Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 1 februari 2001 over economie en ontwikkeling.

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Voorzitter! Uit de nota Ondernemen tegen de armoede die wij tijdens het algemeen overleg met de minister en de staatssecretaris behandelden, blijkt dat de bijdrage van de particuliere sector en het creëren van duurzame productieve werkgelegenheid in ontwikkelingslanden een blinde vlek vertoont. Dit zal, wat ons betreft, een van de belangrijkste bijdragen van het bedrijfsleven aan armoedebestrijding moeten zijn. Verder bleek tijdens het algemeen overleg dat er van de kant van de Kamer een brede behoefte bestond om het beleid te concretiseren. De minister zelf zei later dat dit beleid handen en voeten moet krijgen. Helaas reageerde de minister op mijn vraag om het creëren van duurzame productieve werkgelegenheid in het beleid centraal te stellen niet zo enthousiast. Om toch enig enthousiasme bij haar te bewerkstelligen, dien ik een motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat werkgelegenheid één van de centrale thema's was van de Sociale Top in Kopenhagen in 1995 en dat de regeringsleiders zich bij deze gelegenheid verplicht hebben tot het bevorderen van volledige werkgelegenheid als belangrijkste prioriteit van het sociale en economische beleid;

overwegende dat de praktische uitwerking met betrekking tot het bevorderen van werkgelegenheid in ontwikkelingslanden in de nota Ondernemen tegen Armoede te weinig aandacht krijgt;

voorts overwegende dat de nota onvoldoende aandacht schenkt aan de grootte en aard van de informele sector in ontwikkelingslanden en aan de rol die met name vrouwen in deze sector spelen;

verzoekt de regering, voor de zomer:

  • - de Kamer een nadere praktische uitwerking van de nota Ondernemen tegen Armoede te doen toekomen op het terrein van het bevorderen van de lokale werkgelegenheid in ontwikkelingslanden en de mogelijkheden daartoe in de informele sector;

  • - het bestaande instrumentarium door te lichten op de effecten voor lokale werkgelegenheid en het zo nodig beter te richten op het creëren van duurzame productieve werkgelegenheid in ontwikkelingslanden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Karimi en Dijksma. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 2 (27467).

Mevrouw Karimi (GroenLinks):

Voorzitter! Een laatste opmerking...

De voorzitter:

Nee, mevrouw Karimi, u bent al een heel eind over uw twee minuten heen en u weet dat ik erg streng ben dit seizoen! Verschillende sprekers hebben zich alsnog aangemeld. Dit onderwerp heeft echter vanaf afgelopen donderdag op de agenda gestaan. Ik zie iedereen nu moeilijk kijken. U hoeft daarover niet met mij in discussie te gaan, zo zeg ik tegen mevrouw Van Ardenne. Ik zeg alleen maar dat om goed te kunnen plannen en ook de uitnodigingen naar de bewindslieden naar behoren te kunnen verzenden, u zich moet inschrijven voor zo'n debat. Ik weet niet hoe vaak ik dat nog moet zeggen, maar het schijnt heel vaak te moeten.

Het woord is aan mevrouw Van Ardenne-van der Hoeven.

Mevrouw Van Ardenne zegt nu tegen mij dat het mede namens haar aangevraagd was, maar u moet zich altijd inschrijven voor een debat.

Mevrouw Van Ardenne-van der Hoeven (CDA):

Maar niet als je het aanvraagt, voorzitter, want dan kom je automatisch op de lijst...

De voorzitter:

Ik ga er niet met u over in discussie. Gelooft u mij nu maar dat je als je het woord wilt voeren, je in moet schrijven.

Mevrouw Van Ardenne-van der Hoeven (CDA):

Dat begrijp ik, voorzitter. Ik zal het voortaan goed in de gaten houden.

Voorzitter! Een vervolg op het algemeen overleg over de notitie "Ondernemen tegen armoede" is, wat de CDA-fractie betreft, zeer gewenst. Nu is een tweeminutendebat daarvoor eigenlijk te kort. Het is denk ik goed dat we de motie van de collega's Karimi en Dijksma hebben, opdat we ook het debat verder kunnen voeren met elkaar, op basis van een goede actualisatie en op basis van het meest essentiële, namelijk de versterking van de lokale economie en de rol van de vrouwen daarbij. Ik ben heel blij met die motie, maar dat is de ene kant van het verhaal. De andere kant is ook de versterking van de rol van het nationale bedrijfsleven in het ontwikkelingsbeleid en daarom dien ik de volgende motie in, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat de rol van het bedrijfsleven in het Nederlandse ontwikkelingsbeleid meer aandacht verdient;

verzoekt de regering, hiertoe nadere voorstellen te ontwikkelen;

verzoekt de regering tevens, het lopende bedrijfslevenprogramma in het landenbeleid door te lichten en vóór juni de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Ardenne-van der Hoeven. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 3 (27467).

De heer Hoekema (D66):

Mevrouw de voorzitter! Mijn nederige verontschuldigingen voor het niet inschrijven.

Mevrouw de voorzitter! Ik heb één heel simpele vraag aan de twee bewindspersonen die hier aanwezig zijn om nog door te praten over het belangrijke thema "Ondernemen tegen armoede". Die simpele vraag is: zijn zij bereid en in staat om enthousiast en ontschot te werken aan een actieplan voor de implementatie van deze nota? Mevrouw Karimi noemde een belangrijk onderdeel van de nota en mijn fractie zal ook graag voor die motie stemmen. Mevrouw Van Ardenne noemde een ander onderdeel van de nota, maar het gaat onze fractie vooral ook om een integrale uitvoering en het presenteren door de betrokken bewindspersonen van een actieplan voor die integrale uitvoering.

De heer Hessing (VVD):

Voorzitter! Het algemeen overleg ging over "Ondernemen tegen armoede". De nota was van uitstekende kwaliteit en inhoudelijk vond ik het een doorbraak. Een compliment aan de regering is op zijn plaats.

Het stimuleren van het lokale bedrijfsleven in ontwikkelingslanden is de beste weg naar productieve werkgelegenheid en naar inkomen voor mensen, hetgeen de meest effectieve weg is om armoede te bestrijden. De particuliere sector zorgt niet alleen voor werk en inkomen, maar ook voor de middelen die de overheid nodig heeft voor goed bestuur, onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur, enz. De analyses dienaangaande in de nota zijn duidelijk. Ook de mogelijkheden om de particuliere sector in ontwikkelingslanden te stimuleren worden helder aangegeven. Wat echter nog steeds ontbreekt, is een actieplan. Wat gaat de Nederlandse regering concreet doen: in welke landen, in welke sectoren, met welke activiteiten en welke middelen, met welke beoogde resultaten en in samenwerking met welke organisaties, bilateraal en multilateraal? Ik vraag de regering zo'n actieplan op te stellen of, zo u wilt, een vijfde hoofdstuk aan de nota toe te voegen en op korte termijn aan de Kamer te doen toekomen. Tegen die achtergrond is de motie van de dames Karimi en Dijksma zeker interessant. Ze vragen mijns inziens hetzelfde als dezerzijds eerder in het algemeen overleg is gevraagd en zojuist ook nog aan de orde is gesteld. De motie spreekt over duurzame productieve lokale werkgelegenheid. In mijn belevingswereld is dat ongeveer identiek aan het stimuleren van het lokale bedrijfsleven. Ik hoor graag van de bewindslieden of ze liever hebben dat dit per motie wordt gevraagd of dat het mondeling kan worden toegezegd.

Minister Herfkens:

Mevrouw de voorzitter! Ik wil een enkele opmerking maken over de eerste overweging van de motie-Karimi. "Werkgelegenheid" staat wel in de notitie maar niet overal. Wij zijn het namelijk volstrekt eens met de opmerking van de heer Hessing, dat wanneer wordt gesproken over het lokale bedrijfsleven het uiteraard gaat om het instrument van pro-poor growth om de armoede te bestrijden. Daarmee is het de bedoeling om mensen aan het werk te helpen en hen een inkomen te geven, de meest rechtstreekse weg naar armoedebestrijding. Kortom, het woord "werkgelegenheid" wordt niet in iedere zin genoemd, maar het is natuurlijk exact hetzelfde, omdat het bij bevorderen van lokaal ondernemen precies gaat om het creëren van werkgelegenheid. Dat is de achtergrond geweest van deze notitie. In het Kamerdebat noch ten tijde van het verzoek van mevrouw Dijksma in 1998 om deze notitie noch in de motie-Hessing een jaar later is het woord "werkgelegenheid" als zodanig genoemd. Natuurlijk is het volop de bedoeling, dat daar banen geschapen worden. Dat is de essentie van het stimuleren van het lokale bedrijfsleven. Zoals ik heb geprobeerd duidelijk te maken in het algemeen overleg en in de notitie zelf, is de meest rechtstreekse manier om de informele sector te bevorderen het verbeteren van de enabling environment. Daarbij gaat het om regelgeving waardoor eigendomsrecht goed geregeld is, waardoor in de informele sector onderpand kan worden gebruikt en kredietverlening mogelijk is. Bij mijn weten staat dat ruimschoots in de notitie beschreven.

Mevrouw de voorzitter! De memorie van toelichting lijkt mij de meest koninklijke weg om de Kamer te informeren over de concrete activiteiten die wij op dit terrein budgettair ondernemen. De Kamer heeft daar terecht om gevraagd en ik heb toegegeven, dat de notitie daarover wel iets uitgebreider had kunnen zijn. Ik wijs in dit verband op de artikelsgewijze toelichting in de memorie van toelichting. Ik wil er nog eens op wijzen, dat de notitie zelf bij iedere paragraaf een kop "Nederlandse inzet" heeft. Waar de notitie terecht door met name de heer Hessing op bekritiseerd werd, is dat te weinig is aangegeven hoe wij onze budgettaire middelen daarvoor inzetten. In het overleg met de Kamer heb ik een groot aantal voorbeelden daarvan gegeven maar ik kan mij voorstellen, dat de Kamer dat op dat moment volstrekt onvoldoende en te laat vond. De koninklijke weg is dat wij die informatie in de komende memorie van toelichting geven.

Voorzitter! Waar ik meer moeite mee heb, is de motie van mevrouw Van Ardenne. Zij vraagt om het lopende programma voor het bedrijfsleven door te lichten en de Kamer daarover te informeren. Zoals in de notitie zelf is uiteengezet, zijn er vier instrumenten voor het bedrijfsleven die zijn gefinancierd uit Ontwikkelingssamenwerking. Twee daarvan zijn zeer uitgebreid geëvalueerd en in overleg met de Kamer is een follow up gegeven aan aanbevelingen. Van twee daarvan is er een nog te jong om te evalueren terwijl de andere nog niet bestaat.

Het grootste instrument is ORET. Zoals bekend, is ORET vorig jaar zeer diepgaand geëvalueerd. Met de Kamer is overlegd over opvolging van de recommendaties terzake en tot volle tevredenheid, zo stel ik vast.

Het tweede instrument is PSOM, dat nog maar heel kort bestaat. Het lijkt mij dan ook niet in het belang van het instrument om het te evalueren als het nog maar in drie landen tot bloei is gekomen. Ik kan nog eens overleggen met de staatssecretaris of we het iets naar voren kunnen halen, maar je zou een mooi instrument wellicht in de knop breken als je het gaat evalueren terwijl het zijn kansen nog niet gehad heeft. Als de Kamer insisteert, wil ik daarover overleggen.

Het derde instrument is het NIMF, het Nederlands Investeringsmatching fonds, dat nu wordt gecreëerd. Het bestaat nog niet en dat maakt het lastig om het door te lichten. Het is in het proces van creatie en deze zomer hopen wij daarmee te starten. Het vierde instrument is FMO. Dat is pal voor mijn aantreden zeer uitgebreid geëvalueerd en dat heeft geleid tot een groot aantal aanbevelingen alsmede tot een nieuwe overeenkomst tussen de staat en FMO. Na mijn aantreden heb ik die overeenkomst op verzoek van de Kamer opengebroken om de inspanningsverplichting van FMO om met name in zuidelijk Afrika actief te zijn, nog wat aan te scherpen.

Nogmaals, twee instrumenten zijn uitgebreid geëvalueerd en twee instrumenten zijn nog te jong om te evalueren. Een doorlichting van het door OS gefinancierde programma is naar mijn mening niet nodig. Ik vind de motie dan ook overbodig, maar misschien heeft collega Ybema behoefte om iets aan te vullen in het kader van het exportbevorderingsinstrumentarium van EZ.

Wellicht ten overvloede zeg ik tegen de heer Hoekema dat collega Ybema en ik enthousiast bezig zijn om samen te werken op deze dossiers. De notitie is een uitdrukking daarvan. Het heeft een cultuurhervorming binnenshuis teweeggebracht. Pal voordat wij hier binnenliepen hebben wij nog even zitten "strategisen" over de inzet ten aanzien van marktopening van de minst ontwikkelde landen. Waar dreigt dat wij onze inzet niet halen, doen wij niet anders dan samenwerken. Onze inzet is exact hetzelfde. Marktopening is daarvan een belangrijk onderdeel. Wij hebben geen behoefte aan een nieuw aanbodgestuurd instrumentarium maar dat heeft de Kamer gelukkig ook niet.

Nogmaals, in de notitie wordt in iedere paragraaf aangegeven wat er gebeurt en wat de Nederlandse inzet is. De heer Hessing heeft echter gelijk als hij stelt dat het inzetten van de budgettaire middelen van OS onvoldoende wordt aangetoond. Ik beloof u dat ik bij de komende memorie van toelichting dat huiswerk wel zal doen.

De voorzitter:

Wat zei de minister nu dat zij samen met de staatssecretaris had gedaan? Tapdansen?

Minister Herfkens:

Strategisen!

De voorzitter:

O! Heeft dat ook een Nederlandse vertaling?

Minister Herfkens:

Wij zitten in de situatie dat wij lid zijn van de Europese Unie waarin 14 andere landen zitten. Je moet dan bekijken hoe je iets het beste kunt doen. Wie moet je met wie laten telefoneren? Het is alsof je een fractiestandpunt probeert te bewerkstelligen.

De heer Hoekema (D66):

Mevrouw Herfkens bedoelde een spelletje stratego.

De voorzitter:

Vergeeft u mij dat ik tapdansen verstond.

Minister Herfkens:

Als de voorzitter daar prijs op stelt, willen wij dat ook wel doen.

Staatssecretaris Ybema:

Tapdansen kunnen wij ook, dus u zegt het maar!

Mevrouw de voorzitter! Ook ik dank de leden voor hun inbreng.

Het lijkt mij inderdaad een heel praktisch voorstel van collega Herfkens om bij de begroting te rapporteren over de voortgang van de uitvoering van de nota "Ondernemen tegen armoede". Dat creëert een natuurlijk jaarlijks moment. Het begrotingsdebat is bij uitstek het moment om te praten over de voortgang. Ik zal vanuit EZ daaraan uiteraard mijn volle bijdrage leveren.

Er wordt reeds gerapporteerd over de EZ-instrumenten, zoals PESP en PSO. Dat is een vast onderdeel van de evaluatie en dus van de rapportage.

PSOM lijkt zich te ontwikkelen als een praktisch toepasbaar instrument. Wij hebben daarmee nog niet zoveel ervaring maar proberen dat in een heel goede samenwerking steeds meer toe te passen. Vorig jaar zijn er nogal wat landen opengesteld voor PSOM. Wij gaan daarmee door. Wij moeten uiteraard enige ervaring met het instrument opdoen om daarover op een goede manier te kunnen rapporteren. Het heeft zeker alle aandacht. Zodra wij over die ervaring beschikken, zal de Kamer snel en adequaat geïnformeerd worden.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik stel voor, aanstaande donderdag over de ingediende moties te stemmen.

Daartoe wordt besloten.

De vergadering wordt enkele minuten geschorst.

Naar boven