Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 10, item 7

7 Algemene politieke beschouwingen

Aan de orde is de voorzetting van:

  • - de algemene politieke beschouwingen naar aanleiding van de Miljoenennota 2012 ( 33400 );

  • - het debat naar aanleiding van het regeerakkoord Bruggen slaan en de regeringsverklaring van het kabinet-Rutte II ( 33410 );

  • - de behandeling van de motie-Marcel de Graaff c.s. inzake opzeggen vertrouwen in kabinet ( 33400, letter K ).

De beraadslaging wordt hervat.

De heer Kox (SP):

Voorzitter. Het kabinet dat niet kon, is er toch gekomen. Daar zit het en we noemen het – daarover is overeenstemming – Rutte II. Mijn gelukwensen aan alle twintig bewindslieden hier aanwezig of elders het land vertegenwoordigend. Mijn gelukwensen aan de minister-president in de eerste plaats, want het is een politiek mirakel dat hij daar weer zit, dankzij de partij die juist zei dat hij moest wegwezen. Geen kiezer begrijpt het, maar dat heb je nu eenmaal met mirakels. Die zijn onbegrijpelijk en onloochenbaar, althans dat leert mijn katholieke achtergrond. Ik begrijp inmiddels dat Loek Hermans een andere leer is toegedaan. Ik heb het advies van de voorzitter opgevolgd en de paus meteen een twitter laten sturen naar @Pontifex. De paus heeft nog niet geantwoord, maar zal ons straks vertellen of wonderen wel of niet bestaan. Dan is dat opgelost, want de paus is geen minister-president. De paus is onfeilbaar in zaken van de leer. Dan weten wij dat.

De heer Hermans (VVD):

Ik denk dat de paus ook op een wonder wacht.

De heer Kox (SP):

Dat weet ik niet. Voorlopig houdt mijn fractie het nog gewoon bij een wonder dat dit kabinet met deze minister-president hier zit. Volgens het regeerakkoord hebben PvdA en VVD nu het beste van twee werelden bijeen gevoegd en samen hebben ze een onverwoestbaar geloof in de toekomst. Wijlen André Hazes zou er acuut een nummer-1 hit van hebben gemaakt, die zo mee kon in de musical "Hij gelooft in mij". Toen ik zojuist Marleen Barth hoorde, dacht ik: en zij gelooft ook in hem. De premier zong het al bijna op zijn laatste congres, waar hij de PvdA voor haar betrouwbaarheid bijkans de hemel in prees. Ik dacht aan de vos en ik dacht aan de passie. Maar de politieke logica ontgaat ons. VVD en PvdA zeggen dat ze tot hun wonderlijke samengaan door de kiezers zijn veroordeeld. Dat is natuurlijk onzin. Kiezers kiezen hun parlementaire vertegenwoordigers, daarna kiezen partijen hun partner. Waarom zou je jezelf dan binden aan degene aan wie je politiek gezien de grootste hekel hebt? Hoewel, na lezing van de geschiedenis van mevrouw Barth weet ik niet of dat eigenlijk wel het geval was. Eigenlijk was de liefde allang daar, maar verborgen. Hoe dan ook, als dit kabinet gedwongen huwelijken gaat verbieden, waarom geeft het dan zelf het slechte voorbeeld? Graag krijg ik een toelichting van de minister-president.

Anders dan Rutte I, waarin rechts knus bij elkaar op schoot gekropen was, is Rutte II een combinatie van tegenpolen. De PvdA, met haar meest linkse programma en lijsttrekker sinds tijden – "SP-light" zou Frans Timmermans zeggen – keerde zich tegen "twee jaar rechts rotbeleid" waarin "de verschillen groter waren geworden" en "bruggen waren weggeslagen". Dit zijn allemaal citaten van Diederik Samsom uit zijn onverzoenlijke periode. Premier Rutte vertelde zijn verkiezingscongres dat "de socialisten de welvaart afbreken" en een "politiek piramidespel" spelen "met onverantwoorde risico's voor de overheidsfinanciën", iets "waartoe de VVD nooit bereid zou zijn". Socialisme of liberalisme? Het ging tijdens de verkiezingen om niets minder volgens de minister-president. Mijn vraag aan de premier is nu: wat is het geworden? Welke koers vaart Rutte II?

Achter de regeringstafel zijn de CDA'ers van Rutte I vervangen door de PvdA'ers van Rutte II. Sommigen noemen dat politiek overspel, maar dat is niet verboden. Laat ik daar dus maar niet op doorgaan. Mijn vraag aan de minister-president is echter wel: waarom is er dit keer geen pariteit in ministersposten, terwijl de PvdA groter is dan het CDA was? Wellicht omdat vertrouwen goed is, maar controle nog beter? Ik krijg het antwoord graag.

Rutte II lijkt een meerderheid in de Eerste Kamer minder belangrijk te vinden dan Rutte I. Het is de vraag of dat wijs is. Wie wijs is, begrijpt dat je hier het beste ongelukken kunt voorkomen door bijtijds zaken te doen aan de overkant. Daar kunnen ze wetsvoorstellen bijstellen; wij kunnen ze alleen kaltstellen. Natuurlijk is onze hoofdregel dat, als een wetsvoorstel goed is, wij vóór stemmen en, als het slecht is, wij tegen stemmen. Maar wat goed is, wordt bepaald door zowel de kwaliteit van de wet en de uitvoerbaarheid ervan als door de politieke weging van elk wetsvoorstel. Hoe wordt de omgang van dit kabinet met deze Kamer nu "een Holdijkje doen" niet langer volstaat? Overigens geen kwaad woord over collega Holdijk. Wij willen allemaal wel eens dat onze stem in haar eentje de doorslag geeft, maar wij heten geen Gerrit Holdijk. Hij haalt de geschiedenisboekjes hier in ieder geval mee en daar complimenteer ik hem mee.

Op wezenlijke punten oogt het regeerakkoord eerder liberaal dan sociaal. Heel veel mensen met lage inkomens en uitkeringen worden de pineut: bijstandsmoeders, werklozen, mensen die langer op hun AOW moeten wachten, werknemers in de sociale werkvoorziening, gepensioneerden wier pensioen wordt gekort, alle werknemers die op de nullijn gaan en studenten. Ik noem nu eigenlijk het lijstje van mevrouw Barth op. Als je miljarden kort op zorg en sociale zekerheid, dan pakt dat doorgaans het beroerdste uit voor de mensen die al het minste hadden. Ondertussen lijkt het dat mensen met de hoogste inkomens en grootste vermogens fluitend de crisis doorkomen onder dit kabinet. Dat is oneerlijk, maar ook onverstandig. Ook OESO en IMF benadrukken immers dat kleinere inkomensverschillen op dit moment beter zijn voor de economische prestaties van een land en dat grotere inkomensongelijkheid het risico op financiële crises vergroot.

Er komt geen fundamentele verandering in de premiebepaling in de zorg. De PvdA leek haar kroonjuweel, de inkomensafhankelijke zorgpremie, te hebben binnengehaald, maar moest die winst nog vóór de regeringsverklaring weer inleveren, omdat Hans Wiegel het niks vond en Loek Hermans de duim naar beneden had. De zorgpremie blijft dus zoals de VVD het wilde en dus blijft ook de concurrentie tussen zorgverzekeraars en de marktwerking in de zorg; zaken waartegen de PvdA zich met ons in de verkiezingscampagne uitdrukkelijk had uitgesproken. Aanvankelijk werd de inkomensafhankelijke premie door de PvdA verdedigd als instrument om de inkomensverschillen kleiner te maken. Dat zou de uitruil met de megabezuinigingen zijn geweest. Zo vertelde collega Hermans het ook in de media. Het was weliswaar tegen zijn zere been, maar hij kon er als VVD'er mee leven. Sinds de algemene financiële beschouwingen in dit huis weten we echter dat minister Dijsselbloem nivelleren geen doel van beleid vindt en dat het woord daarom ook niet in het regeerakkoord staat. Mijn fractie denkt dat het verkleinen van inkomensverschillen niet alleen geen doel van beleid is, maar ook nauwelijks effect van dit beleid zal zijn. Bij de algemene financiële beschouwingen kreeg mijn fractie niet de informatie waar zij om vroeg. Daarom stel ik nu nog eens de vraag aan de premier: welke inkomenscategorie draait relatief het meeste op voor de kosten van de crisis? Daarvoor moeten we niet alleen de mediane maar ook de gemiddelde koopkrachtwijziging kennen van de vier kwartielen van de inkomensverdeling. Zonder duidelijkheid – zeg ik nu alvast tegen de minister-president – wordt het voor ons wel erg lastig om vóór het Belastingplan van de regering te stemmen.

Laat ik enkele voorstellen uit het regeerakkoord opsommen die opgeteld volgens ons bevestigen dat Rutte II eerder liberaal dan sociaal uit de crisis denkt te moeten komen. Ik denk dat ik het daarover met collega Hermans eens ben. Ik wijs op het uitblijven van een inkomensafhankelijke zorgpremie, meer marktwerking in de zorg, minder voorzieningen in het basispakket, lagere ontslagvergoedingen, afbouw van de sociale werkvoorziening, verschraling van de WW in duur en hoogte, het nog eerder verhogen van de AOW-leeftijd en het zetten van het mes in de nabestaandenuitkeringen, de huishoudelijke hulp en de dagbesteding. Oud, ziek of werkloos worden, is pech hebben. Dat lijkt de boodschap van dit kabinet. Maar hoe moet dat als 40% van alle gezinnen nu al geen of een te kleine buffer heeft om een stevige klap op te vangen?

Studenten krijgen opnieuw van doen met een hoop getreiter zonder duidelijk doel. Is het niet met de langstudeerboete, dan maar met het afpakken van de ov-studentenkaart en de basisbeurs. Dat laatste betekent minder studenten, van wie er minder een moeilijke studie zullen kiezen. Ik hoop dat het de regering inmiddels duidelijk is geworden dat de voorstellen omtrent de ov-jaarkaart en het leenstelsel geen prettige ontvangst in deze Kamer zullen krijgen. Ik hoor daar straks graag het commentaar van de minister-president op.

Migranten krijgen net als onder Rutte I weer een beurt: het strafbaar stellen van illegaliteit en het beperken van het verblijfsrecht, het bijstandsrecht en zelfs het stemrecht van migranten. Je hebt de PVV helemaal niet nodig om vervelend beleid tegen migranten te voeren, zeg ik in de richting van mevrouw Barth.

Dan kom ik op de huurders. Ik noem de hogere huren, minder woningbouw, slechter onderhoud en dreigend faillissement voor tientallen woningcorporaties vanwege de verhuurderheffing. Dat is een nieuwe klap voor onze haperende economie waardoor de werkloosheid nog verder zal oplopen en waardoor het vertrouwen van de burger en het bedrijfsleven nog verder zal dalen. De helft van alle bouwbedrijven denkt volgend jaar mensen te moeten ontslaan en het kabinet kiest voor minder bouwen, minder investeren en meer bezuinigen. Dat is volgens ons illustratief voor de keuze om geen sociale, maar een liberale uitweg uit de crisis te zoeken. Dat mag, maar zie ik dat juist? De werkloosheid loopt hard op, vooral onder jongeren en oudere werknemers. Nederland doet het op dit moment economisch slechter dan de landen om ons heen en de meeste landen in Zuid Europa. Hoe zinvol is het dan nog om een regeerakkoord te verdedigen dat de economie nog verder afremt en de werkloosheid extra doet oplopen? Graag krijg ik hierop een reactie van de minister-president.

Zeker voor slachtoffers van de huidige crisis heeft dit regeerakkoord weinig hart. Wie onder dit kabinet werkloos wordt, dendert zonder veel vooruitzicht op nieuw werk richting de armoedegrens. Het weggeven van een fatsoenlijke regeling bij werkloosheid door de PvdA zal wellicht een even groot oproer veroorzaken als de zorgpremie. De vakbonden spreken van een rampzalig plan en zelfs onze oud-collega Wiegel lijkt bereid achter het kopspandoek op het Malieveld mee te lopen. Ik zie daarnaar uit en ben benieuwd hoeveel leden van de PvdA-fractie met mij mee zullen lopen om te horen wat het volk en het veld er zoal van vinden.

Het is niet alleen maar kommer en kwel waar dit kabinet mee komt. Er zijn ook verfrissende voorstellen te vinden in het regeerakkoord. Het is goed dat de hypotheekrenteaftrek wordt beperkt en enthousiast wordt verdedigd door de fractievoorzitter van de VVD, maar verdwijnt daarmee ook de villasubsidie? Het is fijn dat het aandeel duurzame energie omhoog gaat, maar moet dat echt via het bijstoken van biomassa in kolencentrales? Het is mooi dat er een quotum komt voor het aannemen van arbeidsgehandicapten, maar waarom meteen de sociale werkplaatsen afbreken? Het is ook goed dat de woningcorporaties meer aansturing vanuit de gemeenten gaan krijgen, maar kom dan niet aan met een kortzichtige verhuurderheffing waarvan het tweede deel deze Kamer niet eens zal kunnen passeren, volgens mij. Ik heb uit het mooie betoog van collega Brinkman begrepen dat de verhuurderheffing in haar totaliteit voor de CDA-fractie een punt van zorg is. Die zorg delen wij zeer met hem. Het is verstandig om de eigen bijdrage in de eerste lijn van de ggz te schrappen, maar waarom hem dan weer invoeren in de tweede lijn? Of wordt die eigen bijdrage weer afgevoerd, zoals mevrouw Barth zegt? Ik hoor straks graag hoe dat mechanisme werkt, want daar wil ik dan in de toekomst ook graag gebruik van maken. Het is goed dat de verhoging van de griffierechten wordt geschrapt; dit huis had het toch al niet gepruimd. Het is ook heel verstandig dat de rechtsprekende taak van de Raad van State naar de Centrale Raad van Beroep gaat. Dat is in lijn met de motie-Duthler, die hier in 2010 aangenomen werd. Ik dank de regering voor die tegemoetkoming aan de Eerste Kamer en ik feliciteer collega Duthler met dit goede resultaat.

Als we gaan sleutelen aan dit Hoge College van Staat, de Raad van State, is het dan niet wijs om dat in een groter verband te doen? Het is goed dat dit kabinet het onzinplan van het vorige kabinet schrapt om domweg een derde deel van de Staten-Generaal weg te snijden. Maar waarom die amputatiedrang dan wel voortzetten als het om gemeentelijke en provinciale parlementen gaat? Wie vraagt dat? En waarom moeten we nu opeens naar gemeenten met meer dan 100.000 inwoners? Worden we daar echt gelukkiger van? We verlangen van onze gemeenten steeds meer maar geven ze steeds minder mogelijkheden en middelen, terwijl hun tekorten op de grondexploitatie door de crisis almaar oplopen en de verhoging van de onroerendezaakbelasting, of de sluiting van het zwembad, het voetbalveld of de bibliotheek, er alleen maar is om die gaten te dichten.

Sommige zaken kiepert ook deze regering wel erg snel en ondoordacht over de gemeentelijke schutting, zoals de justitiële jeugdzorg. Fijn dat de jeugdzorg naar de gemeenten gaat, maar ik vraag het kabinet om nog eens na te denken over de justitiële jeugdzorg.

Op het lijstje met bestuurlijke hervormingen in het regeerakkoord is terug van weggeweest de deconstitutionalisering van de burgemeester, en krijgen we die van de commissaris der koningin erbij. Waarom eigenlijk? En wat wil de regering met de constitutionele toetsing van onze wetgeving, nu het initiatiefwetsvoorstel-Halsema aan zijn tweede lezing toe is? Gaat zij dwarsliggen of gaat zij mee? Zou het niet verstandig zijn om met een integrale visie te komen op de vraag welke democratische en bestuurlijke structuur ons werkelijk zou helpen de afstand tussen burger en bestuur te verkleinen en de bestuurbaarheid van het land te vergroten? Ook in de context van de Europese Unie, waarvan wij graag of niet steeds meer een deelstaat aan het worden zijn en waarbij het democratische tekort steeds groter wordt. Hoe zouden de Staten-Generaal beter in staat zijn medewetgever, regeringscontroleur en volksvertegenwoordiging te zijn? Dit zijn zaken waarover ook de Parlementaire onderzoekscommissie privatisering/verzelfstandiging overheidsdiensten wijze woorden heeft gezegd, die overgenomen zijn door deze Kamer. Graag een reactie van de minister-president.

Nederland is geen eiland. Over de koers van het kabinet over de grens zegt het regeerakkoord echter weinig. Als het over Europa gaat, heb ik de premier slechts horen zeggen dat het verschil tussen minister Dijsselbloem en zijn voorganger slechts in kilo's uit te drukken is, niet in opvattingen. Dat is vreemd. Tijdens de verkiezingen – ik vertel het nog maar eens tegen mevrouw Barth – benadrukte de PvdA steeds dat de Europese politiek op een dood spoor zat met alleen maar bezuinigen en moest aansturen op het stimuleren van de economische groei. Mevrouw Barth vertelde het ons ook in haar maidenspeech van een jaar geleden. Maar daar hoor je dit kabinet niet over. Zowat de hele unie bevindt zich in een crisis, 14 miljoen jongeren staan werkloos langs de kant, de uitzichtloosheid groeit en de Griekse economie zal met een kwart zijn gekrompen. Dat verdient een beter antwoord dan wat we tot nu toe van het kabinet hebben gehoord of hebben gelezen in de voorstellen van president Van Rompuy en voorzitter Barroso. Wat vindt het kabinet overigens van de voorstellen van die twee Europeanen?

Velen van ons waren blij dat minister Rosenthal ging en dat minister Timmermans kwam, die vorig jaar nog erg graag Europees mensenrechtencommissaris van de Raad van Europa wilde worden. Ik reken erop dat zijn waarderende woorden voor de Raad van Europa en de mensenrechten in zijn beleid beter herkenbaar zullen worden dan in Rutte I. We kenden Frans Timmermans ook als pleitbezorger voor een duurzame vrede tussen Israël en Palestina. Daarom is het voor ons onbegrijpelijk dat hij nu niet vóór statusverhoging van Palestina in de Verenigde Naties heeft gekozen, waar hij als Kamerlid zo enthousiast voor pleitte. Ik ga niet akkoord met het argument van mevrouw Barth dat ministers nu eenmaal een andere verantwoordelijkheid hebben dan Kamerleden. Dat klopt, maar om zich binnen twee maanden tegen te spreken op zo'n essentieel onderwerp, heeft niets te maken met diplomatie maar met draaitolgedrag. Welke taal Frans Timmermans ook rijk is, hij blijft een draaitol en dat zou mevrouw Barth niet moeten accepteren. Ik vraag de minister-president of de regering inmiddels wel bereid is om de Israëlische ambassadeur ter verantwoording te roepen voor het feit dat meteen na de uitspraak van de Verenigde Naties de premier van Israël heeft gezegd dat hij lak heeft aan die uitspraak van de internationale gemeenschap en 300 woningen gaat bouwen op die plaatsen in bezet gebied die hem strategisch het beste uitkomen. Dat is duidelijk in strijd met het internationale recht. Gaat de Nederlandse regering nu wel optreden of houdt zij vast aan de koers dat zij niets zegt en daarmee denkt goed bezig te zijn?

Op het ministerie van Buitenlandse Zaken krijgt de nieuwe minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking onderdak, maar met een enorm gekortwiekt budget. Volgens PvdA-leider Samsom is de PvdA hiermee door de bodem van haar fatsoensnormen gezakt. Dat je daar dan toch je handtekening onder zet, vinden wij dan weer onfatsoenlijk. En dat je er dan ook nog je eigen minister mee belast, is wel bijzonder pijnlijk, masochistisch zelf. De minister denkt met veel minder geld toch veel van hetzelfde te kunnen doen. Dat is een nobel streven maar naïef. In feite laten we de allerarmsten ter wereld bloeden voor een omstreden bezuinigingsbeleid hier. Dat vinden wij onaanvaardbaar. En het verbaast ons dat de PvdA zich naadloos aansluit bij het modieuze verhaal dat hulp handel dient te zijn. Dit, terwijl er nog altijd 1 miljard mensen zijn die amper toegang hebben tot een beetje eten, als het meezit. Die handelen niet, zo zeg ik tegen mevrouw Barth, die hongeren en hebben hulp nodig. Dit regeerakkoord levert onze voortrekkersrol in, en toont zich ook hiermee meer liberaal dan sociaal.

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik begrijp dat de heer Kox zuur is over het beleid van het kabinet. Dat kan ik mij vanuit zijn positie best voorstellen. Maar dat de fractie van de Partij van de Arbeid zich naadloos zou aansluiten bij de bezuiniging op Ontwikkelingssamenwerking terwijl de heer Kox mij daar zojuist toch vrij stevige woorden over heeft horen zeggen, vind ik toch net iets te gemakkelijk.

De heer Kox (SP):

Ik interpreteer deze reactie van mevrouw Barth als volgt. In deze Kamer wil de PvdA-fractie de onaanvaardbare bezuinigingen niet voor haar rekening nemen en is daarom bereid om dat met andere partijen in een motie uit te spreken en de regering op te roepen om in elk geval op het punt waarop wij door de bodem van de fatsoensnormen van de PvdA zijn gezakt de koers te wenden en weer richting 0,7% te gaan. Als ik mevrouw Barth zo goed begrijp, zijn wij in zaken. Aan de overkant werd er anders over gedacht, maar zij is hier fractievoorzitter van haar fractie.

Mevrouw Barth (PvdA):

In mijn inbreng heb ik over die bezuiniging gezegd wat ik erover te zeggen had. Ik heb eerlijk gezegd dat die voor ons heel pijnlijk is, en dat is zij ook. Maar dan moet de heer Kox niet zeggen dat wij er naadloos zomaar even mee akkoord gaan. Er zit namelijk nog iets tussen ertegen zijn en er naadloos mee instemmen, en precies daartussen ben ik gaan zitten in mijn inbreng.

De heer Kox (SP):

Volgens mij kan dat niet. Het is naadloos of het is niet naadloos. Daar kun je niet tussenin gaan zitten.

Mevrouw Barth (PvdA):

Misschien is dat wel het belangrijkste verschil tussen u en mij, mijnheer Kox. Ik ben ervan overtuigd dat er tussen zwart en wit en tussen rood en blauw nog een heleboel kleuren mogelijk zijn.

De heer Kox (SP):

Dat klopt, maar niet alles is een kleurenspectrum. Soms is het ook ja of nee, zoals illegaliteit strafbaar stellen of niet strafbaar stellen. Daar zit niets tussenin. U kon de vraag van mevrouw Strik daarover ook niet beantwoorden. Deze vraag kunt u ook niet beantwoorden. Het moet u zijn opgevallen dat alle kritiekpunten die ik richting regering formuleer, punten zijn die niet alleen in mijn verkiezingsprogramma stonden maar ook in dat van uw partij. U draait zelfs op dit punt, waarvan uw Europese fractie zegt: het is verschrikkelijk dat wij dat moeten doen. Dan constateer ik dat de Partij van de Arbeid daar naadloos bij aansluit. Ik kan niet anders dan dat constateren. Als u zegt dat u wel ruimte ziet, dan wil ik graag zaken met u doen en daar in tweede termijn een motie over indienen, zodat we dat in ieder geval aan het kabinet kunnen meegeven.

Mevrouw Barth (PvdA):

Dat soort moties zijn echt illusoir, zolang u niet bereid bent om te zien wat er gebeurt tussen naadloos ergens mee instemmen en ergens helemaal tegen zijn. Zolang u die ruimte niet opzoekt, kunnen wij helaas niet samen tot moties over zo'n onderwerp komen.

De heer Kox (SP):

Mevrouw Barth, deze maatregel wordt door uw politiek leider omschreven als "hiermee zijn wij door onze eigen fatsoensnormen gezakt". Ziet u daar dan nog veel ruimte zitten, als u door uw fatsoensnormen zakt en ik u oproep om dan samen tegen het kabinet te zeggen: u mag veel doen, u zit daar nu eenmaal, maar op dit punt moet u echt de steven wenden? Vindt u dat echt te veel gevraagd?

De voorzitter:

Laatste keer.

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik krijg een wedervraag, waarvoor excuses. De heer Samsom en ik hebben aangegeven dat wij het met deze bezuiniging heel erg moeilijk hebben. Wij hebben ook meegegeven dat die ruimte gepakt moet worden, zodra er ruimte ontstaat om het anders te doen. Het is dus een onderwerp waar wij heel kritisch op zijn en dat wij ook heel kritisch blijven volgen de komende jaren. Ook onze eigen minister zal dat doen. Het is dus niet zo dat wij hier naadloos mee instemmen. Een regeerakkoord vormen is altijd moeilijk, gaat altijd met geven en nemen, met pijn en met blijdschap. Dit is een onderwerp waar onze partij niet met veel vreugde mee heeft ingestemd. Dat zal de komende jaren ook zo blijven. Daar lopen we ook niet voor weg. De overkant heeft die afspraken gemaakt. Wij bekijken de voorstellen die daarover in onze richting komen. Dat heb ik uit en te na gezegd. Ik vind echter dat u ons niet kunt verwijten dat wij hier zo maar even mee akkoord zijn gegaan. Dat is namelijk niet zo.

De heer Kox (SP):

Ik kan niet anders dan constateren en herhalen dat uw partijleider zegt: wij zijn hiermee door de bodem van onze eigen fatsoensnormen gezakt. Dat is geen kleine kwalificatie, dat is een grote kwalificatie. Als mevrouw Barth zegt dat het voor haar pijnlijk is, en niet feestelijk en fijn, dan denk ik toch meer aan de mensen die het betreft. Vooral voor hen is het niet zo feestelijk en fijn dat een kwart op dat budget wordt gekort. Daarmee doen wij iets wat van Nederland nooit verwacht werd. Zelfs van het CDA kon je niet verwachten dat het zo ver zou gaan. Daarom zal ik in tweede termijn een motie voorleggen. Dat is niet illusoir. Dat kan ik doen. Dan zullen wij eens kijken hoe ver wij met de PvdA komen. Dit is een dusdanige breuk met alles wat de PvdA voor de verkiezingen heeft verteld dat het goed is om er hier een uitspraak over te krijgen. Als mevrouw Barth daar niet voor wil stemmen, mag dat. Dan zakt zij samen met haar partijleider door de fatsoensnorm.

Wie de vruchten van dit regeerakkoord proeft, kan dit kabinet niet als trendbreuk zien en moet het veeleer duiden als een voortzetting van het eerdere liberale beleid van het kabinet-Rutte I, met deels nieuwe ministers. Oude wijn in nieuwe pakken zogezegd. Zie ik dat goed? Ik heb begrepen dat de heer Hermans redelijk tevreden is met dit kabinet, dat hij veel van zijn liberale wensen terugvindt en tegelijkertijd aangeeft wat hij op een aantal punten heeft moeten geven. Het betoog van mevrouw Barth heb ik niet begrepen. Ik heb begrepen dat zij het regeerakkoord ziet als een paper waarmee wij de samenleving ingaan, goed met de mensen gaan praten en als er betere alternatieven zijn daarmee voor de dag komen. Ik weet dat onze minister-president flexibel is en graag met deze Kamer zaken wil doen. Mocht het zo zijn dat het regeerakkoord het begin van beleid is en dat wij er nog over kunnen spreken, dan wil ik dat graag weten, want dan zal mijn fractie creatieve voorstellen doen om het beleid te verbeteren.

Een land moet worden geregeerd, zeker in crisistijd. Ik heb veel kritische woorden aan het adres van het kabinet geuit, maar dit kabinet gaat die uitdaging aan, is daartoe gelegitimeerd en verdient daarvoor ons respect. Er zijn betere tijden om minister-president te zijn dan deze tijden. Ik heb daarom straks nog iets voor hem, want morgen is het Sinterklaas en hij moet het toch allemaal maar doen in deze tijd.

Mijn fractie is en blijft echter uitermate sceptisch over dit kabinet dat eigenlijk niet kan, omdat het twee zielen in zijn borst heeft wonen. Het onverzoenlijke verzoenen is nogal hoog gegrepen. Kijk er de wereldliteratuur en de nationale politieke geschiedenis maar op na, maar ook de recente vaderlandse geschiedenis. Proberen mag echter altijd en daarin wens ik het kabinet veel sterkte. Een motie van wantrouwen of afkeuring, die de vrienden van de PVV hebben ingediend nog voordat de minister-president één woord heeft gezegd, zal mijn fractie dan ook niet steunen. Dat vinden wij teveel van het goede. Het kabinet heeft het vertrouwen in de Tweede Kamer gekregen en hier gaan wij eerst zijn daden bezien.

Het aardige is dat, nadat een wet in de Tweede Kamer is aangenomen, het hier nooit een gelopen race zal zijn. Dat maakt alleen maar dat er hier meer leven in de brouwerij komt en daar varen wij allemaal wel bij. Wij zijn benieuwd om te horen of deze algemene beschouwingen voor het kabinet argumenten bevatten om voorgenomen beleid wellicht bij te stellen. Dat kan helpen om tot een goede verhouding met deze Kamer te komen. Wij zien uit naar de reactie van regeringswege. Voor nu en straks zeg ik de premier en zijn kabinet: bij alles waar politieke spanning bestaat, bezint, eer ge begint. Een ongeluk is snel gebeurd, maar je kunt het ook voorkomen.

Omdat ik niet zeker weet of de minister-president morgen wel iets in zijn schoentje vindt met al die kritiek die ik heb gegeven, heb ik voor hem een boekje van Arjan Vliegenthart, waarin hij in enkele pagina's uitlegt hoe je de Europese crisis ook zou kunnen aanpakken. Ik wil dat graag aan de minister-president geven. Voor het geval hij niet in de goedheilig man gelooft, mag hij het ook in het schoentje van de viceminister-president leggen.

De voorzitter:

De heer Kox mag het boekje geven.

De heer Engels (D66):

Voorzitter. Tot verdriet van de D66-fractie is vorige week de vader van onze fractievoorzitter Roger van Boxtel overleden. Wij leven zeer met hem en zijn familie mee en hebben uiteraard alle begrip voor het feit dat hij vandaag het woord niet kan voeren.

Namens mijn fractie wens ik het nieuwe kabinet geluk en heet ik het welkom in ons midden, niet alleen omdat wij opgelucht zijn omdat er een einde is gekomen aan de wat ons betreft in alle opzichten vreugdeloze vorige coalitie. Deze kabinetsformatie vond plaats op basis van de nieuwe procedure onder regie van de Tweede Kamer. Alle spookverhalen en doemscenario's vooraf ten spijt bleek de Tweede Kamer prima in staat om de formatie van een nieuw kabinet zelf in goede banen te leiden. Deze eerste proeve van een transparante procedure met een volledige politieke en democratische verantwoordelijkheid bij de direct gekozen volksvertegenwoordiging heeft de Tweede Kamer goed doorstaan. Hoewel de premier vooraf nog aangaf toch gewoon naar de Koningin te willen, heeft hij zich tijdens het proces ruimhartig en correct gevoegd in het nieuwe regime. Mijn eerste vraag aan de minister-president is waarom hij na afronding van de formatie blijkbaar toch weer heeft gezinspeeld op een rol voor het staatshoofd. Is dat nu verstandig als eerstverantwoordelijke voor de waarborging van het constitutioneel onschendbare staatshoofd? Is dat ook verstandig in het licht van het politieke primaat van het parlement?

Een tweede punt betreft de verhouding tussen kabinet en Eerste Kamer. De staatsrechtelijke en politieke analyses van de minderheidspositie in dit huis lopen enigszins uiteen. Wat mij betreft, is die positie glashelder. De soms nog gehoorde suggestie dat de Eerste Kamer staatsrechtelijk gehouden zou zijn tot politieke terughoudendheid in de aanwending van zijn wetgevende en controlerende bevoegdheden en zich uit dien hoofde zou moeten beperken tot een juridische toetsing van wetgeving, berust in mijn ogen op een misverstand dan wel op politieke framing.

De Eerste Kamer is, met inbegrip van de gerichte zorg voor de juridische kwaliteit, de wat minder gehaaste politieke cultuur en de over het algemeen hoogstaande omgangsvormen, uiteindelijk een politiek orgaan. Er bestaat dan ook geen enkele staatsrechtelijke belemmering voor de politiek autonome fracties in deze Kamer om in de toepassing van zowel de wetgevende als de controlerende bevoegdheden een politieke eindafweging te maken, al zal daarbij een zekere distantie in acht worden genomen ten opzichte van het politieke bedrijf van alledag. Wie dat niet goed vindt, moet de Eerste Kamer maar afschaffen.

Mijn tweede vraag is hoe de minister-president tijdens de formatie heeft gekeken naar de politieke en staatsrechtelijke positie van het beoogde kabinet in de Eerste Kamer en welke conclusie hij op dit moment op dit punt trekt.

Het regeerakkoord is in de kern gericht op de economische crisis waarbij bezuinigingen, groei en werkgelegenheid voorop staan. Met het kabinet wil ook mijn fractie de economie stimuleren en de staatsschuld terugbrengen. Wij zijn in dat verband verheugd een aantal hervormingsmaatregelen terug te zien die D66 al jaren heeft bepleit, maar wij zien ook de tekortkomingen op punten als onderwijs, duurzaamheid en de rechtsstaat.

Een veelgestelde vraag is of er nu voldoende stabiliteit is binnen kabinet en coalitie. Wij zagen al bij de start al een VVD-oploop tegen het geplande nivelleringsfeestje in de zorg. Niet veel later lazen wij dat enkele PvdA-senatoren, niet de eerste de besten, de strafbaarstelling van illegalen – anders overigens dan hun politieke leider aan de overzijde – niet zien als een symbolische maatregel. Ik vraag mij af of dit nu het beeld van de komende maanden zal worden. Zal de uitruilformule ook bestendig blijken als de wetgevingsmachine op gang komt?

Onze Grondwet draagt de ministerraad op de eenheid van het regeringsbeleid te bevorderen. Waar de ministers verantwoordelijk zijn voor het beleid als geheel, is het de vraag in hoeverre VVD en PvdA in beide Kamers niet alleen verdedigen wat van henzelf is, maar ook staan voor de gezamenlijk gemaakte keuzes. Misschien kan de minister-president daar ook in deze Kamer iets over zeggen.

Onze verzorgingsstaat is al een groot aantal jaren onbetaalbaar en onbestuurbaar. De overheid heeft te veel pretenties ontwikkeld en is zo langzamerhand overvraagd. Nu de prestaties al een flink aantal jaren zijn achtergebleven, heeft de verzorgingsstaat in maatschappelijk opzicht veel van zijn legitimerende functie verloren. Voor de houdbaarheid van onze collectieve voorzieningen zijn daarom structurele hervormingen nodig, hervormingen die bijdragen aan de sanering van de openbare financiën en een herstel van de economie. Dogmatisch vasthouden aan verworven rechten biedt geen perspectief.

Om financiële en morele redenen is het noodzakelijk onze collectieve voorzieningen scherper af te grenzen. Zoals blijkt uit het jongste rapport van het SCP, Een beroep op de burger, zijn veel burgers inmiddels bereid meer eigen verantwoordelijkheid te nemen. In die context staan de al eerder door mijn fractie bepleite hervormingen. Mijn fractie verwelkomt in die zin de initiatieven van het kabinet voor het openbreken van de arbeidsmarkt en de woningmarkt. Helaas zijn wij echter al snel beland in een discussie over lastendruk en inkomenspolitiek. Nivellering en te hoge lasten dragen echter niet bij aan een gezonde begroting en aan een herstel van de stagnerende economische groei. Graag vraag ik de minister-president of hij daarop wil reageren.

D66 wil de staatsschuld terugdringen, de begroting op orde brengen en de kenniseconomie duurzaam laten groeien. Bezuinigen, maar ook hervormen en investeren. De energiecrisis en de klimaatcrisis vragen maatregelen om tot een meer duurzame economische groei en een meer groene samenleving te komen: niet alleen economische, maar ook ecologische welvaart.

Het regeerakkoord spreekt mooie woorden over het belang van duurzaamheid, maar mijn fractie ziet groene banen, groene energie en natuurbehoud niet echt dichterbij komen. Zo is de vergroening van het belastingstelsel uit het Lenteakkoord alweer teruggedraaid. Het kabinet lijkt vast te houden aan de verouderde opvatting dat voor vergroening en verduurzaming van de economie alleen plaats is in tijden van economische voorspoed. Er is vandaag gesproken over het verhaal van de Rabo-economen gisteren in de Volkskrant. Mijn fractie wil van de financiële en economische nood een duurzame deugd maken, bijvoorbeeld door aandacht te vragen voor een meer circulaire economie. Ik vraag aan de premier of hij ruimte en kansen ziet voor een meer duurzame economie.

Een duurzame en toekomstgerichte economie vraagt ook een open kenniseconomie die werkt op basis van een inspirerende combinatie van ondernemerschap, innovatieve kracht en kennisgroei. Onderwijs en onderzoek zijn essentiële dragers van onze economie. D66 wil ruim 1,5 miljard extra investeren in onderwijs, onderzoek en innovatie. Het kabinet zit hierbij hooguit op de nullijn. Dat is wat ons betreft contraproductief. Ik vraag de premier waarom de coalitiepartners deze kaart niet met meer ambitie hebben getrokken en hoe hij onze onder druk staande positie op de internationale ladder van kenniseconomieën waardeert.

Ik richt mijn blik over de grenzen. Dat mag nu weer en het is ook nodig. De vorige coalitie heeft zich de afgelopen twee jaar naar binnen gekeerd, verstopt achter de dijken, en de buitenwereld bestookt met provocaties. Dat heeft onze positie in het buitenland ernstig geschaad. Een nieuwe coalitie en een normaal kabinet bieden de kans om de blik weer naar buiten te richten en de toegebrachte reputatieschade te herstellen. Wij moeten Nederland weer te herpositioneren als voortrekker in de Europese Unie van de ontwikkelingssamenwerking en in de internationale rechtsorde. Wij zijn dat aan onze stand verplicht.

Een belangrijke vraag is welk perspectief het kabinet schetst op deze punten. De plannen voor ontwikkelingshandel en de negatieve opstelling in de VN over de volkenrechtelijke opwaardering van de Palestijnse staat zijn weinig bemoedigend. Daarover is al veel gezegd. Ook over de toekomst van Europa horen we nog weinig. De minister-president heeft blijkbaar geen behoefte aan Europese vergezichten. Europa heeft echter wel degelijk behoefte aan een vergezicht. Deze maand moeten de regeringsleiders belangrijke besluiten nemen over de begroting.

Mijn fractie ziet op dat punt twee belangrijke ontwikkelingen. Ten eerste de gegroeide Europese invloed op de nationale begrotingen en het economische beleid. Ten tweede de toegenomen financiële solidariteit via het ESM. Deze grotere Europese invloed op de nationale besluitvorming is alleen aanvaardbaar als de effectiviteit en de democratische legitimiteit in Europa worden versterkt. Daarbij zullen de bestaande Europese instellingen tot uitgangspunt moeten worden genomen. In die context staat de vraag naar een verregaand geïntegreerde Unie. Wij vragen het kabinet met ambitie en inzet op weg te gaan naar een democratischer, doelmatiger en daadkrachtiger Europa. Graag vraag ik de premier hoe dit kabinet naar de toekomst van Europa kijkt.

Mijn fractie heeft met gevoelens van verbazing en zorg gezien hoe in de afgelopen jaren de rechtsstatelijke waarden op de achtergrond zijn geraakt. Met name in de justitiële sfeer, waar in een snel tempo bevoegdheden van politie en justitie eenzijdig zijn versterkt. Met weinig vreugde zien we nu dat het regeerakkoord de teruggekeerde bewindslieden ruimhartig faciliteert om op de ingeslagen weg voort te gaan: meer repressie, begrip voor eigenrichting, ik verwijs naar het zogeheten "inbrekersrisico", en een structurele relativering van het recht op privacy.

Ook de nieuwe maatregelen staan op gespannen voet met de rechtsstaat. Ik noem als voorbeeld het direct ten uitvoer leggen van opgelegde straffen. Het uitzitten van een straf voordat daarover in hoger beroep is beslist, lijkt in strijd met de onschuldpresumptie en lijkt ook niet EVRM-proof. De beide bewindslieden beginnen zo langzamerhand meer op bewindslieden van straf dan van strafrecht te lijken. Intussen voelen de burgers zich al veiliger dan een tijdje geleden, zo blijkt uit onderzoek.

Ook de vreemdelingenparagraaf baart mijn fractie zorgen. Vooral met de strafbaarstelling van illegaliteit slaat het kabinet wat ons betreft de rechtsstatelijke en humanitaire plank flink mis. Voor de PvdA maakt het kinderpardon blijkbaar alles goed. Wij zullen zien wat het politieke voorsorteren van enkele vooraanstaande PvdA-senatoren uiteindelijk waard is. Dat was meer de boodschap van de bezorgde en geduldige mevrouw Barth, die ik hier veel gehoord heb.

Bij mijn fractievoorzitter hangt thuis een achttiende-eeuwse gravure aan de wand, waarop onder een geschetste volksopstand in het Oudnederlands staat geschreven: "Aen 't volk betaamt geen Straf, noch tomeloosch Geweld. De misdaed moet beproefd, daer Wet en Reden geld." Wat ons betreft zou het kabinet dit mede tot zijn credo mogen maken, daarmee een goede vaderlandse traditie voortzettend.

Ik vraag de minister-president op grond van deze observaties of hij kan toelichten wat dit kabinet nu precies verstaat onder de Nederlandse rechtsstaat en in hoeverre de aangekondigde maatregelen met name op het terrein van veiligheid en justitie daaraan voldoen. Zou het niet beter zijn dat het kabinet iets minder aandacht besteedt aan de wetgevingsmachine en misschien meer aandacht geeft aan de uitvoering in de strafrechtketen? Dat zou het vertrouwen van de burger in politie en justitie aanzienlijk kunnen bevorderen.

Die veiligheidsreflex ziet mijn fractie tot slot in de in stand gelaten verplaatsing van de openbareordepijler onder het veiligheidsbeleid binnen het ministerie van BZK naar dat van Veiligheid en Justitie. Nu is daaraan ook de portefeuille immigratie en asiel nog toegevoegd. Waar in onze overheidsorganisatie altijd de departementale scheiding van de elementen democratische rechtsstaat en justitie voorop stond, is nu veiligheid alles bepalend geworden. De hiermee geschapen monopoliepositie van het ministerie van Veiligheid en Justitie spoort volstrekt niet met het uitgangspunt van checks-and-balances in de verhouding tussen justitie en openbare orde. Mijn fractie vindt dit een zorgelijke ontwikkeling en verbaast zich erover dat de PvdA hieraan wil meewerken. Kan de minister-president aangeven of de departementale herindeling op dit punt niet te eenzijdig is vormgegeven? En kan hij dan in zijn reactie meteen ingaan op de paradoxale oplossing om op het uitgeklede ministerie van BZK een tweede minister te plaatsen, hoewel wij een compacte overheid nastreven?

Het vertrouwen in onze democratie blijft een zorgpunt. Over de crisisverschijnselen in ons politieke stelsel bevat het regeerakkoord niets. Alsof het niet problematisch is dat in de huidige partijendemocratie politieke partijen zowel de kiezers als de staatsorganen volledig hebben gekoloniseerd, maar intussen veel maatschappelijke legitimatie en relevantie hebben verloren. Alsof niet door een volstrekt monistische politieke cultuur van meeregerende coalitiefracties het onderscheid tussen de wetgevende en de uitvoerende macht feitelijk vrijwel volledig is verdampt. Alsof kiezers geen signalen afgeven dat zij meer invloed op bestuurders en besluiten willen uitoefenen en zich niet meer willen laten bevoogden vanuit oude ideologieën.

Mijn fractie is onverminderd van mening dat voor een herstel van vertrouwen in de politieke democratie ook institutionele hervormingen nodig zijn. Wij moeten onze burgers meer zeggenschap geven over hun eigen leven en over de richting van de samenleving.

De D66-fractie heeft intussen wel verheugd genoteerd dat het kabinet wil meewerken aan de door D66 gewenste deconstitutionalisering van de aanstelling van de burgemeester. Maar mijn vraag aan de minister-president is wel waarom het kabinet op het punt van de hervorming van de democratie niet meer ambities heeft ontwikkeld. Bestaat er geen evidente relatie meer tussen een meer compacte overheid, een meer doelmatige en doeltreffende rijksdienst, een strakker getrokken bestuurlijke organisatie enerzijds en een modern vormgegeven politiek stelsel anderzijds? Graag hoor ik hierover nader.

In dat licht is het ook teleurstellend dat de met een modernisering van de overheid verband houdende aanpassing van de Grondwet is genegeerd. Graag verneem ik van de minister-president of hij bereid is, in samenspraak met de minister voor de democratische rechtsstaat, een geactualiseerde kabinetsreactie te bevorderen over het Grondwetsrapport van de staatscommissie-Thomassen.

Zeer bemoedigend is weer wel dat het kabinet de qua slagvaardigheid en democratische legitimatie vastlopende bestuurlijke organisatie met aanzienlijk meer ambitie en dynamiek aanpakt dan het vorige kabinet. Mijn fractie pleit al vele jaren voor een structurele, consistente en systeemconforme oplossing van de problemen van bestuurskracht en bestuurlijke drukte in het decentraal bestuur. Er liggen inmiddels vele studies die de urgentie aantonen om met name in het lokale en regionale bestuur tot een opschaling en verdunning te komen. Mijn fractie roept het kabinet op om op dit dossier flink de pas erin te zetten.

Ik sluit af, voorzitter. Ik zie ook dat het tijd is. Het kabinet belooft een hoog tempo. Alle in het regeerakkoord aangekondigde wetgeving zal binnen een jaar bij de Tweede Kamer zijn ingediend. Wij zijn benieuwd.

Te waarderen is de vaart waarmee een aantal rechtsstatelijke en democratische dubieuze voorstellen van de vorige coalitie over minimumstraffen, griffierecht, het dubbele paspoort en de verkleining van het aantal Kamerleden is ingetrokken. Daarmee zijn we er echter nog niet. In dit huis kan het kabinet immers niet op voorhand rekenen op een vaste meerderheid.

Mijn fractie ziet in het regeerakkoord een aantal goede aanzetten tot financiële gezondmaking en economisch herstel. Zaken als duurzaamheid, kennis, rechtsstaat en democratie komen er echter bekaaid af. Mijn fractie ziet ook dat hier vandaag nog niet echt een stabiel, laat staan vooruitstrevend middenkabinet zit. De D66-fractie zal de voorstellen van kabinet dan ook kritisch, maar met een zekere welwillendheid beoordelen. Wij zullen vanuit staatsrechtelijke én politieke kaders naar de kwaliteit van wet- en regelgeving kijken. De uitgangspunten daarvoor heb ik vandaag proberen te schetsen. Mijn fractie hoopt dat het nieuwe kabinet meer toekomstgericht en met vertrouwen in de vooruitgang zal opereren. De reactie van de minister-president wacht ik dan ook met veel belangstelling af.

De voorzitter:

U begrijpt dat ik u wat meer tijd heb gegund omdat u op het laatste moment moest invallen.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Voorzitter. De reden dat ik hier sta is natuurlijk niet zo vrolijk makend, maar onze fractie heeft er goede hoop op dat onze echte voorzitter na het kerstreces zijn werkzaamheden weer kan hervatten. Ook ik wil het kabinet heel graag welkom heten in dit huis en feliciteren met het akkoord. Overigens wil dat natuurlijk niet zeggen dat ik het onderschrijf.

De start van dit kabinet ging niet onopgemerkt aan Nederland voorbij. Door de consternatie rond de zorgpremie sloeg het regeerakkoord in als een bom. Dit kabinet was bijna de geschiedenis ingegaan als het eerste dat bezweek aan zijn eigen regeerakkoord. De jongens waren ook zo enthousiast over elkaar, over hun zelfbedachte spelletje, dat ze vergaten om zich heen te kijken. Volgen ze ons nog? Ze vergaten naar de toekomst te kijken. Wat gaan deze afspraken eigenlijk voor Nederland betekenen? Jongens zijn nu eenmaal niet zo heel goed in multitasken. Het is de vraag hoeveel vrouwen er tot het kabinet moeten toetreden om dat gemis op te vangen.

Uiteraard bevat het akkoord veel slecht nieuws voor praktisch iedereen in onze samenleving. Wij zijn niet zo flauw om onvermijdbare bezuinigingen af te kraken om stemmen te winnen, al zouden we die goed kunnen gebruiken. Het kabinet kan gerust zijn, wij betalen niet met gelijke munt terug. Economische tijden vragen om redelijk denkende politici die naar de langere termijn kijken en bereid zijn een eerlijke boodschap uit te dragen. Wat we van Griekse politici vragen, zullen we vooral ook zelf moeten doen. Dat neemt niet weg dat politici hun visie moeten laten zien en wat hun keuzes zijn. Veel keuzes van dit kabinet zijn niet de onze. Het merkwaardige is nu dat de twee coalitiepartijen hetzelfde beweren. Zijlstra verkondigde het bijna met trots: wij hebben geen gezamenlijke visie. Daarmee beoogde hij zich misschien te kunnen distantiëren van de door de PvdA bedongen punten, maar zo goedkoop kun je natuurlijk niet op de eerste rang plaatsnemen. Met de beste wil van de wereld lukt het ons niet om het motto "het land moet geregeerd, hier zijn de spreadsheets" als visie te erkennen.

Dat is gek, want je kunt niet vier jaar lang een regeringsbeleid bouwen op een setje afspraken, zonder te formuleren wat voor soort samenleving je nastreeft voor over vier, acht of twintig jaar. Hoe gaan we de klimaatdoelstellingen halen? Wat willen we in en met Europa en de rest van de wereld bereiken? Zonder dat kompas raak je op elk kruispunt verlamd: waar moesten we ook alweer heen? Ook als de ene coalitiepartner links wil en de andere rechts, is stilstaan in verwarring het resultaat. Met de afschaffing van de forensentaks wordt stilstaan sowieso al een dreigend scenario. Bovendien kun je niet wegkijken van de maatregelen van je coalitiepartner. Achter strafbaarstelling illegaliteit bijvoorbeeld zit wel degelijk een maatschappijvisie, waar de PvdA zich met dit akkoord feitelijk achter heeft geschaard. Wij kijken uit naar de positie van de senaatsfractie. Mevrouw Barth gaf al aan dat op de inhoud te zullen beoordelen. Maar uiteindelijk zal het toch ja of nee zijn, want een beetje strafbaar kun je iemand niet maken. Wat is de leidraad, het toetsingskader van dit kabinet dus bij nieuwe keuzes? Zijn er op zijn minst enkele criteria afgesproken, behalve dat elke keuze begrotingsneutraal moet zijn? Graag hoor ik deze van de premier.

De pijnlijke keuzes van nu zouden in onze ogen ten dienste moeten staan van een aantal kernwaarden. Ik noem er enkele: iedereen telt en doet mee, ongeacht achtergrond of talenten, het kwetsbare wordt beschermd, de economie verduurzaamt en we nemen onze verantwoordelijkheid voor de toekomst, maar ook voor de kwetsbaren buiten onze landsgrenzen. Veel keuzes van dit kabinet kunnen een toets aan deze waarden niet doorstaan.

Als we streven naar meedoen in de samenleving, is werkgelegenheid van vitaal belang. De recente CBS-cijfers zijn dramatisch. Wat wordt de inzet van dit kabinet? Laten we het bij louter negatieve prikkels, waardoor niemand aan het werk geholpen wordt, of komen er echt stevige maatregelen? We vrezen ook voor de beschikbaarheid van beschut werken in de toekomst. Juist voor arbeidsgehandicapten is meedoen cruciaal. Is het kabinet bereid tot aanpassingen, als 30.000 plaatsen onvoldoende blijken te zijn? Hoe houden en krijgen we 50-plussers aan het werk? Waarom wordt er niet geïnvesteerd in het begeleiden naar werk? Wat doet dit kabinet nu feitelijk aan de verbetering van de positie van zzp'ers? Ik denk daarbij aan voortzetting van hun pensioenfonds als ze starten en aan zelfstandigenaftrek en starterskortingen. Kamerlid Blok heeft daar enkele jaren geleden nog een initiatiefwet voor aangekondigd, het zou een gemiste kans zijn om dit nu niet goed te regelen.

Ook GroenLinks wil de zorg hervormen om de kosten te kunnen beperken, maar wel denkend vanuit mensen die zorg nodig hebben en zorg verlenen. Dit kan bijvoorbeeld door de eigen regie van de mensen over de zorgverlening juist te versterken. Dat mes snijdt aan twee kanten: mensen krijgen het maatwerk dat en de zorg die ze verkiezen, en grote zorginstellingen verliezen hun vanzelfsprekende monopolieposities. Dat maakt de zorg beter en goedkoper. Waarom heeft het kabinet de eigen keuze niet meer als leidraad genomen, behalve dan bij de AWBZ?

Het kabinet snijdt de huishoudelijke hulp weg; voor de lage inkomens blijft 25% over. Maar veruit het grootste deel van deze groep bestaat uit lage inkomens. Van de gemeente Nijmegen hoorden wij dat zelfs 65% niet meer dan € 20.000 per jaar te besteden heeft. Dit mes snijdt in negatieve zin aan twee kanten, want de preventieve functie van huishoudelijke hulp vervalt en veel laagopgeleide vrouwen raken hun baan per 1 januari kwijt.

Terwijl in het Lenteakkoord 100 miljoen aan bezuinigingen op passend onderwijs is geschrapt, snijden VVD en PvdA nu op slinkse wijze alsnog 50 miljoen op dit dossier. Dit treft de zeer kwetsbare jongeren die de ondersteuning hard nodig hebben om hun weg naar de samenleving en de arbeidsmarkt te vinden. Hoe zorgt het kabinet ervoor dat deze groep niet rechtstreeks de uitkering inglijdt?

Juist op het gebied van zorg van welzijn is het gebrek aan visie pijnlijk, omdat je daar met een integrale aanpak zoveel aan preventie kunt doen. Er is geen visie en ook geen goed zicht op de integrale effecten, maar er zijn wel snoeiharde bezuinigingen op de korte termijn. Wij vrezen dat die combinatie veel schade zal aanrichten.

De taken voor gemeenten worden over de gehele breedte aanzienlijk zwaarder. Gemeentelijke vrijheid kan veel moois en creatiefs opleveren, maar met de immense bezuinigingsopdracht zal het toch vooral tot verschraling leiden. Het kabinet stuurt aan op schaalvergroting en meer intergemeentelijke samenwerking. GroenLinks steunt dat voor zover mensen in de gemeenten daar beter van worden, of er althans niet onder lijden. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als de uitvoering van de taken effectiever wordt en de democratische inbedding voldoende blijft. Wij maken ons zorgen over de intergemeentelijke samenwerking. Gemeenteoverstijgende diensten zijn moeilijk te controleren door gemeenteraden. Welke remedie ziet de regering om het nu al gapende gat in dit opzicht te dichten?

Een groep wordt met dit akkoord wel verlost van de onzekerheid en kan eindelijk volop meedoen in de samenleving. Dat zijn de gewortelde kinderen. In hun levens is dit van vitaal belang. Echter, buiten degenen die in de prijzen vallen, is het algemene migratie- en integratiebeleid nog onverminderd guur en gericht op uitsluiting, zelfs van mensen zonder enig verblijfsalternatief. Genoemd is al de strafbaarstelling illegaliteit, maar ook het wetsvoorstel "eens illegaal, altijd illegaal". Soms gaat dit kabinet zelfs nog verder dan zijn voorganger, bijvoorbeeld door migranten nog twee jaar langer uit te sluiten van stemrecht en verblijfszekerheid. De VVD en PvdA hebben blijkbaar behoefte aan de uitstraling dat Nederland de PVV helemaal niet nodig heeft om de strengste van Europa te zijn. En zo zit PVV niet langer op de achterbank maar aan het stuur, en nog comfortabeler dan in haar gedoogpositie.

Nederland scoort, en ik zou willen zeggen: ook, het slechtst van alle EU-lidstaten op het gebied van klimaatbeleid, zo bleek onlangs uit onderzoek. In de Tweede Kamer is een motie aangenomen om de klimaatdoelstellingen aan te scherpen. Hoe gaat de regering deze motie uitvoeren en met welke urgentie? Kan de premier uitleggen waarom niet is gekozen voor fiscale vergroening en afschaffing van milieuschadelijke subsidies, zoals in het Lenteakkoord?

De minister heeft merkwaardig genoeg in dit huis het aannemen van de motie van mijn collega Vos over woningisolatie afgeraden. Banen in de bouw en glaswol in de spouw, wat wil je nog meer? De bouwbranche was blij met deze maatregel uit het Lenteakkoord, een draagvlak dat de PvdA zou moeten aanspreken. Het kabinet treedt niet overtuigend met alternatieven naar voren. Dat mensen energie besparen op hun eigen woning, wordt immers door de cijfers helaas gelogenstraft. De heffing van 2 miljard op de woningbouwcorporaties helpt daarbij ook niet.

Heeft het kabinet de effecten hiervan doorgerekend? Veel corporaties komen knel te zitten: ze kunnen de huren niet verhogen, maar moeten wel veel van de huur afdragen. Tevens hebben ze weinig perspectief op inkomsten uit verkoop. Onderkent het kabinet het risico dat maatschappelijke investeringen zoals sociale woningbouw, leefbaarheid, sociaal vastgoed en energiebesparing zullen uitblijven en daarmee in feite ook weer de werkgelegenheid zullen drukken? Welke oplossing ziet het kabinet voor de groeiende groep die van de sociale huur afhankelijk is?

"Het Nederlandse belang is praktisch altijd het Europese belang", zo hoorde ik minister Dijsselbloem hier vorige week zeggen. Dat klinkt mijn fractie als muziek in de oren. Het is verfrissend na twee jaar kortzichtig optreden in Brussel. Het getrokken pistool van premier Rutte is hopelijk niet het nieuwe symbool van toenadering zoeken met andere lidstaten. Is de regering wel tot het uiterste bereid om de zwakkere economieën van de Eurozone te redden? Ondanks de kwijtschelding bij private crediteuren is de Griekse schuldenlast nog steeds onhoudbaar. De kans op terugbetaling wordt bovendien kleiner naarmate Griekenland verder afglijdt, terwijl de kans op politieke instabiliteit wel groeit. Wanneer is voor de regering het omslagpunt bereikt dat zij zegt dat zij haar verlies ook gaat nemen om een verdere neerwaartse spiraal te stoppen?

Wat is de regering een schokbestendiger euro waard? Is het kabinet bereid om constructiever mee te praten over de vormgeving van eurobonds en een eurozonebegroting, zodat wij discipline en solidariteit kunnen afdwingen en minder in de greep zullen zijn van financiële markten?

Juist omdat het internationale recht in ere hersteld leek te worden, stelde het stemgedrag van onze regering bij de toekenning van de waarnemersstatus van de staat Palestina zwaar teleur.

De heer De Lange (OSF):

Ik heb een opmerking over de Europese situatie. Collega Strik breekt een lans voor kwijtschelding van schulden. Kwijtschelding van schulden zou natuurlijk bespreekbaar zijn als dat ook landen als Griekenland, Spanje, Italië en straks Frankrijk uit de echte problemen helpt. Denkt mevrouw Strik nu werkelijk dat de echte problemen van bijvoorbeeld Griekenland alleen gelegen zijn in een groot schuldenpakket? Zou het niet zo zijn dat allerlei ondernemingen in Griekenland de competitie niet aankunnen? Zou het niet zo zijn dat er politieke instabiliteit is? Zou het niet zo zijn dat iedereen met geld allang het geld naar het buitenland heeft gebracht? Zou het niet zo zijn dat iedereen die in Griekenland iets geleerd heeft, het land heeft verlaten om er nooit meer terug te komen? Zouden dat niet de echte problemen zijn?

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ik vat het samen in één vraag: is dit de oplossing voor het probleem in Griekenland? Griekenland heeft andere problemen dan bijvoorbeeld Spanje of Portugal, gelukkig is de heer De Lange dat met mij eens. Ik wil absoluut niet beweren dat het kwijtschelden van schulden de panacee is voor alle oplossingen. Dat hebben wij ook met minister Dijsselbloem besproken. De minister zegt dat hij veel meer gelooft in die andere maatregelen en dat hij hervormingen op gang ziet komen, wat belangrijk is. Uiteraard moet die druk erop blijven. Tegelijk kun je zien dat als te lang wordt gewacht met kwijtschelding, dit juist ook weer een negatief effect heeft. Het zal dus allebei moeten worden gedaan.

Ik vervolg mijn beschouwing bij de waarnemersstatus. De motivatie waarom de regering zich heeft onthouden bij het stemmen, is verre van bevredigend: een stem vóór zou het vredesproces kunnen schaden. Minister Timmermans wil president Obama een kans geven. Tot nu toe echter hebben de democraten de afgelopen decennia elke resolutie van de VN richting Israël geblokkeerd. Al die tijd bouwt Israël met zijn illegale nederzettingen letterlijk aan een fait accompli. Wij kunnen niet passief toezien dat kinderen in de Palestijnse gebieden getraumatiseerd opgroeien, dat mensen de kans wordt ontnomen in hun levensonderhoud te voorzien of vrij te kunnen bewegen. Ook voor Israël is deze weg heilloos. Toch gebruikt de Europese Unie haar drukmiddelen niet om een positieve kering te bereiken. Wat is de inzet van de regering binnen de Unie op dit terrein? En welke maatregelen neemt het richting Israël, dat nu extra nederzettingen bouwt en de geldkraan dichtdraait om de Palestijnen enkel en alleen te straffen voor hun verzoek om erkenning? Ziet de premier werkelijk berispend toespreken als een passende reactie?

De economische en financiële crisis kent vele oorzaken, deze liggen in elk geval niet in de ontwikkelingslanden. Toch noemt dit kabinet een korting van 1 miljard op ontwikkelingssamenwerking gerechtvaardigd. Waar we ook bruggen slaan, naar de armere landen halen we die juist op. In feite is de kaalslag nog veel groter. We gaan uit het OS-budget immers ook het bestrijden van de klimaatcrisis betalen. Dit kan op termijn een derde van het OS-budget beslaan. Ook aan de klimaatcrisis heeft de Afrikaanse boer wiens oogst is mislukt door droogte of overstroming, geen schuld. Wat moet er uit de doorrekening van deze bezuiniging komen om het kabinet te laten besluiten tot aanpassingen? Wat is hierbij het omslagpunt?

Dit kabinet heeft bij de vorming van het akkoord te weinig tijd genomen om de effecten van zijn plannen in kaart te brengen. Collega Hermans roept op tot rust, terwijl de onrust vooral is gecreëerd door onbezonnen maatregelen en door pas te repareren als de pleuris is uitgebroken. Heeft het kabinet zijn kansen in de Kamer wel goed doorgerekend? Strenger migratiebeleid zal de PVV wel steunen, voor verkorting van WW wordt op het CDA gerekend en bij het sociaal leenstelsel op de stemmen van D66 en GroenLinks. Is het kabinet zich ervan bewust dat het draagvlak wel degelijk afhangt van de inhoud van de voorstellen? Is het kabinet bereid om voorafgaand aan de indiening van een wetsvoorstel rekening te houden met de oppositie? Mijn collega Ganzevoort heeft onlangs onze voorwaarden voor een sociaal leenstelsel heel duidelijk gemaakt. Wij hopen dat wij dit kunnen terugzien bij de indiening van het voorstel.

Het kabinet kan niet alleen hard tegen de Eerste Kamer oplopen, maar ook tegen de samenleving. Mevrouw Barth hoopt op draagvlak, maar tot nu toe lijkt het erop dat met de grimmige maatregelen in de zorg- en de huursector en in de WW, zonder inzet op het begeleiden naar werk, de economie een harde tik krijgt. Het aantal werkzoekenden zal alleen maar fors toenemen. Dit alles voor het heilige doel van de 16 miljard. En dat op een moment dat het vertrouwen van burgers in de economie en in hun toekomst zo minimaal is. Hoe meent het kabinet juist op deze manier dat vertrouwen van burgers te kunnen terugwinnen? Wat heb je aan een gezonde begroting als de economie en de samenleving inmiddels verziekt zijn? Ik vraag alsnog een visie van de premier.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Voorzitter. Ook namens mijn fractie wens ik het nieuwe kabinet veel geluk en wijsheid. Denkend vanuit mogelijke meerderheden heeft ons land een kabinet gekregen dat bij de verkiezingsuitslag past. Met die constatering moeten we het doen, want voor veel kiezers was juist dit kabinet een onbedoeld gevolg van hun stem. VVD en PvdA hebben elkaar gevonden in een opvatting over wat nu nodig is voor dit land, maar niet op een gedeelde toekomstvisie. Dat blijkt meteen de achilleshiel van dit kabinet. Ons land heeft een kabinet nodig dat een vaste koers kan varen en breed vertrouwen geniet. Juist daarover ontstonden direct twijfels, zeg ik met spijt. Er is al veel publiek vertrouwen ontvallen aan dit kabinet, terwijl er hoop was en is op politieke stabiliteit en op minder onbestendig beleid dan in de jaren die achter ons liggen. Minder wispelturigheid, die soms grenst aan onbehoorlijk bestuur. Maar daarop kunnen alsnog alle inspanningen gericht worden.

Behalve over het regeerprogramma wil ik bij deze algemene politieke beschouwingen iets zeggen over politieke cultuur. Daarom wil ik beginnen bij de kabinetsformatie. De minister-president neemt, als hij optreedt, ook de verantwoordelijkheid voor de totstandkoming van zijn kabinet op zich. Dat dient nu te gebeuren met betrekking tot het nieuwe feit dat de Tweede Kamer de kabinetsformatie kennelijk als haar prerogatief is gaan zien en de Eerste Kamer daarbij over het hoofd heeft gezien. Dat het staatshoofd geen rol meer speelt is te betreuren, zij vervult een nuttige bovenpartijdige positie.

Maar wat onvoldoende is verdisconteerd is dat op deze manier de Eerste Kamer buiten de formatie wordt gehouden. De Eerste Kamer was nooit betrokken bij de inhoud van het regeerakkoord, maar wel bij het proces dat erop gericht was een kabinet te formeren dat kon rekenen op toereikende parlementaire steun. En dat is ook wijs, want in dit Huis wordt mede invulling gegeven aan de controlerende taak van het parlement en geldt de vertrouwensregel. De voorzitter van de Eerste Kamer is vanouds bij iedere formatie vaste adviseur van het staatshoofd. Hij kan die rol niet vervullen bij de verkenner van de Tweede Kamer. Formatieopdrachten na de Tweede Wereldoorlog stellen dat een kabinet moet kunnen rekenen op "vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal". In die formulering was de Eerste Kamer inbegrepen.

Deze formulering is nu voor het eerst sinds de jaren vijftig zonder slag of stoot verlaten. Zonder risico is dat niet: niet alleen de formatie raakt gepolitiseerd, maar ook de verhouding tussen beide huizen van de Staten-Generaal. De afstand tussen Eerste Kamer en een door de Tweede Kamer geformeerd kabinet wordt zo vergroot. Graag wil ik de minister-president vragen of hij deze analyse deelt en of hij het niet geboden acht terug te keren naar een wijze van formeren waarbij recht wordt gedaan aan de positie van de Eerste Kamer. Collega Engels stelde hierover ook al een vraag, waarvan ik niet weet of hij dat vanuit hetzelfde motief heeft gedaan. Hij vroeg naar de relatie tussen het kabinet en de Eerste Kamer. Het lijkt me belangrijk dat we het daarover vandaag hebben.

Over de totstandkoming van het regeerakkoord is al veel gezegd. Aanvankelijk hebben de onderhandelaars veel complimenten gekregen voor het tempo, maar inmiddels moeten we constateren dat meer bezinning geboden was, zeker met het oog op de grote hervormingsvraagstukken die aan de orde zijn. Het akkoord is in kleine kring beklonken. Vervolgens hebben regeringsfracties in de Tweede Kamer slechts enkele uren de tijd gehad om in te stemmen. Er is al vaker kritiek geweest op dit systeem van akkoorden maken, omdat het leidt tot parlementaire verlamming. Er is tijdens deze formatie echter geen enkele consideratie met deze kritiek getoond. Zo mogelijk wordt het spoor nog dieper getrokken. Welke mogelijkheid is er na een snelkookpanprocedure van zeven weken om over ingrijpende maatregelen voor een langere periode nog eens goed na te denken? Dit klemt, daar het regeerakkoord het karakter heeft van een afgedwongen contract tussen partijen, niet van een programma met een homogene visie.

Dit alles zal leiden tot meer buitenparlementair debat en het besef bij burgers dat betere ideeën soms buiten de Tweede Kamer geboren worden. Dit soort regeerakkoorden, bedoeld om stabiliteit van coalitieregeringen te garanderen – daarom doen we dat in Nederland – worden zo een bron van instabiliteit en afnemend vertrouwen in de werking van de parlementaire democratie. Dat is een serieuze kwestie, lijkt mij. Dit raakt de kwaliteit van onze politieke cultuur in de breedte. Wat vindt de minister-president daarvan?

Een aantal opmerkingen over de inhoud van het regeerakkoord. Onze fractie is verheugd over de doorbraak die is ontstaan als het gaat om de woningmarkt en de arbeidsmarkt. We wachten de voorstellen uiteraard af. Wat de woningmarkt betreft is het alsnog nodig dat er een goed afgewogen visie komt dat zowel de koop- als huursector omvat en vooruit helpt, zoals mijn fractie vorig jaar bij motie vroeg. Ik denk dat het belangrijk is – wellicht is dat de bedoeling van de opmerkingen van mevrouw Barth – dat er iets van een dialoog ontstaat die breder is dan alleen wat mogelijk is gebleken rondom dit coalitieakkoord. Overigens sluit ik me aan bij het verzoek van de heer Hermans om als het gaat om het oversluiten van hypotheken, waarbij voor sommigen 1 januari wel heel snel in zicht komt, iets meer consideratie te tonen. Het zou goed zijn als we daarover vandaag een besluit kunnen nemen.

Helaas zijn we te laat begonnen met het aanpakken van de hypotheekrenteaftrek, waardoor er nu bezuinigingen moeten worden gerealiseerd die beschamend zijn voor een land dat, zoals hier eerder is gemeld, het een-na-rijkste land van Europa is. De bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking behoren daartoe. Het verdelen van de lasten over alle schouders achten wij geboden in tijden van crisis, maar dit moet geen ontwrichtende maatschappelijke effecten hebben. We denken aan de positie van gezinnen, nabestaanden, jongeren. De aandacht voor onderwijs en innovatie, voor een duurzame economie is een belangrijke toekomstgerichte keuze, die onze steun heeft. Toekomstgericht zou het ook zijn als het kabinet de maatregelen die zich opstapelen bij gezinnen en bijvoorbeeld bij gezinsbedrijven toetst op hun effecten. De ChristenUnie zou graag zien dat er een toets komt voor familiebedrijven in de landbouw en het mkb. Die mogen wij niet verliezen in deze crisis.

Gelet op de verhoudingen in dit huis zou het kabinet er wijs aan doen om al in de beleidsvoorbereidende fase veel met deze Kamer te spreken. Dat geldt bijvoorbeeld voor de voorgenomen gemeentelijke herindelingen en de opschaling van provincies naar landsdelen, de woningmarkt en hervormingen in de AWBZ en de jeugdzorg. Ook voor wat de voorgenomen hervorming van de zbo-sector betreft, zou een beleidsdebat in een vroeg stadium gewenst zijn, mede in het licht van wat het parlementair onderzoek naar verzelfstandigd bestuur heeft opgeleverd. Ik wil de minister-president nu al om een toelichting vragen van die passage uit het regeerakkoord waarin wordt gemeld dat zbo's tegen het licht worden gehouden. Ook is mijn fractie benieuwd naar de nieuwe ordening op het spoor waaraan dit kabinet kennelijk denkt.

Gezonde overheidsfinanciën zijn belangrijk, welvaart is een zegen. Maar een politiek die daar helemaal op afgestemd raakt, verliest ook veel. Mijn fractie mist de diepere laag van afwegingen die onze samenleving bezieling en perspectief kan geven. Het lijkt wel alsof we steeds minder gelegenheid vinden om over wezenlijke waarden te spreken, over de toekomst van ons land in Europa, of over wat ons als samenleving bijeen houdt. Ik wil u vragen, ruimte te geven en te houden voor godsdienstige en levensbeschouwelijke groepen die waarden en daarmee een moreel fundament levend houden in de samenleving. Er wordt soms gestreden tegen publieke uitingen van geloof alsof de wereld ervan gezuiverd moet worden. Discussies over posities van minderheden lopen moeizaam, zelfs als er sprake is van constitutionele vrijheden en rechten. Mijn fractie zou het van belang vinden als we erin slagen, voor iedereen ruimte te scheppen en daarin te tonen wat echte tolerantie is. Ook die houding hebben we nodig in tijden van crisis.

Er ligt nog altijd een kans stabiliteit te geven vanuit het veelgeroemde politieke midden. Veel hangt nu af van het voorbeeld en de houding van dit kabinet, dat daadwerkelijk moet zien boven de partijen uit te stijgen en een kabinet te zijn van de hele samenleving. Met het oog daarop zullen we ieder voorstel open en fair tegemoet treden. Daarbij zullen wij niet nalaten om het kabinet de wijsheid en zegen van God toe te wensen bij alles wat het onderneemt.

De heer Holdijk (SGP):

Voorzitter. Mijn reflectie – meer wil het niet zijn – is gebaseerd op het regeerakkoord en de regeringsverklaring. Formeel is een ontbrekende regeringsverklaring geen bezwaar voor een nieuw kabinet; in het staatsrecht speelt die verklaring geen rol. Zodra de Koningin een kabinet heeft beëdigd, kan het aan de slag. Sinds de Tweede Wereldoorlog is zo'n verklaring wel gebruikelijk. Het was ooit het moment waarop duidelijk werd of een kabinet voldoende parlementaire steun had, maar sinds 1963 is altijd geregeerd op basis van een regeerakkoord, waardoor die steun al zeker is.

Het was sinds 200 jaar de eerste formatie zonder bemoeienis van Hare Majesteit de Koningin. Deze formatie verliep zonder ernstige ongelukken. De winst is in elk geval dat de Koningin niet kan worden beticht van politieke voorkeuren. Het voortbestaan van de monarchie is het meest gebaat bij een staatshoofd dat in schijn en werkelijkheid partijpolitiek neutraal is.

De voortvarende totstandkoming van het kabinet steekt scherp af bij die van het kabinet-Rutte/Verhagen in 2010. Het laatste tweepartijenkabinet was Lubbers III, van 1989 tot 1994, van CDA en PvdA. Het kabinet-Rutte/Asscher is, anders dan het voorgaande, een meerderheidskabinet, maar wel een bijzonder meerderheidskabinet, aangezien het niet bij voorbaat vaststaat dat het op een vruchtbare samenwerking met de gehele Staten-Generaal kan rekenen.

De uitslag van de Tweede Kamerverkiezing van 12 september zou volgens sommigen een keus voor "het midden" hebben betekend. Daar heb ik nooit wat van begrepen. De kiezers van de twee grootste partijen waren immers tijdens de campagne min of meer tegen elkaar opgezet. De uitslag liet allesbehalve ideologische eensgezindheid zien, ook al hebben beide partijen hun wortels in de Verlichting. Na de uitslag was de uitleg dat Rutte zijn overwinning had te danken aan de kiezers die boven alles Samsom uit het Torentje wilden houden, en vice versa. De VVD-leider kon zich, ondanks de weerzin van zijn kiezers, grote souplesse veroorloven omdat de VVD in de vroegere positie van het CDA was terechtgekomen. Niemand kon meer om hem heen en hij is altijd gul tegenover zijn partners. Maar het lijkt mij een betwistbare veronderstelling dat de kiezers van de VVD en de PvdA een opdracht hebben gegeven om samen te gaan regeren. Men kan toch moeilijk staande houden dat beide partijen tot elkaar werden veroordeeld en dat ze een gedwongen huwelijk hebben moeten aangaan? Het gevolg is dat de PvdA, hoewel ze de verkiezingen niet heeft gewonnen, wel de formatie heeft gewonnen, heel anders dan in 1977 bijvoorbeeld.

Sinds 1963 zijn regeerakkoorden gebruikelijk. Ze bevestigen de monistische trekken in ons staatsbestel. Tweepartijencoalities zijn sowieso zeldzaam in Nederland, maar dat het in dit geval ook nog twee partijen zijn die zoveel onverenigbare standpunten hebben, is volgens mij niet eerder vertoond. Het fundament van het huidige akkoord is het zogenaamde "positieve uitruilmodel" en berust op een transactionele werkwijze, waarbij geen plaats is voor ideologie of beginselverklaringen. Het kruiselings uitruilen van thema's en de verdeling van posten van bewindslieden leidt ertoe dat bewindslieden als het ware medeplichtig worden aan het beleid van de coalitiepartner. Moet zo de gespletenheid van het akkoord opgeheven worden? Het resultaat lijkt op een experimenteel zakenkabinet. Moeten wij het zien als een soort "Nieuwe Pacificatie", à la het kabinet-Cort van der Linden?

Deze constructie zal erg veel loyaliteit vragen, maar als de persoonlijke verhoudingen niet goed blijven, zullen de leden van het kabinet moeite hebben om elkaar iets te blijven gunnen. Het regeerakkoord is immers maar een momentopname. De wereld valt niet stil op het moment dat de inkt van het akkoord droog is. In de komende vier jaar zullen zich ongetwijfeld omstandigheden voordoen waarmee in het akkoord niet is gerekend of niet kon worden gerekend. Bij zulke veranderingen komt het aan op zowel de bewindslieden als de coalitiefracties. Het succes en de stabiliteit van kabinetten worden gemaakt in de ministerraad. Zit daar een eensgezinde ploeg met één doel? Of valt het al snel uiteen in smaldelen die zich opeens weer het eigen verkiezingsprogramma gaan herinneren en daarop terugvallen? Blijft het gevoel van urgentie en broederlijkheid overheersen? Het antwoord zal uit de Trêveszaal moeten komen, want daar moet de belangrijkste brug van allemaal worden geslagen en onderhouden.

Zoals bekend, is een coalitie in Den Haag nog geen coalitie in het land. Dat bleek al voordat de regeringsverklaring was afgelegd. Ook achterbannen kunnen een risico voor coalities vormen.

Beide partijen erkennen dat de verschillen, onder andere in visie op de rol van de overheid in de samenleving, groot zijn en blijven. Zowel in het regeerakkoord als in de regeringsverklaring wordt node een gezamenlijke visie gemist. In een land van politieke minderheden rest wellicht niet anders dan een pragmatische politiek. Ook al noemen beide partijen zich sociaalliberalen, er zijn geen oplossingen voor de grote ideologische conflicten tussen conservatieven en progressieven. Ieder van beide partijen heeft standpunten waar de ander niets van moet hebben, maar beide worden geaccepteerd zolang ze maar geheel of gedeeltelijk tegen elkaar kunnen worden weggestreept. Er is wel een brug, maar de oevers komen niet dichter bij elkaar.

Een risico acht ik deze technocratische opzet wel. Want er lijken weinig inhoudelijke argumenten voor de gemaakte keuzes te bestaan. De VVD zal af en toe links beleid moeten gaan verdedigen en de PvdA rechts beleid. Een ander beroep dan op het totaalpakket van het akkoord zal menig keer niet mogelijk zijn.

Dit gegeven brengt mij ertoe, onder verwijzing naar de droom van koning Nebukadnezar over de toekomst van zijn koninkrijk – zie het Bijbelboek Daniël – te spreken van een kabinet van ijzer en leem, overigens zonder mij met Daniël te vergelijken en zonder het kabinet de toekomst toe te wensen die het beeld van Nebukadnezar was beschoren. Overigens betreur ik het vanuit mijn partijpolitieke invalshoek niet eens dat een gezamenlijke visie ontbreekt.

Wat betreft het financieel-economisch beleid ondersteun ik alle verantwoorde maatregelen gericht op terugdringing van het overheidstekort. Dat geldt evenwel niet voor veel lastenverzwaringen. Deze leiden altijd tot vernietiging van banen. Die lastenverzwaringen komen in dit akkoord wel heel erg op de schouders van de werkenden en bedrijven terecht. Daarmee ontmoedigt de nieuwe coalitie werken en ondernemen en dat schaadt het herstel van de economie, meer dan de bezuinigingen. Het tweede akkoord, als ik het zo mag noemen, maakt het er bepaald niet beter op. De werkgelegenheidseffecten zijn volgens het CPB nog iets slechter dan in het oorspronkelijke akkoord. Bovendien zakt volgens het CPB de reductie van het overheidstekort naar onder de 15 miljard, terwijl het kabinet 16 miljard blijft claimen.

Het feest van het nivelleren kan doorgaan. Dat berust op een puur politieke keuze, gebaseerd op een veronderstelde solidariteit en de eindeloos herhaalde mantra van de sterkste schouders die de zwaarste lasten moeten dragen. Berust het feit dat liberalen en socialisten elkaar op dit punt gevonden hebben, misschien toch op de rechtvaardigheidstheorie van John Rawls? De verdeling van voorspoed verloopt altijd simpeler en gemakkelijker dan de verdeling van tegenspoed. Burgers zijn wel bereid tot inkomensherverdeling als ze er zelf ook op vooruit gaan. Van inkomensgroei zal in de komende jaren geen sprake zijn, en gevoegd bij een toenemende collectieve lastendruk zullen de kabinetsplannen steeds vaker tot grote onvrede en verzet onder de midden- en hogere inkomens leiden. In dat opzicht is de uitvoering van het regeerakkoord ook een testcase voor onze democratie te noemen. Minstens zo belangrijk is dat het nivelleren ook de toch al sukkelende economie schaadt. Het zorgt volgens het CPB voor 1% à 2% minder arbeidsaanbod en de vraag is of Nederland zo uit de crises komt.

Kern van het beleid is matiging. Ik citeer: "een overheid die optimaal beschermt en minimaal belemmert". Geldt dit op sociaaleconomisch terrein, dan mag ik hopen dat het ook geldt voor immateriële zaken. Wordt ook daar gewaakt voor een eenzijdig progressieve koers? Blijven de bestaande vrijheidsrechten van niet-seculiere minderheden gewaarborgd? Pragmatisme, zakelijkheid en nuchterheid zijn geschikt om zakelijke problemen op te lossen, maar niet om op een pluriforme samenleving toe te passen. Nederland is meer dan een sociaalliberale bv. Het lijkt er soms op dat de kinderen van de verlichting er, bij gebrek aan een gemeenschappelijk verhaal op sociaaleconomisch gebied, nog maar één ideologie of moraal overhouden: de plicht tot non-discriminatie en het recht op zelfbeschikking. Dat doet tekort aan onze culturele diversiteit. Ons bestaan draait niet om brood en spelen alleen. Wij koesteren niet de verwachting dat ofwel de markt, ofwel de overheid de crisis kan en zal bezweren, want culturele, morele en religieuze waarden en deugden zijn de basis voor herstel in onze ogen.

Tot slot. Wij tellen onze zegeningen en danken daarvoor onze God, zoals wij hem ook onze zorgen voorleggen. Hij sterke en zegene de leden van dit kabinet en allen die met hen zware politieke verantwoordelijkheid dragen.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

U begon uw bijdrage met iets te zeggen over de rol van de Koningin in de formatie. U hebt ook gezegd dat dit kabinet niet steunt op een vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal, en dan doel ik op beide Kamers. Kunt u ons uw opvatting geven over de gang van zaken bij deze kabinetsformatie? U hield dat een beetje achter, geloof ik. Wat vindt u hier nu van?

De heer Holdijk (SGP):

Ik ben altijd tegen een actieve betrokkenheid van de Eerste Kamer bij een kabinetsformatie geweest. Dat geldt niet alleen voor de vorige kabinetsformaties, maar ook voor de formatie die we net achter de rug hebben. Ik vind ook niet dat de Kamer initiatieven moet nemen in een dergelijke situatie, maar ik denk dat een toekomstige minister-president zich rekenschap moet geven, zal geven en ik denk ook al gegeven heeft, van de situatie zoals die zich nu voordoet.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Een minder actieve betrokkenheid bij de formatie dan nu het geval was, kan niet. Dit was de minst actieve betrokkenheid van deze Kamer bij een formatie. De voorzitter is op gesprek geweest bij de verkenner en dat was het. De formulering "vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal" verdween. U noemt ook de rol van de Koningin als bovenpartijdig. In die constellatie zijn de verhoudingen natuurlijk anders en worden de Eerste en de Tweede Kamers ook gezamenlijk gehoord alvorens er tot formatie wordt overgegaan. Wenst u terugkeer tot die situatie?

De heer Holdijk (SGP):

Ik ben geen voorstander geweest van de nieuwe formatieformule, dat is denk ik een publiek bekend geheim. Ik heb echter ook geconstateerd dat er geen ongelukken gebeurd zijn. De vraag is volgens mij nu of de Eerste Kamer zich een rol moet gaan veroorloven als een soort controleur van de Tweede Kamer. Dat lijkt mij gegeven het primaat van de Tweede Kamer in dezen toch een uiterst merkwaardige rol.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Dat heeft zich volgens u voorgedaan in deze formatie? Dat de Tweede Kamer controleur is geworden van de Eerste Kamer?

De heer Holdijk (SGP):

Nee, want het merkwaardige is dat de Tweede Kamer nu zichzelf controleert. Voorheen moest de minister-president zich verantwoorden namens Hare Majesteit als het ware, al voor de kabinetsformatie, maar nu de Tweede Kamer het heft zelf in handen genomen heeft, is er geen controleur meer.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ik dacht dat u ook doelde op de situatie dat de fractievoorzitters van Tweede Kamerfracties zich bij de verkenner allemaal hebben uitgesproken over de vraag of zij dachten dat een kabinet in de Eerste Kamer zou kunnen functioneren, ook zonder dat het daar over een meerderheid beschikt. Dus de fractievoorzitters van de Tweede Kamer hebben zich uitgesproken over de te verwachten verhoudingen in de Eerste Kamer.

De heer Holdijk (SGP):

Volgens mij hebben alle fractievoorzitters geadviseerd om in ieder geval te beginnen met een poging tot samenwerking tussen de twee partners die nu de coalitie gevormd hebben, zonder uitzondering. Ook mijn fractievoorzitter aldaar deed dat.

De heer Nagel (50PLUS):

Voorzitter. Wij hebben na twee jaar regeren en diverse verkiezingscampagnes gezocht naar de juiste term om premier Rutte te typeren, en dat is zonder twijfel: een veelbelovende premier. Laten we als oppositiepartij eens met iets positiefs beginnen. 50PLUS heeft in deze decembermaand een nieuw familiespel ontwikkeld met als titel: de veelbelovende premier. Deelnemers krijgen een reeks vragen voorgelegd, met daarbij de keuze uit drie antwoorden. Ik geef een paar voorbeelden.

1. De veelbelovende premier zei de avond voor de gemeenteraadsverkiezingen: a. in gemeenten waar de VVD in het bestuur komt, gaat de ozb niet omhoog; b. dat kan ik niet beloven, want daar ga ik niet over; c. ik vergis me, niet de ozb, maar de AOW gaat niet omhoog.

2. De veelbelovende premier zei voor de Tweede Kamerverkiezingen: a. alle werknemers krijgen er € 1.000 bij; b. ik zeg eerlijk dat alle werknemers moeten inleveren; c. de werklozen kunnen best een extraatje gebruiken.

3. De veelbelovende premier zei voor de Tweede Kamerverkiezingen: a. ik garandeer dat de hypotheekrenteaftrek blijft bestaan als de VVD regeert; b. ik garandeer dat tot de dag na de verkiezingen; c. het voordeel van heel veel beloven is dat je niet alles kunt nakomen.

4. De veelbelovende premier zei: a. we geven geen extra euro uit aan Griekenland; b. het levert ons extra inkomsten op door een hogere rente; c. op alle kleine uitgaven van een miljard kan ik niet letten.

We hebben het spel "De veelbelovende premier" de afgelopen dagen uitgetest en per provincie ook regionale vragen ingelast zoals in Zeeland: beloofd is dat a. de Hedwigepolder geheel niet, b. gedeeltelijk wel of c. geheel wel onder water wordt gezet. Het spel is overal zeer enthousiast ontvangen. Er werd veel gelachen, het was een avondvullend programma en geen enkele deelnemer wist een score van 50% juist te benaderen.

Toch zit er een ernstige kant aan. De regeringspartijen zeggen dat er behoefte is aan een stabiel kabinet. Maar men hoeft geen ervaren campagneleider te zijn om zich te realiseren dat deze premier, gelet op zijn vele niet nagekomen beloftes, bij de volgende Tweede Kamerverkiezingen geen lijsttrekker meer kan zijn, op straffe van zwaar weggestemd te worden door de bedrogen kiezers. Het onderzoek van afgelopen zondag van Maurice de Hond spreekt hierover boekdelen. Een kabinet dat geleid wordt door een premier van wie al in zo'n vroeg stadium bekend is – dat is hoogst ongebruikelijk – dat dit zijn laatste periode is, kan per definitie niet stabiel zijn. Graag vernemen wij van de minister-president of hij deze visie deelt en dat hij bij de volgende Tweede Kamerverkiezingen niet meer beschikbaar is als lijsttrekker. Wij vermoeden dat de premier al begonnen is met het instuderen van het lied: Moeder, ik wil bij de revue.

Overigens is het ons een raadsel, gelet op de problemen van de afgelopen twee jaar, dat deze minderheidscoalitie zo onderschat hoe wetgeving en besluitvorming door de Eerste Kamer moeten komen. Premier Rutte zal misschien op dansles geleerd hebben dat als je maar voldoende van partner varieert, elke dans een succes wordt, maar wij vrezen dat hij zal eindigen als stoetleider van een massale polonaise die naar de uitgang toe gaat. Wij zouden van de minister-president willen weten hoe hij na de afwijzende woorden van de SP en het CDA de nivelleringsmaatregelen door de senaat wil loodsen

Bij de onderhandelingen over dit kabinet zijn de twee coalitiepartners niet kinderachtig geweest en hebben elkaar veel gegund. Zo gunde de VVD de PvdA haar afwijzende standpunt inzake de voorstellen over de statusverhoging van de Palestijnen bij de Verenigde Naties. Hoewel Nederland een klein land is en de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken nog maar kort in functie is, legde hij bijna onnavolgbaar uit dat dit door de overgrote meerderheid in de wereld gesteunde voorstel ontijdig en onverstandig was. Nee, het kleine Nederland en de kersverse minister hadden zich, niet gehinderd door een te grote bescheidenheid, ingezet voor een eensluidend stemgedrag in Europa. Afgezien van hoe makkelijk het PvdA-smaldeel in het kabinet de eerder ingenomen standpunten zonder blikken en blozen losliet, beseft men niet dat door deze houding juist Israël gesteund wordt in een uitzichtloze politiek die de werkelijke vrede geen stap nader brengt, zoals de afgelopen 45 jaar is gebleken.

Een ander punt waarbij het rood zich bij de sociaaldemocraten tot de kaak zal beperken, is de bezuiniging van 1 miljard op ontwikkelingshulp. Alle verklaringen over wat Nederland nog meer doet, worden weggehoond door de uitspraak van PvdA-leider Samson dat men hiermee door een fatsoensnorm is gezakt. Juist in deze decembermaand is het wrang om Monique van der Ven in een radiospot te horen zeggen dat elke dag 19.000 kinderen sterven die met kleine hulpmiddelen gered hadden kunnen worden. Deelt de premier de harde uitspraak dat Nederland hiermee door een fatsoensnorm is gezakt of is hij het met de PvdA oneens?

Ik heb nog een opmerking over de rol van het van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Twee weken geleden verscheen het proefschrift van Arjan Soede onder de niets suggererende titel Tevreden met pensioen. Inderdaad legt het persbericht van het SCP de nadruk op het feit dat slechts 9% van de 65-plussers aangeeft niet rond te kunnen komen. Afgezien van het feit dat de cijfers slechts tot 2010 gaan en juist na die periode door niet-indexatie en dreigende kortingen er een andere situatie is ontstaan, vragen wij op dit punt de regering om nadrukkelijke opheldering. Vorig jaar oktober werd op initiatief van het ministerie van Financiën een onderzoek gepubliceerd onder de titel Wijzer in geldzaken. Uit dat grootschalige onderzoek bleek dat een kwart van de ouderen niet rond kan komen van zijn AOW en aanvullend pensioen. Dat aantal van 650.000 zal alleen maar toenemen als de pensioenregelingen verder worden uitgehold, meldt dezelfde publicatie. Ervan uitgaande dat de publicatie van het ministerie van Financiën grootschaliger en recenter is, is het kabinet het met 50PLUS eens dat deze voortdurende stemmingmakerij tegen ouderen door het SCP onbehoorlijk is? In een tijd van noodzakelijke bezuinigingen zou er bij deze instantie best wat af mogen.

Tot slot kom ik op de pensioenen. De kassen van de pensioenfondsen zijn gemiddeld voller dan ooit. Er hoeft niet gevreesd te worden dat er voor toekomstige generaties te weinig in kas zal zijn. Kortingen zijn onwenselijke en oneerlijk, schrijven directeuren. Gepensioneerden hebben de afgelopen jaren geen indexatie ontvangen en lopen 8% à 10% achter. Voor volgend jaar dreigt er een koopkrachtverlies voor mensen met AOW en een pensioen van € 10.000 van 5% à 6%. Dat zal de komende jaren verder oplopen en daar dreigen grote extra kortingen bovenop te komen. De Nederlandse regering die van alles steunt, de banken, de Grieken en zelfs vermogenden die met hun geld speculeerden op een IJslandse bank, laat die de ouderen in de kou staan? Wat gaat de regering doen om te voorkomen dat deze groep een onredelijke achteruitgang tot aan hun dood voor de kiezen krijgt?

Ik heb nog een allerlaatste, actuele, vraag. Een groep ouderen heeft vanmorgen bekend gemaakt naar de rechter te zullen stappen als het kabinet de AOW-plannen niet binnen veertien dagen aanpast. Zij gaan een maand AOW-uitkering missen en hebben zich hier niet op kunnen voorbereiden. Overweegt het kabinet hen tegemoet te komen of laat het kabinet het op een proces aankomen?

De heer Koffeman (PvdD):

Voorzitter. De kiezer heeft de PvdA en de VVD gedwongen met elkaar te regeren, zegt men. Niemand heeft echter PvdA gestemd om Rutte in het Torentje te houden en niemand VVD heeft gestemd om de PvdA in de regering te krijgen. Toch zou de kiezer tegen wil en dank met zijn strategische stem voor dit kabinet gekozen hebben.

Het was op zijn minst een valse start die het kabinet maakte, omdat een ruime meerderheid van de Nederlandse kiezers met nadruk niet kreeg wat ze beloofd was. De tegenstellingen waren in de campagne aangescherpt met termen als "rechts rotbeleid" enerzijds en "ramp voor het land" anderzijds, en vervolgens zou dat niet al te serieus genomen moeten worden. Kiezers kunnen weinig met zo'n boodschap en dat tekent zich helder af in de peilingen.

Als de minister-president opnieuw in het Torentje zou komen doordat zijn partij de grootste werd, zouden alle werkenden in Nederland € 1.000 krijgen. De hypotheekrente zou staan als een huis, er zou niet worden doorgeschoven maar aangepakt, er zou minder begrip komen voor daders en meer voor slachtoffers, Nederland zou sterker en socialer worden, er zou geen cent naar Griekenland gaan en er zou geen Blankenburgtunnel komen. Kortom, er werd nogal wat beloofd tijdens de campagne.

Nederland zit niet te wachten op loze verkiezingsbeloften, zei Diederik Samsom op 22 augustus. Die vaststelling is inmiddels pijnlijk bewaarheid. Het gunbeleid dat VVD en PvdA met elkaar hebben afgesproken, heeft geleid tot het uitruilen van principes en idealen en een kiezersopstand die we niet eerder hebben gezien. Het maakt de weg vrij voor populisme en terecht verlies van vertrouwen in de politiek.

De situatie waarin ons land verkeert, is te ernstig om cynisch te worden. Er is sprake van verharding van een samenleving waarin een grensrechter wordt doodgeslagen als hij de buitenspelregel volgens een aantal spelers niet correct toepast, waarin bestuurders van een onderwijsinstelling zich verrijken op een wijze die elke fantasie tart, waarin bestuurders van woningbouwcorporaties zich laten rondrijden in Maserati's, waarin we toneelstukken moeten schrijven om de omvang van de vastgoedfraude bij een pensioenfonds te verwerken, waarin sprake is van buitensporige problemen bij woningbouwverenigingen als Vestia en waarin massaal misbruik wordt gemaakt van persoonsgebonden budgetten.

Dit geeft aanleiding te denken dat het niet gaat om incidenten, maar om een systeemcrisis die ofwel met vereende krachten zal moeten worden aangepakt ofwel onze samenleving onomkeerbaar zal laten ontsporen. De heer Brenninkmeijer, de Nationale ombudsman, spreekt van systeemgedrag. We weten allemaal wel dat het eigenlijk anders zou moeten, maar we spannen ons niet of nauwelijks in om de noodzakelijke systeemveranderingen tot stand te brengen.

Natuurlijk is het een schande wanneer bestuurders van een onderwijsinstelling zichzelf en elkaar per persoon twee leaseauto's, een ov-jaarkaart en een riante taxirittendeclaratie toestaan. Iedereen begrijpt dat er hard moet worden ingegrepen om dergelijke uitwassen met wortel en tak uit te roeien. Maar wat in het klein bij Amarantis gebeurt, gebeurt in het groot met onze planeet. Bij de presentatie van het rapport van de commissie-Van Doorn over de intensieve veehouderij, zei de heer van Doorn: "Wanneer we doorgaan met de manier van produceren zoals we dat nu doen dan hebben we vier aardes nodig; onze opdracht is om het met een halve aarde te doen." Dat zijn mooie woorden, die doen vermoeden dat er sprake is van een commissie die oproept tot bezinning en inkeer. En het kabinet heeft dan ook besloten om de uitgangspunten van de commissie-Van Doorn als uitgangspunt van zijn beleid te nemen waar het gaat om de toekomst van de veehouderij.

Gek genoeg zet de commissie-Van Doorn echter niet in op inkrimping van de veehouderij, maar op verdere schaalvergroting. Kan het kabinet duidelijk maken wat het verschil is tussen onderwijsbestuurders die geen maat weten te houden en een overheid die vaststelt dat we consumeren alsof we vier aardbollen ter beschikking hebben, maar nauwelijks iets doet om daar verandering in te brengen? Terecht wordt gesteld dat de dubbele leaseauto een voorbeeld is van zeer ongewenst gedrag, maar hoe zou het consumeren alsof je vier aardbollen hebt moeten worden genoemd op een moment dat er elke avond elders 1 miljard mensen met chronische honger naar bed gaan? Hoe zou de minister-president het platbranden van regenwoud willen duiden, als verdringing voor het verbouwen van veevoer voor met name de Nederlandse veehouderij? Die veehouderij maakt van Nederland het op een na grootste agrarische exportland, maar ook de kampioen in de uitstoot van stikstof en CO2.

De Wereldbank vreest dat de gemiddelde temperatuur aan het eind van deze eeuw bij ongewijzigd beleid vier graden hoger zou kunnen zijn dan aan het begin van de industriële revolutie en dat de gevolgen daarvan desastreus zullen zijn. We hebben met elkaar hebben afgesproken dat de temperatuur met niet meer dan twee graden mag stijgen. Dat gaan wij niet halen, zegt de Wereldbank. Vooral de ontwikkelingslanden zullen de gevolgen daarvan ondervinden. Ook de ontwikkelde landen zullen er echter gevolgen van ondervinden, door de massale vluchtelingenstromen die als gevolg van de klimaatverandering op gang zullen komen, onze kant uit, door misoogsten als gevolg van extreme weersomstandigheden.

De uitstoot van broeikasgassen zal drastisch moeten worden teruggeschroefd. Omdat we weten dat de veehouderij meer broeikasgassen uitstoot dan alle vliegtuigen, auto's, schepen en treinen samen, zou men denken dat inkrimping van de veehouderij hoog op de politieke agenda staat. Niets echter is minder waar. De Nederlandse overheid is zeer actief in het stimuleren van de "megamorfose" in het buitenland. Zij subsidieert de oprichting van nieuwe veebedrijven, verstrekt leningen en garantstellingen, en brengt partijen uit Nederland en het buitenland bijeen, onder andere voor de bouw van enorme agroparken. Nederlandse banken, de Rabobank voorop, financieren een megastal in de Oekraïne met 38 miljoen kippen, die met Nederlandse technologie en met Nederlandse kennis van het ei tot het graf worden begeleid in hun korte en ellendige leven van zes weken. De Wereldbank staat klaar met nog eens 50 miljoen extra subsidie voor diezelfde stal.

De FAO voorspelt dat bij ongewijzigd beleid de oceanen nog deze eeuw kompleet leeggevist zullen zijn, en desondanks subsidiëren wij Europese visserij! Van het Europese budget gaat 40% naar landbouwsubsidies met desastreuze gevolgen voor ons klimaat en onze biodiversiteit. We spreken met verbijstering over Amarantis, maar doen op grote schaal met onze planeet wat incapabele bestuurders met Amarantis deden. Na ons de zondvloed, als het niet gaat zoals het moet, dan moet het maar zoals het gaat. De bestuurders van Amarantis dachten het lek boven te kunnen krijgen wanneer maar voldoende groei zou kunnen worden gerealiseerd.

Drie topeconomen van de Rabobank schreven gisteren in de Volkskrant dat het concept van klassieke economische groei geen enkel perspectief meer biedt. Maar desalniettemin zet het kabinet in op herstel van economische groei, business as usual, net als de Rabobank zelf overigens, die doorgaat met het financieren van gigastallen in de Oekraïne.

Kan het kabinet helder aangeven in welke mate we onze milieugebruiksruimte overschrijden, zoals de commissie-Van Doorn stelde, hoe het die overschrijding wil tegengaan met concreet beleid en hoe afrekenbaar die doelen zijn? Graag een reactie.

Datzelfde geldt voor de toekomst van de gemeenschappelijke munt. Het vertrouwen dat het binnen afzienbare tijd weer helemaal goed komt met de euro, heeft een dieptepunt bereikt. 72% van de Nederlanders gelooft er niet meer in, volgens Synovate. Onlangs gaf de minister-president nog in de Süddeutsche Zeitung aan dat Nederland ernaar streeft dat landen die zich niet aan de begrotingsdiscipline willen onderwerpen, moeten kunnen vertrekken uit de eurozone. Maar aan de Tweede kamer laat hij weten dat Nederland geen stappen in die richting wil zetten. Dat roept vragen op. Kan de minister-president aangeven hoe één Europa met verschillende snelheden ooit vorm kan krijgen zolang er sprake is van één gezamenlijke munt en zonder vergaande overdracht van soevereiniteit, waarvan het kabinet aangeeft daar niet voor te voelen? Kan het kabinet aangeven of de bereidheid bestaat om onafhankelijk onderzoek te laten verrichten naar de mogelijkheden van vertrek uit de Eurozone van lidstaten die zich niet aan de gemaakte afspraken houden en of het kabinet mogelijkheden ziet om in een Europa van verschillende snelheden ook muntdifferentiatie te bepleiten, bijvoorbeeld in de vorm van parallelle munten naast handhaving van de gemeenschappelijke munt?

De minister-president heeft in het verleden bij meerdere gelegenheden laten weten de westerse afhankelijkheid van fossiele brandstoffen als een van de grote bedreigingen van deze tijd te zien. In 2009 zei fractievoorzitter Rutte van de VVD: "Ik heb altijd grote moeite gehad met de bio-industrie, met dat stapelen van varkens op een mensonwaardige manier. Dierenwelzijn staat voor ons zeer hoog op de verlanglijst. Het is zeer belangrijk. U kunt daar altijd bij ons voor terecht."

Ik nodig het kabinet uit om korte metten te maken met de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, met het fossiele systeem waarin dieren op grote schaal geslachtofferd worden op het altaar van de economie en met het structureel niet halen van de noodzakelijke klimaatdoelstellingen. Wanneer het kabinet erin slaagt de systeemcrisis serieus aan te pakken, daadkracht te tonen en het vertrouwen van de kiezers te herstellen, hoeft het niet langer te gaan om het klein bier van de koopkrachtplaatjes, hoeft het niet langer te gaan over gebroken verkiezingsbeloftes, maar kan duidelijk worden dat het de regering er alles aan gelegen is om de crises in samenhang te bestrijden.

Ik vraag het kabinet om daarover hier en nu concrete toezeggingen te doen, in het belang van ons allen. Niet doorschuiven, maar aanpakken!

De heer De Lange (OSF):

Voorzitter. Ook ik wil namens mijn fractie het kabinet van harte welkom heten.

Gegeven de beperkte spreektijd die vandaag voor mijn fractie beschikbaar is, zal ik me concentreren op een beperkt aantal onderwerpen. Het gaat dan wel om beleidsvoornemens die een erg grote invloed hebben op het toekomstig reilen en zeilen van ons land, en waarover zeer veel onduidelijkheid wordt gelaten, zeker ook in het regeerakkoord.

Eerst een paar woorden over het tot stand komen van dit regeerakkoord. Op het gênante gedoe dat een regering die nog met regeren moet beginnen al vanaf dag één in crisisberaad is, valt veel kritiek te leveren. De geloofwaardigheid van deze coalitie is al grondig aangetast nog voordat zij is begonnen. In een tijd waarin plannen worden voorbereid die zeer grote gevolgen voor de gewone burger hebben, is deze valse start dubbel problematisch. Voor ingrijpende maatregelen is immers een breed draagvlak onder de bevolking cruciaal. Dat daarmee zo uitermate slordig is omgegaan, zal ons nog jaren blijven achtervolgen.

Laat me een waarneming met u delen die ik als grootvader van een aantal kleinkinderen onlangs kon doen. Als jonge kinderen zich niet geheel gedragen zoals de schoolleiding dat graag ziet, wordt het kind voor enige tijd op een zogenaamde bezinningsstip geplaatst, een punt in de hoek van het lokaal. Deze regering zou bij haar beraad naar de mening van mijn fractie beslist ook gebaat zijn bij een dergelijke bezinningsstip. Dit bevordert het besef dat denken voorafgaat aan doen, en bovendien hoeft het nauwelijks iets te kosten.

Maar laat me beginnen met de toonzetting waarmee dit kabinet van start is gegaan. In de retoriek bestaat zeer veel aandacht voor het verschijnsel ondernemer. Deze kennelijk zeldzame diersoort wordt het volk als ideaal voorgehouden en tot voorbeeld gesteld. Nu is het ver van mij om het belang van ondernemerszin voor de economie van ons land niet te willen onderkennen. Maar men kan overdrijven, en dat doet men als men wat al te gemakkelijk voorbijgaat aan de inbreng van zeer veel andere, uitermate nuttige groepen in onze samenleving die zich niet met het goudgerande label van ondernemer kunnen sieren. Te denken valt aan rechters, aan mensen die werken in het onderwijs, van lagere school tot universiteit, aan mensen die met een enorme inzet en onder moeilijke omstandigheden de gezondheidszorg in dit land gaande houden en aan vrijwilligers, vaak ouderen, die op alle niveaus het smeermiddel van onze samenleving zijn. Als vrijwilligerswerk zou moeten worden betaald, ging het wel om een bedrag in de orde van 10 miljard euro per jaar. Als op Prinsjesdag ons kabinet op audiëntie gaat bij de voorzitter van VNO-NCW, die daartoe Nieuwspoort heeft afgehuurd, is dat naar de mening van mijn fractie het verkeerde signaal op de verkeerde dag en op de verkeerde plaats. Lobbyisten voor deelbelangen dienen met iets meer terughoudendheid tegemoet te worden getreden.

Als er financiële problemen zijn, is het altijd verstandig je in de eerste plaats op grote uitgaven en uitgaven met grote risico's te concentreren. Dat brengt me dan zonder verdere omwegen bij de eurocrisis, die nu al jaren voortwoekert en vooralsnog niet opgelost is. De tijd ontbreekt me om een overzicht te geven van alle verkeerde inschattingen die in de afgelopen jaren door de regering met veel aplomb over de Nederlandse samenleving zijn uitgestort. We zijn eigenlijk gewoon om de tuin geleid. Wat eerst werd gepresenteerd als een financiële zegen voor ons land, is nu verkeerd in een molensteen om de nek van onze samenleving, om maar eens een beeldspraak te gebruiken waarmee ik als Zaankanter ben opgegroeid. Nog maar een week geleden is met Griekenland een nieuwe afspraak gemaakt over de te betalen rente en de looptijden van de staatsschulden. De aanvankelijk verstrekte leningen van mei 2010 hadden een rente van 4%. Deze rente, waarin een belachelijk lage risico-opslag voor zo'n dubieuze schuldenaar was opgenomen, was natuurlijk op zich al een vorm van een bail-out. Inmiddels is de rente verlaagd tot 0,7%. Deze bail-out kost de Nederlandse belastingbetaler officieel geld, volgens minister Dijsselbloem circa 1 miljard euro. Natuurlijk wordt nu ontkend dat het om een bail-out gaat, die volgens het EU-verdrag tussen eurolanden overigens verboden is.

Er is dus gewoon sprake van een verdragsschending, hoewel dat in alle toonaarden wordt ontkend. De gewone Nederlander echter kijkt en luistert: als het kwaakt als een eend, als het waggelt als een eend, als het eruitziet als een eend, dan zal het ook wel een eend zijn. Niettemin worden duurbetaalde juristen van de trojka ingezet om te betogen dat het niet om een default zou gaan. De burger weet wel beter. Ook de opmerking van de premier dat het enige wat Nederland nu doet het afzien van onze winst is, wordt door niemand met economisch benul nog serieus genomen. De ongeloofwaardigheid van deze regering wordt er alleen maar nog groter door.

Officieel zit de Nederlandse regering nog steeds op de lijn dat de euro in alle landen die de euro gebruiken overeind moet blijven. Tot elke prijs nog wel, dus dat kan aardig oplopen. Merkwaardig is dat het tot elke prijs doormodderen de enige beleidsoptie is die nu al jarenlang met steeds minder overtuigingskracht door onze regering wordt uitgedragen. Het nadenken over alternatieve scenario's wordt bepaald niet aangemoedigd. In feite voert deze regering een ontmoedigingsbeleid ten aanzien van creatief nadenken over mogelijke oplossingsrichtingen voor dit gigantische probleem. In Duitsland is dat heel anders. Daar wordt in de media uitgebreid gediscussieerd over alternatieve opties naast die van doormodderen.

Gelukkig komt nu ook in Nederland de discussie op dit cruciale punt mondjesmaat op gang. Onlangs kwam het rapport-Graafland uit, dat zich baseert op het optimum currency area model (OCA). Dit model gaat uit van zowel economische als politieke voorwaarden waaraan voldaan moet zijn om een levensvatbare monetaire unie te vormen. De drie economische voorwaarden zijn: de arbeidsmobiliteit moet hoog zijn en de arbeidsmarkt flexibel (1), de productiestructuur mag niet te verschillend zijn (2) en de openheid en intensiteit van de handelsrelaties moeten beide in voldoende mate aanwezig zijn (3). Aan deze voorwaarden is niet of nauwelijks voldaan. Met het voldoen aan de drie politieke voorwaarden is het volgens het rapport niet veel beter gesteld: de hoogte van de onderlinge transfers is beperkt (1), de politieke preferenties over het te voeren financieel-economisch beleid zijn heterogeen (2) en de mate van solidariteit is begrensd (3). Verder meldt het rapport dat "de moeizame onderhandelingen over de EU-begroting illustreren dat de kans op substantiële vergroting van overdrachten klein is. Omdat culturele verschillen persistent zijn en zich niet per verdrag laten opheffen, zullen verschillen in politieke preferenties blijven voortduren. Culturele diversiteit stelt verder grenzen aan de mate van solidariteit." In gewonemensentaal, aan de economische voorwaarden is niet voldaan en de politieke voorwaarden om de eurozone goed te laten functioneren, zijn onverkoopbaar aan de kiezer. Graag verneemt mijn fractie in enig detail hoe de regering aankijkt tegen dit rapport, en of men de conclusies ervan onderschrijft.

Intussen voelt ook de premier zo langzamerhand aan dat de oplossing van de eurocrisis met de huidige aanpak steeds verder uit zicht raakt. Dat is ook geen wonder. Het echte probleem van Griekenland en Spanje, maar van die landen niet alleen, is dat het ondernemingen in die landen ontbreekt aan concurrentiekracht. Zij kunnen niet of nauwelijks de competitie met de rest van de wereld aan zolang zij aan een keiharde euro blijven vastgeklonken. Wie gaat nog in die landen investeren? Met de bezuinigingsdrift die momenteel in ons land woedt, heeft de Nederlandse ondernemer wel andere prioriteiten. Echter, in het Duitse Handelsblatt van 30 november 2012 sprak onze premier zich in een interview uit voor het aanpassen van het Europese verdrag. Hierbij zou een uittreedclausule opgenomen moeten worden dat landen de eurozone kunnen verlaten zonder de Europese Unie te verlaten. Deze vlaag van nieuw inzicht lijkt een stapje in de goede richting. Waarom we in eigen land niet getrakteerd worden op deze nieuwe gedachten, mag overigens verbazen. Graag verneem ik van de regering of men een dergelijke verdragswijziging actief gaat bepleiten. Of gaat onze premier opnieuw "met geladen pistool" naar Brussel om vervolgens losse flodders af te schieten?

Ook sprak de premier zich in hetzelfde interview uit tegen een federaal Europa en tegen een politieke unie in Europa. Mijn fractie verneemt graag wat de status van deze opmerkingen is. Gaat het hier om beleid van de huidige coalitie, of valt dit onder het hoofdstuk losse gedachten?

Ons land staat een enorme bezuinigingsopgave te wachten. Dat Nederland hiermee weer eens het braafste jongetje van de klas dreigt te worden, omdat andere landen uit de Eurozone hun begrotingsdoelstellingen niet kunnen of willen halen, plaatst dit beleid in bijzonder perspectief. En als er dan al bezuinigd moet worden in de mate waarin deze regering kennelijk gelooft, dan is de volgende vraag bij wie die enorme bezuinigingen neerslaan. In de Volkskrant van 1 december 2012 verscheen een artikel onder de provocerende titel Breedste schouders, lichtste lasten. Hierin wordt betoogd dat het Nederlandse en internationale bedrijfsleven steeds minder aan de staat afdraagt en dat de lasten in toenemende mate bij de Nederlandse werknemer en voormalige werknemer worden neergelegd. Of het steeds zwaarder belasten van de Nederlandse werknemer en voormalige werknemer in macro-economische zin een goed idee is, valt te betwijfelen. Deze constateringen van de Volkskrant lijken de zoveelste aanslag op het broodnodige draagvlak voor het voorgenomen beleid. Graag hoor ik of deze ontwikkeling gevat kan worden onder het motto "eerlijk delen", en of deze afweging binnen de coalitie ook valt onder de noemer van het veelbezongen "elkaar iets gunnen".

Het is bepaald niet overdreven om te stellen dat de gevolgen van de eurocrisis enorm zijn en dat we er nog vele jaren de wrange vruchten van zullen plukken. Wat men graag onderbelicht laat, is wat het storten van grote bedragen in de bodemloze Europese put en het volgen van een politiek die middels het verlenen van miljardengaranties zeer grote financiële risico's met zich brengt, betekent voor grote delen van onze bevolking. Het moge duidelijk zijn dat de eurocrisis en het ECB-beleid om de rente kunstmatig laag te houden desastreus zijn voor de situatie van het merendeel van de pensioenfondsen in Nederland. De 3 miljoen gepensioneerden in ons land waarvan de grote meerderheid al jaren geen indexatie heeft ontvangen, kunnen hier over meepraten. De koopkracht van hun aanvullend pensioen is in de afgelopen paar jaar met meer dan 10% teruggelopen, en dan praten we nog maar niet over de voorgenomen kortingen op de nominale pensioenen. Ook voor jongere deelnemers zijn, mede door de regeringsplannen, de vooruitzichten ronduit somber.

Dit buitengewoon ernstige probleem dient onder ogen gezien te worden. Ik hoor niet bij de categorie die meent dat er bij de pensioenfondsen niets aan de hand is omdat "het geld over de plinten zou klotsen". Onbegrip over financieel risicomanagement kan naar mijn mening nooit een basis zijn voor verstandig financieel beleid. Echter, graag verneem ik in welke richting de regering oplossingen zoekt en wanneer.

Laat me mijn eerste termijn afronden. Mijn fractie maakt zich ernstige zorgen over de financiële positie van Nederland, maar misschien nog wel meer over de door deze coalitie gekozen aanpak. Naar de stellige overtuiging van mijn fractie is het voorgenomen beleid op veel punten onrealistisch en ineffectief. Op een beperkt aantal van de zaken die onder deze noemer vallen, ben ik vandaag ingegaan.

De voorzitter:

Dank u wel. Nu zijn alle fracties aan het woord geweest. Ik schors de vergadering tot 18.30 uur, met inbegrip van de dinerpauze. Het diner kunt u beneden genieten vanaf 17.00 uur. We gaan om 18.30 uur verder met het antwoord in eerste termijn van de kant van de regering.

De vergadering wordt van 16.10 uur tot 18.30 uur geschorst.

Minister Rutte:

Voorzitter. Ik zou in mijn beantwoording de nodige structuur willen aanbrengen door een aantal thema's te bespreken. Ik begin met een aantal inleidende opmerkingen en dan heb ik een aantal opmerkingen over de formatie. Daarna kom ik op de vragen over het sociaaleconomisch beleid, groei en vernieuwing, Europa en het internationaal beleid, bestuur en ten slotte veiligheid. Aan de hand van die thema's wil ik het dus gaan doen.

Staat u mij toe te beginnen met een aantal inleidende opmerkingen. Allereerst dank ik de leden voor de opmerkingen die gemaakt zijn in eerste termijn. Er zijn veel concrete vragen gesteld. Ik zal mijn uiterste best doen om die zo goed mogelijk te beantwoorden. Eerst zou ik echter iets willen zeggen over de parlementaire positie van het enige tijd geleden in de Tweede Kamer gepresenteerde en zich thans hier presenterende nieuwe kabinet. Dan doel ik speciaal op de getalsmatige verhoudingen in deze Kamer. Daarover is door verschillende leden gesproken in eerste termijn. Ik ga dan terug naar de verkiezingsuitslag van 12 september. Ik meen dat die uitslag duidelijk wees in de richting van een kabinet van Partij van de Arbeid en VVD. Ik heb dat als volgt verwoord in de regeringverklaring: "Wanneer twee partijen zo afgetekend als grootste uit de stembus komen, schept dat de bijzondere verantwoordelijkheid om verschillen te overbruggen."

Aan die verantwoordelijkheid hebben de VVD en de Partij van de Arbeid tijdens de formatie recht willen doen. Natuurlijk hebben we ons daarbij, ook ik persoonlijk, van meet af aan goed gerealiseerd dat de verhoudingen in de Eerste Kamer anders liggen dan in de Tweede Kamer. Reden genoeg om daarover tijdens het formatieproces onder andere met de voorzitter van de Eerste Kamer van gedachten te wisselen. Maar ik zeg u vandaag ronduit dat het kabinet de samenwerking met de Eerste Kamer de komende jaren met vertrouwen tegemoet ziet. Dat heeft behalve met het beschouwelijke karakter van de discussies in dit huis alles te maken met het regeerakkoord zelf. Als de politiek namelijk zo veel vraagt van de mensen als dit kabinet zal doen, dan mag de zaak eenvoudigweg niet versmald worden tot de kwestie of er 37 plus 1 stem voor het beleid is. Zo zal het in de Tweede Kamer de komende jaren ook niet alleen om de coalitiemeerderheid gaan. Wij komen met plannen en stelselwijzigingen waarvoor draagvlak nodig is in de samenleving en in de Tweede en Eerste Kamer. Het gaat om meer dan een simpele optelsom van zetels, om meer dan de helft plus één. Daarvoor zijn de problemen te groot en de gekozen oplossingen te ingrijpend. Daarom ben ik van mening dat er een zo groot mogelijk draagvlak moet zijn in de Tweede en Eerste Kamer.

De leden weten dat er tijdens de formatie afspraken zijn gemaakt om op een aantal terreinen doorbraken te bereiken. Dan doel ik op terreinen waarvan dit kabinet vindt dat er doorbraken nodig zijn: de woningmarkt, de gezondheidszorg, de arbeidsmarkt, de sociale zekerheid, het pensioenstelsel en ons buitenlands beleid. Dat betekent dat veel maatregelen waarmee het kabinet gaat komen de traditionele partijgrenzen zullen overstijgen. Een solide begroting, een eerlijke verdeling van de pijn en een sterke economie zijn wat mij betreft niet links of rechts, maar bij uitstek iets in het algemeen belang. Daarin schuilt ook de basis voor de brede samenwerking.

Dat betekent dat dit kabinet de samenwerking en de dialoog heel bewust zal opzoeken. Dat zullen we doen binnen en buiten de politieke arena. Dat zullen we doen in de Tweede en Eerste Kamer, maar ook met de organisaties van werkgevers en werknemers, met organisaties in de gezondheidszorg, in het onderwijs, in de wereld van de pensioenen en op alle terreinen waarop het kabinet voornemens is tot grote stelselwijzigingen te komen. De enige manier om de problemen van dit land aan te pakken, is om het samen te doen. Als we dat in gezamenlijk overleg doen, past het niet om te kijken naar een krappe meerderheid. Dan moet het streven zijn om voor heel veel van deze wijzigingen een brede meerderheid te vinden in de Tweede en Eerste Kamer.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Mag ik daaruit concluderen dat de plannen in het akkoord niet in beton gegoten zijn en dat het kabinet echt openstaat voor aanpassingen als die het draagvlak kunnen vergroten?

Minister Rutte:

Ja. We kijken naar de financiële opbrengst van de plannen. We hebben afspraken gemaakt over het op orde brengen van de overheidsfinanciën en daar horen de financiële opbrengsten bij. Daarnaast hebben we afspraken gemaakt over de gewenste maatschappelijke effecten. Daar hebben wij dus ideeën over. Wij gaan die discussies dus niet zonder ideeën aan. Wij vinden er iets van. Wij willen die opbrengsten en die maatschappelijke effecten. De heer Asscher en ik hebben vrijdag gesproken met de voorzitters van de Stichting van de Arbeid, de voorzitters van VNO en FNV. Ook daar hebben we met elkaar vastgesteld dat de plannen niet in beton zijn gegoten en dat we openstaan voor de dialoog: met hen, met de Tweede Kamer en met de Eerste Kamer. Uiteraard hebben wij wel onze eigen opvattingen. Wij gaan er niet blanco in, niet wat betreft de financiële opbrengsten en ook niet wat betreft de gewenste maatschappelijke effecten. Het antwoord op de vraag van mevrouw Strik is uiteindelijk dus "ja".

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ik weet dat er begrotingsdiscipline heerst. Als er iets moet worden aangepast, moet de dekking binnen dezelfde portefeuille worden gevonden. Ik kan me echter voorstellen dat er soms sprake is van beleidsterreinoverstijgende belangen en overleg. Kunnen we daar wat creatiever mee omgaan? Die begrotingsdiscipline moet niet dermate leidend zijn dat we niet tot een oplossing kunnen komen.

Minister Rutte:

De scheiding tussen inkomsten en uitgaven is een heilige. De scheiding tussen de uitgaven van de enge rijksbegroting enerzijds en zorg en sociale zekerheid anderzijds is al iets meer doorwaadbaar, maar nog steeds lastig te doorwaden. Dat zeg ik er eerlijk bij. Wij willen de dekking echter niet zoeken in het verhogen van lasten. De scheiding tussen inkomsten en uitgaven, de Zalmsystematiek, staat. Qua uitgaven is er de normale scheiding tussen de rijksbegroting in enge zin en de uitgaven op het terrein van de sociale zekerheid en de gezondheidszorg. Daarbij zullen we moeten zien of er goede ideeën komen die het noodzakelijk maken om opnieuw naar de verhouding tussen die portefeuilles te kijken. Ook daar zijn de marges smal. Joop den Uyl is al een paar keer voorbijgekomen, ik heb hem ook in de campagne aangehaald en ik doe het weer: de marges zijn smal.

Ik wil iets doen wat de heer Brinkman ook in zijn eerste termijn heeft gedaan. Hij heeft namelijk gesproken over het goede werk dat is gedaan door de CDA-bewindspersonen in de vorige regeerperiode en ik wil me daar van harte bij aansluiten. Door de tien CDA-bewindslieden is hard gewerkt. Door de VVD-bewindspersonen ook trouwens, maar omdat het CDA nu geen deel meer uitmaakt van de coalitie wil ik hen even in het bijzonder noemen. Maar inderdaad, de heer Brinkman wees er zelf ook op, er zijn ook enkele VVD'ers die niet terugkeren: Paul de Krom, Uri Rosenthal en Halbe Zijlstra die nu fractievoorzitter is in de Tweede Kamer. Al deze vertrekkende bewindspersonen hebben zich ingezet voor de publieke zaak. Ze hebben daar heel hard voor gewerkt en heel veel uren gemaakt. Ook in moeilijke politieke omstandigheden hebben zij veel bereikt. Ik sluit me van harte aan bij de woorden die de heer Brinkman daarover sprak. Ik vond zijn bijdrage zonder meer indrukwekkend. Ik wil een stuk aanhalen dat mij en dit kabinet erg aanspreekt. "Is het niet een geluk dat zulke mensen" – mensen die op een gegeven moment te maken hebben met tegenslag – "dicht bij huis, kwalitatief hoogstaand en weinig bureaucratisch, opbeurend onderwijs of zorgzame zorg willen bieden of zomaar vanuit hun ereambt als vrijwilliger een handje helpen? Is het niet een geluk dat er ook mensen zijn die er na een flitsscheiding niet op rekenen dat de overheid veel van het zorgen voor hun kinderen zal overnemen? En wat een geluk dat velen weer zullen willen begrijpen dat een subsidie geen eeuwigheidswaarde hoeft te hebben en dat een gewoon af te betalen lening ook al een waardevolle ondersteuning is. Herkent de minister-president dat Nederland meer is dan een tweestromenland en dat ook dit door mij aangeduide Rijnlandse water onder zijn brug stroomt?" Mijn antwoord op die vraag is een ronduit "ja". Het spreekt mij zeer aan wat de heer Brinkman daarover heeft gezegd.

Dan kom ik bij de formatie. Laat ik allereerst zeggen dat de Partij van de Arbeid en de VVD geen fusiebesprekingen aangaan. Tegen mevrouw Barth zeg ik dat professor Oud inderdaad in 1946 vanuit de Vrijzinnig Democratische Bond onderdeel werd van de doorbraakpartij – want dat werd het toen nog geacht te zijn – de Partij van de Arbeid. Maar, mevrouw Barth, dat is de Partij van de Arbeid niet geworden. Het werd een klassieke sociaaldemocratische partij en de heer Oud heeft dan ook besloten om die partij te verlaten en uiteindelijk samen met de heer Van Riel van de Partij van de Vrijheid in 1948 de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie op te richten. Nadat de Partij van de Arbeid twee jaar geleden haar trotse 65-jarig bestaan heeft gevierd zal volgend jaar op 28 januari herdacht worden dat 65 jaar daarvoor in hotel Bellevue in Amsterdam de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie is opgericht. Niet voortkomend uit maar in reactie op het feit dat de Partij van de Arbeid helaas niet de doorbraakpartij bleek te zijn die men deze had verondersteld te zijn in 1946 en het feit dat de liberalen door Oud en Van Riel werden geleid, overigens in een permanent conflict totdat een van beiden, namelijk Oud in 1963, het veld ruimde. Dat conflict hielden ze echter goed binnenboord.

Mevrouw Barth (PvdA):

Het past wel erg bij de Eerste Kamer om even de historie van ons land in te duiken. Ik deel voor een groot gedeelte de analyse waarom de heer Oud op een gegeven moment de Partij van de Arbeid verlaten heeft. Maar dat de Partij van de Arbeid geen doorbraakpartij is gebleken, gaat mij net een slagje te ver. De minister-president spreekt nu tegen de voorzitter van de Banning Werkgemeenschap voor de Partij van de Arbeid, die pal staat voor juist die doorbraakgedachte binnen de Partij van de Arbeid. Dat de PvdA openstaat voor alle gezindten, als mensen onze idealen maar delen, is echt anders dan bij de SDAP van voor de oorlog. Dat is echt zo gebleven, alleen niet iedereen herkende zich erin. Die fout komt in de beste families voor.

Minister Rutte:

Ik kan mij volledig vinden in de nuancerende opmerking van mevrouw Barth op de door mij gemaakte opmerkingen. Ik ga daar volledig in mee. Dat neemt niet weg dat mevrouw Barth en ik het erover eens zullen zijn dat de Partij van de Arbeid en de VVD van elkaar verschillen. Daar is geen misverstand over. De uitslag van de verkiezingen wees duidelijk in de richting van een kabinet met een samenstelling van deze twee partijen, zijnde de twee grootste fracties. Ik meen dat het daarmee voor de vierde keer in de parlementaire geschiedenis mogelijk werd gemaakt om een parlementair meerderheidskabinet te vormen dat zich baseert op twee partijen, na de drie kabinetten Lubbers. Ook waren het de twee grootste winnaars van de verkiezingen. Desondanks moesten die partijen ook verschillen overbruggen. Vanuit verschillende maatschappelijke overtuigingen en visies vliegen zij de problemen in het land aan.

In die zin is de brug ook een metafoor voor de samenwerking in dit kabinet. Een samenwerking tussen twee grote partijen die zich hebben gevonden op een paar belangrijke uitgangspunten, namelijk het op orde brengen van de overheidsfinanciën, het ervoor zorgen dat de lasten eerlijk worden gedeeld en het duurzaam versterken van de duurzaam. Ook hebben ze elkaar gevonden in de overtuiging dat na vijf verkiezingen in tien jaar het van groot belang is dat dit land een stabiel kabinet heeft dat de volle rit kan uitzitten. Ook dat is een ambitie die de Partij van de Arbeid en de VVD in dit kabinet met elkaar verbindt, naast de inhoudelijke agenda die wij gezamenlijk gaan uitvoeren.

De verdeling van de posten is gelijk. Er is sprake van volledige pariteit tussen beide partijen. De VVD werd nipt groter dan de Partij van de Arbeid. Het gaf dus geen pas om daarover lang te steggelen, hoewel dat in het verleden, als de Partij van de Arbeid de grootste werd, weleens gebeurd is. Daarvoor moeten we ver terug in de geschiedenis, ik geloof naar het jaar 1977. Nu hebben we echter met elkaar afgesproken dat er sprake moet zijn van volledige pariteit. Dat betekent dat we ook de posten paritair moeten verdelen.

De heer Kox (SP):

Ik dacht de VVD zeven ministers levert en de PvdA zes. Of heb ik dat verkeerd gezien?

Minister Rutte:

Nee, maar tegelijkertijd heeft de VVD drie staatssecretarissen en de Partij van de Arbeid vier. Het is waar: de staatssecretarissen verdienen iets minder – ik constateer dat staatssecretaris Teeven ervan schrikt – dus er is bijna volledige pariteit.

De heer Kox (SP):

"Bijna volledig" is inderdaad een nuance. Dat betekent echter dat als het op stemmen aankomt in de Trêveszaal, waarbij de staatssecretarissen niet aanschuiven, de VVD de grootste is. Mijn vraag was echter waarom de minister-president dat niet heeft aangeboden aan de Partij van de Arbeid, terwijl hij dat wel aanbood aan het CDA, dat beduidend kleiner was. Maar dat is de keuze van de minister-president.

De minister-president zegt: de uitslag was nu eenmaal zo dat wij dachten dat er niet veel anders mogelijk was. Dat is zijn keuze en dit kabinet heeft een meerderheid in de Tweede Kamer, dus daar is niets mis mee. Voor de verkiezingen echter zei de minister-president: het is liberalisme of socialisme. Daar zat niets tussen, het was het een of het ander. Hoe lost hij dat nu op? Nogmaals: de uitslag van de verkiezingen is zoals hij is geweest, en dat de twee partijen samengaan is uitstekend, maar wat is het dan geworden? Ik kreeg net een antwoord via de moderne media dat het wel "soberalisme" zal zijn geworden, maar dat vind ik net iets te goedkoop. De minister-president vond dat de verkiezingen gingen over een wezenlijke keuze tussen het een en het ander, en uiteindelijk krijgen wij het een en het ander. Hoe verdraagt zich dat met elkaar?

Minister Rutte:

Dat antwoord heb ik eigenlijk al gegeven door te zeggen dat de Partij van de Arbeid en de VVD heel verschillende partijen zijn met heel verschillende opvattingen over hoe we de vraagstukken in het land gaan oplossen. Ik meen ook dat de keuze tussen de liberale aanpak en de sociale aanpak de grote keuze was die voorlag in de laatste campagne. De uitslag is zoals hij is. De voormannen van deze twee partijen hebben die uitslag onder ogen gezien en met elkaar vastgesteld dat er leiderschap geboden was om vanuit die uitslag te komen tot een kabinet dat bestaat uit deze twee partijen.

De heer Kox (SP):

U hebt dus beiden besloten dat het niet meer de keuze was tussen socialisme of liberalisme, maar dat er gegeven de verkiezingsuitslag voor iets anders moest worden gekozen.

Minister Rutte:

Gegeven de verkiezingsuitslag is het in Nederland altijd zo dat er een coalitiekabinet tot stand komt. Het kabinet-Zijlstra, dat uitsluitend uit partijen bestond die thans het CDA vormen maar toen nog niet het CDA hadden gevormd, was het enige en laatste kabinet sinds de invoering van het algemeen kiesrecht dat uit slechts één partij bestond. Maar zoals gezegd wist die partij toen nog niet van de eigen vorming. Die was midden jaren zestig nog embryonaal. Behalve die ene keer is er nooit een kabinet gevormd dat bestond uit één partij.

De heer Kox (SP):

Dat betekent dus dat de keuze die vóór de verkiezingen voorlag, namelijk liberalisme of socialisme, gegeven de uitslag van de verkiezingen van tafel was en dat er gezegd werd: nu gaan we iets anders doen.

Minister Rutte:

Nee, voorzitter ...

De heer Kox (SP):

Hoe duidt u dan uw kabinet?

Minister Rutte:

Het was en is de keuze die voorlag bij de verkiezingen. De uitslag is zoals hij is. Dat betekent dat de voormannen van deze twee partijen, Diederik Samsom en ikzelf, ondanks het grote verschil van opvatting hebben besloten om het oordeel van de kiezer te volgen, die ons in feite bij elkaar heeft gezet en ons gevraagd heeft om een stabiel meerderheidskabinet te vormen. Dat betekent dat wij vanuit onze twee overtuigingen tot een gezamenlijk programma zijn gekomen, zonder daarbij onze eigen overtuigen aan de kant te zetten. Die verschillen zijn er, beide kanten hebben ook concessies moeten doen maar op heel veel terreinen kon de een of de ander bijna volledig zijn zin krijgen.

De heer Kox (SP):

Tot slot. U bent ook historicus, naast minister-president. Dat laatste is op dit moment natuurlijk wat relevanter. Hoe zou u dan historisch uw kabinet willen duiden? Wat is het nou? De heer Hermans heeft gezegd: als liberaal vind ik mij daar aardig in, ik heb wat veren moeten laten, maar voor de rest voel ik mij daarin thuis. Mevrouw Barth heeft ons verteld dat beide partijen al voor de verkiezingen eigenlijk best dicht bij elkaar stonden en dat ze uit hetzelfde ei kwamen. Die kan daar nu dus goed mee leven. Maar hoe zou u nu uw kabinet meer historisch en ideologisch duiden?

Minister Rutte:

Ik kan mij goed vinden in wat er is gezegd door beide fractievoorzitters. Bij de formatie hebben we er namelijk voor gekozen om niet tot waterige compromissen tussen twee heel verschillende opvattingen over de aanpak van de problemen in Nederland te komen, maar om op het ene terrein zo veel en verregaand mogelijk de opvattingen van de ene partij te volgen en op het andere terrein de opvattingen van de andere partij. Door dat zo te doen ligt er nu een regeerakkoord waarin beide partijen zich zeer kunnen herkennen, maar waarin ze ook moeten erkennen dat het noodzakelijk is om op een aantal andere terreinen concessies te doen. Dat debat is de afgelopen weken in alle hevigheid in de samenleving gevoerd, maar dat is wel het directe gevolg van de gemaakte keuze waar ik volledig achter sta. Niets is namelijk erger dan een smakeloze soep ergens in het midden.

Dan kom ik bij de vraag die gesteld is door meerdere leden van de Kamer naar de zielenroerselen van mijn kant ten aanzien van de gevolgde procedure in de kabinetsformatie. De formatie vond plaats op basis van het gewijzigde reglement van de Tweede Kamer. Het ligt niet op de weg van het kabinet om daarover een standpunt in te nemen. Wel hecht ik eraan, te onderstrepen dat het kabinet er meer dan ten volle van bewust is dat het zich voor het verwezenlijken van voorstellen van dit kabinet moet baseren op een zo breed mogelijk draagvlak in beide Kamers der Staten-Generaal. Dat betekent dus dat dit kabinet ongeacht de precieze techniek van het tot stand brengen van dit kabinet zal streven naar dit brede draagvlak.

Ook is er gevraagd naar de bijzondere positie van de Eerste Kamer. Ik wijs er, wellicht ten overvloede op, dat op basis van het overleg tussen de fractievoorzitters de heer Kamp aan de slag is gegaan als verkenner. Dat gebeurde op de donderdag na de verkiezingen. In het kader van zijn verkenning heeft hij ook een gesprek gevoerd met de voorzitter van de Eerste Kamer over de positie van de Eerste Kamer in relatie tot de formatie. Hij heeft dat ook verwerkt in het verslag dat aan de Tweede Kamer is aangeboden. Uiteindelijk heeft de Tweede Kamer de regie genomen over het formatieproces. Daar vind ik van alles van, maar ik heb mij te houden aan het feit dat het kabinet tot stand is gekomen op basis van de afspraken die in de Tweede Kamer zijn gemaakt bij het gewijzigde Reglement van Orde. Ik stel vast dat dit voortvarend is gebeurd en zonder al te grote problemen.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik ben mijn bijdrage begonnen met de uitspraak dat een optredende minister-president in functie ook verantwoordelijkheid neemt voor de kabinetsformatie. Er mag dus een standpunt van de minister-president worden verwacht over wat er is gedaan, over de stappen die zijn gevolgd en over de vraag of dat alle toetsen heeft kunnen doorstaan. Ik begrijp dat de minister-president schetst wat er is gebeurd, maar ik heb toch enkele vragen en opmerkingen.

De eerste is: hoe kan de Tweede Kamer zich op basis van een wijziging van het Reglement van Orde de kabinetsformatie, die in het verleden uitging van het staatshoofd, op deze manier toe-eigenen? De tweede opmerking is dat dit ook iets betekent voor de positie van de voorzitter van de Eerste Kamer, die altijd een eigenstandig advies uitbracht bij het staatshoofd. Dat kan nu niet meer. De fracties hier zullen de voorzitter van de Eerste Kamer bevragen op wat hij meedeelt aan de verkenner. Ten derde hebben wij na 60 jaar afscheid genomen van de formulering dat gezocht zal worden naar een vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal. Daarmee was de Eerste Kamer altijd in het proces van de formatie inbegrepen. Ook daarover moet de minister-president zich verantwoorden, want dit is een verandering in de verhoudingen die wij kenden rondom de formatie.

Minister Rutte:

Ik heb respect voor de vragen van de heer Kuiper, maar vraag hem ook, begrip te hebben voor mijn positie als minister-president. Ik leg inderdaad verantwoording af bij het debat over de regeringsverklaring. Vanzelfsprekend doe ik dat ook bij de eerste algemene beschouwingen van het nieuw aangetreden kabinet in de Eerste Kamer voor het proces van de formatie. Ik oordeel echter over de vraag van verantwoording afleggen zodanig dat zich dat beperkt tot het proces van de formatie binnen de kaders die zijn gesteld. Die kaders zijn gesteld door de Tweede Kamer. Het past mij niet om als aantredend minister-president een oordeel te hebben over die kaders. Die kaders, het gewijzigde Reglement van Orde, liggen er. Daarover heb ik als voorman van mijn partij opvattingen. Die heb ik onlangs op een congres geuit. Als minister-president stel ik echter vast dat het binnen dat systeem is gelukt om snel te komen tot een parlementair meerderheidskabinet. Ik meen dat dit zonder al te veel ongelukken is gebeurd.

Dan kom ik bij de vraag over de vruchtbare samenwerking met de Staten-Generaal. In 1973 en in 1977 is die formulering ook niet gebruikt. Er is geen bewuste reden waarom die formulering niet is gebruikt, zo zeg ik er meteen bij. Wij hebben ons vanaf het begin gerealiseerd dat er een bijzondere verhouding is, ook tot de Eerste Kamer. Ik heb daarover eerder gezegd dat wij zullen zoeken naar een draagvlak dat verder gaat dan de helft plus één. De heer Kuiper wijst er terecht op dat de formulering niet is gebruikt, maar wij voelen die formulering zeer.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Deze formulering is ongeschreven staatsrecht. Wanneer de Tweede Kamer het proces van formatie zo formaliseert, maakt hij er expliciet staatsrecht van. Die stap is nu gezet. Toch is het zo dat dit de verhoudingen verandert evenals de balans tussen beide Kamers, wellicht ook de politieke afstand van deze Kamer tot het kabinet. Ik denk dat het wel degelijk een verantwoordelijkheid is van de minister-president om daarop te wijzen en daar iets van te vinden.

Minister Rutte:

Over de positie van de koning, het staatshoofd, in relatie tot de formatie en het gewijzigde Reglement van Orde heb ik als minister-president geen opvatting. Ik zou het ongepast vinden als ik die opvatting zou hebben. Ik heb na de verkiezingen te maken met het Reglement van Orde dat er ligt. Ik vond het, als voorman van de grootste partij, mijn taak om er binnen dat kader voor te zorgen dat wij zo snel mogelijk tot een kabinet zouden komen. Over dat kader heb ik mijn opvattingen, maar die kunnen niet verder gaan dan mijn opvattingen als partijman. Ik kan die opvattingen niet hebben als aantredend minister-president. Dat vind ik ongepast, omdat de Tweede Kamer over die kaders gaat en niet de aantredend minister-president.

Ten aanzien van de Eerste Kamer geef ik de heer Kuiper volkomen gelijk. Er is geen bijzondere reden om die formulering niet te gebruiken. Ik voel ten diepste – en dat geldt voor ons allemaal hier, staatssecretarissen en ministers – dat wij heel erg onze best zullen moeten doen om ervoor te zorgen dat er een vruchtbare samenwerking is met de beide Kamers van de Staten-Generaal.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ik vind het heel onbevredigend dat, terwijl er verhoudingen veranderen in de formatie, de minister-president daarover geen verantwoording kan afleggen. Ik heb behoefte aan bezinning op dit punt. Het kan toch niet zo zijn dat bij wijziging van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer dit soort verhoudingen worden veranderd? Dat raakt de positie van het staatshoofd, maar ook die van de Eerste Kamer in een formatieproces. Wellicht is het goed om eens een staatsrechtgeleerde zijn licht hierover te laten schijnen. Ik denk dat het hier niet bij kan blijven.

Minister Rutte:

Ik weet dat de voorzitter van de Tweede Kamer voornemens is om het proces van de formatie te evalueren. Daarvoor komt een commissie. Ik geef de Eerste Kamer in overweging om in overleg met de Tweede Kamer daar dit soort vragen in te brengen. Ik vraag de heer Kuiper echter tegelijkertijd respectvol begrip voor het feit dat ik het ongepast zou vinden om hier commentaar te gaan leveren op een wijziging in het Reglement van Orde van de Tweede Kamer. Dat vind ik een zaak van de Kamer zelf. Ik begrijp volledig wat de heer Kuiper zegt over de positie van de koning en over de positie van de Eerste Kamer. Ik kan mij voorstellen dat zulks onderdeel is van de evaluatie. Het zou mij, ook in relatie tot de Tweede Kamer, in een ongepaste positie brengen als ik daarop nu uitvoerig commentaar zou geven.

De heer Engels (D66):

Voorzitter. Ik heb de bevoorrechte positie om niet geremd te zijn op dit punt zoals de minister-president, een zeldzame situatie. De heer Kuiper voert enkele belangrijke punten aan, maar het is de vraag of hij de staatsrechtelijke duiding volledig goed heeft. Ik zie geen enkele staatsrechtelijke belemmering waarom de Tweede Kamer bij Reglement van Orde de procedure niet op deze wijze zou hebben kunnen vormgegeven. De kabinetsformatie was niet meer dan een politieke gewoonte, een procedure. In artikel 47 van de Grondwet over de benoemingsbesluiten gaat het alleen over de benoemingen en niet over de kabinetsformatie. Dat is een belangrijk punt.

Voorts heeft de voorzitter van de Eerste Kamer in deze procedure een eigenstandig oordeel gegeven. Wij hebben daarover niet gediscussieerd. Wij hebben gelezen wat dat oordeel was en vervolgens is vandaag in de Eerste Kamer vanuit diverse fracties een analyse gegeven van de staatsrechtelijke positie van een kabinet als minderheidskabinet in deze Kamer. Dat gaat over politiek en staatsrecht. Overigens is het al of niet toepassen van een vruchtbare samenwerking met de Eerste Kamer nooit ongeschreven staatsrecht geweest. Dat maakte deel uit van de vaste procedure, die niet als meer dan een politieke gewoonte kan worden geduid. Van een politieke gewoonte kun je afwijken zonder dat het staatsrechtelijk rechtmatig is. Of dat allemaal verstandig is, is een heel andere vraag.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Je kunt van die gewoonte afwijken, maar of het wijs is, is iets anders. Ik benadruk dat het niet wijs is om dit te doen, omdat het een bepaalde frictie geeft tussen de beide Kamers. Het is nu goed gegaan. Onze voorzitter heeft inderdaad gesproken met de verkenner. In het College van Senioren is daarover gesproken. Hij heeft meegedeeld dat hij erop heeft gewezen dat de Eerste Kamer een bepaalde positie heeft en zich richt op de toetsing van wetgeving, de kwaliteit en uitvoerbaarheid van wetten. Het advies van onze voorzitter bij de Koningin draagt wellicht een wat ander karakter.

De voorzitter:

Ik kan er helaas niets over zeggen.

Minister Rutte:

Tot slot is er op dit punt een opmerking gemaakt door de heer Holdijk van de SGP. Hij heeft de vergelijking gemaakt tussen dit kabinet, de Pacificatie van 1917 en het kabinet-Cort van der Linden, dat zich in de Eerste Wereldoorlog bezighield met het landbestuur. Ik wijs op de bijzondere omstandigheden. Het was 1917 en er waren twee bijzondere omstandigheden. Er was een wereldoorlog en er was sprake van een Grondwetsherziening die in beide Kamers een meerderheid moest halen van twee derde. Er zijn nu van de zijde van de regering geen Grondwetswijzigingen in tweede lezing aanhangig.

Wel hebben wij met het kabinet-Cort van der Linden gemeen dat ook wij streven naar een zo breed mogelijk draagvlak, zowel in de Tweede als in de Eerste Kamer. Ik herhaal dat dit niet de helft plus één is. Wij streven naar een zo breed mogelijk draagvlak. Wij zullen proberen om voor de grote stelselwijzigingen die wij aanhangig gaan maken, te komen tot een zo breed mogelijke steun in de samenleving en in de beide Kamers van het parlement. Wij doen dit vanuit de overtuiging dat de overheidsfinanciën op orde moeten komen, dat wij dat op een nette manier moeten verdelen en dat het van cruciaal belang is dat de economische groei in Nederland weer op gang komt. Dat is mijn inbreng naar aanleiding van gemaakte opmerkingen in de Eerste Kamer in eerste termijn ten aanzien van de staatkundige positie van de formatie en de bijzondere situatie van dit aantredend kabinet.

Dan kom ik bij de behandeling van een aantal opmerkingen over het sociaaleconomisch beleid. Diverse fracties hebben gevraagd naar het overleg met de sociale partners. Ik heb daar al iets over gezegd. De ambitie van de heer Asscher, de minister van Sociale Zaken, en van mijzelf en de andere leden van het kabinet is om, waar mogelijk, in overleg met de sociale partners te komen tot een zo breed mogelijke sociale agenda. Ik hecht ook daar aan draagvlak. Het regeerakkoord vormt de basis voor die gesprekken, maar over een andere invulling kan worden gesproken binnen de financiële kaders en binnen een aantal gewenste maatschappelijke effecten van de in het regeerakkoord genoemde maatregelen. Daarbij zal ongetwijfeld ook het arbeidsmarktbeleid in de volle breedte aan de orde komen. Het creëren van meer banen is daarbij een belangrijke ambitie. Tegelijkertijd zijn in die gesprekken ook de initiatieven ten aanzien van banken en pensioenfondsen aan de orde. Ik kom daarover nog te spreken.

Minister Asscher voert op dit moment verkennende gesprekken met sociale partners en in dat kader heeft hij afgelopen vrijdag een gesprek gevoerd met de twee voorzitters van de Stichting van de Arbeid. Ik zal daar inhoudelijk niets over zeggen, want dit is zo'n broedende kip die het beste broedt door er niet al te veel openbaarheid aan te geven. Ik merk wel dat bij sociale partners draagvlak is om te komen tot gesprekken en te bezien of we tot een gezamenlijke agenda kunnen komen. Uiteraard zullen wij, zodra dat mogelijk is, de Kamer informeren of dat betekent dat in het regeerakkoord gemaakte afspraken wijzigen als gevolg van deze gesprekken. Dat zeg ik de heer Brinkman toe. De Kamer is zo permanent op de hoogte van die ontwikkelingen, maar dat kan pas als er stappen zijn gezet in de gesprekken.

Verder is gevraagd naar de bijzondere positie van zelfstandigen zonder personeel, de zzp'ers. Wij streven ernaar om de kansen op de arbeidsmarkt voor alle werkenden te verbeteren. Dat doen wij onder andere door de balans tussen flexibel en vast werk te verbeteren. Het kabinet vindt dat vast op dit moment te vast is en dat flex op dit moment te flex is. Zzp'ers vormen een heel belangrijk onderdeel van de flexibele schil en voor hen zal er nadrukkelijk aandacht zijn in onze plannen.

Wij zullen natuurlijk kijken naar de mogelijkheid voor zzp'ers om hun deelname aan pensioenfondsen onbeperkt voor te zetten. Die mogelijkheid is recentelijk al verruimd en deze en andere voorstellen komen aan de orde in het rapport over het pensioen van zelfstandigen. Het is zo goed als gereed en de staatssecretaris zal dit rapport met een reactie van het kabinet bij verschijnen toesturen aan de Staten-Generaal.

Er is ook gevraagd naar het toegankelijker maken van de zelfstandigenaftrek en de starterskortingen. Ik neem aan dat het met name gaat over de startersaftrek en het voorstel om het urencriterium af te schaffen. Wij zijn voornemens om stappen te zetten om in deze kabinetsperiode een winstbox in te voeren, waarbij onder andere de zelfstandigenaftrek en de starterskortingen zullen worden betrokken. Het urencriterium kan dan komen te vervallen.

Dan zijn er vragen gesteld over de positie van oudere werkzoekenden en hoe wij die aan de slag kunnen krijgen. Ik geef onmiddellijk toe dat het voor mensen boven de 55 jaar lastig is om een baan te vinden. Tegelijkertijd wijs ik erop dat er ieder jaar in Nederland 800.000 banen vrijkomen. Gelukkig kunnen veel van die 800.000 banen opnieuw worden ingevuld. Dat is de normale dynamiek in de arbeidsmarkt. Een belangrijk deel van die banen wordt ingevuld door mensen van boven de 50 jaar en ook door mensen van boven de 55 jaar. Wij constateren dat deze problemen structureel zijn en niet alleen conjunctureel. Ook in conjunctureel goede jaren vonden maar weinig oudere WW'ers nieuw werk.

De heer Kox (SP):

De minster van Financiën zei bij de algemene financiële beschouwingen in antwoord op vragen van mijn fractie dat er gelukkig nog steeds veel oudere mensen wel aan een baan komen. Recente cijfers laten zien dat mensen boven 50 jaar of 55 jaar niet aan een baan komen. Ik meen dat 80% binnen een jaar niet aan het werk is. Dat betekent dat het op die leeftijd daarna wel erg problematisch wordt. Is het niet zo dat de ideeën van de regering achterhaald zijn door de feiten?

Minister Rutte:

Volgens mij zijn de heer Kox en ik het eens, want dat is precies wat ik net heb betoogd. Aan de ene kant is er de normale dynamiek op de arbeidsmarkt, waarbij ieder jaar 800.000 opnieuw worden ingevuld, ook door 55-plussers. Tegelijkertijd is het ook waar dat 55-plussers moeilijk aan de slag komen. Slechts drie op de tien oudere WW'ers komt jaarlijks weer aan de slag, dus 70% doet daar langer over. Daarbij zijn overigens ook kanttekeningen te zetten, maar ook zonder die kanttekeningen laten de cijfers zien dat er nog veel moet gebeuren. Daarvoor gaat het kabinet een aantal maatregelen nemen en daarop wil ik graag een toelichting geven. De heer Kox en ik zijn het volgens mij eens op dit punt.

De heer Kox (SP):

Het is geen klein cijfer wanneer zeven van de tien ouderen niet binnen een jaar werk vinden. Het kabinet vergroot de problematiek van deze mensen omdat zij ook op bijstandsniveau komen te zitten terwijl zij al moeite hebben om een baan te vinden. Wat gaat u nu toevoegen? U hebt uw plannen gemaakt op basis van het idee dat mensen na verloop van tijd wel weer aan het werk komen. De cijfers laten nu zien dat mensen op leeftijd niet aan het werk komen. Als u daarop geen andere antwoorden hebt, moet u dan niet uw beleid bijstellen en aan de sociale partners vragen of er een andere invulling aan kan worden gegeven?

Minister Rutte:

Nogmaals, de heer Kox en ik zijn het volgens mij op dit punt tot nu toe volkomen eens. Ik vind het van belang om vast te stellen dat mensen vooral een eigen verantwoordelijkheid hebben voor het vinden van een baan. Iedereen in dit land is ervoor verantwoordelijk om er alles aan te doen om aan de slag te komen op de arbeidsmarkt, dus om goed opgeleid te blijven en zich voor te bereiden op een situatie van werkloosheid. Het kan niet zo zijn dat mensen alleen maar naar de overheid kijken op het moment dat het fout gaat. De heer Kox en ik zijn het ongetwijfeld eens dat ook de overheid hierin een aantal bijzondere verantwoordelijkheden heeft. Daarom willen wij aansturen op goed werkgeverschap en duurzame inzetbaarheid van werknemers. Dat versterkt namelijk de kansen van ouderen op de arbeidsmarkt. In het overleg met de sociale partners zullen wij bekijken hoe in het kader van de gewenste sociale agenda de inspanningen kunnen worden vergroot om mensen na ontslag te ondersteunen bij het vinden van nieuw werk. Het nieuwe ontslagbeleid moet het voor werkgevers aantrekkelijk maken om ouderen aan te nemen. Daarover zijn de heer Kox en ik het waarschijnlijk niet eens, maar ik noem het toch. Tegelijkertijd zijn de hervormingen van de WW erop gericht om mensen te stimuleren om zo snel mogelijk weer aan de slag te gaan. Daarom kennen wij het in de WW-plannen voorziene transitiebudget, gericht op scholing. Ik wijs er tot slot op dat, ondanks de crisis, de arbeidsdeelname van ouderen van 36% in 2002 is gestegen naar 53% medio dit jaar. Dat is een spectaculaire verbetering van de arbeidsparticipatie van ouderen in Nederland. Tegelijkertijd is ook de gemiddelde uittreedleeftijd behoorlijk verhoogd, veel meer dan wij tien jaar geleden hadden kunnen hopen.

De heer Kox (SP):

De minister-president en ik zijn het niet eens over de beste route, maar ik ben lid van de oppositie van de Eerste Kamer, dus daar heb ik geen problemen mee. Maar wat doen we als nou blijkt dat de maatregelen die de minister-president namens de regering in het vooruitzicht stelt niet werken en wij er niet in slagen mensen boven de 55 jaar in een redelijke periode aan de slag te brengen? Dan zouden we op zijn minst moeten gaan bekijken of we niet iets anders moeten gaan doen. Uw voorstel om de duur en de hoogte van de WW in te korten is gebaseerd op het idee dat deze mensen aan de slag kunnen komen. Als dat niet gebeurt, moeten we er op zijn minst opnieuw over gaan praten en met sociale partners op zoek gaan naar alternatieven.

Minister Rutte:

Wij gaan in gesprek met sociale partners over de gehele vormgeving van onze plannen ten aanzien van de arbeidsmarkt. Daarbij zullen wij bijzondere aandacht besteden aan de positie van de oudere werknemers. Ik wil wel voor een ding waarschuwen. Twee kwesties in Nederland dreigen in de discussie al gauw in een deprimerende richting te gaan. Dat is de discussie over krimpgebieden en dat is de discussie over ouderen op de arbeidsmarkt. Wij hebben als ambitie om beide discussies een positieve impuls te geven. Kijkt u eens om u heen: de mensen hier zitten in de kracht van hun leven en het grootse deel is 55-plus. Nee, mevrouw Barth, u niet. Wij moeten af van de gedachte dat de leeftijd van 55-plus problematisch is en dat de overheid zich speciaal met deze mensen moet gaan bezighouden. Tegelijkertijd zijn de heer Kox en ik het erover eens dat het niet goed is dat 55-plussers in de arbeidsmarkt lastiger aan de slag komen dan anderen. Het is onze ambitie om dat aan te pakken, ook met de eigen verantwoordelijkheid van de mensen.

De heer Kox (SP):

Ik ben het helemaal eens met de minister-president dat mensen met haar zoals ik, en met leeftijden zoals wij, geen mensen met beperkingen zijn, maar mensen met mogelijkheden, zoals we dat tegenwoordig zeggen. Als echter mocht blijken dat die mogelijkheden er niet zijn, dan wil ik de minister-president en de viceminister-president erop kunnen aanspreken dat die vooronderstelling niet blijkt te kloppen. Als mensen van boven de 50 jaar onder de huidige omstandigheden niet aan de bak komen, dan vind ik dat over de plannen van de minister-president rondom de WW opnieuw gesproken moet worden.

Minister Rutte:

Wat betreft de positie van ouderen in relatie tot bijvoorbeeld WW en ontslagrecht neemt het kabinet al een aantal maatregelen. Zo wordt de IOW verruimd naar 55 jaar, zonder partner of vermogenstoets. We nemen dus wel degelijk maatregelen aan de kant van de WW die rekening houden met de bijzondere positie van 55-plussers. Ik kan niet garanderen dat onze maatregelen werken. Wel vind ik het al winst dat we in de eerste plaats in gesprek gaan met de sociale partners en zoeken naar de beste agenda. In de tweede plaats benaderen we dit positief. We benaderen het dus niet als een probleem, maar we kijken naar wat mensen kunnen, zoals de heer Kox ook al zei. Het zijn mensen met veel ervaring, levenservaring, levenswijsheid en kennis. Laten we daar als samenleving alsjeblieft gebruik van maken en niet denken dat iemand van boven de 50 jaar alleen nog maar naar de ouderenbeurs kan. Bovendien, als het dit kabinet dan toch niet lukt met de IOW en op andere terreinen, dan zullen er maatregelen genomen moeten worden die stimuleren dat mensen aan de slag komen en die ervoor zorgen dat mensen niet tot armoede vervallen.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Het riskante is dat het kabinet nu al wel het besluit heeft genomen om een voorstel te doen voor het verkorten van de WW. De andere plannen en de mogelijke effecten daarvan voor de ouderen, zijn vrij boterzacht. Het kabinet gaat onderhandelen en wat daar dan uitkomt, is een beetje wishful thinking. Waarom heeft het kabinet niet meteen voor een tweesporenbeleid gekozen? Waarom is er, als er iets aan de versoepeling van het ontslagrecht of aan de WW-rechten wordt gedaan, niet direct vastgelegd dat er bijvoorbeeld een scholingsbudget is voor mensen? Of een garantie voor ouderen voor de begeleiding van werk naar werk? Ik zou daarover niet alleen willen praten met sociale partners. Ik zou dergelijke zaken ook veel harder in het akkoord hebben vastgelegd.

Minister Rutte:

Mevrouw Strik en ik zijn het volkomen eens. We doen dat ook bij de Participatiewet, maar er komt ook een quotumregeling. Er komt inderdaad een verscherping van de WW, maar ook een transitiebudget gericht op scholing. Verder zorgen we ervoor dat het voor 55-plussers mogelijk is om, zonder dat ze te maken hebben met een partner of een vermogenstoets, gebruik te maken van de IOW. We doen dat dus al in onze plannen. Over die plannen gaan we vervolgens ook nog in gesprek met werkgevers en werknemers om te kijken hoe we tot een breed draagvlak kunnen komen, binnen de financiële kaders en met opvattingen over de gewenste maatschappelijke effecten. Ik ben het op die punten met mevrouw Strik eens. Ik meen oprecht dat het regeerakkoord daaraan, zelfs nog voor het overleg met de sociale partners, al tegemoet komt.

Verder is er gesproken over de inkomensverdeling. Als je kijkt naar onze maatregelen, te weten 46 miljard van 2010 tot 2017, waarvan 16 miljard heel specifiek van dit kabinet, dan is het simpelweg een feit dat mensen met een lager inkomen, en zeker mensen met een uitkering, per definitie meer gebruikmaken van de overheid dan mensen met een hoger inkomen. Mooier kunnen we het niet maken; zo is het. Als je vervolgens vaststelt dat de ombuigingen voor een gemiddeld gezin kunnen oplopen tot € 10.000 per jaar en als je weet dat een bijstandsuitkering, als men maximaal gebruikmaakt van alle toeslagen, kan oplopen tot € 15.000, dan vind ik het niet onredelijk om ex ante ervoor te zorgen dat mensen de klap waarmee ze geconfronteerd worden, ook kunnen opvangen. Juist ook de mensen met een lager inkomen.

Dit staat dan even los van alle ideologische opvattingen die binnen partijen leven. Je kunt dit heel ideologisch aanvliegen, zoals sommige partijvoorzitters doen, maar je kunt dat ook heel pragmatisch en vanuit een sociaal hart doen. En wie ik ook in de samenleving spreek, of het nu VVD'ers zijn of mensen uit de hoek van de Partij van de Arbeid, of van de Socialistische Partij, of van de PVV, of van welke partij dan ook, de mensen zeggen dat dit logisch is. Je doet nu een groot beroep op mensen, je bent bezig om veel geld bij de overheid weg te halen. Dat raakt met name ook mensen met een lager inkomen. Dan is het onvermijdelijk dat je tegelijkertijd kijkt of je op voorhand iets kunt doen aan de inkomenspositie van die groep. Dat is wat we doen, in zeer beperkte mate. Het gaat om heel beperkte effecten, maar ze zijn wel nodig om ervoor te zorgen dat de ijslaag van die groep iets dikker wordt.

De heer Brinkman (CDA):

Als het zo wordt geformuleerd, is er geen meningsverschil tussen het kabinet en onze fractie. Maar misschien wil het kabinet, als het daartoe de gelegenheid heeft, nog eens herlezen wat ik daarover heb gezegd. Er zaten twee aspecten aan die inkomensverdeling waar ik in het bijzonder de nadruk op heb gelegd. Het ene aspect is de onzekerheid die ontstaan is. Wij snappen in Nederland wel dat het een onsje minder wordt en misschien wel meer onsjes. Het punt is dat het een beetje vandaag dit en morgen dat leek te zijn. Daarom heb ik het concrete voorbeeld genoemd van de btw die zou worden gecompenseerd en het voorbeeld van de hypotheekrenteaftrek die zou worden gecompenseerd door de zorgpremie. Het gaat mij niet om te getallen, maar ik heb nadrukkelijk gezegd, en ik herhaal dat nog eens, dat de mensen willen weten waar ze aan toe zijn. Zij zitten straks rondom de jaarwisseling met de nieuwe formulieren en alle inkomensregelingen te rekenen. Ze weten dat het overal wat minder wordt, maar de vraag is wat ze nu nog wel kunnen en wat ze niet kunnen. Vandaar mijn indringende vraag welke lastenverlichting er nu wel doorgaat, en dan in het bijzonder de zaken die te maken hebben met de arbeidsmarkt en de inkomstenbelasting.

Dan het tweede aspect. Door de jaren heen hebben we altijd discussies gehad over de koopkracht. Dat punt heb ik echter niet genoemd. Wel heb ik gezegd dat het kabinet zich er wel rekenschap van moet geven, dat, als het zozeer de werkenden belast met de redenering die het kabinet hanteert, veel uitvoeriger gekeken gaat worden naar de cumulatie en de effecten. Ik heb niet zonder reden het effect van de kindregelingen genoemd voor mensen die om wat voor reden dan ook van de kinderopvang gebruik willen maken. Als er voor allerlei andere regelingen ook nog weer eens betaald moet worden langs de redenering van de nivellering, dan gaat de kruik zo lang te water tot zij barst. Dat kan dan weleens een totaal averechts effect hebben. Ik heb ook het voorbeeld genoemd van de aftopping bij de pensioenen en in de woningmarkt. Dat is dus niet een kwestie van getallen en maatvoering. Het gaat om het effect dat het kabinet bereikt met een redenering die in algemene zin natuurlijk voor iedereen, ook voor ons, opgaat: de sterkste schouders, de zwaarste lasten. Dat is prima, maar wat is nu uiteindelijk het maatschappelijke effect?

Minister Rutte:

Over de belastingsituatie wil ik het volgende opmerken. In de Tweede Kamer en ook in het maatschappelijk debat hebben we eerder al gesproken over de effecten van het ill-advised, het niet-goede plan van de inkomensafhankelijke premie. Dat plan is teruggetrokken. In plaats daarvan hebben we gezegd dat effect niet te zoeken via de ziektekostenpremie, maar in de sfeer van de inkomstenbelasting. Het plan rond de ziektekostenpremie bracht met zich mee dat de schijven zouden worden verlaagd, om er zo voor te zorgen dat die enorme extra heffing op het inkomensafhankelijke deel van de premie, enigszins werd gemitigeerd. Dat was de reden waarom de schijven in dat plan iets omlaag gingen. Eigenlijk was het de teruggaaf van de zorgtoeslag en dat zag je terug in de tweede en derde schijf. Dan doen we niet meer. Het was dus geen teruggaaf van de btw-maatregel of andere zaken, maar het had puur te maken met het systeem van die premie. Met het schrappen van dat idee, zijn de schijven weer naar het oude niveau gebracht. Vervolgens hebben we in de ib gezocht naar instrumenten in de sfeer van heffingskorting en de afbouw van de arbeidskorting om hetzelfde effect te bereiken.

Daarnaast refereert de heer Brinkman terecht aan de btw. In het basispad van het Centraal Planbureau zit die teruggaaf en die doen wij ook. De hele teruggaaf die voorzien is van, uit mijn hoofd gezegd, 2,5 miljard en daarbovenop nog eens 350 miljoen voor de werkgevers, in de orde van grootte van opgeteld ongeveer 3 miljard, vindt volledig plaats. Die wordt volledig teruggesluisd, precies zoals we dat van plan waren bij de invoering van de btw-verhoging, vanaf 2013 en verder. Het tweede dat we doen in de sfeer van de inkomstenbelasting, is dat we mensen in het hoogste tarief vragen om ieder jaar 0,5% minder af te trekken. Dat wordt vervolgens volledig teruggesluisd in de doelgroep, door het verlengen van de derde schijf. Er wordt geen euro van die maatregel in de hypotheekrenteaftrek gebruikt om het tekort te dekken. Die wordt volledig teruggegeven aan de doelgroep waar deze wordt weggehaald, door de derde schijf te verlengen, zodat mensen later pas in de vierde schijf terechtkomen.

Tot slot zit in de plannen niet € 1.000 arbeidskorting, maar € 500 voor werkenden. Weliswaar wordt die voor de hoogste inkomens afgebouwd en dat is dan weer onderdeel van de plannen om de inkomensverschillen te verkleinen. Dus we doen zowel de btw-teruggaaf, als de arbeidskorting, als het terugsluizen van de opbrengst van de hypotheekrenteaftrek. Dat zit allemaal in de plannen. Als je dan kijkt naar het effect, dan zie je dat de mensen met de laagste inkomens er een klein beetje op vooruitgaan en dat de mensen met tot twee en drie keer modaal er iets op achteruitgaan, maar dan praat je over heel beperkte effecten in de mediaan over de hele periode. Pas vanaf drie keer modaal gaan de mensen er wat meer op achteruit over de volle kabinetsperiode.

Tot slot ben ik het met de heer Brinkman eens dat het moeten wijzigen van de maatregel in de sfeer van de inkomensafhankelijke premie in de maatregel die we nu genomen hebben, onrust heeft veroorzaakt. De heer Brinkman refereert daar terecht aan en dat heeft het kabinet natuurlijk ook zeer betreurd.

De heer Brinkman (CDA):

Daar ben ik ook niet meer opnieuw over begonnen. Waar het mij nu om gaat, is dat wij een moment zoeken, en dat hoeft niet vanavond in dit debat, waarop dit werkelijk op weg naar de begroting voor 2014 nog een keer wordt gecontroleerd. Dat klinkt ontzettend flauw, maar de mensen hebben hieraan absoluut behoefte. Hoe eerder dit duidelijk is, hoe beter. Vandaar mijn vraag dat zo snel mogelijk ook overzichtelijk te maken voor de verschillende categorieën. De minister-president verwees al naar de NIBUD- en CPB-rapportages, maar het zal blijken dat nog meer nodig is. Het is toch verstandig nog eens deelanalyses te laten toepassen op de kinderopvang, de woningmarkt en het pensioen, want uiteindelijk zijn dat heel belangrijke dingen in het dagelijks leven.

Minister Rutte:

De heer Brinkman refereerde terecht in zijn eerste vraag en in de echo daarvan in de tweede interruptie aan de stapeling. Je moet op een gegeven moment weten wat maatregelen gestapeld betekenen. Het goede nieuws is dat de heer Asscher eerder als wethouder van Amsterdam daar al aandacht voor vroeg en dat dit reden was om de heer Kamp, destijds minister van Sociale Zaken, chef te maken van het bezien van de samenloop van dat type maatregelen. Nu kan de heer Asscher zelf zijn plan uitvoeren. Hij is nu zelf degene die in de gaten houdt of de verschillende maatregelen die wij nemen dat effect hebben op de koopkrachteffecten. Tegen degenen die iets minder afweten van koopkrachtplaatjes dan de heer Brinkman, zeg ik dat koopkrachtplaatjes schitterend zijn, maar dat ze maar tot op zekere hoogte helpen. Het probleem is dat er niemand bestaat die precies aan het koopkrachtplaatje voldoet. Bovendien zijn in het koopkrachtplaatje niet alle effecten opgenomen. Een aantal effecten zitten er simpelweg niet in omdat zij niet in de systematiek van het Centraal Planbureau passen. De heer Kox vroeg al naar de mediaan. Het Centraal Planbureau kan simpelweg geen gemiddelde uitrekenen en werkt alleen vanuit medianen. Vandaag is door de heer Asscher nog een brief aan de Kamer gestuurd om dit uit te leggen, want het Centraal Planbureau doet dit niet. Het Centraal Planbureau is geheel onafhankelijk. Dit betekent dat wij aangewezen zijn op de instrumenten die er zijn. Nogmaals, ik ben het zeer eens met de gemaakte opmerkingen. De stapelingen, los van wat dat dan precies betekent in het mediane koopkrachtbeeld, moeten wij in de gaten houden en dat zullen wij dus ook doen. Dat is cruciaal en daarover zullen wij iedere keer rapporteren.

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik waardeer de passie waarmee de minister-president dit zegt. Heb ik het regeerakkoord niet goed verstaan als het gaat over pensioenopbouw? Dat het wel degelijk mogelijk is om boven de percentages en de bedragen die in het regeerakkoord genoemd zijn uit te gaan met de opbouw en dat het enige wat verandert, is dat geen fiscale faciliteit meer wordt geboden als je boven die grens gaat?

Minister Rutte:

Zo is het. Maar dat heeft natuurlijk wel effect, want het betekent dat boven die opbouwpercentages geen sprake is van fiscale aftrek.

De heer Kox (SP):

De minister-president beantwoordde in een bijzin een vraag die ik had gesteld. Die vraag had ik al gesteld aan de minister van Financiën. De minister heeft gezegd de vraag nu niet te kunnen beantwoorden en hem door te geleiden naar de minister van Sociale Zaken, die ervoor zal zorgen dat wij antwoord krijgen. Wij hebben nog geen antwoord en nu zegt de minister-president dat de CPB dit niet kan uitrekenen. Ik zeg tegen de minister-president: ons CPB is zo slim dat het dat wel kan en dit ook al meerdere keren heeft gedaan. Dat het CPB er misschien geen zin in heeft, kan zo zijn, maar dan moet de minister-president vriendelijk doch beslist zeggen wat mijn moeder altijd tegen mij zei: dan maak je maar zin. Het CPB kan het uitrekenen en als dat is gedaan, hebben wij inzicht waar de klap van de crisis nu werkelijk terechtkomt. Dit is voor mijn fractie van belang en dit heeft mijn fractie aangegeven bij de financiële beschouwingen. Ik meen dat wij nu recht zouden moeten hebben op die informatie. De minister-president hoeft het niet vandaag te vertellen, maar ik vind wel dat wij die gegevens moeten krijgen. Het CPB is zo knap dat het al bewezen heeft dat te kunnen. Laat het CPB het nog maar eens doen.

Minister Rutte:

Ik wijs erop dat ook de berekeningen van het nog onafhankelijkere NIBUD niet heel erg afwijken van de cijfers van het Centraal Planbureau. Het CPB is al volkomen onafhankelijk, maar het NIBUD is nog onafhankelijker. Ook bij de motie-Zijlstra/Samsom (33410, nr. 32), die leidde tot het vervangen van de maatregel in de sfeer van de inkomensafhankelijke premie door een aantal maatregelen in de sfeer van arbeidskorting en algemene heffingskorting, hebben wij laten zien wat het meer gedetailleerd betekent voor de standaard huishoudens zoals die onder andere door Sociale Zaken worden gebruikt. Al deze cijfers zijn beschikbaar. Vandaag is de brief door de minister van Sociale Zaken verstuurd. Ik zeg toe dat wij zullen blijven zeuren bij het Centraal Planbureau, met de aandrang van de heer Kox hierop in het achterhoofd. Tot nu toe is de positie, en dat is ook waar de brief van de minister van Sociale Zaken van vandaag over gaat, dat het Centraal Planbureau zegt vanuit de medianen te werken. Wij kunnen het CPB geen opdrachten geven, want het is een onafhankelijk instituut, maar dit neemt niet weg dat niets ons verbiedt de dialoog met het CPB voort te zetten.

De heer De Lange (OSF):

Mevrouw Barth brengt naar voren dat het mogelijk is ook buiten de Witteveenkaders om te sparen voor het individuele pensioen. Dat is uiteraard waar en dat heet gewoon individueel sparen. Dat bestaat al sinds mensenheugenis, dat is niets nieuws en dus bepaald geen vooruitgang. De Witteveenkaders en de inperking daarvan zijn wel degelijk een achteruitgang, die met name voor mensen die nog werken een zeer groot effect heeft.

Minister Rutte:

Ik ga verder met een aantal specifieke vragen die zijn gesteld over het sociaaleconomisch beleid. Mijn commentaar op de opmerking van de heer De Lange is dat het natuurlijk waar is dat wat je boven het opbouwpercentage spaart, sparen is. Het voordeel daarvan is dat hierover geen belasting wordt betaald bij de uitkering ervan, terwijl over het pensioen bij uitkering belasting wordt betaald. Verder klopt de redenering. Ik denk dat wat wij als kabinet doen in de sfeer van het Witteveenkader zeer verdedigbaar is vanuit de gedachte dat wij in Nederland geleidelijk aan naar een systeem bewegen dat veel meer uitgaat van het gemiddeld verdiend salaris dan het eindloon dat mensen verdienen. Ik vind het ook passend dat wij daarbij de fiscale facilitering hebben aangepast, passend bij die maatschappelijke ontwikkeling. Ik ontken niet dat dit ook geld oplevert, want dat is zeker zo. Maar dat is geld dat wij meteen weer hebben gebruikt om de arbeidskorting met € 500 te verhogen. Dat geld is eigenlijk een schuif geweest in het regeerakkoord van een gecreëerde ruimte in de sfeer van het Witteveenkader. De opbrengst van ongeveer 3 miljard is ook gebruikt ter dekking van ongeveer 3 miljard die nodig was om de arbeidskorting met € 500 te verhogen.

Over de participatiewet heb ik al iets gezegd. De invoeringsdatum is inderdaad 1 januari 2014. Dit betekent dat wij ook zullen werken met een wijziging van de wet zoals hij er ligt. De Wet werken naar vermogen zal worden omgebouwd tot een participatiewet door middel van een nota van wijziging. Deze nota zal tijdig worden ingeleverd bij het parlement, maar daarvoor zullen wij een aantal zaken doen. In de Tweede Kamer is een algemeen overleg geweest op 22 november en voor het einde van het jaar komt er een brief van de staatssecretaris van Sociale Zaken met de contouren van die participatiewet en hoe die gaat verschillen van de Wet werken naar vermogen. Ik verwijs kortheidshalve naar wat hierover tijdens de eerste termijn van het debat is gezegd, over hoe het ene wetsvoorstel zal afwijken van het gewijzigde wetsvoorstel. Een van de onderdelen daarvan is natuurlijk de quotumregeling, wat een belangrijk nieuw element is.

Over koopkracht en pensioenen is tijdens de interruptiedebatten al veel besproken. Ik meen dat wij daar recht aan hebben gedaan.

Ik denk dat inmiddels alle gestelde vragen over het sociaaleconomisch beleid in de interruptiedebatten zijn beantwoord. Ik zie aan de heer Brinkman dat ik niet helemaal met deze opmerking wegkom.

De heer Brinkman (CDA):

Dat hangt af van de vraag of de minister-president nog apart ingaat op het overleg met pensioenfondsen, banken, en dergelijke.

Minister Rutte:

Daarin heeft de heer Brinkman volkomen gelijk. Dat punt moet ik nog behandelen. Over dat punt is ook een vraag gesteld door de VVD, waar het de kwestie betreft van in pakketten verpakte hypotheken.

Over het overleg met de pensioenfondsen noem ik het initiatief van onder andere het VNO, maar ook deels gedragen door banken en pensioenen, om te bezien of pensioenfondsen kunnen worden gestimuleerd meer in Nederland actief te zijn. Dit past ook in een bredere beweging die het vorige kabinet heeft ingezet. Het kabinet heeft er nu met de speciale minister voor Wonen, de heer Blok, een eerste keer over gesproken. Er is overleg gaande tussen de heer Blok en de heer Wientjens, die hier vanuit de sfeer van de werkgeversorganisatie het voortouw in heeft, om te bezien hoe wij dit verder kunnen faciliteren. Er zitten heel veel haken en ogen aan. Het is niet iets wat wij zomaar even kunnen organiseren, omdat er ook sprake kan zijn van bepaalde varianten van garantstellingen die weer betekenis hebben voor de positie van de staatsfinanciën. Wij moeten dat heel goed bezien. Maar het gesprek vindt in constructieve sfeer plaats. Wij proberen eigenlijk te kijken of wij daarin kunnen faciliteren waarbij de opmerkingen die zijn gemaakt door de heer Brinkman en anderen relevant zijn, zoals de opmerking dat hier een bijzondere verantwoordelijkheid ligt bij de pensioenfondsbesturen, bij de werkgevers en werknemers daarbinnen en bij de banken. Wij willen als overheid nadrukkelijk onze rol pakken door ervoor te zorgen dat wij dat proces zo goed mogelijk faciliteren.

De heer Brinkman (CDA):

Dat stel ik op prijs. Ik hecht er wel aan dat de minister-president ook hier in het debat er uiting aan geeft dat dit geen zaak is die maanden kan duren. We moeten ons wel realiseren dat we vandaag in een ander verband ook spreken over de wenselijkheid om de economie weer in beweging te krijgen. Gelukkig gaat het redelijk met de export, maar voor de binnenlandse economie is het, in termen van kredietverlening, wat breder dan de huizenmarkt is, en van bedrijfskredietverlening, werkelijk één minuut voor twaalf. Ik snap wel dat het allemaal gecompliceerd is, maar dit is een onderwerp – dat weet ik toevallig uit anderen hoofde – waarover al wat langer wordt gesproken en waarbij objectief gezien ook andere belangen aan de orde zijn, te weten die van banken en pensioenfondsen, maar ook van DNB en de AFM. Als DNB bijvoorbeeld verklaart gedeeltelijk gelukkig te zijn met de genomen maatregelen, zou dat wel helpen. Als de AFM zou zeggen dat de hypothecaire hypotheekverlening wel iets ruimhartiger kan, dan is dat een kwestie van het met elkaar creëren van een andere sfeer omdat daar objectief reden voor is door de maatregelen van het kabinet.

De minister-president zei toch niet óf het kabinet moet participeren, nee, hij zei hoe het kabinet zal participeren. Klopt dat? Dit is namelijk een gezamenlijk belang, omdat anders iedereen blijft zitten wachten. Ik heb net al gezegd: onder de Kerstboom of rondom de jaarwisseling zit iedereen een beetje te kijken wat er gaat gebeuren. De economie gaat naar de donder als er in de komende weken geen helderheid komt. Ik vraag de minister-president daarvoor zijn kerstreces op te breken.

Minister Rutte:

Als dat nodig is, doe ik dat uiteraard. Ik was van plan het kerstreces op de Veluwe door te brengen: daar staan kerstbomen en het is een bereisbare afstand. Maar ik ben in eerste instantie geneigd om dit probleem nog even bij de heer Blok te parkeren. Waar ik zelf in actie moet komen, zal ik dat vanzelfsprekend doen. Ik ben het eigenlijk eens met alles wat de heer Brinkman zegt, inclusief de bijzondere positie van de banken en de kredietverlening en het feit dat dit type samenwerking tussen pensioenfondsen en banken ook kan leiden tot een leniging van de problemen die zich op dat terrein voordoen. Dat zie ik allemaal in. Maar zou dit iets zijn wat banken gezamenlijk kunnen doen, zonder overheid, dan was het als overheid veel makkelijker om hierin te faciliteren. Het feit dat er een bijzondere reden is om de overheid hierbij te betrekken, anders dan alleen het faciliteren – misschien moet er dan toch iets gebeuren in de sfeer van garantstellingen – maakt het natuurlijk ingewikkeld. Daarom moet dit echt goed worden onderzocht. De heer Blok is in vol overleg met betrokkenen om dat tot stand tot brengen. Nogmaals, waar ik moet helpen, ook in het kerstreces, doe ik dat. Dan bel ik wel de heer Brinkman!

De heer Kox (SP):

De minister-president heeft twee vragen van mij niet beantwoord. Tijdens de algemene financiële beschouwingen hoorden we hier van de minister van Financiën dat inkomensnivellering geen doel van beleid is. Ik heb in mijn bijdrage gezegd dat het volgens mij ook geen effect van beleid is, maar daarover krijgen we nog een brief van de viceminister-president. Kan de minister-president mij vertellen of inkomensnivellering al of niet een doel van beleid is?

Volgens collega Brinkman gaat de economie naar de donder. Het zou zomaar kunnen, en misschien zijn we al naar de donder aan het gaan. Maar wat als de samenleving er niet in slaagt om de werkgelegenheid op gang te krijgen, niet alleen voor ouderen, maar over het algemeen? Mogen we dan met het kabinet opnieuw discussiëren over andere maatregelen die er ook zijn? De fractievoorzitter van de VVD vertelde al: Keynes had gelijk, maar we luisteren niet naar hem. Is hier wel een plan B voorhanden?

Minister Rutte:

Nee, het verkleinen van inkomensverschillen is natuurlijk geen doel op zichzelf. Het binnen redelijke grenzen verkleinen van de inkomensverschillen, heb ik net betoogd, is een noodzakelijke randvoorwaarde om ervoor te zorgen dat je een buitengewoon grote ingreep in de overheidsfinanciën, die met name effecten heeft voor mensen met lage inkomens en mensen met een uitkering, op een maatschappelijk verantwoorde manier laat landen. Dat is de reden dat we dit doen.

In antwoord op de tweede vraag van de heer Kox: wij staan altijd open voor gesprek. Hebben we een werkloosheidscijfer als doel? Het liefst hadden we natuurlijk geen werkloosheid, of alleen nog frictiewerkloosheid. Maar dat doel is niet in een cijfer uit te drukken. Het zorgt er wel voor dat alle randvoorwaarden er zijn om ervoor te zorgen dat Nederland maximaal kan profiteren van een herstel van de wereldhandel, de wereldeconomie en de Europese economie. Daarbij zijn de effecten van het overheidsbeleid natuurlijk relevant, maar niet zaligmakend. Een open economie als Nederland, waarvan 70% van onze export naar landen binnen de eurozone gaat en een groot deel van onze export ook direct met die export samenhangt, is natuurlijk sterk afhankelijk van de internationale economische ontwikkelingen. Dit kabinet wil dat we én ervoor zorgen dat de dip zo ondiep mogelijk is, én ervoor zorgen dat we maximaal klaar staan en profiteren als de dip over is.

De heer Kox (SP):

Maar als het niet werkt, dan praten we opnieuw.

Minister Rutte:

Tussendoor praten we. Maar hoe stel je vast dat "het niet werkt"? Je zult een samenstel van factoren moeten hebben, om ervoor te zorgen dat Nederland maximaal profiteert van een weer aantrekkende wereldhandel, een weer aantrekkende wereldeconomie en een weer aantrekkende Europese economie, waarvoor wij als exportland natuurlijk extreem gevoelig zijn.

De voorzitter:

Ik zie nog twee sprekers die willen interrumperen. Mag ik de minister-president eraan herinneren dat hij tot 21.00 uur de tijd heeft voor zijn beantwoording?

De heer Hermans (VVD):

Ik wil nog terugkomen op de pensioenfondsen, de rol van het kabinet en de kredietverlening, de credit crunch. Het laatste zal voor de binnenlandse bestedingen, maar uiteindelijk ook voor de export, desastreus kunnen zijn. Want partijen kunnen dan niet meer investeren in allerlei vernieuwingen. Ik dring er vanuit de VVD daarom zeer sterk op aan, ook ter ondersteuning van wat collega Brinkman heeft gezegd, dat er een actieve rol is weggelegd voor de pensioenbestuurders. Werkgevers en werknemers klagen aan de ene kant dat er onvoldoende kredietruimte is, terwijl ze aan de andere kant hun verantwoordelijkheid hebben ten aanzien van de pensioenen. Maar je kunt niet maar één kant blijven benadrukken. Wat de RMBS-pakketjes betreft die zijn gemaakt met de hulp van het Holland Financial Center, heeft het kabinet een belangrijke rol om daarvoor in Europa kredietaccordering te krijgen, waardoor dit mogelijk wordt. De minister voor Wonen kan dan met dit punt in de hand daadwerkelijk actie gaan ondernemen. Dat wil ik nog eens extra onderstrepen. U kunt wel zeggen dat we erover moeten gaan praten, maar het is echt één minuut voor twaalf. Als ik hoor welke problemen het mkb heeft met kredietverlening, dan slaat mij de schrik om het hart. Dat moet echt stevig aangepakt worden. Vermogen is er in Nederland, laten we dat op een goede manier gaan toepassen.

Tegen de heer Kox zeg ik dat ik inderdaad heb gesproken over Keynes. We moeten Keynes goed gebruiken. Als het goed gaat, moeten we terug met de overheid, en als het niet goed gaat, moeten we vooruit. Maar we doen het precies andersom: als het goed gaat, roepen alle partijen, inclusief de SP, dat er nog veel meer moet gebeuren en als het niet goed gaat, dan mogen we niets doen. Dat kan dus niet. Daarom zitten we in de situatie waarin we nu zitten.

Minister Rutte:

Over de pensioenfondsen heb ik al het nodige gezegd. Ik wijs er nog eens op dat het uiteindelijk aan de pensioenfondsen en de banken is om dit punt gezamenlijk op te pakken. Wij gaan daar onze rol in oppakken. Ik heb de heer Brinkman daar net uitvoerig op geantwoord.

Over de residential mortgage backed securities (RMBS): voor deze standaardisatie is geen goedkeuring van de EBA nodig. Het betreft een initiatief van de private sector. Het is wel zo dat Nederland in het kader van CRD IV – dat heeft te maken met het prudentieel toezicht – erop inzet om hoogwaardige securisaties als de Nederlandse RMBS op te nemen in de liquiditeitsratio's. Verdere standaardisatie van de sector kan helpen om instrumenten meer liquide te maken. Daardoor kan acceptatie van de RMBS als liquide activa door de EBA worden vergemakkelijkt. We zijn er dus bij betrokken. Met name in het kader van de onderhandelingen over CRD IV wordt ernaar gekeken.

De voorzitter:

De Lange, kort!

De heer De Lange (OSF):

Ik neem aan dat de minister-president het met mij eens is dat de pensioenfondsen op aarde zijn met één doel, namelijk het optimaliseren van het uit te keren pensioen. Het gaat immers om uitgesteld loon van de deelnemers. De besturen van pensioenfondsen spelen daar hoogstens een faciliterende rol in. Met betrekking tot de vraag of pensioenfondsen moeten participeren in hypotheken, is het van belang dat er twee soorten hypotheken zijn: de hypotheken die de banken winst opleveren – ik denk niet dat de banken staan te dringen om die over te dragen aan de pensioenfondsen – en de hypotheken die verlies opleveren. Misschien willen de banken die laatste wel afstoten aan de pensioenfondsen. In dat geval kan dit alleen tot stand komen met garanties van de overheid. De hamvraag is dan natuurlijk of de overheid in die gevallen bereid is om die garanties te geven. Voor de duidelijkheid wil ik daarop graag een antwoord.

Minister Rutte:

Ik heb net gezegd dat de gesprekken gaande zijn. De garantstelling is een kwestie die daarbij betrokken moet worden. Wij zijn met die gesprekken bezig. Ik kan daarover niet nu ten principale een uitspraak doen. Wat uw eerste opmerking betreft: laat ik er wel op wijzen dat de overheid verantwoordelijk is voor de eerste pijler, de AOW. Het zijn de werkgevers en de werknemers die verantwoordelijk dragen voor de tweede pijler. De rol van de overheid is beperkt tot het financieel toetsingskader en de fiscale facilitering. Laten wij ervoor oppassen dat de overheid niet ook het hele tweedepijlerpensioen naar zich gaat toetrekken, want dat hoor ik een beetje in het betoog. Dit is echt een verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers.

De heer De Lange (OSF):

Ik begrijp goed genoeg hoe de pensioenfondsen in elkaar zitten. Als ik het heb over de pensioenfondsen, heb ik het uitsluitend over de aanvullende pensioenen en niets anders. De aanvullende pensioenen zijn uitgesteld loon. In wezen zijn zij eigendom van de deelnemers. De pensioenfondsbesturen werken uitsluitend faciliterend voor de deelnemers. Niets is simpeler dan dat.

Minister Rutte:

Dan zijn wij het met elkaar eens.

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik was heel blij om te horen dat het thema werkgelegenheid hoog op de agenda komt te staan van het overleg met de sociale partners. Wij hadden daar ook om gevraagd in onze eerste termijn. Ik heb de minister-president ook gevraagd of hij bereid is om in Europees verband het onderwerp werkgelegenheid steviger te agenderen en te bezien of er vanuit Europa niet meer kan worden gedaan aan het stimuleren van de werkgelegenheid, niet alleen in Nederland, maar in de hele Unie. Nu wordt Europa door mensen erg beleefd in de trant van: men let alleen maar op de 3% en op de 0%. Maar Europa zou zich ook moeten bekommeren om de tientallen procenten werklozen in het zuiden van de Unie en om de oplopende werkloosheid in ons land.

Minister Rutte:

Dat is mij uit het hart gegrepen en dat is ook de reden waarom het kabinet inzet op – uiteraard – de strikte naleving van de eisen van het Stabiliteits- en Groeipact ten aanzien van tekort en schuld. De andere pijler van onze hele Europastrategie is gericht op het verbeteren van de werking van de Europese interne markt. Waar wij op het eerste terrein met Italië nog wel eens een wat moeizame relatie hebben, is de samenwerking op het tweede terrein juist heel goed, met Mario Monti, die ook vanuit zijn eerdere verantwoordelijkheid als Europees Commissaris rapporten heeft opgesteld over de Europese concurrentiekracht en de werking van de interne markt. Er is een brede coalitie, waarin de Britten een heel positieve rol spelen, evenals de Scandinavische landen, maar ook Italië, Spanje en Portugal, omdat het cruciaal is.

De vervolgvraag kan dan zijn of er ook specifieke maatregelen uit de Unie kunnen komen om de werkgelegenheid te stimuleren. Daarin ben ik iets terughoudender. Het kan, voor zover het gaat om de goede aanwending van structuurfondsmiddelen, landbouwgelden en innovatiegelden. Daarover zijn wij het onmiddellijk met elkaar eens. Een van de redenen waarom dit kabinet terughoudend is met een speciale begroting voor de eurozone – een plan dat Van Rompuy heeft gelanceerd en dat ook in andere landen opgeld doet – is dat wij zeggen: pas op dat wij niet naast al die structuurfondsen en cohesiemiddelen nog weer andere instrumenten op Europees niveau gaan creëren die weinig toevoegen. Wij willen dat al helemaal niet als het Nederland weer extra geld gaat kosten bovenop het Meerjarig Financieel Kader. Ik ben het echter zeer eens met mevrouw Barth dat in een goede aanwending van structuurfondsen en cohesiegelden, het versterken van de Europese interne markt en het afsluiten van vrijhandelsverdragen de sleutel ligt naar de Europese rol in de werkgelegenheidsgroei.

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik ben blij dat te horen, want ik herinner mij nog uit de tijd van "werk, werk, werk", een periode waarin de werkgelegenheid ook moest worden gestimuleerd, dat de Europese structuurfondsen een heel belangrijke rol hebben gespeeld. Ik denk dat het goed zou zijn dat aan de Kamer wordt gerapporteerd wat daarmee in Nederland gebeurt en hoe die fondsen worden ingezet. Mijn collega De Vries herinnert zich nog uit de tijd dat hij zelf minister van Sociale Zaken was, dat hij en zijn Europese collega's elkaar in Brussel ondervroegen op dit onderwerp – "Hoe gaat het met de werkgelegenheid?" – en elkaar opjutten en stimuleerden en elkaar bij de les hielden over het stimuleren van de werkgelegenheid. Het hoeft niet alleen maar te gaan over geld, het moet ook gaan over een attitude in Europa. Het gaat niet alleen om die heel belangrijke financiële deugdelijkheid, maar het gaat er ook om dat de bevolking van Europa ervaart dat er ook goed nieuws uit Brussel komt. Dat helpt mensen om de weg terug te vinden naar de arbeidsmarkt als dat nodig is.

Minister Rutte:

Dan is het sinds de heer De Vries daar weg ging wel verslechterd, want de discussie is juist nu weer gaande, bijvoorbeeld op het niveau van de Europese Raad, om elkaar echt de maat te nemen en elkaar aan te spreken op beleid, op basis van objectiveerbare cijfers. Daartoe dienen het Europees semester, de MEO-procedure en alle andere instrumenten die er nu zijn op Europees niveau om inzichtelijk te maken hoe landen presteren. Ik ben jaloers als dat toen lukte, want nu lukt het nog onvoldoende. Het wel de ambitie. Wij hebben nu een coalitie in de Europese Raad van landen die zeggen: nu is het klaar, geen gedoe meer in de trant van "hoe gaat wij naar het laagste punt". Het gaat nu om "hoe gaan wij naar het hoogste punt". Waarom lukt het de Finnen om het beste onderwijs van Europa te hebben? Waarom lukt het de Nederlanders om de beste gezondheidszorg van Europa te hebben? Waarom lukt het de Nederlanders om misschien wel het beste innovatieklimaat van Europa te hebben? Om maar eens een paar sterke punten van ons land te pakken. Tegelijkertijd: waarom lukt het de Oostenrijkers om de laagste jeugdwerkloosheid van Europa te hebben? Het gaat er dus om dat wij naar de besten gaan kijken en daartegen benchmarkt. Dan spreken wij elkaar aan, in de trant van: hé, jongen, daar in Portugal, Nederland, Finland of Zweden, waarom jij niet? Dat zou dan ook moeten, daar ben ik het zeer mee eens. Zo zou het moeten gaan en het begint overigens te komen, maar het is nog heel rudimentair. Het is dus behoorlijk teruggezakt sinds de heer De Vries daar zat.

De heer Koffeman (PvdD):

Nu de minister-president toch aan het benchmarken is: vandaag is bekend geworden dat Nederland de slechtste positie in Europa inneemt als het gaat om de uitstoot van stikstof en broeikasgassen uit de veehouderij. Van de 54 slechteriken staan wij op zes na op de onderste plaats. 40% van het Europese budget gaat naar landbouwsteun. Een beetje melkveehouder in Nederland krijgt van de Europese Unie € 80.000 inkomenssteun. Subsidie in die sfeer moet een liberaal toch pijn doen, denk ik. Die veehouder krijgt dat om Nederland tot de grootste vervuiler te maken. Hoe kijkt u daar tegenaan? U pleit voor vrijhandel, maar dat gaat het nog erger maken dan het nu al is.

Minister Rutte:

Ik vraag u, die vraag even op te houden, want ik wil proberen enige structuur in mijn beantwoording te houden. Anders gaat in het enthousiasme van dit debat alles door elkaar lopen. Ik kom later terug op de kwestie van het milieu en de rol van Europa.

De heer Koffeman (PvdD):

Ik wacht het rustig af, maar laten wij die benchmark even vasthouden, want ik hoorde u alleen maar praten over benchmarken op punten waarop wij in uw optiek hoog scoren. In dit opzicht zitten wij echt helemaal onderin.

Minister Rutte:

Ik ben extra voorzichtig, omdat de heer Koffeman mij uitlegt hoe een liberaal zich moet voelen. Bij de heer Koffeman denk ik dan: even goed in de gaten houden welke kant het debat opgaat!

Mevrouw Strik (GroenLinks):

U bent bezig om via aanjagen en benchmarken iets van gezamenlijk beleid tot stand te brengen op het gebied van werkgelegenheid en economisch beleid. Wij zijn eigenlijk al tientallen jaren bezig om te proberen op dat terrein meer harmonisatie in Europa te krijgen. Het is verdomd lastig om dat voor elkaar te krijgen. Nu zitten wij heel erg op de financiële kant: wij moeten de begrotingen sluitend zien te krijgen. Bent u het met mij eens dat financieel-economisch beleid eigenlijk veel meer geharmoniseerd zou moeten worden, juist om de werkgelegenheid in alle landen voor elkaar te krijgen? Moeten wij misschien constateren dat aanjagen en elkaar stimuleren niet voldoende is? Moeten wij op een bepaald moment niet zeggen: omdat wij zo afhankelijk zijn van elkaars economieën, moeten wij gewoon Europees economisch beleid vaststellen? Ik heb het dan over duidelijke, bindende wetgeving of maatregelen, waaraan alle landen gebonden zijn, zodat je niet alleen maar correct hoeft te handelen op het gebied van de begrotingsdiscipline, maar ook de juiste maatregelen neemt om de werkgelegenheid op orde te brengen.

Minister Rutte:

Ik ben het ermee eens dat wij dat wel doen op het terrein van de financiële degelijkheid, maar als wij ook op het terrein van economisch beleid komen tot volledig vastgelegde Europese standaarden, maak je de meeste Europese economieën volledig kapot. Dat zou betekenen dat de rest van Europa zich moet aanpassen aan het duurste socialezekerheidsstelsel dat er in Europa is, namelijk het Nederlandse. Dat is onbetaalbaar; het gaat simpelweg niet. Je moet er dus altijd voor kiezen dat landen hun eigen accenten kunnen zetten en hun eigen beleid kunnen maken. Er zijn grote verschillen tussen de Europese economieën. De kracht van Europa is nu juist de eenheid in verscheidenheid ten aanzien van die economieën. Ik zou willen waarschuwen om in Europa niet te komen tot één aanpak van het pensioenstelsel of één aanpak van de sociale zekerheid. Nogmaals, dat kunnen wij hier nog lijden, met moeite, maar je zou veel Midden- en Zuidoost-Europese economieën in één keer kapot maken als je dat zou afdwingen.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Voorzitter ...

De voorzitter:

Kort, mevrouw Strik!

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ik bedoel niet dat je allemaal hetzelfde niveau moet hebben of exact dezelfde normen, maar ik kan mij wel voorstellen dat de Europese lidstaten bepaalde zaken afspreken om ervoor te zorgen dat men in eigen land de juiste sociaaleconomische maatregelen neemt. Nu heeft dat in feite nog een heel vrijblijvend karakter. Je kunt je partners inderdaad aanspreken en uitleggen dat het bij ons zus of zo werkt, maar je zou daar misschien wat meer gemeenschappelijk beleid op kunnen maken.

Minister Rutte:

Maar dat is er! Langs de weg van de macro-economische onevenwichtighedenprocedure en het Europees semester wordt er wel degelijk in Europa gekeken naar grote onevenwichtigheden in de economieën. Die kunnen op Europees niveau worden geadresseerd en daar kunnen zelfs dwingende afspraken over worden gemaakt, waarbij de landen zelf bepalen hoe ze die afspraken uitvoeren. Dat gebeurt niet op maatregelniveau, maar op systeemniveau. Dat is prima en dat is ook goed voor de werkgelegenheid. Als we dat bedoelen, ben ik het met mevrouw Strik eens. Ik ben alleen wat angstig omdat je gauw in een debat terechtkomt over meer of minder Europa, een debat tussen verschillende scholen van gelovigen. Ik zeg niet dat mevrouw Strik dat wil, maar dat debat kan er snel van komen, en voordat je het weet, dwingen wel elkaar allemaal om de duurste stelsels over te nemen. Daar wil ik voor waarschuwen. Als mevrouw Strik het echter zo bedoelt, dan zijn wij het volkomen eens.

Op het punt van de economie nog een paar laatste opmerkingen. Er zijn veel vragen gesteld. Ik kan ze misschien gezien de tijd niet allemaal beantwoorden, maar een enkele vraag die niet aan de orde is geweest in de interruptiedebatten wil ik er nog uitlichten. Vanuit het CDA is gevraagd naar de agenda voor de zorg. De hoofdkoers van de adviezen is ook die van het kabinet: meer zelfredzaamheid, minder medicalisering, meer maatwerk door integratie van wonen, welzijn en zorg. We hebben de adviezen ook betrokken bij het opstellen van het regeerakkoord, met de nadruk op gezondheid en kwaliteit van leven. De patiënt wordt mede verantwoordelijk voor gepaste zorg, we willen zorg dicht bij de mensen leveren en zorg meer bekostigen op basis van de uitkomsten, begeleiden naar gemeenten, een stringent pakketbeheer, het scheiden van wonen en zorg. Tegelijkertijd mist er een aantal elementen in het rapport die we in het regeerakkoord wel hebben ingevuld ten aanzien van een concrete norm voor hoe hard de zorg mag groeien. Dat moeten we dan ook met elkaar afspreken. Ook een financiële vertaling van de voorgestelde ideeën hebben we in het regeerakkoord gepoogd te maken, evenals oplossingen bij overschrijdingen van het budget. Zowel het SER-advies als de agenda voor de zorg heeft een heel grote rol gespeeld bij het opstellen van het kabinetsbeleid. Dat is terecht, lijkt mij, omdat er een breed draagvlak achter zit en er heel verstandige dingen in staan.

De heer Brinkman (CDA):

En dus is het met terugwerkende kracht niet de bedoeling geweest van de premiestelling, die inmiddels is ingetrokken, om langs een omweg verstatelijking – dat is mijn woord – door te voeren? Bevestigt de minister-president dat hij in lijn met die adviezen verder gaat en dat dit dus ook gebeurt in dualiteit tussen publieke en private instanties?

Minister Rutte:

Absolutely. Dat is volstrekt onze koers, en wel zonder marktfetisjisme en etatisme. We zoeken naar de beste vormen. In het regeerakkoord staat ook dat we doorgaan met vormen van gereguleerde marktwerking, waarbij we heel goed kijken naar de effecten. Een van de nadelen van inkomensafhankelijke premies zoals wij die hadden bedacht, met een opbouw in de vaste voet, bleek inderdaad te zijn dat de marktwerking die nu juist van stal begint te komen doordat men een zorgverzekeraar kan kiezen, aan kracht te verliezen dreigt, om het maar eens voorzichtig te zeggen. Dat was een van de nadelen van het gekozen systeem.

Eigenlijk denk ik daarmee recht te hebben gedaan aan de meeste vragen die zijn gesteld over de AOW en pensioenen. Laten we afspreken dat we anders ook in tweede termijn nog daarop kunnen terugkomen, als bepaalde zaken onvoldoende aan de orde zijn geweest. Dan zou mijn gedachte zijn om door te gaan naar het volgende blok, namelijk de vragen die zijn gesteld op het terrein van de economie. Dan kom ik heel voorzichtig bij de vraag van de heer Koffeman, maar niet meteen.

Dit kabinet werkt vanuit de overtuiging dat wij alles in huis hebben als innovatieve economie en als economie in het algemeen, om een bijdrage te leveren aan een snelle ontwikkeling van nieuwe energiebronnen zoals zon, wind en biomassa. Er werden vragen gesteld over windmolens op zee en windmolens op land. In het vorige kabinet hebben we bij het instellen van de stimuleringsregeling duurzame energie plus al de keuze gemaakt om te stoppen met het investeren in windmolens, biomassa, aardwarmte, osmose of in getijdenenergie. We gaan dat overlaten aan de markt en we gaan kijken waar we op de beste manier kunnen komen tot innovaties en hoe je ook daar overheidsgeld tegenaan kunt zetten. Langs die lijn willen we ook doorgaan. Niet het kabinet kiest voor windenergie of zonne-energie, want dat is juist een keuze voor de markt, terwijl wij ervoor moeten zorgen dat er goede stimuleringsmaatregelen zijn om dat ook voor elkaar te krijgen.

Ik meen dat het regeerakkoord op het terrein van de duurzaamheid ambitie, maar ook realisme toont. De motie waar GroenLinks over spreekt, beschouw ik als ondersteuning van beleid. Die motie is nog niet ingediend, maar ik heb haar al gezien en begin er toch alvast over. Als ik de motie zo mag lezen dat GroenLinks wil dat wij bij de kopgroep behoren – mevrouw Strik gaat die motie volgens mij nog indienen – dan zetten wij in op ambitieuze Europese en mondiale klimaatdoelen voor de jaren 2020, 2030 en verder. Duurzaamheid gaat over meer dan milieu- en energiemaatregelen. Duurzaamheid gaat ook over natuur, over water, grondstoffen, voedsel, het klimaat en de samenhang daartussen. Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft gezegd dat dit kabinet nadrukkelijk een groene stip op de horizon plaatst door te streven naar een internationaal volledig duurzame energievoorziening in 2050 en een circulaire economie voor grondstoffen.

Het kabinet biedt met het regeerakkoord naar mijn overtuiging langetermijnzekerheid over de koers en dat is noodzakelijk. Als Nederland immers wil aanhaken op de groeikansen die voortkomen uit het oplossen van de vraagstukken op het gebied van klimaat en energievoorziening, dan moeten we meerjarige investeringen mogelijk maken. Vandaar dat wij een ambitieus, maar in mijn ogen ook haalbaar doel zetten voor duurzame energie in 2020 van 60%. We zullen dan met nieuwe internationale doelen voor 2020, 2030, 2050 en verder de technologische vooruitgang moeten aanjagen en tegelijkertijd zorgen voor een ecologisch evenwicht voor de toekomst. Het gaat daarbij om concrete resultaten. Dit kabinet wil extra economische groei door gebruik te maken van de innovatiekracht van Nederland op terreinen als energievoorziening en het aanpakken van de grote vraagstukken van milieu en energievoorziening.

Op het gebied van klimaat zet Nederland in op een ambitieus internationaal klimaatbeleid, op nieuwe internationale doelen en ten aanzien van energie op 60% duurzame energie. De uitgaven voor de stimuleringsregeling duurzame energie plus, de Verhagenmaatregel, gaan we verder verhogen. Andere maatregelen zijn energiebesparing, het kleinschalig duurzaam opwekken van zonne-energie wordt fiscaal gestimuleerd en het kabinet zal initiatieven nemen om de kostprijs van windenergie op zee te verlagen. Dat heeft weer te maken met het stopcontact, als ik het simpel mag zeggen, er moet uiteindelijk ook een aansluiting zijn voor die opgewekte energie.

Aangaande het in kaart brengen van de mate waarin wij onze milieugebruiksruimte overschrijden en hoe we die overschrijding tegengaan met concreet beleid wijs ik erop dat in de recente balans van de leefomgeving van het Planbureau voor de Leefomgeving een duidelijk beeld wordt geschetst van de kwaliteit van de leefomgeving. Wij kiezen voor economische groei die geen afbreuk doet aan de ecologie en de omgevingskwaliteit. Dat willen we doen door kringlopen te sluiten, uitputting van natuurlijke hulpbronnen tegen te gaan, beschikbare biomassa zo weinig mogelijk in te zetten, kortom door in te zetten op de circulaire economie. Dat streven we na in alle sectoren van de samenleving, onder andere de landbouw, zeg ik tegen de heer Koffeman. We willen op alle terreinen de emissies van broeikasgassen verminderen en verliezen aan stikstof tegengaan. De concrete doelen zijn te vinden in de begrotingen van de verschillende departementen.

De heer Koffeman (PvdD):

Dat begrijp ik. De minister-president spreekt heel enthousiast over de doorrekening door het Planbureau voor de Leefomgeving, maar dat is uitermate kritisch op wat het regeerakkoord biedt. Het zegt dat de implementatie volledig achterwege blijft en dat er nauwelijks aandacht is besteed aan fiscale vergroening. Het planbureau is niet zo positief over de plannen van het kabinet. De premier kan dat hier wel met een heel optimistisch geluid laten horen, maar hij heeft eigenlijk geen oplossing voor het feit dat we het meest vieze jongetje van de Europese klas zijn wat de uitstoot van stikstof betreft, ook nadat zijn plannen gerealiseerd zijn. Het zou zo makkelijk kunnen zijn: een dagje minder vlees eten zou de klimaatdoelstelling voor 2012 voor huishoudens al gerealiseerd kunnen hebben, maar daar is de minister-president en zijn kabinet niet van. Hoe kan hij nu zeggen: wij zijn ermee bezig en verwijzen naar het Planbureau voor de Leefomgeving, terwijl dat zijn plannen juist uiterst negatief beoordeelt?

Minister Rutte:

Ik ben het daar oprecht mee oneens. Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft natuurlijk kritische kanttekeningen, maar stelt eveneens vast dat wij een ambitieuze stip op de horizon zetten, dat wij moeilijk haalbare doelstellingen, maar wel haalbare doelstellingen zetten. Er worden ook heel veel suggesties gedaan hoe we dingen kunnen verbeteren. Daar zullen we kennis van nemen en proberen ze in ons beleid te verwerken. Ik noem bijvoorbeeld het verhogen van de huidige 4% naar de 16% en wat dat alleen al betekent voor het aanscherpen van maatregelen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de door Maxime Verhagen en het vorige kabinet geïntroduceerde stimuleringsmaatregel duurzame energie plus, en voor hoe we die nu verder uitrollen, van extra fondsen voorzien en dat beleid dus voortzetten. Dat laat wel degelijk zien dat dit kabinet ambities heeft, omdat wij overtuigd zijn dat deze vraagstukken moeten worden opgelost op een manier die leidt tot extra economische groei. Dat is de ambitie.

De heer Koffeman (PvdD):

Ik begrijp dat dat de ambitie is. Wat de premier als groen bestempelt of wat de heer Verhagen als groen bestempelde, is echter in belangrijke mate bruine energie. Energie opwekken door het vergisten van mest heeft bijvoorbeeld niets met groene energie te maken. Dat is greenwashing. Het voorkomt dus niet dat wij het vieste jongetje van de Europese klas zijn waar het gaat om stikstofuitstoot en mestverwerking. Het zou zo fijn zijn als het kabinet daar echt iets aan zou doen, als vergroening echt groen werd in plaats van greenwashing.

Minister Rutte:

Het hele complex van maatregelen dat wij nemen om ervoor te zorgen dat de CO2-uitstoot, de stikstofuitstoot en de duurzame energievoorziening op het peil komen dat wij wenselijk vinden, is volkomen in lijn met de Europese richtlijnen dienaangaande. Er zijn overigens hierbij ook verschillen tussen landen, afhankelijk waar zij vandaan komen. Er zijn nog landen met een grote bruinkoolindustrie die moet worden afgebouwd. Daarvoor gelden hele andere doelstellingen en eisen dan voor een land als Nederland, waar de steenkoolmijnen al veel eerder zijn gesloten. Nederland heeft een heel andere energievoorziening. Steenkool speelt hier nog wel een rol, maar het is niet de enige bron. Hier zitten in belangrijke mate aardgas en in enige mate kernenergie in de mix. Er zijn gewoon grote verschillen tussen de Europese landen. Ik ben echt van mening – kijk naar het Planbureau voor de Leefomgeving – dat dit kabinet een volgende ambitieuze stap zet, voortbouwend op het beleid dat al is ingezet. Wij maken daarbij ook gebruik van de kennis van de Universiteit van Twente, onze uitstekende technische universiteiten in Eindhoven en Delft, ons hoger onderwijs, onze innovatiekracht en ons bedrijfsleven. Wij lossen dus niet de milieuproblemen op door te consuminderen en alleen de kachel een graadje lager te zetten. Wij pakken ze juist proactief op en zien er een kans in om te zorgen voor extra economische groei. Dit is ook zo'n punt waarop zo'n brug is geslagen tussen de PvdA en de VVD in de formatie.

De voorzitter:

De heer Koffeman, laatste keer.

De heer Koffeman (PvdD):

Ik zou het toch prettig vinden als de premier, omdat hij van de benchmark is, kennis zou nemen van de benchmark van vandaag waarin de mate waarin landen hun best doen om tot vergroening te komen in kaart is gebracht. De nummers een en twee zijn blanco, omdat geen land zodanig zijn best doet. Nederland staat op plek 48 van de 56. Ik denk echt dat het mooie verhaal van de premier daar niet bij past.

De voorzitter:

De heer Brinkman, kort.

De heer Brinkman (CDA):

De minister-president heeft helder uiteengezet wat er allemaal gaat gebeuren. Hij loopt echter wat langs mijn vraag heen. Dat iemand die energiebesparingsmaatregelen treft geen extra energiebelasting hoeft te betalen, is prima. Ik stelde dat het toch niet zo kan zijn dat iemand die energiebesparingsmaatregelen treft, ook nog weer een extra rekening moet gaan betalen omdat de veronderstelde totaalopbrengst van de aanvullende energiebelasting natuurlijk al lang en breed is bestemd voor allerlei subsidies voor meer of minder nuttige doeleinden. Stimuleer de energiebesparing door particulieren en instellingen nu zo dat zij daadwerkelijk merken dat zij minder belasting hoeven te betalen, is mijn verzoek.

Mijn tweede punt is altijd goed voor een grap, maar zo bedoel ik het niet. Dit land is vergeven van de windmolens op land. Het aardige idee van het kabinet is nu juist om op zee, achter de horizon, innovatief aan de slag te gaan en daar massa te maken. Laten wij nu voorkomen dat overal en nergens waar nog een beetje uitzicht was een windmolen komt. Soms lijkt het effectiever om in plaats van kippen windmolens op land te gaan houden. Op die manier dienen wij volgens mij twee nuttige doeleinden.

Minister Rutte:

Je moet inderdaad oppassen dat je alleen maar naar links kunt kijken omdat rechts de windmolens staan. Ik zie dat probleem, letterlijk, natuurlijk ook. Windenergie op zee is echter vier keer zo duur als windenergie op land. Het vorige kabinet heeft er al voor gekozen – dit kabinet zet dat voort – om via de regeling Stimulering Duurzame Energie het bedrijfsleven te laten besluiten waar dit gebeurt, in plaats van ons. Het bedrijfsleven moet immers die grote investeringen doen. De overheid heeft daarbij uiteraard een bijzondere verantwoordelijkheid ten aanzien van planologische inpassing. Het moet wel kunnen en kloppen. Er zijn ook eisen ten aanzien van landschapsbeheer en hoe een en ander eruit ziet. Allemaal losse windmolentjes in de polder ziet er toch aanzienlijk minder fraai uit dan als zij in een strakke lijn staan aan een dijk, zoals bij Urk nu zaken aan de gang zijn. Je kunt daar dus, ook vanuit planologisch oogpunt, veel moderner naar kijken dan in de jaren zeventig, tachtig en negentig is gedaan.

Ik kom nu op de andere vraag van de heer Brinkman. De energiebelasting is de opslag duurzame energie die wij toepassen. Die is generiek, zowel voor bedrijven als voor huishoudens. Iemand die energiebesparingsmaatregelen treft, wordt daar voor beloond. Die zal minder energiebelasting betalen, minder voor de opslag duurzame energie hoeven te betalen. Die zal dat dus wel degelijk ook financiële zin merken. Het is alleen lastig – het is zelfs naar onze inschatting op dit moment niet mogelijk, maar daar moeten wij heel goed naar kijken – om een onderscheid te maken door te zeggen: iedereen betaalt het, behalve degenen die het opwekken. Volgens mij zou het systeem moeten zijn dat iedereen die opslag betaalt en dat degenen die duurzame energie opwekken een behoorlijke afslag krijgen op hun rekening. Dan merken zij financieel ook dat zij bezig zijn met het treffen van energiebesparingsmaatregelen. Dat zijn uitvoeringskwesties waar wij goed naar moeten kijken. Het lijkt mij lastig om in dat generieke beleid al op voorhand, ex ante, een onderscheid te maken.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ik sluit mij aan bij de heer Brinkman. Wij geloven ook veel meer in die massale windparken op zee. Hoe groter, hoe rendabeler het kan zijn. Dit kabinet kiest er toch meer voor om in de huidige, ook vervuilende, kolencentrales te blijven investeren. Wat betreft duurzame energie kiest het kabinet vooral voor het bijstoken van biomassa in die kolencentrales. Er is nu een discussie gaande over de vraag of je wel zo massaal in die biomassa moet investeren, omdat je daarmee toch ook je eigen voedsel verstookt. Dat is natuurlijk het grote dilemma van nu. Hoe gaat het kabinet met die vraag om? In hoeverre voorkomt het kabinet dat op die manier juist een grote inbreuk wordt gemaakt op onze voedselvoorraad?

Minister Rutte:

Het zal altijd en-en-enbeleid moeten zijn. Als wij van die 4% naar 16% willen, ontkomen wij er niet aan om ook te kijken naar biomassa. Op dit moment is dat ongeveer 2,5% van het gat dat wij gaan dichten tussen die 4% en 16%. Je zult het er dus bij moeten betrekken. Tegelijkertijd zul je ook moeten kijken naar osmose, aardwarmte, getijde-energie windenergie en zonne-energie. Je zult alle vormen moeten bekijken. Alleen moeten wij dat niet doen. De fout die in het verleden is gemaakt, is dat de politiek besliste waarin geïnvesteerd ging worden. Laat dat nu door het bedrijfsleven doen en creëer als overheid met gerichte stimuleringen een langetermijnperspectief, zodat bedrijven dat winstgevend kunnen doen.

Ik ben het ook met mevrouw Strik eens. Ook ik heb liever massale windparken op zee dan windmolens op land. Daar zitten echter ook beperkingen aan. Wind op zee is simpelweg vier keer duurder. De businesscase moet wel sluiten. Ook dat heeft weer te maken met het type regeling. Dat is allemaal niet zo makkelijk. Wij zetten nu echter een gigantische stap, van 4% naar 16% richting 2020. Dat is 2% meer dan het Europese doel, dat 14% is volgens mij. Daar gaan wij 2% boven zitten. Dat is bijvoorbeeld voor grote energie-intensieve bedrijven zelfs al risicovol voor hun concurrentiepositie. Vandaar dat wij een stuk van opbrengst van de btw-verhoging gericht op het bedrijven inzetten om ervoor te zorgen dat die hele grote energie-intensieve bedrijven daar niet door omvallen. De heer Samsom zei zo mooi: 8.000 mensen bij Tata Steel zijn 8.000 heel goede redenen om dat bedrijf hoog te houden. Wij proberen echt een balans te zoeken tussen de verschillende belangen in ons kleine mooie land om de innovatie op gang te brengen, niet belangrijke industrieën om zeep te helpen en tegelijkertijd als Nederland veel meer aansluiting te vinden bij en waar het kan voorop te lopen in die ontwikkeling. Ik denk dat wij daar echt mee bezig zijn.

Biomassa is op dit moment onvermijdelijk in de mix. Ik ben het wel met mevrouw Strik eens dat de snelheid waarmee je kunt overschakelen op de tweede generatie van belang is. Het moet geen palmolieplantages hebben. Er moeten niet in Brazilië of in andere gebieden stukken tropisch regenwoud om worden gehakt om gewassen te verbouwen die als biomassa worden gebruikt. Dat heeft natuurlijk zeer negatieve effecten. Het uiteindelijke netto-effect is dan zelfs negatief. Ook daar zijn wij heel scherp op.

De voorzitter:

De heer De Lange, kort.

De heer De Lange (OSF):

Ik heb een opmerking over windmolens vanuit de fysica. Het rendement van een windmolen gaat met de derde macht van de windsnelheid omhoog. Op zee waait het gemiddeld twee keer zo hard als op land. Dat betekent dat het rendement van een windmolen op zee in principe acht keer zo groot is als dat van een windmolen op land. Dat lijkt mij een heel positieve factor die kan bijdragen aan het bouwen van windmolens op zee in plaats van op land.

Minister Rutte:

Die factor draagt bij. Daar staat tegenover dat het onderhoud van windmolens op zee schreeuwend duur is. Daarnaast moet je natuurlijk de infrastructuur hebben – ik noem het maar even simpelweg het stopcontact – om die stroom naar het land te krijgen. Er zijn dus heel grote kostenposten aan verbonden. Het bouwen van dat ding op zee, het onderhoud en de kabel die naar het land moet gaan lopen, vergen heel grote investeringen. Die maken uiteindelijk dat, alles opgeteld en afgetrokken, die windmolens op zee vier keer zo duur zijn als op land. Nogmaals, ook hier is het wel degelijk mogelijk om die businesscase te bouwen.

Voorzitter, ik zie u kijken, ik ga door. Ik denk dat daarmee de vragen over het milieu zijn beantwoord voor dit moment.

Dan kom ik bij de vragen die zijn gesteld over de kenniseconomie en de investeringen daarin. Dit kabinet investeert 700 miljoen bruto, 196 miljoen extra netto, in het onderwijs. Wij investeren ook fors – 100 miljoen, oplopend tot 150 miljoen – in het fundamenteel onderzoek. Dat is noodzakelijk omdat Nederland op dit moment volgens de index van het World Economic Forum de vijfde plaats inneemt van de meest concurrerende economieën in de wereld. Wij zijn op de ranglijstjes in de afgelopen jaren in positieve zin gestegen naar een hogere positie. Dat doen wij onder andere doordat wij met succes buitenlandse investeringen aantrekken. Een van de redenen om ook zo scherp te zijn op de discussie in Europa over het Meerjarig Financieel Kader is omdat wij natuurlijk respecteren dat er geld gaat naar structuurfondsen, landbouw en cohesiemiddelen. Maar juist wij willen een forse investering in middelen die te maken hebben met onze innovatiekracht, in het kader van Horizon 2020. Voor elke daarin door Nederland geïnvesteerde euro haalt Nederland er meer dan € 1 uit terug, terwijl elke euro die wij rechtstreeks en indirect uitgeven aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid niet leidt tot een opbrengst van meer dan € 1 maar van ongeveer 35 cent. Dus je ziet hieraan wel degelijk dat Nederland buitengewoon succesvol is in het binnenhalen van middelen, ook uit de Europese onderzoekspotten. Dat draagt allemaal bij aan onze concurrentiepositie.

De heer Brinkman en anderen hebben gevraagd hoe wij de economie weer in beweging krijgen. Ik heb eerder al aan de overkant van het Binnenhof gezegd dat het regeerakkoord wat mij betreft één groot banenplan is, maar niet in de traditionele zin waarbij wij een miljard in deze sector en een half miljard in die sector steken. Wij weten van eerdere kabinetten dat gerichte investeringen in sectoren te laat komen en te weinig effect hebben, dat er te veel in een oude sok gaat zitten, of weglekt naar het buitenland vanwege onze internationale economische situatie, door het feit dat wij een op het buitenland gerichte economie zijn.

Dus je moet naar mijn opvatting terughoudend zijn in het gericht investeren in de economie. Je moet ervoor zorgen dat een omgeving wordt gecreëerd met lage belastingen, weinig regels en een zo goed mogelijk opgeleide bevolking, een fatsoenlijk stelsel van sociale zekerheid, betaalbare gezondheidszorg en een goede infrastructuur. In die samenhang kan iedereen die tegen alle afspraken in besluit een bedrijf te beginnen succesvol zijn, als dat bedrijf tenminste start op een terrein waarop het succesvol wil zijn, en kunnen bedrijven die al bestaan groeien, zodat er uiteindelijk in Nederland geld wordt verdiend. Dat geld is ook nodig om uiteindelijk de belangrijke publieke voorzieningen weer overeind te kunnen houden. Dat is de ambitie die minister Asscher, ik en het hele kabinet hebben. Die ambitie hebben wij om ervoor te zorgen dat in 2017 de dip die Nederland doormaakt zo ondiep mogelijk is. Om te zorgen dat wij concurrerender en competitiever zijn en dat wij door alle noodzakelijke hervormingen door te voeren, sneller uit de situatie groeien waarin wij terecht zijn gekomen door de economische crisis dan andere landen.

Daarom moeten wij alle dingen in samenhang aanpakken die wij aanpakken: de kosten van de gezondheidszorg, het stelsel van sociale zekerheid en de arbeidsmarkt, de woningmarkt met heel gevoelige keuzes die daarin zijn gemaakt – ook voor mijn eigen partij – en het onderwijs. Door juist al die zaken in samenhang aan te pakken en daarbij een langjarig perspectief te bieden – de heer Hermans sprak in dat bijzondere geval ook over het perspectief op de woningmarkt – ben ik ervan overtuigd dat je uiteindelijk de omgeving creëert waarin dit land kan groeien.

De structurele werkgelegenheid is op lange termijn 0,6%, ofwel bijna 50.000 extra banen, maar ik vind de CPB-cijfers voor de lange termijn allemaal tot je dienst. Ik ben er absoluut van overtuigd dat wij een concurrerend land zijn, maar dat wij de dingen die wij nu gaan doen beslist moeten doen om ervoor te zorgen dat wij ook daadwerkelijk dadelijk sterker uit de crisis kunnen en zullen komen.

Dat hangt ook samen met het consumentenvertrouwen. Ik ben het met alle sprekers eens die daarover iets hebben gezegd, uit de hoek van de PvdA, het CDA, GroenLinks maar ook anderen zoals de PVV, dat het herstel van vertrouwen van het grootste belang is. Dat ontstaat naar mijn overtuiging ook door ervoor te zorgen dat de overheidsfinanciën op orde zijn. Want als dat niet gebeurt, zullen mensen denken dat op langere termijn de belastingen omhoog moeten en dat er forse ingrepen moeten gaan plaatsvinden die dan schoksgewijs moeten worden geïntroduceerd. Je verliest dan namelijk het vertrouwen van de financiële markten. Dat brengt grote kostenstijgingen met zich mee voor de financiering van onze staatsschuld van ruim 400 miljard euro. Dus het is van belang om die overheidsfinanciën op orde te krijgen en dat tegelijk zodanig te doen dat wij er daadwerkelijk voor zorgen dat de rekening zo terechtkomt dat die eerlijk over de samenleving is verdeeld. Ten derde is het van belang dat wij ervoor zorgen dat wij alle maatregelen nemen waardoor de economie kan gaan groeien.

Dat is wat wij willen doen. Daarbij hoort dus ook het punt van de heer Hermans op de woningmarkt. De heer Samsom en ik hebben bij de start van het kabinet gezegd dat dit het is wat ons betreft, voor zover wij er iets over te zeggen hebben als PvdA en VVD. Dus u weet nu waar u aan toe bent. Als u een huis gaat huren of kopen, zijn dit de plannen van het kabinet. Dit is wat wij willen doen: annuïtaire aflossing en beperking van de aftrek in het hoogste tarief zoals wij die hebben voorgesteld met een terugsluis via de belastingen. Dit zijn de maatregelen die wij gaan nemen. U weet het nu. U had het misschien anders gewild, een onsje meer, een onsje minder of helemaal niet, maar dit is het en daarmee, dat zeggen ook alle economen op dit moment, ontstaat er duidelijkheid op die woningmarkt. Dat is denk ik een heel belangrijke drijver van herstel van economisch vertrouwen en zekerheid.

De heer Brinkman (CDA):

Eens. Collega Hermans heeft nog een aantal andere aspecten aan de orde gesteld. Daarop zal hij misschien terugkomen, maar ik sla even aan op de opmerking die u maakte over "tot je dienst verder" met de mededelingen van het Centraal Planbureau. Dat is iets te makkelijk. Het Centraal Planbureau heeft het over de welvaartswinst op langere termijn, maar het is wel opvallend dat in een model – ik heb zelf geen beter model – niet met gedragseffecten en met volume-effecten rekening wordt gehouden. Een ding is zeker, namelijk dat je natuurlijk kunt vertellen dat wij over 30 jaar allemaal gelukkig zijn als deze maatregelen worden doorgevoerd, maar wij hebben wel te maken met het feit dat nu iedereen buitengewoon ongelukkig is en tegelijkertijd enorm spaart. De vraag is dus, mijnheer de minister-president, of u bijvoorbeeld toch nog eens samen met het CPB en de Nederlandsche Bank zou kunnen nagaan of juist door de maatregelen die u nu neemt, die wij op het punt van de woningmarkt ook op zichzelf steunen, er niet een nieuw feit is gecreëerd waardoor je ook kunt zeggen dat er dan ook meer reden is voor vertrouwen om je geld daarin te stoppen. Ik haal collega De Grave nog even aan, dat mensen die nu zeggen een nuttige herbestemming van hun spaargeld te zien, namelijk in de woning, dan wel zeker willen weten dat wat de minister-president hier zegt ook daadwerkelijk staande blijft. Dan heeft het heel veel zin om met de autoriteiten en het Planbureau nog eens na te gaan of dit inderdaad ook nog wat concreter vorm kan krijgen, doordat mensen bijvoorbeeld de vervroegde aflossing ook nog op een bepaalde manier door de minister-president of door de minister van Financiën gestimuleerd zien worden. Per slot van rekening wordt de Staat er dan ineens ook beter van. Ik noem nu maar voorbeelden waarvan wij allemaal beter worden. Dat kan het consumentenvertrouwen zeer stimuleren.

Minister Rutte:

Dit spreekt mij aan. Wat u eigenlijk zegt is: als dit het dan is en als daarbij een aantal politieke keuzes zijn gemaakt, maak nu gewoon zo goed mogelijk inzichtelijk wat dat betekent voor de economie, voor de woningmarkt, voor de bouw. U doet er een aantal suggesties voor. Laat ik gewoon algemeen antwoorden dat wij bezien hoe wij ook objectiveerbaar duidelijk kunnen maken dat die effecten er zijn en wat dat betekent voor de economie en voor mensen, ook individueel. Want dat sluit ook aan bij het punt van Hermans en anderen. Je hebt dat langetermijnperspectief nodig. Dus ik pak die handschoen op. Hoe precies gaan wij uitzoeken, maar ik zie hem liggen. Dat zal breder zijn dan alleen het Centraal Planbureau, denk ik, want dat kan natuurlijk een aantal effecten berekenen. De suggestie spreekt mij zeer aan. Want hoe meer wij duidelijk kunnen maken dat dit het is, dat dit het effect is en het perspectief, des te meer kun je ook mensen rust bieden. Want je merkt gewoon in Nederland dat een hoop mensen onzeker zijn, het geld in een sok doen of op de bank zetten en dat niet willen uitgeven, waardoor de private besparingen oplopen, ten detrimente van het algemeen economisch klimaat.

De heer Kox (SP):

De minister-president zegt dat hij duidelijkheid wil geven en dat dit het is. Ik zie hem non-verbaal communiceren met de minister voor Wonen. Maar de minister voor Wonen weet misschien ook dat die verhuurdersheffing van 2 miljard het voor deze Kamer niet is. Is het kabinet dan bereid om daarvoor met alternatieve voorstellen te komen? Want u kunt natuurlijk wel zeggen: dit hebben wij nu eenmaal besloten en daarmee moet u het doen. Maar ik dacht toch dat de tekenen op het gebied van de verhuurderheffing uit deze Kamer duidelijk genoeg zijn dat dat het niet in die vorm gaat worden.

Minister Rutte:

Ook in mijn voorbereiding op dit debat is dit een keuze geweest die ik voor mezelf heb moeten maken; dat raakt vooral de verhuurdersheffing, maar bijvoorbeeld ook het sociaal leenstelsel, waarover anderen hebben gesproken. Het is lastig om nu heel erg in de techniek te duiken van dat type concrete maatregelen, waarvan de uitwerking aan de overzijde van het Binnenhof nog überhaupt moet landen. Mag ik daarover in algemene zin zeggen dat wij ons realiseren bij het uitwerken van al die voorstellen dat dit niet alleen hier een minderheidskabinet is, maar dat wij, vanuit de overtuiging dat het brede maatschappelijke draagvlak er moet zijn, ook in de Tweede Kamer al zullen streven naar een veel breder draagvlak dan dat van onze twee partijen.

Maar ik wil voorkomen dat ik inga op de verhuurdersheffing of het sociaal leenstelsel, om die twee er nu maar even uit te lichten, omdat dit voorstellen zijn die wij nog helemaal moeten uitwerken. Zij moeten nog naar de Tweede Kamer. Natuurlijk horen wij van alles. Dat moet hier ook een keer landen, maar het moet eerst worden uitgewerkt. De algemene context waarin wij dat doen, is gericht op de overtuiging dat wij zoeken naar dat brede draagvlak, breder dan alleen de helft plus een. Wat de economie betreft zijn wij daarmee een heel eind.

Ik ga door naar het volgende hoofdstuk, namelijk Europa en het internationaal beleid. Daarover zijn ook vragen gesteld. Hier en daar heb ik er al iets over kunnen beantwoorden.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Heeft de minister het thema wonen nu helemaal gehad?

De voorzitter:

Pardon, mijnheer Kuiper, ik heb hier de leiding. Met het oog op de klok geef ik het woord aan de minister-president. Er wordt behoorlijk geïnterrumpeerd. Op een gegeven moment moet ik een grens stellen. De minister-president wil aan een volgend hoofdstuk beginnen. Volgens mij hebben wij straks nog een korte tweede termijn. Dan kunt u uw vraag nog kwijt.

Minister Rutte:

Ik meen dat de meeste vragen al zijn beantwoord, maar ik zal nog even zoeken in de voorbereide beantwoording. Het is een vraag over wonen. Ik neem die gewoon mee in de tweede termijn, voorzitter, als u mij dat toestaat.

Ik ga nu door naar Europa. We hebben al gesproken over de werkloosheid, naar aanleiding van opmerkingen van de SP en de PvdA. Ook in het interruptiedebat hebben wij er aandacht aan besteed. Mevrouw Strik van GroenLinks stelde een vraag over de zwakkere economieën van de eurozone, ook over de krimp in de Griekse economie. Wat wij in algemene zin willen bereiken, is een verbetering van de stabiliteit in de eurozone. Dat gaat niet tegen elke prijs. We zullen iedere keer een afweging moeten maken. Steun aan landen gaat uiteraard gepaard met strikte conditionaliteit, niet omdat Nederland dat per se wil, maar omdat het doorvoeren van structurele hervormingen en budgettaire consolidatie in het belang van het land zelf is. Ik ben er echt van overtuigd dat er geen alternatief voor bestaat. Je ziet het ook bij andere landen in de wereld waar dit is gebeurd. Waar men door de zure appel heen bijt en uiteindelijk de economie in korte tijd aanpassingen laat doen die waarschijnlijk tientallen jaren zijn uitgesteld – kijk naar wat er gebeurt in Spanje en Portugal, maar ook in Italië en Ierland en natuurlijk Griekenland – zie je langzamerhand de effecten. Kijk naar de haven van Barcelona. De NRC of de Volkskrant wist onlangs te melden dat die inmiddels meer uitvoert dan invoert. Ierland en Portugal staan niet meer aan de rand van de afgrond. Je ziet zo langzamerhand de effecten van het beleid, hoe moeilijk ook voor deze landen.

Er is echter geen alternatief voor dit type binnenlandse devaluatie in de zin van het op orde brengen van de overheidsfinanciën, zonder dat de munt kan devalueren, want men is onderdeel van de eurozone. Vroeger deed je het met een devaluatie van de munt, maar nu moet het door een interne devaluatie, simpelweg door het economisch beleid aan te passen. Dat lijkt mij de enige manier om tot convergentie te komen in de eurozone en ook af te komen van die heel rare grote renteverschillen, hoe prettig die voor ons momenteel ook zijn.

Dan de eurobonds en de eurozonebegroting. Ik heb al iets gezegd over de eurozonebegroting. Afgelopen vrijdag heb ik een brief gestuurd over de eurobonds, naar aanleiding van de voorstellen van Van Rompuy, maar met name ook van de Commissie. Ik heb daarin gemeld dat dit kabinet geen voorstander is van eurobonds. Het is nu van belang om Europees te komen tot de juiste prikkels, zodat de lidstaten een degelijk beleid voeren. Ook moeten wij ons inzetten voor het versterken van de budgettaire afspraken en moeten wij komen tot een betere coördinatie van dat economische beleid.

Ik kom bij de vragen over mijn interview vorige week, in het bijzonder als het gaat om de verdragswijziging. Ik heb daarin gezegd wat ook in het regeerakkoord staat, namelijk dat wij vinden dat landen die toetreden tot arrangementen als Schengen en de eurozone ook in staat zouden moeten zijn daar weer uit te stappen. Het regeerakkoord refereert daaraan. Nederland bepleit dat al langer. Ook het vorige kabinet deed dat, in de Tweede Kamer toen met steun van de PvdA in de persoon van degene die nu minister van Binnenlandse Zaken is. Er zijn ook uitspraken gedaan over het belang dat ook in ultieme situaties landen uit de eurozone moeten kunnen stappen, zonder eerst de EU te hoeven verlaten. Dat vraagt om een verdragswijziging. Ik heb in het interview ook gezegd dat het mij illusoir lijkt om daar speciaal een verdragswijziging over af te spreken. Dat lijkt mij kansloos. Niet valt uit te sluiten dat het geheel aan voorstellen over het versterken van de Europese economische monetaire unie, zoals die er nu liggen, uit de hoek van de Commissie en vooral van Raadsvoorzitter Van Rompuy, het op enig moment noodzakelijk maken om te komen tot een vorm van verdragswijziging. Dat is het moment voor Nederland om dit type wensen in de discussie in te brengen.

De heer De Graaf heeft het een en ander beweerd over de kwaliteit van de Europese economie en hoe die verslechterd zou zijn als gevolg van de invoering van de euro. Ik wijs erop dat sinds de euro chartaal is ingevoerd, in 2002, sinds de euro ook uit de flappentap komt – de euro is giraal al eerder ingevoerd – de werkzame beroepsbevolking met 400.000 personen is toegenomen. Het aantal banen is gestegen en de arbeidsparticipatie is verder gestegen. Er is wel minder sprake van een stijging van de werkgelegenheid dan in decennia daarvoor, maar dit heeft – zie ook de onderzoeken daarover – alles te maken met het feit dat de arbeidsparticipatie van vrouwen, met name in de jaren negentig en begin deze eeuw, enorm is toegenomen in Nederland, misschien wel door de hoge huizenprijzen. Los daarvan is er sprake van een enorme extra toename van de arbeidsparticipatie van vrouwen. Daar is nu de groei uit. Tegelijkertijd hebben wij te maken met een situatie van minder jonge mensen en meer ouderen in de samenleving, wat een drukkend effect heeft op de economische groei.

Ik meen oprecht dat de groei van de Nederlandse economie niet nadelig is beïnvloed, integendeel, als gevolg van de invoering van de euro. De heer De Graaf heeft een prachtige toespraak gehouden op de Carrièredag van de Faculteit der Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen. Daar zei de heer De Graaf onder andere dat er altijd een volgende kans komt. Dat geldt ook hier. Hij heeft daarnaast nog een mooi stuk geschreven als reactie op een artikel van de heer Maxime Verhagen in het Katholiek Nieuwsblad. Daarin spreekt hij over het respect voor de medemens en dat dit de kern is van onze cultuur, de kern ook van het katholicisme en het humanisme. Met alle verschillen die de heer De Graaf en ik politiek hebben, kan ik mij zeer in die uitspraken vinden. Nogmaals, wat hij over de euro zei, meen ik te moeten bestrijden.

Wat betreft Griekenland wil ik nog iets zeggen over de 550 miljoen van mevrouw Papandreou die op een Zwitserse bankrekening zouden staan. Dat zijn onbevestigde berichten. Belastingontwijking in algemene zin is een grote zorg van kabinet en Kamer. Als dit waar zou zijn, is het een vrij forse belastingontwijking, maar het zijn onbevestigde berichten.

Dan de vraag over de inkomenssteun voor boeren en de FTT, de financial transaction tax, on top of de Nederlandse bankenbelasting. Ten aanzien van het gemeenschappelijk landbouwbeleid geldt dat er brede steun is voor de modernisering, zoals ik die eerder schetste in het Meerjarig Financieel Kader, en het geven van meer aandacht aan onderzoek, onderwijs en innovatie. Wij halen op die manier wat dat betreft simpelweg meer geld naar ons toe dan uit landbouw en cohesie. Niettemin blijft er nog steeds heel veel geld beschikbaar voor landbouw en de voorstellen zoals die er nu liggen.

Dan de financiële transactiebelasting. Wij hebben in het regeerakkoord drie belangrijke voorwaarden opgenomen die tegemoetkomen aan de opmerkingen van de heer Brinkman. In de eerste plaats moeten de pensioenfondsen van het FTT zijn uitgezonderd. Ten tweede mag er geen disproportionele samenloop zijn met de huidige bankenbelasting. Ten derde, heel belangrijk, moet het geld terugvloeien naar de lidstaten en niet worden gebruikt als een soort nieuwe Europese belasting. Dat zijn voor ons drie belangrijke randvoorwaarden als wij kijken naar de mogelijkheden van zo'n financiële transactiebelasting.

De heer Brinkman (CDA):

De minister van Financiën spreekt hier momenteel over in Brussel. Het kan zijn dat hij op enig moment terugkomt met de mededeling dat er in Brussel overeenstemming is over het feit dat de opbrengst in Brussel moet blijven. De minister-president noemde zojuist drie voorwaarden. Acht hij die dan niet vervuld, zodat de bankenbelasting van tafel is, de pensioenfondsen in ieder geval worden gecompenseerd en wij nog een nadere discussie krijgen over hoe moet gaan met de eigen middelen van Europa?

Minister Rutte:

Als je de FTT zou gebruiken als een voeding voor de Nederlandse bijdrage aan Europa, dan gaat de bijdrage aan Europa anderszins weer omlaag natuurlijk. Het plafond van de eigen middelen wordt hopelijk uitonderhandeld op een top in januari of februari. Dan hopen we het eens te worden over het Meerjarig Financieel Kader 2014–2020. Onze inzet is in ieder geval om het daar niet voor te gebruiken. Bovendien is dit niet iets dat we met z'n zevenentwintigen doen. Dit wordt iets voor maximaal tien of elf landen. Het zal over de as van de versterkte samenwerking gaan lopen zoals die in het Verdrag van Lissabon is voorzien. Het is ook een van de eerste keren dat we dat echt gaan doen. We proberen het ook van toepassing te verklaren op het Europees octrooi. Dit zijn in ieder geval de randvoorwaarden. De onderhandelingen zijn gaande en we zullen daarover rapporteren. Het gaat altijd onder parlementair voorbehoud, want dit zijn natuurlijk grote beslissingen.

Omdat we bij het vorige onderwerp al veel over Europa hebben besproken, zijn veel vragen al beantwoord. Ik kijk nog even naar een ander aspect van het internationale beleid en dat is natuurlijk de ontwikkelingshulp. Misschien is het goed om toch nog even te benadrukken dat 13% van alle internationale financiële stromen naar ontwikkelingslanden bestaat uit ontwikkelingssamenwerking. De overige 87% bestaat uit buitenlandse investeringen en dergelijke. Wat wij uiteindelijk willen met ons beleid rond ontwikkelingshulp en ontwikkelingssamenwerking is dat in die landen zich een middenklasse ontwikkelt. De heer De Graaff van de PVV wees in zijn betoog ook op het belang van de middenklasse als ruggengraat van de samenleving. Als die middenklasse zich ontwikkelt – vaak gaat dat over de as van het bedrijfsleven en het ontwikkelen van eigen ondernemingen – ontstaat er een dragende kracht om belasting te betalen, om kranten op te zetten en te kopen en om politieke partijen te ontwikkelen. Omdat er belasting wordt betaald, kan er een staatssysteem tot ontwikkeling komen. Er zitten inderdaad bezuinigingen in het budget van ontwikkelingssamenwerking, maar vooral ook hervormingen. We willen meer investeren en het type investeringen willen we ontwikkelingsrelevant maken. Dat vraagt om coherentie op andere beleidsterreinen zoals landbouwbeleid en migratiebeleid. Dat is volgens mij cruciaal. Daarom hebben we er ook voor gekozen om een en ander samen te voegen onder één minister voor zowel ontwikkelingssamenwerking als buitenlandse handel.

Er zijn vragen gesteld over de 250 miljoen voor vredesoperaties. De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking besluit tot besteding van die middelen. Dat doet zij in overeenstemming met de minister van Defensie en betrokkenheid van de minister van Buitenlandse Zaken. Daarin zie je ook de 3D-benadering terug die Nederland voorstaat bij samenwerking bij internationale crisisbeheersingsoperaties. Dat betekent dat die 250 miljoen beschikbaar is voor uitgaven verbonden aan internationale veiligheid. Die drukken nu nog op de begroting van Defensie. Als die middelen op jaarbasis niet worden uitgeput, vallen ze onder de reguliere eindejaarsmarge van de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS). Die marge is ruim 180 miljoen en dat is een vast bedrag. Dat betekent dat het bedrag kan worden meegenomen naar het volgende jaar. Op die manier past het ook in de normale begrotingssystematiek.

Er zijn vragen gesteld over de situatie in Israël. Er was gisteren een regulier gesprek tussen de minister van Buitenlandse Zaken en de Israëlische ambassadeur. De minister van Buitenlandse Zaken heeft onze ernstige zorgen overgebracht over de plannen voor de bouw van nieuwe nederzettingen. Wij keuren die Israëlische besluiten ondubbelzinnig af. Die nederzettingen zijn illegaal en een obstakel voor vrede. Het hele beleid, zowel van het vorige kabinet als van dit kabinet, is erop gericht om even-handed met Abbas, de Palestijnse Autoriteit en de regering van Netanyahu te streven naar het bij elkaar brengen van de partijen. Nederland heeft daarin een kleine rol, maar ook een bijzondere positie omdat wij van oudsher met de Westbank, Ramallah, de Palestijnse Autoriteit en de regering in Israël proberen een goede relatie te onderhouden. Het is goed dat het ernstige conflict rond de Gazastrook voorlopig tot rust is gekomen. Het is ontzettend belangrijk dat er zo snel mogelijk een situatie wordt gecreëerd waarin de Israëli en de Palestijnen op de Westbank met elkaar in gesprek gaan om te komen tot een veel duurzamere oplossing van hun conflict. De bouw van nederzettingen past daar dus niet in.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ik vind het interessant dat de premier zegt dat het Midden-Oostenbeleid een voortzetting is van het beleid van de vorige regering. Ik had werkelijk het idee dat het vorige kabinet veel meer inzette op praktisch onvoorwaardelijke steun aan Israël en niet uit was op gezamenlijke standpunten binnen de Europese Unie. Inmiddels heb ik minister Timmermans al horen zeggen dat dit voor hem prioriteit heeft. Hij wil binnen de Unie wel degelijk een gezamenlijk standpunt en een gezamenlijke strategie ontwikkelen. Meent de minister-president dat dit kabinet op alle punten ten aanzien van het Midden-Oostenconflict dezelfde lijn zal kiezen als het vorige kabinet?

Minister Rutte:

Op het punt van de Unie heeft mevrouw Strik gewoon gelijk. Minister Timmermans is wat dat betreft met hernieuwde energie aan de slag gegaan. Je ziet bijvoorbeeld bij de stemming in de AVVN over de waarnemersstatus echter hoe lastig het is om als Europa tot één standpunt te komen. Toch heeft het meerwaarde om dat te proberen. Ik wijs er wel op dat in de afgelopen jaren zowel Abbas als Netanyahu zijn ontvangen. Nederland probeert met beiden goed contact te onderhouden en zo veel mogelijk weg te blijven van alle toverformules. We proberen vooral een heel pragmatische rol te spelen, zowel naar de Israëlische als de Palestijnse autoriteiten. We zijn geen heel groot land in Europa, maar wel de grootste van de kleinere economieën. We hebben een bijzondere relatie met zowel de Palestijnen als de Israëli. In dit kabinet komt dat zelfs bij uitstek samen. Als het kabinet ergens een brug kan slaan, is het wel hier. Frans Timmermans is daarvan bijna de personificatie. Ik heb goede hoop dat het beleid dat we in gang hebben gezet succesvol kan worden voortgezet. Het besluit om nieuwe nederzettingen te bouwen, past daar niet in; dat helpt totaal niet.

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ik hoop op een wat kritischer opstelling ten aanzien van de stappen die de Israëlische regering in dit proces zet.

Minister Rutte:

Ik heb er zelf ook een paar keer met Netanyahu over gebeld. Tot nu toe zijn wij over het bouwen van nieuwe nederzettingen altijd buitengewoon kritisch geweest. We proberen zo veel mogelijk bij te dragen aan een situatie waarin de kans maximaal is dat de partijen met elkaar in gesprek gaan. Daarom hebben we ons ook onthouden van stemming in de AVVN, want het afdwingen van die status helpt daar niet bij – met alle respect voor de Palestijnen dat ze het geprobeerd hebben – noch het bouwen van nieuwe nederzettingen. Wij moeten vooral proberen om ze bij elkaar te brengen.

Dan kom ik op de vragen die zijn gesteld over bestuur en veiligheid. Het kabinet streeft naar een compacte, krachtige en dienstverlenende overheid. We willen ervoor zorgen dat de schaal waarop het Nederlandse openbaar bestuur georganiseerd is, vergroot wordt. We vragen namelijk steeds meer van medeoverheden in de uitvoering. Tegelijkertijd willen we ervoor zorgen dat we die schaal gebruiken om taken van de rijksoverheid over te kunnen dragen aan de medeoverheden. Dat is dus een kans om twee bewegingen in gang te zetten. Dat is een buitengewoon gevoelig proces. Ronald Plasterk is daar als minister van Binnenlandse Zaken in de eerste plaats mee bezig, maar veel andere collega's uit het kabinet zijn ook bij de decentralisaties betrokken. Ik denk aan Sociale Zaken, VWS en het jeugdbeleid.

Om de taken die we overdragen op een goede manier te kunnen uitvoeren, moet er sprake van schaalvergroting zijn. Dan komen er altijd lastige onderwerpen om de hoek, bijvoorbeeld de binding die mensen voelen met hun eigen dorp, stad of provincie. Mensen drijven over de hele wereld handel, maar uiteindelijk wonen ze op Tholen, zoals de heer Brinkman zei. Het gaat om die combinatie: een land dat trots over de wereldzeeën vaart en niet achter de dijken wegkruipt, maar tegelijkertijd wortelt in de lokale gemeenschap. Die combinatie moeten we overeind houden. Die opgave ziet het kabinet ook. Dat hoeft echter niet de beweging te blokkeren om tot een combinatie van opschaling en decentralisatie te komen. Er zit dus een aantal aspecten aan vast, bijvoorbeeld het voornemen om het aantal gemeenteraadsleden te verminderen. Dat komt voort uit de dualiseringscorrectie, zoals die eerder al is doorgevoerd voor de Provinciale Staten.

De verhouding tot de Europese Unie speelt hierbij natuurlijk een bijzondere rol. Wij moeten ervoor zorgen dat wij maatregelen van de EU omzetten in wetgeving zonder die te gaan "gold-platen", te verfraaien, maar zo sec mogelijk en tijdig als een goede partner in Europa omzetten in fatsoenlijke Nederlandse wetgeving.

Dat hangt natuurlijk ook samen met de hele kwestie van de doelmatige en doeltreffende rijksdienst. In die zin kon ik mij goed vinden in de opvatting van de heer Engels van D66, dat er een relatie is tussen een modern vormgegeven politiek stelsel en een meer doelmatige rijksdienst.

Juist om die continue veranderingen binnen het kabinet prioriteit te geven, is er nu niet alleen een minister voor Wonen maar ook een minister voor Rijksdienst. Het is wel dezelfde persoon. Daarmee staan wij overigens in een goede D66-traditie – ik zie de heer Blok nu schrikken – met Roger van Boxtel, Thom de Graaf, beiden op BZK en beiden als minister zeer actief bezig met de rijksdienst. Het is de taak van deze minister om te komen tot een goedkoper, flexibel en efficiënter werkende rijksdienst, met minder bestuurlijke en ambtelijke drukte en regeldruk. Die taak is op onderdelen zeer concreet. Zo staat er bijvoorbeeld in het regeerakkoord expliciet dat aanvullend op de eerdere besparingen binnen de rijksdienst in 2017 nog eens 900 miljoen, dus bijna 1 miljard, wordt omgebogen en dat het project Compacte Rijksdienst wordt afgerond.

Dan zijn er ook vragen gesteld over de opschaling van de provincies. Wij menen dat dit samenhangt met de discussie over decentralisaties en opschaling, om op die manier de slagvaardigheid van de overheid te vergroten. De vorming van landsdelen vergemakkelijkt de aanpak van de provinciegrensoverschrijdende maatschappelijke problemen. Denk ook aan terreinen als mobiliteit, economie, ruimtelijke ordening en natuur.

De heer Kox (SP):

Ik had de minister-president gevraagd of het ook mogelijk was om deze Kamer, misschien de Staten-Generaal, een meer integrale visie te geven op wat hij allemaal wil gaan doen, van het veranderen van de Raad van State tot het opschalen van provincies en het vergroten van gemeenten. Een visie waarin hij aangeeft welke kant hij op wil. Dat zou voor de Kamer nuttig zijn. Dan kunnen we de maatregelen ook in die context behandelen. Ik denk dat het kabinet hoe dan ook zelf zo'n visie moet ontwikkelen, want anders wordt het voor minister Plasterk wel erg ingewikkeld om al die maatregelen uit te voeren. Hij zal toch zelf ook de samenhang moeten zien te vinden. Als we die in de loop van bijvoorbeeld dit jaar zouden kunnen krijgen, dan zou dat mooi zijn.

Minister Rutte:

In het regeerakkoord hebben we juist gepoogd om die zaken in samenhang met elkaar neer te zetten, zowel ten aanzien van provincies, gemeenten, decentralisaties en opschaling. Ik kan de heer Kox wel toezeggen dat het kabinet niet van plan is om op allerlei terreinen direct al met concrete wetsvoorstellen te komen. Waarschijnlijk zal dat vooral het debat in de Tweede Kamer regarderen, maar het is voorstelbaar dat op onderdelen ook de Eerste Kamer daar bijzondere belangstelling voor heeft en daartoe ministers uitnodigt voor een gesprek. Dan kan er, voordat er concrete wetsvoorstellen voorliggen, zo veel mogelijk tot nota's en stukken worden gekomen waarin wij juist onze visie neerleggen. Ik meen dus oprecht dat de samenhang tussen al die zaken in het regeerakkoord goed is belegd, maar ik hoor heel goed wat de heer Kox zegt over de verdere uitwerking daarvan. Dat zijn wij echt voornemens te doen, en dus niet zomaar in de vorm van wetsvoorstellen. Het kan bijvoorbeeld de vorm krijgen van een concept-memorie van toelichting. In een soort nota zetten wij dan uiteen hoe wij het willen gaan doen. Die zou dan later in het wetsvoorstel terecht kunnen komen als een soort van artikel 1, inleiding op de memorie van toelichting. Op die manier kan de context van en de samenhang tussen maatregelen worden geschetst.

De heer Engels (D66):

Ik ben blij met de gedeelde analyse van de minister-president over de samenhang van de rijksdienst, de bestuurlijke organisatie en het politieke stelsel. Helaas verbindt hij er geen conclusies aan. Ik had hem concreet twee dingen gevraagd. Een. Wil hij in het kabinet beide ministers van Binnenlandse Zaken de ruimte geven om de verbinding met de vernieuwing van het politieke stelsel te onderzoeken? Als tweede had ik gevraagd om een nieuwe kabinetsreactie op het rapport van de staatscommissie voor de Grondwet, de commissie-Thomassen, waarin dat verband ook duidelijk wordt gelegd.

Minister Rutte:

Ik moet bekennen dat ik op dat eerste punt geen voornemens heb anders dan de deconstitutionalisering van de burgemeester. Wij gaan het opnieuw proberen. Dat zal in ieder geval stap één moeten zijn – in 2005 is daartoe de laatste poging gedaan – om daarna vervolgstappen te kunnen zetten. Op dit moment hebben wij daartoe geen concrete voorstellen in petto, of zoals D66 dat zo mooi formuleert: niet in de etalage, maar wel uit voorraad leverbaar. Ik kan mij wel voorstellen dat daarover dadelijk, als die voorstellen ten aanzien van de bestuurlijke inrichting van Nederland komen, debat zal worden gevoerd en wij daar ook met elkaar op zullen reageren. Wij zijn nu niet voornemens om daar grote voorstellen voor te doen.

Ten aanzien van de Grondwet ligt er natuurlijk nog één belangrijk stuk, namelijk de kwestie van artikel 13, dus om een modernere invulling te geven aan wat dragers van communicatie zijn. Daar zijn voorstellen voor. Dat gaat over het briefgeheim. Dit kabinet heeft het advies over de herziening van artikel 13 van de Grondwet dan ook overgenomen. Ik denk daarom dat het misschien goed is om dat debat daarover te voeren en om binnen die context opnieuw breder te kijken naar het rapport van de Staatscommissie, zonder nu vanuit het kabinet met een compleet nieuwe reactie te komen. Die is er feitelijk al. Het aanpakken van artikel 13 lijkt mij echter het meest urgente probleem. Het debat kan dan misschien ook gebruikt worden om tegelijk te kijken naar andere aspecten daarvan.

Ook zijn er vragen gesteld over de machtsconcentratie bij staatssecretaris Teeven en minister Opstelten. Ik maak mij daar ook al een tijdje zorgen over. Ik kan de Kamer zeggen dat de minister van Veiligheid en Justitie politiek uiteraard verantwoordelijk is maar dat het gezag over de politie berust waar het behoort te berusten. Volgens mij is dat in de Eerste Kamer en in de Tweede Kamer ook besproken. Mevrouw Hennis heeft dat in de Tweede Kamer gedaan. Het gezag over de politie behoort bij de burgemeester en het Openbaar Ministerie te liggen. Dat wordt weleens verkeerd begrepen. Dan wordt er gezegd: de politie is van BZK overgegaan naar Veiligheid en Justitie. Ja, het stelsel, het beheer is overgegaan, maar het gezag berust bij de burgemeester en het Openbaar Ministerie. En zo hoort het ook.

Ik denk dat ik de meeste vragen op het punt van het binnenlands bestuur heb beantwoord. Ik kom wel nog te spreken over de kwestie van ruimte geven en houden voor godsdienstige en levensbeschouwelijke groepen die waarden en daarmee een moreel fundament levend houden in de samenleving. Dat was een vraag van de heer Kuiper van de ChristenUnie. Blijven vrijheden van niet-seculiere minderheden gewaarborgd? Het antwoord daarop is een ondubbelzinnig "ja". Dat staat in de Grondwet, de verdragen, en de Nederlandse samenleving kenmerkt zich van oudsher door een pluriformiteit van minderheden. Er is een grote diversiteit in Nederland aan godsdiensten, overtuigingen, levensbeschouwingen, opvattingen, leefstijlen en waardepatronen. De vrijheid van meningsuiting, de vrijheid en openheid van de samenleving, bieden naar mijn overtuiging ruimte voor deze pluriformiteit en maken deze ook mogelijk. Het is wat mij betreft een wezenskenmerk van onze democratische rechtsstaat en verdient ons aller, volksvertegenwoordigers en leden van het kabinet, bescherming.

Ook heeft de heer Kuiper gevraagd naar de voorgenomen hervorming van de zelfstandige bestuursorganen (zbo's) en de nieuwe ordening op het spoor. Het aanstaande debat met de Kamer is een goed moment om te spreken over de voornemens van het kabinet met betrekking tot de zbo's. Zij lopen mee in de algemene taakstelling, namelijk structureel 1,1 miljard in 2017. Zij nemen ook deel aan de rijksbrede shared services-aanpak en zij lopen mee in het doorlichten van de procesketens van het Rijk. Maar fundamenteel in het regeerakkoord is de vraag of de zbo-vorm de meest geëigende vorm is. Werkt dat nou? Ik had daar ook mee te maken toen ik staatssecretaris van Sociale Zaken was. Sociale Zaken ging dan over het beleid, de wetgeving en de uitvoering. De verantwoordelijkheid voor de Sociale Diensten ligt natuurlijk bij de gemeenten. Maar dan was het toch vaak heel ingewikkeld hoe je dat dan met UWV en toen nog CWI en de Sociale Verzekeringsbank, zeer verstandig bestuurde organisaties waar we veel respect voor hebben, moest doen. Beleid en uitvoering stonden daarbij toch te zeer op afstand. Dat soort zaken willen we fundamenteel opnieuw doordenken en bekijken. Daar is door het vorige kabinet al veel aan gedaan en daar gaan we mee door.

Dan kom ik bij de tweede vraag van de heer Kuiper, over de langetermijnagenda spoor. Die wordt begin 2013 aan het parlement gezonden met daarin een visie op de ontwikkeling van het spoor met de bijbehorende uitgewerkte doelen en ambities. Daarbij wordt ook de organisatie en de ordening op het spoor bezien. De precieze uitwerking van de ordening volgt later. Het kabinet hanteert hierbij het uitgangspunt dat eventuele wijzigingen in de structuur geen doel op zich zijn, maar een mogelijk gevolg van inhoudelijke keuzes.

Ik ben nog iets vergeten. Ik had gisteren telefonisch contact met Tof Thissen, de eigenlijke fractievoorzitter van GroenLinks. Hij vroeg mij de hartelijke groeten over te brengen. Hij hoopt hier begin volgend jaar weer terug te zijn. Hij is tegenwoordig mijn overbuurman in Den Haag, dus ik hoop hem daar vaak te kunnen zien. Ik had dit aan het begin willen zeggen, maar ik was het vergeten. Bij dezen dus ter afsluiting van mijn poging om recht te doen aan de gestelde vragen in eerste termijn.

De voorzitter:

Mag ik om recht te doen aan alle leden van deze Kamer vragen of de heer Kuiper zijn vraag over wonen wil stellen?

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Voorzitter. Dat waardeer ik zeer. Zowel de heer Hermans als ik heeft naar voren gebracht dat op dit moment mensen die een aflossingsvrije hypotheek willen omzetten naar een spaarhypotheek, in de problemen komen. De vraag is of voor hen iets kan worden gedaan en of de termijn enigszins kan worden verlengd om die overgang mogelijk te maken. Het was een heel concrete vraag en ik ben benieuwd naar het antwoord.

Minister Rutte:

Ik kom daarop in tweede termijn terug.

De vergadering wordt van 21.00 uur tot 21.15 uur geschorst.

De voorzitter:

Aan de orde is de voortzetting van de algemene politieke beschouwingen. Wij zijn toe aan de repliek van de kant van de Kamer. Zoals gebruikelijk doen wij de tweede termijn hier staccato, dat wil zeggen dat ik strak de tijden zal handhaven. Ik zal bij iedere spreker aangeven hoeveel minuten hij of zij heeft. Ik zal coulant zijn: als er moties worden ingediend, zal ik dat niet van de tijd aftrekken.

De heer Brinkman (CDA):

Voorzitter. Ik dank de minister-president, die wij een goede kerstvakantie op de Veluwe toewensen. De daadkracht van het kabinet zou zeer tot de verbeelding spreken als in 2013 het elektronisch factureren, de elektronische identiteitherkenning en de Omgevingswet zouden worden gerealiseerd. Ik ben nog in afwachting van een antwoord.

Mijn fractie heeft nog één belangrijk punt. Conform de goede traditie in dit huis willen wij graag ergens in het vroege voorjaar een overzicht krijgen van de wetsvoorstellen die hoe dan ook in het komend jaar hier moeten passeren. Wij moeten immers ons huiswerk goed doen ter voorbereiding. Het is goed gebruik dat wij weten hoe een en ander zich verhoudt tot de budgettaire voornemens die het kabinet heeft. Ik vraag daar in het bijzonder om omdat mevrouw Barth op enig moment de tomtom uitzette en ik toen een beetje de weg kwijtraakte bij wat er over zou blijven. Daarom heb ik behoefte aan een kompas. Misschien kunnen wij afspreken dat wij eind februari of begin maart dat overzicht krijgen. Dan hebben wij ook het overleg met de maatschappelijke organisaties gevoerd. Als wij dat antwoord krijgen, gaan wij geheel tevreden huiswaarts. De minister-president zal ongetwijfeld hebben begrepen dat wij het kabinet constructief zullen volgen, maar niet op voorhand bij elk kruisje zullen tekenen.

De heer Hermans (VVD):

Voorzitter. Ik dank de minister-president voor de beantwoording. Het is goed dat hij vanuit de uitgangspunten van het kabinetsbeleid alle zaken in een goed perspectief heeft gezet. De overheidsfinanciën moeten op orde zijn, er moet een eerlijke verdeling van de lasten komen en er moet worden gewerkt aan een sterke economie. Het is belangrijk om daarop voort te bouwen.

Bij de doorbraak op zorg, wonen, arbeidsmarkt en sociale zekerheid is de uitgestoken hand van de minister-president van grote betekenis om te zorgen dat er in het parlement, zowel bij de Tweede als bij de Eerste Kamer, een ruime meerderheid kan zijn voor de agenda die voorligt. De sociale agenda werkgevers en werknemers is een agenda waar vooral de hele discussie omtrent de credit crunch en de discussie rondom de woningmarkt een heel belangrijke rol zullen gaan spelen en ook zullen moeten spelen.

In eerste termijn hebben wij gesproken over het brengen van zekerheid voor de burgers op de woningmarkt. Wij moeten de hand uitsteken naar alle partijen om zo snel mogelijk voor de burgers in dit land zekerheid te krijgen over de hypotheken. Dat is van het allergrootste belang om de huizenmarkt uit het slop te trekken. Ik blijf op alle collega's hier maar ook aan de overkant een beroep doen om snel met elkaar op dat punt een akkoord te sluiten om te zorgen dat er duidelijkheid gaat komen.

Er blijft nog één vraag over, namelijk de vraag die ik heb gesteld over de 100% afschrijving van leningen. Ik heb gevraagd of dat wel reëel is en of een afschrijving tot bijvoorbeeld niet 15% reëler is. Dat betekent immers dat er altijd nog een stukje restwaarde in de woning blijft zitten.

De heer Kuiper heeft aan het einde van de eerste termijn een vraag gesteld over het omzetten van aflossingsvrije hypotheken naar spaarhypotheken. Ik ondersteun hem daarin. Het is van belang te kijken of er enig respijt in de termijnen kan plaatsvinden.

Over één punt is helemaal niet gesproken, namelijk de bescherming van persoonsgegevens. Ik heb dat opgehangen aan het epd, het elektronisch patiëntendossier, maar het geldt ook voor gemeenten en de politie. In de toenemende digitalisering van onze samenleving, waarin gegevens steeds meer opgeslagen worden en op alle mogelijke manieren kunnen worden binnengehaald, zelfs gehackt kunnen worden, is de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van zeer grote betekenis. Ik vind dat de minister-president op dat punt de Kamer nog een antwoord schuldig is.

De VVD-fractie zal de voorstellen van het kabinet beoordelen vanuit de positieve houding die wij ten aanzien van dit kabinet hebben. Er is een goede inzet, er zijn goede hervormingen en uitgangspunten waarop de VVD-fractie het kabinet graag wil steunen. Wij wachten zoals dat een Eerste Kamer betaamt alle concrete voorstellen af om te zien of wij daaraan onze steun kunnen verlenen.

De heer Marcel de Graaff (PVV):

Voorzitter. Ik dank de minister-president hartelijk voor zijn vriendelijke woorden, uitgesproken bij de beantwoording van een deel van de door mij gestelde vragen. Ik concludeer dat ik het niet in alle gevallen met zijn beantwoording eens ben, maar het voert te ver om daarover nu een debat te voeren.

Een aantal vragen is onbeantwoord gebleven en gezien het spervuur van vragen vanuit de Kamer dat op de regering is afgevuurd – ik denk dan vooral aan collega Kox – kan ik mij voorstellen dat een enkele vraag tussen de kieren valt. Overigens niets ten nadele van senator Kox. Hij heeft alle recht om vragen te stellen.

Twee punten vind ik onvoldoende beantwoord door de minister-president. Het eerste is de vraag naar de mate waarin de regering bereid is de soevereiniteit in te leveren ten gunste van Europa. Een tweede vraag die in mijn fractie tot bijzondere zorgen leidt, is de vraag naar de maatregel voor mensen met een zzp 4. Mijn fractie ziet bij de implementatie van juist deze maatregel grote gevolgen, niet alleen voor de betreffende groep mensen maar ook voor hun omgeving. Ik hoor graag van de minister-president of de regering mogelijkheden ziet tot het mitigeren van de gevolgen van deze maatregel.

Het is mij bekend dat het indienen van een motie van wantrouwen volgens goede politieke mores pas in tweede termijn plaatsvindt en niet in eerste termijn. Wij zien het regeerakkoord echter niet in een vacuüm. Er is een verkiezingsperiode aan voorafgegaan. Wij hebben een debat in de Tweede Kamer gezien, waarin de regering uitgebreid heeft geantwoord. Ook zien wij dat er vanuit de maatschappij al heel veel over is gezegd. Het is dus niet zoals bij een wet die hier binnenkomt waarna het spel gaat beginnen.

In principiële zin willen wij geen afbreuk doen aan het beginsel van audi alteram partem, maar in dit geval geldt voor de leden van mijn fractie het woord van de bekende protestantse hervormer Maarten Luther. Hij zei: ik sta hier, ik kan niet anders. Men begrijpt dat ik als katholiek deze woorden met een zekere schroom uitspreek, maar gezien het feit dat er vandaag heel veel senatoren als katholiek uit de kast zijn gekomen, vind ik het belangrijk dat te zeggen. Het woord van de regering zoals dat in het regeerakkoord is gestold, is voor ons zodanig dat wij in alle onduidelijkheid die de kiezer vanuit de regeringspartijen in de afgelopen periode over zich heen heeft gekregen, in eerste termijn onze positie klip en klaar hebben willen neerzetten. Vandaar de, naar ik hoop eenmalige actie van het indienen van de motie.

Mevrouw Barth (PvdA):

Voorzitter. Ik dank de minister-president voor de antwoorden. Wij zijn blij met een groot deel van de antwoorden die hij ons heeft gegeven. Hij heeft gezegd te willen streven naar een breed draagvlak, zowel in de samenleving als in de politiek. Hij geeft aan dat hij traditionele partijgrenzen wil overschrijden en dat is precies wat wij bedoelden met onze inbreng in eerste termijn.

Wij hebben ook goed gehoord dat hij heeft gezegd dat het regeerakkoord de basis is en dat een andere invulling mogelijk is binnen de financiële kaders. Ook dat is een toezegging waarmee wij heel blij zijn. Dat is precies hoe wij het graag zien, want dat geeft alle ruimte voor de creativiteit uit de samenleving bij het uitwerken van de concrete voorstellen.

Ik ben heel tevreden over de toezegging die de minister-president heeft gedaan over de prioriteit voor het bevorderen van de werkgelegenheid en het overleg dat hij aangaat met de sociale partners. De polder draait weer en dat is goed nieuws. Wij hopen van harte dat de sociale partners de kansen die dit biedt ook zullen pakken. Wij horen graag hoe de minister-president in Europa omgaat met zijn toezegging over werkgelegenheid en Europa, het benchmarken op sterke punten en op werk.

Er moet mij een ding van het hart. Bij de beantwoording van vragen over werk kwam de minister-president met een tussenzinnetje. Ik dacht dat ik daarop niet kon interrumperen, dus vraag ik het nu maar even. De arbeidsparticipatie van vrouwen in Nederland zou aan het einde van haar groei zijn gekomen, aldus de minister-president. Dat is mijn fractie wat in het verkeerde keelgat geschoten. Ik zie dat voor de kijkers thuis aan de rechterkant van de minister-president de wenkbrauwen nu ook omhoog gaan. Dat kan het toch niet zo zijn. Nederland loopt juist achter op het gebied van de arbeidsparticipatie van vrouwen en wij verwachten eerlijk gezegd dat het kabinet daar iets aan gaat doen. Dat zal niet lukken als de minister-president nu al zegt dat er geen probleem is. Daarop hoor ik graag nog een reactie.

Dan het punt van de ontwikkelingssamenwerking. Ik heb in de eerste termijn gezegd dat de bezuiniging van een miljard een pijnlijk punt is en dat steken wij niet onder stoelen of banken. Wij zien in het regeerakkoord ook een aantal positieve punten. Er is weer een minister voor ontwikkelingssamenwerking en daar zijn we blij mee. Ook de samenwerking van handel en hulp, de ambitie om dat op een goede en verantwoorde manier te doen, stond in het verkiezingsprogramma van de Partij van de Arbeid. Wij zien het belang van die samenwerking, als dat maar gebeurt op een manier waardoor de economische en industriële ontwikkeling van ontwikkelingslanden zelf wordt gestimuleerd. Ik zie daar graag nog een reactie van de minister-president op. Wij zijn ook benieuwd hoe het revolverend fonds er precies gaat uitzien en wanneer wij voorstellen van het kabinet over de invulling van dat fonds kunnen verwachten. Wijlen prins Claus heeft al een keer gezegd: geef die landen geen vis, maar geef ze een hengel. Zo lang vis nodig is, moet Nederland vis blijven geven, maar werken aan die hengel is ook erg belangrijk.

Ten slotte. De eerdere samenwerking tussen de Partij van de Arbeid en de VVD had als motto "werk, werk, werk". In die tijd deed nog een ander motto veel opgang, namelijk "sterke markt, sterke overheid". Dat lijkt mij een heel goed motto voor de samenwerking die de Partij van de Arbeid en de VVD nu met elkaar aangaan. De problemen in landen als Griekenland, Italië en Spanje bewijzen weer eens hoe ongelooflijk belangrijk die balans is. Bij een sterke markt heb je ook een sterke overheid nodig om ervoor te zorgen dat de markt goed gereguleerd wordt en dat alles waar de samenleving ook veel belang bij heeft, zoals onderwijs, zorg, veiligheid, maar ook belastingheffing, op een goede manier zorgvuldig georganiseerd wordt. Vanuit die basisgedachte zien wij de samenwerking in deze coalitie tegemoet. Wij wensen het kabinet heel veel succes.

De heer Kox (SP):

Voorzitter. Ik wil graag mijn complimenten uitdelen aan de minister-president. Hij gaat voor zijn tweede kabinet zoals hij voor zijn eerste kabinet ging. Hij heeft veel vragen beantwoord en goed zijn best gedaan. Hij heeft op een plezierige wijze met deze Kamer gecommuniceerd en daarvoor dank ik hem hartelijk. Het zal hem alleen niet verrassen dat ook na zijn uitleg en na zijn antwoorden dit regeerakkoord nog steeds niet het onze is geworden. Ik moet ook de collega's bedanken voor hun inbreng en voor hun reacties, hoewel ik nog goed moet nadenken over het verhaal van mevrouw Barth. Ik heb een andere Marleen Barth gezien dan bij haar maidenspeech, maar dat kan ook aan mij liggen.

Voor ons is de voorlopige conclusie dat dit kabinet eerder liberaal is dan sociaal. Aan de vruchten herkent men de boom. Wij vinden het niet erg chique om nu al een motie van wantrouwen te steunen die is ingediend voordat het kabinet nog maar iets heeft gezegd. Wij bekijken op ons gemak waar het kabinet mee komt. Ik heb van de regering begrepen dat zij aan de overkant zaken moet doen om hier geen problemen te krijgen en ik zie daar naar uit. Hoe makkelijker het daar gaat, hoe makkelijker het hier loopt; hoe moeilijker het daar loopt, hoe spannender het hier wordt.

De minister-president heeft van verschillende fracties verschillende lijstjes gekregen. Hij heeft van mij een lijstje gekregen maar ook het CDA heeft gemarkeerd waar het kabinet op moet letten. Ook mevrouw Barth met haar grote liefde voor dit kabinet had op het einde een heel lijstje grote zorgen. Ik ben benieuwd hoe dit loopt, ik zie ernaar uit en we beoordelen elk wetsvoorstel. Is een wetsvoorstel goed, dan stemmen we voor, is het slecht, dan stemmen we tegen en we wegen alles politiek.

Tot slot nog drie resterende items. De minister-president heeft krachtig afstand genomen van het dreigement van de Israëlische regering om nieuwe illegale nederzettingen te bouwen op de Westelijke Jordaanoever. Ik had daarover een motie voorbereid, maar de uitspraak van de minister-president was zo krachtig dat dat niet nodig lijkt. Ik dank hem daarvoor. Ik heb gemeld dat ik behoefte heb aan een integrale visie op de bestuurlijke hervormingen die de regering heeft aangekondigd. De minister-president zegt: wij weten het al, want wij hebben het in het regeerakkoord voor onszelf al duidelijk. Wij zijn slechts eenvoudige Kamerleden, dus ik dien graag een motie in om aan de regering te vragen om te komen met een integrale visie.

Motie

De voorzitter: Door de leden Kox, Koffeman, Strik, Kuiper, Nagel, Brinkman en Marcel de Graaff wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering voornemens is met een reeks voorstellen te komen ter aanpassing van de bestuurlijke organisatie van Nederland, waaronder de herstructurering van de Raad van State, de provinciale inrichting van Nederland, de omvang van gemeenten in de toekomst en de omvang van Provinciale Staten en gemeenteraden;

constaterende dat de verschillende voornemens met elkaar samenhangen;

verzoekt de regering, deze voornemens te onderbouwen middels een integrale visie op de modernisering van de bestuurlijke organisatie van Nederland,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter L (33400).

De heer Kox (SP):

Dit kabinet is een kabinet van uitruil, van kaarten trekken en elkaar iets gunnen. Dat is allemaal mogelijk, maar zoals mevrouw Barth in haar tweede termijn duidelijk maakte, op een punt is daar echt iets verkeerd gegaan. Op het punt van de ontwikkelingssamenwerking zijn we door onze fatsoensnormen gezakt en daar zou een correctie op moeten komen. U begrijpt dat het allemaal niet eenvoudig is, maar het is goed dat deze Kamer daarover een uitspraak doet. Daarom leg ik deze motie aan de Kamer voor.

Motie

De voorzitter: Door de leden Kox, Engels, Koffeman, Strik, Nagel, Kuiper en Brinkman wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat sedert 1977 de zogenoemde OESO-norm bestaat die zegt dat landen een inspanningsverplichting hebben om ten minste 0,7% van het bruto binnenlands product als budget beschikbaar te stellen voor ontwikkelingssamenwerking;

constaterende dat de regering het Nederlandse budget tot onder die internationale norm wenst terug te brengen;

spreekt als haar mening uit, dat Nederland zijn voortrekkersrol inzake ontwikkelingssamenwerking moet handhaven;

verzoekt de regering, met alternatieven te komen die het mogelijk maken om op termijn opnieuw de OESO-norm tot richtsnoer voor beleid te maken,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter M (33400).

De heer Kox (SP):

Mag ik tot slot nogmaals de minister-president bedanken? Ik hoop dat hij morgen in zijn schoentje vindt wat hij gevraagd heeft. Als hij dan ook ons verlanglijstje op zijn gemak bekijkt, dan kunnen wij hopelijk in de toekomst op een goede manier zaken doen.

De voorzitter:

Dames en heren leden van de Kamer. Wij hebben afgesproken dat de bewindspersonen straks een kopie krijgen van alle ingediende moties omdat zij daarmee aan de gang moeten. U vindt deze morgen op uw iPad en natuurlijk bij de stukkenstroom voor de volgende vergadering. Anders blijven we aan het kopiëren, als u begrijpt wat ik bedoel.

De heer Engels (D66):

Voorzitter. Allereerst mijn dank aan de minister-president voor zijn reactie. Er is veel opheldering gekomen over overeenkomsten, maar ook over verschillen. Die gaan wij vanavond niet oplossen. Op onderdelen is zelfs ruimte geboden om daar later op terug te komen en dat deed mij deugd. Ik doel op over de reorganisatie van het binnenlands bestuur, op de reorganisatie van de Rijksdienst en de mogelijke samenhang met een modernisering van het politieke stelsel, eventueel met betrokkenheid van de Grondwet. We gaan daarover spreken.

De reactie van de minister-president op onze inbreng over de rechtsstaat vond ik eerlijk gezegd wat onbevredigend. Ik was natuurlijk ontroerd dat hij de bezorgdheid over bewindslieden van Veiligheid en Justitie deelt, maar dat was maar een enkel aspect uit mijn betoog. Ik was er niet echt op uit om dat te markeren, maar het is gezegd. Mijn fractie vindt dat onvoldoende. Wij dienen een motie in om het kabinet op dat punt te stimuleren door bij de wetgevingsmachine die op gang komt, de rechtsstatelijke aspecten wat nadrukkelijker te betrekken.

Motie

De voorzitter: Door de leden Engels, Thom de Graaf, Backer, Kox, Vliegenthart, Strik, Koffeman en Kuiper wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het kabinetsbeleid mag worden beoordeeld op rechtsstatelijke beginselen van rechtsgelijkheid, rechtszekerheid en rechtvaardigheid;

overwegende dat wetsvoorstellen op het terrein van veiligheid en justitie moeten worden beoordeeld op basis van beginselen van strafrecht en strafprocesrecht;

overwegende dat er twijfel bestaat over de mate waarin aangekondigde wetsvoorstellen op het terrein van vreemdelingenrecht en strafrecht overeenstemmen met de eisen van de rechtsstaat en de beginselen van het straf- en strafprocesrecht;

verzoekt de regering, aan de Kamer haar visie kenbaar te maken op de inhoud en de ontwikkeling van de rechtsstaat en de beginselen van het strafrecht en daarbij in het bijzonder in te gaan op de in het regeerakkoord aangekondigde wetsvoorstellen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter N (33400).

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Voorzitter. Ik dank het kabinet voor de duidelijke beantwoording. Ik concludeer nogmaals dat het kabinet snel uit de startblokken is gekomen en dat die dadendrang toch wel schadelijke gevolgen heeft gehad. Het late bekendmaken van koopkrachttegenvallers heeft tot grote onrust geleid. Ook dat leidt ertoe dat mensen op de rem trappen als het gaat om consumptie. De effecten van de stapeling van maatregelen zijn nog steeds niet duidelijk, in het bijzonder niet voor heel specifieke groepen. Misschien zijn de algemene koopkrachtplaatjes wel duidelijk, maar niet die voor specifieke groepen. Het kabinet heeft bovendien aangegeven dat niet alle aspecten in de doorberekening konden worden meegenomen, simpelweg omdat zij niet pasten in de systematiek. Wij hebben daar wat zorgen over. Wij vinden het belangrijk dat als wetsvoorstellen worden behandeld, de effecten daarvan volstrekt helder zijn. Daarom dienen wij de volgende motie in.

Motie

De voorzitter: Door de leden Strik, Kox, De Lange, Nagel, Kuiper en Marcel de Graaff wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de minister-president tijdens de algemene politieke beschouwingen heeft aangegeven dat niet alle maatregelen uit het regeerakkoord zijn meegenomen in de koopkrachtberekeningen die door het Centraal Planbureau en het Nibud zijn uitgevoerd, bijvoorbeeld omdat zij niet in de systematiek passen;

overwegende dat mogelijke koopkrachteffecten een belangrijke factor zijn bij de beoordeling van wetgeving en beleid;

overwegende dat het wellicht niet opportuun is om maatregelen die slechts bepaalde groepen burgers raken (bijvoorbeeld huurders, chronisch zieken, gezinnen met kinderen, woningeigenaren, zzp'ers en bijstandsgerechtigden) door te rekenen op hun koopkrachteffecten voor de totale bevolking, maar dat het heel wel mogelijk is om aan te geven wat de koopkrachteffecten voor de betreffende groep dan wel de verschillende inkomensgroepen binnen de betreffende groep zijn;

verzoekt de regering, bij alle voorstellen voor wetgeving en beleidsmaatregelen die aan de Kamers worden voorgelegd en waarbij koopkrachteffecten voor specifieke groepen aan de orde zijn, aan te geven wat die verwachte koopkrachteffecten zijn voor de groepen burgers die door de maatregel worden geraakt,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter O (33400).

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Wij zijn het kabinet erkentelijk voor de bereidheid om mogelijk met aanpassingen te komen waar dat nodig blijkt. Ik begrijp daaruit dat het kabinet daarbij de positieve opbrengsten ten opzichte van de schadelijke gevolgen weegt, maar ook kijkt naar het draagvlak, zowel in de samenleving als in de beide Kamers. Dat betekent in feite polderen in de breedste zin van het woord, door zo vroegtijdig mogelijk, maar ook proactief, te bekijken wat de mogelijke maatschappelijke effecten zijn en wat bijsturing behoeft. Wij vinden een belangrijke toezegging dat het kabinet bij die aanpassingen niet strikt vasthoudt aan de Zalmnorm per beleidsterrein, maar dat er ook echt een integrale aanpassing verricht zou kunnen worden als dat nodig is.

Ook hebben we gemerkt dat die gezamenlijke visie af en toe bij de fractiepartijen ontbreekt. Iedereen heeft zijn eigen problemen en pleziertjes met dit akkoord. Zo heeft mevrouw Barth van de PvdA aangegeven het maatschappelijk draagvlak belangrijk te vinden. Wij zullen dat bij de behandeling van het belastingplan even testen, omdat we daar de verhuurdersheffing ook aan de orde zullen stellen. Wij zullen ook goed kijken langs welke principes de PvdA de wetsvoorstellen beoordeelt. Ook hebben we genoteerd dat men bepaalde zorgpunten heeft en bij mogelijke compromissen zal kijken of men ze alsnog aanvaardbaar vindt. Dat zou een opening kunnen bieden om met zijn allen te kijken naar de wijze waarop voorstellen aangepast zouden kunnen worden.

Dan heb ik nog twee inhoudelijke puntjes. Wij noteren dat het kabinet de religievrijheid absoluut eerbiedigt. Wij zullen aan de hand daarvan het boerkaverbod zorgvuldig bestuderen. Bij OS geeft het kabinet aan dat het niet zozeer een ordinaire bezuiniging is, maar vooral een inhoudelijk hervorming. Wij hebben daar zo onze gedachten over. Wij willen dan ook weten of het om hetzelfde bedrag gaat als de bezuiniging die naar Buitenlandse Handel gaat. Komt het ten dienste van de ontwikkelingslanden? En wat doet het kabinet met de slechting van de tariefmuur? Ik denk dat dat bij uitstek een manier is om de economie in die landen te stimuleren.

Ik heb nog een motie. De regering heeft ten aanzien van duurzame energie aangegeven dat we niet zelf moeten investeren, maar vooral de randvoorwaarden moeten creëren voor bedrijven en burgers om zelf duurzame energie te produceren. Ook heeft men aangegeven dat er al samenhangend beleid is. Wij willen en wensen meer samenhang, en meer inzicht daarin, omdat we toch de indruk hebben dat sommige maatregelen juist een averechts effect hebben. We willen het in zijn geheel kunnen beoordelen. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan de subsidiëring van fossiele brandstoffen.

Motie

De voorzitter: Door de leden Strik, Kox, Engels, Koffeman, De Lange en Kuiper wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de regering verschillende maatregelen voorstelt ter bevordering van duurzame energievoorziening en energiebesparing;

overwegende dat elk van die maatregelen positieve en negatieve effecten kan hebben;

overwegende dat ook bestaande regelingen in fiscaliteit en subsidiëring stimulerende dan wel remmende effecten hebben op de verduurzaming van de energievoorziening;

verzoekt de regering, haar samenhangende energieverduurzamingsbeleid aan de Kamer concreet inzichtelijk te maken,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter P (33400).

Mevrouw Strik (GroenLinks):

Ik heb nog een opmerking. Ik begon mijn betoog met de opmerking dat jongens niet zo goed kunnen multitasken en dat dat vervelend is geweest voor de samenleving. Ik heb echter uit betrouwbare bron vernomen dat het voor jongens ook heel pijnlijk kan zijn om in een spagaat terecht te komen. Dat kan voor dit kabinet een extra reden zijn om in te zetten op een gezamenlijke koers. Dat is beter voor ons allemaal.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Voorzitter. Volgens mij kunnen jongens heel goed multitasken, maar dat geheel terzijde. Een spagaat kan ook, want ze zijn heel atletisch.

Ik dank voor het optreden van het kabinet en de energieke wijze waarop de minister-president hieraan leiding geeft en de vragen van de Kamer tegemoet treedt.

Ik wil mij op enkele punten concentreren. Zo heb ik nogal een punt gemaakt van de wijze van formeren. Ik heb het antwoord daarop van de minister-president gehoord. Hij ziet voor zichzelf eigenlijk niet direct een rol. Ik denk dat hij zichzelf daarin wat tekortdoet. De formatie is een open praktijk, die niet is gereguleerd, en de minister-president zou wel degelijk kunnen toezien op het geheel van de formatie. Wellicht zou hij daarmee ook de belangen van de Eerste Kamer tot de zijne kunnen rekenen. Maar ik laat het nu daar. Ik denk dat het goed is dat we ons daarover binnen de Eerste Kamer zelf nog eens beraden.

Ik heb gehoord wat er over de zbo's en over de rijksdienst is gezegd. We zien uit naar het debat daarover. Op een ander moment komt dat wel terug. Ik denk op het moment dat wij uitgebreider spreken over de kabinetsreactie op het rapport over privatiseren en verzelfstandigen.

Dan heb ik een punt gemaakt over het wonen. In verschillende moties wordt uitgedrukt dat het belangrijk is te beginnen met beleidsvisies en dat de Eerste Kamer vroegtijdig in het proces betrokken wordt en wel op verschillende gebieden, zoals wonen, duurzaamheid of de hervorming van de rijksdienst. Ik juich dat ook toe. Wat wonen betreft is dat ook van belang. In de volgende motie is dat eigenlijk maar een heel klein punt, maar ik vind het belangrijk genoeg om daar nu toch mee te komen. Het is een punt dat eigenlijk een beetje door de discussie heen zweeft. We zitten nu vlak voor 1 januari en er zijn burgers die toch wat in de problemen raken omdat zij de omzetting van de hypotheek niet goed geregeld krijgen. Daarom dien ik de volgende motie in en zie ik uit naar de reactie van het kabinet.

Motie

De voorzitter: Door de leden Kuiper, Ester, Brinkman, Nagel, Reuten en Backer wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat huiseigenaren in Nederland tot 1 januari 2013 gebruik kunnen maken van thans geldende fiscale regels bij omzetting van aflossingsvrije hypotheken naar met name spaarhypotheken;

voorts constaterende dat banken niet in staat blijken alle verzoeken van huiseigenaren voor 1 januari 2013 af te handelen;

verzoekt de regering, huiseigenaren tot 1 april 2013 de mogelijkheid te geven deze hypotheken om te zetten onder de thans geldende fiscale regels,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter Q (33400).

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ik heb nog enkele woorden ter toelichting. Het gaat dus om de verlenging van die termijn. Hoe het precies wordt vormgegeven, daar moet nog maar naar gekeken worden. Het punt dat ook collega Hermans heeft gemaakt, wordt hier nu verwoord.

De voorzitter:

Ik moet tot mijn verrassing vaststellen dat het katholicisme dat hier vandaag diverse malen over de bühne is gebracht, ook nu weer aan de orde is. Op de sprekerslijst staat dat nu 50PIUS aan de beurt is, de heer Nagel. Twee minuten.

De heer Nagel (50PLUS):

Voorzitter. Ik heb een prettige mededeling voor de voorzitter: wij hebben onze ledenstop opgeheven.

Van onze kant ook bij voorbaat dank voor het beantwoorden van de vragen die ik nu in herhaling stel, omdat ze niet beantwoord zijn. De eerste vraag gaat over het feit dat het SCP veertien dagen geleden een rapport uitbracht waarin staat dat slechts 9% van de 65-plussers aan zou geven niet rond te komen. Ik heb erop gewezen dat die cijfers verouderd waren en gewezen op het vorig jaar oktober gepubliceerde onderzoek, op initiatief van het ministerie van Financiën, waaruit bleek dat een kwart van de ouderen (650.000) niet rond kan komen. Ik heb daarover opheldering gevraagd. Ik zou graag willen dat de regering voorkomt dat de stoottroepen van het ministerie van Sociale Zaken dit soort dingen blijft publiceren.

De tweede vraag gaat over het feit dat volgend jaar een koopkrachtverlies van 5% à 6% dreigt voor mensen met een AOW en een pensioen van € 10.000. Een koopkrachtverlies dat de komende jaren doorloopt. Ook dreigen er kortingen op de pensioenen vanwege het ontbreken van een voldoende dekkingsgraad bij de pensioenfondsen. Wat gaat de regering doen om te voorkomen dat deze groep tot aan hun dood nog een redelijke achteruitgang voor de kiezen krijgt? Een methode kan zijn om die kortingen, als ze al nodig zijn, uit te smeren zoals door overkoepelende organisaties is voorgesteld.

Mijn derde vraag gaat over het feit dat vanmorgen bekend is geworden dat een groep ouderen naar de rechter stapt als het kabinet de AOW-plannen niet binnen veertien dagen aanpast. Zij gaan een maand AOW-uitkering missen en hebben zich daar niet op kunnen voorbereiden. Overweegt het kabinet hen tegemoet te komen of laat het kabinet het op een proces aankomen?

De heer Koffeman (PvdD):

Voorzitter. Ik dank de minister-president voor zijn zonnige beantwoording. Het regent keihard buiten, maar hij blijft lachen en hij blijft vrolijk. Dat is echt een eigenschap die hem in de rest van zijn leven nog veel plezier kan opleveren.

Een paar vragen zijn onbeantwoord gebleven. Ik heb gevraagd naar het feit dat de voorzitter van de commissie-Van Doorn heeft gezegd: zoals wij produceren en consumeren hebben wij vier aardbollen nodig. Ik heb het erover gehad dat wij het als onfatsoenlijk ervaren als een bestuurder zegt: doe mij maar twee leaseauto's. Als in het kader van "doe mij maar het equivalent van vier aardbollen" wordt geconsumeerd, gaat het wel een heel stuk verder. Omdat het kabinet in het regeerakkoord heeft aangegeven de commissie-Van Doorn te willen volgen, vraag ik het kabinet of iets zal worden gedaan aan het terugbrengen van de consumptiedrang en de productiedwang in de veehouderij waarover de heer Van Doorn heeft geadviseerd. Is het kabinet bereid te komen tot inkrimping van de veehouderij? Ik vraag dit ook in relatie tot het hoofd macro-economisch onderzoek van de Rabobank die heeft gezegd dat het huidig economisch groeimodel geen enkel perspectief biedt. Ik dien hierover een motie in.

Motie

De voorzitter: Door de leden Koffeman, Kox, Kuiper, De Lange, Nagel en Strik wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de voorzitter van de commissie-Van Doorn aangeeft dat voor ons huidige consumptiepatroon een equivalent van vier aardbollen noodzakelijk is;

constaterende dat in het regeerakkoord de aanbevelingen van de commissie-Van Doorn tot uitgangspunt van het beleid met betrekking tot de veehouderij zijn verklaard;

constaterende dat het hoofd macro-economisch onderzoek van de Rabobank stelt dat het klassieke groeimodel geen enkel perspectief biedt en transitie naar een duurzamere economie noodzakelijk is;

verzoekt de regering, het Planbureau voor de Leefomgeving te laten onderzoeken in welke mate en in welke vorm ons consumptiepatroon de draagkracht van de aarde overstijgt en te komen met aanbevelingen voor beleid dat die draagkracht respecteert,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter R (33400).

De heer Koffeman (PvdD):

De minister-president heeft aangegeven dat als hij met de Süddeutsche Zeitung spreekt, dat als niet meer beschouwd moet worden dan een praatje over de heg: ja gut, wij vinden ook dat Griekenland er best uit zou moeten kunnen. Maar ja, het zou moeten mogen, maar het kan natuurlijk helemaal niet. Wij gaan er ook geen initiatief toe nemen. Dit is niet de manier waarop indringende vraagstukken zoals de gemeenschappelijke munt benaderd moeten worden. De gemeenschappelijke munt is voor veel mensen van grote betekenis. De hypotheken en pensioenen van mensen zijn erin uitgedrukt, de koopkracht hangt er nauw mee samen. De doorrekening van de plannen hangt eigenlijk ook samen met wat er in Europa gaat gebeuren. Het kan niet beperkt blijven tot een vrijblijvend praatje. Op het moment dat wordt gesuggereerd dat landen eruit zouden moeten kunnen als ze zich niet aan de regels houden, zal ook onderzocht moeten worden wat daar de consequenties van zijn, de mogelijkheden en onmogelijkheden. Hetzelfde geldt voor een Europa van verschillende snelheden, waarbij het begrip "binnenlandse devaluatie" of "interne devaluatie" wordt gehanteerd. Dit is een niet-bestaand economisch begrip. Het zou interessant zijn te bekijken of met gedifferentieerde munteenheden gewerkt kan worden, naast de euro. Met parallelle munten zoals de heer Bolkestein, een prominent partijgenoot van de minister-president, heeft gesuggereerd. Ik dien hierover de volgende motie in.

Motie

De voorzitter: Door de leden Koffeman, Kuiper, Kox, Marcel de Graaff, De Lange en Nagel wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de minister-president heeft aangegeven dat Nederland ernaar streeft dat landen die zich niet aan de begrotingsdiscipline willen onderwerpen, moeten kunnen vertrekken uit de eurozone;

verzoekt de regering, onafhankelijk onderzoek te laten verrichten naar de mogelijkheid van een verdragswijziging die uittreding van lidstaten mogelijk maakt en naar de mogelijkheid om te komen tot een Europa van meerdere snelheden, waarin begrepen de mogelijkheden van muntdifferentiatie, en daarover te rapporteren aan beide Kamers,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter S (33400).

De heer De Lange (OSF):

Voorzitter. Ik dank de minister-president voor zijn antwoorden. Niettemin deden die antwoorden mij onontkoombaar denken aan het boek van Sir Arthur Conan Doyle, De hond die niet blafte. Wij weten allemaal wat de portee van dat boek is. Uit het feit dat iets niet gebeurt, kunnen ook allerlei conclusies worden getrokken. In mijn vragen heb ik het rapport van professor Graafland aan de orde gesteld, die in zijn analyse op economisch en politiek terrein heeft aangegeven dat de euro in zijn huidige vorm niet houdbaar is. Op mijn vragen daarover heb ik geen antwoord ontvangen. Ik heb het vermoeden dat misschien in het rapport-Graafland een inconvenient truth aan de orde is gesteld. Ik hoor graag toch een antwoord op dat betreffende verhaal van de minister-president.

De voorzitter:

Voordat ik het woord geef aan de regering voor het antwoord in tweede termijn nog het volgende. Twee leden van de Kamer hebben mij benaderd met de vraag of de motie van de PVV niet reeds vanavond in stemming zou moeten worden gebracht. Het is niet gebruikelijk dat wij op dezelfde avond stemmen, maar het is natuurlijk wel een bijzondere motie waarvan je je kunt afvragen of zij boven de markt moet blijven hangen. Voor zover ik kan zien, zijn alle fracties vertegenwoordigd behalve de SGP. Hoofdelijk stemmen is niet aan de orde, dus het zal fractiegewijs moeten gebeuren vanavond. Ik stel voor hierover wel te stemmen vanavond.

De heer Kox (SP):

Voorzitter. Als ik het goed zie, is de fractie van de SGP niet meer vertegenwoordigd. Over een motie met deze portee moet elke fractie haar mening kunnen geven. Ik stel voor ook deze motie de volgende keer in stemming te brengen. Ik begrijp uw overweging, maar vind dat alle fracties iets moeten kunnen zeggen over de vraag of wij ze allemaal naar huis sturen of dat ze nog even mogen blijven.

De voorzitter:

Ik zie dat de PVV hiertegen geen bezwaar heeft. Gelet op het bezwaar van een aantal leden, constateer ik dat ook de stemming over deze motie volgende week zal plaatsvinden.

Minister Rutte:

Voorzitter. De heer Brinkman heeft gevraagd om een overzicht van wetgevingsvoornemens in het voorjaar van 2013 met budgettaire consequenties, ook in het licht van alle gesprekken die plaatsvinden. Dat zeg ik graag toe.

De heer Brinkman heeft een vraag gesteld over elektronische identiteitsherkenning. Dat zal ook plaats moeten vinden binnen de vreemdelingenketen. Dit zal uiteraard binnen de kaders van Europa moeten worden gerealiseerd. In 2013 hoopt de regering deze wetgeving af te ronden. Het wachten is op behandeling in de Kamers; het is dus aanhangig.

De heer Brinkman stelde verder een vraag over het voorstel voor een integrale omgevingswet. Dat zal in 2013 worden ingediend. Het loopt enige vertraging op door het nieuwe kabinet, waardoor we een paar zaken opnieuw moeten bekijken. We hebben deze week bij elkaar gezeten en gezien dat het heel snel gaat. Het zal bijdragen aan vermindering van de regeldruk in het fysieke domein. Hier is een speciale ministeriële commissie mee bezig. We gaan daar op volle stoom mee door. Nog in 2013 wordt het voorstel ingediend.

De heer Hermans stelde een vraag over de mensen met een aflossingsvrije hypotheek die alsnog een kapitaalverzekering willen afsluiten. Dat moet vóór 1 januari, maar banken hebben geen capaciteit meer. We gaan op dit moment bekijken wat de kosten zijn van het verlengen van deze mogelijkheid, want spaargeld dat nu belast wordt in box 3, wordt immers ondergebracht in een onbelaste kapitaalverzekering. Minister Blok zal de Kamer zo spoedig mogelijk laten weten of dat mogelijk is en hoe zich dat verhoudt tot eventueel gederfde inkomsten. We kunnen daar geen harde toezeggingen over doen, maar er wordt op dit moment wel heel serieus naar gekeken of daarvoor een mogelijkheid is.

De heer Hermans vroeg verder of 50% niet veel logischer zou zijn dan 100% bij annuïtaire aflossing. Als je dat zou doen, heeft dat uiteraard budgettaire consequenties, maar belangrijker is dat bij hypotheken die annuïtair aflossen, in de eerste jaren nauwelijks wordt afgelost, maar rente wordt betaald over de totale schuld. Wij denken dat 100% aflossen een transparant product is. Het is ook gebruikelijk in andere landen en bij andere leenvormen. In Nederland was het ook gemeengoed, voor de opkomst van de fiscaalgedreven producten. Wij denken dat die 100%-aflossing de beste vorm is.

De heer Hermans stelde nog een vraag over het epd, en in het algemeen over de zorgen over het uitwisselen van privacygevoelige gegevens. Voor het kabinet staat voorop dat het uitwisselen van persoonsgegevens in de zorg of bij de politie of bij gemeenten op een veilige manier moet gebeuren. Ten aanzien van de doorstart van het epd heeft ministers Schippers een wetsvoorstel aangekondigd – dat komt voor de kerst – om de voorwaarden voor elektronische gegevensuitwisseling nog verder aan te scherpen. Aan verbetering van de beveiliging van de ict-gegevens bij de politie wordt voortvarend gewerkt. Naar aanleiding van de evaluatie van het huidige beveiligingsbeleid door de Inspectie Veiligheid en Justitie zal de politie, onder verantwoordelijkheid van minister Opstelten, vanaf 2013 een nieuw beleid en een nieuw stelsel implementeren. Er zal moeten worden voldaan aan de Wet op de politiegegevens.

De heer De Graaff heeft een vraag gesteld over de soevereiniteit. Voor het kabinet geldt dat wij door willen gaan met het aanscherpen van de toezichtsregels van het Stabiliteits- en Groeipact. Daar zijn we al een aantal jaren mee bezig, en daarvoor heeft het kabinet voorstellen gedaan. Verder zullen wij zaken die uit Europa komen in Nederland netjes implementeren, mits dat vraagt om nationale wetgeving. Tegelijkertijd zullen wij een debat in Europa starten over de vraag, welke taken die nu op Europees niveau plaatsvinden, beter op nationaal niveau kunnen plaatsvinden, vanuit het oogpunt van subsidiariteit. Ook dat staat in het regeerakkoord. Er is dus sprake van tweerichtingsverkeer: als zaken echt beter op Europees niveau kunnen, dan moeten ze daar gebeuren. Voor ons is de subsidiariteitstoets leidend: waar moet het plaatsvinden. Sommige zaken kunnen beter op Europees niveau plaatsvinden. Er zijn ook zaken op Europees niveau die wellicht beter plaats kunnen vinden op nationaal niveau.

De heer De Graaff heeft een vraag gesteld over het extramuraliseren van zorgzwaartepakket 4. De maatregelen van het kabinet alleen voor nieuwe gevallen leiden tot een verschuiving van intramurale naar extramurale zorg. Daarbij wordt invulling gegeven aan het scheiden van wonen en zorg, waarover al heel veel jaren wordt gesproken. Dat betekent dat cliënten in plaats van in de instelling meer in de eigen omgeving worden geholpen, via de Wmo en de Zorgverzekeringswet. Dat sluit aan bij het concept van Zorg in de buurt en speelt in op de wens om thuis ondersteund te worden. Daarnaast sluit de maatregel aan bij de trend die de afgelopen jaren al langer zichtbaar is: cliënten blijven langer thuis wonen, en de cliënten die wel naar een AWBZ-instelling gaan, zijn gemiddeld genomen de cliënten met een zwaardere zorgvraag. Cliënten met een lagere zorgzwaarte kunnen wel bij elkaar wonen, maar dan dient de zorginstelling huur in rekening te brengen vanuit het oogpunt van scheiden van wonen en zorg. In die zin menen wij dat er op een fatsoenlijke manier invulling kan worden gegeven aan de beleidsvoornemens ten aanzien van zorgzwaartepakket 4.

Mevrouw Barth stelde een vraag over het revolverend fonds. In dat fonds komen twee beleidsterreinen van het kabinet samen: buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking. Het gaat om versterking van de private sector en het voorkomen van marktfalen bij het ondernemen in ontwikkelingslanden. Gestreefd wordt naar een zo groot mogelijke inschakeling van het Nederlandse bedrijfsleven, en dan vooral van het Nederlandse mkb. Het fonds wordt ontwikkeld in samenwerking met het bedrijfsleven. De doelstellingen en de omvang van het fonds bieden de ruimte voor een brede invulling, met meerdere financieringsopties. Dat betekent dat aan de ene kant van het spectrum garanties kunnen staan voor investeringen in en leveranties aan opkomende markten. Financiering van deze projecten is lastiger geworden, nu de banken zich terugtrekken uit de gepercipieerde hoogrisico-omgeving. Garanties van de overheid kunnen dan uitkomst bieden, zonder dat deze de staatskas direct belasten. Het fonds zou voor deze vormen van financiering een aanjager kunnen zijn voor participatie door private banken. Aan de andere kant van het spectrum zouden investeringsfondsen kunnen ontstaan waaruit private ondernemingen in ontwikkelingslanden groeifinanciering zouden kunnen verkrijgen. Deze vorm van financiering is in veel ontwikkelingslanden met een zwakke bankenstructuur en weinig mogelijkheden tot het vestigen van zekerheden nog weinig aanwezig, maar er is wel vraag naar. Tussen 2014 en 2016 wordt vanuit de rijksbegroting drie keer 250 miljoen euro in het fonds gestopt. Daarna moet het zichzelf kunnen bedruipen.

Mevrouw Barth stelde een vraag over de pijnlijke bezuinigingen, die de economische ontwikkeling in landen wel stimuleert. Dat is absoluut wat we ook willen doen. Het is inderdaad de bedoeling, juist ook in ontwikkelingslanden, om de economische ontwikkeling vlot te trekken. Juist door daar de productie en het bbp omhoog te brengen en het versterken van de middenklasse kunnen diensten en uitgaven door landen zelf gedragen worden. Hierin kan het Nederlandse bedrijfsleven stimuleringen langs de lijnen van dat revolverend fonds.

Ik heb de vraag over vrouwen en arbeidsparticipatie zeer wel verstaan. Begrijp mij niet verkeerd. Het was meer een antwoord op een vraag van de heer De Graaff, die een oorzakelijk verband zag tussen wat minder groei in de werkgelegenheid na het invoeren van de euro dan voor het invoeren van de euro. Ik heb toen gewezen op een aantal ontwikkelingen. Een daarvan is dat de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt juist in de jaren negentig en begin deze eeuw een vlucht heeft genomen. Ik ben het zeer met mevrouw Barth eens dat dat nog beter kan. Haar motto "Een sterkte markt, een sterke overheid" vind ik prima. Ik moet nog steeds terugdrenken aan Bolkestein, die in 1994 zei: mijn partij heeft drie prioriteiten, namelijk werk, werk en werk. Dat werd later een van de motto's van Paars I. Wij zijn, zei hij toen als VVD-leider, de echte Partij van de Arbeid. Een naar adem snakkende Wim Kok moest uitleggen dat hij nog wel de Partij van de Arbeid leidde.

Mevrouw Barth (PvdA):

Ik wilde nog even ingaan op de arbeidsparticipatie van vrouwen, maar vooral omdat mijn collega Esther Mirjam Sent, die jarenlang in de Verenigde Staten heeft gewoond, mij had gevraagd om een ander citaat van Eleanor Roosevelt in dit debat te brengen: "A woman is like a tea bag; you never know how strong she is until she gets into hot water."

Minister Rutte:

Daar gaan wij even op kauwen.

Mevrouw Strik van GroenLinks stelde een vraag over het haast maken met de vrije wereldhandel, onder meer met Afrika. Die vraag was ook eerder gesteld door het CDA. Nederland is op dit punt een voortrekker binnen de Europese Unie. Wij blijven hameren op een goede deal voor Afrikaanse landen. De Europese Unie is in internationaal opzicht leading by example; geen enkele andere handelsgrootmacht biedt Afrika zulke goede handelsvoorwaarden als de Europese Unie op dit moment. Ik geef een enkel voorbeeld: alle minst ontwikkelde landen exporteren naar de EU geheel vrij van tariefrechten. Dat geldt voor alles, behalve voor wapens. Daarnaast heeft een aantal Afrikaanse landen nu al zogenaamde tussentijdse vrijhandelsakkoorden, in afwachting van het afronden van de onderhandelingen over volledige vrijhandelsakkoorden. De EU onderhandelt ondertussen verder met de landen in Sub-Sahara Afrika over definitieve vrijhandelsakkoorden. De Europese Unie biedt Afrikaanse landen in deze onderhandelingen een goede deal, namelijk tariefvrij exporteren naar de Europese Unie. Deze landen kunnen daarentegen hun meest gevoelige sectoren beschermen tegen concurrentie vanuit de Europese Unie. Er gebeurt op dit gebied heel veel en dat is iets wat Nederland zeer stimuleert en ook wil voortzetten, ook in kader van de onderhandelingen in de WTO.

Er is ook een vraag gesteld over de mensen die een maand AOW-uitkering gaan missen en zich daarop niet kunnen voorbereiden. Ik wijs erop dat er een overbruggingsregeling is ontworpen. Het kabinet werkt daar momenteel aan. De regeling geldt voor deelnemers met een inkomen tot 150% van het wettelijk minimumloon en zal een partner- en vermogenstoets kennen, exclusief eigen woning en pensioenvermogen. De huidige voorschotregeling wordt niet eerder afgeschaft dan nadat er duidelijkheid is over het ontwerp van de overbruggingsregeling. Het kabinet meent dat daarmee de leeftijdsverhoging van de AOW op een verantwoorde wijze wordt ingevoerd.

De fractie van 50PLUS heeft ook gevraagd wat wij gaan doen om te voorkomen dat de groep AOW'ers met een aanvullend pensioen een onredelijke achteruitgang krijgt tot aan hun dood. Ik wijs erop dat het aantal ouderen dat in armoede leeft de laatste jaren is gedaald tot 2,5% van de groep, tegen 7,7% van alle Nederlanders. Bovendien stijgt de koopkracht van ouderen zonder aanvullend pensioen de komende jaren. Ik wijs er ook op dat de negatieve koopkrachtontwikkeling, die ook zichtbaar is in de koopkrachtcijfers, grotendeels het gevolg is van het aanvullend pensioen en in belangrijke mate samenhangt met de slechte financiële situatie van de pensioenfondsen. De overheid kan dat niet compenseren en dat betekent dus dat die koopkrachteffecten niet het effect zijn van het regeerakkoord. Sterker nog, ouderen worden in dat regeerakkoord ontzien. Het kabinet bezuinigt niet op de inkomensondersteuning voor ouderen; op de AOW en de ouderenkortingen wordt juist niet gekort.

Er is ook gevraagd of het kabinet de conclusies onderschrijft van het rapport-Graafland. Het rapport beschrijft verschillende opties voor duurzame economische ontwikkeling van de landen die onderdeel uitmaken van de Europese Economische en Monetaire Unie. Ik denk dat wij het er met elkaar over eens zijn dat er weeffouten zitten in de EMU, die moeten worden geadresseerd. Afgelopen vrijdag heeft het kabinet een brief gestuurd aan de Eerste Kamer en aan de Tweede Kamer over de toekomst van de EMU, waarin wij ingaan op een aantal zaken die ook in het rapport van Graafland aan de orde zijn.

Ik meen dat ik daarmee de vragen heb beantwoord en ga nu over naar de bespreking van de moties die zijn ingediend, allereerst de motie-De Graaff c.s. (33400, letter K), waarin het vertouwen in het kabinet wordt opgezegd. Die motie ontraad ik.

De motie-Kox c.s. (33400, letter L) gaat over een integrale visie op de modernisering van de bestuurlijke organisatie van Nederland. Ik meen dat het regeerakkoord hierin voorziet. Toch zegt de heer Kox dat hij meer wil. Wat ik nu wil aanbieden is, dat de minister van Binnenlandse Zaken een brief stuurt waarin hij de inhoud van het regeerakkoord in samenhang beziet en uitwerkt. Als ik deze motie zo mag lezen, waarbij wij dus niet een heel groot stuk moeten gaan schrijven, maar de heer Plasterk nog eens in samenhang benoemt hoe de verschillende elementen in het regeerakkoord in samenhang moeten worden bezien, laat ik het oordeel over deze motie graag aan de Kamer over.

De motie-Kox c.s. (33400, letter M) gaat over alternatieven voor de OESO-norm op termijn. Waar de motie spreekt van een voortrekkersrol ten aanzien van de modernisering van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid is de reactie van het kabinet: absoluut ja. Er wordt echter ook gesproken over het opnieuw tot richtsnoer voor het beleid maken van de OESO-norm en daarom moet mijn advies over de hele motie uiteindelijk toch zijn dat ik de aanneming ervan ontraad. Dit zal echt een zaak zijn voor de formatie in 2017. Een nieuw kabinet zal hier dan naar moeten kijken. Dit kabinet is het in zijn plannen niet voornemens. Per saldo ontraad ik dus de aanneming van de motie.

De motie-Engels c.s. (33400, letter N) gaat over de visie op de ontwikkeling van de rechtsstaat. Het verzoek, het dictum van de motie, stimuleert mij om het oordeel aan de Kamer te laten. Wat mij echter als een graat in de keel steekt, is de derde considerans, namelijk dat er twijfel bestaat over de mate waarin aangekondigde wetsvoorstellen op het terrein van vreemdelingenrecht en strafrecht overeenstemmen met de eisen van de rechtsstaat. Als die considerans erin blijft staan, luidt mijn advies dat ik de aanneming van de motie ontraad. Als echter de heer Engels bereid zou zijn om die considerans eruit te halen en de motie te beperken tot de eerste twee overwegingen en het dictum, doen wij zaken en is het wat mij betreft oordeel Kamer.

De heer Engels (D66):

Laten wij opschieten. Ik ben daartoe bereid, want er is nog maar één fractielid over, dus dan heb iets meer ruimte.

Minister Rutte:

De bestuurlijke vernieuwing in praktijk!

De voorzitter:

Ik stel vast dat de motie-Engels c.s. (33400, letter N) in die zin is gewijzigd dat de derde overweging wordt geschrapt.

Deze gewijzigde motie krijgt letter T (33400).

Minister Rutte:

Prima, dan kunnen wij de motie zonder meer zien als ondersteuning van beleid, en daarmee laat ik het oordeel over de motie aan de Kamer over.

Dan kom ik nu op de motie-Strik c.s. over de koopkrachteffecten (33400, letter O). Als ik de motie zo mag lezen dat mevrouw Strik het heeft over beleidsmaatregelen die aan de Kamer worden voorgelegd en waarbij sprake is van majeure koopkrachteffecten, laat ik het oordeel over de motie aan de Kamer over. Dan kunnen wij gebruikmaken van de bestaande systematieken en hoeven wij niet allemaal nieuwe dingen te ontwikkelen.

In de motie-Strik c.s. (33400, letter P) wordt de regering verzocht, een samenhangend energieverduurzamingsbeleid aan de Kamer concreet inzichtelijk te maken. Dat zullen wij doen. Dat kan per brief of in het kader van de eerstvolgende begrotingsbehandeling. Die komt er ook al snel aan. Wat ons betreft is de motie ondersteuning van beleid en ik laat het oordeel erover dan ook aan de Kamer.

In de motie-Koffeman c.s. (33400, letter R) wordt de regering verzocht, het Planbureau voor de Leefomgeving onderzoek te laten doen. Ik zou de aanneming van deze motie echt willen ontraden, omdat ik dit geen zaak voor het kabinet vind. Wij streven naar verduurzaming van internationale productie- en consumptiepatronen. Ik wijs op de topsectoren en het initiatief Duurzame Handel. Ik wil dit dus eigenlijk niet verzoeken aan het Planbureau voor de Leefomgeving, maar ik zou wel een constructieve suggestie willen doen. Dit lijkt mij nu typisch iets wat ook de Eerste Kamer zou kunnen vragen aan het PBL. Het lijkt mij goed dat de planbureaus af en toe merken dat zij niet alleen voor de regering werken, maar dat zij ook voor de Kamers werk verrichten.

Dan kom ik nu bij de motie-Kuiper c.s. (33400, letter Q), waarin de regering wordt verzocht om huiseigenaren tot 1 april de mogelijkheid te geven om hypotheken om te zetten. Gezien mijn antwoord op het punt, gemaakt door de VVD-fractie, zou mijn verzoek zijn om deze motie aan te houden. De heer Blok zal een en ander in samenhang bezien en het parlement zo spoedig mogelijk informeren.

Ten slotte kom ik op de motie-Koffeman c.s. (33400, letter S) waarin de regering wordt verzocht om onafhankelijk onderzoek te laten verrichten naar de mogelijkheid van een verdragswijziging. Ik zou die motie echt willen ontraden, want dit is nu niet aan de orde. Wij hebben de visie van het kabinet op de Europese Economische en Monetaire Unie net verzonden. De implementatie van nieuwe regelgeving en instrumenten is gaande. Deze motie haalt wel heel veel overhoop, dus ik zou per saldo willen adviseren de motie niet aan te nemen.

Voorzitter. Tot slot van mijn antwoord in tweede termijn nog een enkel woord. Ik wil de Kamer namens het hele kabinet aan het einde van dit debat nogmaals dank zeggen. We hebben goed en ik denk ook uitgebreid met elkaar van gedachten gewisseld over de lijnen die het kabinet de komende jaren wil gaan uitzetten. Daarbij zijn waarderende woorden gesproken, woorden van welwillende afwachting. Natuurlijk zijn er ook kritische noten gekraakt en de nodige schoten voor de boeg afgegeven. Zo hoort het ook in ons parlementaire bestel. Cadeautjes worden niet zomaar gegeven in de politiek, zelfs niet op de drempel van 5 december.

Ik heb aan het begin van mijn eerste termijn gesproken over het vaste voornemen van het kabinet om bij de uitwerking van de maatregelen uit het regeerakkoord te zoeken naar een zo breed mogelijk draagvlak. Dat voornemen is vandaag bepaald niet kleiner geworden, integendeel. Steun voor alle onderdelen van het kabinetsbeleid is in dit huis, ik realiseer mij dat, niet vanzelfsprekend. Dat is ook vandaag opnieuw helder geworden. Eveneens kwam duidelijk naar voren de bereidheid van nagenoeg alle fracties om in goed overleg gezamenlijk verantwoordelijkheid te dragen voor de toekomst voor ons mooie land. Het kabinet gaat vanuit deze benadering met de Kamer werken aan voorstellen die hieraan recht doen. Tegen die achtergrond wil ik u allen dank zeggen voor dit debat.

(geroffel op de bankjes)

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik stel voor om volgende week te stemmen over de ingediende moties. Ik wil graag de minister-president danken voor zijn bijdrage aan het debat vandaag. Ik dank de ministers en de staatssecretarissen voor hun aanwezigheid en hun uithoudingsvermogen en ik wens u allen wel thuis.

Sluiting 22.17 uur.