Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2015-2016nr. 15, item 3

3 Elektriciteits- en gaswet

Aan de orde is de behandeling van: 

  • - het wetsvoorstel Voorstel van wet houdende regels met betrekking tot de productie, het transport, de handel en de levering van elektriciteit en gas (Elektriciteits- en gaswet) ( 34199 ).

De voorzitter:

Ik heet de minister van Economische Zaken van harte welkom in de Eerste Kamer. 

De beraadslaging wordt geopend. 

De heer Flierman (CDA):

Voorzitter. In minder dan een maand tijd heeft de uitdrukking "na Parijs" een dubbele betekenis gekregen. Die uitdrukking verwees aanvankelijk in de eerste plaats naar de gruwelijke explosie van terroristisch geweld op 13 november jongstleden in de Franse hoofdstad, maar sinds 12 december verwijst zij ook naar de baanbrekende akkoorden op het gebied van klimaat en duurzaamheid. Zo liggen vernietiging en hoop in één stad heel dicht bij elkaar. 

Het wetsvoorstel waar wij vandaag over spreken, bevat bepalingen over het net op zee die van groot belang zijn om het Nederlandse aandeel in de verduurzaming van de energieopwekking veilig te stellen, voor zover het windenergie gewonnen op zee betreft. In die zin zijn we veertien dagen "na Parijs" al bezig met wetgeving die zal bijdragen aan de realisatie van de ambities van de uitwerking van de akkoorden van Parijs. We zijn over de locaties van de windparken nog niet uitgepraat met de minister, maar dat het net op zee zoals in het voorliggend voorstel verwoord er moet komen, is voor de CDA-fractie geen punt van discussie. Die elementen uit de wet steunen we. Ik zou overigens nog wel graag van de minister horen wat nu echt het kritieke tijdpad in dit dossier is. De minister wil de wet liefst vandaag aanvaard zien. Dat begrijp ik, maar ik meen ook begrepen te hebben dat pas op 31 maart 2016 de tenders sluiten voor de realisatie van het eerste windpark, namelijk Borssele. In dat perspectief zou volgens mij begin maart als uiterste datum ook nog acceptabel zijn, zeker als het perspectief omtrent de regeling van het net op zee wel snel duidelijk wordt. Ik hoor graag een reactie van de minister. 

Ik ben inhoudelijk met de deur in huis gevallen, omdat ik bij aanvang van mijn inbreng heb willen markeren hoe de CDA-fractie over wind op zee en de duurzaamheidsagenda denkt. Maar er staat meer in de wet. Ik zal een paar opmerkingen maken over decentrale energieopwekking en verkabeling, waarna ik uitvoerig stil zal staan bij wat in de ogen van mijn fractie het grootste struikelblok in deze wet is, namelijk de handhaving van het groepsverbod. Dat brengt me overigens wel op de vraag waarom de regering ervoor heeft gekozen om deze onderwerpen in één wet te behandelen. Waarom is het net op zee bijvoorbeeld niet in het wetsvoorstel windenergie op zee meegenomen? De regering heeft ervoor gekozen ons een pakket wetgeving voor te leggen met zeer uiteenlopende onderdelen. Of ze er verstandig aan deed een dergelijk in zekere zin onsamenhangend geheel voor te leggen, moet vandaag blijken. 

Het wetsvoorstel beoogt ook vereenvoudiging en harmonisatie van de bepalingen in de huidige Elektriciteits- respectievelijk Gaswet. Met grote delen van die harmonisatie hebben we geen probleem. Dat geldt ook voor de regels met betrekking tot de kleinschalige decentrale duurzame opwekking van energie. Ook die vorm van energieopwekking is of wordt van groot belang voor een duurzame energiehuishouding. De wet biedt op dat punt een aantal faciliteiten en de CDA-fractie is tevreden met de verduidelijking die we op dat vlak hebben gekregen. 

Dan het onderwerp verkabeling, het onder de grond brengen van hoogspanningskabels. Dat roept nog wel vragen op. We hebben het in zekere zin over een merkwaardige situatie. Verkabeling is volgens de regering eigenlijk niet nodig, want er zijn geen gezondheidsrisico’s bekend van het wonen onder of in de directe nabijheid van hoogspanningskabels. Niettemin vindt de regering het nodig om verkabeling en met name de kostenverdeling via deze wet te regelen. Waarom eigenlijk? Om maatschappelijke onrust te voorkomen? Wat is nu het motief van de regering voor verkabeling? 

Aanvankelijk wilde de minister bepalen dat een gemeente waar verkabeling plaatsvindt, 25% van de kosten moet opbrengen. Daar is op grond van het amendement-Vos/Mulder in de Tweede Kamer een bijdrage naar draagkracht voor in de plaats gekomen. Dat lijkt ons een eerste verbetering. We vinden het ook redelijk dat de gemeente wel bijdraagt, naar rato van draagkracht en rekening houdend met de omvang, complexiteit en kosten van het verkabelingsproject in een gemeente, de boekwaarde en al voorziene vervangingskosten bij de netbeheerder. Dat alles zou je mee moeten wegen in het bepalen van de bijdrage van een gemeente, want zij hoeft niet op te komen voor kosten die de netbeheerder toch zou maken. Ik ga er daarbij van uit dat die draagkracht van een gemeente volgens een objectieve formule, bijvoorbeeld gerelateerd aan de uitkering uit het Gemeentefonds of delen daarvan, kan worden bepaald op het moment dat men in een gemeente tot verkabeling besluit. Met deze werkwijze wordt het lokaal bestuur gedwongen tot een zorgvuldige afweging aangaande nut en noodzaak van het project. Een gemeente weet dan ook welk bedrag zij moet bijdragen als zij instemt met een verkabelingsproject. Dat lijkt me een nette en hanteerbare werkwijze voor gemeenten. 

Echter, naar wij begrijpen, wil de minister nog steeds dat gemeenten in totaal samen 25% van de kosten opbrengen. Ik hoor graag van de minister of dat juist is. Want als dat zo is, vinden we dat merkwaardig en eigenlijk niet te verdedigen. Dat zou namelijk betekenen dat je als gemeente pas achteraf, als alle verkabelingsprojecten en hun kosten bekend zijn, verneemt wat het relatief aandeel van jouw project in de totale kosten is, op welk bedrag je draagkracht uiteindelijk wordt becijferd en welk bedrag je dus geacht wordt bij te dragen. Dat is voor een gemeente begrotingstechnisch niet te hanteren of te aanvaarden en dat betekent waarschijnlijk dat er niet veel projecten van de grond komen. De nationale overheid kan en mag echter naar onze opvatting gemeenten een dergelijke werkwijze niet voorschrijven, zeker niet in een periode waarin de financiële mogelijkheden van gemeenten als gevolg van grote decentralisatieoperaties toch al fors onder druk staan. Ik hoor graag een reactie van de minister. 

Met het groepsverbod hebben we wel problemen en forse ook. Voordat ik daar verder op inga, merk ik nog op dat we begrepen hebben dat de ACM inmiddels in meerdere opzichten met handhaven is gestart. Nu is de ACM onafhankelijk, maar enig politiek besef mag je toch ook verwachten. Het is in ieder geval niet erg chique om letterlijk parallel aan het debat in deze Kamer die handhaving te starten. De handhaving gaat overigens over meer dan alleen het groepsverbod, ook bijvoorbeeld betreffende laadpalen voor elektrische auto’s schijnen er problemen rond de handhaving te zijn. Er worden bij dit alles door de ACM termijnen voorgeschreven, waarvan de betrokkenen mij bezweren dat ze volstrekt onrealistisch zijn. Misschien wil de minister de ACM nog eens vriendelijk — want zo ga je om met een onafhankelijke toezichthouder — vragen in gesprek met betrokkenen nog eens kritisch naar de termijnen te kijken. 

Het groepsverbod waar we vandaag over spreken, is in 2008 via de Wet onafhankelijk netbeheer in de Nederlandse wetgeving opgenomen ter uitwerking van Europese regelgeving. Nederland heeft daarbij gekozen voor de verstgaande vorm van omzetting van de Europese regels, namelijk via ownership unbundling. Twee minder vergaande mogelijkheden, namelijk de independent system of de independent transmission operator zijn niet gekozen. De verwachting van de toenmalige minister van EZ was kennelijk dat andere Europese landen deze weg zouden volgen, waarmee op Europees niveau in een geliberaliseerde energiemarkt een level playing field zou ontstaan. Destijds waren er zowel in het Europees parlement als onder andere in deze Kamer al signalen dat andere Europese landen Nederland niet zouden volgen. Toen de Wet onafhankelijk netbeheer in deze Kamer aan de orde kwam, waren er dan ook forse bezwaren, getuige de motie Doek-Sylvester die toen is aangenomen. 

Die bezwaren zijn er gebleven, in de samenleving, bij sommige energiebedrijven en ook in het parlement, zeker bij onze fractie. Als we kijken naar de context waarin we vandaag opnieuw naar de bepalingen kijken, dan zijn ten minste drie zaken veranderd. In de eerste plaats blijkt dat tot op heden geen enkel Europees land ons gevolgd is in de vergaande stap: van een level playing field op Europees niveau in de zin zoals de regering dat destijds verwachtte, is dan ook geen sprake. In de tweede plaats is inmiddels via de nodige aanvullende wet- en regelgeving naar ons oordeel stevig en afdoende geborgd dat netten en netbeheer niet verwaarloosd worden of anderszins in gevaar komen als andere onderdelen van een geïntegreerd bedrijf andere activiteiten, inclusief productie en distributie opnemen. Voor de goede orde merk ik op dat zo'n bedrijf dan alleen een bedrijf in overheidshanden kan zijn, met betrouwbare aandeelhouders. Ik neem aan dat de minister ook vertrouwen heeft in deze aandeelhouders, die immers ook de infrastructuur- en distributiesysteembeheerbedrijven in handen hebben. Misschien wil hij ons dat vertrouwen vandaag nog eens bevestigen. In de derde plaats is het denken over splitsing van bedrijven in onze samenleving veranderd. 

De conclusies van de parlementaire commissie verzelfstandiging hebben daar in niet onbelangrijke mate aan bijgedragen. Kortom, een heroverweging van het groepsverbod is onzes inziens op zijn plaats. Daarbij achten we het van groot belang dat Nederland nu nog beschikt over twee geïntegreerde bedrijven. Eén daarvan, DELTA, is voor de werkgelegenheid in de provincie Zeeland van groot belang. Vriend en vijand zijn het erover eens dat het bedrijf na splitsing geen perspectief op zelfstandig voortbestaan heeft. Als we dat zelf al niet bedacht hadden, hebben de talloze e-mails van medewerkers van het bedrijf dat nog eens duidelijk onder onze aandacht gebracht. Als een bedrijf verdwijnt op grond van economische omstandigheden is dat triest, maar soms onvermijdelijk. Het roept echter bij mijn fractie grote bezwaren op om een bedrijf via overheidswetgeving te beëindigen. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Ik wil de heer Flierman even een vraag stellen. Wij hebben hierover in de afgelopen weken veelvuldig informatie gekregen en hebben erover na kunnen denken. Een vraag is voor mij nog niet beantwoord, maar dat kan collega Flierman vast zelf doen. Hoe stelt hij zich op tegenover de reeds gesplitste bedrijven als de splitsing teruggedraaid zou kunnen worden? 

De heer Flierman (CDA):

Ik kom daar in het vervolg van mijn betoog nog uitvoerig op terug. Ik hoop dat mevrouw Huijbregts even op mijn antwoord wil wachten. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Dat is niet mijn sterkste kant, maar ik wacht even. 

De heer Flierman (CDA):

Geduld is een schone zaak, ook in dit huis, mevrouw Huijbregts. 

Zoals ik zei, het van overheidswege gedwongen beëindigen van een bedrijf roept bij mijn fractie grote bezwaren op. 

Voor Eneco geldt dan ook nog eens dat het bedrijf klaarstaat om grote investeringen in duurzaamheid te doen, die bij een gedwongen splitsing niet meer aan de orde zijn. De CDA-fractie vraagt zich af of Nederland zijn laatste grote energiebedrijf moet willen splitsen als de rest van Europa dat niet doet. We hebben nu nog de knowhow die bij een dergelijk bedrijf hoort, het eigendom is in Nederlandse overheidshanden en er is de bereidheid om in Nederland te investeren, ook als dat vanuit rentabiliteitsoverwegingen misschien ietsje minder oplevert. Overheidsaandeelhouders waarderen ook niet-financiële opbrengst. Als je voor de toestemming voor investeringen in duurzaamheid naar Essen of Stockholm moet, waar men zich altijd de vraag stelt op welke plek in Europa de geïnvesteerde euro het meeste rendement oplevert, hebben we echt een andere situatie. Investeringen in duurzaamheid in Nederland concurreren dan gewoon met andere investeringen, eventueel ook in andere activiteiten. Deze gang van zaken is me door een van de mensen uit een dochter van een ongesplitst buitenlands moederbedrijf letterlijk zo geschetst. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Ik heb collega Flierman gewaarschuwd voor mijn ongeduld, vandaar dat ik hem nogmaals interrumpeer met een vraag over datgene wat hij nu zegt. Hij suggereert dat investeringen van overheidsaandeelhouders met ander geld worden gedaan dan wat oorspronkelijk van de klant, de burger, komt. Wat is het verschil? De klanten van deze bedrijven betalen dus de investeringen, terwijl indertijd de splitsing was gebaseerd op de afspraak om dat niet meer te doen. 

De heer Flierman (CDA):

Ik suggereer niet dat overheidsbedrijven met ander geld investeren. Ik suggereer dat het beslissingskader en de afwegingen van een overheidsbedrijf, anders zijn dan die van een bedrijf dat in private handen is en dat primair stuurt op het rendement voor zijn aandeelhouders. Dat is een afweging — ik heb dat uit eerste hand bevestigd gekregen — die bij een multinationaal geïntegreerd energiebedrijf anders uitvalt dan bij een Nederlands bedrijf. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

De aandeelhouders zijn in dit geval overheden. Het rendement voor die overheden, mag ik toch hopen, kan ook het steunen van de regionale economie zijn. Eneco suggereert in een brief dat het, wanneer het bedrijf verder gesplitst moet worden, niet meer in staat zal zijn om de regionale economie een impuls te geven. Overheden hebben de mogelijkheid om het geld terug te brengen naar de klanten, de samenleving waarbinnen zij dat aandeelhouderschap invullen. 

De heer Flierman (CDA):

Ja, dat kan. Als een overheid dividend ontvangt, kan zij dat natuurlijk naar eigen inzicht invullen. Dat is waar. Maar op het moment dat een overheid aandeelhouder is, heeft zij sturende invloed op het bedrijf en zal zij dus ook de investeringen in duurzaamheid mede kunnen aansturen en beïnvloeden. U kunt dit niet met mij eens zijn, maar dit kan bij een Nederlands bedrijf — een bedrijf dat in Nederlandse overheidshanden is — wel en dat zal bij een bedrijf dat uiteindelijk vanuit Essen of Stockholm aangestuurd wordt, anders worden gewogen. 

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Huijbregts! 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Is het dan niet zo dat dat die klant, in dit geval de Zeeuwse klant, meebetaalt aan regionale of andere investeringen die niet allemaal ten goede komen aan Zeeland zelf? 

De heer Flierman (CDA):

Dat weet ik niet. Dat ligt er heel erg aan wat de keuze is die zo'n aandeelhouder en zo'n overheidsbedrijf maken. 

Kortom, wij vragen ons ernstig af of we voort moeten gaan op het pad van splitsing. Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald, zegt een oud-Nederlands spreekwoord. Wij dreigen de laatste krachtige Nederlandse assets die we hebben op energiegebied in de breedte op te offeren aan een principe en een zorg die inmiddels op andere wijze voldoende geadresseerd zijn, een principe en een zorg bovendien die in geen enkel ander land op deze manier worden gedeeld. Ook hier geldt: als het de markt is die zoiets teweegbrengt, is dat spijtig. Soms vinden we achteraf dat we beter eerder hadden kunnen interveniëren om het verdwijnen van een belangrijk Nederlands bedrijf te voorkomen — de voorbeelden kunnen we noemen — maar als je door overheidsbeleid welbewust een sterk Nederlands bedrijf in een voor de samenleving en de toekomst belangrijke sector opbreekt — ik zal geen scherpere woorden gebruiken — dan doe je iets verkeerd. Het CDA is daar niet voor. Als deze Kamer, zoals wel vaker is gezegd, het goede niet kan realiseren, kan ze het foute misschien wel verhinderen. Daar gaat het dit keer om, wat ons betreft. 

Er zijn van verschillende kanten — ik kom hiermee terug op de eerste vraag van mevrouw Huijbregts — ook argumenten voor het handhaven van het groepsverbod genoemd. Die hebben we uiteraard stuk voor stuk ook gewogen en ik wil de kamer deelgenoot maken van die afwegingen. Er wordt gezegd dat deze wet helemaal niet over het groepsverbod gaat. Wat de regering betreft niet, maar er is wel een wet ter heroverweging voorgelegd en niemand zegt dat je dan niet integraal naar het wetsvoorstel mag kijken. Ten tweede: de Wet onafhankelijk netbeheer is nog geen tien jaar oud. Is het dan niet onbetrouwbaar om als overheid nu al een koerswijziging te bepleiten? Ik heb aangeduid dat de context intussen in een aantal opzichten aanmerkelijk is veranderd. Wij vinden een heroverweging na zo'n termijn sowieso niet zo vreemd: er zijn in dit huis wetten sneller ter discussie gesteld dan na een jaar of acht, bijvoorbeeld het leenstelsel. Drie: er ontstaat nu geen level playing field in Nederland. Het is nog maar de vraag of dit level playing field er nu is en of dit er met handhaving van het groepsverbod wel zal komen. We kennen immers nu ook verschillende soorten spelers op de markt: bedrijven die alleen in energie handelen, bedrijven die produceren of die produceren en handelen als dochter van een geïntegreerd buitenlands bedrijf, al dan niet met Nederlandse roots, en Nederlandse geïntegreerde bedrijven. De Nederlandse markt is behoorlijk geliberaliseerd en dat verandert door het schrappen van het groepsverbod niet. 

Vier: er wordt ook gezegd dat door het schrappen van het groepsverbod er weer ruimte komt voor nieuwe toetreders, bijvoorbeeld infrastructuurbedrijven die weer in productie of handel stappen, met behoud uiteraard van een scheiding ten opzichte van het netbedrijf. Dat zou kunnen, maar nieuwe toetreders zijn een wezenlijk onderdeel van een liberale markt en daar is niets mis mee. Als het bij die toetreders om netbeheerders of infrastructuurbedrijven gaat, zijn het altijd overheidsbedrijven. Er is gezegd — mevrouw Huijbregts vroeg ernaar — dat Nuon en Essent onder druk van de Wet onafhankelijk netbeheer gesplitst zijn. Is het dan niet unfair dat dit bij andere bedrijven niet gebeurt? Wat ons betreft, is die splitsing van Nuon en Essent niet alleen en niet in de eerste plaats onder druk van de WON gebeurd, maar hield die ook heel sterk verband met de wens van beide bedrijven om te expanderen, terwijl ze dat in Nederland niet konden, en met de wens van de aandeelhouders om te incasseren. Beide zijn uitgekomen. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Voor de Handelingen wil ik het toch even zuiver stellen: ik heb de namen Nuon en Essent niet genoemd. Ik heb een algemene vraag gesteld, want er zijn meer energiebedrijven in dit land die in de afgelopen jaren gesplitst zijn. 

De heer Flierman (CDA):

Ja, maar ik spits het toe op de twee grootste bedrijven. Mevrouw Huijbregts mag mijn antwoord verbreden naar andere bedrijven. 

Tot slot van dit lijstje: komen er schadeclaims en zo ja, van wie dan? De oude eigenaren van die gesplitste bedrijven hebben hun bedrijf voor veel geld verkocht en de nieuwe eigenaren zijn zelf ongesplitste bedrijven. Weliswaar is de waarde van Nuon en Essent fors gedaald, maar zij zijn gesplitst in een periode voordat we de huidige discussie over het groepsverbod voerden. Kortom, er is geen enkel verband tussen de waardedaling en het al dan niet in de wet opgenomen zijn van het groepsverbod. Dit alles overwegende is mijn fractie van mening dat het groepsverbod niet opnieuw in de wet opgenomen zou moeten worden. Zoals gezegd, is deze Kamer er ook om het verkeerde te voorkomen. 

Dat brengt mij aan het laatste element in mijn betoog: een dilemma. Wij realiseren ons terdege dat het groepsverbod ook in de huidige wetgeving staat. Komt de voorliggende wet er niet, dan is er nog steeds een groepsverbod, maar is er geen net op zee en zijn er geen verdere faciliteiten voor lokale, duurzame energieopwekking. Komt de wet er in de voorgestelde vorm wel, dan hebben we wel de faciliteiten voor verduurzaming, maar ook het groepsverbod. Het één noch het ander is voor de CDA fractie aantrekkelijk. Dus hebben we gezocht naar mogelijkheden om het groepsverbod uit de wet te lichten, of althans, de bepalingen die daarover gaan niet in werking te doen treden, en tegelijkertijd de rest van de wet te redden. Die mogelijkheden zijn er. Het liefst horen we natuurlijk dat de minister zegt dat wij hem hebben overtuigd en dat hij op de kortst mogelijke termijn met een novelle komt om de betreffende bepalingen te schrappen. Dat kan heel snel. Bij het Belastingplan hebben we gezien dat je in veertien dagen veel kunt doen. Het kan zeker snel als wij zullen meewerken aan de meest voortvarende behandeling van zo'n novelle. Dat zeggen wij op voorhand toe. Al met al kan de wet ruim voor 1 maart zijn afgehandeld. Ik hoor graag wat de minister van dit idee vindt. 

Als de minister geen novelle wil, kan hij ook besluiten om de desbetreffende bepalingen vooralsnog buiten werking te laten, bijvoorbeeld tot het moment dat duidelijk is of de EU ook voor de rest van Europa een groepsverbod invoert. De wet bevat immers de mogelijkheid om bepalingen op verschillende momenten in werking te laten treden. Als vervolgens de bestaande wet wordt ingetrokken, zitten we in de situatie dat we op grond van de huidige wetgeving geen groepsverbod meer hebben, maar het groepsverbod in de nieuwe wet nog niet is ingevoerd. Dan valt er dus niet meer te handhaven. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Ik moet toch iedere keer weer een vraag stellen, omdat ik het niet begrijp. Begrijp ik goed dat de heer Flierman via een novelle een andere wet buiten werking wil stellen? 

De heer Flierman (CDA):

Nee, in dit huis hebben we de laatste weken wat discussie over de vraag of wij om novelles moeten vragen of dat de ministers zelf op het idee moeten komen. Daar blijf ik graag buiten, want die discussie had enige opportuniteitswaarde. Ik suggereerde dat de minister de artikelen die op een groepsverbod toezien bij novelle uit de wet licht. Dat is in de Tweede Kamer bij amendement bepleit en zou heel goed via een novelle kunnen. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Maar het verbod blijft in de oude wet bestaan? Ik begrijp het niet. 

De heer Flierman (CDA):

Als de wet inclusief de novelle wordt aanvaard, is daarmee de oude wet ingetrokken. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Dus we gaan bij novelle een wet intrekken? Is dat de bottom line? 

De heer Flierman (CDA):

Nee, dat is niet wat ik suggereer. Ik licht dat graag toe. In de huidige wet staan twee bepalingen die in het oog moeten worden gehouden. De nieuwe wet kan op verschillende momenten en voor verschillende artikelen bij Koninklijk Besluit worden ingevoerd. Nee, ik bespreek nu de tweede optie. Ik herneem mijn woorden. In de wet staat een aantal bepalingen waarmee het groepsverbod uit de oude Elektriciteits- en Gaswet in de nieuwe wet wordt geïntroduceerd. De minister kan die bepalingen bij novelle uit de nieuwe wet schrappen, maar er staat in het voorliggend wetsontwerp ook dat de oude wet wordt ingetrokken. Op dat moment hebben we een nieuwe wet, waarin bij novelle het groepsverbod geschrapt is, terwijl de oude wetten zijn ingetrokken. Dan is er dus geen groepsverbod meer. Dat kan als de minister dat wil. Als de minister het niet wil, kan hij op grond van het artikel dat sommige bepalingen bij Koninklijk Besluit later in werking kunnen worden gesteld, besluiten om het groepsverbod niet in werking te stellen. Hij kan dit uitstellen tot bijvoorbeeld de Europese Unie besluit dat het groepsverbod Europabreed moet worden ingevoerd. In dat geval valt er niets meer te handhaven. 

Ik ga verder. Met de andere partijen hebben wij een motie voorbereid waarin hierom wordt gevraagd. We zullen zelf niet om een novelle vragen. Collega Meijer zal de motie straks mede namens de CDA-fractie indienen. Ik weet wel dat moties normaliter in tweede termijn worden ingediend, maar gezien het belang van het onderwerp dat in de discussie ongetwijfeld centraal staat, lijkt het ons goed als de motie in dit geval al in eerste termijn ter tafel komt, zodat iedereen er in eerste termijn al op kan reageren. Mocht de minister toezeggen dat hij de eerstgenoemde route zal bewandelen, wat ik hoop, dan zal de motie ongetwijfeld worden ingetrokken. Dat zou mooi zijn. We wachten de beantwoording van de minister dan ook met grote belangstelling af. 

De heer Dercksen (PVV):

Als het CDA zegt dat het de Nederlandse werkgelegenheid hoog in het vaandel heeft staan, dan ga ik de heer Flierman niet onderbreken. Complimenten daarvoor. Ik wil even terug naar het begin van zijn betoog. Het ging over Parijs. Niet over de slachtpartijen die daar hebben plaatsgevonden, maar over de klimaattop. Daar spelen ook Nederlandse belangen. Hij had het over een bindende klimaattop. In artikel 28 van de overeenkomst staat dat iedereen zich aan de afspraken zal houden. Als je het niet doet, is het echter ook goed. Ik heb in de media de afgelopen weken al landen als India, Japan en Zuid-Korea horen zeggen: leuk, die klimaattop, maar wij gaan gewoon door met onze plannen voor het bouwen van kolencentrales. Terug naar het belang van Nederland. Wil de heer Flierman nog eens duiden wat het nut en de noodzaak is voor Nederland binnen de EU, als de rest van de wereld gewoon doorgaat waarmee hij bezig is en wij, als solitair EU en daarbinnen Nederland, onszelf als enige allerlei strenge klimaatdoelstellingen opleggen? 

De heer Flierman (CDA):

Dat zou een ander debat vergen. Wij zouden er lang over kunnen spreken. Ik heb niet het woord "bindend" gebruikt, maar "baanbrekend". Dat heeft een iets andere betekenis. Naar mijn beste weten gaan niet alleen Europa, maar ook veel andere landen zich wel degelijk inzetten om de opwarming van de aarde een halt toe te roepen. Dat lijkt mij voor de toekomst van de planeet van grote betekenis. In die zin heb ik het woord "baanbrekend" gebruikt. 

Mevrouw Meijer (SP):

Voorzitter. Wij hebben het vandaag over de Wet STROOM, de wet waarin de Elektriciteitswet en de Gaswet worden samengevoegd. Vandaag spreek ik overigens mede namens de PvdD. Het is een ingewikkelde wet die de gemoederen in de Tweede Kamer al danig heeft beziggehouden en waarvan wij hier vandaag het eindspel spelen. 

Ik val maar meteen met de deur in huis: deze wet heeft nog een grote vlek die weggepoetst moet worden om de instemming van de Eerste Kamer te verwerven. Dat is het groepsverbod, ofwel de gedwongen splitsing. Het besluit tot splitsing werd in 2006 genomen. Ook toen was de SP hiertegen, maar dat nam niet weg dat er een grote meerderheid voor was. Men dacht dat de splitsing nodig was om een aantal essentiële zaken te regelen, zoals de leveringszekerheid en om een aantal risico's af te dekken. Ook was er de overtuiging dat heel Europa tot splitsing over zou gaan. 

We zijn inmiddels bijna tien jaar verder en veel ervaring rijker. Nederland ging in 2006 voortvarend te werk en verplichtte de splitsing. Tot op de dag van vandaag is Nederland het enige land dat de splitsing op deze wijze heeft doorgevoerd. Bedrijven als Nuon en Essent splitsten en de commerciële poot werd overgenomen door Vattenfall en RWE. Het zijn buitenlandse bedrijven die in eigen land systeembeheerder zijn en voordeel genieten van een betere kredietrating. De rente op de kapitaalmarkt is essentieel. Die wordt voor de Nederlandse bedrijven hoger, waarmee het argument vervalt dat je door de splitsing een gelijk speelveld creëert. Sterker nog, we zetten hen dan willens en wetens op achterstand. 

De heer Pijlman (D66):

Mevrouw Meijer geeft dus toe dat je ongesplitst een betere kredietwaardigheid hebt? 

Mevrouw Meijer (SP):

Ja, dat geef ik toe. 

Sinds 2008 gingen andere Europese landen helemaal niet splitsen en ze zijn dit over het algemeen evenmin van plan. Van Europa hoeft het niet meer. Dan bekruipt je de vraag waarom je het nog zou doen. Wie heeft er voordeel bij? Zijn dat de gebruikers die er zeker van moeten zijn dat het licht aangaat, de kachel brandt en de douche warm is? Een van de overwegingen om destijds tot splitsing over te gaan was de leveringszekerheid. Het aantal storingsminuten ligt in Duitsland, waar geen sprake is van gedwongen splitsing, lager dan in Nederland. Tegelijkertijd is Nederland een van de meest zekere landen ter wereld. De conclusie van de SP is dat een splitsing geen invloed heeft op de leveringszekerheid en dat dit dus niet als argument voor een splitsing gebruikt kan worden. 

Een ander idee was dat het splitsen de concurrentie zou bevorderen. In de landen om ons heen, bijvoorbeeld in Duitsland, Zweden en Frankrijk, zijn de tarieven lager. Portugal, België en Noorwegen hebben de meeste overstappers. Dat zijn allemaal landen die geen gedwongen splitsing hebben. Een lage prijs en het overstapgedrag hangen blijkbaar niet samen met gedwongen splitsing. Ook deze argumenten komen dus te vervallen. 

Met het idee dat de netten niet gebruikt mogen worden als onderpand voor commerciële avonturen, had de minister een punt. In de Nederlandse wet is dat echter al uitgebreid geborgd. Het vermogen van de beheerder is ondergebracht in een aparte rechtspersoon en vormt een gescheiden vermogen dat helemaal apart staat van het energiebedrijf en de holding. Een en ander volgt uit artikel 10 van de Elektriciteitswet. Dit maakt dat een netbeheerder niet wordt geraakt door schulden of een faillissement van een andere bv of nv van het concern. Ook mag het netbeheer geen onderpand zijn voor de activiteiten van het energiebedrijf. Er geldt in de huidige wet al een "beleningsverbod". Mocht de commerciële poot in moeilijkheden raken, dan zal ook een curator zich moeten houden aan de wet en zullen de wettelijke bescherming en eisen niet overtreden mogen worden. 

Ook hier moet de SP concluderen dat splitsing niet nodig is om duidelijke regels te stellen. We mogen gerust aannemen dat de landen om ons heen bewijzen dat je zonder splitsing voor een aantal voordelen kunt zorgen, zoals leveringszekerheid, overstapgedrag en lage tarieven, en dat de Nederlandse regels over het voorkomen van risico's voor onze netten prima in orde zijn. Er is nog geen argument gevonden om voor splitsing te zijn. 

Dan kom ik op het punt van de concurrentie tussen de verschillende energiebedrijven in Nederland. De minister houdt ons voor dat we moeten zorgen voor een gelijk speelveld. Wanneer we de splitsing nu zouden doorzetten, maken we er echter een ongelijke wedstrijd van. We hebben dan aan de ene kant te maken met energiebedrijven die kunnen leunen op hun buitenlandse moederbedrijf met netten in de holding, en aan de andere kant met Nederlandse bedrijven die tegen ongunstigere voorwaarden kunnen lenen op de kapitaalmarkt. Dat is juist een ongelijke situatie. We halen hiermee de Nederlandse bedrijven onderuit. 

De minister heeft deze argumenten in de verschillende debatten allemaal aangevoerd om zijn splitsing erdoorheen te krijgen. Deze argumenten zijn echter stuk voor stuk ontkracht en tellen daarom niet meer. Het enige waar deze minister nog op kan leunen is zijn persoonlijke overtuiging. Hij is een persoonlijke voorstander van de splitsing. Hij staat hier vandaag tegenover een twaalftal partijen, waarvan er zich acht tegen de splitsing keren. Een meerderheid aan zetels nemen wij met ons mee. Dat maakt dat hij naar deze meerderheid moet luisteren. Hij zal hen tegemoet moeten komen, want zo werkt nu eenmaal de democratie. 

De SP komt tot de conclusie dat splitsing jaren geleden wellicht in volle overtuiging door mensen verdedigd werd, maar dat het idee momenteel volledig achterhaald is. Dat blijkt wel uit het aantal handtekeningen dat onder de motie staat die ik nu wil indienen. De motie wordt door ten minste zeven partijen ondersteund en mogelijk nog door meer. Ik ben me ervan bewust dat het niet gebruikelijk is in eerste termijn een motie in te dienen. Het lijkt mij echter verstandig om deze al in een vroeg stadium onderdeel te laten uitmaken van het debat. 

De voorzitter: 

Door de leden Meijer, Flierman, Dercksen, Vos, Ester, Van Rooijen en Ten Hoeve wordt de volgende motie voorgesteld: 

Motie

De Kamer, 

gehoord de beraadslaging, 

gezien het in artikel 4.6, zesde lid, van het wetsvoorstel opgenomen groepsverbod; 

overwegende dat Nederland daarmee de enige lidstaat van de Europese Unie is die eigendomssplitsing wettelijk verplicht stelt voor distributiebeheerders; 

overwegende dat destijds in 2006 de opname van dit splitsingsgebod gebaseerd was op de verwachting dat andere EU-lidstaten een vergelijkbaar gebod zouden opleggen, maar dat dat sindsdien niet gebeurd is; 

overwegende dat Nederland zichzelf daardoor in een ongewenste uitzonderingspositie brengt; 

overwegende dat de Nederlandse energiebedrijven DELTA en Eneco door een gedwongen splitsing geconfronteerd zullen worden met buitenlandse concurrenten zoals EON, RWE, Vattenfall en GDF die over financiële slagkracht (zoals een betere kredietrating) kunnen beschikken die past bij een geïntegreerd bedrijf; 

overwegende dat behoud van kennis, expertise en financieringscapaciteit in geïntegreerde Nederlandse energiebedrijven van grote betekenis is, onder andere ten behoeve van het stimuleren van innovatie op het gebied van de energiehuishouding; 

spreekt als haar mening uit dat de invoering van een dergelijk groepsverbod voor distributiesysteembeheerders slechts dan aangewezen is indien de EU dit als verplichting aan de lidstaten oplegt; 

verzoekt daarom de regering, ermee in te stemmen dat — gelet op het gestelde in artikel 12.36 — artikel 4.6, zesde lid, niet in werking treedt dan nadat de verplichting van artikel 9 van richtlijn 2009/72 en artikel 9 van richtlijn 2009/73 wordt uitgebreid naar distributiesysteembeheerders, of op grond van bepalingen uit andere bindende EU-rechtshandelingen een soortgelijke verplichting voor distributiesysteembeheerders tot stand komt, 

en gaat over tot de orde van de dag. 

Zij krijgt letter H (34199). 

Mevrouw Meijer (SP):

Ik kom nu bij het punt wind op zee. Dit is onderdeel van deze wet. We hebben met elkaar een ambitie uitgesproken voor een flinke toename van duurzame energie. Dat moet ook wel, want Nederland bungelt ergens onderaan het lijstje landen met betrekking tot het percentage duurzame energie. Binnen Europa zijn er maar twee landen te vinden die nog iets afhankelijker zijn van fossiele energie dan wij. De minister zegt dus dat we deze wet nu moeten aannemen, om te borgen dat het net voor wind op zee op tijd aangelegd kan worden. 

Ik denk dat de meeste partijen wind op zee geen strobreed in de weg willen leggen. Daarom willen we de minister uitnodigen voortvarend aan de slag te gaan met deze duurzame doelen, en stellen we voor om het grote pijnpunt, de gedwongen splitsing, hiervan los te koppelen. 

Ik kan me voorstellen dat mensen die mijn betoog lezen of horen, zich intussen afvragen wat een gedwongen splitsing ons zal brengen of, liever nog, zal kosten. We mogen aannemen dat dit 1.500 tot 2.000 mensen hun baan zal kosten. Ik neem u even mee naar Delta, een bedrijf dat nu aan een kleine 2.000 mensen werk biedt, in verschillende divisies. 

De heer Dercksen (PVV):

Ik neem mevrouw Meijer even mee naar de kustgemeentes. Zij zegt dat er veel draagvlak is voor wind op zee. Zij heeft dan in ieder geval onze fractie over het hoofd gezien. Veel mensen in de kustgemeentes hebben aangetoond dat dit een heleboel werkgelegenheid gaat kosten. Ook mensen die misschien op de partij van mevrouw Meijer zullen stemmen, zitten dadelijk in de WW. Waar vinden deze mensen gehoor in deze Kamer? Zij vinden dat uitsluitend bij de PVV-fractie. 

Mevrouw Meijer (SP):

Dank u, mijnheer Dercksen. Ik zei ook niet voor niets in mijn bijdrage ... 

De voorzitter:

Wilt u via de voorzitter spreken, mevrouw Meijer? 

Mevrouw Meijer (SP):

Excuus, voorzitter. Ik zei ook niet voor niets dat een grote meerderheid in deze Kamer zich voor wind op zee heeft uitgesproken. Dat hebben we een poosje geleden mogen meemaken. De PVV was daartegen; dat geef ik toe. Ik denk echter ook dat de aanleg van deze windmolens op zee werkgelegenheid met zich meebrengt. Dat neemt natuurlijk niet weg dat wij hier vandaag kunnen voorkomen dat 1.500 tot 2.000 mensen hun baan verliezen in deze energiebedrijven. Dat is waar ik het nu over heb. 

De heer Dercksen (PVV):

Daar staan wij achter. Dat is helder. Wij hebben die motie mede ondertekend. Maar mevrouw Meijer kan toch niet aan het gegeven voorbijgaan dat honderden bewonersverenigingen in het land tegen die windmolens strijden. Ik kreeg zelfs een kaartje van een D66-burgemeester met de vraag of we ervoor konden zorgen dat die windmolens verder op zee komen te staan. Mensen zijn naar het Compliance Committee van de Verenigde Naties in Genève gestapt om het kabinet te vragen zich te houden aan de Aarhus Convention. Kortom, er is in de samenleving grote weerstand tegen windmolens. Mensen liggen er wakker van en woningen worden minder waard. Waar anders dan bij onze fractie vinden al die mensen gehoor? Ze vinden het niet bij de SP-fractie en dat is treurig. 

Mevrouw Meijer (SP):

Ik hoor niet echt een vraag, dus ik denk dat ik maar verder ga met mijn betoog. 

Ik neem u even mee naar Delta, zei ik net. Delta is een bedrijf dat aan een kleine 2.000 mensen werk biedt, in verschillende divisies. Zowel de ondernemingsraad als de vakbonden gaan ervan uit dat het verder uiteenvallen en opkopen van divisies een verlies van tussen de 747 en 997 banen zal opleveren. Voor de werkgelegenheid in Zeeland, toch al een krimpregio, zal dit een enorme klap zijn, met grote maatschappelijke impact. 

Ook het splitsen van Eneco zal gepaard gaan met verlies van veel banen, is de verwachting. Het bedrijf zal naar verwachting minder kunnen investeren, waardoor 130 tot 150 mensen het bedrijf moeten verlaten. Door de afname van de investeringsruimte en de noodzakelijke besparingen als gevolg van de splitsing, wordt verwacht dat verschillende activiteiten van het bedrijf zullen moeten worden beëindigd. Als gevolg daarvan zullen tussen de 800 en 1.000 fulltime functies komen te vervallen. Daarnaast zijn er forse effecten te verwachten bij toeleveranciers in binnen- en buitenland. 

Er is een scenario denkbaar waarin Eneco, na gedwongen splitsing, overgenomen zal worden door een andere partij. Houd in dat geval rekening met een investeringsstop gedurende enkele jaren, omdat de gevolgen van overname uitgewerkt moeten worden, en houd rekening met een verlies van werkgelegenheid, omdat dan waarschijnlijk gereorganiseerd zal worden. Samengevat zal de splitsing van Eneco tot een onvermijdelijk verlies van ruim een kwart van het totale personeelsbestand leiden. Ook deze cijfers zijn geleverd door de vakbond, een organisatie die geen belang heeft bij al dan niet splitsen. 

Een bijkomend nadeel van dit scenario is dat de bijdrage die de twee bedrijven tot nu toe hebben geleverd aan de energietransitie, ook komt te vervallen. Bij een overname door energiereuzen uit het buitenland zullen die weinig belangstelling hebben voor de kleinere duurzame projecten in Nederland, maar zich eerder richten op grote projecten elders. 

Voorzitter, ik rond af. Volgens de SP is duidelijk dat we met een groepsverbod of gedwongen splitsing niets of niemand een dienst bewijzen, geen extra zekerheden bereiken, geen extra inzet bewerkstelligen in de energietransitie en geen voordelen voor de consument binnenhalen. Wel is er de grote kans dat we twee Nederlandse energiebedrijven over de kop laten gaan, pakweg 2.000 mensen hun baan laten verliezen en investeringen in Nederlandse duurzaamheidsinitiatieven bemoeilijken. Ik nodig de minister uit om deze argumenten te weerleggen, maar dring er wel op aan dat hij geen argumenten meer gebruikt die aantoonbaar achterhaald, onjuist of niet meer valide zijn. 

De SP kijkt met belangstelling uit naar de beantwoording van de minister. Mocht de ingediende motie daadwerkelijk in stemming gebracht moeten worden, dan willen wij graag dat dit gebeurt alvorens de wet in stemming wordt gebracht. 

De heer Pijlman (D66):

Voorzitter. Het vorig weekend zijn we allemaal positief verrast door het klimaatakkoord in Parijs. Na de mislukking van Kopenhagen was het nu of nooit om tot een internationaal akkoord te komen om de CO2-uitstoot te beperken, zodat de temperatuur op aarde met niet meer dan 2˚C stijgt. Voor het eerst in de geschiedenis erkennen alle landen dat de mens de belangrijkste veroorzaker van de opwarming van de aarde is en dat dit op den duur ons grootste veiligheidsprobleem wordt. Maar een akkoord dat op papier staat, is daarmee nog geen werkelijkheid. Papier is geduldig en de werkelijkheid weerbarstig. Juist in Nederland zal er nog heel veel moeten gebeuren, willen wij onze eigen duurzaamheidsdoelstellingen halen. Is het juist dat, willen wij aan Parijs kunnen voldoen, wij de afspraken van het energieakkoord moeten intensiveren? 

De heer Dercksen (PVV):

Ik wil niet elke keer interrumperen, maar het is bijna niet te voorkomen. Het klimaatakkoord is een vrijblijvende overeenkomst geworden waaraan iedereen zich kan houden, maar als men het niet doet, is het ook goed. Ik verwijs naar artikel 28. De heer Pijlman zegt dat wij in Nederland heel veel dingen moeten doen, maar China gaat gewoon door met kolencentrales bouwen. India gaat door met kolencentrales bouwen. De hele wereld gaat door met kolencentrales bouwen, al is het alleen maar omdat er in 2050 2,5 miljard mensen zijn bijgekomen. Wanneer gaat D66 eens kijken naar het internationale perspectief van die klimaatmaatregel? 

De heer Pijlman (D66):

Het is mooi om te horen dat de heer Dercksen deze keer internationaal denkt en niet nationaal. Dat is al een grote vooruitgang. Ik geef direct toe dat hij zo ongeveer nog de enige is die klimaatverandering geen item vindt. 

De heer Dercksen (PVV):

Ik heb geen antwoord gekregen op mijn vraag. Wij kijken altijd internationaal, maar wel vanuit de belangen van Nederland zelf. Zoals wij vandaag doen, kijken wij naar de belangen van de werknemers van Eneco en DELTA. Mijn vraag was echter wat wij als minilandje gaan doen. Welke invloed heeft Nederland nu op alle klimaatveranderingen volgens u als de wereld doorgaat met waar hij mee bezig is? Of er nu één, tien of honderd klimaattoppen zijn, de wereld gaat door met wat hij doet en dat is kolencentrales bouwen. U wilt in dat rare Belastingplan dat u nu hebt goedgekeurd, gaan praten over het sluiten van nieuwe kolencentrales die wij hebben. In China komen er 363 bij! Waarom? Geef antwoord op de vraag wanneer u naar het internationale perspectief van het klimaatbeleid kijkt. 

De heer Pijlman (D66):

Wij kijken iedere dag naar het internationale perspectief, ook van het klimaatbeleid. Juist daarom vinden wij ook dat een land als Nederland ook zijn verantwoordelijkheid moet nemen. Dat geldt als het om de kolen gaat, dat geldt als het om wind op zee gaat. Je hebt internationaal niets meer te melden als je je niet aan je eigen uitgangspunten kunt houden. Dat is blijkbaar wat u wilt. 

De voorzitter:

Tot slot op dit punt, mijnheer Dercksen. 

De heer Dercksen (PVV):

Ik wil dat u zich realiseert dat wij 0,5% van de CO2-uitstoot voor onze rekening nemen. Dus alles wat wij hier doen, is gerommel in de marge. Wat er in Azië of Afrika gebeurt, doet ertoe. Die landen gaan er niets aan doen. Zij zeggen dat gewoon, dat staat in de krant. Wanneer dringt het tot u door dat al die peperdure maatregelen waarmee wij onze welvaart op het spel zetten, geen enkele invloed hebben op het klimaat? 

De heer Pijlman (D66):

Ik kan alleen nogmaals zeggen dat ik blij ben dat alle landen, álle landen, zich tot de Parijse akkoorden willen verhouden. 

Voorzitter. Wanneer komt het kabinet met een geactualiseerd overzicht van het energieakkoord waarin de afspraken van Parijs zijn opgenomen, vraag ik aan de minister. De D66-fractie realiseert zich dat het voorliggende wetsvoorstel de volgende stap is om de Nederlandse duurzaamheidsdoelstellingen dichterbij te brengen. D66 waardeert het dat het betreffende voorstel in een open planprocedure tot stand is gebracht. 

De voorliggende wet maakt het mogelijk om een aanvang te maken met wind op zee. Alle voorbereidingen zijn verricht om de eerste tender uit te kunnen schrijven. Bedrijven lijken ook in de startblokken te staan om in te schrijven. TenneT is gereed om te "stekkeren". Deze wet is nodig om het proces dat een forse verhoging van duurzame energie tot stand brengt, op te starten. En dat is nodig. Ons land heeft immers als het om duurzame energie gaat een forse achterstand op bijvoorbeeld Duitsland. 

De energiemarkt is enorm in beweging. Conventionele fossiele opwekking staat onder druk. Zo heeft Duitsland zichzelf de opgave gesteld om versneld de kerncentrales te sluiten. Geïntegreerde bedrijven hebben die centrales in eigendom. De risico's die daardoor ontstaan, kunnen terugslaan op de systemen. Dat betekende bijvoorbeeld dat de deelstaat Hamburg, waar twee kerncentrales staan, besloot de systemen af te splitsen van de commerciële bedrijven en die in overheidshanden te plaatsen. Ook in ons land is de energiemarkt volop in beweging. De kerncentrale van Borssele gaat dicht. We willen niet alleen dat de oude kolencentrales buiten gebruik worden gesteld maar ook de nieuwe. Tegelijkertijd wordt duurzame energieproductie opgestart en gaat decentrale energieopwekking steeds meer tot de mogelijkheden behoren. Grote buitenlandse energiebedrijven die geïntegreerd zijn, zoals Vattenfall en RWE, hebben miljarden moeten afschrijven op hun commerciële aankopen. In hun geval draait de belastingbetaler daarvoor op. Door die onzekere en veranderende marktomstandigheden gaan banen verloren, maar worden er ook nieuwe gecreëerd. 

Nederland heeft er jaren geleden voor gekozen om de energie-infrastructuur te beschermen tegen commerciële activiteiten door de infrastructuur los te maken van de marktaanbieders en die in overheidshanden te houden. De infrastructuur mag niet afhankelijk zijn van commerciële activiteiten. Door deze splitsing werden de netwerken van Essent en Nuon losgekoppeld. De overblijvende commerciële activiteiten werden verkocht. Lokale overheden kregen er 20 miljard voor. Delen van deze middelen werden gebruikt om rijksbezuinigingen niet door te geven aan burgers. Ook werden er investeringen mee gedaan. Soms in duurzame energie, vaak ook in infrastructuur waarmee de lokale en regionale economie een forse impuls kreeg en banen werden geschapen. 

De splitsing van energiebedrijven die in 2008 van kracht werd en in 2011 voltooid had moeten zijn, blijft de gemoederen bezighouden. Eneco en DELTA verzetten zich ertegen en gingen naar de rechter. Na jarenlange procedures kreeg de Staat gelijk. De splitsing was gerechtvaardigd. De bedrijven zetten een forse campagne op om alsnog aan het groepsverbod — geen netwerk en commerciële activiteiten in een holding, want dat is het feitelijk — te ontkomen. De Tweede Kamer besloot echter het groepsverbod te handhaven. Het amendement-Smaling werd na hoofdelijke stemming verworpen. En nu ligt het wetsvoorstel in dit huis. 

Misschien is de hoofdvraag hierbij wel of wij een level playing field voor energiebedrijven in Europa willen of dat we een level playing field in Nederland nastreven. Immers, Europa stelt, anders dan Nederland, splitsing op regionaal niveau niet verplicht. Dat wordt aan de lidstaten overgelaten. Als we doorgaan met het groepsverbod waardoor de gescheiden bedrijven niet in één holding mogen zitten, dan menen Eneco en DELTA dat zij daarbij fors op achterstand worden gezet ten opzichte van de Europese concurrentie. Maar als de splitsing niet wordt doorgezet en er geen einde wordt gemaakt aan de ongedeelde bedrijven, dan worden met name de nieuwe energiebedrijven, waar inmiddels ook meer dan 1.000 mensen werken, fors benadeeld. Bovendien loopt de Staat dan juridische risico's. Immers een staat die zwalkend beleid vertoont, roept automatisch risico's op. 

Mevrouw Meijer (SP):

Kan de heer Pijlman uitleggen waardoor de nieuwe energiebedrijven op achterstand komen te staan? Zij kunnen geen netten kopen, of de splitsing nu wordt doorgezet of niet. De situatie is zoals hij is, nietwaar? 

De heer Pijlman (D66):

Dat is nu precies de reden dat zij naar de toezichthouder zijn gegaan. De wet moet worden gehandhaafd, omdat zij zich op achterstand gesteld voelen. Immers, zij kunnen niet verkrijgen wat anderen op dit moment nog wel hebben, namelijk de netten. 

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Ik ga op dit punt door. Het is interessant te zien dat in Duitsland, waar geen splitsing heeft plaatsgevonden, kleine duurzame energiebedrijfjes het juist buitengewoon goed doen. Zelfs 93% van alle kleine nieuwe opwekking van duurzame energie is in handen van nieuwe bedrijfjes. Blijkbaar is het mogelijk om in zo'n situatie als nieuwe partij te floreren. Ik zie niet zo goed welke blokkade er is voor deze nieuwe spelers nu de netten zo scherp zijn beschermd, de vrije toegankelijkheid is geregeld en er een non-discriminatiebeginsel is ingevoerd wat betekent dat iedereen erop moet kunnen. 

De heer Pijlman (D66):

Ik kom daar nog op terug, bijvoorbeeld als ik spreek over de kredietwaardigheid. Ik ben het met mevrouw Vos eens dat die kleine, vaak lokale initiatieven het heel goed doen. Het is ook de kracht van deze wet dat hij een experimenteerartikel bevat. Daardoor kunnen dit soort initiatieven worden bevorderd. Wij zijn daar ook voor. 

Mevrouw Vos (GroenLinks):

De heer Pijlman sprak over juridische schadeclaims. Ik ben benieuwd waar hij dan op doelt. Er is inderdaad gesplitst, maar dit heeft ertoe geleid dat je daarmee of gigantisch veel geld hebt verdient — dit geldt voor de Nederlandse aandeelhouders — of dat het geld naar de buitenlandse bedrijven is gegaan. Je wist dat je een gesplitst bedrijf kocht en dat heb je gedaan. Achteraf gezien heb je er misschien te veel voor betaald, maar je hebt het op dat moment wel met open ogen gedaan. Wat zou de grond kunnen zijn voor juridische schadeclaims als de overheid een wetswijziging doorvoert? 

De heer Pijlman (D66):

Een overheid die zwalkend beleid voert, is risicovol bezig. Wij spreken niet alleen over de Nuons en de partijen die daarachter zitten, Vattenval en RWE. Ik geloof er inderdaad niet zo in dat zij zich direct geschaad voelen. Ik ben echter van mening dat de Nederlandse overheid mag verlangen dat nieuwe partijen op de markt op dezelfde manier worden behandeld als andere partijen. 

Mevrouw Vos (GroenLinks):

De heer Pijlman noemt dit zwalkend beleid. Volgens mij is het in Nederland altijd mogelijk — en dat is vaker gebeurd — om op goede gronden en goed onderbouwd over te gaan tot aanpassing van de wet. Die ruimte biedt de democratie in Nederland. Waarom noemt de heer Pijlman dit zwalkend beleid? Waarom is hij bang dat het juist op dit punt tot schadeclaims zal leiden? 

De heer Pijlman (D66):

Ik noem het zwalkend beleid, omdat het beleid dat acht jaar geleden is ingezet en meerdere malen is bekrachtigd, nooit is uitgevoerd. Nog steeds worden er uitzonderingen gemaakt vanwege juridische procedures. Als je dan na zo'n periode — terwijl de rechter je in het gelijk heeft gesteld — nog eens terugkomt en zegt: wij gaan het toch weer anders doen, lijkt het mij voor de hand liggen dat sommige partijen zich buitengewoon benadeeld voelen. Ze zullen immers nooit meer dat netwerk kunnen krijgen. 

De voorzitter:

Mijnheer Dercksen, op ditzelfde of op een ander punt? 

De heer Dercksen (PVV):

Op het eerste punt dat mevrouw Vos aankaartte, namelijk dat nieuwe toetreders op achterstand worden gezet door de wetgeving die wij willen veranderen. Ik heb de overstapcijfers opgevraagd, want ik wil weten in hoeverre die nieuwe toetreders inderdaad op achterstand zijn gezet. Ik weet niet of de heer Pijlman die cijfers ook heeft opgevraagd, maar ik stel vast dat het aantal overstappen op met name de netten van Eneco en Stedin sinds de vrijgave van de energiemarkt hoger is dan op andere netten. Waar baseert de heer Pijlman de opmerking op dat nieuwkomers op achterstand worden gezet? 

De heer Pijlman (D66):

Ik kom daar direct op terug. 

De heer Dercksen (PVV):

Wij zijn hier nu toch. Misschien kan de heer Pijlman dat nu even doen? 

De heer Pijlman (D66):

Het was mijn eerste passage. Ik wilde net zeggen: het is om die reden dat de nieuwe energiebedrijven zoals Greenchoice en Budget Energie nu aan de toezichthouder ACM om handhaving van de splitsing hebben gevraagd. 

De heer Dercksen (PVV):

Dat hebben zij gevraagd, maar ik vraag naar de feiten. De feiten zijn dat er zeker op de netten van Stedin en Eneco meer overstappen zijn dan op de andere netten. De heer Pijlman kan andere partijen napraten, maar de feiten tonen simpelweg aan dat er meer overstappers zijn bij Stedin. Ik vraag de heer Pijlman om zich aan die feiten te houden. 

De heer Pijlman (D66):

Ik ontken die feiten niet, ik ken ze niet, maar ik zeg alleen maar dat de nieuwe energiemaatschappijen zich op achterstand gezet voelen en dat zij daarom naar de toezichthouder gaan. Het is aan de toezichthouder om op te treden. 

De heer Flierman (CDA):

Ik heb ook nog een vraag over de nieuwe toetreders. De heer Pijlman zegt dat zij zich op achterstand voelen gezet en dat zij daarom naar de ACM stappen. Dat mag, maar om tot een schadeclaim te komen, gaat het niet om gevoelens maar om feiten. Ik vraag mij dan in gemoede af in welk opzicht de situatie voor de nieuwe toetreders verandert als het groepsverbod niet doorgaat. Zij hebben immers nu te maken met geïntegreerde Nederlandse bedrijven en dochters van geïntegreerde buitenlandse bedrijven. Of zij nu te maken hebben met alleen dochters van geïntegreerde buitenlandse bedrijven of ook met geïntegreerde Nederlandse bedrijven maakt in mijn taxatie niets uit voor de nieuwe toetreders. Dat zou naar mijn mening dus geen titel voor een schadeclaim kunnen opleveren. 

De heer Pijlman (D66):

Het is aan de toezichthouder om dat te bepalen. Door alle juridische claims van andere kunnen zij echter nooit in de positie komen die andere energiemaatschappijen wel hebben. Dat is toch wel een principieel punt. 

De voorzitter:

De heer Flierman nog een keer op dit punt en dan houden wij ermee op. 

De heer Flierman (CDA):

Dat er nieuwe toetreders zijn die alleen handelen in energie, is nu eenmaal een fact of life. Zij kunnen zich er moeilijk over beklagen dat zij geen infrastructuur hebben en dat andere bedrijven die wel hebben. Of die bedrijven nu infrastructuur in het buitenland of in Nederland hebben, vind ik minder van betekenis. 

De heer Pijlman (D66):

Die mening deel ik niet. Ik acht het van belang dat de verschillende maatschappijen voor de Nederlandse wet op dezelfde wijze worden behandeld. 

D66 heeft begrip voor het standpunt van Eneco en DELTA. Nu de splitsing doorzetten, betekent voor hen een forse aderlating. Immers, de marktomstandigheden zijn veel minder rooskleurig dan een aantal jaren geleden. Bovendien menen beide bedrijven dat zij binnen de concerns al de verschillende activiteiten van elkaar gescheiden hebben, zodat splitsing niet meer nodig is. Ook menen zij dat door splitsing een fors aantal banen verloren zal gaan. Met name in Zeeland, waar de sociaal-economische structuur niet erg sterk is, zou dit hard aankomen. 

D66 wijst erop dat het handhaven van de splitsing niet automatisch tot banenverlies hoeft te leiden. Er blijken allerlei verschillende cijfers de ronde te doen. De provincie Zeeland bijvoorbeeld hanteert weer heel andere cijfers dan de bedrijven. De bedrijven lijken ervan uit te gaan dat splitsing automatisch tot verkoop van het overblijvende commerciële bedrijf moet leiden, maar het zullen uiteindelijk de overheden zijn, nu de eigenaren van Eneco en DELTA, die besluiten of zij willen verkopen of samenvoegen of zelfstandig willen doorgaan. Economische en financiële aspecten en werkgelegenheidsaspecten kunnen door hen worden gewogen. De positie van DELTA is daarbij zorglijk. Eerder gingen daar al veel arbeidsplaatsen verloren doordat een aantal besluiten van het concern geheel verkeerd uitpakte. 

De fractie van D66 waardeert het dat de minister samen met de provincie Zeeland een plan wil maken waarin staat hoe de economie van de provincie kan worden versterkt. Het tot stand brengen van nieuwe windparken kan overigens ook voor Zeeland het nodige betekenen. De fractie van D66 vraagt de minister om de Kamer te informeren over dat plan als het er is, en daarbij aan te geven hoe het gerealiseerd kan worden en wat de rol van de Staat daarbij is. 

DELTA en Eneco menen dat hun financiële positie verslechtert door splitsing. Zij hebben de verschillende activiteiten binnen de holding gescheiden en staan daarbij onder toezicht van de ACM. Dus, zo betogen zij, is het groepsverbod overbodig. 

Door de banken wordt uiteraard gekeken naar de kredietwaardigheid van het totale bedrijf. Daarbij kan het commerciële deel ook profiteren van de hogere kredietwaardigheid van het ongesplitste bedrijf, zoals ook de nieuwe energiebedrijven betogen tegenover de toezichthouder. Het is voor hen een reden om nu op handhaving van de wet aan te dringen. Het omgekeerde geldt uiteraard ook. De systeembeheerder kan nadeel ondervinden van een lagere kredietwaardigheid omdat hij met een risicovol bedrijf in één holding zit. De toezichthouder ACM zegt dat hij de capaciteit fors zal moeten verhogen als hij ook toezicht op de kasstromen dient te houden. 

D66 erkent dat ook aan splitsing negatieve kanten zitten omdat anderen binnen Europa maar beperkt voor ons systeem kozen. Tegelijkertijd hechten wij eraan dat Nederlandse bedrijven in Nederland op dezelfde wijze worden behandeld. Splitsing betekent dat activiteiten van elkaar worden losgekoppeld, maar niet dat activiteiten moeten worden gestaakt. De Europese regels — richtlijnen 2009/72/EG en 200973/EG — bepalen dat een eenmaal doorgevoerde splitsing niet meer teruggedraaid kan worden, maar dat een latere keuze om alsnog te splitsen wel is toegestaan. Vlaanderen en Wallonië lijken nu stappen tot splitsing te gaan nemen. 

Dat brengt mij op het punt dat wij als Eerste Kamer sowieso nog maar zeer beperkte mogelijkheden hebben om de gedoogstatus van Eneco en DELTA te verlengen. 

De splitsing, of het groepsverbod, is door vier verschillende ministers van drie verschillende partijen — D66, nu de VVD en eerder twee keer het CDA — aan de overkant en hier verdedigd. Iedere keer kreeg de splitsing een meerderheid. De laatste maal gebeurde dat twee maanden geleden in de Tweede Kamer, toen het amendement-Smaling werd afgewezen bij hoofdelijke stemming. 

De heer Flierman (CDA):

Vier ministers van drie verschillende partijen waren in de ogen van de heer Pijlman zo verstandig om met dit besluit door te gaan. De Tweede Kamer heeft zich daar een aantal keren achter geschaard, laatstelijk bij de hoofdelijke stemming die de heer Pijlman aanhaalt. De heer Pijlman lijkt met zijn betoog op dit punt te impliceren dat het toch verstandig is om die lijn te volgen. Als dat zo is — misschien wil hij dat zo meteen bevestigen — vraag ik mij wel af hoe hij het stemgedrag van zijn D66-collega's in de Tweede Kamer beoordeelt. Zij hebben namelijk bij diezelfde hoofdelijke stemming voor het amendement van de heer Smaling gestemd. Zijn zij inmiddels een beetje onverstandig geworden? 

De heer Pijlman (D66):

Twee ministers van de partij van de heer Flierman hebben de splitsing hier en aan de overkant juist verdedigd. Die inconsistentie kan de heer Flierman mij dus niet verwijten. Wij hebben hier natuurlijk onze eigen verantwoordelijkheid. Zorgen voor consistentie in beleid en uitvoerbaarheid van beleid is één van de taken van dit huis. Ik kan alleen maar tegen de heer Flierman zeggen dat er verschillende afwegingen zijn gemaakt. Nu de Tweede Kamer na een hoofdelijke stemming het amendement heeft verworpen, zie ik echter nauwelijks nog mogelijkheden. Ik weet dat de heer Flierman het daar niet mee eens is. Hij heeft dan ook een motie ingediend en twee situaties genoemd, waaronder die van de novelle. Ik zie al helemaal niet hoe dat laatste nog zou moeten nu er in de Tweede Kamer duidelijk een meerderheid is. Daarover kunnen wij echter van mening verschillen. 

De heer Flierman (CDA):

Wat mij intrigeert, is dat de heer Pijlman nu eigenlijk zegt dat als de meerderheid van de Tweede Kamer, eventueel bij hoofdelijke stemming, met iets instemt, de Eerste Kamer zich daar maar bij neer moet leggen. Dat lijkt mij een ontkenning van de functie van de Eerste Kamer. 

De heer Pijlman (D66):

Dat heb ik nu volstrekt niet gezegd. De heer Flierman verdraait mijn woorden. Ik heb gezegd dat wij ieder een eigen afweging maken en dat wij binnen het bestel een eigen positie hebben. Uiteraard respecteer ik dat. Daar staan wij hier voor. Ik heb er alleen op gewezen dat vier ministers van drie verschillende partijen, onder wie twee keer een minister van het CDA, hier het groepsverbod hebben verdedigd. Dat was een stukje historie. Ik ben tenslotte historicus. 

De heer Dercksen (PVV):

Over novelles gesproken: gisteren hebben wij er eentje behandeld die tot stand is gekomen door de interventie van de fractie van D66. Daar is een heel onderhandelingsproces aan voorafgegaan. Aan het begin van die onderhandelingen wilde de partijleider van D66 een hoop nieuwe banen. De heer Pijlman krijgt er, op wat strooigoed na, uiteindelijk nul. Hoe staat hij dan tegenover de banen waar wij vandaag over spreken? Hoe zit het met de banen bij DELTA en bij Eneco? Je kunt natuurlijk zeggen dat 1.800 niet het juiste aantal is. Dat klopt, het kunnen er 2.000 zijn en in de praktijk zijn het er misschien 1.500, maar het gaat banen kosten. Waar is die banenpartij gebleven? 

De heer Pijlman (D66):

Gelukkig gaat wind op zee ook banen opleveren. Dat zou de heer Dercksen zich eens even ter harte kunnen nemen als hij daar straks tegen stemt. 

De voorzitter:

Mijnheer Dercksen, ik zie dat u weer wilt interrumperen. Mag ik u vragen om niet voortdurend dezelfde vragen te stellen? Als u een nieuwe vraag heeft, geef ik u graag de gelegenheid om die te stellen. 

De heer Dercksen (PVV):

Voorzitter, ik krijg niet eens een begin van een antwoord van de heer Pijlman. Ik kom straks trouwens nog te spreken over banen en subsidiebanen. U wordt straks dus op uw wenken bediend. 

De heer Pijlman zegt dat hij voor nieuwe banen is. Zijn partijleider roept dat op televisie bij elke gelegenheid. Ik vraag aan de heer Pijlman waar hij in dit dossier dan voor staat als DELTA en Eneco straks een heleboel mensen op straat moeten zetten. Ik wil graag een antwoord. Ik heb het twee keer geprobeerd. Als hij geen antwoord geeft, dan is dat natuurlijk ook een antwoord. Laten wij het dan zo afspreken. 

De heer Pijlman (D66):

Ik heb betoogd dat de energiesector zo in beweging is dat er banen verdwijnen en er banen bij komen. Iedere baan die bij DELTA of Eneco verdwijnt, is er een te veel, maar het uitgangspunt dat het ene bedrijf voor de Nederlandse wet gelijk moet worden aan het andere, kan ik niet opzij schuiven. De heer Dercksen weet ook dat wind op zee heel veel nieuwe banen gaat scheppen. Ik reken er dan ook op dat hij daar nog eens even over nadenkt voordat hij zijn definitieve standpunt inneemt. 

Voor de interrupties betoogde ik dat het groepsverbod door vier verschillende ministers hier en aan de overkant is verdedigd. Voor onze fractie blijft het uitgangspunt dat de energie-infrastructuur in handen van de overheid blijft en niet aan commerciële en risicovolle activiteiten wordt blootgesteld, leidend. Bovendien willen we niet dat deze casus op ook maar enige manier ertoe zou kunnen leiden dat wij de duurzaamheidsdoelstelling van wind op zee vertragen en de tender uitgesteld moet worden. Dat is het ons absoluut niet waard. Er ligt 12 miljard klaar om grote investeringen uit te lokken en verder mogelijk te maken, die duizenden nieuwe banen opleveren en er bovendien voor zorgen dat Nederland zijn duurzaamheidsdoelstellingen beter zal bereiken. 

Dat brengt mij op andere aspecten van de wet. Een van de mogelijkheden van de wet is de verkabeling, waarbij de systeembeheerder delen van zijn systeem, op verzoek, ondergronds brengt. De heer Flierman sprak daar ook al over. In de memorie van antwoord geeft de minister aan dat dit voordelen met zich mee kan brengen om de gebruiksdoelen van een gebied te verhogen, maar ook nadelen die te maken hebben met nationale en internationale benchmarks. Het is aan de toezichthouder om te beoordelen of er bij verkabeling nog steeds sprake is van kostenefficiency. Ook rept de minister op mijn vragen over verkabeling van een verdeelsysteem van de kosten tussen de gebruiker, de systeembeheerder en de betreffende gemeente. Kan de minister verduidelijken hoe dit in de praktijk gaat werken? Hoe worden de kosten verdeeld en hoe komt de verdeelsleutel tot stand? 

Voor de fractie van D66 is het experimenteerartikel van groot belang. Het geeft lokale initiatieven de ruimte om te experimenteren en daarmee neemt de betrokkenheid van de burgers bij de energieproblematiek sterk toe. Het nieuwe verdienmodel voor duurzame energie zou wel eens veel meer tot lokale oplossingen kunnen leiden: de gebruiker die zelf energie opwekt, lokaal verhandelt en zo onafhankelijk mogelijk wordt van de centrale energieopwekkers. Experimenten zoals op Ameland zijn daar voorbeelden van. Het hele eiland wil energieonafhankelijk en CO2-neutraal zijn in 2020. Deze wet geeft nu mogelijkheden tot experimenten. Kan de minister de D66-fractie toezeggen dat wij met regelmaat zullen worden geïnformeerd over de aangevraagde experimenten, de resultaten en de evaluaties van de experimenten en daarmee de doorwerking van die resultaten in wet- en regelgeving? In dit verband zou ik ook graag van de minister horen hoe hij wil omgaan met de in de Tweede Kamer aangenomen motie van de heer Jan Vos, waarin hij voor de infrastructuur van bedrijven ruimte vraagt om de energietransitie te kunnen steunen. In het licht van de splitsingsdiscussie is dit uiteraard een gevoelig onderwerp. Immers, risicovolle activiteiten moeten vermeden worden, maar tegelijkertijd lijkt enige ruimte mogelijk omdat het om publieke activiteiten gaat, waartoe anders dan bij commerciële activiteiten gerekend kunnen worden met veel langere terugverdienmodellen. Kan de minister ons informeren hoe hij invulling aan de motie wil geven? 

Een van de meest prangende vragen die uit dit wetsvoorstel voortvloeien, betreft de positie van de kerncentrale Borssele. De minister heeft op mijn vraag geantwoord dat het onwenselijk is dat de kerncentrale in Borssele in buitenlandse handen komt. Hij antwoordt dat hij op grond van artikel 2.3 van het wetsvoorstel een wijziging in de eigendomssituatie van de kerncentrale kan weigeren of daaraan voorschriften kan verbinden, op grond van overwegingen van openbare veiligheid, voorzieningszekerheid of leveringszekerheid. De D66-fractie gaat ervan uit dat de toekomst van Borssele in nauw overleg met het parlement tot stand zal komen. Kan de minister dat toezeggen en ons met zekere regelmaat informeren? 

Gisteren bespraken we hier de novelle van het Belastingplan, waarin 100 miljoen is opgenomen voor energiebesparende maatregelen in de bouw. D66 dringt er bij het kabinet op aan dat deze middelen ingezet worden voor lokale initiatieven die vaak al klaarliggen en waar nu geen geld voor is. Ik krijg daarop graag een antwoord van de minister. 

Tot zover mijn eerste termijn. Wij wachten met belangstelling de antwoorden van de minister af. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Voorzitter. Voorafgaand aan het uitspreken van de bijdrage van de VVD-fractie wil ik u volgens de opvatting van mijn fractie over de aanbevelingen van de commissie-GRECO het volgende melden. In mijn cv staat dat ik voorzitter van de raad van commissarissen van Intergas Holding B.V. ben. Het netwerkbedrijf Intergas Energie is in 2011 verkocht. Intergas Holding is tot de liquidatie belast met de afwikkeling van eventuele risico's en is derhalve geen operationeel bedrijf meer en dus ook geen partij bij dit wetsvoorstel. 

De VVD-fractie ziet voorliggend voorstel tot de Elektriciteits- en gaswet — ook wel aangeduid met de "Wet STROOM" — voornamelijk als technisch van aard en van belang om nieuwe innovatieve ontwikkelingen op het gebied van energieopwekking en -toepassing te stimuleren en te faciliteren en daarbij een betere balans tot stand te brengen tussen productie en gebruik. Dat is een van de meest uitdagende opgaven voor de komende tijd. 

De doelstellingen in het energieakkoord zijn ambitieus, vooral in tijd gemeten. Daarom steunt de VVD het streven van de minister om deze wet per 1 januari in te laten gaan. Zij plaatst echter wel wat kanttekeningen bij de souplesse — of liever het af en toe ontbreken daaraan — bij de overgangstermijn die bedrijven wordt gegund om een aantal van hun activiteiten af te bouwen of om te zetten. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de kwestie van de laadpalen. Alle beetjes helpen om de enorme opgave die is overeengekomen in het klimaatakkoord van vorige week te realiseren. Kan de minister aangeven welke consequenties dat akkoord zal hebben voor onze nationale energietransitie? 

Mevrouw Meijer (SP):

In mijn bijdrage zei ik al dat Eneco en DELTA zich behoorlijk mengen in de markt van duurzaamheid. Ik heb betoogd dat we deze bedrijven om zeep gaan helpen en dat hierdoor grote buitenlandse bedrijven zich waarschijnlijk niet op onze Nederlandse markt zullen bewegen op het gebied van duurzaamheid ... 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Dat heb ik allemaal gehoord. 

Mevrouw Meijer (SP):

… maar meer in grote projecten. Misschien kunt u daarop ingaan, vooral omdat u zo'n belang hecht aan duurzaamheid. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Ik zie dat mevrouw Meijer en ik een overeenkomst hebben en dat is ongeduld. Ik ben net begonnen aan mijn betoog en ik vraag haar om nog even geduld te betrachten. Ik kan haar heel goed bedienen, al zal dat niet helemaal naar haar eigen wensen zijn. 

In het algemeen loopt de wetgever altijd een paar passen achter vernieuwing aan en zijn de snelheid van maatschappij, wetenschap, ondernemerschap en hun innovatief vermogen vaak fors hoger dan de wetgever kan bijhouden. Dat geldt zeker voor de energietransitie, waarin traditionele instituties en patronen steeds meer moeten plaatsmaken voor onconventionele businesses en netwerken om naast en met elkaar voor de consument een breed aanbod te kunnen ontwikkelen en een bijdrage te leveren aan de doelstellingen van de energietransitie. 

Tien jaar geleden leek het vooruitzicht ondenkbaar dat wij thuis met de zonnecollectoren op ons dak zelfvoorzienend zouden zijn en deel zouden uitmaken van een lokaal netwerk of — voor mijzelf gesproken — dat ik zelf in een hybride auto zou rijden. Ook leek het ondenkbaar — op grotere schaal — dat het leveringsbedrijf van energie niet meer dan een handelskantoor met slimme ICT'ers zou zijn en zou moeten concurreren op efficiency, service, duurzaamheid en prijs. Tien jaar geleden was de klant nog een aansluiting, of een klager, nu moet worden gedacht en gehandeld vanuit het comfort van de klant, die kritisch is geworden door de nieuwe keuzemogelijkheden en het groeiend duurzaamheidbesef. 

Kortom, nieuwe ontwikkelingen moeten ook in regelgeving gefaciliteerd worden en niet worden beperkt. De notie dat we de techniek van over tien jaar nu nog niet kennen, vraagt ook ruimte en durfkracht om die de kans te geven. Maar dat vereist wel een helder frame van het speelveld, zoals het opnieuw vaststellen van spelregels en het afbakenen van rollen van de spelers in het transitieproces. 

Sinds de invoering van de Wet onafhankelijk netbeheer zijn de grenzen van de daarin vastgelegde regels, zoals het groepsverbod, opgezocht en heeft zich rondom het zogenaamde "vrije domein" een grijs gebied ontwikkeld. Het is daarom goed om deze in het voorliggende voorstel weer eens op te frissen en vooral de "o" van de Won, de onafhankelijkheid, nader te preciseren. Zoals ik al zei mag dat in een overgangsfase niet leiden tot het abrupt moeten beëindigen van succesvolle, vernieuwende initiatieven, die zich nog niet helemaal hebben kunnen bewijzen. Hieraan moet overigens wel een grens gesteld worden. Het abrupt beëindigen vinden ook wij een niet-verstandige gedachte. De strijd om het zogenaamde "vrije domein" is echter een lastige om te beslechten wanneer vernieuwing en verduurzaming vooropstaan. Daar blijft altijd een spanning op staan. De vrije markt is terughoudend wanneer het investeringen en kosten vereist waarvan niet duidelijk is of deze ooit worden terugverdiend. Netwerkbedrijven zeggen dat ze het doen vanuit hun maatschappelijke functie. De financiering daarvan gebeurt met maatschappelijke geld, geld van de klanten. De netwerkbedrijven zijn niet alleen overheidsbedrijven, maar dienen ook hun tarieven ten behoeve van de niet-vrije klanten zo laag mogelijk te houden. Denkt de minister met de experimenteerruimte die spanning enigszins op te heffen? Hoe denkt hij marktpartijen te stimuleren om die rol van de netwerkbedrijven over te nemen? 

Een belangrijk onderdeel van het wetsvoorstel is — ik zeg het maar huiselijk — de organisatie van de infrastructuur ten behoeve van windenergie op zee. Bij de behandeling van wetsvoorstel 34058, de Wet windenergie op zee, is door meerdere fracties verwezen naar de behandeling van de wet STROOM in de veronderstelling dat hierin een principiële keuze voor windenergie op zee zou worden gemaakt. Inmiddels is wel duidelijk geworden dat die besluitvorming stapsgewijs vorm heeft gekregen en zijn finale beslag krijgt via het ruimtelijke spoor in het Nationaal Waterplan. Klopt het dat we het stadium "of" al lang en breed zijn gepasseerd, dat we in de wet STROOM het "hoe" verder bepalen en dat vervolgens nog slechts de vraag "waar" voor komt te liggen? 

De vragen die wij hadden zijn uitvoerig en naar tevredenheid beantwoord. 

Hiermee zou ik de VVD-bijdrage aan dit debat kunnen beëindigen. Het moge duidelijk zijn dat — op enkele verhelderende vragen na — mijn fractie instemt met het voorstel. 

De heer Dercksen (PVV):

Ik had met mevrouw Huijbregts tijdens het debat over wind op zee een interruptiedebatje over de vraag in hoeverre de VVD een fan is van al die windmolens. Ik meen dat zij aan de minister heeft gevraagd of dit een definitieve keuze is voor windmolens. Wij zijn intussen een halfjaar verder. TenneT heeft de bodem van de Westerschelde inmiddels verkend om er kabels neer te leggen. Misschien moeten wij tot de conclusie komen dat de windmolens er gaan komen en dat dit beleid VVD-beleid is. De windmolens die volgens haar aanvoerder op subsidie draaien, staan in het hele land en straks ook nog voor de kust. De VVD is daar de grote initiator van. Hoe verhoudt dit zich ooit met de oorspronkelijke inzet van de VVD? 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Ik heb geen idee waar de heer Dercksen het over heeft. 

De voorzitter:

Mijnheer Dercksen, u kunt nog een poging doen. 

De heer Dercksen (PVV):

Dat verklaart misschien ook een hoop. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Over u of over mij, dat laten wij maar even in het midden. 

De heer Dercksen (PVV):

Laten wij dat maar doen. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Het is het einde van het jaar, dus. 

De heer Dercksen (PVV):

Laat ik het eenvoudig houden. De minister-president heeft ooit eens gezegd dat windmolens op subsidie draaien en niet op wind. Dat is stap één. De volgende stap … 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Ik ben blij dat u mij helpt. 

De voorzitter:

Wel graag via de voorzitter. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Sorry, voorzitter, ik ben blij dat de heer Dercksen mij helpt. 

De heer Dercksen (PVV):

Laten we het met getallen doen. Bij de Wet windenergie op zee hebben we 12 tot 18 miljard gereserveerd aan subsidie voor wind op zee. Voor het Gemini Windpark en een windmolenpark elders op zee is 4,5 miljard beschikbaar en verder nog 15 miljard voor wind op land. Dit is alles bij elkaar zo'n 40 miljard subsidie, allemaal geïnitieerd door dit kabinet en uitgevoerd door een kabinet waarin een VVD-minister een belangrijke rol speelt. Bent u toe aan de vaststelling dat de VVD eigenlijk de grootste vriend is van alle windmolens die op land en in zee staan? 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Dat is een erg suggestieve vraag, waar ik geen ja of nee op kan zeggen. Ik vind het wel belangrijk om te weten waar we aan toe zijn bij de besluitvorming over wind op zee en de plaatsing van windmolens in zee. Dat is ook de vraag die ik aan de minister heb gesteld. 

De voorzitter:

Een hele korte nabrander nog, mijnheer Dercksen. 

De heer Dercksen (PVV):

Ik krijg nooit antwoorden in dit huis. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Misschien stelt u wel de verkeerde vragen? 

De heer Dercksen (PVV):

Ik ben ervoor ingehuurd om de verkeerde vragen voor u te stellen. Dat doe ik dan ook graag. U reageert niet op het feit dat de VVD de windmolenpartij van dit land is. U zult best trots zijn als u door dit land rijdt en overal die windmolens ziet. U geeft geen antwoord, maar er is geen andere constatering mogelijk dan dat de VVD dit beleid uitvoert en mogelijk maakt. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

De vraagstelling van de heer Dercksen nodigt niet uit tot een antwoord. Hij constateert iets. 

Mevrouw Meijer (SP):

Ik heb nu heel geduldig zitten wachten, maar … 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Knap hoor! Wij zijn er nog niet. 

Mevrouw Meijer (SP):

U bent er nog niet? Ik heb nog een andere vraag in relatie tot uw uitspraak over de "o" uit de Wet onafhankelijk netbeheer. Volgens mij zijn de dingen die wij daarmee willen regelen, al geregeld. Het bedrijf moet op papier gesplitst zijn. Je mag niet zomaar je net gebruiken om op de commerciële poot avonturen aan te gaan. Het gaat om dat soort dingen. Welk probleem denkt u op te lossen met het doorzetten van die splitsing? 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Het gaat om de handhaving van de onafhankelijkheid van het netbeheer. 

Mevrouw Meijer (SP):

Daarvoor hebben wij toch de ACM? 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Die moet dan wel een wet handhaven, mevrouw Meijer! Het moet dus wel in de wet geregeld zijn. 

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Meijer? 

Mevrouw Meijer (SP):

Maar dat hebben we toch allang geregeld via andere regels en wetten? Het is verboden om commerciële avonturen aan te gaan met je netten als onderpand. Dat is allemaal al geregeld. Er zijn twee gescheiden boekhoudingen. Je kunt niet zomaar het ene inzetten voor het andere. Mijn vraag blijft staan: welk probleem denkt u op te lossen? De handhaving door de ACM is natuurlijk iets totaal anders. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Misschien moeten we er nog een keer samen naar kijken. In mijn beleving is die onafhankelijkheid er en zijn die regels allemaal vastgelegd in de Wet onafhankelijk netbeheer. 

Dan kom ik toch bij wat mevrouw Meijer bedoelt. Met enige verbazing heeft mijn fractie geconstateerd dat de schriftelijke voorbereiding van dit voorstel bleek te leiden naar een plenaire behandeling van een geheel ander wetsvoorstel dan deze Electriciteits- en gaswet, namelijk het voorstel tot intrekking van de Wet onafhankelijk netbeheer of het groepsverbod. Ik wil daar toch even bij stilstaan. Deze wet, die in 2006 in de Eerste Kamer is aangenomen met alleen de tegenstem van de SP, dus met een overgrote meerderheid, staat naar de mening van de VVD niet ter discussie. Sterker nog: voorliggend wetsvoorstel, als onderdeel van de transitieagenda, is gebaseerd op bestaande wetgeving, waaronder de Wet onafhankelijk netbeheer. Een onafhankelijke systeembeheerder, zoals het nu gaat heten, is naar de mening van de VVD zelfs de voorwaarde voor vernieuwing. Deze kan nieuwkomers een faire kans bieden en de doelstellingen van het energieakkoord en de energietransitie realiseren. Met die wet is in het afgelopen decennium de basis gelegd voor een efficiënte, betrouwbare en duurzame energievoorziening tegen zo laag mogelijke kosten. Zo luidde de doelstelling in 2005. Het einddoel was om door deze systeemkeuze de gesplitste bedrijven marktconform te laten opereren en daarmee de kosten voor de klant omlaag te brengen en klantgerichter te worden. Uit onderzoek was gebleken dat bij de traditionele bedrijven te veel vet op de botten zat, wat zich vooral manifesteerde in staffuncties en indirecte functies. Energiebedrijven die hun bedrijfsactiviteiten opsplitsten in zelfstandig opererende delen, de zogenaamde first movers, reduceerden hun kosten, met name voor personeel, tot soms wel de helft. Niet het splitsen op zich stond daarbij centraal, maar het stroomlijnen en het transparant en efficiënt maken van de onderscheiden bedrijfsprocessen. Het doel daarvan was om minder kosten en lagere tarieven te krijgen. Dat heeft toen bij een aantal bedrijven veel banen gekost. Dat was logisch. Met de winst van de netwerkbedrijven werden de verlieslijdende bedrijfsonderdelen gefinancierd. Door het wegvallen van die financieringsstroom was een aantal activiteiten niet meer rendabel en moest er ingrijpend worden gereorganiseerd of afgestoten. Een aantal bedrijven heeft zich om hun moverende redenen verzet tegen het opvolgen van de Wet onafhankelijk netbeheer. Deze bedrijven zijn niet gesplitst. Na het arrest van de Hoge Raad op 26 juni jongstleden staat voor Eneco en Delta alleen nog een beroep op artikel 1 van het eerste protocol EVRM open. Het instellen van zo'n beroep heeft echter geen opschortende werking, zodat zij zullen moeten voldoen aan de bepalingen van de Wet onafhankelijk netbeheer. 

De samenloop in tijd van deze uitspraak, het oordeel van de ACM en de behandeling van het wetsvoorstel Wijziging Elektriciteits- en Gaswet in de Tweede Kamer, was puur toeval. Daardoor is echter de inhoudelijke en politieke discussie over dit wetsvoorstel gefocust op de rechtmatigheid van de Won. Sinds een amendement van die strekking door de Tweede Kamer is verworpen, zijn alle ogen gericht op deze Kamer. Dat blijkt uit alle e-mails die wij ontvingen. De verwachtingen zijn echter gebaseerd op onvolledige en onjuiste informatie. Het zijn verwachtingen die de Eerste Kamer niet kan waarmaken. Daar moeten we helder over zijn. In dat verband wil ik alvast iets zeggen over de motie die is ingediend. 

Ik moet vooraf zeggen dat het mij een wat naar gevoel geeft dat aan het begin van het debat al een motie van deze strekking is ingediend. Het is een goed gebruik in deze Kamer om gezamenlijk het debat open te voeren. De basis van het debat is dat we openstaan voor elkaars overtuigingen. We proberen elkaar te overtuigen met argumenten. We moeten vooral openstaan voor de argumenten van anderen. Dat heeft bij dit debat, blijkens deze motie, geen zin, omdat de ondertekenaars al voor het debat hun oordeel hebben gegeven. De toelichting van mevrouw Meijer die bij de indiening zei dat het gaat om een meerderheid waarover geen discussie meer mogelijk is, slaat naar mijn gevoel het debat helemaal dood. 

De heer Dercksen (PVV):

Zou het ermee te maken kunnen hebben dat de minister de nodige druk heeft uitgevoerd op sommige partijen die wellicht wat gemengd in dit debat zitten? Misschien is het niet helemaal voor niets dat de motie al in eerste termijn is ingediend. Zou dat er iets mee te maken kunnen hebben? 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Ik heb geen idee. De heer Dercksen vraagt naar iets waar ik geen kennis van heb. Hij vraagt wat de minister zou kunnen denken. Ik ken hem goed, maar ik kan niet in zijn hoofd kijken. 

De heer Dercksen (PVV):

Ik kan ook niet in zijn hoofd kijken, maar ik luister wel naar wat er in de wandelgangen wordt gezegd en wie er op allerlei avonden en middagen worden gebeld. Ik trek de conclusie dat de motie niet is bedoeld om het debat dood te slaan, maar dat er goede redenen voor zijn om deze in eerste termijn in te dienen. Ik denk namelijk dat de nodige druk is uitgeoefend door de minister. Mijn naam staat weliswaar niet boven de motie maar eronder, maar dat breng ik graag naar voren. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Het heeft misschien te maken met de tijd die ik al in de Kamer heb doorgebracht, maar het is een novum dat op deze manier een motie wordt ingediend, met een toelichting waarin politieke overwegingen als feit worden neergelegd. Het verzoek in de motie om een novelle zie ik ook als een novum. Het gaat in facto om het intrekken van een groepsverbod, wat een bepaling is uit een wet die nu niet voorligt. Ik zie mevrouw Meijer haar hoofd schudden, maar ik kan het niet anders interpreteren. In tweede termijn zullen we hier verder over discussiëren. Hiermee wordt het arrest van de Hoge Raad van afgelopen juni als het ware teruggedraaid. 

De heer Flierman (CDA):

Ik bestrijd dat het gaat om een wet die niet voorligt. In de wet die wij nu bespreken is artikel 4.6 opgenomen, waarin het groepsverbod opnieuw in wetgeving wordt omgezet. Door middel van de motie vragen wij de minister of hij dat artikel niet wil invoeren. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

En ik zeg waar de motie op neerkomt. 

De voorzitter:

Mijnheer Dercksen, kort graag. Ik vraag u om niet voortdurend uw vraag in tweede en derde instantie te herhalen. 

De heer Dercksen (PVV):

Ik zal mijn vraag kort formuleren. Waar heeft mevrouw Huijbregts gelezen dat er in de motie om een novelle wordt gevraagd? 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Ik heb nog geen tijd gehad om de motie te lezen. Ik ga af op de toelichting die mevrouw Meijer en de heer Flierman hebben gegeven. 

De heer Dercksen (PVV):

Mevrouw Huijbregts is boos over een motie die ze nog niet heeft gelezen. En dan zegt ze dat wij voorbarig zijn. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Luister, als het gaat ... 

De voorzitter:

Hoho, we spreken niet door elkaar en alleen via de voorzitter. Als het zo gaat, krijgen we chaos en dat wil ik niet. Mevrouw Huijbregts krijgt de gelegenheid om antwoord te geven. Daarna is het woord aan de heer Flierman. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Als er gevraagd wordt om een bepaling uit de wet te schrappen, kan dat alleen via een novelle. 

De heer Flierman (CDA):

Ik heb in mijn betoog twee wegen geschetst om mijn doel te bereiken. De eerste weg is via een novelle. De afgelopen weken hebben we in dit huis echter vastgesteld dat het initiatief tot een novelle van de minister moet komen. Dat staat dus niet in de motie. De andere weg is die van het buiten werking laten van een aantal bepalingen, op grond van een van de slotbepalingen in de wet, artikel 12, lid 36. Dat is waar in de motie om gevraagd wordt. Er wordt niet gevraagd om een novelle. In de motie wordt de minister verzocht om iets te doen. Naar mijn beste weten mag dat in dit huis. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

De facto komt dat op hetzelfde neer: het buiten werking stellen van een aantal bepalingen die in een andere wet zijn opgenomen. Mag ik verder? 

De voorzitter:

Ja, maar denkt u wel aan de tijd. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Maar ik word wel heel vaak onderbroken. 

De voorzitter:

Ja, maar dan stop ik de tijdwaarneming. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Echt waar? Ik ben bijna klaar. 

Ik zei al dat wij de verwachtingen niet kunnen waarmaken als we ons werk serieus nemen. Dat zelfs de aandeelhouders van Eneco spreken over het voorliggend wetsvoorstel als de nieuwe Splitsingswet, geeft te denken. 

Samengevat: door dit wetsvoorstel wordt niets gewijzigd aan de werking van de Wet onafhankelijk netbeheer. Het groepsverbod blijft intact en dat onderschrijft mijn fractie. Sterker nog: het wetsvoorstel vindt zijn basis in de Won. Ik kan er niet onderuit om tegen mevrouw Vos te zeggen dat ik het helemaal met haar eens ben dat wetten op goede gronden gewijzigd moeten kunnen worden. Ik vraag of zij straks wil reageren op mijn vraag of zij deze motie een goede grond vindt om een wet te wijzigen. 

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Ik zal daar zo meteen in mijn bijdrage op ingaan, want het is natuurlijk een kernpunt in dit debat. Ik heb een vraag aan mevrouw Huijbregts. In de Won wordt volgens mij vooral bepaald hoe de splitsing moet worden geregeld. Het is in feite een uitvoeringswet. Mevrouw Huijbregts zegt nu echter dat de Won hoe dan ook blijft bestaan. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

De splitsingswet blijft bestaan. 

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Als het groepsverbod, dat nu in deze wet STROOM en in de huidige Elektriciteitswet wordt geregeld, tijdelijk buiten werking wordt gesteld, wordt opgeschort of wat dan ook, heeft dat echter ook effect op de splitsingswet. Die voert in feite gewoon uit wat in de Elektriciteitswet wordt geregeld. Wat in de wet STROOM of in de Elektriciteitswet staat, zal toch leidend zijn. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Zeker. Maar als belangrijk onderdeel van andere wetgeving wil mevrouw Vos een bepaling uit die andere wetgeving schrappen. 

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Ik ga er zo op in. Het gaat nu echter vooral om artikel 4.6, lid 6, waarin het groepsverbod wordt geregeld. Volgens mij kunnen we hier prima in dit debat over spreken. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Dat doen we ook. Dat wil echter niet zeggen dat we elkaars mening hierover delen. 

Mevrouw Meijer (SP):

Ik wil het toch even preciseren. Mevrouw Huijbregts zegt dat wij een bepaling willen schrappen. Dat is echter niet zo. Wij zeggen dat wij die bepaling nog niet in werking laten treden. Dat is iets totaal anders dan een novelle. Dat moet wel duidelijk en helder zijn. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Ja, dat is helder. Maar het groepsverbod bestaat. Punt. Het is in werking. 

De voorzitter:

Mevrouw Jorritsma, u moet stil zijn. Mevrouw Meijer, u krijgt nog één keer het woord. 

Mevrouw Meijer (SP):

Het groepsverbod zit in de Elektriciteitswet en de Gaswet. Deze twee wetten worden nu samengevoegd in de wet STROOM. In deze Kamer kunnen wij dus zeggen dat we deze bepaling voorlopig niet in werking laten treden. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Het is in werking. Het zit in de Gaswet en de Elektriciteitswet. Het is in werking. Het heeft ook gewerkt. Het werkt ook. 

De voorzitter:

Mevrouw Meijer, ik denk dat u het daarmee moet doen. Komt u er maar op terug in de tweede termijn. Mijnheer Flierman, u krijgt nog heel kort het woord. 

De heer Flierman (CDA):

Ik neem het stokje even over. Het klopt dat in de huidige Elektriciteits- en Gaswet een groepsverbod zit dat in werking treedt. Het enige punt is dat die oude twee wetten worden ingetrokken als de nieuwe wet in werking treedt. Als je die twee oude wetten intrekt en het groepsverbod in de nieuwe wet niet in werking laat treden, heb je de situatie die we nu bespreken. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Er is een samenhang tussen een groot aantal wetsbepalingen en wetten. Die regelen de onafhankelijkheid in de infrastructuur van onze energievoorziening en die zijn nauw met elkaar verbonden. Het gaat om de Wet onafhankelijk netbeheer, om de zogenaamde splitsingswet en om het groepsverbod. Het groepsverbod is een middel om de onafhankelijkheid van het net te waarborgen. Wij zijn het hier blijkbaar niet over eens. De werking van het groepsverbod is in ieder geval voor de VVD een belangrijke voorwaarde om de doelstellingen die in deze wet en in de energietransitie moeten worden gerealiseerd, te handhaven. 

De voorzitter:

Tot slot, mijnheer Flierman. U mag nog een keer en dan is het klaar. 

De heer Flierman (CDA):

Ik wil alleen constateren dat wij het nu niet meer hebben over de vraag of wat in de motie staat, technisch kan. We hebben het nu over de vraag of wat in de motie staat, wenselijk is. Dat vind ik een volstrekt legitiem debat in dit huis. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

En we hebben het over de vraag of het zuiver is. 

DELTA en zijn medewerkers hebben ongetwijfeld gelijk als zij zeggen dat een opsplitsing van de bedrijfsonderdelen gepaard zal gaan met een verlies aan werkgelegenheid. Zoals gezegd leert de ervaring bij andere bedrijven dat de stroomlijning van de afzonderlijke bedrijfsprocessen niet alleen meer efficiency oplevert, maar ook dat het gecombineerde werknemersbestand op den duur afneemt. Ten opzichte van 2007 zijn de omstandigheden inmiddels drastisch veranderd. Dat is jammer, vooral voor Zeeland, waar een aantal negatieve ontwikkelingen elkaar lijken te versterken. Daarom is het goed dat de provincie en het ministerie aan een commissie onder leiding van de voormalige minister-president Balkenende hebben gevraagd zich over de toekomstige werkgelegenheid in Zeeland te buigen. Daarbij wil ik echter opmerken dat het instellen van een dergelijke commissie verplichtingen met zich meebrengt voor de minister van Economische Zaken ten aanzien van de uitkomst. 

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Voorzitter. Het voorliggende wetsvoorstel heeft tot doel te komen tot wetgeving die duidelijker en eenvoudiger is, met minder regeldruk voor bedrijven en minder lasten voor de overheid, schrijft de minister. Ook schrijft hij dat de wetgeving op inzichtelijke wijze geënt is op Europese wetgeving, dat die een concurrerende economie faciliteert en dat de transitie naar een duurzame energiehuishouding optimaal ondersteund wordt. 

Om maar met de deur in huis te vallen: het wetsvoorstel doet dit zeker wat betreft de nieuwe taken van systeembeheerder TenneT voor het systeem op zee voor de aansluiting van windparken. Ook doet het wetsvoorstel dit wat betreft de invoeding van duurzame energie door aangeslotenen met kleine aansluitingen. Maar het groepsverbod in lid 6 van artikel 4.6 van deze wet vormt in de ogen van de GroenLinks-fractie juist een grote hindermacht voor een concurrerende economie die de transitie naar een duurzame energiehuishouding optimaal ondersteunt. 

Ik wil allereerst stilstaan bij het belang van de aanwijzing van TenneT voor wind op zee. Ook wil ik een aantal opmerkingen maken bij een andere nieuwe taak voor de transmissiesysteembeheerder in dit wetsvoorstel, namelijk de verkabeling van hoogspanningsverbindingen. Ten slotte ga ik uitgebreid in op het groepsverbod. 

Laat ik duidelijk zeggen dat wij buitengewoon blij zijn dat in het energieakkoord ambitieuze plannen voor wind op zee zijn afgesproken, en dat het kabinet daar nu tempo mee maakt. We lopen immers nog ver achter op het gebied van duurzame energie, en we staan nog steeds op de laatste plaats in Europees verband. Dat is zeker ook te wijten aan het beleid van voorgaande kabinetten. Gelukkig is er nu een minister die zegt dat hij het akkoord gaat uitvoeren en wind op zee gaat realiseren. Wij zijn daar blij mee. Het is ook hartstikke nodig, want in 2020 moeten we Nederlandse doelstellingen halen en daar is wind op zee voor nodig. Ook in de jaren daarna zijn we er nog niet. Sinds de klimaattop in Parijs weten we dat de huidige doelstellingen lang niet voldoende zijn. Het idee dat we door de opwarming van de aarde tot maximaal 2°C te beperken veiligheid creëren voor de toekomst van het leven op deze aarde, is inmiddels immers aangescherpt. Er wordt gezegd dat je je nu eigenlijk moet weten te beperken tot 1,5°C. Kortom, er zal nog veel meer en ambitieus beleid nodig zijn. Wij zeggen daarom dat de afspraken in het energieakkoord voor wind op zee een heel belangrijke eerste stap zijn, maar dat we daarna nog veel meer stappen moeten zetten. De stap wind op zee staat voor mijn fractie als een paal boven water. Bovendien biedt wind op zee grote economische kansen voor Nederland met zijn offshore-industrie, zijn hoogwaardige kenniseconomie en zijn technologische innovatie. 

Het wetsvoorstel regelt dat TenneT verantwoordelijk wordt voor het aanleggen en beheren van de netten op zee die noodzakelijk zijn om de opgewekte stroom naar de afnemers te transporteren. Het is voor de partijen die investeren in de windturbines op zee van groot belang dat zij zekerheid hebben over een goed functionerend net op zee van hoge kwaliteit. Ook is het voor hen van groot belang dat zij zekerheid hebben over het onderhoud, het toezicht en het risicobeleid. Wij ondersteunen het wetsvoorstel op deze onderdelen. Een snelle inwerkingtreding is van groot belang. Daar kom ik later nog op terug. Bij dezen wil ik overigens nog zeggen dat de rijkscoördinatieregeling ten behoeve van het project transmissiesysteem op zee Hollandse Kust Zuid, dat de minister ook aan ons had gestuurd, prima is. Wij hebben als Kamer gezegd dat we dit onderwerp zouden betrekken bij de behandeling van het wetsvoorstel. Wat ons betreft kan het doorgang vinden. 

Ik wil nu een aantal opmerkingen maken over het onderwerp verkabeling. Dat is ook onderdeel van de wet. Het gaat er daarbij om dat het nodig en maatschappelijk gewenst is om hoogspanningsleidingen die in de buurt van woningen lopen, onder de grond te brengen. Dit moet mogelijk worden gemaakt. Via amendering in de Tweede Kamer is de inzet genuanceerd dat 25% van de kosten door gemeenten moeten worden betaald. Er is gezegd dat nu gekeken moet worden naar de draagkracht en de grootte van de gemeente en naar de grootte van de opgave. De minister legt dat echter nu uit alsof uiteindelijk een kwart van de kosten, hoe dan ook, door de gemeenten gezamenlijk moeten worden betaald. De kosten worden op 440 miljoen becijferd. De gemeenten moeten dus samen 110 miljoen euro gaan opbrengen. Net als de heer Flierman al betoogde, wij horen dat het tot grote onzekerheid en onduidelijkheid leidt bij veel gemeenten. Zij zeggen dat ze niet weten waar ze aan toe zijn en wat het ze gaat kosten. Gemeenten zijn bang dat om die reden andere gemeenten gaan afhaken, waardoor de last voor hen misschien nog groter wordt. Zeker voor gemeenten met een heel grote opgave … Bijvoorbeeld een gemeente als Geertruidenberg die vlakbij de Amercentrale ligt, waar de hoogspanningslijnen als het ware dwars door de woonwijken lopen, heeft een enorme financiële opdracht en is gewoon bang dat zij het niet gaat trekken. Zij vindt de onzekerheid waar zij in zit een groot probleem. 

Ik vraag het kabinet dan ook — wij hebben dat ook schriftelijk gedaan — of het niet redelijk zou zijn dat ook provincies een deel van deze financiële last gaan dragen. Zij hebben immers ook baat bij het onder de grond brengen van de hoogspanningslijnen. Is de minister bereid zich daarvoor in te zetten en de provincies op te roepen om dat te doen? Wil hij in de verkabelingsregeling, die nog uitgewerkt gaat worden, aandringen op een passende financiële bijdrage van de provincies en overigens ook tegemoetkomen in de bezwaren die ik en de heer Flierman net naar voren brachten? 

Ik kom bij het onderwerp van het groepsverbod, toch wel een beetje het hoofdpunt van dit debat. Indertijd is het groepsverbod, ofwel de verplichting om het distributienet af te splitsen van het energiebedrijf, ingevoerd om te garanderen dat het distributienet altijd in publieke handen zou blijven, ook in het geval dat een energiebedrijf verkocht zou worden aan een commerciële en/of buitenlandse partij. Ook GroenLinks heeft dit indertijd gesteund, omdat in haar ogen liberalisering en privatisering van de energiemarkt, waar GroenLinks overigens buitengewoon kritisch in stond, de borging van het publieke karakter van deze distributienetten noodzakelijk maakten. Voor de transmissiesysteemnetten, de hoogspanningsnetten, geldt dat overigens onverkort en is dat ook Europeesrechtelijk verplicht. Die moeten hoe dan ook in publieke handen zijn. Maar voor de distributienetten zijn wij eerlijk gezegd zo langzamerhand tot het inzicht gekomen dat deze netten in feite volledig beschermd zijn en voor iedereen in gelijke mate toegankelijk door de bestaande wet- en regelgeving. Daarvoor is het groepsverbod naar mijn idee niet nodig. Ik ga daar zo meteen op in. Ten tijde van deze discussie in de Kamer was het privatiseringsverbod nog niet absoluut en niet wettelijk vastgelegd, maar dat is sinds de wijziging van de Elektriciteits- en Gaswet in november 2010 wel het geval. Bovendien is deze splitsing niet verplicht in de EU en blijkt Nederland tot dusverre het enige land in de Europese Unie dat tot die gedwongen splitsing is overgegaan. Voor ons is dus echt een aantal zaken veranderd sinds de steun die wij daar indertijd voor uitspraken. 

GroenLinks ziet op dit moment wel grote nadelen van de gedwongen splitsing van de twee bedrijven die nog geïntegreerd zijn en de distributienetten in de groep hebben. Gedwongen afsplitsing van het distributienet verlaagt de credit rating van deze bedrijven en leidt tot hogere financierings- en rentelasten. De financieringsmogelijkheden worden beperkter en de bedrijven zullen gedwongen worden om extra financiële zekerheden te verstrekken. Daarmee wordt ook de investeringsruimte van deze bedrijven beperkt. Dit zal in de ogen van GroenLinks ten koste gaan van de investeringen in duurzame innovatie en van de werkgelegenheid in Nederland. De bedrijven komen bovendien in een ongelijk speelveld terecht, niet alleen in Europa, maar juist ook in Nederland zelf. Immers, de Nederlandse gesplitste bedrijven zijn in handen van grote internationale spelers die wel degelijk distributienetten in de holding hebben, en dus een voordeel genieten op bijvoorbeeld de credit rating. 

Ook staat de gedwongen splitsing haaks op de inzichten, die steeds duidelijker worden, dat een verduurzaming van de energievoorziening juist gebaat is bij de integratie van levering en distributie. Juist deze integratie maakt innovaties makkelijker en faciliteert slimme netten en slimme oplossingen, bijvoorbeeld ten aanzien van de opslag van duurzame energie. De toekomst zit in de integratie, terwijl de wet opsplitsing afdwingt. Opvallend is dat de Tweede Kamer ook tot dit inzicht is gekomen en de motie van Jan Vos heeft aangenomen — geen familie overigens — waarin wordt gevraagd om te onderzoeken hoe systeembeheerders van distributienetten ook andere taken in het kader van de duurzame energietransitie kunnen gaan doen, naast hun taak van het beheren van de netten. 

Dan vindt mijn fractie het eerlijk gezegd wel vreemd om de bestaande integratie gedwongen af te breken en tegelijkertijd nieuwe integratie, maar dan vanuit de positie van de distributienetbeheerders, te gaan onderzoeken. Het zou doodzonde zijn om nu onomkeerbare stappen te zetten en straks wellicht tot het inzicht te komen dat deze gedwongen splitsing het pad naar een duurzame energievoorziening en energietransitie heeft bemoeilijkt. 

Ik wil vervolgens graag stilstaan bij de redenen waarom een groepsverbod volgens onder anderen de minister nodig zou zijn. Het lijkt mij belangrijk om daar heel precies op in te gaan. Wij zijn inmiddels tot de vraag gekomen welke meerwaarde dit groepsverbod nog heeft en welke wettelijke bescherming op deze wijze extra wordt geregeld. Dat is een cruciale vraag voor mijn fractie. Ik wil dan ook graag een aantal punten die in de discussie een rol spelen, met de minister langslopen en graag zijn commentaar daarop horen. 

Er wordt beweerd dat een groepsverbod nodig is om te voorkomen dat commerciële risico's van een eventueel faillissement van het desbetreffende energiebedrijf kunnen overslaan naar een netbeheerder die in dezelfde holding zit. Mijn fractie deelt die opvatting niet. Het vermogen van de netbeheerders is ondergebracht in een zelfstandige rechtspersoon en vormt een gescheiden vermogen, dat helemaal apart staat van het energiebedrijf en de holding. De Elektriciteitswet, en straks de wet STROOM, verplicht dit ook. De assets van de netbeheerder mogen ook op dit moment geen onderpand zijn voor de activiteiten van het energiebedrijf en er geldt een beleningsverbod. Dat betekent dat de netbeheerder de netwerken niet als onderpand mag inzetten voor activiteiten van het energiebedrijf. Ook een curator moet zich bij een faillissement houden aan de solvabiliteitseisen voor een netbeheerder, zoals vastgelegd in het Besluit financieel beheer netbeheerder, en mag deze wettelijke bescherming niet overtreden. 

Er wordt beweerd dat een groepsverbod ervoor zorgt dat netbeheerders niet in private of buitenlandse handen komen, maar daarvoor hebben wij inmiddels gelukkig het privatiseringsverbod dat dit inderdaad volstrekt onmogelijk maakt. 

Ook wordt gezegd dat de onafhankelijkheid van de netbeheerder in het geding is en dat daarom een groepsverbod mogelijk is. Er zijn echter tal van wetten en regels — ik noemde ze net al — en feiten die die onafhankelijkheid voldoende vastleggen. Het Besluit financieel beheer netbeheer beschermt de financiële positie van de netbeheerder en borgt dat netbeheerders voldoen aan wettelijke minimumeisen voor het eigen vermogen. Het toezicht op de naleving geschiedt door de raad van commissarissen en de ACM. 

Het groepsverbod is niet nodig om kruissubsidies tegen te gaan. Er is immers een strikte regulering vanuit de ACM op de transporttarieven van de netbeheerder. De Energiewet schrijft voor dat de netbeheerder een eigen en volledig transparante boekhouding moet bijhouden. Er bestaat een wettelijk beleningsverbod, wat ik al noemde. De netbeheerder dient non-discriminatoir te handelen en mag zijn eigen groep niet bevoordelen, zo schrijft ook de Energiewet voor. Ook de NMa achtte in 2007 het risico op kruissubsidies al gering. 

Een volgende bewering is dat de kwaliteit van het net gevaar zou kunnen lopen. Ook dat hebben wij volgens mij afdoende afgedekt in allerlei andere wet- en regelgeving. Er is bijvoorbeeld het Kwaliteits-en Capaciteitsdocument dat moet worden ingediend bij de ACM. Op grond daarvan wordt toezicht gehouden en wordt de betrouwbaarheid van de netten op peil gehouden. Nederland doet het goed op dit punt, maar opmerkelijk is dat in Duitsland, waar de distributienetten niet afgesplitste zijn, het aantal storingsminuten nog iets lager ligt. De kwaliteit van de netten lijkt daar nog wat beter te zijn dan in Nederland. 

De minister zegt ook wel dat het toezicht op een netbeheerder die deel uitmaakt van een geïntegreerd bedrijf, buitengewoon complex is. Naar ons idee kent deze bewering geen grond en is er voldoende wettelijke regulering. In de praktijk blijkt ook dat het toezicht op Eneco en DELTA niet complexer is dan op Liander en Enexis, de gesplitste netbeheerders. 

Ook wordt beweerd dat een groepsverbod nodig is om de gelijke toegang tot de netten en eerlijke concurrentie te borgen. Ik noemde al het non-discriminatiebeginsel dat is verankerd in de wet. De feiten logenstraffen deze bewering ook, want Nederland heeft een hoog percentage van overstappers, ook al zijn nog niet alle bedrijven gesplitst. Juist in landen als Portugal, Noorwegen en België, waar geen groepsverbod geldt, zijn de meeste overstappers. In Nederland hebben in de regio's waar de netbeheerders onderdeel zijn van een groep met een energiebedrijf, andere bedrijven net zozeer een aandeel op de markt weten te veroveren als in de regio's waar gesplitst is. De situatie in Nederland laat dus niet zien dat het voor andere partijen moeilijk is om een plek op de markt te krijgen. Die ruimte is er volop en in de wet is dit afdoende geborgd. 

Ik vraag de minister dringend om op deze argumenten in te gaan en duidelijk te maken waarom dit groepsverbod absoluut noodzakelijk is. 

Ik maak mij zorgen over de gevolgen als de nog geïntegreerde bedrijven gedwongen worden tot splitsing. Zeker als dit geen meerwaarde heeft, heeft mijn fractie daar grote twijfels bij. Zij is van mening dat dit niet zou moeten gebeuren. Wij vinden dat we lering dienen te trekken uit de ervaringen die inmiddels zijn opgedaan. De gesplitste bedrijven zijn opgekocht door grote buitenlandse spelers. Veel hoogwaardige werkgelegenheid is naar de hoofdkantoren van de bedrijven in het buitenland gegaan. De zeggenschap in de regio's is verminderd en de investeringen in verduurzaming en technologische innovaties in Nederland zijn onder druk komen te staan. Juist Eneco, dat niet is gesplitst, heeft de laatste jaren veruit het meeste geïnvesteerd in duurzame energie en duurzame innovatie. Veel nieuwe bedrijvigheid op het gebied van duurzame innovatie is mogelijk gemaakt door investeringen van Eneco. 

Het inzicht groeit dat de echte slag naar een volledig duurzame energievoorziening juist gebaat is bij integratie van netbeheer, handel en levering, overigens geborgd door strenge en strakke wetgeving op het gebied van de onafhankelijkheid van het net. Slimme technieken achter de meter bij de gebruikers van energie zijn cruciaal. Werkelijke verduurzaming vraagt om slimme netten met grote flexibiliteit en een slim samenspel tussen de productie van duurzame energie, de invoeding op het net, de afname door gebruikers en de opslag van duurzame energie die op dat moment niet nodig is. 

Alles wijst erop dat netbeheer, productie, levering en handel samen voor de innovatieve oplossingen van de toekomst moeten gaan zorgen en dat een integrale aanpak daarvoor noodzakelijk is. Laten we daarom niet kapot maken wat die potentie in zich draagt en de voorbode is van die nieuwe toekomst. 

Ik vraag de minister dan ook om geen onomkeerbare stappen te zetten en het groepsverbod in artikel 4.6, zesde lid dan de Wet STROOM nog niet in werking te laten treden; niet voordat een visie op de toekomst van de duurzame energievoorziening in Nederland en de voorwaarden die daarvoor nodig zijn, ontwikkeld zijn, niet zolang de discussie daarover nog wordt gevoerd, en niet zolang in Europa op geen enkele wijze de meerwaarde wordt ingezien van een gedwongen splitsing. 

Mijn fractie doet een dringend beroep op de minister: laat dit groepsverbod nog niet in werking treden. Wij willen het voorliggende wetsvoorstel graag steunen, onder meer met het oog op het belang van wind op zee. Maar zolang dit wetsvoorstel door het groepsverbod verduurzaming op andere fronten om zeep helpt en duurzame werkgelegenheid afbreekt, kunnen wij die steun moeilijk geven. Wij ondersteunen dan ook een motie die is ingediend door collega Meijer. Wij wachten met grote spanning op het antwoord van de regering. 

De heer Ester (ChristenUnie):

Voorzitter. Met het wetsvoorstel STROOM doet de minister aan koppelverkoop. Er worden namelijk belangrijke stappen gezet om grootschalig wind op zee mogelijk te maken, maar tegelijkertijd is in dit wetsvoorstel het groepsverbod voor regionale netbeheerders opgenomen. Het gevolg hiervan is dat onze laatste twee geïntegreerde energiebedrijven, Eneco en DELTA, definitief zullen moeten worden gesplitst, nog voordat andere Europese landen dit verplichten of een Europese richtlijn ons dit voorschrijft. De minister plaatst daarmee fracties, zoals de ChristenUnie-fractie, die de ene stap — wind op zee — willen steunen en de andere — gedwongen splitsing — niet, voor een heus dilemma. 

De minister heeft in de aanloop naar dit debat grote woorden gebruikt en het lot van zo'n beetje het hele energieakkoord verbonden aan de uitkomst van dit debat. Als je wind op zee wilt, moet je voor deze wet stemmen en word je gedwongen het andere product in de wet ook van de minister af te nemen: de verplichte eigendomssplitsing. Koppelverkoop dus. Er waren tijden dat het ministerie van Economische Zaken daar buitengewoon kritisch over was. Ook vanuit het medewetgeversperspectief heeft mijn fractie grote problemen met dit soort heterogene wetsvoorstellen. 

Laat duidelijk zijn, de ChristenUnie-fractie steunt ten volle dat TenneT de verantwoordelijkheid krijgt toegewezen voor de aanleg en het beheer van de netinfrastructuur die benodigd is om toekomstige windparken op zee aan te sluiten. Het aanleggen van deze windparken is een operatie en investering van ongekende proporties. En dit wetsvoorstel is het sluitstuk van het wettelijke instrumentarium dat nodig is om wind op zee grootschalig van start te laten gaan en zo onze ambities voor duurzame energie waar te maken. Ambities die mijn fractie na aan het hart liggen. 

Gelet op de transitieopgave waar ons land voor staat — van fossiele naar hernieuwbare energie — en de afspraken in het energieakkoord, is aanname van deze wet belangrijk om investeerders in wind op zee zekerheid te geven. 

De heer Dercksen (PVV):

Kan de heer Ester toelichten waarom hij zo blij is met TenneT als aanlegger van de infrastructuur op zee? De minister laat de aanbesteding van de windmolenparken op zee in een tender aan de markt over; ik denk dat de partij van de heer Ester dat ook een goede oplossing vindt. Waarom zegt hij dat hij blij is met TenneT? Waarom kiest hij een ander principe voor de aanleg van de parken dan voor het netwerk? Misschien hanteert een ander bedrijf veel scherpere prijzen dan TenneT. Sterker nog, dan loopt de belastingbetaler als aandeelhouder van TenneT geen risico's. 

De heer Ester (ChristenUnie):

Het gaat natuurlijk om de bescherming en borging van de publieke belangen. Het net dat daar wordt aangelegd, is in het directe belang van iedere Nederlander, van u en van mij. Er moet sprake zijn van een onafhankelijke borging en een onafhankelijke partij die daarvoor gaat, en in dit geval is dat TenneT. 

De heer Dercksen (PVV):

De snelwegen leggen wij ook niet aan met een staatsasfaltbedrijf; die werken worden ook uitbesteed. Uiteindelijk worden de wegen overgedragen aan de overheid, de provinciale overheid of het Rijk. Daar kiezen wij ook voor het systeem om een tender uit te schrijven en een aanbesteding te doen. Waarom kiest de heer Ester voor TenneT terwijl wij op alle andere terreinen voor een andere systematiek kiest? Waarom is hij daar zo blij mee? 

De heer Ester (ChristenUnie):

Het gaat hier om collectieve publieke goederen die voor iedere Nederlander bestemd zijn. Het is in het belang van iedere Nederlander dat de energie die wordt opgewekt, geborgd is in termen van toegankelijkheid en kwaliteit et cetera. Dat staat ook in de wet. Dit lijkt mij een simpel principe. Wij mogen onze publieke belangen absoluut niet verkwanselen. 

De voorzitter:

Mijnheer Dercksen, tot slot. 

De heer Dercksen (PVV):

Ik ben de heer Ester nu helemaal kwijt. Ik vraag waarom … 

De heer Ester (ChristenUnie):

Dat spijt mij. 

De heer Dercksen (PVV):

Nog een laatste poging. Waarom zouden wij als staatsbedrijf de infrastructuur van ons netwerk aanleggen en komen de snelwegen en andere zaken volgens een ander systeem tot stand? Die laten wij door private bedrijven aanleggen en vervolgens komen zij in eigendom van overheden. Ik heb de heer Ester gevraagd — en ik heb nog geen antwoord gekregen op die vraag — waarom hij zo blij is dat wij voor het aanleggen van de kabels naar de windparken een andere systematiek kiezen dan voor de aanleg van snelwegen. Daar is toch gebleken dat het daardoor een stuk goedkoper wordt? 

De heer Ester (ChristenUnie):

Voorzitter. De heer Dercksen herhaalt zijn vraag en ik kan mijn antwoord herhalen, maar dat lijkt mij niet in uw en mijn belang. Hij zou toch niet willen dat een groot buitenlandse bedrijf het net op de Noordzee zou gaan aanleggen? 

Ik zei al dat het aanleggen van deze windparken een operatie en investering is van ongekende proporties. Dit wetsvoorstel is daar het sluitstuk van. 

Gelet op de transitieopgave waar ons land voor staat — van fossiele naar hernieuwbare energie — en de afspraken in het energieakkoord, is aanname van deze wet belangrijk om investeerders zekerheid te geven. Het wordt daarbij ook tijd dat onze energievoorziening naast veilig, betrouwbaar en betaalbaar, schoon wordt; een doelstelling die tot op heden onvoldoende uit de verf is gekomen. Tegelijkertijd lijkt het antwoord van de minister op de schriftelijke vragen ruimte te laten voor het van start gaan van de eerste tender als de wet nog niet van kracht is, mits deze tender maar niet eindigt voordat de wet van kracht is. Ergo: de eerste tender zou gewoon per 31 december van dit jaar van start kunnen gaan en op 31 maart 2016 kunnen eindigen, mits de wet tussentijds maar van kracht wordt, bijvoorbeeld per 1 maart aanstaande. Kan de minister eens op deze variant ingaan? Is dit een denkbaar scenario? 

Deze vraag is tevens een bruggetje naar het volgende onderwerp dat ik wil aansnijden, het pièce de résistance in het wetsvoorstel: het zogenaamde groepsverbod. Dit verbod is voor mijn fractie een brug te ver. Bijna tien jaar na de debatten over de Wet onafhankelijk netbeheer zijn de discussies daarover nog onverminderd hevig en verhit. Deze ochtend geeft daar weer een voorbeeld van. De stellingname van het ministerie van Economische Zaken heeft daarbij nauwelijks aan dogmatisme ingeboet. Trends zoals internationalisering en liberalisering en de toenmalige wens om tot meer marktwerking te komen moesten leiden tot privatisering van de energiebedrijven. Maar daarbij dienden de energienetten, een natuurlijk monopolie, vanzelfsprekend in overheidshanden te blijven. Deze stellingname leidde tot een vergaande wet die tot gevolg had dat de vier geïntegreerde Nederlandse energiebedrijven zouden moeten worden gesplitst. Als je de verslagen van de debatten van toen in met name de Tweede Kamer nog eens leest, lijkt het erop dat het splitsen van de energiebedrijven voor de toenmalige minister van Economische Zaken meer een doel op zichzelf was en niet een middel dat pas bij privatisering aan de orde zou moeten komen. 

Het groepsverbod was en is in de ogen van mijn fractie geen noodzakelijk en geen proportioneel middel ter bescherming van de netten, zeker niet in de context van de Europese Unie. Naar achteraf blijkt — daar werd destijds onder andere door de ChristenUnie reeds voor gewaarschuwd — heeft geen enkel Europees land ons in het gedwongen splitsen gevolgd. Splitsing is dan ook geen Europees beleid, met als gevolg dat Nederland "Europeser" is dan Europa zelf en Nederlandse bedrijven op een concurrentieachterstand zijn gezet. Sterker nog, gezonde en duurzamere Nederlandse energiebedrijven en Nederlandse werkgelegenheid worden ermee in de uitverkoop gedaan. Dat kan toch niet de bedoeling zijn? 

Wrang genoeg zijn het de buitenlandse geïntegreerde energiebedrijven die Essent en Nuon hebben overgenomen, die nieuwe kolencentrales zijn gaan bouwen. Kolencentrales wilde mijn fractie toen al niet. Nu wil de meerderheid die sluiten, met grote maatschappelijke kosten tot gevolg. RWE/Essent heeft de hoogste CO2-uitstoot per geproduceerd kilowattuur. Van de zeven grote elektriciteitsproducenten in Nederland zijn Delta en Eneco de schoonste c.q. duurzaamste energiebedrijven. Graag hoor ik een reactie op dit punt. 

In de uitvoerige antwoorden op de schriftelijke vragen van mijn fractie en andere fracties vind ik dan ook geen steekhoudende argumenten om het groepsverbod nu door te zetten. Het is een oplossing voor een probleem dat niet echt bestaat. Mocht het groepsverbod onverhoopt wel van kracht worden, dan zullen de publieke belangen niet beter dan op dit moment worden gediend en geborgd, maar zullen wel vele honderden mensen hun baan verliezen. Met name voor de mensen in Zeeland betekent dat een hard gelag. De werkgelegenheid staat daar al zo onder druk. Volstrekt onnodig worden omvangrijke investeringen in duurzame energie van twee goed renderende Nederlandse bedrijven in de waagschaal gesteld en blijft de kerncentrale in Borssele wat verweesd achter. 

Over die kerncentrale gesproken: het is nog steeds niet duidelijk hoe de regering de aandeelhouders precies tegemoet gaat komen, mocht de verplichte splitsing onverhoopt doorgaan. Mijn fractie vroeg in de laatste schriftelijke ronde voorafgaand aan deze plenaire wetsbehandeling wat de procedurele bezweringsformule in de memorie van antwoord nu precies betekent. Daar werd namelijk gesproken over "een overeengekomen proces leidend tot een onderbouwde analyse en een heldere weging van mogelijke alternatieven". Wat schetste mijn verbazing? Het antwoord op deze vraag bevatte vrijwel dezelfde formulering, maar niet de gevraagde inhoudelijke duiding. Graag krijg ik dus van de minister alsnog een inhoudelijk antwoord op de vraag hoe het beheer van de kerncentrale in Borssele nu precies zal worden geregeld. Zonder helderheid over het toekomstig beheer van de centrale is het doorzetten van het groepsverbod immers een onvoorspelbare en misschien ook wel onverantwoorde sprong in het duister. Ik heb zo het vermoeden dat een en ander te maken heeft met de financiële consequenties. Hoe groot zijn de financiële gevolgen van het groepsverbod in relatie tot een verantwoord beheer van de kerncentrale in Borssele? En hoe ziet de minister de financiële verantwoordelijkheid van het Rijk in deze kwestie? 

Ik kom op de eventuele juridische consequenties van het door mijn fractie gewenste opschorten van het groepsverbod. Het is al een paar keer aan de orde geweest. Terwijl de minister enerzijds met enige nadruk, zo niet dreiging, meldt dat in dat geval claims te verwachten zijn, geeft hij anderzijds aan niet in te kunnen schatten hoe groot de slagingskans is van eventuele claims tegen de Staat indien het groepsverbod "on hold" wordt gezet. Het mag duidelijk zijn dat het de fractie van de ChristenUnie wat bevreemdt dat in dat geval succesvol tegen de Staat kan worden geprocedeerd, terwijl geen enkele andere lidstaat van de Europese Unie een groepsverbod kent en er sowieso geïntegreerde ofwel ongesplitste buitenlandse energiebedrijven op de Nederlandse energiemarkt actief zijn. 

Aan het eind van mijn bijdrage kom ik nog even terug op de privatiseringsdimensie van dit wetsvoorstel. Het bevreemdt mijn fractie dat de minister bij de behandeling van dit toch ingrijpende en verstrekkende wetsvoorstel geen gebruik heeft gemaakt van het gedachtegoed van de Parlementaire Onderzoekscommissie Privatisering/Verzelfstandiging Overheidsdiensten. De energiesector vormde een van de vijf cases die de commissie, ingesteld door de Eerste Kamer, uitgebreid onderzocht. De thematiek van het voorliggende wetsvoorstel rond marktordening, concurrentie, de borging van publieke belangen, sturing en de rol van de overheid vormde hierbij de essentie. De commissie ontwikkelde een speciaal besliskader om de besluitvorming te verbeteren. Mijn fractie vraagt de minister waarom hij niet expliciet gebruik heeft gemaakt van dit door onze Kamer unaniem aangenomen rapport. De beantwoording door de minister in de schriftelijke vragenronde liet bepaald te wensen over. 

Ik sluit af. Het is duidelijk dat de ChristenUnie afwijzend staat tegenover de gedwongen eigendomssplitsing in de energiesector. De splitsing is overbodig en disproportioneel. Zij schaadt ons nationaal belang. De zelf veroorzaakte uitzonderingspositie van ons land in Europa in dit dossier vinden wij niet acceptabel. Ik heb daarom de eerder in deze termijn ingediende motie-Meijer/Flierman graag meeondertekend. 

Mijn fractie ziet uit naar de antwoorden van de minister op onze vragen en wil hem meegeven dat het beter is ten halve te keren dan ten hele te dwalen. 

De heer Verheijen (PvdA):

Voorzitter. Afgelopen zondag, 20 december, was de laatste dag waarop de kolengestookte elektriciteitscentrale aan de Waal, bij de Oversteek in Nijmegen, zijn werk deed. De 150 meter hoge schoorsteen, die decennialang de skyline van Nijmegen domineerde met haar karakteristieke rookpluim, verdwijnt daarmee. Voor velen was zij een vast baken om de heersende windrichting af te lezen. 

130 jaar kolengestookte energieproductie komt daarmee tot een einde. Nijmegen was met Slikkerveer een van de eerste landelijke initiatieven — we spreken over 1885 en 1886 — van grootschalige elektriciteitsopwekking met stoomcentrales. Amsterdam volgde in 1889. Dat was met recht een symbolisch moment in relatie tot het onderhavige wetsvoorstel en de klimaatafspraken die onlangs in Parijs werden gemaakt, want op dezelfde locatie is een zonnepanelenpark gepland. Er komt een biomassacentrale en de aanleg van een warmtenet is "in process". We nemen afscheid van het industriële kolentijdperk en de wet STROOM legt daar een belangrijke basisvoorwaarde voor vast door de aanwijzing van TenneT als netbeheerder op zee, waarmee de aanleg van massale windparken daadwerkelijk kan plaatsvinden. In combinatie met de in juni gepasseerde Wet windenergie op zee kan een versnelling worden bereikt in de doelstelling duurzame energie die tot op heden niet tot stand kwam door gecoördineerde vergunningverlening en kavelbesluiten en komt er een einde aan de zoekfase die hieraan voorafging. 

De PvdA-fractie ondersteunt de aanpak van de minister hierin. Zij ziet hierin inderdaad een sturende rol van de overheid om de overgang naar een duurzame energiehuishouding mogelijk te maken. Gelet op de klimaatverandering hebben we te maken met een cruciale fase om hier meters te maken. Qua transitiefase helpt het enorm als de overheid hierbij een duidelijke en betrouwbare rol speelt. Wat dat aangaat, lijkt de minister — natuurlijk in historische context — op een van zijn liberale voorgangers, te weten de oud-wethouder — en latere minister — Treub van Amsterdam, die tussen 1893 en 1896 belangrijke besluiten nam. Gelet op de noodzaak van stadsuitbreiding besloot hij om de gas-, water-, en telefoonvoorziening onder gemeentelijk beheer te brengen en daarmee tegemoet te komen aan de toenmalige maatschappelijke problematiek van woningnood en hygiëne. 

De heer Dercksen (PVV):

Het is bijna zonde om deze geschiedenisles te onderbreken. Excuses daarvoor, maar net zoals ik de vraag aan de heer Pijlman heb gesteld, wil ik de heer Verheijen ook vragen naar het internationale perspectief van een paar kolencentrales in Nederland ten opzichte van de rest van de wereld. Hoe staat de PvdA daarin? Kent de heer Verheijen de onderzoeken, waaruit blijkt dat de uitstoot van CO2 van biomassacentrales groter is en dat deze centrales zelfs vervuilender zijn dan kolen, maar in ieder geval veel vervuilender dan gascentrales? 

De heer Verheijen (PvdA):

Ik sluit me aan bij wat de heer Pijlman daarover heeft gezegd. Wij dienen onze eigen verantwoordelijkheid te nemen. De klimaatverandering is duidelijk waarneembaar en voor ons bestaat daar geen twijfel over. Dat de emissiegegevens van de nieuwe centrales ook nadrukkelijk moeten worden beoordeeld op hun algemene milieu- en gezondheidseffecten staat voor ons ook als een paal boven water. Daar zal natuurlijk ook via milieueffectrapportages degelijk onderzoek naar moeten worden gedaan. 

De heer Dercksen (PVV):

Bij ons in Utrecht zetten ze er eentje op Lage Weide neer en de omgeving maakt zich daar terecht zorgen om. Biomassacentrales stoten echter meer CO2 uit dan gascentrales. Uit de media heb ik vernomen dat de PvdA-fractie aan de overkant daar intussen over heeft gezegd dat het geld over de balk gooien is. In hoeverre is dat standpunt in deze Kamer al ingedaald bij de PvdA-fractie en, zo ja, welke consequenties heeft dat straks voor het beleid van deze minister? 

De heer Verheijen (PvdA):

Ik heb het voorbeeld alleen willen aanhalen om aan te geven dat er een nieuwe economie groeit op basis van nieuwe lokale initiatieven die goed moeten passen in het nieuwe CO2-reductiebeleid dat wij gaan voeren. Dat betekent dus geen vrij speelveld voor elk initiatief dat zich presenteert, want dat zal nadrukkelijk beoordeeld moeten worden. 

De voorzitter:

Heel kort tot slot, mijnheer Dercksen! 

De heer Dercksen (PVV):

Tja, biomassacentrales stoten meer uit dan gascentrales. De PvdA-fractie in de Tweede Kamer maakt zich daar zorgen over en terecht. Dat doen wij al een hele tijd. Het gebeurt wel vaker: als de PVV wat roept, komt de rest een paar jaar later. Maar geeft dat nu nog geen signaal hier in deze Kamer? Ik probeer de vraag zo concreet mogelijk te stellen, maar het is gek dat nu nog niet het signaal klinkt om dat tegen de minister te zeggen. Er gaan miljarden subsidies naartoe. De SDE+-subsidies aan biomassa zijn mega. Is het dan niet verstandiger om misschien toch te kiezen voor gascentrales? Die zijn schoner, ook qua CO2-uitstoot, dan biomassacentrales. 

De heer Verheijen (PvdA):

We moeten naar een veel fijnmaziger en toegespitst vergunningenbeleid, gezien de verschillende oorzaken voor CO2-ontwikkelingen. Dat betekent ook dat methaangas naast lachgas veel sterker in de aandacht zal komen dan alleen het CO2 dat wij kennen uit de kolengestookte centrales. Ik ben het met de heer Dercksen eens dat wij met elkaar moeten kijken wat nu de meest kritische factoren zijn die bijdragen aan de CO2-ontwikkeling, maar dat betekent niet dat wij de ogen niet open moeten houden voor de mogelijkheden op lokaal niveau om tot alternatieve energieopwekking te komen. Daarin steun ik ook het voorbeeld dat in Nijmegen op dit moment "in process" is. 

Bij de behandeling in de Tweede Kamer en in de voorliggende memorie van antwoord en het nader verslag is uitvoerig ingegaan op de positie van DELTA en Eneco. Wij hebben de afgelopen weken veel reacties ontvangen van alle niveaus, van medewerkers, directies en OR uit deze bedrijven op het doorzetten van de splitsing van deze bedrijven. Zij herkennen de zorgen die mensen hebben over hun toekomst. Deze zorgen zijn niet makkelijk weg te nemen, omdat de marktomstandigheden en het overheidsbeleid sterk in verandering zijn. 

In feite is de energiesector reeds twintig jaar in evolutie sinds minister Wijers zijn derde Energienota presenteerde rond 1995-1996. De redenen voor de transitie van de bestaande, toenmalig regionale productiebedrijven door de regionale zelfvoorziening te verlaten, de liberalisering van de Europese energiemarktbeleid en de noodzaak van een CO2-reductiebeleid, hebben hun gevolgen gehad. Met het aannemen van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet 1998 en de Wet onafhankelijk netbeheer hebben alle bedrijven, oud en nieuw, en dus ook alle medewerkers, te maken gehad met veranderingen die een groot beroep deden op innovatie en flexibiliteit. Daarin hebben bedrijven en aandeelhouders verschillende strategische keuzes gemaakt. 

Zonder stroom doet bijna niets het in Nederland, daar kun je dus geen risico's lopen. De systemen zijn een natuurlijk monopolie. In essentie gaat het hierbij om een afweging tussen het algemeen belang, te weten neutraal netbeheer en de positie van de gebonden klant, versus de bedrijfsbelangen. De juridische procedures hebben de toepassing van de wetgeving op dit punt tot op heden intact gelaten. De minister is daar uitvoerig op ingegaan. Echter, de wet verbiedt de publieke aandeelhouders niet om zowel aandeelhouder te zijn in de systeembeheerder als in de productie- en leveringstak, als beide maar niet in één groep zijn ondergebracht. De uitdagingen waarvoor de systeembeheerders, gelet op de transitie naar een CO2-arme energiehuishouding, komen te staan, worden alleen maar groter. Een onafhankelijke partij is daarbij een onmisbare schakel. Vanwege het belang van de energietransitie en de voortgang van de tenders voor de kavelbesluiten voor wind op zee achten wij besluitvorming op dit moment noodzakelijk. 

Waar, zoals in de situatie in Zeeland, aandacht is gevraagd voor de specifieke aspecten die de regionale werkgelegenheidsontwikkeling kunnen beïnvloeden, is er in oktober in de Tweede Kamer een appel op de minister gedaan dat inmiddels is omgezet in de aanstelling van de commissie-Balkenende, die met suggesties zal komen voor de economische structuurversterking van de regio. Wij waarderen de voortvarendheid die door het departement en de regio is opgepakt en kijken uit naar de voorstellen. 

Mevrouw Meijer (SP):

Ik zou de heer Verheijen graag de volgende vraag willen stellen. Hij vindt het erg goed dat de commissie-Balkenende naar de werkgelegenheid kijkt, maar als ik hem zo beluister, gaat hij eerst akkoord met het om zeep helpen van 1.500 tot 2.000 banen om vervolgens te zeggen dat het zo fijn is dat die commissie er is. Is het niet veel verstandiger om deze banen intact te houden en verder te gaan met duurzaamheid, wat ook weer banen oplevert? 

De heer Verheijen (PvdA):

Ik stoor me enigszins aan de suggesties die deze ochtend zijn gedaan over het om zeep helpen en het loodje laten leggen. Uiteindelijk zijn het bedrijfsbeslissingen die door het management genomen worden op basis van het speelveld, waarin het zich positioneert. Die beslissingen zijn de afgelopen tien jaar door verschillende bedrijven op verschillende manieren genomen. Het speelveld wordt door de Kamer, de overheid, vandaag opnieuw bepaald in het kader van het speelveld dat er is en dat er was. Sinds 2011 hadden de bedrijven waarover het hier gaat, aan de wet moeten voldoen. Daarover is er geen discussie, gelet op de uitspraak van de Hoge Raad. De beslissingen die de bedrijven hadden kunnen nemen om een plan B te ontwikkelen of andere strategische mogelijkheden te verkennen, waren ruim aanwezig. Zij zullen aanwezig blijven, ook in het kader van de suggesties die de commissie-Balkenende gaat doen. Ik ga ervan uit dat de commissie-Balkenende zich niet specifiek op een of twee bedrijven gaat richten, maar juist zal kijken naar de mogelijkheden om veel meer nieuwe economische kansen te benutten in de regio, in samenhang met de offshore-industrie en dienstgerelateerde activiteiten die door de wet en de windparken op zee mogelijk worden gemaakt. 

Mevrouw Meijer (SP):

De ondernemingsraden en de vakbonden hebben aangegeven hoe de werkgelegenheid ter ziele gaat. Dat had in 2011 kunnen gebeuren en dat staat nu te gebeuren als wij deze splitsing doorzetten. Het is aan u en ons om daar een stokje voor te steken. Ik vind de argumentatie die de heer Verheijen nu gebruikt niet heel eerlijk. 

De heer Verheijen (PvdA):

In eerdere situaties is door de Kamers akkoord gegeven op de wijze waarop het groepsverbod zou worden ingesteld. Wat hier gebeurt, is geen "stokje ervoor steken", maar alsnog proberen om een wetgevingstraject van tien jaar terug te draaien. Als u dit met een motie beoogt te bereiken, vind ik dat rechtsstatelijk gezien heel bijzonder. 

De heer Dercksen (PVV):

De partijen die die motie ondertekend hebben, willen haar terugdraaien omdat wij hebben gezien dat de uitvoering ervan arbeidsplaatsen kost. Wij zijn hier in de gelegenheid, zeker als de Partij van de Arbeid meedoet, om die werkgelegenheid te behouden. Dit is een van de belangrijkste doelen die wij vandaag in dit huis hebben. U hebt vandaag wel degelijk de keuze om met de partijen die de motie hebben ondertekend mee te doen en de banen te sparen, in plaats van het paard achter de wagen te spannen en de heer Balkenende op pad te sturen om te bekijken of er wat banen terug kunnen komen. Daarin had mevrouw Meijer natuurlijk volledig gelijk. U hebt die mogelijkheid en ik vraag u van de gelegenheid gebruik te maken om die banen te sparen. 

De heer Verheijen (PvdA):

Ik heb eerder gezegd dat de energiemarkt een hoogdynamische markt is. Het is te eenzijdig en te defensief om alleen te spreken over behoud van banen. Het energieakkoord heeft duidelijk gemaakt dat — ik zeg dit uit mijn hoofd — tienduizend banen gecreëerd kunnen worden door de investeringen in de maatregelen die daarin voorzien zijn. Dat biedt nieuwe kansen voor bedrijven die zich op die markt willen vestigen. Wij schatten in dat de groeimarkt die hier aan de orde is, veel meer mogelijkheden biedt dan de vrees die door sommigen in hun brieven is verwoord. 

De voorzitter:

Een hele korte nadere vraag, mijnheer Dercksen. 

De heer Dercksen (PVV):

Ik kom straks terug op 15.000 banen. Natuurlijk schep je banen als je 75 miljard in het energieakkoord steekt, maar dit trekt ook veel geld uit de economie en kost ook weer banen. Intussen hebben wij een speelveld gecreëerd waardoor wij weten wat er gaat gebeuren als wij die bedrijven splitsen. Wij weten het. Wij kunnen toch niet toestaan dat wij werkloosheid creëren? Het is "unprecedented" dat een volksvertegenwoordiging gaat kiezen voor de werkloosheid van de eigen burgers. Dat kan toch gewoon niet waar zijn! 

De heer Verheijen (PvdA):

In het scheppen van verwachtingen over werkgelegenheid vind ik het net zo kortzichtig om te denken dat, wanneer uw doel om het groepsverbod uit de wet te halen, zou slagen, daarmee de werkgelegenheid voor deze mensen die zich gemeld hebben, vanzelf verzekerd is. Dat is ook een slag in de lucht die u helemaal niet kunt waarmaken. Op dat punt moeten wij ons echt beperken tot hetgeen de overheid wel kan regelen: third party access en zorgen voor de publieke infrastructuur. 

Wij hebben over deze onderwerpen nog twee vragen voor de minister. Wij waarderen de bereidheid van de minister om zijn verantwoordelijkheid te nemen voor het beheer van de kerncentrale Borssele en de waarborgen die hij heeft bevestigd voor de nazorg bij beëindiging van de exploitatie. Ik sluit aan bij eerdere vragen die hierover zijn gesteld. In de beantwoording herkennen wij de wijze waarop de minister zijn verantwoordelijkheid en zijn rol wil nemen. 

2016 wordt een zeer belangrijk jaar voor het energiebeleid. Naast de evaluatie van het energieakkoord en de doorwerking van de klimaatafspraken, wordt er gewerkt aan regelingen die de experimenteerruimte nader zullen invullen voor lokale voorzieningen en kleine afnemers. Flexibele leveringstarieven, flexibele transporttarieven, slimme meters en de nieuwe EU-richtlijn inzake energie-efficiëntie van gebouwen worden daarbij, naar wij verwachten, verder geoperationaliseerd. Kan de minister ons duidelijk maken op welke wijze de verschillende beleidsnota's in volgorde worden aangeboden? Kan hij hierbij ook rekening houden met de nog vast te stellen structuurvisie bodem en ondergrond, waarin uitspraken zullen staan over de benutting van onze fossiele bodemvoorraden, waaronder het schaliegas? 

In samenhang met dit wetsvoorstel heeft de minister ook een rijkscoördinatiebesluit voorgehangen ten behoeve van de kavelbesluiten Hollandse Kust Zuid-Holland. Begrijpen wij het goed dat de daadwerkelijke toekenning van kavels in dit gebied, waar deze afhankelijk zijn van locaties binnen de twaalfmijlszone, niet eerder kan worden beschikt dan nadat de procedure van partiële wijziging van de structuurvisie, die samenhangt met het Nationaal Waterplan, op dit punt is gestart en afgerond? Op dit moment wachten wij nog op de onderbouwing van het kosten-batenonderzoek dat de minister heeft toegezegd in overleg met de kustgemeenten. 

Wij kijken met belangstelling uit naar de antwoorden van de minister. 

De heer Dercksen (PVV):

Voorzitter. Ik zal mijn bijdrage eindigen met dat vermaledijde groepsverbod. Laat ik beginnen met de vraag waarom deze wetgeving hier voorbij komt. Dit is allemaal vastgelegd in het energieakkoord, dat in dit huis nooit als zodanig is behandeld. De wetgeving die erop volgt echter wel, zoals nu dus ook weer. De Algemene Rekenkamer heeft berekend dat het energieakkoord 73 miljard kost als het kabinet aan al zijn doelstellingen wil voldoen. Deze 73 miljard wordt vooral betaald door het mkb en onze huishoudens. Als je het mkb en de huishoudens opzadelt met 73 miljard aan lastenverhoging zal dit uiteraard leiden tot lagere bestedingen en minder werkgelegenheid, wat welvaart kost. Bij de Nationale Energieverkenning aan de overkant kwam er volgens mij ook nog eens 8 miljard aan SDE-subsidies bij. Klopt dat? Moeten wij dat nog bij de 73 miljard optellen? 

Natuurlijk levert het werk op in Denemarken, want daar bouwen ze windmolens. In Nederland levert het niet zo heel veel werk op. Een onderhoudsteam voor 430 megawatt in Lemmer bestaat uit twintig mensen. Als dit wordt omgeslagen naar 6.000 megawatt, wat wij op land willen bereiken, zijn dat 280 banen, betaald met 15 miljard euro aan subsidie. Dit zijn gewoon Melkertbanen. Na vijftien jaar zijn ze weg, want dan moeten die molens weer op de schroothoop. Tal van onderzoeken tonen aan dat een groene subsidiebaan ten koste gaat van meer gewone banen. Als je bedenkt dat de partijen die een handtekening zetten onder het energieakkoord, het kabinet dus ook, dit deden zonder vooraf uit te rekenen wat dat zou gaan kosten, ligt daar wellicht de verklaring. Ze hadden geen idee. Dat moet je als ondernemer of als particulier eens proberen: je handtekening onder een contract zetten zonder te weten wat het kost en zonder vooraf financiële dekking te regelen. Een ondernemer eindigt met een faillissement, een gezin bij de voedselbank, maar het kabinet trekt gewoon de portemonnee van Henk en Ingrid leeg. De minister schrijft in stukken over de splitsing dat hij een betrouwbare overheid wil representeren. Dat lukt misschien niet zo goed als wij een handtekening zetten onder een blanco cheque. Wat dragen die windmolens — zij ontsieren ons land, straks wellicht ook de kust, en scheppen veel overlast — bij aan onze energievoorziening in 2020-2023? 10% van de elektriciteitsbehoefte en 2% van onze energiebehoefte. Een schamele 2%! Gefeliciteerd, tel uit je verlies! 

Waarom doen we het? Laten we die vraag niet vergeten. We doen het vooral omdat het IPCC zegt dat de aarde opwarmt door het verbranden van fossiele brandstoffen. Gisteren stond in het Algemeen Dagblad een interview met Richard Tol, uittredend lead author en in het verleden belangrijke contribuant aan het IPCC. Hij zei dat het IPCC soms onzin opschrijft en een politieke boodschap in de samenvatting verpakt. Het blijkt een panel te zijn dat alleen wetenschappers uitnodigt die in de lijn van het IPCC publiceren. Dat staat haaks op alles wat wetenschap heet. Het is dan ook niet voor niets dat alle voorspellingen van het IPCC over de opwarming van de aarde tot nu toe faalden. In het vervolg van het IPCC was er een klimaattop. Dit keer niet in Woodstock, maar in Parijs. Luid Kumbaya zingend verliet de geloofsgemeenschap Parijs, al dan niet in een privéjet. Het galmde hier net ook nog even na. Onder hen was ook staatssecretaris Dijksma: zonder bindende overeenkomst, maar met de zekerheid dat er over een jaar of vijf weer een nieuwe processie wordt georganiseerd. 

De PVV stelde mevrouw Dijksma vragen over het klimaatbeleid, die toen overigens nog in een andere rol zat. 

De heer Pijlman (D66):

Ik hoor de heer Dercksen iedere keer zeggen wat een ander fout doet. Kan hij eens zeggen hoe we de klimaatproblematiek volgens de PVV moeten aanpakken? 

De heer Dercksen (PVV):

Net als Richard Tol gisteren in het Algemeen Dagblad vertelde, zien wij klimaatverandering niet als het grootste probleem dat de aarde bedreigt. Richard Tol, econoom en klimaatwetenschapper, zei gisteren in de krant vrij nadrukkelijk dat de aarde wel een paar graden meer kan hebben. Dat is niet het grootste probleem dat we hebben, zeker niet als je het relateert aan de vele miljarden die de klimaattoppen telkens weer kosten. We kunnen daar veel betere en nuttigere dingen mee doen. Ik hoop dat ik de vraag daarmee voldoende beantwoord heb. 

De heer Pijlman (D66):

Volstrekt niet. Daarmee toont de heer Dercksen zich als ontkenner van de klimaatproblematiek. Zo langzamerhand is hij nog de enige in de wereld. Hij doet alsof de 195 landen volstrekt onzinnige afspraken hebben gemaakt. 

De heer Dercksen (PVV):

Die landen zijn wel verstandig, want ze zetten hun handtekening en gaan gewoon door met het bouwen van kolencentrales. Korea, Japan, India en China hebben al gemeld dat ze doorgaan. Er komen heel veel mensen bij, 2,5 miljard in 2050. Zij willen allemaal eten, drinken en verwarming. Ze moeten energie hebben en dat gaat niet lukken. Ik vertelde net wat windmolens opleveren aan energie: dat is niks. Het gaat niet lukken met windmolens. Mensen zoeken naar betaalbare energie. Die komt in veel gevallen uit kolen, al zou ik liever gas gebruiken. Goedkope stroom is nu eenmaal de basis voor welvaart in de hele wereld. 

De heer Pijlman (D66):

Ik heb de heer Dercksen nog geen enkel antwoord horen geven op de vraag wat er volgens hem zou moeten gebeuren. Hij ontkent alles wat iedereen in de wereld inmiddels als feiten hanteert. Hij zegt dat er te veel geld aan wordt besteed. Waaraan dat geld volgens hem beter besteed kan worden, is mij niet geheel duidelijk. Kolencentrales mogen niet dicht, windenergie hoeft niet en windmolens zijn lelijk. Ik kan als Groninger uit ervaring zeggen dat gaswinning ook de nodige nadelen heeft. Kortom: de heer Dercksen heeft geen oplossingen. 

De heer Dercksen (PVV):

Ik vertel de heer Pijlman dat wij de problemen niet zo zien, die over het klimaat gesuggereerd worden en waar de hele geloofsgemeenschap voor bij elkaar komt. Heel veel wetenschappers denken er net zo over. Zij komen wellicht niet op de NPO. Het is immers een tegengeluid dat men niet wil laten horen. Een aantal jaren geleden zei president Obama: science is settled, we weten wel dat het onze schuld is en we gaan er allemaal aan. Vervolgens is een petitie getekend door 31.500 wetenschappers. Ik had deze opmerking eigenlijk voor de minister bewaard, maar nu maak ik hem tegen de heer Pijlman. Deze 31.500 wetenschappers zeiden tegen president Obama dat de science helemaal niet gesettled is. De prognoses van het IPCC falen tot nu toe. Dat is niet omdat ik dat wil, maar het blijkt uit de feiten die ik volg. Als je de ijshoeveelheid van de Noord- en de Zuidpool bij elkaar optelt en er een grafiek van maakt, zie je dat er weinig verandering is. Henk Hagoort vertelt dat niet, maar ik zoek het op. De heer Pijlman vergroot de problemen omdat hij een politieke agenda heeft, maar ik kijk gewoon wat het ons aan welvaart kost. Wij doen er niet aan mee. 

Aan staatssecretaris Dijksma hebben we vragen gesteld over het Fifth Assessment Report van het IPCC. In dat rapport is ook de klimaatgevoeligheid naar beneden bijgesteld. Dat werd natuurlijk niet vermeld in de media, want dat kwam niet zo goed uit. Wij hebben gevraagd waarom het IPCC ineens geen beste schatting meer maakte. Dat deed het IPCC altijd. De staatssecretaris antwoordde dat de beste schatting van de klimaatopwarming niet op wetenschappelijke gronden te maken is. In alle voorgaande rapporten werd dat echter wel gedaan. Alleen de uitkomst hebben ze niet weergegeven. Die kwam namelijk niet zo goed uit omdat de science wat minder goed gesettled was dan men zou willen. Ik vraag me af of men zich dat op het ministerie überhaupt realiseert. 

Ik vroeg tot twee keer toe aan de staatssecretaris wat de impact is van het nieuwe CO2-handelsemissiesysteem op de wereldwijde temperatuur. Daar doen we het tenslotte allemaal voor. Die vraag was echter iets te ingewikkeld. Ik heb er geen antwoord op gekregen. Je zegt dus dat de aarde opwarmt door verbranding van fossiele brandstoffen en dat je de temperatuurstijging binnen een arbitraire 2˚C wilt houden. Je weet echter niet wat de impact is van de meest effectieve en peperdure maatregelen die je inzet om de uitstoot te voorkomen. Waar ben ik beland? Ik ben echter de beroerdste niet en ik zocht naar artikelen waarin wordt aangetoond hoe de temperatuur zal gaan stijgen en welke gevolgen het heeft als iedereen zich tot 2030 aan de klimaattopdoelstellingen houdt en dat ook nog eens 70 jaar volhoudt, tot het jaar 2100. Dat is nogal onwaarschijnlijk. Ik verwijs nog eens naar de bevolkingsgroei. Als iedereen zich houdt aan de klimaattoptoezeggingen, zal de temperatuur ietsje minder stijgen, namelijk met 0,17˚C. In het positiefste geval heeft de EU daar dan 0,05˚C aan bijgedragen. Als ik het Nederlandse aandeel uitreken, 5% van de EU-uitstoot, kom ik met het energieakkoord van 73 miljard op een mindere stijging van de temperatuur van nog geen 0,003˚C. Dat kost dan vele miljarden en volgens mij wordt het alleen maar meer als we worden gehouden aan de klimaattopdoelstellingen. Die zijn immers nog verdergaand dan de doelstellingen in het energieakkoord. 

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Eerlijk gezegd weet ik niet waar de heer Dercksen het vandaan haalt. Blijkbaar zijn er een paar wetenschappers in de wereld die alleen hij kent. 99% van de wetenschappers is het er gewoon over eens dat de opwarming een probleem is. Ik zou de heer Dercksen een andere vraag willen stellen. Maakt hij zich geen enorme zorgen? Hoe kan hij dit allemaal beweren? Denkt hij niet aan zijn kleinkinderen en aan de kinderen in de rest van de wereld? Wat gaat er gebeuren als de PVV maar blijft ontkennen, terwijl 99% van de wetenschappers zegt dat dit gaat gebeuren? Heeft de heer Dercksen ooit van het voorzorgsbeginsel gehoord? Is dat iets waarvan hij ook zegt dat we toch eens moeten gaan nadenken of er misschien wat maatregelen getroffen moeten worden? 

De heer Dercksen (PVV):

Die vraag had ik verwacht. Het voorzorgsprincipe is een argument dat al vele malen voorbij is gekomen. Als je in deze mate en met dit soort grote bedragen voorzorgsmaatregelen neemt, kun je dat vergelijken met het voorkomen dat je je enkel verzwikt door je been af te zetten. In die verhouding moet je het zien. Waarschijnlijk heeft mevrouw Vos het interview met Richard Tol niet gelezen in het Algemeen Dagblad. Die man is weggerend bij het IPCC omdat het panel geen wetenschap meer bedrijft, maar politiek. Daar leent hij zich niet voor. Die man zou daarvoor moeten worden geëerd. Ik geef toe dat Henk Hagoort het niet laat zien. RTL Nieuws ook niet. Inderdaad moet ik op zoek via andere bronnen. Ik kwam uit bij de heer Lomborg, een bekende Deense klimaatwetenschapper. Hij heeft de variatie in temperatuur uitgerekend op basis van de toezeggingen die zijn gedaan op de klimaattop in Parijs. 

Mevrouw Vos had ook een vraag over de 99%. Dat klopt niet helemaal, het is 97%. Voordat ik die vraag beantwoord, zou ik haar een wedervraag willen stellen. Wat heeft mevrouw Vos gedaan om te onderzoeken waar die 97% vandaan kwam? 

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Toen ik nog in de Tweede Kamer zat, ben ik toevallig ooit lid geweest van een werkgroep die goed heeft gekeken naar het IPCC. Waar ik eerlijk gezegd blij mee ben, is dat in dit gezelschap blijkbaar ook af en toe wordt erkend dat dingen niet helemaal goed zijn, dat het gezelschap daarvan leert en verder gaat. De bewijsvoering van die club rond de klimaatverandering is dat dit door de mens wordt veroorzaakt via het gebruik van fossiele brandstoffen en dat dit helaas een voortschrijdend iets is. De wetenschappelijke onderbouwing daarvan is in al die jaren alleen maar sterker en sterker geworden. De tijd die we hebben om het te keren, is echter korter en korter geworden. Ik wil de heer Dercksen voorhouden dat nu zelfs duidelijk is dat we, als we niets doen, naar een temperatuurstijging van 4°C of 5°C zullen gaan. Dan zijn de gevolgen niet te overzien. Ik weet dus werkelijk niet waar de heer Dercksen vandaan haalt wat hij hier beweert over 0,1°C of 0,001°C. 

De heer Dercksen (PVV):

Dat zijn de ... 

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Eigenlijk zegt de heer Dercksen hier: de hele wereld is gek, behalve de PVV en de paar mensen die hij noemt. Is dat inderdaad wat hij bedoelt? De hele wereld is gek en zij zijn de enigen die het licht hebben gezien? 

De voorzitter:

Mag ik even onderbreken? Mijnheer Dercksen, u geeft hier nu een heel kort antwoord op, want deze vraag heeft mevrouw Vos al gesteld. Dan wil ik deze discussie beëindigen. 

De heer Dercksen (PVV):

Ik stelde aan mevrouw Vos de vraag of zijzelf goed onderzocht heeft waar die 97% vandaan komt. Volgens mij komt de wereld verder met mensen die onafhankelijk denken en zelf op onderzoek uitgaan, dan met mensen die zich als een kudde schapen voortbewegen. Daar heeft de wereld niet zoveel aan. Ik heb onderzocht waar die 97% vandaan komt. Dat hebben trouwens meer mensen gedaan, maar dat zendt Nieuwsuur natuurlijk niet uit. Het percentage komt uit een rapport van John Cook. Hij heeft gezocht naar een heleboel publicaties over klimaat. Hij heeft echter alleen selectief gezocht. Vervolgens heeft hij drie categorieën benoemd. De derde categorie heeft hij buiten beschouwing gelaten, want die viel niet binnen het onderwerp waarnaar hij op zoek was. Er bleven twee categorieën over. De eerste was "Explicit endorsement without quantification". Dat betekende dat het inderdaad warmer wordt en dat dat door de mens komt, maar dat niet bepaald is hoeveel dat is. De tweede categorie die hij overeind hield, was de categorie "Implicite endorsement". Dat was dus impliciet bewijs, waar al helemaal geen kwantificatie aan te pas kwam. Hij heeft die onderzoeken op een hoop gegooid met zijn stelling dat meer dan 50% van de opwarming door de mens komt. Toen heeft een wetenschapper alle rapporten die Cook heeft gebruikt onderzocht, en bekeken in hoeveel rapporten daadwerkelijk staat dat de aarde opwarmt en dat de mens verantwoordelijk is voor meer dan 50% van die opwarming. Die wetenschapper kwam uit op 1,6%. Als mevrouw Vos dus nog een keer op de tv het percentage van 97 hoort, moet zij eraan denken dat ik haar heb verteld dat het 1,6 is. 

De voorzitter:

Zullen we dit discussiepunt dan hierbij laten? 

De heer Dercksen (PVV):

Ik heb het ook bij me. 

De voorzitter:

Ja, maar gaat u nu verder met uw betoog, mijnheer Dercksen. 

De heer Dercksen (PVV):

Mevrouw Vos kan het nalezen. Veel wetenschappers die hierin geciteerd zijn, hebben ook gezegd dat dit hun conclusie niet is. Ik hoop dus dat die 97% in ieder geval in dit huis de prullenbak in gaat. Dat was mijn laatste zin hierover. 

Hemel, waar was ik. 

Via schriftelijke vragen wezen wij de minister ook al op de feiten van de windmolenparken. In Ierland gaf men schoorvoetend toe dat niet elke duurzaam opgewekte kWh, daadwerkelijk duurzaam is. De molens moeten immers worden gebouwd, onderhouden en gesloopt met fossiele energie. Ook zijn er inpassingsverliezen en vooral stand-byverliezen van de gas- en kolencentrales. De minister houdt echter nog steeds vast aan zijn fictieve modellen en aan het idee dat windenergie een duurzame bron van energie is. Maar ik zoek wetenschappers op en ik spreek met hen. Het spijt me voor mevrouw Vos. Ik sprak met wetenschappers die lid waren van de Energieraad, met een voormalig wetenschappelijk directeur van de KEMA, met de Stichting Technische Wetenschap en met de Stichting voor Fundamenteel Onderzoek der Materie. Als u mij niet gelooft, geloof deze mensen dan alstublieft wel. Ze slaan allemaal alarm, omdat de overheid weigert om op basis van feiten en wetenschap beleid te voeren. Want windmolens besparen niet of nauwelijks CO2-emissie. 

Wat is er aan de hand in dit land dat deze wetenschappers genegeerd worden en wetenschap er niet meer toe doet? Als de PVV namelijk voorstelt om te monitoren of windmolens überhaupt leiden tot minder uitstoot, wil de minister het niet meten en niet weten. Ook alle andere partijen willen het niet weten. Wat is er aan de hand dat men daar geen interesse in heeft? De exacte wetenschap lijkt dan ook door de alfawetenschappers uit dit huis te zijn geëxcommuniceerd. Hoe kan dat in hemelsnaam? Als er over een jaar of vijf of tien een parlementaire enquête komt over subsidiestroom, dan zal ik mijn verworpen klokkenluidersmotie meenemen, die hier door de shredder is gegaan. 

Enige weken geleden hadden wij een welkomstbijeenkomst met de borgingscommissie van het energieakkoord, voorgezeten door de heer Nijpels. Bij sommigen is hij ook bekend om zijn voorspellingen van eind jaren tachtig dat 80% van onze bossen zou verdwijnen door zure regen. Hij was ook oud-lid van de raad van commissarissen van het zo groene, duurzame en vooral ook zo onbehoorlijk bestuurde en failliete Econcern. Je zou zeggen dat dit niet bepaald het meest aangewezen cv is om voor deze job te worden uitgenodigd, maar dat zij zo. Tijdens die bijeenkomst vroeg ik aan de leden van de borgingscommissie hoeveel kolencentrales zij gingen sluiten. Ze gingen er wel vijf sluiten en daar waren ze heel trots op. Daarna stelde ik de vraag hoe zich dat verhield met die 363 kolencentrales die China tot 2030 gaat bouwen. En hoe verhield zich dat tot de uitstoot van India, die gaat verdrievoudigen tot 2030? Rusland stoot 38% meer uit tot 2030. En ga zo maar door, terwijl dit kabinet via het aangepaste Belastingplan gaat bestuderen of de laatste paar, fonkelnieuwe kolencentrales moeten worden gesloten. Wij gaan terug achter de dijken; de rest van de wereld bestaat niet. 

We dalen langzaam af naar het wetsvoorstel. De wet STROOM bekrachtigt TenneT als partij om het netwerk op zee aan te leggen. Zoals ik al zei bij het debat over wind op zee, neemt TenneT hiermee ook het risico dat deze gecompliceerde klus met zich meebrengt. Deze risico's liggen dus bij de belastingbetaler, want het is een staatsbedrijf. Ik had het er net met de heer Ester over. Waarom kiest de minister voor deze aanwijzing, terwijl hij meent dat met een tender de beste prijs voor de windparken op zee behaald kan worden? Waarom is er geen aanbesteding voor het netwerk? Ik heb net geluiden opgevangen dat andere bedrijven op andere netwerken goedkoper zouden zijn geweest dan TenneT. 

Voor zover het nog niet helemaal duidelijk was: de PVV is geen voorstander van windenergie. De marginale opbrengst aan stroom en de bakken subsidie die naar deze vierkante wielen toegaan, zijn een deel van het probleem. Het andere deel bestaat uit overlast: geluidsoverlast, laagfrequent geluid, verpest uitzicht en een dalende woningwaarde. En dan is er ook nog verlies aan werkgelegenheid in de kustgemeenten. Mensen klagen bij ons over slapeloosheid. Zij moeten zich ziek melden voor het werk als ze weer een nacht niet hebben kunnen slapen. Eneco probeert deze mensen af te kopen. Ik weet niet of hier mensen van Eneco aanwezig zijn, maar ik zeg: ga u schamen, want dit kunt u niet doen met belastinggeld. 

Omdat dit geëxperimenteer met windmolens tot grote problemen leidt, maakt de PVV zich zorgen over het feit dat deze wet nog meer geëxperimenteer mogelijk maakt. Dit geëxperimenteer mag dan overigens weer wel in groepsverband plaatsvinden. De minister moet hebben gedacht: waar staat geschreven dat ik consequent moet zijn? In hoeverre kan de minister garanderen dat het nieuwe geëxperimenteer niet weer leidt tot overlast en tot hogere kosten voor de inwoners in de experimenteerruimte? 

Dan kom ik op het groepsverbod. Net als andere partijen heeft de PVV-fractie zich verbaasd over de voortvarendheid waarmee de ACM als een soort deurwaarder op Eneco en DELTA is afgestuurd om op splitsing aan te dringen, nadat de wet in de Tweede Kamer is aangenomen. Het kabinet weet tenslotte dat het amendement-Smaling ruime steun had in de Tweede Kamer. Die steun was zelfs zo ruim, dat het mogelijk ook in dit huis een meerderheid zou kunnen hebben. Wij vinden die actie dan ook ongepast en voorbarig. 

De PVV is altijd tegen opsplitsing geweest. Andere partijen hebben deze waarschuwingen van het gezonde verstand in de wind geslagen. Laten we even teruggaan naar de ontstaansgeschiedenis van dit onderdeel van de wet. Het is in 2006 geïnitieerd door voormalig minister Brinkhorst. 

Mevrouw Huijbregts-Schiedon (VVD):

Ik zit even te rekenen of u toen al in de Kamer zat, maar heeft dat toen in 2007 geleid tot een stem tegen de splitsingswet? 

De heer Dercksen (PVV):

Zolang we er zijn, waren we tegen. 

De voorzitter:

In 2007 zat de PVV niet in de Eerste Kamer, wel in de Tweede Kamer. We gaan nu echter in op allerlei details. Ik geef de heer Dercksen de gelegenheid om zijn betoog af te maken. 

De heer Dercksen (PVV):

De PVV is altijd tegen splitsing geweest. De feiten waarom dat al die jaren een heel verstandig standpunt is geweest, liggen op tafel. 

Even terug naar de ontstaansgeschiedenis. In 2006 werd de wet geïnitieerd door voormalig minister Brinkhorst. Zoals een goed D66'er betaamt, wilde hij vooruitlopen op mogelijke EU-regels in de veronderstelling dat al die andere landen in de EU dezelfde Europese gedachte en dezelfde Europese idealen zouden hebben als D66. Maar helaas, dat is een misvatting. Al die andere landen, of in ieder geval heel veel, zitten in de EU voor het eigen gewin, knokkend voor de belangen van hun land en van hun eigen inwoners. Dat zouden wij hier ook eens moeten doen. De heer Brinkhorst liet nog weten dat hij zou eisen dat buitenlandse kopers van energiebedrijven ook in Nederland zouden blijven investeren. Maar op voorhand schreef Elsevier in 2006 al dat dit heel erg onwaarschijnlijk zou zijn. En zo geschiedde. Hetzelfde Elsevier schreef in 2006 ook al dat investeringsbeslissingen in het vervolg bijvoorbeeld wel in Parijs of Frankfurt of Madrid zouden worden genomen. En ook dat geschiedde. Terwijl D66, minister Brinkhorst, de splitsing doordrukte, liet de Franse regering Gaz de France overnemen door SUEZ om het Italiaanse Enel buiten de deur te houden. De Spaanse regering deed er alles aan om de overname van Endesa door het Duitse E.ON te voorkomen. De Duitse minister van Economische Zaken noemde de voorgenomen eigendomssplitsing zelfs ongrondwettelijk. Andere landen knokten allemaal gewoon voor het eigen belang. Zij wel. En weer zijn wij de gekke henkie van Europa. Dat heeft overigens verder niets met de naam van deze minister te maken. 

De minister heeft in de aanloop naar dit debat grote woorden gebruikt en de druk opgevoerd op de partijen die erg enthousiast zijn voor subsidiestroom, subsidie-energie. Het energieakkoord zou vertraging oplopen als een meerderheid in deze Kamer van het groepsverbod af zou willen. Welnu, de novelle van het Belastingplan was hier met kerende post terug. De netwerken zouden onvoldoende beschermd zijn — de collega's hebben net omstandig uitgelegd dat dit onjuist is — en splitsing zou meer concurrentie en lagere prijzen betekenen. Maar er is volop concurrentie op de netten. Ik noemde in een interruptiedebat al de cijfers van Eneco Stedin. Daar wordt relatief meer overgestapt dan op andere netten. Als de minister echt lagere prijzen wil op de energiemarkt, moet hij geen windmolens neerzetten of vervuilende biomassabijstook subsidiëren, waarbij men een gekapt bos uit Amerika of Afrika zogenaamd duurzaam opstookt in biomassacentrales die meer CO2 uitstoten dan gascentrales en zelfs, volgens sommige berekeningen, meer dan kolencentrales. Maar ja, we noemen het groen en we denken niet meer na. 

Er zouden megaclaims komen. Dat lijkt wel van alle tijden op dit dossier. Daar hebben advocatenkantoren dure legal opinions over geschreven, die dit ontkrachten. Eneco en DELTA zouden ook met een claim kunnen komen. Daar hebben ze al 1,3 miljard op geplakt, begreep ik, bij hun beroep op het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens. In 2005 was het minister Ruding die waarschuwde voor megaclaims van Amerikaanse investeerders als de splitsing wel zou doorgaan. Kortom, dreigen met claims in dit dossier is van alle tijden. 

Ook gebruikt de minister het argument dat het toezicht op de bedrijven gecompliceerd is, maar zouden de bedrijven in het buitenland nu echt alle veel eenvoudiger gestructureerd zijn of hebben ze daar slimmere toezichthouders? Dat lijkt mij toch erg onwaarschijnlijk. 

Is de PVV dan blij met alle beleidsbeslissingen die Eneco en DELTA hebben genomen of zullen nemen? Nee, zeker niet. Zoals gezegd, mensen klagen bij ons over de ellende van windmolens van Eneco. Ik had het er eerder over. Het zou dan ook goed zijn dat de aandeelhouders van deze bedrijven daar veel strenger toezicht op houden. 

Maar, voorzitter, wij zijn gekozen door Nederlanders, ook door de werknemers van Eneco en DELTA. Dat zijn de belangen die wij moeten behartigen. Die verplichting voel ik, daarom ben ik gekozen, om op te komen voor de belangen van 1.800 gezinnen die vrezen voor hun baan en hun inkomen, mensen die als zij geen werk vinden na twee jaar WW hun huis en spaargeld moeten opeten en in de bijstand belanden. Dat zijn namelijk de nieuwe regels van dit kabinet, gesteund door destructieve oppositiepartijen die tegenwoordig nog wel eens van samenstelling wisselen. Waarom in hemelsnaam? Waarom wil iemand een wet die mensen werkloos maakt? Voor de verkiezingen is het werk, werk, werk, maar na de verkiezingen blijkt dat werk in het buitenland te zijn bij de niet gesplitste bedrijven. 

De minister komt met een commissie die de werkgelegenheid in Zeeland een impuls moet geven. Eerst wetgeving waardoor mensen werkloos worden, en dan een commissie. De termen "taskforce" en "banenplan" zijn misschien wat sleets geraakt, dus daarom wellicht een commissie. En dit terwijl de partij van de minister, de VVD, minister Asscher enige weken geleden nog op de pijnbank legde omdat al die banenplannen niet werkten, niet werken en niet zullen werken. Die banenplannen werken alleen maar voor oud-politici die een tijdje als uithangbord van de taskforce mogen fungeren. 

Voorzitter. Ik rond af. De PVV heeft een motie van het CDA en de SP die het kabinet verzoekt om een einde te maken aan het groepsverbod, medeondertekend. Ik hoop dat de minister in eerste termijn volledig duidelijkheid geeft hoe hij in deze wedstrijd zit. 

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Mevrouw de voorzitter. Mijn fractie is blij met de instelling van de commissie-Balkenende, de Commissie Economische Structuurversterking en Werkgelegenheid Zeeland, die recentelijk werd bekendgemaakt. De structuurversterking en de bevordering van de werkgelegenheid in de provincie Zeeland zijn voor de toekomst van de provincie, maar vooral voor de Zeeuwen zelf van uitermate groot belang. Ik denk daarbij speciaal aan de verdere versterking van bijvoorbeeld het toerisme, dat een groot potentieel heeft. Op 21 december 1973 — gisteren precies 42 jaar geleden — werd ik beëdigd tot staatssecretaris van Financiën. De dag erna vertrok ik met ons heel jonge gezin naar Zeeland om daar de kerstvakantie door te brengen. Wij zijn daar tot vandaag graag blijven terugkomen en zullen dat blijven doen, met wat groter kroost. 

Het gaat echter niet alleen om verdere ontwikkeling van de werkgelegenheid, maar ook om het behoud van bestaande werkgelegenheid in de provincie voor de mensen, voor de Zeeuwen. Bij de behandeling van het wetsontwerp dat wij vandaag bespreken, komt het behoud van bestaande werkgelegenheid prominent aan de orde, nu de splitsing van de bedrijven DELTA en Eneco aan de orde is. En dat moet ook. Wij hebben de afgelopen weken ervaren hoe dit onderwerp leeft bij de mensen die bij de bedrijven betrokken zijn: vele mails van individuen die hun zorgen over hun toekomst en die van hun gezinnen hebben geuit, vaak direct uit het hart, zo vlak voor kerst. Het gaat om de toekomst van deze twee bedrijven met elk hun eigen kansen en diversificatie. Bij DELTA staat de toekomst van het bedrijf op het spel. Na de splitsing lijkt er geen perspectief op continuïteit, merkte de heer Flierman eerder op. Bij Eneco geldt speciaal het behoud van de sterke positie op het gebied van duurzaamheid en de verdere realisatie van de ambities met grote investeringen in duurzame ontwikkeling. Wij kunnen en mogen onze ogen niet sluiten voor de gevolgen van de besloten splitsing. 

De toekomst van dit dossier heeft een lang verleden. In antwoord op vragen van de D66-fractie heeft de minister in de memorie van antwoord nog eens de lange voorgeschiedenis geschetst. De minister antwoordde dat geen sprake is van het doorzetten van de splitsing. Het groepsverbod geldt immers sinds 1 juli 2008 en blijft, aldus de minister, met dit voorstel in stand. D66 verwees naar de aangenomen motie-Doek/Sylvester van 21 november 2006, waarin werd gevraagd het groepsverbod niet in werking te laten treden, tenzij duidelijk zou zijn dat in de EU zou worden overgegaan tot volledige eigendomssplitsing of dat het publieke en onafhankelijke netbeheer in gevaar zou komen. De toenmalig minister heeft op 7 juni 2007 de Kamer geïnformeerd over het besluit om het groepsverbod op 1 juli 2008 in werking te doen treden. 

In de inleiding op de memorie van antwoord heeft de minister nog eens de achtergrond van het groepsverbod geschetst. De 5OPLUS-fractie sluit zich aan bij de vele vragen die over het groepsverbod door de voorgaande sprekers zijn gesteld. De 5OPLUS-fractie heeft vooral één klemmende vraag: waarom de toekomst van DELTA en Eneco in de waagschaal stellen als daar op dit moment naar onze overtuiging geen dringende reden voor is? Kan de minister deze eenvoudige vraag beantwoorden? 

Wil de minister zijn standpunt heroverwegen en alsnog een novelle toezeggen? Dan is de door de SP ingediende en door ons gesteunde motie overbodig, al biedt zij wel een goed alternatief voor een novelle. Gisteren is in deze Kamer een novelle behandeld die op 9 december bij de behandeling van het Belastingplan werd ingediend. Die novelle komt vandaag, dus binnen twee weken, in stemming; zij sluit aan bij het Belastingplan 2016 dat eveneens vandaag in stemming komt. Deze novelle is zo cruciaal dat het Belastingplan 2016 vanavond zou sneven als zij niet wordt aangenomen. 

Ik houd de minister voor dat het kabinet bij de novelle voor het Belastingplan gehandeld heeft volgens het adagium "waar een wil is, is een weg". Geldt dat ook vandaag in dit dossier? De minister zou van de nood een deugd kunnen maken nu een meerderheid in de senaat hem vraagt de splitsing nu niet in werking te laten treden. Alleen zonder splitsing geldt voor DELTA "luctor et emergo" en voor Eneco een sterkere duurzame toekomst. Niet vechten tegen windmolens als het om de splitsing gaat. 

Ik wacht met de collega's de antwoorden van de minister af. 

De heer Ten Hoeve (OSF):

Mevrouw de voorzitter. Ik heb in 2007 voor de splitsingswet gestemd in de overtuiging dat daarmee de netten publiek bezit zouden blijven, dat productie en levering geprivatiseerd zouden kunnen worden en dat dat goed zou zijn. Zo is het ook gebeurd. Nuon en Essent zijn voor een, achteraf bekeken, geweldig goede prijs verkocht en hebben dus hun toenmalige eigenaren, gemeenten en provincies, een vrij beschikbaar kapitaal opgeleverd waarvan op veel plaatsen nog steeds ruimhartig geprofiteerd wordt. 

De twee kleintjes, DELTA en Eneco, zijn tot nu toe de dans ontsprongen maar de nu ineens weer heel actuele dreiging met splitsing — de ACM gaat er direct achteraan — levert bij de eigenaren nu in ieder geval geen applaus op. Niemand heeft de illusie dat de van hun netten losgemaakte productie- en leveringsdelen nog lucratief te verkopen zijn. Integendeel, de vrees is vrij algemeen dat ze direct in buitenlandse handen komen en dat de nu nog aanwezige werkgelegenheid voor een flink deel verloren zal gaan. En ook dat daarmee een eind komt aan de inspanningen van juist deze bedrijven voor duurzame, vaak kleinschalige energieopwekking. 

De situatie is dus wel veranderd in de afgelopen jaren. Niemand denkt meer dat deze splitsing echt moet van Europa. Vrijwel niemand denkt dat door deze splitsing de werking van de energiemarkt in Nederland nog zal verbeteren en dat dit dus de consumenten ten goede zal komen. De splitsing die al wettelijk vastligt in de bestaande wetgeving, wordt nu nog eens in de nieuwe Elektriciteits- en gaswet verknoopt aangeboden met de hoogst noodzakelijke technische en administratieve regelingen voor netbeheerders in het algemeen en voor de transmissienetten op zee naar de grootschalige windmolenparken daar. Dat zet deze nieuwe beslissing onder grote druk, want het betreft wel uitdrukkelijk een nieuwe beslissing. Wij nemen nu een beslissing over deze wet en dus ook over het opnemen van dit artikel. 

Ik hoef hier natuurlijk niet lang over uit te weiden, want veel sprekers hebben dat al voor mij gedaan. Ik ga dus kort door de bocht. 

  • -Deze wet moet natuurlijk aangenomen worden zodat de voorbereiding voor de gunning van de windparken kan doorgaan. 

  • -De minister houdt natuurlijk vol dat het nu helemaal niet over splitsing gaat, omdat daarover al in 2007 de beslissing is gevallen. 

  • -Hij ontkent dan het breed levende sentiment dat nu toch in feite een nieuwe beslissing wordt genomen, waarvan in dit kader ook kan worden afgezien. 

  • -Afzien van die beslissing lijkt procedureel geen enkel probleem door art. 4.6 lid 6 niet in werking te laten treden, of althans, zoals in onze motie wordt gevraagd, het alleen onder specifieke omstandigheden betreffende de Europese regelgeving in werking te laten treden. 

Ik ben mij ervan bewust dat de discussie als ongewenst wordt gezien en als afleiding van de hoofdzaken door diegenen die er, terecht, alle belang bij hebben dat de voorbereiding van de windparken op zee ongestoord kan doorgaan. Ik ben mij er ook van bewust dat er enkele nieuwe spelers op de Nederlandse energiemarkt zijn die geen netwerken in binnen of buitenland achter zich hebben en die het gelijke speelveld beter gegarandeerd achten als het groepsverbod volledig en dus ook op holdingniveau wordt doorgevoerd. Maar tegen de eersten zou ik willen zeggen: als de minister een beetje schappelijk is in deze discussie, dan is er geen probleem. En tegen de tweede groep is misschien het sterkste argument dat men er weinig mee opschiet als DELTA en Eneco, net als Nuon en Essent, terechtkomen in een internationale groep met netwerken in het buitenland. Het gelijke speelveld zoals zij het zich zouden wensen, is nu eenmaal onbereikbaar door de praktijk in Europa. 

Er resten voor mij wat dit betreft nog maar drie vragen waar de minister antwoord op kan geven. Mocht het splitsingsartikel voorlopig niet in werking treden, hoe wordt dan de positie van de netbeheerders Alliander en Enexis? Verandert daar iets aan? 

Mijn tweede vraag heeft betrekking op de positie van het productie- en leveringsbedrijf van DELTA die buitengewoon zwak is. Verkoop van andere bedrijfsonderdelen is noodzakelijk om de schuldpositie enigszins op orde te kunnen houden. De productietak werkt weinig rendabel vooral door de concurrentie van kolencentrales en in dat verband ook de afschaffing van de kolenbelasting. Hoe ziet de minister de toekomst van dit bedrijf als er gesplitst moet worden? Ik vraag dit ook in relatie tot de positie van de atoomcentrale. 

Mijn derde vraag is dezelfde als de vraag die mevrouw Vos eerder heel indringend heeft gesteld. Waarom acht de minister splitsing nu nog een voordeel? Waarom zou dit voordeel groter zijn dan de wel vrij direct zichtbare nadelen? 

Tenslotte zeg ik tegen de minister dat ik blij ben met de voortvarendheid waarmee nu door hem gewerkt wordt aan het inhalen van de achterstand bij het grootschalige gebruik van windenergie. Ik zeg dit heel graag na het verhaal dat wij van de heer Dercksen hebben gehoord. Maar daarnaast hoop ik ook dat hij bereid is liever ten halve te keren dan ten hele te dwalen. Dit spreekwoord is vanochtend al diverse keren gebruikt. Ons gezamenlijk dwalen heeft in ieder geval daarin bestaan dat wij onvoldoende hebben beseft waartoe Europese richtlijnen ons zouden verplichten en onvoldoende hebben voorzien hoe de rest van Europa daarmee zou omgaan. 

Ik wacht graag af hoe de minister zijn positie duidelijk zal maken. 

De voorzitter:

Wenst een van de leden nog het woord in eerste termijn? Dat is niet het geval. Dan schors ik de beraadslaging en schors ik de vergadering voor een enkele minuut in afwachting van de minister en de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. 

De beraadslaging wordt geschorst. 

De vergadering wordt van 12.16 uur tot 12.19 uur geschorst.