Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2015-2016nr. 15, item 7

7 Stemming motie Begroting Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Aan de orde is de stemming over een motie, ingediend bij het debat Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2016 en het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor het jaar 2016, 

te weten: 

  • -de motie-Van Weerdenburg c.s. over extra financiële middelen voor gemeenten voor de organisatie van het referendum op 6 april 2016 (34300-VII, 34300-B, letter C). 

(Zie vergadering van 14 december 2015.) 

De voorzitter:

Ik heet de minister van Economische Zaken, die namens de regering bij de stemmingen aanwezig is, nogmaals welkom in de Eerste Kamer. 

Over deze motie is hoofdelijke stemming aangevraagd. 

Ik geef gelegenheid tot het afleggen van stemverklaringen vooraf. 

De heer Lintmeijer (GroenLinks):

Voorzitter. Onze fractie vindt het goed dat er een mogelijkheid voor het organiseren van een referendum is. Daarbij moet structureel gezorgd worden voor een fatsoenlijke financiering. Daarom roepen wij de minister ertoe op om dat te regelen, in overleg met de gemeenten. Het gevraagde extra bedrag in deze motie vinden wij niet onderbouwd. Daarnaast heeft een amendement met gelijke strekking dat in de Tweede Kamer is ingediend — de GroenLinks-fractie in de Tweede Kamer heeft daar overigens voor gestemd — het niet gehaald. Wij vinden niet dat wij op basis van dit incident het werk van de Tweede Kamer over moeten doen. Om die redenen zullen wij tegenstemmen. 

De voorzitter:

Ik zie dat de leden Engels en Köhler ook een stemverklaring willen afleggen. De heer Engels heeft zich het eerst gemeld, geloof ik. Het wordt knokken om een plekje hier. 

De heer Engels (D66):

Voorzitter. U kent mij als een niet al te opdringerige figuur, dus ik was gaarne bereid om collega Köhler voorrang te geven, maar goed, u hebt besloten mij eerst het woord te geven. 

Over de motie heb ik drie opmerkingen. De eerste opmerking is dat mijn fractie staatsrechtelijk de nodige aarzelingen heeft bij deze motie. Door middel van een Kameruitspraak wordt hiermee geprobeerd om een verworpen amendement van de Tweede Kamer in de herkansing te gooien, zonder dat de Tweede Kamer daarover nog iets te melden heeft. Wij zouden niet graag zien dat dit een trend wordt die zich doorzet. 

De tweede opmerking is dat mijn fractie het beter had gevonden als de motie was aangehouden. De minister heeft immers een onafhankelijk onderzoek aangekondigd om de kosten beter in beeld te krijgen. Ik heb echter begrepen dat die optie nu niet op tafel ligt. 

De derde opmerking is dat mijn fractie wel heeft gezien dat er twijfel mogelijk is over de vraag of er voldoende gewaarborgde middelen zijn om een zorgvuldig en adequaat referendum te kunnen houden. De gemeenten hebben een heel duidelijk signaal afgegeven dat zij een groot probleem hebben. Wij vinden dat de gemeenten niet in de positie moeten komen dat zij de kiezers noodgedwongen mogelijk in een positie brengen waarin zij hun recht minder goed kunnen uitoefenen. Onze eindafweging is dat wij als Democraten 66 op grond van de democratie als het principiële fundament onder ons politieke stelsel, deze gelegenheid van het referendum niet willen ondergraven. Wij zullen dus, met weinig vreugde, zeg ik erbij, voor de motie stemmen. 

De heer Köhler (SP):

Voorzitter. Ook de SP-fractie had graag gezien dat de motie was aangehouden, zodat wij er op basis van nadere gegevens nog beter over hadden kunnen nadenken. Nu dat niet het geval is, beoordelen wij de motie naar haar politieke strekking. De politieke strekking is dat de gemeenten het volle pond moeten krijgen voor het goed organiseren van het referendum. Daar zijn wij voor, dus wij zullen voor de motie stemmen. 

De voorzitter:

Ik zie dat niemand anders een stemverklaring wenst af te leggen. Dan herhaal ik dat er over deze motie hoofdelijke stemming is gevraagd. 

In stemming komt de motie-Van Weerdenburg c.s. (34300-VII, 34300-B, letter C). 

Vóór stemmen de leden: Meijer, Nagel, Pijlman, Prast, Rinnooy Kan, Van Rooijen, Ruers, Schaper, Schnabel, Stienen, Van Strien, Teunissen, Van Weerdenburg, Wezel, Van Apeldoorn, Backer, Bredenoord, Dercksen, Peter van Dijk, Don, Elzinga, Engels, Faber-van de Klashorst, Gerkens, De Graaf, Van Hattem, Köhler, Kok, Kops, Kox en Markuszower. 

Tegen stemmen de leden: Nooren, Oomen-Ruijten, Postema, Van Rij, Rombouts, Schaap, Schalk, Schouwenaar, Schrijver, Sent, Strik, Swagerman, Van de Ven, Verheijen, Vos, Vreeman, De Vries-Leggedoor, Atsma, Barth, Beuving, Van Bijsterveld, Bikker, Brinkman, Broekers-Knol, Bruijn, Diederik van Dijk, Duthler, Ester, Flierman, Ganzevoort, De Grave, Hoekstra, Ten Hoeve, Huijbregts-Schiedon, Jorritsma-Lebbink, Van Kappen, Van Kesteren, Knapen, Knip, Krikke, Kuiper, Lintmeijer en Martens. 

De voorzitter: 

Ik constateer dat deze motie met 31 tegen 43 stemmen is verworpen. 

Alvorens te gaan stemmen over het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Veiligheid en Justitie (VI) en de tijdens het debat ingediende moties, deel ik de Kamer mee dat ik heb begrepen dat de heer Engels zijn motie (34300-VI, letter L) over het minimaliseren van de nog bestaande risico's op de tekorten en achterblijvende prestaties bij politie, Openbaar Ministerie en rechtspraak wenst te wijzigen. Daartoe heropen ik de beraadslaging over het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Veiligheid en Justitie voor het jaar 2016 voor een korte derde termijn en geef ik het woord aan de heer Engels.