Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2011-2012nr. 14, item 2

2 Financiële markten

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Bankwet 1998 en de Wet op het financieel toezicht in verband met het versterken van de governance bij de toezichthouders op de financiële markten (Wet versterking governance van de Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten) (32782);

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het financieel toezicht ter implementatie van richtlijn nr. 2009/111/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie tot wijziging van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG en 2007/64/EG wat betreft banken die zijn aangesloten bij centrale instellingen, bepaalde eigenvermogensbestanddelen, grote posities, het toezichtkader en het crisisbeheer (PbEU L 302) (32787);

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten ter implementatie van richtlijn nr. 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG (PbEU L 267) (32826).

De beraadslaging wordt geopend.

De heer Postema (PvdA):

Voorzitter. Op de valreep van dit in financieel opzicht crisisjaar 2011 behandelen wij vandaag een groot aantal wetgevingstrajecten die verband houden met de vorige crisis, namelijk die van de banken welke vanaf 2007 vorm kreeg en welhaast in één vloeiende beweging in de huidige lijkt door te lopen. De commissie van Financiën van deze Kamer heeft er, na meerdere schriftelijke vragenronden, voor gekozen om drie van deze wetsvoorstellen plenair in de aanwezigheid van de minister te willen bespreken. Dit zijn de implementatie van de herziene elektronischgeldrichtlijn, de wijziging van de Wet op het financieel toezicht ter implementatie van de gewijzigde richtlijnen inzake banken die zijn aangesloten bij centrale instellingen, bepaalde eigenvermogensbestanddelen, grote posities, het toezichtkader en het crisisbeheer, en ten derde het wetsvoorstel ter versterking van de governance van de Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten.

Met de huidige eurocrisis lijkt het er soms op alsof de grote problemen waarin het bank- en kredietwezen nog geen drie jaren geleden geraakte, naar de achtergrond zijn verbannen. We kunnen ons dan ook gelukkig prijzen dat de Parlementaire enquêtecommissie financieel stelsel onder voorzitterschap van Jan de Wit nu haar werk doet en we via de recent afgeronde verhoren wederom zijn meegenomen naar de hectiek van die dagen. Wij zijn meegenomen naar het onvermogen van de banken om hun eigen wanbeleid passend te adresseren, naar de toch alleszins daadkrachtige en kundige wijze waarop de Nederlandse regering destijds heeft ingegrepen en, helaas, naar het demasqué van het bankentoezicht en het toezicht op de financiële markten door de Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten.

Het is juist in het licht van die bankencrisis dat de timing van de wetswijzigingen die samenhangen met de implementatie van de elektronischgeldrichtlijn wat ongelukkig overkomt. Immers, het betreft hier in essentie een versoepeling van het prudentieel toezicht. En versoepeling is nu net een woord dat je tegenwoordig niet direct associeert met het beleid voor de financiële sector.

Toch heeft de Europese Commissie het van belang geacht, deze richtlijn te herzien. De voornaamste reden hiervoor is dat de markt voor elektronischgelddiensten de afgelopen jaren nauwelijks van de grond is gekomen. Zo zijn er in Nederland thans slechts twee elektronischgeldinstellingen actief. De gewijzigde richtlijn strekt ertoe om daarin verandering te brengen. Graag vernemen wij van de minister of hij verwacht dat dit de komende jaren alsnog zal gebeuren, met andere woorden in hoeverre de wetswijzigingen die voortvloeien uit de herziene richtlijn, effectief zullen blijken te zijn.

De twijfel die wij hebben bij nut en noodzaak van deze herziene richtlijn wordt versterkt door de wetenschap dat een integratie van de richtlijn met het regime van betaalinstellingen ophanden is. Reeds in 2012 – en dat vangt over elf dagen aan – zal een evaluatie plaatsvinden van zowel het regime van de betaalinstellingen als het regime van de elektronischgeldinstellingen. Waarom, zo vragen wij ons af, dan nu nog een herziene richtlijn implementeren? Ware het niet beter, onze schaarse wetgevingscapaciteit te richten op die zaken in het financiële domein die er echt toe doen? Ik kom daar zo direct nog even op terug bij de behandeling van de wijziging van de Wet op het financieel toezicht in het kader van de Capital Requirements Directive II.

Het lijkt er aldus op dat we maar beter niet al te veel woorden vuil moeten maken aan deze gewijzigde elektronischgeldrichtlijn. Toch heeft collega Reuter dit in een schriftelijk overleg wel gedaan, in het bijzonder door te vragen naar de gehanteerde definitie van geld. De aangepaste richtlijn gaat immers uitgebreid in op de betekenis van elektronisch geld, maar verzuimt dit te doen voor het geldbegrip zelf. En dan zul je zien dat het antwoord van de regering ineens blootlegt dat het begrip geld, naar de opvatting van de regering "in redelijkheid niet te raden overlaat en om die reden niet behoeft te worden gedefinieerd". Daar voegt zij dan direct aan toe, te betwijfelen of een heldere en volledige definitie van geld die recht doet aan alle facetten van wat in het maatschappelijk verkeer als geld wordt gezien, überhaupt te geven is. En dit niet in de laatste plaats omdat mede van de context afhankelijk is of daarbij bijvoorbeeld wordt gedoeld op het rekenmiddel geld of op de fysieke drager van een bepaalde geldwaarde.

Met dit bewust gekozen onvermogen om een ook in juridische zin werkbare definitie te geven van geld wordt eens temeer aangetoond met wat voor intrigerend verschijnsel we van doen hebben. Dit alles is enkele jaren geleden op een indrukwekkende manier beschreven in The Ascent of Money van de Britse financieel historicus Niall Ferguson. Hij vat het probleem van de discussie over geld en elektronisch geld naar mijn mening prachtig samen.

"The intangible character of most money today is perhaps the best evidence of its true nature ... Money is a matter of belief, even faith: belief in the person paying us; belief in the person issuing the money he uses or the institution that honours his cheques or transfers. Money is not metal. It is trust inscribed. And it does not seem to matter much where it is inscribed: on silver, on cIay, on paper, on a liquid crystal display. Anything can serve as money, from the cowrie shells of the Maldives to the huge stone discs used on the Pacific islands of Yap. And now, it seems, in this electronic age nothing can serve as money too."

Gegeven de centrale rol die geld in ons economisch verkeer speelt, zijn steeds veranderende manifestatie en de kern waarop het is gebaseerd –vertrouwen – is het des te belangrijker om de wet- en regelgeving van het financieel toezicht mee te laten evolueren. Gebeurt dit te traag, zoals vanaf de tweede helft van de jaren negentig van de vorige eeuw, toen diverse nieuwe financiële instrumenten op grootschalige wijze werden ingezet, dan volgt er een correctie. Dat gebeurde vroeger door de geldwisselaars en de loan sharks de stad uit te zetten, in het gevang te gooien of erger, zo toont Ferguson ons voor het Italië van de renaissance, en de vorige maand helaas overleden Arie van Deursen in zijn werk "Mensen van klein vermogen: Het kopergeld van de Gouden Eeuw" voor de woekeraar en de banken van lening in de Republiek. Tegenwoordig is die correctie aanzienlijk beschaafder, want er wordt primair door wet- en regelgeving gesanctioneerd. Maar of dit effectiever is?

Hoe het ook zij, de wijziging van de Wet op het financieel toezicht ter implementatie van de gewijzigde richtlijnen inzake banken die zijn aangesloten bij centrale instellingen, bepaalde eigenvermogensbestanddelen, grote posities, het toezichtkader en het crisisbeheer is de moderne variant van de pek en veren van vroeger. Het betreft hier in essentie de implementatie van de tweede Capital Requirements Directive, CRD Il, die tezamen met CRD III en IV een pakket maatregelen vormt waarmee wordt beoogd, de regels en aanbevelingen van het Basels Bankencomité (Basel lIl) over te nemen.

CRD II bevat een grote diversiteit aan onderwerpen. Ik denk dat die van dusdanig belang zijn dat het de moeite waard is om hen hier kort te vermelden.

In de eerste plaats gaat het erom banken die aangesloten zijn bij een centrale kredietinstelling, daadwerkelijk ook de ruimte te geven. CRD II breidt de mogelijkheden hiertoe uit zodat ook banken van lidstaten die na 1980 zijn toegetreden tot de EU, hiertoe een vrijstelling kunnen krijgen.

In de tweede plaats wordt ingegaan op bepaalde eigenvermogensbestanddelen. CRD II stelt nadere kwaliteitscriteria waaraan een hybride kapitaalinstrument – dat wil zeggen kapitaal met kenmerken van zowel eigen als vreemd vermogen – dient te voldoen.

In de derde plaats gaat de richtlijn in op grote posities. Met CRD II wordt de zogeheten grotepostenregeling strenger, dat wil zeggen: het begrenzen van de maximale omvang van posities die financiële instellingen kunnen innemen ten aanzien van één cliënt of een groep van verbonden cliënten.

In de vierde plaats gaat de richtlijn in op het toezichtkader. CRD II introduceert een nieuw samenwerkingsverband voor toezichthoudende instanties op financiële instellingen met vestigingen in meerdere lidstaten, namelijk een college van toezichthouders, afkomstig uit de landen van hoofdvestiging, nevenvestiging en significante bijkantoren. Ik kom op dat laatste zo direct terug.

Ten slotte gaat de richtlijn in op securitisatie. CRD II stelt strengere eisen aan securitisatie, dat wil zeggen het doorverkopen van illiquide vorderingen aan beleggers in de vorm van verhandelbaar schuldpapier. In het bijzonder dient de initiatiefnemer, de originator, een netto economisch belang van minimaal 5% in de securitisatie te houden en dienen kopende partijen zich van de soliditeit van de onderliggende waarden te vergewissen. Ik vat het bewust samen. Ik denk dat het van belang is dat wij ons realiseren over welke belangrijke aanscherpingen in de toezichtregelgeving wij het vandaag hebben. Wij hebben dan ook met waardering kennis genomen van deze voorgenomen wijzigingen van de Wet op het financieel toezicht. Een vlotte en goede implementatie van de richtlijn is van groot belang voor de gezondmaking van het financiële stelsel.

Des te opmerkelijker is het dat Nederland, samen met België, Griekenland en Spanje, te laat is met het implementeren van CRD II. Wij betreuren dit. En we snappen het eerlijk gezegd ook niet. Hoe is het mogelijk dat, nadat de bankencrisis zelf toch behoorlijk adequaat is bestreden in Nederland, de regering zo weinig vaart maakt met de broodnodige aanscherping van het toezicht en de door de commissie-De Wit geadviseerde splitsing of het ring-fencable maken van het nuts- en zakenbankieren? Uit de beantwoording van schriftelijke vragen hierover door de minister blijkt dat zijn departement over ontoereikende capaciteit beschikt om de toezichtwetgeving tijdig voor parlementaire behandeling gereed te maken. Dit bevreemdt ons, waar wij zien dat andere evident minder urgente wetgevingstrajecten, zoals die van de elektronischgeldrichtlijn, met evenveel enthousiasme worden opgepakt. En het bevreemdt ons evenzeer dat er, uit hoofde van het regeer- en gedoogakkoord, juist op dit soort capaciteit bezuinigd gaat worden. Graag vernemen wij van de minister of hij met de bezetting op zijn departement de komende jaren in staat is wetgevingstrajecten, niet in de laatste plaats voor het moderniseren van het financieel toezicht, tijdig en adequaat af te ronden.

Een belangrijk novum van CRD II is de introductie van het college van toezichthouders. Ten aanzien van de bepalingen omtrent dit nieuwe toezichtkader is door deze Kamer opgemerkt dat een niet-limitatieve opsomming van criteria wordt geboden waaraan een bijkantoor moet voldoen om als "significant" te worden aangemerkt. Een van deze criteria is dat het in Nederland gelegen bijkantoor in dat geval een marktaandeel in deposito's moet hebben van minimaal 2%. Dit percentage is naar het oordeel van de PvdA-fractie te hoog; zo zou bijvoorbeeld Icesave hieraan niet hebben voldaan. Alhoewel CRD II en de gewijzigde Wet op het financieel toezicht erin voorzien dat DNB uiteindelijk een doorslaggevende stem heeft om zich toegang tot een college van toezichthouders te verschaffen, achten wij het wenselijk dat de regering expliciet uitspreekt dat DNB een bijkantoor ook in geval van lagere marktaandelen als significant dient te definiëren ingeval dit naar haar oordeel nodig is voor een adequaat toezicht. Het gaat hier aldus niet alleen om de mogelijkheid om dit te doen, maar evenzeer om de plicht van DNB om dit te doen ingeval hij dit uit oogpunt van zijn toezichthoudende taak relevant acht. We moeten immers voorkomen dat DNB straks, wanneer het onverhoopt weer misgaat met de bijkantoren, verwijst naar de 2%-grens die thans in CRD II is opgenomen. Deelt de regering deze visie en is zij bereid dit ook van DNB te vragen?

Het derde luik dat wij vandaag behandelen, betreft het wetsvoorstel ter versterking van de besturing en toezicht, oftewel de governance, van de Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten. Hierover kan ik kort zijn. De aanscherping die hier wordt geboden, vertoont nauwe samenhang met het visiedocument Toezicht op afstand en is logisch en zinvol. Dit geldt in het bijzonder voor de versterking van de bestuursstructuur van DNB, met een voorzitter Toezicht die zich primair richt op de prudentiële toezichthoudende taak. In de memorie van antwoord geeft de minister aan dat deze nieuwe functionaris als voorzitter Toezicht ook zelf ter verantwoording kan worden geroepen door het parlement, uiteraard met behoud van de ministeriële verantwoordelijkheid. Graag vernemen wij van de minister hoe hij deze verantwoordingslijn naar het parlement nu eigenlijk voor zich ziet.

Voorzitter. De Partij van de Arbeidfractie in de Eerste Kamer heeft de Minister in oktober dit jaar toegezegd con amore mee te werken aan het pakket van wetgeving dat hier vandaag ter stemming voorligt. Het zou goed zijn om van de minister een passend antwoord te vernemen op de door ons gestelde vragen, zodat de inspanning van deze Kamer om zorgvuldig maar met spoed te werken een bijdrage heeft geleverd aan de modernisering van het financieel toezicht in ons land.

De heer Reuten (SP):

Voorzitter. Laat ik het niet spannender maken dan het is: mijn fractie gaat voor deze drie wetsvoorstellen stemmen. Maar laat ik ook duidelijk maken dat er nog veel werk te doen is om de financiële markten en de banken weer dienstbaar te maken aan de samenleving in plaats van de samenleving dienstig aan het grote geld, met alle treurige gevolgen van dien.

Ik bespreek vier onderwerpen. Ik begin met de mate van prioriteit van de onderhavige wetgeving. Vervolgens maak ik opmerkingen bij ieder van de twee richtlijnimplementaties en ik plaats ten slotte deze wetgeving in een breder perspectief. Daarbij doe ik de regering een aantal suggesties. Ik ga ervan uit dat zij deze serieus zal meenemen in verder te ontwikkelen beleid.

Mijn eerste onderwerp betreft de prioriteit van de wetgeving financiële instellingen en markten. De onderhavige wetsvoorstellen zijn deel van een kleine reeks die deze Kamer onlangs bereikte. Stuk voor stuk zijn het meestal kleine verbeteringen van het financieel toezicht. Ik bespreek dadelijk een paar uitzonderingen. Maar drie jaar na de deconfiture van 2008 ontbreken nog steeds fundamentele herzieningen van het bankenstelsel. Ook gedegen crisiswetgeving blijft nog steeds achterwege. Dit is allemaal onthutsend in een tijd waarvan we weten dat een nieuwe bankencrisis op de loer ligt.

De minister zet zich heftig in voor het huidige crisismanagement. Daarvoor verdient hij ons respect, ook al prefereren wij geregeld andere keuzes. Maar hij moet ook zijn verantwoordelijkheid voor de wetgeving nemen. Senator Postema heeft daar ook al over gesproken. Er liggen nu twee implementaties voor van EU-richtlijnen die stammen uit 2009. Ze bereikten deze Kamer zes weken geleden met het verzoek om spoedige behandeling, zodat Nederland nog net een EU-boete kan ontlopen. Maar Nederland is al ruim een jaar in overtreding. Overtreding van de EU-regels is niet passend voor een regering die voortdurend het vingertje heft naar de zuidelijke EU-landen.

Afgaande op de ambtelijke staf die de regering toedeelt aan de directie Financiële Markten van het ministerie van Financiën, hebben deze directie en de wetgeving op dit gebied vanaf 2010 geen kabinetsprioriteit meer. Tot en met 2013 neemt bij de directie het aantal ambtenaren af met 28%, tot zelfs ruim onder het niveau van 2007 toen er nog niets aan de hand leek. Het is zo beter te begrijpen waarom de regering traag is met de noodzakelijke wetgeving: het is een politieke keuze. Graag de repliek van de minister.

Dan nog dit. In het verslag over dit wetsvoorstel probeerde ik omfloerst te wijzen op de foutieve regel 4 in de tabel uit de memorie van antwoord. Dit was kennelijk geen aanleiding om de fout in de nota naar aanleiding van het verslag te corrigeren.

Mijn tweede onderwerp is de implementatie van de elektronischgeldrichtlijn die voornamelijk de Wet op het financieel toezicht wijzigt. In het vervolg gebruik ik de afkorting Wft. Daarbij beperk ik mij tot het hoofdpunt en dit is inderdaad "elektronisch geld". Ik begin met te concluderen dat de minister en mijn fractie in de schriftelijke behandeling belangrijke vooruitgang hebben geboekt – dit meen ik oprecht – namelijk met de constatering dat in het wetsvoorstel elektronisch geld soms wel geld is en soms niet geld is. Wellicht kunnen we vandaag over de oplossing van deze tegenspraak beslissen.

Belangrijk deel van het wetsvoorstel is een herdefinitie van elektronisch geld. Eenvoudig gezegd omvat dit, naast zoiets als chipknip-geld, de elektronische versie van betaalmiddelen die uitsluitend en limitatief fungeren binnen specifieke branches of bijvoorbeeld winkelketens. Deze definitie roept vragen op omdat onder de betaalmiddelen, de belangrijke differentia specifica van geld is dat het algemeen aanvaard wordt binnen een geografisch domein. Dus zocht ik de definitie van geld op in de Wft, maar in de 12 bladzijden aan definities uit deze wet, blijkt de definitie van geld te ontbreken. Senator Postema refereerde er al aan. De memorie van antwoord onderkent dit en kan ook niet naar andere wetten verwijzen. Op grond van de aanwijzingen voor de regelgeving, zo stelde de regering, valt hieruit op te maken dat de term geld uit de wet aansluit bij het normale spraakgebruik, zoals af te leiden zou zijn uit eensluidende definities in woordenboeken en encyclopedieën. Echter, de memorie gaf zelf de weerlegging van deze eenduidigheid en in de nota naar aanleiding van het verslag erkent de regering ruiterlijk dat, onder andere, de definitie uit de Van Dale inadequaat is. Daarmee vervalt uiteraard ook het beroep op aanwijzing 121 uit de aanwijzingen voor de regelgeving. De memorie gaf aan dat ten minste twee elementen belangrijk zijn voor de invulling van het begrip geld in de Wft. De nota retireert nu een van die twee, namelijk dat geld een ruilmiddel zou zijn en ik waardeer deze progressie. Blijft het element dat geld een algemeen aanvaard betaalmiddel is, hetgeen ik onderschrijf. Geld, zo beaamt de regering, houdt op geld te zijn "indien het niet langer algemeen wordt aanvaard". Maar de definitie van elektronisch geld uit het wetsvoorstel wringt nu uiteraard, omdat dit zogenoemde geld soms niet algemeen aanvaard behoeft te zijn en dus geen geld is.

Ik waardeer de discussie in de nota. Oogmerk van het wetsvoorstel is de uitsluiting van limitatieve betaalmiddelen van de reikwijdte van de Wft, alsmede de bepaling van vergunningen voor die betaalmiddelen. De nota erkent dat een alternatieve aanpak in dit wetsvoorstel had kunnen zijn – en wellicht beter, zo lees ik tussen de regels door – om limitatieve elektronische betaalmiddelen niet als geld te definiëren. De tegenspraak in de wet wordt dan vermeden.

Daarom stel ik de minister ten eerste voor om in de eerstvolgende wijziging van de Wft het consistente alternatief door te voeren. Ten tweede stel ik voor om in de Wft een, expliciet zo aangegeven, niet-uitputtende definitie van geld op te nemen, aangezien regelgevingaanwijzing 121 hier immers niet van toepassing is. Ik hoor op deze punten graag het antwoord van de minister.

Mijn derde onderwerp is de implementatie van de richtlijnen voor banken en kapitaaltoereikendheid. Ik beperk mij tot twee punten. Eerst artikel 1:93a. In het recente verhoor voor de commissie-De Wit stelde oud-minister Bos dat hij zich op onderdelen te laat geïnformeerd achtte door de Nederlandsche Bank. Nu stelt het genoemde artikel, kort samengevat, dat DNB onze minister onverwijld op de hoogte moet stellen van noodsituaties, waaronder ongunstige ontwikkelingen op de financiële markten die de stabiliteit van het financiële stelsel kunnen aantasten. Ik begrijp dat het lastig is, een en ander in een wettekst te vatten. Op onze vraag stelt de memorie van antwoord dat de termen "noodsituaties", "ongunstige ontwikkelingen" en "aantasten" inderdaad niet gedefinieerd zijn." Oké, maar de memorie stelt ook: "De toezichthoudende autoriteiten moeten discretionaire ruimte hebben om een specifieke situatie te beoordelen." Dit lijkt mij toch weer al te ruim. Ik vraag de minister of dit artikel de klacht van Bos had kunnen voorkomen. Zo nee, is het artikel dan uiteindelijk niet een dode letter?

Er zijn gescheiden verantwoordelijkheden tussen regering en DNB. De regering heeft lang geleden al het toezicht op afstand gezet; apolitiek zo heet het. Maar is de minister het met mijn fractie eens dat dit deels een fictie is, want juist in tijden van crisis kan de regering niet verontschuldigend naar DNB wijzen. Juist dan komt de verantwoordelijkheid ten volle bij de regering te liggen. Dat moet ook, want uiteindelijk draait de burger op voor feilen en falen. Hoe ziet de minister dit?

Mijn tweede punt bij dit onderwerp betreft een hiaat in de wettekst. In de schriftelijke verslagen wees mijn fractie erop dat de Wft banken positioneert als intermediair en niet als geldscheppend. Dit is inadequaat, zeker met het oog op het toezicht. In de nota naar aanleiding van het verslag verdedigt de minister deze positionering op grond van de aansluiting van de definities uit de Wft bij de EU-richtlijnen. Hoewel het altijd nog om de Nederlandse wet gaat en daarvoor zijn wij verantwoordelijk, begrijp ik dit. Wijziging, zo stelt de minister, moet Europees onderhandeld worden en hij is gezien de praktijk bereid, zich daarvoor in te spannen. Daarvoor onze dank.

Niettemin is het toch opmerkelijk dat de beoogde aansluiting tussen de Wft en de richtlijnen kennelijk niet keihard is. Immers, op een ander punt dan het eerder genoemde, wijkt de Wft-definitie van een bank wel af van de richtlijn; zo sterk zelfs dat de meeste Nederlandse banken niet onder de Wft-definitie vallen. Ik weet wat de minister met deze definitie beoogt, namelijk het uitsluiten van niet-bancaire financiële instellingen. Hij hoeft dit straks niet te herhalen. Hij sluit de laatste inderdaad uit, maar daarmee ook de Nederlandse banken en dit zal toch niet de bedoeling zijn. Zoals bekend, verkrijgen de meeste Nederlandse banken vorderingen – dat wil zeggen: passiva – van enerzijds niet-professionele marktpartijen, kort gezegd huishoudens, en anderzijds professionele marktpartijen, kort gezegd beleggers. Maar anders dan de richtlijn stelt de Wft dat een bank "zijn bedrijf maakt van het buiten besloten kring ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen, en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen". Dit is onjuist. Zoals gezegd, volgens deze wetstekst vallen de meeste Nederlandse banken zo niet meer onder de definitie van bank. Ik vraag de minister dit hiaat in de eerstvolgende wijziging van de Wft te herstellen.

Ten slotte plaats ik de wetsvoorstellen in het ruimere kader van de financieel-economische toestand die, zoals ik eerder aangaf, een fundamentele herziening van het bankenstelsel vergt. In toenemende mate wordt de indruk gewekt dat het in de huidige crisis om een overheidsschuldenkwestie gaat, waarvan bankenproblemen een afgeleide zijn in plaats van andersom. Wanneer de situatie gecompliceerd is, zoals thans, dan is het zaak om naast de complicaties twee relatief eenvoudige elementen niet uit het oog te verliezen.

Ten eerste. De som van alle financiële schulden en vorderingen is nul. Dat is een beperkte geruststelling: allemaal samen in de wereld hebben we geen schuldenprobleem. Ten tweede. Niettemin is er wereldwijd, in de eurolanden en in Nederland een toename van de bruto financiële schuld, dat wil zeggen financiële schuld, ongerekend de financiële vorderingen en ongerekend de niet-financiële bezittingen. De bruto financiële overheidsschulden zijn daarvan een gewichtig bestanddeel.

In het geheel is belangrijk dat er slechts één bron is van de toename van de bruto financiële schuld, namelijk de banken. Immers alleen banken mogen geld creëren en ze doen dit via hun kredietverlening. Onze problemen zijn dus per saldo terug te voeren tot de kredietverlening door banken. Het zijn altijd de banken en uitsluitend de banken die schuldopbouw accommoderen en zo ook eventueel overmatige schuldopbouw accommoderen. Ze accommoderen dit omdat ze eraan verdienen.

Bij fundamentele herziening van het stelsel denk ik onder andere aan effectieve splitsing van banken en aan afzonderlijke regulering van beleggersbanken enerzijds en anderzijds betaal- en investeringsbanken, in de Nederlandse betekenis van de termen. Bij investeringen gaat het dus om bedrijfsinvesteringen. Deze splitsing is van groot belang voor het belemmeren van crises en voor tijden van crisis, maar ook voor de economische groei. Qua wetgeving zijn we nog steeds niet toe aan Basel III uit 2010 dat verdere limieten stelt aan de omvang en aard van de kredietverlening, zij het veel te beperkt en veel te traag. Maar hoe dan ook zullen de kapitaalvereisten alsmede de termijnverhoudingen tussen activa en passiva van banken moeten worden verstevigd. Doch zonder fundamentele wijziging van het bankenstelsel resulteert dan minder groei. Om dit te verhinderen, kan en moet de regering er via gescheiden regulering voor zorgen dat de kredietverlening naar de investeringen gedirigeerd wordt, nu al. De regering moet hierin het voortouw nemen. Kredietverlening aan beleggers moet juist sterk afgeremd worden: die resulteert in prijsinflatie in die markten, "bubbels". Dit kan door banken op deze activiteiten effectief te splitsen en ze afzonderlijk te reguleren. Maar de minister heeft hier nog steeds geen oog voor: hij stevent af op virtuele splitsing die in een eventuele crisis geëffectueerd moet worden. Zo ver moeten wij het niet laten komen.

Ik zou graag willen dat de regering serieuzer dan tot nu toe onze voorstellen over het herinrichten van de Nederlandse en Europese bankensector zou onderzoeken. De kwestie overstijgt bij verre partijpolitiek belang. Ik ben niet van het doemdenken, ik ben socialist, maar als we de financiële markten en de banken niet snel en goed beteugelen en weer dienstbaar maken aan de samenleving, blijven het krachten die de samenleving op enig moment opnieuw zware schade zullen toebrengen. Graag hoor ik daarom het inhoudelijke commentaar van de minister op de genoemde splitsing en afzonderlijke regulering. Het zou mij veel waard zijn als hij ten minste zou overwegen, deze bij aanstaande wetsvoorstellen in te voegen.

Hiermee beëindig ik mijn eerste termijn. Ik wacht de antwoorden van de minister met belangstelling af.

De heer Hoekstra (CDA):

Voorzitter. Dit weekend was ik met een aantal mensen in gesprek over de steeds extremere vormen die de financiële crisis aanneemt. Daarbij hadden wij het ook over de zeer grote druk die er op de diverse ministers van financiën ligt. Vanwege de druk op de ministers van financiën moest ik aan een interview met het weekblad Opzij denken. Dit is een interview van een hele tijd geleden, uit de periode 1994–1998. Daarin werd de toenmalige minister van Financiën Gerrit Zalm geïnterviewd. Ik kan het mij niet meer helemaal goed herinneren, maar als ik mij niet vergis, heette de rubriek Langs de feministische meetlat en was de kop boven het artikel "Ik ben iedere dag om zes uur thuis". Ik sluit niet helemaal uit dat minister Zalm, voor wie ik overigens grote waardering heb een beetje overdreef en goede sier wilde maken ten opzichte van de lezers, of liever gezegd de lezeressen van Opzij. Het laat ook zien hoe de wereld veranderd is.

Deze minister zullen wij niet snel in een interview horen zeggen dat hij om zes uur thuis is. Dat is niet zo verwonderlijk, want de financieel-economische wereld staat in brand. Via Griekenland en via Italië komen wij zo langzamerhand angstvallig dicht bij Nederland. Mijn fractie – en ik denk dat dit voor alle fracties in dit huis geldt – maakt zich daar grote zorgen over, juist omdat wij ten diepste overtuigd zijn van het grote belang van financiële soliditeit en van het grote belang van een sterk stabiel en coherent opererend Europa. Wij hebben de indruk – collega Reuten refereerde daar ook al even aan – dat de minister met een grote mate van kundigheid en voortvarendheid de crisis aanpakt. Dat biedt vertrouwen en wij wensen hem daarbij veel wijsheid en ook veel stamina toe.

De vorige sprekers hebben al iets gezegd over de breedte van de financiële crisis. In dit verband moet mij een woord van waardering van het hart richting PvdA, D66 en GroenLinks. Het is volstrekt logisch dat die partijen het kabinet kritisch volgen, maar op dit punt steunen zij het kabinet over het algemeen. Ik kan mij heel goed voorstellen dat het af en toe verleidelijk is om de weg van het politieke gewin te volgen. Om dan toch het kompas te houden op wat zij kennelijk net als wij beschouwen als het langetermijnbelang van Nederland en van Europa, dwingt respect af.

Wij hebben het vandaag niet over het oplossen van de complete Europese financieel-economische puzzel. We hebben het over drie puzzelstukjes die ten hoogste in het verlengde daarvan liggen. Wij hebben het over het versterken van de governance bij de toezichthouders op de financiële markten, over de gewijzigde richtlijn voor banken en de richtlijn voor kapitaaltoereikendheid, en over wat ik zou willen samenvatten als de elektronischgeldrichtlijn. Het ministerie, hier vertegenwoordigd in de persoon van de minister, en een aantal ambtenaren op de tribune wil ik van harte danken voor de technische briefing aan de commissie voor Financiën. Die briefing was buitengewoon nuttig. Wat mij betreft, is dit een recept dat wij ons vaker zouden moeten voorschrijven.

Niemand kan erop tegen zijn dat het toezicht op de financiële markten wordt versterkt. De vraag is of de manier waarop het versterken van dat toezicht wordt beoogd effectief is. Wat ons betreft, is dat voor veel elementen uit het voorstel zonder meer het geval. Op één punt hebben wij nog een vraag. De minister gaf onder meer in de memorie van toelichting aan dat de introductie van de voorzitter toezicht de onafhankelijkheid van de president van DNB waarborgt en hem bij gedonder een beetje uit de wind houdt, als ik het zo mag samenvatten. Dat lijkt mij bijna te mooi om waar te zijn. Ik denk terug aan de financiële ellende die achter ons ligt, aan Icesave, DSB enzovoorts. Is het voorstelbaar dat er straks een voorzitter toezicht is en dat op zo'n moment de president van DNB niet wordt aangesproken door andere banken, door de pers, door het publiek en door de politiek? Is het voorstelbaar dat hij zich zelf niet geroepen zal voelen om daarop te acteren? Hij is degene die de eindverantwoordelijkheid draagt. Daarom denk ik ook eigenlijk van niet. Op het moment dat er weinig aan de hand is, kan de voorzitter toezicht geen kwaad als het gaat om het uit de wind houden van de president, maar hij heeft ook weinig toegevoegde waarde. Als er wel wat aan de hand is, kan ik mij niet zo goed voorstellen dat hij zijn baas uit de wind houdt. Misschien kan de minister, mede naar aanleiding van de vragen die daar tijdens de laatste ronde over gesteld zijn, daar nog kort op ingaan.

Dan de richtlijnen voor banken en kapitaaltoereikendheid. Niet ten onrechte wordt in de memorie van toelichting gesteld dat het hele palet aan wijzigingen dat voorligt zich lastig laat samenvatten. Als ik dan toch een poging moet wagen, komt het er wat mij betreft in de kern op neer dat DNB verdergaande plichten en bevoegdheden krijgt, met name in het geval dat een bank niet meer voldoet aan de regels ten aanzien van bedrijfsvoering, ten aanzien van liquiditeit en ten aanzien van toetsingsvermogen. In dat geval kan DNB eisen stellen aan liquiditeit, solvabiliteit, bedrijfsactiviteiten en, zeer interessant, de variabele beloning.

Daarnaast bevat het wetsvoorstel een aantal bepalingen voor significante bijkantoren. Daar heeft mijn fractie tijdens de schriftelijke ronde een vraag over gesteld. Het antwoord op die vraag roept een nieuwe vraag op. In artikel 1:51c, lid 2, worden drie criteria genoemd op basis waarvan DNB een bijkantoor als significant kan aanmerken. Dit is geen limitatieve lijst. Daarom wordt in de wet gekozen voor de formulering "met name". Voor DNB en vergelijkbare toezichthouders in het buitenland geldt dat zij ook op basis van andere niet bij wet geregelde criteria een bijkantoor als significant kunnen aanmerken. In zijn antwoord onderschrijft de minister dat ook. Wat ons betreft, roept dat twee vragen op. Als de mogelijke criteria een veel rijker palet beschrijven dan de drie opgenomen criteria, waarom is dan toch voor het opnemen van deze criteria gekozen? Dat heeft iets van juridische schijnnauwkeurigheid. Ik kan mij overigens voorstellen dat er in dit stadium niets meer aan de drie criteria in de wet te veranderen is. Kan de minister ingaan op de consequenties van deze betrekkelijk vage definitie voor aan de ene kant de bevoegdheden van DNB en aan de andere kant de situatie in het buitenland? Tijdens de briefing bleek dat bijvoorbeeld Oost-Europese toezichthouders vaak met Nederlandse banken te maken hebben. Zij hebben dus ook dat betrekkelijk rijke en vage palet aan mogelijkheden ter beschikking om die significante bijkantoren te beoordelen. Misschien wil de minister daarop ingaan.

Dan het derde en laatste punt, de elektronischgeldrichtlijn. Daarover kan ik kort zijn. Het gaat om een wetsvoorstel voor een kleine en ik mag wel zeggen voor een zeer kleine markt. Tijdens de technische briefing werd ons verteld dat het een markt is die in totaliteit in Nederland 10 tot 20 mln. omvat. Bij allerlei bedragen en zeker bij de bedragen die in het kader van de crisis voorbijkomen, valt dit bedrag volstrekt in het niet. Uit de memorie van antwoord hebben wij begrepen, dat dit niet 10 tot 20 mln., maar slechts 10 mln. moet zijn. Sommige fracties hebben hier uitgebreid naar gevraagd. Wat ons betreft, zijn die vragen naar behoren beantwoord.

Daarom kan ik volstaan met een opmerking over de verwijzing in artikel 3:108a naar artikel 3:103 van de Wft. De minister gaf in zijn antwoord aan dat hij het met mijn fractie eens is dat die verwijzing naar artikel 3:103 "niet gelukkig geformuleerd is en dat het duidelijker zou zijn om artikel 3:103 van overeenkomstige toepassing te verklaren". Hij wil dit punt meenemen in de volgende wetswijziging als ik hem goed begrepen heb. Dat is akkoord. Ik ga er daarbij van uit dat het kennelijk in de optiek van de minister zo is dat die oneffenheid kan blijven bestaan tot het moment van de volgende wijziging en dat dit verder niet tot problemen zal leiden.

De heer Reuten (SP):

Ik wilde de heer Hoekstra niet uit de cadans van zijn betoog brengen, maar ik heb nog een vraag aan hem. De regering heeft een visie op de toekomst van Nederland en van de euro. De coalitie heeft ook een visie daarop. PvdA, D66 en GroenLinks sluiten zich daar soms bij aan. Hij zal moeten erkennen dat er andere serieuze visies zijn op de wijze waarop je op lange termijn adequaat met deze zaken omgaat. Dat alternatief is er ook. Dat kan even serieus als het andere alternatief. Laten wij ervan uitgaan dat wij daar allebei, oppositie en coalitie, serieus mee omgaan.

De heer Hoekstra (CDA):

Ik bestrijd niet dat er allerlei serieuze visies zijn. Wij verschillen wel van mening over de kwaliteit van de visies. Het zal niemand van de aanwezigen verbazen dat de visie die de regering uitdraagt door mijn fractie van harte wordt ondersteund. Ik realiseer mij dat de heer Reuten graag had gehoord dat ik hem had gecomplimenteerd met zijn visie, maar ik vind het te prijzen dat de partijen die ik genoemd heb dit onderwerp zo belangrijk voor de toekomst van Nederland en van Europa achten, dat zij zich hierbij ongeacht het politieke speelveld bij aansluiten. Ik vind dat een verstandige en te prijzen keuze.

De heer Reuten (SP):

U hoeft het niet met de SP eens te zijn en wij hoeven het niet met u eens te zijn, maar laten wij respect hebben voor elkaars visies. Dat is toch wat anders.

De heer Hoekstra (CDA):

Daar kan ik mij alleen maar bij aansluiten. Ik heb vanzelfsprekend alle respect voor de visie van de SP, hoezeer ik het daar inhoudelijk ook mee oneens ben.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

In afwachting van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid schors ik de vergadering.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.