Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2013-2014
Kamerstuk 19637 nr. 1758

Gepubliceerd op 29 november 2013

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken in dossier



19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 1758 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 29 november 2013

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie heeft op 30 oktober 2013 overleg gevoerd met Staatssecretaris Teeven van Veiligheid en Justitie overopvang, terugkeer en vreemdelingenbewaring.

(De volledige agenda is opgenomen aan het einde van het verslag.)

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Jadnanansing

De griffier van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Hessing-Puts

Voorzitter: Elias

Griffier: Tielens-Tripels

Aanwezig zijn tien leden der Kamer, te weten: Azmani, Elias, Fritsma, Gesthuizen, Maij, Van Ojik, Sjoerdsma, Van Toorenburg, Voordewind, Voortman,

en Staatssecretaris Teeven van Veiligheid en Justitie, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

Aanvang 10.00 uur

De voorzitter: Ik open de vergadering van de vaste Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie. Aan de orde is een algemeen overleg. Aangezien er vijftien punten op de agenda staan, vrees ik dat wij de beschikbare tijd nodig hebben. Ik heet de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van harte welkom, evenals de gasten op de publieke tribune en allen die ons anderszins volgen via allerlei moderne faciliteiten. De spreektijd in eerste termijn is vastgesteld op vijf minuten per woordvoerder. Gelet op het grote aantal aanwezigen, zal ik daaraan de hand houden. Ik laat het in eerste instantie aan de leden over hoe vaak zij interrumperen, maar ik doe een beroep op hen om eraan bij te dragen dat we de vergadering binnen de tijd afronden. Ik geef mevrouw Gesthuizen als eerste het woord.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Voorzitter. Ik begin met Syrië. Opvang in de regio is voor steeds meer Syrische vluchtelingen geen optie. Onderzoek van Amnesty International heeft uitgewezen dat Libanon, Jordanië, Turkije en Egypte een zeer strikt beleid gingen hanteren waardoor vluchtelingen geen kant meer op kunnen en zij zelfs uitgezet kunnen worden naar Syrië zelf. Ik wil een reactie van de Staatssecretaris op het onderzoeksrapport dat morgen officieel gepubliceerd wordt. Kan dat na publicatie aan de Kamer worden gezonden? UNHCR heeft weer opgeroepen om meer solidariteit te tonen. Volgens de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen is opvang in de regio geen oplossing meer. Er moet nu echt iets gebeuren, want de situatie wordt onhoudbaar.

Tijdens mijn werkreis afgelopen week ben ik in het vluchtelingenkamp Nizip aan de Turkse grens met Syrië geweest. Dat is eigenlijk de plek waar je als vluchteling het best kunt zijn, maar het is duidelijk dat het zelfs niet goed is voor mensen, bijvoorbeeld voor kinderen, om daar lang te zitten. Kinderen krijgen weliswaar onderwijs, maar er zitten wel 88 leerlingen in een klas. Als je daar een jaar zit en je kind van vier of vijf jaar krijgt daar maar een paar uurtjes per dag les in een zo grote klas, kun je wel aannemen dat dit niet een heel vruchtbare situatie is. Je weet dan dat er iets moet gebeuren. Graag wil ik dus een goede reactie van de Staatssecretaris op die oproep van zowel Amnesty International als die van UNHCR.

Wat de verschrikkelijke situatie aan de buitengrenzen betreft moet Frontex zich niet meer richten op het weghalen van vluchtelingen maar hij dient ervoor te zorgen dat mensen niet verdrinken en dat zij netjes een asielprocedure beginnen. Ik heb begrepen dat de Staatssecretaris daarmee een begin gaat maken. Hoe staat het daarmee?

Ik kom op de Europese zaken. Vindt de Staatssecretaris het nog steeds verantwoord om Dublin-claimanten terug te sturen naar Italië? Zo ja, waarom?

Ik ga in op de feitelijke overdracht. Onder andere het Comité voor de Mensenrechten heeft geconcludeerd dat er bij de feitelijke overdracht van zieke vreemdelingen wel eens wat mis gaat. Begrijp ik goed dat het, ondanks een dergelijke uitdrukkelijke voorwaarde van het Bureau Medisch Advies (BMA), voor uitzetting voldoende is als slechts door de IND is vastgesteld dat overdracht mogelijk is? Zo ja, wat is dan het advies van het BMA waard? We hebben het in de afgelopen maanden een keer mis zien gaan. Het ging echt gierend mis – een man werd uitgezet naar Nigeria – en daarvan ben ik erg geschrokken. Ik zou het heel erg prettig vinden als ik op deze vraag een duidelijk antwoord kreeg. Hierbij komt dat het BMA advies geeft aan de IND. Wat mij betreft moet ook de DT&V hieraan gebonden zijn. Wat gebeurt er met de vreemdelingen die mee terug worden genomen? Worden deze wel deugdelijk opgevangen en krijgen zij de nodige medische zorg?

Ik kom op het punt van het beroepsgeheim. Ik heb vragen gesteld nadat artsen zich beklaagden over agenten die zich opdrongen tot in de behandelkamer bij gedetineerde vreemdelingen. De regering vond dat het allemaal wel meeviel. Toch krijgen we signalen uit de praktijk dat schending van het medisch beroepsgeheim op deze wijze wel degelijk heeft plaatsgevonden en regelmatig plaatsvindt. Er zou contact worden gezocht met de heer Hulshof die de kwestie aankaartte in Medisch Contact. Is dit gebeurd? Zo ja, wat is de stand van zaken?

Mijn volgende punt betreft medische zorg aan uitgeprocedeerde vreemdelingen. Het is goed dat naar aanleiding van mijn motie aan alle betrokkenen is uitgelegd hoe het zit met de ziektekostenvergoeding voor vreemdelingen, maar er zijn helaas nog steeds problemen. Dat kwam vorige week nog naar voren in het Brabants Dagblad. Uitgeprocedeerden lopen daar aan tegen onnodige medische barrières. Vreemdelingen uit Tilburg moeten bijvoorbeeld noodgedwongen reizen naar de door het College voor Zorgverzekeringen gecontracteerde ziekenhuizen in Breda of Den Bosch, terwijl ze geen geld hebben om te reizen. Hoe zit dit in de rest van Nederland? Waarom is er geen contract met alle ziekenhuizen? Voor niet-gecontracteerde ziekenhuizen brengt het behandelen van vreemdelingen bureaucratische rompslomp met zich mee. Dan is het ook niet zo vreemd dat ze dat liever niet doen. Gaat de Staatssecretaris hier samen met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport werk van maken?

Ook over de Irakese vreemdelingen maak ik me nog steeds zorgen. De Staatssecretaris geeft toe dat het geweld sinds april 2013 is toegenomen, maar hij wacht rustig op het ambtsbericht. Tot die tijd gaat men dus door met het oude beleid. Reizen naar Irak wordt echter sterk afgeraden en ook de Nederlandse rechter erkent dat een verslechterde veiligheidssituatie een rol speelt bij de vergunningverlening. Dit heeft echter alles te maken met uitgeprocedeerde vreemdelingen die daardoor niet terug durven of kunnen gaan. Wat moeten zij nu doen? Moeten zij onmiddellijk een procedure starten en een beroep doen op artikel 3 van het EVRM; over onnodig procederen gesproken? En hoe staat het ondertussen met de gesprekken met de Irakese Minister Duski over gedwongen terugkeer? Gaat dit overleg door, ondanks de verslechterde veiligheidssituatie?

Ik ga in op het punt van de uitgezette kinderen. De Staatssecretaris kwam, als je het mij vraagt, met een beschamende reactie op de serie over uitgezette en teruggekeerde asielkinderen in nood. Die paar voorbeelden zouden niet maatgevend zijn. En de eerdere studies van bijvoorbeeld UNICEF en Human Rights Watch dan? Hoe zit het daarmee? Hieruit is gebleken dat het niet goed gaat met teruggekeerde kinderen, dat dit stelselmatig het geval is, dat dit in het bijzonder geldt voor kinderen die in het gastland geboren zijn en die daar opgegroeid zijn en met kinderen uit minderheidsgroeperingen. Graag wil ik hierop een reactie.

De Staatssecretaris suggereert dat dit voornamelijk de schuld is van ouders. Hij vindt dus dat beslissingen van de ouders de overheid vrijpleiten van verantwoordelijkheid voor het belang van het kind. Het lijkt alsof de Staatssecretaris denkt: uit het oog, uit het hart. Hij lijkt te denken: eenmaal uitgezet, niet meer mijn verantwoordelijkheid. En dat terwijl uitgezette asielzoekers in bijvoorbeeld Afghanistan een reëel gevaar lopen om door de Taliban te worden aangemerkt als collaborateurs. Wat wil de Staatssecretaris daarmee doen?

Het Kinderpardon en de stroomlijning van de toelatingsprocedures zijn gewoonweg geen oplossingen voor uitgezette kinderen in nood. Ik wil een echte oplossing voor deze uitgezette kinderen en teruggekeerde kinderen. De mogelijkheid moet er zijn om de hulp van Nederland in te schakelen als dat nodig is.

De voorzitter: Ik waarschuw de mensen op de publieke tribune ervoor dat er straks heel lang een bel gaat. Dat is geen brandalarm, maar daarmee wordt aangegeven dat de discussie in de plenaire zaal begint. Op het moment dat die bel gaat, zullen wij even zwijgen. Ik geef het woord aan de heer Fritsma om te interrumperen.

De heer Fritsma (PVV): Ik haak aan bij het laatste deel van het betoog van mevrouw Gesthuizen. Hoe ziet die oplossing er in de visie van de SP uit? Het kan toch niet zo zijn dat, als ouders het vertikken om gehoor te geven aan hun vertrekplicht, er meteen een verblijfsvergunning moet komen voor kinderen die hier opgroeien? Dan gaan heel veel ouders hun vertrekplicht negeren, zo geef ik mevrouw Gesthuizen mee.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Ik neem aan dat iedereen zich de vraag nog goed herinnert. Het belangrijkst is dat we deze situatie in de toekomst voorkomen. Hopelijk gaat de Kindregeling daaraan heel hard bijdragen. Daarbij merk ik op dat het om kinderen gaat. Hoe lastig het misschien ook te begrijpen is, zeg ik dat het mensen zijn die niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor datgene wat er door de ouders is besloten. Het gaat om kinderen die inmiddels uitgezet zijn. Je kunt dus ook niet zeggen dat die ouders er alles aan hebben gedaan om niet mee te werken aan hun uitzettingsprocedure. Zij hebben immers wel meegewerkt. Daarom zitten ze nu in Afghanistan, Irak, Kosovo of op een andere plek. Het gaat om mensen die netjes hebben meegewerkt, maar nu blijkt dat kinderen in grote nood verkeren. Ik heb de afgelopen tijd meer dan genoeg ellende gezien. Ik heb het dan over datgene wat de PVV over ons land uitstort. Verder zeg ik dat ik heel goed begrijp dat dit er bij de heer Fritsma nooit in zal gaan. Hij heeft zijn hart namelijk heel lang geleden al gesloten voor alles en iedereen dat c.q. die enigszins humaan is. Ik wens dan ook geen antwoord meer te geven op vervolgvragen van hem.

De voorzitter: Alles mag hier gezegd worden. Dat gebeurt in immuniteit. Ik mag u echter ook vragen om dat iets minder persoonlijk te doen en het wat meer politiek te houden.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Richting de PVV!

De voorzitter: Nee, dat zeg ik tegen u. Dat zeg ik gewoon omdat we hier op een beschaafde manier met elkaar discussiëren en omdat we van mening kunnen verschillen. U hoeft zich niets van mijn oproep aan te trekken, maar ik doe die toch.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Dank u.

De voorzitter: De heer Fritsma.

De heer Fritsma (PVV): Voorzitter, ik stel geen vraag meer aan mevrouw Gesthuizen, want ik wilde het zakelijk houden. Ik stelde dan ook een zakelijke vraag, namelijk wat volgens de SP de oplossing is voor dit probleem. Nu hoor ik dat mevrouw Gesthuizen geen antwoord meer wenst te geven op vragen van de PVV. Geldt nu voor de hele SP-fractie dat PVV-vragen gewoon niet meer beantwoord worden? Of is dit alleen de ondemocratische kortzichtigheid van mevrouw Gesthuizen zelf? Mevrouw Gesthuizen hoeft geen antwoord te geven op mijn vragen. Zij wenst dat niet te doen. De situatie is dus duidelijk, maar ik vind het niet echt professioneel. Het is ronduit beschamend, kinderachtig en laag. Daar houd ik het bij, voorzitter.

De voorzitter: Ik doe dezelfde oproep aan de heer Fritsma. Ook hij hoeft zich daarvan niets aan te trekken, maar laten we gewoon proberen om het een beetje politiek en zakelijk te houden in plaats van op de man of de vrouw te spelen.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Dat geldt zeker niet voor de hele SP-fractie. Dat geldt voor dit punt. Misschien is het wel handig als de heer Wilders zelf komt. Dan kunnen we tenminste spreken met degene die het voor het zeggen heeft.

De voorzitter: Wij besluiten deze niet al te vruchtbare gedachtewisseling. Ik geef het woord aan de heer Voordewind van de ChristenUnie.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Voorzitter. Voor de duidelijkheid zeg ik dat ik ook woordvoerder ben van de ChristenUnie op asielgebied.

Ik begin mijn betoog door me aan te sluiten bij de woorden van collega Gesthuizen over Irakese asielzoekers. We konden ze net op het Plein weer ontmoeten. Zij wachten af of dat landenbeleid gaat veranderen. Kan de Staatssecretaris zeggen wanneer dat nieuwe ambtsbericht aan de Kamer zal worden gestuurd?

Ik kom op de Syrische vluchtelingen. Inmiddels zijn meer dan 2 miljoen Syriërs op de vlucht. De Partij van de Arbeid en de ChristenUnie hebben daarover gezamenlijk een motie ingediend. Dit heeft een relatie met een brief die gisteravond is binnengekomen, dus ik vraag de voorzitter of ik daarover een opmerking mag maken.

De voorzitter: Eigenlijk mag dat niet. U had dat aan het begin van de vergadering moeten doen, procedureel. Dan hadden we die brief aan de agenda kunnen toevoegen. Nu ik rondkijk, zie ik echter niet dat er veel bezwaar is tegen het iets zeggen over die brief. Ik verzoek u wel om dat de volgende keer via de geëigende procedures te doen.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Voorzitter, u hebt helemaal gelijk.

De brief is gisteravond binnengekomen. Ik neem echter aan dat de collega's deze hebben gelezen en dat in ieder geval de Staatssecretaris de inhoud kent. Ik neem namelijk aan dat hij die brief geschreven heeft. In die brief schrijft de Staatssecretaris eigenlijk dat hij het niet ziet zitten om te kijken naar mogelijkheden tot verruiming van het visabeleid inzake het «bezoeken» van familieleden. Ik verzoek hem toch om daar alsnog naar te kijken, gezien het feit dat Duitsland en Oostenrijk op dit moment natuurlijk ook duizenden vluchtelingen uit Syrië opnemen. Voor zover ik weet, doen zij dat onder gelijkluidende omstandigheden: ze zitten met dezelfde dilemma's dan die welke door de Staatssecretaris worden aangegeven. Ik begrijp die deels. De Staatssecretaris vreest dat Nederland overspoeld wordt met Syrische vluchtelingen. Er worden echter al zo veel vluchtelingen in de regio opgenomen. Dit is ook de eerste prioriteit van dit kabinet. Daarvoor hebben wij ook altijd aandacht gevraagd maar de oorlog duurt, zoals de Staatssecretaris weet, inmiddels twee jaar en er is nog geen vooruitzicht op vrede in dat land. Mocht de Staatssecretaris toch zeer beducht zijn, dan doe ik de suggestie om te kijken naar een jaarlijks quotum voor het «bezoeken» van familieleden. Is hij bereid om op die manier een beperkt aantal mensen toe te laten. Denk met name aan oudere mensen of jonge kinderen die hier tijdelijk bij familie zouden kunnen komen en aan zieke mensen.

Ik kom op de tweede motie. Ik begrijp dat de Staatssecretaris als het gaat om verruiming van het quotum van 500 met 250 Syrische vluchtelingen, contact zal opnemen met UNHCR. Dat heeft hij de laatste keer ook gezegd. Ik begrijp van UNHCR echter dat dit nog niet gebeurd is. Wat is de reden en hoe kunnen we daarover snel duidelijkheid krijgen? UNHCR moet een en ander immers wel voorbereiden voor volgend jaar.

Ik ga in op de verdwijningen van de minderjarige asielzoekers. In zijn brief schrijft de Staatssecretaris dat de situatie niet geheel te overzien is, dat ze soms naar vrienden of familie gaan. Maar ook dat weten we niet, omdat simpelweg niet bekend is waar ze precies naartoe gaan. Wil de Staatssecretaris deze kinderen, omdat zij onder toezicht van de overheid staan, niet gelijk behandelen als Nederlandse vermiste kinderen, dan betekent dit dat er altijd een melding bij de politie moet worden gedaan en dat er dus gekeken moet worden naar waar de kinderen precies verblijven. Er moet dan dus actief aan opsporing worden gedaan.

Eerder heeft de Kamer gesproken over de grootschalige campussen. Waarom wordt er geen gebruik gemaakt van de veel goedkopere en persoonlijke pleeggezinnen als het gaat om de amv's?

In het programma van de VARA onder de titel «Uitgezet» hebben UNHCR en onderzoekers van de Universiteit Groningen methodes ontwikkeld om na te gaan hoe deze kinderen in beeld kunnen komen en op welke wijze ervoor gezorgd kan worden dat de kinderrechten gegarandeerd zijn. Zij hebben een kinderrechtentoets voorgesteld en ze hebben voorgesteld om die een formele plaats te geven in de asielprocedure. Graag wil ik daarop een reactie van de Staatssecretaris.

Ik ga in op de behandeling van de kinderen. Politie en marechaussee worden ingezet op momenten waarop kinderen worden uitgezet. We hebben gehoord dat kinderen met handen en hoofd tegen de muur aan worden gezet en dat er op pittige wijze wordt gefouilleerd. Moeten we zo met kinderen in Nederland omgaan? Waarom mogen zij niet gewoon met andere mensen inburgeren? Waarom wordt dit soort zaken niet door professionals, zorgverleners, uitgevoerd in plaats van dat kinderen met geweld worden uitgezet? Kan de Staatssecretaris hier een humaner asielbeleid tegenover stellen?

Ik ga door met mijn laatste onderwerp, namelijk het quotum voor illegalen.

De voorzitter: Dat moet u wel kort houden.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Ik zie dat ik nog een halve minuut heb.

De voorzitter: Daar maken we één minuut van.

De heer Voordewind (ChristenUnie): We hebben een reactie van de Staatssecretaris gekregen op het illegalenquotum. Hij zegt dat er na het indienen van de motie van de Partij van de Arbeid en de ChristenUnie niets zal veranderen. Hij zegt dat hij niet op illegalen jaagt en dat hij dat ook niet zal gaan doen. In de motie wordt echter juist aan de Staatssecretaris gevraagd om geen actief opsporingsbeleid meer te hanteren voor niet-strafrechtelijken. De Staatssecretaris reageert in zijn brief dat hij illegalen met een lichte maatregel, overlastgevende illegalen, alsnog actief zou willen opsporen. Dat is echt niet in lijn met de motie van de Partij van de Arbeid en de ChristenUnie. Ik verzoek de Staatssecretaris dan ook om naar die aspecten te kijken. Als het gaat om «strafrechtelijken» – criminele illegalen – zou de Staatssecretaris natuurlijk actief opsporingsbeleid moeten loslaten. Dat geldt echter ten aanzien van elke crimineel. Als het echter gaat om mensen die zich bijvoorbeeld een keer niet melden, betreft het een heel andere zaak dan dat iemand echt criminele activiteiten ontplooit.

Ik moet mij overigens verontschuldigen, omdat ik straks naar het debat over de onderwijsbegroting moet in de plenaire zaal. De medewerker zal echter actief meeluisteren.

De voorzitter: Ik geef het woord aan mevrouw Maij voor een interruptie.

Mevrouw Maij (PvdA): Niet zozeer een interruptie, maar een feitelijkheid. Wij hebben de motie gesteund, maar we hebben die niet mede-ingediend.

De voorzitter: Dit is genoteerd. Ik geef het woord aan de heer Fritsma van de PVV-fractie.

De heer Fritsma (PVV): Voorzitter. Vooraf merk ik op dat ik met plezier vragen beantwoord van iedereen. Zo werkt dat namelijk doorgaans in een nationaal parlement.

Dat overleg gaat onder meer over de terugkeer van illegalen naar de landen van herkomst. Wij weten dat dit al heel lang de achilleshiel is van het vreemdelingenbeleid. Dit is de laatste tijd niet verbeterd. Sterker nog, onder dit kabinet zien we een ware implosie van de terugkeercijfers. Zowel de gedwongen terugkeer als de vrijwillige terugkeer is met tientallen procenten afgenomen. Zover had het natuurlijk nooit mogen komen en het moet een absolute topprioriteit zijn voor de Staatssecretaris om dit zo snel mogelijk recht te trekken. De hamvraag is nu echter of hij dat wel kan. Op deze vraag wil ik een serieus antwoord van hem nu is gebleken dat een linkse meerderheid het illegalenquotum van tafel heeft geveegd. Collega Voordewind had het er net al over. De creatieve doelstelling van de politie, inhoudende dat jaarlijks duizenden illegalen worden overgedragen aan de Dienst Terugkeer en Vertrek, werd door de Staatssecretaris altijd verdedigd. Dit werd zelfs als noodzakelijk gezien. Een aangenomen motie van de ChristenUnie die ook door de PvdA is gesteund, moet daaraan een einde maken. Links heeft illegalen in Nederland helaas vrij spel gegeven en de Staatssecretaris staat erbij en kijkt ernaar. Helaas is hij kennelijk niet bij machte om zijn visie te verdedigen bij de eigen coalitiepartijen. Dat geeft natuurlijk te denken. Om te weten hoe het vreemdelingenbeleid in Nederland vorm krijgt, kun je dus in plaats van hier te zitten, beter kijken wat de PvdA bij de stemmingen doet. Die partij gaat namelijk – het is niet de eerste keer dat dit gebeurt – lijnrecht in tegen datgene wat de Staatssecretaris zegt en vindt. Ik vraag nogmaals of hij binnen deze context bij machte is om de terugkeercijfers op orde te krijgen.

De PVV heeft er eerder al op gewezen dat het beperken van de vreemdelingendetentie ook niet bepaald helpt om die terugkeer op orde te krijgen. Ook dat is een nuttig instrument om illegaliteit aan te pakken dat gewoonweg wordt uitgekleed. Ditmaal gebeurt dat overigens op initiatief van de Staatssecretaris zelf. Vreemdelingenbewaring zou nog wel worden «toegepast» bij criminele en overlastgevende illegalen, maar zelfs dat blijkt in de praktijk niet te werken. Zie de terechte woede van Rotterdamse marktkooplieden die een agressieve illegale dief een week na zijn arrestatie op dezelfde plek opnieuw betrapte op diefstal. Een gefrustreerde politieman stelde op Twitter dat hij dit soort dingen niet meer uit kan leggen. Ik vraag mij af of de Staatssecretaris dat wel kan. Hoeveel van dit soort criminelen zonder verblijfsrecht lopen er ongeveer rond in Nederland? Hoeveel van die personen worden vastgezet en hoeveel van hen worden uiteindelijk uitgezet? Graag wil ik helderheid hierover.

Ik kom op de bewoners van de vluchtkerk, of hoe de kraakpanden ook mogen heten. Dit wordt echt een gebed zonder eind waaraan de Staatssecretaris echt een eind moet maken. Overigens kan ik me niet voorstellen dat de linkse partijen het nog steeds voor deze illegalen opnemen, want kijk wat er gebeurt! De Dienst Terugkeer en Vertrek heeft deze mensen herhaaldelijk uitgenodigd om over de mogelijkheden of onmogelijkheden van terugkeer te praten en de respons hierop was 0,0: Niemand wilde dus met deze dienst in gesprek. Vervolgens is uit coulance ook nog aangeboden dat via VluchtelingenWerk naar mogelijke relevante verblijfsgronden et cetera wordt gekeken, maar ook hier is niet aan meegewerkt. Wie houdt dan nog vol dat deze mensen wel terug willen maar dat zij niet terug kunnen keren? Dat is dan onzin en misleiding.

Ik vraag de Staatssecretaris waarom deze mensen niet worden aangepakt, waarom zelfs kraakacties worden getolereerd, terwijl kraken een misdrijf is. Waarom wordt het kraakverbod niet gewoon gehandhaafd ten opzichte van deze mensen, ook gelet op het feit dat een gepleegd misdrijf meteen voor jaren een afwijzingsgrond is voor een verblijfsaanvraag?

Een ander belangrijk punt is de weigering van Irak om mee te werken aan gedwongen terugkeer van eigen onderdanen. Dit is een groot probleem. Afgesproken is dat Irak hieraan wel meewerkt in ruil voor 5,5 miljoen euro. Die afspraak is echter gewoonweg niet nagekomen. Is die 5,5 miljoen euro als gevolg daarvan al teruggevorderd? Nog belangrijker is, te weten wat nu de stand van zaken is. Hoe zet de Staatssecretaris Irak onder druk om medewerking bij uitzettingen te verkrijgen? Ten overvloede merk ik op dat de houding van Irak ten opzichte van Nederland niet te tolereren is. Er zijn Nederlandse militairen in dit land gesneuveld. We hebben ter waarde van 256 miljoen euro schulden kwijtgescholden aan Irak en nu krijgen we dus stank voor dank.

Ik stel een vraag over de uitspraak van het Hof van Justitie van de EU. Die komt erop neer dat alleenstaande minderjarige asielzoekers niet meer teruggestuurd kunnen worden naar het land waar ze als eerste een asielverzoek hebben ingediend. Wat betekent dit concreet voor Nederland? Hoeveel amv's betreft dit normaal gesproken op jaarbasis? Erkent de Staatssecretaris dat deze uitspraak het «asielshoppen» verergert? Ben je als alleenstaande meerjarige vluchteling (amv) afgewezen in het ene land, dan kun je nu gewoon rustig doorreizen naar het andere land om het nog een keer te proberen, zonder dat je wordt teruggestuurd. Dit is toch slecht nieuws? Graag wil ik een reactie hierop.

Ik rond af met de bevindingen van de CITT. Hieruit blijkt dat nog steeds zo'n 200 uitzettingen worden geannuleerd door bijvoorbeeld procedurestapelen. Hoe is het mogelijk dat dit aantal nog zo hoog is en wat doet de Staatssecretaris om dit probleem te bestrijden?

Mevrouw Gesthuizen (SP): Ik heb een beetje geturfd. Het hele betoog van de heer Fritsma is doorspekt met de woorden «crimineel», «agressief», «misdrijven» et cetera. In de context van het feit dat we net opgeroepen zijn vanuit Europa – die oproep had betrekking op bepaalde politici – om ons niet altijd zo verschrikkelijk stigmatiserend uit te laten over buitenlanders. Moet ik het betoog van de heer Fritsma zien als een signaal dat hij dit advies volkomen van tafel veegt, of is hij er gewoon nog niet helemaal uit en kunnen we op een later moment verwachten dat de PVV met een reactie daarop komt? Ik vraag dat ook omdat er afgelopen week tijdens een demonstratie neonazistische uitingen zijn gedaan door een lid van de PVV-fractie.

De voorzitter: Ik geef het woord aan de heer Fritsma, die al eerder aankondigde geen enkele vraag te schuwen.

De heer Fritsma (PVV): Dat klopt voorzitter. Ik geef graag antwoord. Ik zeg nogmaals dat mevrouw Gesthuizen helaas geen vragen van mij meer wil beantwoorden. Dat is helaas niet anders. Ik laat waardeoordelen ditmaal achterwege en geef antwoord op de vraag van mevrouw Gesthuizen of de PVV dat rapport van tafel veegt. Het antwoord op die vraag is ja. Het was namelijk een verschrikkelijk politiek correct onzinrapport. Wij vegen dat natuurlijk van tafel.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Voorzitter, zou ik de bal een beetje terug mogen kaatsen? De heer Fritsma zegt nu dat ik iets doe wat hij nooit zal doen.

De voorzitter: U vraagt mij iets. Het antwoord is dat dit mag, mits dat binnen de agenda valt. Daar ga ik goed op letten.

Mevrouw Gesthuizen (SP): De heer Fritsma zegt dat de PVV dat rapport van tafel veegt. Laat ik daarover geen vragen stellen, want dat rapport staat niet op de agenda. Ik maak er alleen een korte opmerking over. Het wordt dan wel erg lastig voor Nederland om andere landen aan te spreken op het moment dat zij een berisping krijgen en zij zich bijvoorbeeld niet aan de regels houden op het gebied van rechtspraak, vrijheid van meningsuiting of persvrijheid.

De voorzitter: Ik hoorde geen vraag, maar de heer Fritsma mag iets zeggen. Als hij dat niet doet, geef ik het woord aan de heer Sjoerdsma van D66.

De heer Sjoerdsma (D66): Voorzitter. Twee weken geleden sprak de Kamer uitgebreid met deze Staatssecretaris over zijn nieuwe visie. In dat debat beloofde hij van alles over grensdetentie, visitatie en de Kinderombudsman. D66 wacht met belangstelling af wat het kabinet precies gaat doen, maar gisterenavond was er wel al de eerste teleurstelling, namelijk een brief over de Syrische vluchtelingen. Om twee voor twaalf kwam die nog eventjes binnen: er komt geen speciale regeling voor de tijdelijke opvang van familieleden van Syriërs. D66 wil wel graag dat die er komt. Zij vindt de argumentatie van het kabinet dun en zeker niet ruimhartig te noemen.

Voor vandaag hebben wij vier andere punten, te weten: kinderen in de cel, kwetsbare groepen in de cel, de Commissie Integraal Toezicht en Terugkeer en Indigo.

D66 bedankt de Staatssecretaris voor zijn gesprek met de Coalitie Geen Kind in de Cel. Hij had ons dit toegezegd en beloofde ons om hierover half januari te rapporteren. Daar keek ik naar uit. Mijn fractie herhaalt nogmaals dat grensdetentie duur is, dat deze onnodig is en schadelijk voor kinderen. Dat geldt zeker voor jonge kinderen. En deze is niet effectief. Zestig gezinnen werden in de eerste helft van 2013 in grensdetentie geplaatst en geen enkel gezin is vanuit grensdetentie teruggekeerd naar het land van herkomst. Ze zijn allemaal uitgeplaatst naar reguliere asielzoekerscentra. Vindt de Staatssecretaris dit effectief en is hij bereid om een pilot te starten om geen kinderen meer in grensdetentie te plaatsen? De lijn van D66 is wat dit betreft helder: kinderen horen niet thuis in de cel.

D66 wil ook niet dat andere kwetsbare groepen in de cel terechtkomen. De Staatssecretaris beloofde eerder al om kwetsbare groepen zo min mogelijk in vreemdelingenbewaring te plaatsen. Mooi!. Gisteren hoorden wij echter van Amnesty International over een bejaarde Irakese asielzoeker van 81 jaar oud in een rolstoel die in vreemdelingenbewaring is geplaatst. Klopt dat echt? Zo ja, hoe kan dit?

Ik kom op CITT. We hebben met interesse de reactie van de Staatssecretaris gelezen. Bijzondere aandacht voor de overdracht van medische gegevens is hard nodig. D66 ondersteunt dit volledig. Het kabinet zegt dat ketenbrede invoering van digitaal werken en volledige gedigitaliseerde informatie-uitwisseling enkele jaren gaan duren. Wat is enkele jaren? Hoe gaat de Staatssecretaris garanderen dat de informatie-uitwisseling in de tussentijd gegarandeerd wordt? Wat zijn de risico's voor de komende jaren, zoals er nog geen eenduidige informatie-uitwisseling is?

Tot slot merk ik op dat collega Schouw in het vorige debat aandacht vroeg voor de kosten van Indigo. De Staatssecretaris heeft daaraan aandacht besteed en zegt dat het project duurder is uitgevallen vanwege allerlei redenen. Het is goed dat het lek is gevonden. Kan de Staatssecretaris echter ook garanderen dat het vanaf 2013 bij het geraamde bedrag van 30 miljoen per jaar zal blijven, of zal het weer duurder uitvallen?

De voorzitter: Ik geef het woord aan de heer Van Ojik van de GroenLinks-fractie.

De heer Van Ojik (GroenLinks): Voorzitter. Ik zeg alvast dat ik op een gegeven moment zal worden afgelost door mevrouw Voortman. Dat gebeurt niet omdat ik het debat niet interessant vind, maar ik ga dan iets anders doen. U weet dat een kleine fractie altijd moet roeien met de riemen die zij heeft.

Dan snel over naar de inhoud.

De Staatssecretaris gaat ervan uit dat uitgeprocedeerde vreemdelingen die willen terugkeren naar hun land van herkomst, dat ook daadwerkelijk kunnen. De praktijk is echter veel weerbarstiger. Het buitenschuldbeleid is aangepast. Kan dit buitenschuldbeleid op enigerlei wijze een oplossing bieden voor deze groepen mensen, van wie die groepen in Amsterdam en Den Haag het topje van de ijsberg zijn? Met het plan om illegaliteit strafbaar te stellen, wordt het probleem niet opgelost. De strafbaarstelling draagt op geen enkele manier bij aan een verbeterde of versnelde terugkeer en de komst van mensen hiernaartoe wordt er ook niet door beperkt. Het heeft alleen als resultaat dat uitgeprocedeerden in een nog uitzichtlozere positie terecht zullen komen.

Ik wil een paar opmerkingen maken over de alleenstaande, minderjarige asielzoekers. Zij zijn extra kwetsbaar en hebben op grond van het internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind recht op bijzondere bijstand en bescherming. Hun verblijf in grootschalige opvanginstellingen, in de procesopvanglocaties en op de campussen brengt schade toe aan de kinderen. Te vaak verhuizen veroorzaakt hechtingsproblemen en belemmeringen om een vertrouwensrelatie om te bouwen. De Staatssecretaris zegt dat wordt geprobeerd om daar van alles en nog wat aan te doen. We zien dat er heel veel kinderen verdwijnen. Ik meen dat het om 300 kinderen in de laatste twee jaar gaat. De Staatssecretaris zegt dat het niet zeker is dat het met die kinderen slecht is afgelopen, dat we niet precies weten waarom ze zijn verdwenen. Maar stel je voor dat het om Nederlandse kinderen zou gaan. Het land zou te klein zijn. Ik denk dat we op dit punt meer zekerheden nodig hebben en vraag de Staatssecretaris om daarop te reageren. De fractie van GroenLinks maakt zich in ieder geval grote zorgen over deze kinderen.

Ik heb nog een paar opmerkingen over de problematiek van de vluchtelingen in Syrië. Mijn collega's hebben daar ook al over gesproken. De vluchtelingenstroom heeft de laatste weken veel aandacht gekregen vanwege de grote humanitaire ramp in Lampedusa. Minister Timmermans heeft in debatten over de eventuele verruiming van de opvang gezegd dat wij de situatie van vluchtelingen in Syrië en de opvang in de regio van dag tot dag moeten wegen. Leidt dat van dag tot dag wegen, wetende hoe de situatie nu in de vluchtelingenkampen in de omringende landen is, tot een andere afweging? Kan dat leiden tot een ruimhartiger opvang? Ik verwijs daarbij ook graag naar de brief die gisteravond is ontvangen over de tijdelijke opvang van familieleden hier.

Ik wil ten slotte nog iets zeggen over Lampedusa. De situatie op Lampedusa is vorige week op de Europese top besproken. Ik heb mij eerlijk gezegd toch wel verbaasd over wat ik in de krant heb gelezen als verslag van die Europese top. De Commissie had in feite bepleit om de legale opvang in Europa te verruimen, zodat dergelijke verschrikkelijke toestanden met die schepen minder zouden voorkomen. Onze Minister-President heeft na afloop gezegd: dat gaan we niet doen, want Nederland neemt al bovenproportioneel vluchtelingen op.

De voorzitter: Kan het zijn dat u nu een punt bespreekt dat niet op deze agenda staat, maar op die van de JBZ-Raad?

De heer Van Ojik (GroenLinks): Dat zou kunnen.

De voorzitter: Als u het kort houdt, kunt u misschien uw punt maken.

De heer Van Ojik (GroenLinks): Ik stel het aan de orde omdat het naar mijn vaste overtuiging verband houdt met de opvang van vluchtelingen uit Syrië in de regio en, voor zover die op grenzen stuit, de trek van de vluchtelingen naar Europa. Die twee onderwerpen liggen volgens mij vrij logisch in elkaars verlengde.

De voorzitter: We moeten wel een beetje oppassen dat we niet iedere keer van alles eronder schuiven.

De heer Van Ojik (GroenLinks): Ik ben in twee zinnen klaar. Ik wil de Staatssecretaris vragen naar de argumentatie die de Minister-President – als ik de krant mag geloven – heeft gebruikt. Hij heeft gezegd: wij gaan niet meewerken aan een ruimhartige opvang, want wij doen al bovenproportioneel veel. Dat blijkt dan uit het feit dat wij evenveel vluchtelingen opvangen als België. In België worden veel meer asielverzoeken gedaan. Het feit dat wij met minder asielverzoeken evenveel mensen opnemen, betekent dus dat wij al bovenproportioneel veel doen? Zo lust ik er nog wel een paar! Als we de begrippen «proportioneel», «bovenproportioneel» of «onderproportioneel» gaan duiden aan de hand van het aantal asielaanvragen, dan gaat het ontmoedigen van een asielaanvraag nog meer lonen. Dan doe je immers al heel snel bovenproportioneel veel ten opzichte van het aantal aanvragen dat wordt gedaan. Ik hoop dat de Minister-President op dit punt verkeerd geciteerd is. Kan de Staatssecretaris hierop reageren?

Mevrouw Maij (PvdA): Voorzitter. Er staan vandaag veel zaken op de agenda. De PvdA wil er vandaag vier zaken uitlichten: terugkeer, de medische zorg, amv's en de Syrische vluchtelingen.

Graag begin ik met het onderwerp terugkeer en de Strategische landenbenadering die in de brief van de CITT wordt genoemd. Terugkeer is de achilleshiel van het vreemdelingenbeleid. Ook wanneer de toelatingsprocedures optimaal, vlot en zorgvuldig zijn, zal een deel van de vreemdelingen een negatieve beslissing niet kunnen accepteren. Dit is begrijpelijk, maar maakt het zeer ingewikkeld voor de diensten van de Staatssecretaris om met de individuele vreemdeling aan terugkeer te werken. Feitelijk zijn twee elementen van belang: een goede migratierelatie met het land van herkomst en een goede relatie met het individu dat moet terugkeren. Beide hebben extra aandacht nodig.

De Staatssecretaris geeft in de brief naar aanleiding van het jaarverslag van de CITT aan dat hij de Kamer zal informeren over de vorderingen op het gebied van de Strategische landenbenadering. De PvdA wil de Staatssecretaris vragen hoe het hier nu mee staat. Welke vorderingen zijn er sinds maart van dit jaar gemaakt? Hoe staat het met de Europese samenwerking jegens de landen waar de Staatssecretaris op inzet? Kan hij aangeven met welke Europese landen hij samenwerkt ten aanzien van welke landen van herkomst? In het verlengde hiervan wil ik de Staatssecretaris aanmoedigen om iets minder terughoudend te zijn bij het vasthouden aan de bestaande formule voor landeninformatie en algemene ambtsberichten. Deze bevatten immers niet alleen informatie voor de toelatingsprocedure, maar ook voor de terugkeerprocedure. Beide procedures zullen een meer eensluidende en Europese aanpak moeten hebben. Wanneer de Staatssecretaris vasthoudt aan de Nederlandse wijze van algemene ambtsberichten, die – zoals hij schrijft – in essentie bijvoorbeeld afwijken van de Britse, zal het niet snel tot een Europees landeninformatiesysteem komen. Welke pilots zijn er om wel tot zo'n Europees landeninformatiesysteem te komen, juist ook omdat het belangrijk is om een Europees asiel- en migratiebeleid te hebben? Wanneer kan de Kamer daarover geïnformeerd worden en de eerste voorbeelden verwachten?

Ik wil ten slotte bij dit thema nog even kort ingaan op de relatie met de individuele vreemdeling die moet terugkeren. Ik wil de Staatssecretaris aanmoedigen om tot een oplossing te komen voor de mensen die zich in de diverse vluchtkerken en vergelijkbare situaties bevinden. De PvdA pleit voor een persoonlijke aanpak voor iedereen die zich in deze situatie bevindt, ook omdat de winter er weer aankomt. Zij wil dus geen groepsaanpak. Ik ben me ervan bewust dat het heel ingewikkeld is, maar dat mag de overheid niet van de plicht ontslaan om met deze mensen in gesprek te gaan en tot een oplossing te komen.

Een volgend punt is de situatie van de Syrische vluchtelingen. Wij hebben die situatie vorige week tijdens een werkbezoek van de vaste commissie voor Europese Zaken in een kamp in Zuid-Turkije kunnen zien. Dat was in Nizip, vlakbij Gaziantep. In deze stad leven ongeveer 1.000 Syriërs. Verreweg de meesten van hen wonen in de stad zelf, in huizen en appartementen die zij zelf huren. Maar ongeveer 30.000 mensen bevinden zich in diverse kampen rondom de stad. De Turkse overheid verdient een groot compliment voor de wijze van opvang in de kampen rondom deze stad, maar de situatie is zorgelijk. Mensen vluchten nog steeds en zeker vanuit Libanon en Jordanië komen geluiden dat deze landen de opvang nauwelijks meer aankunnen. In het debat over de opvang van de Syrische vluchtelingen heeft de PvdA voor ruimhartigheid gepleit op een viertal terrein. Dat is ten eerste de financiële bijdrage voor de opvang in de regio. De PvdA vindt het positief dat Nederland een grote donor is en ruimhartig bijdraagt. De PvdA verwacht ook van de regering dat zij dat in 2014 blijft doen. Ik noem ten tweede de hervestiging op verzoek van UNHCR. De regering neemt verantwoordelijkheid. Nederland neemt ongeveer 10% van het gevraagde aantal op. De PvdA blijft graag op de hoogte van de vordering van de hervestigingsmissies. Ook collega Voordewind heeft hier al enkele vragen over gesteld. Kan de Staatssecretaris meer informatie verschaffen over de planning hiervan? Ik noem ten derde een snelle en ruimhartige beoordeling van Syriërs die zich voor asiel in Nederland melden. De regering pakt dit vlot op. Eerder sprak de Staatssecretaris over ongeveer 100 aanvragen per maand, maar in de brief van gisteravond wordt al gesproken over ongeveer 300 aanvragen per maand. Kan de Staatssecretaris in de volgende Rapportage Vreemdelingenketen hier expliciet aandacht aan geven? De PvdA heeft ten slotte ook gevraagd om een ruimhartig tijdelijk verblijf voor mensen die bij hun familie op adem willen komen. Hierop is het antwoord van de Staatssecretaris helder, maar het is niet het antwoord waarop ik had gehoopt. Hij zegt feitelijk dat binnen de Nederlandse wet- en regelgeving geen tijdelijk verblijf kan worden vastgelegd of kan worden gewaarborgd. Ik wil de Staatssecretaris vragen om meer in algemene zin de bezwaren en belemmeringen uit te diepen en de Kamer hiervan op de hoogte te stellen en meer inzicht te geven in wat dan de Europese verschillen zijn. Hoe regelt bijvoorbeeld Duitsland of Oostenrijk dit juridisch? Die landen zouden toch tegen dezelfde problemen aan moeten lopen.

Een volgend punt betreft de positie van alleenstaande minderjarige vreemdelingen. De PvdA heeft hier al vaak aandacht voor gevraagd. Deze zomer is de herijking van een nieuw amv-beleid in werking getreden. Wij lezen in de brief van de Staatssecretaris dat er jaarlijks zo'n 150 amv's uit de opvanglocaties verdwijnen.

De voorzitter: Ik wil u even onderbreken om u erop te wijzen dat u aan uw tijd bent. U hebt echter nog twee onderwerpen te behandelen. Als u die allebei nog wil behandelen, moet u echt even tempo maken. Ik geef wat extra tijd, maar niet te veel.

Mevrouw Maij (PvdA): Dank u wel. De PvdA heeft eerder een motie ingediend om amv's meer in pleeggezinnen op te vangen, zodat beter gewaarborgd is dat zij zich niet aan het toezicht kunnen onttrekken of kunnen verdwijnen. Kan de Staatssecretaris aangeven hoe het met de uitvoering van deze motie staat?

Ik zeg ten slotte nog iets over de medische zorg. Ik wil nog even twee punten maken. De Staatssecretaris geeft aan dat medische zorg voor vreemdelingen belangrijk is, maar dat hij zich niet kan vinden in de conclusie dat ongeveer 20% van de ongedocumenteerde vreemdelingen die medische zorg wordt ontzegd. Is de Staatssecretaris bereid om uit te zoeken om hoeveel personen het dan wel ongeveer gaat en welke mogelijkheden ongedocumenteerden hebben om in beroep te gaan tegen bijvoorbeeld een beslissing dat bepaalde zorg niet medisch noodzakelijk is?

Mijn laatste punt betreft de motie-Spekman inzake de opvang van zieke vreemdelingen. Heeft de Staatssecretaris al indicaties dat de uitvoering van dit beleid tot een beter resultaat heeft geleid? Wanneer reageert hij op de brief van de ombudsman over de uitvoering van de motie-Spekman?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Voorzitter. Ik maak eerst een korte inleidende opmerking. We kunnen ons over het algemeen goed vinden in de positie die de Staatssecretaris inneemt in de diverse brieven die we vandaag op de agenda hebben staan. We zullen een paar zaken aflopen, maar mijn fractie heeft inmiddels wel de behoefte om een andere inleidende opmerking te maken. Uit de diverse brieven blijkt dat ons asielbeleid met enige regelmaat door bepaalde personen of organisaties als inhumaan en soms zelfs als onmenselijk wordt gekenschetst. Die termen worden bijvoorbeeld gebezigd in de brief van Kerk in Actie en in de brief van de werkgroep Kind in azc. Natuurlijk moeten we altijd openstaan voor verbeteringen, natuurlijk gaan er dingen mis, maar ik wil vandaag wel aangeven dat het ook onrecht doet aan al die mensen in de keten die heel goed werken en proberen om het zorgvuldig te doen. Zij worden soms als boemannen weggezet. Dat vind ik onterecht. Ik denk derhalve dat het goed is om daar vandaag ook even iets over te zeggen. Of het nu in de centra is, bij de IND of op het ministerie, het zijn ook allemaal mensen die uiteindelijk proberen om het op een goede manier te doen. Dat mag ook wel eens gezegd worden!

We constateren dat er in diverse kritieken toch wel sprake is van een onderbelichting van de eigen verantwoordelijkheid. Ik heb het dan over de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdelingen, de asielzoekers, en de eigen verantwoordelijkheid van ouders. Ook dat baart ons zorgen, zeker wanneer we even terugkijken naar het rapport dat in 2001 door Staatssecretaris Kalsbeek is uitgebracht. Daarin stond terecht dat kinderen nooit een ticket voor verblijf mogen worden. Het blijft natuurlijk altijd een spanningsveld, er zijn dingen die niet goed gaan, maar ook dat mogen we af en toe wel in herinnering roepen. Ik wijs erop dat 60% van de mensen binnen acht dagen uitsluitsel krijgt over hun verzoek. Na afwijzing wordt altijd geprobeerd om mensen ook daadwerkelijk te helpen. Nogmaals, dingen gaan niet altijd goed, maar dit soort dingen mag ook gezegd worden, ook ten aanzien van het jaarverslag van de CITT en de brieven van de Inspectie Veiligheid en Justitie en de Inspectie voor de Gezondheidszorg over de honger- en dorststakers.

Er zijn ook dingen die misgaan waar we aandacht voor moeten hebben. Ik noem bijvoorbeeld de zorg die altijd blijft bestaan over de medische problematiek. Er wordt hier en daar wel gezegd dat het beter gaat, maar de Staatssecretaris neemt – niet ten onrechte – de aanbevelingen wel over. Er wordt zorgvuldig geopereerd, maar het gaat af en toe fout. Mensen met een ernstige medische problematiek worden soms teruggestuurd naar hun land. Ik vind dat daar echt heel kritisch naar gekeken moet blijven worden. Het is derhalve goed dat de Staatssecretaris de aanbevelingen overneemt.

Een ander zorgpunt betreft de alleenstaande minderjarige asielzoekers. Er moet worden gekeken naar de mogelijkheid om die kinderen of jongeren op te vangen op een plaats die beter voor hen geschikt is. Wij hebben daar terecht ook al eerder over gesproken. Er is echter nog iets bijzonders aan de hand, waar we eigenlijk nog niet zo veel aandacht aan hebben besteed. Dat is de laatste uitspraak van het Europees Hof. Daarin wordt voor de amv's een heel andere beleidslijn ten aanzien van het Dublin-verdrag gekozen. Het komt erop neer dat als jongeren op diverse plaatsen een verzoek hebben gedaan, de meest recente aanvraag, dus de laatste plaats, moet worden beoordeeld. Hoe verhoudt dat zich tot de afspraken die we onlangs hebben gemaakt en de samenwerking met andere landen? Wat is de impact van die uitspraak? Dat is toch wel een zorgpunt. Ik stel deze vraag ook met het oog op het feit dat er op deze uitspraak kan worden ingespeeld door mensen die juist van deze kwetsbare doelgroep voordeel willen hebben. Dat zijn de mensenhandelaren. Ik lees toevallig net dat de rapporteur mensenhandel heeft gezegd dat Nederland daar heel goed bovenop zit. Dat is een compliment. We moeten er wel op blijven letten.

Ik kom te spreken over de Strategische landenbenadering migratie. De Staatssecretaris heeft de Kamer daarover geïnformeerd bij brief van 3 juli, maar het is eigenlijk nog niet geheel duidelijk. De Staatssecretaris is wel op een paar punten ingegaan, maar hij heeft nog steeds niet aangegeven wat nu werkelijk de terugnamebereidheid van een aantal landen is en of en hoe die bereidheid is toegenomen. Wat zijn nu de werkelijke resultaten daarvan? Leidt dat nu uiteindelijk tot iets concreets? Hoe worden nu gezamenlijke acties ondernomen?

Ik ben toe aan mijn laatste punt. Voorzitter, u hebt terecht al tegen de heer Ojik van GroenLinks gezegd dat de brief over de Europese top niet op de agenda van deze vergadering staat, maar op die van het algemeen overleg ter voorbereiding op de JBZ-Raad. Wij willen echter toch graag van de Staatssecretaris horen wat zijn eigen bevindingen zijn van het overleg binnen Europa over onder meer Lampedusa. Dit punt heeft immers ook raakvlakken met de agenda van dit overleg. Wij hebben allerlei dingen in de kranten gelezen, maar wij horen het graag uit de mond van onze Staatssecretaris. Hij heeft daar zijn best gedaan. Ik weet zeker dat wij het ook van hem hier mogen horen.

De voorzitter: Even formeel. Dat het niet op de agenda staat en dat ik indirect ook u via de heer Van Ojik toestemming geef om er vragen over te stellen, is duidelijk. Dat wil nog niet zeggen dat de Staatssecretaris er ook op moet antwoorden. Dat wil echter ook niet zeggen dat hij dat niet zou kunnen doen. Dat gaan we dus even afwachten.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Wij kennen hem!

De heer Azmani (VVD): Voorzitter. In het licht van de dalende terugkeercijfers was ik verbaasd om uit de media te vernemen dat de politie dit jaar minder illegale en criminele vreemdelingen zal oppakken dan de taakstelling die daarvoor staat. De heer Fritsma heeft hier ook al over gesproken. Vooral de reactie van het hoofd van de politie, die in mijn optiek wat gelaten was, verbaasde mij zeer. Ik hoor daarop graag een reactie van de Staatssecretaris. Ik geef meteen ook maar even een schot voor de boeg. Er zullen nieuwe afspraken moeten worden gemaakt voor 2014. De ambitie was al bijgesteld in 2013. De VVD gaat er in ieder geval van uit dat de Staatssecretaris vasthoudt aan zijn reële ambitie voor 2014.

Het eerste agendapunt is de reactie op de aanbevelingen uit het jaarverslag van de Commissie Integraal Toezicht Terugkeer. Ik heb dezelfde vraag als mevrouw Maij: hoe staat het eigenlijk met de Strategische landenbenadering? De Staatssecretaris heeft aangegeven dat hij de Kamer daarover zal informeren. Zou dat nog voor de begrotingsbehandeling kunnen? Ik zie dat de Staatssecretaris zijn hoofd schudt. Ik ben benieuwd wanneer het dan wel lukt.

Er zijn ook aanbevelingen gedaan ter verbetering van het formulier M118. De commissie had al geconstateerd dat dit nodig was. De Staatssecretaris heeft tijdens het Dolmatov-debat een aantal toezeggingen op dit punt gedaan. Wat is de stand van zaken? Er moet iets gebeuren in de keteninformatisering. Dat is een langdurig traject. Er moeten enkele verbanden gelegd worden. Hoe staat het daarmee? Worden er in de organisatie bijvoorbeeld al steekproefsgewijs interne kwaliteitsonderzoeken gedaan naar dat formulier M118? Je wilt een dergelijke situatie in de toekomst immers voorkomen.

Er zijn aanbevelingen gedaan om de tbs-behandeling en de verlofregelingen in het kader van tbs- en longstay-behandelingen meer te laten aansluiten op het vreemdelingenbeleid. De Staatssecretaris gaat er in de reactie nog van uit dat Veldzicht, die de expertise in huis heeft, wordt gesloten. Kan ik ervan uitgaan dat, nu Veldzicht blijft bestaan, die expertise daar kan worden behouden?

Ook ik wil nog iets opmerken over het arrest van het Europees Hof van Justitie. In mijn optiek heeft dit arrest vergaande consequenties voor het beleid ten aanzien van alleenstaande minderjarige vreemdelingen in relatie tot het Dublin-verdrag. In hoeverre laat het arrest ruimte open om bijvoorbeeld aanvragen versneld af te doen op het moment dat er al inhoudelijk is besloten over een aanvraag van alleenstaande minderjarige vreemdelingen in een andere EU-lidstaat? Volgens mij zit daar ruimte. Ik hoor graag een reactie van de Staatssecretaris hierop. Als die reactie nu niet kan worden gegeven, zie ik die graag op termijn schriftelijk tegemoet.

De inzet van de VVD ten aanzien van Syrië is helder. De oplossing voor een veilig heenkomen moet worden gezocht in de desbetreffende regio, niet in de laatste plaats omdat de mensen dit ook zelf willen. Wij zijn content met de brief die de Staatssecretaris gisteren heeft gestuurd. Wat zijn de actuele ontwikkelingen in het kader van de gemeenschappelijke inzet die zowel op Europees als op internationaal niveau moet gaan plaatsvinden? Is er al sprake van nieuwe ontwikkelingen op dat punt? Ik maak mij zorgen over de wijze waarop grote mogendheden zich daarvoor inzetten.

Ik wil ten slotte nog ingaan op de vreemdelingenbewaring en de bejegening van honger- en dorststakers in onder andere Dienstencentrum Rotterdam en het Justitieel Medisch Centrum. Op de agenda staat een verslag van een bezoek van de inspecties. De conclusie van de inspecties is eigenlijk dat niet is gebleken dat zich onvolkomenheden hebben voorgedaan in de medische begeleiding en dat beide centra ook op een proactieve, verantwoorde en zorgvuldige wijze contact hebben gehad met de ingeslotenen. Met de manier waarop zij bejegend zijn, wordt tegemoetgekomen aan de rechtspositie. Met andere woorden, er is sprake van humaan beleid. Ik heb hier in het algemeen overleg van 19 juni ook aandacht voor gevraagd, omdat een vertrouwensarts daar een nogal dubieuze rol in heeft gespeeld en daarbij ook de aandacht van de media heeft gezocht. De reactie van de Staatssecretaris was toen dat de zaak onder het OM was, omdat de desbetreffende vrouw ook aangifte had gedaan van mishandeling. Daarom kon de Staatssecretaris er niet veel over zeggen. Wat is de laatste stand van zaken? We laten toch niet gebeuren dat er verkeerde beelden worden geschetst van het vreemdelingenbeleid en de mensen die dat beleid uitvoeren, met alle zorgvuldigheid die daarbij wordt betracht? Ik verwijs hierbij ook naar de inbreng van mevrouw Van Toorenburg.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Ik hoorde de heer Azmani luid en duidelijk zeggen dat voor de Syrische vluchtelingen geldt dat zij ook het liefst in de regio worden opgevangen. Ik heb vorige week donderdag toevallig een aantal vluchtelingen gesproken. Tijdens die gespreken is mij daar niets van gebleken. Mensen willen weliswaar heel graag in hun eigen regio worden opgevangen zolang dat kan, maar mensen willen in de eerste plaats gewoon een veilig heenkomen. Zij willen een plek waar hun kinderen ook veilig zijn en waar, als ze er erg lang moeten blijven, ook goede voorzieningen zijn, zodat het geen weggegooide jeugd voor hun kinderen betekent. Ik heb het in dit verband over een periode van misschien wel jaren. Uit welk onderzoek is gebleken dat de Syrische vluchtelingen allemaal het liefst in hun eigen regio worden opgevangen? Dat onderzoek is wellicht door de heer Azmani zelf uitgevoerd.

De heer Azmani (VVD): Ik baseer mij op de uitspraken van Minister Ploumen die de kampen ook heeft bezocht. Tijdens die bezoeken is aangegeven dat ze dat het liefst zouden willen. Ik kan me dat ook heel goed voorstellen. Op het moment dat ik in Nederland een situatie zou moeten ontvluchten, word ik ook het liefst opgevangen in België of in Frankrijk in plaats van ergens ver weg zoals in Saudi-Arabië. Ik kan me dat heel goed voorstellen. Dat heb ik ook aangegeven in het debat over Syrië. Ik ben het uiteraard met mevrouw Gesthuizen eens dat de opvang adequaat en humaan moet zijn.

De voorzitter: Voor u nog een interruptie plaatst, wijs ik nog even op het Reglement van Orde. Daarin staat dat interrupties uit korte opmerkingen of vragen zonder inleiding bestaan.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Ik zit reeds bijna zeven jaar in deze Kamer en heb alle soorten varianten en smaken van interrupties meegemaakt. U hebt wederom volkomen gelijk. Ik heb goed geluisterd naar de woorden van de heer Azmani. Ik zou ook liever in België gaan wonen dan in Saudi-Arabië. Wat dat betreft, heeft hij dus een punt. Ik zal dit nog eens opnemen met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Verder ben ik heel erg benieuwd naar de opvatting van de Staatssecretaris op dit punt.

De voorzitter: Ik hoorde geen vraag.

De heer Fritsma (PVV): Vindt de heer Azmani dat beide coalitiepartijen nog in lijn met het regeerakkoord opereren? In het regeerakkoord staat dat bij een restrictief en rechtvaardig vreemdelingenbeleid een actief en consequent terugkeerbeleid hoort. Vloekt dat niet met de uitlatingen van mevrouw Maij van de Partij van de Arbeid in de pers over het illegalenquotum? Zij heeft gezegd dat ze blij is dat veel illegalen zonder verblijfspapieren nu gerustgesteld zijn. Zij weten nu immers dat de politie er niet op uit is om ze te pakken. Hoe verhouden die twee dingen zich tot elkaar?

De heer Azmani (VVD): De heer Fritsma zou die vraag eigenlijk aan mevrouw Maij moeten stellen.

De voorzitter: Maar hij stelt de vraag aan u.

De heer Azmani (VVD): Ik begrijp dat heel goed, maar ik ga niet over de woorden van mevrouw Maij. Ik constateer dat de uitvoering van het beleid conform het regeerakkoord gebeurt. We hebben niet louter een kwantitatieve doelstelling van 4.000, maar er wordt ook gekeken naar de kwalitatieve doelstellingen. Dan heb je het over criminele vreemdelingen, overlastgevende vreemdelingen en vreemdelingen die zich onttrekken aan toezicht. Het is dus en-enbeleid. Zo beoordeel ik het. Als mevrouw Maij daar andere uitspraken over wil doen, is dat aan haar. Het gaat mij erom dat het beleid consequent wordt gevoerd conform het regeerakkoord.

De heer Fritsma (PVV): Dan stel ik de vraag iets anders. Het kabinet heeft in lijn met het regeerakkoord aangegeven dat het illegalenquotum belangrijk is om het vreemdelingenbeleid te handhaven. Dat staat letterlijk in alle onderliggende stukken. Hoe beoordeelt de VVD-fractie het dan dat coalitiepartner PvdA bij de stemmingen gewoon een motie steunt die dat illegalenquotum van tafel wil hebben? Dat moet de coalitiepartij VVD toch pijn doen? Dat kan toch niet zomaar? Dat kan de heer Azmani toch niet goedvinden?

De heer Azmani (VVD): Ik krijg niet heel snel ergens pijn van. Afgezien daarvan, die motie is juist naar aanleiding van een suggestie van de Staatssecretaris aangepast. Ik heb het idee dat veel mensen het VAO niet hebben gevolgd. De Staatssecretaris deed tijdens het VAO de suggestie om het woord «louter» aan het dictum van de motie toe te voegen. Daarmee zou het dictum overeenkomen met de inzet van het kabinetsbeleid. Dat is ook de inzet van het regeerakkoord. Dat is de inzet dat er naast een kwantitatieve doelstelling van 4.000 voor 2013 ook kwalitatieve doelstellingen zijn. Dat andere mensen daar andere uitspraken aan ontlenen, daar ga ik niet over. Ik constateer dat de motie kan worden beschouwd als ondersteuning van het ingezette beleid. Dat is ook het beleid dat we een paar weken geleden hebben besproken in het kader van een grote koepelbrief.

De voorzitter: Daarmee is de eerste termijn van de zijde van de Kamer afgerond. Ik geef de Staatssecretaris de gelegenheid om zijn antwoord in eerste termijn voor te bereiden.

De vergadering wordt van 11.02 tot 11.15 uur geschorst.

Staatssecretaris Teeven: Voorzitter. Ik bedank de leden van deze commissie voor hun betrokkenheid bij dit onderwerp. Er is een aantal feitelijke opmerkingen gemaakt waaruit blijkt dat de leden goed geïnformeerd zijn. Ik wil beginnen met de opmerking van mevrouw Van Toorenburg. Zij spreekt haar waardering uit voor mensen die werkzaam zijn in de vreemdelingenketen en bij de ngo's. Ik deel haar constatering. Ik heb me vorige week in dat verband ook buitengewoon gestoord aan de uitlating van een asieladvocate waarin personeel van de IND werd uitgemaakt voor een stelletje fascisten die geen enkel oog zouden hebben voor het vreemdelingenbeleid. Dat soort uitlatingen stoort mij altijd buitengewoon. Als ik met dergelijke advocaten in openbare bijeenkomsten moet zitten, doe ik per saldo al niet meer mee aan het debat. Ik laat zulke mensen niet wegkomen met een dergelijke kwalificatie van het personeel van mijn diensten. Ik begrijp dus precies wat mevrouw Van Toorenburg bedoelt. Mensen krijgen soms heel wat voor de kiezen, maar zij proberen hun werk met de beste bedoelingen te doen. Nu zijn beste bedoelingen niet altijd goed genoeg, dat heb ik ook in het Dolmatov-debat gezegd, maar mensen proberen hun werk wel met ziel en zaligheid te doen. Ik sluit me dus aan bij de woorden van mevrouw Van Toorenburg daarover.

De leden hebben een aantal opmerkingen over Syrië gemaakt. Wij hebben daar natuurlijk al met elkaar over gedebatteerd. Ik heb tijdens dat overleg aangegeven dat Nederland met een bedrag van 59 miljoen een van de grootste donoren is voor Syrië. Dat bedrag is tot op heden ter beschikking gesteld aan UNHCR. het uitgangspunt is om steun te verlenen aan de opvang van vluchtelingen in de regio. Wij brengen de toegang van Syrische vluchtelingen ook onder de aandacht van autoriteiten in Jordanië. Mevrouw Gesthuizen heeft gerefereerd aan een rapport van Amnesty. Ik heb dat ontvangen en vannacht gelezen. Ik moet een reactie daarop eerst afstemmen met de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en wil voorstellen dat wij daar op korte termijn schriftelijk op terugkomen. Ik denk daarbij aan een termijn van vier weken. Uit het rapport komen inderdaad dingen naar voren waar goed naar gekeken moet worden.

De voorzitter: Ik kijk even rond. Ik zie dat de commissie instemmend reageert op zowel het voornemen als de termijn.

Staatssecretaris Teeven: Een aantal sprekers heeft opmerkingen gemaakt over de instroom van Syrische asielzoekers. Wij hebben tot en met 20 oktober zo'n 1.700 asielaanvragen van Syriërs gekregen. Er is daadwerkelijk sprake van een verhoogde stroom van asielaanvragen. In 2012, toen er ook al oorlog was in Syrië, hadden we over het hele jaar 450 aanvragen, terwijl wij nu tot en met 20 oktober al op een aantal van rond de 1.700 zitten. Ik heb in de brief aangegeven dat het inwilligingspercentage van die verzoeken tussen de 76 en 100% ligt. Eigenlijk is dat percentage gewoon 100%. En als dat niet wordt gehaald, heeft dat te maken met het feit dat er soms nog Dublin-claims plaatsvinden bij andere landen, bijvoorbeeld omdat mensen zich in eerste instantie daar hebben gemeld en het asiel ook bij een ander land wordt geclaimd. Kortom, er is op dit moment sprake van een buitengewoon hoog inwilligingspercentage van die asielverzoeken.

Er hebben in de afgelopen week, in zes dagen tijd, bijvoorbeeld al 100 Syriërs asiel aangevraagd. Er is daadwerkelijk sprake van een substantiële inspanning van Nederland om daarmee om te gaan. Dat heeft er overigens ook toe geleid dat de opvanglocaties van het COA aan hun maximumcapaciteit zaten. Dat heeft vervolgens geleid tot het openen van extra COA-locaties, zowel in Groningen als in Zuid-Limburg.

De heer Voordewind heeft gezegd dat de regering nog geen contact heeft opgenomen met UNHCR. Dat is niet juist. Wij hebben wel contact gehad over de hervestiging. Dat is de eerste prioriteit. Dat ging in eerste instantie om 250 Syriërs. De planning voor 2014 is nu voorgelegd aan UNHCR. Er is dus wel rechtstreeks contact geweest met UNHCR, ook naar aanleiding van wat ik eerder heb gezegd tijdens het overleg over Syrië.

De heer Voordewind heeft de suggestie gedaan om te gaan werken met een quotum voor familiebezoek. Voor de meest schrijnende groepen, zoals kinderen, zieken en ouderen, zou dat een oplossing kunnen bieden. Ook hier zie ik grote risico's. Dat zal ook leiden tot problemen bij de selectie. Veel mensen zullen niet meer met documenten kunnen aantonen dat zij familie zijn. Daar zou je dus ook een inspanning op maat moeten plegen. Mevrouw Maij heeft gevraagd of ik een en ander nog even kan uitdiepen. Ik heb de brief gisteravond gelezen, ik zal een aantal specifieke onderwerpen uitdiepen en schriftelijk aangeven waarom die tijdelijke regeling niet mogelijk is. De Kamer zal die brief binnen enkele weken ontvangen.

Mevrouw Maij (PvdA): Zou de Staatssecretaris daarin dan ook de Europese context kunnen meenemen?

Staatssecretaris Teeven: Daar wilde ik inderdaad nog iets over zeggen. Mevrouw Maij en de heer Voordewind hebben dat ook gevraagd met betrekking tot Duitsland en Oostenrijk. Deze landen hebben wel een aantal familieleden opgenomen. Waarom kunnen zij dat wel en Nederland niet? Het beleid in Duitsland lijkt sterk op een beleid voor uitgenodigde vluchtelingen. Duitsland geeft op dit moment een tijdelijke, verlengbare verblijfsvergunning voor bijvoorbeeld twee jaar. Mensen moeten zich melden bij UNHCR en worden dan toegelaten op asielgerelateerde gronden. Er wordt dan dus wel degelijk ook gekeken of er een grond voor asiel is. Oostenrijk heeft besloten om 500 Syrische vluchtelingen uit te nodigen, in eerste instantie op voordracht van de Syrisch-orthodoxe kerk. Men vangt in Oostenrijk met name christenen op. Beide landen geven dus geen tijdelijke humanitaire opvang, maar zij geven uiteindelijk ook asiel. Dat gebeurt op dit moment feitelijk in Duitsland en Oostenrijk.

Ik zie dat mevrouw Voortman inmiddels de heer Van Ojik namens GroenLinks heeft vervangen. De heer Van Ojik heeft gevraagd of het kabinet de situatie van dag tot dag volgt. Weegt het kabinet dan ook van dag tot dag de situatie met betrekking tot de humanitaire opvang? Is er niet meer mogelijk? Zoals ik ook in de brief heb aangegeven, zijn de gevolgen van toelating op dit moment zeer aanzienlijk voor de capaciteit van de IND en het COA. Het is onmogelijk om de tijdelijkheid van een regeling te garanderen. Dat heb ik ook in de brief van gisteren willen aangeven. Dat is ook een belangrijke overweging om een dergelijke regeling niet te willen. Wij zullen de situatie steeds blijven monitoren. Dat is ook de reden waarom de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking regelmatig contact heeft met de regio om te bekijken hoe de feitelijke situatie zich ontwikkelt.

Mevrouw Maij heeft mij gevraagd om meer in algemene zin de bezwaren en belemmeringen uit te diepen. Die zijn er in ieder geval op juridisch terrein als het gaat om het visum voor kort verblijf. Op dat gebied is sprake van een risico. Ook bij de gezinshereniging is sprake van strijd met de EU-richtlijn die de mogelijkheid niet kent om voor één nationaliteit een versoepeling aan te brengen. Er zullen nog overige punten worden uitgediept met betrekking tot tijdelijk verblijf op humanitaire gronden. Deze punten worden in de brief ook beschreven. Andere landen doen dat feitelijk ook niet. Ik zal in de brief een verdieping op dit punt aanbrengen, zodat dat ook volstrekt duidelijk is.

Als ik ten aanzien van schrijnende gevallen mijn discretionaire bevoegdheid zou moeten gebruiken, dan biedt dat ook geen garantie voor een echt tijdelijk verblijf. Ook bij dergelijke gevallen spelen in feite dezelfde problemen. Als iemand eenmaal toegelaten wordt, is die persoon hier en gaat hij of zij niet meer weg. Dat is het feitelijke probleem dat hier speelt.

Ik kom te spreken over de Vluchtkerk. Verwijzend naar de locaties waar de mensen zich bevonden en op dit moment bevinden, was het eerst een Vluchtkerk, toen een Vluchtflat en nu is het een Vluchtschans. In tegenstelling tot wat wij eerder wel eens met elkaar gewisseld hebben, zijn de personen op dit moment in Amsterdam wel geïndividualiseerd. We weten dus wie het zijn, van welke landen ze afkomstig zijn en welke problemen er op dit moment spelen. In Den Haag is dat nog niet gebeurd. We weten dat er Irakezen in een Haagse kerk zitten, we weten dat ze van Arabische en van Koerdische afkomst zijn, maar we weten niet om welke personen het precies gaat. Ze zijn nog niet geïndividualiseerd. Ik heb al eerder tegen de heer Fritsma gezegd dat ik niet de confrontatie zoek. Ik wil tot een oplossing komen, maar die vreemdelingen zijn uitgeprocedeerd en moeten dus terugkeren. Het is in de eerste plaats aan de vreemdelingen zelf om terug te keren. Als zij dat niet kunnen, is een gedwongen terugkeer aan de orde. Om die reden is het interessant om naar de samenstelling van de groep in Amsterdam te kijken. Er zijn 55 mensen van Somalische afkomst, er zijn 22 mensen van wie het vermoeden bestaat dat zij van Eritrese afkomst zijn, er zijn 29 mensen van Ethiopische afkomst en er zijn 17 mensen van Sudanese afkomst. Dat lijkt nu althans het geval te zijn na een voorlopige inventarisatie. Daarnaast zijn er nog enkelingen uit bepaalde landen. Dat geeft dus ook een verschillend beeld met betrekking tot die uitgeprocedeerde vluchtelingen. Een vrijwillige terugkeer is nagenoeg in al die landen mogelijk. Die mensen kunnen naar bijna elk land terugkeren. Dat is echter niet het geval bij een gedwongen terugkeer. Een gedwongen terugkeer kan niet naar elk land worden bewerkstelligd. Dat is bijvoorbeeld op dit moment richting Eritrea feitelijk onmogelijk. Ook in Somalië gaat het slechts zeer mondjesmaat. Dat is dus zeer beperkt. Ethiopië is al langer een probleem als het gaat om gedwongen terugkeer. Ik ben op dit moment bezig om daar meer zaken voor elkaar te krijgen.

De heer Fritsma (PVV): Het probleem met die uitgeprocedeerden in de Vluchtkerk, de Vluchtschans en noem het allemaal maar op, is ook dat ze niet vrijwillig terugkeren naar de landen van herkomst omdat ze steeds onderdak krijgen aangeboden. Dat maakt het natuurlijk gemakkelijk om hier in Nederland te blijven. Ik herhaal derhalve mijn vraag: waarom wordt het kraakverbod niet gehandhaafd? Kraken is een misdrijf. De PVV heeft een wetsvoorstel van nota bene de ChristenUnie, de VVD en het CDA aan een meerderheid geholpen om kraken strafbaar te stellen. Nogmaals, waarom tolereert het kabinet deze kraakacties? Dat maakt het er dus niet gemakkelijk op om die mensen weg te krijgen.

Staatssecretaris Teeven: Zoals de heer Fritsma weet, gaat het kabinet niet over het handhaven van het kraakverbod. Het kraakverbod is een zaak van het lokale bestuur. Het lokale openbaar ministerie in Amsterdam moet in overleg met de burgemeester al dan niet overgaan tot een ontruiming van panden. Daar gaat de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie niet over. De heer Fritsma vraagt waarom niet wordt opgetreden tegen het kraken van een kerk, van een flat en een pand op de Weteringschans. Ik ben zeer bereid om hem daarover te informeren. Ik zal die informatie inwinnen bij de burgemeester van Amsterdam.

De heer Fritsma (PVV): Die informatie zie ik graag tegemoet. Ik ben het echter niet eens met de Staatssecretaris dat hier geen rol is voor het kabinet, omdat het een lokale aangelegenheid is. Maar als lokaal bestuur, in dit geval de gemeente Amsterdam, gewoon het terugkeerbeleid saboteert – dat gebeurt immers met het tolereren van kraakacties en met het aanbieden van opvang – dan is het natuurlijk wel degelijk de verantwoordelijkheid van deze Staatssecretaris. Waarom zet hij dat lokale bestuur dan niet onder druk om op te treden? Nogmaals, kraken is een strafbaar feit. Dat weet de Staatssecretaris. Daarop moet gehandhaafd worden. Dat gebeurt nu niet en dat is niet uit te leggen.

Staatssecretaris Teeven: Ik zal de heer Fritsma informeren over het kraken. Ik weet niet waarom een pand niet is ontruimd. Ik weet niet waarom dat wel of niet gebeurt. Wij zullen daar dus nog informatie over verstrekken.

De heer Fritsma spreekt over het beleid dat uitgeprocedeerde vreemdelingen Nederland moeten verlaten. Die individualisering van die groep mensen waar VluchtelingenWerk Nederland mee bezig is geweest, leidt in ieder geval tot de conclusie dat nagenoeg al die mensen, op één na geloof ik, vrijwillig het land zouden kunnen verlaten. Zij zouden dus kunnen voldoen aan de vertrekplicht. Ten aanzien van een aantal mensen wordt geconstateerd dat gedwongen terugkeer een mogelijkheid zou kunnen zijn. Ten aanzien van een veel grotere groep mensen vormt het land van herkomst daarvoor een beletsel.

Het is steeds de inzet van het kabinet geweest om een oplossing te vinden. Het is dus niet de inzet geweest om de confrontatie met de gemeente Amsterdam aan te gaan en dan vervolgens te constateren dat geen enkele vreemdeling het land verlaat en wij geen enkel resultaat hebben. Wij proberen om tot een oplossing te komen. Dat is nog steeds mijn inzet. Ik zie dus ook niet dat de gemeente Amsterdam het beleid saboteert. Zij is immers niet overgegaan tot het organiseren van gemeentelijke opvang. Er zijn andere gemeenten in Nederland die dat wel doen, maar dat geldt niet voor de gemeente Amsterdam. Ik ben dus nog steeds in gesprek om een oplossing te vinden.

Het is een hardnekkig probleem. Het in vreemdelingenbewaring plaatsen van mensen die je niet kunt uitzetten, is in strijd met de wet. Als je van tevoren al weet dat je mensen in vreemdelingenbewaring uiteindelijk niet kunt uitzetten, dan zal dat uiteindelijk ook niet gebeuren. Je zou alleen mensen in de vreemdelingenbewaring kunnen plaatsen die wel gedwongen kunnen worden uitgezet. Dat geldt voor een aantal mensen die nu in Amsterdam verblijven. Als je die mensen kunt individualiseren, dan kun je die mensen ook aanhouden, in vreemdelingendetentie plaatsen ter fine van uitzetting. En ten aanzien van een aantal andere uitgeprocedeerde personen zit je dus vast aan het gegeven dat je die mensen moet overtuigen, dat je hen ertoe moet aanzetten om uit vrije wil het land te verlaten. Dat hebben we geprobeerd. Verschillende leden van de commissie hebben kritiek geuit op de hoogte van het geldbedrag dat we sommige uitgeproceerden hebben aangeboden. Dat heeft uiteindelijk maar heel mondjesmaat tot resultaat geleid. Slechts een enkeling uit de groep in Amsterdam heeft het land verlaten. Ik denk dus dat we moeten inzetten op het feit dat mensen wel bereid zijn om vrijwillig Nederland te verlaten. Waar het kan, zullen wij overgaan tot een gedwongen terugkeer. Dat is de inzet van het kabinet. Daar ben ik volstrekt helder over. Die boodschap is ook niet anders dan een jaar geleden. De problemen worden echter wel steeds groter. De winter staat voor de deur. Mensen zitten nu in een kraakpand in Amsterdam. Het is echter geen eenvoudig probleem. Het is niet iets waarover ik de confrontatie met de gemeente Amsterdam moet zoeken, want dan hebben we straks allemaal mensen die over straat zwerven en misschien voor het eerst of opnieuw strafbare feiten gaan plegen. Daar zit niemand op te wachten. Ik denk dat we moeten proberen om ervoor te zorgen dat mensen die hier niet mogen zijn, het land verlaten. Dat is de inzet van het kabinet. Niet meer en niet minder! Geen spierballentaal, maar gewoon een beetje logisch nadenken en kijken wat werkt! Dat is de inzet van het kabinet.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Het kabinet geeft aan dat het zoekt naar een oplossing, maar het probleem is natuurlijk ook dat deze mensen niet terug kunnen. Aan welke oplossing denkt de Staatssecretaris dan? Op deze manier blijven mensen juist tussen wal en schip vallen.

Staatssecretaris Teeven: Dat is spierballentaal van de andere kant. Deze mensen kunnen wel, maar deze mensen willen niet. Dat is dus een heel andere discussie. De heer Van Ojik heeft tijdens zijn inbreng geconstateerd dat het buitenschuldbeleid is aangepast. Dat is niet het geval. Het kabinet heeft het buitenschuldbeleid juist niet aangepast.

Het moet dus om vreemdelingen gaan die echt niet kunnen. Dat is een heel andere discussie, want uit de inventarisatie van de vreemdelingen in Amsterdam blijkt dat mensen door het enkele feit dat ze documenten krijgen, gaan denken dat ze in Nederland kunnen blijven. Bij een aantal individuen uit de Somalische groep bestaat het idee dat ze kunnen blijven als ze met documenten komen. Maar dat is een fout uitgangspunt. Er zijn gesprekken met VluchtelingenWerk Nederland geweest en er zijn mensen geïndividualiseerd, maar desondanks blijven sommige mensen vinden dat hun asielprocedure onzorgvuldig is behandeld, zelfs als de rechter aan het einde van de rit uitspraak heeft gedaan. Dat zijn geen mensen die het land niet kunnen verlaten, maar mensen die het land niet willen verlaten. Dat is de feitelijke situatie waarmee wij in het grootste aantal gevallen te maken hebben.

Natuurlijk kunnen mensen worden aangemoedigd in zelfstandige terugkeer. Dat is dan ook de oplossing die het kabinet voorstaat. Daarin zoeken we ook een weg met de gemeente Amsterdam. Geen confrontatiepolitiek: dat heb ik de heer Fritsma uitgelegd. Maar dat is natuurlijk nog iets anders dan iedereen op zijn blauwe ogen geloven die zegt dat hij het land niet kan verlaten. Dat is toch ook weer iets te makkelijk, zo zou ik tegen mevrouw Voortman willen zeggen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Dan is mij nog steeds niet duidelijk aan welke oplossing het kabinet denkt. Sowieso kan terugkeer het beste worden geregeld in de opvang en niet op straat.

Staatssecretaris Teeven: In Rotterdam worden er mensen opgevangen in de Pauluskerk. De terugkeer wordt daar in individuele gevallen soms beter ter hand genomen dan de terugkeer per groep. Ik constateer dat mijn diensten en de medewerkers van de vreemdelingendiensten in Amsterdam zeer veel energie hebben gestoken in het voeren van individuele gespreken, maar daarbij stuitte men op het gegeven dat de groepsdruk daar vrij groot is. Die groepsdruk draagt ook bij aan het gebrek aan bereidheid om vrijwillig terug te keren. Als mensen bereid zijn om terug te keren en dat aanbod ligt er al een hele tijd, dan kunnen die mensen van het Rijk twaalf weken opvang en een financiële tegemoetkoming krijgen. Ik ben met de gemeenten in gesprek. Ik heb de deur naar de gemeente ook niet dichtgegooid. De gemeente Amsterdam staat dan ook voor dezelfde uitdaging als wij.

De heer Azmani, mevrouw Maij en anderen hebben gevraagd naar de stand van zaken rond de strategische landenbenadering van maart 2013. Ik ben het met de leden van de commissie eens dat terugkeer de achilleshiel van het vreemdelingenbeleid is. Mevrouw Van Toorenburg merkte dat terecht op. De heer Fritsma zei dan ook terecht dat je altijd te maken zult hebben met aanzuigende werking als je de terugkeer niet kunt effectueren. Het afgelopen jaar is door de verhoogde inzet van taskforces vooruitgang geboekt bij het verkrijgen van vervangende reisdocumenten van herkomstlanden. De samenwerking met landen van herkomst bij de terugkeer wordt verder bevorderd door de intensieve contacten met de immigratieautoriteiten van die landen. Dat geldt ook voor de uitzettingen naar Guinee. Daar doet het feit niets aan af dat door de leden van de commissie verschillend wordt gedacht over de vraag of het wel of niet op deze wijze moet gebeuren. Het heeft in ieder geval geleid tot de feitelijke effectuering van de uitzetting.

Ook de samenwerking met Nigeria heeft meer invulling gekregen. Ik heb overigens wel degelijk oog voor wat mevrouw Gesthuizen over die individuele zaak heeft opgemerkt. Het is inderdaad de andere kant van het plaatje dat je moet kijken of de medische opvang waar de rechter om heeft gevraagd, in het land van herkomst beschikbaar is. Het gaat dan immers om door ons gegarandeerde zorg in het land van herkomst. In een individuele zaak is dat inderdaad niet goed gegaan, maar daarover heb ik al eerder met de Kamer van gedachten gewisseld.

Een aantal ambassadeurs in herkomstlanden heeft afspraken kunnen maken over het bevorderen van de ondersteuning bij de herintegratie van terugkeerders. Er wordt verder gewerkt aan de capaciteitsopbouw van immigratiediensten in de landen van herkomst. Dat zijn allemaal activiteiten die het volgens ons mogelijk moeten maken om meer handen en voeten te geven aan het terugkeerbeleid. De heer Azmani en mevrouw Maij wezen erop dat de laatste brief hierover dateert van 3 juli van dit jaar. De heer Azmani suggereerde mij daarom om nog voor de begrotingsbehandeling met een nieuwe brief te komen. Ik denk dat dit bijna een onmogelijkheid is. De tijd tot de begrotingsbehandeling is echt te kort voor zo'n brief. Als hij akkoord zou kunnen gaan met mei volgend jaar, dan lijkt mij dat wel een redelijke termijn om te komen met een nieuwe stand van zaken van wat we in een aantal landen hebben gedaan. Het is echter hoe dan ook de inzet van het kabinet om hiermee continu bezig te zijn.

De heer Fritsma vroeg naar de annuleringen bij de CITT. Die vraag betreft eigenlijk ook de feitelijke effectuering van de terugkeer. Hij koppelde het echter in dit geval aan het stapelen van procedures. Ik heb iets heel anders geconstateerd en wel dat het feit dat wij gezinnen met kinderen op dit moment niet in vreemdelingenbewaring plaatsen – het is beleid om dat niet of zeer terughoudend te doen – het effect lijkt te hebben dat gezinnen de gezinslocaties verlaten voordat de Dienst Terugkeer en Vertrek daadwerkelijk over kan gaan tot uitzetting. Deze ontwikkeling lijkt in ieder geval de laatste maanden de reden te zijn waarom het aantal annuleringen toeneemt. Als je vreemdelingenbewaring toepast, weet je natuurlijk zeker dat deze mensen er ook zijn op het moment dat je overgaat tot de feitelijke uitzetting. Omdat we deze mensen niet langer vastzetten, vertrekken ze vaker met onbekende bestemming en dat leidt vervolgens weer tot meer annuleringen. Ik herken in ieder geval het stapelen van procedures niet als de oorzaak hiervan. Ik zal dat echter na laten gaan en de Kamer daarover later informeren.

De voorzitter: Ik heb een paar aanvragen voor interrupties, onder anderen van de heer Fritsma en mevrouw Gesthuizen. Voordat ik hun het woord geef, leg ik de commissie het voorstel van de Staatssecretaris voor om in mei 2014 een geactualiseerde stand van zaken naar de Kamer te sturen. Is dat vroeg genoeg? Ik zie aan sommige gezichten dat dit niet het geval is. Ik stel voor dat die leden daar in tweede termijn op terugkomen.

Het woord is aan de heer Fritsma.

De heer Fritsma (PVV): Ik heb gevraagd naar de samenwerking met landen van herkomst om eigen onderdanen terug te nemen. Dat gaat dus om gedwongen uitzettingen vanuit Nederland. Irak is een probleem. Dat weten we. Irak heeft een afspraak gebroken. Er is 5,5 miljoen aan dit land gegeven, opdat dit land eigen onderdanen zou terugnemen. Dat is niet gebeurd. Wat doet de Staatssecretaris om Irak onder druk te zetten en om ervoor te zorgen dat Irak zijn eigen onderdanen wel terugneemt?

De voorzitter: Ik grijp even in. Ik zie naast mij allerlei mapjes van de Staatssecretaris liggen en daar zit ook een mapje «Irak» bij. Is het niet verstandig om de Staatssecretaris even aan het woord te laten en om over een minuut of tien nog eens na te gaan of er nog vragen onbeantwoord zijn? Ik stel voor dat we het zo doen, tenzij u een vraag hebt over iets wat zojuist aan de orde is geweest en waarop u meteen antwoord wilt hebben.

Wie heeft een vraag over wat er is toegezegd of gemeld door de Staatssecretaris?

Mevrouw Maij (PvdA): Ik heb de Staatssecretaris expliciet gevraagd om in de brief die hij zojuist toezegde, de Europese context mee te nemen en dan in het bijzonder de samenwerking met andere landen. Als hij dat doet, zal hij de Kamer dan ook informeren over de manier waarop hij dat vorm wil geven?

Staatssecretaris Teeven: Zeker. Dat heb ik in de brief van 3 juli gedaan en het is logisch om dat ook te doen in de brief die ik voornemens ben om in mei volgend jaar naar de Kamer te sturen. Ik weet natuurlijk nog niet of de Kamer akkoord is met de termijn waarop ik voornemens ben om die brief naar de Kamer te sturen.

De voorzitter: Dat krijgt u nog te horen.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Komt de Staatssecretaris nog uitgebreider terug op het punt van de medische overdracht?

Staatssecretaris Teeven: Daar kom ik specifiek op terug.

De voorzitter: Laten we afwachten of de Staatssecretaris u dan wel naar genoegen antwoordt. Als dat niet zo is, kunt u alsnog interrumperen.

Staatssecretaris Teeven: Voorzitter. In mijn aantekeningen staat dat mevrouw Gesthuizen heeft gevraagd of de gesprekken met de heer Duski nog lopen, maar ik meen mij te herinneren dat de heer Fritsma ook iets heeft gezegd over Irak. Laat ik beginnen met de opmerking dat mijn voorganger het bedrag dat de heer Fritsma noemde, nooit heeft betaald. Het is dus niet zo dat wij Irak hebben betaald en dat wij daar niets voor teruggekregen zouden hebben, want de afspraken die de heer Leers met de Iraakse regering heeft gemaakt, hebben niet geleid tot enige overdracht van financiële middelen aan Irak. Er is wel over gesproken, maar het is niet gekomen tot een feitelijke betaling.

De commissie weet dat ik Irak dit jaar heb bezocht. De gedwongen terugkeer naar dit land is eind 2011 door de centrale autoriteiten in Bagdad stopgezet. Dat geldt overigens niet alleen voor Nederland, maar voor alle Europese landen, de Verenigde Staten en Australië. Ik zeg dat maar meteen om het in de Europese context te plaatsen. Het is dus al die landen op dit moment onmogelijk om gedwongen terugkeer naar Irak te bewerkstelligen, ondanks alle inspanningen van een aantal ambassadeurs en bewindslieden, onder wie ik zelf, om dat voor elkaar te krijgen.

Als ik spreek over gedwongen terugkeer naar Irak, dan spreek ik over gedwongen terugkeer naar Bagdad en de zuidelijke provincies. Bij Bagdad kun je je nog voorstellen dat het heel ingewikkeld is om mensen gedwongen te laten terugkeren, maar gedwongen terugkeer rechtstreeks naar de zuidelijke provincies zou volgens de Iraakse Minister wel tot de mogelijkheden behoren. Het is nodig om de Irakezen in de vluchtkerk in Den Haag te individualiseren, want het is belangrijk om te weten of het Arabische of Koerdische Irakezen zijn. De situatie in de Koerdische autonome regio – ik heb dat overigens al eerder met de Kamer gedeeld – is namelijk ook totaal anders. Ik heb dat in Bagdad besproken en daar zeiden ze mij dat ik maar naar Erbil moest reizen om het daar te bespreken. Dat heb ik gedaan. Verder is het ook door de Minister van Buitenlandse Zaken aan de orde gesteld. De uitkomst van dit alles is dat wij op dit moment mogelijkheden zien voor gedwongen terugkeer naar Erbil. Overigens vindt er al vrijwillige terugkeer plaats van Koerdische Irakezen naar Erbil en de Koerdische autonome regio in Noord-Irak. Ik hoop dat hieruit duidelijk wordt waarom het zo belangrijk is om onderscheid te maken tussen Irakezen uit de autonome Koerdische regio en Irakezen van Arabische afkomst. In het geval van de laatste groep is het vervolgens weer belangrijk om te weten tot welke etnische groep ze behoren en of ze uit het zuiden komen of uit Bagdad.

In Europees verband is in het geval van Koerdistan dus veel mogelijk. De economische groei bedraagt in Erbil 8%. Een Irakees die hier niet mag blijven, die geen baan heeft en in een vluchtkerk in Den Haag verblijft, is daar misschien wel beter af, zeker als hij een beroep heeft of een vak beheerst. Ik denk dat die mensen daar een toekomst kunnen hebben. Dat is althans het standpunt van het kabinet. De mensen die in Den Haag zitten, moeten we dan ook snel individualiseren om onderscheid te kunnen maken tussen mensen van Koerdische afkomst en mensen van Arabische afkomst.

Mevrouw Gesthuizen heeft mij gevraagd in hoeverre de DT&V zich dient te houden aan het BMA-advies. Wat gebeurt er in Nederland indien zieke vreemdelingen terugkomen naar Nederland? De DT&V houdt zich aan alle voorwaarden van het BMA-advies. Aan die voorwaarden moet dus voldaan zijn, voordat wordt overgegaan tot gedwongen vertrek. Indien die voorwaarden niet kunnen worden vervuld, wordt er niet uitgezet. Er zijn voorbeelden van onvoorziene omstandigheden bij aankomst. We hebben dat bijvoorbeeld gezien bij Guinee. Er waren afspraken gemaakt met kliniek A in dit land en toch is iemand uiteindelijk terechtgekomen in een andere kliniek. Als het aan het handelen van de vreemdeling zelf te wijten is dat de afspraken die de Nederlandse regering, de Nederlandse uitzetdienst, heeft gemaakt met de autoriteiten in het land van herkomst, niet kunnen worden nagekomen, bijvoorbeeld omdat de vreemdeling niet naar een bepaalde kliniek wil, dan kun je dat later niet tegenwerpen aan de diensten die belast waren met de uitzetting en aan de Nederlandse regering. Soms ligt het aan de vreemdelingen zelf, maar soms moeten er betere afspraken worden gemaakt. Mevrouw Gesthuizen riep het voorval in Lagos in herinnering. Ik weet dat nog precies en zij heeft gelijk dat dit geval laat zien dat we keiharde afspraken moeten maken.

Mevrouw Maij en mevrouw Gesthuizen hebben gevraagd hoe vaak het misgaat met de toegang tot medische zorg. Op 4 juni heeft de Minister van VWS hierover een brief geschreven. De conclusie over die 20% weigeringen kon zij niet onderschrijven. Zij schrijft namelijk dat het een kleine steekproef is, die te selectief is uitgevoerd. Gisteravond vroeg overigens een senator die hier op een andere manier bij betrokken is, hier ook naar. Het feit dat het CVZ een stijging van de vergoedingen meldt zou hoopvol moeten stemmen. Een evaluatie door het CVZ van de vergoedingsregeling toont namelijk aan dat de regeling op dit moment goed werkt. Ik zie dan ook geen reden voor nader onderzoek. Dat laat overigens onverlet dat wij hier nog op terug zullen komen omdat ik nog in afwachting ben van informatie van het Minister van VWS voor mijn reactie op het rapport van de Nationale ombudsman.

Mevrouw Maij heeft een vraag gesteld over de motie-Spekman. Ik kan haar zeggen dat ik voor de begrotingsbehandeling zal reageren op de brief van de Ombudsman naar aanleiding van die motie. De behandeling van de begroting van Justitie staat volgens mij gepland voor 19 november aanstaande en die brief komt dus voor die datum naar de Kamer.

Is er al een document voorhanden waarin duidelijkheid is geschapen over de voorwaarden en de randvoorwaarden waaronder vertrouwensartsen hun werk kunnen doen tijdens een hongerstaking? De heer Azmani refereerde in dat verband aan het optreden van vertrouwensartsen bij hongerstakingen. Ik zal daar straks nog iets meer over zeggen. De randvoorwaarden waaronder zij hun werk verrichten, zijn inmiddels door het Justitieel Medisch Centrum op schrift gesteld en per brief aan alle betrokken vertrouwensartsen gemeld. De IGZ is akkoord met die brief. Op dit moment worden de randvoorwaarden met de ketenpartners afgestemd, waarna ze zullen worden opgenomen in de richtlijn voor alle inrichtingen van de DJI, opdat iedereen weet op welke manier we met die vertrouwensartsen omgaan. De lijn die wij volgen bij het handelen van vertrouwensartsen, is inmiddels bekrachtigd door een uitspraak van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming.

Mevrouw Gesthuizen vroeg naar het artikel van Hulshof in Medisch Contact. De toezegging was dat de politie met de auteur van het artikel contact zou opnemen. Ik laat nagaan of dat gebeurd is. Ik hoop mevrouw Gesthuizen daar straks nog over te kunnen informeren.

Mevrouw Maij vroeg of ik bereid ben om onderzoek te doen naar de toegankelijkheid van de zorg in het land van herkomst. Ik heb daar al iets over gezegd. De toegankelijkheid van medische zorg in het land van herkomst is niet vanuit Nederland vast te stellen. Ik zeg dat heel eerlijk, want hoe kunnen we nu weten of iemand toegang krijgt tot voldoende middelen en of bijvoorbeeld het transport wel is geregeld? Ik denk dat een onderzoek daarnaar niet veel duidelijkheid zal opleveren. Ik denk dat het wel meerwaarde kan hebben om te weten hoe wij in concrete uitzettingssituaties afspraken maken over de medische opvang in het land van herkomst. Ik denk – maar ik kijk toch even naar de plaatsvervangend directeur van de Dienst Terugkeer en Vertrek – dat daar de meerwaarde zit en niet in een algemeen onderzoek. De afspraken die in concrete gevallen worden gemaakt, moeten sluitend zijn. Dat is het uitgangspunt.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Ik denk dat ik kort kan zijn, want ik hoorde de Staatssecretaris duidelijk zeggen dat de DT&V bij de medische overdracht gehouden is aan het advies van het Bureau Medische Advisering. Ik ben daar heel erg blij mee. Ik hoop nog wel dat de Staatssecretaris over de incidenten die we hebben gezien, zal zeggen «zo moeten we dat dus niet doen en ik ga proberen om dat in de toekomst te voorkomen». Als door onvoorziene omstandigheden ter plekke blijkt dat, buiten de schuld van de vreemdeling, de vreemdeling niet op de manier die het BMA adviseert, kan worden overgedragen, dan zal die persoon dus niet achter worden gelaten.

Staatssecretaris Teeven: Die toezegging kan ik niet waarmaken. Ik noemde mevrouw Gesthuizen niet voor niets het verhaal van Guinee. Het kan nu eenmaal gebeuren dat iemand, ondanks de afspraak dat hij in kliniek A zal worden opgenomen, uiteindelijk in kliniek B terechtkomt. Als de medische zorg in kliniek B ook prima is geregeld, dan is er natuurlijk geen enkele reden om die persoon niet achter te laten. Het gaat er immers niet om dat hij in kliniek A terechtkomt, maar dat hij medische zorg krijgt. Volgens mij is dat het uitgangspunt.

Mevrouw Gesthuizen (SP): De Staatssecretaris heeft of niet goed geluisterd of hij heeft mij verkeerd begrepen. Ik bedoel namelijk juist die situaties dat er geen medische zorg voorhanden is en dat dit niet de vreemdeling te verwijten valt. Als een vreemdeling aangeeft per se in een ander ziekenhuis te worden behandeld, dan kan dat natuurlijk niet als een excuus worden gebruikt om niet achter te hoeven blijven. Het is dan namelijk evident de schuld van de vreemdeling. Laten we nu eens uitgaan van de situatie dat dit niet het geval is, bijvoorbeeld de situatie dat de autoriteiten ter plaatse niet willen meewerken en de Nederlandse mensen van de DT&V of de marechaussee geen behoefte hebben om dat af te dwingen. Wordt een vreemdeling in dat geval dan wel gewoon mee teruggenomen? Dat is dus de situatie dat het niet de schuld is van de vreemdelingen en dat de medische zorg niet voldoet aan het advies van het BMA.

Staatssecretaris Teeven: Ik denk dat wij hier helder over moeten zijn. Door onvoorziene omstandigheden kan iets altijd anders gaan dan wij hebben gepland. We kunnen immers niet voorzien hoe iets 9.400 kilometer verderop precies zal gaan. Ik denk dat we het daar wel over eens zijn. Als er sprake is van onvoorziene omstandigheden die in de macht liggen van de KMaR, dan zal ter plaatse moeten worden beoordeeld of men uit mag gaan van wat de autoriteiten zeggen. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de situatie dat door de autoriteiten van land X is toegezegd dat mijnheer A onmiddellijk naar het ziekenhuis zal worden gebracht. De marechaussee hoeft wat mij betreft niet mee te gaan naar dat ziekenhuis, want je moet ervan uit kunnen gaan dat de landen waarmee je samenwerkt, die man of vrouw daadwerkelijk de afgesproken zorg geven. Maar als de Nederlandse autoriteiten denken dat het niet goed gaat, dan gaat iemand mee terug. Daar zijn ook voorbeelden van. We gaan dus ter plaatse maatwerk leveren.

Mevrouw Maij (PvdA): De Staatssecretaris bevestigde zojuist de conclusie in de brief van VWS dat niet onderbouwd zou kunnen worden dat 20% van de ongedocumenteerden geen toegang heeft tot zorg. De andere kant van de medaille is natuurlijk de vraag hoe het dan wel werkt. Voor een bevredigend antwoord op die vraag heb ik hierover onvoldoende gelezen en gehoord in de brief en in de mondelinge toelichting van de Staatssecretaris. Op welke punten zijn er nog wel problemen? Brengt de Staatssecretaris in kaart waar die problemen zich voordoen en hoe vaak? Ik heb verder specifiek gevraagd naar de mogelijkheid dat mensen zelf aangegeven dat noodzakelijke medische zorg is geweigerd. Op welke manier kunnen die mensen dan alsnog aanspraak maken op die zorg?

Staatssecretaris Teeven: Misschien heeft mevrouw Maij mij verkeerd begrepen of ben ik niet duidelijk genoeg geweest. Het zal ongetwijfeld het laatste zijn, maar volgens mij heb ik al gezegd dat ik nog op informatie wacht. Niet alle informatie van VWS is beschikbaar. In mijn reactie op het rapport van de Nationale ombudsman zal ik het totale pakket meenemen. Ik kan mevrouw Maij daarom toezeggen dat ik de specifieke vraag van de fractie van de Partij van de Arbeid op dit punt specifiek zal laten doorklinken in mijn reactie op het rapport van de Ombudsman.

De voorzitter: Dat geldt ook voor uw tweede vraag?

Mevrouw Maij (PvdA): Dat zou zomaar kunnen. Mijn tweede vraag gaat namelijk specifiek over de toegankelijkheid van de medische zorg in de landen van herkomst. De Staatssecretaris gaf antwoord op een vraag die ik niet heb gesteld, maar dat stelt mij dan wel weer in de gelegenheid om een vraag te stellen die ik niet meer kon stellen omdat mijn spreektijd op was.

De voorzitter: Ga nu maar door!

Mevrouw Maij (PvdA): Medische zorg kan wel aanwezig zijn, maar door sociale of politieke omstandigheden toch moeilijk te bereiken zijn door de betrokkene. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan etnische omstandigheden. Op welke manier wordt dat in kaart gebracht en is dergelijke context beschikbaar wanneer het DMA zijn advies geeft? Zo ja, wordt die context dan ook meegewogen?

Staatssecretaris Teeven: Voorzitter, ik ga nu herhalen wat ik al tegen mevrouw Gesthuizen heb gezegd.

Wij proberen maatwerk te leveren in het land van herkomst. Per uitzetting zullen er dus goede afspraken moeten worden gemaakt, zeker als we toezeggingen aan de Nederlandse rechter doen over hoe wij om zullen gaan met een uitzetting en welke medische zorg in het land van herkomst zal worden geleverd. Dat vereist maatwerk. Hierdoor kun je ook te maken krijgen met onvoorziene omstandigheden. Als je die zo kunt oplossen dat iemand toch de medische zorg kan krijgen die in Nederland is geadviseerd, dan kiezen we voor die weg. Als het niet lukt en de overtuiging bestaat dat iemand niet de vereiste medische zorg zal krijgen, dan gaat hij of zij mee terug.

Mevrouw Maij (PvdA): Zou de Staatssecretaris ons daarover kunnen informeren? Hoe vaak gebeurt dit en om wat voor gevallen gaat het precies?

Staatssecretaris Teeven: Zeker. Mijn voorstel is wel om dat te doen in mijn reactie op het rapport van de Ombudsman, want daar past het goed bij.

De voorzitter: Zoals ik al vermoedde.

De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.

Staatssecretaris Teeven: Voorzitter. Er zijn door de heer Van Ojik, de heer Azmani en mevrouw Gesthuizen opmerkingen gemaakt over Lampedusa en de inspanningen van Frontex. In mijn brief van 17 oktober jongstleden heb ik de Kamer geschreven dat er een taskforce komt. Dat heeft de Kamer ook teruggezien in de publiciteit rond de afgelopen Europese Raad, omdat de regeringsleiders er toen ook over hebben gesproken. Die taskforce wordt zo opgezet dat zo snel mogelijk kan worden overgegaan op het identificeren van praktische maatregelen en instrumenten die de EU ter beschikking staan. Vertegenwoordigers van alle landen van de Unie zijn onder leiding van de Commissie daarover in gesprek met mensen van het EASO, Frontex en Europol. Om de vraag van de heer Van Oijik te beantwoorden: het is de inzet van Nederland dat relocatie niet het uitgangspunt mag zijn. Ik heb dat overigens ook in mijn brief geschreven. Het uitgangspunt moet in onze ogen de vraag zijn hoe we de mogelijkheden van de zuidelijke lidstaten kunnen versterken. In dat licht moet de Kamer ook de bijdrage van het kustwachtvliegtuig aan Frontex zien en de inzet die Nederland verder pleegt.

Frontex heeft de lidstaten verzocht, extra materieel in te zetten. Andere lidstaten hebben dat inmiddels toegezegd. De Nederlandse regering denkt echter niet dat relocatie naar Nederland van vluchtelingen die in Italië aan land komen, een oplossing is voor het probleem. Wij denken dat die oplossing echt in de zuidelijke lidstaten zelf moet worden gevonden.

Je kunt dan natuurlijk een beroep doen op de solidariteit binnen de EU. Een aantal zuidelijke lidstaten heeft dat in de laatste JBZ-Raad en de laatste Europese Raad ook gedaan. Als je echter in ogenschouw neemt hoeveel mensen er in Nederland per 100.000 inwoners worden opgevangen en hoeveel dat er in Italië zijn, dan blijkt Nederland opeens heel gunstig af te steken bij Italië. En het is natuurlijk niet zo vreemd om eens goed te bekijken hoeveel vreemdelingen er in verhouding tot Italië wordt opgevangen op het totale aantal inwoners van ons land. Wij denken dus dat solidariteit niet zit in het naar Nederland halen van vreemdelingen, die – hoe triest dat ook is – door Italië uit zee worden gered. Het zit namelijk ook in de wijze waarop men in zuidelijke landen omgaat met de opvang en de asielprocedures. Als wij Griekenland, Italië en Malta kunnen helpen, zullen mijn medewerkers dat met veel energie doen. Als de inspanningen van Nederland gericht moeten worden op het naar Nederland halen van vreemdelingen, dan steken wij daar geen energie in. Dat is de inzet van het Nederlandse kabinet.

De heer Fritsma heeft een vraag gesteld over het aantal criminele vreemdelingen zonder verblijfsstatus. Hoewel een vraag? Het was meer een opmerking.

De heer Fritsma (PVV): Naar aanleiding van het voornemen van de Staatssecretaris om met name criminelen aan te pakken en in vreemdelingenbewaring te zetten, heb ik een voorbeeld uit Rotterdam aangehaald. Daar waren kooplieden echt woedend, omdat er steeds weer illegale dieven terugkeerden. Naar aanleiding van dat incident heb ik gevraagd hoeveel criminelen zonder verblijfsrecht volgens de Staatssecretaris in Nederland verblijven. Hoeveel van hen kunnen er wel worden vastgezet en hoeveel van hen kunnen worden uitgezet? Het is belangrijk om daarvan een beeld te hebben.

Staatssecretaris Teeven: De heer Azmani heeft in eerste termijn perfect onder woorden gebracht waarom het zo belangrijk is dat er prioriteiten worden gesteld bij de opsporing van illegalen. In de brief van afgelopen maandag heb ik het overigens ook nog eens duidelijk beschreven. We hebben kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen. De bestrijding van criminele vreemdelingen is een van die kwalitatieve doelstellingen. Volgens mij vindt niemand van de commissie dat het kabinet daar niets aan zou moeten doen. Onze inspanningen zijn daar dan ook op gericht, wat overigens ook weer niet wil zeggen dat iemand die een keer voor een winkeldiefstal is veroordeeld, altijd in vreemdelingenbewaring wordt gesteld, bijvoorbeeld wanneer hij in Rotterdam wordt aangehouden omdat hij weer een winkeldiefstal heeft gepleegd en omdat hij bovendien al een ongewenste vreemdeling was. Dat is natuurlijk het concrete voorval dat in Rotterdam speelde.

De inspanningen van het kabinet en de afspraken van het kabinet met de politie en hulpofficieren worden nadrukkelijk getoetst op wat de gronden voor een geval van vreemdelingenbewaring zijn. In het licht van het debat over de gevolgen van de dood van de heer Dolmatov heb ik aangegeven dat dit een inspanning zou zijn. Dat beleid is inmiddels ingezet, maar dat wil niet zeggen dat er nooit meer een vreemdeling zal zijn die hier niet mag zijn, die hier illegaal is, die een strafbaar feit heeft gepleegd of die al eens eerder is veroordeeld. Ik kan nu eenmaal niet garanderen dat elke vreemdeling die aan die maatstaven voldoet, in vreemdelingenbewaring gaat. Ik zou dat wel willen, maar dat is afhankelijk van het individuele handelen van hulpofficieren op het moment dat iemand al dan niet in bewaring moet worden gesteld.

De heer Fritsma (PVV): Als de Staatssecretaris zegt dat het zeer belangrijk is om criminele illegalen wel in vreemdelingenbewaring te zetten, dan wil ik natuurlijk weten in hoeverre dat ook lukt. Ik haalde dat Rotterdamse voorbeeld niet voor niets aan, want het lukt heel vaak niet. Dat maakt de vraag zo relevant hoe vaak het wel of niet lukt. Met andere woorden: hoeveel criminele illegalen blijven uiteindelijk toch op straat rondlopen?

Staatssecretaris Teeven: Dat is nu precies wat ik gedeeld heb met de leiding van de Nationale Politie toen wij de definitieve afspraken voor de jaren na 2014 maakten. De heer Azmani stelde er een vraag over en de heer Fritsma heeft er terecht al eerder op gewezen dat de cijfers over 2013 laten zien dat men aanzienlijk achterloopt bij de doelstelling. Dan kijk ik overigens wel louter en alleen naar de kwantitatieve doelstelling van 4.000, want het daadwerkelijke aantal is 3.280. Ik ben echter niet alleen maar geïnteresseerd in dat aantal, want mij interesse gaat veel meer uit naar de vraag wat die 3.280 voor mensen zijn. Wat is de achtergrond van die 3.280 personen die wel in vreemdelingenbewaring zijn geplaatst door de Nationale Politie? Je ziet dat zich onder de groep personen die in 2013 is aangehouden heel veel mensen bevinden die wel voldoen aan de criteria die onder het kopje «kwalitatief» in mijn brief zijn benoemd.

Het zijn dus mensen met een veroordeling, met documentatie op crimineel terrein, die overlast geven of die zich eerder aan een lichtere toezichtsmaatregel hebben onttrokken. Daar heb ik nadrukkelijk een uitzondering voor gemaakt. Die voorbeelden zijn er ook geweest. Een lid van de commissie zou kunnen vragen hoe het kan dat een jonge man, die nooit eerder is veroordeeld, in vreemdelingenbewaring terecht is gekomen. Ik kan dan antwoorden dat hij of zij de meldplicht heeft genegeerd. Als iemand zich daar twee keer niet aan houdt, dan wordt hij namelijk ook in vreemdelingenbewaring geplaatst.

Ik constateer dat 2013 – dat geldt zowel voor de reorganisatie als voor de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen – voor de politie een overgangsjaar is. Ik vind het echter ook heel belangrijk hoe het zit met de herkomst. Wij zijn daar dus wel succesvoller in. Zo is de afdeling Rotterdam-Rijnmond van de Nationale Politie zeer wel in staat om zowel de kwalitatieve doelstelling als de kwantitatieve doelstelling te halen. Andere eenheden, bijvoorbeeld Amsterdam-Amstelland, zijn daar op dit moment nog niet toe in staat. Dat betekent dat daar extra inspanningen moeten worden geleverd door de Nationale Politie. We hebben dus redelijk goed in beeld waar het in Nederland goed of – laat ik het zo maar zeggen – nog niet optimaal gaat.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Het is jammer dat de heer Voordewind er niet meer is, want zijn motie hierover is aangenomen. Die motie is door ons zo opgevat dat de kwantitatieve doelstelling van tafel zou gaan.

Staatssecretaris Teeven: Mevrouw Voortman heeft de heer Azmani in eerste termijn horen zeggen dat we blijkbaar niet allemaal aanwezig waren bij het voortgezet algemeen overleg over dit onderwerp. Ik heb toen namelijk met de Kamer uitgebreid van gedachten gewisseld over die kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen. Mevrouw Voortman was volgens mij aanwezig bij dit voortgezet algemeen overleg waarin ik expliciet uit mijn brief van afgelopen maandag heb geciteerd, opdat hierover geen misverstand meer kan bestaan. Ik denk dat het deel van de Kamerleden bij wie het beeld is ontstaan dat er helemaal geen kwantitatieve doelstelling meer is, bij een algemeen overleg heeft gezeten. Dit heeft immers alles te maken met de toevoeging van het woordje «louter» aan het dictum van de motie. Maar daarover hebben we al uitgebreid met elkaar van gedachten gewisseld.

De voorzitter: Het is ook in dit gremium aan de orde geweest.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Wij zullen het later de heer Voordewind zo goed mogelijk proberen uit te leggen en daarom hoor ik voor alle zekerheid graag van de Staatssecretaris dat de kwantitatieve doelstelling dus alleen maar geldt op het moment dat er ook kwalitatieve aspecten in beeld zijn. Ik vraag dat ook, omdat ik het woordje «louter» zo heb opgevat. Volgens mij kan het niet langer zo gaan: we hebben er weer één; het is een vreemdeling zonder verblijfstatus en dat is voldoende om iemand aan te houden of op te pakken.

Staatssecretaris Teeven: Ik zal het de heer Voordewind ook proberen uit te leggen. Ik doe dat hier, want dan ligt het ook vast.

We hebben kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen. Die passen we bij het opsporingsbeleid gecombineerd toe. In het opsporingsbeleid van de toezichtsdiensten en de Nationale Politie zit dus een combinatie van een kwantitatieve en een kwalitatieve doelstelling. Laat ik het mevrouw Gesthuizen zo inzichtelijk mogelijk maken. Als ik afspraken maak met de plaatsvervangend korpschef van de Amsterdamse politie, dan zeg ik dus: «Over 2013 hadden we 4.000 afgesproken, maar ik wil nu over 2014 weer een aantal afspreken en daarnaast wil ik kwalitatieve doelstellingen horen. Ik wil niet dat je zomaar elke illegaal die op straat loopt, aanhoudt en dat je daar je inspanningen op gaat richten. Ik wil dat je vooral je inspanningen in het opsporingsbeleid gaat richten op criminelen, overlastgevenden, misbruik en mensen die zich eerder hebben onttrokken aan een lichtere toezichtmaatregel, bijvoorbeeld mensen die nog nooit een strafbaar feit hebben gepleegd.» Die kom je wel eens tegen. Zo'n individuele casus is de afgelopen maanden aan het licht gekomen. Dan gaat het om iemand die nog nooit een strafbaar feit heeft gepleegd, twee keer een meldplicht opgelegd heeft gekregen en daaraan maling heeft gehad. Die mensen kunnen nog steeds, kijkende naar die kwalitatieve doelstelling, in vreemdelingenbewaring terechtkomen.

Daarnaast zet de Vreemdelingenwet niet opzij dat er mensen kunnen worden aangehouden die op hun werk tijdens een controle van de arbeidsinspectie aangetroffen worden. De arbeidsinspectie kan immers constateren dat ergens illegalen aan het werk zijn. Dat is geen opsporingsbeleid. We gaan ook niet op die mensen jagen. Vandaar dat ik de woorden «jacht op illegalen» expliciet in mijn brief heb opgenomen om dat nog eens even duidelijk tot uitdrukking te brengen. We gaan niet op hen jagen, maar toezichtsdiensten doen wel hun werk en daarbij zullen ze soms constateren dat er op een bepaald werk een illegaal rondloopt. De motie zet dat niet opzij en de Vreemdelingenwet biedt nog steeds mogelijkheden om zo'n persoon aan te houden. Het beleid is daarop niet gericht. Het opsporingsbeleid is er niet op gericht, maar die mensen kunnen wel in bewaring worden geplaatst. Zo lees ik de motie.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Dan vrees ik toch dat ...

De voorzitter: Dit lijkt me meer iets voor de tweede termijn. Als u nog een feitelijke vraag hebt, vind ik dat prima, maar dit lijkt mij meer iets voor de tweede termijn.

Staatssecretaris Teeven: Ik denk dat ik hiermee alle vragen van de heren Azmani, Fritsma en Voordewind heb beantwoord. De heer Voordewind zei: geen actief opsporingsbeleid voor vreemdelingen zonder strafrechtelijk antecedent. Ik denk dat ik die vraag expliciet heb beantwoord en dat duidelijk moet zijn wat ik daarmee bedoelde.

Ik heb een toezegging gedaan in verband met de wens om kwetsbare groepen niet meer in detentie te plaatsen. De heer Sjoerdsma vroeg hoe het dan mogelijk is dat een 78-jarige vrouw van Iraakse afkomst in Tiel in detentie is geplaatst. Dat is een individuele zaak en ik wil er daarom niet uitgebreid op ingaan. Ik kan de leden van de commissie wel verzekeren dat aan betrokkene meerdere malen is aangeboden om de terugkeer zonder bewaring te realiseren. Dat aanbod voor een lichtere maatregel is een aantal keren gedaan.

Het feit dat iemand behoort tot de categorie «kwetsbare vreemdeling» betekent overigens niet dat bewaring dan nooit meer aan de orde zou kunnen zijn. Ook dan is het namelijk mogelijk dat iemand zich niet aan lichtere toezichtsmaatregelen houdt. Als iemand zich niet aan lichtere toezichtsmaatregelen houdt, maling heeft aan wat de autoriteiten met hem afspreken, dan kan het natuurlijk niet zo zijn dat hij daardoor onuitzetbaar wordt. Dat kan volgens mij ook niet de bedoeling zijn van de D66-fractie.

Mensen uit kwetsbare groepen worden niet of slechts bij uitzondering in bewaring geplaatst. Ik hecht eraan om dat te bevestigen.

De heer Sjoerdsma heeft een vraag gesteld over kinderen in grensdetentie. Mevrouw Gesthuizen refereerde er reeds aan dat ik heb gesproken met de Coalitie Geen Kind in de Cel. Ik zal de Kamer, zoals door een aantal leden gememoreerd, daarover half januari berichten. Ik ben afgelopen maandag met de mensen van de Coalitie Geen Kind in de Cel in gesprek geweest en ik heb hen daarbij gewezen op het vervelende effect van het onverkort vasthouden aan het uitgangspunt dat er geen kinderen in de cel mogen. Dat is namelijk dat je niet goed kunt nagaan of mensen die zeggen dat ze de ouders van een bepaald kind zijn, ook daadwerkelijk de ouders van dat kind zijn. Dat is soms niet duidelijk door het enkele feit dat we ons aan de buitengrens van de Europese Unie niet de tijd gunnen om te kijken of iemand die zegt dat die de ouder van een kind is, dat ook daadwerkelijk is. Dat kan leiden tot zeer ongewenste effecten op het terrein van mensenhandel en kinderhandel, een onderwerp waarover ik overigens morgen met deze commissie zal overleggen.

Het kabinet ziet hier het gevaar dat we door dit standpunt onverkort te volgen de poort openzetten voor mensenhandel. De Nationaal Rapporteur Mensenhandel heeft daar overigens ook op gewezen. In België houdt men onverkort vast aan de afspraak dat gezinnen ook niet aan de buitengrens in de cel mogen worden geplaatst. Dat heeft tot gevolg – sommige leden vroegen hier aandacht voor – dat kinderen soms onmiddellijk na binnenkomst uit het grensgebied in het vrije gebied, bijvoorbeeld België of Nederland, verdwijnen. De ouders zeggen dan: ik weet niet waar dat kind is gebleven. Dat is volgens mij een ongewenst effect en dat heb ik ook gezegd tegen de mensen van de Coalitie Geen Kind in de Cel en zij hadden, om het zo maar te zeggen, niet direct een oplossing voor dit dilemma.

De heer Azmani en de heer Sjoerdsma vroegen welke verbeteringen er zijn aangebracht in het gebruik van het modeldocument M-118. De aanbevelingen van de CITT zijn breed opgepakt in het programma voor de keteninformatisering. Verder is er een training ontwikkeld voor de medewerkers over hoe om te gaan met M-118 en is er een stap gezet bij de digitalisering. De meest recente versie van M-118 is opgenomen in de werkprocessen van de ketenpartners. Recent is er bovendien een procedure ontwikkeld die ervoor zorgt dat de COA-informatie over een vreemdeling – hoe is het met een vreemdeling in de opvang gegaan en welke bijzondere omstandigheden kunnen van belang zijn voor de feitelijke uitzetting? – ook in het M-118-formulier haar weg vindt. Sinds 16 oktober wordt die COA-informatie – wat weten we over iemand die uitgezet moet worden – ook op het formulier vermeld. Ik wijs erop dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid in de volle breedte bezig is met dat onderzoek waarover vermoedelijk april/mei volgend jaar uitsluitsel komt. Daarin besteedt de raad ook aandacht aan de formulierenstroom en de digitalisering in de keten.

De heer Sjoerdsma heeft mij gevraagd of ik kan garanderen dat het budget van INDiGO de komende jaren 30 miljoen zal bedragen. De kosten die jaarlijks voor INDiGO gemaakt zullen worden, zijn onder meer afhankelijk van de eisen die aan het systeem worden gesteld. Deze eisen komen voort uit de wetgeving en mijn streven om de IND goedkoper en dienstverlenender te laten werken. Die 30 miljoen is geen vaststaand gegeven, maar een verwachting van het kabinet.

De heer Voordewind heeft mij gevraagd of ik gevolg ga geven aan de moties over kleinschalige opvang en pleegopvang. Deze moties werk ik op dit moment uit. Daaraan gekoppeld vindt er een onderzoek door de Inspectie Jeugdzorg plaats naar de veiligheid van amv's in pleeggezinnen. Als ik een en ander heb uitgewerkt, zal ik met nadere informatie naar de Kamer komen.

De heer Voordewind heeft gevraagd waarom er geen zelfstandig toetsingscriterium voor kinderen in het vreemdelingenbeleid bestaat. We houden wel rekening met de positie van kinderen binnen een gezin, maar cruciaal is dat kinderen zelfstandig een zwaarwegende vrees voor ernstige mensenrechtenschendingen bij terugkeer naar hun land van herkomst hebben. Een onderwerp dat daarbij expliciet aan de orde kan komen, is de vrees voor genitale verminking of besnijdenis. Dat moet immers als een schending van artikel 3 worden benoemd.

Mevrouw Gesthuizen heeft er in een eerder algemeen overleg aandacht voor gevraagd en de heer Voordewind herhaalt vandaag haar vraag of er meer menselijkheid kan worden getoond bij bijvoorbeeld het fouilleren. We spreken in dit geval dan over gedwongen vertrek. Ik ben vorige week op werkbezoek geweest op de G-pier, de pier waarvandaan mensen daadwerkelijk gedwongen worden uitgezet en vanwaar de escorts deze mensen begeleiden. Ik heb gezien dat daarbij zorgvuldigheid wordt betracht. Fouillering is een noodzakelijk element, maar er wordt zeker rekening mee gehouden hoe kinderen dat ervaren. De begeleiding werd in dit concrete geval door KMaR-mensen in burger gedaan. De CITT geeft in het jaarverslag over 2012 aan dat het uitzetproces over het algemeen humaan, integer en correct verloopt, maar het kan bij kinderen natuurlijk wel heel knellend zijn als dat in incidentele situatie niet zo is.

De heer Voordewind heeft gevraagd waarom er geen contact is met de politie bij de vermissing van amv's. Bij de amv's die op een campuslocatie verblijven, vindt intensief toezicht plaats. Als niet bekend is dat een jongere elders veilig verblijft, wordt binnen 24 uur na de geconstateerde verdwijning bij de politie aangifte gedaan van vermissing. Die signalen melden we ook aan CoMensha en aan het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel. We proberen in het geval van een vermissing dus alles te doen om die jongeren heel snel op te sporen.

Mevrouw Maij heeft mij gevraagd naar de stand van zaken rond het Europese ambtsbericht. Verleden jaar zijn door het EASO twee landenrapporten opgesteld over Afghanistan. Voor de komende tijd staan er echter geen nieuwe door het EASO op te stellen rapporten op de rol. Het EASO heeft er namelijk voor gekozen om de focus te verleggen naar het verzamelen van landeninformatie die al beschikbaar is bij de lidstaten. Die informatie proberen we nu bij elkaar te brengen. Binnen de lidstaten wordt ook bilateraal samengewerkt om landeninformatie naast elkaar te leggen. Zo heb ik met mijn Duitse en Belgische collega afspraken gemaakt om de beschikbare informatie over bepaalde landen voor zover mogelijk op elkaar te liggen. «Voor zover mogelijk», want dit is natuurlijk onmogelijk als er vertrouwelijke bronnen moeten worden geraadpleegd. Daaruit kunnen wij leren of we meer of minder hebben dan de Belgen of de Duitsers en of we elkaar met informatie kunnen versterken. Ik stuur een brief over de strategische landeninformatie naar de Kamer en ik zou met de commissie willen afspreken dat ik dit punt daarin meeneem. Ik zal daarin een overzicht geven van welke landen op dit terrein met elkaar samenwerken, op welke punten andere landen het anders doen dan wij en of en waar wij van elkaar hebben kunnen leren.

Mevrouw Maij en de heer Azmani hebben gevraagd met welke Europese landen nu wordt samengewerkt als het gaat om de landen van herkomst. In een eerder algemeen overleg hebben wij ook met elkaar gesproken over een gezamenlijke opzet. Op Europees niveau werken wij in de richting van derde landen met Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland. Het gaat dan om de landen Algerije, Marokko, India en Afghanistan. Daarbij betrekken wij ook Frontex. In Europees verband hebben wij ook re-integratieprojecten in verschillende landen van herkomst georganiseerd, bijvoorbeeld in Azerbeidzjan, Afghanistan, India en Irak. Degenen van u die wel eens op mijn werkkamer in het departement zijn geweest, weten dat daar een landkaart hangt. Sommigen van u hebben wel eens gevraagd wat de rode magneetjes op die kaart betekenen. Dat zijn de landen waarmee wij een intensieve landenbenadering hebben. Soms gaat er een rood magneetje af en soms komt er een bij, zeg ik tegen de heer Fritsma. Er zijn ook landen waarbij het rode magneetje nooit weggaat, zoals Irak, want daaraan moet ik steeds opnieuw aandacht besteden. Irak is een apart geval, want daarmee hebben eigenlijk alle landen een probleem in de samenwerking.

De voorzitter: Nu moeten uw ambtenaren u niet steeds weer nieuwe mapjes blijven geven!

Staatssecretaris Teeven: Verder is er een reactie gevraagd door verschillende leden op het arrest van het Europees Hof van Justitie van 6 juni, dat gevolgen kan hebben voor de uitvoering van de dubbele invordering bij alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Het arrest heeft overigens enkel betrekking op alleenstaande minderjarigen en niet op minderjarige vreemdelingen van wie de gezinsleden al binnen de Europese Unie verblijven. Het is goed om dat nog even te zeggen. Aan het Hof was de vraag gesteld welke lidstaat volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van een amv wanneer deze in verschillende lidstaten een verzoek om asiel heeft ingediend. Het Hof oordeelt dat de verantwoordelijke lidstaat de lidstaat is waar de amv een asielverzoek heeft ingediend en waar hij zich ophoudt. «Het belang van het kind», aldus het Hof, «betekent dat de vaststelling welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, niet nodeloos mag worden gerekt». Dat is de essentie. Snelle toegang tot de asielprocedure moet zijn gewaarborgd. Dus het kan niet zo zijn dat door een Dublinclaim die snelle toegang niet wordt geëffectueerd. Tot voor het arrest werd de relevante bepaling in de Dublinverordening door Nederland zo geïnterpreteerd dat de eerste lidstaat waar een asielverzoek is ingediend, verantwoordelijk was. Het arrest heeft tot gevolg – dat was concreet de vraag – dat asielaanvragen van via een andere lidstaat naar Nederland doorgereisde amv's niet meer worden afgewezen enkel en alleen op grond van de Dublinverordening.

De heer Fritsma heeft mij gevraagd om aantallen amv's met een Dublinindicatie. Het is niet mogelijk om de omvang van secundaire migratiestromen in de EU uit de registratiesystemen van de IND te genereren, maar wij hebben ook gekeken of sinds het arrest de totale instroom van alleenstaande minderjarigen in Nederland is toegenomen. Dat zou een indicatie kunnen zijn, bijvoorbeeld dat amv's die in een andere lidstaat verblijven in het arrest aanleiding zien om door te reizen naar Nederland. We zien geen enkele trend van een verhoging. Ook het gemiddelde aandeel van amv's in de totale asielstroom is sinds 6 juni 2013, de datum van de uitspraak, niet groter geworden.

De suggestie van de heer Azmani om Dublin-amv's niet ontvankelijk te verklaren in geval van een identiek asielverzoek begrijp ik. Wij hebben daar al eerder over gesproken. Wij zullen onderzoeken of ik iets kan met de implementatiewetgeving van die diverse asielrichtlijnen. Ik denk van wel, maar wij moeten natuurlijk ook goed kijken naar de uitvoeringsconsequenties daarvan. Dat zullen wij dan tegelijk meenemen. Ik zeg toe dat wij hiernaar zullen kijken.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): De toezegging die de Staatssecretaris nu doet, zou ik graag iets willen verbreden door hem te vragen om in de brief die hij hierover aan de Kamer zal sturen, nader in te gaan op de implicaties van het arrest van het Hof. Hij zegt namelijk terecht dat het niet meer is dan een aanwijzing dat iemand niet louter en alleen vanwege een eerder verzoek kan worden teruggezonden. Wat wordt daarmee dan effectief veranderd? Welke voorbeelden zou hij daarbij kunnen bedenken? Met dergelijke voorbeelden gaan wij dat soort jurisprudentie beter begrijpen en dan kunnen wij ook de uiteindelijke maatregelen beter wegen die de Staatssecretaris zal voorstellen.

Staatssecretaris Teeven: Ik zeg toe dat ik uw Kamer binnen drie weken een uitgebreide brief zal sturen over wat ik nu al even heb samengevat. Ik moet ook de Directie Wetgeving erbij betrekken als het gaat om wat de precieze effecten zijn van de uitspraak van het Europees Hof van Justitie in Luxemburg. Wij denken dat wel scherp te hebben, maar het is ook goed om ook voor u nog eens op te schrijven wat nu precies de implicaties zijn van wat hier is besloten door het Hof.

Mevrouw Gesthuizen heeft mij nog de vraag gesteld of er nu geen aanleiding is voor een Dublinstop voor Italië. Naar ons oordeel is die situatie niet dusdanig dat asielzoekers in hun fundamentele mensenrechten worden geschonden. Belangrijk is misschien ook wel, zoals ik al heb gezegd over Lampedusa, dat wij een aantal initiatieven hebben gestart om ondersteuning te bieden. EASO en Frontex zijn nu net als in Griekenland in Italië buitengewoon actief. Op die wijze proberen wij de Italiaanse overheid en de uitvoerende diensten in Italië ook te assisteren, zoals wij dat in Griekenland al doen.

Ik meen dat ik hiermee alle vragen van uw leden heb beantwoord.

De voorzitter: Mevrouw Gesthuizen mist nog een antwoord.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Ja, ik mis nog het antwoord van de Staatssecretaris op de vragen die ik hem heb gesteld over de serie Uitgezet.

Staatssecretaris Teeven: Ik heb gehoord wat mevrouw Gesthuizen daarover zei, namelijk dat zij constateert dat het bij de Staatssecretaris uit het oog, uit het hart is. Ik heb letterlijk opgeschreven wat zij daarover opmerkte, namelijk dat ik geen oog heb voor uitgezette kinderen in nood. Ik heb echter geen vraag gehoord.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Jazeker wel!

Staatssecretaris Teeven: Dan heb ik dat verkeerd verstaan.

De voorzitter: De vraag luidde?

Mevrouw Gesthuizen (SP): Het was een vraag in vieren. Laat ik daar nu twee belangrijke punten uit halen. De Staatssecretaris suggereert in zijn brief dat de serie Uitgezet een heel eenzijdig beeld geeft. Ik houd hem graag voor, zoals ik al in mijn eerste termijn heb gezegd, dat er studies zijn gedaan door niet de minsten, bijvoorbeeld UNICEF, maar ook door Human Rights Watch, naast opmerkingen van het UNHCR-adjunct hoofd te Kabul. Die bewijzen in mijn ogen dat de Staatssecretaris met de opmerking dat Uitgezet een politiek gekleurde documentaire is, absoluut geen recht doet. Deze documentaire laat feitelijk zien hoe het is met deze kinderen. Ik wil daar graag een reactie op. De rest zal ik bewaren voor een reactie op het antwoord dat de Staatssecretaris nog zal geven en anders voor de tweede termijn als wij uit de tijd lopen.

Staatssecretaris Teeven: Ik ben er in de brief wel op ingegaan. Ik heb de serie bekeken. Mevrouw Gesthuizen had mij dat ook expliciet gevraagd. Daarom kan ik het mij ook nog heel goed herinneren. Ik kom er in tweede termijn nog even op terug.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Goed. Dan doe ik dat ook.

De voorzitter: Daarmee zijn wij gekomen aan het eind van het uitgebreide antwoord van de Staatssecretaris. Ik heb niet de indruk dat er een heel lange tweede termijn nodig is maar wel dat er een tweede termijn nodig is. Mag ik u allen vragen, u tot de hoofdpunten en tot zaken die u echt nog overgebleven acht te beperken en niet in herhaling te vallen, ook niet als wij het oneens zijn? Dat heeft niet zoveel zin.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Voorzitter. Dat is de ellende van ons vak: we blijven maar herhalen wat we zelf vinden.

Het lijkt alsof het scherpste randje nu wel van het illegalenquotum af is, maar als de Staatssecretaris er nu zoveel nadruk op legt dat iemand zich twee keer aan de meldplicht heeft onttrokken terwijl één keer misschien ook wel voldoende is, moet hij dat misschien nog toelichten. Als dat al een reden is voor aanhouding in het kader van het quotum, zijn wij eigenlijk terug bij af, want dan gaat het dus niet alleen maar om overlast gevende en criminele vreemdelingen. Dat is in ieder geval niet conform de motie die ik heb gesteund.

Ten aanzien van de reactie van de Staatssecretaris op de serie Uitgezet herhaal ik mijn vraag of hij nu daadwerkelijk zegt dat het de verantwoordelijkheid van de ouders is en dat hij dus geen verdere verantwoordelijkheid meer neemt voor deze kinderen. Is de Staatssecretaris zich ervan bewust dat, zoals ik net ook al zei, het adjunct-hoofd van UNHCR in Afghanistan zegt dat mensen die naar Afghanistan terugkeren, onder wie dus ook kinderen, reëel gevaar lopen omdat zij door de Taliban worden aangemerkt als collaborateurs? Dat heeft er ook toe geleid dat het gezin dat in de serie te zien was inmiddels is gevlucht naar Tadzjikistan. Het kan toch niet de bedoeling zijn van het kabinetsbeleid dat wij kinderen in zo'n situatie brengen als wij ze terugsturen? Graag wil ik ook nog een reactie van de Staatssecretaris op wat ik net nog bij interruptie zei.

De heer Fritsma (PVV): Voorzitter. Ik dank de Staatssecretaris voor de antwoorden, maar, zoals ik al eerder heb aangegeven, moeten wij wel afwachten wat daarvan overblijft omdat de PvdA-fractie bij de stemmingen vaak lijnrecht tegen deze Staatssecretaris ingaat. Dat bleek al bij het illegalenquotum en bij het punt van de 250 Syriërs die nu toch buiten het gangbare quotum vallen. Het probleem wordt steeds nijpender, want de Staatssecretaris zegt wel dat Nederland niet asielzoekers moet opvangen vanuit Italië, maar nu lees ik helaas in de krant dat de PvdA-fractie het tegendeel wil. Die fractie wil namelijk de grenzen openstellen en doelt daarbij uitdrukkelijk op de overname van asielzoekers vanuit Italië. De PVV-fractie maakt zich daar ernstig zorgen over. Het is weer een bewijs dat de PvdA-fractie het beleid van deze Staatssecretaris gigantisch ondermijnt. Nogmaals, dat is een groot probleem voor heel Nederland.

De voorzitter: Ik zie de heer Fritsma heel erg naar mevrouw Maij kijken. Misschien wil zij hier iets op terugzeggen?

Mevrouw Maij (PvdA): Ik zou de heer Fritsma willen aanraden om het conceptverkiezingsprogramma van de PvdA voor de Europese verkiezingen te lezen, want hij geeft een vrije interpretatie van wat daarin staat, en ik raad hem aan om daarna nog een keer terug te komen. Wat hij zojuist suggereerde, staat daar zeker niet in.

De heer Fritsma (PVV): Ik heb het goed gelezen. Het staat er wel in. De PvdA-fractie pleit voor solidariteit, waarbij ook wordt gedoeld op de overname van asielzoekers vanuit Italië. Dat is slecht nieuws. Nogmaals, iedereen kan lezen, dus ik zeg bij dezen dat ik mij ernstig zorgen maak over dat punt.

Ik stel een vervolgvraag aan de Staatssecretaris. Hij geeft gezegd geen actief opsporingsbeleid te voeren ten aanzien van illegalen. Dat is raar, want de terugkeercijfers zijn al zo laag, dus natuurlijk is actieve opsporing vereist.

Over de bewoners van de Vluchtflat heeft de Staatssecretaris gezegd dat zij vaak niet gedwongen kunnen worden uitgezet. Dat is inderdaad een probleem. Hoe zit het dan met het regeerakkoord waarin staat dat landen van herkomst onder druk worden gezet om wel mensen terug te nemen? Dan wordt er ook letterlijk gesproken over handels- en ontwikkelingscontacten. Dus hoe ver staan wij nu met eventuele handelssancties ten aanzien van deze landen? Dat is nu toch echt hard nodig.

Ten slotte, voorzitter, want ik krijg nog wat nieuwe brainwaves...

De voorzitter: Laat dit dan de laatste zijn!

De heer Fritsma (PVV): Dit is echt de laatste. Wij krijgen een brief over de Vluchtflat, de Vluchtschans of hoe het heten mag, waarom de kraakwetgeving niet is gehandhaafd. Daarop wil ik graag één aanvulling. Als de Staatssecretaris dat nu weet, is het prima. Hoe staat het met de criminelen en de mensen die zich in de Vluchtflat hebben misdragen en met hun uitzetting? Ik doel bijvoorbeeld op de aanranding van een tienjarig meisje, een massale vechtpartij en mishandelingen. De verhalen zijn bekend, dus ik wil slechts graag de aanvulling hoe het staat met de aanpak daarvan.

De heer Sjoerdsma (D66): Voorzitter. Dank aan de Staatssecretaris voor zijn beantwoording. Ik zei in de eerste termijn «geen kinderen in de cel» omdat dat schadelijk is voor hen maar ook omdat het tegen het VN-Kinderrechtenverdrag ingaat. De Staatssecretaris zegt te hebben gesproken met de coalitie. Dat is goed. Hij geeft ook aan zorgen te hebben over mogelijke gevolgen hiervan voor de mensenhandel. Ik vertrouw dan ook op zijn creativiteit om ervoor te zorgen dat geen kinderen in de cel niet betekent dat het leidt tot meer mensenhandel. Ik kijk uit naar zijn reactie ergens half januari.

Ik vind het goed dat het kabinet uitgebreider zal ingaan op de argumentatie dat tijdelijke opvang van families van Syriërs hier in Nederland niet mogelijk is, zeker aangezien opvang in de regio steeds lastiger wordt.

Tot slot kom ik nog even terug op de strategische landenbenadering. De Staatssecretaris wilde ons in mei een brief sturen, maar op 28 november is een algemeen overleg over migratie en ontwikkeling gepland. Ik vraag mij af of het mogelijk is om de brief voordien te ontvangen, ook omdat het dan gaat over de voorwaardelijke inzet van ontwikkelingssamenwerking om landen te bewegen beter mee te werken aan terugkeer. De Minister zegt dat Irak meer krijgt om beter mee te werken, terwijl Ghana wordt gekort omdat het slecht meewerkt. Beide landen gingen niet beter meewerken aan terugkeer. Hoe beoordeelt de Staatssecretaris dan het middel van voorwaardelijke inzet van ontwikkelingssamenwerking op dit gebied?

Mevrouw Maij (PvdA): Voorzitter. Ik verwijs kortheidshalve naar de laatste opmerking van de heer Sjoerdsma over de strategische landbenadering en het algemeen overleg over migratie en ontwikkeling. Ik sluit mij bij zijn vraag aan.

De Staatssecretaris heeft gesproken over de geïndividualiseerde groep in Amsterdam van de mensen die zich daar in het kantoor bevinden. Hij wil geen confrontatie maar een gesprek. Ik vind dat een heel goede aanvliegroute. Wil hij ook voor de mensen in Den Haag op de een of andere manier zo ver komen dat we met inspanning van hem en anderen daar ook tot een geïndividualiseerde benadering kunnen komen?

Ik heb een vraag gesteld over de opvang in pleeggezinnen. De Staatssecretaris heeft de heer Voordewind daarover kort geantwoord. Ik had ook gevraagd naar de 150 kinderen die verdwenen zijn. Misschien kan hij daar nog iets over zeggen.

Als het gaat om EASO en de gezamenlijke landeninformatie vraag ik hem wat zijn ambitie is voor de Europese samenwerking, niet zozeer voor 28 november maar eventueel voor mei. Wat is de stip aan de horizon voor die Europese samenwerking waar de Staatssecretaris heen zou willen gaan met die gezamenlijke landeninformatie?

Uiteraard dank voor de toezeggingen die al zijn gedaan.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Voorzitter. Dank voor de beantwoording van de vragen. Wij hebben in eerste termijn al aangegeven dat wij het op hoofdlijnen eens zijn met het beleid van deze Staatssecretaris maar dat wij hem wel kritisch zullen volgen, met name op het terrein van de medische zorg, de minderjarigen en de afspraken die over terugkeer worden gemaakt met andere landen. Wij zijn blij met de toezegging dat we wat meer zicht zullen krijgen op de uitspraak van het Hof.

Ik heb nog wel één vraag, want mij viel iets op in de antwoorden van de Staatssecretaris. Vorige keer hebben wij hier in het debat vrij stevig onze ontevredenheid uitgesproken met het feit dat hij € 4.500 zou hebben geboden aan mensen om maar zo snel mogelijk te vertrekken. Toen heeft hij gezegd dat hij niemand dat geld heeft gegeven. Nu hebben wij hem net horen zeggen dat het maar in een enkel geval tot uitbetaling heeft geleid. Dat is dus een ander antwoord dan het antwoord dat wij de vorige keer kregen. Wij zouden toch graag verduidelijking krijgen, want wij zijn het niet eens het met feit dat er € 4.500 is geboden aan mensen die eerder weigerden te vertrekken om alsnog te gaan.

De heer Azmani (VVD): Voorzitter. Dank. Ik ben benieuwd wanneer er over de strategische landenbenadering meer informatie komt, als dat al kan in het algemeen overleg over ontwikkelingssamenwerking, dan wel wanneer wij een meer gevoegde strategische landenbenadering krijgen in mei volgend jaar. Irak is een probleemland, niet alleen voor Nederland maar voor meer landen in Europa en ook voor de VS en Australië. Zou het niet mogelijk zijn dat wij ons met elkaar verenigen en dat er dan wel gedwongen terugkeer kan plaatsvinden?

Gelet op het arrest ben ik blij dat de Staatssecretaris bereid is, ook op verzoek van mevrouw Van Toorenburg, om daarop over een paar weken terug te komen en daarvan uitgebreid de implicaties aan te geven, ook in het kader van de eventuele suggestie die ik daarbij aanreik, namelijk het verkort afdoen van aanvragen op het moment de inhoudelijke besluitvorming heeft plaatsgevonden. Daarover hebben wij al eens eerder gesproken.

Ten aanzien van het M118-formulier breng ik nogmaals de suggestie onder de aandacht om ook intern daarnaar kwaliteitsonderzoek te doen. Dat helpt volgens mij in de toekomst, mocht er nog een keer iets mis gaan door menselijke fouten. Dan gaat het over de situatie van de vertrouwensarts die in de media een ander beeld heeft geschetst. Wat is daarover de stand van zaken? Heeft het OM de aangifte in behandeling genomen of is die inmiddels al geseponeerd, en welke consequenties zijn er dan eigenlijk nog voor deze mevrouw?

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Voorzitter. Ten aanzien van terugkeer geeft de Staatssecretaris nu aan dat deze mogelijk is naar bijna ieder land. Eerder heeft hij zich daarover juist veel beslister uitgesproken. Toen zei hij namelijk dat dit eigenlijk altijd mogelijk was. Kan de Staatssecretaris aangeven hoe dit per land zit? Ik kan mij voorstellen dat hij dat schriftelijk doet.

Op Bagdad ga ik specifiek in, omdat de Staatssecretaris daarvan zegt dat het feitelijk ingewikkeld is. Is hij dan ook van plan om daaraan consequenties te verbinden en is hij bereid om zijn beleid erop aan te passen?

Er is iets heel raars aan de hand met de motie door deze Kamer is aangenomen over het illegalenquotum, want als je mensen nu vaker oppakt, louter en alleen vanwege het niet hebben van een geldige verblijfsstatus, waarom zou je dan nog een quotum vaststellen? Ik begrijp nu dat de Staatssecretaris aangeeft dat de prestatieafspraken met de politie op dit punt nog steeds staan, maar een Kamermeerderheid heeft heel duidelijk aangegeven daarvan af te willen. Wat betekent dit voor de plannen met betrekking tot de strafbaarstelling van illegaliteit? Wanneer die eenmaal zijn ingevoerd, is iemand al strafbaar, simpelweg door er te zijn.

Ten aanzien van Lampedusa geeft de Staatssecretaris aan dat hij wil kijken naar het versterken van de mogelijkheden voor zuidelijke staten. Betekent dit dan dat hij geen enkele mogelijkheid ziet om het beleid in Nederland aan te passen? Hoe verhoudt zich dat dan tot de motie, die ook in deze Kamer is aangenomen, over het opnemen van Syrische vluchtelingen om het aantal van 250 los te koppelen van het bestaande quotum? In de brief die wij gisteravond hebben gekregen, verwijst de Staatssecretaris naar de oproep van de UNHCR om 2000 Syrische vluchtelingen te herhuisvesten, waarvan Nederland al ruim 10% opneemt. Dat is wat hij al eerder heeft toegezegd, terwijl wij sindsdien wel een motie hebben aangenomen.

De voorzitter: Mij is gebleken dat wij zijn gekomen aan het eind van de tweede termijn van de Kamer en dat de Staatssecretaris onmiddellijk kan antwoorden. Ik geef hem daartoe graag het woord.

Staatssecretaris Teeven: Voorzitter. Dank voor de inbreng van de leden in tweede termijn.

Allereerst ga ik in op de reactie op Uitgezet. Ik heb de brief erbij gepakt. Ik heb daarin geschreven dat de verhalen echt zijn en dat ik niet wegloop voor de gevolgen van mijn beleid met betrekking tot kinderen. Ik heb niet gezegd dat de overheid geen verantwoordelijkheid voor kinderen heeft en dat die louter bij ouders ligt. Dat staat ook niet in die brief. Wel heb ik daarin geschreven dat als je langdurig in Nederland verblijft, de situatie bij terugkeer in het land van herkomst voor kinderen lastiger kan zijn. Volgens mij is het bijna een open deur als je dat constateert, maar ligt er daarbij dan ook wel een verantwoordelijkheid voor ouders. Als zij niet vrijwillig het land hebben verlaten terwijl zij hier niet mogen blijven, waardoor de kinderen hier ook langer zijn geweest, kun je natuurlijk niet alleen maar zeggen dat dit niet de verantwoordelijkheid van de ouders is. Die situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als ouders eindeloos hebben doorgeprocedeerd terwijl zij al een aantal keren hebben gehoord dat zij hier niet mogen zijn, of zij gewoon geen gehoor geven aan hun vertrekplicht. Dat kan wel consequenties hebben voor kinderen, zoals in die brief staat, als zij dan terugkeren naar het land van herkomst. Volgens mij staat dat in die brief. Daar staat dus niet dat ik overal voor wegloop. Dat wil ik toch even gezegd hebben in deze termijn. Sterker nog, mevrouw Gesthuizen weet natuurlijk dat ik nooit wegloop voor verantwoordelijkheid, dus dat ik dat ook niet doe voor deze verantwoordelijkheid.

Mevrouw Gesthuizen (SP): In het laatste heeft de Staatssecretaris gedeeltelijk gelijk. Ik ken hem ook beslist als iemand die regelmatig heel daadkrachtig optreedt wanneer zich problemen voordoen. Mij gaat het erom dat er een beeld wordt geschetst in de serie en ook in diverse rapporten van onomwonden blijkt dat het heel slecht gaat met een groot aantal van deze kinderen. Als de Staatssecretaris niet ziet wat hij hieraan verder kan doen, denk ik dat het op dit punt heel belangrijk is om te kijken of wij daarover een Kameruitspraak kunnen afdwingen en ga ik een VAO bij u aanvragen, voorzitter.

Staatssecretaris Teeven: Dan voel ik mij weer een beetje gesterkt door de opmerking van mevrouw Gesthuizen nu, want dat is nu precies wat ik niet heb gezegd. Ik heb gezegd: ik denk dat er concreet wel iets aan de hand is en daarom zal ik zorgvuldige procedures bevorderen. Daarom zijn wij dus ook bezig met die snellere procedures en met een meer integrale toetsing in eerste aanleg. Ouders en kinderen krijgen dan sneller duidelijkheid over hun verblijfsrechtelijke positie in Nederland. Dus ik voel mij wel aangesproken en geraakt door wat ik hier heb gezien. Ik ben bezig met het versnellen van de procedures en het completer maken daarvan zodat iedereen meer duidelijkheid heeft en juist kinderen sneller weten waar zij aan toe zijn. Dus volgens mij zitten wij helemaal niet zo ver van elkaar af, zeg ik via u, voorzitter, in de richting van mevrouw Gesthuizen, die dat lijkt te beamen.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Dat ligt eraan. Mag ik van de Staatssecretaris horen wat er dan nog voor de kinderen kan gebeuren, niet alleen voor de kinderen in deze serie maar voor de kinderen in het algemeen die zijn uitgezet en die zich nu in heel slechte omstandigheden bevinden?

Staatssecretaris Teeven: In het algemeen vind ik dat lastig. Als u zegt concrete cases te hebben en die onder mijn aandacht brengt, hebben wij een heel andere situatie. Dan ben ik zeer bereid om daarnaar te kijken, maar in het algemeen kan ik daar niet heel veel mee.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Dan lever ik die aan.

Staatssecretaris Teeven: Dat is volgens mij productiever, maar ik ga niet over de wijze waarop uw Kamer werkt, dan mij een motie om de oren te slingeren waar ik toch niet zoveel mee kan.

De voorzitter: Ik wilde net zeggen, in andere woorden, dat ik begreep dat het VAO nog even boven de markt hangt.

Mevrouw Gesthuizen (SP): Dat hebt u correct geconstateerd, voorzitter.

Staatssecretaris Teeven: Ik dank mevrouw Gesthuizen voor deze constructieve gedachtewisseling.

De heer Fritsma weet natuurlijk ook dat de PvdA-fractie haar eigen opvattingen en haar eigen idealen heeft. Daar heeft zij ook recht op. Partijen hebben verder ook eigen partijcongressen. Daar hebben ze eveneens recht op. Ik heb er als Staatssecretaris gewoon mee te leven dat de PvdA-fractie dat allemaal heeft en dat zij er allemaal recht op heeft. Ik heb er ook mee te leven dat zij de grenzen van het vreemdelingenbeleid een beetje opzoekt, wat ze al een beetje had aangekondigd, binnen kaders van het regeerakkoord, zoals de heer Azmani ook zei. Dus ik waardeer het dat de heer Fritsma met mij meedenkt en dat hij probeert de PvdA-fractie een beetje op koers te houden, maar dat hoeft hij voor mij niet te doen, want ik denk dat ik er tot nu toe heel goed uitkom met de PvdA-fractie tot nu toe. Maar om te zien dat er spanning zit op het beleid van dit kabinet op dit onderdeel van het regeringsbeleid, hoef je geen helderziende te zijn als je het regeerakkoord leest.

De heer Fritsma (PVV): De Staatssecretaris doet er nu een beetje te gemakkelijk over, want ik verwacht wel dat hij het eigen regeerakkoord verdedigt. Dat is echter wat niet gebeurt. Natuurlijk verschillen de PvdA en de VVD van mening. Dat weet ik ook wel, maar dat is niet goed, want de Staatssecretaris zegt vaak iets en vervolgens wordt dat bij de eerste de beste stemming onderuit gehaald. Dan vraag je je af wat de antwoorden van de Staatssecretaris waard zijn. In het regeerakkoord staat bijvoorbeeld: bij een restrictief en rechtvaardig remigratiebeleid behoort ook een actief en consequent terugkeerbeleid. Mevrouw Maij heeft in de pers gezegd dat ze dat niet wil. Zij vindt het fantastisch dat illegalen niet meer worden opgepakt, enkel en alleen op grond van het niet-hebben van verblijfsrecht. Dus dat vloekt gewoon met het regeerakkoord. Ik verwacht dat de Staatssecretaris dat verdedigt.

Staatssecretaris Teeven: Ik kan de heer Fritsma een eind volgen, maar nu even niet. Als je het hebt over een niet actief opsporingsbeleid, zeg je niet dat de Vreemdelingenwet opzij wordt gezet. Ik heb op een expliciete vraag van een aantal van u daarstraks nog eens uitgelegd hoe het nu zit met die brief van mij van afgelopen maandag. Een actief opsporingsbeleid geeft aan waarop de politie gaat inzetten. Dat betekent niet dat wij alle bouwwerken in Nederland gaan afstropen om te kijken of wij daar nog illegalen kunnen vinden, maar als er toezicht plaatsvindt en als er illegalen worden aangetroffen, is het heel wel mogelijk om de Vreemdelingenwet op dat moment toe te passen. De genoemde motie doet daar niets aan af. De opvattingen van de PvdA-fractie doen daar ook niets aan af. Die zetten de Vreemdelingenwet niet opzij, maar ook de opvattingen van de VVD-fractie niet. Dus die wet blijft gewoon van kracht.

Iets anders is datgene wat wij hebben afgesproken. De motie zie ik daarom ook als ondersteuning van het beleid. Die heb ik goed gelezen. Daarom staat er ook «niet louter», zeg ik tegen mevrouw Voortman. Ik wijs toch nog even op wat ik tijdens het VAO heb gezegd. Het citaat staat in mijn brief van afgelopen maandag. Daar is volgens mij perfect aangeduid dat de woorden «niet louter» niet betekenen dat het actief opsporingsbeleid alleen maar op aantallen gericht is. Er wordt ook bekeken wat voor vreemdelingen het kabinet nu in vreemdelingenbewaring wil hebben en waarop het inzet. Dat is ook perfect genoemd. Dus die motie is wat mij betreft echt een ondersteuning van het beleid. Dat kan voor mevrouw Voortman ook geen verrassing zijn, want dat heb ik al kort na het VAO, toen de stemming net voorbij was of er zelfs nog moest worden gestemd, gezegd op een vraag aan mij door een vertegenwoordigster van de media die ik nu echt zit aan te kijken. Ik kan de beelden er nog bij halen. Toen heb ik gezegd dit te zien als een ondersteuning van het beleid. De PvdA slaat een paaltje op dit punt als zij spreekt van niet alleen maar kwantitatieve richtlijnen, Ik denk dat ik daar al mee bezig ben. Dus ik zie die tegenspraak helemaal niet. Ik heb dat die avond al gezegd, ik heb het afgelopen maandag ook geschreven en ik zeg nu hetzelfde. Ik waardeer de ongerustheid van de heer Fritsma, maar volgens mij zet het kabinet hier nog steeds op in.

De voorzitter: U vervolgt uw betoog. Ook nu zei u niet zo heel veel nieuws ten opzichte van wat u hier eerder hebt gezegd. Dat u uw eigen brieven goed vindt, snapt iedereen wel.

Staatssecretaris Teeven: Ik waardeer het dat u het debat kritisch volgt, maar mevrouw Voortman heeft mij een vraag gesteld die ik inmiddels dus ook heb beantwoord.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Sowieso is de Staatssecretaris nog niet ingegaan op wat dit dan betekent wanneer eenmaal de strafbaarstelling van illegaliteit is ingevoerd en hoe hij nu kijkt naar het woordje «louter». Een Kamermeerderheid vat dat zo op dat dit niet de enige doelstelling mag zijn om iemand op te pakken. Het lijkt er nu op dat de Staatssecretaris zegt: we kijken zowel naar kwalitatieve als naar kwantitatieve doelstellingen en het gaat om de kwantitatieve. Dat was het geval en daarvan heeft de Kamer gezegd dat dit nu niet meer zo zou moeten zijn.

De voorzitter: Nog één keer dan!

Staatssecretaris Teeven: Nog één keer, want het kan niet duidelijk genoeg zijn, zeker niet aangezien niet iedereen zich hiervoor interesseert. «Niet louter kwantitatief» betekent dat je niet alleen maar kijkt naar het aantal van 4.000 maar dat je ook andere indicatoren gebruikt voor een actief opsporingsbeleid. Die indicatoren heb ik bij herhaling gegeven. De PvdA heeft dat ook nog eens uitdrukkelijk onder ogen van het kabinet gebracht. Volgens mij is daarmee precies gebeurd wat er moest gebeuren. Het is mij volstrekt helder.

Om de vraag van mevrouw Voortman dan maar meteen te beantwoorden; de combinatie met de strafbaarstelling van illegaliteit zie ik niet helemaal. Dat is weer iets heel anders. Wij hebben in Nederland heel veel zaken die strafbaar worden gesteld. Kijk het Wetboek van Strafrecht er nog maar eens op na. Maar niet op al die onderdelen van dat wetboek wordt een actief opsporingsbeleid gevoerd. Dus je kunt heel wel iets strafbaar stellen in het Wetboek van Strafrecht maar daarop niet een heel actief opsporingsbeleid loslaten. Dat zijn dingen die niet zo heel veel met elkaar te maken hebben.

Mevrouw Voortman (GroenLinks): Dat is wel het geval als de focus van het kabinet ligt op overlast gevende en criminele vreemdelingen.

Staatssecretaris Teeven: Daarvoor hebben we een actief opsporingsbeleid, dus als de strafbaarstelling van criminaliteit kan bijdragen tot het opsporen, het in vreemdelingenbewaring plaatsen, dan wel tot het veroordelen voor strafbare feiten van dat soort vreemdelingen met die toevoeging, valt dat onder het actief opsporingsbeleid. Maar dat hebben wij nu uitgebreid met elkaar gewisseld. Volgens mij moet je die verwarring niet iedere keer proberen te zoeken, want die is er niet.

De voorzitter: Mevrouw Maij nog?

Mevrouw Maij (PvdA): Ik zou het toch prettig vinden dat collega's die reageren op mijn inbreng, dat deden op die inbreng en niet op vrije interpretaties in diverse media, die daarna dan nog eens vrij worden geïnterpreteerd door, in dit geval, de heer Fritsma. Ik vind het een beetje ongemakkelijk om daarover te debatteren. Als de heer Fritsma mij citeert uit de Handelingen, prima. Dan wil ik daarop graag reageren, maar niet op een vrije interpretatie van een citaat uit de media.

De voorzitter: Waarvan akte.

Staatssecretaris Teeven: Dan is misschien nog even van belang de aanvullende vraag van de heer Fritsma hoe het nu zit met de handels- en ontwikkelingscontacten met de landen van herkomst. Binnen het kabinet hebben wij daarover voortdurend afstemming. Ik verwijs naar een gepland algemeen overleg van uw commissie en de commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op 28 november a.s. over de samenloop tussen enerzijds ontwikkelingsgeld en buitenlandse handelscontacten en anderzijds conditionaliteit, zoals repercussies voor bijvoorbeeld het terugkeerbeleid. Mij is tevens bekend dat de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking tijdens haar bezoek aan Somalië – zij heeft mij daarover nog expliciet bericht – ook aandacht heeft gevraagd bij de autoriteiten waarmee zij sprak voor het terugkeerbeleid. Zij heeft nadrukkelijk gezegd dat het een niet zonder het ander kan. Het is een punt van voortdurende aandacht van het kabinet dat je dit in onderlinge samenspraak bekijkt.

De heer Sjoerdsma vroeg waarom Irak nu anders wordt behandeld dan Ghana. Het korten op ontwikkelingssamenwerking voor Ghana is, zoals de heer Sjoerdsma natuurlijk weet, onder mijn voorganger in het kabinet-Rutte I ingezet. Ook met betrekking tot Ghana bekijken wij of dat nu daadwerkelijk de effecten op het terugkeerbeleid heeft gehad die werden beoogd. Zeggen dat je iets gaat doen, is nog iets anders dan je af te vragen of je het doet wanneer een land zegt inmiddels zo ver met de eigen ontwikkeling te zijn dat men niet wakker ligt van het geld dat Nederland niet uitkeert. Daarnaar moet je ook wel nadrukkelijk kijken, dus dat zullen wij ook meten. Ik denk dat dit onderwerp ook aan de orde komt tijdens het algemeen overleg op 28 november a.s. Dan zullen wij dit ook expliciet meegeven en daarover rapporteren.

Over de uitvoering van de kraakwetgeving heb ik gezegd dat ik zal informeren bij het Openbaar Ministerie in Amsterdam en bij het gemeentebestuur daar hoe de lokale driehoek het met de uitvoering van de Wet kraken en leegstand heeft gedaan.

De voorzitter: De vraag van de heer Fritsma was een andere, namelijk die of u daar druk op wilt zetten. Daarop geeft u geen antwoord.

Staatssecretaris Teeven: Er zijn richtlijnen van het Openbaar Ministerie die in samenspraak met de Minister van Veiligheid en Justitie worden bepaald over de manier waarop wij omgaan met de kraakwetgeving. Het is uiteraard aan het Openbaar Ministerie ter plaatse om uitvoering te geven aan de toepassing van de strafwet. Daar gaan wij als kabinet geen druk op zetten. Dat kan alleen via de strafvorderingsrichtlijnen.

De heer Azmani (VVD): Misschien wat licht aan de horizon. Volgens mij is het tot nu toe zo dat er rondom de Vluchtkerk, de Vluchtflat et cetera altijd tijdelijk toestemming was van de eigenaar, dus dan kun je al niet optreden op basis van de Wet kraken en leegstand. Ik weet niet hoe dat in de nieuwe situatie is, maar het was met toestemming. Bij de Vluchtflat had men tot oktober de gelegenheid om daar te bivakkeren met toestemming van de eigenaar, dus dan kun je die wet ook niet toepassen.

De heer Fritsma (PVV): Ik zie de toegezegde brief graag tegemoet, inclusief de aanvulling die ik hier in tweede termijn bij heb gedaan. Misschien is het nog wel goed om die op te nemen.

De voorzitter: Als u een vraag stelt in die zin, moet daar antwoord op komen. Dat is er nu.

De heer Fritsma (PVV): Daarin hebt u groot gelijk. Misschien kan dat ook in de brief worden meegenomen.

De voorzitter: De laatste vraag van de heer Fritsma is of dit ook in de brief kan worden meegenomen.

Staatssecretaris Teeven: Dan heeft mevrouw Maij herinnerd aan haar vraag uit de eerste termijn hoe het nu specifiek zit met de opvang van kinderen in pleegezinnen. Ik heb in de brief aangegeven dat het aantal amv´s dat in 2012 door het COA is geregistreerd, als zelfstandig en zonder toezicht vertrokken 160 was. In 2011 waren dat er 140. De verdwijning uit de beschermde opvang is nagenoeg nihil. Een jongere wordt door het COA geregistreerd als zelfstandig en wordt beschouwd als zonder toezicht uit de opvang te zijn vertrokken wanneer hij zich gedurende twee weken niet heeft gemeld in de opvang. Jongeren die na een kort verblijf buiten de opvang weer terugkeren, vallen daar dus niet onder.

Van belang is nog wel om te benadrukken dat er niet bij iedere jongere die zelfstandig en zonder toezicht uit de opvang vertrekt, aanleiding is om te veronderstellen dat de jongere zich bevindt in een situatie van uitbuiting of een anderszins zorgelijke situatie. Soms is ook gewoon duidelijk dat daar geen sprake van is en dat iemand op een andere wijze in zijn levensonderhoud voorziet. Het kan bijvoorbeeld ook zijn dat het bij een COA-mentor of

– voogd bekend is dat de jongere bij familie of vrienden verblijft. Jongeren vertrekken ook zelf en zonder toezicht uit de campuslocaties omdat zij de uitkomst van de asielprocedure niet verder willen afwachten, omdat zij bijna of net 18 jaar zijn en reeds zijn uitgeprocedeerd. Daar hebben wij natuurlijk ook al een aantal concrete voorbeelden van gehad. Die aantallen kunnen van jaar tot jaar verschillen, net als de instroom en de bezetting, die niet ieder jaar hetzelfde zijn, maar ik doe er wel alles aan om het aantal risicovolle verdwijningen te beperken.

Mevrouw Maij (PvdA): Ik heb de brief ook gelezen. Dat is precies wat de Staatssecretaris nu vermeldt. Hij doet er alles aan. Kan hij iets meer inkleuren wat hij eraan doet om de 150 kinderen die verdwijnen toch erbij te houden?

Staatssecretaris Teeven: Ik zal u daarover bij brief berichten.

Naar een stip aan de horizon hebben mevrouw Maij en de heer Azmani nog gevraagd. Hoe nu verder met die landen? Ik stel mij voor dat ik in ieder geval volgend jaar laat zien wat nu de samenwerking binnen de EU en wat de bilaterale samenwerking met landen van herkomst heeft opgeleverd, waar wij wel en geen enkele vooruitgang hebben geboekt, waar nieuwe problemen zijn gerezen en waar wij dingen hebben opgelost. Ik denk dat dit daaruit wel moet blijken. Het beleid moet natuurlijk zijn dat het, zeker als het over die landeninformatie gaat, ook meerwaarde heeft dat je dingen op elkaar legt.

Dat is scherp van mevrouw Van Toorenburg, want ik zei inderdaad iets anders. Dat is ook precies zoals ik het heb bedoeld. Toen ik zei «het was niemand» klopte dat, en nu klopt ook dat er enkelen zijn die wel iets uitbetaald hebben gekregen. Het is precies zo gebeurd als mevrouw Van Toorenburg het heeft opgevat. Er zijn nu enkelen die wel gebruik hebben gemaakt van die regeling.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Dat vind ik dan wel heel vervelend, omdat wij de vorige keer in het debat hebben gezegd dat wij dat absoluut niet wensen. Daarbij heeft de Staatssecretaris zelf ook gezegd dat hij dit misschien maar niet moet doen, en vervolgens gebeurt het dus wel. Dus de constatering is nu dat deze Staatssecretaris duizenden euro´s heeft betaald aan mensen die eerder niet wilden en die nu uiteindelijk zijn afgekocht. Ik vind dat echt diep triest. Ik vind niet dat dit had mogen gebeuren. We hebben daar samen met de PVV echt een kritische inbreng over geleverd. Dan vind ik het echt zeer teleurstellend dat het toch is gebeurd.

Staatssecretaris Teeven: Maar ik heb toen ook gezegd dat het aanbod wel was gedaan. Ik heb toen tijdens het algemeen overleg, zoals ik mij nog heel goed kan herinneren, nog gezegd dat dat een discussie was waarvan ik goed kennis had genomen, dat het aanbod wel gedaan was maar er geen gebruik van was gemaakt. Het aanbod was op dat moment echter wel gedaan. Als er dan mensen zijn die later een beroep doen op iets wat je op dat moment hebt aangeboden en die zeggen toch te willen vertrekken met die tegemoetkoming, kun je niet zeggen dat je het aanbod wel hebt gedaan maar dat je het terugtrekt omdat je met de Kamer hebt gesproken. Dat kan niet.

De heer Fritsma (PVV): Ik dank mevrouw Van Toorenburg van de CDA-fractie, want inderdaad heeft de PVV-fractie hierover dezelfde ideeën. Wij wisten niet dat dat geld nu is aangenomen. Nu hebben wij toch een heel rare situatie, want nu kom je als asielzoeker naar Nederland. Je krijgt een afwijzing van de IND. De vertrekplicht die je hebt, wordt door de rechter bekrachtigd. Maar als je dan tegen de regels in toch in Nederland blijft, krijg je of een generaal pardon, of je krijgt nu een zak met geld. Dit kan toch helemaal niet? Dus op het negeren van de vertrekplicht staat nu een premie van € 4.500. Dat is toch in één woord absurd? Mensen moeten zich gewoon aan hun plichten houden en dat moet gehandhaafd worden. Het negeren daarvan mag niet € 4.500 opleveren. Ik vind dat echt van de gekke.

Staatssecretaris Teeven: Ik begrijp de heer Fritsma goed. Ik moet vooral ruzie maken met de burgemeester van Amsterdam. Ik moet vooral helemaal niks oplossen als er problemen ontstaan in Amsterdam. Onder Rutte I, een kabinet dat werd gesteund door de Partij voor de Vrijheid, werden ook al bedragen in contanten betaald aan vrijwillig vertrekkende vreemdelingen die niet langer in Nederland mochten blijven. We praten hier dus alleen maar over de hoogte van het bedrag en dus niet over het principe, want dat principe werd vroeger ook gesteund door de Partij voor de Vrijheid.

In die zin vind ik de reactie van mevrouw Van Toorenburg begrijpelijker. De CDA-fractie zegt gewoon: wij willen dit niet, wij vinden dat bedrag te hoog. Overigens heeft de CDA-fractie ook een kabinet gesteund dat bedragen contant betaalde aan vrijwillig vertrekkende vreemdelingen, dus ook daar is het principe niet omstreden. Bij geen enkele van de hier aanwezige fracties is het principe omstreden om mensen te bewerkstelligen het land te verlaten. Wat ik alleen maar wil zeggen, is dat ik tijdens het vorige AO goed kennis heb genomen van de opmerkingen van beide fracties. Ik heb toen gezegd dat dit een discussie is die wij voeren over iets wat niet heeft plaatsgevonden. Dat klopte op dat moment ook. Later heeft dat in een enkele situatie wel plaatsgevonden. Dat ontken ik ook niet. Het aanbod was gedaan. Daarvan kun je vinden wat je ervan vindt. Van dat aanbod hebben enkelen gebruik gemaakt. Zij hebben het land vrijwillig verlaten. Daar is dus meer betaald dan wat in soortgelijke situaties binnen het al bestaande beleid onder mij en onder mijn voorganger van CDA-huize al bestond voor een lager bedrag. Zo is het.

De voorzitter: Ik ga even naar de commissie. Ik heb het gevoel dat zij hierover nog een paar vragen wil stellen. Wij zijn over de tijd. Stemt u ermee in om door te gaan? Ik constateer dat dit het geval is. De heer Sjoerdsma verlaat, met excuus, de vergadering. Hij is ook al over tijd. Vandaar dat ik ingrijp.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Ik wil dan wel van de Staatssecretaris horen dat dergelijke bedragen in de toekomst nooit meer zullen worden betaald.

Staatssecretaris Teeven: Dat ga ik niet beloven, want ik kan mij een situatie voorstellen waarin je uitgeprocedeerde vreemdelingen hebt in de grote steden die vrijwillig het land willen verlaten, waarmee je grote problemen hebt en waarover je probeert, met de burgemeesters van de grote steden goede werkafspraken te maken. Ik kan mij voorstellen dat je daarbij constateert dat gedwongen vertrek – dat hebben wij vandaag uitgebreid met elkaar besproken – uit den boze is of dat dit niet mogelijk is, terwijl mensen wel vrijwillig naar hun land kunnen terugkeren. Ik kan mij voorstellen dat je hen daarbij een start moet bieden. Dan gaat het om de hoogte van het uit te keren bedrag en niet om het principe, want dat gebeurde onder vorige kabinetten ook al waarin de meeste van de hier aanwezige fracties vertegenwoordigd waren. Dus het principe is niet zozeer aan de orde, maar het gaat om de hoogte van het bedrag.

Ik ga dit dan ook niet beloven. Ik wil maatwerk leveren en ik wil kijken wat werkt. Dat heb ik al eerder gezegd. Ik wil in het vreemdelingenbeleid kijken wat werkt. Dit lijkt dus niet te werken, want een enkeling heeft er gebruik van gemaakt. De clustering in de groep in Amsterdam de individuele mogelijkheid om iets anders separaat te beslissen was te groot, dus dit werkte niet. Als je maatwerk wilt leveren, moet je af en toe wel kijken of je nu en dan kunt afwijken van het beleid, ook in de opsporing en in het vreemdelingenbeleid,. Dus ik wil de gevraagde belofte niet doen.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA): Dan zult u nog horen, voorzitter, of wij op dit punt een zullen overwegen om een motie in te dienen en of wij dus zullen vragen om een VAO. Dat laat ik zo spoedig mogelijk weten.

De voorzitter: Dat is helder.

Staatssecretaris Teeven: Tot slot kom ik op de opmerking van de heer Azmani over het M118-formulier. Daarvan kan ik zeggen dat de inspectie Veiligheid en Justitie specifiek al kijkt naar de wijze waarop dat wordt gehanteerd. Daarover zal dus worden gerapporteerd, al dan niet via de Onderzoeksraad voor veiligheid.

Over de strategische landenbenadering heb ik al gesproken.

Wat de vertrouwensartsen en het Openbaar Ministerie betreft, zal ik informatie inwinnen bij het Openbaar Ministerie over de stand van zaken met betrekking tot de aangifte die is gedaan en ik zal de Kamer vertrouwelijk enkel over de stand van zaken informeren.

De voorzitter: Daarmee zijn wij gekomen aan het eind van de tweede termijn van de Staatssecretaris, met de vermoedelijke vooraankondiging van een VAO en een aantal toezeggingen.

  • De Staatssecretaris zal op korte termijn, binnen vier weken, na afstemming met de Minister van Buitenlandse Zaken en die van Buitenlandse Handel, een reactie geven op het rapport van Amnesty International.

  • De Staatssecretaris zal over specifieke onderwerpen inzake het Syrië-dossier schriftelijk reageren.

De voorzitter: Wanneer zal de Staatssecretaris dat doen?

Staatssecretaris Teeven: Dat heb ik gezegd: binnen een maand.

De voorzitter: Binnen een maand na heden. Ik vervolg met de toezeggingen:

  • De Staatssecretaris zal in mei 2014 komen met de geactualiseerde stand van zaken inzake het terugkeerbeleid en de Europese context.

  • De Staatssecretaris zal voor de begrotingsbehandeling schriftelijk reageren op de motie-Spekman.

  • De Staatssecretaris zal inzake het medisch dossier antwoord geven op twee specifieke vragen van het lid Maij in antwoord op het rapport van de Nationale ombudsman.

Staatssecretaris Teeven: In de reactie op het rapport van de Nationale Ombudsman zal ik de opmerking meenemen die ik heb gemaakt.

De voorzitter: Dat is ook wat ik bedoelde. Ik vervolg wederom met de toezeggingen:

  • De Staatssecretaris zal de Kamer half januari 2014 berichten over Geen kinderen in grensdetentie.

  • De Staatssecretaris zal binnen drie weken een brief aan de Kamer sturen over de effecten van de uitspraken van het Europees Hof van Justitie.

  • De Staatssecretaris zal informatie inwinnen bij het lokale bestuur en het OM inzake het kraakverbod.

Staatssecretaris Teeven: En hij zal de Kamer daarover vertrouwelijk informeren.

De voorzitter: Ik dank de Staatssecretaris voor de antwoorden, de collega's voor het uiteindelijk constructieve overleg en de aanwezigen en degenen die ons anderszins volgen voor hun belangstelling, en sluit ik hierbij de vergadering.

Sluiting 13.12 uur.

Volledige Agenda

1. Reactie op de aanbevelingen uit het jaarverslag over 2012 van de Commissie Integraal Toezicht Terugkeer (CITT)

Kamerstuk 19 637, nr. 1673 – Brief regering d.d. 30-05-2013

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

2. Nadere informatie over het aantal verdwijningen van alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) uit de opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)

Kamerstuk 27 062, nr. 89 – Brief regering d.d. 03-06-2013

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

3. Syrische vluchtelingen

Kamerstuk 19 637, nr. 1679 – Brief regering d.d. 18-06-2013

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

4. Verslag van het bezoek van de Inspectie Veiligheid en Justitie (IVenJ) en Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) aan het JMC en DCR

Kamerstuk 24 587, nr. 536 – Brief regering d.d. 18-06-2013

5. Reactie op verzoek van het lid Gesthuizen over het bericht dat Nederland geld betaalt om Iraakse asielzoekers terug te sturen

Kamerstuk 19 637, nr. 1680 – Brief regering d.d. 19-06-2013

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

6. Weigeren van medisch noodzakelijke zorg aan illegalen

Kamerstuk 19 637, nr. 1675 – Brief regering d.d. 04-06-2013

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.I. Schippers

7. Toezeggingen gedaan tijdens het algemeen overleg Asiel en Vreemdelingenzaken van 19 juni 2013

Kamerstuk 19 637, nr. 1698 – Brief regering d.d. 02-07-2013

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

8. Aanbieding afschrift van de brief aan de Nationale Ombudsman inzake diens jaarbrief IND

Kamerstuk 19 637, nr. 1700 – Brief regering d.d. 04-07-2013

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

9. Aanbieding afschrift brief aan Advocaat Meijering over ACTA demonstranten Irak

Brief regering d.d. 01-08-2013

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

10. Arrest van het Hof van Justitie van de EU in zaak C-648/11

Kamerstuk 19 637, nr. 1706 – Brief regering d.d. 02-09-2013

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

11. Reactie op brief van Kerk in Actie met betrekking tot immigratie- en asielbeleid

Kamerstuk 19 637, nr. 1708 – Brief regering d.d. 03-09-2013

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

12. Reactie op vierdelige documentaire «Uitgezet» van de VARA

Kamerstuk 19 637, nr. 1720 – Brief regering d.d. 06-09-2013

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

13. Informatie over opvolgen aanbevelingen Inspectie Jeugdzorg inzake opvang in procesopvanglocaties

Kamerstuk 27 062, nr. 90 – Brief regering d.d. 16-09-2013

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

14. Afschrift van de reactie op de notitie van het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten

Brief regering d.d. 18-09-2013

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

15. Reactie op de aangenomen gewijzigde motie Voordewind (19 637, 1727) waarin de regering wordt verzocht «louter de kwantitatieve richtlijnen voor het aanhouden van uitgeprocedeerde vreemdelingen zonder strafrechtelijke antecedenten los te laten»

Kamerstuk 19 637, nr. 1742 – Brief regering d.d. 28-10-2013

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

16. Afschrift van de reactie op de brief aan de burgemeester van de gemeente Amsterdam over de vluchtflat

Brief regering d.d. 11-10-2013

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

17. Informatie over de bestaande taskforces in het kader van het terugkeerbeleid en hun werkwijze

Kamerstuk 19 637, nr. 1743 – Brief regering d.d. 28-10-2013

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

18. Toezegging mogelijkheden verblijfsregeling Syrische familieleden

Kamerstuk 19 637, nr. 1744 – Brief regering d.d. 29-10-2013

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl