Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-2020nr. 24, item 23

23 Maatschappelijk middenveld

Aan de orde is het VAO Maatschappelijk middenveld (AO d.d. 07/11).

De voorzitter:

Aan de orde is de behandeling van het verslag algemeen overleg Maatschappelijk middenveld, dat 7 november jongstleden plaatsvond. Van harte welkom aan de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. We starten met de termijn van de zijde van de Kamer. Als eerste is het woord aan mevrouw Diks van de fractie van GroenLinks.

Mevrouw Diks (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter. Vorige week ontstond tijdens het AO Versterking maatschappelijk middenveld enige verwarring over hoe het subsidiekader precies moest worden gelezen. Toen heeft aantal mensen in die kamer bedacht om nog eens goed te proberen om het in een motie wat scherper te krijgen. Een van de zaken was bijvoorbeeld het verschil tussen zeggenschap en eigenaarschap. Dat heb ik in mijn motie ook genoemd.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat met het nieuwe Beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld 1,4 miljard euro voor vijf jaren is gemoeid en dat hiervoor een helder geformuleerd subsidiekader noodzakelijk is;

constaterende dat het maatschappelijk middenveld in zijn autonome rol als pleiter en beïnvloeder een cruciale rol speelt in het behalen van de SDG's;

constaterende dat de ruimte voor het maatschappelijk middenveld wereldwijd krimpende is en dat ngo's in landen buiten de focusregio's, bijvoorbeeld in Latijns-Amerika, serieuze resultaten hebben bereikt, maar dat het eigenaarschap van programma's vaak nog onvoldoende is geborgd;

verzoekt de regering de subsidiekaders waarbij "pleiten en beïnvloeden" centraal staat zodanig in te richten dat maatschappelijke organisaties voldoende inhoudelijke autonomie behouden, maar binnen hun programma's streven naar eigenaarschap van lokale maatschappelijke organisaties, en dat mee te wegen in de beoordeling;

verzoekt de regering tevens om de voorstellen van maatschappelijke organisaties mede te beoordelen op beleidscoherentie, waarbij het leggen van overtuigende verbanden tussen verschillende focusthema's als positief wordt beoordeeld;

verzoekt de regering voorts na selectie van partnerschappen afstemming met ambassades aan te moedigen waar dat kan, aansluiting bij de landenstrategieën geen eis te laten zijn, en ruimte te bieden voor tegenspraak met beleidscoherentie als uitgangspunt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Diks. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 88 (34952).

Mevrouw Diks (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

U ook bedankt. Dan is nu het woord aan de heer Alkaya namens de Socialistische Partij.

De heer Alkaya (SP):

Dank u wel, voorzitter. We hebben een goed AO gehad, waarin toch wel een het een ander verduidelijkt is. De minister heeft ook aangegeven dat het kader waar we het vandaag over hebben, niet zo rigide is als het lijkt en wat flexibeler is, en dat de maatschappelijke organisaties ook uitgedaagd worden om binnen die kaders hun voorstellen in te dienen.

Ik heb nog twee moties; ik zal me verder beperken tot het voorlezen van die twee moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het maatschappelijk middenveld wereldwijd steeds meer onder druk komt te staan;

overwegende dat maatschappelijke organisaties niet alleen door staten geïntimideerd en belemmerd worden, maar ook door andere actoren zoals commerciële instellingen, radicale en paramilitaire groepen;

verzoekt de regering om bescherming tegen geweld van het maatschappelijk middenveld te bevorderen, onder meer via diplomatieke contacten met landen waar dit aan de orde is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Alkaya. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 89 (34952).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat in het nieuwe Beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld de kwaliteit en impact leidend moeten zijn in de selectie van toekomstige partnerschappen met maatschappelijke organisaties;

van mening dat geografische focus niet per definitie samenloopt met waar het maatschappelijk middenveld het meest effectief geholpen kan worden;

verzoekt de regering om bij de beoordeling van de kwaliteit van voorstellen de lokale behoefte en de potentiële impact zwaarder te laten wegen dan de mate waarin het past bij de geografische focus,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Alkaya en Van den Hul. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 90 (34952).

Dank voor uw inbreng. Dan is nu het woord aan mevrouw Kuik namens het CDA.

Mevrouw Kuik (CDA):

Dank, voorzitter. Ik zei het al, deze vorm van samenspraak en tegenspraak is uniek in de wereld. Het is ook cruciaal dat mensen zich kunnen blijven inzetten voor het opkomen voor mensenrechten, iets wat wereldwijd onder druk staat. Het is goed dat we hierop inzetten. Het CDA deelt de focus op de focusregio's die in de brief staan vermeld. De minister heeft daarnaast wat ons betreft voldoende ruimte gelaten om succesvolle programma's daarbuiten voort te zetten.

Wat de thema's betreft is het CDA voor flexibiliteit. Het gaat niet om meer thema's maar wel om de mogelijkheid om onderwerpen met elkaar te combineren. Onderwerpen kunnen elkaar uiteraard raken. Ik wil nogmaals benadrukken dat ik het van belang vind dat mensen met een beperking, en sociale inclusie in brede zin, niet uit de thema's mogen wegvallen.

In het AO bleek uiteindelijk dat de thema's niet zo scherp waren afgebakend als de brief deed vermoeden. Voor de goede orde dien ik hierover een motie in, samen met mijn collega Voordewind van de ChristenUnie.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Bouali van D66.

De heer Bouali (D66):

Dank u wel, voorzitter. Afgelopen week hebben we een goed en inhoudelijk debat gehad over de vaststelling van het Beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld. Wat D66 betreft zijn er twee belangrijke punten die door de minister zijn bevestigd in dat debat en die ik hier nogmaals wil herhalen. Binnen de thema's blijft er in ieder geval ruimte bestaan voor de eigen invulling door ngo's. Mijn partij is voorstander van de focus die deze minister aanbrengt in dit beleidskader, maar het is ook goed te zien dat er buiten de focusregio's en focuslanden nog kwalitatief goede projecten behouden kunnen blijven. Wat D66 betreft moeten de middelen namelijk effectief besteed worden en dan moeten de kwaliteit en de programma's leidend zijn. Daarom ondersteun ik ook de motie die mijn collega Voordewind van de ChristenUnie zo dadelijk indient.

Voorzitter. Tot slot wil ik nog iets aanstippen. Als ik bij de organisaties langskom, ben ik altijd erg onder de indruk van het belangrijke werk dat zij doen, maar valt mij ook altijd iets op. Als het gaat om de diversiteit binnen deze organisaties zelf, is er nog een wereld te winnen. Dat is opmerkelijk, omdat het juist ook vaak deze organisaties zijn die internationaal deze boodschap zouden moeten uitdragen. Ik zou het kabinet dan ook graag willen oproepen om in de toekomst daar ook scherp op te zijn.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

U ook bedankt. Dan is nu het woord aan de heer Voordewind namens de ChristenUnie.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. We hebben inderdaad een goed debat gehad. De minister heeft daarin haar brief van 4 november toegelicht en ze heeft weer een interpretatie daarvan gegeven. Om die interpretatie nu scherp op papier te krijgen, hebben we gezamenlijk de volgende motie geformuleerd.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat maatschappelijke organisaties internationaal ook een belangrijke rol te vervullen hebben bij het bevorderen van democratische pluriforme en open samenlevingen;

van mening dat monitoring en evaluatie de kwaliteit van inspanningen zichtbaar, merkbaar en meetbaar maken en dat dit van groot belang is om tezamen zo veel mogelijk impact te bereiken;

overwegende dat in 2016 een actieplan is opgesteld om meer systematisch coherentie te bevorderen tussen de verschillende beleidsonderdelen die van invloed zijn op ontwikkeling en dat in de nota "Investeren in Perspectief" is besloten om dit beleid te continueren;

van mening dat er vanuit het oogpunt van de autonomie van maatschappelijke organisaties en voor het bereiken van impact, ruimte is binnen de gepresenteerde thema's onder Power of Voices Partnerschappen om deze vanuit een eigen benadering en analyse en met oog voor coherentie in te vullen, waarbij het leggen van verbindingen vanuit de hoofdthema's tussen thema's mogelijk moet zijn;

verzoekt de regering om deze ruimte binnen Power of Voices Partnerschappen mogelijk te maken;

verzoekt de regering tevens om kwaliteit en verwachte impact van voorstellen leidend te laten zijn, waarbij de selectie ook buiten de focusregio's en -landen beperkt mogelijk blijft, binnen het Beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Voordewind, Bouali, Kuik, Van den Hul en Diks.

Zij krijgt nr. 91 (34952).

Ten slotte is het woord aan mevrouw Van den Hul van de Partij van de Arbeid.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Dank, voorzitter. Organisaties in het maatschappelijk middenveld zijn misschien wel de kanaries in de wereldwijde kolenmijn. Ik dien daarom de volgende drie moties in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland in zowel zijn hulp- als handelsbeleid gebaat is bij een gelijk speelveld ter bevordering van eerlijke handel, waaronder het tegengaan van corruptie en belastingontwijking;

overwegende dat maatschappelijke organisaties hierbij zowel richting het bedrijfsleven als richting overheden een sleutelrol vervullen;

verzoekt de regering inzichtelijk te maken hoe maatschappelijke organisaties die actief zijn op het bevorderen van eerlijke handelspraktijken, waaronder het bestrijden van corruptie en belastingontwijking, toegang hebben tot het programma Power of Voices,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van den Hul, Alkaya, Bouali en Voordewind. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 92 (34952).

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

De volgende motie dien ik in in mijn hoedanigheid van adoptiemoeder van SDG 5.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het bevorderen van vrouwenrechten en gendergelijkheid overal ter wereld van belang is, en Nederland hierin een voortrekkersrol vervult;

constaterende dat in "Investeren in Perspectief" gendergelijkheid en empowerment van vrouwen en meisjes (SDG 5) is bestempeld als doorsnijdend doel;

verzoekt de regering bij het vaststellen van het nieuwe Beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld de inzet op vrouwenrechten en gendergelijkheid niet geografisch te beperken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Hul. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 93 (34952).

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Dan mijn derde en laatste motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat relatief kleine vrouwenorganisaties, waaronder diasporaorganisaties, onder andere een unieke brugfunctie vervullen bij het bevorderen van toegang voor lokale vrouwenbewegingen bij internationale fora en fondsen;

constaterende dat dergelijke kleine organisaties afhankelijk zijn van behapbare budgetten, waarin onvoldoende wordt voorzien binnen de voorliggende beleidswijzigingen;

verzoekt de regering binnen de SDG 5-fondsen Power of Women en Women, Peace and Security een mogelijkheid te creëren voor organisaties om subsidieaanvragen tot €250.000 in te dienen en daarmee ook relatief kleine vrouwenorganisaties directe toegang tot financiering te verlenen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Hul. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 94 (34952).

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Voorzitter. Tot slot nog één vraag ter verduidelijking. Er leven zorgen over de voortgang van het Nationaal Actieplan 1325, en dan met name over wat het nieuwe beleidskader betekent voor de toekomst van dit actieplan. Deelt de minister dat dit actieplan een uniek karakter heeft vanwege zijn verschillende stakeholders, dat het uniek is in zijn soort en dat het daarom behouden dient te worden?

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde van de termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors de vergadering voor vijf minuten. Daarna geeft de minister de oordelen over de moties.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

We zijn bezig met de behandeling van het verslag algemeen overleg Maatschappelijk middenveld. De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft het woord. Gaat uw gang.

Minister Kaag:

Dank u wel, meneer de voorzitter. Dank aan de Kamerleden voor het hele goede gesprek en de dialoog die we hadden over de belangrijke rol van het maatschappelijk middenveld en de uitvoering waaraan wij een bijdrage willen leveren via Nederland en het beleid op buitenlandse handel, internationale samenwerking en ontwikkelingssamenwerking. Voor de goede orde wil ik in dit kader een paar belangrijke punten herhalen, alvorens ik kort het oordeel van het kabinet zal geven over de zeven ingediende moties.

Eén. Nederland blijft natuurlijk — laat dat helder zijn — maatschappelijke organisaties ondersteunen in hun onafhankelijke rol als pleiter en beïnvloeder. Daar is dit kader ook specifiek voor bedoeld. Hier is de ruimte, dus de civic space, die organisaties hebben om hun werk te doen, belangrijker dan ooit. Dat is ook aangegeven. Internationaal zien we hoe die ruimte wordt ingeperkt en hoe die krimpt en onder veel druk staat. Het is belangrijk voor ons dat organisaties die rol juist kunnen vervullen.

Met het SDG 5-fonds hebben we een van de grootste fondsen ter wereld om in te zetten op vrouwenrechten en gendergelijkheid. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan dit belangrijke thema, ook conform de beleidsagenda. Het is een breed gedeelde prioriteit in deze Kamer. We zijn ambitieuzer, maar we werken ook steeds op systematische wijze aan het realiseren van vrouwenrechten en gendergelijkheid op het hele beleid van Buitenlandse Handel en OS.

We leggen ook expliciet nadruk — dit kwam terug in het debat — op zuidelijke zeggenschap, eigenaarschap en leiderschap van lokale maatschappelijke organisaties. Een van de doelstellingen is dat de stem van het Zuiden, verwoord en geleid door het Zuiden, juist nadrukkelijk aan bod kan komen. Vanuit hun kennis, lokaal of nationaal opgebouwd, met respect voor diversiteit, en natuurlijk de lokale relevantie en hun expertise, kunnen die organisaties bijdragen aan het tegengaan van ongelijkheid en het streven naar een duurzame en inclusieve samenleving. Dat is ook een bijdrage in de stabiliteit en veiligheid.

Wij gaan graag partnerschappen aan met maatschappelijke organisaties, maar we moeten goed invulling geven aan wat een strategisch partnerschap betekent. Daarin is er het recht van de regering om richting te geven wat betreft de thema's en de geografische inzet. Een belangrijke les uit de vele evaluaties — dat gaat dus niet alleen om de evaluatie die recentelijk expliciet met de Kamer is gedeeld — die zijn verschenen, in totaal dertien rapporten en evaluaties, is dat juist fragmentatie een enorm belangrijk aandachtspunt bleef. Dat is al zo sinds 2014. Dat is natuurlijk ook een van de belangrijke bestuurlijke overwegingen — dat kan ook niet anders — waarin wij hebben gekeken hoe op een slimme, strategische en toekomstgerichte manier juist een goede invulling kunnen geven aan wat een partnerschap is in de eenentwintigste eeuw.

Daaraan ligt ten grondslag wat de IOB zegt in een aantal evaluaties, maar ook een studie van de OECD, DAC en de Europese Commissie. Tal van evaluaties hebben ons geïnformeerd. Daarom hebben we besloten om fragmentatie tegen te gaan en die serieus aan te pakken. Het zou niet verantwoordelijk zijn om dat te negeren, ook niet richting de belastingbetaler. We nemen dit mee in de vormgeving van het nieuwe beleidskader om juist meer impact te hebben op landenniveau, want dat is een gedeeld doel. De verhoogde inzet in de focusregio's is natuurlijk belangrijk, maar er is ook altijd de mogelijkheid om juist in te zetten op overige lage-, midden- en hoge-inkomenslanden. Dat hebben we uitvoerig besproken met deze Kamer.

Daarom is er juist besloten om de thema's van Power of Voices te laten aansluiten bij de prioriteiten van de beleidsnota van het kabinet. Het is namelijk ook belangrijk dat het ministerie zelf, de diplomaten, de posten, onze brede presentie, op complementaire wijze een rol kunnen spelen in de aanvulling en invulling van het partnerschap en dat ze ondersteuning kunnen leveren. Dat komt ook weer voort uit de IOB-evaluatie.

Zoals al benoemd is door een aantal leden, zijn de thema's breed geformuleerd. SDG's zijn ook breed geformuleerd. Het is geen nauw kader, maar een breed kader. Er is juist ruimte voor de eigen benadering, maar wel vanuit een coherentieperspectief, zoals de SDG's natuurlijk ook breed zijn geformuleerd, met veel ruimte. Ik kijk juist uit naar de voorstellen van kwalitatief hoog gehalte, met durf, creativiteit en innovatie. De uitnodiging is dus aan de partners om daarop in te gaan.

Dan de zeven moties. De eerste motie, op stuk nr. 88, is van mevrouw Diks. Die is heel breed geformuleerd. Het gaat om focus en om impact. Het is onverantwoord, zoals ik net zei, om juist daar de handschoen niet op te pakken. Ik heb ook al gezegd waar de thema's zijn geformuleerd vanuit de doelstelling van het kader: pleiten en beïnvloeden, juist voor de versterking van maatschappelijke organisaties en niet alleen vanuit de vier hoofddoelen van de nota. Binnen elk thema wordt er verwacht dat coherentie sowieso een rol speelt. Elke verantwoorde OS-organisatie weet dat dit een soort 101-debat is.

We kunnen daarnaast niet de geografische inzet beperken tot de focusregio's. Dat hebben we ook niet gedaan. Er is een prioriteit, maar er is ook inzet van andere landen mogelijk, zoals ik net al benoemde. We hechten aan de autonome rol van de organisaties, maar er is ruimte voor tegenspraak, ook bij de indiening en als we kijken naar de kwaliteit.

De grotere stem van het Zuiden blijft heel belangrijk. Er zijn nieuwe accenten en die hopen we terug te zien in de voorstellen. Zoals de motie is opgesteld, gaat het eigenlijk om een aantal voorstellen die er in dit kader liggen die in contradictie zijn met wat er voorligt van het kabinet. Dat heb ik uitgelegd, benoemd en toegelicht in brieven en in het AO en ook hier weer. Op basis daarvan ontraad ik deze motie.

Dan de motie op stuk nr. 89, van het lid Alkaya. Ik beschouw het gevraagde als een van de kerntaken van het postennetwerk. Ik weet zeker dat mijn collega Blok dit ook heeft besproken tijdens de behandeling van zijn begroting, zeker alle gevoelige kwesties van mensenrechten. Maatschappelijke organisaties zijn ontzettend belangrijk voor hun stem in het agenderen. Wij doen dit ook in EU-verband, in de Universal Periodic Reviews van de VN-Mensenrechtenraad.

Er zijn specifieke budgetten, juist voor het maatschappelijk middenveld, zoals het decentrale Mensenrechtenfonds en het accountabilityfonds. We trainen onze eigen medewerkers, maar we geven ook cursussen over mensenrechten, waarin we de veiligheid van het maatschappelijk middenveld aan de orde stellen. Er zijn natuurlijk ook mensenrechtenverdedigers die in het Shelter City programma kunnen meedoen. Ik zie deze motie als ondersteuning van beleid en laat haar oordeel Kamer.

Dan is er een motie op stuk nr. 90, van de leden Alkaya en Van den Hul. We zijn het ermee eens dat iedereen voor kwaliteit staat. Ik zou zeggen: wie is er tegen kwaliteit? Maar we kijken natuurlijk altijd eerst naar kwaliteit. Alle voorstellen moeten daaraan voldoen. Verder wordt er, in lijn met moties die eerder zijn aangenomen in deze Kamer, meer gekeken naar inzet in focusregio's. Dat wordt meegewogen. Omdat deze motie geografische focus eigenlijk gelijkstelt aan een kwaliteitsinzet of -beoordeling ontraad ik de motie.

De motie op stuk nr. 91 is van mevrouw Diks, de heer Bouali, de heer Voordewind en mevrouw Van den Hul. Het is een belangrijke reflectie, waarin wordt gesteld en herbevestigd wat ik in het AO heb toegelicht. Ik ben blij te zien dat er wordt gesproken over systematische coherentie.

De voorzitter:

De motie is ingediend door de heer Voordewind. De anderen stonden als medeondertekenaars onder de motie.

Minister Kaag:

Mijn excuus aan de heer Voordewind. Ik had een handgeschreven aantekening en heb de orde zelf verward. Excuus aan de heer Voordewind.

We zullen niet meer het thema Voordewind benoemen, zoals in het AO voorkwam, maar de motie van de heer Voordewind, mede-ingediend door de heer Bouali, mevrouw Kuik, mevrouw Van den Hul en mevrouw Diks. Ik denk dat deze motie een mooie reflectie is van het debat. Kwaliteit, systematiek, coherentie, en natuurlijk ook het belang om juist binnen de brede aansturing van de thema's verschillende beleidsonderdelen op een logische manier te laten terugkomen.

Ik zou nog eens een keer willen benoemen dat zowel de autonomie van de organisaties belangrijk is, als hun durf om te kijken hoe ze daar invulling aan willen geven, hoe ze relevant kunnen zijn en hoe ze met andere organisaties kunnen samenwerken. Coherentie in thema's is namelijk niet alleen inhoudelijk belangrijk, maar ook in de samenwerking. Daarin kan natuurlijk ook efficiency gewonnen worden.

Zoals ik al zei, is deze motie een mooie reflectie van het debat. Ik kijk echt uit naar de creativiteit en de innovatieve voorstellen van de organisaties. Ik zie deze motie dan ook als ondersteuning van beleid en als een mooie reflectie van onze discussie.

De voorzitter:

En u geeft haar oordeel Kamer?

Minister Kaag:

Ik geef haar oordeel Kamer.

Dan de motie op stuk nr. 92 van mevrouw Van den Hul, mede ingediend door de heer Alkaya, de heer Bouali en de heer Voordewind. De opzet van het nieuwe kader dat gepubliceerd wordt, is een open uitvraag. Zoals we al zeiden, is het aan de organisaties zelf om te kiezen wat ze willen indienen, hoe ze dat willen doen en natuurlijk ook om ons ervan te overtuigen waarom iets belangrijk is. Wij gaan van tevoren niet zeggen wat hun analyse moet zijn en hoe ze de samenwerking met zuidelijke organisaties moeten vormgeven. Daarom kan ik van tevoren niet aangeven hoe het programma Power of Voices aan het thema eerlijke handelspraktijken gaat bijdragen, maar daar is wel ruimte voor.

Om het belang van coherentie tussen handel en ontwikkelingssamenwerking te benadrukken zal ik het thema van verduurzaming van waardeketens herbenoemen tot handel en verduurzaming van waardeketens. Dat doe ik om goed duidelijk te maken dat in het brede gesprek over handel verschillende thema's terugkomen, als je de SDG-agenda maar gebruikt. Dat zijn thema's als verduurzaming van handelsketens, eerlijke handel en daarbij natuurlijk ook het thema van het tegengaan van oneerlijke belastingpraktijken, of laten we zeggen belastingontduiking en corruptie — ook belangrijk onder bijvoorbeeld SDG 16, rule of law. Dat zou ik nogmaals willen herhalen. Als de Kamer akkoord gaat met deze aanpassing, beschouw ik deze motie als ondersteuning beleid. Het kopje Eerlijke handelspraktijken wordt dus Handel en verduurzaming waardeketens. Daar is mijns inziens voldoende ruimte voor.

De voorzitter:

Ik zie geknik, maar moet de motie tekstueel worden aangepast? Of is dit een interpretatie van de motie?

Minister Kaag:

Het is een toezegging. Het is de bevestiging van de hernoeming van een titel. Hopelijk ontstaat daardoor verduidelijking, zodat organisaties zeker weten dat het tegengaan van oneerlijke belastingpraktijken, et cetera, daaronder valt en dat hun indiening daarop beoordeeld kan worden.

De voorzitter:

De motie hoeft dus niet inhoudelijk gewijzigd te worden. Met deze toelichting van de minister krijgt ze oordeel Kamer. Gaat u verder met de motie op stuk nr. 93.

Minister Kaag:

Dan de motie op stuk nr. 93. Ik ben er bijna, meneer de voorzitter. Dat is de motie van mevrouw Van den Hul. Er is heel veel ruimte binnen Power of Voices-partnerschappen. We hebben gekeken hoe we daarbinnen nadruk kunnen leggen op het thema vrouwenrechten en gendergelijkheid. Ik meld nogmaals dat we eigenlijk een van de grootste vrouwenfondsen en gendergelijkheidsfondsen ter wereld opzetten, met de bestaande middelen. Er is dus al een accent en er is dus al prioritering.

De focusregio's blijven belangrijk, maar inzet op de lage-inkomenslanden, de middeninkomenslanden en de hogemiddeninkomenslanden wordt niet uitgesloten. Door een geografische focus aan te brengen wordt juist bestreden dat we te diffuus worden, dat we het resultaat niet kunnen meten en dat Nederlandse belastinggelden weinig of niet-meetbare impact bewerkstelligen. Het programma Leading from the South blijft inzetten op alle landen. Er is dus heel veel ruimte. We steunen natuurlijk ook een aantal andere organisaties, zoals UNICEF en UN Women, die ook heel veel werk verrichten op het gebied van gendergelijkheid. Ik zie geen noodzaak tot verandering. Op basis daarvan ontraad ik deze motie.

De voorzitter:

Mevrouw Van den Hul, kort graag.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Ik hou het heel kort, voorzitter. Onze zorg is dat in een aantal landen die buiten de geografische focus vallen, wel degelijk organisaties actief zijn die niet gesteund worden via bilaterale of multilaterale verbanden als UNICEF of andere VN-organisaties. Dat kan zo zijn als ze bijvoorbeeld kritisch zijn op hun regime. Ik denk dan aan landen in Zuid- en Midden-Amerika. Juist voor die organisaties proberen wij in deze motie een lans te breken.

Minister Kaag:

Dat begrijp ik, maar we hebben er uitvoerig over gesproken. Er zijn heel veel fondsen waar dit soort organisaties ook nog steeds aanspraak op kunnen maken. Dit fonds is speciaal gericht op beïnvloeding en bepleiting. Er zijn heel veel andere fondsen waar dit soort organisaties ook nog een middel tot financiering kunnen vinden. Ik denk dus dat het voldoende is afgedekt.

De voorzitter:

Dank u wel. De minister vervolgt haar betoog met een oordeel over de motie op stuk nr. 94.

Minister Kaag:

Dan de motie op stuk nr. 94 van mevrouw Van den Hul, die ook een beetje valt binnen het kader van haar opmerking. Constaterende dat dergelijk kleine organisaties afhankelijk zijn van behapbare budgetten, wordt de regering verzocht om binnen de SDG 5-fondsen Power of Women en Women, Peace and Security een mogelijkheid te creëren voor organisaties om subsidieaanvragen tot €250.000 in te dienen en daarmee ook relatief kleine vrouwenorganisaties directe toegang tot financiering te verlenen. Zoals ik eerder al zei, zijn er heel veel mogelijkheden. Er zijn ook mogelijkheden binnen het SDG 5-fonds. Het is aan de organisaties, kleine en grote, om zelf die afweging te maken. Dat gaan we van tevoren niet regelen. Er zit ook een gevaar in, want als je plafonds inbouwt, lijkt het net of verschillende organisaties zelf gaan voorsorteren op het budget in plaats van op de activiteiten die ze gaan indienen. Er zijn regionale vrouwenfondsen onder het programma Leading from the South, waar specifiek kleine en middelgrote lokale vrouwenrechtenorganisaties worden ondersteund. We kunnen dat niet en-en-en, overal, voor iedereen, te allen tijde doen. Er is ook het Accountability Fund, juist ook weer voor kleinere, lokale vrouwenorganisaties, dat wordt gesteund door onze ambassade. Op basis daarvan ontraad ik deze motie.

Mevrouw Van den Hul (PvdA):

Heel kort, voorzitter. In deze motie doel ik niet alleen op kleine lokale vrouwenorganisaties in het zuiden, maar juist ook op diaspora-organisaties die wellicht in het noorden actief zijn. Ook zij hebben een belangrijke brugfunctie, juist in de internationale fora. Welke mogelijkheden zijn er voor die organisaties? Het gaat soms ook over kleinere budgetten dan nu het framework is. Wat kan de minister voor deze kleine diaspora-organisaties doen?

Minister Kaag:

Een diaspora-organisatie heeft vaak een heel unieke rol. Dat is waar. Ze hebben zowel kennis van als aanwezigheid in bijvoorbeeld OESO-landen, kunnen een bijdrage leveren aan de wederopbouw of de ontwikkeling van het land van oorsprong, als het niet van henzelf is, dan van de ouders. Maar ze kunnen thema's kiezen. Onder de thema's zeggen wij niet dat er een budget is voor diaspora-organisaties. Ze kunnen binnen de thema's gewoon concurreren, meedoen, en op kwaliteit uitgekozen worden. Ze zijn helemaal niet uitgesloten. Alles wat niet wordt genoemd, wordt niet uitgesloten. Maar we gaan niet weer 50 loketten creëren voor elk specifiek subthema of elke specifieke organisatie. We hebben bijvoorbeeld ook geen financieringsbron voor christelijke organisaties of anderszins. Dit gaat om thema's, uitvoering, samenwerking en in allianties werken. Er is een evaluatie verricht over juist het werk via het lijntje van diaspora-organisaties. Daar komt nog een aparte brief over. Ik heb dat ook in het AO gemeld.

Dan nog een laatste bevestiging van mijn zijde. Er komt uiteraard een nieuw plan, een nationaal actieplan onder VN-VR-resolutie 1325: vrouwen, vrede en veiligheid. Het wordt opgesteld in overleg met de betrokken ministeries en organisaties voor de periode 2021-2025. Het kan niet bestaan dat we SDG5 hebben en leidend zijn op SDG 16, als we deze resolutie niet ook uitvoeren op nationaal niveau.

De voorzitter:

Tot slot, de heer Alkaya.

De heer Alkaya (SP):

Ik heb niet de illusie dat het oordeel over de motie nog verandert, maar ik vind het voor het verslag wel belangrijk. De toelichting die de minister geeft op haar oordeel, kan niet de aanleiding zijn op basis waarvan zij de motie ontraadt. Zij stelt dat ik met deze motie de kwaliteit van de voorstellen en de geografische focus gelijk zou stellen, alsof ik dat even belangrijk zou maken. Maar ik doe precies het tegenovergestelde. Ik zeg juist in de motie dat de kwaliteit zwaarder moet wegen dan de geografische focus. Als de minister daadwerkelijk meent wat ze zegt, dan zou de motie het oordeel Kamer moeten krijgen. Als dat niet zo is, dan versterkt ze alleen maar mijn vermoeden. Ik zal dat in de gaten houden.

De voorzitter:

De minister nog, tot slot.

Minister Kaag:

Ik kan de motie even niet vinden.

De voorzitter:

Het is de motie op stuk nr. 90.

Minister Kaag:

Ik weet het, maar ik heb nu niet meer alles geografisch, maar op tijdlijn. Als u mij een seconde geeft, dan zoek ik de motie op stuk nr. 90 van de heer Alkaya even op. In de afhandeling heb ik de papieren met elkaar vermengd. Als u mij een kopie van deze motie kunt geven, mijnheer de voorzitter, zou ik u en de Kamer tijd besparen. Even kijken. Ik begrijp het. Het is interessant. Ik ben de heer Alkaya dankbaar voor zijn terugkeer naar de interruptiemicrofoon.

Ik begrijp dat zijn formulering bevestigt dat kwaliteit leidend is, zo komt het althans op mij over, maar dat geografische focus in de nota en bij de thema's niet ten koste mag gaan van goede kwalitatieve voorstellen die daar toevallig buiten vallen. We hebben al gezegd dat er sowieso, op basis van de BuHa-OS-nota van de regering en op basis van Kamermoties, een verwachting of verplichting is om te verschuiven naar geografie. Dat bouwt coherentie en dat geeft ruimte voor impact. Maar daarbuiten is er ook ruimte, dus ik ontraad deze motie, omdat die weer een beperking zou betekenen van het kader en de richting die het kabinet wil geven.

Uiteindelijk denk ik dat u bij de uitvoering in de realiteit veel goede voorstellen zult zien die buiten de geografische focus van de BuHa-OS-nota zullen vallen, maar dan moeten de kwaliteit en de relevantie heel goed zijn. Dan zal aangetoond moeten worden door organisaties waarom zij juist daar zitten, bijvoorbeeld omdat niemand anders het doet, of omdat de situatie dramatisch is veranderd.

Ik denk dat dit een voortdurend gesprek is. Ik denk dat we terecht heel veel tijd besteden aan een discussie over het kader, maar het is ook heel belangrijk voor de organisaties dat het kader wordt gepubliceerd en dat zij aan de slag kunnen. Ik denk dat we dan gezamenlijk kunnen terugkijken op hele mooie voorstellen die werk in uitvoering zijn, maar ik verander mijn oordeel niet, mijnheer de voorzitter.

De voorzitter:

Dank voor uw inbreng, dank ook aan de Kamerleden.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

We gaan aanstaande dinsdag stemmen over de ingediende moties. Ik schors de vergadering tot 19.15 uur voor de dinerpauze.

De vergadering wordt van 18.39 uur tot 19.15 uur geschorst.

Voorzitter: Arib