht uit die dialoog blijken dat er nog kwetsbare objecten zijn waar eerder niet aan werd gedacht, dan zal NAM aanvullende trillingsmeters moeten bekostigen.

Versterking scholen en zorginstellingen

Met de motie van het lid Dik-Faber c.s. (Kamerstuk 33 529, nr. 224) wordt de regering verzocht om de versterking van scholen en zorginstellingen met het oog op de veiligheid zo snel mogelijk te laten plaatsvinden en niet te laten ophouden door discussies over demografische ontwikkelingen en kostenefficiëntie. Zoals hierboven aangegeven is in het Meerjarenprogramma Aardbevingsbestendig en Kansrijk Groningen een aanpak voor de versterkingsopgave opgenomen, waarvan ook scholen en zorggebouwen deel uitmaken. In het meerjarenprogramma wordt benoemd dat het koppelen van schadeherstel en versterking van scholen en zorggebouwen aan toekomstbestendige maatregelen en kansen op gebieden zoals zorg en onderwijs van belang is. Tegelijkertijd is snelheid in de voortgang van het schadeherstel en de versterking vanuit veiligheidsoogpunt gewenst. In de gebiedsgerichte aanpak wordt daarom gewerkt op basis van risicoprioritering, naast dat er integraal naar een gebied wordt gekeken. Voor zover hiervoor middelen nodig zijn waarin niet is voorzien, maakt ook deze opgave deel uit van de inventarisatie zoals genoemd in reactie op de motie met Kamerstuk 33 529, nr. 218. Bij de voorjaarsnota verwacht ik uw Kamer te kunnen informeren over de eerste uitkomsten hiervan.

Groningen koploper schone energie en energiebesparing

Met de motie van het lid Dik-Faber c.s. (Kamerstuk 33 529, nr. 226) wordt de regering verzocht om de provincie Groningen koploper te laten worden op het gebied van schone energie en energiebesparing, in samenwerking met Energy Valley. In het Meerjarenprogramma Aardbevingsbestending en Kansrijk Groningen wordt onder andere door middel van de volgende activiteiten voorzien in het uitvoeren van deze motie:

  • Nul-op-de-meter: Bij versterking van gebouwen wordt zoveel mogelijk gestreefd naar «nul-op-de-meter». Voor 1.650 corporatiewoningen zijn hier reeds afspraken over gemaakt. Het voornemen is om voor particuliere woningeigenaren een vergelijkbaar financieel arrangement tot stand te brengen als bij de 1.650 corporatiewoningen. De NCG en de woningcorporaties bezien daarnaast hoe particuliere woningeigenaren in de nabijheid van een «nul-op-de-meter»-project van de woningcorporaties kunnen aansluiten bij de uitvoering van het gecombineerd versterken en energetisch verbeteren van de woning

  • Decentrale energie: Onderdeel van het meerjarenprogramma is het opzetten van een ontwikkelbedrijf voor coöperatieve decentrale energieprojecten. Ook wordt ingezet op het stimuleren van smart grids en lokale opslagtechnieken.

  • Vergroenen industrieel energieverbruik: In het meerjarenprogramma wordt ingezet op het vergroenen van het gasgebruik door het industriecluster in de Eemsdelta.

Hiermee ligt er een omvattend pakket aan maatregelen op het gebied van schone energie en energiebesparing in Groningen. Over deze verschillende activiteiten zal ik uw Kamer via de reguliere rapportages over de uitvoering van het meerjarenprogramma informeren.

Onafhankelijk en aanvullend meetnet

Met de motie van de leden Smaling en Van Tongeren (Kamerstuk 33 529, nr. 231) wordt de regering verzocht om zonder verdere terughoudendheid te komen met een onafhankelijk en aanvullend meetnet, waaronder tiltsensoren. Zoals ik tijdens het debat heb aangegeven zijn er allerlei instrumenten en technieken beschikbaar om bodembewegingen te meten. Het is afhankelijk van het verschijnsel dat men wil onderzoeken welk geschikt instrument – of een combinatie van instrumenten – wordt geselecteerd. Voor de specifieke situatie van het Groningse aardbevingsgebied heeft NAM een studie- en meetplan opgezet. Dit plan wordt van tijd tot tijd bijgesteld op grond van nieuwe informatie en inzichten en is goedgekeurd door SodM. In het eerste studie- en meetplan van december 2012 werd voorzien dat meerdere meettechnieken, inclusief tiltmeters, zouden worden ingezet om zoveel mogelijk aspecten van bodembewegingen te meten. Op grond van de ervaringen met de diverse meettechnieken heeft NAM het studie- en meetplan geactualiseerd. Daarbij heeft men vooralsnog afgezien van het inzetten van tiltmeters. Niet omdat deze instrumenten niet bruikbaar zijn, maar omdat men met een combinatie van andere technieken vergelijkbare en/of meer relevante informatie verkrijgt. In het meerjarenprogramma heeft de NCG aangegeven dat van diverse kanten aandacht is gevraagd voor het meetinstrumentarium waarbij naast de grondversnelling ook andere zaken worden gemeten. De NCG zal in 2016 onderzoek naar de verschillende meetinstrumenten verrichten en op basis hiervan in 2017 – zo nodig – nadere acties ondernemen. Daarnaast bestaat er een meetnet van gebouwsensoren dat momenteel wordt beheerd door TNO en dat daarmee in onafhankelijke handen is. Hiermee is voorzien in uitvoering van de motie.

Verticale Peak Ground Acceleration (PGA)

Met de motie van het lid Smaling (Kamerstuk 33 529, nr. 232) wordt de regering verzocht om de factoren verticale PGA, bodemdaling, landschapselementen als terpen, afstand tot sloot of kanaal en het voorkomen van zware kleigronden een plaats te geven in de analyse van de risico’s ten aanzien van bevingsschade, overwegende dat de nadruk bij de vaststelling van de risico’s op bevingsschade grotendeels wordt bepaald door de horizontale PGA. Daarnaast wordt verzocht om experts op deze terreinen een plaats te geven in de discussie. De in de motie genoemde factoren zijn reeds deel van de risicobeoordeling of krijgen reeds aandacht in het studieprogramma dat wordt geleid door NAM. Ten eerste wordt de verticale PGA gemeten door zowel het KNMI- als het TNO-netwerk. In de berekeningen van ernstige schade aan gebouwen door een aardbeving (en dus in de risico-inschatting) wordt verticale PGA meegenomen. Daarnaast wordt sinds 1963 bodemdaling gemeten en bestudeerd en vormt dit reeds een belangrijke component van het winningsplan. In alle winningsplannen voor Groningen is hier uitgebreid aandacht aan besteed. Tevens heb ik de Rijksuniversiteit Groningen verzocht onderzoek te doen naar wierden. De eerste fase van dit onderzoek zal in het winningsplan 2016 worden meegenomen en door NAM worden gepubliceerd. Verder wordt door de eigenaren van dijken onderzoek gedaan naar de bestendigheid tegen aardbevingen. NAM levert de beschrijving van de dreiging hiervoor aan, die door het KNMI wordt beoordeeld. Bovendien heeft Deltares op verzoek van NAM de ondiepe ondergrond en bodem in kaart gebracht. De rapporten die Deltares hierover heeft opgesteld zijn op de website van NAM beschikbaar gesteld. Verder zijn er metingen gedaan door Deltares om de eigenschappen en het gedrag van deze verschillende grond soorten bij een aardbeving vast te stellen. Ten slotte zijn TNO en Deltares reeds als experts ingeschakeld. Met al deze activiteiten wordt uitvoering gegeven aan de motie.

Brede begrip «schade door mijnbouwwerk»

Met de motie van de leden Jan Vos en Van Tongeren (Kamerstuk 33 529, nr. 237) wordt de regering verzocht om NAM, het Centrum Veilig Wonen en de Nationaal Coördinator Groningen opdracht te geven om uit te gaan van het brede begrip «schade door mijnbouwwerk» (mijnbouwschade), omvattende aardbevingsschade, zettingsschade en schades als gevolg van bodemdaling. NAM is gebonden aan de regels in het Burgerlijk Wetboek, waarin aansprakelijkheid van de exploitant is geregeld voor schade door uitstroming van delfstoffen en bodembeweging, als die schade het gevolg is van mijnbouwactiviteiten. Daarmee is reeds voorzien in uitvoering van de motie. In het meerjarenprogramma van de NCG is daarnaast beschreven dat schades waarbij er meerdere oorzaken van schade zijn, als complex schadegeval worden aangemerkt. Deze complexe schades worden overgedragen aan de NCG.

Onderzoek naar versnelde afbouw van gasexportcontracten

Met de motie van het lid Jan Vos c.s. (Kamerstuk 33 529, nr. 238) wordt de regering verzocht om een onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden om gasexportcontracten zo veel mogelijk en versneld af te bouwen, en hierover voor 1 augustus 2016 aan de Kamer te rapporteren. Duitsland, België en Frankrijk zijn afhankelijk van het gas uit Groningen om gebruikers te voorzien in de vraag naar (laagcalorisch) gas. Om deze afhankelijkheid terug te brengen hebben zij plannen gemaakt om hun gastoestellen en netwerk aan te passen en om te zetten naar gas van hoogcalorische kwaliteit. Zoals toegezegd tijdens het debat zal ik dit voorjaar alle relevante informatie over de ombouw van het gassysteem in Duitsland, België en Frankrijk verzamelen en met de Kamer delen.

Gereguleerde inzet van conversie- en opslagcapaciteit

Met de motie van het lid Agnes Mulder c.s. (Kamerstuk 33 529, nr. 241) wordt de regering verzocht om met NAM, Gasunie en Gasterra afspraken te maken over een gereguleerde inzet van de conversie- en opslagcapaciteit. In de Kamerbrief van 18 december jl. (Kamerstuk 33 529, nr. 212) heb ik aangegeven dat ik NAM heb verzocht om te onderzoeken of een verdere verlaging van het productieniveau mogelijk is zonder dat dit gepaard gaat met sterke fluctuaties, door de inzet van de gasopslag Norg en de stikstofinstallaties. SodM zal hierover een advies uitbrengen. De resultaten van dit onderzoek zullen worden betrokken bij het opstellen van het nieuwe winningsplan en zal daarmee onderdeel zijn van de besluitvorming voor komend jaar. Hiermee wordt invulling gegeven aan het gevraagde in de motie.

Overige moties

Naast bovengenoemde moties is een aantal moties aangenomen voor de uitvoering waarvan aanvullende middelen benodigd zijn, bovenop hetgeen is voorzien in de bestuursakkoorden, het meerjarenprogramma van de NCG en de wettelijke verplichtingen van NAM. Dit betreft de volgende moties:

  • Motie van de leden Van Veldhoven en Jan Vos (Kamerstuk 33 529, nr. 219) waarmee de regering wordt verzocht om met de NCG ervoor te zorgen, dat de onkosten die worden gemaakt door scholen en ziekenhuizen ten behoeve van de voorbereiding en begeleiding van bouwprojecten ten gevolge van de aardbevingsproblematiek, als onderdeel van het schadeherstel en de versterking, worden vergoed door NAM;

  • Motie van het lid Agnes Mulder c.s. (Kamerstuk 33 529, nr. 240) waarmee de regering wordt verzocht om voor iedereen met schade door gaswinning in Groningen de compensatie- en verduurzamingsregelingen uit het meerjarenprogramma en eenzelfde schadeafhandeling beschikbaar te stellen;

  • Motie van het lid Bosman c.s. (Kamerstuk 33 529, nr. 242) waarmee de regering wordt verzocht om met een voorstel te komen voor behoud van de waardevermeerderingsregeling in de oude of een vergelijkbare regeling.

Ik beraad mij op deze moties en hierover zal beraadslaging plaatsvinden in het kader van de voorjaarsnota.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp