33 400 XVI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2013

Nr. 12 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 31 oktober 2012

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De fungerend voorzitter van de commissie, Elias

De griffier van de commissie, Teunissen

1

Kan een overzicht gegeven worden van de absolute en procentuele bijdrage van mensen in Nederland aan de totale zorguitgaven, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar inkomenscategorieën. Kortom: hoeveel draagt de 10% met de laagste inkomens in absolute en relatieve zin bij aan de zorg, hoeveel draagt de 10% met de hoogste inkomens in absolute zin en relatieve bij aan de zorg, en hoe zit het voor de 8 tussenliggende «groepen»?

In onderstaande tabellen is voor alleenstaanden en tweeverdieners met kinderen voor inkomens oplopend van € 10 000 tot € 100 000 aangegeven wat totaal aan zorg wordt uitgegeven. De uitgaven aan zorg betreffen de inkomensafhankelijke bijdrage, de nominale premie Zvw, het gemiddelde eigen risico, de zorgtoeslag evenals de AWBZ-premie onder aftrek van het aandeel van de heffingskorting dat betrekking heeft op de AWBZ. Tevens is rekening gehouden met het feit dat een deel van de zorguitgaven wordt betaald uit belastingen (o.a. rijksbijdrage Zvw & AWBZ, BIKK, zorgtoeslag, deel van het Opleidingsfonds, Wmo en Caribisch Nederland). Verondersteld is dat deze kosten gefinancierd worden uit de directe (60%) en indirecte belasting (40%).

Tabel 1. Uitgaven aan zorg voor inkomens oplopend van 10 000 tot 100 000 per jaar (alleenstaanden).

Bruto inkomen

10 000

20 000

30 000

40 000

50 000

60 000

70 000

80 000

90 000

100 000

Inkomensafhankelijke bijdrage

775

1 526

2 261

2 996

3 731

3 941

3 941

3 941

3 941

3 941

                     

Nominale premie

1 273

1 273

1 273

1 273

1 273

1 273

1 273

1 273

1 273

1 273

Gemiddeld eigen risico

186

186

186

186

186

186

186

186

186

186

Zorgtoeslag

1 095

1 039

212

0

0

0

0

0

0

0

Netto premie

364

420

1 247

1 459

1 459

1 459

1 459

1 459

1 459

1 459

                     

Premie AWBZ

1 265

2 491

3 691

4 220

4 220

4 220

4 220

4 220

4 220

4 220

minus aandeel heffingskorting

-801

-1 273

-1 273

-1 273

-1 165

-1 035

-906

-872

-872

-872

netto

464

1 218

2 418

2 947

3 055

3 185

3 315

3 348

3 348

3 348

                     

Directe belasting

240

473

700

928

1 156

1 383

1 611

1 839

2 066

2 294

Indirecte belasting

174

330

428

539

648

752

840

933

1 029

1 125

                     

Totaal inclusief IAB

2 016

3 967

7 054

8 870

10 049

10 721

11 166

11 520

11 844

12 167

                     

Als percentage inkomen

20%

20%

24%

22%

20%

18%

16%

14%

13%

12%

Tabel 2. Uitgaven aan zorg voor inkomens oplopend van 10 000 tot 100 000 per jaar (tweeverdiener met kinderen).

Bruto inkomen

10 000

20 000

30 000

40 000

50 000

60 000

70 000

80 000

90 000

100 000

Inkomensafhankelijke bijdrage

775

1 549

2 317

3 052

3 787

4 411

5 146

5 881

6 616

7 351

                     

Nominale premie

2 546

2 546

2 546

2 546

2 546

2 546

2 546

2 546

2 546

2 546

Gemiddeld eigen risico

372

372

372

372

372

372

372

372

372

372

Zorgtoeslag

2 132

2 050

1 187

360

0

0

0

0

0

0

Netto premie

786

869

1 732

2 558

2 918

2 918

2 918

2 918

2 918

2 918

                     

Premie AWBZ

1 265

2 529

3 782

4 220

4 220

4 220

4 220

4 220

4 220

4 220

minus aandeel heffingskorting

-1 783

-2 023

-2 607

-3 100

-3 165

-2 546

-2 546

-2 546

-2 480

-2 350

netto

0

506

1 174

1 120

1 056

1 674

1 674

1 674

1 741

1 870

                     

Directe belasting

240

480

718

945

1 173

1 366

1 594

1 821

2 049

2 277

Indirecte belasting

265

442

585

697

770

830

945

1 061

1 172

1 280

                     

Totaal inclusief IAB

2 066

3 847

6 526

8 373

9 704

11 199

12 277

13 355

14 496

15 696

 

                 

 

Als percentage inkomen

21%

19%

22%

21%

19%

19%

18%

17%

16%

16%

2

Wat is het verschil in kostprijs van geleverde zorg door nieuwe zorgaanbieders en bestaande zorgaanbieders in de AWBZ? Is dit een criterium bij het contracteren?

Er bestaat geen inzicht in de kostprijs van verschillende zorgaanbieders. Slechts bekend is welk tarief is vergoed aan aanbieders naar aanleiding van de contractonderhandelingen tussen het zorgkantoor en de zorgaanbieder. Uit deze gegevens blijkt dat de vergoeding aan nieuwe aanbieders iets lager uitvalt dan de vergoeding aan bestaande aanbieders. De vergoeding is echter sterk afhankelijk van de aard van de geleverde AWBZ-zorg.

In de criteria voor zorginkoop van de zorgkantoren zijn geen specifieke vergoedingen opgenomen voor nieuwe aanbieders, die alleen samenhangen met het feit dat men nieuwe aanbieder is. Wel kan het voorkomen dat een nieuwe aanbieder nog niet kan voldoen aan alle gestelde

(kwaliteits-)eisen, waardoor de vergoeding voor de nieuwe aanbieder lager uitvalt.

3

Er zijn in de loop der jaren veel innovaties projectmatig gefinancierd, zoals door ZonMw. Hoeveel van deze projectmatig gefinancierde innovaties zijn omgevormd tot structurele innovaties, na het aflopen van de projectmatige financiering?

ZonMw brengt jaarlijks in kaart hoeveel van de door ZonMw gefinancierde projecten een resultaat hebben opgeleverd dat bruikbaar is voor toepassing in de praktijk van de zorg en waar praktijkpartijen bereid zijn om een vervolg aan te geven. Van alle in 2010 en 2011 afgeronde projecten (respectievelijk 383 en 377) is van circa de helft nagegaan of er een vervolg kan worden vastgesteld. Van deze projecten heeft ruwweg 25% geen vervolg, 50% wel vervolg, en 25% heeft nog geen vervolg gekregen maar krijgt dit wellicht nog wel in de komende jaren.

Het is lastig om eenduidig aan te geven of een project een innovatie is of niet. Er zijn vele soorten innovatie in de zorg te onderscheiden zoals productinnovatie, procesinnovatie, sociale innovatie etc. Daarnaast zijn de activiteiten die gefinancierd worden vaak verschillend van karakter. Slechts een deel van de door ZonMw gefinancierde projecten zijn duidelijk te benoemen als innovatieprojecten die mogelijk tot structurele invoering leiden na afloop van de financiering. Een veel groter deel van de projecten leidt bijvoorbeeld tot kennis die gebruikt wordt in kleinere innovaties en zorgverbetering. Te denken valt hierbij aan het actualiseren van behandelrichtlijnen, aanpassen van kwaliteitsbeleid en vernieuwingen in het onderwijscurriculum.

De overheid stimuleert ook op een andere manier vernieuwing van zorg. Zo hebben zorgverzekeraars en zorgaanbieders de mogelijkheid om te experimenteren met nieuwe zorgprestaties via de beleidsregel Innovatie ten behoeve van nieuwe zorgprestaties. Na drie jaar wordt bepaald of het experiment een reguliere zorgprestatie wordt. In veel gevallen leidt dit tot structurele innovatie.

4

Wordt in de discussie over de toekomstige taakschikking tussen Rijk en gemeente ten aanzien van langdurige zorg en ondersteuning ook gekeken naar de positie van de RIBW's?

Ja, Regionale Instellingen voor Beschermd Wonen (RIBW’en) leveren een deel van de langdurige geestelijke gezondheidszorg voor mensen met chronische psychische stoornissen. Ook in de huidige situatie hebben RIBW’en daarbij op het terrein van wonen, werken en vrijetijdsbesteding al veelvuldig te maken met gemeenten. Bij de discussie over de toekomstige taakherschikking tussen Rijk en gemeente wordt gekeken naar de positie, mogelijkheden en belangen van RIBW’en en hun cliënten.

5

Kan een overzicht gegeven worden van het aantal mensen dat zowel gebruik maakt van de verschillende AWBZ functies (per functie) en van ondersteuning vanuit SZW (zoals de Wajong), aangegeven in absolute getallen en %en per AWBZ functie?

In opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeft in het jaar 2011 het CBS het rapport «Samenloop van zorg en inkomen 2009» uitgebracht. In 2012 is een vervolgstudie verschenen. Het CBS heeft gerapporteerd over het aantal mensen dat meer voorzieningen tegelijk heeft op de domeinen zorg en sociale zekerheid. Het gaat om voorzieningen in het kader van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, waaronder WAO, WIA, WAZ of Wajong, de Wet Sociale Werkvoorziening (Wsw) en de voorzieningen uit de Algemene Wet Bijzonder Ziektekosten (AWBZ).

In 2009 zijn er ruim 1 miljoen mensen met een AWBZ-indicatie en/of een Wsw-indicatie en/of een AO-uitkering. Van deze 1 miljoen mensen zijn er 205 duizend met samenloop: zij hebben twee of meer AWBZ-indicaties en/of Wsw-indicaties en/of AO-uitkeringen in 2009 waarvan er minstens één is toegekend of verleend in 2009.

Personen met een AWBZ-indicatie, AO-uitkering of Wsw-indicatie naar samenloop:

 

Totaal

Samenloop

percentage

Indicaties en uitkeringen geldig in 2009 waarbij ten minste één indicatie of uitkering is toegekend of verleend in 2009

1 038 315

205 180

20

Gegevens over de samenloop met AWBZ-functies treft u aan in tabellen 3, 6 en 9 van de bijlagen bij het rapport en in bijlagen 1c, 2c en 3c van de vervolgstudie. Beide rapportages treft u aan op www.cbs.nl.

6

Hoeveel scholen hebben schoolzwemmen in het onderwijspakket zitten?

Hoeveel scholen schoolzwemmen in het onderwijspakket hebben zitten is niet precies aan te geven.

Uit de zwem(lesaanbieder)monitor en de zwemvaardigheidsmonitor van de Vereniging Sport en Gemeenten blijkt dat ruim 40% van de gemeenten die de monitor hebben ingevuld nog schoolzwemmen aanbieden. Dit wil niet automatisch zeggen dat schoolzwemmen op ruim 40% van de scholen in het onderwijspakket is opgenomen. Zo wordt in de grote steden schoolzwemmen juist aangeboden vanwege het grote aantal kinderen dat anders niet zou leren zwemmen.

Naast het schoolzwemmen bieden gemeenten soms ook andere instrumenten aan. Er zijn gemeenten waar de buurtsportcoaches ingezet worden bij zogeheten «natte gymlessen», waarbij een apart programma wordt aangeboden aan kinderen die nog niet kunnen zwemmen. Enkele gemeenten kennen speciale faciliteiten voor minima, die het bekostigen van reguliere zwemlessen mogelijk maken.

7

Wat zijn de kosten van het geven van 2u gym op school, uitgesplitst naar primair onderwijs en voortgezet onderwijs?

De kosten van het geven van twee uur gym op het primair onderwijs bedragen

€ 505 mln. per jaar. De kosten van het geven van twee uur gym op school voor het voortgezet onderwijs bedragen € 270 mln. per jaar.

De kosten van het geven van drie uur gym op school voor het voortgezet onderwijs bedragen € 405 mln. per jaar.

Indien de uren worden gegeven door extra personeel bedragen de kosten van 3 uur gym op een basisschool € 760 mln. per jaar. Indien al deze uren door de eigen leerkracht worden gegeven zijn er dus geen extra personele kosten maar wel huisvesting en exploitatie kosten van circa € 175 mln.

8

Wat zijn de kosten van het geven van 3u gym op school voor voortgezet onderwijs?

Zie het antwoord op vraag 7.

9

Wat zijn de kosten van het geven van 3u gym op school in het primair onderwijs, zowel wanneer een specifieke gymleraar aangesteld moet worden, als wanneer een «bestaande» leraar ook gym mag geven?

Zie het antwoord op vraag 7.

10

In de begroting van 2012 stond dat er voor de jaren 2012, »13 en »14 jaarlijks 10 miljoen aan de sportbegroting wordt toegevoegd. Waar wordt deze 10 miljoen aan uitgegeven? Het is bekend dat 4 miljoen naar topsportevenementen gaat, maar waar gaat de overige 6 miljoen naartoe?

De overige € 6 mln. gaat naar het programma Sport en bewegen in de buurt.

11

In de antwoorden op de feitelijke vragen voor de begroting 2012 is gesteld dat bij het verlenen van subsidies voor sport en bewegen in de buurt een passage wordt opgenomen dat subsidiegeld niet mag worden aangewend voor gescheiden sporten. Kan de regering bevestigen dat deze passage inderdaad is opgenomen?

Ja. Deze passage is inderdaad opgenomen in de desbetreffende subsidiebeschikkingen voor het beleidskader «Sport en Bewegen in de buurt: Private interventies».

12

Wat zijn de verwachte extra afdrachten van de Lotto en de Staatsloterij in 2013?

De extra afdrachten vanuit de Staatsloterij aan het sportbudget van VWS bedragen in 2013 minimaal € 6 mln..

De extra afdrachten van de Lotto zijn nog moeilijk in te schatten. Die worden gegenereerd door een nieuw spel bij de Lotto (Eurojackpot) waarvan de afdrachten voornamelijk naar het NOC*NSF gaan. De introductie van dat nieuwe spel verkeert nog in de aanloopfase waardoor de afdrachten momenteel nog minimaal zijn. Voor 2013 wordt de extra afdracht geschat op maximaal € 1 mln.

13

In 2013 is in de begroting gesproken over de Taskforce Belemmeringen onder leiding van Onno Hoes. Wanneer komt de Taskforce met zijn bevindingen?

De Taskforce «Belemmeringen Sport en Bewegen in de Buurt» zal dit najaar met zijn bevindingen komen.

14

Op welke wijze heeft het ministerie kunnen controleren of in de jeugdgezondheidszorg regio’s niet meer standaard gebruik maken van vragenlijsten die enkel bedoeld zijn voor risicogevallen?

De IGZ heeft in maart van dit jaar een brief gestuurd aan jeugdgezondheidszorgorganisaties waarin zij hen verzoekt om zorgvuldig om te gaan met het gebruik van vragenlijsten (dat wil zeggen de juiste vragenlijsten gebruiken op de juiste wijze) en heeft gewezen op het belang van een goede communicatie. In de brief is aangegeven wat een zorgvuldige werkwijze in de praktijk inhoudt. Tevens heeft de Inspectie hierover met een aantal JGZ-organisaties gesprekken gevoerd. Daarnaast neemt de Inspectie dit onderwerp mee in de reguliere toezichtbezoeken.

15

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de motie Wolbert/Klijnsma (25847–108 ) over het opstellen van heldere criteria voor het toewijzen van Valyskilometers?

Ik zal de Kamer zal vóór de begrotingsbehandeling schriftelijk informeren over de uitvoering van de motie-Wolbert/ Klijnsma.

16

Wanneer komt de impactanalyse m.b.t. de ratificatie van het VN-verdrag Handicap naar de Kamer?

Bij brieven van 1 juli 2011 (Kamerstuk 29 355, nr. 51) en 7 november 2011 (Kamerstuk 29 355, nr. 53) is uw Kamer geïnformeerd over de impactanalyse die wordt uitgevoerd naar de juridische en financiële gevolgen van ratificatie van het VN-Verdrag betreffende de rechten van personen met een handicap (het Verdrag). De juridische analyse die is uitgevoerd door het Studie- en Informatiecentrum Mensenrechten (SIM) van de Universiteit Utrecht is gereed.

Het onderzoek naar de financiële en economische gevolgen van ratificatie loopt nog. Dit onderzoek naar de kosten en baten zal naar verwachting voorjaar 2013 gereed zijn.

Ook vindt op dit moment een aanvullend onderzoek plaats met betrekking tot Caribisch Nederland, aangezien deze eilanden als openbare lichamen een status hebben vergelijkbaar met Nederlandse gemeenten.

17

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de ratificatie van het VN-verdrag handicap? Welke belemmeringen staan een snelle ratificatie in de weg? Wanneer komt de impactanalyse m.b.t. de ratificatie van het VN-verdrag Handicap naar de Kamer?

Zie het antwoord op vraag 16.

18

Hoeveel extra budget hebben gemeenten gekregen voor het uitvoeren van de zorgtaken die gepaard gaan met het extramuraliseren van ZZP 1 t/m 3? Waar is dit extra budget op gebaseerd?

Voor 2013 wordt incidenteel € 15 mln. toegevoegd aan de integratie-uitkering huishoudelijke hulp van het gemeentefonds. Doordat cliënten langer thuis blijven wonen, blijven ze langer gebruik maken van gemeentelijke voorzieningen. Het bedrag voor 2013 is gebaseerd op een gemiddeld beroep dat cliënten in de Wmo doen op huishoudelijke verzorging en het aantal cliënten dat in 2013 langer thuis blijft wonen. Met de VNG heb ik de afspraak gemaakt om de effecten voor het gemeentelijk domein voor 2014 en verder in beeld te brengen. De incidentele toevoeging voor 2013 is niet leidend voor de compensatie 2014 en verder.

19

Zijn alle zorginstellingen gereed om hun kamers te verhuren nu mensen geen indicatie voor verblijf meer krijgen voor de ZZP’s 1 t/m 3? Zo nee, welke zorginstellingen zijn hier nog niet klaar voor?

Ik heb geen inzicht in de mate waarin individuele zorginstellingen gereed zijn om hun kamers te verhuren aan nieuwe cliënten die geen indicatie meer krijgen voor de ZZP’s 1 t/m 3. Doordat de maatregel geen betrekking heeft op de bestaande cliëntenpopulatie, kan de instelling gedurende het jaar bij het vrijkomen van een kamer bezien of deze ook verhuurd kan worden aan cliënten met een extramurale indicatie. Een instelling kan er ook voor kiezen om zich te richten op het leveren van zorg aan zwaardere doelgroepen.

20

Welk budget zal er worden uitgetrokken zodat zorginstellingen de noodzakelijke investeringen kunnen doen nu zij al per 2013 kamers moeten gaan verhuren? Hoe is dit budget over de zorginstellingen verdeeld?

Ik heb geen budget uitgetrokken voor investeringen door instellingen om kamers te kunnen verhuren.

21

Hoeveel mensen zullen naar schatting in 2013 geïndiceerd worden voor de ZZP’s die geëxtramuraliseerd gaan worden? Kan dit uitgesplitst worden per ZZP?

Zie het antwoord op vraag 23.

22

Hoeveel mensen zullen naar schatting in 2014 geïndiceerd worden voor de ZZP’s die geëxtramuraliseerd gaan worden? Kan dit uitgesplitst worden per ZZP?

Zie het antwoord op vraag 23.

23

Hoeveel mensen zullen naar schatting in 2015 geïndiceerd worden voor de ZZP’s die geëxtramuraliseerd gaan worden? Kan dit uitgesplitst worden per ZZP?

Voor nieuwe cliënten geldt dat zij met ingang van het jaar waarin een ZZP geëxtramuraliseerd gaat worden in plaats van een ZZP-indicatie een indicatie ontvangen voor extramurale zorg in functies en klassen.

Cliënten blijven nu ook al steeds vaker thuis wonen met een ZZP-indicatie.

Om het effect van de maatregel weer te geven, wordt in onderstaande tabel aangegeven in welk tempo naar verwachting de uitstroom van cliënten met een licht ZZP niet wordt vervangen door nieuwe cliënten met een licht ZZP.

In het onderstaande schema wordt het invoeringscenario gehanteerd zoals ik dat in mijn brief van 28 september 2012 (Kamerstuk 30 597, nr. 266) heb geschetst, namelijk invoering voor nieuwe cliënten van 23 jaar en ouder per 1 januari 2013 voor ZZP VV 1 en VV 2, GGZ 1 en 2 en VG 1 en 2. Per 1 januari 2014 wordt ook de nieuwe instroom voor ZZP VV 3 geëxtramuraliseerd en per 2015 volgen ZZP GGZ 3 en VG3. In de onderstaande tabel wordt het gemiddeld cliënten weergegeven in enig jaar.

Zorgzwaartepakket

2013

2014

2015

VV1

1 100

3 500

5 800

VV2

3 000

9 000

15 100

VV3

-

3 000

9 400

VG1

100

200

400

VG2

200

700

1 200

VG3

-

-

600

GGZ1

100

300

400

GGZ2

400

1 100

1 900

GGZ3

-

-

900

Totaal

4 900

17 800

35 700

24

Klopt het dat de intramurale contracteerruimte die samenhangt met de ZZP’s 1 t/m 3 niet aangewend mag worden om mensen met een zwaardere indicatie te verzorgen?

Nee, dat klopt niet. De regionale contracteerruimte kent geen compartimenten tussen intramurale en extramurale zorg. Binnen de contracteerruimte hebben de zorgkantoren als taak om zowel voor cliënten met een ZZP-indicatie als voor mensen met een extramurale indicatie op een doelmatige wijze kwalitatief verantwoorde zorg in te kopen. Het zorgkantoor beslist binnen de contracteerruimte waar ze welke zorg zullen inkopen.

25

Klopt het dat mensen met een lagere indicatie het verzorgingshuis niet in mogen omdat hun zorgvraag te laag zou zijn, en dat mensen met een hogere indicatie er niet in mogen omdat het budget niet voor hen gebruikt mag worden? Welke mensen mogen er straks dan nog wel het verzorgingshuis in?

Nee, dat klopt niet. Binnen de regionale contracteerruimte heeft het zorgkantoor als taak om zowel zorg voor cliënten met een ZZP-indicatie als voor mensen met een indicatie voor extramurale zorg in te kopen. Cliënten met een ZZP-indicatie komen in aanmerking voor een plek in een intramurale instelling.

Cliënten die voorheen geïndiceerd zouden worden voor een licht ZZP, kunnen er vanaf 1 januari 2013 voor kiezen om met hun extramurale indicatie thuis of in een andere extramurale setting te ontvangen. Bij extramurale zorg is het verblijf geen onderdeel van de aanspraak en kiest de cliënt zelf voor de plek waar hij wil wonen en van wie hij zijn zorg wil ontvangen.

26

Wat gebeurt er wanneer iemand met een ZZP 2 in 2013 geherindiceerd wordt voor ZZP 3? Verliest degene dan zijn aanspraak op verblijf en wordt hij op straat gezet?

Bestaande cliënten verliezen hun aanspraak op verblijf niet (ook niet bij herindicatie) en worden dus ook niet op straat gezet. De maatregel heeft immers betrekking op nieuwe cliënten. In 2013 wordt ZZP 3 nog niet geëxtramuraliseerd en gewoon toegekend indien blijkt dat iemand daarvoor in aanmerking komt (dat geldt zowel voor bestaande als voor nieuwe cliënten).

27

Hoe staat het met de contractering van de verzorgingshuizen? Hoe ver zijn de verzorgingshuizen met de inkoop voor 2013?

In juli 2012 is het inkooptraject 2013 gestart. Het overleg tussen de zorgkantoren en de verzorgingshuizen zal op 31 oktober 2012 worden afgerond.

28

Hoeveel ZZP 1 is er ingekocht door verzorgingshuizen? Verwacht u dat dit nog verder zal stijgen? Zo ja, met hoeveel?

Het huidige inkooptraject voor 2013 loopt nog tot 31 oktober 2012. Het is daarom nog niet bekend hoeveel zorg er is ingekocht voor ZZP 1 tot en met 4.

Het is de verwachting dat van alle zorgsoorten na 1 november 2012 nog aanvullende zorg zal worden ingekocht. Dit komt omdat het merendeel van de zorgkantoren in de eerste inkoopronde niet het volledige budget opmaakt en nog niet het volledige volume bij de gecontracteerde zorgaanbieders vastlegt.

Daarnaast zullen de zorgkantoren na 1 november 2012 aanvullende afspraken maken voor ZZP 3 omdat is besloten om de extramuralisering van dit zorgzwaartepakket voor de V&V-sector voor nieuwe cliënten te verschuiven van 2013 naar 2014.

Voor ZZP 4 hebben de voorgenomen extramuraliseringsvoorstellen geen effect.

29

Hoeveel ZZP 2 is er ingekocht voor verzorgingshuizen? Verwacht u dat dit nog verder zal stijgen? Zo ja, met hoeveel?

Zie het antwoord op vraag 28.

30

Hoeveel ZZP 3 is er ingekocht door verzorgingshuizen? Verwacht u dat dit nog verder zal stijgen? Zo ja, met hoeveel?

Zie het antwoord op vraag 28.

31

Hoeveel ZZP 4 is er ingekocht door verzorgingshuizen? Verwacht u dat dit nog verder zal stijgen? Zo ja, met hoeveel?

Zie het antwoord op vraag 28.

32

Hoeveel verzorgingshuizen zullen noodgedwongen moeten sluiten in 2013 als gevolg van het extramuraliseren van ZZP 1 t/m 3? En in 2014, 2015 en 2016?

Ik ben van mening dat ik in mijn brief d.d. 28 september (Kamerstuk 30 597, nr. 266) een verantwoord invoeringsscenario heb gepresenteerd dat kan rekenen op draagvlak in het veld. De brancheorganisaties van zorgaanbieders achten dit invoeringsscenario hanteerbaar. Ik heb de NZa gevraagd om de maximale effecten van de maatregel voor mij door te rekenen en mede op basis daarvan besloten tot een gefaseerd invoeringsscenario. Tevens heb ik de NZa gevraagd om bij dat gefaseerde invoeringsscenario samen met mij de effecten van de maatregel te bewaken.

33

Hoeveel ggz-instellingen zullen noodgedwongen moeten sluiten in 2013 als gevolg van het extramuraliseren van ZZP 1 t/m 3? En in 2014, 2015 en 2016?

Zie het antwoord op vraag 32.

34

Hoeveel GHZ instellingen zullen noodgedwongen moeten sluiten in 2013 als gevolg van het extramuraliseren van ZZP 1 t/m 3? En in 2014, 2015 en 2016?

Zie het antwoord op vraag 32.

35

Welke gevolgen heeft dit beleid voor aanleunwoningen als de verzorgingshuizen moeten sluiten? Waar leunen zij dan nog tegenaan?

Verzorgingshuizen hoeven als gevolg van het extramuraliseren van ZZP’s niet per definitie te sluiten.

In aanleunwoningen wordt nu al extramurale zorg geleverd aan cliënten met een relatief lichte zorgvraag. Bij het extramuraliseren van de lichte ZZP’s zullen meer cliënten zorg aan huis krijgen.

36

Indien de woning van een zorgbehoevend persoon niet aan de Arbo-eisen voldoet, wordt de woning dan verbouwd? Zo ja, wie draait op voor de kosten van de verbouwing? Zo nee, mag het thuiszorgpersoneel er dan wel werken?

De thuiszorgorganisatie die zorg wil leveren bij een cliënt thuis mag eisen stellen aan de werksituatie in het kader van de Arbo-eisen. Deze zijn vastgelegd in het Convenant Arbeidsomstandigheden Thuiszorg. Dit convenant beschrijft dat de arbeidsomstandigheden van de werknemers op een zodanig niveau moeten zijn dat de risico’s van fysieke belasting tot een minimum worden teruggebracht. Dit kan bereikt worden door werkplekken zo in te richten dat ongunstige werkhoudingen worden voorkomen, het beschikbaar stellen van hulpmiddelen en het laten aanbrengen van voorzieningen in de werksituatie die de zwaarte en de frequentie van tillen en bukken reduceren. Indien niet aan deze voorwaarden wordt voldaan dan kan men met de bewoner in overleg over de mogelijke aanpassingen. Overigens hoeft dit niet direct een verbouwing in te houden, maar kan het ook gaan over de aanschaf van hulpmiddelen of een hoog-laagbed. Indien er sprake is van woningaanpassingen die onder de reikwijdte van de Wmo vallen, dan kan men zich wenden tot het Wmo-loket van de gemeente waar men woont. Daarnaast kan een bewoner met eigen financiële middelen een woning aanpassen of hulpmiddelen aanschaffen. Deze situatie verandert niet door de voorgenomen extramuralisering van ZZP’s.

37

In hoeveel gevallen hebben mensen bewust gekozen voor verblijf in een verzorgingshuis, omdat ze daar wel een sociaal netwerk hebben terwijl ze thuis zaten te vereenzamen? Klopt het dat het om 10% van alle bewoners gaat?

Het is bij mij niet bekend of dat 10% van de bewoners betreft en om hoeveel personen het gaat. Ik heb daar geen gegevens over.

38

Hoeveel mensen met een ZZP 1 t/m 3 staan momenteel op een wachtlijst?

Om bovenstaande vragen inhoudelijk goed te kunnen beantwoorden heb ik specifieke informatie nodig over aantallen wachtenden. In mijn brief van 3 oktober (Kamerstuk 30 597, nr. 268) aan de Tweede Kamer heb ik aangegeven dat ik begin november, voor de begrotingsbehandeling, wachtlijstcijfers publiek zal maken.

Ik verwacht cijfers te kunnen verstrekken over de omvang (aantallen) en samenstelling van de wachtlijst, onderverdeeld naar ZZP (intramuraal) en prestatie (extramuraal). Daarbij concentreer ik mij op de wachttijd van de actief wachtenden, afgezet tegen de Treeknorm.

39

Hoeveel mensen die momenteel op een wachtlijst staan willen liever thuis verzorgd worden?

Zie het antwoord op vraag 38.

40

Hoe gaat er permanent toezicht in de thuissituatie geregeld worden wanneer iemand daar vanwege zijn zorgvraag behoefte aan heeft?

Bij de ZZP’s 1 en 2 die per 1 januari 2013 worden geëxtramuraliseerd voor nieuwe cliënten, is permanent toezicht geen noodzakelijk onderdeel van het zorgzwaartepakket. Voor de diverse ZZP’s 3 speelt dit mogelijk wel een rol en om die reden heb ik meer tijd genomen om in overleg met de sector te bezien hoe dit ook in de thuissituatie kan worden vorm gegeven.

41

Hoeveel personeel is er in 2013 minder nodig in de verzorgingshuizen doordat het aantal cliënten met ZZP 1 t/m 3 afneemt? Wat gebeurt er met dit personeel?

Er is ondanks de maatregelen die worden getroffen nog steeds sprake van groei in de zorg en dus is er toenemende vraag naar personeel.

42

Hoeveel personeel is er in 2014 minder nodig in de verzorgingshuizen doordat het aantal cliënten met ZZP 1 t/m 3 afneemt? Wat gebeurt er met dit personeel?

Zie het antwoord op vraag 41.

43

Hoeveel personeel is er in 2013 minder nodig in de ggz doordat het aantal cliënten met ZZP 1 t/m 3 afneemt? Wat gebeurt er met dit personeel?

Zie het antwoord op vraag 41.

44

Hoeveel personeel is er in 2014 minder nodig in de ggz doordat het aantal cliënten met ZZP 1 t/m 3 afneemt? Wat gebeurt er met dit personeel?

Zie het antwoord op vraag 41.

45

Hoeveel personeel is er in 2013 minder nodig in de GHZ doordat het aantal cliënten met ZZP 1 t/m 3 afneemt? Wat gebeurt er met dit personeel?

Zie het antwoord op vraag 41.

46

Hoeveel personeel is er in 2014 minder nodig in de GHZ doordat het aantal cliënten met ZZP 1 t/m 3 afneemt? Wat gebeurt er met dit personeel?

Zie het antwoord op vraag 41.

47

Klopt het dat er een half miljoen levensloopgeschikte woningen tekort zijn? Hoe wordt dit tekort aangepakt en met welk budget? Per wanneer zal het tekort verdwenen zijn?

Op 7 juli 2011 heeft de minister van BZK de Monitor Investeren voor de Toekomst 2009 aangeboden. Daarin werd als opgave tot 2018 tussen de 330 000 en 362 000 geschikte woningen voor ouderen vermeld.

De verwachting is dat het merendeel van deze opgave door nieuwbouw kan worden gerealiseerd. Naast nieuwbouw zal een aantal woningen geschikt worden gemaakt door verbouw. Ook zullen geschikte woningen beter worden toegewezen.

Het tekort aan geschikte woningen was in 2009 met 87 000 woningen fors lager dan in 2006 toen het tekort nog 130 000 woningen bedroeg. In 2013 komen nieuwe cijfers uit het Woon Onderzoek Nederland beschikbaar. Het actieplan ouderenhuisvesting dat voor het voorjaar 2013 is aangekondigd zal mede op basis van deze gegevens worden opgesteld. De minister van BZK heeft aangekondigd om in het nieuwe actieplan ook rekening te houden met ontwikkelingen in de zorg.

48

Hoeveel mensen zullen door het extramuraliseren van ZZP 1 t/m 3 thuis blijven wonen in een niet-levensloopgeschikte woning?

Naar mijn mening hoeft niemand te blijven wonen in een niet-levensloopgeschikte woning. Voor cliënten met ZZP 1 en 2 geldt dat de zorgbehoefte zodanig gering is dat deze geen speciale eisen stelt aan de woonomgeving. Voor cliënten met ZZP 3 geldt dat de fysieke beperkingen een grotere rol spelen. In veel gevallen kan de woning aangepast worden aan de zorgbehoefte van de cliënt of kan de cliënt verhuizen naar een geschikte woonomgeving. De cliënt kan ook verhuizen naar een meer geclusterde woonomgeving, bijvoorbeeld in een zorginstelling waar hij zelf huur betaalt en extramurale zorg ontvangt.

49

Hoeveel verzorgingshuizen zijn er momenteel in Nederland? Onder hoeveel organisaties vallen deze?

Volgens de website kiesbeter.nl zijn er 1 428 verzorgingshuizen of woonzorgcombinaties en 883 instellingen die verpleeghuiszorg aanbieden (http://www.kiesbeter.nl/zorg-en-kwaliteit/verpleging-en-verzorging/resultaat/tabel/). Ik heb niet het inzicht voorhanden over het aantal concerns waar deze organisaties onder vallen.

Volgens dezelfde website zijn er 950 thuiszorginstellingen die onder andere persoonlijke verzorging aanbieden. Voor meer informatie over het thuiszorgaanbod verwijs ik naar http://www.kiesbeter.nl/zorg-en-kwaliteit/thuiszorg/resultaat/tabel/.

50

Hoeveel verpleeghuizen zijn er momenteel in Nederland? Onder hoeveel organisaties vallen deze?

Zie het antwoord op vraag 49.

51

Hoeveel thuiszorgorganisaties zijn er in Nederland actief?

Zie het antwoord op vraag 49.

52

Hoeveel winst is er in 2011 gemaakt door alle thuiszorgorganisaties tezamen? Welke organisatie boekte de meeste winst? Hoe hoog was deze winst?

Het Centraal Bureau voor de Statistiek levert jaarlijks de rapportage «financiële kengetallen van zorginstellingen»aan. De rapportage met de cijfers uit de jaarrekeningen 2011, verwacht ik eind van het jaar.

De resultaten van de gewone bedrijfsvoering van de thuiszorg vanaf 2007 vindt u hieronder.

Thuiszorg

2007

2008

2009

2010

Gemiddelde

-2,3

-2,7

2,3

5,4

1e deciel

-9,3

-22,7

-4,2

-3,2

2e deciel

-4,3

-6,9

-0,7

0,0

8e deciel

2,3

7,6

7,9

9,5

9e deciel

10,7

21,4

19,1

18,2

*Bron: CBS financiële kengetallen van zorginstellingen 2010

* Toelichting: decielen gerangschikt naar resultaat: 1e deciel: tussen 0% -10% van de instellingen (minste resultaat), 2e deciel: tussen 10% – 20% van de instellingen, 8e deciel: tussen 80%-90% van de instellingen, 9e deciel: tussen 90% en 100% van de instellingen (beste resultaat).

53

Welk deel van de Agemagelden (636 miljoen euro) is nog niet uitgekeerd aan zorginstellingen?

De extra middelen zijn beschikbaar gekomen door middel van een ophoging van de maximum ZZP-tarieven. Zorginstellingen hebben plannen kunnen indienen bij de zorgkantoren om in aanmerking te komen voor de tariefsophoging. Dit is ook massaal gebeurd. De zorgkantoren zien toe op de doelmatige aanwending van de middelen. Bij de definitieve afrekening over 2012 wordt duidelijk welk deel van de middelen daadwerkelijk is ingezet. In 2013 komt daar derhalve meer zicht op.

54

Hoeveel personeel is er extra aangenomen en/of in opleiding in de ggz en de GHZ als gevolg van de Agemagelden?

Wat gebeurt er met het extra aangenomen en/of in opleiding zijnde personeel in de ggz en de GHZ nu de Agemagelden daar verdwijnen? Welke gevolgen heeft dit voor de zorgverlening?

Als gevolg van het begrotingsakkoord 2013 kunnen de extra middelen voor de ggz en de GHZ na 2012 geen doorgang vinden.

Dit betekent dat ik genoodzaakt was om het convenant per 1 januari 2013 op te zeggen.

Dit heeft ook gevolgen voor de mate waarin de plannen die de aanbieders in de ggz en GHZ hebben ingediend tot uitvoering zijn gebracht, aangezien meerjarige investeringen uit hoofde van het convenant niet meer mogelijk zijn.

Over de afrekening over het lopende jaar 2012 heb ik op 31 augustus 2012 een brief gestuurd aan Zorgverzekeraars Nederland om er zorg voor te dragen dat de zorgkantoren hier rekening mee kunnen houden.

Het is mij niet bekend hoeveel personeel er is aangenomen en/of in opleiding is. In de monitor wordt dat ook niet gevolgd, omdat die zich nu volledig concentreert op de VVT.

Over de gevolgen van het verdwijnen van de extra middelen (in relatie tot mogelijke ontslagen) in de betreffende sectoren heb ik uw Kamer op 8 oktober jl. een brief gestuurd (Kamerstuk 24 170, nr. 138).

Hierin heb ik aangegeven dat mij twee individuele gevallen hebben bereikt waarin dit speelt. De extra middelen zijn voor 2012 behouden gebleven en er is als gevolg van natuurlijk verloop en autonome groei ook «regulier» behoefte aan personeel.

Als gevolg hiervan ga ik er vanuit dat er niet op grote schaal personeel wordt ontslagen. Dit neemt niet weg dat hier in individuele gevallen wel sprake van kan zijn. Aangezien het gaat om «extra» personeel heb ik niet de verwachting dat de zorgverlening hierdoor in gevaar komt.

55

Welk deel van de Agemagelden dat inmiddels door instellingen is ontvangen is nog niet ingezet voor het aantrekken van extra medewerkers en/of het opleiden van medewerkers? Wanneer zijn de instellingen van plan dit geld uit te geven?

Zie het antwoord op vraag 53.

56

Hoeveel zorginstellingen waarvan een bestuurder meer verdiende dan de Balkenendenorm hebben een deel van de Agemagelden gekregen? Om welke zorginstellingen gaat het?

Een groot deel van de instellingen die intramurale langdurige zorg bieden, hebben inmiddels een deel van de intensiveringmiddelen ontvangen. In het kader van de Wet Openbaarmaking Publiekgefinancierde Topinkomens (WOPT) wordt op dit moment – op basis van de jaarrekeningen 2011- geanalyseerd welke bestuurders in 2011 meer dan de Balkenendenorm verdienden. De resultaten hiervan worden in december door de minister van BZK aan de Kamer toegezonden. De analyse over 2012 komt in december 2013 beschikbaar.

57

Welke maatregelen worden getroffen indien een zorginstelling vanwege de bezuinigingen een greep uit de Agemagelden doet, en dit niet investeert in personeel?

De zorgkantoren zien toe op de doelmatige aanwending van de middelen. Indien de zorgaanbieder zich aantoonbaar niet heeft ingespannen voor de uitvoering hiervan of de middelen heeft aangewend voor andere doeleinden kan het zorgkantoor besluiten om de plannen alsnog niet voor vergoeding in aanmerking te laten komen.

58

Hoeveel mensen met een geldige indicatie zullen af (moeten) zien van zorg omdat zorginstellingen te weinig budget hebben, als gevolg van de verlaagde groeiruimte?

Zorgkantoren hebben de zorgplicht om aan alle cliënten met een geldige indicatie zorg te leveren. Voor 2013 wordt een contracteerruimte vastgesteld en vervolgens worden de beschikbare middelen vertaald naar regionale budgetten voor de zorgkantoren. Rekening houdend met de maatregelen die voor 2013 worden voorzien, is de verwachting dat dit budget toereikend zal zijn om aan de zorgplicht te kunnen voldoen. Op voorhand zullen dan ook geen cliënten hoeven af te zien van zorg.

Daarbij laat ik jaarlijks de NZa een advies uitbrengen over de ontwikkeling van de zorgvraag in relatie tot de beschikbare middelen. Dit advies komt in mei 2013 uit.

59

Wat zal de zogenoemde «piepgrens» zijn voor het jaar 2013, zowel voor alleenstaanden als (echt)paren?

De piepgrens betreft het in artikel 23, eerste lid, van de Wet werk en bijstand geregelde bedrag. Dat bedrag is de bijstandsnorm voor mensen die in een instelling verblijven. Per 1 januari 2012 is deze norm door de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) vastgesteld op € 296,26 voor alleenstaanden en € 460,79 voor (echt)paren. De bedragen voor 2013 worden aan het eind van het jaar bij ministeriële regeling door de staatssecretaris van SZW vastgesteld. Deze zijn dus nog niet bekend.

60

Hoeveel mensen zitten er momenteel op of onder de piepgrens?

Hoeveel mensen er onder de piepgrens zitten, is niet bekend. Wel is bekend dat 6 524 mensen in 2012 van het CAK een positieve beschikking hebben ontvangen op hun verzoek om het peiljaar te verleggen. Peiljaarverlegging vindt plaats indien het vrij besteedbare inkomen na het betalen van de eigen bijdrage minder bedraagt dan het in artikel 23, eerste lid, van de Wet werk en bijstand geregelde bedrag, vermeerderd met de standaardpremie voor de zorgverzekering, gecorrigeerd met de zorgtoeslag. Is dat het geval dan berekent het CAK de eigen bijdrage op basis van het inkomen van het lopende kalenderjaar in plaats van het inkomen van twee jaar terug.

61

Hoeveel mensen zitten momenteel tussen de 1 en 100 euro boven de piepgrens?

Het is niet exact aan te geven hoeveel mensen boven de piepgrens zitten. Wel kan worden aangegeven hoeveel mensen een eigen bijdrage betalen die ligt tussen de € 1 en € 100. Dit geeft een indicatie van hoe het bijdrageplichtig inkomen zich verhoudt tot het huidige zak- en kleedgeld, vermeerderd met de toeslagen. Als de eigen bijdrage € 1 euro bedraagt, heeft de cliënt een bijdrageplichtig inkomen dat € 1 boven de zak- en kleedgeldnormen, vermeerderd met de toeslagen, uitkomt1.

Hiervan uitgaande gaat het om 15 122 mensen. In het zorgjaar 2012 heeft het CAK namelijk 15 122 mensen een eigen bijdrage die ligt tussen de € 0 en € 100 opgelegd.

62

Hoeveel mensen zitten er momenteel tussen de 100 en 200 euro boven de piepgrens?

Het is niet exact aan te geven hoeveel mensen boven de piepgrens zitten. Wel kan worden aangegeven hoeveel mensen een eigen bijdrage betalen die ligt tussen de € 100 en € 200. Dit geeft een indicatie van hoe het bijdrageplichtig inkomen zich verhoudt tot het huidige zak- en kleedgeld, vermeerderd met de toeslagen. Als de eigen bijdrage € 100 euro bedraagt, heeft de cliënt een bijdrageplichtig inkomen dat € 100 boven de zak- en kleedgeldnormen, vermeerderd met de toeslagen, uitkomt1.

Hiervan uitgaande gaat het om 8 952 mensen. In het zorgjaar 2012 heeft het CAK namelijk 8 952 mensen een beschikking opgelegd voor een eigen bijdrage die ligt tussen de € 100 en € 200 per maand.

63

Hoeveel bewoners van verpleeg- en verzorgingshuizen hebben alleen een volledige AOW-uitkering?

De eigen bijdrage wordt vastgesteld op basis van het verzamelinkomen. VWS kent dan ook alleen de hoogte van het verzamelinkomen en niet de aard van het inkomen van de mensen die een eigen bijdrage betalen.

Op basis van het verzamelinkomen is het niet mogelijk om na te gaan of iemand een volledig of onvolledig AOW-uitkering heeft. Zo kan iemand die een volledige AOW-uitkering heeft, maar tegelijkertijd een hoge aftrekpost heeft een relatief laag verzamelinkomen hebben.

Daarnaast kan iemand met een onvolledige AOW-uitkering, maar wel met aanvullend inkomen, bijvoorbeeld uit pensioen of vermogen een verzamelinkomen hebben dat vergelijkbaar is aan iemand met een volledig AOW.

Het verzamelinkomen is dan ook geen goede indicator om na te gaan wat de aard van het inkomen is. Op basis van gegevens waarover VWS beschikt is het dan ook niet mogelijk deze vraag te beantwoorden.

64

Hoeveel bewoners van verpleeg- en verzorgingshuizen hebben een niet-volledige AOW-uitkering?

Zie het antwoord op vraag 63.

65

Hoeveel bewoners van verpleeg- en verzorgingshuizen hebben een volledige AOW-uitkering met een aanvullend pensioen? Hoe hoog is dit aanvullend pensioen gemiddeld?

Zie het antwoord op vraag 63.

66

Welke kosten moet een bewoner van een zorginstelling nog maken nadat de eigen bijdrage betaald is? Hoe hoog zijn deze kosten gemiddeld?

Ik heb geen gegevens beschikbaar welke kosten een bewoner van een zorginstelling maakt nadat de eigen bijdrage betaald is. Dit is sterk afhankelijk van welke diensten en producten een zorginstelling aanbiedt en waar een cliënt gebruik van wil maken.

67

Hoeveel mystery guests voeren momenteel inspecties uit in de langdurige zorg? Op welke punten zijn mystery guests van meerwaarde gebleken?

In samenwerking met de IGZ hebben twee mystery guests in totaal 36 instellingen bezocht in de ouderenzorg. De inspectie ziet de inzet van mystery guests als een waardevolle aanvulling om informatie te verzamelen over een zorgaanbieder. Deze informatie betreft vooral de «zachte» kant van de zorg, zoals bejegening, huiselijkheid en een prettige woonomgeving. Op dit moment bekijkt de IGZ op welke wijze de bijdrage van de mystery guests het toezicht op zorginstellingen verder kan verbeteren. De inspectie zal dit onderzoek in november afronden.

68

Hoe hoog is het percentage personeel in overheadfuncties ten opzichte van het totale personeel in de gezondheidszorg, uitgesplitst naar academische ziekenhuizen, algemene ziekenhuizen, verzorgingshuizen, verpleeghuizen, thuiszorginstellingen en ggz?

Het CBS heeft cijfers van het percentage personeel in overheadfuncties. Hierbij wordt gekeken naar het aantal voltijdbanen van werknemers in algemene, administratieve, hotel-, terrein- en gebouwgebonden functies gedeeld door het totaal aantal voltijdbanen van werknemers.

Voor de verschillende sectoren zijn de volgende percentages over 2010 gepubliceerd: GGZ 17%, Ziekenhuizen 18%, Gehandicaptenzorg 9%, Algemene ziekenhuizen 18% en Verpleeg- en verzorgingshuizen & thuiszorg 9%.

Het geldbedrag dat aan overhead wordt uitgegeven in de verschillende sectoren wordt niet geregistreerd.

69

Hoe hoog is het geldbedrag dat aan overhead uitgegeven wordt ten opzichte van het totale geldbedrag dat uitgegeven wordt in de gezondheidszorg, uitgesplitst naar academische ziekenhuizen, algemene ziekenhuizen, verzorgingshuizen, verpleeghuizen, thuiszorginstellingen en ggz?

Zie het antwoord op vraag 68.

70

Momenteel is een medewerker in de langdurige zorg gemiddeld 40% van de tijd kwijt aan administratieve handelingen. Waarom is er in de begroting geen streefgetal opgenomen? Welk percentage is aanvaardbaar en op welke termijn moet dit percentage bereikt zijn?

Percentages van de tijd die zorgverleners moeten besteden aan administratieve lasten variëren per onderzoek. Een eenduidig percentage is niet te geven. Het beeld van overbodige administratieve handelingen blijkt niet alleen uit onderzoeken, maar wordt ook bevestigd in de gesprekken met zorgprofessionals en in werkbezoeken aan de langdurige zorg. Werd in het verleden vanuit de regelgevers bezien welke mogelijkheden er zijn om de administratieve belasting te verminderen, nu is bewust gekozen voor een aanpak vanuit de ervaringen van het veld zelf. Dit heeft geleid tot het programma «Meer tijd voor de cliënt». Het hart daarvan wordt gevormd door de ca. 700 meldingen van hinderende wet- en regelgeving, zoals die zijn gedaan door zorgaanbieders, en de 28 experimenten met een regelarme werkwijze. De maatregelen die hieruit voortvloeien, zullen geleidelijk leiden tot een substantieel ervaren reductie van de overbodige administratieve lasten in de langdurige zorg. De omvang van de reductie hangt overigens niet alleen van maatregelen van de rijksoverheid, maar vooral ook van de inrichting van de bedrijfsvoering van de zorgaanbieders zelf. Ook zij zullen zich «de kunst van het loslaten» en «het bieden van vertrouwen» eigen moeten maken. Een streefpercentage voor een reductie van de administratieve lasten is ook daarom lastig te geven.

71

Hoeveel zou het kosten om casemanagement dementie landelijk in te voeren? Binnen hoeveel jaar zal deze investering zich terug betalen?

Casemanagement is een combinatie van een aantal taken die in de Zvw, AWBZ en Wmo zijn vervat. Ter uitvoering van het stappenplan dat op 7 november 2011 aan de Kamer is gezonden (Kamerstuk 29 689, nr. 362) wordt nu in samenspraak met het veld een beschrijving van casemanagement opgesteld. Deze zal nog dit jaar gereed zijn. Op basis van die beschrijving zal een monitor uitgevoerd worden naar de inkoop van casemanagement binnen de drie genoemde domeinen. De monitor moet inzicht geven in de wijze waarop en de mate waarin casemanagement nu wordt ingekocht. Op basis van de uitkomsten van de monitor, gecombineerd met de beschrijving van casemanagement, zal een inschatting gemaakt worden van de kosten van casemanagement vormgegeven overeenkomstig die beschrijving.

72

Hoeveel mensen werken er in de langdurige zorg, uitgesplitst naar opleidingsniveau? Wat is hun gemiddelde salaris?

Van de 591 670 banen in 2010 in de langdurige zorg (=verpleeg- en verzorgingshuizen, thuiszorg en gehandicaptenzorg) werden er 136 100 (=23%) ingenomen door werknemers met een lagere opleiding (maximaal vmbo of mbo niveau 1/2), 301 800 (=51%) door werknemers met een middelbare opleiding (havo, vwo of mbo niveau 3/4) en 153 800 (=26%) door werknemers met een hogere opleiding (hbo of hoger). Er zijn geen gegevens bekend over het gemiddelde salaris van deze groepen.

73

Op welke wijze wordt onderzoek naar dementie door het ministerie van VWS ondersteund? Hoeveel geld wordt er in totaal aan onderzoek besteed en naar welke instellingen gaat welk bedrag?

Het ministerie van VWS ondersteunt het onderzoek naar dementie vaak als onderdeel van onderzoek naar gerelateerde onderwerpen in bredere programma’s, bijvoorbeeld, het Nationaal Programma Ouderenzorg of in het kader van het topsectorenbeleid.

74

Hoe hoog zijn de uitvoeringskosten van de AWBZ door de zorgkantoren in percentage van de totale AWBZ-kosten?

De uitvoeringskosten AWBZ van zorgkantoren (en zorgverzekeraars) worden voor 2013 geraamd op € 178 mln. (valt onder tabel 2, regel Beheerskosten/diversen AWBZ op pagina 205 van de Begroting). De totale AWBZ-uitgaven in 2013 worden geraamd op € 27 296 mln. (zie pagina 205 van de VWS-begroting 2013). Daarmee worden de uitvoeringskosten als percentage van de totale AWBZ-kosten geraamd op 0,65%.

75

Hoe hoog zijn de uitvoeringskosten van de Zorgverzekeringswet (Zvw) door de zorgverzekeraars in percentage van de totale Zvw-kosten?

In de onlangs door Vektis gepubliceerde rapportage Jaarcijfers 2012 komen op basis van de jaarlijkse Marktenquête voor 2011 de uitvoeringskosten exclusief exploitatiesaldi uit op € 1 150 mln..

Dit komt neer op 3,1 % van de totale uitgaven Zorgverzekeringswet van individuele zorgverzekeraars. Daarbij is voor de uitgaven in 2011 uitgegaan van € 37 339,3 mln. euro (zie VWS-begroting 2013, p 172).

76

Hoeveel tijd mag er zitten tussen het moment dat een gemeente zijn inwoners op de hoogte stelt dat er een eigen bijdrage voor Wmo-voorzieningen gevraagd gaat worden, en de daadwerkelijke opdracht van de gemeente aan het CAK om deze eigen bijdrage te berekenen/innen?

Er geldt geen wettelijke termijn of tijdslimiet voor het moment van het informeren van inwoners tot het tijdstip van de opdrachtverstrekking aan het CAK. De algemene procedure is dat een gemeente in een Wmo-verordening het opleggen van de eigen bijdrage vanaf een bepaalde datum vaststelt. De verordening wordt bijvoorbeeld in het najaar gepubliceerd en treedt in werking met ingang van 1 januari van het volgende jaar. Het is van belang en ook gebruikelijk dat de gemeente haar burgers hierover actief informeert. Wanneer burgers een voorziening aanvragen en ontvangen levert de gemeente (of zorgaanbieder) de voor de berekening van de eigen bijdrage relevante gegevens aan het CAK aan. Dit is het moment waarop het CAK ziet dat een voorziening is toegekend en geleverd, waarvoor volgens de instructies van de gemeente een eigen bijdrage moet worden geïnd.

77

Zijn zorginstellingen en gemeenten verplicht cliënten mee te delen dat er een eigen bijdrage gevraagd zal worden? Zo ja, binnen welke termijn moeten cliënten hiervan op de hoogte gesteld worden? Welke andere verplichtingen gelden hier nog meer voor gemeenten en zorginstellingen?

Het is aan zorgkantoren, die de AWBZ uitvoeren, om met zorgaanbieders afspraken te maken dat zij cliënten informeren dat zij een eigen bijdrage moeten betalen zodra zij AWBZ-zorg ontvangen.

Het is aan gemeenten zelf om in de Wmo-verordening al dan niet te bepalen of voor een Wmo-voorziening een eigen bijdrage betaald moet worden. Dat geldt ook voor de wijze waarop de gemeente haar inwoners informeert over dat gebruikmaking van een voorziening inhoudt dat een eigen bijdrage betaald moet worden.

78

In hoeveel % van alle eerste facturen die het CAK verstuurt betreft het een factuur over meerdere periodes?

Voor zorg zonder verblijf / Wmo betreft 80,6% van alle eerste facturen een factuur over meerdere perioden. De reden dat de eerste factuur vaak meerdere perioden omvat is dat eerst voor de cliënt vastgesteld moet worden welke bedrag aan eigen bijdrage hij, gezien zijn inkomen, maximaal per vier weken verschuldigd is. Hiertoe moeten, nadat het CAK voor het eerst gegevens heeft ontvangen van de zorgaanbieder, de persoonsgegevens worden geverifieerd bij de gemeentelijke basisregistratie persoonsgegevens (GBA) en moet het inkomen worden opgevraagd bij de Belastingdienst.

Voor zorg met verblijf betreft 99% van alle eerste facturen een factuur over meerdere perioden. De reden hiervoor is dat mensen meestal in de loop van de maand worden opgenomen en niet per definitie op de eerste van de maand. Op de eerste factuur wordt een eigen bijdrage in rekening gebracht voor het deel van de maand van opname en voor de daaropvolgende volledige maand.

79

Hoe wordt men op de hoogte gesteld dat de eerste factuur van het CAK hoger kan zijn omdat deze over meerdere periodes gaat?

Bij de brief (kennisgeving) van het CAK waarmee de cliënt geïnformeerd wordt dat het CAK een eigen bijdrage gaat berekenen, stuurt het CAK een folder over de eigen bijdrage mee. Daarin wordt verwezen naar de website van het CAK. De informatie dat de eerste factuur hoger kan zijn omdat deze over meerdere perioden kan gaan, is op deze website te vinden. Zie: http://www.hetcak.nl/portalserver/portals/cak-portal/pages/k1-1-3-de-factuur

De folder wordt overigens ook al vaak door de zorgaanbieder verstrekt.

80

Hoeveel tijd moet er zitten tussen de brief van het CAK dat zij een eigen bijdrage gaan berekenen, en de eerste factuur?

De tijd die moet zitten tussen de brief van het CAK dat het CAK een eigen bijdrage gaat berekenen, beschikking en de factuur moet zo kort mogelijk zijn. De gemiddelde termijn tussen de beschikking en de factuur is 26 dagen.

81

Mag het CAK een eigen bijdrage berekenen/innen over een periode voorafgaand aan de brief waarin het CAK meedeelt dat er een eigen bijdrage berekend gaat worden? Zo ja, tot hoe ver terug mag het CAK een eigen bijdrage innen?

Nee, de cliënt moet eerst een beschikking van het CAK ontvangen waarin is vastgesteld dat hij een bijdrage moet betalen en wat de hoogte daarvan is, of, bij zorg zonder verblijf en Wmo, wat de maximumbijdrage per vier weken is.

Op de termijn van inning is hoofdstuk 4, titel 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Daarin is geregeld dat de rechtsvordering verjaart vijf jaren nadat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken. Daarin is ook geregeld dat, en op welke wijze, de verjaring kan worden gestuit.

82

Hoeveel mensen hebben in 2011 een betalingsregeling getroffen met het CAK? Hoeveel mensen zullen dit naar schatting in 2012 doen?

In 2011 hebben 24 441 mensen een betalingsregeling getroffen met het CAK. Daarbij gaat het om 13 782 mensen die zorg zonder verblijf / Wmo ontvangen en 10 657 mensen die zorg met verblijf ontvangen.

Naar verwachting gaat het in 2012 om circa 19 500 mensen, waarvan circa 10 700 mensen die zorg zonder verblijf / Wmo ontvangen en 8 800 mensen die zorg met verblijf ontvangen.

83

Hoeveel gemeenten vragen een eigen bijdrage voor hulp bij het huishouden?

Door alle gemeenten wordt een eigen bijdrage voor hulp bij het huishouden gevraagd. Enkele gemeenten rekenen daarbij niet met het betaalde uurtarief, maar met een lager tarief, dat in het voordeel van de cliënt uitpakt (bron CAK). De regelgeving kent een maximum waar gemeenten zich aan moeten houden en laat de ruimte om een lagere bijdrage te vragen.

84

Hoeveel gemeenten vragen een eigen bijdrage voor «tastbare» Wmo-voorzieningen, zoals een scootmobiel?

Circa 80% van de gemeenten vraagt een eigen bijdrage voor overige «tastbare» Wmo- voorzieningen, zoals hulpmiddelen, vervoersvoorzieningen en woonvoorzieningen.

85

Hoeveel gemeenten die een eigen bijdrage vragen, vragen een eigen bijdrage die gelijk is aan het wettelijk maximum?

Bijna alle gemeenten vragen een eigen bijdrage die gelijk is aan het wettelijke maximum. Tien gemeenten hanteren een minimabeleid (gemeente verzoekt om de eigen bijdrage voor deze cliënten op nul te stellen) en enkele gemeenten hanteren een lagere eigen bijdrage in het voordeel van de cliënt (bron CAK).

86

Welk percentage van de stijgende levensverwachting brengt men door in goede gezondheid? Met andere woorden: als de levensverwachting met 1 jaar stijgt, hoeveel maanden zal iemand dan langer in goede gezondheid verkeren alvorens hij/zij (chronisch) ziek wordt?

Jaren in goede gezondheid zijn niet per definitie jaren zonder (chronische) ziekten. Mensen met een chronische ziekte kunnen zich gezond voelen. Het kan dus niet gezegd worden dat mensen in goede gezondheid verkeren totdat ze chronisch ziek worden. In de Volksgezondheid ToekomstVerkenningen 2010 (VTV 2010) concludeerde het RIVM dat we in Nederland tegelijkertijd zowel gezonder als zieker worden. Het grootste deel van de jaren die er bij komen, worden doorgebracht in goed ervaren gezondheid. Het gemiddeld aantal jaren dat mensen zonder chronische ziekten doorbrengen neemt nog steeds af. Daarbij spelen zowel medische als maatschappelijke factoren een rol. Door toename in medisch kennen en kunnen worden chronische ziekten eerder ontdekt, en is de overlevingskans hoger. Daardoor leven we langer in goede gezondheid, maar wel met een chronische ziekte.

87

Hoeveel mensen hebben vorig jaar in totaal een eigen bijdrage moeten betalen? Kan dit uitgesplitst worden naar Wmo, extramurale AWBZ-zorg en intramurale AWBZ-zorg?

Het aantal bijdrageplichtigen bedroeg in 2011 voor de Wmo 565 000, voor AWBZ-zorg zonder verblijf 539 000 en voor AWBZ-zorg met verblijf 356 000.

Dit betreffen mensen die gedurende het jaar enige tijd in zorg zijn geweest.

88

Waarom heeft de minister niet voor alle onderwerpen van VWS om de zeven jaar beleidsdoorlichtingen voorzien, zoals dat is overeengekomen met de Kamer?

In verband met de nieuwe indeling van de beleidsartikelen in de begroting 2013, is het niet gelukt al voor de begroting van 2013 te komen tot een dekkende meerjarige programmering die aansluit bij deze nieuwe indeling.

VWS doet veel beleidsonderzoek, zo is VWS bijna ieder jaar betrokken bij de IBO- ronde (interdepartementale beleidsonderzoeken). Veel beleidsonderzoek voldoet echter niet aan de formele criteria van beleidsdoorlichting. En de planning van het onderzoek is er tot op heden niet op gericht geweest om een volledige dekking te verkrijgen.

De afgelopen periode zijn de inspanningen gericht geweest op de nieuwe begrotingsindeling en ontbrak de tijd en capaciteit om een op die nieuwe indeling aansluitend dekkend schema van beleidsdoorlichtingen op te stellen. Doelstelling is om voor alle relevante beleidsonderwerpen tot een beleidsdoorlichting te komen. Deze programmering zal worden opgenomen in de begroting 2014.

89

Is de minister bereid per beleidsdoorlichting de Kamer te informeren over de opzet en inhoud ervan, voordat de doorlichting van start gaat?

De beleidsdoorlichtingen van VWS zullen qua opzet en inhoud voldoen aan de kenmerkende eigenschappen voor deze doorlichtingen (zie bijlage 6 Miljoenennota 2013). Ik zal de Kamer bij begroting 2014 een dekkende meerjarige programmering van beleidsdoorlichtingen toesturen. Het is niet gebruikelijk om de Kamer vooraf over de opzet en inhoud van ieder afzonderlijk beleidsonderzoek te informeren. Niet zelden wordt de onderzoeksvraag nader toegespitst nadat het beleidsonderzoek van start is gegaan. Algemene informatie vooraf en informeren over bijstellingen leidt tot extra administratieve lasten. Specifieke vragen over beleidsdoorlichtingen zal ik vanzelfsprekend graag beantwoorden.

90

Hoeveel formele controles zijn uitgevoerd door de zorgverzekeraars in de medisch-specialistische zorg en in de ggz; uitgesplitst naar zorgverzekeraars.

De verantwoordelijkheid voor controles ligt bij de zorgverzekeraars. Het aantal controles wordt niet geregistreerd.

Hierbij teken ik het volgende aan. Formele controles worden meestal uitgevoerd tijdens het declaratieproces, via de zogenaamde geprogrammeerde controles in het geautomatiseerde systeem. Daarnaast worden ook controles achteraf uitgevoerd, mede afhankelijk van welke risico’s al via het geautomatiseerde systeem worden afgedekt. Zorgverzekeraars controleren, voor bijvoorbeeld medisch specialistische zorg, achteraf op onterechte samenloop van declaraties. Het is niet aan te geven hoeveel formele controles iedere zorgverzekeraar verricht. Deze worden voortdurend uitgevoerd via de geprogrammeerde controles en richten zich op een veelvoud aan aspecten. Het aantal wordt niet bijgehouden.

Materiële controles moeten worden uitgevoerd conform de bepalingen uit de Regeling zorgverzekering. Materiële controles worden hierdoor proportioneel ingezet met een scala aan werkzaamheden, zoals cijferanalyses, verbandscontroles, benchmarking, gebruik maken van AO/IC-verklaringen, lichten van medische dossiers indien daar aanleiding toe bestaat, verzekerdenenquêtes, uitkeringsberichten, etc. Door de inzet van de verschillende controle-instrumenten per risico en per zorgverzekeraar kunnen ook de materiële controles niet worden uitgedrukt in aantallen.

91

Hoeveel materiële controles zijn uitgevoerd door de zorgverzekeraars in de medisch-specialistische zorg en in de ggz; uitgesplitst naar zorgverzekeraar?

Zie antwoord op vraag 90.

92

Hoeveel % van de zorgaanbieders handelt in derivaten, hoeveel zorgaanbieders zijn dit en wat is het totaalbedrag waarover risico wordt gelopen?

De vraag hoeveel % van de zorgaanbieders gebruik maakt van derivaten is moeilijk te beantwoorden. Een analyse van de jaarverslagen van alle ongeveer 1 500 zorginstellingen biedt geen zekerheid omdat niet zeker is of alle derivaten wel gemeld worden in de jaarverslagen. Daar komt bij dat het risico dat gelopen wordt per dag kan fluctueren met de beweging van de variabele rente.

In het antwoord op schriftelijke vragen van de leden Wolbert en Groot, verzonden op vrijdag 5 oktober 2012, heb ik aangegeven de resultaten van een uitvraag die het Waarborgfonds voor de Zorgsector deed onder zijn aangesloten leden, af te wachten. Ik verwacht dan een beter beeld dan nu te hebben over het gebruik van derivaten. Ik heb aangegeven die resultaten later dit jaar te verwachten.

93

Hoeveel kosten de HKZ en andere keurmerken in de zorg? Hoeveel keurmerken per merk worden jaarlijks afgegeven? Welke besparing is mogelijk als keurmerken in de zorg afgeschaft worden?

Er bestaan diverse keurmerken in de zorg (zie de website www.keurmerk.nl/NL/Zorg-en-Welzijn/Keurmerken-in-de-zorgsector).

De twee meest gangbare keurmerken in de zorg zijn HKZ en NIAZ.

Op de websites van HKZ (Harmonisatie kwaliteitsbeoordeling in de zorgsector; www.hkz.nl) en NIAZ (Nederlands Instituut voor Accreditatie in de zorg; www.niaz.nl) vind u informatie over de kosten van HKZ-certificatie en NIAZ-accreditatie. Deze kosten variëren afhankelijk van onder meer het aantal medewerkers van de zorginstelling. Bij HKZ kunnen de kosten variëren tussen € 2 300 en € 27 000. Het HKZ-certificaat heeft een beperkte geldigheidsduur (3 jaar) en tussentijdse toetsing is verplicht. Na drie jaar vindt hercertificatie plaats.

Bij NIAZ variëren de kosten van een eerste accreditatie tussen de € 8 000 en € 110 000 en volgt daarna een jaarbijdrage tussen de € 2 000 en € 28 000. Tot slot zal de zorgaanbieder kosten maken om te kunnen voldoen aan de normen uit de HKZ-certificatieschema’s of de NIAZ-kwaliteitsnormen. Deze kosten verschillen per zorgaanbieder; hierop heb ik geen zicht.

Op deze websites vindt u tevens overzichten van zorgaanbieders met HKZ-certificaat en NIAZ-accreditatie, met vermelding van de jaartallen van de afgegeven certificaten en accreditaties. Volgens de informatie op de HKZ-website zijn er in 2012 tot dusver 282 HKZ-certificaten afgegeven; in 2011 waren dat er 359. In totaal zijn er tot dusver 3 160 HKZ-certificaten afgegeven. Volgens de informatie op de NIAZ-website beschikken momenteel 40 zorginstellingen over een «eerste accreditatiestatus», 42 over een «tweede accreditatiestatus» en 13 over een «derde accreditatiestatus», zijn er 33 «lopende trajecten» en 9 «aanvragen prereservering».

Op de vraag welke besparing mogelijk is als keurmerken in de zorg afgeschaft worden wil ik allereerst opmerken dat certificatie of accreditatie door het ministerie van VWS nooit verplicht is gesteld. De overheid heeft tot dusver HKZ gesubsidieerd, maar deze subsidie wordt per 1 januari 2013 geheel afgebouwd. Het is in het verleden de eigen keuze van zorgaanbieders geweest om zich te laten certificeren of accrediteren, al dan niet daartoe aangespoord door een inkopende zorgverzekeraar. Het ministerie van VWS kan dus ook niet keurmerken in de zorg afschaffen; daartoe besluiten de veldpartijen zelf.

Ik beschik zelf over ontoereikende informatie om een voldoende betrouwbare schatting te geven van de mogelijke besparing als veldpartijen ervoor kiezen geen gebruik meer te maken van keurmerken in de zorg.

Tot slot wil ik opmerken dat zorgaanbieders op grond van de Kwaliteitswet verplicht zijn een kwaliteitssysteem te hebben. Certificeren of accrediteren, mits goed toegepast binnen de zorginstelling, draagt bij aan het kwaliteitssysteem en de kwaliteit van zorg; daarmee genereert het ook baten.

94

Kunt u per punt inhoudelijk duidelijk maken in de begroting waarom een alternatieve aanwending van deze middelen niet mogelijk is, conform de afgesproken systematiek van «verantwoord begroten»?

Zoals in de leeswijzer van de begroting is aangegeven is bij ieder begrotingsartikel het percentage opgenomen van de uitgaven die juridisch verplicht zijn. Dit percentage geeft de mate van budgetflexibiliteit weer. De juridisch verplichte uitgaven zijn uitgaven die het gevolg zijn van verplichtingen die reeds zijn aangegaan, uitgaven waar een wettelijke aanspraak op bestaat (zoals de zorgtoeslag en de Wtcg) of uitgaven waar op grond van de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur een redelijke termijn in acht genomen moet worden om de uitgaven te kunnen afbouwen, zoals het geval is bij veel subsidierelaties. De budgetflexibiliteit, en daarmee de amendeerbaarheid van de begroting, is op korte termijn meestal beperkt. Verder in de toekomst neemt de ruimte voor alternatieve aanwending toe.

Het feit dat uitgaven nog niet juridisch verplicht zijn betekent overigens niet dat het betreffende budget volledig vrij beschikbaar is. De meeste uitgaven liggen bestuurlijk vast, bijvoorbeeld op grond van afspraken en convenanten met andere ministers of overheden, zelfstandige bestuursorganen/rechtspersonen met een wettelijke taak of private partijen of op basis van toezeggingen aan de Tweede Kamer. Voor niet juridisch verplichte uitgaven wordt in de begroting een bestemming voorgesteld.

De uitgaven op artikel 2 worden gedomineerd door de rijksbijdrage 18- aan het Zorgverzekeringsfonds. Daarnaast bestaan de uitgaven uit inkomensoverdrachten, bijdragen aan ZBO’s, RWT’s en baten-lastendiensten en meerjarige subsidierelaties. De niet juridisch verplichte gelden zijn onder andere bestemd voor wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, frictiekosten overheveling geriatrische revalidatie, prestatiebekostiging en versterking van de eerstelijnszorg.

Voor artikel 3 zijn de niet juridisch verplichte gelden bestemd voor programma’s gericht op de verbetering van participatie, zelfredzaamheid en de kwaliteit van zorg zoals onder andere het programma Kwaliteit van zorg, het actieprogramma Brandveiligheid, het Europese programma Ambient Assisted Living en de landelijke uitrol van de experimenten regelarme instellingen.

De niet juridisch verplichte middelen op artikel 4 zijn voornamelijk bestemd voor de verbetering van de positie van de cliënt in het zorgstelsel en maatregelen gericht op een toekomstbestendige capaciteit van zorgverleners. De werking van het stelsel vraagt om een sterke positie van de cliënt en een evenwichtige arbeidsmarkt. Zonder de voorziene inzet op deze gebieden kunnen de publieke belangen toegankelijkheid, betaalbaarheid en kwaliteit in het gedrang komen.

Het niet juridisch verplichte deel van artikel 6 betreft een inschatting van dat deel van het totale budget waarvoor geldt dat er op 1 oktober nog geen juridische verplichtingen voor zijn aangegaan, danwel waarvoor nog geen sluitende bestuurlijke afspraken zijn gemaakt. De middelen die het betreft zijn direct gekoppeld aan verschillende beleidsdoelstellingen en programma’s.

Het betreft veelal (deel)budgetten waarvoor geldt dat er in de loop van het begrotingsjaar nog aanvragen voor ingediend kunnen worden. Een goed voorbeeld daarvan is het budget voor topsportevenementen. Nieuwe aanvragen kunnen gedurende het gehele begrotingsjaar worden ingediend. Van het beschikbare budget van € 8,8 mln. in 2013 is momenteel nog ruim € 7 mln. niet in juridische verplichtingen vastgelegd.

Ook voor de programma’s Sport en bewegen in de buurt, Verantwoord sporten en bewegen, Kennis en innovatie en Olympische ambitie geldt dat nog niet het gehele budget in verplichtingen is vastgelegd. Maar ook daar is sprake van beleidsvoornemens die in de loop van 2013 gerealiseerd gaan worden. Op basis van ervaring van de afgelopen jaren zal het aantal aanvragen voor deze programma’s het beschikbare budget overtreffen.

Voor wat betreft artikel 7 is het beperkte nog niet juridisch verplichte of bestuurlijk gebonden deel van de gelden bestemd voor immateriële projecten en subsidies voor zorg- en dienstverlening aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WOII en de herinnering aan WOII.

95

Kunt u nauwkeurig toelichten welke extra amendeerruimte nog bestaat? Als deze ruimte ontbreekt, wat is hiervan de reden?

Zie het antwoord op vraag 94.

96

Hoeveel interim-managers zijn in 2010 en 2012 werkzaam (geweest) bij de Bureaus Jeugdzorg en kunt u aangeven wat zij op jaarbasis verdienden

Met het oog op de beperking van de administratieve lasten bij de bureaus jeugdzorg en de jeugdzorginstellingen behoort deze informatie niet tot de gegevens die op reguliere basis worden opgevraagd. Over 2010 en 2012 zijn deze gegevens daarom niet beschikbaar. Bij een eenmalige inventarisatie is gebleken dat de kosten voor de inhuur van interim managers bij de bureaus jeugdzorg in 2008 circa 0,8% van de totale personeelskosten bedroegen.

97

Hoeveel opvangplekken hebben wij in Nederland voor meisjes die het slachtoffer zijn geworden van pooierboys?

Minderjarige slachtoffers van loverboys kunnen worden opgevangen en behandeld in een jeugdzorginstelling. Indien de problematiek van het meisje hier aanleiding toe geeft, kunnen slachtoffers van loverboys ook worden behandeld in een jeugdzorgplus instelling. Dit kan het geval zijn wanneer het meisje zich onttrekt aan de behandeling of de loverboy haar aan de behandeling probeert te onttrekken.

De jeugdzorg kent geen specifieke plekken voor meisjes die het slachtoffer zijn van pooierboys. Dat laat onverlet dat zowel in de open als de gesloten jeugdzorg capaciteit beschikbaar is voor deze doelgroep. Daarnaast is er één categorale (vrouwen)opvangvoorziening voor (Nederlandse) meisjes en jonge vrouwen die slachtoffer zijn of dreigen te worden van gedwongen prostitutie/pooierboys. Voor niet-Nederlandse volwassen vrouwelijke slachtoffers van mensenhandel (waaronder ook slachtoffers van pooierboys) die gebruik maken van de «bedenktijd» van de B9-regeling zijn 54 plaatsen beschikbaar in de Categorale Opvang Slachtoffers Mensenhandel.

98

Hoeveel zwerfjongeren telt Nederland nu, en hoeveel opvangplekken hebben wij voor deze zwerfjongeren?

Het totaal aantal zwerfjongeren op een willekeurige dag wordt geschat op ruim 3 600 en over een heel jaar op bijna 8 0003. De meeste zwerfjongeren worden (tijdelijk) opgevangen bij vrienden of familie. Voor de zwerfjongeren die nergens anders terecht kunnen zijn ongeveer 365 opvangplaatsen beschikbaar. Wanneer de plekken voor begeleid wonen worden meegerekend is het totaal aantal plekken bijna 8004.

99

Hoeveel Centra voor Jeugd en Gezin (CJG) zijn er momenteel gerealiseerd? In hoeveel van deze gemeenten is ook een fysiek inlooppunt gerealiseerd?

Momenteel wordt de laatste hand gelegd aan het Inhoudelijk verslag Brede Doeluitkering Centra voor Jeugd en Gezin over het jaar 2011, waaruit onder andere blijkt hoeveel gemeenten een Centrum voor Jeugd en Gezin hebben gerealiseerd. Dit verslag zal ik uw Kamer doen toekomen bij de beantwoording van de schriftelijke vragen van de algemene commissie Jeugdzorg over het rapport van de Algemene Rekenkamer «Rapport Centra voor Jeugd en Gezin in gemeenten; een samenwerkingsproject met gemeentelijke rekenkamers» (Kamerstuk 31 839, nr. 216). Ik streef ernaar de beantwoording van deze vragen vóór 1 november aan uw Kamer te doen toekomen.

100

Wat zijn de laatste wachtlijstcijfers bij de Bureaus, de ambulante zorg, de ggz en de (semi-) residentiële jeugdzorg? Kunt u deze cijfers specificeren naar provincie en stadsregio? Zo nee, waarom niet?

Met het Interprovinciaal Overleg is afgesproken dat er één keer per jaar over de omvang van de wachtlijsten in de provinciale jeugdzorg wordt gerapporteerd. Voor het antwoord op de vraag over de wachtlijst in de ggz verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 102.

In de oktoberbrief die ik aan de Tweede Kamer stuur over de ontwikkeling van de wachtlijsten in de provinciale jeugdzorg is de stand per provincie opgenomen. Op totaalniveau ziet dit er als volgt uit:

Tabel a) Bruto wachtlijst jeugdzorg (langer wachten dan 9 weken waarbij een gedeelte van deze cliënten wel zorg ontvangen maar niet de zorg die als eerste geïndiceerd is)

1/7/2010

1/7/2011

1/7/2012

2 873

2 974

2 859

Tabel b) Aantal jeugdigen op wachtlijst die een vorm van zorg ontvangen

1/7/2010

1/7/2011

1/7/2012

1 540

1 583

1 476

Tabel c) Netto wachtlijst jeugdzorg (langer wachten dan 9 weken zonder enige vorm van zorg)

1/7/2010

1/7/2011

1/7/2012

1 333

1 391

1 383

101

Wat is momenteel de gemiddelde doorlooptijd van aanmelding bij Bureau Jeugdzorg en aanvang van geïndiceerde zorg?

Op basis van het huidige rapportageformat voor de beleidsinformatie kan deze vraag in deze vorm niet beantwoord worden. Wel kan, op basis van het huidige rapportageformat, antwoord worden gegeven op de vraag wat de doorlooptijd is tussen instroom en vestiging 1e aanspraak(en) (vrijwillig kader) ingedeeld naar wachtperioden. In bijgevoegde tabel zijn de cijfers van het aantal aanspraken vanaf het 2e kwartaal 2011 opgenomen.

Gegeven de indeling van de tabel in wachtperioden is het niet mogelijk hieruit een gemiddelde doorlooptijd te berekenen. Dit is de reden dat onderstaande tabel in zijn volledigheid wordt weergegeven.

Vóór 2011 was er in de beleidsinformatie wel een tabel waarin de gemiddelde doorlooptijd was opgenomen. In het kader van de aanpassing van de beleidsinformatie is per 1-1-2011 deze tabel komen te vervallen.

   

2011 – 2e kwrt

2011 – 3e kwrt

2011 – 4e kwrt

2012 – 1e kwrt

2012 – 2e kwrt

Amsterdam

Spoedeisende zorg

104

128

126

123

80

Doorlooptijd tot en met 4 weken

177

132

82

54

3

Doorlooptijd vanaf 4 tot en met 8 weken

98

60

26

66

2

Doorlooptijd vanaf 8 tot en met 12 weken

65

39

10

36

6

Doorlooptijd langer dan 12 weken

55

49

25

19

19

Totaal unieke jeugdigen

499

408

269

298

110

Drenthe

Spoedeisende zorg

29

7

21

17

20

Doorlooptijd tot en met 4 weken

10

12

12

23

7

Doorlooptijd vanaf 4 tot en met 8 weken

15

10

20

23

12

Doorlooptijd vanaf 8 tot en met 12 weken

32

19

26

32

20

Doorlooptijd langer dan 12 weken

31

54

40

40

15

Totaal unieke jeugdigen

117

102

119

135

74

Flevoland

Spoedeisende zorg

49

51

46

56

43

Doorlooptijd tot en met 4 weken

44

69

77

109

52

Doorlooptijd vanaf 4 tot en met 8 weken

100

80

63

74

53

Doorlooptijd vanaf 8 tot en met 12 weken

55

40

28

31

30

Doorlooptijd langer dan 12 weken

23

25

24

22

16

Totaal unieke jeugdigen

271

265

238

292

194

Friesland

Spoedeisende zorg

0

0

0

0

0

Doorlooptijd tot en met 4 weken

65

68

106

79

84

Doorlooptijd vanaf 4 tot en met 8 weken

159

89

87

71

47

Doorlooptijd vanaf 8 tot en met 12 weken

82

56

30

60

31

Doorlooptijd langer dan 12 weken

43

60

60

48

53

Totaal unieke jeugdigen

349

273

283

258

215

Gelderland (wijziging in registratiemethode tussen 1e en 2e kwartaal 2012

Spoedeisende zorg

70

56

54

66

57

Doorlooptijd tot en met 4 weken

346

308

266

263

205

Doorlooptijd vanaf 4 tot en met 8 weken

264

183

197

195

103

Doorlooptijd vanaf 8 tot en met 12 weken

233

198

163

234

57

Doorlooptijd langer dan 12 weken

212

260

222

271

103

Totaal unieke jeugdigen

1 125

1 005

902

1 029

525

Groningen

Spoedeisende zorg

46

46

62

53

57

Doorlooptijd tot en met 4 weken

35

44

70

57

75

Doorlooptijd vanaf 4 tot en met 8 weken

32

18

73

74

21

Doorlooptijd vanaf 8 tot en met 12 wek

67

21

34

17

10

Doorlooptijd langer dan 12 weken

38

85

116

26

35

Totaal unieke jeugdigen

218

214

355

227

198

Haaglanden

Spoedeisende zorg

0

0

0

0

0

 

Doorlooptijd tot en met 4 weken

81

67

93

81

90

 

Doorlooptijd vanaf 4 tot en met 8 weken

139

133

125

151

134

Doorlooptijd vanaf 8 tot en met 12 weken

182

138

122

124

86

Doorlooptijd langer dan 12 weken

145

165

183

167

146

Totaal unieke jeugdigen

547

503

523

523

456

Limburg

Spoedeisende zorg

41

24

51

46

40

Doorlooptijd tot en met 4 weken

67

54

75

57

45

Doorlooptijd vanaf 4 tot en met 8 weken

103

108

70

68

79

Doorlooptijd vanaf 8 tot en met 12 weken

70

48

58

74

82

Doorlooptijd langer dan 12 weken

154

95

69

95

79

Totaal unieke jeugdigen

435

329

323

340

325

Noord-Brabant

Spoedeisende zorg

113

92

88

105

100

Doorlooptijd tot en met 4 weken

224

234

275

214

246

Doorlooptijd vanaf 4 tot en met 8 weken

294

223

251

181

201

Doorlooptijd vanaf 8 tot en met 12 weken

264

248

198

199

156

Doorlooptijd langer dan 12 weken

182

202

194

179

107

Totaal unieke jeugdigen

1 077

999

1 006

878

810

Noord-Holland

Spoedeisende zorg

58

53

62

61

68

Doorlooptijd tot en met 4 weken

55

56

60

54

41

Doorlooptijd vanaf 4 tot en met 8 weken

228

101

289

212

97

Doorlooptijd vanaf 8 tot en met 12 weken

162

199

113

98

57

Doorlooptijd langer dan 12 weken

62

122

122

68

38

Totaal unieke jeugdigen

565

531

646

493

301

Overijssel

Spoedeisende zorg

96

42

67

85

124

Doorlooptijd tot en met 4 weken

65

64

99

96

92

Doorlooptijd vanaf 4 tot en met 8 weken

55

64

56

66

66

Doorlooptijd vanaf 8 tot en met 12 weken

50

64

35

49

38

Doorlooptijd langer dan 12 weken

108

109

111

50

41

Totaal unieke jeugdigen

374

343

368

346

361

Rotterdam

Spoedeisende zorg

0

0

0

0

0

Doorlooptijd tot en met 4 weken

329

292

313

287

125

Doorlooptijd vanaf 4 tot en met 8 weken

93

60

102

88

89

Doorlooptijd vanaf 8 tot en met 12 weken

73

69

66

81

64

Doorlooptijd langer dan 12 weken

100

126

114

131

91

Totaal unieke jeugdigen

595

547

595

587

369

Utrecht

Spoedeisende zorg

0

0

0

0

0

Doorlooptijd tot en met 4 weken

75

64

90

83

125

Doorlooptijd vanaf 4 tot en met 8 weken

53

61

73

76

54

Doorlooptijd vanaf 8 tot en met 12 weken

76

53

39

56

52

Doorlooptijd langer dan 12 weken

140

123

142

134

103

Totaal unieke jeugdigen

344

301

344

349

334

Zeeland

Spoedeisende zorg

1

0

1

2

0

Doorlooptijd tot en met 4 weken

32

60

24

25

26

Doorlooptijd vanaf 4 tot en met 8 weken

56

48

57

34

25

Doorlooptijd vanaf 8 tot en met 12 weken

38

43

30

42

34

Doorlooptijd langer dan 12 weken

69

48

25

25

34

Totaal unieke jeugdigen

196

199

137

128

119

Zuid-Holland

Spoedeisende zorg

0

0

0

0

0

Doorlooptijd tot en met 4 weken

51

71

91

74

76

Doorlooptijd vanaf 4 tot en met 8 weken

187

163

181

168

146

Doorlooptijd vanaf 8 tot en met 12 weken

237

172

107

167

102

Doorlooptijd langer dan 12 weken

288

335

263

262

240

Totaal unieke jeugdigen

763

741

642

671

564

102

Wat is momenteel de gemiddelde doorlooptijd van aanmelding binnen de jeugd-ggz en aanvang van de behandeling/begeleiding binnen de jeugd-ggz?

Volgens «ggz in tabellen 2010» , gepubliceerd in 2011, van het Trimbos Instituut bedraagt de gemiddelde doorlooptijd van aanmelding tot het eerste gesprek binnen de jeugd-ggz zes weken. De gemiddelde doorlooptijd van aanmelding tot aanvang van de behandeling/begeleiding binnen de jeugd-ggz bedraagt 18 weken.

103

Hoeveel Zorg en Advies Teams (ZAT’s) zijn er nu in het primair, voortgezet en middelbaar onderwijs?

In het voortgezet onderwijs heeft in 2011 98% van de schoollocaties een ZAT. De scholen zonder ZAT vinden dat hun schoolinterne zorg in combinatie met bilaterale samenwerkingsrelaties met externe instellingen bij de ondersteuning van leerlingen, ouders en docenten, toereikend is.

Bij het middelbaar beroepsonderwijs is het percentage ROC’s met een ZAT eveneens 98%. Bij de AOC’s en vakscholen met een mbo-afdeling, waar de ZAT-ontwikkeling later op gang is gekomen, bedragen de respectieve percentages 92% en 58%. In 2010 had respectievelijk 77% en 42% een ZAT.

In 2011 is er in het kader van de ontwikkelingen rond passend onderwijs voor gekozen geen gegevens te verzamelen voor het primair onderwijs. In 2010 rapporteerde 67% van de WSNS-verbanden over een ZAT of soortgelijk multidisciplinair casusoverleg te beschikken. Driekwart van de basisscholen (74%) heeft toegang tot een ZAT en 71% van de basisscholen beschikt over een zorgteam waarin de intern begeleider vaak samenwerkt met een schoolmaatschappelijk werker en een schoolverpleegkundige.

104

Hoeveel gemeenten hebben hoeveel bezuinigd op het (preventief) jeugdbeleid?

Het is mij niet bekend hoeveel gemeenten hoeveel bezuinigd hebben op het (preventief) jeugdbeleid.

105

Hoe ziet de verdeelsleutel eruit voor de uitkering in het gemeentefondsen van gemeenten wanneer jeugdzorg een verantwoordelijkheid is van gemeenten? Als dat nog niet bekend is, wanneer dan wel?

Op dit moment wordt door de onderzoekscombinatie SCP en Cebeon onderzoek verricht naar een verdeelmodel voor de decentralisatie-uitkering Jeugd in het Gemeentefonds. In de meicirculaire 2013 worden de bedragen per gemeente gepubliceerd.

106

Hoeveel moeten de GGD en haar verschillende afdelingen bezuinigen, en hoe gaan de GGD’S deze bezuinigingen invullen? Kunt u zowel een bedrag als een percentage aangeven?

Ik kan deze vraag niet beantwoorden. De gemeenten zijn eigenaar van de GGD’en en daarmee verantwoordelijk voor het financiële beleid en de keuzes die daarbinnen worden gemaakt. Controle vindt plaats door de gemeenteraden van de aangesloten gemeenten. Daar ga ik niet over. Het Rijk is alleen systeem verantwoordelijk.

107

Hoe kan de begrotingssystematiek zodanig worden gewijzigd dat niet alleen de kosten, maar ook de financiële baten van zorguitgaven zichtbaar worden gemaakt?

De begrotingssystematiek wordt vastgesteld door het kabinet. In het verleden zijn verschillende vormen van begrotingsbeleid gevoerd. De huidige begrotingssystematiek (het trendmatig begrotingsbeleid) is erop gericht de uitgaven te normeren (door middel van vaste uitgavenkaders voor de rijksbegroting en de collectieve uitgaven aan sociale zekerheid en zorg) en de inkomsten zoveel mogelijk te laten meebewegen met de economische ontwikkeling. Een belangrijk doel van de begrotingssystematiek is het voorkomen van overschrijdingen van de Europese normen uit het Stabiliteit- en Groeipact voor EMU-saldo en de EMU-schuld.

Het kwantificeren van de financiële baten van de zorguitgaven is geen eenvoudige opgave. Voor zover deze baten ten gunste komen van de collectieve sector zijn deze overigens al impliciet in de rijksbegroting opgenomen. Zo heeft de overheid als werkgever financieel voordeel bij een laag ziekteverzuim of een hoge arbeidsproductiviteit van ambtenaren als gevolg van goede gezondheidszorg. De meeste financiële baten van de zorg komen echter ten goede aan het individu en hebben dus geen invloed op het EMU-saldo of de EMU-schuld. Wanneer deze baten in de begrotingssystematiek tot uiting worden gebracht ontstaat mogelijk additionele uitgavenruimte die bij aanwending een opwaarts effect heeft op het EMU-saldo en de EMU-schuld. Een dergelijke aanpassing van de begrotingssystematiek brengt gezonde overheidsfinanciën niet dichterbij.

108

Hoe kan de begrotingssystematiek zodanig worden gewijzigd dat niet alleen de (korte termijn) opbrengsten van een bezuiniging, maar ook de negatieve financiële gevolgen van zo’n maatregel in beeld worden gebracht; bijvoorbeeld hogere kosten voor politie en justitie als gevolg van een eigen bijdrage op de ggz of hogere zorgkosten, en lagere arbeidsproductiviteit als gevolg van het schrappen van de aanspraak op fysiotherapie voor reumapatiënten?

De korte-termijnopbrengst van maatregelen is het directe effect van een maatregel oftewel het eerste orde-effect. De negatieve (of positieve) gevolgen van zo’n maatregel op andere beleidsterreinen of sectoren vormen het tweede orde-effect. De mate waarin dergelijke tweede orde-effecten (waaronder ook gedragseffecten) zich voor zullen doen is vaak onzeker en de budgettaire effecten zijn heel moeilijk in te schatten. Daarom wordt het uitgangspunt gehanteerd dat in de ramingen geen rekening wordt gehouden met tweede orde-effecten. Uitzondering daarop zijn de in- en uitverdieneffecten van maatregelen op de economische groei. Ook in bepaalde gevallen waarin het tweede orde-effect evident is en het budgettaire effect goed is in te schatten wordt soms een uitzondering gemaakt. Voorbeelden hiervan zijn de weglekeffecten van maatregelen op de Werkloosheidswet naar de bijstand of het effect van premie-wijzigingen op de zorgtoeslag. Overigens worden uiteindelijk alle tweede orde-effecten in de begroting verwerkt, omdat in de uitvoering knelpunten of meevallers ontstaan die in het kader van de begrotingsbesluitvorming worden geaccommodeerd.

109

Hoeveel geeft een Nederlandse burger jaarlijks uit aan geneesmiddelen in verhouding tot omliggende landen?

In vergelijking met andere West-Europese landen wordt in Nederland weinig geld aan geneesmiddelen besteed. Minder dan 10% van de totale zorguitgaven in Nederland komt voor rekening van geneesmiddelen. Gemiddeld consumeerde een Nederlander in 2010 voor € 347 aan geneesmiddelen (inclusief de levering van dure geneesmiddelen) en ligt hiermee 14% onder het West-Europees gemiddelde (€ 401). In de landen om Nederland heen, zoals België (€ 393), Duitsland (€ 487) en Frankrijk (€ 556), wordt gemiddeld 13 tot 60% meer uitgegeven aan geneesmiddelen per hoofd van de bevolking.

110

Kan de minister toelichten welke prioritering wordt gevolgd voor 2013, met name voor de artikelen 2 «Curatieve zorg», 6 «Sport en bewegen» en 8 «Tegemoetkoming specifieke kosten»?

De prioritering voor 2013 is opgenomen in de beleidsagenda en in de paragraaf «prioriteiten en beleidswijzigingen 2013» bij de betreffende artikelen. De prioritering weerspiegelt de prioriteiten van de bewindspersonen van VWS en is het resultaat van het politieke afwegingsproces.

111

Kan inzicht worden gegeven in de prestatie-indicatoren, indicatoren over doeltreffendheid van beleid en de streefwaarden die de minister wil bereiken in 2013?

De begroting van VWS is dit jaar in lijn gebracht met de vereisten van Verantwoord Begroten. Hierbij wordt de focus gelegd op de rollen en verantwoordelijkheden die de minister heeft ten aanzien van een bepaald beleidsterrein en met welke (financiële) instrumenten de minister invulling geeft aan die rol. Er worden vier rollen onderscheiden: stimuleren, regisseren, financieren en uitvoeren van beleid. De koppeling van de doelstellingen van beleid, de rol en verantwoordelijkheid van de minister en de instrumenten die worden ingezet om de doelstellingen te realiseren geven aan op welke resultaten de minister daadwerkelijk aanspreekbaar is.

De minister van VWS vervult ten aanzien van grote delen van de zorg de rol van regisseur of financier. De minister is verantwoordelijk voor de werking van het zorgstelsel, terwijl de uitvoering in handen is van veelal private partijen in het veld. Het gebruik van indicatoren sluit daar minder goed bij aan, omdat de relatie tussen het gevoerde beleid en de beoogde maatschappelijke effecten een indirecte is. De minister voert immers niet zelf uit. Daarom is in de begroting van VWS veelal gekozen voor kengetallen. Kengetallen geven relevante informatie over het beleidsterrein, maar kennen geen streefwaarde.

Bijvoorbeeld: de minister ondersteunt topsport met als doel bij de top 10 van best presterende landen te behoren, maar heeft geen directe invloed op het aantal behaalde medailles op de Olympische Spelen. De medaillespiegel is daarom geen indicator voor het succes van het topsportbeleid, maar wel een relevant kengetal dat iets zegt over de ontwikkelingen binnen de topsport.

Onder «Verantwoord Begroten» is het gebruik van indicatoren en kengetallen beperkter dan voorheen gebruikelijk was. In plaats daarvan is meer aandacht voor beleidsevaluaties en  -doorlichtingen. Deze geven doorgaans een beter beeld van de effectiviteit van beleid. Goede indicatoren die relevante informatie verschaffen, uit betrouwbare bron afkomstig zijn en regelmatig beschikbaar komen blijken niet voor alle beleidsterreinen voorhanden te zijn.

112

Kan de minister aangeven op welke onderdelen van haar beleidsterrein Europa een rol speelt, en welke inzet zij daar het komende jaar op zal plegen?

Hieronder volgt een overzicht van lopende VWS EU dossiers:

Medische producten

  • Voorstel voor een verordening klinisch geneesmiddelenonderzoek

  • Voorstel voor verordeningen voor medische hulpmiddelen en in-vitrodiagnostiek (en hiermee samenhangend de toekomstige introductie van een Europees registratiesysteem met daaraan gekoppeld een uniforme barcodering)

  • Uitvoering van het actieplan van de Europese Commissie (van de voormalige commissaris Dalli)

  • Voorstel voor een richtlijn over transparantie van prijzen en vergoedingen

Voedselveiligheid

– Voorstel Parnuts (voeding voor bijzonder gebruik: bijvoorbeeld voor medische doeleinden of kindervoeding)

Productveiligheid

pakket van voorstellen betreffende het versterken van markttoezicht en de buitengrenscontrole van non-food en non-feedproducten

Onderzoek en Innovatie

  • Innovatie Unie: KP7 en Horizon 2020 (KP8)

  • Health for Growth

Overige actuele dossiers

  • Het besluit grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen (onder andere infectieziekten)

  • Voorstel voor een herziening van de richtlijn erkenning beroepskwalificaties

  • Voorstel voor een herziening van de tabaksproductenrichtlijn

  • Antibioticaresistentie (terugdringen gebruik nieuwe antibiotica, terugdringen humaan en veterinair gebruik, ontwikkelen nieuwe antibiotica)

  • Op de terreinen Jeugd en Sport is geen Europese regelgeving van toepassing

  • Actuele onderwerpen bij sport zijn match-fixing, anti-doping (herziening van de WADA-code) en de bijdrage die sport kan leveren aan economische groei en werkgelegenheid

Door middel van BNC fiches en geannoteerde agenda’s voor EU raden wordt uw Kamer door het kabinet over de ontwikkelingen en de inzet van het kabinet op deze dossiers geïnformeerd.

113

Kan de minister toelichten of er meer amendeerruimte is dan de beperkte ruimte die is aangegeven? Zo ja, welke extra ruimte is er nog? En zo nee, hoe kunt u dat verklaren?

Zie het antwoord op vraag 94.

114

Kan de minister de kwalitatieve beschrijving van de niet-juridisch verplichte uitgaven geven zoals dat is afgesproken?

Zie het antwoord op vraag 94.

115

Waarom heeft de minister niet voor alle onderwerpen van VWS om de zeven jaar beleidsdoorlichtingen voorzien, zoals dat is overeengekomen met de Kamer?

Zie het antwoord op vraag 88.

116

Is de minister bereid per beleidsdoorlichting de Kamer te informeren over de opzet en inhoud ervan, voordat de doorlichting van start gaat?

Zie het antwoord op vraag 89.

117

Kan de minister aangeven in hoeverre zij kan worden afgerekend op de in de begroting genoemde rollen, doelen en verantwoordelijkheden?

Zie het antwoord op vraag 111.

118

Hoe wordt de opvang voor tienermoeders bekostigd? Hoe groot is de post voor de opvang van tienermoeders? Hoe vervult de minister een coördinerende functie als het gaat om opvang van en activiteiten voor tienerouders?

De opvang van tienermoeders valt onder de vrouwenopvang en valt daarmee primair onder de verantwoordelijkheid van de centrumgemeenten voor vrouwenopvang. De centrumgemeenten krijgen voor de vrouwenopvang een decentralisatie-uitkering. Hoeveel hiervan wordt gebruikt voor de opvang van tienermoeders, is niet bekend. Verder kan de hulp en opvang voor tienermoeders ook via andere kanalen worden bekostigd. Hierbij kan worden gedacht aan maatschappelijke opvang, Jeugdzorg en AWBZ. Ook daarvan is niet bekend hoeveel geld aan opvang van tienermoeders wordt besteed.

Er wordt voorts voor het tienermoederopvanghuis van Siriz in Gouda tot en met 2014 jaarlijks een extra bedrag van € 229 000 toegevoegd aan de decentralisatie-uitkering voor Gouda. Vanaf 2015 moet het nieuwe stelsel voor vrouwenopvang in werking treden, waarbij speciale aandacht is voor de opvang van tienermoeders, inclusief de extra bekostiging van Gouda voor het tienermoederopvanghuis in Gouda. Er wordt momenteel gekeken hoe de opvang voor tienermoeders kan worden ondergebracht in het opvangstelsel, conform de brief van de staatssecretaris van VWS van 14 december 2011 (Kamerstuk 28 345, nr. 117). De uitwerking hiervan is onderdeel van het project Aanpak Geweld in Huiselijke Kring van VNG, Federatie Opvang en VWS.

119

Op welke wijze is er door de minister het afgelopen jaar actief beleid gevoerd om een gelijk speelveld te creëren tussen eerstelijns zorgaanbieders en zorgverzekeraars als het gaat om de contractering van zorg?

De Nederlandse Zorgautoriteit ziet als marktmeester toe op de ontwikkeling van de machtsverhouding tussen eerstelijns zorgaanbieders en verzekeraars.

De NZa kan indien nodig actief optreden om evenwichtige machtsverhoudingen te garanderen.

Verder is het aan verzekeraars en zorgaanbieders onderling om zich bezig te houden met de contractering. Eén van de verwachtingen die bij sommige eerstelijns zorgaanbieders leeft, is dat er een individueel aanbod zou moeten zijn tussen elke individuele zorgaanbieder en elke verzekeraar. Dat hoeft niet. Verzekeraars moeten een realistisch bod doen en zij moeten voldoen aan hun zorgplicht. Ook mag van verzekeraars worden verwacht dat zij verschil maken als een zorgaanbieder een ander pakket aan service en/of kwaliteit en/of behandeluitkomsten kan bieden. We zien ook in de praktijk dat er een verscheidenheid aan prijs- en prestatieafspraken ontstaat. Maar dit betekent nog niet dat er een recht is op een contract. Wel ben ik van mening dat verzekeraars bij de inkoop van zorg meer over de sectoren heen kunnen kijken. De inkoop van zorg in de tweede lijn heeft direct effecten op de ontwikkelingen in de eerste lijn. Het is voor verzekeraars daarom raadzaam om de inkoop van deze sectoren in samenhang te bezien. Geschillen over contractering kunnen worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter.

Er is voor mij uitsluitend een rol als het bovenstaande systeem geen zorg kan dragen voor evenwichtige marktverhoudingen. Slechts in specifieke situaties treed ik actief op.

In het afgelopen jaar heb ik een paar maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat de verhoudingen tussen zorgaanbieders en verzekeraars gelijkwaardig zijn, zodat de eerstelijnszorg optimaal kan functioneren.

Hierbij denk ik onder andere aan het afschaffen van de macronacalculatie en het stapsgewijze afbouwen van overige ex postcompensatie binnen de risicoverevening. Hierdoor gaan verzekeraars meer risico lopen, en komt er een gelijk risico voor eerste en tweedelijnszorg, zodat verzekeraars gestimuleerd worden (goedkopere) zorg in de eerste lijn in te kopen.

Ook heeft de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) voorlichting gegeven aan huisartsen over wat wel en wat niet mag. Ik zal er alles aan doen om dit komend jaar voort te zetten om te voorkomen dat gewenste acties niet van de grond komen of stokken. Activiteiten die gericht zijn op verbetering van kwaliteit en service aan de patiënt mogen ook van de NMa.

Een andere actie die ik heb ondernomen is dat ik heb besloten om meer financiële ruimte te creëren om substitutie van tweede naar eerste lijn te accommoderen.

120

Hoe zijn de afspraken die tot stand zijn gekomen in het convenant ggz terug te vinden in de begroting?

De financiële afspraken van het bestuurlijk akkoord toekomst ggz zijn terug te vinden in tabel 19 op pagina 199 van de begroting van VWS. In deze tabel is onder andere de volgende regel opgenomen:

 

2011

2012

2013

2014

Stand BA ggz

4 258,3

4 028,9

4 129,5

4 232,8

Deze stand is rechtstreeks terug te vinden in het bestuurlijk akkoord.

Uit deze stand is terug te rekenen dat in 2013 en 2014 sprake is van 2,5% groei (toename in 2013 is € 100,6 mln. = 2,5%).

121

Hoeveel middelen worden er uitgetrokken voor suïcidepreventie? Waaraan worden deze middelen besteed?

Voor suïcidepreventie wordt jaarlijks ruim € 1 mln. structureel uitgetrokken. Deze middelen worden besteed aan subsidies voor de Stichting 113online en de Stichting Ex6, organisaties die hulp bieden aan personen met suïcidale gedachten en mensen die eerder een poging hebben ondernomen.

122

Herinnert u zich de toezegging van de staatssecretaris van V&J, gedaan tijdens het Algemeen Overleg van 19 april 2012, dat hij met de staatssecretaris van VWS in overleg zou treden over de vormgeving en de structurele financiering van adoptiespecifieke nazorg? Wat is de huidige stand van zaken van dat overleg?

Ja. Dit overleg heeft vlak na het Algemeen Overleg van 19 april 2012 plaatsgevonden. In dit overleg heb ik aangegeven na te zullen gaan welke vormgeving en financiering van adoptiespecifieke nazorg gewenst is.

Gezien de koers om alle zorg voor jeugdigen onder gemeentelijke verantwoordelijkheid te brengen, zodat sturing op goede integrale zorg in één hand ligt, ligt het voor de hand om die optie ook voor adoptiespecifieke nazorg te verkennen. Ik doe dat vanzelfsprekend met de VNG en relevante experts. Uiteraard zal ik uw Kamer over de uitkomsten van deze verkenning informeren.

123

Is de informatie waar dat het ministerie van VWS inmiddels contact heeft gehad met de Stichting Adoptievoorzieningen (SAV), dat de door deze stichting voorgestelde projectplannen veelbelovend zijn, maar dat er toch geen geld voor beschikbaar wordt gesteld? Kan de achtergrond hiervan worden toegelicht? Wilt u alsnog structureel geld hiervoor beschikbaar stellen, mede gelet op de conclusies uit de brief van de Inspectie Jeugdzorg van 3 november 2011 en de beleidsdoorlichting?

De Inspectie Jeugdzorg constateert dat het zicht op het kind in het gezin onvoldoende is gewaarborgd en doet de aanbeveling om de adoptienazorg een vast onderdeel te laten uitmaken van de adoptieprocedure. In een overleg tussen VWS en de Stichting Adoptievoorzieningen (SAV), gaf de SAV aan mogelijkheden te zien dit in te vullen op een wijze waarbij geringe additionele financiële middelen benodigd zijn. VWS heeft de SAV gevraagd haar idee daarover kort op papier te zetten. De SAV heeft dit gedaan, waarbij bleek dat de additionele kosten circa

€ 260 000 per jaar bedroegen. Vanuit VWS is aangegeven dat dit een fors bedrag is; de totale subsidie voor adoptienazorg aan de SAV bedraagt jaarlijks circa

€ 730 000. VWS onderzoekt daarom of er andere mogelijkheden zijn om invulling te geven aan de aanbeveling van de Inspectie Jeugdzorg zonder dat er forse extra uitgaven voor nodig zijn.

124

Bij brief van 9 juli 2012 constateert de minister dat er in Nederland – ondanks enkele initiatieven van met name de ziekenhuissector – nog onvoldoende gebruik gemaakt wordt van uniforme barcodering. Kunt u een inschatting geven van de mogelijke besparingen wanneer de uniforme barcodering zorgsectorbreed wordt geïmplementeerd? Ziet u mogelijkheden om –  in aanvulling op Europese en internationale ontwikkeling – de implementatie van een uniform barcoderingssysteem te versnellen? Welke rol ziet u daarbij voor zichzelf weggelegd, naast de rol van de zorgsector?

Met de invoering van een uniforme barcodering zullen er verbeteringen optreden ten aanzien van onder andere de patiëntveiligheid, de traceerbaarheid, het voorraadbeheer, de logistiek en het bestrijden van vervalste medische producten. Daardoor is het aannemelijk dat het invoeren van een uniforme barcodering besparingen met zich mee zal brengen. Ziekenhuizen, apothekers en de farmaceutische- en medische hulpmiddelen industrie moeten daarvoor uiteraard wel eerst investeren in systemen, (rand)apparatuur en invoeringskosten om het coderingssysteem te implementeren. Er zijn meerdere internationaal aanvaarde coderingssystemen, fabrikanten zijn in beginsel vrij om te kiezen uit deze systemen. Omdat er nog geen duidelijkheid is over welke codering er ingevoerd zal worden kan ik nog geen uitspraken doen over de mogelijke besparingen.

De doelmatigheidswinst zit voornamelijk in de besparingen op de administratieve lasten en het voorkomen van verlies van inkomsten (bijvoorbeeld doordat de voorraad over de datum is). Zoals ik eerder in de brief (Kamerstuk 29 477, nr. 197) aan de Tweede Kamer over dit onderwerp heb aangegeven, vind ik het belangrijk dat we anticiperen op Europese – en mondiale ontwikkelingen en regelgeving op dit terrein. De implementatie van een coderingssysteem vereist een gezamenlijke, internationale en coherente aanpak. Eerder heb ik de verschillende partijen in het veld dringend opgeroepen om voortvarend met uniforme barcodering aan de slag te gaan. De overheid schept daarbij de juiste randvoorwaarden en zal waar mogelijk een stimulerende rol vervullen.

125

Kan de minister de budgetflexibiliteit van artikel 6 «Sport en bewegen» (14%) in kwalitatieve zin beschrijven? Heeft u voor dit deel van artikel 6 al beleidsvoornemens? Zo ja, welke?

Zie het antwoord op vraag 94.

126

Kunt u aangeven welk deel van de uitgaven aan zorgopleidingen wordt toegerekend aan het Budgettair Kader Zorg (BKZ)? Kunt u aangeven of in deze toerekening aan het BKZ de afgelopen jaren wijzigingen zijn doorgevoerd?

De totale uitgaven aan zorgopleidingen bedragen structureel € 1 410 mln. Van deze uitgaven wordt € 1 274 mln. (circa 90 %) toegerekend aan het Budgettair Kader Zorg (BKZ). De uitgaven aan zorgopleidingen toegerekend aan het BKZ zijn deels premiegefinancierd (€ 1 073 mln.) en deels begrotingsgefinancierd (€ 197 mln.). Een bedrag van € 136 mln. wordt via de VWS- begroting aan zorgopleidingen uitgegeven.

De afgelopen jaren zijn er twee wijzigingen geweest. De opleiding tot huisarts is in 2011 van de begroting van VWS naar het BKZ overgeheveld en het fonds ziekenhuisopleidingen is vanaf de start in 2011 meteen aan het BKZ toegevoegd.

Daarnaast worden met ingang van 2013 de zorgopleidingen 1e en 2e tranche – met uitzondering van de publieke gezondheidszorg opleidingen – en de huisartsenopleiding via beschikbaarheidsbijdragen gefinancierd. Om dat mogelijk te maken wordt de raming van het begrotingsgefinancierd BKZ verlaagd en de raming van het premiegefinancierd BKZ overeenkomstig verhoogd.

127

Kunt u aangeven wel deel van de uitgaven aan zorgopleidingen wordt toegerekend aan het BKZ? Kunt u aangeven of in deze toerekening aan het BKZ de afgelopen jaren wijzigingen zijn doorgevoerd?

Zie het antwoord op vraag 126.

128

Welke mogelijkheden zijn er om preventie onder BKZ-uitgaven te laten vallen?

Er zitten al veel preventieve interventies in het BKZ (bijvoorbeeld stoppen met roken; ook worden alle zorgverleners geacht preventieve zorg/ advies te verlenen/ geven. Denk hierbij aan de huisarts, de verloskundige, de tandarts en de fysiotherapeut. Het is mogelijk om meer preventie onder het BKZ te laten vallen. Voorwaarde hierbij is dat het noodzakelijke, kosteneffectieve en uitvoerbare preventieve interventies zijn. Daarbij zijn veel vragen te stellen. Bijvoorbeeld wat behoort tot het zorgdomein en wat niet? Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan voeding. Eten is onderdeel in de preventie tegen ziekten, maar het is de vraag of dit dan ook als zorg moet worden gezien.

129

Hoeveel werd er in 2010 en 2011 aan hoeveel personen uitgekeerd op basis van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg)? Hoeveel zal er in 2013, 2014 en 2015 worden uitgekeerd?

In 2010 werd de tegemoetkoming over 2009 uitbetaald. Een substantieel aantal rekeningnummers van rechthebbenden was toen (nog) niet bekend, waardoor in 2010 een bedrag van € 487 mln. is uitgekeerd. In 2011 en 2012 is dit bedrag aan uitbetaalde tegemoetkomingen over 2009 opgelopen tot € 590 mln. In totaal ontvingen ruim 2,1 mln. personen een tegemoetkoming over 2009.

Over het tegemoetkomingsjaar 2010 (uitbetaald vanaf 2011) ontvangen circa 2,3 mln. personen een tegemoetkoming. Hiervan is € 593 mln. uitbetaald in 2011 en dit bedrag zal uiteindelijk op kunnen lopen tot ruim € 630 mln.

Aangezien er momenteel nog steeds betalingen worden verricht over deze tegemoetkomingsjaren, kan het definitieve bedrag nog niet precies worden vastgesteld.

In 2013 wordt de uitbetaling gedaan over vier tegemoetkomingsjaren: de restanten van 2009, 2010, 2011 en 2012. Omdat de Wtcg wordt afgeleid van zorggebruik is het bedrag pas definitief vast te stellen als het zorggebruik van 2012 duidelijk wordt. We moeten ons dus baseren op een raming. Vooralsnog is de volgende raming in de begroting opgenomen: in 2013 € 375 mln., in 2014 € 356 mln. en in 2015 € 364 mln.

130

Hoe kan de AWBZ-premie aan de inkomstenkant kostendekkend worden gemaakt, zodat het exploitatietekort in het AFBZ vermindert, of in ieder geval niet verder oploopt?

De inkomsten van het fonds kunnen verhoogd worden door de premie voor de AWBZ te verhogen. Om de AWBZ-premie lastendekkend te krijgen in 2013 dient deze te worden verhoogd met 1,5 procentpunt tot 14,15%.

Een dergelijke premiestijging heeft natuurlijk forse inkomensgevolgen en verbetert ook het EMU-saldo.

Als wordt besloten tot een verhoging van de AWBZ-premie met 1,5% en een verlaging van het belastingtarief in de 1e en 2e schijf met 1,5% dan wordt de AWBZ-premie lastendekkend zonder inkomensgevolgen en zonder gevolgen voor het EMU-saldo.

131

Op welke wijze verantwoorden zorgverzekeraars en zorgkantoren de BKZ-uitgaven aan het ministerie van VWS?

De financiële informatie voor de bepaling van de uitgaven onder het BKZ komt tot stand door een getrapte levering. Het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) verzamelen de informatie bij verzekeraars en instellingen en leveren deze geaggregeerd bij VWS aan.

CVZ

Voor de AWBZ is de financiële informatie gebaseerd op de cijfers van het Centraal Administratiekantoor (CAK) en de zorgkantoren. De financieringscijfers van het CVZ over de AWBZ hebben evenals voorgaande jaren betrekking op de bevoorschotting door het CAK. Een klein deel van de cijfers is gebaseerd op de rapportages van de zorgkantoren en subsidies die het CVZ verstrekt.

Voor de Zvw is deze informatie voornamelijk gebaseerd op de gegevens van de zorgverzekeraars. Dit betreft de door de zorgverzekeraars ontvangen en geaccepteerde schade met daarbij een raming van de nog te verwachte schade. Een klein deel van de CVZ-gegevens betreft de beschikbaarheidsbijdragen aan instellingen.

NZa

De NZa ontvangt van de gebudgetteerde instellingen de budgetafspraken en budgetrealisatie. Dit geldt voor het RIVM, de AWBZ-instellingen die zorg in natura leveren en de van oudsher gebudgetteerde ggz-instellingen. Daarnaast worden de budgetgegevens van het A-segment bij de ziekenhuizen betrokken.

132

Er wordt aangegeven dat zonder nadere maatregelen de zorguitgaven in de periode 2012–2017 naar verwachting met 18 miljard euro stijgen: van ruim 64 miljard tot 82 miljard. In de CPB publicatie Keuzes in Kaart werd uitgegaan van een stijging van 11 miljard euro zonder nadere maatregelen. Kan het verschil tussen beide bedragen worden toegelicht?

Het bedrag van 18 miljard euro heeft betrekking op de nominale stijging van de zorguitgaven. Zowel de verwachte toename van het zorggebruik als de stijging van de prijzen in de zorg zijn in dit bedrag verwerkt.

Het bedrag van 11 miljard euro heeft daarentegen betrekking op de reële – voor inflatie gecorrigeerde – stijging van de zorguitgaven. Het verschil tussen het bedrag van 18 miljard euro en het bedrag van 11 miljard euro wordt volledig veroorzaakt door deze inflatiecorrectie.

133

Er wordt aangegeven dat we door goede zorg langer kunnen werken en dat de arbeidsproductiviteit stijgt. Hoeveel extra arbeidsjaren en arbeidsproductiviteit levert een investering van 1 miljard euro in goede zorg op?

Er is geen cijfer te plakken op hoeveel extra arbeidsjaren en arbeidsproductiviteit een investering van 1 miljard euro in goede zorg oplevert. Dit is teveel afhankelijk van de situatie. Voor een uitgebreide uiteenzetting van bekende data betreffende arbeid en zorg verwijs ik u naar hoofdstuk 3 van het deelrapport «Maatschappelijke baten» van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2010 van het RIVM (RIVM-rapportnummer 270 061 009, ISBN: 978 9078 12 237 1).

134

Hoeveel gevallen van suïcide en tentamen suïcide zijn er de afgelopen vijf jaar in Nederland geweest?

In de jaren 2007 tot en met 2011 hebben in Nederland de volgende absolute aantallen suïcides plaatsgevonden:

2007: 1 353

2008: 1 435

2009: 1 524

2010: 1 600

2011: 1 647

Het aantal geregistreerde suïcidepogingen in Nederland in de jaren 2006 tot en met 2010 die leiden tot een ziekenhuisopname bedraagt gemiddeld 9 400. Daarnaast zijn er gemiddeld 15 000 SEH-behandelingen per jaar (bron: Jaarrapportage Vermindering Suïcidaliteit 2011). De gemiddelde aantallen suïcidepogingen over de meest recente vijfjaarsperiode (2007 tot en met 2011) zijn op dit moment nog niet bekend.

135

Een doorsnee gezin betaalt meer dan 11 000 euro per jaar aan collectief verzekerde zorg. Hoeveel betaalt een doorsnee gezin aan aanvullende zorgverzekeringen? Hoeveel betaalt een doorsnee gezin aan eigen betalingen?

De aanvullende verzekeringen zijn moeilijk te vergelijken, omdat de verzekeraars over de inhoud van de aanvullende verzekeringen gaan en de verzekeringen daarom fors kunnen verschillen. Het beeld is dat de gemiddelde premie van beperkte aanvullende verzekeringen ongeveer € 110 per jaar bedraagt. De premie van uitgebreide aanvullende verzekeringen ligt op ongeveer € 770 per jaar. Daarnaast betaalt een doorsnee gezin in 2013 gemiddeld € 200 per volwassene aan eigen betalingen voor de Zvw. Dat is € 15 minder ten opzichte van de begroting als gevolg van het vervallen van de eigen bijdrage voor de tweedelijns ggz en de eigen bijdrage voor de ligdagen in een ziekenhuis.

136

Hoeveel mensen zijn aanvullend verzekerd? Is er sprake van een dalende of een stijgende trend? Zijn er grote verschillen tussen inkomensgroepen of leeftijdsgroepen?

Er is sprake van een dalende tendens. Had in 2006 93% van alle verzekerden een aanvullende verzekering afgesloten, in 2012 was dat 88%. Bij de mensen die collectief verzekerd waren was de daling minder sterk dan bij de individueel verzekerden. Het is bekend dat ouderen sterker geneigd zijn een aanvullende verzekering af te sluiten dan jongeren maar detailinformatie over hun aandeel in de dalende trend is niet beschikbaar. Het geven van algemene informatie over de ontwikkeling van de aanvullende verzekeringen is lastig omdat het niet om een homogeen product gaat. De aanvullende polissen variëren van enkelvoudige verzekeringen met een bescheiden vergoeding voor tandzorgkosten tot uitgebreide polissen met (ruime) vergoedingen voor vele vormen van aanvullende zorg met inbegrip van alternatieve zorg. Uitgebreidere informatie over de aanvullende verzekeringen is te vinden in de zorgthermometer 2012 van Vektis. http://www.vektis.nl/downloads/Publicaties/2012/Zorgthermometer%20-%20Verzekerden%20in%20beweging/#/22/zoomed

137

Op basis van welke onderzoeken is de verwachting gebaseerd dat in 2 040 de zorguitgaven zijn gestegen tot bijna de helft van het gezinsinkomen?

Deze verwachting is gebaseerd op de policy brief «Trends in gezondheid en zorg» van het Centraal Planbureau (CPB). Hierin worden vier scenario’s beschreven voor de zorg. Het CPB beschrijft in het scenario «Betere zorg» wat er gebeurt indien de zorguitgaven net zo blijven stijgen als in de afgelopen tien jaar. In dat scenario stijgen de zorguitgaven tot bijna de helft van het gezinsinkomen.

138

Hoeveel betalen de volgende inkomens bij ongewijzigd beleid aan zorg? Wat is het percentage van het inkomen in 2012, 2013 en 2040?

  • Minimum

  • Modaal

  • 70 000

  • 100 000

  • 225 000

  • 1 000 000

Welk percentage van het inkomen in 2012, 2013 en 2040?

In onderstaande tabel is voor de hierboven gevraagde inkomens en jaren aangegeven wat totaal aan zorg wordt uitgegeven (inkomensafhankelijke bijdrage, premie Zvw gemiddelde eigen risico en zorgtoeslag, de AWBZ-premie onder aftrek van het aandeel van de heffingskorting dat betrekking heeft op de AWBZ. Een deel van de zorguitgaven wordt uit belastingen betaald (o.a. rijksbijdrage Zvw & AWBZ, BIKK, Zorgtoeslag, deel van het Opleidingsfonds, WMO, Wtcg en BES). Verondersteld is dat deze kosten gefinancierd worden uit de directe (60%) en indirecte belasting (40%). Bijgevoegde berekening is conform de berekening bij de VWS-begroting 2012 gestelde soortgelijke vraag. Bij de gepresenteerde getallen moet in ogenschouw worden genomen dat de uitgaven aan zorg als percentage van het inkomen weliswaar afloopt met het oplopen van het inkomen, maar dat de belastingen navenant oplopen.

Tabel 1. Uitgaven zorg in euro’s per jaar en 2012

Bruto inkomen

minimum

modaal

70 000

100 000

225 000

1 000 000

Inkomensafhankelijke bijdrage

1 317

2 272

3 555

3 555

3 555

3 555

             

Nominale premie

1 253

1 253

1 253

1 253

1 253

1 253

Gemiddeld eigen risico

133

133

133

133

133

133

Zorgtoeslag

838

66

0

0

0

0

Netto premie

548

1 320

1 386

1 386

1 386

1 386

             

Premie AWBZ

2 413

4 114

4 114

4 114

4 114

4 114

minus aandeel heffingskorting

-1283

-1338

-1 309

-1 309

-1 309

-1 309

netto

1 130

2 777

2 805

2 805

2 805

2 805

             

Directe belasting

536

926

1 908

2 676

5 877

25 726

Indirecte belasting

356

519

957

1 285

2 651

11 120

             

Totaal inclusief IAB

3 888

7 814

10 611

11 707

16 274

44 591

             

Als percentage inkomen

21%

24%

15%

12%

7%

4%

Tabel 2. Uitgaven zorg in euro’s per jaar en 2013

Bruto inkomen

minimum

modaal

70 000

100 000

225 000

1 000 000

Inkomensafhankelijke bijdrage

1 463

2 536

3 941

3 941

3 941

3 941

             

Nominale premie

1 273

1 273

1 273

1 273

1 273

1 273

Gemiddeld eigen risico

186

186

186

186

186

186

Zorgtoeslag

1 095

0

0

0

0

0

Netto premie

364

1 459

1 459

1 459

1 459

1 459

             

Premie AWBZ

2 387

4 140

4 220

4 220

4 220

4 220

minus aandeel heffingskorting

-1264

-1273

-906

-872

-872

-872

netto

1 123

2 867

3 315

3 348

3 348

3 348

             

Directe belasting

453

785

1 611

2 294

5 140

22 783

Indirecte belasting

320

467

840

1 125

2 320

9 730

             

Totaal inclusief IAB

3 722

8 115

11 166

12 167

16 208

41 261

             

Als percentage inkomen

19%

24%

16%

12%

7%

4%

In onderstaande tabel is een raming gegeven voor het jaar 2040. Hierbij is verondersteld dat zich geen wijzigingen voordoen in de financiering. Verondersteld is dat de uitgaven in de periode 2013 – 2 040 met 4,6% per jaar toenemen en het inkomen over dezelfde periode met 1,7% (CPB trendanalyse zorg 2011).

Tabel 3. Uitgaven zorg in euro’s per jaar en 2040

Bruto inkomen

minimum

modaal

110 348

157 640

354 689

1 576 397

Inkomensafhankelijke bijdrage

4 926

8 542

13 273

13 273

13 273

13 273

             

Netto premie

1 226

4 914

4 914

4 914

4 914

4 914

             

Premie AWBZ

3 782

9 655

11 163

11 276

11 276

11 276

             

Directe belasting

1 525

2 645

5 425

7 725

17 309

76 729

Indirecte belasting

1 077

1 572

2 828

3 787

7 813

32 769

             

Totaal inclusief IAB

12 536

27 329

37 604

40 977

54 586

138 962

             

Als percentage inkomen

42%

51%

34%

26%

15%

9%

139

Hoeveel betalen minimuminkomens bij ongewijzigd beleid aan zorg? Wat is het percentage van het inkomen in 2012, 2013 en 2040?

Zie het antwoord op vraag 138.

140

Hoeveel betalen inkomens van 70 000 euro bij ongewijzigd beleid aan zorg? Wat is het percentage van het inkomen (voor inflatie gecorrigeerd) in 2012, 2013 en 2040?

Zie het antwoord op vraag 138.

141

Hoeveel betalen inkomens van 100 000 euro bij ongewijzigd beleid aan zorg? Wat is het percentage van het inkomen (voor inflatie gecorrigeerd) in 2012, 2013 en 2040?

Zie het antwoord op vraag 138.

142

Hoeveel betalen inkomens van 225 000 euro bij ongewijzigd beleid aan zorg? Wat is het percentage van het inkomen (voor inflatie gecorrigeerd) in 2012, 2013 en 2040?

Zie het antwoord op vraag 138.

143

Hoeveel betalen inkomens van 1 000 000 euro bij ongewijzigd beleid aan zorg? Wat is het percentage van het inkomen (voor inflatie gecorrigeerd) in 2012, 2013 en 2040?

Zie het antwoord op vraag 138.

144

Hoeveel bedden in de ggz zijn er sinds het aantreden van het kabinet Rutte- verdwenen, uitgesplitst naar intensief beschermd wonen (IBW)-bedden, klinische bedden, crisisbedden, bedden in de verslavingszorg, bedden in de vrouwenopvang en bedden in de kinder- en jeugd-ggz zijn er geschrapt?

Het Kabinet-Rutte-Verhagen is eind 2010 aangevangen. Vanaf dat moment (het jaar 2011) zijn er nog geen landelijke cijfers beschikbaar en is het nog niet mogelijk te bezien hoeveel bedden er geschrapt zijn. Op dit moment werkt VWS samen met veldpartijen aan een nulmeting die inzicht geeft in de functioneel in gebruik zijnde beddencapaciteit.

145

Wanneer zullen de concrete kosten en baten van ambulantisering in kaart zijn gebracht met betrokken partijen?

In het Bestuurlijk Akkoord ggz is afgesproken dat er eerst een nulmeting voor de gehele sector wordt uitgevoerd die inzicht geeft in de functioneel in gebruik zijnde beddencapaciteit. Om te komen tot een adequate afbouw is een transitie noodzakelijk (tempo, aantallen, randvoorwaarden). Partijen willen eind 2012 inzicht hebben in dit proces en zullen op basis daarvan een weloverwogen en onderbouwd besluit nemen hoe om te gaan met het tempo van afbouw, welke bedden wel of niet kunnen worden afgebouwd en de randvoorwaardelijke sfeer hieromtrent. Ook de kosten en de baten van ambulantisering zullen, gezamenlijk met partijen, in kaart worden gebracht. Het streven is om dit eind 2013 gereed te hebben.

146

Hoeveel % van het BBP besteden West-Europese en Noord-Europese landen aan de gezondheidszorg?

De OESO verzamelt ten behoeve van internationale vergelijkingen gegevens over gezondheid en zorg in haar lidstaten. Deze worden ingedeeld volgens het System of Health Accounts (SHA) dat uitgaat van zorgfuncties. Op Luxemburg na hebben de meest recente gegevens betrekking op 2010.

Ondanks het feit dat alle landen de SHA als uitgangspunt nemen, is het maken van een internationale vergelijking toch nog heel erg lastig. Dit komt door verschillen in de omvang van het pakket, verschillen in bekostiging en verschillende registratiesystemen.

Om cijfers internationaal te kunnen vergelijken wordt vaak de maat «uitgaven aan gezondheidszorg als % BBP» genomen. Toepassing van deze maat op West-Europese en Noord-Europese landen levert onderstaande tabel op. Nederland staat bovenaan, maar het verschil met nummer 6 (Oostenrijk) is slechts 1%.

 

Uitgaven gezondheidszorg als %BBP in 2010

Nederland

12,0%

Frankrijk

11,6%

Duitsland

11,6%

Zwitserland

11,4%

Denemarken

11,1%

Oostenrijk

11,0%

België

10,5%

Zweden

9,6%

Groot Brittannië

9,6%

Noorwegen

9,4%

IJsland

9,3%

Ierland

9,2%

Finland

8,9%

Luxemburg [2009]

7,9%

147

Kan een actualisatie gegeven worden van het dreigende tekort aan personeel in de zorg, uitgesplitst naar care en cure, waarbij rekening gehouden wordt met beleid dat de afgelopen 2 jaar is ingevoerd?

Op 19 april 2012 heb ik het rapport «Arbeidsmarktprognoses van VOV-personeel in Zorg en Welzijn 2011–2015» aan de Tweede Kamer toegestuurd (Kamerstuk 29 282, nr. 152). Daarin zijn 2 scenario’s opgenomen, afhankelijk van de ontwikkeling van de zorgvraag. Gegeven het beleid dat recentelijk is gevoerd, is het lage scenario het meest plausibel.

148

Wie neemt er deel aan de «keukentafeldiscussie», welke middelen worden ervoor ingezet, wie stuurt dit aan en op welke termijn zijn de eerste uitkomsten te verwachten?

Voor de «keukentafeldiscussie» wordt voornamelijk gebruik gemaakt van de publicatie «De zorg: hoeveel extra is het ons waard?» die u op 12 juni 2012 heeft ontvangen. Het agenderen van het onderwerp betaalbaarheid van de zorg vindt verder vooral plaats via «management by speech» door de minister en ambtenaren van VWS. Hierbij wordt een zo breed mogelijk publiek geïnformeerd.

Om de publicatie van «De zorg: hoeveel extra is het ons waard?» extra kracht bij te zetten is er bij publicatie gebruik gemaakt van een persbericht, Twitter, Facebook en een interview bij RTL. Geïnteresseerden kunnen verder informatie vinden op rijksoverheid.nl en Youtube. Bovendien wordt er via Facebook (waar een discussiepagina aangemaakt is) en www.rijksoverheid.nl/doe-mee opgeroepen om deel te nemen aan de discussie.

De eerste uitkomsten van het onder de aandacht brengen van het thema «betaalbaarheid van de zorg» zijn reeds zichtbaar in het maatschappelijk debat. In media en op straat wordt de discussie steeds vaker gevoerd.

149

Hoeveel poliklinieken bestaan thans waar zorg wordt verleend die een eerstelijns karakter heeft («pretpoli’s). Wat is het verschil met 2011?

Het begrip pretpoli is niet eenduidig gedefinieerd. Over het algemeen wordt er zorg onder verstaan met een lage ziektelast en een doorgaans gunstige prognose zonder verdere behandeling. Dit is niet altijd hetzelfde als zorg met een eerstelijns karakter. In iedere polikliniek wordt weleens zorg met een eerstelijns karakter verleend. Het hangt onder andere af van het verwijsbeleid van de huisarts, eventuele interne doorverwijzing binnen het ziekenhuis en het zorginkoopbeleid van de zorgverzekeraar, welke vorm en omvang dit aanneemt.

Er is geen inzicht in de inhoud, zwaarte en complexiteit van het zorgaanbod van poliklinieken in Nederland. Dat betekent dat er ook over het aantal en kosten van zogenaamde pretpoli’s geen gegevens zijn.

150

Wat zijn de totale kosten van pretpoli’s, en hoeveel kan worden bespaard wanneer deze zorg wordt verplaatst naar de eerste lijn?

Zie het antwoord op vraag 149.

151

Hoeveel zorgverleners zijn werkzaam in verpleeg- en verzorgingshuizen, thuiszorg, gehandicaptenzorg en in de ziekenhuizen?

Uitgaande dat u met zorgverleners alle medewerkers in de zorg bedoelt met een patiënt- en bewonersgebonden functie, dan geeft het CBS voor 2010 de volgende aantallen banen van medewerkers:

  • Verpleeg-, verzorgingshuizen en thuiszorg: 298 000 banen

  • Gehandicaptenzorg 129 760 banen

  • Ziekenhuizen: 186 170 banen

152

Hoe hoog is het ziekteverzuim onder zorgverleners, uitgesplitst naar zorgsector?

Het onderzoeksprogramma Arbeid in Zorg en Welzijn geeft voor 2011 de volgende cijfers omtrent ziekteverzuim (1ste en 2de ziektejaar exclusief zwangerschap ):

  • Ziekenhuizen 4,51%

  • ggz 5,12%

  • Gehandicaptenzorg 5,65%

  • Verpleging, verzorging en thuiszorg 6,00%

  • Jeugdzorg 5,33%

N.B. Deze percentages werden voorheen (o.a. in de begroting) gebaseerd op het ziekteverzuim van alleen het 1ste jaar. Echter het wordt steeds meer gangbaar om de gegevens voor de gehele ziektewetperiode weer te geven. De hier genoemde percentages zijn 0,5% tot 1% lager indien alleen het 1ste ziekteverzuimjaar genomen wordt.

153

Wat is de gemiddelde uittredeleeftijd van zorgverleners, uitgesplitst naar zorgsector?

De gemiddelde uittredeleeftijd van specifiek het zorgpersoneel is niet bekend, wel dat van al het personeel in de sector zorg & welzijn. In 2011 was de gemiddelde uittredeleeftijd 63,5 jaar (bron: PGGM).

154

Wat is de in- en uitstroom onder de opleidingen zorghulp, helpende, verzorgende IG, mbo-verpleegkundige en de hbo-verpleegkundige van de afgelopen 5 jaar?

In onderstaande tabel is per opleiding het gemiddeld aantal instromers en gediplomeerden over de afgelopen 5 jaar opgenomen (exclusief degenen die geen opleiding hebben gevolgd, maar wel een diploma hebben behaald).

Opleiding

Gem. instroom per jaar

Gem. diploma’s per jaar

Zorghulp

1 189

979

Helpende

11 693

8 148

Verzorgende

10 403

5 754

Mbo-verpleegkundige

7 187

3 840

Hbo-verpleegkundige

4 120

2 258

Uit de gegevens blijkt verder dat in het meest recente jaar (2011–2012) sprake is van een duidelijke stijging bij de instroom in alle opleidingen, met uitzondering van de opleiding tot helpende.

155

Wat is het bruto en netto jaarsalaris van zorgverleners van niveau 1 t/m 5 na 1 jaar, 5 jaar, 10 jaar, 15, jaar, 20 jaar en 25 jaar werken?

Het antwoord is verwerkt in de onderstaande tabel. Daarin staan alleen brutobedragen bij een volledig dienstverband afkomstig uit de cao-ziekenhuizen. Afhankelijk van welke cao concreet van toepassing is, kan dat enkele euro’s schelen. Tussen haakjes staan de maandbedragen, de jaarsalarissen zijn inclusief 8% vakantietoeslag en 8,33% eindejaarsuitkering, maar zonder toelagen voor overwerk en/of onregelmatige dienst (dat laatste kan, afhankelijk van het gedraaide rooster, tot wel 20% meerinkomsten leiden).

Tabel maand- en jaarsalaris enkele FWG-schalen in euro’s

niveau

FWG-schaal

Aantal periodieken

Nulde periodiek

Laatste periodiek

1

10

10

(1396) 19 600

(1841)

25 850

2

15

11

(1421)

19 960

(1966)

27 517

3

35

11

(1643)

21 995

(2443)

34 300

4

45

12

(1966)

27 517

(2817)

39 550

5

55

12

(2443)

34 300

(3592)

50 430

156

In welke regio’s is er tekort aan zorgpersoneel, en aan welk personeel?

Voor het verpleegkundig, verzorgend en sociaalagogisch personeel zijn er op dit moment geen structurele tekorten. Incidenteel zijn er overigens wel problemen met het vervullen van vacatures. Het gaat dan veelal om specifieke functies bij een beperkt aantal instellingen. Daar is overigens geen integraal overzicht van.

In het kader van het Onderzoeksprogramma «Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn» is ook bekeken in welke regio’s zich de komende jaren de grootste tekorten dreigen voor te doen. Uitgaande van het lage scenario (zie ook antwoord op vraag 147) dreigen de grootste te korten zich voor te doen in de regio’s:

  • Achterhoek (verzorgenden);

  • Flevoland (verpleegkundigen);

  • Gooi- en Vechtstreek (verpleegkundigen en verzorgenden);

  • Noord-Holland Noord (verzorgenden)

  • Amsterdam (verpleegkundigen)

  • Amstelland, Kennemerland en Meerlanden (verzorgenden);

  • Drechtsteden (verpleegkundigen).

De dreigende problemen zijn nergens zodanig dat instellingen ze niet op zouden kunnen lossen, ondersteund door relevante partijen.

157

Wat zijn de jaarlijkse kosten van zorgopleidingen uitgesplitst per niveau 1 t/m 5?

niveau

Kosten per jaar

Niveau 1

Cursusgeld € 221,00

Niveau 2

Cursusgeld € 221,00

Niveau 3

BBL cursusgeld € 536,00

BOL collegegeld € 1 065,00

Niveau 4

BBL cursusgeld € 536,00

BOL collegegeld € 1 065,00

Niveau 5

Voltijds collegegeld € 1 771,00

Duaal/deeltijd collegegeld van € 1 003,00–1771,00

158

Kan het verbeterpotentieel op het gebied van (de organisatie van) zorg en de inkoop van medische hulpmiddelen en geneesmiddelen nader worden ingevuld? Welke concrete maatregelen zijn mogelijk met welke opbrengst?

Afgelopen voorjaar heb ik u een rapport toegestuurd, vergezeld van mijn standpunt daarop (Kamerstuk 32 805, nr. 9), dat ziet op de intramurale inkoop van medische hulpmiddelen. Uit dit rapport blijkt onder andere dat er een enorm verbeterpotentieel is bij de inkoop van medische hulpmiddelen door zorginstellingen. Het verbeterpotentieel valt echter op basis van het rapport niet te kwantificeren. Ik heb in mijn standpunt op het rapport aangegeven dat zorginstellingen vrij zijn om hun eigen organisatie in te richten en dat zorgverzekeraars een stimulerende rol moeten nemen om te prikkelen tot kostenbewustzijn. Het is evident dat hier een belangrijke kostenbeheersende slag valt te maken.

In het algemeen geldt dat de inkoop van zowel geneesmiddelen als medische hulpmiddelen een eigen verantwoordelijkheid van de zorgaanbieders is. Zorgverzekeraars zien direct (bij extramurale inkoop door prijsafspraken) dan wel indirect (bij intramurale inkoop door te onderhandelen over de prijs van het DBC-product) toe op de efficiëntie daarvan.

159

Kunt u een eerste inzicht geven in de daadwerkelijke realisatie in 2012 van de afspraken in het bestuurlijk hoofdlijnenakkoord met ziekenhuizen en medisch specialisten?

Hoewel het op dit moment nog te vroeg is om echt iets te zeggen over de zorguitgaven in 2012, zijn zorgverzekeraars, ziekenhuizen en medisch specialisten positief over de gemaakte beheerste groeiafspraken in relatie tot het afgesproken kader.  Zo spreekt Achmea eind augustus over «een voorzichtig bewijs dat het ingezette beleid, waaronder het Hoofdlijnenakkoord, resultaat begint op te leveren en dat de stijging van de zorgkosten succesvol kan worden beïnvloed». Er is duidelijk een begin gemaakt met het meer selectief inkopen van zorg. Op korte termijn ziet het beeld er daarmee hoopgevend uit.

Andere onderwerpen vergen zoals verwacht een langere adem. Voor de spreiding en specialisatie van ziekenhuisfuncties, substitutie, het afbouwen van overbodige zorgcapaciteit, het doelmatig voorschrijven zijn de eerste stappen gezet. In het kader van het afbouwen van onnodige zorgcapaciteit hebben zorgverzekeraars bijvoorbeeld een visie voor de acute zorg ontwikkeld. Voor de stand van zaken van het veiligheidsmanagement systeem (VMS) verwijs ik u naar de antwoorden op vraag 302.

160

Hoe wordt gegarandeerd dat het bestuurlijk hoofdlijnenakkoord niet ten koste gaat van de toegankelijkheid en kwaliteit van zorg?

Met de handtekeningen onder het Hoofdlijnenakkoord zijn afspraken gemaakt die bijdragen aan toegankelijke, betaalbare en kwalitatief goede zorg. Zo hebben zorgverzekeraars zich gecommitteerd aan selectieve inkoop op basis van prijs, kwaliteit, doelmatigheid en gepast gebruik met als doel de zorguitgaven niet meer dan 2,5% (excl. prijs- en loonindexering) te laten groeien. In het akkoord is het volgende hierover opgenomen: «Zorgaanbieders werken mee aan de totstandkoming van dergelijke afspraken en spannen zich tot het uiterste in om de zorg binnen de Treeknormen te blijven leveren waarmee wordt voorkomen dat wachtlijsten ontstaan of zullen oplopen.»

Belangrijk onderdeel van het akkoord is het terugdringen van ongewenste praktijkvariatie. Dit verhoogt de kwaliteit en verlaagt de zorguitgaven. Het betaalbaar houden van de zorg betekent ook dat zorg toegankelijk blijft.

Maar ook de andere afspraken in het Hoofdlijnenakkoord dragen bij aan de kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van zorg: spreiding en specialisatie van ziekenhuisfuncties, substitutie van de tweedelijns zorg naar de eerstelijnszorg waar mogelijk, afbouwen overbodige zorgcapaciteit, doelmatig voorschrijven van geneesmiddelen en de ontwikkeling van het veiligheidsmanagement systeem.

161

Hoe wordt gewaarborgd dat onder het bestuurlijk hoofdlijnenakkoord ruimte blijft bestaan voor nieuwe innovatie hulpmiddelen en behandelingen?

De ruimte voor innovaties onder het bestuurlijk hoofdlijnenakkoord bestaat uit de financiële ruimte en de ruimte die er is om innovaties spoedig op te nemen in het DOT-systeem.

Voor wat betreft de financiële ruimte is in de groeiruimte van 2,5% (excl. loon- en prijsindexering) van het Hoofdlijnenakkoord rekening gehouden met innovaties die extra druk leggen op de zorguitgaven. Er zijn uiteraard ook innovaties die juist minder druk leggen op de zorguitgaven, doordat deze zorgen voor meer kwaliteit en/of efficiëntie. Ziekenhuizen hebben alle ruimte om hierin hun eigen beleid te voeren.

Daarnaast is het sinds vorig jaar mogelijk om veelbelovende innovaties voorwaardelijk en tijdelijk toe te laten tot het basispakket. Met het instrument voorwaardelijke toegang tot het verzekerde pakket wordt meer ruimte geboden voor zorgvernieuwingen. Op deze wijze kan op grote schaal onderzoek worden gedaan naar de werkzaamheid van een innovatie.

Ten slotte zijn afspraken gemaakt in het kader van de doorontwikkeling van het DOT-systeem om opname van nieuwe behandelingen zo efficiënt mogelijk te laten verlopen.

162

Uitgangspunt in het bestuurlijk akkoord ggz is dat passende zorg op de juiste plek wordt verleend. Was dit voorheen niet het geval? Wie bepaalt de juiste plek? Zijn de kosten leidend bij het bepalen van de juiste plek?

In het Bestuurlijk Akkoord ggz is afgesproken dat een aanzienlijk deel (minimaal 20%) van de patiënten die nu in de gespecialiseerde GGZ geholpen worden naar de generalistische Basis GGZ kan verschuiven. Het gaat veelal om mensen met lichte tot matige psychische problematiek. De hulpverleners bepalen, op basis van objectieve criteria en/ of met een ondersteunende triagetool op welke plek de patiënt het best de zorg kan ontvangen. Het type patiënten, hun psychische problematiek en de zorg die een patiënt nodig heeft, moeten leidend zijn bij het bepalen van de juiste plek.

163

Per wanneer stapt de ggz over op prestatiebekostiging, en wanneer wordt het terugdringen van de administratieve lasten inzichtelijk?

De tweedelijns curatieve geestelijke gezondheidszorg (ggz) gaat in 2013 over op prestatiebekostiging. Vanaf 2013 is het voor de voormalige gebudgetteerde zorgaanbieders niet meer noodzakelijk om naast de DBC-registratie ook budgetparameters bij te houden, de zogenaamde «dubbele administratie». Daarmee worden de administratieve lasten voor deze zorgaanbieders substantieel verlaagd. Zie ook Kamerstukken 25 424, nr. 160, 175 en 183.

164

Als de afspraken over de uitgavengroei in de ggz niet leiden tot de gewenste opbrengst, wordt de inzet voor de aanpassing van de eigen bijdrage dan eveneens aangepast?

In het bestuurlijk akkoord toekomst is afgesproken om door heldere afspraken vooraf overschrijdingen te voorkomen. Indien in het eventuele onverhoopte geval blijkt dat er sprake is van een overschrijding zal ik daarover met partijen nader in overleg treden. Naast het (al dan niet gedifferentieerd) korten van aanbieders kunnen daarbij ook maatregelen in de sfeer van pakket en eigen bijdragen worden overwogen, waarbij gekeken zal worden naar aard en oorzaak van de overschrijdingen.

Overigens is in het deelakkoord begroting 2013 besloten om de eigen bijdrage in de ggz te schrappen.

165

Waarom is de raming van VWS voor de ziekenhuiszorg structureel enkele honderden miljoenen euro te laag en wat is er ondernomen om deze raming nauwkeuriger te maken?

De raming van de groei van de uitgaven aan ziekenhuiszorg wordt bepaald door de verwachte demografische ontwikkeling, de extrapolatie van de trendmatige groei van de uitgaven in de afgelopen periode en door de verwachte effecten van beleidsmaatregelen.

Het verschil tussen de geraamde en de gerealiseerde uitgaven kan dus meerdere oorzaken hebben. Door het hoge aggregatieniveau – het gaat immers om de totale uitgaven aan ziekenhuiszorg in alle Nederlandse ziekenhuizen – valt er achteraf zelden één specifieke oorzaak aan te wijzen voor een overschrijding. Daarbij moet ook bedacht worden dat de totale uitgaven aan ziekenhuiszorg inmiddels meer dan € 20 miljard euro per jaar bedragen. Relatief kleine afwijkingen in de raming, van één of twee procentpunt, leiden daardoor al snel tot mee- of tegenvallers van enkele honderden miljoenen euro.

De aanpak om de voorspelbaarheid van de uitgaven te verbeteren richt zich daarom vooral op de uitgaven zelf. In 2011 zijn twee akkoorden gesloten; een hoofdlijnenakkoord met de ziekenhuizen en zorgverzekeraars; en een convenant met de medisch specialisten, met als doel een beheerste kostenontwikkeling in de ziekenhuiszorg. De ambitie is om de jaarlijkse uitgavengroei in de ziekenhuiszorg in de periode 2012 tot 2015 tot 2,5% te beperken.

166

Hoeveel hulpmiddelen worden er jaarlijks verstrekt? Hoeveel worden er tweedehands verstrekt?

Aan hulpmiddelen in de Zvw werd in 2011 € 1,4 miljard uitgegeven ten behoeve van € 2,3 mln. gebruikers. Aan AWBZ-uitleenhulpmiddelen wordt circa € 75 mln. per jaar uitgegeven. Hier worden alleen de uitgaven en niet het aantal gebruikers geregistreerd. Het aantal gebruikers en exacte uitgaven aan Wmo-hulpmiddelen is niet bekend, omdat gemeenten niet apart aan VWS rapporteren hoeveel en welke hulpmiddelen zij op grond van de Wmo verstrekken. De Wmo is een gedecentraliseerde voorzieningenwet; er bestaat geen centrale registratie van hulpmiddelen.

Het aantal hulpmiddelen dat uit de Zvw wordt verstrekt is niet precies bekend omdat het hier zowel verbruikshulpmiddelen (bijv. stomamiddelen) als gebruikshulpmiddelen (bijv. infuuspompen) betreft. Van verbruikshulpmiddelen worden de kosten geregistreerd maar niet het aantal gebruikte hulpmiddelen. De meeste gebruikshulpmiddelen worden herverstrekt aan verschillende gebruikers, zolang dit economisch rendabel is. Hoeveel hulpmiddelen nieuw of tweedehands verstrekt wordt, weten we niet. Voor gegevens over het aantal gebruikers en uitgaven per categorie hulpmiddelen verwijs ik u naar de GIP databank van het CVZ (www.gipdatabank.nl).

167

Hoeveel personen krijgen jaarlijks een orthopedisch hulpmiddel?

In 2011 is in Nederland aan 118 000 mensen orthopedisch schoeisel verstrekt en aan 113 000 mensen een orthese.

168

Hoeveel personen maken gebruik van hulpmiddelen vanuit de Wmo?

De Wmo richt zich op het bevorderen van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, waarbij dat resultaat op verschillende manieren bereikt kan worden. Gemeenten houden geen eigen of gezamenlijke registratie van verstrekte hulpmiddelen bij. Over eigen bijdragen die voor hulpmiddelen gevraagd worden, zijn de volgende gegevens (bron CAK) beschikbaar. Wat betreft vervoersvoorzieningen gaat het op jaarbasis om circa 50 000 personen en voor woonvoorzieningen om circa 30 000 personen. Opgemerkt moet worden dat deze cijfers een gedeeltelijk beeld geven, omdat gemeenten hier zelf ook een eigen bijdrage kunnen innen (wanneer gemeenten een financiële tegemoetkoming geven aan burgers wordt het deel dat mensen zelf betalen eigen aandeel genoemd).

169

Hoeveel personen maken gebruik van hulpmiddelen vanuit de AWBZ?

Het aantal mensen dat gebruik maakt van een uitleenhulpmiddel uit de AWBZ is niet bekend. Overigens worden de uitleenhulpmiddelen per 2013 onder de Zvw gebracht.

170

Hoeveel personen maken gebruik van medische hulpmiddelen?

In 2011 werd aan 2,3 miljoen verzekerden een Zvw-hulpmiddel verstrekt. Aan AWBZ uitleenhulpmiddelen wordt circa € 75 mln. per jaar uitgegeven. Hier worden alleen de uitgaven en niet het aantal gebruikers geregistreerd. Het aantal gebruikers en exacte uitgave aan Wmo-hulpmiddelen is niet bekend, omdat gemeenten niet apart aan VWS rapporteren hoeveel en welke hulpmiddelen zij op grond van de Wmo verstrekken. De Wmo is een gedecentraliseerde voorzieningenwet; er bestaat geen centrale registratie van hulpmiddelen.

Het aantal «intramurale» medische hulpmiddelen dat door zorgverleners aan patiënten wordt voorgeschreven (zoals knieprothesen) is niet bekend en net zomin het aantal hulpmiddelen dat mensen zelf aanschaffen (zoals brillen).

171

Wat zijn de opbrengsten van de eigen bijdrage in de eerstelijns ggz?

In 2012 wordt de opbrengst van de eigen bijdrage in de eerstelijns ggz geraamd op circa € 30 mln..

172

Wordt de eigen bijdrage in de eerstelijns ggz ook geschrapt, nu in het Deelakkoord de eigen bijdrage in de tweedelijn is geschrapt? Zo nee, waarom niet?

I In het Deelakkoord is besloten de eigen bijdrage tweedelijns ggz af te schaffen. De eigen bijdrage voor de eerste lijn is niet aangepast in dit deelakkoord.

173

Komt er een compensatie voor de eigen bijdrage in de eerstelijns ggz, aangezien de eigen bijdrage in de tweedelijns ggz is geschrapt in het deelakkoord?

Er bestaat geen voornemen de eigen bijdrage voor de eerste lijn te compenseren.

174

Welk verbeterpotentieel ziet de minister op het gebied van de inkoop van medische hulpmiddelen en geneesmiddelen?

Zie het antwoord op vraag 158.

175

Hoeveel wijkverpleegkundigen zijn actief in Nederland? Zijn deze wijkverpleegkundigen in dienst dankzij de projecten die de komende twee jaar opnieuw gefinancierd worden door VWS en BZK? Zo nee, hoe worden deze andere wijkverpleegkundigen gefinancierd en hoeveel zijn het er?

Er zijn ongeveer 18 500 (wijk)verpleegkundigen werkzaam in Nederland in de extramurale zorg. Van deze 18 500 hebben ca 6 500 een aparte opleiding voor wijkverpleegkundige gevolgd. Allen leveren door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) geïndiceerde zorg. Mede vanwege de behoefte om naast geïndiceerde zorg, ook niet geïndiceerde activiteiten te kunnen doen, is het programma Zichtbare Schakel vormgegeven. De wijkverpleegkundigen die werken in het kader van dit programma zijn in de gelegenheid om activiteiten te doen met een preventief, signalerend en coördinerend karakter.

Ongeveer 350 wijkverpleegkundigen zijn werkzaam in het programma Zichtbare schakel. Zij worden de komende twee jaar via een decentralisatie-uitkering gefinancierd via de betreffende gemeenten waar projecten plaatsvinden. De overige wijkverpleegkundigen worden gefinancierd vanuit de AWBZ, waarbij de CIZ-indicatie leidend is.

176

Huisartsen gaan voor 50 miljoen euro besparen op de uitgaven aan geneesmiddelen. Hoe is deze besparing berekend?

De € 50 mln. is tot stand gekomen op basis van onderhandelingen tussen de minister van VWS en de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) op het gebied van doelmatig voorschrijven. Het betreft hier een nieuwe resultaatsafspraak, zoals staat vermeld in het convenant huisartsenzorg. Er ligt geen specifieke berekening aan ten grondslag, het genoemde bedrag wordt door VWS en LHV mogelijk geacht. Meer aandacht en gerichte acties om het doelmatig voorschrijven te verbeteren leiden uiteindelijk tot een efficiënter voorschrijfgedrag over de gehele linie van het geneesmiddelengebruik. Of de resultaatsafspraak zoals vastgelegd in het convenant is gerealiseerd, zal echter aan de hand van besparingen op de volgende geneesmiddelengroepen worden getoetst: Statines, Protonpompremmers, Ace-remmers, Triptanen, Antidepressiva, Astma R03A en R03B.

177

Wanneer worden de resultaten van het onderzoek van de commissie Meurs, die uiterlijk op 1 oktober 2012 gepresenteerd zouden worden, wel gepresenteerd? Op welke termijn kunt u meer duidelijkheid geven over de wijze waarop u uw voornemens uit het begrotingsakkoord 2013 – om de norminkomens van medisch specialisten meer in lijn te brengen met de inkomens van collega’s uit andere landen – vorm gaat geven?

Kan de Kamer vóór de behandeling van de begroting een voorstel tegemoet zien ten aanzien van de norminkomens van medisch specialisten, waarin zowel de resultaten van de commissie Meurs als die van het onderzoek van economen van de Vrije Universiteit en de universiteit van Amsterdam worden meegenomen?

Ik heb de Tweede Kamer op 10 oktober jl. het rapport van de commissie Meurs aangeboden. Bij de aanbieding van het rapport heb ik aangegeven dat ik gezien de demissionaire status van dit kabinet een reactie op het rapport aan een nieuwe minister laat. Het rapport is tevens naar de informateurs gestuurd.

178

Wordt medisch specialisten ook een taakstelling van 50 miljoen euro opgelegd ten aanzien van doelmatig voorschrijven? Op welke wijze wordt het de huisarts mogelijk gemaakt daadwerkelijk het goedkoopste geneesmiddel voor te schrijven, terwijl de medisch specialist vaak in eerste instantie een middel voorschrijft?

In overleg met de Orde van Medisch Specialisten (OMS) is voor doelmatig voorschrijven door medisch specialisten een afspraak gemaakt van structureel € 30 mln. euro per jaar. Dit bedrag is lager omdat huisartsen aanzienlijk meer recepten voorschrijven dan medisch specialisten. Huisartsen hebben bij het verzoek om een herhaalrecept de mogelijkheid om een patiënt een medicijn voor te schrijven dat doelmatiger is dan het medicijn dat in eerste instantie is voorgeschreven, maar als de specialist direct al een generiek geneesmiddel voorschrijft, als dat mogelijk is met behoud van kwaliteit, is dat voor de huisarts een stuk makkelijker.

Op basis van de afspraken in het convenant huisartsenzorg ben ik samen met de OMS en de LHV goed aan het kijken naar de gehele keten die betrokken is bij medicijngebruik. Er is ondermeer afgesproken dat er een overzicht zal worden gemaakt van alle actoren/ketenpartijen die een rol spelen bij doelmatig voorschrijven. Genoemd zijn in elk geval huisartsen, medisch specialisten, ziekenhuisapothekers (in verband met het inkoopbeleid intramuraal), verzekeraars (onder andere vanwege het preferentiebeleid extramuraal). Het idee hierachter is dat er nu teveel wisselingen plaatsvinden in de keten en dat het voor een huisarts lastig is om een patiënt die een bepaald middel van de specialist voorgeschreven heeft gekregen, weer om te zetten naar een ander generiek middel.

179

Op welke wijze wordt de poortwachterrol van de huisarts versterkt?

Het convenant huisartsenzorg, dat op 22 juni door partijen is getekend, bekrachtigt de poortwachtersrol van de huisarts in Nederland. Een sterke poortwachtersfunctie van de huisarts kan bijdragen aan de kwaliteit van zorg en de houdbaarheid van de zorguitgaven. Voor de toegang tot de tweedelijns curatieve zorg geldt de wettelijke verplichting dat zorgverzekeraars in hun modelovereenkomst opnemen dat geneeskundige zorg zoals medisch specialisten die plegen te bieden, slechts toegankelijk is na verwijzing, door ondermeer de huisarts5. Ook in de AWBZ heeft de huisarts een dergelijke functie.

Op diverse manieren wordt er gewerkt aan het versterken van de poortwachtersfunctie. Het delen van informatie en ontwikkeling van expertise spelen daarbij een grote rol. In het convenant huisartsenzorg zijn bijvoorbeeld expliciet afspraken gemaakt over de versterking van de POH-ggz functie zodat de huisarts bij de beoordeling en toeleiding naar de basis ggz en de tweedelijns ggz beter wordt ondersteund. Oplopend wordt daar in 2015 per jaar € 35 mln. extra aan besteed. Ook zijn in het convenant afspraken gemaakt over het opleveren van spiegelinformatie door verzekeraars over het aantal verwijzingen van huisartsen naar de medisch specialist. Ook zijn ziekenhuizen sinds dit jaar verplicht om te registreren wie de verwijzer van de patiënt is. Wanneer er geen verwijzer bekend is (met uitzondering van acute zorg), zal de zorgverzekeraar de rekening voor de zorg niet ten laste mogen brengen van het zorgverzekeringsfonds.

180

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de BTW-heffing bij multidisciplinaire samenwerkingsverbanden in de eerste lijn? Voor welke diensten zijn betreffende organisaties BTW-plichtig, en voor welke niet? Hoeveel zorgcentra en praktijken moeten onder de huidige regels BTW afdragen? Wanneer kan de Kamer de uitkomsten van het overleg tussen de staatssecretaris van Financiën en de minister van VWS om tot een aanpassing van de regelgeving te komen tegemoet zien?

  • Op 25 september jl. heb ik in antwoord op Kamervragen van het lid Kuiken over dit onderwerp6 aangegeven dat het overleg met het ministerie van Financiën hierover reeds opgestart is. Binnenkort zal een afspraak worden gemaakt met vertegenwoordigers uit de sector om te bezien of er haalbare mogelijkheden zijn, die verder kunnen worden uitgewerkt. Ik verwacht dat de Kamer vóór het kerstreces kan worden geïnformeerd over de uitkomsten van het overleg en de (eventuele) vervolgacties.

  • De vraag voor welke diensten de multidisciplinaire samenwerkingsverbanden btw-plichtig zijn, ligt primair op het beleidsterrein van de staatssecretaris van Financiën. Graag verwijs ik daarom naar diens antwoord op vraag 2 bij de beantwoording van de Kamervragen van het lid Leijten over dit onderwerp7.

  • Het is niet bekend hoeveel zorgcentra en praktijken onder de huidige regels voor de betreffende diensten btw-plichtig zijn. Wel mag aangenomen worden dat dit een belangrijk deel van het totaal aantal zorgcentra en samenwerkingsverbanden betreft.

181

Op welke geneesmiddelen gaan de huisartsen 50 miljoen euro besparen?

Zie het antwoord op vraag 176.

182

I. Kunt u een overzicht geven van het aantal zelfverwijzers naar een Spoedeisende eerste hulp (SEH) per jaar over de periode 2005 tot heden?

II. Is het aantal SEH’s in 2012 gewijzigd ten opzichte van 2011? Zo ja, wat is het verschil?

III. Op welke wijze wordt het onnodig gebruik van SEH’s tegen gegaan? Wordt oneigenlijk gebruik van de SEH in rekening gebracht van de patiënt? Zo ja, hoe wordt dat in de uitvoering vormgegeven?

  • I. Ik beschik over onvoldoende informatie om een overzicht te geven van het aantal zelfverwijzers over de gevraagde periode. De percentages zelfverwijzers op de SEH, waarnaar vaak wordt verwezen, zijn gebaseerd op onderzoek bij enkele SEH’s en geven een gedifferentieerd beeld. Daarnaast hebben deze cijfers betrekking op de terechte en onterechte zelfverwijzers.

  • II. Ik laat periodiek door het RIVM de bereikbaarheid van de SEH’s analyseren. De laatste analyse dateert van juli 2011. Deze analyse laat zien dat tussen 2008 en 2011 het aantal SEH’s waarbij 24 uur per dag en 7 dagen per week openstelling is en acht poortspecialismen worden aangeboden, terug is gelopen van 104 naar 67. Ik kan geen antwoord geven op de vraag of het aantal SEH’s in 2012 is gewijzigd ten opzichte van 2011. De cijfers over 2011 en 2012 heb ik niet tot mijn beschikking.

  • III. Het terugdringen van onnodig gebruik van de SEH heeft mijn volle aandacht. Het huidige beleid is er al op gericht zelfverwijzers op de SEH te ontmoedigen. Zo wordt er sterk ingezet op integratie tussen HAP en SEH waarbij de patiënt via triage meteen naar de juiste plek wordt gestuurd. Het is echter niet altijd eenvoudig onnodig gebruik te detecteren. Wel is het zo dat een SEH-bezoek, in tegenstelling tot een bezoek aan de huisarts, onder het eigen risico valt. Op die manier «betalen» patiënten voor een SEH-bezoek.

183

Hoeveel patiënten kwamen in 2010, 2011 en 2012 in de zorg terecht via e-health toepassingen?

Op dit moment is er geen overzicht van het gebruik van e-health toepassingen in de zorg. Om in de toekomst een duidelijk beeld te krijgen van het gebruik van e-health toepassingen heb ik onlangs aangekondigd dit te gaan monitoren (Kamerstuk 25 529, nr. 108). Deze monitor zal worden uitgevoerd door Nictiz en het NIVEL. De komende jaren, te beginnen in het najaar van 2013, zal ik de kamer rapporteren over de uitkomsten van deze monitor.

184

Hoeveel medische apps worden thans aangeboden in Nederland, eventueel bij benadering? Op welke wijze wordt toezicht gehouden op deze ontwikkeling?

Het is niet bekend hoeveel medische apps in Nederland worden aangeboden. Wanneer een app onder de definitie van een medisch hulpmiddel valt, moet de app voldoen aan de daarvoor geldende wettelijke bepalingen. De IGZ ontwikkelt op dit moment een brede toezichtvisie «ICT in de zorg». Eén van de onderwerpen in deze toezichtvisie is het toezicht op medische apps. De IGZ streeft ernaar om voor het eind van dit jaar een handhavingsplan gereed te hebben op basis waarvan de IGZ in 2013 kan gaan toezien op de kwaliteit en veiligheid van medische apps als medisch hulpmiddel.

185

Wanneer krijgt de Kamer meer duidelijkheid over het zogenoemd «meekijktarief» voor medisch specialisten om te voorkomen dat mensen naar het ziekenhuis moeten gaan?

De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft eerder dit jaar de mogelijkheden onderzocht om in de bekostiging een consultatie van een medisch specialist door een huisarts («meekijktarief») vorm te geven (Kamerstuk 32 620, nr. 71). De NZa stelde voor om als bekostigingsvorm een module voor consultatie van een medisch specialist door een huisarts in te voeren. Deze optie stimuleert lokale initiatieven tot structurele samenwerking tussen huisartsen, ziekenhuizen en medisch specialisten. De NZa adviseert om de bekostiging van consultatie in eerste instantie in te voeren als een experiment. Op deze manier wordt inzichtelijk op welke manier en met welke frequentie de huisarts de consultatiemogelijkheid inzet en welke consequenties deze consultatie heeft voor doorverwijzingen en vervolgkosten. Voor het invoeren van een dergelijk experiment is een aanwijzing van de minister nodig. De beslissing om (een experiment) met het «meekijktarief» te starten is aan een volgend kabinet.

186

Welke mogelijkheden ziet de minister om het preferentiebeleid medicijnen ook voor ziekenhuizen in te voeren?

Binnen de huidige ziekenhuisaanspraak (de aanspraak geneeskundige zorg) zie ik geen mogelijkheid om preferentiebeleid mogelijk te maken voor zorgverzekeraars.

De aanspraak geneeskundige zorg verschilt namelijk van de extramurale aanspraak farmaceutische zorg. In de extramurale aanspraak farmaceutische zorg bestaat aanspraak op expliciet door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) aangewezen geneesmiddelen. Preferentiebeleid houdt in dat een zorgverzekeraar uit de door de minister van VWS aangewezen geneesmiddelen, ten minste één geneesmiddel per werkzame stof moet aanwijzen waarop zijn verzekerden aanspraak hebben. De aanspraak geneeskundige zorg is functioneel omschreven. Dit betekent dat de verzekerde aanspraak heeft op de integrale prestatie die door het ziekenhuis wordt geleverd. Dat is inclusief het gebruik van daarbij noodzakelijke geneesmiddelen. Er geldt binnen de aanspraak geneeskundige zorg dus geen limitatieve lijst van geneesmiddelen waarop verzekerden aanspraak hebben. Overigens profiteren ziekenhuizen bij de inkoop van geneesmiddelen ook van de door het extramurale preferentiebeleid afgedwongen prijsverlagingen als zij die in prijs verlaagde geneesmiddelen inkopen.

187

Welke doelen zijn in het bestuurlijk akkoord opgenomen ten aanzien van het realiseren van flexibele openingstijden bij huisartsen?

In het Convenant Huisartsenzorg staat specifiek vermeld dat de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) zich zal inspannen voor de verdere verbetering van de eerstelijnszorg en de realisatie van «zorg op de juiste plaats». Flexibele openingstijden zijn hier een belangrijk onderdeel van, mede omdat door het flexibeler openstellen van de praktijken, patiënten minder snel naar de duurdere huisartsenpost of SEH zullen gaan. De LHV heeft aangegeven actief aan de slag te gaan met het stimuleren van flexibele openingstijden die zijn afgestemd op de populatie. Het betreft een inspanningsverplichting van de LHV. Er zijn geen specifieke resultaatsafspraken gemaakt voor wat betreft de flexibilisering van openingstijden.

188

In het bestuurlijk akkoord huisartsenzorg is extra geld gereserveerd voor praktijkondersteuners-ggz. Hoeveel extra praktijkondersteuners kunnen hiervan worden aangesteld?

De huidige ruimte (€ 38.2 mln.) groeit door toevoegen van € 7 mln. in 2013, € 25 mln. in 2014 en € 35 mln. in 2015. Van de extra middelen kunnen in 2013 ongeveer 100 fte POH-ggz worden aangesteld; dit aantal loopt op naar 500 fte in 2015.

Overigens overwegen we de POH-ggz ondersteuning functioneel te omschrijven, zodat er naast een inzet van personeel ook bijvoorbeeld een consult in deze lijn aangevraagd kan worden of e-health toepassing kan worden gebruikt.

189

Welke prognoses hanteert u ten aanzien van de toename van het aantal chronisch zieken?

VWS hanteert geen separate prognose van het aantal chronisch zieken in de raming van de zorguitgaven.

190

Het kabinet investeert de komende jaren structureel 10 miljoen euro extra in projecten rond wijkverpleegkundigen. Hoeveel extra wijkverpleegkundigen zullen door deze middelen kunnen worden ingezet? Hoe vindt de overgang in de praktijk plaats van de ZonMw projecten naar de gemeenten?

Er is sinds 2009 € 10 mln. per jaar beschikbaar voor extra wijkverpleegkundigen. In 2009 is gekozen voor een programma van vier jaar (Zichtbare schakel) dat wordt uitgevoerd door ZonMw. Eind 2012 loopt het programma via ZonMw af. Er zijn inmiddels zo’n 350 wijkverpleegkundigen aan het werk. De komende twee jaar worden de middelen uitgezet via een decentralisatie-uitkering in het gemeentefonds. De middelen dienen door de gemeente ingezet te worden voor de lopende projecten. Dit betekent dat er in de komende jaren in principe niet meer wijkverpleegkundigen bij komen vanuit deze middelen.

De gemeenten die in aanmerking komen voor de middelen voor het voortzetten van de Zichtbare Schakel-projecten zijn via een brief geïnformeerd over het te besteden geld. In de septembercirculaire staan de bedragen die deze gemeenten ontvangen. Het is aan deze gemeenten te bepalen hoe zij de middelen gaan verstrekken aan de betreffende organisaties. De ministeries van VWS en BZK en ZonMw kunnen zo nodig gemeenten en zorgaanbieders adviseren bij vragen vanuit gemeenten gedurende deze overgangsperiode. De ministeries van VWS en BZK zullen ook de voortgang van de projecten monitoren, zodat vastgesteld kan worden of de middelen worden ingezet voor de projecten waarvoor zij zijn bedoeld.

191

Wat zijn de eigen bijdragen in de zorgkosten in de internationale vergelijking? Kan er ook een internationaal overzicht gegeven worden van de premies c.q. belastingen die betaald worden voor de zorgkosten, waar in ieder geval België, Frankrijk, Spanje, Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Engeland en Italië meegenomen worden?

Een goede internationale vergelijking maken van de eigen bijdragen en de premies en/of belastingen die betaald worden om de zorgkosten te financieren is niet voorhanden. Het maken van een internationale vergelijking is heel erg lastig door onder andere verschillende definities, verschillen in de omvang van het pakket, verschillen in bekostiging en verschillende registratiesystemen. Een goed voorbeeld van verschillen in definities is het feit dat het verplicht eigen risico in de Zvw niet meetelt bij de eigen betalingen in de internationale vergelijking van de OESO.

Op hoofdlijnen valt er (met veel onzekerheid omgeven) wel iets te zeggen over de eigen betalingen in de curatieve zorg. De opbrengst van de eigen betalingen in de curatieve zorg lijkt, na de verhoging van het verplicht eigen risico in 2012 en 2013 redelijk in lijn te liggen met omringende landen zoals Frankrijk en Duitsland. Ook valt op dat Nederland vooral werkt met generieke instrumenten (zoals het verplicht eigen risico) die gelden voor bijna alle zorg. In veel van de ons omringende landen wordt juist vaak gewerkt met losse eigen bijdragen. Dit kan leiden tot een stapeling van eigen bijdragen die behoorlijk kan oplopen omdat er geen maximum is dat iemand betaalt aan eigen betalingen.

192

Hoeveel mensen die zijn aangewezen op een hoortoestel gaan meer betalen als gevolg van de eigen bijdrage van 25% en hoeveel mensen gaan hierdoor minder betalen? Kunt u dit uitsplitsen naar leeftijdscategorie?

Anno 2012 heeft ongeveer 21% van de verzekerden geen bijbetaling voor een hoortoestel. De overige 79% van de verzekerden betaalt gemiddeld € 700 bij per hoortoestel. Een verdeling per leeftijdscategorie is niet mogelijk.

Per 2013 gaat iedereen 25% van de kosten van een adequaat hoortoestel betalen. Op basis van de verwachte gemiddelde prijs in 2013 zal dat gemiddeld € 175 per toestel zijn. Daarmee krijgt iedere verzekerde wel betere kwaliteit hoorzorg en een geschikt hoortoestel tegen een relatief lagere eigen bijdrage.

193

Naast de rollator worden ook andere eenvoudige mobiliteitshulpmiddelen uit het basispakket gehaald. Kunt u aangeven om welke hulpmiddelen het hier precies gaat?

Naast rollators gaat het om krukken, loophulpen met drie of vier poten, looprekken, loopwagens en serveerwagens.

194

Het kabinet is voornemens vanaf 2013 patiënten een eigen bijdrage voor verblijfkosten van 7,50 per dag als compensatie voor voeding en verblijf te laten betalen. Hoe denkt u dat praktisch te gaan uitvoeren, zonder dat dit grote administratieve lasten met zich mee zal brengen?

In het Deelakkoord is de invoering van een eigen bijdrage van € 7,50 per verpleegdag in instellingen voor medisch-specialistische zorg teruggedraaid.

195

Is er een overzicht van standaarden, richtlijnen en indicatoren die al gereed zijn, en welke nog niet?

Er zijn de afgelopen jaren al veel standaarden, richtlijnen en indicatoren ontwikkeld door verschillende veldpartijen en organisaties. Zij hebben zelf overzichten gepubliceerd. Dat geldt bijvoorbeeld voor zorgstandaarden (Coördinatieplatform Zorgstandaarden), richtlijnen voor medisch-specialistische zorg (de Kwaliteitskoepel van de Orde van Medisch Specialisten), de standaarden van het Nederlands Huisartsen Genootschap, de indicatoren die in het kader van Zichtbare Zorg zijn ontwikkeld en CQI-instrumenten.

Veldpartijen kunnen deze verschillende instrumenten toetsen aan het voorlopig toetsingskader dat het nieuw op te richten Kwaliteitsinstituut heeft gepubliceerd. Dit kader biedt instructie aan diegenen die betrokken zijn bij het ontwikkelen van professionele standaarden en meetinstrumenten of bij het actualiseren en onderhouden daarvan. De criteria erin maken duidelijk aan welke voorwaarden professionele standaarden en meetinstrumenten moeten voldoen. Op basis van de criteria van het toetsingskader kan het nieuw op te richten Kwaliteitsinstituut, zodra het wetsvoorstel in werking is getreden, besluiten de ingediende kwaliteitsstandaard of meetinstrument in het register op te nemen, eventueel met suggesties voor doorontwikkeling van bepaalde onderdelen.

Het College voor Zorgverzekeringen is, in het kader van het nieuw op te richten Kwaliteitsinstituut, bezig met een inventarisatie van onderwerpen waarvoor de komende jaren professionele standaarden en/of indicatoren moeten worden ontwikkeld. Deze lijst wordt pas definitief vastgesteld wanneer het wetsvoorstel dat de taken en bevoegdheden van het Kwaliteitsinstituut regelt in werking is getreden. Voor die tijd zal een voorlopige meerjarenagenda worden gepubliceerd. Ik verwacht dat deze voorlopige meerjarenagenda eind 2012 gereed zal zijn.

196

Welke bevoegdheden krijgt het Kwaliteitsinstituut?

Het nieuw op te richten Kwaliteitsinstituut krijgt de volgende taken:

  • het stimuleren en ondersteunen van het veld bij de totstandkoming van professionele standaarden,

  • het ondersteunen van het veld bij de implementatie van professionele standaarden en innovatie,

  • het inzichtelijk maken van de kwaliteit van verleende zorg door het verzamelen en beschikbaar maken van gegevens over kwaliteit van zorg ten behoeve van keuze- en toezichtinformatie in de zorg,

  • het bevorderen van gepast gebruik in de zorgverlening,

Om die taken te kunnen uitvoeren krijgt het nieuw op te richten Kwaliteitsinstituut de bevoegdheid om:

  • een toetsingskader vast te stellen dat eisen bevat waaraan professionele standaarden moeten voldoen;

  • een meerjarenagenda vast te stellen die duidelijk maakt op welke moment een professionele standaard moet worden aangeboden, en door wie;

  • de regie over te nemen door de Adviescommissie Kwaliteit te vragen een professionele standaard te ontwikkelen wanneer de partijen die een professionele standaard zouden opleveren in gebreke zijn gebleven;

  • professionele standaarden in een register op te nemen;

  • keuze- informatie over kwaliteit van zorg te verzamelen, samen te voegen en beschikbaar te maken.

197

Hoe is de ontwikkeling van de werkgelegenheid voor verpleegkundig specialisten en physician assistants?

Op basis van welke gegevens is besloten meer opleidingsplaatsen voor verpleegkundig specialisten en physician assistants te creëren? Kunt u toelichten hoeveel extra opleidingsplaatsen per nieuw beroep komen?

Hoeveel verpleegkundig specialisten en physician assistants zijn er inmiddels afgestudeerd?

Welk verschil bestaat er in taken en werkzaamheden van de ziekenhuisarts en de verpleegkundig specialist/physician assistant?

De ontwikkeling van de werkgelegenheid voor de verpleegkundig specialisten en physician assistants kent een stijgende lijn. Er worden sinds de start van de opleiding telkens meer opleidingsplaatsen beschikbaar gesteld. Afgelopen jaren hebben enkele onderzoeken van het Kenniscentrum beroeponderwijs arbeidsmarkt, STG/Health management Forum en het Capaciteitsorgaan van de medische specialisten voeding gegeven aan de vraagformulering van de zorginstellingen.

In 2004 is begonnen met 250 opleidingplaatsen. Sindsdien is het aantal plaatsen stapsgewijs uitgebreid van 325 via 400 naar 550 opleidingsplaatsen in 2012. In 2013 stijgt het aantal plaatsen naar 700 opleidingsplaatsen.

Het aantal opleidingsplaatsen is door de duale leerweg gerelateerd aan de vraag van de zorginstellingen. De vraag naar beroepsbeoefenaren en aanbod van afgestudeerden zijn hiermee aan elkaar gekoppeld.

De verdeling van deze extra plaatsen over de beide categorieën wordt in samenspraak met de hogescholen en zorginstellingen bepaald.

Er zijn 495 physician assistants afgestudeerd en 1 500 verpleegkundig specialisten geregistreerd bij het College Specialisme Verpleegkunde.

De verschillen tussen de taken en werkzaamheden liggen in het feit dat de ziekenhuisarts een medische vooropleiding heeft en in het wetenschappelijke domein is afgestudeerd. De verpleegkundig specialist heeft een verpleegkundige vooropleiding en een hbo-masteropleiding afgerond. De physician assistant heeft een verpleegkundige of een paramedische vooropleiding en heeft daarna een hbo-masteropleiding afgerond.

In de pilot van de ziekenhuisarts die onlangs is gestart maakt ook de afstemming met de nieuwe beroepsgroepen onderdeel uit. Op de resultaten hiervan kunnen we nog niet vooruitlopen.

198

Kunt u aangeven hoe de (verwachte) benodigde aantallen medisch specialisten zich de komende jaren ontwikkelen?

Voor het bepalen van de benodigde aantallen medisch specialisten in de komende jaren, baseer ik mij mede op de ramingen van het Capaciteitsorgaan voor medische en tandheelkundige vervolgopleidingen. De meest recente ramingen zijn opgenomen in het Capaciteitsplan 2010 (Kamerstuk 29 282, nr. 125). Ongeveer eens in de drie jaar worden deze ramingen geactualiseerd. Een nieuw capaciteitsplan verschijnt naar verwachting in de loop van 2013. Bij zijn ramingen houdt het Capaciteitsorgaan rekening met tal van factoren die relevant zijn bij het bepalen van de te verwachten zorgvraag en het benodigd aantal beroepsbeoefenaren om aan die zorgvraag tegemoet te komen. Aan de kant van de zorgvraag gaat het bijvoorbeeld om demografische, epidemiologische en sociaal-culturele ontwikkelingen. Daarnaast wordt onder meer rekening gehouden met een toename van het aantal vrouwen in de medisch specialistische vervolgopleidingen en met een zekere uitval uit de opleiding. In de ramingen wordt verder een inschatting gemaakt van het effect van verticale substitutie (taakherschikking).

Aldus ontstaat het volgende beeld ten aanzien van het benodigde aantal medisch specialisten in de komende jaren:

 

2013

2016

2019

2022

2025

2028

Aantal medisch specialisten excl. verticale substitutie

19 317

20 903

22 562

24 258

26 020

27 660

Aantal fte medisch specialisten excl. verticale substitutie

17 182

18 498

19 873

21 280

22 763

24 131

Aantal medisch specialisten incl. verticale substitutie

19 048

20 322

21 607

22 893

24 199

25 337

Aantal fte medisch specialisten incl. verticale substitutie

16 943

17 984

19 044

20 099

21 181

22 121

199

Kunt u aangeven op basis van welke informatie de behoefte aan extra plaatsen voor verpleegkundig specialisten en physician assistants?

Zie het antwoord op vraag 197.

200

Hoeveel opleidingsplaatsen zijn er in 2012 bijgekomen, uitgesplitst naar artsen, medisch specialisten, verpleegkundig specialisten en physician assistants?

Wat zijn de kosten voor een opleidingsplaats voor respectievelijk artsen, medisch specialisten, verpleegkundig specialisten en physician assistants?

In onderstaande tabel is de toename van het aantal opleidingsplaatsen in 2012 ten opzichte van 2011 weergegeven:

Opleiding

Aantal plaatsen

Basisopleiding geneeskunde*

200, via zij-instroom in de masterfase

Huisarts

120

Medisch specialist

39

Verpleegkundig specialisten, physician assistants*

150, de verdeling van deze extra plaatsen over de beide categorieën hbo-zorgmasters wordt in samenspraak met de hogescholen en zorginstellingen bepaald

* de aantallen betreffen het studiejaar 2012/2013

De vergoeding voor opleidingsplaats bij geneeskunde is € 20 000, – p.j.

(Een opleiding geneeskunde duurt gemiddeld 6 jaar)

De vergoeding voor de medisch specialistische vervolgopleidingen hangt af van het type en de grootte van het opleidende ziekenhuis.

(Dit zijn de bedragen voor 2013)

Academische ziekenhuizen € 123 800, – p.j.

Algemene ziekenhuizen 1–50 opleidingsplaatsen € 164 000,- p.j.

Algemene ziekenhuizen 50–150 opleidingsplaatsen€ 152 700,- p.j.

Algemene ziekenhuizen 150 of meer opleidingsplaatsen € 122 100,- p.j.

(Een opleiding tot medisch specialist duurt gemiddeld 5 – 6 jaar)

De vergoeding voor de opleiding tot verpleegkundig specialist of de opleiding tot physician assistant is € 21 000,- p.j.

(Een opleiding tot verpleegkundig specialist duurt gemiddeld 2 jaar en een opleiding tot physican assistant duurt gemiddeld 2,5 jaar.)

201

Kunt u aangeven hoe de (verwachte) benodigde aantallen medisch specialisten zich de komende jaren ontwikkelen?

Zie het antwoord op vraag 198.

202

Volgende de begroting stijgt het aantal plaatsen bij de hbo-masteropleidingen voor verpleegkundig specialisten physician assistants. Kunt u het aantal van 300 extra plaatsen uitsplitsen naar beide groepen?

Zie het antwoord op vraag 197.

203

Hoe wordt bepaald of veldpartijen het laten afweten bij de ontwikkeling van standaarden en richtlijnen, zodat het Kwaliteitsinstituut gaat ingrijpen?

De meerjarenagenda die het Kwaliteitsinstituut na inwerkingtreding van de wet zal vaststellen, bevat een overzicht van organisaties van cliënten, zorgaanbieders en zorgverzekeraars die de ontwikkeling van de verschillende professionele standaarden op zich hebben genomen, alsmede de bijbehorende tijdsplanning. Dit document vormt het kader, op basis waarvan de voortgang van de ontwikkeling van professionele standaarden bewaakt kan worden. In het jaarlijks vast te stellen werkprogramma worden de professionele standaarden die in dat jaar ontwikkeld moeten worden, van een definitieve deadline voorzien. In het geval dat deze termijnen worden overschreden, zijn de betrokken organisaties door het nieuw op te richten Kwaliteitsinstituut daarop aanspreekbaar en zal het Kwaliteitsinstituut de Adviescommissie Kwaliteit kunnen vragen de professionele standaard te ontwikkelen.

204

Hoeveel meer inspecties voort de IGZ uit op de werkvloer? Wat is het streefpercentage voor onaangekondigde bezoeken?

De IGZ registreert met ingang van dit jaar niet alleen het aantal uitgebrachte rapporten maar ook het aantal aangekondigde en niet aangekondigde bezoeken. Het aantal bezoeken dat de IGZ in de eerste drie kwartalen van 2012 heeft gebracht bedraagt ruim 1800. Hiervan zijn een kleine 400 onaangekondigd.

De IGZ hanteert geen streefpercentage voor onaangekondigde bezoeken.

Onderstaand een overzicht van het aantal inspecteurs werkzaam bij de IGZ en de openstaande vacatures (peildatum 09–2012).

Sector

Beschikbaar

Vacatures

Inspecteurs Publieke gezondheid

20

0

Inspecteurs Eerstelijnsgezondheidszorg

23

2

Inspecteurs Specialistische somatische zorg

31

1

Inspecteurs Gehandicaptenzorg

21

1

Inspecteurs Ouderenzorg

34

0

Inspecteurs Zorg thuis

13

1

Inspecteurs Geneesmiddelen

37

1

Inspecteurs Geestelijke Gezondheidszorg / forensische zorg

28

1,5

Inspecteurs Medische Technologie

13

3

Programmadirecteuren en -secretarissen

18

 

Meldpunt IGZ

24

1

Bureau opsporing

 10

2

Ondersteuning toezicht

63

2

 

325

15,5

205

Hoe gaat ervoor gezorgd worden dat mensen die geen indicatie meer krijgen voor verblijf, wel terecht kunnen in een instelling wanneer zij hier behoefte aan hebben? Krijgen deze mensen een herindicatie met een hoger ZZP?

Nee, zij krijgen geen hoger ZZP geïndiceerd. Cliënten met een indicatie voor extramurale zorg die de behoefte hebben om meer geclusterd te gaan wonen, bijvoorbeeld in de buurt van andere mensen met dezelfde zorgvraag, kunnen terecht bij instellingen die woonruimte verhuren.

206

Waarom worden mensen verplicht thuis te blijven wonen? Welke problemen leverde de keuzevrijheid die men had op, waardoor u deze beslissing heeft genomen?

Met het extramuraliseren van de lichte zorgzwaartepakketten wordt aangesloten bij een trend die al langer zichtbaar is. Mensen willen en blijven langer thuis wonen. De cliënten die naar een instelling gaan, zijn gemiddeld genomen de zwaardere cliënten. Het extramuraliseren geeft een impuls aan keuzevrijheid. Door nu de lichte zorgzwaartepakketten te extramuraliseren bevorder ik dat cliënten langer zelf regie kunnen voeren en dat er een gevarieerd extramuraal zorg- en woonaanbod zal ontstaan.

207

Hoe gaat ervoor gezorgd worden dat iemand die thuis woont geholpen kan worden bij onplanbare zorg, zoals naar het toilet moeten? Kunt u garanderen dat er in geen enkel geval incontinentiemateriaal gebruikt zal worden bij continente mensen?

Bij cliënten in de ZZP’s 1 en 2, die per 1 januari 2013 voor nieuwe cliënten worden geëxtramuraliseerd, is de zorg over het algemeen planbaar. Cliënten zijn zelf in staat om naar het toilet te gaan. Voor de diverse ZZP’s 3 speelt onplanbaarheid van zorg mogelijk wel een rol en om die reden heb ik meer tijd genomen om in overleg met de sector te bezien hoe dit ook in de thuissituatie kan worden vorm gegeven. Ik kan geen absolute garantie geven dat er in geen enkel geval onnodig individueel gebruik van incontinentiemateriaal wordt gemaakt. Ik houd dat wel in de gaten, onder meer via mijn inspectie.

208

Hoe gaat een beschermde woonomgeving voor een drugsverslaafde gecreëerd worden als hij in zijn eigen sociale omgeving moet blijven wonen?

De extramuralisering van lichte intramurale zorg (ZZP 1 en 2) wordt in enkele jaren geleidelijk ingevoerd. Gedurende die jaren geldt de maatregel alleen voor nieuwe cliënten die lichte zorg en ondersteuning behoeven. Komende periode krijgen aanbieders van zorg, begeleiding en ondersteuning de tijd om hun aanbod aan te passen aan de reeds ingezette trend van ondersteuning en verzorging van mensen in hun eigen woonomgeving. Daarbij kan aangesloten worden bij het concept van zorg in de buurt, dat al een aantal lokale succesvolle uitwerkingen kent. De in het Bestuurlijk Akkoord Toekomst ggz neergelegde afspraken over ambulantisering, Basis-ggz en versterking eerstelijns-ggz sluiten goed aan bij het concept zorg in de buurt.

209

Voor hoeveel locaties in de intramurale ouderenzorg bestaan wachtlijsten, en wat is de omvang van elk van deze wachtlijsten?

Zie het antwoord op vraag 38.

210

Voor hoeveel locaties in de intramurale gehandicaptenzorg bestaan wachtlijsten en wat is de omvang van elk van deze wachtlijsten?

Zie het antwoord op vraag 38.

211

Hoeveel mensen staan op een wachtlijst voor zorg thuis (AWBZ), wat is de gemiddelde wachttijd en wat zijn de minimum- en maximumwachttijden?

Zie antwoord vraag 38.

212

Kan aangegeven worden hoe de extra middelen voor het verhogen van de maximum ZZP-tarieven zijn besteed, hoeveel extra personeel is aangenomen, in welke functies, in hoeveel en welke opleidingen is geïnvesteerd?

Om in aanmerking te komen voor de extra middelen konden de zorgaanbieders een plan indienen bij het zorgkantoor. In deze plannen dienden zij aan te geven hoe zij invulling geven aan het extra aannemen en opleiden van personeel. De zorgkantoren zien toe op de doelmatige aanwending van deze middelen. Bij de definitieve afrekening over 2012 wordt duidelijk welk deel van de middelen daadwerkelijk is ingezet. In 2013 komt daar derhalve meer zicht op. In opdracht van mijn ministerie wordt de realisatie van de doelstellingen op macroniveau gemeten. Hierin komen aspecten aan bod als de groei van het personeel en opleidingen als gevolg van de extra middelen. Momenteel wordt gewerkt aan de afronding van de nulmeting. In 2013 wordt in deze monitor bezien hoeveel extra personeel er in 2012 is aangesteld en opgeleid als gevolg van de investeringsmiddelen. De uitkomsten van de monitor worden met de Kamer gedeeld.

213

Er wordt aangegeven dat het kabinet oog heeft voor de cumulatieve effecten. Kan dit worden toegelicht?

  • Het Kabinet-Rutte-Verhagen is in het sociale domein een aantal omvangrijke hervormingen gestart. Het betreft onder meer passend onderwijs, de decentralisaties van de jeugdzorg en de begeleiding en de invoering van de Wet werken naar Vermogen. Het is nog onduidelijk welke van de ingezette hervormingen doorgang vinden, maar de uitdaging om inhoudelijke samenhang tussen de domeinen zorg, onderwijs en arbeidsmarkt te realiseren blijft. Ook de decentraliserende beweging zal naar verwachting voortgezet worden. Het is derhalve van groot belang dat het Rijk de decentralisaties in samenhang uitvoert en gemeenten zo goed mogelijk in staat stelt samenhangend onderwijs-zorg-arbeidsmarktbeleid op lokaal en regionaal niveau te realiseren.

  • De Ministerraad heeft minister Kamp (SZW) aangewezen als coördinerend bewindspersoon voor de samenhang van regeerakkoordmaatregelen in het sociale domein. Hij heeft aangegeven de (bedoelde en onbedoelde) effecten van de samenloop van decentralisaties te willen volgen voor burgers (met name kwetsbare groepen8) en voor gemeenten. Ook de Tweede Kamer heeft hierom gevraagd (motie-Sterk, Kamerstuk 33 000 XV, nr. 39).

  • Gemeenten staan voor de uitdaging om samenhang te brengen tussen de maatregelen. Voor gemeenten zelf (hoe de dienstverlening efficiënter, effectiever en doelmatiger te organiseren) en voor hun burgers (hoe burgers naar vermogen te laten participeren).

  • Om een beeld te krijgen van (bedoelde en onbedoelde) effecten van de samenloop van (regeerakkoord)maatregelen voor gemeenten (en personen), worden twaalf zogenaamde focusgemeenten intensief gevolgd en desgewenst ondersteund door de betrokken departementen. Bij onbedoelde effecten zoeken gemeenten samen met het kabinet naar een oplossing, bijvoorbeeld bij mogelijke (huidige en toekomstige) knelpunten in de samenhang tussen landelijke wet- en regelgeving.

  • De kwantitatieve effecten voor burgers worden gevolgd door middel van een monitor die wordt opgezet en aan de Tweede Kamer is toegezegd.

214

Hoe groot is de groep «overbelaste mantelzorgers»? Is bekend hoeveel extra formele zorg vanwege de overbelasting van mantelzorgers geleverd moet worden?

Volgens het SCP zijn er ongeveer 450 000 overbelaste mantelzorgers op een totaal van 3,5 miljoen mantelzorgers. Het is onbekend hoeveel extra formele zorg vanwege de overbelasting van mantelzorgers geleverd moet worden.

215

Hoe groot zijn de verschillen in kosten van vervoer voor cliënten in de AWBZ-instellingen? Wat zijn respectievelijk de laagste en wat de hoogste kosten die cliënten kwijt zijn in AWBZ instellingen aan vervoer?

De kosten van vervoer verschillen in de AWBZ aanzienlijk. Van circa € 2,- tot circa € 150,- per vervoersbeweging (retour), zo blijkt uit onderzoek van PWC «Rapportage onderzoek vervoerskosten», van maart 2012 uitgevoerd in opdracht van de NZa. Vervoer is een aanspraak, waarvoor cliënten geen eigen bijdrage betalen.

216

Met welk percentage zijn drang- en dwangmaatregelen in de ggz teruggedrongen in het afgelopen jaar? Welk percentage was de doelstelling voor 2012? Welk percentage is de doelstelling voor 2013?

Aangezien de informatie in het BOPZ-registratiesysteem (Bopzis) van de IGZ over 2012 nog niet compleet is, is er geen betrouwbare vergelijking te maken tussen de dwangmaatregelen zoals gemeld bij de Inspectie in 2011 ten opzichte van de dwangmaatregelen zoals gemeld in 2012.

In de afgelopen jaren is er een dalende lijn in de toepassing van separaties te zien maar de ingezette daling stagneert. Waar in 2009 een afname werd bereikt van 10% minder separaties, is over 2010 een afname van 5,5 % bereikt en in 2011 een reductie van nog geen 1%. Op basis van de Bopzis-gegevens geldt naar verwachting een vergelijkbare reductie ook voor 2012.

Voor het terugdringen van drang- en dwangmaatregelen worden geen na te streven percentages meer gehanteerd. Het is de verantwoordelijkheid van het veld zelf om met elkaar daarover afspraken te maken.

217

Met welk percentage zijn drang- en dwangmaatregelen in de gehandicaptenzorg en ouderenzorg teruggedrongen in 2012? Welk percentage was de doelstelling voor 2012? Welk percentage terugdringing is de doelstelling in 2013?

Zie het antwoord op vraag 224.

218

Hoe hoog is de afgelopen vijf jaar het zak- en kleedgeld voor bewoners in AWBZ instellingen geweest, waarin de hoogte van het zak- en kleedgeld gespecificeerd wordt op:

  • Leeftijd van cliënten

  • Zorgzwaarte van de cliënten, en

  • Verschillende sectoren in de AWBZ.

In onderstaande tabel is de vrijstelling weergegeven die cliënten ontvangen op basis van het zak- en kleedgeld en de eventuele toeslagen bovenop dit zak- en kleedgeld. De zorgzwaarte van de cliënten en de sector is niet van belang voor het vaststellen van de hoogte van het zak- en kleedgeld.

219

Wordt bij het «harmoniseren van vervoerskosten instellingen» bij het verdeelmodel rekening gehouden met specifieke omstandigheden als platteland/stad? Met welke omstandigheden wordt rekening gehouden?

Nee, er wordt geen rekening gehouden met een verschil platteland/stad. Daarvoor is ook geen aanleiding. In het onderzoek «Rapportage onderzoek vervoerkosten» van maart 2012, uitgevoerd door PWC in opdracht van de NZa, is gekeken naar verbanden die verschillen in vervoerskosten verklaren. Die werden niet gevonden. Er is onder andere geen verband gevonden tussen reisafstand en kosten en tussen reistijd en kosten.

Er wordt in de nieuwe beleidsregel van de NZa nog onderscheid gemaakt in de tarieven voor vervoer naar AWBZ-sector (ggz, Gehandicaptenzorg en ouderenzorg), en specifiek voor de gehandicaptensector is er onderscheid gemaakt naar intramuraal, extramuraal en wel of geen rolstoelgebruiker.

220

Wat zijn de actuele cijfers over de landelijke beschikbaarheid van casemanagement bij dementie?

NIVEL en Trimbos hebben begin 2011 een inventarisatie gemaakt van het aanbod van casemanagement bij dementie. Uit deze inventarisatie blijkt dat de beschikbaarheid van deze vorm van casemanagement een grote ontwikkeling heeft doorgemaakt. In alle 74 onderzochte netwerken voor samenhangende dementiezorg wordt een vorm van casemanagement aangeboden. Een groot aantal netwerken verkeert echter nog in een prille fase, waardoor zij vaak op beperkte schaal casemanagement aanbieden.

Inmiddels zijn 87 dementienetwerken bekend die allen casemanagement aanbieden. Tezamen bedienen deze netwerken vrijwel geheel Nederland.

221

Welke hulpmiddelen vallen allemaal onder de bovenbudgettaire vergoedingen? Hoeveel kosten deze hulpmiddelen?

Op basis van artikel 15 van het besluit zorgaanspraken AWBZ hebben cliënten met verblijf inclusief behandeling recht op individueel aangepaste rolstoelen, orthopedische schoenen, verbandschoenen, therapeutische elastische kousen, prothesen, orthesen en persoonsgebonden tilbanden. Al deze hulpmiddelen worden bovenbudgettair vergoed.

De hoogste aantallen en kosten betreffen individueel aangepaste rolstoelen. Het gaat hier om ruim 75% van de kosten. Als tweede grote kostenpost wil ik de orthopedische schoenen noemen. Bij de andere hulpmiddelen gaat het om kleinere aantallen en relatief weinig kosten.

222

Hoe kan een zorginstelling een jaar van tevoren weten welke cliëntgebonden hulpmiddelen zij nodig zal hebben? Hoe kan een zorginstelling überhaupt weten welke cliënten zij volgend jaar zal hebben?

Een instelling weet van tevoren niet exact wat de hulpvraag van cliënten in het komend jaar zal zijn en welke cliëntgebonden hulpmiddelen daarin noodzakelijk zijn.

Qua hulpvraag voor de zorg sluit de instelling op basis van het heden een contract voor het komend jaar met het zorgkantoor. Dit contract kan tot november van het komend jaar bijgesteld worden in overleg met het zorgkantoor.

Voor cliëntgebonden hulpmiddelen is er een geoormerkte landelijk beschikbare ruimte omdat de vraag hiernaar op regioniveau moeilijk voorspelbaar is.

223

Is het onder de contracteerruimte brengen van de bovenbudgettaire vergoedingen niet gewoon het verlagen van de contracteerruimte? Zo nee, waarom niet?

Neen, het bij de contracteerruimte als geoormerkte middelen betrekken is gebeurd door dezelfde middelen toe te voegen, die voorheen onder het CVZ vielen. De aanwending van middelen voor bovenbudgettaire vergoedingen door CVZ is derhalve per 1-1-2013 niet meer mogelijk.

De door de zorgkantoren goedgekeurde aanwending voor bovenbudgettaire vergoedingen bij instellingen moeten de zorgkantoren nu maandelijks melden aan de NZa. Die neemt dit element mee in haar rapportage over de contracteerruimte 2013.

224

Hoeveel mensen zijn het afgelopen jaar gefixeerd geweest als gevolg van dwangzorg?

Hoeveel mensen zijn langer dan drie maanden gefixeerd geweest?

Dwangzorg zoals omschreven in de Wet Bopz in artikel 38 en artikel 39 moet aan de inspectie gemeld worden. De inspectie registreert dit in haar Bopz-registratiesysteem. Aangezien de informatie in het BOPZ-registratiesysteem over 2012 nog niet compleet zijn er geen betrouwbare cijfers te geven. In 2011 zijn in totaal 14 fixaties in de ggz toegepast, 711 fixaties in de gehandicaptenzorg en 70 in de ouderenzorg.

De IGZ onderzoekt niet alle fixaties. Wel heeft de IGZ in het kader van het terugdringen van vrijheidsbeperkende maatregelen (waaronder fixatie met de onrustband) in 2011 en 2012 onderzoek gedaan bij 100 zorgaanbieders en 220 cliënten in de ouderen- en gehandicaptenzorg. Het rapport hierover verschijnt in december 2012. Ten aanzien van dwangbehandelingen (fixaties) in de ggz heeft de IGZ steekproefsgewijs toezicht gehouden.

225

Heeft de IGZ alle meldingen van fixatie onderzocht? Zo nee, waarom niet?

Bij hoeveel meldingen van fixatie is een inspecteur op locatie langs geweest om de melding te beoordelen?

Zie het antwoord op vraag 224.

226

In hoeveel gevallen heeft de IGZ beoordeeld dat fixatie onterecht toegepast is? Welke stappen neemt de IGZ als zij oordeelt dat fixatie onterecht is?

Vanuit haar rol en positie beoordeelt de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) primair of de verantwoordelijke zorgverlener het besluit om over te gaan tot fixatie zorgvuldig heeft genomen én of er actie is ondernomen om de fixatie af te bouwen en te stoppen. De IGZ zal de instelling altijd aanspreken op het voldoen aan kwaliteitseisen zoals multidisciplinair overleg, vastlegging in het zorgdossier, betrokkenheid externe deskundigen en het toepassen van alternatieve maatregelen en voorzien van verbeteringen indien aan de orde.

227

In hoeveel gevallen hebben instellingen de hulp van het CCE ingeroepen voordat tot fixatie overgegaan is.

In hoeveel gevallen hebben instellingen de hulp van het CCE ingeroepen nadat tot fixatie overgegaan is? Met hoeveel is het aantal fixaties vervolgens gedaald?

Wanneer het CCE wordt ingeschakeld, concentreert de vraag zich primair op handelingsverlegenheid. Die handelingsverlegenheid kan zich uiten in een vorm van vrijheidsbeperking, maar dat is niet noodzakelijk. Het CCE rondt een consultatie over het algemeen af als instelling en het CCE het er over eens zijn dat de instelling weer zelf verder kan en de handelingsverlegenheid verdwenen is. Het afbouwen van vrijheidsbeperkende maatregelen kan daarna soms nog een tijd duren.

Representatieve cijfers over fixatie voor of na inschakeling van het CCE zijn er niet. Een steekproef onder 36 cliënten over alle vormen van vrijheidsbeperking tezamen geeft het volgende beeld;

  • in zo'n 40% van de vragen die het CCE binnenkrijgt is (nog) geen sprake van vrijheidsbeperking in enigerlei vorm.

  • de ernst van de maatregelen neemt volgens respondenten na een interventie van het CCE betekenisvol en significant af. Men schrijft dit resultaat ook toe aan de interventie van het CCE.

228

Met welke reden ontvangen zorgbehoevende mensen geen mantelzorgcompliment meer zodra zij geïndiceerd zijn voor zorg met verblijf, maar nog thuis wonen omdat zijn op een wachtlijst staan?

Waarom komt iemand niet in aanmerking voor het mantelzorgcompliment wanneer hij/zij thuis iemand verzorgd met een intramurale indicatie?

Komt iemand in aanmerking voor het mantelzorgcompliment wanneer iemand met ZZP 1 t/m 3 thuis verzorgd wordt?

De SVB verwacht in 2012 395 200 mensen een mantelzorgcompliment te verstrekken. Voor het mantelzorgcompliment is jaarlijks een bedrag van € 65 mln. beschikbaar. Om binnen dit budget te kunnen blijven, moesten nadere criteria worden gesteld. Om voor een compliment in aanmerking te komen moet men beschikken over een indicatie voor extramurale AWBZ-zorg; deze indicatie moet ten minste 371 dagen geldig zijn.

Daarbij is overwogen dat in geval van een indicatie voor intramurale AWBZ-zorg in beginsel in veel mindere mate sprake zal zijn van een beroep op mantelzorg. Voor mensen met een intramurale indicatie die om uiteenlopende redenen niet in een instelling verblijven, geldt dat het uitvoeringstechnisch gezien niet mogelijk is gebleken deze groep in aanmerking te brengen voor de regeling, omdat de vereiste informatie over de beoordeling van deze aanspraak niet beschikbaar is.

229

Hoeveel mensen ontvangen een mantelzorgcompliment?

Welke selectie wordt er gehanteerd voor het bepalen of iemand recht heeft op een mantelzorgcompliment? Waarop is deze selectie gebaseerd?

Zie het antwoord op vraag 228.

230

Hoeveel mantelzorgers zijn er overbelast? Op welke wijze zal de ondersteuning van mantelzorgers worden verbeterd?

Volgens het SCP zijn er ongeveer 450 000 overbelaste mantelzorgers

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de ondersteuning van mantelzorgers op grond van de Wmo. In de beleidsbrief mantelzorg (Kamerstuk 30 169, nr. 26) is ondersteuning van gemeenten dan ook een belangrijk onderwerp.

231

Hoeveel mensen hebben wel een mantelzorgcompliment aangevraagd maar niet gekregen, en met welke redenen worden aanvragen niet gehonoreerd?

Het uitvoeringsproces van de SVB is zodanig ingericht dat alleen zorgvragers die aan de criteria van de regeling voldoen automatisch een aanvraagformulier krijgen opgestuurd. Deze zorgvragers hebben altijd een extramurale indicatie van 371 dagen of meer.

Over 2012 (tot en met september) zijn er 292 500 mensen die een aanvraag hebben ingediend. Daarvan zijn 5 600 aanvraagformulieren negatief beoordeeld. De belangrijkste reden daarvoor is dat in 95% van de gevallen de mantelzorger al een compliment had ontvangen via een andere zorgvrager.

Bij 13 800 mensen is het formulier retour gestuurd aan de zorgvrager, omdat het incompleet was. In de meeste gevallen wordt het formulier uiteindelijk volledig weer teruggestuurd naar de SVB.

232

Hoeveel mensen die in een instelling wonen zullen naar verwachting afzien van dagbesteding als gevolg van harmonisatie van de vervoerskosten voor instellingen? Wil de regering dit bijhouden en de Kamer hierover informeren?

Vervoer is een aanspraak. De harmonisatie leidt tot een reductie van het aantal tarieven en verlaging van de normtarieven. Cliënten betalen geen eigen bijdrage en er is geen reden om af te zien van dagbesteding vanwege voor hen persoonlijk stijgende kosten. Overigens is er € 25 mln. beschikbaar voor het opvangen van onverwachte effecten.

Mede op verzoek van lid Dijkstra ben ik voornemens de NZa in de aanwijzing contracteerruimte 2013 opdracht te geven om de vinger aan de pols te houden. Over de voorgenomen inhoud van deze aanwijzing heb ik op 3 oktober 2012 een voorhangbrief gestuurd naar de Eerste en Tweede Kamer.

233

Wat zijn de actuele cijfers over de landelijke beschikbaarheid van casemanagement bij dementie? Hoe staat het met uw inspanningen om de beschikbaarheid van casemanagement dementie te vergroten door bijvoorbeeld ontschotting in de financiering tussen de AWBZ en de Zvw?

Zie het antwoord op vraag 220.

234

Welke concrete afspraken kunnen verbeterd worden als het gaat om het in te plannen overleg met werkgevers, gemeenten, huisartsen en andere professionals als het gaat om het organiseren van informele zorg? Op welke wijze wordt ervoor gezorgd dat werkgevers, gemeenten, huisartsen en anderen zich houden aan deze afspraken?

In de beleidsbrief mantelzorg (Kamerstuk 30 169, nr. 26) staat dat op verschillende terreinen coalities rond mantelzorg worden geëntameerd.

235

Wat zijn met het oog op de ondersteuning van dementiepatiënten en hun mantelzorgers, de actuele cijfers over de landelijke beschikbaarheid van casemanagement bij dementie?

Hoeveel casemanagement is er in Nederland voor dementiepatiënten en hun mantelzorgers en wat doet de regering concreet om dit aantal te vergroten?

Hoe staat het met de inspanningen van VWS om de beschikbaarheid van casemanagement dementie te vergroten, o.a. door wegnemen van schotten in de financiering tussen AWBZ en Zvw?

Zie het antwoord op vraag 220.

236

Hoeveel mensen gokten er in 2012 illegaal online?

Er zijn geen cijfers over 2012 beschikbaar.

Uit het onderzoek «Gokken in kaart» (december 2011) is af te leiden dat 2,2% (ongeveer 300 000 mensen) van de Nederlandse bevolking van 16 jaar en ouder ooit wel eens heeft deelgenomen aan een kansspel (al dan niet online) waarvan men wist dat het illegaal was.

237

Hoe is de verdeling van de 90 miljoen euro extra voor preventie? Hoeveel gaat er naar dieetadvisering, stoppen met roken en het tegengaan van overgewicht bij kinderen? Welke streefcijfers worden er gehanteerd?

Conform de Voorjaarsnota 2012 is de verdeling ten aanzien van de € 90 mln. als volgt:

  • Dieetadvisering in het pakket, € 44 mln.;

  • Stoppen met roken, € 20 mln.;

  • Bestrijding overgewicht bij kinderen, € 26 mln.

Voor dieetadvisering geldt in 2013 dat de prestatie dieetadvisering weer voor maximaal 3 behandeluren per kalenderjaar in het basispakket is opgenomen.

Voor «stoppen met roken»-programma’s als onderdeel van de verzekerde zorg worden geen streefcijfers gehanteerd. Het betreft hier zorg conform richtlijnen.

Voor de bestrijding van overgewicht bij kinderen geldt het volgende.

Zoals mijn brief d.d. 25 juni (Kamerstuk 31 899, nr. 21) over de verdeling van inzet bij de bestrijding van overgewicht bij kinderen beschrijft, wordt dit ingezet voor het versterken en intensiveren van bestaande programma’s gericht op het bevorderen van een gezonde leefstijl van de jeugd. De inzet is primair gericht op voeding en bewegen, maar daar waar mogelijk wordt – aansluitend bij de omslag in het leefstijlbeleid – een verbredingslag gemaakt naar andere leefstijlthema’s. Dit betekent dat de totale inzet verdeeld wordt over 5 hoofdlijnen waarbij iedere hoofdlijn een eigen doel en inzet heeft.

De hoofdlijnen zijn:

  • Jongeren op gezond gewicht: intensiveren op en ook na 2014 continueren van het Convenant Gezond Gewicht, door eerder op te schalen en de aansluiting met de lokale zorgsector te verbeteren (€ 3 mln.). De JOGG-aanpak staat hierin centraal en het doel is 75 JOGG gemeenten in 2015.

  • Gezonde school: de aanpak behelst zowel de doorontwikkeling van de gezonde schoolmethode, als ook het meer inzetten op de «voorschool», een doorlopende leerlijn gezond gewicht, behoud van kennis over voeding en gezond gedrag (waaronder bewegen) binnen het primair onderwijs en het verspreiden van interventies gericht op een gezonde schoolomgeving (€ 5 mln.).

  • Geoormerkte verhoging van de Sportimpuls (onderdeel van het programma Sport en Bewegen in de Buurt) voor het kopiëren van interventies die gericht zijn op de aanpak van overgewicht bij kinderen (€ 2 mln.).

  • Impuls individueel contactmoment voor adolescenten (vanaf 14 jaar) en evt. aanvullende (collectieve) activiteiten voor leerlingen en voortgezet en middelbaar onderwijs door de jeugdgezondheidszorg (€ 15 mln.).

  • Betere informatievoorziening via Centra voor Jeugd en Gezin over een gezonde leefstijl aan ouders en jeugd (Stichting opvoeden.nl) (€ 1 mln.).

238

Onderschrijft de regering de uitkomsten van de kosten-batenanalyse diëtetiek van oktober 2012? Zo nee, welke conclusies worden niet onderschreven en waarom?

In welke begroting zijn de baten van de uitgaven aan dieetadvisering te vinden?

Ik heb kennis genomen van de kosten-batenanalyse die de Nederlandse Vereniging van Diëtisten heeft laten uitvoeren. We zullen hierover met hen in overleg gaan. Conform het Begrotingsakkoord 2013 is dieetadvisering per 2013 weer in het pakket opgenomen (geraamde kosten € 44 mln.). Hierbij geldt in 2013 dat de prestatie dieetadvisering beschikbaar is voor maximaal 3 behandeluren per kalenderjaar. De baten van dieetadvisering zijn niet terug te vinden in de VWS begroting.

239

Er wordt aangegeven dat er per 1 januari 2013 de geriatrische revalidatiezorg grotendeels naar de Zvw wordt overgeheveld. Wat wordt er precies bedoeld met grotendeels, en wat gaat er niet over?

Er is in de begroting aangegeven dat de geriatrische revalidatiezorg grotendeels naar de Zvw wordt overgeheveld. Bedoeld is aan te geven dat cliënten die reeds in het verpleeghuis waren opgenomen, voorafgaand aan ziekenhuisopname en daarna nog nazorg nodig hebben, deze zorg uit de AWBZ blijven verkrijgen.

240

In de beleidsagenda van VWS voor 2013 is de aandacht voor gezonde leefstijl en preventie van ziekte is aandacht voor diverse doelgroepen. Hoe zit dit precies voor de doelgroep ouderen?

In de beleidsagenda worden ten aanzien van leefstijl en ziektepreventie extra maatregelen genoemd die voor de gehele bevolking van toepassing zijn, inclusief ouderen. In de begroting is ook aandacht voor zaken die specifiek, of met name, op ouderen zijn gericht. Te denken valt aan de invoering van darmkankerscreening en activiteiten van de Zichtbare Schakel verpleegkundige die vanaf 2013 naar het Gemeentefonds zijn overgeheveld (begroting BZK). Naast nieuw beleid in 2013 is er ook doorlopend beleid op het gebied van leefstijl en ziektepreventie voor ouderen. Hierbij valt te denken aan de jaarlijkse grieppriek en het Nationaal Programma Ouderenzorg (NPO), waar in het project «Delfgoud» het effect onderzocht wordt van leefstijlinterventies gericht op ouderen. Veel van de andere projecten in het NPO, gericht op onder andere de zelfredzaamheid van kwetsbare ouderen, leiden naar verwachting indirect tot een meer gezonde leefstijl en tot preventie van ziekte. Ook zijn er verschillende acties in gang gezet om ondervoeding tegen te gaan. Ondervoeding is enigszins afgenomen, maar blijft aandacht houden.

Het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB) biedt ondersteuning door het verzamelen, verrijken, valideren en verspreiden van kennis over succesvol sport- en beweegaanbod. Een deel daarvan is specifiek gericht op (sub)doelgroepen van ouderen. Ook de buurtsportcoach is een belangrijk middel om ouderen aan het bewegen te krijgen. De buurtsportcoach kan daarvoor ook worden ingezet. Er is € 47,3 mln. uitgetrokken voor de buurtsportcoach in 2013.

241

Kunnen met betrekking tot de 10 miljoen euro extra voor palliatieve zorg praktische voorbeelden gegeven worden hoe de middelen worden ingezet?

Kan meer specifiek inzicht worden gegeven in de besteding van dit bedrag?

Wordt bij de besteding van de middelen ook invulling gegeven aan motie-van der Staaij 29509–40, waarin gevraagd wordt te bewerkstelligen dat palliatieve ziekenhuiszorg zo veel mogelijk gesubstitueerd wordt naar (bijna-)thuissettings, hospices en palliatieve units van verpleeghuizen en de financiering van de palliatieve zorg daarop af te stemmen?

Is de regering bereid te onderzoeken op welke wijze het onderbrengen van palliatieve zorg in de basisverzekering een bijdrage kan leveren aan de substitutie van palliatieve zorg?

Mijn streven is om de Kamer hieromtrent te informeren voor de behandeling van de Begroting 2013.

242

Hoe staat het met de voorbereiding van de gemeenten betreffende de implementatie van de nieuwe Drank- en Horecawet per 1 januari 2013?

Overal in het land zijn gemeenten op lokaal of regionaal niveau bezig met het treffen van de nodige voorbereidingen voor de implementatie van de nieuwe Drank- en Horecawet. Er is een handreiking Drank- en Horecawet voor gemeenten opgesteld die zeer positief is ontvangen door gemeenten.9 Er is bij de NVWA een expertisecentrum handhaving Drank- en Horecawet opgericht dat gemeenten actief ondersteunt en waar gemeenten terecht kunnen voor informatie en met vragen. De opleidingen voor lokale toezichthouders zijn van start gegaan, er zijn modelverordeningen ontwikkeld door verschillende partijen, er vinden geregeld presentaties plaats en de wijziging van de Drank- en Horecawet wordt besproken tijdens landelijke en regionale congressen en seminars.

243

Welke meetbare doelen worden gesteld ten aanzien van het tegengaan van overgewicht en obesitas bij kinderen en jongeren? Wat wordt precies verwacht in ruil voor de 3 miljoen euro extra investering in JOGG?

Zie ook het antwoord op vraag 237 en 292.

We streven er samen met partijen naar om de ontwikkeling van overgewicht en obesitas (ernstig overgewicht) tot stilstand te brengen en de trend om te buigen in een daling. Volgens de laatst beschikbare cijfers10 heeft 12,8% van de kinderen (2–20 jaar) overgewicht (inclusief obesitas). Een verbetering ten opzichte van deze cijfers is ons streven.

Ik heb u geïnformeerd (Kamerstuk 31 899, nr. 21) dat we met de intensivering gericht op de bestrijding van overgewicht bij kinderen inzetten op vijf verschillende hoofdlijnen.

De extra middelen voor JOGG hebben het bereiken van 75 JOGG gemeenten in 2015 (motie-Wiegman, Kamerstuk 31 899, nr. 10) tot doel. De teller staat nu op 19 gemeenten. Na analyse is o.a. gebleken dat ondersteuning voor gemeenten nodig is om lokale processen te stimuleren en intensiever te begeleiden in bijvoorbeeld de opstartfase. De extra middelen worden dan ook voornamelijk ingezet om het huidige aantal deelnemende gemeenten versneld en met behoud van kwaliteit op te schroeven naar het beoogde aantal van 75. Daarnaast ontbreekt lokaal vaak de koppeling tussen preventie en zorg voor kinderen met ongezond gewicht. Hiermee vloeit potentieel resultaat weg. De extra middelen worden ook ingezet om deze verbinding passend en met behoud van kwaliteit te ondersteunen.

244

Hoe vaak kan men een beroep doen op het programma stoppen met roken? Wat is het percentage succesvolle behandelingen? Wanneer is de behandeling succesvol? Hoeveel mensen stoppen uit zichzelf met roken? Wat zijn de kosten van farmacologische ondersteuning?

De basisverzekering vergoedt het programma stoppen met roken één maal per jaar. Mensen kunnen vaker deelnemen aan een stoppen met roken programma in een jaar, maar dan voor eigen rekening. De kans om te stoppen met roken is zonder begeleiding 2 tot 5%. Begeleiding vergroot de kans op succes: wanneer gebruik gemaakt wordt van farmacologische ondersteuning in combinatie met gedragsmatige begeleiding, is de kans op blijvend stoppen met roken 8 tot 20%. Jaarlijks worden ongeveer 1 miljoen stoppogingen ondernomen. Van de mensen die een stoppoging ondernemen zonder ondersteuning, valt dus ruim 95% terug en van de mensen die stoppen met behulp van farmacologische ondersteuning in combinatie met begeleiding is dat 80%.

De kosten van de farmacologische ondersteuning worden geraamd op € 20 mln. per jaar.

245

Hoeveel jongeren zijn afgelopen jaar opgenomen in een alcoholpoli?

In 2011 zijn 762 jongeren in het ziekenhuis opgenomen vanwege een alcoholvergiftiging (bron: Nederlands Signaleringscentrum Kindergeneeskunde). Zij hebben nazorg ontvangen via de alcoholpoli. De cijfers over 2012 komen in het voorjaar van 2013.

246

Wat is de gemiddelde leeftijd van jongeren die behandeld worden voor comazuipen?

De gemiddelde leeftijd is 15,3 jaar. Uit een trendanalyse van het Trimbos-instituut van registratiegegevens van het Nederlands Signaleringscentrum Kindergeneeskunde blijkt de leeftijd van de jongeren in de afgelopen jaren stabiel te zijn op 15 jaar gemiddeld.

247

Hoeveel personen hebben in Nederland te maken met een alcoholverslaving?

Uit het jaarbericht 2011 van de Nationale Drug Monitor (NDM) is af te leiden dat ruim 475 000 mensen van 18 tot 65 jaar kampen met een alcoholstoornis. Volgens de definities van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM-IV) gaat het om 395 600 mensen waarvan het alcoholgebruik problematisch is en 82 400 mensen met alcoholverslaving.

248

Hoeveel diagnoses adhd zijn er de afgelopen 5 jaar gesteld bij kinderen onder de 18 jaar? In hoeveel gevallen werd er de afgelopen jaar ook medicatie aan kinderen onder de 18 jaar voor adhd voorgeschreven?

Het aantal gestelde diagnoses wordt in Nederland niet bijgehouden. Op basis van buitenlands onderzoek wordt aangenomen dat drie tot vijf procent van de kinderen (onder de 16 jaar) in Nederland aan ADHD lijdt (Bron: Landelijk Basisprogramma ADHD bij kinderen en jeugdigen, 2007; dit percentage is ook te vinden op de sites van het RIVM, het Nederlands Jeugd Instituut en het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie). Wel is in Nederland het aantal voorschriften van ADHD-medicatie bekend. Volgens cijfers van de Stichting Farmaceutische Kengetallen maakten in 2011 113 186 kinderen en jongeren (tot en met 17 jaar) gebruik van methylfenidaat.

249

Wanneer gaan de experimenten met een nieuwe bekostiging voor de curatieve en eerstelijnszorg van start? Kan een overzicht van de experimenten gegeven worden?

Ik laat de subsidie van de experimenten over aan een nieuw kabinet.

250

Welke doelstellingen zijn er opgesteld om agressie in de zorg tegen hulpverleners tegen te gaan? Zijn deze doelstellingen in 2012 behaald?

Agressie en geweld tegen zorgverleners is onacceptabel en moet worden teruggedrongen. Om die reden heb ik in maart 2012 het Actieplan «Veilig werken in de zorg» aan de Tweede Kamer aangeboden, mede namens de minister van Veiligheid en Justitie en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). Daarbij onderschrijf ik de doelstelling van het programma Veilige Publieke Taak van de minister van BZK om in de periode 2011–2015 agressie en geweld tegen medewerkers met een publieke taak per sector, inclusief de zorg, met 25 % te verminderen. Met het Actieplan wil ik daar samen met alle betrokken partijen mijn bijdrage aan leveren voor de zorgsector.

251

Zijn er al resultaten bekend van het experiment regelarme instellingen? Zo ja, wat zijn deze resultaten?

Nee.

252

Kan een overzicht gegeven worden van de groei van het percentage medisch personeel en niet-medisch personeel in de curatieve en langdurige zorg afzonderlijk in de afgelopen 10 jaar, in aantallen en in kosten?

Het CBS geeft de volgende aantallen voor medisch en sociaal-wetenschappelijke functies aan:

2006: 39 020

2010: 48 480

Dit komt overeen met een jaarlijkse stijging van 5,6%. De definitie die CBS hierbij hanteert: specialisten voor klinische zorg; specialisten voor laboratorium en apothekers; tandartsen en overige medici direct betrokken bij diagnose en therapie zoals agio's, agnio's (assistent geneeskunde (niet) in opleiding), klinisch fysiologen of klinisch psychologen in loondienst. Dit is exclusief medici en sociaal wetenschappers die in vrij beroep of in loondienst elders werkzaam zijn.

Het CBS publiceert ook het aantal werkzame personen in de zorg. Wordt hier het medisch en sociaal-wetenschappelijke personeel vanaf gehaald dan blijven de volgende aantallen over voor niet-medisch personeel:

2006: 1 075 000

2010: 1 177 000

Dit komt overeen met een jaarlijkse stijging van 2,3%

Deze aantallen zijn niet te scheiden in curatieve en langdurige zorg.

In het geval uw vraag zich richt op het onderscheid tussen zorgverlenend personeel en niet-zorgverlenend personeel verwijs ik u naar vraag 151 en 68.

253

Hoeveel ouderen zijn er de laatste jaren mishandeld en wat zijn de meest actuele cijfers?

De meest actuele cijfers gaan over de meldingen ouderenmishandeling die bij de steunpunten huiselijk geweld binnen zijn gekomen. Volgens Movisie zijn in 2011 994 meldingen gedaan van ouderenmishandeling (zowel in huiselijke kring als door professionals). Dit is een stijging van 16% ten opzichte van 2010. In 2010 bedroeg het aantal meldingen 855, in 2009 656 en in 2008 662.

De IGZ heeft sinds 15 juni 2011 41 meldingen in het kader van ouderenmishandeling onderzocht en bij 7 meldingen loopt het onderzoek nog. In 10 situaties is na onderzoek vastgesteld dat het daadwerkelijk om ouderenmishandeling ging. In 23 gevallen kon ouderenmishandeling niet (meer) bewezen worden en bij 8 meldingen bleek uiteindelijk geen sprake te zijn van ouderenmishandeling.

254

Hoeveel ouderen komen jaarlijks bij de huisarts en bij de SEH met opmerkelijk en onverklaarbaar letsel?

Er vinden bij huisartsen en SEH’s geen aparte registratie en screening plaats van vermoedens of gevallen van ouderenmishandeling.

Huisartsen en SEH’s kunnen bij vermoedens van ouderenmishandeling gebruik maken van de vijf stappen uit de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. In het kader van de voorgenomen Wet verplichte meldcode zullen professionals de plicht krijgen om op basis van de stappen uit de meldcode te handelen bij signalen van geweld in huiselijke kring.

Om er voor te zorgen dat zorgverleners weten wat te doen bij signalen van ouderenmishandeling is in het kader van het VWS-Actieplan «Ouderen in veilige handen» een speciale e-learningmodule ontwikkeld over signalering en melding van ouderenmishandeling. Deze module is bestemd voor (student) verzorgenden, verpleegkundigen en medici en is gebaseerd op de vijf stappen uit de meldcode.

255

Vindt er screening plaats in de SEH bij acute opname naar mishandeling?

Zie het antwoord op vraag 254.

256

Vindt er screening plaats in de intramurale zorg door een vertrouwenspersoon naar mishandeling van ouderen?

Veel instellingen in de intramurale zorg hebben een vertrouwenspersoon bij wie men ook terecht kan met vermoedens of signalen van ouderenmishandeling. Er is geen screening van alle ouderen door vertrouwenspersonen.

257

Vindt er screening plaats door de huisarts naar mishandeling van ouderen?

Zie het antwoord op vraag 254.

258

Zijn er het afgelopen jaar mensen opgepakt en berecht naar aanleiding van mishandeling van ouderen? Zo ja, hoeveel mensen betreft dit?

Politie en Openbaar Ministerie registreren niet specifiek op ouderenmishandeling in de definitie die in dit kader gehanteerd wordt11. Wel blijkt uit politiecijfers over huiselijk geweld in 2008 dat 5,2% van de slachtoffers tussen de 55 en 66 jaar is en 1,7% ouder is dan 66 jaar. Ouderen blijken in vergelijking met andere leeftijdsgroepen vaker het slachtoffer te worden van bedreiging.

259

Wat zijn de laatste cijfers met betrekking tot ondervoeding onder ouderen?

Over de prevalentie van ondervoeding zijn onderstaande cijfers beschikbaar.

Een kanttekening bij de cijfers is dat wetenschappelijke consensus over de definitie van en een goede meetmethode voor ondervoeding ontbreekt. De Gezondheidsraad merkte in haar advies over ondervoeding bij ouderen12 op dat hierdoor de als ondervoed aangemerkte groep ouderen mogelijk te groot is.

Uit onderzoek uitgevoerd via eerstelijnszorgverleners13 kwamen in 2009/2010 de volgende ondervoedingspercentages:

  • Bij patiënten die voor een griepprik bij de huisarts waren (gemiddelde leeftijd 75): 12%;

  • Van zelfstandig wonende mensen die thuiszorg ontvingen (gemiddelde leeftijd 81): 35%.

Uit de Landelijke Prevalentiemeting Zorgproblemen (LPZ) 201214 waaraan 10 ziekenhuizen en 52 instellingen voor wonen, zorg en welzijn hebben meegedaan kwam een prevalentie van:

  • 21,8% voor ziekenhuizen;

  • 17 % in instellingen voor wonen, zorg en welzijn.

In 2013 verwacht ik cijfers van de Voedselconsumptiepeiling bij zelfstandig thuiswonende ouderen van 70 jaar en ouder van het RIVM. Hierin is ook gescreend op ondervoeding.

260

Welke concrete mogelijkheden ziet u om in de zorgsector door slimmer of minder beleid papier te besparen en in overbodige regels te snoeien?

Ik heb als onderdeel van de huidige kabinetsaanpak om de administratieve lasten te reduceren een programma opgesteld dat de regeldruk merkbaar zal verminderen.

Voor de ontwikkelingen in de langdurige zorg verwijs ik u graag naar de antwoorden op vragen 70 en 360. In de curatieve zorg vindt op dit moment een verkenning plaats naar de mogelijkheden om de regeldruk te verminderen.

261

Er lopen meerdere initiatieven om administratieve lasten voor het veld te laten dalen. Welke rol hebben zorgkantoren hierbij?

Er zijn 28 zorgaanbieders geselecteerd in het kader van de experimenten met regelarme instellingen. Hun voorstellen zijn omgezet in plannen van aanpak, die zijn afgestemd met alle uitvoeringsorganisaties, waaronder ook de zorgkantoren. De bij de experimenten betrokken zorgkantoren worden geacht hun inzet en bijdrage te leveren aan het slagen van deze experimenten en hebben daartoe een verzoek van VWS ontvangen.

In het kader van het proces van de inkoop van AWBZ-zorg moeten zorgaanbieders zorgkantoren structureel van informatie voorzien. Uitkomsten van onderzoek hebben laten zien dat dit veel administratieve lasten voor zorgaanbieders met zich brengt. Door onder andere de uitvraag door zorgkantoren te standaardiseren, het uniformeren van het proces en de inhoud van het beleid, het hergebruiken van bestaande gegevens, het maken van meerjarenafspraken, het inkorten van de inkoopdocumenten en minder controle en rapportages kan de administratieve belasting sterk worden gereduceerd. Ik verwijs hierbij tevens kortheidshalve naar de brief aan de Tweede Kamer van 3 april 2012 (Kamerstuk 31 765, nr. 59).

262

Kan de minister voor de begrotingsbehandeling de shortlist van de geselecteerde experimenten in de curatieve en de eerstelijnszorg aan de Tweede Kamer sturen?

Zie het antwoord op vraag 249.

263

Wat bedoelt de minister concreet met de opmerking dat de compacte overheid ook minder capaciteit voor begeleiding en reactie op kennis- en adviesrapporten heeft?

Interactie tussen beleid, onderzoek en praktijk is nodig om kennis ook waardevol te laten zijn. Die interactie is nodig bij alle fasen van het onderzoeksproces: formulering van de probleemstelling, bespreken van tussentijdse resultaten en aanvullende vragen en bij presentatie van eindresultaten. Dit betekent dat er capaciteit beschikbaar moet zijn om deze interactie aan te gaan. Bij een compacte overheid is die capaciteit in mindere mate aanwezig.

264

  • a) Vindt de minister het niet raadzaam om eerder in eigen vlees dan in het vlees van adviesorganen te snijden?

  • b) Wanneer kan de minister een overzicht sturen van de onderwerpen waarover zij zich niet meer laat adviseren?

  • c) Voor welke taken heeft het ministerie precies externen moeten inhuren, en waarom konden deze taken niet door eigen personeel worden vervuld?

  • a) Naast een taakstelling op eigen capaciteit is voor de realisatie van de taakstelling zoals opgenomen in het Begrotingsakkoord 2013 (waarvan het VWS-aandeel in totaal € 41 mln. bedroeg) € 10 mln. omgebogen op «kennis en advies». Hiervoor zijn 3 verschillende lijnen uitgezet:

    • adviesraden en strategisch onderzoek van RIVM en ZonMW;

    • instellingssubsidies kennisinstellingen;

    • ZonMw programma’s en opdrachten.

    Bij de uitwerking van de taakstelling is derhalve gekozen voor een aanpak waarbij ook gekort wordt op overheidsdiensten en adviesraden die onder het ministerie van VWS vallen. Uitgangspunt bij de invulling van de taakstelling op kennis en advies is dat een kleinere overheid minder capaciteit heeft voor begeleiding en reactie op kennis- en adviesrapporten.

  • b) Door minder te besteden middelen zal er een sterkere prioritering plaatsvinden op nieuwe onderwerpen voor adviesaanvragen. Zie verder het antwoord op vraag 265.

  • c) De uitgaven voor inhuur van externen bedroegen in 2011 in totaal € 45,6 mln., waarmee VWS met een inhuurpercentage van 12,9% onder de inhuurnorm van 13% is gebleven. In het algemeen geldt binnen VWS de regel dat structurele werkzaamheden worden «verambtelijkt» aangezien vast personeel goedkoper is dan de inhuur van externen. De inhuur van externen vindt daarom vooral plaats voor het opvangen van pieken en voor tijdelijke activiteiten zoals projecten waarbij geen structurele inzet is voorzien (bijv. ICT-implementaties, specialistische kennis bij wettrajecten). De inhuur van externen heeft met name plaats gevonden bij het kerndepartement (€ 14,3 mln.) bestaande uit diverse departementsbrede ICT-trajecten (€ 6,6 mln.), uitzendkrachten (€ 4,1 mln.), beleidsadvies (€ 1,5 mln.) en communicatieadvies (€ 1,6 mln.). Bij het RIVM (€ 12,6 mln.) is voor € 5,3 mln. aan uitzendkrachten ingehuurd, voor bedrijfsvoeringvraagstukken (w.o. de samenvoeging met het NVI) € 4,1 mln. en voor € 1,1 mln. aan beleidsadvies. Het CIBG (€ 8,5 mln.) en het aCBG (€ 4,6 mln.) hebben hoofdzakelijk uitzendkrachten ingehuurd (€ 8,5 mln. respectievelijk € 3,7 mln.) voor het opvangen van productiepieken. Voor de baten-lastendiensten gold in 2011 dat zowel een inhuurnorm bestond van 13% als een personele taakstelling vanuit het Kabinet Balkenende-IV waardoor het in vaste dienst nemen van personeel beperkt mogelijk was.

265

Welke onderwerpen zal VWS niet meer onderzoeken als gevolg van het hanteren van een samenhangende kennisagenda? Wie maakt de keuze van de selectie van de onderwerpen?

De strategische kennisagenda geeft voor de middellange termijn een overzicht van de belangrijkste trends en doelen op het terrein van volksgezondheid, zorg en ondersteuning en geeft aan op welke bijbehorende thema’s het ministerie van VWS op de middellange termijn kennis wil ontwikkelen. Het dient dus als input voor de toekomstige werkprogramma’s van de kennisinstellingen. Ook de bestaande uitgezette kennislijnen passen goed onder de strategische kennisagenda.

De kennisagenda maakt het gemakkelijker kennis voor verschillende sectoren in samenhang te ontwikkelen en te delen. De kennisagenda geeft focus op wat met voorrang moet worden onderzocht en voorkomt onnodige overlap. Ambtelijke en politieke leiding blijven verantwoordelijk voor de uiteindelijke kennisvragen.

266

De vermogensinkomensbijtelling wordt verhoogd met 8%. Wat is de maximum bijdrage die cliënten gevraagd mag worden voor zorg, uitgedrukt in percentage van de daadwerkelijke kosten van deze zorg? Geldt dit voor zowel de AWBZ als de Wmo? Wordt hier ook rekening mee gehouden bij het bepalen van de hoogte van de eigen bijdrage in de AWBZ en de Wmo?

Bij de AWBZ is uitgangspunt dat maximaal 90% van de kosten aan eigen bijdrage gevraagd mag worden. Dat is echter lang niet het geval. Voor AWBZ-zorg met verblijf bedraagt het maximum in 2013 € 2 189,20 per maand. Voor AWBZ-zorg zonder verblijf geldt in 2013 een bijdrage van € 13, 60 per uur (met een inkomensafhankelijk maximum per vier weken). Zowel voor zorg met verblijf als voor zorg zonder verblijf geldt dat deze bedragen maar een beperkt deel van de kosten zijn.

Bij de Wmo mag de eigen bijdrage 100% van de kosten bedragen. Dat is niet altijd het geval. De hoogte van de eigen bijdrage voor Wmo-voorzieningen kan per gemeente verschillen. Bij de Wmo geldt verder hetzelfde inkomensafhankelijke maximum per vier weken dat ook voor de AWBZ gold. Dit maximum geldt voor de AWBZ-zorg en de Wmo-voorzieningen tezamen.

267

Hoeveel rollators zijn er in 2011 verstrekt? Wat was de gemiddelde prijs van deze rollators? Hoeveel rollators zullen er naar verwachting in 2013 verstrekt worden.

In 2011 zijn er 56 600 rollators verstrekt. De gemiddelde prijs per gebruiker bedroeg volgens cijfers van het CVZ € 108. In 2013 worden er geen rollators meer uit het basispakket verstrekt.

268

Wat wordt bedoeld met «andere loophulpmiddelen»?

Met andere loophulpmiddelen wordt bedoeld krukken, loophulpmiddelen op drie of vier poten, looprek of loopwagen.

269

Waardoor zijn de uitgaven voor zorgkosten illegalen en onverzekerbare vreemdelingen lager uitgevallen dan geraamd?

Hoewel de zorglasten voor illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen de afgelopen jaren zijn toegenomen (zie pagina 26 van de VWS-verzekerdenmonitor 2012), vallen deze lager uit dan wij aanvankelijk hadden geraamd. Dit kan liggen aan meerdere factoren, bijvoorbeeld minder dan verondersteld zorggebruik door illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen of meer eigen betalingen. Er zijn echter geen data beschikbaar die de mogelijke oorzaken nader kunnen onderbouwen.

Bij de inwerkingtreding van de vergoedingsregeling van artikel 122a Zvw (op 1 januari 2009) is een inschatting gemaakt welk deel van de toentertijd bestaande vergoedingsregeling (bij ziekenhuizen) gebruikt werd voor zorg aan illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen. Dit deel is toen te hoog ingeschat. In de langetermijnraming voor de uitgaven zorgkosten aan illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen werd dientengevolge uitgegaan van een hoger bedrag aan zorgkosten dan blijkens de door het CVZ verstrekte feitelijke uitputtingsoverzichten naar voren komt.

De raming voor 2013 is naar aanleiding van deze uitputtingsoverzichten naar beneden bijgesteld.

270

Wat is de oorzaak dat de uitgaven voor zorgkosten illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen lager zijn uitgevallen dan geraamd?

Zie het antwoord op vraag 269.

271

Kunt u aangeven wat de oorzaak is van de verschillende vergoedingen voor medisch specialistische vervolgopleidingen tussen verschillende ziekenhuizen?

In 2005 hebben de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen in de aanloop naar het Opleidingsfonds, de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra, de Orde van Medisch Specialisten en Zorgverzekeraars Nederland, een gezamenlijk voorstel gedaan voor de bekostiging van Arts In Opleiding tot Specialist (aios) uit het Opleidingsfonds. In dit voorstel werd de vergoeding per aios gedifferentieerd naar aantallen aios per ziekenhuis volgens de zogenoemde staffelbenadering (aantal aios respectievelijk minder dan 50, van 50 tot 150 en 150 of meer). VWS heeft CTG/Zaio destijds gevraagd dit voorstel te betrekken bij het vaststellen van de opleidingsvergoedingen. Dit resulteerde in de verschillende vergoedingen zoals die op dit moment nog worden gehanteerd.

272

In 2013 zou een IBO Gehandicaptenzorg verschijnen. Wat is de afbakening van deze IBO? Wat is de tijdsplanning? Wat is de vraagstelling?

Wij verwijzen kortheidshalve naar de Miljoenennota 2013. In paragraaf 6.2 wordt ingegaan op de Interdepartementale Beleidsonderzoeken. De afbakening, tijdsplanning en vraagstelling van het IBO Gehandicaptenzorg staan daar vermeld.

273

Waarom groeit het aantal jaren dat mensen in goede gezondheid leven niet meer?

De trend in levensverwachting in goed ervaren gezondheid kent een grilliger verloop dan de absolute levensverwachting. Dat komt omdat hiervoor ook gegevens uit enquêtes gebruikt worden. De aantallen zijn hierdoor minder groot, waardoor schattingen sterker fluctueren, en bijbehorende betrouwbaarheidsintervallen breder zijn. Om die reden is het op basis van cijfers over slechts enkele jaren moeilijk te zeggen of de levensverwachting in goed ervaren gezondheid daalt of stijgt. Daarom is het belangrijk dit soort ontwikkelingen in een lange termijn perspectief te plaatsen. Doen we dit, dan is een stijging in de levensverwachting in goed ervaren gezondheid te zien.

274

In hoeveel % van de kroegen en horecagelegenheden wordt nog gerookt waar dit niet is toegestaan? Wat zijn de absolute gevallen hiervan?

Intraval meet, in opdracht van de NVWA, tweemaal per jaar de naleving van het rookverbod in verschillende typen horecagelegenheden. Tijdens de observaties wordt gekeken of ter plekke wordt gerookt en of asbakken op de tafels staan. De belangrijkste conclusies uit de voorjaarsmeting 2012 zijn als volgt:

  • Bij 51% van de cafés en discotheken waren geen rokers aanwezig;

  • Bij 50% van de cafés en discotheken zijn geen asbakken op de tafels geobserveerd.

Deze percentages zijn gebaseerd op metingen bij cafés en discotheken die niet uitgezonderd zijn van het rookverbod.

Bij deze laatste meting in maart/april 2012 zijn in totaal 400

observaties verricht, verdeeld over vier subcategorieën, te weten: 100 discotheken; 100 eetcafés; 100 cafés die niet onder de uitzondering vallen; en 100 cafés die wel onder de uitzondering vallen.

275

Op welke manier wordt gezorgd dat de inspanningen die geleverd worden ter bevordering van een gezonde levensstijl juist die groepen bereiken die ongezond leven?

Het beleid richt zich via verschillende kanalen op mensen die risico lopen: gerichte informatievoorziening en informatiemethoden in plaats van algemene campagnes; meer inzet op leefstijl en preventie in de zorg en een integrale aanpak waarbij de sociaalfysieke omgeving als uitgangspunt dient om gedrag te veranderen (waaronder de wijk-buurt aanpak). Goede voorbeelden zijn: de aanpak van babysterfte, de JOGG-aanpak, de buurtsportcoaches en de lespakketten op school. Vooral risicogroepen profiteren ook van generieke pakketmaatregelen zoals «stoppen met roken»-programma’s en dieetadvisering, die beide terug komen in het Zorgverzekeringspakket.

Het beleid stimuleert maatwerk vanuit zorg en sport in de buurt. Via het extra contactmoment binnen de jeugdgezondheidszorg voor leerlingen op het voortgezet en middelbaar onderwijs wordt advies over gezonde leefstijl aan pubers en signalering van problemen beter mogelijk. Ander voorbeeld van maatwerk is de  sportimpuls, waarmee lokale aanbieders worden ondersteund bij het opstarten van nieuwe lokale activiteiten, om meer mensen te laten sporten en bewegen die dat nu nog niet of structureel onvoldoende doen.

Voor de hele bevolking wil ik de gezonde keuze makkelijker maken door te stimuleren dat via zelfregulering het productaanbod gezonder wordt met betrekking tot zout en verzadigd vet. Met als stok achter de deur regulering op nationaal en Europees niveau. Mensen die nu onbedoeld veel producten met hoge gehaltes eten, hebben baat daarbij.

276

Op welke wijze vindt de voorbereiding op uitbraken zoönosen plaats?

De uitbraak van Q-koorts heeft duidelijk de noodzaak onderstreept om de bescherming van de volks- en diergezondheid met elkaar te verbinden. Daarnaast heeft ook het Emerging Zoönoses programma (EmZoo) dat in 2010 is afgerond belangrijke input gegeven voor de voorbereiding op het gebied van monitoring, surveillance, onderzoek en risicoanalysestructuur. In Nederland hebben we een geïntegreerde humaan-veterinaire risicoanalyse structuur tot stand gebracht en werkverbanden met standaardprocedures als er daadwerkelijk een zoönose-uitbraak plaatsheeft. Professionals uit beide domeinen, zowel regionaal als centraal, delen op bijeenkomsten, symposia en congressen regelmatig inzichten en expertise.

Uit de soepele samenwerking bij de problemen die er in de veehouderij waren met het Schmallenberg-virus is gebleken dat de geïntegreerde humaan-veterinaire risicoanalysestructuur daadwerkelijk tot verbeteringen heeft geleid. Daarna zijn er nog formele afspraken gemaakt over het vergaand delen van data tussen de veterinaire en humane lijnen in het samenwerkingsconvenant tussen GGD, RIVM, NVWA en GD. Ook op onderzoeksgebied wordt er steeds meer samengewerkt, zo zijn er detacheringen over en weer tussen de veterinaire en humane overheidsinstituten.

Een goed voorbeeld van hoe de voorbereiding werkt is het Usutu virus. De merelsterfte is onder de aandacht van het Signaleringsoverleg Zoönose. Het Dutch Wildlife Health Centre (DWHC) (mede door VWS en EL&I gefinancierd) houdt, middels samenwerking met alle vogelorganisaties de sterfte onder wilde vogels in de gaten. Het Centrum Monitoring Vectoren (CMV) bij de NVWA (eveneens gezamenlijk gefinancierd door VWS en EL&I) vangt muggen en laat deze op het virus onderzoeken. Het RIVM volgt informatie in Europa over mogelijke gezondheidseffecten en heeft gezorgd dat er goede testen in huis zijn.

Ten slotte wordt gewerkt aan draaiboeken voor opkomende zoönosen en worden regelmatig kleinere onderdelen van de crisisstructuur geoefend.

277

Welke overwegingen spelen een rol bij de besluitvorming over het al dan niet opstellen van wetgeving om tot zoutreductie in voeding te komen? In welke landen is deze wetgeving al van kracht, met welke bevindingen/resultaten.

De belangrijkste overweging voor mijn beleid is dat mensen die een normaal voedingspatroon hebben, niet onbedoeld teveel zout binnen krijgen. Voor zoutconsumptie betekent dat mensen met een normaal voedingspatroon kunnen voldoen aan de richtlijn van maximaal 6 gram per dag.

Ik wil dat bedrijven met voldoende vaart en op een haalbare wijze producten aanpassen. Houdbaarheid, structuur en smaak zijn daarbij aspecten om rekening mee te houden omdat zout daar invloed op kan hebben.

Zoals ik in de landelijke nota gezondheidsbeleid heb aangekondigd, zal ik eind dit jaar de voortgang beoordelen en op basis daarvan besluiten of ik wetgeving nodig acht.

Voor mij is daarbij belangrijk dat producenten en aanbieders collectief laten zien zoutreductie serieus te hebben opgepakt en dat er ook concrete plannen zijn hier de komende jaren aan verder te werken om significante reductie te bereiken.

Zover mij bekend is alleen in Finland wetgeving met betrekking tot het zoutgehalte in producten van kracht. Daar moeten producten die meer zout bevatten dan vastgestelde gehalten expliciet op het etiket «hoog zoutgehalte» vermelden. Dit is begin jaren negentig ingevoerd als onderdeel van een breder pakket aan maatregelen. De zoutconsumptie in Finland is in 30 jaar zo’n 30% verlaagd. De consumptie is nu iets lager dan in Nederland.

Daarnaast zijn er enkele landen waar net als in Nederland een maximum zoutgehalte voor brood in de wet staat.

278

Welke maatregelen en afspraken heeft de voedingsindustrie de afgelopen jaren gemaakt om het vet-, zout- en suikergehalte in voeding te verlagen? Tot wat voor concrete verbeteringen heeft dit geleid?

De levensmiddelenindustrie heeft de afgelopen jaren het transvetzuurgehalte gereduceerd waardoor de consumptie nu voldoet aan de maximale richtlijn voor transvetzuurconsumptie.

Op de website van de levensmiddelenindustrie http://www.fnli.nl/taskforce-zout.html kunt u commitments van bedrijven lezen op het gebied van zoutreductie.

Op initiatief van het bedrijfsleven is het Vinkje (voedselkeuzelogo) geïntroduceerd. Dit stimuleert bedrijven om producten gezonder te maken. Als een product van een deelnemend bedrijf aan criteria voor onder andere verzadigd vet, zout en suiker voldoet, mag het logo op het etiket worden gezet. Ruim 100 bedrijven doen mee aan het Vinkje en ruim 6 500 producten hebben het Vinkje. Dit is een voortgaand proces omdat niet de criteria scherper worden, maar worden aangepast aan de wetenschappelijke ontwikkeling.

Via het Convenant Gezond Gewicht wordt gewerkt aan het stimuleren van een betere energiebalans via gezond eten en bewegen. Portiegrootte is daarbij ook een aandachtspunt.

Eind dit jaar beoordeel ik zoals aangekondigd in de landelijke nota gezondheidsbeleid (mei 2011) de voortgang van de productaanpassingen voor zout en verzadigd vet. Daar zal ik u dan over informeren.

279

Hoeveel gezonde levensjaren worden verloren door te hoge gehaltes vet, suiker en zout, toegevoegd door de voedingsmiddelenindustrie?

Hoe mensen eten wordt bepaald door welke producten iemand kiest, wat de samenstelling daarvan is en hoeveel van deze producten iemand eet. Verloren gezonde levensjaren door toevoegingen van de voedingsmiddelenindustrie zijn dus niet zo te noemen.

Het RIVM schat met behulp van haar Chronisch Ziektemodel verloren gezonde levensjaren (Disability Adjusted Life Years (DALY’s): het aantal jaren dat iemand eerder overlijdt plus het aantal jaren dat men in verminderde gezondheid leeft. Dit doet het RIVM door het huidige consumptiepatroon met de richtlijnen voor gezonde voeding te vergelijken. Dit zijn ingewikkelde berekeningen met veel aannames.

Als iedereen volgens de richtlijnen voor vet, suiker en zout zou eten zou dat volgens deze berekening jaarlijks maximaal 120 000 gezonde levensjaren (DALY’s) op kunnen leveren.

Hoeveel daarvan door andere keuzes van de consument kunnen worden behaald en hoeveel door aanpassingen in producten is niet te zeggen.

280

Welke concrete maatregelen vallen onder «De landelijke aanpak van perinatale sterfte wordt in 2013 vervolgd»?

Binnen het project Healthy Pregnancy 4 All worden in de komende jaren de volgende concrete maatregelen in de veertien deelnemende gemeenten uitgevoerd.

  • Op basis van een sociaal demografische analyse wordt aan vrouwen uit de risicogroepen programmatische preconceptiezorg aangeboden. Deze preconceptiezorg is gericht op vermindering van de risico’s op ongewenste zwangerschapsuitkomsten en secundair op vermindering van perinatale morbiditeit en mortaliteit.

  • Daarnaast wordt een nieuw ontwikkeld risico signaleringsinstrument ingezet. Dit signaleringsinstrument screent niet alleen op medische en obstetrische risicofactoren, maar ook op sociale, psychische, zorg- en leefstijlgerelateerde risicofactoren die de zwangerschapsuitkomst negatief kunnen beïnvloeden. Bij de gesignaleerde risico’s worden voor de betreffende zwangeren zorgpaden ingezet. De zorgpaden richten zich zowel op medische als niet-medische problemen. De zorgpaden worden op de lokale situatie aangepast in samenwerking met de diverse zorg- en hulpverleners in de deelnemende gemeenten. Gestreefd wordt naar een brede samenwerking van alle ketenpartners bij de zorg van zwangere vrouwen in risicosituaties.

  • Een specifiek op de risicogroepen toegesneden communicatie en voorlichtingsplan ondersteunt de bovengenoemde instrumenten.

  • Aanvullend wordt door ZonMw onderzoek uitgezet naar de doeltreffendheid, doelmatigheid en gewenste implementatie van een kinderwensconsult specifiek gericht op risicopopulaties.

  • Daarnaast wordt onderzoek uitgezet naar de effectiviteit en doelmatigheid van echoscopie in het derde trimester.

281

Welke trends in drugsgebruik zijn er gesignaleerd gerelateerd aan leeftijd in het afgelopen jaar?

  • Over het middelengebruik onder de volwassen bevolking (15–64 jaar) zijn afgelopen jaar geen nieuwe cijfers beschikbaar gekomen waaruit trends kunnen worden afgeleid. De laatste meting vond plaats in 2009.

  • Het gebruik van drugs en andere middelen door jongeren wordt om de vier jaar gemeten via het onderzoek Jeugd en Riskant Gedrag van het Trimbos-instituut, voor het laatst in 2011.

  • Hieruit bleek, dat in 2011 van de 12–18 jarigen scholieren 17,7% ooit wel eens cannabis gebruikt had. 8% gaf aan de afgelopen maand cannabis te hebben gebruikt.

  • Van alle 12–18 jarigen gaf 3,5% aan ooit wel eens harddrugs ( amfetamine, cocaïne, heroïne, maar het vaakst XTC) te hebben gebruikt. Minder dan 1% gaf aan de afgelopen maand harddrugs te hebben gebruikt.

  • In vergelijking met vorige metingen is het gebruik van zowel cannabis als harddrugs door jongeren stabiel.

282

Hoeveel kinderen onder de 16 jaar hebben er in 2012 alcohol in resp. supermarkten en horecagelegenheden kunnen kopen?

Daarover zijn geen exacte gegevens bekend. Uit de Monitor alcoholverstrekking 2011 van Bureau Intraval blijkt dat steeds minder kinderen onder de 16 jaar een poging doen alcoholhoudende drank te kopen. Uit deze monitor blijkt echter ook dat als kinderen onder de 16 jaar het toch proberen, de kans op slagen onverminderd groot is in vergelijking met de voorgaande jaren.15 Dit beeld wordt bevestigd door de uitkomsten van het landelijk onderzoek dat de Universiteit Twente in 2011 in opdracht van het ministerie van VWS heeft uitgevoerd om de naleving van de leeftijdsgrenzen bij de verkoop van alcohol in Nederland te toetsen.16

De verwachting is dat door de overdracht van het toezicht meer toezicht zal worden gehouden, hetgeen zal leiden tot een betere naleving van de leeftijdsgrenzen bij de verkoop van alcoholhoudende dranken. Ook het gebruik van de nieuwe bevoegdheden door de burgemeester (zoals de mogelijkheid de vergunning bij horeca en slijterij te schorsen en de zogenaamde «3 strikes out» bepaling bij supermarkten) zal naar verwachting leiden tot een betere naleving.

283

Klopt het dat het beleid en bijbehorende budget voor gezonde leefstijl en preventie van ziekte volledig gericht is op jongeren en hun ouders. Waarom is deze keuze gemaakt? Is er nog gezondheidswinst te behalen bij ouderen, zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is daar geen beleid en/of budget voor?

In de beleidsagenda worden ten aanzien van leefstijl en ziektepreventie maatregelen genoemd die voor de gehele bevolking van toepassing zijn, inclusief ouderen. Het is niet het geval dat beleid en bijbehorend budget voor gezonde leefstijl en preventie van ziekte volledig gericht is op jongeren en hun ouders.

Het hoofdstuk waar u naar verwijst gaat over prioriteiten en beleidswijzigingen, maar er is natuurlijk meer dan dat. Daarnaast komt de invoering van de darmkankerscreening, genoemd in het betreffende hoofdstuk, wel vooral ten goede aan ouderen.

Een groot deel van het beleid/budget komt ten goede aan alle leeftijdscategorieën. Echter, binnen het beleid is er specifieke aandacht voor de jeugd, waarbij ingezet wordt op het aanleren van een gezonde leefstijl om jongeren een gezonde basis te geven, jongeren weerbaar te maken en ze te leren omgaan met verleidingen uit het dagelijks leven. Volwassen hebben hierin een grotere eigen verantwoordelijkheid ten opzichte van de jeugd. Ook bij ouderen is nog gezondheidswinst te behalen, alleen zijn de afwegingen daar anders als het gaat om leefstijl. Bij een oudere die al zijn hele leven rookt bijvoorbeeld kan nog steeds gezondheidswinst behaald worden door te stoppen maar of dat opweegt tegen het algehele welbevinden zal niet door iedere oudere op dezelfde manier worden beantwoord. Gemeenten spelen op basis van de Wet publieke gezondheid een belangrijke rol ten aanzien van preventieve gezondheidszorg voor ouderen. Maar ook zijn er verschillende landelijke onderzoeks- en ondersteuningsprogramma’s die aandacht hebben voor deze groep. In de interventiedatabase van het Centrum Gezond Leven zijn interventies voor ouderen bijvoorbeeld bij elkaar gezet. Het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB) biedt ondersteuning door het verzamelen, verrijken, valideren en verspreiden van kennis over succesvol sport- en beweegaanbod. Een deel daarvan is specifiek gericht op (sub)doelgroepen van ouderen. Ook de buurtsportcoach is een belangrijk middel om ouderen aan het bewegen te krijgen. De buurtsportcoach kan daarvoor ook worden ingezet. Er is € 47,3 mln. uitgetrokken voor de buurtsportcoach in 2013.

284

Kan per jaar voor de periode 2013–2017 worden aangegeven welk deel van het geraamde subsidiebedrag specifiek ten goede komt aan tabaksontmoediging? Kan tevens worden aangegeven hoe groot deze financiële inzet voor tabaksontmoediging was/is in de jaren 2010–2012?

Het Trimbos-instituut ontvangt in 2013 voor tabakspreventie een bedrag van ruim € 1,7 mln. Vanaf 2014 is dit een bedrag van ruim € 1,3 mln. Ten opzichte van de periode 2010–2012 betekent dit een bezuiniging van resp. 25% en 50%.

Overigens wordt ook aan andere organisaties subsidie verleend ten behoeve van tabaksontmoediging. Bijvoorbeeld aan het RIVM (voor onder ander de site Tabaksinfo.nl en voor onderzoek).

Daarnaast komt extra geld voor de leefstijlbrede inzet voor jongeren ook ten goede aan tabaksontmoediging. Bijvoorbeeld het programma De Gezonde School en Genotmiddelen (roken is hierin een onderdeel); de Gezonde School methode van het RIVM (deelcertificaat alcohol en roken) en bijvoorbeeld het extra contactmoment in de JGZ voor 15-jarigen, waarin ook aandacht besteed zal worden aan middelengebruik. Onder andere scholen en GGD’en geven aan een voorkeur te hebben voor gebundelde informatie en interventies over middelengebruik. Binnen integrale programma’s is geen «geoormerkt» bedrag voor roken, maar is roken wel altijd een onderdeel.

Het beleid is meer gericht op een integrale aanpak van verslaving (roken, alcohol, etc.). Die aanpak komt bij elkaar door de bundeling bij het Trimbos-instituut.

285

Het aantal huisartsenbezoeken i.v.m. met SOA is met 30% toegenomen. Waarom wordt de subsidie ter bevordering van seksuele gezondheid in de komende jaren afgebouwd? Gaat de subsidie anders besteedt worden? Welke projecten voor SOA-onderzoek financiert het RIVM?

Deze verschuiving laat zien dat mensen het steeds gewoner vinden om met een SOA naar de huisarts te gaan. Daarom is er steeds minder reden om gratis voorzieningen in stand te houden. De verlaging van het budget voor de subsidies ter bevordering van seksuele gezondheid wordt verklaard door de afbouw van de instellingssubsidie aan het Fiom.

Dit budget wordt niet anders besteed, maar is ingeleverd ter dekking van de taakstellingen uit het Begrotingsakkoord 2013.

Het RIVM, Centrum Infectieziektebestrijding is verantwoordelijk voor de coördinatie van de subsidieregeling Aanvullende seksuele gezondheidszorg. De uitvoering is belegd bij de GGD-en. De soa-poliklinieken, van de GGD-en, waar mensen met vragen rond SOA en seksualiteit worden geholpen, leveren gegevens voor de surveillance van soa en hiv in Nederland onder risicogroepen.

286

Hoeveel geld is er jaarlijks vanaf 2005 naar het NVWA gegaan voor handhaving van het tabaksbeleid en hoeveel geld gaat er nog naartoe tot 2017?

Het toezicht op de naleving van de Tabakswet is onderdeel van het NVWA-toezichtarrangement Alcohol en Tabak. Op basis van de beschikbare gegevens is het niet mogelijk om een exacte uitsplitsing te geven van de uitgaven voor de handhaving op de deelterreinen Tabak en Alcohol. Een deel van de inspecties op het gebied van Alcohol en Tabak wordt bijvoorbeeld gecombineerd uitgevoerd, zoals de inzet van het alcohol leeftijdsgrenzenteam dat tegelijkertijd toezicht houdt op de naleving van het rookverbod in de horeca. De uitgaven voor de handhaving en het toezicht door de NVWA op de naleving bij Alcohol en Tabak zijn:

2005

€ 5,7 mln.

2006

€ 5,7 mln.

2007

€ 7,0 mln.

2008

€ 6,4 mln.

2009

€ 12,5 mln.

2010

€ 13,2 mln.

2011

€ 8,2 mln.

   

Raming

 

2012

€ 7,8 mln.

2013

€ 7,8 mln.

Naar schatting is het aandeel van het toezicht op Tabak na de invoering van het rookverbod in de Horeca in 2008 € 4 à 5 mln. en momenteel ongeveer 50% van de uitgaven. De hogere bedragen in de tabel voor 2009 en 2010 hebben vooral te maken met een tijdelijke intensivering op het terrein van alcohol en jeugd. In verband met de decentralisering van het toezicht op de naleving van Drank- en Horecawet naar de gemeenten zullen de uitgaven die de NVWA voor deze taak doet verminderen en zullen de kosten die in het kader van het NVWA-toezichtsarrangement Alcohol en Tabak worden gemaakt voornamelijk nog betrekking hebben op het toezicht op de naleving van de Tabakswet.

Met betrekking tot het budget voor de jaren 2014 tot en met 2017 dient nog besluitvorming plaats te vinden, waarbij ook rekening moet worden gehouden met de invulling van de bezuiniging van het Kabinet-Rutte-Verhagen (20% krimp op het totale VWS-opdrachtgeversbudget voor de NVWA).

287

Kunt u de verdeling van de middelen voor preventie van schadelijk middelengebruik uitsplitsen naar organisaties, programma's en projecten?

In de begroting staat voor 2013 een bedrag van € 7 920 000 opgenomen. Dit bedrag is bestemd voor subsidies aan organisaties.

Het grootste deel van de subsidiemiddelen is bestemd voor het Trimbos instituut. Het Trimbos instituut betaalt hieruit onder meer activiteiten op het gebied van:

  • het schoolprogramma De gezonde school en genotmiddelen (alcohol, drugs en tabak);

  • het programma Uitgaan Alcohol en Drugs;

  • het Partnership Vroegsignalering Alcohol (waaronder het project inzake de

    alcoholpoli’s voor jongeren);

  • de monitor Maatschappelijke Opvang;

  • het masterplan GGZ;

  • de nationale Drugs Monitor;

  • bureau DIMS (Drugs Informatie en Monitoring Systeem);

  • de informatielijnen op het gebied van alcohol, drugs en tabak;

  • het Landelijk Steunpunt Preventie.

De voornaamste reden voor de daling van de middelen voor preventie van schadelijk middelengebruik na 2013 betreft de in het Regeer- en Gedoogakkoord van het Kabinet-Rutte-Verhagen opgenomen korting op budget voor leefstijlactiviteiten. Deze korting is gerealiseerd via een herziening van het leefstijlbeleid op basis van de uitgangspunten uit de landelijke gezondheidsnota «Gezondheid dichtbij». Deze bezuiniging is zoveel mogelijk opgevangen door een meer integrale aanpak van preventie van middelengebruik te realiseren en daarmee een efficiencyslag.

Overigens ben ik dit jaar een driejarig programma gestart om een gezonde leefstijl van de jeugd te bevorderen via scholen en door de inzet van social media. Deze «Jeugdimpuls», die wordt gecoördineerd door het Centrum Gezond Leven en wordt uitgevoerd door relevante gezondheids- en onderwijspartners, omvat een bedrag van in totaal € 6 mln.. Dit budget wordt onder andere ingezet ten behoeve van preventie van schadelijk middelengebruik.

Daarnaast wordt er vanuit de intensivering bestrijding van overgewicht bij kinderen (totaalbedrag € 26 mln.) ook ingezet op een gezonde leefstijl van de jeugd. Zo zal er bijvoorbeeld een impuls worden gegeven aan het contactmoment jeugdgezondheidszorg voor adolescenten (leerlingen op het voortgezet en middelbaar onderwijs vanaf 14 jaar).

Preventie van schadelijk middelengebruik wordt ook in deze intensivering meegenomen.

288

Waar worden de subsidies ter bevordering kwaliteit en toegankelijkheid zorg aan besteed?

Dit betreft voornamelijk de subsidiëring van de Stichting Pharos. De Stichting Pharos ontvangt als kennis- en adviescentrum subsidie voor het stimuleren van de toepassing van kennis in de praktijk voor de verbetering van de kwaliteit en effectiviteit van de zorg voor migranten en mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden (zie pagina 45 van de begroting).

289

Wat is de reden dat de subsidies ter bevordering van seksuele gezondheid in 2015 met 1,6 miljoen euro dalen?

Fiom gaat terug van tien locaties naar één. De overheid verwacht dat huisartsen e.a. de taken overnemen. Kan gegarandeerd worden dat zij tijdig over het minimaal benodigde deskundigheidsniveau hiervoor beschikken gezien huisartsen slechts sporadisch patiënten zien met een ongewenste zwangerschap (NIVEL 2005) en het aan richtlijnen ontbreekt voor gesprekken die huisartsen voeren met vrouwen die ongewenst zwanger zijn (NIVEL 2012)?

Uit de antwoorden op schriftelijke vragen over het korten op de subsidie voor Fiom (Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, Aanhangsel 54) blijkt dat de totale instellings- plus afbouwsubsidie in 2013 4,750 miljoen euro bedraagt en in 2014 3,750 miljoen euro.

  • a. Kan een meerjarig overzicht voor de jaren 2012–2012 worden verstrekt over de verdeling van de subsidies ter bevordering van seksuele gezondheid? Is Fiom de enige organisatie die subsidie krijgt uit dit begrotingsartikel?

  • b. Kan uit het verschil tussen de beantwoording van de Kamervragen en de ontwerpbegroting de conclusie worden getrokken dat er sprake is van een budgetflexibiliteit bij de subsidies ter bevordering van seksuele gezondheid van minstens 381 000 euro in 2013, 745 000 euro in 2014 en 854 000 euro in 2015?

  • c. Betekent het feit dat de instellingssubsidie voor Fiom structureel wordt verlaagd tot «ten hoogste» 2 miljoen, dat de instellingssubsidie na 2014 ook lager kan uitvallen dan 2 miljoen euro, maar dat er wel sprake is van een structurele subsidiëring?

De instellingsubsidie van Fiom wordt afgebouwd. Dit verklaart de daling van de subsidies ter bevordering van seksuele gezondheid.

De afbouw van de subsidie van Fiom vindt plaats over een periode van twee jaar. Ik ben op dit moment in gesprek met Fiom over welke taken zij voor de resterende taken ad € 2 mln. blijven doen en op welke manier invulling gegeven kan worden aan deskundigheidsbevordering vanuit Fiom onder meer richting de huisartsen.

  • a. Meerjarig overzicht verplichtingen

    Bedragen * € 1 000

    Instelling

    Omschrijving

    2012

    2013

    2014

    2015 e.v.

    SIRIZ

    Instellingssubsidie

    269

    265

    260

    256

    Raet BV

    Wachtgelden voormalige Rutgersstichtingen

    96

    83

    61

    48

    Rutgers WPF

    Project Seksuele weer-baarheid sociale media

    145

    150

    80

    0

    FIOM

    Instellingssubsidie

    5 335

    2 000

    2 000

    2 000

    FIOM

    Afbouwsubsidie

    0

    2 750

    1 750

    0

    SOA Aids Nederland

    Project Seksuele opvoedondersteuning

    125

    140

    185

    0

     

    Nog toe te kennen Loon- bijstelling 2012 en 2013

    79

    144

    141

    139

    Totaal verplicht

     

    6 049

    5 532

    4 477

    2 443

    Begroting 2013

       

    5 131

    4 495

    2 854

    Budgetflexibiliteit

       

    -300

    18

    411

    Om de seksuele gezondheid te bevorderen verleent VWS rechtstreeks (zie hierboven), dan wel via het RIVM/Centrum voor infectieziektebestrijding (onder andere Rutgers WPF, Soa-Aids Nederland en de HIV-vereniging Nederland) subsidie aan diverse gezondheidsbevorderende instellingen. De middelen aan het RIVM staan verantwoord onder Ziektepreventie.

  • b. Zoals uit het meerjarig overzicht blijkt is er eerst vanaf 2015 sprake van budgetflexibiliteit. Deze bedraagt ca. € 0,4 mln. Dat biedt enige ruimte om t.z.t. op actuele ontwikkelingen te kunnen inspelen.

  • c. De instellingssubsidie aan het Fiom wordt gebaseerd op het activiteitenplan van Fiom. Indien de begroting voor het activiteitenplan lager uitvalt dan € 2 mln. dan zal ook de instellingssubsidie lager zijn dan € 2 mln. Er is sprake van structurele subsidiëring.

290

Op welke termijn kan een onafhankelijk onderzoek verricht worden naar de effectiviteit van de griepvaccinatie en wat zal dit onderzoek kosten?

Onderzoek naar het effect van de jaarlijkse griepprik vindt elk griepseizoen plaats door een netwerk van Europese wetenschappers, volksgezondheidsinstituten en geneesmiddelenautoriteiten. Door telkens optredende kleine veranderingen van het griepvirus moet het vaccin jaarlijks aan de nieuwe virusvarianten worden aangepast.

De discussie over de (kosten)effectiviteit van griepvaccinatie gaat met name over het verminderen van complicaties en sterfte bij ouderen. De bewijskracht komt vooral van observationele studies. Gerandomiseerd en (placebo)gecontroleerd onderzoek (RCT) heeft de hoogste bewijskracht en dit type onderzoek is nauwelijks voorhanden. Nu alsnog een RCT uitvoeren bij de vastgestelde risicogroepen stuit op praktische en ethische bezwaren. Aangezien het effect op influenza bewezen is en een effect op ernstige complicaties van griep daarmee aannemelijk is, is het ethisch moeilijk te rechtvaardigen om personen uit de doelgroepen vaccinatie te onthouden. Dergelijk onderzoek zal meerdere griepseizoenen moeten lopen, een forse onderzoekspopulatie moeten bevatten en navenante kosten met zich meebrengen. Over de omvang bestaat nu nog geen onderbouwd beeld. Het is de vraag of dat nuttig is, omdat ondertussen de ontwikkeling van nieuwe typen vaccins doorgaat. De Gezondheidsraad heeft onlangs aangegeven de verschillende aspecten van een mogelijke RCT te gaan verkennen en de laatste stand van wetenschap naast de bestaande adviezen te leggen.

291

Met welk percentage is het voorschrijven van antidepressiva gestegen de afgelopen vijf jaar onder jongeren onder de 18 en aan volwassenen?

Het percentage voorschriften van antidepressiva aan jongeren onder de 18 jaar is vanaf 2007 met respectievelijk 6%, 3%, 1% en 10% gestegen ten opzichte van het jaar daarvoor. In 2011 zijn er 36 060 voorschriften aan jongeren onder de 18 jaar verstrekt.

Bij volwassenen (18 – 65 jaar) is dat percentage 11% in 2008 en 2009, in 2010 en 2011 is dat respectievelijk 5 en 9%. Ook nu telkens bezien ten opzichte van het jaar dat er aan vooraf gaat. In 2011 zijn er 8 635 259 voorschriften aan volwassenen verstrekt.

292

Welk percentage daling van het aantal mensen met overgewicht en obesitas wordt nagestreefd met de subsidie ter bevordering van een gezonde voedingskeuze en een gezond gewicht?

We streven er samen met partijen naar om de ontwikkeling van overgewicht en obesitas (ernstig overgewicht) bij volwassenen en kinderen tot stilstand te brengen en de trend om te buigen in een daling. Volgens de laatst beschikbare cijfers10 heeft 48,2% van de volwassenen (≥ 20 jaar) overgewicht. Van de kinderen (2–20 jaar) heeft 12,8% overgewicht. Deze percentages zijn inclusief obesitas. Een verbetering ten opzichte van deze cijfers is ons streven.

293

Hoe verklaart u de stijging van het percentage niet-rokers in 2011? Hoe hoog zal het percentage niet-rokers naar schatting uitkomen in 2012?

In 2011 is het percentage niet-rokers gestegen tot bijna 76%. Dit is een aanzienlijke stijging: het percentage niet-rokers is jarenlang 72% geweest. Het is aannemelijk dat er een verband is met het feit dat meer gebruik gemaakt werd van ondersteuning bij stoppen met roken, naar dit specifieke verband is echter geen onderzoek gedaan. Zorgverzekeraars en zorgaanbieders bevestigen een stijging in het gebruik van stopondersteuning in 2011. De vergoeding van het programma stoppen met roken die in 2011 van kracht was, heeft hier waarschijnlijk aan bijgedragen. Deze vergoeding was de belangrijkste beleidswijziging op dit terrein ten opzichte van 2010. Het percentage niet-rokers in 2012 is nog niet bekend.

294

Hoe verklaart u de stijging van het vindpercentage van het aantal gevallen van soa's in 2011? Hoe hoog zal dat vindpercentage soa's naar verwachting uitkomen in 2012? Op welke manier gaat u ervoor zorgen dat het aantal soa's daalt? Hoe gaat u gezond seksueel gedrag onder jongeren bevorderen?

Het vindpercentage geeft aan hoeveel soa er gevonden worden bij de soa-poliklinieken die gericht zoeken naar soa onder hoogrisicogroepen. Dit betekent niet dat er meer soa onder de algemene bevolking voorkomen (prevalentie) maar geeft aan dat risicogroepen de soa-polikliniek bij de GGD beter weten te vinden. Daarnaast wijst het erop dat personen die onveilig seksueel gedrag vertoond hebben bewuster zijn geworden van de noodzaak zich te laten testen op soa en hiv.

Per 2012 is de regeling verder aangepast om nog gerichter onder hoogrisicogroepen te zoeken naar soa en hiv. Een schatting van het vindpercentage soa voor het eerste half jaar 2012 laat zien dat dit verder stijgt (15,1% tegenover 14,6% in dezelfde periode in 2011).

De GGD-en voeren daarnaast op preventie gerichte interventies uit om seksueel risicogedrag, vooral onder jongeren, te verminderen en worden hierin ondersteund door de landelijke thema-instituten op dit terrein, Rutgers WPF en Soa Aids Nederland. Daarnaast wordt in het kader van de Sense-hulpverlening momenteel onderzocht of en hoe e-health ingezet kan worden ten behoeve van bevordering van seksuele gezondheid van jongeren.

295

Welke garantie biedt de Wet toelating zorginstellingen voor de kwaliteit van de geleverde zorg van een onder deze wet toegelaten instelling?

De WTZi biedt wettelijke waarborgen voor goed bestuur (eisen aan de bestuursstructuur, waaronder een onafhankelijke raad van toezicht, en eisen aan de bedrijfsvoering, waaronder een ordelijke en controleerbare administratie). De IGZ houdt toezicht op de uitvoering van deze wettelijke bepalingen. Deze waarborgen kunnen bijdragen aan de kwaliteit van de geleverde zorg van een instelling, maar bieden geen garantie. De WTZi-toelating voegt daar weinig aan toe. Bij de aanvragen om een WTZi-toelating vindt slechts een marginale toets plaats, die er in feite op neer komt dat wordt gekeken of de statuten in overeenstemming zijn met de wet. De huidige toelating biedt derhalve geen garantie op de kwaliteit van de te leveren zorg.

In het bij uw Kamer aanhangige voorstel van Wet cliëntenrechten zorg worden de waarborgen voor goed bestuur verder aangescherpt en wordt de toelating afgeschaft.

296

Hoeveel fraudezaken die betrekking hebben op de gezondheidszorg worden momenteel behandeld door het Openbaar Ministerie? Zijn er zorgorganisaties die op dit moment onder verdenking staan van het Openbaar Ministerie?

Zoals eerder is geantwoord op vragen van uw Kamer (2012Z08961), heeft het Functioneel Parket meerdere zaken met betrekking tot fraude in de zorg in behandeling. Die zaken bevinden zich in verschillende stadia, van signaal tot lopende vervolging. Door de inrichting van het primair processysteem van het Openbaar Ministerie, kan een exact aantal niet worden gegeven.

Over lopende strafrechtelijke onderzoeken worden geen mededelingen gedaan.

297

In welke sectoren vindt de meeste fraude plaats en wat zijn de oorzaken hiervan?

Zorgverzekeraars Nederland maakt elk jaar bekend hoeveel fraude door de zorgverzekeraars is opgespoord. In 2011 hebben zij € 7,7 mln. aan fraude vastgesteld. Ook hebben zij € 167 mln. bespaard door controles op onterechte declaraties. Van de in 2011 geconstateerde fraude is 77% gepleegd door zorgaanbieders, 13% door verzekerden, 7% door derden (leveranciers van hulpmiddelen, bemiddelingsbureaus) en 3% door medewerkers van de zorgverzekeraars. Van de 77% geconstateerde fraude door zorgaanbieders kwam 36% voor rekening van medisch specialisten, 19% van pgb-bureaus en 12% van aanbieders van geestelijke gezondheidszorg (ggz). De sectoren waar de meeste fraude in 2011 is opgespoord, zijn dus de medisch specialistische zorg, het pgb en de ggz.

De oorzaken hiervan zijn divers. Oorzaken kunnen zowel liggen in de attitude van patiënten en beroepsbeoefenaren, in de regelgeving, in te weinig of geen goede controle en/of te weinig toezicht. Van belang is dat er meer zicht komt op waar de grootste risico’s op fraude zich voordoen en hoe de fraude wordt gepleegd. Dan kunnen de belangrijkste oorzaken worden blootgelegd en kunnen passende maatregelen worden genomen.

De aanpak van zorgfraude staat prominent op de agenda van mijn departement. Hiervoor is onder andere de Regiegroep verbetering zorgfraudebestrijding in het leven geroepen. Het doel van deze Regiegroep is het bereiken van ketensamenwerking waardoor de preventie, de detectie en de aanpak van zorgfraude verbetert. De Regiegroep onderneemt hiervoor verschillende activiteiten, zoals het uitvoeren van onderzoek, het instellen van een verzamelpunt voor meldingen van mogelijke fraude in de zorg, het opstellen van risicoanalyses en het ontwerpen van interventiestrategieën. De Regiegroep bestaat uit deelnemers op operationeel niveau en wordt aangestuurd door een Bestuurlijk Overleg, onder leiding van VWS. Deelnemers zijn IGZ, DNB, NZa, ZN, VvV, CIZ, OM, politie, FIOD, ISZW, Belastingdienst, de ministeries van Veiligheid en Justitie en VWS.

298

Hoeveel personen zijn in 2010, 2011 en 2012 opgepakt voor fraude in de zorg en hoeveel personen zijn gedurende die jaren feitelijk berecht?

De aanpak van fraude in de zorg heeft de nadrukkelijke aandacht van het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie neemt deel aan de Regiegroep verbetering zorgfraudebestrijding die door VWS is ingesteld om de preventieve en repressieve aanpak van fraude in de zorg te versterken. Het Openbaar Ministerie heeft diverse zaken met betrekking tot fraude in de zorg in behandeling. Die zaken bevinden zich in verschillende stadia, van signaal tot lopende vervolging.

Fraude in de zorg vindt veelal plaats door het plegen van valsheid in geschrifte. Fraude in de zorg bestaat niet als zelfstandig strafbaar feit in de wet. Het registratiesysteem dat het Openbaar Ministerie gebruikt voor het primaire proces registreert het strafbare feit en dit is in geval van fraude in de zorg dus veelal valsheid in geschrifte. Valsheid in geschrifte is een generiek strafbaar feit waarvoor ook in vele andere (fraude) zaken wordt vervolgd. Uit het bij het Openbaar Ministerie in gebruikzijnd registratiesysteem is dus niet te herleiden hoeveel personen er de afgelopen jaren voor fraude in de zorg zijn opgepakt en berecht.

299

Uit welke posten bestaat het niet juridisch verplichte deel van beleidsartikel 2?

Zie het antwoord op vraag 94.

300

Kan in aanvulling op de informatie over de subsidies voor integrale kankercentra en voor het Nederlands Kanker Instituut worden aangegeven wat VWS doet om:

  • a. met het oog op de kwaliteit en de kosten de behandeling van complexe en relatief weinig voorkomende tumoren te concentreren?

  • b. behandeling in een ziekenhuis dichtbij mogelijk te laten zijn voor patiënten met veel voorkomende vormen van kanker?

De Nederlandse vereniging van Heelkunde (NvvH) heeft voor veel tumorsoorten kwaliteits- en volume normen ontwikkeld. De Stichting Oncologische Samenwerking (SONCOS) presenteert begin november 2012 een multidisciplinair normeringsrapport oncologie met een algemeen deel over de organisatie van een ziekenhuis en een team van professionals gevolgd door een specifiek deel over verschillende tumorsoorten. Ook de NFU zal binnenkort haar visie op de oncologische zorg presenteren.

De IGZ hanteert dergelijke veldnormen bij haar toezichtsrol. Voor de concentratie is van belang dat de zorgverzekeraars deze normen hanteren bij de zorginkoop. Dit heeft tot gevolg dat de hoogcomplexe kankerzorg geconcentreerd zal worden in een kleiner aantal ziekenhuizen, voor zover dat niet al gebeurde. De hoog volume, laag complexe kankerzorg zal in meer ziekenhuizen aangeboden kunnen worden, zolang dat ziekenhuis voldoet aan de opgestelde kwaliteitsnormen.

301

VWS trekt op het gebied van patiëntveiligheid in 2013 circa 2,6 miljoen euro uit. Hoe wordt dit bedrag besteed, en welke concrete resultaten worden hiermee beoogd, en hoe verhoudt dit bedrag zich tot voorgaande jaren?

Het veiligheidsprogramma’s in de eerstelijn «Zorg voor Veilig» is afgerond. Op dit terrein vinden in 2013 nog enkele activiteiten plaats die erop zijn gericht om de ontwikkelde instrumenten en bereikte resultaten te verspreiden en toegankelijk te houden. Genoemd kunnen worden de modules en pilots van het programma, praktische handleidingen, veiligheidskaarten voor patiënten en het Transmuraal Incident Preventie Programma dat het veilig melden in de eerste- en de tweedelijn aan elkaar verbindt.

Het VMS-veiligheidsprogramma in de tweedelijn lijn curatieve zorg loopt officieel per 1 januari 2013 af maar heeft qua activiteiten nog een uitloop in het begrotingsjaar 2013. Deze uitloop is budgettair neutraal, in die zin dat er geen extra middelen zijn uitgetrokken bovenop de oorspronkelijke subsidiebedragen van deze programma’s. VWS is momenteel in gesprek met partijen over de vraag hoe de VMS-activiteiten ook na 2012 gecontinueerd gaan worden.

Voor het VMS veiligheidsprogramma in de ziekenhuizen betekent dat dat er in 2013 ca 1 mln. wordt besteed ten behoeve van activiteiten van dit programma dan wel de deelnemende partijen aan dit programma. Het betreft met name activiteiten die zijn gericht op de borging van en communicatie over de resultaten van het VMS programma.

Daarnaast vindt er nog een laatste dossieronderzoek naar vermijdbare schade en sterfte in de ziekenhuizen plaats door het EMGO/NIVEL.

Ook zijn er in 2013 middelen uitgetrokken voor het veiligheidsprogramma

(2012 – 2015) dat ZKN ( Zelfstandige Klinieken Nederland) als brancheorganisatie uitvoert in de sector Zelfstandige behandelklinieken en dat medio 2012 van start is gegaan.

Net als het VMS veiligheidsprogramma loopt ook het veiligheidsprogramma in de ggz «Veilige zorg, ieders zorg» officieel af eind 2012 maar kent het nog een beperkte uitloop. Over de exacte invulling en prioritering van de activiteiten in 2013 wordt nog overleg gevoerd met ggz-Nederland. Het gaat om activiteiten gericht op het bevorderen van een patiëntveiligheidscultuur, Veilig Incident Melden (VIM) en het bevorderen van medicatieveiligheid.

De volgende activiteiten hebben betrekking op patiëntveiligheid in alle sectoren.

Het ZonMw programma «Veiligheid in de Zorg» loopt tot en met 2014 en focust op drie thema’s:

  • 1. de succes- en faalfactoren bij reeds ontwikkelde projecten;

  • 2. de beschikbare en noodzakelijke instrumenten voor het management en het bestuur, wil men zijn verantwoordelijkheid kunnen nemen voor de veiligheid in de instelling;

  • 3. de vormgeving over een structurele uitwisseling van ervaringen en informatie tussen sectoren van zorg.

Samen met andere lidstaten en de Europese Commissie werkt Nederland mee aan Joint Action on Patient Safety and Quality of Care. Deze Joint Action is erop gericht om de aanbeveling van de Europese Raad op het vlak van patiëntveiligheid uit 2009 te implementeren.

In de jaren 2010 en 2011 is respectievelijk een bedrag van € 3,6 mln. en € 3,3 besteed.

302

Het VMS veiligheidsprogramma loopt per 31 december 2012 af. Het doel was alle 93 ziekenhuizen geaccrediteerd te krijgen. Dit doel wordt bijna gehaald. Hoeveel ziekenhuizen hebben per 31 december 2012 nog geen accreditatie en wat wordt er gedaan om er voor te zorgen dat deze ziekenhuizen deze alsnog zo spoedig mogelijk behalen?

Op dit moment hebben 47 ziekenhuizen hun accreditatie gehaald. 27 ziekenhuizen hebben hun audit al gehad en zijn in afwachting van besluitvorming voor accreditatie. De verwachting is dat zij nog in 2012 hun accreditatie zullen behalen. De overige 19 ziekenhuizen zullen dit jaar hun accreditatie of certificaat niet behalen, maar naar verwachting in 2013. Van deze groep hebben 9 ziekenhuizen nog in 2012 hun audit. Er gaat echter een tijd overheen voordat er een beslissing is genomen over de accreditatie. Deze ziekenhuizen hebben hun veiligheidsmanagementsysteem wel volledig geïmplementeerd en zijn klaar voor toetsing. Drie ziekenhuizen hebben hun VMS ook volledig geïmplementeerd en zijn klaar voor toetsing, alleen is het niet geluk om de daadwerkelijke audit nog in 2012 plaats te laten vinden. Vier ziekenhuizen hebben verbeterpunten gekregen uit de audit, en deze worden begin 2013 opnieuw getoetst tijdens een heraudit. Twee ziekenhuizen streven naar «Joint Commission» in plaats van een VMS accreditatie. Joint Commission is een accreditatie conform een Europees kwaliteitssysteem waarin onder meer ook voeding wordt meegenomen. Het gaat hier dus om een bredere toetsing. Beide ziekenhuizen verwachten dit in 2013 gereed te hebben. Het Centraal militair hospitaal tot slot is vanwege zijn bijzondere positie in een later stadium toegevoegd aan het VMS Veiligheidsprogramma (2010). Dat is de reden voor vertraging in het behalen van de accreditatie.

303

Wat wordt bedoeld met de zin «...dat de bovengemiddelde babysterfte in ons land drastisch wordt teruggedrongen.» Wat is «drastisch»? welk concreet doel wordt gesteld ten aanzien van het terugdringen van de babysterfte?

Uit de rapportage van de stichting Perinatale Audit Nederland (PAN), zoals bij brief van 14 december 2011 (Kamerstuk 32 279, nr. 21) aan uw Kamer is aangeboden, blijkt dat de sterfte van voldragen baby’s sinds 2001 met 39% is gedaald. De totale perinatale sterfte (inclusief de foetale sterfte na 22 weken) is met 23% verminderd. De cijfers over babysterfte zijn dus aanzienlijk verbeterd sinds 2001.

Dit neemt niet weg dat er nog steeds ruimte is voor verdere verbeteringen en het verder verlagen van babysterfte. Hier richt mijn beleid zich ook op. De voortgang van de maatregelen om de verloskundige zorg te verbeteren en de adviezen van de voormalige Stuurgroep Zwangerschap en Geboorte kunt u vinden in mijn brief van 3 juli 2012 (Kamerstuk 32 279, nr. 42).

304

Waarom hebben niet alle ziekenhuizen per 1 januari 2013 een geaccrediteerd VMS, zoals de afspraak was? Welke ziekenhuizen blijven achter en wat wordt hieraan gedaan? Wat wordt er naast invoering van het VMS nog meer gedaan aan het vergroten van de patiëntveiligheid?

Zie het antwoord op vraag 302.

305

Kunt u een overzicht geven van de activiteiten waaraan uw ministerie 2,6 miljoen euro voor patiëntveiligheid in 2013 besteedt?

Zie het antwoord op vraag 301.

306

Op welke manieren en met welke middelen werkt u aan het meetbaar en zichtbaar maken van de kwaliteit van zorg? Kunt u aangeven welke middelen beschikbaar zijn om te komen tot een basis van betrouwbare informatie om kwaliteitsindicatoren van af te leiden?

Het programma Zichtbare Zorg, dat de afgelopen jaren veldpartijen ondersteunde bij de ontwikkeling van indicatoren, stopt eind 2012 en wordt ondergebracht bij het op te richten Kwaliteitsinstituut. Dat geldt ook voor het Centrum Klantervaring Zorg dat de transparantie over cliëntervaring heeft gestimuleerd door middel van de CQ-index. Deze overgang en samenwerking is in lijn met het wetsvoorstel voor de oprichting van het Kwaliteitsinstituut en heeft tot doel om de ontwikkeling van indicatoren verder toe te spitsen op doeltreffendheid voor zorgvragers en toezichthouders. Daartoe wordt onder meer een kader ontwikkeld waaraan de door de veldpartijen ontwikkelde indicatoren zullen worden getoetst. De methodologische kaders die door het CKZ en Zichtbare Zorg zijn ontwikkeld hebben daarin een plaats gekregen.

Ook de taak van kiesBeter.nl voor wat betreft het aanbieden van keuze-informatie over kwaliteit wordt ondergebracht bij het toekomstige Kwaliteitsinstituut. Zorgaanbieders worden in dat kader verplicht om gegevens over geleverde kwaliteit aan te bieden aan het Kwaliteitsinstituut.

Het CVZ, waarbinnen het Kwaliteitsinstituut zal worden opgericht, krijgt additionele middelen voor de extra taken. Hierbij gaat het om de budgetten die voorheen ten goede kwamen van het CKZ, de Regieraad, het Coördinatieplatform Zorgstandaarden, kiesBeter en Zichtbare Zorg. Hierbij gaat het om ongeveer € 7,5 mln. De taken voor transparantie worden daaruit ook gefinancierd.

307

Wat zijn de meest recente cijfers over babysterfte in Nederland?

De perinatale sterfte is in Nederland volgens cijfers van het CBS de laatste jaren aanzienlijk gedaald. In 2011 ging het om 862 baby’s na een zwangerschap van minstens 28 weken en om 996 baby’s na een zwangerschap van 24 weken.

 

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

Perinatale sterfte (24+) Aantal

1 882

1 874

1 795

1 679

1 513

1 531

1 325

1 218

1 164

1 054

1 028

996

Perinatale sterfte (24+) (p 1000)

9,1

9,2

8,8

8,3

7,8

8,1

7,1

6,7

6,3

5,7

5,7

5,5

Perinatale sterfte (28+) Aantal

1 629

1 612

1 555

1 483

1 295

1 308

1 111

1 045

998

905

870

862

Perinatale sterfte (28+) (p 1000)

7,8

7,9

7,6

7,4

6,6

6,9

6

5,7

5,4

4,9

4,8

4,8

308

Zijn er ten opzichte van andere jaren wijzigingen in de aanrijdtijd van ambulances bij acute problematiek of bij zwangerschap bij vrouwen?

In het landelijke sectorrapport van de ambulancezorg, «Ambulances in zicht», worden ieder jaar de aanrijdtijden openbaar gemaakt. Hierin wordt geen onderscheid gemaakt tussen aanrijdtijden in verband met verloskundige zorg of andere acute problematiek. Het laatste sectorrapport over 2011 is in juli 2012 openbaar gemaakt. Hieruit blijkt dat zowel de gemiddelde aanrijdtijd voor A1-ritten als het percentage A1-ritten waarbij de patiënt binnen 15 minuten wordt bereikt is verbeterd ten opzichte van de voorgaande jaren. De gemiddelde responstijd bij A1-inzetten was, in 2011, 9 minuten en 32 seconden. In 93,3% van de A1-inzetten in 2011 is de patiënt binnen 15 minuten bereikt.

309

Wanneer zijn de resultaten van de herhaalstudie naar ziekenhuisopnames door verkeerd geneesmiddelengebruik (IPCI/Harm) bekend? Wanneer neemt de minister een beslissing welke activiteiten VWS nog kan ondersteunen/faciliteren om de medicatieveiligheid nog een stap verder te brengen?

Deze studie zal deze maand worden aangeboden aan het ministerie van VWS. Op basis van de uitkomsten van de studie en aanbevelingen die zullen worden gedaan, zal ik beoordelen of er op dit moment nog een rol is weggelegd voor de overheid om de medicatieveiligheid verder te verbeteren.

310

Wat wordt verstaan onder een coördinerende functie van het Nictiz? Welke taken horen daarbij?

De taken van Nictiz zijn het maken, onderhouden en beheren van ICT-standaarden en ICT-systemen te kwalificeren op het gebruik van standaarden. Daarnaast beoogt Nictiz kennis en expertise inzake ICT in de zorg op brede schaal te ontsluiten voor de zorgsector. Met de coördinerende functie wordt bedoeld het ondersteunen van veldpartijen bij hun standaardisatievraagstukken en -activiteiten, aansluiting hiervan bij (inter-)nationale ontwikkelingen en zorgen voor samenhang tussen informatiestandaarden en de professionele zorgstandaarden.

311

In hoeverre wordt de WBSO ook door zorginstellingen gebruikt als impuls voor R&D en Innovatie.

De WBSO is bedoeld voor ondernemingen met een winstoogmerk en kennisinstellingen die in opdracht van een onderneming contractonderzoek binnen de criteria van de WBSO verrichten. Voor aanbieders van intramurale medisch specialistische zorg en voor aanbieders van intramurale AWBZ zorg is het hebben van een winstoogmerk op dit moment op basis van de WTZi verboden. Alleen indien aanbieders van deze zorg aan te merken zijn als kennisinstelling, kunnen zij als er sprake is van contractresearch een beroep doen op de WBSO. Aanbieders van extramurale AWBZ en overige zorg kunnen de WBSO gebruiken indien zij een winstoogmerk hebben.

312

Wat zijn de opbrengsten van TIP geweest?

TI Pharma loopt nog tot het eind van 2013, voor zover dit het programma betreft dat oorspronkelijk vanuit het FES werd gefinancierd en tegenwoordig vanuit de VWS-begroting. Een eindoordeel daarover is nog niet mogelijk. Een deel van de projecten is inmiddels afgelopen. Daarover valt het volgende te zeggen: TI Pharma heeft op verschillende vlakken resultaten laten zien. Allereerst heeft TI Pharma samen met andere topinstituten een cultuuromslag gerealiseerd in de samenwerking tussen academische groepen en kleine en grote bedrijven. Internationaal is dit opgemerkt, getuige grote investeringen die grote farmaceutische bedrijven de afgelopen jaren in Nederland hebben gedaan. GSK alleen al heeft voor € 3 miljard aan investeringen uitstaan in Nederland. Uit de verschillende projecten van TI Pharma zijn veel toepasbare resultaten voortgekomen, naast patenten en publicaties. Zo is de dosering van morfine bij baby’s op basis van TI Pharma onderzoek fors naar beneden bijgesteld. Ook zijn er meerdere spin-offs gestart, zoals BioNovion, dat zich richt op medicatie tegen verschillende vormen van kanker en dat het eerste nieuwe researchbedrijf was dat zich vestigde in het Life Sciences Park te Oss. Verder zijn er projecten gestart die zich richten op ziekten uit tropische ontwikkelingslanden. Zonder TI Pharma had de industrie zich waarschijnlijk niet op deze onderwerpen gericht.

313

Hoe vindt de sturing van LSH/TKI gelden plaats? Kunnen deze (net als de vroegere TIP gelden) ingezet worden voor de ontwikkeling van priority medicines, zoals oncologie, antibiotica en Alzheimer?

De vrije middelen waarover het TKI kan beschikken komen uit de TKI-toeslag van het ministerie van EL&I. Dit is een toeslag van 25% op de cash-bijdrage van private partijen in een publiek-privaat consortium. Deze toeslag kan het TKI inzetten voor de uitvoering van het Innovatiecontract van de topsector LSH in zijn volle breedte, hoewel het vaak in de rede zal liggen om de toeslag (deels) toe te wijzen aan het project dat de private bijdrage inbrengt op grond waarvan de toeslag is verstrekt. Keuzes van het TKI worden gemaakt door het bestuur, dat verantwoording aflegt aan de Regiegroep LSH, waarin ook de overheid is vertegenwoordigd. Publieke financiers van projecten die onder het TKI gaan vallen, zoals NWO, KNAW en TNO behouden zeggenschap over de onderzoeksmiddelen die ze inbrengen en hanteren eigen criteria.

Het Innovatiecontract van LSH bevat een researchagenda (roadmap) voor farmacotherapie. Deze is niet expliciet gebaseerd op het Priority Medicines rapport van de WHO uit 2004. Dat rapport is toe aan een update, die voorzien is in 2013. De researchagenda (roadmap) voor farmacotherapie richt zich op vier hoofddoelen:

  • 1. Het adresseren van problemen waarvoor nu geen behandeling beschikbaar is.

  • 2. Het verbeteren van behandelingen die nog niet effectief of kosteneffectief genoeg zijn

  • 3. Het verbeteren van behandelingen die nog niet veilig genoeg zijn

  • 4. Optimaliseren van behandeling van individuele patiënten door medicatie op maat.

314

Wat zijn de belangrijkste aandachtsgebieden van het Topconsortium voor Kennis en Innovatie (TKI)?

Het Topconsortium voor Kennis en Innovatie (TKI) van de topsector LSH richt zich op de uitvoering van het Innovatiecontract van LSH. Dat Innovatiecontract bevat 10 roadmaps voor publiek-private R&D:

  • 1. Molecular diagnostics

  • 2. Imaging & image-guided therapy

  • 3. Homecare & self-management

  • 4. Regenerative medicine

  • 5. Pharmacotherapy

  • 6. One health

  • 7. Specialized nutrition

  • 8. Health technology assessment & quality of life

  • 9. Enabling technologies & infrastructure

  • 10. Solutions for neglected diseases

De missie van het TKI is om partners te vinden en middelen en deskundigheid te mobiliseren ter uitvoering van het innovatiecontract.

315

Welke reguliere (ggz) zorg kan door de anonieme e-mental health vervangen worden? Welke financiële effecten mogen we van een dergelijke verschuiving verwachten?

Anonieme e-mental health richt zich op doelgroepen die anders zeer moeilijk bereikt worden door de ggz. Het beleid richt zich vooral niet op het vervangen van reguliere zorgvormen door anonieme e-mental health, maar bevestigt de rol die deze hulp heeft in (geïndiceerde) preventie en de toeleiding naar eerstelijns zorg. De verwachting is dan ook niet dat het gebruik van anonieme e-mental health een verschuiving van financieringsstromen tot gevolg heeft.

316

Wanneer is er sprake van marktfalen bij eerstelijnszorg in Vinex-gebieden? Wat zijn de oorzaken en waarom nemen Vinex-locaties hier zo’n bijzondere plaats in?

Geïntegreerde eerstelijnscentra worden in bestaande wijken meestal opgestart voor een beoogde populatie vanaf circa 8 000 inschrijvingen. Deze schaalgrootte is doorgaans voldoende om een breed geïntegreerd zorgaanbod te organiseren.

Door de specifieke marktproblemen kunnen gezondheidscentra in nieuwbouwlocaties (Vinex-gebieden) veelal onvoldoende van de grond komen.

Er is sprake van marktfalen als er onvoldoende patiënten woonachtig zijn in een nieuwbouwlocatie om geïntegreerde eerstelijnszorg te realiseren met afspraken tussen verzekeraars en aanbieders. Zorgverzekeraars zijn terughoudend met het doen van investeringen, omdat het onduidelijk is of er voldoende verzekerden in de wijk komen te wonen. Door uitgestelde oplevering van huizen loopt de instroom van bewoners en dus ingeschreven patiënten dikwijls vertraging op. Daarnaast verstrekken banken vaak onvoldoende krediet, of tegen hoge rentelasten, om de aanloopfase van het centrum gefinancierd te krijgen.

De kern is dat in de aanloopperiode – gedurende de bouw van de Vinex-locatie – er onvoldoende patiënten zijn, terwijl die er in de toekomst – als de locatie is afgebouwd – wel zullen zijn. Dit maakt de Vinex-problematiek zo specifiek.

317

Op welke manier verhouden de inspanningen om de zorg toegankelijk te houden en toegankelijker te maken zich tot de instandhouding van de eigen bijdrage in de eerstelijns ggz?

De eigen bijdrage in de eerstelijnszorg vormt een (beperkte) drempel om onnodig gebruik te maken van de eerstelijnspsychologische zorg. Ook is dit een vorm van cofinanciering door de patiënt. De toegankelijkheid van de zorg is hier niet in het geding.

318

Kunt u een overzicht geven van het gebruik van psychofarmaca door kinderen over de periode 2005 tot heden, uitgesplitst naar antidepressiva, antipsychotica en psychostimulantia?

Het gebruik (volume) van geneesmiddelen wordt uitgedrukt in DDD (defined daily dose). Het gebruik van geneesmiddelen gerelateerd aan de leeftijd is bij de Stichting Farmaceutische Kengetallen (SFK) pas bekend vanaf 2007.

Antidepressiva

Het gebruik van antidepressiva bij jongeren onder de 18 jaar was in 2007 1 011 551 ddd’s. Het gebruik is in het daaropvolgende jaar gestegen met 7%, in 2009 is het gebruik gelijk gebleven. In 2010 is het gebruik toegenomen met 5%. In 2011 daalt het gebruik miniem, met 0,1%.

Antipsychotica

Het gebruik van Antipsychotica bij jongeren onder de 18 jaar was in 2007

997 676 ddd’s. Het gebruik is in het daaropvolgende jaren 2008 en 2009 gestegen met respectievelijk 6% en 7%. In 2010 en 2011 is de toename van het gebruik minder, namelijk respectievelijk 3 en 2%.

Psychostimulantia

Het gebruik van Psychostimulantia bij jongeren onder de 18 jaar was in 2007 13 820 609 ddd’s. Het gebruik is in het daaropvolgende jaren 2008, 2009, 2010 en 2011 gestegen met respectievelijk 18%, 13%, 14% en 11%.

Bron: SFK oktober 2012

319

Vermeld wordt in de toelichting dat het convenant met DBC-onderhoud met ingang van 2013 is beëindigd en dat de subsidierelatie met DBCO op basis van dit convenant zal worden herijkt. Kan worden aangegeven op welke manier het convenant wordt herijkt? Hoe ziet u de toekomstige rol van DBCO in het stelsel? Welke financiering heeft u daarbij voor ogen?

Uit hoofde van de Wet marktordening gezondheidszorg (WMG) heeft van overheidswege niet de minister van VWS, maar de NZa de directe verantwoordelijkheid voor het beheer en de (door)ontwikkeling van de DBC-systematiek. Financiering en aansturing van DBC-O door VWS aan de hand van een subsidierelatie conform het huidige convenant is niet goed te verenigen met die verantwoordelijkheidsverdeling. Daarnaast zijn ook veldpartijen betrokken bij het beheer en de (door)ontwikkeling van de DBC-systematiek. Tegen deze achtergrond is VWS de verantwoordelijkheidsverdeling aan het bezien tussen publieke en private partijen ten aanzien van het beheer en de (door)ontwikkeling van de DBC-systematiek, alsmede -in het verlengde daarvan- de onderlinge verhouding tussen DBC-O, de NZa en de minister van VWS.

Ik overleg op dit moment met partijen over de wijze waarop de inhoudelijke en financiële aansturing van DBC-O het best kan worden belegd gelet op de verantwoordelijkheid van de NZa op grond van de WMG voor de (door)ontwikkeling en het beheer van de DBC-systematiek. Hierbij zal ik er in elk geval voor zorgen dat de continuïteit in de (door)ontwikkeling en het beheer van de DBC-systematiek is gegarandeerd. Ook bekijk ik hoe de gegevens van DBC-O kunnen worden ontsloten en zo bijdragen aan inzicht in de kwaliteit van de geleverde zorg.

320

Wordt er rekening gehouden met een stijgend aantal wanbetalers in 2013? Zo ja, waaruit blijkt dat? Zo nee, waarom niet? Wordt er ook bijgehouden hoeveel mensen hun eigen bijdragen niet betalen, hoeveel het eigen risico niet betalen?

Er worden -in overleg met CVZ en Zorgverzekeraars Nederland- stappen gezet om uitstroom uit het bestuursrechtelijk premieregime te bevorderen. Ook loopt er een pilot van Zorgverzekeraar Menzis en de Stadsbank Oost-Nederland in samenwerking met de gemeente Enschede. Deze pilot heeft als doel om instroom van nieuwe wanbetalers te voorkomen en uitstroom te faciliteren. Er is rekening gehouden met een lichte daling van het aantal wanbetalers bij het CVZ in het laatste kwartaal van 2013.

De wanbetalersregeling van de Zvw ziet alleen op betalingsachterstand van de nominale premie. Eigen bijdragen worden geïnd door zorgaanbieders en verzekeraars; het eigen risico wordt geïnd door zorgverzekeraars. Hoeveel mensen daarbij betalingsachterstanden hebben is mij niet bekend. Het zijn de zorgaanbieders en zorgverzekeraars die dit bijhouden, daardoor is een totaaloverzicht niet beschikbaar.

321

Hoe verhouden de getallen over wanbetalers en onverzekerden zich tot de VWS-verzekerdenmonitor 2012, waarin staat dat er in 2012 naar verwachting 60 000 nieuwe onverzekerden zijn die moeten worden opgespoord? Wat is de reden dat deze verwachting hoger is dan de raming van 39 000 in de begroting?

  • Die cijfers over onverzekerden hebben betrekking op twee verschillende kengetallen. Het cijfer in de VWS-begroting 2013 (39 duizend) gaat over het verwachte aantal onverzekerden bij het CVZ eind december 2012 (stand), terwijl het cijfer in de VWS-verzekerdenmonitor 2012 (60 duizend) betrekking heeft op de nieuwe instroom van onverzekerden gedurende het gehele jaar 2012.

  • Het aantal onverzekerden is geen stabiele groep mensen; iedere maand worden er nieuwe onverzekerden opgespoord. Daarnaast stromen er ook elke maand mensen uit als onverzekerden, bijvoorbeeld omdat zij alsnog een zorgverzekering hebben afgesloten. Door deze uitstroom komt het verwachte aantal onverzekerden eind 2012 lager uit dan de totale instroom over 2012.

322

Wat is de reden dat de beschikbare registraties met niet-verzekeringsplichtigen van het CBS onvolledig waren? Wanneer zijn de juiste reeksen beschikbaar en kan alsnog worden voldaan aan de toezegging om verbeteringen aan te brengen in de verzekerdenmonitor en daarmee inzicht te geven in de samenstelling van de groep onverzekerden?

  • Ongeveer een kwart van de mensen die worden opgespoord als vermeend onverzekerde, blijkt naderhand niet verzekeringsplichtig te zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om mensen die in Nederland wonen, maar in het buitenland werken, mensen die naar het buitenland zijn verhuisd, maar zich niet hebben uitgeschreven uit de gemeentelijke basisadministratie (GBA) of buitenlandse studenten. Wanneer wordt aangetoond dat iemand inderdaad niet verzekeringsplichtig is, wordt deze persoon uitgeschreven als onverzekerde.

  • Omdat informatie over deze groepen mensen eerder niet beschikbaar was, heeft het CBS daar in de statistieken geen rekening mee gehouden. Dit heeft geleid tot een overschatting van het aantal onverzekerden. Daardoor is ook de informatie over de achtergrondkenmerken van onverzekerden onvoldoende betrouwbaar.

  • Zoals is vermeld op pagina 18 van de VWS-verzekerdenmonitor 2012, zal het CBS in het voorjaar van 2013 nieuwe statistieken over onverzekerden en hun achtergrondkenmerken publiceren. Deze zullen vervolgens worden opgenomen in de VWS-verzekerdenmonitor 2013, zodat daarmee alsnog kan worden voldaan aan de toezegging.

323

Hoeveel personen maken gebruik van huishoudelijke verzorging vanuit de Wmo?

Mij is niet bekend hoeveel mensen het afgelopen jaar zijn geherindiceerd en hoeveel mensen minder uren hebben gekregen. Uit cijfers van het CAK blijkt wel dat het aantal mensen dat gebruik maakt van huishoudelijke verzorging in natura – net als het aantal uren dat is geleverd – de afgelopen jaren licht is gestegen.

 

2009

2010

2011

personen

437 290

436 130

446 790

uren

55 984 680

56 580 170

58 915 720

* de cijfers zijn exclusief pgb; bij het pgb gaat het om circa 13 miljoen uren.

324

In hoeveel en welke gemeenten worden alfahulpen ingezet?

De Wet maatschappelijke ondersteuning is een decentrale wet. Dit betekent dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de maatschappelijke ondersteuning en dat de verantwoording over het gevoerde gemeentelijke beleid via de gemeenteraad loopt.

Ik heb geen zicht op welke gemeenten alfahulpen inzetten of welke gemeenten het aankomende jaar dienen aan te besteden.

325

Hoeveel gemeenten maken gebruik van alfachecques en welke gemeenten betreft het?

Zie het antwoord op vraag 324.

326

Hoeveel huishoudelijk verzorgenden zijn de afgelopen jaren teruggezet van FWG 15 naar FWG 10?

In 2011 heeft het UWV in totaal 718 ontslagaanvragen inzake huishoudelijk verzorgenden verleend. Het is mij niet bekend in hoeverre de betrokken verzorgenden vervolgens bij een nieuwe aanbieder aan het werk zijn gegaan. Ook is mij niet bekend hoeveel huishoudelijk verzorgenden de afgelopen jaren een baan op FWG 15 niveau hebben verruild voor een baan op FWG 10 niveau.

327

Hoeveel huishoudelijk verzorgenden zijn de afgelopen jaren ontslagen?

Zie het antwoord op vraag 326.

328

Hoeveel mensen zijn er geherindiceerd afgelopen jaar en hoeveel mensen hebben minder uren gekregen?

Zie het antwoord vraag 323.

329

In welke gemeenten worden inkomensgrenzen gehanteerd?

Uit het recente rapport van de Stichting De Ombudsman komt naar voren, dat in ongeveer driekwart van de gemeenten in de Wmo-verordening nog sprake is van inkomensgrenzen.

De VNG heeft bij dit beeld al wel aangegeven, dat dit niet betekent dat ook in de uitvoeringspraktijk bij deze gemeenten sprake is van het feitelijk hanteren van inkomensgrenzen.

In mijn brief over dit rapport, die ik op 25 september aan alle gemeenten heb gestuurd, heb ik er nogmaals op gewezen dat het hanteren van inkomensgrenzen in de Wmo niet is toegestaan en heb ik er op aangedrongen de betreffende Wmo-verordeningen direct aan te passen. Ik heb deze brief in afschrift gezonden aan alle gemeenteraden met het verzoek om toe te zien op de gevraagde aanpassing.

Het voordragen ter vernietiging van een gemeentelijke verordening of ander besluit is een uiterste middel in het bestuursrecht waar de Kroon, op voordracht van de minister «die het aangaat», gebruik van kan maken. De gebruikelijke bestuurlijke contacten gaan vooraf aan het inzetten van dat middel; daarbij zet de minister regelgeving en beleid uiteen en geeft hij de gemeente ernstig in overweging om (in casu) de verordening, aan te passen. Er zijn nog geen verordeningen vernietigd.

330

Welke gemeenten krijgen het aankomende jaar te maken met aanbestedingen voor de Wmo?

Zie het antwoord op vraag 324.

331

Wat kost de Wmo jaarlijks, uitgesplitst in huishoudelijke verzorging, vervoer en hulpmiddelen?

De meest recente informatie over uitgaven door gemeenten aan de Wmo dateert uit 201018. Gemeenten verantwoorden in 2010 in totaal ca. € 6,0 mrd. aan uitgaven aan Wmo gerelateerde functies (incl. huishoudelijke verzorging). Dit betreft voorlopige cijfers.

Het SCP19 heeft becijferd dat gemeenten in 2010 ruim € 1,3 mrd. hebben uitgegeven aan huishoudelijke verzorging.

Op basis van de ons beschikbare data is een nadere uitsplitsing naar uitgaven aan vervoer en hulpmiddelen niet te maken.

332

Hoeveel casussen heeft het centrum voor Consultatie en Expertise, en hoeveel daarvan vallen onder de zwaarste categorie van mensen waarvoor dus haast geen plek te vinden is?

CCE doet jaarlijks ruim 1 200 consultaties en 1 300 toetsingen en zien dus 2 500 casus.

Naar schatting is bij 25–30% van de consultaties sprake van plaatsingsproblematiek.

333

Hoeveel Wmo-verordeningen waarin ten onrechte inkomensgrenzen worden gehanteerd zijn reeds zijn voorgedragen ter vernietiging?

Zie het antwoord op vraag 329.

334

Op welke wijze wordt gewaarborgd dat een overheveling van begeleiding naar de Wmo niet leidt tot verschraling van deze voorziening en rechtsongelijkheid, gelet op de beleidsvrijheid van gemeenten?

Het wetsvoorstel dat ziet op de decentralisatie van de functie extramurale begeleiding uit de AWBZ naar de Wmo is door de Tweede Kamer controversieel verklaard. Het is aan een volgend kabinet om te besluiten over decentralisatie van deze taak naar gemeenten en de wijze waarop dit plaats zal vinden.

335

Welk gevolg heeft de overheveling van de begeleiding naar de Wmo voor de beschikbaarheid van ontmoetingsplekken en activiteiten gericht op mensen met dementie?

Het wetsvoorstel dat ziet op de decentralisatie van de functie extramurale begeleiding uit de AWBZ naar de Wmo is door de Tweede Kamer controversieel verklaard. Gevolgen voor de beschikbaarheid van ontmoetingsplekken en activiteiten gericht op mensen met dementie zijn daarom nu niet aan de orde.

336

Waaruit bestaat de aangekondigde aanscherping op het bovenregionale vervoer?

Ik zal de Kamer zal voor de begrotingsbehandeling schriftelijk informeren over de aangekondigde aanscherping. Deze vraag zal ik in samenhang met de uitvoering van de moties-Wolbert / Klijnsma (Kamerstuk 25 847, nr. 108) en -Venrooij/Dijkstra (Kamerstuk 25 847, nr. 109) beantwoorden.

337

Hoe zal de toegang tot het BRV worden verscherpt? Wat betekent dit voor de huidige Valys-pashouders?

Zie het antwoord op vraag 336.

338

In 2013 wordt een breed actieplan tegen onvrijwillige zorg uitgevoerd. Kan worden toegelicht hoe dit actieplan eruit ziet, wanneer de Kamer dit actieplan krijgt toegestuurd, en welke partijen bij dit actieplan betrokken zijn?

Het actieplan «Onvrijwillige zorg» (werktitel) is gebaseerd op het advies van de denktank complexe zorg. Centraal daarin staat de andere denk- en werkwijze die de gehandicaptenzorg, maar óók de ouderenzorg, moet doormaken om ervoor te zorgen dat onvrijwillige zorg uitsluitend wordt toegepast volgens het «nee, tenzij» principe. Daarbij zijn methodisch en systematisch werken, een zorgvuldige besluitvormingsprocedure, het betrekken van de juiste deskundigheid en een goede communicatie met de cliënt en zijn naasten belangrijke onderdelen. Omdat veel van de aanbevelingen van de denktank zijn gericht aan de sector zelf, ben ik op dit moment met de betrokken partijen (zowel branche- als cliëntenorganisaties) in overleg over de wijze waarop zij willen bijdragen aan het actieplan. Ik informeer de Kamer dit najaar nader over het actieplan.

339

340

Uit welke posten bestaat het niet juridisch verplichte deel van beleidsartikel 3?

Zie het antwoord op vraag 94.

341

Hoeveel miljoen euro aan fraude zal de aanpak aan het licht brengen? Welke mogelijkheden zijn er om het verduisterde geld terug te vorderen?

Veronderstellend dat deze vraag ziet op de aanpak om pgb-fraude tegen te gaan, zij het volgende opgemerkt. Het plan van aanpak zal naast opsporing en vervolging vooral het voorkomen van fraude betreffen. Door in te zetten op het voorkomen van fraude wordt er minder fraude gepleegd en is het lastig om te voorspellen hoeveel miljoen aan fraude aan het licht wordt gebracht.

Indien pgb-fraude tot strafrechtelijk onderzoek leidt, zal het onderzoek per geval moeten uitwijzen wat de omvang van de fraude is. In de strafrechtelijke procedure kan het gefraudeerde bedrag door onttrekking aan het verkeer, verbeurdverklaring of het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel worden afgepakt.

Ook kan er een boete worden opgelegd. Voor de overheidsbrede inspanningen op dit terrein verwijs ik naar de brief van de minister van Veiligheid en Justitie van

12 juli van dit jaar (Kamerstuk 29 911, nr. 69).

342

Welke verklaring is er voor de stijgende uitgave aan de BIKK?

De Bijdrage in de Kosten van Kortingen (BIKK) bedraagt in 2012 € 5,3 miljard en daalt in 2013 naar huidige inschatting naar € 3,7 miljard. Via de BIKK wordt het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten gecompenseerd voor de gevolgen van de introductie van heffingskortingen bij de belastingherziening 2001. Die heffingskortingen drukken op de AWBZ naar rato van het aandeel van de AWBZ-premie in de eerste schijf. Dat aandeel daalt in 2013 omdat het belastingtarief in de 1e schijf fors stijgt. Dit belastingtarief stijgt van 1,95% in 2012 naar 5,85% in 2013.

343

In 2012 heeft de Kamer een motie aangenomen waarin de meldcode bij ouderenmishandeling wordt vervangen door een meldplicht. Hoe gaat de staatssecretaris deze motie uitvoeren?

In de voorstellen voor de Beginselenwet AWBZ-zorg en voor de Wet cliëntenrechten zorg is voor zorgaanbieders de plicht opgenomen om mishandeling door professionals te melden bij de IGZ. Beide wetsvoorstellen zijn door de Tweede Kamer controversieel verklaard.

Genoemde motie (Kamerstuk 33 000 XVI, nr. 184) spreekt over een meldcode ouderenmishandeling.

Er is geen aparte meldcode voor ouderenmishandeling. Het Wetsvoorstel verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, dat aan uw Kamer in oktober 2011 is toegezonden, omvat ook ouderenmishandeling. Het gaat hier om geweld in huiselijke kring. Uit onderzoek blijkt dat voor deze vorm van geweld een meldcode het meest effectief is.

344

Welke verklaring is er voor het feit dat minder dan de helft van de mensen met een Valyspas gebruik maakt van het bovenregionale gehandicaptenvervoer?

De verklaring is dat nieuwe pashouders niet altijd gebruik van maken van de voorziening. De stijging van het aantal pashouders is sterker dan de toename van het daadwerkelijke gebruik van de voorziening. Dit leidt ertoe dat het percentage actieve pashouders binnen het totaal aantal pashouders daalt.

Daarbij komt dat pashouders een Valyspas hebben ontvangen voor onbepaalde tijd. Na verloop van tijd zal een deel van de pashouders over alternatief vervoer beschikken of geen reizen meer buiten de regio maken.

345

Hoeveel personen maken gebruik van Valysvervoer, leerlingvervoer en zittend ziekenvervoer?

Op 1 september 2012 waren er in totaal 374 230 Valyspashouders. De directe beleidsverantwoordelijkheid van leerlingenvervoer ligt bij de gemeenten en bij het zittend ziekenvervoer ligt deze bij de zorgverzekeraars. Het aantal personen dat gebruik maakt van deze voorzieningen wordt niet centraal geregistreerd en is niet bekend bij de ministeries van VWS en OCW.

346

Hoeveel personen hebben een zorg met verblijf indicatie en hoeveel zorg zonder verblijfindicatie?

Op 1 januari 2012 hadden in totaal 769 705 personen een geldige indicatie.

Van hen hadden 346 625 personen een indicatiebesluit voor zorg met verblijf en 423 080 personen een indicatiebesluit voor zorg zonder verblijf.

347

Wat kost jaarlijks het CIZ?

Het voornemen is het CIZ voor reguliere werkzaamheden in 2013 € 108,6 mln. instellingssubsidie te verstrekken.

348

Hoeveel SIPS (standaard indicatieprotocollen) worden jaarlijks en per provincie afgegeven?

provincie

2011

   
 

SIP

Geen SIP

Totaal

Drenthe

13 061

20 758

33 819

Flevoland

5 055

11 632

16 687

Friesland

14 821

25 240

40 061

Gelderland

36 849

78 048

114 897

Groningen

13 980

24 999

38 979

Limburg

25 495

45 174

70 669

Noord-Brabant

39 402

84 498

123 900

Noord-Holland

37 970

82 367

120 337

Overijssel

23 540

47 561

71 101

Utrecht

17 594

40 967

58 561

Zeeland

9 140

14 901

24 041

Zuid-Holland

53 709

118 677

172 386

Onbekend

118

435

553*

Totaal

290 734

595 257

885 991

* De gegevens per provincie worden afgeleid van postcodes die soms niet bekend, soms geheim zijn.

349

Er staat aangegeven dat mensen met een mobiliteitsbeperking gebruik kunnen maken van BRV. Krijgen mensen (na indicatie) nog steeds 450 km per jaar in 2013?

Jaarlijks stel ik aan het einde van een kalenderjaar de hoogte van de pkb’s voor het daaropvolgende jaar vast. Deze vaststelling is gebaseerd op de ontwikkeling van het aantal pashouders, het verbruik van de pkb’s en het beschikbare budget. De hoogte van het standaard pkb en het hoog pkb bedragen op dit moment 450 respectievelijk 2 250 kilometer per jaar. Op dit moment verwacht ik niet dat een aanpassing om budgettaire redenen noodzakelijk is en daarom ben ik voornemens om het niveau van de pkb’s in 2013 te handhaven op het huidige niveau.

350

Wat kosten de persoonsgebonden budgetten (pgb’s) jaarlijks per provincie?

De zorgkantoren zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de regeling. Daarmee zijn de uitgaven voor het pgb niet beschikbaar per provincie, maar alleen per zorgkantoorregio. De pgb-uitgaven per zorgkantoorregio zijn in 2011 als volgt:

Tabel: PGB-uitgave in 2011, uitgesplitst naar zorgkantoorregio

Zorgkantoor

uitgaven

(in euro’s)

Groningen

132 057 039

Friesland

118 885 200

Drenthe

112 187 609

Zwolle

100 596 234

Twente

102 073 333

Apeldoorn, Zutphen e.o.

42 718 459

Arnhem

123 050 637

Nijmegen

62 505 015

Utrecht

137 367 954

Flevoland

43 425 593

't Gooi

58 059 405

Noord-Holland-Noord

65 780 694

Kennemerland

42 030 818

Zaanstreek/ Waterland

33 384 545

Amsterdam

85 912 841

Amstelland en de Meerlanden

20 814 799

Zuid-Holland Noord

44 783 442

Haaglanden

96 220 901

Delft/ Westland/ Oostland

27 913 615

Midden-Holland

25 449 755

Rotterdam

85 977 844

Nieuwe Waterweg Noord

20 792 917

Zuid Hollandse Eilanden

43 597 504

Waardenland

44 562 248

Zeeland

49 860 762

West-Brabant

75 301 459

Midden-Brabant

65 401 107

Noord-oost Brabant

89 349 515

Zuid-oost Brabant

98 195 887

Noord- en Midden-Limburg

73 916 221

Zuid-Limburg

113 450 466

Midden-IJssel

19 834 911

Totaal

2 255 458 729

Bron: College voor zorgverzekeringen

351

Hoeveel pgb’s worden jaarlijks afgegeven per zorgdoelgroep en sector?

De instroom in de pgb-regeling is afhankelijk van de toegangsvoorwaarden die aan deze regeling zijn verbonden. In 2010 is het aantal budgethouders netto met circa 4 700 personen toegenomen. In 2011 is het aantal budgethouders netto met 15 700 personen toegenomen. Het is op basis van de huidige gegevens niet mogelijk om aan te geven op welke zorggroep deze netto-instroom betrekking had. Wel is het mogelijk de huidige pgb-populatie naar grondslag onder te verdelen, en deze is als volgt:

grondslag

relatieve aandeel

somatisch

psychogeriatrisch

verstandelijk

lichamelijk

zintuiglijk

psychiatrisch

18%

3%

24%

11%

1%

43%

Vanaf 1 januari 2012 is alleen een pgb mogelijk voor cliënten met een indicatie voor verblijf en kunnen cliënten met een extramurale indicatie van minimaal 10 uur gebruik maken van de Vergoedingsregeling persoonlijke zorg. Volgens opgave van het College voor zorgverzekeringen maken eind augustus 2012 383 mensen gebruik van deze regeling. Het gaat vooral om cliënten met palliatieve terminale zorg en kinderen en jeugdigen die intensieve verzorging en/of begeleiding nodig hebben.

352

Hoeveel mensen hebben afgelopen jaar hun pgb verloren?

Alle bestaande budgethouders hebben hun pgb behouden, tenzij hun recht op zorg afliep. De maatregelen per 1 januari 2012 hadden alleen effect op nieuwe zorgvragers. De nieuwe instroom tot de pgb-regeling is in 2012 beperkt tot budgethouders met een verblijfsindicatie. Er is wel sprake van een reguliere uitstroom uit de pgb-regeling. Maandelijks stromen circa 1 250 cliënten uit de pgb-regeling vanwege beëindiging van hun (kortdurende) zorgvraag. Jaarlijks gaat het om circa 15 000 cliënten. De Vergoedingsregeling persoonlijke zorg is nieuw per 1 januari 2012. Mede gelet het beperkte gebruik van deze regeling (383 cliënten eind augustus 2012) is de uitstroom uit hoofde hiervan zeer beperkt.

353

Hoeveel mensen hebben een vergoedingsregeling persoonlijke zorg ontvangen?

Volgens opgave van het College voor zorgverzekeringen maken eind augustus 383 mensen gebruik van de vergoedingsregeling.

354

Zijn er mensen die hun pgb hebben verloren? Zo ja, hoeveel?

Zie het antwoord op vraag 352.

355

Agentschap NL 1,8 miljoen euro subsidie voor Innovatie programma. Wat is het doel van dit programma? Hoe is de samenhang met het programma In voor zorg waar 9,4 miljoen euro naar toe gaat?

Het bedrag van € 1,8 mln. ten behoeve van het innovatieprogramma bij Agentschap NL betreft de uitfinanciering van een project van het (inmiddels opgeheven) zorginnovatieplatform. Dit staat los van het «In Voor Zorg!» programma dat als doelstelling heeft om bestaande kennis te implementeren bij zorgaanbieders in de langdurige zorg.

356

Waarom wordt de subsidie aan Vilans per 2014 stopgezet?

De subsidie aan Vilans wordt niet stopgezet in 2014. Wel heeft VWS een algemeen beleid ingezet om de omvang van de subsidiestroom te beperken. In het kader van deze operatie zal de instellingssubsidie aan Vilans in 2013 met 10% worden verlaagd.

357

Kunt u aangeven welke acties en initiatieven in de begroting 2013 horen bij de invulling van de ministeriële verantwoordelijkheid voor voldoende capaciteit aan zorgverleners?

De verantwoordelijkheid voor het daadwerkelijk aantrekken van voldoende personeel ligt primair bij de zorginstellingen zelf, ondersteund door hun koepels. Daar waar noodzakelijk kan VWS zorginstellingen ook ondersteunen, aanvullend op de verantwoordelijkheid van de minister van SZW voor het algemene arbeidsmarktbeleid en die van OCW voor het algemene onderwijsbeleid.

De belangrijkste in de begroting 2013 opgenomen ondersteunende activiteiten op het terrein van de arbeidsmarkt en opleidingen zijn:

  • Beschikbaarheidsbijdrage voor medische vervolgopleidingen;

  • Fonds ziekenhuis Opleidingen;

  • Stagefonds;

  • Bekostiging opleiding verpleegkundig specialisten en physician assistent;

  • Subsidieregeling bekostiging opleidingen Publieke Gezondheid;

  • Versterking regionaal arbeidsmarktbeleid;

  • Project Veilig werken in de zorg;

  • Versterking arbeidsmarkt jeugdzorg;

  • Regeling vaccinatie hepatitis B.

Daarnaast zijn er ondersteunende activiteiten die zich niet primair op het arbeidsmarkt- en/of opleidingsbeleid richten, maar wel van betekenis daarvoor zijn, zoals het programma «In voor Zorg».

358

Hoeveel mensen zijn geregistreerd in de Wet BIG, en hoeveel mensen zijn dit per beroepsgroep?

359

Hoe kan voorkomen worden dat het nieuw op te richten Kwaliteitsinstituut leidt tot een toename van de regel- en administratiedruk bij zorginstellingen?

Het toetsingskader dat het nieuw op te richten Kwaliteitsinstituut vaststelt, zorgt voor een selectieve, doch effectievere set van indicatoren en naar verwachting minder papieren rompslomp doordat expliciete eisen worden gesteld aan het onderscheidend vermogen en de gebruikswaarde van de indicatoren. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de baten van de indicatoren (keuze- en toezichtinformatie) moeten opwegen tegen de (registratie)lasten voor de zorgaanbieder. Dat wil zeggen dat er naar wordt gestreefd om bij uitvraag van keuze- en toezichtinformatie zoveel mogelijk aan te sluiten bij de registratiesystemen die zorgaanbieders zelf gebruiken. Doordat bovendien de verplichting tot transparantie niet langer is gekoppeld aan de kwaliteitsparagraaf van het Jaardocument Maatschappelijke Verantwoording, zijn de partijen – binnen de door de toezichthouders te stellen handhavingskaders – vrij om afspraken te maken over de frequentie waarmee gegevens over kwaliteit moeten worden aangeleverd. Op deze wijze is beoogd de uitvoeringslast te beperken en te spreiden in de tijd.

Daarnaast waakt het nieuw op te richten Kwaliteitsinstituut ervoor dat ontwikkelde professionele standaarden en de daarbij behorende meetinstrumenten regelmatig worden geëvalueerd en dat via de meerjarenagenda onderhoud wordt gepland en uitgevoerd. Hierdoor ontstaat een meerjarige cyclus waarmee ook de proportionaliteit van de informatie wordt bewaakt.

Uit een in opdracht van VWS opgestelde raming blijkt dat een vermindering van circa € 14,3 mln. van de administratieve lasten kan worden gerealiseerd door de invoering van het wetsvoorstel dat de taken van het op te richten Kwaliteitsinstituut regelt.

360

In de Arbeidsmarktbrief «vertrouwen in de professionals» is de ambitie opgenomen de administratieve lasten met 50% te verminderen. Kunt u aangeven welke acties en initiatieven in de begroting van 2013 aan deze ambitie zijn gekoppeld?

In de memorie van toelichting bij de begroting op bladzijden 61/62 is voor wat betreft acties en initiatieven in de sector van de langdurige zorg verwezen naar het programma «Meer tijd voor de cliënt», dat uw Kamer eerder is toegestuurd. Tijdens een AO administratieve lasten in de care op 29 maart 2012 is hierover van gedachten gewisseld met uw Kamer. Het hart van het programma «Meer tijd voor de cliënt» wordt gevormd door de ca. 700 meldingen van hinderende wet- en regelgeving, zoals die zijn gedaan door zorgaanbieders, en de 28 experimenten met een regelarme werkwijze. De maatregelen die hieruit zullen voortvloeien zullen geleidelijk leiden tot een substantieel ervaren reductie van de overbodige administratieve lasten in de langdurige zorg. Naast de meldingen en de experimenten regelarme instellingen, vallen ook de volgende projecten (niet limitatief) onder dit programma:

  • 1. Vereenvoudiging van de AZR en modernisering van het AGB-codestelsel;

  • 2. Vereenvoudiging van de indicatiestelling AWBZ;

  • 3. Vereenvoudiging van de tarieven;

  • 4. Het aanpakken van de minutenregistratie in de extramurale zorg;

  • 5. Het sterk reduceren van de informatieuitvraag ten behoeve van het Jaardocument Maarschappelijke Verantwoording;

  • 6. Het standaardiseren van de voorwaarden voor inkoop en verantwoording

  • 7. Het zoveel mogelijk schrappen van lasten die samenhangen met het toezicht van de IGZ.

Over de voortgang van deze projecten zult u separaat worden geïnformeerd. Tevens verwijs ik u kortheidshalve naar het antwoord op vraag 70.

Overigens zien we dat overbodige regels in toenemende mate niet van de overheid afkomstig zijn. Het is een cumulatie van uitvraag van overheid, eigen management, branches, marktpartijen en belangenorganisaties. Ik blijf dit probleem signaleren en agenderen en waar mogelijk bied ik ondersteuning om de uitvoeringspraktijk te verbeteren.

361

Wie betaalt, indien het veld zijn verantwoordelijkheid niet neemt en het Kwaliteitsinstituut zelf opdracht geeft voor het ontwikkelen van een professionele standaard?

De kosten voor het ontwikkelen van professionele standaarden moeten door de partijen zelf worden gedragen. De kosten voor verbeteren van kwaliteit van zorg moeten worden opgebracht uit de tarieven voor zorgverlening. Wanneer het nieuw op te richten Kwaliteitsinstituut de regie overneemt, verliezen de veldpartijen hun sturende invloed op de ontwikkeling van professionele standaarden. De regering verwacht dat door deze prikkel het risico klein is dat veldpartijen hun verantwoordelijkheid niet nemen. In dat licht acht de regering de kosten voor het terugvorderen of verdisconteren van de kosten van het overnemen van de regie te hoog. Mochten veldpartijen hun verantwoordelijk echter toch herhaaldelijk niet nemen, dan zal de regering wel tot verhaal van deze kosten overgaan. De wijze waarop dit zal gebeuren zal nader onderzocht worden.

362

Wat vindt u van de suggestie een Wetenschapsfonds op te richten waaruit medisch-wetenschappelijk onderzoek op bijv. het gebied van kanker gestimuleerd en gefaciliteerd kan worden?

Medisch-wetenschappelijk onderzoek wordt vanuit de rijksoverheid reeds op verschillende manieren gefinancierd:

  • 1) Via het ministerie van OCW op basis van een vaste verdeelsleutel en het aantal afgestudeerden en promoties.

  • 2) Via de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) via subsidies en onderzoeksprogramma's.

  • 3) Via de academische component voor het uitvoeren van gecompliceerde patiëntenzorg en wetenschappelijk onderzoek door UMC’s en het NKI-AVL (Nederlands Kanker Instituut-Anthonie van Leeuwenhoek Ziekenhuis).

  • 4) Via instellingssubsidies en ZonMw (zie vraag 363 voor specificatie op terrein van kanker).

Fiscaal faciliteren van een Wetenschapsfonds, zoals door de Samenwerkende GezondheidsFondsen geopperd, wordt bekeken in kader van door Minster van EL&I toegezegd onderzoek in antwoord op een vraag van het lid Koppejan, gesteld tijdens overleg met Vaste Kamercommissie EZ in juni jl.

363

Wat doet VWS specifiek om de investeringen in onderzoek naar kanker bij ouderen en mogelijke comorbiditeit te bevorderen, concluderend dat er op dit moment weinig onderzoek wordt verricht naar therapieontwikkeling bij deze doelgroep (waarvan de groep boven de 65 jaar > 60% van de kankerpatiënten vormt) en is er te weinig kennis bij medisch specialisten over de integrale zorgbehoefte van ouderen is.

Hoeveel investeert VWS hier zelf in, en hoeveel wordt er vanuit andere overheidsbegrotingen in geïnvesteerd?

De Universitaire Medische Centra (UMC’s) ontvangen een beschikbaarheidsbijdrage voor academische zorg (ruim € 700 mln.), waarvan een deel bestemd is voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. Het is aan de UMC’s zelf om te bepalen welk deel zij beschikbaar stellen voor het onderzoek naar kanker bij ouderen. Ditzelfde geldt voor het Nederlands Kanker Instituut (NKI) dat een instellingssubsidie van € 17 mln. ontvangt van VWS.

Voorts is € 27 mln. beschikbaar voor de integrale kankercentra. De integrale kankercentra voeren (naast andere taken) de regie over de ontwikkeling, implementatie en evaluatie van richtlijnen voor de oncologische en palliatieve zorg.

Vanuit het Nationaal Programma Ouderenzorg heeft VWS € 80 mln. beschikbaar gesteld voor het verbeteren van zorg voor ouderen met complexe hulpvragen. Doel hiervan is een samenhangend zorgaanbod dat beter is afgestemd op de individuele behoeften van ouderen. Hoewel niet primair gericht op kanker is het borgen van de integrale zorgbehoefte hierin een centraal thema.

364

Wat kost het CAK jaarlijks?

De goedgekeurde beheerskosten van het CAK (26 maart 2012) bedragen in totaal € 85 530 mln.. Deze beheerskosten hebben betrekking op de uitvoering van de vijf wettelijke taken van het CAK. In onderstaand overzicht wordt per taak het beheerskostenbudget weergegeven.

Bedragen x € 1 000,-

Regulier budget

2012

Eigen bijdrage regeling (zorg met en zorg zonder verblijf)

47 736

Eigen bijdrage regeling Wmo

14 700

Financiering instellingen

610

Wet tegemoetkoming chronisch zieken

17 133

Compensatie Eigen Risico

5 351

Totaal

85 530

365

Hoeveel klachten zijn er in 2010, 2011 en in 2012 bij het CAK binnengekomen en met welke problemen hebben de meldingen betrekking?

De klachten die het CAK ontvangt, hebben voornamelijk betrekking op:

  • factuur van het CAK

  • onjuiste data, aangeleverd door zorgaanbieders,

  • hoogte van het gehanteerde inkomen en

  • vertraging in uitbetaling Wtcg en bezwaarprocedure Wtcg

In onderstaande tabel is het aantal klachten over de jaren 2010, 2011 en 2012 opgenomen. Er is een stijging van het aantal klachten. Ik merk op dat het CAK eind 2010 gestart is met de uitvoering van de Wtcg. Deze regeling kent circa 2.1 miljoen rechthebbenden.

Jaar

Aantal klachten

2010

365

2011

432

2012 (tot de maand september)

354

366

Uit welke posten bestaat het niet juridisch verplichte deel van beleidsartikel 4?

Zie het antwoord op vraag 94.

367

Wat voor een innovatieprogramma voert Agentschap NL voor VWS uit?

Agentschap NL heeft in 2009 de opdracht gekregen van VWS voor het uitvoeren van een innovatieprogramma. Dit programma is opgestart onder de vlag van het Zorginnovatieplatform en omvatte vier financiële instrumenten om innovatieve projecten te ondersteunen door middel van subsidies en aanbestedingen. Dit waren o.a. zorginnovatievouchers t.b.v. onderzoek en innovatieprestatiecontracten (IPC) om samenwerking tussen zorginstellingen te bevorderen. Daarnaast zijn er projecten gefinancierd om opschaling van succesvolle initiatieven te realiseren en om kansrijke concepten te ontwikkelen. Het type innovaties varieert van bijvoorbeeld preventieve toepassingen, efficiëntere organisatie van zorg, ontwikkeling van nieuwe hulpmiddelen en de inzet van ICT. In 2011 is het Zorginnovatieplatform beëindigd en daarmee ook het financieren van nieuwe projecten. Agentschap NL zal tot en met 2014 de reeds gefinancierde projecten (circa 55) beheren en begeleiden.

368

Welke rol krijgt het College sanering zorginstellingen bij de verdergaande ambulantisering? Verwacht de minister een toename van de werkzaamheden van het college op de vervreemding van onroerende zaken? Welk gevolg heeft dit voor de capaciteit van het college?

De positie van het College sanering zorginstellingen bij verdergaande ambulantisering verandert niet. Indien een intramurale zorgaanbieder besluit gebouwen of delen daarvan te vervreemden en niet meer voor de zorg te gebruiken moet betrokken zorgaanbieder zich wenden tot het College sanering zorginstellingen (art.18 WTZi). In alle andere gevallen, bijvoorbeeld als een zorgaanbieder vastgoed besluit te verkopen maar na de verkoop het vastgoed weer terug huurt ten behoeve van de zorgverlening of dat de zorgaanbieder besluit een deel van zijn vastgoed te verhuren aan een andere zorginstelling, hoeft hij zich dus niet tot het College sanering te wenden.

Wat de gevolgen zijn voor de hoeveelheid werk van het College sanering als gevolg van de verdergaande ambulantisering bijvoorbeeld door scheiden van wonen en zorg en de voorgenomen extramuralisering van de ZZP’s 1 t/m 3 in de langdurige zorg valt op dit moment nog moeilijk in te schatten. Het is niet ondenkbaar dat er door de behoefte van mensen om langer thuis te blijven wonen, scheiden van wonen en zorg en de voorgenomen extramuralisering van ZZP’s 1 t/m 3 minder behoefte zal zijn aan intramurale capaciteit. Dit zou tot leegstand kunnen leiden en de wens om te verkopen.

Zorgaanbieders kunnen leegstaande (delen van) gebouwen verkopen aan bijvoorbeeld andere zorginstellingen of proberen cliënten aan te trekken met een zwaardere indicatie. Bij deze gevallen hoeft men zich dus niet tot het College sanering te wenden. Daar komt nog bij dat de genoemde extramuralisering van de ZZP’s 1 t/m 3 gefaseerd zal worden ingevoerd en er op dit moment nog sprake is van (weliswaar aflopend) nacalculatie op de nhc’s. Ik ga er dan ook vooralsnog vanuit dat de ambulantisering van zorg er niet toe leidt dat de capaciteit van het College sanering aangepast hoeft te worden.

369

In hoeverre is de hoogte van het stagefonds 99 miljoen euro subsidie voldoende om tegemoet te komen aan alle vraag naar stageplaatsen in de zorg?

Uit de laatste barometer van de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) van juni 2012 komt naar voren dat over het algemeen meer dan voldoende stageplaatsen en leerbanen in de zorg worden aangeboden. Wel kunnen zich voor sommige opleidingen in sommige regio’s tijdelijke tekorten voordoen. Het stagefonds stimuleert zorginstellingen om meer stageplaatsen te realiseren en de kwaliteit van de stages te verhogen. Uit de evaluatie van Anderson Elffers Felix (2011)20 komt het volgende naar voren: «Het Stagefonds heeft als instrument gewerkt. Er zijn meer en betere stages gerealiseerd, die (indirect) te danken zijn aan het Stagefonds. De Stagefondsmiddelen zijn doeltreffend en doelmatig ingezet.» Ook in schooljaar 2011–2012 is het aantal gerealiseerde stageplaatsen in de zorg verder gestegen. Er is dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat het bedrag van € 99 mln. niet adequaat is.

370

Hoe is gewaarborgd dat de 30,9 miljoen euro subsidie aan patiënten- en gehandicaptenorganisaties voor het versterken van de positie van de cliënt optimaal benut worden? Hoe wordt dit gecontroleerd?

Met mijn visiebrief van 20 mei 2011 heb ik u uitgebreid toegelicht op welke wijze aan patiënten- en gehandicaptenorganisaties subsidies worden verstrekt en welke keuzes gemaakt zijn. Daarbij hebben wij ons ondermeer laten leiden door de aanbevelingen uit de evaluatie die in 2011 is uitgevoerd. De subsidies worden verstrekt op grond van de Kaderregeling VWS-subsidies. De onderliggende visie neergelegd in het beleidskader voor deze regeling (vastgesteld op 1 juli 2011 en herzien op 18 juni 2012 (Kamerstuk 29 214, nr. 64). Uitgangspunten daarin zijn: sturing op doelbereiking, meetbare resultaten, voorkomen van versnippering, inzet op samenwerking tussen pg-organisaties.

Om voor subsidie in aanmerking te komen moeten organisaties bij het aanvragen van subsidie voldoen aan de criteria die de Kaderregeling VWS-subsidies en het Beleidskader voor subsidiering van patiënten- en gehandicaptenorganisaties stellen. Het CIBG toetst de aanvragen hierop. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de aard, omvang, duur en wijze van uitvoering van de activiteiten en de met de activiteiten nagestreefde doelstellingen. Per activiteit moeten de aanvragers inzicht gegeven in de geraamde kosten en opbrengsten. Vaststelling vindt plaats op basis van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend. Jaarlijks wordt bij 25 á 30 organisaties een aanvullende financiële controle uitgevoerd, waarbij een extra check plaatsvindt op de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verleende subsidies.

371

Wat is de top 5 meest gestelde vragen aan PGO support door patiënten- en gehandicapten organisaties?

Uit navraag bij PGO support is de volgende top 5 naar voren gekomen:

  • 1) Vragen over de bedrijfsvoering, i.c. over ondersteuning bij subsidieaanvragen (instellingssubsidie en vouchers) en vragen over de bezuinigingen. Waar kan wel/niet op bezuinigd worden zonder leden te verliezen en hoe krijgen pg-organisaties nieuwe leden?

  • 2) Strategische vraagstukken; pg-organisaties zijn bezig met de toekomst en onderzoeken mogelijke samenwerkingsvormen met andere organisaties. Hierbij spelen ook vragen omtrent fusie.

  • 3) Bestuurlijke vraagstukken; hoe werven pg-organisaties nieuwe bestuursleden, vragen rondom statuten, ledenvergaderingen, reglementen, het organiseren van een congres of infodag etc.

  • 4) Vragen rondom de activiteiten van een organisatie; het voeren van een ledenadministratie maar ook het gebruik van sociale media.

  • 5) Vragen over het binden van vrijwilligers; hoe kom je aan vrijwilligers? Hoe voorkom je overbelasting van vrijwilligers?

372

Op welke wijze worden patiënten- en gehandicaptenorganisaties betrokken bij besluitvorming van de minister? Op welke wijze worden patiëntenorganisaties door zorgverzekeraars geraadpleegd? Op welke wijze worden patiënten- en gehandicaptenorganisaties geraadpleegd door gemeenten? Op welke wijze kan deze betrokkenheid worden verbeterd?

Patiënten- en gehandicaptenorganisaties (pg-organisaties) worden op verschillende wijze bij de VWS-besluitvorming betrokken. Een en ander is afhankelijk van het onderwerp en de beleidsfase. In het algemeen worden de koepels en platforms (NPCF, CG-Raad, Platform VG en Landelijk Platform GGz) betrokken bij algemeen beleid dat veel zorggebruikers of verzekerden treft. Zo is het Landelijk Platform GGz betrokken geweest bij het bestuurlijk akkoord ggz. Als het vooral om specifieke aandoeningsgerichte onderwerpen gaat worden eerder de meer specifiek gerichte organisatie betrokken.

Zorgverzekeraars zijn op basis van de Zorgverzekeringswet verplicht om in hun statuten te waarborgen dat verzekerden een redelijke mate van invloed hebben op het beleid. Zij hebben daarbij de vrijheid om zelf te bepalen hoe zij deze invloed realiseren, dan wel hoe zij de samenwerking met patiëntenorganisaties vormgeven. In de praktijk komt het er op neer dat zorgverzekeraars de invloed van verzekerden vaak geregeld hebben via een ledenraad of via lidmaatschap van de coöperatie of vereniging binnen het concern. Daarnaast hebben zorgverzekeraars ook contacten met pg-organisaties onder meer over het thema zorginkoop. Hoe dit verloopt verschilt per zorgverzekeraar, dit gebeurt bijvoorbeeld door convenanten te sluiten of hen bij inkoopgesprekken te betrekken. Vanaf 2012 houdt de NZa expliciet toezicht op de wijze waarop zorgverzekeraars in de praktijk invulling geven aan de invloed van verzekerden.

Het is de verantwoordelijkheid van de gemeenten om ervoor te zorgen dat zij lokaal de belanghebbenden bij hun beleid daadwerkelijk betrekken. De staatssecretaris heeft – mede gelet op de decentralisatie van functies uit de AWBZ – een tijdelijke subsidie beschikbaar gesteld voor de versterking van de belangenbehartiging op het lokale niveau. Dit betreft de subsidie voor het programma »Aandacht voor iedereen» van onder meer de NPCF, CG-Raad, Koepel van Wmo-raden, Landelijk Platform GGz en Platform VG. Dit programma is erop gericht om Wmo-raden en lokale patiënten- en gehandicaptenorganisaties te versterken.

De invloed van pg-organisaties op het beleid van zorgaanbieders, zorgverzekeraars en overheden kan aan kracht winnen als deze pg-organisaties onderling meer samen optrekken en hun krachten bundelen. Met de nieuwe subsidieregeling voor deze pg-organisaties stimuleer ik dit. Tot slot biedt het Kwaliteitsinstituut pg-organisaties de mogelijkheid het cliëntperspectief in professionele standaarden in te brengen, waardoor alleen nog richtlijnen kunnen worden ontwikkeld waarbij de betreffende pg-organisaties goed zijn betrokken. Ook PGOsupport biedt de pg-organisaties ondersteuning bij het inbrengen van het clientperspectief.

373

De afgelopen jaren is een aantal nieuwe specialisaties binnen de beroepen in de gezondheidszorg gecreëerd, zoals de SEH-arts en de verpleegkundig specialist. Zitten er nog andere nieuwe specialisaties in de pijplijn voor 2013 of de jaren daarna? Zo nee, wordt er wel nagedacht en met het veld gesproken over mogelijke nieuwe specialisaties de komende jaren?

De gezondheidszorg is continu in ontwikkeling. Ook de ontwikkeling van nieuwe of aangepaste beroepen/specialisaties en opleidingen speelt in op de veranderende zorgvraag, technologische veranderingen of andere omstandigheden. Deze nieuwe ontwikkelingen en de gedachtevorming hierover worden door het ministerie van VWS gevolgd, maar leiden op dit moment niet tot actie van het ministerie om nieuwe specialisaties te regelen.

In de sectie Zorgberoepen en opleidingen van het Nederlands Zorginstituut (nu CVZ) wordt samen met het veld gekeken naar de zorgvraag in de toekomst in relatie tot beroepen en opleidingen. Dit heeft tot doel, indien noodzakelijk, te adviseren over een nieuwe beroepen- en opleidingenstructuur van de gezondheidszorg.

374

Wat bedoelt de minister met de opmerking dat komende tijd onderzocht wordt hoe deze taakherschikking komende tijd financieel het beste kan worden gefaciliteerd?

Op 10 oktober 2012 heeft u de kabinetsreactie ontvangen op het advies van de NZa inzake taakherschikking. In dit advies concludeert de NZa dat er geen financiële belemmeringen zijn voor de ggz. De voor de somatiek geschetste

belemmeringen hebben betrekking op het zelfstandig declareren van een behandeling. In mijn brief heb ik aangegeven dat ik het aanpassen van het declaratierecht overlaat aan een volgend kabinet. Wel heb ik de NZa verzocht de financiële effecten als gevolg van taakherschikking te monitoren en hierover te rapporten begin 2013, zodat een volgend kabinet het besluit om het declaratierecht te verruimen gedegen kan nemen.

375

Subsidie veilig werken in de zorg van 1,7 miljoen euro aan sociale partners. Hoe is de samenhang met het Actieplan Veiligheid hulpverleners?

Ik wil agressie en geweld tegen zorgverleners niet accepteren. Om die reden heb ik in maart 2012 het Actieplan «Veilig werken in de zorg» opgesteld met sociale partners in de zorg, de minister van Veiligheid en Justitie en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). Voor het actieplan stel ik in de periode 2012 tot en met 2015 € 6,4 mln. ter beschikking aan sociale partners in de zorg om de maatregelen uit het plan te realiseren in samenwerking met het kabinet (Kamerstuk 29 282, nr. 150). Het Actieplan «Veiligheid hulpverleners» is mij niet bekend. Mogelijk doelt u op het programma «Veilige Publieke Taak» van de minister van BZK. Dit programma is nadrukkelijk betrokken bij het opstellen en het uitvoeren van het Actieplan «Veilig werken in de zorg».

376

Waarom ontvangt het CIBG een bijdrage voor de UZI-middelen? Uzi-middelen worden immers gebruikt voor het LSP dat nu in private handen is

UZI-middelen worden gebruikt voor het identificeren en verifiëren van de identiteit van cliënten middels het burgerservicenummer (BSN) en voor toegang tot bepaalde informatiesystemen als Zorgportaal Rijnmond en Mijnzorgnet. Daarnaast worden UZI-middelen gebruikt voor toegang tot het Landelijk Schakelpunt.

Om het CIBG ruimte te geven om de tarifering in te richten worden de UZI-middelen in overgangsjaar 2012 vanuit VWS nog gratis verstrekt.

Op dit moment wordt bezien vanaf wanneer een tarief voor de pas zal worden geheven. Dit zal naar verwachting niet eerder ingaan dan 1 juli 2013. De tarifering zal tijdig aan zorgaanbieders bekend worden gemaakt.

377

Hoeveel % van de Nederlanders heeft op 1 oktober 2012 opt-in-toestemming gegeven voor het Landelijk Schakelpunt (LSP)?

De Vereniging van Zorgaanbieders voor Zorgcommunicatie (VZVZ) is verantwoordelijk voor de uitwisseling van gegevens via de zorginsfrastructuur (het LSP). De VZVZ is eind 2011 opgericht op initiatief van de koepels van huisartsen (LHV), huisartsenposten (VHN), apotheken (KNMP) en ziekenhuizen (NVZ).

De VZVZ is op dit moment bezig met de voorbereidingen voor het informeren van zorgconsumenten over de opt-in regeling en de wijze waarop zij toestemming

kunnen geven. Enkele regio’s zijn hiermee van start gegaan. Exacte aantallen van Nederlanders die op 1 oktober 2012 toestemming hebben gegeven voor gegevensuitwisseling via het LSP zijn bij de VZVZ niet bekend. Dit vanwege het feit dat nog niet alle zorgverleners de toestemming die zij schriftelijk hebben vastgelegd hebben ingevoerd in hun zorginformatiesysteem.

Naar verwachting zal de uitvoering van de opt-in procedure (i.c. het vragen om toestemming) met name vanaf november 2012 een grote vlucht nemen, als de geplande communicatiecampagne van start is gegaan.

Dat moet ook wel, iemand die geen toestemming heeft gegeven voor 1 januari 2013, wordt uit het systeem verwijderd.

378

Hoeveel % van resp. individuele huisartsen, apothekers en ziekenhuizen neemt op 1 oktober 2012 deel aan het Landelijk Schakelpunt (LSP)?

De Vereniging van Zorgaanbieders voor Zorgcommunicatie (VZVZ) heeft aangegeven dat per 1 oktober de volgende aantallen zorgverleners zijn aangesloten op het Landelijk Schakelpunt (LSP):

 

Apotheken

Huisarts-praktijken

Huisartsen-diensten-structuren

Zieken-huizen

Totaal

Aangesloten

845

43%

2 683

66%

41

84%

11

12%

3 580

58%

379

Hoeveel wanbetalers zijn er in Caribisch Nederland op het totaal aantal verzekerden?

Er zijn geen wanbetalers op het totaal aantal verzekerden in Caribisch Nederland. Dit is overigens een logisch gevolg van het feit dat de verzekerden in Caribisch Nederland, buiten belasting en werkgeverspremies, zelf niet bijdragen aan de kosten van de zorg.

380

Wat zijn het aantal vrijwillige en gedwongen uithuisplaatsingen en daarbinnen het aantal plaatsingen pleegzorg, gezinshuizen en residentiële zorg. Kunt u dit specificeren naar gemeenten?

Het aantal gedwongen uithuisplaatsingen bedroeg per 30 juni 2012 (OTS en Voogdij) zo'n 19 000 jeugdigen (12 000 OTS en 7 000 Voogdij)

Uitgesplitst naar verblijfplaats:

– Pleeggezin

10 500

– Residentieel

3 800

– Gesloten jeugdzorg

700

– Verblijf ggz

3 000

– Overige verblijfsituaties

1 000

Een specificatie naar gemeenten wordt niet uitgevraagd.

Het aantal vrijwillige uithuisplaatsingen wordt niet uitgevraagd.

381

Kunt u aangeven wat het aantal ondertoezichtstellingen (OTS) is per leeftijdsgroep (0–4 jaar, 4–12 jaar en 12- 18 jaar)? Zo nee, waarom zijn deze gegevens niet beschikbaar?

Per 30 juni 2012 was het aantal ondertoezichtstellingen per leeftijdsgroep als volgt:

– 0 t/m 5 jaar

6 500

– 6 t/m 11 jaar

10 600

– 12 t/m 14 jaar

6 100

– 15 t/m 17 jaar

8 500

382

Kunt u aangeven hoe vaak gemiddeld een kind in «zijn jeugdzorgcarrière» wisselt van geïndiceerd hulpaanbod? Zo nee, waarom zijn deze gegevens niet beschikbaar?

Nee, dit kan ik niet. Ik ben voornemens te onderzoeken of dit in de beleidsinformatie voor de nieuwe jeugdwet wel mogelijk gemaakt kan worden.

383

Wat is het jeugdzorggebruik per gemeente? Hoe ziet dat eruit, gespecificeerd naar leeftijdsgroep (0–4 jaar, 4–12 en 12–18)?

In onderstaande tabel is het gebruik van geïndiceerde, provinciaal gefinancierde jeugdzorg en Zvw-gefinancierde jeugd-ggz per gemeente in 2009 weergegeven. Uitsplitsingen naar leeftijdsgroepen zijn momenteel niet beschikbaar. Hoewel in één tabel gepresenteerd, zijn de cijfers over beide sectoren, door verschillende definities, niet optelbaar of 1:1 vergelijkbaar. Daarnaast geldt dat de tabel het aantal cliënten laat zien en daarmee geen informatie geeft over de kosten die omgaan in de sectoren.

Toelichting jeugd-ggz

Er is gebruik gemaakt van cijfers over 2009, omdat dit de meest actuele, beschikbare cijfers zijn. De bron is het College voor Zorgverzekeringen (CVZ), dat deze gegevens heeft onttrokken aan de administratie van de zorgverzekeraars. De cijfers geven een overzicht van het gebruik van de geneeskundige ggz (1e en 2e lijn) op basis van de Zorgverzekeringswet (Zvw) door jongeren van 0 t/m 17 jaar. Als een jongere meerdere vormen van zorg heeft gehad dan telt deze maar één keer mee in de cijfers.

Niet opgenomen in onderstaande cijfers zijn jongeren die op basis van de AWBZ jeugd-ggz kregen. Dit aantal wordt landelijk geschat op 300 tot 700 kinderen, onder andere voor beschermd wonen. Een uitsplitsing van deze groep naar gemeenten is niet voorhanden.

Ik benadruk dat deze cijfers het zorggebruik 2009 betreffen. Ná 2009 hebben zich verschillende ontwikkelingen voorgedaan, die van grote invloed kunnen zijn op het zorggebruik en aantallen in de jeugd-ggz. Ik wijs daarbij o.a. op het afgesloten bestuursakkoord ggz voor de jaren 2013 en 2014 en de verschillende maatregelen die per 2012 in de ggz zijn genomen.

Het is belangrijk te beseffen dat de nu verstrekte gegevens uiteindelijk niet leidend kunnen en zullen zijn voor de overheveling van de jeugd-ggz naar gemeenten per 1 januari 2015. Op basis van de actuele cijfers zal dan een nieuwe berekening worden gemaakt.

Toelichting geïndiceerde, provinciaal gefinancierde jeugdzorg

Bij de cijfers over de jeugdzorg gaat het om het aantal 0 – t/m 17 jarigen dat een nieuwe (her)indicatie voor geïndiceerde, provinciaal gefinancierde jeugdzorg heeft ontvangen van bureau jeugdzorg. In de tabel liggen deze aantallen per definitie lager dan voor de ggz. Dat komt omdat alleen het aantal kinderen met een in dat jaar afgegeven (her)indicatie wordt geteld en in de jeugd-ggz het aantal unieke kinderen dat in het jaar gebruik heeft gemaakt van zorg. Daarnaast betreffen de cijfers de vraag en niet per se het gebruik: niet iedereen met een geldige indicatie maakt gebruik van jeugdzorg. Het Sociaal en Cultureel Planbureau en Cebeon doen nog nader onderzoek naar het gebruik bij de zorgaanbieders in de jeugdzorg uitgesplitst naar gemeente. Deze cijfers komen begin 2013 beschikbaar.

De bron van de cijfers in de tabel is het Verwey-Jonker Instituut. Dat vraagt het aantal 0 t/m 17 jarigen dat een indicatie voor hulp heeft ontvangen van het bureau jeugdzorg uit. Voor deze indicator wordt voor elk jaar geteld voor hoeveel jongeren een (of meerdere) indicatiebesluit(en) is (zijn) genomen. Het maakt daarbij niet uit of het om een eerste indicatiebesluit of een herindicatiebesluit gaat. Als voor een jongere meerdere keren in een jaar een besluit is genomen telt deze één keer mee. Als in een kalenderjaar geen besluit t.a.v. de jongere is genomen, maar hij ontvangt (op grond van een eerder genomen indicatiebesluit dat nog geldig is) wel zorg, dan telt deze jongere niet mee in onderstaande cijfers. Er zijn jeugdigen die een indicatiebesluit(en) ontvangen, waarvan de duur langer is dan een jaar en die op basis daarvan langere tijd provinciaal geïndiceerde zorg ontvangen. Deze jeugdigen zijn niet zichtbaar in bovenstaande aantallen als vóór 2009 een (her)indicatiebesluit is genomen en in 2009 niet meer. Het cijfer is verder inclusief PGB voor jeugd-ggz uit de AWBZ voor zover het bij de uitvraag van het Verwey-Jonker Instituut aanwezig was in het Informatiesysteem Jeugdzorg (IJ) dat bureaus jeugdzorg gebruiken. Hoe vaak dit bij welke gemeenten in de dataset van Verwey-Jonker voorkomt is niet bekend. Indien het niet geregistreerd werd in IJ, maar in een ander systeem, is het daarom niet meegenomen in de cijfers.

Gemeente

ggz

Jeugdzorg

Aa en Hunze

378

90

Aalburg

153

64

Aalsmeer

445

56

Aalten

250

145

Achtkarspelen

451

110

Alblasserdam

239

93

Albrandswaard

286

73

Alkmaar

1 356

257

Almelo

889

356

Almere

3 686

1 266

Alphen aan den Rijn

1 152

520

Alphen-Chaam

72

29

Ameland

27

10 of minder

Amersfoort

2 451

652

Amstelveen

1 152

200

Amsterdam

8 408

3 364

Apeldoorn

2 424

1 017

Appingedam

219

63

Arnhem

1 500

818

Assen

1 662

482

Asten

244

100

Baarle-Nassau

43

20

Baarn

298

71

Barendrecht

686

192

Barneveld

711

359

Bedum

176

49

Beek (L.)

258

51

Beemster

118

20

Beesel

154

57

Bellingwedde

141

33

Bergambacht

134

47

Bergeijk

235

114

Bergen (L.)

150

39

Bergen (NH.)

373

38

Bergen op Zoom

853

331

Berkelland

589

224

Bernheze

412

218

Bernisse

154

44

Best

453

237

Beuningen

358

116

Beverwijk

432

91

Binnenmaas

395

110

Bladel

253

140

Blaricum

157

10 of minder

Bloemendaal

292

20

Boarnsterhim

232

64

Bodegraven-Reeuwijk

495

190

Boekel

167

76

Borger-Odoorn

371

111

Borne

305

91

Borsele

280

172

Boskoop

207

108

Boxmeer

509

198

Boxtel

410

198

Breda

1 788

1 113

Brielle

179

58

Bronckhorst

462

182

Brummen

291

95

Brunssum

389

134

Bunnik

258

37

Bunschoten

298

45

Buren

361

125

Bussum

587

47

Capelle aan den IJssel

1 023

344

Castricum

475

63

Coevorden

458

171

Cranendonck

238

124

Cromstrijen

201

47

Cuijk

413

186

Culemborg

445

126

Dalfsen

308

130

Dantumadiel

210

67

De Bilt

620

128

De Marne

181

47

De Ronde Venen

567

105

De Wolden

316

89

Delft

1 107

490

Delfzijl

441

136

Den Helder

591

269

Deurne

441

228

Deventer

1 512

494

Diemen

302

67

Dinkelland

165

50

Dirksland

137

21

Doesburg

190

77

Doetinchem

892

461

Dongen

277

119

Dongeradeel

276

106

Dordrecht

1 425

771

Drechterland

278

46

Drimmelen

257

108

Dronten

748

301

Druten

232

83

Duiven

365

116

Echt-Susteren

415

120

Edam-Volendam

215

41

Ede

1 359

773

Eemnes

183

35

Eemsmond

339

95

Eersel

224

124

Eijsden-Margraten

409

131

Eindhoven

2 395

1 609

Elburg

262

108

Emmen

1 667

655

Enkhuizen

327

45

Enschede

1 488

788

Epe

342

131

Ermelo

508

207

Etten-Leur

487

221

Ferwerderadiel

92

40

Franekeradeel

274

99

Gaasterlân-Sleat

121

64

Geertruidenberg

193

102

Geldermalsen

372

127

Geldrop-Mierlo

577

323

Gemert-Bakel

418

150

Gennep

222

53

Giessenlanden

194

46

Gilze en Rijen

221

115

Goedereede

149

39

Goes

432

265

Goirle

287

188

Gorinchem

423

182

Gouda

957

517

Graafstroom

139

46

Graft-De Rijp

83

10 of minder

Grave

216

98

Groesbeek

240

84

Groningen

2 496

853

Grootegast

292

63

Gulpen-Wittem

166

43

Haaksbergen

264

72

Haaren

231

94

Haarlem

1 801

359

Haarlemmerliede en Spaarnwoude

78

14

Haarlemmermeer

2 154

422

Halderberge

320

140

Hardenberg

649

294

Harderwijk

600

238

Hardinxveld-Giessendam

255

101

Haren

361

63

Harenkarspel

189

37

Harlingen

221

84

Hattem

151

51

Heemskerk

545

108

Heemstede

312

30

Heerde

201

101

Heerenveen

596

221

Heerhugowaard

897

152

Heerlen

1 240

512

Heeze-Leende

177

100

Heiloo

252

19

Hellendoorn

489

132

Hellevoetsluis

558

199

Helmond

1 369

734

Hendrik-Ido-Ambacht

402

128

Hengelo (O.)

983

360

het Bildt

155

70

Heumen

232

73

Heusden

652

298

Hillegom

266

87

Hilvarenbeek

211

58

Hilversum

1 162

265

Hof van Twente

369

93

Hollandse Kroon

533

105

Hoogeveen

965

323

Hoogezand-Sappemeer

677

199

Hoorn

1 339

210

Horst aan de Maas

425

116

Houten

889

197

Huizen

723

89

Hulst

368

117

IJsselstein

606

113

Kaag en Braassem

386

152

Kampen

715

252

Kapelle

191

71

Katwijk

841

292

Kerkrade

572

191

Koggenland

332

41

Kollumerland en Nieuwkruisland

154

40

Korendijk

164

51

Krimpen aan den IJssel

570

161

Laarbeek

282

114

Landerd

248

150

Landgraaf

510

155

Landsmeer

135

23

Langedijk

387

55