Advies Raad van State inzake het voorstel van wet houdende wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en enkele andere wetten, alsmede tot intrekking van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES en de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES vanwege de modernisering van de regels voor beroeps- en volwassenenonderwijs en het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland (modernisering regels voor beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland)

Nader Rapport

Den Haag, 22 december 2025

Nr. WJZ/52455977 (ID1210814)

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Aan de Koning

Nader rapport inzake het voorstel van wet houdende wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en enkele andere wetten, alsmede tot intrekking van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES en de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES vanwege de modernisering van de regels voor beroeps- en volwassenenonderwijs en het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland (modernisering regels voor beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland)

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 16 april 2025, nr. 2025000861, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 18 juni 2025, nr. 2025000861, bied ik U hierbij aan.

De tekst van het advies treft u hieronder – cursief weergegeven – aan, voorzien van mijn reactie.

Bij Kabinetsmissive van 16 april 2025, no.2025000861, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en enkele andere wetten, alsmede tot intrekking van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES en de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES vanwege de modernisering van de regels voor beroeps- en volwassenenonderwijs en het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland (modernisering regels voor beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland), met memorie van toelichting.

De regering beoogt de regels voor het beroepsonderwijs op Bonaire, Sint Eustatius en Saba te moderniseren en integreren in de bestaande Europees Nederlandse onderwijswetgeving. Daartoe voorziet dit wetsvoorstel in het zoveel mogelijk van toepassing verklaren van de Wet educatie en beroepsonderwijs op Caribisch Nederland, en waar nodig wordt voorzien in specifieke afwijkingen vanwege de eilandelijke context.

De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert de te ruime delegatiegrondslagen aan te passen. Daarnaast adviseert zij om onderdelen van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing te verklaren op de Raad Onderwijs Arbeidsmarkt Caribisch Nederland om de ministeriële verantwoordelijkheid en democratische controle voldoende te regelen. Ook adviseert zij om duidelijk te maken welke subsidierechtelijke regels van toepassing zijn op de subsidie voor de uitoefening van de taken van de Raad Onderwijs Arbeidsmarkt Caribisch Nederland.

Verder adviseert de Afdeling over de doorgifte van persoonsgegevens aan Caribisch Nederland om de toelichting aan te passen en te voorzien in specifieke maatregelen om een adequaat beschermingsniveau te waarborgen. De Wet bescherming persoonsgegevens BES voorziet nu niet in een voldoende passend beschermingsniveau. Ook adviseert zij om de toelichting aan te vullen met de financiële gevolgen van het wetsvoorstel voor volwasseneneducatie en onderwijshuisvesting, mede gelet op het ordentelijk beheer van financiën op de eilanden. Zo nodig dient te worden voorzien in toereikende financiële middelen.

Ten slotte merkt de Afdeling op dat niet duidelijk is of de evaluatie van het wetsvoorstel daadwerkelijk inzicht zal kunnen geven in de doeltreffendheid en effecten. Daarom adviseert zij de toelichting aan te vullen met de evaluatiecriteria- en methode, en de te evalueren aspecten zijn.

In verband daarmee is aanpassing wenselijk van het wetsvoorstel en de toelichting.

1. Aanleiding, inhoud en doel van het wetsvoorstel

Tot 2019 gold het kabinetsbeleid van legislatieve terughoudendheid. Mede daardoor is de wetgeving over het beroepsonderwijs in Caribisch Nederland achtergebleven bij de ontwikkelingen in Caribisch en Europees Nederland. Dit wetsvoorstel betreft een complexe, omvangrijke en doordachte wetgevingsoperatie om deze wetgeving weer bij de tijd te brengen.

Het primaire doel van het wetsvoorstel is om de regels voor het beroepsonderwijs voor Caribisch Nederland te moderniseren en integreren in de bestaande Europees Nederlandse onderwijswetgeving. Daarbij wordt het uitgangspunt comply or explain toegepast. Het wetsvoorstel regelt dat de Wet educatie en beroepsonderwijs zoveel mogelijk van toepassing wordt in Caribisch Nederland. Waar nodig wordt voorzien in specifieke afwijkingen vanwege de eilandelijke context, met als doel een gelijkwaardig voorzieningenniveau te bereiken binnen de mogelijkheden van de Caribisch Nederlandse context.1

Specifieke afwijkingen vanwege de eilandelijke context bestaan bijvoorbeeld omdat in Caribisch Nederland één mbo-instelling is op Bonaire, de Scholengemeenschap Bonaire, met een gering studentenvolume.

Ook wordt afgeweken van de examinering van de Nederlandse taalvereisten, omdat bij de taalniveaus die gelden in Europees Nederland geen rekening is gehouden met de meertalige context in Caribisch Nederland. Dat wil zeggen dat Nederlands voor de meeste leerlingen en studenten in Caribisch Nederland niet de moedertaal is. Omdat op dit moment onvoldoende onderzoek bestaat over welke taalniveaus haalbaar zijn, wordt voorgesteld om de huidige praktijk te continueren. Daarbij tellen examenresultaten van het vak Nederlands niet mee voor de slaag-zakbeslissing. Dit is dus een afwijking van de herziene kwalificatiestructuur,2 specifiek voor Caribisch Nederland.

Een ander voorbeeld van een specifieke afwijking is dat de aanpak van voortijdig schoolverlaten wordt vormgegeven, anders dan in Europees Nederland, per eiland. Ook wordt deze taak, anders dan in Europees Nederland, bij de schoolbesturen belegd. De openbare lichamen moeten namelijk nog een flinke slag maken om hun wettelijke taken wat betreft registratie, doorverwijzing en monitoring op orde te brengen.

2. Ruime delegatiegrondslagen

Het wetsvoorstel biedt ruime delegatiegrondslagen. Dit raakt het primaat van de wetgever en de uitgangpunten van democratische legitimatie, rechtszekerheid (het legaliteitsbeginsel) en zorgvuldigheid.3

Op de eerste plaats regelt het wetsvoorstel de mogelijkheid om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur de Raad Onderwijs Arbeidsmarkt Caribisch Nederland (hierna: ROA) andere taken toe te kennen en kunnen nadere regels worden gesteld over de inrichting en taakuitoefening.4 Concreet betekent dit dat de ROA als zelfstandig bestuursorgaan bij lagere regelgeving aanvullende wettelijke taken kan krijgen. De Afdeling merkt op dat hiermee structurele en wezenlijke elementen van een regeling niet bij wet in formele zin worden bepaald.5 De noodzaak van deze ruime delegatiegrondslag wordt in de toelichting niet gemotiveerd.

Ten tweede voorziet dit wetsvoorstel op verschillende onderdelen in de mogelijkheid voor de minister om nadere regels te stellen zonder een concrete en nauwkeurige begrenzing.6 Ook deze keuze voor deze ruime delegatiegrondslagen wordt in de toelichting niet gemotiveerd.

De Afdeling merkt op dat delegatiegrondslagen zo concreet en nauwkeurig mogelijk moeten worden begrensd, en dat delegatiegrondslagen zoveel mogelijk moeten worden beperkt tot het niveau van algemene maatregel van bestuur. Bovendien is delegatie of subdelegatie aan de minister slechts aanvaardbaar ingeval van voorschriften van administratieve aard, uitwerking van details en voorschriften die met grote spoed moeten worden vastgesteld.7

De Afdeling adviseert het wetsvoorstel, gelet op het primaat van de wetgever, in overeenstemming te brengen met de Aanwijzingen voor de regelgeving en de toelichting in het licht van het voorgaande aan te passen.

2. Ruime delegatiegrondslagen

Naar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling zijn de delegatiegrondslagen van de voorgestelde artikelen 1.6.4, tweede lid, 1.6.6, vierde lid,8 2.8.1, zesde lid, 9.3.3, vijfde lid, en 9.3.4, vijfde lid,9 van de WEB zoveel mogelijk begrensd, zodat de wetgever weet waarvoor hij ruimte geeft aan de regering in een algemene maatregel van bestuur. Ook de grondslag in het voorgestelde artikel 5.3.2, derde lid (voorheen artikel 1.6.3, derde lid), is naar aanleiding van deze opmerkingen van de Afdeling geherformuleerd.

3. Raad Onderwijs Arbeidsmarkt Caribisch Nederland

a. Toezicht en sturing zelfstandig bestuursorgaan

Het wetsvoorstel voorziet in de nieuwe wettelijke grondslag voor de ROA. In de toelichting beargumenteert de regering dat de ROA een zelfstandig bestuursorgaan is, en dat de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen niet van toepassing is in Caribisch Nederland. Daarom wordt voorzien in ministeriële goedkeuring van statuten en een eventueel bestuursreglement van de ROA.10

De Afdeling merkt op dat hiermee de ministeriële verantwoordelijkheid voor en de democratische controle op de ROA niet voldoende is geregeld. Omdat de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen niet van toepassing is, gelden ook de meest gebruikelijke instrumenten voor toezicht op en sturing van zelfstandige bestuursorganen niet.11 Terwijl het belang van dergelijke instrumenten evengoed geldt voor Caribisch Nederland. Daarom ligt het volgens de Afdeling in de rede om in ieder geval de bepalingen die zien op de informatievoorziening, sturing en het toezicht van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing te verklaren op de ROA.12

De Afdeling adviseert het wetsvoorstel aan te passen door ook (onderdelen van) de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing te verklaren op de ROA.

b. Financiële verantwoording en beheer

De minister verleent de ROA subsidie voor de uitoefening van zijn taken.13 Omdat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) grotendeels niet van toepassing is in Caribisch Nederland, is het niet duidelijk welke (algemene) subsidierechtelijke regels gelden voor (onder meer) de rekening en verantwoording, beheer en rechtspositie.14

De Afdeling adviseert aan het voorgaande in de toelichting aandacht te besteden, en zo nodig het wetsvoorstel aan te passen door (onderdelen van) titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing te verklaren op de subsidie voor de uitoefening van de taken van de ROA.

3. Raad Onderwijs Arbeidsmarkt Caribisch Nederland

a. Toezicht en sturing zelfstandig bestuursorgaan

Conform het advies van de Afdeling worden enkele van belang zijnde bepalingen van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van overeenkomstige toepassing verklaard op de Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN), zodat de informatievoorziening, sturing en het toezicht en daarmee de ministeriele verantwoordelijkheid jegens ROA CN beter is geregeld.

b. Financiële verantwoording en beheer

Het advies van de Afdeling om titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht over subsidies van overeenkomstige toepassing te verklaren op de subsidierelatie met ROA CN neemt de regering over, omdat dit de rechtszekerheid ten goede komt. In Caribisch Nederland ontbreken nu immers dergelijke regels, aangezien de Wet administratieve rechtspraak BES of een andere wet hierin niet voorziet.

4. Verwerking van persoonsgegevens

a. Doorgifte

Met dit wetsvoorstel beoogt de regering de uitwisseling van persoonsgegevens uit te breiden tussen de onderwijsinstelling, openbare lichamen en de minister van OCW. Daartoe regelt het voorstel dat informatie over schoolverzuim, eventuele vrijstellingen van de leerplicht of diplomering in Caribisch Nederland centraal wordt geregistreerd.15

De regering wijst er terecht op dat er twee wettelijke beschermingsregimes van toepassing kunnen zijn op de hier verwerkte persoonsgegevens. Voor Europees Nederland geldt de (U)AVG, en voor Caribisch Nederland geldt de Wet bescherming persoonsgegevens BES (hierna: Wbp BES). Bij gegevensuitwisseling van Europees naar Caribisch Nederland is op basis van de AVG sprake van doorgifte van persoonsgegevens aan een gebied buiten de Europese Unie. De openbare lichamen hebben ten aanzien van de Europese Unie de status van landen en gebieden overzee (LGO-status). Het is op grond van artikel 46 van de AVG noodzakelijk dat een passend beschermingsniveau van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen is gewaarborgd. Volgens de regering wordt dit passend beschermingsniveau gewaarborgd door de Wbp BES.

Uit de evaluatie van de Wbp BES blijkt dat niet zonder meer kan worden verondersteld dat deze wet voorziet in een voldoende passend beschermingsniveau. Want in de praktijk schort het aan een zorgvuldige uitvoering van en adequaat toezicht op de regels over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Gebleken is dat de wetgeving niet overal bekend is, regels onvoldoende worden nageleefd, en in de praktijk geen toezicht wordt gehouden.16 Daarom kan de toelichting op dit punt niet volstaan met een verwijzing naar de Wbp BES, en zijn maatregelen nodig om een passend beschermingsniveau te waarborgen.

Daarnaast wijst de Afdeling erop dat een passend beschermingsniveau ook noodzakelijk is voor de gegevensuitwisseling tussen de ROA en de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (hierna: SBB), voor zover sprake is van het verwerken van persoonsgegevens. In dit verband wijst de regering erop dat het in beginsel gaat om bedrijfsgegevens.17 Daarmee is het niet duidelijk of en zo ja, welke persoonsgegevens (ook) worden verwerkt.

De Afdeling adviseert de toelichting gelet op het voorgaande aan te passen, nader in te gaan op de specifieke maatregelen die worden getroffen ten behoeve van een adequate doorgifte, en zo nodig het wetsvoorstel aan te passen.

b. Bijzondere persoonsgegevens verzuimmeldingen

Het wetsvoorstel voorziet in de mogelijkheid om gegevens te verwerken over godsdienst, levensovertuiging en gezondheid in het kader van verzuimmeldingen.18 Dit betreft volgens de toelichting een uitzondering op het verbod in de Wbp BES om bijzondere persoonsgegevens te verwerken.19

De Afdeling merkt op dat in de toelichting niet expliciet wordt ingegaan op de uitzonderingssystematiek van de Wbp BES voor het verbod op de verwerking van bijzondere persoonsgegevens. Zij wijst erop dat voor gegevens over gezondheid de uitzonderingsgrond in artikel 21, eerste lid, onder c, van de Wbp BES van toepassing kan zijn. Daarnaast wijst zij erop dat voor de gegevens over godsdienst en levensovertuiging de uitzonderingsgrond in artikel 23, eerste lid, sub e, van de Wbp BES van toepassing kan zijn. Voor de laatstgenoemde uitzonderingsgrond dient de regering in de toelichting de noodzaak met het oog op een zwaarwegend belang dragend te motiveren, en dienen er passende waarborgen te worden genomen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

De Afdeling adviseert gelet op het voorgaande de toelichting aan te vullen en zo nodig het wetsvoorstel aan te passen.

4. Verwerking van persoonsgegevens

a. Doorgifte

Voor wat betreft de doorgifte van persoonsgegevens tussen Europees en Caribisch Nederland merkt de Afdeling op dat in de memorie van toelichting niet kan worden volstaan met een verwijzing naar de Wet bescherming persoonsgegevens BES (Wbp BES) als passend beschermingsniveau voor Caribisch Nederland in het kader van de Algemene verordening gegevensbescherming. Dit omdat de naleving van die wet en het toezicht erop niet vanzelfsprekend is, zoals is gebleken uit een evaluatie van de Wet bescherming persoonsgegevens BES. Paragraaf 9 van de memorie van toelichting is op dit punt aangevuld.

Hoewel een consensusrijkswet gegevensbescherming in voorbereiding is, die enige problemen op dit vlak zou kunnen oplossen, is er nog geen zicht op een concreet tijdstip van inwerkingtreding daarvan. Bovendien neemt die wet niet het probleem van het gebrek aan naleving van en toezicht op de bestaande Wbp BES weg. Daarom worden naar aanleiding van het advies van de Afdeling aanvullende maatregelen genomen om de bekendheid met de Wbp BES en de naleving ervan te vergroten. Het gaat dan om het aanbieden van een zelfevaluatie bij de voor dit wetsvoorstel relevante verwerkers van persoonsgegevens in Caribisch Nederland en het verzorgen van trainingen over het belang van een doeltreffende gegevensbescherming en hoe dat te realiseren.

Daarnaast zal in de aanloop naar de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, in samenspraak met de Commissie toezicht bescherming persoonsgegevens BES (CBP BES), gerichte voorlichting worden gegeven aan verwerkers van persoonsgegevens zoals scholen, bestuurscolleges en hun ambtenaren of andere partijen die bij de uitvoering van bijvoorbeeld voortijdig schoolverlaten betrokken zijn. Paragraaf 9 van de memorie van toelichting is in voormelde zin aangevuld. Mocht blijken dat rondom de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel extra publieksvoorlichting nodig is, dan zal dat worden georganiseerd, zodat ook studenten, leerlingen en hun ouders hiervan op de hoogte zijn.

Omdat de verwerking van verzuim- en vrijstellingsgegevens van een student, vavo-student of leerling om uitvoeringsredenen pas na verloop van tijd via het Register onderwijsdeelnemers zal gaan verlopen, is ook voorzien in tijdelijk overgangsrecht in hoofdstuk 9, titel 3, van de WEB, waarbij gegevens tijdelijk alleen lokaal worden verwerkt.

Voor wat betreft de gegevensuitwisseling tussen ROA CN en de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven (SBB) geldt hetzelfde als hierboven geschetst. Ook daar zal worden ingezet op adequate voorlichting in combinatie met het aanbieden van trainingen aan ROA CN, zodat een passend beschermingsniveau van persoonsgegevens wordt bereikt. Er is ook daar sprake van uitwisseling van persoonsgegevens, zij het op zeer bescheiden schaal. De memorie van toelichting is in voormelde zin aangevuld.

b. Bijzondere persoonsgegevens verzuimmeldingen

Het wetsvoorstel regelt ook dat bij verzuimmeldingen in beperkte mate bijzondere persoonsgegevens mogen worden gedeeld tussen school of instelling en de leerplichtambtenaar of andere ambtenaar die is belast met de verwerking van de verzuimgegevens in Bonaire, Sint Eustatius of Saba. Dit is nodig om de aard van het verzuim te kunnen duiden. Dit is geen nieuw beleid. Het wetsvoorstel herformuleert op dit punt slechts bestaande bepalingen uit de Wet voortgezet onderwijs 2020 (WVO 2020) en de Wet educatie en beroepsonderwijs BES (WEB BES) door positief te formuleren welke gegevens wel mogen worden gedeeld in plaats van welke gegevens niet. Daarbij blijft de strekking van die bepalingen ongewijzigd. De artikelsgewijze toelichting is op dit punt verduidelijkt.

5. Financiële gevolgen

De Afdeling merkt op dat voor de volwasseneneducatie en onderwijshuisvesting niet duidelijk is wat de financiële gevolgen zijn voor het Rijk, de openbare lichamen en voor andere maatschappelijke sectoren. Duidelijkheid over de financiële gevolgen is ingevolge de Comptabiliteitswet 2016 wel vereist.20

De bestuurscolleges van de openbare lichamen krijgen een nieuwe wettelijke taak voor volwasseneneducatie.21 Voor de uitvoering van deze nieuwe taak wordt niet voorzien in financiële middelen en biedt de toelichting geen inzicht in de financiële gevolgen. De regering zal zich volgens de toelichting inspannen om de vrije uitkering te verhogen.22 In dit kader uiten Bonaire en Saba in de consultatiereactie zorgen over de onduidelijkheid van de (toereikende) financiële middelen die nodig zijn om deze nieuwe wettelijke taak uit te voeren.

Voor de onderwijshuisvesting op Bonaire dragen op dit moment de minister en het bestuurscollege van Bonaire de (financiële) verantwoordelijkheid. Dit geldt op basis van bestaand overgangsrecht.23 Dit overgangsrecht zal met dit wetsvoorstel op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip vervallen. Dit betekent dat de Scholengemeenschap Bonaire op een nader te bepalen moment financieel verantwoordelijk kan worden voor de onderwijshuisvesting, zonder dat er duidelijkheid bestaat over de vraag of de financiële gevolgen gedragen kunnen worden. In de toelichting stelt de regering slechts dat de inzet erop gericht is om met het openbaar lichaam Bonaire hierover afspraken te maken.24

De Afdeling adviseert de toelichting aan te vullen met de financiële gevolgen van het wetsvoorstel voor volwasseneneducatie en onderwijshuisvesting voor het Rijk, de openbare lichamen en voor andere maatschappelijke sectoren, mede vanwege het ordentelijk beheer van de openbare financiën op de eilanden. Zo nodig dient te worden voorzien in toereikende financiële middelen.

5. Financiële gevolgen

In navolging van het advies van de Afdeling is in paragraaf 8 van de memorie van toelichting gepreciseerd wat de financiële gevolgen van het wetsvoorstel zijn voor de wettelijke taken van de bestuurscolleges van Bonaire, Sint Eustatius en Saba als het gaat om volwasseneneducatie. Wat betreft de onderwijshuisvesting is de inzet erop gericht om het overgangsrecht pas te laten vervallen als duidelijk is dat de Scholengemeenschap Bonaire de financiële gevolgen van eigen verantwoordelijkheid voor de onderwijshuisvesting kan dragen. Ook is aan het wetsvoorstel een nieuw artikel 11.79a WVO 2020 toegevoegd over de verticale scholengemeenschap in Caribisch Nederland. Dit artikel regelt dat de zeggenschap over een schoolgebouw of -terrein, zodra dat niet meer voor onderwijs zal worden gebruikt, moet worden overgedragen aan het openbaar lichaam, ook indien dat gebouw of terrein in beheer is bij het bevoegd gezag van een verticale scholengemeenschap.

6. Evaluatie

Het wetsvoorstel voorziet in een evaluatiebepaling.25 De regering beoogt hiermee binnen vijf jaar na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel de doeltreffendheid en de effecten ervan in de praktijk te evalueren.26

De Afdeling merkt op dat uit artikelsgewijze toelichting bij de evaluatiebepaling niet blijkt aan de hand van welke criteria en methode de evaluatie zal plaatsvinden. Ook is niet duidelijk hoe en op welke aspecten de wet wordt geëvalueerd. Daardoor is het niet duidelijk of evaluatie daadwerkelijk inzicht zal kunnen geven in de doeltreffendheid en effecten van dit wetsvoorstel.27 Voor de te evalueren aspecten ligt het in de rede om ieder geval de volgende aspecten te betrekken: de monitor naar het Nederlandse taalonderwijs,28 de haalbaarheid van de nieuwe taaleisen mbo,29 en de samenwerking en taakafbakening tussen de ROA en SBB.30

De Afdeling adviseert in de toelichting de evaluatiecriteria- en methode, en de te evalueren aspecten te expliciteren en zo nodig het wetsvoorstel aan te passen.

6. Evaluatie

Conform het advies zijn in de memorie van toelichting, in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 13.1.2 WEB, de thans reeds bekende, relevante aspecten voor evaluatie van het wetsvoorstel opgenomen, waaronder de suggesties die de Afdeling zelf al doet.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.

De vice-president van de Raad van State,

Mr. Th.C. de Graaf

7. Overige wijzigingen

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de samenloop van dit wetsvoorstel met een andere wet en een wetsvoorstel te actualiseren na het vragen van advies voor dit wetsvoorstel. In concreto gaat het om de inmiddels vastgestelde Wet van school naar duurzaam werk (Stb. 2025, 210). Daarbij zijn de met die wet samenhangende wijzigingen voor Caribisch Nederland nu rechtstreeks in de artikelen I en II van het onderhavige wetsvoorstel verwerkt. In de versie van het wetsvoorstel dat aan de Raad van State is voorgelegd, was in artikel XVIII nog voorzien in een samenloopbepaling met die wet.

Artikel XVII, de samenloopbepaling in verband met het wetsvoorstel Verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt (Kamerstukken 36 670) is aangevuld en gecorrigeerd zodat beide wetsvoorstellen beter op elkaar aansluiten.31 Bij nader inzien bleek artikel V (Wijziging Wet medezeggenschap op scholen) overbodig. Het schrappen van dat artikel en van het eerder genoemde artikel XVIII (Samenloop met Wet van school naar duurzaam werk) heeft dan ook tot enkele vernummeringen in het wetsvoorstel geleid.

Ik verzoek U het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, G. Moes.

Advies Raad van State

No. W05.25.00094/I

’s-Gravenhage, 18 juni 2025

Aan de Koning

Bij Kabinetsmissive van 16 april 2025, no.2025000861, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en enkele andere wetten, alsmede tot intrekking van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES en de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES vanwege de modernisering van de regels voor beroeps- en volwassenenonderwijs en het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland (modernisering regels voor beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland), met memorie van toelichting.

De regering beoogt de regels voor het beroepsonderwijs op Bonaire, Sint Eustatius en Saba te moderniseren en integreren in de bestaande Europees Nederlandse onderwijswetgeving. Daartoe voorziet dit wetsvoorstel in het zoveel mogelijk van toepassing verklaren van de Wet educatie en beroepsonderwijs op Caribisch Nederland, en waar nodig wordt voorzien in specifieke afwijkingen vanwege de eilandelijke context.

De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert de te ruime delegatiegrondslagen aan te passen. Daarnaast adviseert zij om onderdelen van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing te verklaren op de Raad Onderwijs Arbeidsmarkt Caribisch Nederland om de ministeriële verantwoordelijkheid en democratische controle voldoende te regelen. Ook adviseert zij om duidelijk te maken welke subsidierechtelijke regels van toepassing zijn op de subsidie voor de uitoefening van de taken van de Raad Onderwijs Arbeidsmarkt Caribisch Nederland.

Verder adviseert de Afdeling over de doorgifte van persoonsgegevens aan Caribisch Nederland om de toelichting aan te passen en te voorzien in specifieke maatregelen om een adequaat beschermingsniveau te waarborgen. De Wet bescherming persoonsgegevens BES voorziet nu niet in een voldoende passend beschermingsniveau. Ook adviseert zij om de toelichting aan te vullen met de financiële gevolgen van het wetsvoorstel voor volwasseneneducatie en onderwijshuisvesting, mede gelet op het ordentelijk beheer van financiën op de eilanden. Zo nodig dient te worden voorzien in toereikende financiële middelen.

Ten slotte merkt de Afdeling op dat niet duidelijk is of de evaluatie van het wetsvoorstel daadwerkelijk inzicht zal kunnen geven in de doeltreffendheid en effecten. Daarom adviseert zij de toelichting aan te vullen met de evaluatiecriteria- en methode, en de te evalueren aspecten zijn.

In verband daarmee is aanpassing wenselijk van het wetsvoorstel en de toelichting.

1. Aanleiding, inhoud en doel van het wetsvoorstel

Tot 2019 gold het kabinetsbeleid van legislatieve terughoudendheid. Mede daardoor is de wetgeving over het beroepsonderwijs in Caribisch Nederland achtergebleven bij de ontwikkelingen in Caribisch en Europees Nederland. Dit wetsvoorstel betreft een complexe, omvangrijke en doordachte wetgevingsoperatie om deze wetgeving weer bij de tijd te brengen.

Het primaire doel van het wetsvoorstel is om de regels voor het beroepsonderwijs voor Caribisch Nederland te moderniseren en integreren in de bestaande Europees Nederlandse onderwijswetgeving. Daarbij wordt het uitgangspunt comply or explain toegepast. Het wetsvoorstel regelt dat de Wet educatie en beroepsonderwijs zoveel mogelijk van toepassing wordt in Caribisch Nederland. Waar nodig wordt voorzien in specifieke afwijkingen vanwege de eilandelijke context, met als doel een gelijkwaardig voorzieningenniveau te bereiken binnen de mogelijkheden van de Caribisch Nederlandse context.1

Specifieke afwijkingen vanwege de eilandelijke context bestaan bijvoorbeeld omdat in Caribisch Nederland één mbo-instelling is op Bonaire, de Scholengemeenschap Bonaire, met een gering studentenvolume.

Ook wordt afgeweken van de examinering van de Nederlandse taalvereisten, omdat bij de taalniveaus die gelden in Europees Nederland geen rekening is gehouden met de meertalige context in Caribisch Nederland. Dat wil zeggen dat Nederlands voor de meeste leerlingen en studenten in Caribisch Nederland niet de moedertaal is. Omdat op dit moment onvoldoende onderzoek bestaat over welke taalniveaus haalbaar zijn, wordt voorgesteld om de huidige praktijk te continueren. Daarbij tellen examenresultaten van het vak Nederlands niet mee voor de slaag-zakbeslissing. Dit is dus een afwijking van de herziene kwalificatiestructuur,2 specifiek voor Caribisch Nederland.

Een ander voorbeeld van een specifieke afwijking is dat de aanpak van voortijdig schoolverlaten wordt vormgegeven, anders dan in Europees Nederland, per eiland. Ook wordt deze taak, anders dan in Europees Nederland, bij de schoolbesturen belegd. De openbare lichamen moeten namelijk nog een flinke slag maken om hun wettelijke taken wat betreft registratie, doorverwijzing en monitoring op orde te brengen.

2. Ruime delegatiegrondslagen

Het wetsvoorstel biedt ruime delegatiegrondslagen. Dit raakt het primaat van de wetgever en de uitgangpunten van democratische legitimatie, rechtszekerheid (het legaliteitsbeginsel) en zorgvuldigheid.3

Op de eerste plaats regelt het wetsvoorstel de mogelijkheid om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur de Raad Onderwijs Arbeidsmarkt Caribisch Nederland (hierna: ROA) andere taken toe te kennen en kunnen nadere regels worden gesteld over de inrichting en taakuitoefening.4 Concreet betekent dit dat de ROA als zelfstandig bestuursorgaan bij lagere regelgeving aanvullende wettelijke taken kan krijgen. De Afdeling merkt op dat hiermee structurele en wezenlijke elementen van een regeling niet bij wet in formele zin worden bepaald.5 De noodzaak van deze ruime delegatiegrondslag wordt in de toelichting niet gemotiveerd.

Ten tweede voorziet dit wetsvoorstel op verschillende onderdelen in de mogelijkheid voor de minister om nadere regels te stellen zonder een concrete en nauwkeurige begrenzing.6 Ook deze keuze voor deze ruime delegatiegrondslagen wordt in de toelichting niet gemotiveerd.

De Afdeling merkt op dat delegatiegrondslagen zo concreet en nauwkeurig mogelijk moeten worden begrensd, en dat delegatiegrondslagen zoveel mogelijk moeten worden beperkt tot het niveau van algemene maatregel van bestuur. Bovendien is delegatie of subdelegatie aan de minister slechts aanvaardbaar ingeval van voorschriften van administratieve aard, uitwerking van details en voorschriften die met grote spoed moeten worden vastgesteld.7

De Afdeling adviseert het wetsvoorstel, gelet op het primaat van de wetgever, in overeenstemming te brengen met de Aanwijzingen voor de regelgeving en de toelichting in het licht van het voorgaande aan te passen.

3. Raad Onderwijs Arbeidsmarkt Caribisch Nederland

a. Toezicht en sturing zelfstandig bestuursorgaan

Het wetsvoorstel voorziet in de nieuwe wettelijke grondslag voor de ROA. In de toelichting beargumenteert de regering dat de ROA een zelfstandig bestuursorgaan is, en dat de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen niet van toepassing is in Caribisch Nederland. Daarom wordt voorzien in ministeriële goedkeuring van statuten en een eventueel bestuursreglement van de ROA.8

De Afdeling merkt op dat hiermee de ministeriële verantwoordelijkheid voor en de democratische controle op de ROA niet voldoende is geregeld. Omdat de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen niet van toepassing is, gelden ook de meest gebruikelijke instrumenten voor toezicht op en sturing van zelfstandige bestuursorganen niet.9 Terwijl het belang van dergelijke instrumenten evengoed geldt voor Caribisch Nederland. Daarom ligt het volgens de Afdeling in de rede om in ieder geval de bepalingen die zien op de informatievoorziening, sturing en het toezicht van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing te verklaren op de ROA.10

De Afdeling adviseert het wetsvoorstel aan te passen door ook (onderdelen van) de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing te verklaren op de ROA.

b. Financiële verantwoording en beheer

De minister verleent de ROA subsidie voor de uitoefening van zijn taken.11 Omdat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) grotendeels niet van toepassing is in Caribisch Nederland, is het niet duidelijk welke (algemene) subsidierechtelijke regels gelden voor (onder meer) de rekening en verantwoording, beheer en rechtspositie.12

De Afdeling adviseert aan het voorgaande in de toelichting aandacht te besteden, en zo nodig het wetsvoorstel aan te passen door (onderdelen van) titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing te verklaren op de subsidie voor de uitoefening van de taken van de ROA.

4. Verwerking van persoonsgegevens

a. Doorgifte

Met dit wetsvoorstel beoogt de regering de uitwisseling van persoonsgegevens uit te breiden tussen de onderwijsinstelling, openbare lichamen en de minister van OCW. Daartoe regelt het voorstel dat informatie over schoolverzuim, eventuele vrijstellingen van de leerplicht of diplomering in Caribisch Nederland centraal wordt geregistreerd.13

De regering wijst er terecht op dat er twee wettelijke beschermingsregimes van toepassing kunnen zijn op de hier verwerkte persoonsgegevens. Voor Europees Nederland geldt de (U)AVG, en voor Caribisch Nederland geldt de Wet bescherming persoonsgegevens BES (hierna: Wbp BES). Bij gegevensuitwisseling van Europees naar Caribisch Nederland is op basis van de AVG sprake van doorgifte van persoonsgegevens aan een gebied buiten de Europese Unie. De openbare lichamen hebben ten aanzien van de Europese Unie de status van landen en gebieden overzee (LGO-status). Het is op grond van artikel 46 van de AVG noodzakelijk dat een passend beschermingsniveau van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen is gewaarborgd. Volgens de regering wordt dit passend beschermingsniveau gewaarborgd door de Wbp BES.

Uit de evaluatie van de Wbp BES blijkt dat niet zonder meer kan worden verondersteld dat deze wet voorziet in een voldoende passend beschermingsniveau. Want in de praktijk schort het aan een zorgvuldige uitvoering van en adequaat toezicht op de regels over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Gebleken is dat de wetgeving niet overal bekend is, regels onvoldoende worden nageleefd, en in de praktijk geen toezicht wordt gehouden.14 Daarom kan de toelichting op dit punt niet volstaan met een verwijzing naar de Wbp BES, en zijn maatregelen nodig om een passend beschermingsniveau te waarborgen.

Daarnaast wijst de Afdeling erop dat een passend beschermingsniveau ook noodzakelijk is voor de gegevensuitwisseling tussen de ROA en de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (hierna: SBB), voor zover sprake is van het verwerken van persoonsgegevens. In dit verband wijst de regering erop dat het in beginsel gaat om bedrijfsgegevens.15 Daarmee is het niet duidelijk of en zo ja, welke persoonsgegevens (ook) worden verwerkt.

De Afdeling adviseert de toelichting gelet op het voorgaande aan te passen, nader in te gaan op de specifieke maatregelen die worden getroffen ten behoeve van een adequate doorgifte, en zo nodig het wetsvoorstel aan te passen.

b. Bijzondere persoonsgegevens verzuimmeldingen

Het wetsvoorstel voorziet in de mogelijkheid om gegevens te verwerken over godsdienst, levensovertuiging en gezondheid in het kader van verzuimmeldingen.16 Dit betreft volgens de toelichting een uitzondering op het verbod in de Wbp BES om bijzondere persoonsgegevens te verwerken.17

De Afdeling merkt op dat in de toelichting niet expliciet wordt ingegaan op de uitzonderingssystematiek van de Wbp BES voor het verbod op de verwerking van bijzondere persoonsgegevens. Zij wijst erop dat voor gegevens over gezondheid de uitzonderingsgrond in artikel 21, eerste lid, onder c, van de Wbp BES van toepassing kan zijn. Daarnaast wijst zij erop dat voor de gegevens over godsdienst en levensovertuiging de uitzonderingsgrond in artikel 23, eerste lid, sub e, van de Wbp BES van toepassing kan zijn. Voor de laatstgenoemde uitzonderingsgrond dient de regering in de toelichting de noodzaak met het oog op een zwaarwegend belang dragend te motiveren, en dienen er passende waarborgen te worden genomen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

De Afdeling adviseert gelet op het voorgaande de toelichting aan te vullen en zo nodig het wetsvoorstel aan te passen.

5. Financiële gevolgen

De Afdeling merkt op dat voor de volwasseneneducatie en onderwijshuisvesting niet duidelijk is wat de financiële gevolgen zijn voor het Rijk, de openbare lichamen en voor andere maatschappelijke sectoren. Duidelijkheid over de financiële gevolgen is ingevolge de Comptabiliteitswet 2016 wel vereist.18

De bestuurscolleges van de openbare lichamen krijgen een nieuwe wettelijke taak voor volwasseneneducatie.19 Voor de uitvoering van deze nieuwe taak wordt niet voorzien in financiële middelen en biedt de toelichting geen inzicht in de financiële gevolgen. De regering zal zich volgens de toelichting inspannen om de vrije uitkering te verhogen.20 In dit kader uiten Bonaire en Saba in de consultatiereactie zorgen over de onduidelijkheid van de (toereikende) financiële middelen die nodig zijn om deze nieuwe wettelijke taak uit te voeren.

Voor de onderwijshuisvesting op Bonaire dragen op dit moment de minister en het bestuurscollege van Bonaire de (financiële) verantwoordelijkheid. Dit geldt op basis van bestaand overgangsrecht.21 Dit overgangsrecht zal met dit wetsvoorstel op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip vervallen. Dit betekent dat de Scholengemeenschap Bonaire op een nader te bepalen moment financieel verantwoordelijk kan worden voor de onderwijshuisvesting, zonder dat er duidelijkheid bestaat over de vraag of de financiële gevolgen gedragen kunnen worden. In de toelichting stelt de regering slechts dat de inzet erop gericht is om met het openbaar lichaam Bonaire hierover afspraken te maken.22

De Afdeling adviseert de toelichting aan te vullen met de financiële gevolgen van het wetsvoorstel voor volwasseneneducatie en onderwijshuisvesting voor het Rijk, de openbare lichamen en voor andere maatschappelijke sectoren, mede vanwege het ordentelijk beheer van de openbare financiën op de eilanden. Zo nodig dient te worden voorzien in toereikende financiële middelen.

6. Evaluatie

Het wetsvoorstel voorziet in een evaluatiebepaling.23 De regering beoogt hiermee binnen vijf jaar na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel de doeltreffendheid en de effecten ervan in de praktijk te evalueren.24

De Afdeling merkt op dat uit artikelsgewijze toelichting bij de evaluatiebepaling niet blijkt aan de hand van welke criteria en methode de evaluatie zal plaatsvinden. Ook is niet duidelijk hoe en op welke aspecten de wet wordt geëvalueerd. Daardoor is het niet duidelijk of evaluatie daadwerkelijk inzicht zal kunnen geven in de doeltreffendheid en effecten van dit wetsvoorstel.25 Voor de te evalueren aspecten ligt het in de rede om ieder geval de volgende aspecten te betrekken: de monitor naar het Nederlandse taalonderwijs,26 de haalbaarheid van de nieuwe taaleisen mbo,27 en de samenwerking en taakafbakening tussen de ROA en SBB.28

De Afdeling adviseert in de toelichting de evaluatiecriteria- en methode, en de te evalueren aspecten te expliciteren en zo nodig het wetsvoorstel aan te passen.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.

De vice-president van de Raad van State, Th.C. de Graaf.

Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en enkele andere wetten, alsmede tot intrekking van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES en de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES vanwege de modernisering van de regels voor beroeps- en volwassenenonderwijs en het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland (modernisering regels voor beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland) [KetenID WGK013598]

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regels voor het beroepsonderwijs, voor de volwasseneneducatie en voor de preventie en bestrijding van voortijdig schoolverlaten op Bonaire, Sint Eustatius en Saba te moderniseren en te integreren in de Wet educatie en beroepsonderwijs en in de Wet voortgezet onderwijs 2020 met het oog op een meer eenduidig wettelijk kader, om een impuls te geven aan dit onderwijs en aan de preventie en bestrijding van voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland en daarbij tegelijkertijd enkele technische wijzigingen aan te brengen in de Wet educatie en beroepsonderwijs;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I. WIJZIGING WET EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS

De Wet educatie en beroepsonderwijs wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De volgende begripsbepalingen worden in alfabetische volgorde ingevoegd:

bestuurscollege:

college van gezaghebber en eilandsgedeputeerden als bedoeld in artikel 36 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

expertisecentrum onderwijszorg:

expertisecentrum onderwijszorg, bedoeld in artikel 11.18 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;

openbaar lichaam:

Bonaire, Sint Eustatius of Saba, op de voet van artikel 132a van de Grondwet genoemd in de artikelen 2, 3 en 4 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

Raad onderwijs arbeidsmarkt CN:

Raad onderwijs arbeidsmarkt CN, genoemd in artikel 1.6.2;

samenwerkingsverband CN:

samenwerkingsverband CN, bedoeld in artikel 11.16 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;.

2. In onderdeel d van de begripsbepaling ‘bevoegd gezag’ vervalt ‘als bedoeld in artikel 1.6.1’.

3. In de begripsbepaling ‘exameninstelling’ wordt ‘instelling als bedoeld in artikel 1.6.1’ vervangen door ‘instelling als bedoeld in artikel 6.3.1’.

B

In artikel 1.5.3, tweede lid, wordt ‘De Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven erkent’ vervangen door ‘Onverminderd artikel 1.6.4, tweede lid, erkent de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven’.

C

Artikel 1.6.1 vervalt.

D

Hoofdstuk 1, titel 6, komt te luiden:

Titel 6. Caribisch Nederland
Artikel 1.6.1. Reikwijdte CN
  • 1. Deze wet is mede van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, tenzij anders is bepaald.

  • 2. Bij toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen in een openbaar lichaam wordt gelezen voor:

    college van burgemeester en wethouders: bestuurscollege;

    gemeente: openbaar lichaam;

    gemeentelijk: eilandelijk.

Artikel 1.6.2. Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland
  • 1. Bij ministeriële regeling wordt een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid zonder winstoogmerk, niet zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, aangewezen als Raad onderwijs arbeidsmarkt CN.

  • 2. De statuten en een bestuursreglement van de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN en een wijziging daarvan behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

  • 3. Artikel 1.5.2, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een benoeming of ontslag van de voorzitter en diens plaatsvervanger van de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN.

  • 4. Onze Minister verleent de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN subsidie voor de uitoefening van zijn taken binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen.

Artikel 1.6.3. Wettelijke taken Raad onderwijs arbeidsmarkt CN
  • 1. De Raad onderwijs arbeidsmarkt CN adviseert een instelling die voornemens is een nieuwe beroepsopleiding te gaan verzorgen in een openbaar lichaam over het arbeidsmarktperspectief en de beschikbaarheid van leerbedrijven. Hij kan een dergelijk advies ook uitbrengen over een reeds bestaande beroepsopleiding in een openbaar lichaam indien hij daartoe aanleiding ziet. Indien de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN daartoe aanleiding ziet, zendt hij het advies aan Onze Minister.

  • 2. De Raad onderwijs arbeidsmarkt CN kan voorstellen doen aan de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven inzake het ontwikkelen van beroepsopleidingen of onderdelen daarvan, waaronder keuzedelen, die relevant zijn voor de openbare lichamen en hun regionale arbeidsmarkt.

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen aan de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN andere taken worden toegekend en kunnen nadere regels worden gesteld over zijn inrichting en taakuitoefening, waaronder de taakverdeling met de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven.

  • 4. De Raad onderwijs arbeidsmarkt CN voert geen andere activiteiten uit dan de bij of krachtens de wet aan hem opgedragen taken.

Artikel 1.6.4. Erkenning leerbedrijven CN
  • 1. De Raad onderwijs arbeidsmarkt CN draagt zoveel mogelijk zorg voor een toereikend aantal leerbedrijven van voldoende kwaliteit in de openbare lichamen.

  • 2. De Raad onderwijs arbeidsmarkt CN erkent op aanvraag een bedrijf of andere organisatie in een openbaar lichaam als leerbedrijf voor de beroepspraktijkvorming, indien dat leerbedrijf voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in artikel 1.5.3, eerste lid.

  • 3. Artikel 1.5.3, derde en vierde lid, is van toepassing op een erkenning van de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN.

  • 4. De Raad onderwijs arbeidsmarkt CN beoordeelt ten minste een maal per vier jaar of een leerbedrijf in een openbaar lichaam voldoet aan de erkenningsvoorwaarden.

Artikel 1.6.5. Taakverdeling SBB en ROA CN
  • 1. Een besluit van de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN over erkenning van een leerbedrijf wordt gelijkgesteld aan een besluit van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven over erkenning van een leerbedrijf als bedoeld in artikel 1.5.3, tweede lid, en andersom.

  • 2. De Raad onderwijs arbeidsmarkt CN en de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven bevorderen een doelmatige werkverdeling en samenwerking tussen beide organisaties.

Artikel 1.6.6. Verwijzing naar toepasselijk strafrecht CN

Bij de toepassing van artikel 1.3.8 in een openbaar lichaam wordt in het eerste lid ‘Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht’ gelezen als ‘Tweede Boek, titel XIV, van het Wetboek van Strafrecht BES’ en wordt in het tweede lid ‘opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 127 juncto artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering’ gelezen als ‘opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering BES’.

Artikel 1.6.7. Meldplicht onderwijslocatie CN
  • 1. Een bevoegd gezag dat een beroepsopleiding of opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs verzorgt in een openbaar lichaam, meldt aan Onze Minister de locatie of locaties waar dat onderwijs wordt verzorgd ten behoeve van de Registratie instellingen en opleidingen respectievelijk het elektronisch register opleidingen educatie, bedoeld in artikel 6a.1.1.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.

E

Hoofdstuk 1, titel 7, vervalt.

F

Artikel 2.2.2, zevende lid, komt te luiden:

  • 7. Studenten die niet als ingezetene zijn ingeschreven in de basisregistratie personen, genoemd in artikel 1.2 van de Wet basisregistratie personen, tellen alleen mee voor de bekostiging, indien aan hen een onderwijsnummer is toegekend en zij:

    • a. beroepsonderwijs volgen in het Europese deel van Nederland; en

    • b. hun woonplaats hebben in het Europese deel van Nederland, in België of in een van de bondsstaten Noord-Rijnland-Westfalen, Nedersaksen of Bremen van de Bondsrepubliek Duitsland.

G

Artikel 2.2.6 komt te luiden:

Artikel 2.2.6. Contractactiviteiten en andere private activiteiten
  • 1. Aan een instelling kunnen contractactiviteiten worden verricht, bestaande uit werkzaamheden voor eigen rekening ten behoeve van derden. Deze activiteiten kunnen worden verricht indien zij verband houden met werkzaamheden waarvoor de instelling uit de openbare kas wordt bekostigd en voor zover de uitvoering van die werkzaamheden hierdoor niet wordt geschaad.

  • 2. Het bevoegd gezag van een instelling draagt ervoor zorg dat artikel 2 van de Wet privatisering ABP van toepassing blijft op het personeel.

  • 3. De vereisten voor benoembaarheid of feitelijke tewerkstelling, bedoeld in de artikelen 4.2.1, tweede lid, en 4.2.2, eerste lid, en 4.2.6 zijn niet van toepassing op een lid van het personeel, voor zover deze is belast met het verrichten van contractactiviteiten.

  • 4. Het bevoegd gezag voorziet in een regeling voor het verrichten van contractactiviteiten door het personeel van de instelling met het oog op het voorkomen van vermenging van belangen.

  • 5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de besteding van de rijksbijdrage aan private activiteiten ten behoeve van het onderwijs.

H

Artikel 2.2a.2, vijfde lid, komt te luiden:

  • 5. Vavo-studenten die niet als ingezetene zijn ingeschreven in de basisregistratie personen, genoemd in artikel 1.2 van de Wet basisregistratie personen, tellen alleen mee voor de bekostiging, indien aan hen een onderwijsnummer is toegekend en zij:

    • a. een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs volgen in het Europese deel van Nederland;

    • b. hun woonplaats hebben in het Europese deel van Nederland, in België of in een van de bondsstaten Noord-Rijnland-Westfalen, Nedersaksen of Bremen van de Bondsrepubliek Duitsland.

I

Aan hoofdstuk 2 wordt een titel toegevoegd, luidende:

Titel 8. Caribisch Nederland
Artikel 2.8.1. Vestigingsplaats bekostigde beroepsopleiding CN
  • 1. In afwijking van artikel 2.1.1 komt een beroepsopleiding die wordt aangeboden in een openbaar lichaam slechts in aanmerking voor bekostiging en het recht op diplomering indien zij wordt verzorgd door een instelling die blijkens de Registratie instellingen en opleidingen reeds op 1 januari 2024 in het betreffende openbaar lichaam was gevestigd.

  • 2. Het bevoegd gezag van een bekostigde instelling dat niet aan het eerste lid voldoet, en voornemens is een beroepsopleiding te gaan verzorgen in een openbaar lichaam, komt slechts na goedkeuring van Onze Minister in aanmerking voor bekostiging en het uitreiken van officiële getuigschriften voor die opleiding.

  • 3. Onverminderd de wettelijke vereisten voor doelmatigheid en arbeidsmarktperspectief beoordeelt Onze Minister de aanvraag aan de hand van de maatschappelijke behoefte aan de beroepsopleiding in het licht van het bestaande bekostigde onderwijsaanbod, waarbij mede in aanmerking kan worden genomen het onderwijsaanbod in Aruba, Curaçao of Sint Maarten.

  • 4. Aan een besluit van Onze Minister kunnen voorwaarden en beperkingen worden verbonden.

  • 5. De goedkeuring van Onze Minister vervalt, indien de beroepsopleiding niet binnen een jaar na de opname in de Registratie instellingen en opleidingen van start is gegaan.

  • 6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.

Artikel 2.8.2. Anders te lezen verwijzingen hoofdstuk 2, titel 1 CN
  • 1. Bij de toepassing van artikel 2.1.5, eerste lid, in een openbaar lichaam wordt ‘akte van levering als bedoeld in artikel 89 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek’ gelezen als ‘akte van levering als bedoeld in artikel 89 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES’.

  • 2. Bij de toepassing van artikel 2.1.5, vierde lid, in een openbaar lichaam wordt ‘splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek’ gelezen als ‘splitsing als bedoeld in artikel 335 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES’.

  • 3. Bij de toepassing van artikel 2.1.7, eerste lid, onderdeel b, in een openbaar lichaam wordt ‘een uitspraak van de geschillencommissie of Ondernemingskamer als bedoeld in hoofdstuk 8a, titel 4’ gelezen als ‘een uitspraak van de geschillencommissie als bedoeld in hoofdstuk 8a, titel 4, of van het Gemeenschappelijk Hof, bedoeld in artikel 8a.6.1, eerste lid’.

Artikel 2.8.3. Afwijkende bekostiging beroepsonderwijs CN
  • 1. Artikel 2.2.2, eerste lid, is van toepassing met dien verstande dat er in een openbaar lichaam bij of krachtens algemene maatregel van bestuur andere maatstaven voor bekostiging kunnen worden vastgesteld en kan worden bepaald dat artikel 2.2.2, tweede lid, onderdeel b, niet van toepassing is.

  • 2. In afwijking van artikel 2.2.2, zevende lid, tellen studenten alleen mee voor de bekostiging volgens dit artikel indien zij beschikken over een persoonsgebonden nummer en zij:

    • a. beroepsonderwijs in een openbaar lichaam volgen; en

    • b. in dat openbaar lichaam hun woonplaats hebben.

  • 3. Bij de toepassing van de artikelen 2.2.4, vijfde lid, 2.2.10, derde lid, 2.2a.4, vijfde lid, en 2.5.3, vierde lid, in een openbaar lichaam wordt ‘accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek’ gelezen als ‘accountant of deskundige als bedoeld in artikel 121, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES’.

Artikel 2.8.4. Afwijkende bekostiging vavo CN
  • 1. In afwijking in zoverre van artikel 2.2a.2, eerste en tweede lid, kan een vaste voet als maatstaf voor bekostiging worden gehanteerd voor een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs in een openbaar lichaam volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

  • 2. In afwijking van artikel 2.2a.2, vijfde lid, tellen vavo-studenten in een openbaar lichaam alleen mee voor de bekostiging indien zij beschikken over een persoonsgebonden nummer en:

    • a. een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs volgen in het openbaar lichaam; en

    • b. in dat openbaar lichaam hun woonplaats hebben.

  • 3. Bij de toepassing van artikel 2.2a.4, vijfde lid, in een openbaar lichaam wordt ‘accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek’ gelezen als ‘accountant of deskundige als bedoeld in artikel 121, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES’.

Artikel 2.8.5. Uitzonderingen aanbod opleidingen educatie CN

De artikelen 2.3.1, 2.3.2 en 2.3.3, eerste lid, zijn niet van toepassing in een openbaar lichaam.

Artikel 2.8.6 Vervangende voorschriften opleidingen educatie CN
  • 1. Het bestuurscollege stelt een eilandelijk programma vast van opleidingen educatie, genoemd in artikel 7.3.1, eerste lid, met voldoende aandacht voor de behoeften van alle doelgroepen. De doelgroepen bestaan uit personen van achttien jaar en ouder die ingezetenen zijn van het openbaar lichaam.

  • 2. Het bestuurscollege sluit, overeenkomstig zijn eilandelijk programma, overeenkomsten met aanbieders van opleidingen educatie ten behoeve van de uitvoering van het eilandelijk programma.

  • 3. Het bestuurscollege coördineert alle nodige werkzaamheden die verband houden met de uitvoering van het eilandelijk programma.

Artikel 2.8.7. Anders te lezen verwijzingen hoofdstuk 2, titel 5 CN
  • 1. Bij de toepassing van artikel 2.5.3, vierde lid, in een openbaar lichaam wordt ‘accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek’ gelezen als ‘accountant of deskundige als bedoeld in artikel 121, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES’.

  • 2. Bij de toepassing van artikel 2.5.5a, vijfde lid, in een openbaar lichaam wordt ‘hoofd, bedoeld in artikel 1, onder d, van de Leerplichtwet 1969’ gelezen als ‘hoofd, bedoeld in artikel 1, onder d, van de Leerplichtwet BES’.

Artikel 2.8.8. Gegevensuitwisseling CN
  • 1. Bij de toepassing van artikel 2.5.5e, onderdeel a, in een openbaar lichaam wordt ‘toezicht op de naleving van de Leerplichtwet 1969’ gelezen als ‘toezicht op de naleving van de Leerplichtwet BES’.

  • 2. Bij de toepassing van artikel 2.5.5e, onderdeel b, in een openbaar lichaam wordt ‘de registratie van gegevens van voortijdig schoolverlaters, bedoeld in artikel 8.3.2, eerste lid, eerste volzin’ gelezen als ‘de registratie van gegevens van voortijdig schoolverlaters, bedoeld in artikel 8.7.5, eerste lid’.

  • 3. Bij de toepassing van artikel 2.5.5e, onderdeel c, in een openbaar lichaam wordt ‘het systeem van doorverwijzing van voortijdige schoolverlaters naar onderwijs of arbeidsmarkt, bedoeld in artikel 8.3.2, eerste lid, tweede en derde volzin’ gelezen als ‘het systeem van doorverwijzing van voortijdige schoolverlaters naar onderwijs of arbeidsmarkt, bedoeld in artikel 8.7.5, tweede lid’.

Artikel 2.8.9. Medezeggenschap verticale scholengemeenschap CN
  • 1. De artikelen 11.33 tot en met 11.36 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 2.6.3, tweede lid, zijn niet van toepassing op een school of scholengemeenschap die deel uitmaakt van een verticale scholengemeenschap in een openbaar lichaam.

  • 2. In plaats daarvan zijn de overige bepalingen inzake medezeggenschap bij of krachtens deze wet en de bepalingen van de Wet op de ondernemingsraden van toepassing op een verticale scholengemeenschap in een openbaar lichaam.

J

Na het opschrift van hoofdstuk 3 wordt een opschrift ingevoegd, luidende:

Titel 1. Inrichting van het bevoegd gezag

K

Aan hoofdstuk 3 wordt een titel toegevoegd, luidende:

Titel 2. Caribisch Nederland
Artikel 3.2.1. Anders te lezen voorschriften hoofdstuk 3 CN

Bij de toepassing van artikel 3.1.2, vierde lid, onderdeel e, in een openbaar lichaam wordt voor ‘accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek’ gelezen ‘accountant of deskundige als bedoeld in artikel 121, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES’.

L

In hoofdstuk 4, titel 1, vervalt het opschrift van paragraaf 1.

M

Onder vernummering van artikel 4.1a.1 tot artikel 4.1.4 vervalt het opschrift van titel 1a van hoofdstuk 4.

N

Artikel 4.2.1, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

a. de onderdelen a en d vervallen,

b. de onderdelen b en c worden geletterd tot onderdelen a en b,

c. in onderdeel b (nieuw) wordt ‘, en’ vervangen door een punt.

O

In artikel 4.2.1a wordt ‘artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel b’ vervangen door ‘artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel a’.

P

Artikel 4.2.2, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

a. de onderdelen a en e vervallen;

b. de onderdelen b tot en met d worden geletterd tot onderdelen a tot en met c;

c. in onderdeel c (nieuw) wordt ‘, en’ vervangen door een punt.

Q

Artikel 4.2.4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘artikel 4.2.1, tweede lid, onder b’ vervangen door ‘artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel a’.

2. In het tweede lid, onderdeel a, wordt ‘artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel b 1° tot en met 4°’ vervangen door ‘artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°’.

R

Aan hoofdstuk 4, titel 2, wordt een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 4.2.6. Verklaring omtrent het gedrag en rechterlijk beroepsverbod
  • 1. Het bevoegd gezag gaat pas over tot benoeming of tewerkstelling van personeel, nadat uit een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is gebleken dat daarvoor geen beletsel bestaat.

  • 2. De verklaring is op het moment van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder dan 26 weken.

  • 3. Het bevoegd gezag draagt ervoor zorg dat met onderwijswerkzaamheden of onderwijsondersteunende werkzaamheden geen personeelslid wordt belast, dat van die werkzaamheden is uitgesloten op grond van een rechterlijke uitspraak.

S

Artikel 7.7.1 wordt vernummerd tot artikel 4.2.7 en wordt geplaatst in hoofdstuk 4, na artikel 4.2.6 (nieuw).

T

Het opschrift van artikel 4.2.7 (nieuw) komt te luiden:

Artikel 4.2.7. Practicumplaatsen voor onderwijspersoneel in opleiding

U

Hoofdstuk 4, titel 2a, vervalt.

V

Aan hoofdstuk 4 wordt een titel toegevoegd, luidende:

Titel 4. Caribisch Nederland
Artikel 4.4.1. Rechtspositie personeel CN
  • 1. De Ambtenarenwet BES en de daarop berustende bepalingen zijn voor het personeel van een instelling voor bijzonder onderwijs in een openbaar lichaam van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Voor de salarissen en toelagen van het personeel, genoemd in het eerste lid, wordt een regeling vastgesteld bij eilandsbesluit.

  • 3. Het bestuurscollege stelt het besluit, bedoeld in het tweede lid, dan wel een wijziging daarvan niet vast dan nadat daarover op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met de bevoegde gezagsorganen en met de onderwijsvakbonden of, bij gebreke daarvan, met de ondernemingsraad dan wel een representatief te achten vertegenwoordiging van het personeel.

  • 4. Artikel 101 van de Ambtenarenwet BES is niet van toepassing op de vaststelling dan wel wijziging van het besluit, bedoeld in het tweede lid.

  • 5. Het nationaliteitsvereiste, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES is niet van toepassing op het personeel van een bijzondere instelling.

  • 6. In aanvulling op artikel 8 van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES stelt het bevoegd gezag van een bijzondere instelling ieder personeelslid in de gelegenheid diens arbeidsovereenkomst te ondertekenen.

Artikel 4.4.2. Uitzondering onderlinge bijstand na faillissement CN

Artikel 4.1.2, vierde lid, is niet van toepassing op het bevoegd gezag van een instelling die is gevestigd in een openbaar lichaam.

Artikel 4.4.3. Verklaring omtrent het gedrag CN

Bij de toepassing van artikel 4.2.6, eerste lid, in een openbaar lichaam wordt ‘als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens’ gelezen als ‘afgegeven op grond van de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES’.

W

Artikel 6.1.3a wordt vernummerd tot artikel 8.0.0 en wordt in hoofdstuk 8 geplaatst voor artikel 8.0.1.

X

In artikel 6.1.5b, derde lid, wordt ‘Artikel 1.6.1’ vervangen door ‘Artikel 6.3.1’.

Y

In artikel 6.2.3b, derde lid, wordt ‘Artikel 1.6.1’ vervangen door ‘Artikel 6.3.1’.

Z

Artikel 6.3.1 komt te luiden:

Artikel 6.3.1. Examinering exameninstellingen
  • 1. Onze Minister verleent op aanvraag aan het bevoegd gezag van een exameninstelling het recht tot examinering van een bepaalde beroepsopleiding indien uit de overgelegde gegevens blijkt dat de examinering van voldoende kwaliteit zal zijn en indien dat bevoegd gezag in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald over:

    • a. de kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 1.3.6, voor zover het betreft de examinering,

    • b. de examens, en

    • c. de rechtsbescherming, bedoeld in hoofdstuk 7, titel 5.

  • 2. Onze Minister besluit binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 3. Het recht tot examinering kan slechts worden uitgeoefend in opdracht van het bevoegd gezag van een andere instelling, niet zijnde een exameninstelling.

AA

In het eerste lid van artikel 6.3.3 wordt ‘artikel 6.3.2, eerste lid,’ vervangen door ‘artikel 6.3.2’.

BB

Aan hoofdstuk 6 wordt een titel toegevoegd, luidende:

Titel 5. Caribisch Nederland
Artikel 6.5.1. Advies bij starten beroepsopleiding CN

Voorafgaand aan de melding, bedoeld in 6.1.2, eerste lid, van het voornemen tot het starten van een beroepsopleiding in een openbaar lichaam, vraagt het bevoegd gezag van die instelling advies aan de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN over het arbeidsmarktperspectief en de beschikbaarheid van erkende leerbedrijven.

Artikel 6.5.2. Doelmatigheid CN

De zorgplicht doelmatigheid, bedoeld in artikel 6.1.3, derde lid, heeft in een openbaar lichaam betrekking op het geheel van de voorzieningen op het gebied van beroepsonderwijs en daarmee vergelijkbare opleidingen in de openbare lichamen en andere landen in de regio.

Artikel 6.5.3. Ontneming rechten en gevolgen studenten CN

Artikel 6.1.4, derde lid, is niet van toepassing in een openbaar lichaam.

Artikel 6.5.4. Zeer zwak beroepsonderwijs CN

Artikel 6.1.4b is niet van toepassing in een openbaar lichaam.

CC

In hoofdstuk 7 wordt na titel 5 de volgende titel ingevoegd:

Titel 6. Caribisch Nederland
Artikel 7.6.1. Ondersteuning bij het onderwijs aan zieke student in CN
  • 1. In afwijking van artikel 7.1.4, tweede lid, zorgt in een openbaar lichaam het expertisecentrum onderwijszorg voor de ondersteuning van een zieke student als bedoeld in artikel 7.1.4, eerste lid.

  • 2. Artikel 7.1.4, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op die ondersteuning door het expertisecentrum onderwijszorg.

Artikel 7.6.2. Samenwerkingsverband CN en expertisecentrum onderwijszorg
  • 1. Het bevoegd gezag van een instelling in een openbaar lichaam is aangesloten bij het samenwerkingsverband CN.

  • 2. De artikelen 11.16 en 11.17 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 zijn van toepassing.

  • 3. De artikelen 11.18 tot en met 11.23 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 zijn van overeenkomstige toepassing op studenten en vavo-studenten met een specifieke onderwijsbehoefte.

Artikel 7.6.3. In plaats van SBB: ROA CN

Bij de toepassing van artikel 7.2.9, tweede lid, in een openbaar lichaam wordt ‘Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven’ gelezen als ‘Raad onderwijs arbeidsmarkt CN’.

Artikel 7.6.4. Extra opleiding educatie CN
  • 1. In aanvulling op artikel 7.3.1 wordt in een openbaar lichaam ook de opleiding Nederlands als vreemde taal als opleiding educatie onderscheiden.

  • 2. De artikelen 7.3.1, derde lid, en 7.3.3, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op die opleiding.

Artikel 7.6.5. Nederlands als vreemde taal CN
  • 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld over de examens van de opleiding Nederlands als vreemde taal, genoemd in artikel 7.6.4.

  • 2. Artikel 7.4.11, eerste en derde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op deze opleiding.

Artikel 7.6.6. Rechtsbescherming openbare instelling CN

Indien het een beroep of bezwaar van een betrokkene aan een openbare instelling in een openbaar lichaam betreft als bedoeld in hoofdstuk 7, titel 5, wordt bij de toepassing van:

  • a. artikel 7.5.1, derde lid, ‘artikel 6:4, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht’ gelezen als ‘artikel 55 van de Wet administratieve rechtspraak BES’;

  • b. artikel 7.5.1, vijfde lid, ‘artikel 6:15, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht’ gelezen als ‘artikel 59, tweede lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES’;

  • c. artikel 7.5.1, zesde lid, ‘artikel 6:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht’ gelezen als ‘artikel 59, tweede lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES’;

  • d. artikel 7.5.4, tweede lid, ‘hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht’ gelezen als ‘artikel 9 van de Wet administratieve rechtspraak BES’;

  • e. artikel 7.5.4, derde lid, de zinsnede ‘wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht’ buiten toepassing gelaten;

  • f. artikel 7.5.4, zesde lid, de zinsnede ‘wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:25 van de Algemene wet bestuursrecht’ buiten toepassing gelaten;

  • g. artikel 7.5.7, eerste lid, ‘artikelen 7:13, eerste tot en met zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht’ gelezen als ‘artikelen 70 tot en met 74 van de Wet administratieve rechtspraak BES’;

  • h. artikel 7.5.7, vijfde lid, ‘artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht’ gelezen als ‘artikel 69, eerste lid, tweede volzin, van de Wet administratieve rechtspraak BES’;

  • i. artikel 7.5.8 ‘artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht’ gelezen als ‘artikel 69, eerste lid, tweede volzin, van de Wet administratieve rechtspraak BES’.

Artikel 7.6.7. Rechtsbescherming bijzondere instelling CN
  • 1. Bij ontvangst van een bezwaar als bedoeld in artikel 7.5.8 worden bij een bijzondere instelling in een openbaar lichaam de artikelen 68, 69 en 70, derde en vierde lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES overeenkomstig toegepast.

  • 2. Artikel 7.5.9 is niet van toepassing in een openbaar lichaam.

  • 3. Bij de toepassing van artikel 7.5.10 in een openbaar lichaam wordt in het derde lid van dat artikel voor ‘artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren’ gelezen ‘artikel 24 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie’.

DD

Hoofdstuk 7, titel 7, vervalt.

EE

Artikel 8.1.8, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a, wordt na ‘de Leerplichtwet 1969’ ingevoegd ‘of de Leerplichtwet BES’.

2. Onderdeel b komt te luiden:

  • b. die niet in het bezit is van een diploma dat is aangemerkt als startkwalificatie als bedoeld in de Leerplichtwet 1969 of de Leerplichtwet BES.

FF

Aan hoofdstuk 8 wordt een titel toegevoegd, luidende:

Titel 7. Caribisch Nederland
Artikel 8.7.1. Nadere regels studiekeuzeadvies CN
  • 1. Artikel 8.0.4, zesde lid, is niet van toepassing in een openbaar lichaam.

  • 2. Bij het vaststellen van nadere regels als bedoeld in artikel 8.0.4, vijfde lid, treft het bevoegd gezag van een instelling in een openbaar lichaam voor aangemelde studenten die niet woonachtig zijn op het betreffende openbaar lichaam zodanige voorzieningen dat zij kunnen deelnemen aan de intakeactiviteiten zonder dat hun fysieke aanwezigheid is vereist op de instelling.

Artikel 8.7.2. Afwijkende voorschriften hoofdstuk 8, titel 1 CN

In een openbaar lichaam wordt bij de toepassing van:

  • a. artikel 8.1.1, eerste lid, onderdeel c, ‘artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000’ gelezen als ‘de artikelen 3, 5a of 6 van de Wet toelating en uitzetting BES’;

  • b. de artikelen 8.1.1, derde lid, en 8.1.1b, eerste lid, ‘paragraaf 2 van de Leerplichtwet 1969’ gelezen als ‘paragraaf 2 van de Leerplichtwet BES’;

  • c. artikel 8.1.1c, derde en vierde lid, ‘paragraaf 2a van de Leerplichtwet 1969’ gelezen als ‘paragraaf 3 van de Leerplichtwet BES’;

  • d. artikel 8.1.5a ‘Wet studiefinanciering 2000’ gelezen als ‘Wet studiefinanciering BES’;

  • e. de artikelen 8.1.5c en 8.1.5d ‘het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor het beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000’ gelezen als ‘het overeenkomstige bedrag voor beroepsonderwijs, genoemd in kolom V van artikel 2.2, eerste lid, van de Wet studiefinanciering BES’;

  • f. artikel 8.1.7, eerste, zevende en elfde lid, ‘Wet studiefinanciering 2000’ gelezen als ‘Wet studiefinanciering BES’;

  • g. de artikelen 8.1.7a, derde lid, en 8.1.7d, tweede lid, ‘Leerplichtwet 1969’ gelezen als ‘Leerplichtwet BES’;

  • h. artikel 8.1.7d, vierde lid, ‘artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht’ gelezen als ‘artikel 69 van de Wet administratieve rechtspraak BES’.

GG

Na artikel 8.7.2 worden vijf artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 8.7.3. Verzuimmelding CN
  • 1. Indien degene die voldoet aan artikel 8.1.8, eerste lid, onderdelen a, waarbij in een openbaar lichaam voor ‘de leeftijd van 23 jaren’ wordt gelezen ‘de leeftijd van 25 jaren’, en b, zonder geldige reden geen onderwijs meer volgt aan een instelling gedurende een aaneengesloten periode van vier weken, doet het bevoegd gezag onverwijld schriftelijk opgave aan het bestuurscollege van het openbaar lichaam waar de betrokkene woonplaats heeft.

  • 2. Onder geldige reden wordt in ieder geval verstaan een van de redenen, genoemd in artikel 8.1.7, negende lid.

  • 3. Indien het bevoegd gezag daartoe aanleiding ziet, kan het beslissen over te gaan tot de melding, bedoeld in het eerste lid, voordat vier weken zijn verstreken.

  • 4. Bij de verwerking van gegevens als bedoeld in artikel 8.1.8 en dit artikel wordt het persoonsgebonden nummer BES van de betrokkene gebruikt.

  • 5. De gegevens die worden verstrekt op grond van artikel 8.1.8 en dit artikel bevatten slechts persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst, levensovertuiging of gezondheid als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens BES, indien deze bijzondere persoonsgegevens noodzakelijk zijn met het oog op de informatieverstrekking over de achtergronden van het verzuim.

Artikel 8.7.4. Afwijkende voorschriften hoofdstuk 8, titel 3 CN
  • 1. De artikelen 8.3.2, 8.3.4 en 8.3.5 zijn niet van toepassing in een openbaar lichaam.

  • 2. Bij toepassing van artikel 8.3.3 in een openbaar lichaam wordt ‘burgemeester en wethouders van de contactgemeente’ gelezen als ‘bestuurscollege van het openbaar lichaam’.

Artikel 8.7.5. Wettelijke taak bestuurscollege vsv CN
  • 1. Het bestuurscollege registreert de verzuimgegevens die een bevoegd gezag ingevolge de artikelen 8.1.8 en 8.7.3 heeft gemeld.

  • 2. Het bestuurscollege draagt zorg voor een systeem van doorverwijzing naar onderwijs of arbeidsmarkt van de in artikel 8.3.1 bedoelde voortijdige schoolverlaters en voor het onderhoud van dit systeem.

  • 3. Het systeem heeft mede betrekking op de gegevens waarover het bestuurscollege beschikt in het kader van de uitvoering van de Leerplichtwet BES.

  • 4. Het bestuurscollege volgt de deelname aan onderwijs en arbeidsmarkt van de personen, bedoeld in artikel 8.3.1, tweede lid, die de leeftijd van 25 jaren nog niet hebben bereikt.

  • 5. Het bevoegd gezag geeft aan de door het bestuurscollege aangewezen ambtenaren documenten ter inzage of verstrekt andere inlichtingen die van belang zijn voor het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten.

  • 6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.

Artikel 8.7.6. Wettelijke taak school of instelling vsv-beleid CN
  • 1. In een openbaar lichaam wijzen een instelling en een school uit hun midden een contactschool aan. De contactschool doet hiervan melding aan Onze Minister.

  • 2. De contactschool vervult coördinerende taken met het oog op het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten voor het openbaar lichaam. In dat verband:

    • a. stellen de in onderdeel b genoemde partijen, op voordracht van de contactschool, een eilandelijk plan vast met maatregelen ter voorkoming en bestrijding van voortijdig schoolverlaten voor jongeren van twaalf tot vijfentwintig jaren oud;

    • b. maakt de contactschool afspraken met in ieder geval een andere school of andere instelling, het bestuurscollege en het expertisecentrum onderwijszorg over ieders inzet en verantwoordelijkheid bij het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten ter uitvoering van het eilandelijk plan;

    • c. stelt de contactschool een effectrapportage vast waarin zowel de streefcijfers als de bereikte resultaten zijn aangegeven en waarin afwijkingen worden toegelicht.

  • 3. Het eilandelijk plan wordt ten minste iedere vier jaren herzien. De maatregelen in het plan hebben betrekking op het oplossen van problemen met betrekking tot het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten die een instelling of school zelf niet meer kan oplossen.

  • 4. Het eilandelijk plan bevat de streefcijfers voor de in het openbaar lichaam te behalen resultaten.

  • 5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.

Artikel 8.7.7. Subsidie aan contactschool voor vsv-beleid CN
  • 1. Onze Minister verstrekt het bevoegd gezag van de contactschool binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen subsidie voor de uitvoering van zijn coördinerende taken met het oog op het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten in het openbaar lichaam, waaronder het opstellen van een eilandelijk programma. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze van subsidiëring.

  • 2. De titels 4.1 en 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies zijn van toepassing op deze subsidie.

HH

Aan hoofdstuk 8a wordt een titel toegevoegd, luidende:

Titel 6. Medezeggenschap Caribisch Nederland
Artikel 8a.6.1. Beroep bij de rechter CN
  • 1. In afwijking van artikel 8a.4.4, tweede lid, wordt in een openbaar lichaam een vordering of beroep als bedoeld in artikel 8a.4.4, eerste lid, ingediend bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

  • 2. Tegen een uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof ingevolge het eerste lid kan geen beroep in cassatie worden ingesteld.

  • 3. In artikel 8a.4.4, zesde lid, wordt ‘artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering’ gelezen als ‘artikel 60 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES’ en wordt ‘artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht’ gelezen als ‘artikel 50, negende lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES’.

II

Artikel 10.2 komt te luiden:

Artikel 10.2. Tijdstip intrede rechtsgevolgen rechterlijke uitspraak

Na een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak over een besluit tot toekenning van een recht op bekostiging en diplomering, erkenning of examinering als bedoeld in de artikelen 1.3.1, 1.4.1, 1.4a.1, respectievelijk 6.3.1 en daarmee registratie in de Registratie instellingen en opleidingen, treden de rechtsgevolgen daarvan in met ingang van de eerste dag van het studiejaar waarin die uitspraak is gedaan.

JJ

In hoofdstuk 11 wordt na het opschrift van het hoofdstuk een opschrift ingevoegd, luidende:

Titel 1. Inhouden en opschorten bekostiging; strafbepaling

KK

Aan hoofdstuk 11 wordt een titel toegevoegd, luidende:

Titel 2. Caribisch Nederland
Artikel 11.3. Toezicht en handhaving CN

Bij toepassing van artikel 11.2, tweede lid, in een openbaar lichaam wordt in het derde lid van dat artikel ‘bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht’ gelezen als ‘bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 27, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES’.

LL

Hoofdstuk 11a vervalt.

MM

Hoofdstuk 12 komt te luiden:

Hoofdstuk 12. Ruimte voor innovatie
Titel 1. Experimenten
Artikel 12.1. Experiment beroepsonderwijs
  • 1. Bij wijze van experiment kan met het oog op een verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het beroepsonderwijs bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van:

    • a. hoofdstuk 2, titel 2 of de artikelen 2.8.1 tot en met 2.8.3, de hoofdstukken 6 of 7;

    • b. artikelen 1 van de Leerplichtwet 1969 of de Leerplichtwet BES;

    • c. artikel 1 van de Les- en cursusgeldwet;

    • d. artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering 2000 of artikel 1 van de Wet studiefinanciering BES;

    • e. artikel 1.1 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.

  • 2. De algemene maatregel van bestuur bepaalt in ieder geval:

    • a. het doel van het experiment;

    • b. op welke wijze van welke artikelen wordt afgeweken;

    • c. de duur van het experiment; en

    • d. op welke wijze en aan de hand van welke criteria de met het experiment beoogde effecten worden geëvalueerd.

  • 3. De voordracht voor de algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

  • 4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van een experiment.

Artikel 12.2. Duur experiment
  • 1. Een experiment duurt ten hoogste zes jaren, tenzij een langere duur noodzakelijk is, gezien de bijzondere aard van het experiment. In dat geval kan een experiment ten hoogste acht jaren duren.

  • 2. Indien voor afloop van het experiment een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal teneinde het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, kan Onze Minister het experiment verlengen tot het tijdstip waarop het wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking treedt.

Artikel 12.3. Evaluatieverslag

Onze Minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 12.1 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, evenals een standpunt over de voortzetting van die algemene maatregel van bestuur, anders dan als experiment.

Artikel 12.4. Samenwerking met ander onderwijs
  • 1. Dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband van een instelling met een school, waaronder een verticale scholengemeenschap, of met een instelling als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Bij samenwerking met een school kan voor die school worden afgeweken van de Wet voortgezet onderwijs 2020, met uitzondering van hoofdstuk 3, paragrafen 7 en 10, en de hoofdstukken 4, 6 en 9 van die wet.

  • 2. Onder samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan een samenwerkingsverband CN.

  • 3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld welke bij of krachtens de Wet voortgezet onderwijs 2020 onderscheidenlijk de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek vastgestelde voorschriften van toepassing of van overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking.

NN

Er wordt een hoofdstuk toegevoegd, luidende:

Hoofdstuk 13. Evaluatie, overgangs- en slotbepalingen
Titel 1. Evaluatiebepalingen
Artikel 13.1.1. Evaluatie Wet verbetering rechtsbescherming mbo-studenten (Stb. 2022, 134)

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na 1 augustus 2023 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de Wet van 25 februari 2022 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs met het oog op de verbetering van de rechtsbescherming van mbo-studenten (Stb. 2022, 134) in de praktijk.

Artikel 13.1.2. Evaluatie modernisering regels beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van ... tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en enkele andere wetten, alsmede tot intrekking van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES en de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES vanwege de modernisering van de regels voor beroeps- en volwassenenonderwijs en het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland (modernisering regels voor beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland) (Stb. 20xx, ...) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die wet in de praktijk.

Titel 2. Overgangs- en invoeringsrecht
Paragraaf 1. Voorzieningen voor onbepaalde tijd
Artikel 13.2.1. Eerder behaalde diploma’s en certificaten
  • 1. Diploma’s en certificaten ingevolge de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991 of het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal, zoals deze luidden op 31 december 1995, verkregen op grond van een examen verbonden aan opleidingen basiseducatie, voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, middelbaar beroepsonderwijs, deeltijd middelbaar beroepsonderwijs of leerlingwezen dan wel op grond van een staatsexamen Nederlands als tweede taal, gelden als overeenkomstige diploma’s en certificaten, verkregen op grond van artikel 7.4.6 respectievelijk artikel 7.2.3.

  • 2. Diploma’s en certificaten ingevolge de Wet educatie en beroepsonderwijs BES, zoals die wet luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van dit artikel, verkregen op grond van een examen verbonden aan opleidingen beroepsonderwijs of educatie, dan wel op grond van een staatsexamen Nederlands als vreemde taal, gelden als overeenkomstige diploma’s en certificaten, verkregen op grond van artikel 7.4.6 respectievelijk artikel 7.2.3.

Artikel 13.2.2. Eerbiedigende werking oude lesbevoegdheden

Onverminderd artikel 4.2.6 kan in afwijking van artikel 4.2.1, tweede lid, tot docent aan een instelling worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming, degene die:

  • a. in het studiejaar 1995–1996 bevoegd onderwijs heeft gegeven aan een school voor beroepsbegeleidend onderwijs, een school voor middelbaar beroepsonderwijs, dan wel wat deeltijds middelbaar beroepsonderwijs betreft aan een andere school, aan een vormingsinstituut voor jeugdigen of aan een instelling voor basiseducatie;

  • b. in de periode van 1 augustus 1990 tot en met 31 juli 1995 gedurende ten minste 40 weken bevoegd onderwijs als bedoeld in onderdeel a heeft gegeven;

  • c. voor 1 september 1997 een getuigschrift heeft behaald van een afsluitend examen van de opleiding cultureel werk of de opleiding culturele en maatschappelijke vorming behorend tot het onderdeel gedrag en maatschappij van het op dat moment geldende Centraal register opleidingen hoger onderwijs, met de differentiatie basiseducatie, dat op grond van de artikelen 4 en 5 van het Uitvoeringsbesluit KVE 1991 zoals dat luidde op 31 juli 1995 zou hebben geleid tot een bevoegdheid voor het verzorgen van activiteiten basiseducatie, dan wel voor 1 september 1997 een getuigschrift heeft behaald van een afsluitend examen binnen het hoger pedagogisch onderwijs met de differentiatie basiseducatie, en in beide gevallen uiterlijk aan het begin van het studiejaar 1994-1995 is gestart met de differentiatie basiseducatie;

  • d. voor 10 oktober 2010 bevoegd was tot het geven van onderwijs op grond van de Landsverordening secundair beroepsonderwijs en educatie zoals die Landsverordening op de dag voor dat tijdstip luidde; of

  • e. op 31 juli 2011 bevoegd was tot het geven van onderwijs op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES zoals die wet op dat tijdstip luidde.

Artikel 13.2.3. Voortzetting bekostiging doveninstituut
  • 1. Het Instituut voor Doven ‘Sint-Michielsgestel’ of diens rechtsopvolger behoudt aanspraak op bekostiging uit ’s Rijks kas ten behoeve van het verzorgen van beroepsopleidingen die de voortzetting zijn van beroepsbegeleidend onderwijs dat dit instituut op 31 december 1995 verzorgde.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven voor de toepassing van deze wet ten aanzien van genoemd instituut.

Artikel 13.2.4. Overgangsrecht vavo vanwege afschaffing rekentoets
  • 1. Het eindexamen van een opleiding voortgezet algemeen volwassenonderwijs omvat een instellingsexamen rekenen voor degene die geen eindexamen in het vak wiskunde aflegt.

  • 2. Bij de vaststelling van de opgaven van dit instellingsexamen worden de referentieniveaus rekenen in acht genomen die voor de desbetreffende schoolsoort of leerweg daarbinnen zijn vastgesteld op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden over dit instellingsexamen nadere voorschriften vastgesteld.

  • 4. Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 13.2.5. Tijdelijke voorziening huisvesting mbo CN
  • 1. In afwijking van artikel 2.2.1, tweede lid, voor zover het betreft de huisvestingskosten, en vierde lid, en artikel 2.6.3, eerste lid, en met overeenkomstige toepassing van de artikelen 11.69 tot en met 11.80 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 is dit artikel van toepassing op de voorziening in de huisvesting van een uit ’s Rijks kas bekostigde instelling in het openbaar lichaam Bonaire.

  • 2. Onze Minister en het bestuurscollege van het openbaar lichaam Bonaire zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de huisvesting van een bekostigde instelling alsmede voor de financiering daarvan.

  • 3. Onze Minister en het bestuurscollege van het openbaar lichaam sluiten ter invulling van de gezamenlijke verantwoordelijkheid namens de Staat der Nederlanden onderscheidenlijk namens het openbaar lichaam Bonaire, een of meer convenanten.

  • 4. Overeenkomstig het convenant stelt Onze Minister voor het openbaar lichaam Bonaire een plan vast, waarin de voornemens op het terrein van de huisvesting, bedoeld in het tweede lid, alsmede de financiering daarvan, op hoofdlijnen worden beschreven.

  • 5. Onze Minister stelt de plannen, bedoeld in het vierde lid, vast in overeenstemming met het bestuurscollege van het openbaar lichaam en na overleg met het bevoegd gezag van de instelling.

  • 6. Onze Minister kan het plan, bedoeld in het vierde lid, in overeenstemming met het bestuurscollege van het openbaar lichaam, wijzigen.

  • 7. Het plan dan wel een wijziging daarvan, wordt aan het betrokken bevoegd gezag van de instelling en in de Staatscourant bekend gemaakt.

  • 8. Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 13.2.6. Scholengemeenschap Bonaire

De Stichting Scholengemeenschap Bonaire wordt in zijn geheel aangemerkt als verticale scholengemeenschap.

Paragraaf 2. Overgangsrecht modernisering regels voor beroepsonderwijs, educatie en vsv Caribisch Nederland (Stb. 20xx, ...)
Artikel 13.2.7. Overgangsrecht deelnemer sociaal kanstraject
  • 1. Op een persoon die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel deelnemer is aan een sociaal kanstraject als bedoeld in artikel 9 van de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES, zoals dat luidde op de dag voor het tijdstip waarop die wet is komen te vervallen, blijven de artikelen 1, 9, 10, 11 en 12 van die wet van toepassing voor de duur van het voor de deelnemer vastgesteld sociaal kanstraject.

  • 2. Dit artikel vervalt drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding.

Artikel 13.2.8. Overgangsrecht bekostiging beroepsonderwijs CN
  • 1. Hoofdstuk 2, titel 2, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES, zoals die luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen, alsmede de op daarop gebaseerde regelgeving, blijft tot en met 31 december daaropvolgend van toepassing op de berekening van de rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs aan de Scholengemeenschap Bonaire.

  • 2. Op de berekening van de rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs aan een instelling in een openbaar lichaam zijn hoofdstuk 2, titel 2, en artikel 2.8.3 voor het eerst van toepassing op het kalenderjaar dat aanvangt na de datum van inwerkingtreding van dit artikel.

  • 3. Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari van het tweede jaar na inwerkingtreding van dit artikel.

Titel 3. Slotbepalingen
Artikel 13.3.1 Citeertitel

Deze wet wordt aangehaald als: Wet educatie en beroepsonderwijs.

ARTIKEL II. WIJZIGING WET VOORTGEZET ONDERWIJS 2020

De Wet voortgezet onderwijs 2020 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de begripsbepaling basisberoepsopleiding vervalt ‘of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, WEB BES’.

2. In de begripsbepaling begeleide onderwijsuren vervalt ‘of artikel 7.2.6, zesde lid, WEB BES,’.

3. In de begripsbepaling beroepsonderwijs vervalt ‘, of artikel 1.2.1, tweede lid, WEB BES’.

4. In de begripsbepaling beroepsopleiding vervalt ‘of artikel 7.1.2, tweede lid, WEB BES’.

5. In de begripsbepaling beroepspraktijkvorming vervalt ‘, of artikel 7.2.7, eerste lid, WEB BES’.

6. In de begripsbepaling entreeopleiding vervalt ‘of assistentopleiding als bedoeld in artikel 8.2.2, eerste lid, onderdeel a, WEB BES’.

7. In de begripsbepaling instelling voor beroepsonderwijs vervalt ‘of instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 WEB BES, waarin beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, WEB BES wordt verzorgd’.

8. In de begripsbepaling kwalificatie vervalt ‘of artikel 7.1.3, eerste lid, WEB BES’.

9. In de begripsbepalingen mbo-student, opleidingsdomein en vavo-student vervalt ‘of artikel 1.1.1 WEB BES’.

10. In de begripsbepaling middenkaderopleiding vervalt ‘of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel d, WEB BES’.

11. In de begripsbepaling vakopleiding vervalt ‘of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel c, WEB BES’.

12. In de begripsbepaling van verklaring omtrent het gedrag wordt ‘of’ vervangen door ‘dan wel, voor zover het de toepassing in een openbaar lichaam betreft,’.

13. De begripsbepaling WEB BES vervalt.

B

In artikel 2.7, tweede lid, vervalt ‘, of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b, c en d, WEB BES’.

C

In artikel 2.72, vijfde lid, vervallen ‘of WEB BES’ en ‘of artikel 6.2.2a WEB BES’.

D

In artikel 2.99, eerste lid, onderdeel b, vervalt ‘of artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, WEB BES,’.

E

Artikel 2.102 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt ‘, of de artikelen 7.2.6 en 8.1.1, zesde lid, WEB BES’.

2. In het zesde lid vervalt ‘of artikel 7.4.6, derde lid, WEB BES’ en wordt ‘bedoeld in die artikelen’ vervangen door ‘bedoeld in dat artikel’.

F

In artikel 2.103, eerste lid, vervalt ‘of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, WEB BES’.

G

In artikel 2.104, eerste en tweede lid, vervalt ‘of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel b, WEB BES’.

H

Artikel 2.107b, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel e wordt ‘respectievelijk artikel 8.5a.16 WEB of artikel 8.4a.14 WEB BES’ vervangen door ‘of artikel 8.5a.16 WEB’.

2. In onderdeel f vervalt ‘of artikel 8.4a.14 WEB BES’.

I

In artikel 2.107e, tweede lid, vervalt ‘of artikel 8.1.3, eerste lid, eerste volzin, WEB BES’.

J

Artikel 2.107g wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het eerste lid vervalt ‘of artikel 7.2.4, derde lid, onderdelen b tot en met d, en vierde lid, WEB BES’.

2. In het eerste lid, onderdeel d, vervalt ‘of artikel 7.2.4a, vierde lid, WEB BES’.

3. In het tweede lid vervallen ‘of WEB BES’ en ‘, of artikel 1.1.1 WEB BES’.

K

In artikel 2.107k, tweede lid, vervalt ‘en de artikelen 8.1.1b, 8.2.1, 8.2.2 en 8.2.2a WEB BES’.

L

In artikel 2.107l, eerste lid, vervalt ‘of artikel 8.4.3 WEB BES’.

M

In artikel 2.109, eerste lid, vervallen ‘of artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, WEB BES’ en ‘of artikel 1.4.2 WEB BES’.

N

In artikel 2.109a, tweede en derde lid vervalt ‘of artikel 1.4.1, eerste lid, WEB BES’.

O

In artikel 7.11, vijfde lid, vervalt ‘of als bedoeld in artikel 4.2.5, eerste lid, WEB BES,’.

P

In artikel 7.13a, tweede lid, vervalt ‘en artikel 4.2.1 WEB BES’.

Q

Artikel 7.24 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt ‘, de WEB, of de WEB BES’ vervangen door ‘of de WEB’.

2. In het vierde lid vervalt ‘of artikel 7.2.2 WEB BES’.

R

In artikel 7.27, derde lid, onderdeel b, vervalt ‘of artikel 7.2.2, eerste lid, WEB BES’.

S

Artikel 9.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel f, vervalt, onder vernummering van onderdeel g tot onderdeel f.

2. In het tweede lid vervalt ‘, de WEB BES’.

T

In artikel 11.1 wordt ‘Raad onderwijs arbeidsmarkt, bedoeld in artikel 1.5.1 WEB BES’ vervangen door ‘Raad onderwijs arbeidsmarkt CN, bedoeld in artikel 1.6.2 WEB’.

U

Artikel 11.16 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel c, wordt ‘WEB BES’ vervangen door ‘WEB’.

2. Aan het slot van het eerste lid, onderdeel c, wordt ‘en’ toegevoegd.

3. Het eerste lid, onderdeel d, vervalt, onder verlettering van onderdeel e tot onderdeel d.

4. In het tweede lid wordt ‘betrokkenen, bedoeld in de onderdelen a, b, c of d’ vervangen door ‘betrokkenen, bedoeld in de onderdelen a, b of c’.

5. In het derde lid wordt ‘betrokkenen, bedoeld in de onderdelen b tot en met e’ vervangen door ‘betrokkenen, bedoeld in de onderdelen b tot en met d’.

V

In artikel 11.20, tweede lid, wordt ‘de taken, bedoeld in artikel 11.21, eerste lid’ vervangen door ‘de taken, bedoeld in artikel 11.18, eerste lid, en voor zover van toepassing artikel 11.19, vierde lid’.

W

Artikel 11.21 vervalt.

X

In de artikelen 11.30, eerste lid, 11.31, tweede en derde lid, 11.32 en 11.58, opschrift en eerste lid, wordt ‘Raad onderwijs arbeidsmarkt’ vervangen door Raad onderwijs arbeidsmarkt CN’.

Y

Artikel 11.47, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel b vervalt onder verlettering van onderdeel c tot onderdeel b.

2. Aan onderdeel a wordt ‘of’ toegevoegd.

Z

In artikel 11.57, tweede lid, onderdeel d, wordt ‘WEB BES’ vervangen door ‘WEB’.

AA

In artikel 11.75, eerste lid, wordt ‘WEB BES’ vervangen door ‘WEB’.

BB

Artikel 11.96 komt te luiden:

Artikel 11.96. Toepassing voorkomen voortijdig schoolverlaten

In afwijking van de artikelen 8.19 tot en met 8.27 is artikel 11.97 van toepassing en zijn de artikelen 8.7.5 tot en met 8.7.7 WEB van overeenkomstige toepassing op de registratie van voortijdig schoolverlaten en de preventie en bestrijding daarvan.

CC

Artikel 11.97 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden:

Artikel 11.97. Preventie en bestrijding voortijdig schoolverlaten

2. Het eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. die niet in het bezit is van een diploma dat is aangemerkt als startkwalificatie als bedoeld in de Leerplichtweg 1969 of de Leerplichtwet BES.

3. In het eerste lid, onderdeel c, onder 1°, wordt ‘aaneengesloten periode van ten minste een maand’ vervangen door ‘aaneengesloten periode van ten minste vier weken’.

4. Het vijfde lid komt te luiden:

  • 5. De gegevens die worden verstrekt op grond van dit artikel bevatten slechts persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst, levensovertuiging of gezondheid als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens BES, indien deze bijzondere persoonsgegevens noodzakelijk zijn met het oog op de informatieverstrekking over de achtergronden van het verzuim.

DD

Artikel 12.23 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. In afwijking van de artikelen 11.62 tot en met 11.68 en met overeenkomstige toepassing van artikel 11.71 gelden de voorschriften van het tweede tot en met zevende lid voor de voorziening in de huisvesting van uit ’s Rijks kas bekostigde scholen in:

    • a. het openbaar lichaam Bonaire;

    • b. het openbaar lichaam Sint Eustatius;

    • c. het openbaar lichaam Saba.

2. In het tweede lid vervalt ‘tot en met een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip’.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 8. Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de onderdelen a, b en c van het eerste lid verschillend kan worden vastgesteld.

EE

Artikel 13.9 vervalt.

ARTIKEL III. WIJZIGING LEERPLICHTWET BES

De Leerplichtwet BES wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel c, subonderdeel 1, komt te luiden:

  • 1°. instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;.

2. In onderdeel f, subonderdeel 1, wordt ‘artikel 7.2.2, eerste lid, onder b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES’ vervangen door ‘artikel 7.2.2, eerste lid, onder b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs’.

3. In onderdeel f, subonderdeel 2, wordt ‘artikel 2.68 van de Wet voortgezet onderwijs 2020’ vervangen door ‘artikel 2.86 van de Wet voortgezet onderwijs 2020’.

B

Na artikel 27a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 27b. Melding indien vrijgesteld in combinatie met ingeschreven zijn

Indien uit het register onderwijsdeelnemers, bedoeld in artikel 4 van de Wet register onderwijsdeelnemers, blijkt dat een jongere die op grond van artikelen 14 of 26 is vrijgesteld van de leerplicht, staat ingeschreven bij een school of instelling, meldt Onze Minister aan het hoofd van de betreffende school of instelling dat de jongere is vrijgesteld.

C

Na artikel 33 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 33a. Centrale kennisgeving relatief verzuim
  • 1. Indien een ingeschreven leerling van een school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdelen 1 en 2, zonder geldige reden les- of praktijktijd heeft verzuimd en dit verzuim gedurende een periode van vier opeenvolgende lesweken in totaal zestien uren les- of praktijktijd bedraagt ontstaat voor het hoofd van de school de leveringsverplichting, bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers.

  • 2. Indien een ingeschreven mbo-student of vavo-student van een instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, zonder geldige reden gedurende een periode van vier opeenvolgende lesweken in totaal zestien uren van de lestijd heeft verzuimd ontstaat voor het hoofd van de instelling de leveringsverplichting, bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers.

D

In artikel 39, onderdeel b, wordt na ‘de artikelen 31 of 33,’ ingevoegd ‘en artikel 12, derde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers,’.

ARTIKEL IV. WIJZIGING WET COLLEGE VOOR TOETSEN EN EXAMENS

De Wet College voor toetsen en examens wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2 wordt ‘centrale examens, bedoeld in hoofdstuk 2, paragraaf 5, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, artikel 7.4.11 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en artikel 7.4.13 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES en de daarop berustende bepalingen’ vervangen door ‘centrale examens, behorende bij opleidingen als bedoeld in hoofdstuk 2, paragraaf 5, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en de daarop berustende bepalingen,’.

B

In artikel 3 vervalt de zinsnede ‘en artikel 7.4.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES’.

ARTIKEL V. WIJZIGING WET MEDEZEGGENSCHAP OP SCHOLEN

In artikel 39 van de Wet medezeggenschap op scholen wordt na ‘deze wet’ ingevoegd ‘, tenzij een school deel uitmaakt van een verticale scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs’.

ARTIKEL VI. WIJZIGING WET OP DE EXPERTISECENTRA

Artikel 177 van de Wet op de expertisecentra vervalt.

ARTIKEL VII. WIJZIGING WET OP HET HOGER ONDERWIJS EN WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK

De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 7.24, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van onderdeel c wordt toegevoegd ‘of’.

2. De onderdelen d en f vervallen, onder verlettering van onderdeel e tot onderdeel d.

3. In onderdeel d (nieuw) wordt ‘, of’ vervangen door een punt.

B

In artikel 7.25b, eerste lid, onderdeel b, vervalt ‘of artikel 7.4.13, vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES’.

C

Artikel 19.1a vervalt.

ARTIKEL VIII. WIJZIGING WET OP HET ONDERWIJSTOEZICHT

De Wet op het onderwijstoezicht wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 komt te luiden:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze wet wordt verstaan onder:

bestuur:

bevoegd gezag in de zin van een onderwijswet, hoofd van een school of instelling wat betreft de Leerplichtwet 1969 of de Leerplichtwet BES, een samenwerkingsverband of andere rechtspersoon die is belast met een wettelijke taak bij of krachtens een onderwijswet;

expertisecentrum onderwijszorg:

expertisecentrum onderwijszorg, bedoeld in artikel 28 van de Wet primair onderwijs BES en artikel 11.18 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;

ho-student:

degene die hoger onderwijs als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek volgt;

inspectie:

Inspectie van het onderwijs;

inspecteur-generaal:

inspecteur-generaal van het onderwijs;

instelling:

school, instelling of exameninstelling in de zin van een onderwijswet, daaronder begrepen een niet bekostigde instelling;

instelling voor hoger onderwijs:

instelling als bedoeld in artikel 1.2, onderdelen a of b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

jaarwerkplan:

document waarin de inspectie haar werkzaamheden voor het komende jaar neerlegt;

mbo-student:

student als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

onderwijs:

bij of krachtens een onderwijswet geregeld onderwijs, waaronder mede worden begrepen werkzaamheden als bedoeld in de artikelen 174, eerste lid, en 176, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 154, eerste lid, en 156, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, en de artikelen 7.29, eerste lid, en 7.32, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020;

onderwijsdeelnemer:

leerling, deelnemer, vavo-student, mbo-student, ho-student of extraneus als bedoeld in een onderwijswet;

onderwijswet:
  • Leerplichtwet 1969,

  • Leerplichtwet BES,

  • Wet op het primair onderwijs,

  • Wet primair onderwijs BES,

  • Wet op de expertisecentra,

  • Wet voortgezet onderwijs 2020,

  • Wet educatie en beroepsonderwijs,

  • Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,

  • Wet medezeggenschap op scholen,

  • Wet NLQF,

  • Wet register onderwijsdeelnemers,

  • Wet overige OCW-subsidies,

  • Wet op de erkende onderwijsinstellingen, of

  • Experimentenwet onderwijs;

Onze Minister:

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

ouders:

met het gezag over het kind belaste ouders, hun geregistreerde partners, voogden en verzorgers;

Raad onderwijs arbeidsmarkt CN:

Raad onderwijs arbeidsmarkt CN, genoemd in artikel 1.6.2, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

rechtspersoon voor hoger onderwijs:

rechtspersoon voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

samenwerkingsverband:

samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 26 van de Wet primair onderwijs BES of artikel 1.1 of 11.16 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;

Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven:

Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

vavo-student:

vavo-student als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

voorschoolse educatie:

voorschoolse educatie als bedoeld in de artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang.

B

Artikel 3, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a vervalt ‘artikel 10.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES’.

2. In onderdeel c vervalt ‘, de Wet educatie en beroepsonderwijs BES’.

3. In onderdeel d vervallen de zinsneden ‘en de artikelen 6.2.3, 6.2.4 en 6.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES’ en ‘en de artikelen 6.2.1, 6.2.4 en 6.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES’.

4. In onderdeel e vervalt ‘, artikel 10.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES’.

C

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden:

Artikel 9. Bevoegdheden anders dan toezicht op de naleving

2. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Bij de uitoefening van andere taken dan het toezicht op de naleving als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a en c, zijn de artikelen 5:12 tot en met 5:17 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

3. Het vijfde en zesde lid vervallen.

D

Na artikel 9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 9a. Bevoegdheden toezicht op naleving in Caribisch Nederland

De artikelen 5:11, 5:12, 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing en artikel 5.16a is van overeenkomstige toepassing bij de uitoefening van het toezicht op de naleving en andere taken, bedoeld in artikel 3, eerste lid, in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, waarbij voor ‘Wet op de identificatieplicht’ wordt gelezen ‘Wet identificatieplicht BES’.

E

In artikel 11, zevende lid vervalt ‘of de Wet educatie en beroepsonderwijs BES’.

F

Aan het opschrift van hoofdstuk 3a wordt toegevoegd ‘en expertisecentrum onderwijszorg’.

G

Aan artikel 15a wordt toegevoegd ‘en van het expertisecentrum onderwijszorg’.

H

Aan het opschrift van hoofdstuk 3d wordt toegevoegd ‘en Raad onderwijs arbeidsmarkt CN’.

I

Aan artikel 15l wordt toegevoegd ‘en de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN’.

J

In artikel 21, tweede lid, wordt ‘een spoedaanwijzing als bedoeld in de artikelen 153a van de Wet op het primair onderwijs, 132a van de Wet op de expertisecentra, 3.38a van de Wet voortgezet onderwijs 2020, 3.1.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, 9.9b, 10.3e1, 11.7b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, 122a van de Wet primair onderwijs BES, en artikel 10.1a Wet educatie en beroepsonderwijs BES’ vervangen door ‘een spoedaanwijzing als bedoeld in artikel 153a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 132a van de Wet op de expertisecentra, artikel 3.38a van de Wet voortgezet onderwijs 2020, artikel 3.1.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de artikelen 9.9b, 10.3e1 en 11.7b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en artikel 122a van de Wet primair onderwijs BES’.

K

Na hoofdstuk 3e wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk 4. Toezicht hoger onderwijs
Artikel 16. Doorberekening kosten transnationaal onderwijs
  • 1. De kosten die samenhangen met de uitoefening van het toezicht op de naleving van de artikelen 1.19 en 1.19a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, komen ten laste van de instelling voor hoger onderwijs ten behoeve waarvan de uitoefening van het toezicht plaatsvindt.

  • 2. De bedragen ter vergoeding van de kosten worden bij ministeriële regeling vastgesteld.

ARTIKEL IX. WIJZIGING WET OP HET PRIMAIR ONDERWIJS

Artikel 199 van de Wet op het primair onderwijs vervalt.

ARTIKEL X. WIJZIGING WET PRIMAIR ONDERWIJS BES

De Wet primair onderwijs BES wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 4, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Studenten aan een opleiding als bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of aan een beroepsbegeleidende leerweg van een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, die in het kader van hun opleiding onderwijsondersteunende werkzaamheden verrichten waarvoor op grond van artikel 35, derde lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, zijn vrijgesteld van de eisen genoemd in het eerste lid, onderdelen b tot en met d, gedurende die werkzaamheden en hun opleiding.

B

Artikel 26, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel c komt te luiden:

  • c. een of meer instellingen als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, en.

2. Onderdeel d vervalt, onder verlettering van onderdeel e tot onderdeel d.

C

In artikel 91, eerste lid, wordt ‘of voor educatie als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs BES’ telkens vervangen door ‘of voor educatie als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs’.

D

In artikel 99, vierde lid, onderdeel c, wordt ‘Wet educatie en beroepsonderwijs BES’ vervangen door ‘Wet educatie en beroepsonderwijs’.

E

Artikel 158 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. In afwijking van de artikelen 78 tot en met 84 en met overeenkomstige toepassing van artikel 87 gelden de voorschriften van het tweede tot en met zevende lid voor de voorziening in de huisvesting van uit ’s Rijks kas bekostigde scholen in:

    • a. het openbaar lichaam Bonaire;

    • b. het openbaar lichaam Sint Eustatius;

    • c. het openbaar lichaam Saba.

2. In het tweede lid vervalt ‘voor het jaar 2011 tot en met een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip’.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 8. Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de onderdelen a, b en c van het eerste lid verschillend kan worden vastgesteld.

F

Artikel 163 vervalt.

ARTIKEL XI. WIJZIGING WET REGISTER ONDERWIJSDEELNEMERS

De Wet register onderwijsdeelnemers wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a, onder 1°, van de begripsbepaling bestuur wordt ‘, WPO BES of WEB BES’ vervangen door ‘of WPO BES’.

2. In de begripsbepaling hoofd wordt na ‘de LPW’ toegevoegd ‘of de LPW BES’.

3. In de alfabetische volgorde wordt de volgende begripsbepaling ingevoegd:

LPW BES:

Leerplichtwet BES;.

4. In onderdeel d van de begripsbepaling onderwijsdeelnemer wordt na ‘de artikelen 5, 5a en 15 van de LPW’ toegevoegd ‘of de artikelen 14 en 27 van de LPW BES’.

5. In de begripsbepaling onderwijswet wordt ‘, WPO BES of WEB BES’ vervangen door ‘of WPO BES’.

6. In de begripsbepaling vervangende leerplicht wordt na ‘de artikelen 3a of 3b van de LPW’ toegevoegd ‘of de artikelen 8 en 9 van de LPW BES’.

7. In de begripsbepaling verzuim wordt na ‘artikel 21a van de LPW’ ingevoegd ‘of artikel 33a van de LPW BES’.

8. In de begripsbepaling vrijstelling wordt na ‘de artikelen 5, 5a of 15 van de LPW’ toegevoegd ‘of de artikelen 14 of 27 van de LPW BES’.

9. De begripsbepaling WEB BES vervalt.

B

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel g, wordt ‘, de WHW en de WEB BES’ vervangen door ‘en de WHW’.

2. In het derde lid, onderdeel c, wordt na ‘de LPW’ ingevoegd ‘of de LPW BES’.

C

In artikel 16, vierde lid, wordt na ‘de artikelen 5, 5a of 15 van de LPW’ toegevoegd ‘of de artikelen 14 of 27 van de LPW BES’.

D

In artikel 21, tweede lid, wordt na ‘de LPW’ ingevoegd ‘of de LPW BES’.

E

Artikel 42 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel A komt te luiden:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De begripsbepaling «basisregister onderwijs» vervalt.

2. In de alfabetische volgorde wordt een begripsbepaling ingevoegd, luidende:

register onderwijsdeelnemers:

register onderwijsdeelnemers als bedoeld in artikel 4 van de Wet register onderwijsdeelnemers;.

2. In onderdeel C wordt ‘Artikel 147’ vervangen door ‘Artikel 142’.

3. Onderdeel D vervalt.

F

De artikelen 43 en 44 vervallen.

ARTIKEL XII. WIJZIGING WET STUDIEFINANCIERING BES

De Wet studiefinanciering BES wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de begripsbepaling ‘afsluitend examen’ wordt ‘artikel 7.4.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES’ vervangen door ‘artikel 7.4.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs’.

2. In onderdeel a van de begripsbepaling ‘beroepsonderwijs’ wordt ‘beroepsonderwijs in de zin van artikel 7.2.6, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES‘ vervangen door ‘beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs’.

3. In onderdeel a van de begripsbepaling ‘beroepsopleiding’ wordt ‘artikel 1.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES’ vervangen door ‘artikel 7.2.7, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs’.

4. In de begripsbepaling ‘opleiding niveau 1 of 2’ wordt ‘assistentopleiding’ vervangen door ‘entreeopleiding’ en wordt ‘artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES’ vervangen door ‘artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a of b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs’.

5. In de begripsbepaling ‘opleiding niveau 3 of 4’ wordt ‘artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen c, d en e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES’ vervangen door ‘artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen c, d of e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs’.

B

In artikel 2.9, eerste lid, onderdeel c, wordt ‘de Wet educatie en beroepsonderwijs BES’ vervangen door ‘de Wet educatie en beroepsonderwijs’.

ARTIKEL XIII. WIJZIGING WET SUBSIDIËRING LANDELIJKE ONDERWIJSONDERSTEUNENDE ACTIVITEITEN 2013

In artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten 2013 wordt ‘, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet educatie en beroepsonderwijs BES’ vervangen door ‘en de Wet educatie en beroepsonderwijs’.

ARTIKEL XIV. WIJZIGING ALGEMENE WET BESTUURSRECHT

In artikel 2 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht, in de zinsnede met betrekking tot de Wet educatie en beroepsonderwijs, vervalt ‘1.6.1,’ en wordt voor ‘6.3.2,’ ingevoegd ‘6.3.1,’.

ARTIKEL XV. WIJZIGING WET INKOMSTENBELASTING BES

De Wet inkomstenbelasting BES wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 8, onderdeel j, wordt ‘de artikelen 8.1.6a tot en met 8.1.6d, 8.1.6f en 8.1.6i, eerste en tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES’ vervangen door ‘de artikelen 8.1.5 tot en met 8.1.5c, 8.1.5e en 8.1.6, eerste en tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs’.

B

In artikel 20, derde lid, onderdeel c, onder 2°, wordt ‘de artikelen 8.1.6a tot en met 8.1.6d, 8.1.6f en 8.1.6i, eerste en tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES’ vervangen door ‘de artikelen 8.1.5 tot en met 8.1.5c, 8.1.5e en 8.1.6, eerste en tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs’.

ARTIKEL XVI. WIJZIGING WET RIJONDERRICHT MOTORRIJTUIGEN 1993

In artikel 7, tweede lid, onderdeel b, van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 wordt ‘artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs’ vervangen door ‘artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs’.

ARTIKEL XVII. SAMENLOOP MET WET TERUGDRINGEN SCHOOLVERZUIM

1. Indien het bij koninklijke boodschap van 26 november 2024 ingediende voorstel van wet tot Wijziging van de Leerplichtwet 1969 en enige andere onderwijswetten in verband met het voorkomen en het terugdringen van verzuim in het funderend onderwijs en het beroepsonderwijs (Wet terugdringen schoolverzuim) (Kamerstukken 36 663) tot wet wordt verheven en artikel II, onderdeel E, van die wet:

a. eerder in werking is getreden of treedt dan deze wet, wordt in artikel III van deze wet na onderdeel B een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ba

In artikel 33, zesde lid, wordt ‘artikel 8.1.6j van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES’ vervangen door ‘artikel 8.1.6a van de Wet educatie en beroepsonderwijs’.

b. later in werking treedt dan artikel III van deze wet, wordt in artikel II, onderdeel E, van die wet, in het voorgestelde artikel 33, zesde lid, van de Leerplichtwet BES ‘artikel 8.1.6j van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES’ vervangen door ‘artikel 8.1.6a van de Wet educatie en beroepsonderwijs’.

2. Indien het bij koninklijke boodschap van 26 november 2024 ingediende voorstel van wet tot Wijziging van de Leerplichtwet 1969 en enige andere onderwijswetten in verband met het voorkomen en het terugdringen van verzuim in het funderend onderwijs en het beroepsonderwijs (Wet terugdringen schoolverzuim) (Kamerstukken 36 663) tot wet wordt verheven en artikel II, onderdeel F, van die wet:

a. eerder in werking is getreden of treedt dan artikel III, onderdeel C, van deze wet, wordt deze wet als volgt gewijzigd:

1°. In artikel III, onderdeel C, wordt ‘artikel 33’ vervangen door ‘artikel 33a’ en wordt ‘Artikel 33a’ vervangen door ‘Artikel 33b’.

2°. In artikel XI, onderdeel A, onder 7, wordt ‘artikel 33a’ vervangen door ‘artikel 33b’.

b. later in werking treedt dan artikel III, onderdeel C, van deze wet, wordt in artikel II, onderdeel F, van die wet ‘artikel 33’ vervangen door ‘artikel 33a’ en wordt ‘Artikel 33a’ vervangen door ‘Artikel 33b’.

3. Indien het bij koninklijke boodschap van 26 november 2024 ingediende voorstel van wet tot Wijziging van de Leerplichtwet 1969 en enige andere onderwijswetten in verband met het voorkomen en het terugdringen van verzuim in het funderend onderwijs en het beroepsonderwijs (Wet terugdringen schoolverzuim) (Kamerstukken 36 663) tot wet wordt verheven en artikel III van die wet:

a. eerder in werking is getreden of treedt dan deze wet, wordt het in artikel I, onderdeel FF, van deze wet voorgestelde artikel 8.7.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs als volgt gewijzigd:

a. de onderdelen f tot en met h worden geletterd i tot en met k.

b. na onderdeel e worden drie onderdelen ingevoegd, luidende:

  • f. artikel 8.1.6a, tweede lid, onderdeel b, ‘artikel 21a, derde lid, van de Leerplichtwet 1969’ gelezen als ‘artikel 33, vijfde lid, van de Leerplichtwet BES’

  • g. artikel 8.1.6b, eerste lid, onderdelen a en b, ‘artikel 11 van de Leerplichtwet 1969’ gelezen als ‘artikel 20 van de Leerplichtwet BES’.

  • h. artikel 8.1.6b, tweede lid, ‘Persoonsgegevens over gezondheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel 15, van de Algemene verordening gegevensbescherming, persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming of persoonsgegevens waaruit religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen blijken,’ gelezen als ‘Persoonsgegevens over gezondheid, godsdienst of levensovertuiging of strafrechtelijke persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens BES’.

b. later in werking treedt dan artikel I, onderdeel FF, van deze wet, wordt aan artikel III van die wet een onderdeel toegevoegd, luidende:

D

Artikel 8.7.2 wordt als volgt gewijzigd:

a. de onderdelen f tot en met h worden geletterd i tot en met k.

b. na onderdeel e worden drie onderdelen ingevoegd, luidende:

  • f. artikel 8.1.6a, tweede lid, onderdeel b, ‘artikel 21a, derde lid, van de Leerplichtwet 1969’ gelezen als ‘artikel 33, vijfde lid, van de Leerplichtwet BES’

  • g. artikel 8.1.6b, eerste lid, onderdelen a en b, ‘artikel 11 van de Leerplichtwet 1969’ gelezen als ‘artikel 20 van de Leerplichtwet BES’.

  • h. artikel 8.1.6b, tweede lid, ‘Persoonsgegevens over gezondheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel 15, van de Algemene verordening gegevensbescherming, persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als bedoeld in de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming of persoonsgegevens waaruit religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen blijken,’ gelezen als ‘Persoonsgegevens over gezondheid, godsdienst of levensovertuiging of strafrechtelijke persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens BES’.

ARTIKEL XVIII. SAMENLOOP MET WET VAN SCHOOL NAAR DUURZAAM WERK

1. Indien het bij koninklijke boodschap van 6 december 2024 ingediende voorstel van wet tot Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en enkele andere wetten ter bevordering van de kansengelijkheid middels verbetering van de begeleiding naar duurzame economische zelfstandigheid van jongeren met een risico op een afstand tot de arbeidsmarkt (Wet van school naar duurzaam werk) (Kamerstukken 36 667) tot wet is of wordt verheven en artikel I van die wet:

a. eerder in werking is getreden of treedt dan deze wet wordt artikel I van deze wet als volgt gewijzigd:

1°. Aan onderdeel A wordt een subonderdeel toegevoegd, luidende:

4. In de begripsbepaling ‘startkwalificatie’ wordt na ‘in de Leerplichtwet 1969’ ingevoegd ‘of de Leerplichtwet BES’.

2°. In onderdeel I, in het voorgestelde artikel 2.8.8, wordt in het eerste lid ‘artikel 8.7.5, eerste lid’ vervangen door ‘artikel 9.3.4, eerste lid’ en wordt in het tweede lid ‘artikel 8.7.5, tweede lid’ vervangen door ‘artikel 9.3.4, tweede lid’.

3°. Onderdeel EE komt te luiden:

EE

In artikel 9.2.1, onderdeel a, wordt na ‘de Leerplichtwet 1969’ ingevoegd ‘of paragraaf 2 onderscheidenlijk 3 van de Leerplichtwet BES’.

4°. Onderdeel GG komt te luiden:

GG

Aan hoofdstuk 9 wordt een titel toegevoegd, luidende:

Titel 3. Caribisch Nederland
Artikel 9.3.1. Toepassing artikel 9.2.1 in CN

In een openbaar lichaam wordt in artikel 9.2.1, onderdeel a, voor ‘paragraaf 2 onderscheidenlijk 2a van de Leerplichtwet 1969’ gelezen ‘paragraaf 2 onderscheidenlijk 3 van de Leerplichtwet BES’.

Artikel 9.3.2. Verzuimmelding CN
  • 1. Indien degene die voldoet aan artikel 9.2.1, onderdelen a, waarbij voor ‘paragraaf 2 onderscheidenlijk 2a van de Leerplichtwet 1969’ wordt gelezen ‘paragraaf 2 onderscheidenlijk 3 van de Leerplichtwet BES’, en b, zonder geldige reden geen onderwijs meer volgt aan een instelling gedurende een aaneengesloten periode van vier weken, doet het bevoegd gezag onverwijld schriftelijk opgave aan het bestuurscollege van het openbaar lichaam waar de betrokkene woonplaats heeft.

  • 2. Onder geldige reden wordt in ieder geval verstaan een van de redenen, genoemd in artikel 8.1.7, negende lid.

  • 3. Indien het bevoegd gezag daartoe aanleiding ziet, kan het beslissen over te gaan tot de melding, bedoeld in het eerste lid, voordat vier weken zijn verstreken.

  • 4. Bij de verwerking van gegevens als bedoeld in dit artikel wordt het persoonsgebonden nummer BES van de betrokkene gebruikt.

  • 5. De gegevens die worden verstrekt op grond van dit artikel bevatten slechts persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst, levensovertuiging of gezondheid als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens BES, indien deze bijzondere persoonsgegevens noodzakelijk zijn met het oog op de informatieverstrekking over de achtergronden van het verzuim.

Artikel 9.3.3. Afwijkende voorschriften hoofdstuk 9, titel 2, paragraaf 1, CN
  • 1. De artikelen 9.2.4, 9.2.5, 9.2.8, 9.2.9 en 9.2.10 zijn niet van toepassing in een openbaar lichaam.

  • 2. Bij toepassing van artikel 9.2.11 in een openbaar lichaam wordt ‘burgemeester en wethouders van de contactgemeente’ gelezen als ‘bestuurscollege van het openbaar lichaam’.

Artikel 9.3.4. Wettelijke taak bestuurscollege vsv CN
  • 1. Het bestuurscollege registreert de afwezigheids- en verzuimgegevens die een bevoegd gezag ingevolge artikel 9.3.2 heeft gemeld.

  • 2. Het bestuurscollege draagt zorg voor een systeem van doorverwijzing naar onderwijs of arbeidsmarkt van de in artikel 9.2.1 bedoelde voortijdige schoolverlaters en voor het onderhoud van dit systeem.

  • 3. Het systeem heeft mede betrekking op de gegevens waarover het bestuurscollege beschikt in het kader van de uitvoering van de Leerplichtwet BES.

  • 4. Het bevoegd gezag geeft aan de door het bestuurscollege aangewezen ambtenaren documenten ter inzage of verstrekt andere inlichtingen die van belang zijn voor het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten.

  • 5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.

Artikel 9.3.5. Wettelijke taak school of instelling vsv-beleid CN
  • 1. In een openbaar lichaam wijzen een instelling en een school uit hun midden een contactschool aan. De contactschool doet hiervan melding aan Onze Minister.

  • 2. De contactschool vervult coördinerende taken met het oog op het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten voor het openbaar lichaam. In dat verband:

    • a. stellen de in onderdeel b genoemde partijen, op voordracht van de contactschool, een eilandelijk plan vast met maatregelen ter voorkoming en bestrijding van voortijdig schoolverlaten voor jongeren van 12 tot 27 jaar oud;

    • b. maakt de contactschool afspraken met in ieder geval het bestuurscollege en het expertisecentrum onderwijszorg over ieders inzet en verantwoordelijkheid bij het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten ter uitvoering van het eilandelijk plan;

    • c. stelt de contactschool een effectrapportage vast waarin zowel de streefcijfers als de bereikte resultaten zijn aangegeven en waarin afwijkingen worden toegelicht.

  • 3. Het eilandelijk plan wordt ten minste iedere vier jaren herzien. De maatregelen in het plan hebben betrekking op het oplossen van problemen met betrekking tot het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten die een instelling of school zelf niet meer kan oplossen.

  • 4. Het eilandelijk plan bevat de streefcijfers voor de in het openbaar lichaam te behalen resultaten.

  • 5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.

Artikel 9.3.6. Subsidie aan contactschool voor vsv-beleid CN
  • 1. Onze Minister verstrekt het bevoegd gezag van de contactschool binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen subsidie voor de uitvoering van zijn coördinerende taken met het oog op het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten in het openbaar lichaam, waaronder het opstellen van een eilandelijk programma. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze van subsidiëring.

  • 2. De titels 4.1 en 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies zijn van toepassing op deze subsidie.

Artikel 9.3.7. Afwijkende voorschriften hoofdstuk 9, titel 2, paragraaf 2, CN

De artikelen 9.2.12, vijfde lid, tweede volzin, en 9.2.13 zijn niet van toepassing in een openbaar lichaam.

b. later in werking treedt dan deze wet, wordt artikel I van die wet als volgt gewijzigd:

1°. in onderdeel A, onder 3, wordt na ‘Leerplichtwet 1969’ ingevoegd ‘of de Leerplichtwet BES’.

2°. Na onderdeel Y wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ya

De artikelen 8.7.3 tot en met 8.7.7 vervallen.

3°. In onderdeel II, in het voorgestelde artikel 9.2.1, onderdeel a, wordt na ‘de Leerplichtwet 1969’ ingevoegd ‘of paragraaf 2 onderscheidenlijk 3 van de Leerplichtwet BES’.

4°. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

JJ

Aan hoofdstuk 9 (nieuw) wordt een titel toegevoegd, luidende:

Titel 3. Caribisch Nederland
Artikel 9.3.1. Toepassing artikel 9.2.1 in CN

In een openbaar lichaam wordt in artikel 9.2.1, onderdeel a, voor ‘paragraaf 2 onderscheidenlijk 2a van de Leerplichtwet 1969’ gelezen ‘paragraaf 2 onderscheidenlijk 3 van de Leerplichtwet BES’.

Artikel 9.3.2. Verzuimmelding CN
  • 1. Indien degene die voldoet aan artikel 9.2.1, onderdelen a, waarbij voor ‘paragraaf 2 onderscheidenlijk 2a van de Leerplichtwet 1969’ wordt gelezen ‘paragraaf 2 onderscheidenlijk 3 van de Leerplichtwet BES’, en b, zonder geldige reden geen onderwijs meer volgt aan een instelling gedurende een aaneengesloten periode van vier weken, doet het bevoegd gezag onverwijld schriftelijk opgave aan het bestuurscollege van het openbaar lichaam waar de betrokkene woonplaats heeft.

  • 2. Onder geldige reden wordt in ieder geval verstaan een van de redenen, genoemd in artikel 8.1.7, negende lid.

  • 3. Indien het bevoegd gezag daartoe aanleiding ziet, kan het beslissen over te gaan tot de melding, bedoeld in het eerste lid, voordat vier weken zijn verstreken.

  • 4. Bij de verwerking van gegevens als bedoeld in dit artikel wordt het persoonsgebonden nummer BES van de betrokkene gebruikt.

  • 5. De gegevens die worden verstrekt op grond van dit artikel bevatten slechts persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst, levensovertuiging of gezondheid als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens BES, indien deze bijzondere persoonsgegevens noodzakelijk zijn met het oog op de informatieverstrekking over de achtergronden van het verzuim.

Artikel 9.3.3. Afwijkende voorschriften hoofdstuk 9, titel 2, paragraaf 1, CN
  • 1. De artikelen 9.2.4, 9.2.5, 9.2.8, 9.2.9 en 9.2.10 zijn niet van toepassing in een openbaar lichaam.

  • 2. Bij toepassing van artikel 9.2.11 in een openbaar lichaam wordt ‘burgemeester en wethouders van de contactgemeente’ gelezen als ‘bestuurscollege van het openbaar lichaam’.

Artikel 9.3.4. Wettelijke taak bestuurscollege vsv CN
  • 1. Het bestuurscollege registreert de afwezigheids- en verzuimgegevens die een bevoegd gezag ingevolge artikel 9.3.2 heeft gemeld.

  • 2. Het bestuurscollege draagt zorg voor een systeem van doorverwijzing naar onderwijs of arbeidsmarkt van de in artikel 9.2.1 bedoelde voortijdige schoolverlaters en voor het onderhoud van dit systeem.

  • 3. Het systeem heeft mede betrekking op de gegevens waarover het bestuurscollege beschikt in het kader van de uitvoering van de Leerplichtwet BES.

  • 4. Het bevoegd gezag geeft aan de door het bestuurscollege aangewezen ambtenaren documenten ter inzage of verstrekt andere inlichtingen die van belang zijn voor het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten.

  • 5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.

Artikel 9.3.5. Wettelijke taak school of instelling vsv-beleid CN
  • 1. In een openbaar lichaam wijzen een instelling en een school uit hun midden een contactschool aan. De contactschool doet hiervan melding aan Onze Minister.

  • 2. De contactschool vervult coördinerende taken met het oog op het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten voor het openbaar lichaam. In dat verband:

    • a. stellen de in onderdeel b genoemde partijen, op voordracht van de contactschool, een eilandelijk plan vast met maatregelen ter voorkoming en bestrijding van voortijdig schoolverlaten voor jongeren van 12 tot 27 jaar oud;

    • b. maakt de contactschool afspraken met in ieder geval het bestuurscollege en het expertisecentrum onderwijszorg over ieders inzet en verantwoordelijkheid bij het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten ter uitvoering van het eilandelijk plan;

    • c. stelt de contactschool een effectrapportage vast waarin zowel de streefcijfers als de bereikte resultaten zijn aangegeven en waarin afwijkingen worden toegelicht.

  • 3. Het eilandelijk plan wordt ten minste iedere vier jaren herzien. De maatregelen in het plan hebben betrekking op het oplossen van problemen met betrekking tot het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten die een instelling of school zelf niet meer kan oplossen.

  • 4. Het eilandelijk plan bevat de streefcijfers voor de in het openbaar lichaam te behalen resultaten.

  • 5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.

Artikel 9.3.6. Subsidie aan contactschool voor vsv-beleid CN
  • 1. Onze Minister verstrekt het bevoegd gezag van de contactschool binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen subsidie voor de uitvoering van zijn coördinerende taken met het oog op het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten in het openbaar lichaam, waaronder het opstellen van een eilandelijk programma. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze van subsidiëring.

  • 2. De titels 4.1 en 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies zijn van toepassing op deze subsidie.

Artikel 9.3.7. Afwijkende voorschriften hoofdstuk 9, titel 2, paragraaf 2, CN

De artikelen 9.2.12, vijfde lid, tweede volzin, en 9.2.13 zijn niet van toepassing in een openbaar lichaam.

2. Indien het bij koninklijke boodschap van 6 december 2024 ingediende voorstel van wet tot Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en enkele andere wetten ter bevordering van de kansengelijkheid middels verbetering van de begeleiding naar duurzame economische zelfstandigheid van jongeren met een risico op een afstand tot de arbeidsmarkt (Wet van school naar duurzaam werk) (Kamerstukken 36 667) tot wet is of wordt verheven en artikel IV van die wet:

a. eerder in werking is getreden of treedt dan deze wet, wordt in artikel II, onderdeel BB, in het voorgestelde artikel 11.96 ‘de artikelen 8.19 tot en met 8.27’ vervangen door ‘de artikelen 8.19 tot en met 8.22’ en wordt ‘de artikelen 8.7.5 tot en met 8.7.7’ vervangen door ‘de artikelen 9.3.4 tot en met 9.3.6’

b. later in werking treedt dan artikel II van deze wet, komt artikel IV, onderdeel J, van die wet te luiden:

J

In artikel 11.96 wordt ‘de artikelen 8.19 tot en met 8.27’ vervangen door ‘de artikelen 8.19 tot en met 8.22’ en wordt ‘de artikelen 8.7.5 tot en met 8.7.7 WEB’ vervangen door ‘de artikelen 9.3.4 tot en met 9.3.6’.

ARTIKEL XIX. SAMENLOOP MET WET VERBETERING AANSLUITING BEROEPSONDERWIJS - ARBEIDSMARKT

1. Indien het bij koninklijke boodschap van 12 december 2024 ingediende voorstel van wet tot Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in verband met het verbeteren van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt (verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt) (Kamerstukken 36 670) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel E, van die wet:

a. eerder in werking is getreden of treedt dan artikel I, onderdeel B, van deze wet, wordt artikel I van deze wet als volgt gewijzigd:

1°. In onderdeel B, wordt ‘artikel 1.5.3, tweede lid’ vervangen door ‘artikel 5.2.3, tweede lid’.

2°. In onderdeel D vervallen de artikelen 1.6.2 tot en met 1.6.5 en wordt het voorgestelde artikel 1.6.6 vernummerd tot artikel 1.6.2.

3°. Na onderdeel V wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Va

Aan hoofdstuk 5 wordt een titel toegevoegd, luidende:

Titel 3. Caribisch Nederland
Artikel 5.3.1. Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland
  • 1. Bij ministeriële regeling wordt een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid zonder winstoogmerk, niet zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, aangewezen als Raad onderwijs arbeidsmarkt CN.

  • 2. De statuten en een bestuursreglement van de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN en een wijziging daarvan behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

  • 3. Artikel 5.2.2, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een benoeming of ontslag van de voorzitter en diens plaatsvervanger van de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN.

  • 4. Onze Minister verleent de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN subsidie voor de uitoefening van zijn taken binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen.

Artikel 5.3.2. Wettelijke taken Raad onderwijs arbeidsmarkt CN
  • 1. De Raad onderwijs arbeidsmarkt CN adviseert een instelling die voornemens is een nieuwe beroepsopleiding te gaan verzorgen in een openbaar lichaam over het arbeidsmarktperspectief en de beschikbaarheid van leerbedrijven. Hij kan een dergelijk advies ook uitbrengen over een reeds bestaande beroepsopleiding in een openbaar lichaam indien hij daartoe aanleiding ziet. Indien de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN daartoe aanleiding ziet, zendt hij het advies aan Onze Minister.

  • 2. De Raad onderwijs arbeidsmarkt CN kan voorstellen doen aan de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven inzake het ontwikkelen van beroepsopleidingen of onderdelen daarvan, waaronder keuzedelen, die relevant zijn voor de openbare lichamen en hun regionale arbeidsmarkt.

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen aan de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN andere taken worden toegekend en kunnen nadere regels worden gesteld over zijn inrichting en taakuitoefening, waaronder de taakverdeling met de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven.

  • 4. De Raad onderwijs arbeidsmarkt CN voert geen andere activiteiten uit dan de bij of krachtens de wet aan hem opgedragen taken.

Artikel 5.3.3. Erkenning leerbedrijven CN
  • 1. De Raad onderwijs arbeidsmarkt CN draagt zoveel mogelijk zorg voor een toereikend aantal leerbedrijven van voldoende kwaliteit in de openbare lichamen.

  • 2. De Raad onderwijs arbeidsmarkt CN erkent op aanvraag een bedrijf of andere organisatie in een openbaar lichaam als leerbedrijf voor de beroepspraktijkvorming, indien dat leerbedrijf voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in artikel 5.2.3, eerste lid.

  • 3. Artikel 5.2.3, derde en vierde lid, is van toepassing op een erkenning van de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN.

  • 4. De Raad onderwijs arbeidsmarkt CN beoordeelt ten minste een maal per vier jaar of een leerbedrijf in een openbaar lichaam voldoet aan de erkenningsvoorwaarden.

Artikel 5.3.4. Taakverdeling SBB en ROA CN
  • 1. Een besluit van de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN over erkenning van een leerbedrijf wordt gelijkgesteld aan een besluit van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven over erkenning van een leerbedrijf als bedoeld in artikel 5.2.3, tweede lid, en andersom.

  • 2. De Raad onderwijs arbeidsmarkt CN en de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven bevorderen een doelmatige werkverdeling en samenwerking tussen beide organisaties.

b. later in werking treedt dan artikel I, onderdeel B, van deze wet, wordt artikel I van die wet als volgt gewijzigd:

1°. Na onderdeel C wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ca

De artikelen 1.6.2 tot en met 1.6.5 vervallen, onder vernummering van artikel 1.6.6 tot artikel 1.6.2.

2°. Na onderdeel E, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ea

In artikel 5.2.3 (nieuw), tweede lid, wordt ‘artikel 1.6.4, tweede lid’ vervangen door ‘artikel 5.3.3, tweede lid’.

3°. Na onderdeel O wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Oa

Aan hoofdstuk 5 wordt een titel toegevoegd, luidende:

Titel 3. Caribisch Nederland
Artikel 5.3.1. Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland
  • 1. Bij ministeriële regeling wordt een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid zonder winstoogmerk, niet zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, aangewezen als Raad onderwijs arbeidsmarkt CN.

  • 2. De statuten en een bestuursreglement van de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN en een wijziging daarvan behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

  • 3. Artikel 5.2.2, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een benoeming of ontslag van de voorzitter en diens plaatsvervanger van de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN.

  • 4. Onze Minister verleent de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN subsidie voor de uitoefening van zijn taken binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen.

Artikel 5.3.2. Wettelijke taken Raad onderwijs arbeidsmarkt CN
  • 1. De Raad onderwijs arbeidsmarkt CN adviseert een instelling die voornemens is een nieuwe beroepsopleiding te gaan verzorgen in een openbaar lichaam over het arbeidsmarktperspectief en de beschikbaarheid van leerbedrijven. Hij kan een dergelijk advies ook uitbrengen over een reeds bestaande beroepsopleiding in een openbaar lichaam indien hij daartoe aanleiding ziet. Indien de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN daartoe aanleiding ziet, zendt hij het advies aan Onze Minister.

  • 2. De Raad onderwijs arbeidsmarkt CN kan voorstellen doen aan de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven inzake het ontwikkelen van beroepsopleidingen of onderdelen daarvan, waaronder keuzedelen, die relevant zijn voor de openbare lichamen en hun regionale arbeidsmarkt.

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen aan de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN andere taken worden toegekend en kunnen nadere regels worden gesteld over zijn inrichting en taakuitoefening, waaronder de taakverdeling met de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven.

  • 4. De Raad onderwijs arbeidsmarkt CN voert geen andere activiteiten uit dan de bij of krachtens de wet aan hem opgedragen taken.

Artikel 5.3.3. Erkenning leerbedrijven CN
  • 1. De Raad onderwijs arbeidsmarkt CN draagt zoveel mogelijk zorg voor een toereikend aantal leerbedrijven van voldoende kwaliteit in de openbare lichamen.

  • 2. De Raad onderwijs arbeidsmarkt CN erkent op aanvraag een bedrijf of andere organisatie in een openbaar lichaam als leerbedrijf voor de beroepspraktijkvorming, indien dat leerbedrijf voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, bedoeld in artikel 5.2.3, eerste lid.

  • 3. Artikel 5.2.3, derde en vierde lid, is van toepassing op een erkenning van de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN.

  • 4. De Raad onderwijs arbeidsmarkt CN beoordeelt ten minste een maal per vier jaar of een leerbedrijf in een openbaar lichaam voldoet aan de erkenningsvoorwaarden.

Artikel 5.3.4. Taakverdeling SBB en ROA CN
  • 1. Een besluit van de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN over erkenning van een leerbedrijf wordt gelijkgesteld aan een besluit van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven over erkenning van een leerbedrijf als bedoeld in artikel 5.2.3, tweede lid, en andersom.

  • 2. De Raad onderwijs arbeidsmarkt CN en de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven bevorderen een doelmatige werkverdeling en samenwerking tussen beide organisaties.

2. Indien het bij koninklijke boodschap van 12 december 2024 ingediende voorstel van wet tot Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in verband met het verbeteren van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt (verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt) (Kamerstukken 36 670) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdelen RR tot en met VV, van die wet:

a. eerder in werking zijn getreden of treden dan artikel I, onderdelen II, JJ en KK, van deze wet wordt artikel I van deze wet als volgt gewijzigd:

1°. In onderdeel II wordt, in de aanhef en in het opschrift van het voorgestelde artikel 10.2, ‘Artikel 10.2’ vervangen door ‘Artikel 1.3.11’ en wordt ‘1.4.1, 1.4a.1, respectievelijk 6.3.1’ vervangen door ‘1.4a.1, 6.3.1, respectievelijk 11.1.1’.

2°. In onderdeel JJ wordt ‘hoofdstuk 11’ vervangen door ‘hoofdstuk 10’.

3°. In onderdeel KK wordt in de aanhef ‘hoofdstuk 11’ vervangen door ‘hoofdstuk 10’.

4°. In onderdeel KK wordt in het opschrift van het voorgestelde artikel 11.3 ‘Artikel 11.3’ vervangen door ‘artikel 10.3’.

5°. In onderdeel KK wordt in het tweede lid van het voorgestelde artikel 11.3 ‘artikel 11.2, tweede lid’ vervangen door ‘artikel 10.2, tweede lid’.

b. later in werking treden dan artikel I, onderdelen II, JJ en KK, van deze wet, wordt artikel I van die wet als volgt gewijzigd

1°. Onderdeel RR komt te luiden:

RR

In artikel 10.2 wordt ‘1.4.1, 1.4a.1, respectievelijk 6.3.1’ vervangen door ‘1.4a.1, 6.3.1, respectievelijk 11.1.1’.

2°. De onderdelen TT en UU komen te luiden:

TT

Hoofdstuk 10 komt te luiden:

Hoofdstuk 10. Sancties
Titel 1. Inhouden en opschorten bekostiging; strafbepaling
Titel 2. Caribisch Nederland

UU

De artikelen 11.1 en 11.2 worden vernummerd tot artikelen 10.1 en 10.2 en worden geplaatst in hoofdstuk 10, titel 1. Artikel 11.3 wordt vernummerd tot artikel 10.3 en wordt geplaatst in hoofdstuk 10, titel 2.

3°. Na onderdeel VV wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

VVa

In artikel 10.3 (nieuw), tweede lid, wordt ‘artikel 11.2, tweede lid’ vervangen door ‘artikel 10.2, tweede lid’.

3. Indien het bij koninklijke boodschap van 12 december 2024 ingediende voorstel van wet tot Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in verband met het verbeteren van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt (verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt) (Kamerstukken 36 670) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel WW, van die wet:

a. eerder in werking is getreden of treedt dan deze wet wordt artikel I van deze wet als volgt gewijzigd:

1°. In onderdeel Y wordt ‘artikel 6.2.3b, derde lid’ vervangen door ‘artikel 11.1.19, tweede lid’.

2°. Na onderdeel JJ worden twee onderdelen ingevoegd, luidende:

JJa

Artikel 11.1.2, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel b komt te luiden:

  • b. artikel 6.1.2a;.

2. Onderdeel e komt te luiden:

  • e. de artikelen 8.0.0 en 8.2.1;.

JJb

In artikel 11.1.11, vierde lid, wordt ‘artikel 6.1.3a, eerste lid, onderdeel c’ vervangen door ‘artikel 8.0.0, eerste lid, onderdeel c’.

b. later in werking treedt dan artikel I, onderdelen C en W, van deze wet, wordt artikel I, onderdeel WW, van die wet, als volgt gewijzigd:

1°. In het voorgestelde artikel 11.1.2, eerste lid, komt onderdeel b te luiden:

  • b. artikel 6.1.2a;.

2°. In het voorgestelde artikel 11.1.2, eerste lid, komt onderdeel e te luiden:

  • e. de artikelen 8.0.0 en 8.2.1;.

3°. In het voorgestelde artikel 11.1.11, vierde lid, wordt ‘artikel 6.1.3a, eerste lid, onderdeel c’ vervangen door ‘artikel 8.0.0, eerste lid, onderdeel c’.

4°. In het voorgestelde artikel 11.1.19, tweede lid, wordt ‘Artikel 1.6.1’ vervangen door ‘Artikel 6.3.1’.

4. Indien het bij koninklijke boodschap van 12 december 2024 ingediende voorstel van wet tot Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in verband met het verbeteren van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt (verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt) (Kamerstukken 36 670) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdelen XX en YY, van die wet:

a. a. eerder in werking zijn getreden of treden dan artikel I, onderdeel MM, van deze wet, wordt artikel I, van deze wet, als volgt gewijzigd:

1°. Na onderdeel LL wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

LLa

Artikel 12.2.6 wordt vernummerd tot artikel 13.2.3a en wordt geplaatst in hoofdstuk 13, titel 2 (nieuw), na artikel 13.2.3.

2°. Aan het slot van onderdeel NN wordt een paragraaf toegevoegd, luidende:

Paragraaf 3. Overgangsrecht Wet van ... tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in verband met het verbeteren van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt (verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt) (Stb. 20##, ###)

[P.M. nog actualiseren n.a.v. voortgang wetsvoorstel 36670. Dit betreft de artikelen 12.4c.1 tot en met 12.4c.7, zoals voorgesteld door artikel I, onderdeel Y, van wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs – arbeidsmarkt (Kamerstukken 36 670). Deze worden in herschreven vorm overgeheveld naar deze paragraaf en vernummerd tot artikelen 13.2.9 en verder.]

Artikel 13.2.9. Overgangsrecht onderwijstijd Wet verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt
  • 1. In afwijking van artikel 7.2.7 kan het bevoegd gezag besluiten om in het studiejaar 20xx–20xx voor een beroepsopleiding toepassing te geven aan artikel 7.2.7 zoals dat luidde op 31 juli 20xx.

  • 2. Voor een groep studenten die voor 1 augustus 20xx reeds met de beroepsopleiding is gestart, kan het bevoegd gezag besluiten om artikel 7.2.7, zoals dat luidde op 31 juli 20xx, toe te blijven passen.

Artikel 13.2.10. Overgangsrecht onderwijstijd doorlopende leerroute en geïntegreerde leerroute Wet verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt
  • 1. In afwijking van de artikelen 8.5a.11 en 8.5a.12, en de artikelen 2.107h en 2.107i van de Wet voortgezet onderwijs 2020 kan het bevoegd gezag besluiten om in het studiejaar 20xx–20xx voor een doorlopende leerroute vmbo-mbo toepassing te geven aan de artikelen 8.5a.11 en 8.5a.12, en de artikelen 2.107h en 2.107i van de Wet voortgezet onderwijs 2020 zoals die luidden op 31 juli 20xx.

  • 2. Voor een groep leerlingen en een groep studenten van een doorlopende leerroute vmbo-mbo die 1 augustus 20xx reeds met die leerroute is gestart, kan het bevoegd gezag samen met het bevoegd gezag van de school besluiten om de artikelen 8.5a.11 en 8.5a.12, en de artikelen 2.107h en 2.107i van de Wet voortgezet onderwijs 2020 zoals die luidden op 31 juli 20xx toe te blijven passen.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een route als bedoeld in de artikelen 8.4.3, 8.5.3, 8.5.4 en 11.1.15.

Artikel 13.2.11. Omzetting besluit niet uit ’s Rijks kas bekostigd beroepsonderwijs
  • 1. Het besluit van Onze Minister op grond van artikel 1.4.1, eerste lid, onderscheidenlijk lid 1a, zoals die luidden op 31 juli 20xx, op grond waarvan aan de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens van een beroepsopleiding, een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 of een certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3 is verbonden, geldt als een erkenning verleend op grond van artikel 11.1.1 voor de desbetreffende leerweg, tenzij dat besluit op 1 augustus 20xx niet meer geldig zou zijn geweest. Daarbij geldt een besluit dat op grond van genoemd artikel 1.4.1, lid 1a, is genomen ten aanzien van een andere leerweg dan de leerwegen bedoeld in het eerste lid van dat artikel, als een erkenning verleend op grond van artikel 11.1.1 voor de loopbaanbegeleidende leerweg.

  • 2. Indien bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, toepassing is gegeven aan artikel 1.4.1, derde lid, zoals dat luidde op 31 juli 20xx, en de in dat lid bedoelde periode van anderhalf jaar op 1 augustus 20xx nog niet verstreken is, wordt het besluit beschouwd als een tijdelijke erkenning voor de resterende duur van die periode van anderhalf jaar. Artikel 11.1.7, eerste en tweede lid, is niet van toepassing. De artikelen 11.1.7, derde lid, 11.1.8, eerste en tweede lid, en 11.1.9, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13.2.12. Omzetting lopende aanvragen tot besluit niet uit ’s Rijks kas bekostigd beroepsonderwijs
  • 1. Aanvragen voor een besluit van Onze Minister op grond van artikel 1.4.1, eerste lid onderscheidenlijk lid 1a, zoals dat artikel luidde op 31 juli 20xx, om aan de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens van een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg of in de beroepsbegeleidende leerweg onderscheidenlijk in een andere leerweg, een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 of een certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3 te verbinden, waarop op 1 augustus 20xx nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 11.1.1 voor de betreffende beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg, beroepsbegeleidende leerweg onderscheidenlijk loopbaanbegeleidende leerweg.

  • 2. Artikel 11.1.10 is niet van toepassing op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 13.2.13. Voortzetting volgen van een deel van een niet uit ’s Rijks kas bekostigde beroepsopleiding
  • 1. Indien het bevoegd gezag en een student zijn overeengekomen dat de student slechts een onderdeel zal volgen van de beroepsopleiding als bedoeld in artikel 1.4.1, lid 1c, zoals dat artikel luidde op 31 juli 20xx, en die overeenkomst nog geldig is op dat tijdstip, geldt die overeenkomst vanaf 1 augustus 20xx als een overeenkomst dat de student slechts dit deel volgt, als bedoeld in artikel 11.1.11, eerste lid, indien die overeenkomst vanaf dat tijdstip geldig zou zijn geweest.

  • 2. Ten aanzien van een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid is artikel 11.1.11, zevende lid, niet van toepassing.

Artikel 13.2.14. Overgangsrecht toezicht, handhaving en sancties
  • 1. Besluiten die in het kader van toezicht en handhaving, besluiten in de zin van Hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht daaronder begrepen, zijn genomen op basis van deze wet zoals deze luidde op 31 juli 20xx worden verondersteld te zijn genomen op basis van de wet zoals die is komen te luiden op 1 augustus 20xx. Niettemin worden de uit die besluiten voortgekomen procedures en handhavingstrajecten, alsmede de behandeling van bezwaar- en (hoger) beroepschriften, afgewikkeld volgens het materiële recht zoals dat ten tijde van het betreffende besluit gold, tenzij de toepassing daarvan tot een onevenredige uitkomst leidt.

  • 2. Op besluiten zoals bedoeld in het eerste lid, die zijn genomen op of na 1 augustus 20xx is uitsluitend deze wet van toepassing zoals deze vanaf die datum is komen te luiden, ook al ziet een dergelijk besluit op handelingen en gebeurtenissen van voor die inwerkingtreding.

Artikel 13.2.15. Vervalbepaling diverse artikelen titel 4c

De artikelen 13.2.9 tot en met 13.2.12 en dit artikel vervallen zeven jaar na de inwerkingtreding van de Wet van ... tot Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in verband met het verbeteren van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt (verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt) (Stb. ...).

b. later in werking treedt dan artikel I, onderdeel MM, van deze wet, wordt artikel I van die wet als volgt gewijzigd:

1°. In onderdeel XX wordt ‘artikel 12.2.5’ vervangen door ‘artikel 13.2.3’ en wordt ‘artikel 12.2.6’ vervangen door ‘artikel 13.2.3a’.

2°. Onderdeel YY komt te luiden:

YY

Aan hoofdstuk 13, titel 2, wordt een paragraaf toegevoegd, luidende:

Paragraaf 3. Overgangsrecht Wet van ... tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in verband met het verbeteren van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt (verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt) (Stb. 20##, ###)

[P.M. De artikelen 12.4c.1 tot en met 12.4c.7, zoals voorgesteld door artikel I, onderdeel Y, van wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs – arbeidsmarkt (Kamerstukken 36 670), worden in herschreven vorm overgeheveld naar deze paragraaf en vernummerd tot artikelen 13.2.9 en verder. Nog in te voegen zodra meer voortgang in andere wetsvoorstel.]

5. Indien het bij koninklijke boodschap van 12 december 2024 ingediende voorstel van wet tot Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in verband met het verbeteren van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt (verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt) (Kamerstukken 36 670) tot wet is of wordt verheven en artikel IX van die wet:

a. eerder in werking is getreden of treedt dan artikel VIII van deze wet, komt artikel VIII, onderdeel B, onder 3, van deze wet te luiden:

3. In onderdeel d vervallen de zinsneden ‘en de artikelen 6.2.2, 6.2.2a, 6.2.3, 6.2.4 en 6.3.1 in samenhang met artikel 6.2.4, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES’ en ‘en de artikelen 6.2.1, 6.2.2, 6.2.2a, 6.2.4, 6.2.6 en 6.3.1 in samenhang met de artikelen 6.2.4, eerste lid, en 6.2.6, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES’.

b. later in werking treedt dan artikel VIII van deze wet, wordt artikel IX van die wet als volgt gewijzigd:

1°. Onderdeel A vervalt.

2°. In onderdeel B, onder 2, vervallen de zinsneden ‘en de artikelen 6.2.2, 6.2.2a, 6.2.3, 6.2.4 en 6.3.1 in samenhang met artikel 6.2.4, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES’ en ‘en de artikelen 6.2.1, 6.2.2, 6.2.2a, 6.2.4, 6.2.6 en 6.3.1 in samenhang met de artikelen 6.2.4, eerste lid, en 6.2.6, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES’.

6. Indien het bij koninklijke boodschap van 12 december 2024 ingediende voorstel van wet tot Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in verband met het verbeteren van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt (verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt) (Kamerstukken 36 670) tot wet is of wordt verheven en artikel XII, onderdeel D, van die wet:

a. eerder in werking treedt dan artikel II, onderdeel N, van deze wet, komt artikel II, onderdeel N, van deze wet te luiden:

N

In artikel 2.109a, tweede en derde lid, vervalt ‘of instelling als bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid, WEB BES’.

b. later in werking treedt dan artikel II, onderdeel N, van deze wet, komt artikel XII, onderdeel D, van die wet te luiden:

D

In artikel 2.109a, tweede en derde lid, wordt ‘instelling als bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid, WEB’ vervangen door ‘aanbieder van niet uit ’s Rijks kas bekostigd beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.1.1 WEB’.

ARTIKEL XX. SAMENLOOP WET PLANMATIGE AANPAK ONDERWIJSHUISVESTING

Indien het bij koninklijke boodschap van 27 januari 2025 ingediende voorstel van wet tot Wijziging van diverse onderwijswetten voor een meer planmatige en doelmatige aanpak van de onderwijshuisvesting in het primair en het voortgezet onderwijs (Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting) (Kamerstukken 36 692) tot wet wordt verheven en die wet eerder in werking is getreden of treedt dan deze wet, wordt in artikel II, onderdeel Z, ‘artikel 11.57, tweede lid, onderdeel d’ vervangen door ‘artikel 11.57, derde lid, onderdeel d’.

ARTIKEL XXI. INTREKKING DIVERSE WETTEN

De volgende wetten worden ingetrokken:

  • a. de Wet educatie en beroepsonderwijs BES;

  • b. de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES;

  • c. de Wet van 1 juli 1998 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en enkele andere onderwijswetten in verband met decentralisatie van de wachtgelduitgaven (Regeling decentralisatie wachtgelduitgaven bve) (Stb. 1998, 431);

  • d. de Wet van 6 oktober 1999 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met enkele maatregelen ter verbetering van het functioneren van het vervangingsfonds en het participatiefonds (regeling verbetering functioneren vervangings- en participatiefonds) (Stb. 1999, 445);

  • e. de Wet van 11 maart 2004 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het onderwijstoezicht met het oog op verbetering van de kwaliteit van examens van beroepsopleidingen (Stb. 2004, 138);

  • f. de Wet van 29 april 2004 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbeteringen van uiteenlopende, voornamelijk uitvoeringstechnische aard (technische herziening WEB) (Stb. 2004, 216);

  • g. de Wet van 12 maart 2009 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake colleges van bestuur en raden van toezicht (Stb. 2009, 151);

  • h. de Wet van 10 april 2008 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet studiefinanciering 2000, de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en de Les- en cursusgeldwet in verband met regeling in de Wet educatie en beroepsonderwijs van een minimumomvang van het in instellingstijd verzorgde onderwijsprogramma (850 urennorm) (Stb. 2008, 140);

  • i. de Wet van 12 maart 2009 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake colleges van bestuur en raden van toezicht (Stb. 2009, 151);

  • j. de Wet van 7 november 2011 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake de beroepsgerichte kwalificatiestructuur (Stb. 2011, 560);

  • k. De Wet van 8 maart 2012 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank in verband met het gebruik van het persoonsgebonden nummer bij onder meer de uitwisseling van leer- en begeleidingsgegevens van leerlingen (Stb. 2012, 157);

  • l. de Wet van 13 september 2012 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en overige educatie (Stb. 2012, 450);

  • m. de Wet van 16 april 2015 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake overgang van de wettelijke taken van kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven naar de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven (Stb. 2015, 170);

  • n. de Wet van 5 oktober 2016, houdende wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en enkele andere wetten ter invoering van een vroegtijdige aanmelddatum voor en toelatingsrecht tot het beroepsonderwijs (Stb. 2016, 362);

  • o. de Wet van 25 januari 2017 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake aanscherping van de eisen met betrekking tot examencommissies in het middelbaar beroepsonderwijs en een technische aanpassing (Stb. 2017, 43).

ARTIKEL XXII. INWERKINGTREDING

  • 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

  • 2. Artikel 7.4.11 van de Wet educatie en beroepsonderwijs treedt, wat betreft de examens van de opleidingen Nederlands als tweede taal I en II, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

I.

Algemeen

1.

Inleiding

 

1.1 Aanleiding

 

1.2 Doelstelling

2.

Voorgeschiedenis WEB BES en SKJ-wet

 

2.1 Voorgeschiedenis WEB BES

 

2.2 Voorgeschiedenis SKJ-wet

 

2.3 Ontwikkelingen na 2010

3.

Hoofdlijnen van het voorstel

 

3.1 Erkenning beroepsopleidingen

 

3.2 Bekostiging beroepsopleidingen

 

3.3 Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN)

 

3.4 Het beroepsonderwijs

 

3.5 Volwasseneneducatie

 

3.6 Medezeggenschap

 

3.7 Informatiesystemen

 

3.8 Aanpak voortijdig schoolverlaten (vsv)

 

3.9 Onderliggende voorzieningen

4.

Verhouding tot ander recht

 

4.1 Grondwet

 

4.2 Toelage sociale kanstraject

 

4.3 Toepassing van de WEB in Caribisch Nederland

5.

Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

 

5.1 Reactie Dienst Uitvoering Onderwijs

 

5.2 Reactie Inspectie van het Onderwijs

6.

Overige reacties

 

6.1 Reacties Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs en bedrijfsleven en Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland

 

6.2 Reactie College voor Toetsen en Examens

 

6.3 Reacties openbare lichamen

7.

Gevolgen en administratieve lasten

 

7.1 Openbare lichamen

 

7.2 Contactscholen in kader voorkomen voortijdig schoolverlaten

 

7.3 Scholengemeenschap Bonaire

 

7.4 Gwendoline van Puttenschool en Saba Comprehensive School

 

7.5 Raad Onderwijs Arbeidsmarkt CN

 

7.6 SKJ-uitvoeringsorganisaties

8.

Financiële gevolgen

9.

Gevolgen voor de bescherming van persoonsgegevens

10.

Internetconsultatie en advies toetsing regeldruk

 

10.1 Internetconsultatie

 

10.2 Adviescollege toetsing regeldruk

 

10.3. Gevolgen voor de regeldruk

11.

Gevolgen voor gendergelijkheid

12.

Toezicht en rechtsbescherming

II.

Artikelsgewijs

I. Algemeen

Deze memorie van toelichting wordt gegeven in overeenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Als bijlage bevat deze memorie van toelichting een transponeringstabel waarin de verhouding duidelijk wordt tussen de artikelen van de WEB (zoals die komt te luiden met dit wetsvoorstel) en de WEB BES (die met dit wetsvoorstel komt te vervallen). In de transponeringstabel is nog geen rekening gehouden met toekomstige wijzigingen door andere wetsvoorstellen en de vernummeringen in artikelen die daarvan mogelijk het gevolg zijn, zoals opgenomen in de samenloopbepalingen bij dit wetsvoorstel.

1. Inleiding
1.1 Aanleiding

Sinds 2010 zijn het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie voor Caribisch Nederland (de zogenoemde BES-eilanden ofwel de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba) geregeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs BES (hierna: WEB BES). In de huidige praktijk wordt beroepsonderwijs op grond van de WEB BES alleen nog in het openbaar lichaam Bonaire aangeboden.1

Daarnaast is het beleid rondom voortijdige schoolverlaters (hierna: vsv) in Caribisch Nederland gebaseerd op de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES (hierna: SKJ-wet). Deze wet beoogt jongeren in de leeftijd van 18 tot en met 24 jaar die geen startkwalificatie2 en geen werk hebben, terug naar het onderwijs te leiden dan wel naar de arbeidsmarkt. De SKJ-wet wordt op alle drie de BES-eilanden uitgevoerd.

De WEB BES en de SKJ-wet zijn op tal van punten verouderd geraakt. Dit leidt tot onduidelijkheden en knelpunten in de uitvoering en tot situaties waarin de praktijk niet meer in lijn te brengen is met wet- en regelgeving. Bovendien zijn bepaalde voorzieningen die in Europees Nederland bestaan, niet of niet goed geregeld voor Caribisch Nederland. Aanpassing van deze wetgeving is daarom noodzakelijk, zowel om het probleem van verouderde wetgeving aan te pakken als om een gelijkwaardig voorzieningenniveau te waarborgen.

Dat de wetgeving is achtergebleven bij de ontwikkelingen op de eilanden, en op de ontwikkelingen in Europees Nederland, is mede veroorzaakt door het kabinetsbeleid van ‘legislatieve terughoudendheid’ ten aanzien van Caribisch Nederland. In 2010 is namelijk afgesproken terughoudend te zijn met het invoeren van nieuwe wetgeving vanwege het beperkte absorptievermogen van de eilanden. Dit was het kabinetsbeleid tot 2019.

Echter, in 2019 heeft het kabinet besloten de legislatieve terughoudendheid als uitgangspunt los te laten en in plaats daarvan te gaan werken vanuit het comply or explain principe.3 Als gevolg van dit nieuwe kabinetsbeleid moet bij nieuwe wet- en regelgeving, en aanpassing van bestaande wet- en regelgeving, steeds worden bezien of en hoe deze wetgeving ook van toepassing kan worden verklaard in Caribisch Nederland dan wel of differentiatie nodig of wenselijk is. Dit principe sluit ook aan bij artikel 132a, vierde lid, van de Grondwet. Hieruit vloeit voort dat bij een wezenlijk verschil tussen Europees Nederland en Caribisch Nederland er differentiatie en dus verschil in regelgeving tussen beide delen van Nederland mogelijk is. In het verlengde hiervan is in artikel 137 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bepaald dat ook tussen de openbare lichamen verschil in regelgeving kan bestaan, mits bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.

1.2 Doelstelling

Het doel van dit wetsvoorstel is niet om alle Europees Nederlandse regelgeving zonder meer van toepassing te verklaren in Caribisch Nederland. Soms zijn er redenen om dat juist niet te doen of om naar andere oplossingsrichtingen te zoeken. Het doel is het bereiken van een gelijkwaardig effect, met als uitgangspunt een gelijkwaardig voorzieningenniveau binnen de mogelijkheden van de Caribisch Nederlandse context. Het blijft dus ook binnen het huidige kabinetsbeleid van comply or explain altijd belangrijk om de uitvoerbaarheid van nieuwe regelgeving ook nadrukkelijk te toetsen aan de specifieke eilandelijke context.

Gelet op de noodzaak om de verouderde WEB BES en SKJ-wet aan te passen en het uitgangspunt van comply or explain, wordt in dit wetsvoorstel voorgesteld om géén separate wetgeving voor de eilanden meer te hanteren maar over te gaan naar één wettelijk kader dat zowel voor het Caribische als voor het Europese deel van Nederland van toepassing is. Waar nodig wordt binnen dat wettelijk kader differentiatie aangebracht tussen het Caribische en het Europese deel van Nederland.

In concreto houdt dit wetsvoorstel in dat de WEB BES wordt ingetrokken en de Wet educatie en beroepsonderwijs (hierna: WEB) zodanig wordt aangepast dat deze ook van toepassing kan worden verklaard in Caribisch Nederland. Dat betekent dat de bepalingen uit de WEB zoveel mogelijk ook van toepassing worden op het Caribische deel van Nederland. Indien de eilandelijke context specifieke afwijkingen van de WEB noodzakelijk maakt, worden deze afwijkingen aan het eind van ieder hoofdstuk in de wet zelf opgenomen.

De WEB BES geeft ook een kader voor volwassenonderwijs, aangeduid als opleidingen educatie. Echter, anders dan in het Europese deel van Nederland, zijn hiervoor tot nu toe geen middelen beschikbaar gesteld en is er mede daardoor op de eilanden tot nu toe geen structureel beleid ten aanzien van volwasseneneducatie ontplooid. Dit terwijl het aandeel van de bevolking dat zeer laaggeschoold dan wel laaggeletterd is, in verhouding tot Europees Nederland hoog is. CBS-gegevens laten zien dat de hoogst genoten opleiding van 50% van de beroepsbevolking op Bonaire onder het niveau van een startkwalificatie ligt.

Op Sint Eustatius is dat zelfs het geval voor 67% van de beroepsbevolking en op Saba geldt dat voor 40% van de beroepsbevolking. In Europees Nederland ligt dit percentage op 28%.4 Met de invoering van vergelijkbare kaders en de toegang tot de daarbij behorende middelen voor volwasseneneducatie, heeft dit wetsvoorstel tot doel een impuls te geven aan de volwasseneducatie op alle drie de openbare lichamen. En zo het verschil met Europees Nederland te verkleinen.

Voorts wordt met dit wetsvoorstel de SKJ-wet ingetrokken. Deze specifieke BES-wet ziet op de aanpak van vsv en wijkt in een aantal opzichten af van de Europees Nederlandse kaders. Een belangrijk verschil is dat de SKJ-wet pas voorziet in overheidsinterventie nadat een jongere voortijdig de school heeft verlaten en dus al vsv-er is. De vsv-wetgeving in Europees Nederland kent ook een preventief aspect om vsv te voorkomen op het moment dat een jongere nog op school zit. Het is van belang dat er vroegtijdig en pro-actief wordt gehandeld. Zo kan veelvuldig verzuim op school of vaak te laat komen een voorteken zijn van voortijdige schooluitval en voor andere problematiek. In de praktijk is het moeilijk om vsv-ers terug te laten keren naar school. Daarom zijn preventieve activiteiten succesvoller dan activiteiten gericht op studenten die al zijn uitgevallen. De voorkeur gaat uit naar een gezamenlijke preventieve aanpak die zich richt op meerdere leefgebieden van de jongere. Belangrijk is dat ouders, school en andere professionals zoals een leerplichtambtenaar, samenwerken om negatieve invloeden van risicofactoren te verminderen. Ook ontbreken er kaders voor de voor (potentiële) vsv-ers zo belangrijke samenwerking binnen het sociaal domein. Dat betekent niet dat er in de huidige uitvoeringspraktijk helemaal niet samengewerkt wordt met relevante ketenpartners, maar deze samenwerking is niet structureel ingebed. Mede vanwege het bestaan van de SKJ-wet zijn de in het Europese deel van Nederland bestaande kaders ten aanzien van het voorkomen en bestrijden van vsv nog niet ontwikkeld voor Caribisch Nederland. Met dit wetsvoorstel gaan de vsv-kaders uit de WEB en ook uit de Wet voortgezet onderwijs 2020 (WVO 2020) op hoofdlijnen ook in Caribisch Nederland gelden, zodat de gehele doelgroep van jongeren in of uit het voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs tussen de twaalf en vijfentwintig jaar oud die nog niet in het bezit is van een startkwalificatie onder dit vsv-kader komt te vallen. Specifieke afwijkingen van die kaders worden eveneens vastgelegd in de wet. De middelen die eerder beschikbaar waren voor de SKJ-wet, blijven beschikbaar voor vsv-beleid in Caribisch Nederland.

Tot slot bevat dit wetsvoorstel verscheidene wetstechnische verbeteringen van de WEB. Dit conform de doelstelling om stap voor stap te werken aan de kwaliteitsverbetering van bestaande wetgeving en in het bijzonder nu de WEB.5 Door verscheidene bepalingen in de wet te stroomlijnen, opnieuw te formuleren of te verplaatsen, draagt dit wetsvoorstel bij aan het bereiken van genoemde doelstelling. En daarmee een beter toegankelijke en leesbare WEB. Op verzoek van de toekomstige gebruikers van de wet in de openbare lichamen is gekozen voor een specifieke titel met afwijkende of aanvullende regels voor de openbare lichamen aan het eind van ieder hoofdstuk. Dit in plaats van een hoofdstuk voor Caribisch Nederland aan het eind van de wet. Zo is er per hoofdstuk duidelijk wat de regels zijn.

Resumerend worden met dit wetsvoorstel de volgende doelen beoogd:

  • Het wegnemen van verouderde wetgeving die tot knelpunten en uitvoeringsproblemen leidt;

  • Het zoveel mogelijk gelijktrekken van de regels en het voorzieningenniveau voor het beroepsonderwijs en de volwasseneducatie in Caribisch Nederland met dat in Europees Nederland zodat gelijkwaardig onderwijs en gelijkwaardige voorzieningen ontstaan;

  • Het bieden van nieuwe, beter bij de huidige praktijk passende kaders en regels voor het voorkómen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland;

  • Het vaststellen van één wettelijk kader waardoor uitvoering en naleving op betreffende beleidsterreinen eenduidiger wordt; en

  • Het doorvoeren van diverse wetstechnische verbeteringen, los van het bovenstaande, in vooral de WEB.

2. Voorgeschiedenis WEB BES en SKJ-wet
2.1 Voorgeschiedenis WEB BES

In 2010 werd het land Nederlandse Antillen opgeheven en werden de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbare lichamen, vergelijkbaar met bijzondere gemeenten, onderdeel van het land Nederland. Qua wet- en regelgeving werd ten algemene besloten dat de Nederlands-Antilliaanse regelgeving in beginsel van kracht zou blijven en dat deze regelgeving geleidelijk door Nederlandse regelgeving zou worden vervangen. Voor het onderwijs werd echter een andere koers gekozen. Op basis van onderzoek door de Inspectie van het Onderwijs (hierna: Inspectie) waarin grote zorg over de onderwijskwaliteit op de eilanden werd geuit, werd geconstateerd dat andere wetgeving meteen vanaf het begin (in de praktijk vanaf 1 januari 2011) noodzakelijk was om het onderwijs naar Nederlandse kwaliteitsnormen te kunnen ontwikkelen. Het was echter niet wenselijk en niet haalbaar om de Nederlandse onderwijswetgeving direct integraal van toepassing te verklaren. Daarom werden aparte onderwijswetten gemaakt voor de BES, voornamelijk gemodelleerd naar de Europees Nederlandse sectorale onderwijswetten waarbij in beperkte mate elementen uit de Nederlands Antilliaanse landsverordeningen zijn overgenomen.

Veel Nederlandse normen en uitgangspunten waren op dat moment nog niet of niet volledig toepasbaar op de eilanden. Daarom zijn diverse wetsartikelen toen niet of nog niet in werking getreden. De gedachte was dat deze wetsartikelen na verloop van tijd, als de onderwijskwaliteit op de eilanden was toegenomen, wel van toepassing verklaard zouden kunnen worden, zodat de wettelijke kaders uiteindelijk steeds meer gelijk aan elkaar zouden worden.

2.2 Voorgeschiedenis SKJ-wet

Voor één landsverordening werd een uitzondering gemaakt op het hiervoor beschreven uitgangspunt voor onderwijswetgeving: de Nederlands Antilliaanse landsverordening Sociale Vormingsplicht (SVP) werd behouden. Tot deze vormingsplicht werd door het land Nederlandse Antillen in 2006 besloten in verband met de met armoede samenhangende, structurele jeugdproblematiek op de zes eilanden. Deze problematiek uitte zich in hoge schooluitval, veelvoorkomende patronen van geweld en jeugddelinquentie, een hoog risicogedrag met betrekking tot het gebruik van verslavende middelen en regelmatig voorkomend seksueel probleemgedrag.6

Op grond van deze verordening werden jongeren in de leeftijd van 16–24 jaar die buiten het reguliere opleidings- en socialisatieproces waren geraakt, verplicht tot vormingstrajecten die een toekomstperspectief (opleiding of werk) beoogden. Deze verordening werd in 2010 bij de staatkundige hervorming omgezet in de SKJ-wet. Het verplichtende karakter kwam te vervallen. Tevens werd de leeftijd van de doelgroep gewijzigd naar 18–24 jaar, aangezien er met de Leerplichtwet BES ook een kwalificatieplicht tot 18 jaar werd ingevoerd. Dit betekent dat jongeren tot hun achttiende jaar verplicht zijn onderwijs te volgen zo lang zij nog geen startkwalificatie hebben behaald. Omdat jongeren op grond van de SKJ-wet alleen nog op vrijwillige basis konden deelnemen aan een kanstraject, werden de trajecten aantrekkelijk gemaakt door het behoud van de onder de vormingsplicht reeds bestaande toelage. Deelnemers aan een kanstraject komen in aanmerking voor een wettelijk vastgestelde maandelijkse toelage. Bij de invoering van de SKJ-wet werd aangegeven dat naar verwachting het reguliere onderwijs op de BES-eilanden een zodanige verbeterslag zou ondergaan dat de sociale kanstrajecten, en dus ook de SKJ-wet, op termijn overbodig zouden worden.

De wetgeving ten aanzien van het voorkomen en bestrijden van voortijdige schooluitval zoals die in het Europese deel van Nederland is vastgelegd in de WEB, de WVO 2020 en de WEC,7 werd niet overgenomen in de BES-wetgeving omdat de SKJ-wet al in een aanpak van vsv voorzag.

2.3 Ontwikkelingen na 2010

Door het beleid van ‘legislatieve terughoudendheid’ werden diverse wetswijzigingen in de WEB niet overgenomen in de WEB BES. Het gevolg is dat deze twee onderwijswetten uit elkaar groeiden in plaats van naar elkaar toe. Ook werden de wettelijke kaders van de WEB BES veelal niet verder uitgewerkt in nadere regelgeving waardoor procedures niet altijd duidelijk zijn vastgelegd. Tot slot werden subsidie- en experimentregelingen op grond van de WEB niet altijd toegankelijk gemaakt voor onderwijsinstellingen en andere organisaties in Caribisch Nederland. Ondanks dat het niet onmogelijk is om dergelijke subsidie- en experimentenregelingen ook onder de WEB BES te brengen, liet de praktijk zien dat het bestaan van de twee verschillende stelsels binnen één land nog wel eens over het hoofd gezien. Hierdoor werden de in Europees Nederland geldende voorzieningen niet altijd beschikbaar in Caribisch Nederland.

In 2021 stapten de scholen voor voortgezet onderwijs op de overwegend Engelstalige bovenwindse eilanden Sint Eustatius en Saba volledig over op de onderwijsinrichting en examens van de Caribbean Examinations Council (CXC). Het gaat om de Gwendoline van Puttenschool op Sint Eustatius en de Saba Comprehensive School op Saba. Het onderwijs en de examinering van beide scholen is thans ingebed in Nederlandse regelgeving en leidt tot een Nederlands diploma op grond van de Wet voortgezet onderwijs 2020.8 Sindsdien verzorgt alleen de Scholengemeenschap Bonaire (hierna: SGB) nog beroepsonderwijs op grond van de WEB BES.

De kwaliteit van het beroepsonderwijs op Bonaire is aanzienlijk toegenomen. In 2018 werd door de Inspectie geconstateerd dat het beroepsonderwijs oftewel mbo aan de SGB voor het eerst voldeed aan de eisen voor basiskwaliteit. In 2022 stelde de Inspectie dat de school niet alleen de basiskwaliteit heeft weten te behouden maar dat er over de gehele linie sprake is van groei van het aantal leerlingen en studenten, een doordachte verdere ontwikkeling van het onderwijs en een verdere verbetering van de kwaliteit9. In hoeverre de kwaliteit van het onderwijs gelijk is aan dat in Europees Nederland is nog moeilijk vast te stellen. Context en regelgeving zijn daarvoor te verschillend. Bovendien zijn er ook bij instellingen binnen Europees Nederland verschillen in kwaliteit en zijn er nog geen normen vastgesteld om de onderwijsresultaten in Caribisch Nederland te beoordelen. Duidelijk is wel dat het mbo-onderwijs op Bonaire grote stappen heeft gezet en daarmee een basis heeft gelegd waarmee de Europees Nederlandse kwaliteitsnormen binnen bereik lijken te komen.

Ten aanzien van de SKJ-wet geldt dat na inwerkingtreding van deze wet een aantal zaken voor de uitvoeringspraktijk niet in nadere regelgeving is vastgelegd. Zo is er geen regelgeving voor de berekening van de bekostiging en is de bekostiging niet gekoppeld aan het aantal kandidaten, maar bij invoering van de SKJ-wet vastgesteld zonder een duidelijke relatie met de praktijk. In de uitvoeringspraktijk is zichtbaar dat, conform de verwachtingen, het aantal SKJ-kandidaten aanzienlijk lijkt te zijn afgenomen.

3. Hoofdlijnen van het voorstel

In plaats van te investeren in verbeteringen van de WEB BES en de SKJ-wet kiest de regering om voormelde redenen voor één wettelijk kader voor heel Nederland als het gaat om beroepsonderwijs, volwasseneducatie en de bestrijding van voortijdig schoolverlaten. Dit betekent niet dat de wet op alle onderdelen voor beide delen van Nederland helemaal hetzelfde zal zijn. Op sommige onderdelen is differentiatie noodzakelijk, omdat de context van het Europese deel verschilt met die van het Caribische deel. Hieronder worden de belangrijkste veranderingen voor het beroepsonderwijs op Bonaire en voor volwasseneneducatie en de aanpak van voortijdig schoolverlaten voor alle drie de eilanden als gevolg van dit wetsvoorstel beschreven. Daarnaast worden ook de belangrijkste afwijkende of aanvullende regels toegelicht die in het wetsvoorstel zijn opgenomen om de nieuwe wetgeving ook in de Caribisch Nederlandse context uitvoerbaar te houden.

3.1 Erkenning beroepsopleidingen

De WEB BES schrijft voor dat mbo-instellingen alleen opleidingen mogen aanbieden die zijn opgenomen in de Regeling vaststelling kwalificaties en opleidingsdomeinen BES.10 Daarnaast moet een (bekostigde of niet-bekostigde) mbo-instelling op Bonaire voor elke opleiding uit de regeling die zij wil aanbieden, eerst een diploma-erkenning aanvragen.11 De Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN) adviseert de minister over de arbeidsmarktrelevantie en doelmatigheid van de aangevraagde beroepsopleidingen.12 Pas daarna kan de minister van OCW een apart besluit nemen over het voor bekostiging in aanmerking brengen van die opleiding.13 In de praktijk wordt deze regeling niet proactief bijgehouden; een mbo-instelling in een openbaar lichaam kiest kwalificaties uit het Europees Nederlandse register en de regeling wordt af en toe bijgewerkt naar aanleiding van aan de instelling verstrekte diploma-erkenningen. De regeling heeft daarmee geen toegevoegde waarde. In de praktijk opereert een instelling voor beroepsonderwijs in een openbaar lichaam bij het bepalen welke opleidingen zij wil aanbieden al zoals een mbo-instelling onder de WEB in Europees Nederland. Met het verschil dat ook de bekostigde instelling voor elke nieuwe opleiding die zij wil aanbieden nog diploma-erkenning bij de minister aanvraagt, omdat de WEB BES dit nu eenmaal voorschrijft.

Voorgesteld wordt de procedures voor diploma-erkenning en bekostiging in Caribisch Nederland in beginsel gelijk te trekken aan de procedures die in Europees Nederland gelden. Op grond van de WEB hebben bekostigde mbo-instellingen een zorgplicht voor arbeidsmarktperspectief en doelmatigheid van hun opleidingsaanbod. Deze eigen verantwoordelijkheid geldt straks ook voor de bekostigde instelling op Bonaire. Hierdoor hoeft zij – anders dan nu het geval is – niet voor elke opleiding apart een diploma-erkenning aan te vragen.14

Wel gelden in aanvulling daarop voor het bekostigd beroepsonderwijs in Caribisch Nederland de volgende verbijzondering. De zorgplichten doelmatigheid en arbeidsmarktperspectief worden in Europees Nederland primair getoetst door de instellingen zelf in onderling overleg. Zij behoren in eerste instantie zelf te bewaken dat er geen nieuwe opleiding wordt gestart in strijd met die zorgplichten. Omdat er – anders dan in Europees Nederland – slechts één bekostigde instelling voor beroepsonderwijs in Caribisch Nederland is, namelijk de SGB, is er vanwege de geografische afstand met de andere instellingen in Europees Nederland geen sprake van afstemming van het opleidingsaanbod tussen bekostigde instellingen onderling. Kortom, voor de SGB is overleg met de instellingen in Europees Nederland wat dit betreft niet van belang. Vanwege het relatief geringe aantal studenten op de SGB is het desondanks uitermate belangrijk dat het opleidingsaanbod zorgvuldig wordt afgestemd met de eveneens relatief beperkte regionale arbeidsmarkt. Vanwege deze kwetsbaarheden ten aanzien van het functioneren van een goed opleidingsaanbod in Caribisch Nederland en het ontbreken van zelfregulering zoals in Europees Nederland, wordt voorgesteld wettelijk te gaan vastleggen dat een bekostigde instelling in Caribisch Nederland haar voornemen tot het starten van een nieuwe opleiding eerst bespreekt met de ROA CN. In dit overleg dient ook arbeidsmarktperspectief en beschikbaarheid van leerbedrijven ten behoeve van de beroepspraktijkvorming, te worden besproken. Eventuele verschillen van inzicht over de doelmatigheid en arbeidsmarktperspectief van de betreffende opleiding kunnen worden voorgelegd aan de minister van OCW. In dat geval zal de minister vervolgens, conform de reeds bestaande procedures op grond van de WEB, de Commissie macrodoelmatigheid mbo om een onafhankelijk advies kunnen vragen.15

3.2 Bekostiging beroepsopleidingen

Op grond van de WEB BES kunnen instellingen een aanvraag indienen om een reeds erkende beroepsopleiding voor bekostiging in aanmerking te laten komen. Op grond van de huidige WEB BES is er dus een tweetrapsprocedure.16 Door over te gaan naar één wettelijk kader komt de tweetrapsprocedure te vervallen. Daarnaast komt de strikte grenswerking van de sectorwet te vervallen, waardoor de WEB zowel voor het Europese als voor het Caribische deel van Nederland geldt. Door de territoriale grenswerking die er tot nu toe bestaat voor de WEB versus de WEB BES, is het voor Europees Nederlandse bekostigde instellingen niet toegestaan onderwijs te verzorgen in Caribisch Nederland. De WEB is immers alleen van toepassing op het Europese deel van Nederland en de WEB BES is alleen van toepassing op het Caribische deel van Nederland. De reikwijdte van deze wetten is daardoor ook territoriaal begrensd. In theorie zouden er meerdere bekostigde mbo-instellingen op Bonaire kunnen bestaan. Versnippering van het bekostigd beroepsonderwijs op Bonaire is echter onwenselijk. Het geringe studentenvolume (746 mbo-studenten voor het studiejaar 2024–2025) op een eiland met circa 25.000 inwoners maakt het al een forse uitdaging voor de instelling zelf om een zo breed mogelijk aanbod aan beroepsopleidingen in stand te houden en tegelijkertijd die instelling in staat te stellen een structurele kwaliteitsborging te realiseren.17 Om in Caribisch Nederland de kwaliteit van het beroepsonderwijs in stand te houden, de versnippering van het beroepsonderwijs te voorkomen en een doelmatig aanbod aan beroepsopleidingen te waarborgen, wordt in dit wetsvoorstel geregeld dat voor het aanbieden van bekostigde beroepsopleidingen in een openbaar lichaam door andere bekostigde instellingen dan de SGB als thans enige bekostigde instelling aldaar, vooraf instemming van de minister moet worden verkregen. Dit is dus een tweede verbijzondering voor het bekostigde beroepsonderwijs in Caribisch Nederland.

Deze systematiek is vergelijkbaar met die voor onderwijsinstellingen in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), waar op grond van artikel 7.1.7, tweede lid, WHW toestemming is vereist voor het openen van een nieuwe vestiging van een hogeschool of universiteit in zowel een andere gemeente als in een ander openbaar lichaam.

Binnen Europees Nederland kunnen bekostigde mbo-instellingen zelf bepalen waar zij eventueel nieuwe vestigingen openen; de minister kan zo nodig (vaak achteraf) ingrijpen als de macrodoelmatigheid of het arbeidsmarktperspectief in het geding is. Instemming vooraf om zelfstandig een beroepsopleiding in een openbaar lichaam te kunnen verzorgen, is echter nodig. Het voorkomt namelijk dat studenten die reeds aan een beroepsopleiding zijn begonnen, in de problemen komen, indien de minister naderhand het recht op bekostiging voor die opleiding ontneemt. Deze studenten kunnen immers niet gemakkelijk overgeschreven worden naar een vergelijkbare, laat staan dezelfde opleiding op hetzelfde eiland. Het voorkomt op deze manier ook ondoelmatige besteding van bekostigingsmiddelen. Dit alles betekent overigens niet dat Europees Nederlandse instellingen niet betrokken kunnen zijn bij het verzorgen van beroepsonderwijs in Caribisch Nederland, bijvoorbeeld in de vorm van een samenwerkingscollege als bedoeld in hoofdstuk 8, titel 6, van de WEB. Echter, gelet op de relatief kwetsbare positie van het beroepsonderwijs in Bonaire zal de betrokkenheid bij voorkeur in samenwerking met, of onder verantwoordelijkheid van de reeds bestaande instelling plaatsvinden.

In de WEB worden instellingen bij wet voor bekostiging in aanmerking gebracht.18 Met de overgang naar de WEB wordt het mbo-deel van de SGB aangemerkt als bekostigde instelling. Op grond van de WVO 2020 wordt de SGB voor de bekostiging nu echter als scholengemeenschap aangemerkt.19 Daarmee is haar status onduidelijk. Dit terwijl zij ook beroepsonderwijs aanbiedt. Deze onduidelijkheid is onnodig omdat het wettelijk kader voor dit soort situaties het begrip verticale scholengemeenschap kent.

Op dit moment is de SGB materieel al vergelijkbaar met een verticale scholengemeenschap omdat zij als scholengemeenschap voortgezet onderwijs én beroepsonderwijs verzorgt en voor de gehele school één college van bestuur en één raad van toezicht heeft. Omdat de SGB reeds voor 1 januari 2020 ook havo en vwo aanbood, wordt zij bij wijze van uitzondering en overeenkomstig artikel 2.6.1, derde lid, WEB in haar geheel als verticale scholengemeenschap aangemerkt. Voor een verticale scholengemeenschap is reeds expliciet vastgelegd welke wetgeving er van toepassing is: voor de school die het voortgezet onderwijs verzorgt, geldt dat zij onder de WVO 2020 valt, terwijl de instelling die het beroepsonderwijs verzorgt onder de WEB valt. Voor medezeggenschap en onderwijshuisvesting echter volgt de gehele verticale scholengemeenschap, dus ook het voortgezet onderwijs, de WEB. Voor de SGB betekent dit dat zij, anders dan thans onder de WEB BES en WVO 2020, zelf verantwoordelijk kan gaan worden voor haar onderwijshuisvesting. Dit is echter pas het geval nadat het overgangsrecht op grond van artikel 11.1b WEB BES zal komen te vervallen. De inzet is erop gericht met het openbaar lichaam Bonaire, dat op grond van voornoemd overgangsrecht nog samen met de minister van OCW verantwoordelijkheid draagt voor de onderwijshuisvesting van de SGB, hierover afspraken te maken.

Daarom voorziet dit wetsvoorstel in artikel 13.2.5 (nieuw) WEB in een grondslag om de tijdelijke huisvestingsvoorziening, thans geregeld in voornoemd artikel 11.1b WEB BES, te behouden zolang dat wenselijk is. In het verlengde hiervan wordt tevens voorgesteld in het overgangsrecht voor de tijdelijke huisvestingsvoorziening in de sectoren primair en voortgezet onderwijs te verduidelijken dat dit overgangsrecht niet alleen per sector maar daarbinnen ook per openbaar lichaam kan worden beëindigd. Voor het mbo is dit niet nodig, omdat er alleen in Bonaire een bekostigde mbo-instelling is.

De omvang van de bekostiging wordt niet gewijzigd met dit wetsvoorstel. Nu is de bekostiging voor het beroepsonderwijs op Bonaire nog gebaseerd op de WVO 2020. Dit past niet bij een verticale scholengemeenschap, waarbij het uitgangspunt is dat de WVO 2020 van toepassing is op het voortgezet onderwijs en de WEB op het beroepsonderwijs. Daarom wordt de grondslag voor de bekostiging voor het mbo-deel van de SGB verplaatst van de WVO 2020 naar de WEB.20 Er is hiermee uitsluitend sprake van een technische wijziging.

De berekeningswijze zelf wijzigt niet. De bekostigingssystematiek voor het mbo-deel aan de SGB blijft inhoudelijk vergelijkbaar met de vereenvoudigde bekostiging voor het voortgezet onderwijs op Bonaire. Deze systematiek en de daaruit voortvloeiende berekeningswijze zijn in 2021 herijkt.21 Hierin wordt rekening gehouden met de specifieke context op de eilanden zoals de kleinschaligheid van het onderwijs en het loon- en prijsniveau. Er is geen reden hierin inhoudelijke verandering aan te brengen. Daarmee blijft, ook onder de WEB na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, de bekostiging van de mbo-instelling op Bonaire anders dan voor de mbo-instellingen in Europees Nederland.

3.3 Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN)

Volgens de WEB BES heeft ROA CN een wettelijke taak om te adviseren over arbeidsmarktrelevantie en doelmatigheid van beroepsopleidingen en om zorg te dragen voor het erkennen van leerbedrijven voor de beroepspraktijkvorming van opleidingen. In de WEB zijn de instellingen zelf verantwoordelijk voor het naleven van de twee eerstgenoemde zorgplichten, waarbij ze elkaar via de verplichte start- en stopmelding informeren over hun plannen.22 De minister van OCW kan, al dan niet na een advies van de Commissie macrodoelmatigheid, naleving afdwingen. De erkenningstaak is belegd bij de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven (SBB). SBB en ROA CN werken tot nu toe elk op basis van een eigen erkenningsreglement en houden elk een eigen register van erkende leerbedrijven bij. De erkenningsreglementen en daarmee de procedures van en voorwaarden voor erkenning van een leerbedrijf zijn vrijwel identiek.

Gelet op de lokale en regionale expertise en de aanwezigheid van ROA CN op alle drie de openbare lichamen, behoudt ROA CN ook onder de WEB in grote lijnen zijn wettelijk toebedeelde taken. Dat betekent dat er in de WEB straks twee organisaties zijn aangewezen om leerbedrijven te erkennen: SBB en ROA CN. Zij zullen dat in de nieuwe situatie op basis van het SBB-reglement doen. Ook zal er één gezamenlijke registratie van SBB zijn waarin alle erkenningen van leerbedrijven onder de WEB zullen worden opgenomen. Het uitgangspunt is dat de ROA CN in ieder geval zorgdraagt voor de erkenning van leerbedrijven in Caribisch Nederland, ook wanneer het leerbedrijven betreft waar studenten uit Europees Nederland hun beroepspraktijkvorming willen doen. De SBB draagt zorg voor erkenning van leerbedrijven in Europees Nederland en leerbedrijven buiten Nederland ten behoeve van de zogenoemde buitenlandstages. In onderling overleg kan bij de werkverdeling tussen ROA CN en SBB van deze uitgangspunten worden afgeweken. Een erkenning door ROA CN en een erkenning door de SBB zijn volledig gelijkwaardig voor alle opleidingen onder de WEB.

ROA CN heeft, anders dan SBB, geen taak ten aanzien van het ontwikkelen en onderhouden van de kwalificatiestructuur.23 Vanuit dat perspectief wordt een bestuurlijke vertegenwoordiging vanuit onderwijs en bedrijfsleven voor ROA CN, zoals in de WEB BES was vastgelegd,24 niet langer strikt noodzakelijk geacht. Wel wordt, gelet op de wettelijke taken en financiële afhankelijkheid van ROA CN, voorgesteld de voorzitter van het bestuur en diens plaatsvervanger in het vervolg door de minister te laten benoemen. Dit ook in verband met diens ministeriële verantwoordelijkheid jegens het parlement. Het wordt ROA CN niet toegestaan om andere activiteiten uit te voeren dan de wettelijk voorgeschreven taken. Aangezien hij dit in de praktijk tot nu toe ook niet doet, levert dit geen problemen op. Dat betekent overigens dat ROA CN een zelfstandig bestuursorgaan blijft, met dien verstande dat de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen niet van toepassing is in Caribisch Nederland. Daarom wordt in dit wetsvoorstel ministeriële goedkeuring van statuten en een eventueel bestuursreglement van ROA CN voorgeschreven.

3.4 Het beroepsonderwijs

De herziene kwalificatiestructuur die in 2016 in Europees Nederland werd ingevoerd, is niet verwerkt in de WEB BES en dus nog niet van toepassing in Caribisch Nederland. Wel volgt de SGB, mede op advies van het ministerie van OCW, zoveel mogelijk de meest actuele kwalificaties die opgebouwd zijn volgens de herziene kwalificatiestructuur. Dat betekent dat elke opleiding (kwalificatie) bestaat uit:

  • (a) een basisdeel met de generieke onderdelen Nederlandse taal, rekenen, loopbaanoriëntatie en burgerschap en voor mbo-niveau 4 ook de Engelse taal, en daarnaast gemeenschappelijke elementen die gelden voor alle kwalificaties in het betreffende kwalificatiedossier zoals kerntaken, werkprocessen, vakkennis, vaardigheden en houdingsaspecten;

  • (b) een profieldeel met de meer specifieke elementen voor betreffende kwalificatie; en

  • (c) één of meerdere keuzedelen.

Dat de herziene kwalificatiestructuur niet formeel van toepassing is maar in de praktijk wel wordt gevolgd, heeft tot onduidelijkheden in de uitvoering geleid. Dat komt doordat in de WEB met de herziene kwalificatiestructuur een koppeling is gemaakt met de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen, die in Caribisch Nederland thans niet van toepassing is op het beroepsonderwijs. Tevens is ook het Examen- en kwalificatiebesluit WEB (EKB WEB) met nadere regelgeving ten aanzien van de herziene kwalificatiestructuur en de examinering niet van toepassing in Caribisch Nederland. Hierdoor is wettelijk niet geregeld in hoeverre de generieke onderdelen taal en rekenen meetellen voor het diploma, welke referentieniveaus er gehanteerd (moeten) worden, in hoeverre keuzedelen verplicht zijn, of verouderde kwalificaties (met oude opleidingscodes) nog mogen worden aangeboden als er inmiddels voor de betreffende opleiding een nieuwe opleidingscode (voorheen crebonummer) in de Registratie instellingen en opleidingen (RIO) is vastgesteld, en of er certificaten mogen worden verstrekt voor onderdelen van de kwalificaties of voor keuzedelen.

Ook op andere punten ten aanzien van het onderwijs wijkt de WEB BES af van de WEB doordat de pendant van wijzigingen in de WEB en onderliggende regelgeving sinds 2010 voor de WEB BES lang niet allemaal in werking zijn getreden. Zo kent de WEB BES geen derde leerweg, geen wettelijk vastgestelde nominale studieduur van opleidingen, geen centrale examinering en kent zij andere urennormen dan de WEB bepaalt voor beroepsopleidingen.

Met dit wetsvoorstel wordt de herziene kwalificatiestructuur, inclusief de generieke kwalificatie-onderdelen, ook formeel ingevoerd op Bonaire. Een belangrijke uitzondering daarop is nodig voor de examinering van Nederlandse taalvereisten.

Zoals gezegd maakt de herziene kwalificatiestructuur uit 2016 een koppeling met de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.25 De generieke kwalificatie-eisen voor rekenen en voor Nederlandse taal maken daarmee deel uit van ieder kwalificatiedossier. Dit geldt ook voor een kwalificatiedossier dat de basis vormt voor een beroepsopleiding in Caribisch Nederland. Ook de andere generieke onderdelen loopbaan en burgerschap en Engels (alleen voor mbo-4) maken deel uit van een kwalificatiedossier en vormen daarmee een verplicht onderdeel van een beroepsopleiding. Beide laatstgenoemde generieke kwalificatie-onderdelen zijn in lagere regelgeving verplicht gesteld voor een beroepsopleiding.26 Iedere student komt dus met ten minste drie generieke kwalificatie-onderdelen in aanraking. De student die een middenkader- of specialistenopleiding doet, heeft alle generieke onderdelen in zijn of haar onderwijsprogramma.

De Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen is vastgesteld op 29 april 2010 en was destijds bedoeld voor leerlingen en studenten die in het Europese deel van Nederland wonen, leren en studeren. Daarbij is nog geen rekening gehouden met de staatkundige wijziging van 10 oktober 2010. De in die wet vastgestelde taalniveaus voor primair onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs, houden geen rekening met de context in Bonaire die wezenlijk anders is en differentiatie in wet- en regelgeving vereist. Bonaire kent wettelijk twee bestuurstalen: het Papiaments en het Nederlands. In de praktijk is het eiland meertalig aangezien er ook Spaans en Engels wordt gesproken. Het Nederlands is voor de meeste leerlingen en studenten in Bonaire niet de moedertaal. Ook is Nederlands niet de dominante voertaal op het eiland. Leerlingen en studenten op Bonaire komen daardoor veel minder in aanraking met de Nederlandse taal dan leerlingen en studenten in Europees Nederland. Bij veel werkgevers, en dus ook bij erkende leerbedrijven, wordt nauwelijks of geen Nederlands gesproken. De Nederlandse taal is voor de meeste inwoners een vreemde taal en niet de dagelijkse spreektaal. Ook al is het Nederlands op grond van de wet in beginsel de instructietaal in het mbo; in de praktijk moeten docenten de Nederlandstalige uitleg en instructies regelmatig verduidelijken in één of meerdere andere talen. De praktijk is weerbarstig en meertalig.

De SGB heeft in de afgelopen periode bij wijze van proef de Nederlandse taalvaardigheid van haar mbo-examenstudenten getoetst volgens de op grond van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen aangewezen beheersingsniveaus en de op grond van de WEB geldende exameneisen. De resultaten telden niet mee voor het behalen van een diploma; op grond van de nu nog geldende WEB BES worden geen specifieke referentieniveaus voorgeschreven, omdat die wet geen koppeling maakt met de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. De resultaten van de proef laten zien dat, wanneer de Europees Nederlandse eisen ook voor de studenten in Bonaire zouden gelden, slechts 20% van de studenten een diploma zou hebben behaald. Dit terwijl de school naar eigen zeggen al relatief veel aandacht aan de Nederlandse taal schenkt. Mogelijk kunnen de resultaten nog verbeterd worden. De school verkent momenteel ook de mogelijkheden van een andere taalbenadering die beter past in een meertalige context. De benadering van Nederlands als Vreemde Taal wordt vaak genoemd, maar er is nog weinig informatie over wat dit in den brede zou betekenen voor didactische vereisten, lesmateriaal en examens, en of hiermee de resultaten ook daadwerkelijk verbeterd zouden kunnen worden.

Op dit moment bestaat er onvoldoende onderzoek over de wijze waarop in het onderwijs op Bonaire met de Nederlandse taal omgegaan zou kunnen worden, en welke taalniveaus en resultaten uiteindelijk haalbaar zouden zijn. Het voornemen bestaat daarom de lagere regelgeving zo vorm te geven dat de huidige praktijk in Bonaire vooralsnog kan worden gecontinueerd. Dat betekent dat de in Europees Nederland geldende referentieniveaus voor de Nederlandse taal op Bonaire als richtlijn gehanteerd blijven worden. Het vak Nederlands wordt ook geëxamineerd, maar de resultaten tellen niet mee in de slaag-zakbepaling. De mbo-instelling en de student hebben een inspanningsverplichting om een zo hoog mogelijk taalvaardigheidsniveau te behalen. Dat is ook van belang in verband met eventuele verhuizing naar Europees Nederland in verband met een vervolgopleiding of werk. Alleen in opleidingen waarvoor een wettelijk beroepsvereiste ten aanzien van Nederlandse taalvaardigheid geldt, dient wel aan dit wettelijk vereiste taalniveau te worden voldaan om een diploma te kunnen verkrijgen. Dit is slechts anders als in het kwalificatiedossier en de specifieke wetgeving waaruit een dergelijk beroepsvereiste voortvloeit, zelf voorziet in een gedifferentieerde benadering voor Caribisch Nederland, zoals voor de kinderopvang is geregeld.27 De inspanningen en resultaten worden de komende jaren goed gemonitord, door de SGB zelf maar ook door de Inspectie. Voor de generieke kwalificatie-eisen rekenen of burgerschap lijkt gedifferentieerde regelgeving voor de examinering overigens niet nodig te zijn.

De vraag om meer differentiatie ten aanzien van de referentieniveaus Nederlandse taal in het mbo, bestaat overigens ook in Europees Nederland. Naar aanleiding van de evaluatie van de referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen28 is er een expertgroep samengesteld die in 2025 met een advies zal komen voor een mogelijke herijking van de referentieniveaus. Deze expertgroep zal zich ook buigen over de specifieke context op Bonaire en voorstellen doen voor een bij deze context passende differentiatie.

Gelet op de hierboven beschreven situatie ligt het meest voor de hand om in het EKB WEB een aanpassing te doen, zodat de (afwijkende) regelgeving voor Bonaire helder wordt vastgelegd. Het voordeel hiervan is ook dat dan duidelijk wordt aan welke exameneisen een diploma van het beroepsonderwijs in Caribisch Nederland moet voldoen.

De vraag kan worden gesteld wat het niet mee laten tellen van de examenresultaten van het vak Nederlands betekent voor de civiele waarde van een diploma dat is behaald op Bonaire en voor de doorstroommogelijkheden naar vervolgonderwijs. In principe verandert hier niets aan met de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. In de huidige wetgeving hebben mbo-diploma’s behaald op Bonaire dezelfde civiele waarde als mbo-diploma’s in Europees Nederland en geven deze diploma’s ook doorstroomrecht.29 Dat doorstroomrecht bestaat ook op basis van mbo-diploma’s behaald in één van de andere landen van ons Koninkrijk waar ook geen Nederlandse taalvereisten zijn gekoppeld aan het verkrijgen van een diploma. Interessant is in dit opzicht het beleid op Aruba waar in het mbo een onderscheid wordt gemaakt tussen een arbeidsmarktroute en een doorstroomroute. Studenten die voor de doorstroomroute kiezen krijgen het vak Nederlands op een hoger niveau aangeboden dan studenten in de arbeidsmarktroute. Analoog aan dit model zouden mbo-niveau 4 studenten op Bonaire die door willen stromen naar het hoger onderwijs in Europees Nederland wellicht een extra keuzevak Nederlands kunnen doen om het in Europees Nederland vereiste taalvaardigheidsniveau te behalen. Dit zijn opties die de komende tijd verder verkend zullen worden. Bij dit alles moet worden bedacht dat de meerderheid van de afgestudeerden niet doorstroomt naar een vervolgopleiding of de arbeidsmarkt in Europees Nederland.

Bij de evaluatie van deze wet over circa vijf jaar zullen het advies van de expertgroep en de informatie verkregen uit de monitoring worden betrokken om tot nadere besluitvorming te kunnen komen. Voor nu is het belangrijkste dat het beroepsonderwijs in Caribisch Nederland de kans krijgt de integratie in de WEB met bijbehorende normen op een goede manier te verwerken, daarbij aandacht te blijven houden voor meertaligheid van de studenten zoals nu ook al het geval is, en dat de wetgever zorgt voor duidelijke normen die met voldoende inspanning haalbaar zijn voor de instelling en de meerderheid van de studenten.

3.5 Volwasseneneducatie

Op grond van de WEB draagt het college van burgemeesters en wethouders zorg voor een aanbod van opleidingen educatie.30 Dit zijn opleidingen gericht op de zelfredzaamheid van volwassenen, zoals alfabetisering, rekenvaardigheden en digitale vaardigheden.31 Deze verplichting gaat in dit wetsvoorstel ook gelden voor de bestuurscolleges van de drie openbare lichamen. Anders dan in Europees Nederland, zullen zij hiervoor naar eigen inzicht middelen uit het BES-fonds, de zogenoemde vrije uitkering, ontvangen. Dit betekent dat zij geen bijzondere uitkering ontvangen op grond van artikel 91 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De regering zal zich inspannen om de vrije uitkering vanwege deze extra wettelijke taak te verhogen. In afwijking van de WEB wordt voorgesteld dat de bepalingen ten aanzien van een regionaal programma, regionale samenwerking en een coördinerende rol voor een aangewezen contactgemeente binnen de regio, niet gaan gelden voor Caribisch Nederland. Ook vanwege de geografische afstand tussen de drie eilanden is een regiofunctie op dit moment niet opportuun. Elk openbaar lichaam stelt dus een eigen programma ten behoeve van volwasseneneducatie op en financiert de uitvoering van dat programma uit de hem ter beschikking staande vrije uitkering.

De bestuurscolleges mogen daarbij in hun aanbod aan opleidingen educatie voor hun volwassen inwoners ook het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) opnemen.32 Dit is dus anders dan in Europees Nederland, waar vavo wordt verzorgd aan roc’s. De reden voor deze andere benadering is dat op Sint Eustatius en Saba geen regionaal opleidingencentrum (roc) in de zin van de WEB is gevestigd. Volgens artikel 2.1.2 van de WEB komt alleen een roc in aanmerking voor de bekostiging van een opleiding vavo. In Bonaire kan met de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel straks ook de bekostigde mbo-instelling hiervoor op aanvraag in aanmerking worden gebracht.33 Daarnaast kan overigens een opleiding vavo ook onbekostigd worden aangeboden door een onderwijsorganisatie met diploma-erkenning op grond van artikel 1.4a.1 WEB.

3.6 Medezeggenschap

Deze paragraaf is alleen relevant voor Bonaire, omdat alleen daar een bekostigde mbo-instelling actief is. Nu die instelling als verticale scholengemeenschap wordt aangemerkt, wordt de medezeggenschap van zowel de instelling als de school (samen de verticale scholengemeenschap) straks gereguleerd door de WEB.

De kaders voor medezeggenschap volgens de WEB BES wijken sterk af van die in de WEB. In de BES-wetgeving is slechts vastgelegd dat het bevoegd gezag een representatieve vertegenwoordiging van ouders, leerlingen, studenten en personeel tenminste tweemaal per jaar in de gelegenheid stelt de algemene gang van zaken in de instelling met hem te bespreken.

Gelet op het belang dat in Nederland wordt gehecht aan medezeggenschap, wordt voorgesteld de wettelijke medezeggenschapskaders van de WEB integraal van toepassing te verklaren voor het bekostigd beroepsonderwijs in een openbaar lichaam. Voor de SGB betekent dit, dat zij als verticale scholengemeenschap, een ouderraad en een studentenraad als bedoeld in hoofdstuk 8a van de WEB, en een ondernemingsraad als bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden (WOR) moet inrichten ten behoeve van het personeel, studenten, leerlingen en ouders van zowel de school als de mbo-instelling. Deze raden hebben op grond van beide wetten allerlei wettelijk vastgelegde advies- en instemmingsbevoegdheden. In de praktijk bestaan deze raden aan de SGB al wel, maar zijn hun bevoegdheden niet formeel vastgelegd. In ieder geval zullen de bevoegdheden van de verschillende medezeggenschapsraden onder de WEB en WOR aanzienlijk uitgebreider zijn dan in de huidige situatie. Ten behoeve van een goed functionerende medezeggenschap dient tevens een medezeggenschapsreglement te worden vastgesteld. Op grond van artikel 8a.3.1, tweede lid, WEB dienen in dat reglement in ieder geval regels te worden gesteld over allerlei procedurele aspecten, zoals beslistermijnen om tot een advies of instemming te komen. In geval van onoplosbare geschillen kunnen deze geschillen over medezeggenschapsrechten, conform de bestaande procedures in de WEB, worden voorgelegd aan de Landelijke geschillencommissie medezeggenschap. Deze is bereid op verzoek een digitale hoorzitting te organiseren alvorens tot een uitspraak te komen, zodat niet naar Utrecht behoeft te worden afgereisd.34 Ook staat eventueel beroep bij de rechter open. Dit is dan bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Voor de goede orde wordt nog opgemerkt dat de WOR ten algemene niet van toepassing wordt in Caribisch Nederland. Dit wetsvoorstel regelt, door middel van een nieuwe bepaling in de WEB, dat de WOR uitsluitend als onderdeel van een medezeggenschapsstructuur voor een mbo-instelling of voor een verticale scholengemeenschap voor het personeel daarvan van overeenkomstige toepassing wordt in Caribisch Nederland. Dit geldt met dien verstande dat een andere bevoegde rechter is aangewezen in de WEB zoals in de alinea hierboven aangegeven.

3.7 Informatiesystemen

Informatiesystemen als de Registratie instellingen en opleidingen (RIO) en het Register onderwijsdeelnemers (ROD) worden thans nog niet benut in en ten behoeve van Caribisch Nederland. Deels heeft dit met technische belemmeringen te maken, maar deels ontbreekt ook de juridische grondslag voor een volledige uitrol. Als het gaat om het mbo in Bonaire is nu alleen geregeld dat de basisgegevens voor bepaalde doeleinden mogen worden gedeeld.35 Dit wetsvoorstel voorziet in de juridische grondslag om noodzakelijke informatie over het onderwijs en hun leerlingen en studenten in Caribisch Nederland op dezelfde manier en in dezelfde systemen te registeren en uit te kunnen wisselen als dat in Europees Nederland gebeurt.

Door het ontbreken van deze registratiesystemen bestaat er bij het ministerie van OCW momenteel nog geen doorwrochte stelselinformatie van jaar op jaar over indicatoren als studiesucces, diplomaresultaat, verzuim en uitval in Caribisch Nederland. Uiteraard hebben de school, het bestuurscollege, de leerplichtambtenaar en de organisatie die de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES uitvoert, zelf wel de nodige informatie, en houdt de Inspectie toezicht. Maar deze fragmentarische informatie wordt niet systematisch gegenereerd en geregistreerd in het ROD of andere centrale registers. Ook is er thans nog handmatige verwerking van bekostigingsformulieren nodig. En tot slot heeft een student die zijn diploma heeft behaald in Bonaire, Sint Eustatius of Saba, nu nog geen toegang tot het diplomaregister (‘Mijn diploma’s’) op grond van de Wet register onderwijsdeelnemers. De diplomagegevens maken voor Caribisch Nederland nog geen onderdeel uit van het ROD.

Dit gemis aan een centraal register belemmert niet alleen de uitvoering van wet- en regelgeving, maar kan mogelijk ook leiden tot misverstanden over welke informatie mag worden gedeeld, voor welk doel, en met wie. Met een centraal register, gebonden aan duidelijke regels over toegankelijkheid en doelbinding, komt er een helderder wettelijk kader voor iedereen die betrokken is bij het onderwijs in Caribisch Nederland. Het streven is daarom alle aan het mbo gerelateerde informatiegegevens van Bonaire, die nodig zijn voor de uitvoering van wettelijke taken, volledig opgenomen te hebben in de RIO en het ROD, zo spoedig mogelijk na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Dit betreft naast de reeds geregelde basisgegevens, gegevens over verzuim, vrijstelling en diplomering. Volgens de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) zou dit mogelijk moeten zijn met ingang van studiejaar 2026–2027.

Een geautomatiseerde koppeling van gegevens over verzuim en vsv met informatiesystemen bij het openbaar lichaam en de instelling (leerplicht-, kwalificatieplicht- en Doorstroompunt-functie) met DUO is dus niet direct vanaf inwerkingtreding van het wetsvoorstel uitvoerbaar te maken. Ook zal het om technische redenen en vanwege het afwijkende CXC-onderwijssysteem met afwijkende vakcodes nog enige tijd duren voor uitgebreide onderwijsdata van Saba en Sint Eustatius in de RIO en het ROD kunnen worden opgenomen. Zoals blijkt uit deze toelichting is dit toch om meerdere redenen wel van belang. Daarom blijft hierop wel ambtelijke inzet gepleegd worden. Zie verder ook de paragrafen 5 en 6 met de consultatiereacties.

3.8 Aanpak voortijdig schoolverlaten (vsv)

In 2010 is ervoor gekozen de in de Nederlandse Antillen sinds 2006 bestaande sociale vormingsplicht vooralsnog in stand te houden op de drie BES-eilanden. Met een paar kleine aanpassingen van die vormingsplicht werd de SKJ-wet in het leven geroepen. Op hoofdlijnen schrijft de SKJ-wet voor dat het openbaar lichaam een projectbureau in stand houdt dat verantwoordelijk is voor de registratie van vsv-ers, deze jongeren oproept en doorverwijst naar onderwijs of arbeidsmarkt of, indien doorverwijzing nog geen optie is, een educatieve intake uitvoert op basis waarvan een passend sociaal kanstraject kan worden aangeboden. De kanstrajecten zelf worden door een door het openbaar lichaam bekostigde uitvoeringsorganisatie (de SKJ-organisatie) uitgevoerd. Het projectbureau houdt toezicht op deze uitvoeringsorganisatie terwijl de Inspectie belast is met het toezicht op de kwaliteit van de aangeboden kanstrajecten.

In 2020 is de uitvoering van de SKJ-wet geëvalueerd door extern onderzoeksbureau Oberon.36 Het onderzoeksrapport laat zien dat de praktijksituatie in een aantal opzichten sterk afwijkt van hetgeen in de wet beoogd wordt. De belangrijkste bevindingen zijn:

  • Op geen van de drie eilanden verloopt de samenwerking tussen de openbare lichamen en de SKJ-organisaties zoals bedoeld in de wet. Geen van de openbare lichamen heeft een functionerend projectbureau ten behoeve van de wettelijke taken ten aanzien van registratie, doorverwijzing of educatieve intake.

  • Op alle drie eilanden werven de SKJ-organisaties zelf kandidaten in plaats van dat deze door het openbaar lichaam worden aangeleverd nadat is gebleken dat doorverwijzing naar school of werk nog geen optie is.

  • Er is geen sprake van systematische registratie van vsv-ers noch van de uitstroom van jongeren uit de SKJ. In Saba en Sint Eustatius is de doelgroep zo klein dat er informeel wel een beeld bestaat, maar in Bonaire bestaat er ook geen goed beeld van de potentiële doelgroep van de sociale kanstrajecten.

  • De wettelijke positionering van de SKJ-organisaties kent een aantal complicerende factoren. Zij voeren een wettelijke onderwijstaak uit, staan deels onder toezicht van de Inspectie maar ontvangen geen rechtstreekse bekostiging van OCW. De SKJ-organisaties werken daarbij, formeel maar niet feitelijk, onder toezicht en verantwoordelijkheid van de openbare lichamen, maar zijn zelfstandige stichtingen. Elk openbaar lichaam ontvangt jaarlijks een bijzondere uitkering als bedoeld in artikel 91 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba ter tegemoetkoming in de kosten van de activiteiten van het projectbureau en overige SKJ-taken, maar zetten die uitkering van de minister van OCW doorgaans beleidsarm door naar de SKJ-organisaties.

  • De drie eilanden verschillen onderling sterk in deelnemersaantallen, de mate van schooluitval en de omvang van de potentiële doelgroep. Daarnaast verschillen ook de SKJ-organisaties onderling sterk van elkaar, zowel in de manier van uitvoering als in de schaalgrootte en daarmee de organisatieomvang en professionaliteit.

  • De bekostigingsgrondslagen dateren van vóór 2010 en zijn niet (meer) gekoppeld aan de omvang van de doelgroep, aantal deelnemers, geleverde inspanningen of realisatie van doelstellingen.

  • De procedures waarin de SKJ-organisaties jaarlijks subsidie aanvragen bij het openbaar lichaam en het openbaar lichaam een bijzondere uitkering aanvraagt bij de minister van OCW, leiden tot veel administratieve lasten en tot jaarlijkse onzekerheid over de financiering bij de SKJ-organisaties.

  • De doelgroep voor de kanstrajecten is kleiner geworden. Dat is op zich goed nieuws aangezien dit waarschijnlijk samenhangt met een afname van de voortijdige schooluitval. Maar dit heeft ook als gevolg dat zeker op de relatief kleinere eilanden Saba en Sint Eustatius een aanzienlijk deel van de SKJ-middelen opgaat aan overhead.

In het evaluatierapport wordt een aantal aanbevelingen gedaan voor wijziging van de wettelijke kaders en bekostiging, andere mogelijkheden van uitvoering en een sterkere samenwerking met het onderwijs en andere partijen binnen het sociaal domein. Daarbij is zicht hebben op de doelgroep een belangrijke voorwaarde. Het opvolgen van de aanbevelingen uit de evaluatie zou een forse herziening van de SKJ-wet vergen en ook intensieve aanpassingen van de huidige uitvoeringspraktijk met zich meebrengen. Een nadeel van een dergelijke herziening is dat er dan nog steeds twee verschillende stelsels in stand worden gehouden. Bovendien bevatten de aanbevelingen uit de evaluatie diverse elementen die in de Europees Nederlandse vsv-kaders al aanwezig zijn. Dit lijkt dus een goed moment om helemaal af te stappen van de SKJ-wet en over te stappen op het vsv-beleid zoals dat in Europees Nederlandse wetgeving is vormgegeven. Voor alle drie de eilanden wordt daarom voorgesteld de wettelijke kaders voor het voorkomen en bestrijden van voortijdig schooluitval zoals vastgelegd in de WEB en de WVO 2020 voor studenten beroepsonderwijs en vavo-studenten onderscheidenlijk leerlingen, op hoofdlijnen van toepassing te verklaren. Deze kaders zijn gericht op samenwerking tussen de relevante ketenpartners binnen het sociaal domein om ervoor te zorgen dat er een sluitende aanpak is bij het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten.

Ten opzichte van het Europees Nederlands model wordt wel een vereenvoudiging voorgesteld. In Europees Nederland zijn 40 regio’s vastgesteld waarbinnen wordt samengewerkt in een regionale aanpak voortijdig schoolverlaten. Dit zijn de RMC-regio’s (Regionale Meld- en Coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten of doorstroompunten). Elke regio heeft één contactgemeente en één contactschool die namens alle betrokken gemeenten respectievelijk alle betrokken scholen binnen de regio zorgdragen voor de regionale samenwerking en ontwikkeling en uitvoering van een regionaal programma. De contactgemeente heeft tevens een coördinerende rol bij de registratie, doorverwijzing en monitoring van voortijdig schoolverlaters binnen de regio. Het voornemen bestaat om de vsv-middelen te gaan berekenen aan de hand van de volgende indicatoren die in lagere regelgeving zullen worden vastgesteld:

  • het aantal onderwijsdeelnemers in de leeftijdsgroep van 12 tot 25 jaar; en

  • een vaste voet, gerelateerd aan het aantal inwoners per openbaar lichaam.

Gelet op de eilandelijke context wordt voorgesteld om in Caribisch Nederland de vsv-aanpak per openbaar lichaam afzonderlijk te organiseren en niet in een groter regionaal verband. De afstand tussen de eilanden maakt het organiseren van gezamenlijke vsv-voorzieningen nagenoeg onmogelijk en de situatie ten aanzien van voortijdig schoolverlaten is op elk van de eilanden ook dusdanig verschillend dat een gedifferentieerde aanpak nodig is. Dit betekent dat het bestuurscollege van elk openbaar lichaam afzonderlijk de wettelijke taak houdt om voortijdige schoolverlaters te registreren, door te verwijzen en te monitoren. In feite heeft het openbaar lichaam deze taak nu ook al op grond van de SKJ-wet. Om de uitvoering van deze wettelijke taak gemakkelijker te maken, is de registratie bij DUO van de verzuimgegevens in de zin van de Wet register onderwijsdeelnemers ook van belang zoals eerder aangegeven.

Voor de eilanden geldt vervolgens dat er een eilandelijk programma voor de aanpak van voortijdig schoolverlaten dient te worden opgesteld en niet een regionaal programma zoals in Europees Nederland het geval is. In dit programma wordt door de betrokken partijen op het eiland een analyse gemaakt van (risico’s van) voortijdig schoolverlaten en worden maatregelen opgenomen die worden ingezet teneinde voortijdige schooluitval te voorkomen en te bestrijden. In Europees Nederland is de contactgemeente eindverantwoordelijke voor dit regionaal programma. Voorgesteld wordt in Caribisch Nederland de verantwoordelijkheid hiervoor vooralsnog niet te beleggen bij de openbare lichamen. Gebleken is dat de openbare lichamen nog een flinke slag te maken hebben om hun wettelijke taken ten aanzien van registratie, doorverwijzing en monitoring op orde te brengen. Uitbreiding van verantwoordelijkheden zonder dat eerst de basis op orde is, lijkt niet wenselijk. Daarom is er voor gekozen de verantwoordelijkheid voor het tot stand brengen van een gezamenlijk eilandelijk plan vooralsnog bij de scholen voor voortgezet en beroepsonderwijs te beleggen. De scholen dienen hierbij wel samen te werken met andere relevante partijen binnen het sociaal domein. Zij dienen ten behoeve van de ontwikkeling en uitvoering van het programma een overlegstructuur in te richten waarin ook het openbaar lichaam deelneemt. Het openbaar lichaam is dus niet eindverantwoordelijk voor de totstandkoming van het programma, maar is wel medeverantwoordelijk en heeft op deze manier ook invloed.

Na het intrekken van de SKJ-wet is er geen wettelijke grondslag meer voor de SKJ-organisatie. Deze organisatie zal dan ook niet automatisch deel uitmaken van de overlegstructuur ten behoeve van het programma. Per eiland kan de school in samenspraak met het openbaar lichaam besluiten welke organisaties betrokken worden bij het opstellen van het programma of bij de uitvoering ervan. Dit kunnen ook de voormalige SKJ-organisaties zijn; zij hebben immers de nodige expertise en betrokkenheid op het gebied van het begeleiden van voortijdige schoolverlaters. Maar dit kan per eiland verschillen. Op deze manier bestaat er op de eilanden veel ruimte voor eigen keuzes en maatregelen die inspelen op de specifieke eilandelijke situatie en behoeften. De drie eilanden staan nog aan het begin van het ontwikkelen van een integraal vsv-beleid. Ook in Europees Nederland lag aanvankelijk de regie van het regionaal programma bij de onderwijspartijen omdat daar de eerste grote stappen gezet moesten worden zoals het uitvoeren van een aanwezigheidsbeleid, snelle interventies bij signalen van een risico van vsv, betere begeleiding en ondersteuning van jongeren in de overstap van vo naar mbo en betere begeleiding van jongeren op het mbo die een verkeerde studiekeuze lijken te hebben gemaakt.

Voorgesteld wordt af te stappen van de bijzondere uitkering voor de taken van het openbaar lichaam (bestuurscollege), zodat zowel de leerplichtambtenaar als de taken van het bestuurscollege op het gebied van registratie, monitoring en doorverwijzing naar onderwijs of arbeid kunnen worden betaald uit het BES-fonds.37 Dit fonds is vergelijkbaar met het Gemeentefonds in Europees Nederland.

De contactschool kan, net als de contactscholen in Europees Nederland, een subsidie aanvragen voor de uitvoering van het eilandelijk programma.

Omdat de integrale aanpak nieuw is en er nog flinke stappen gezet moeten worden om tot een dergelijke aanpak te kunnen komen, zal vanuit het ministerie van OCW de nodige ondersteuning geboden worden. Hierbij kan gedacht worden aan het faciliteren van uitwisseling met gemeenten en scholen in Europees Nederland maar het ministerie van OCW zal ook procesondersteuning bieden en als onafhankelijk lid deelnemen in de overlegstructuur en adviseren bij de ontwikkeling van het programma. Ook wordt gestimuleerd dat de drie eilanden eens per jaar hun programma’s en voortgang daarop met elkaar bespreken. Een soort van intervisie om van elkaar te leren, te inspireren en ook vanuit een breder perspectief naar de problematiek te kunnen kijken. Dit laatste is ook van belang, omdat de openbare lichamen er ‘alleen voor staan’ en anders dan in de rest van Nederland niet in een regionaal verband samenwerken.

3.9 Onderliggende voorzieningen

In Europees Nederland zijn diverse voorzieningen ontwikkeld die hun grondslag vinden in de WEB maar niet in de WEB BES. Als gevolg van die ontbrekende grondslag kunnen studenten, scholen, werkgevers of openbare lichamen ook geen beroep doen op deze voorzieningen. In dit wetsvoorstel is het uitgangspunt dat voorzieningen op grond van de WEB ook toegankelijk worden in Caribisch Nederland. Zo is er bijvoorbeeld het voornemen de Subsidieregeling praktijkleren op grond waarvan werkgevers in Europees Nederland in aanmerking komen voor subsidie als zij een bbl-student opleiden, ook toegankelijk te maken voor werkgevers in Caribisch Nederland. Voorts zullen openbare lichamen op grond van de WEB, net als gemeenten in Europees Nederland, educatiemiddelen ontvangen. Daar waar een bepaalde voorziening om uitvoeringstechnische redenen (nog) niet toegankelijk gemaakt kan worden voor Caribisch Nederland, zal indien er wel behoefte bestaat aan betreffende voorziening, expliciet bezien worden in welke vorm deze dan beschikbaar gemaakt kan worden.

Ook bij experimentenregelingen is het in het verleden voorgekomen dat de instellingen in Caribisch Nederland interesse toonden, maar niet mee konden doen omdat de experimenteer-amvb alleen gebaseerd was op de WEB en niet ook op de WEB BES. Nu de WEB ook van toepassing wordt verklaard in Caribisch Nederland, gelden in principe alle daaruit resulterende voorzieningen ook in Caribisch Nederland, tenzij anders is bepaald.

4. Verhouding tot ander recht
4.1 Grondwet

De Grondwet is van toepassing op heel Nederland en dus ook van belang voor de openbare lichamen Bonaire Sint Eustatius en Saba. Als het gaat om onderwijs is met name artikel 23 Grondwet van belang. Dit wetsvoorstel beperkt de vrijheid van onderwijs niet, behoudens als het gaat om het stellen van een extra deugdelijkheidseis voor het verzorgen van een bekostigde beroepsopleiding in een openbaar lichaam. Een reeds bekostigde instelling voor beroepsonderwijs die op 1 januari 2024 nog geen bekostigde beroepsopleiding verzorgde in een openbaar lichaam, heeft immers na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel toestemming van de minister van OCW nodig om die opleiding in aanmerking te laten komen voor bekostiging. Deze extra eis is nodig om de volgende redenen:

  • de kwaliteit van het bestaande beroepsonderwijs te beschermen;

  • te voorkomen dat studenten die aan die opleiding beginnen in een openbaar lichaam, waarvan naderhand het recht op bekostiging en diplomering kan worden ontnomen, worden benadeeld (zie ook paragraaf 3.2); en

  • in verband met de doelmatige besteding van de overheidsmiddelen.

De maatregel voldoet aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Indien immers aannemelijk kan worden gemaakt dat er wel behoefte is aan die specifieke opleiding, en ook voldaan kan worden aan de zorgplichten aangaande arbeidsmarktperspectief en doelmatigheid, kan de minister van OCW die opleiding voor bekostiging in aanmerking brengen.

Specifiek voor de openbare lichamen is artikel 132a, vierde lid, Grondwet ook van belang. Daarin is bepaald dat voor de BES-eilanden regels kunnen worden gesteld en andere specifieke maatregelen kunnen worden getroffen met het oog op bijzondere omstandigheden waardoor deze openbare lichamen zich wezenlijk onderscheiden van het Europese deel van Nederland. Hiervan is sprake. Met dit wetsvoorstel wordt immers niet alleen aangesloten bij het bestaande wettelijk kader zoals geregeld in de WEB en WVO 2020, maar worden soms ook specifieke en daarmee afwijkende of aanvullende regels gesteld voor de openbare lichamen, waarvan hierboven reeds een voorbeeld is gegeven. Dit is nodig om de kwaliteit van het beroepsonderwijs te behouden en de uitvoeringscapaciteit van een openbaar lichaam te ontzien. Vanwege dat laatste wordt de verplichting voor het opstellen van een eilandelijk programma met een maatregelenpakket ter voorkoming en bestrijding van voortijdig schooluitval bij de contactschool neergelegd in plaats van bij het bestuurscollege. Om dezelfde reden is er geen sprake meer van een bijzondere uitkering voor het vsv-beleid. Dit bespaart het bestuurscollege administratieve lasten. Wel komt er een bijzondere uitkering voor de financiering van de opleidingen educatie. Dit is vooralsnog nodig omdat deze opleidingen nog niet worden verzorgd in de openbare lichamen en er zo gestuurd kan worden op de besteding van de middelen.

De bijzondere positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbare lichamen in de zin van artikel 132a Grondwet is uitgewerkt in de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Deze wet is vergelijkbaar met de Gemeentewet. Voor Caribisch Nederland zijn er tientallen specifieke wetten van toepassing, los van de wetgeving in Europees Nederland. Het meest van belang in dit verband is de Wet administratieve rechtspraak BES, waarin onder andere het toepasselijk bestuursrecht is geregeld. In paragraaf 12 (Toezicht en rechtsbescherming) wordt hierop nader ingegaan.

4.2 Toelage sociale kanstraject

Het eigendomsrecht wordt beschermd door het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Hierna; artikel 1 EP. Dit eigendomsbegrip ziet zowel op fysieke goederen als vermogensrechten. Rechten en belangen die een vermogenswaarde vertegenwoordigen vallen onder het eigendomsbegrip. Ook toekomstige aanspraken kunnen onder het eigendomsbegrip vallen, mits er sprake is van gewettigde verwachtingen (‘legitimate expectations’). Dit protocol is ook van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Een toelage als bedoeld in de SKJ-wet kan worden beschouwd als eigendomsrecht dat onder de reikwijdte valt van artikel 1 EP. Het recht op en de duur van de toelage is nu immers verankerd in 11, eerste lid, respectievelijk artikel 9, derde lid, van die wet, waarbij die toelage voor de duur van een periode tussen de zes en vierentwintig maanden. Dit betekent dat binnen deze periode en zolang het kanstraject loopt, de toelage is gegarandeerd. Na afloop van deze periode kan de toelage op aanvraag nog eens met zes maanden worden verlengd.

Met de intrekking van die wet zou de toelage niet meer beschikbaar zijn. De afweging die hierbij moet worden gemaakt of er overgangsrecht nodig is om het recht op de toelage te behouden. Hiervoor moet een deelnemer wel een legitimate expectation hebben dat hij of zij deze toelage zou krijgen. Een deelnemer mag niet enkel de hoop hebben op een toelage en er moet een wettelijke bepaling of een rechtshandeling (zoals een rechterlijke uitspraak) zijn.

In dit kader moet onderscheid worden gemaakt tussen de groep die nu reeds een sociaal kanstraject volgt en de groep die dat nog niet doet. Voor de groep die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel al bezig is met een sociaal kanstraject, valt de belangenafweging in hun voordeel uit. Deze groep mag uitgaan van de wetgeving zoals die luidt op het moment dat hij of zij zich als voortijdig schoolverlater zonder inkomsten uit arbeid (zie begripsbepaling voortijdig schoolverlater onderdeel c) inzet tijdens het sociaal kanstraject. Daarbij is er geen gerechtvaardigde verwachting ofwel ‘legitimate expectation’ voor een recht op verlenging van deze toelage na ommekomst van de wettelijke duur van twee jaren. Een dergelijk besluit is immers de uitzondering en sterk afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden van de deelnemer. Voor de deelnemers die al een toelage ontvangen op het tijdstip dat dit wetsvoorstel in werking treedt, blijft er daarmee een recht op behoud van deze toelage. Hiermee worden bestaande redelijke verwachtingen gehonoreerd en voor zorgvuldige besluitvorming gezorgd. De duur van de toelage is in artikel 9, derde lid, SKJ-wet begrensd op twee jaren. Een eventuele verlenging is na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel niet meer mogelijk.

Dit is ook wenselijk om onnodig lang durende rechtsongelijkheid tussen de groep voortijdig schoolverlaters die wel een toelage krijgt op grond van overgangsrecht en de groep die die toelage niet meer krijgt, te vermijden. Ook de ruime voorbereidingstijd van dit wetsvoorstel speelt hierbij een rol, waarbij vanaf het begin is toegelicht dat het nodig is het voortijdig schoolverlatersbeleid volgens de SKJ-wet te vervangen door een mede op de preventie daarvan gericht beleid. De voortijdig schoolverlater die niet over andere inkomsten beschikt, zal dan terugvallen op een uitkering onderstand.

4.3 Toepassing van de WEB in Caribisch Nederland

De WEB is achtereenvolgens onderverdeeld in hoofdstukken, titels, paragrafen en artikelen. Voor de toepassing van de WEB in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba kan soms sprake zijn van voorschriften die afwijken van die voor Europees Nederland of juist van aanvullende eigen voorschriften. Dit is dan geregeld in een specifieke titel voor Caribisch Nederland. Zo’n titel met daarin de voor Caribisch Nederland relevante afwijkende of aanvullende eigen voorschriften is aan het eind van ieder hoofdstuk te vinden. Deze wet geldt daarmee voor heel Nederland, maar maakt soms een territoriale uitzondering voor de toepassing van een bepaald voorschrift.

Het gevolg hiervan is dat er drie mogelijkheden zijn voor de geldigheid van voorschriften die in de WEB zijn opgenomen. Een voorschrift uit deze wet kan allereerst van toepassing zijn op zowel Europees als Caribisch Nederland. Ten tweede kan worden bepaald dat een voorschrift niet van toepassing is op Caribisch Nederland en daarmee dus alleen relevant is voor Europees Nederland. Ten derde kan specifiek voor een van de openbare lichamen een voorschrift zijn gesteld, dat alleen voor (een of meer van) de Caribische eilanden van toepassing is. Dit betekent dat voor een juist gebruik van de wet op het grondgebied van Caribisch Nederland steeds moet worden bezien of er aan het eind van het hoofdstuk een ander voorschrift is gesteld waarmee een bepaalde regel, eerder in het hoofdstuk gesteld, in samenhang daarmee moet worden gelezen, dan wel juist mag worden genegeerd. Soms is er dan een vervangend voorschrift gesteld.

5. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Bij brief van 15 januari 2024 is het wetsvoorstel voorgelegd aan DUO ten behoeve van een uitvoeringstoets. In het kader van het geïntegreerde toezicht is de uitvoeringstoets door DUO ook uitgezet bij de Inspectie van het Onderwijs en de Auditdienst Rijk (ADR). Hieronder wordt ingegaan op de opmerkingen van DUO en de Inspectie (ontvangen bij brief van 20 maart 2024). Deze zijn zoveel mogelijk verwerkt in het wetsvoorstel zelf of hebben geleid tot wijzigingen in de memorie van toelichting. De Auditdienst Rijk heeft geen opmerkingen gemaakt.

5.1 Reactie Dienst Uitvoering Onderwijs

De belangrijkste constatering is dat uit het wetsvoorstel zelf geen nieuwe uitvoeringstaken volgen voor DUO en dat het daarmee uitvoerbaar is voor DUO. Wel heeft het wetsvoorstel gevolgen voor de bestaande uitvoeringstaken bekostigen en registers. DUO wijst erop dat de precieze gevolgen voor die taken pas goed te beoordelen zijn bij toetsing van de onderliggende regelgeving. Aangezien die regelgeving nog moet worden gewijzigd, zal die uitvoeringstoets te zijner tijd plaatsvinden. De bedoeling is dat onderliggende regelgeving op hetzelfde tijdstip inwerking treedt als het wetsvoorstel. Hieronder worden de belangrijkste overige punten uit de uitvoeringstoets besproken.

Om te beginnen merkt DUO terecht op dat bij de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel geen aparte diploma-erkenning meer nodig is voor het bekostigd beroepsonderwijs in Caribisch Nederland en dat de Regeling vaststelling kwalificatiedossiers en opleidingsdomeinen BES komt te vervallen. Dit houdt in dat DUO geen aparte erkenningsbeschikkingen – zoals bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid, WEB BES – meer behoeft af te geven aan de SGB in Bonaire om opleidingen te verzorgen. Om dit werkbaar te maken is het uitgangspunt dat de Registratie Instellingen en Opleidingen (RIO) bij de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is uitgerold naar de SGB op Bonaire. RIO is het landelijk register waarin onderwijsinstellingen onder andere hun onderwijsaanbod registeren. Met DUO zal in overleg worden getreden om ervoor te zorgen dat de opleidingscodes voor beroepsonderwijs dat wordt verzorgd in Caribisch Nederland duidelijk worden geregistreerd, ook als dat nog niet in RIO kan. Zie ook paragraaf 3.7.

Aangezien de huidige bekostigingssystematiek gelijk blijft voor Caribisch Nederland, en dus afwijkt van die van Europees Nederland, dient in het Uitvoeringsbesluit WEB een apart onderdeel te komen voor Caribisch Nederland. De regering is daarom voornemens om bij de wijziging van het Uitvoeringsbesluit WEB de bekostigingssystematiek voor Caribisch Nederland apart en herkenbaar in het besluit te positioneren.

Verder wijst DUO erop dat dit wetsvoorstel het op aanvraag mogelijk maakt voor mbo-instellingen uit Europees Nederland een bekostigde beroepsopleiding in Caribisch Nederland te gaan verzorgen. In dat geval moet voorkomen worden dat studenten worden bekostigd volgens de bekostigingssystematiek in Europees Nederland, terwijl zij de facto onderwijs volgen in Caribisch Nederland. Daarom moet worden voorkomen dat een student tweemaal meetelt voor de bekostiging of dat de verkeerde rekenregels voor de bekostiging worden toegepast. Met het wetsvoorstel wordt artikel 2.2.2, zevende lid, WEB aangepast, nu de WEB het wettelijk kader gaat vormen voor zowel Europees als Caribisch Nederland door te bepalen dat een student alleen meetelt voor de bekostiging van een beroepsopleiding in Europees Nederland als hij of zij woonachtig is in Europees Nederland of in een aangrenzend buurland en feitelijk diens opleiding ook in Europees Nederland wordt verzorgd. Met woonachtig zijn wordt in lijn met het woonplaatsbegrip volgens boek 1 Burgerlijk Wetboek zowel de plaats bedoeld waar iemand staat ingeschreven maar ook de feitelijke verblijfplaats als die daarvan afwijkt. De instelling wordt dan bekostigd voor die student volgens de Europees Nederlandse rekenregels. Tegelijkertijd komt er een vergelijkbare bepaling (het voorgestelde artikel 2.8.4 WEB) voor het geval een student een beroepsopleiding in Caribisch Nederland volgt en daar woonachtig is. Dan is er alleen recht op bekostiging volgens de rekenregels voor Caribisch Nederland en niet volgens de rekenregels voor Europees Nederland. Het wetsvoorstel voorziet ook in een grondslag om afwijkende maatstaven voor bekostiging te mogen hanteren als het gaat om beroepsonderwijs in Caribisch Nederland.

Indien een instelling zowel een locatie heeft in Europees Nederland als in Caribisch Nederland betekent dit dat op studentniveau moet worden geregistreerd waar de student zijn opleiding volgt om dubbele bekostiging of bekostiging volgens de verkeerde rekenregels uit te sluiten. Om dit te gaan regelen, is in ieder geval aanpassing van het Besluit register onderwijsdeelnemers nodig.

Het advies van DUO om voor een opleiding vavo in Caribisch Nederland af te wijken van de huidige WEB als het gaat om rekenregels voor de bekostiging van die opleiding door een vast bedrag per instelling te gaan bepalen in het Uitvoeringsbesluit WEB, snijdt hout.38 Tegelijkertijd zal worden bepaald in het wetsvoorstel dat het inkopen van een opleiding vavo (dat wil zeggen een opleiding mavo, havo of vwo met de mogelijkheid om per vak deeleindexamen af te leggen) overeenkomstig het voorgestelde artikel 2.8.6 WEB tot de wettelijke taak van een bestuurscollege gaat behoren, mits daaraan behoefte is op het eiland. Dit is ter beoordeling van het bestuurscollege. De financiering van opleidingen educatie zal in tegenstelling tot Europees Nederland niet geoormerkt zijn met een bijzondere uitkering. Het bestuurscollege dient deze opleidingen uit het BES-fonds te financieren. De eilandsraad is primair verantwoordelijk voor de politieke controle op het beleid van zijn bestuurscollege. Het wetsvoorstel maakt het zo mogelijk om publiek gefinancierde opleidingen educatie te kunnen aanbieden in Sint Eustatius en Saba. Op die eilanden is immers geen regionaal opleidingencentrum (roc) actief. De WEB voorziet namelijk alleen in bekostiging voor deze opleidingen aan het bevoegd gezag van een roc.

DUO wijst erop dat de aansluiting van een school of instelling in Caribisch Nederland op het Register onderwijsdeelnemers (ROD) als bedoeld in de Wet register onderwijsdeelnemers nog in ontwikkeling is. Pas na een succesvol verloop van een testfase kunnen de noodzakelijke gegevens tussen school en register worden uitgewisseld en kan het register op reguliere wijze worden gevuld met informatie over studenten en hun opleidingen. Dat zal volgens DUO op zijn vroegst in het studiejaar 2026–2027 het geval kunnen zijn. Dit tijdpad heeft niet alleen gevolgen voor de toepassing van de rekenregels voor de bekostiging, maar ook voor de aanpak van voortijdig schoolverlaten en de samenwerking tussen de ketenpartners zoals het bestuurscollege, de instelling en ingehuurde organisaties met expertise op het terrein van vsv.

Met dit wetsvoorstel wordt in juridische zin geregeld dat ook verzuim- en vrijstellingsgegevens als bedoeld in de Wet register onderwijsdeelnemers moeten worden gedeeld met het ROD. De regering is zich ervan bewust dat dit een noodzakelijke randvoorwaarde is om te komen tot volwaardige gegevensuitwisseling tussen de minister van OCW (in de praktijk DUO) en de onderwijsinstellingen en de bestuurscolleges in Caribisch Nederland. Voordat het ROD ook daadwerkelijk kan worden uitgerold naar Caribisch Nederland, moet er eerst een proef plaatsvinden waarin de hiervoor genoemde gegevensuitwisseling wordt getest. Momenteel treft DUO hiertoe de noodzakelijke voorbereidingen. Hierbij is ook van belang de invoering van de basisregistratie personen in Caribisch Nederland. Daartoe is een separaat wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer.39

Tegelijkertijd moet gericht worden ingezet op de uitvoeringskanten hiervan, opdat er geen verdere vertraging wordt opgelopen. Tot die tijd zal de bekostiging handmatig worden berekend en is er geen goede centrale registratie van verzuim mogelijk. Wel kan op eilandsniveau een registratie blijven plaatsvinden, omdat het bestuurscollege verplicht blijft om zowel de meldingen van de leerplichtambtenaar als de verzuimmeldingen van de school of instelling te registeren. In het kader van zijn contactpuntfunctie zoals geregeld in hoofdstuk 8, titel 3, van de WEB dient het bestuurscollege daarnaast van een jongere die nieuw aankomt op het eiland na te gaan of hij of zij nog leer- of kwalificatieplichtig is of over een startkwalificatie beschikt. Zie verder ook paragraaf 3.7 hierover.

Kortom, DUO merkt op dat het wetsvoorstel zelf nog niet tot grote uitvoeringsgevolgen leidt, maar dat de gevolgen veeleer afhankelijk zijn van de uitwerking in lagere regelgeving, zoals ook uit de voorbeelden blijkt. Zodra de lagere regelgeving wordt voorgelegd voor een uitvoeringstoets zullen dan ook de te plegen inzet en de kosten daarvan in kaart worden gebracht.

5.2 Reactie Inspectie van het Onderwijs
5.2.1 Nalevingsaspecten

Ten aanzien van de nalevingsaspecten vraagt de Inspectie van het onderwijs zich af in hoeverre dit wetsvoorstel iets verandert aan het toestaan van afstandsonderwijs. Dit wetsvoorstel verandert daar in beginsel niets aan.

Daarnaast vraagt de inspectie zich af of een geldende erkenning in Europees Nederland automatisch een erkenning is voor het mogen verzorgen van beroepsonderwijs in Caribisch Nederland. In reactie hierop merkt de regering op dat vanaf het tijdstip van intrekken van de WEB BES geen erkenning voor bekostigde beroepsopleidingen in Caribisch Nederland meer nodig is zoals ook hiervoor bij 5.1 uitgelegd. Een bekostigde instelling behoeft voor het starten van een nieuwe beroepsopleiding op grond van de WEB geen erkenning aan te vragen maar dient wel een melding te doen van haar voornemen, zodat er getoetst kan worden aan de behoefte aan die nieuwe opleiding als het gaat om arbeidsmarktperspectief en doelmatigheid.

Voor een niet-bekostigde beroepsopleiding blijft een erkenning door de minister van OCW wel vereist. Als het gaat om een voor inwerkingtreding van dit wetsvoorstel bestaande erkenning op grond van de WEB, betekent dit dat die erkenning door de uitbreiding van de territoriale werking van de WEB voortaan ook het verzorgen van een niet-bekostigde beroepsopleiding toestaat in Caribisch Nederland.

Teneinde zicht te krijgen op zowel het bekostigd als niet-bekostigd onderwijsaanbod in Caribisch Nederland voorziet dit wetsvoorstel in een grondslag om, conform het advies van de Inspectie, instellingen ertoe te verplichten kenbaar te maken op welke locatie zij beroepsonderwijs of een opleiding educatie aanbieden. Dit vergemakkelijkt de toezichthoudende taak van de inspectie. Hiertoe is ook wijziging van lagere regelgeving noodzakelijk.

Om de kwaliteitsborging van het beroepsonderwijs in CN te waarborgen, de versnippering van het beroepsonderwijs te voorkomen en doelmatige beroepsopleidingen te waarborgen wordt in dit wetsvoorstel geregeld dat voor het aanbieden van bekostigde beroepsopleidingen in een openbaar lichaam door andere bekostigde instellingen dan de SGB, vooraf instemming van de minister moet worden verkregen. Deze systematiek is vergelijkbaar met die voor onderwijsinstellingen in de zin van de WHW. Op grond van artikel 7.1.7, tweede lid, WHW is vooraf toestemming vereist voor het openen van een nieuwe vestiging van een hogeschool of universiteit in een andere gemeente of een openbaar lichaam.

5.2.2 Uitvoerbaarheidsaspecten

Ten aanzien van de uitvoerbaarheidsaspecten merkt de Inspectie op dat ROA CN nog niet als zodanig in de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) is genoemd.

De WOT zal op dit punt worden aangevuld. Daarbij is wel van belang te beseffen ROA CN ook nu reeds, zonder dit wetsvoorstel, een mogelijk object van toezicht is, omdat deze organisatie wettelijke taken uitvoert op grond van de WEB BES en WVO 2020 en straks de WEB en WVO 2020. Deze onderwijswetten zijn genoemd in de taakomschrijving van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1, WOT, die bepaalt dat de inspectie als taak heeft het toezien op de naleving van de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften. Deze taakomschrijving beperkt zich niet tot onderwijsinstellingen.

Wel is het zo dat andere organisaties dan onderwijsinstellingen soms in een apart hoofdstuk van de WOT worden genoemd. Dit is echter niet om een bevoegdheid te scheppen maar is alleen gedaan om duidelijk te maken hoe het toezicht plaats zal kunnen vinden. Om die reden zal de WOT worden aangevuld met ROA CN. Ook voor het samenwerkingsverband CN en het Expertisecentrum onderwijszorg (EOZ) is nog niet geregeld op welke wijze het toezicht zal plaatsvinden. Hoewel dit niet per se in de wet zelf geregeld behoeft te worden, zal deze verduidelijking om redenen van consistentie worden meegenomen in dit wetsvoorstel.

De Inspectie merkt verder op dat op Sint Eustatius en Saba geen Nederlandstalig voortgezet onderwijs wordt verzorgd dat opleidt voor de mavo, havo of vwo en dat om die reden niet voor de hand ligt dat er opleidingen educatie, zoals het vavo-onderwijs, wordt gegeven op de bovenwinden. De regering merkt hierbij op dat een bestuurscollege bij zijn aanbod aan opleidingen educatie rekening dient te houden met de behoefte bij zijn inwoners. Als die behoefte hebben aan andere vormen van opleidingen educatie die beter aansluiten bij de lokale context zoals het CXC-onderwijs, dan staat artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel f, WEB nu reeds toe om andere opleidingen educatie aan te wijzen. Dit is bijvoorbeeld reeds gedaan voor de opleiding digitale vaardigheden.

De door de Inspectie ingebrachte suggestie om overgangsrecht voor bestaande erkenningen en andere besluiten op grond van de WEB BES of de SKJ-wet te maken, wordt overgenomen. Met het intrekken van beide wetten kan er immers onduidelijkheid ontstaan over de rechtsgeldigheid van op grond van die wetten genomen besluiten. Omdat een erkenning van een leerbedrijf door ROA CN straks op grond van de WEB en het reglement van SBB zal plaatsvinden, is de training voor praktijkopleiders niet meer verplicht. Het wetsvoorstel voorziet niet meer in een grondslag daarvoor.

Vanwege het kunnen uitoefenen van toezicht en voor de toepassing van de juiste rekenregels voor de bekostiging is het van belang dat wordt geregistreerd in de ROD op welke locatie of locaties beroepsonderwijs wordt aangeboden. Om daarin te kunnen voorzien, is de regering voornemens om het Besluit register onderwijsdeelnemers op dit punt te wijzigen.

Tot slot krijgt de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel een aparte paragraaf over toezicht en rechtsbescherming. Hiermee wordt gevolg gegeven aan Tweede Kamermotie van Kamerlid Van Nispen.40

6. Overige reacties

Een ontwerp van dit wetsvoorstel is parallel aan de uitvoeringstoets ook voor advies voorgelegd aan andere betrokken partijen. In deze paragraaf wordt ingegaan op hun reacties.

6.1 Reacties Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs en bedrijfsleven en Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland

Een concept van dit wetsvoorstel is voorgelegd aan en besproken met de SBB en ROA CN. SBB is op grond van de WEB belast met onder andere het ontwikkelen en onderhouden van de landelijke kwalificatiestructuur en met de erkenning van leerbedrijven.. ROA CN is in Caribisch Nederland de tegenhanger van SBB: ROA CN adviseert over de doelmatigheid van beroepsopleidingen die instellingen willen verzorgen en is belast met de erkenning van leerbedrijven in het Caribisch deel van Nederland. Vanwege hun taken op grond van de WEB respectievelijk de WEB BES zijn SBB en ROA CN gevraagd te adviseren over de uitvoerbaarheid van het voorliggende wetsvoorstel. Met de integratie van de WEB BES in de WEB zullen beide organisaties immers intensiever met elkaar samenwerken.

De SBB heeft per brief van 9 april 2024 geconcludeerd dat de effecten van dit wetsvoorstel te overzien zijn en niet tot grote investeringen leiden. Wel merkt de organisatie op dat zij met ROA CN intensiever zal samenwerken, omdat de in Europees Nederland geldende kwalificatiedossiers ook in Caribisch Nederland gaan gelden. Daarnaast wordt de samenwerking intensiever op het gebied van de erkenning van leerbedrijven voor de beroepspraktijkvorming. Ook ROA CN concludeert per brief van 14 maart 2024 dat het wetsvoorstel uitvoerbaar is. Wel hebben beide organisaties nog inhoudelijke opmerkingen geplaatst ten aanzien van de hieronder te noemen onderwerpen. Aangezien de reacties van SBB en ROA CN elkaar overlappen, worden de belangrijkste reacties gemakshalve hieronder samengevat besproken.

Ten aanzien van de kwalificatiedossiers merken SBB en ROA CN op dat bij het ontwikkelen en onderhouden van de kwalificatiedossiers beide organisaties met elkaar samenwerken en op procesniveau hierover afspraken worden gemaakt. Het is immers van belang dat bij het ontwikkelen en onderhouden van de kwalificatiedossiers rekening wordt gehouden met de lokale situatie in Caribisch Nederland. SBB gaat ROA CN erbij betrekken als die situatie zich voordoet. ROA CN krijgt met dit wetsvoorstel ook de taak zo nodig suggesties te doen aan SBB voor onderdelen van een kwalificatiedossier, die specifiek van belang zijn voor Caribisch Nederland.

Op dit moment erkent ROA CN leerbedrijven voor de beroepspraktijkvorming op Bonaire en de SBB erkent leerbedrijven die worden gebruikt voor de beroepspraktijkvorming voor studenten die aan een mbo-instelling in Europees Nederland studeren. Met de integratie van de WEB BES in de WEB zal er, op grond van het voorgestelde in artikel 1.6.5, eerste lid, WEB, sprake zijn van wederzijdse erkenning van leerbedrijven. ROA CN wordt, op grond van het voorgestelde artikel 1.6.4, tweede lid, WEB, verantwoordelijk voor alle erkenningen van leerbedrijven in Caribisch Nederland. SBB en ROA CN zullen onderling afspraken maken om de erkenningsvoorwaarden voor leerbedrijven op elkaar af te stemmen, want die zijn nu nog niet gelijk. Dit betekent dat ook ten aanzien van de erkenningen van leerbedrijven op procesniveau afspraken moeten worden gemaakt. Ook het erkenningsreglement van zowel de SBB als ROA CN moeten hierop worden aangepast.

Tot slot is nog een opmerking geplaatst over gegevensuitwisseling. Doordat SBB en ROA CN intensiever gaan samenwerken, vraagt ook de informatiebeveiliging bij uitwisseling van gegevens nog extra aandacht, zeker nu Europees en Caribisch Nederland onder een verschillend privacy regime vallen (AVG vs. Wbp BES). In beginsel gaat het hierbij niet om persoonsgegevens maar om bedrijfsgegevens.

6.2 Reactie College voor Toetsen en Examens

Op 27 maart 2024 heeft het CvTE een reactie op het wetsvoorstel gegeven. Allereerst heeft het CvTE onderzocht in welke mate de centrale examens voor Nederlandse taal en Engels in het mbo, zoals deze in het Europees deel van Nederland gebruikt worden, geschikt zijn voor de studentenpopulatie op Bonaire.

De centrale examens Engels kunnen, met kleine aanpassingen, worden ingezet op het mbo op Bonaire. Het gaat hierbij om aanpassingen van de bij de examens behorende instructieteksten. Deze instructieteksten zijn nu in het Nederlands, maar het CvTE adviseert om ze voor mbo-studenten op Bonaire te vertalen naar het Engels.

Het CvTE heeft geconcludeerd dat het centraal examen Nederlands, bestaande uit de onderdelen lezen en luisteren, zoals dat wordt afgenomen in het mbo-onderwijs in Europees Nederland, niet geschikt is voor het mbo-onderwijs op Bonaire. Dit heeft onder meer te maken met het feit dat de referentieniveaus uit het Referentiekader Taal en Rekenen (Meijerink 2009) uitgaan van Nederlands als moedertaal en dat de inhoud van de examens op dat niveau is beschreven vanuit een Europees-Nederlandse context. Omdat zowel de gehanteerde referentieniveaus als de inhoud van de examens ontworpen zijn voor de onderwijssituatie in Europees Nederland, sluiten de huidige centrale examens niet goed aan bij de context van Caribisch Nederland.

Wel ziet het CvTE de mogelijkheid om een examen Nederlands als vreemde taal (Nvt) voor deze doelgroep te ontwikkelen, omdat de culturele en maatschappelijke situatie op Bonaire niet vergelijkbaar is met die van Europees Nederland. Bovendien is voor studenten op Bonaire de taalsituatie anders, omdat zij opgroeien in een meertalige omgeving waarin Nederlands een vreemde taal is. Het CvTE heeft aangegeven dat de afname van het centraal examen Nvt en het centraal examen Engels op het mbo op Bonaire mogelijk zou zijn per 1 januari 2026 (studiejaar 2025–2026) op voorwaarde dat er in januari 2025 een proeftoets afgenomen wordt.

Het advies van het CvTE ligt in het verlengde van de afspraken, gemaakt in het Vierlandenoverleg binnen het Koninkrijk, over de rol van de Nederlandse taal in het Caribisch gebied. Teneinde besluitvorming over examinering voor te kunnen bereiden, is het wenselijk de effectiviteit van de Nvt-examens te toetsen. Dit zal worden gedaan met een proeftoets onder de mbo-studenten in het laatste studiejaar van hun beroepsopleiding in Bonaire. Deze resultaten geven informatie over de Nederlandse taalvaardigheid van die mbo-studenten en hoe de examenopgaven functioneren.

6.3 Reacties openbare lichamen
6.3.1 Openbaar lichaam Bonaire

Het bestuurscollege van het openbaar lichaam Bonaire (OLB) ziet het wetsvoorstel in het algemeen als een positieve ontwikkeling. Het samenbrengen van Europees en Caribisch Nederland binnen één wettelijk kader biedt kansen voor gelijkheid en participatie van jongeren en volwassenen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt op Bonaire. Het creëren van mogelijkheden voor subsidies en uitkeringen wordt eveneens gewaardeerd. Het bestuurscollege kijkt uit naar een constructief gesprek met het ministerie van OCW en BZK om deze punten nader te bespreken en gezamenlijk te werken aan een succesvolle implementatie van het wetsvoorstel. Desalniettemin zijn er enkele zorgpunten, die het onder de aandacht brengt:

1. Voortijdige schoolverlaters

Het wetsvoorstel plaatst een grotere verantwoordelijkheid bij het OLB voor de aanpak en bestrijding van voortijdig schoolverlaten. Daarbij wijst het OLB erop dat het onzeker is of het uitoefenen van deze taak met het huidige subsidiebedrag dat in het kader van de SKJ-wet wordt verstrekt, toereikend zal zijn is om deze verantwoordelijkheid adequaat te kunnen vervullen. Als dat zo is, verzoekt het OLB om aanvullende middelen en ambtelijke bijstand, naast de subsidie voor het tegengaan voor schooluitval die aan de school of instelling zal worden toegekend.

2. Alternatieve startkwalificaties

Het is volgens het OLB essentieel dat er binnen de nieuwe wetgeving ruimte blijft voor jongeren om buiten het reguliere onderwijs een startkwalificatie te behalen bij onderwijsorganisaties zoals FORMA.41 Aanvullende afspraken tussen de minister van OCW, OLB, SGB en FORMA zijn hiervoor wenselijk, evenals een evaluatiemoment om de effectiviteit van de wet te monitoren.

3. Volwasseneducatie

Met dit wetsvoorstel wordt het OLB belast met nieuwe taken op het gebied van volwasseneneducatie, waaronder het aanbieden van opleidingen gericht op zelfredzaamheid. Er zijn bij het bestuurscollege echter zorgen over de beschikbare capaciteit en expertise binnen het OLB om deze taken effectief uit te voeren. Het is belangrijk dat er voldoende middelen en ondersteuning worden verstrekt om deze uitdagingen aan te pakken.

Het OLB heeft hiermee thans geen ervaring, omdat artikel 7.3.1 van de WEB BES weliswaar deze opleidingen noemt, maar daaraan geen financiering heeft gekoppeld. In Europees Nederland krijgt de contactgemeente een specifieke uitkering om deze opleidingen in te kopen of te subsidiëren. Het OLB stelt voor om in plaats van een bijzondere uitkering een vrije uitkering uit het BES-fonds toe te kennen, omdat dat passender zou zijn voor de structurele aard van deze beleidsuitvoering en het vermindert administratieve lasten.

Het OLB verzoekt verder om rekening te houden met de specifieke context en uitdagingen van Bonaire, waaronder de diverse achtergrond en herkomst van studenten en taalbarrières. Het is cruciaal dat er voldoende financiële middelen beschikbaar worden gesteld voor zowel de initiële opzet als de structurele uitvoering van het beleid inzake volwasseneneducatie.

6.3.2 Openbaar lichaam Saba

Op 2 juli 2024 heeft het bestuurscollege van het openbaar lichaam Saba gereageerd op het wetsvoorstel. Ten algemene merkt het openbaar lichaam Saba op dat er geen problemen worden voorzien bij de implementatie van het wetsvoorstel, juist omdat in het verleden intensieve veldsessies werden georganiseerd die tot dit wetsvoorstel hebben geleid. Wel merkt het op dat het wetsvoorstel nog geen duidelijkheid geeft over een toereikende financiering om zijn wettelijke taken uit te kunnen voeren.

7. Gevolgen en administratieve lasten

Op de gevolgen van dit wetsvoorstel voor de bestuurscolleges, onderwijsinstellingen en andere betrokkenen in Caribisch Nederland, zal in paragrafen 7 en 8 worden ingegaan. Daarbij zal met name een verschuiving of overdracht van verantwoordelijkheid worden benoemd.

7.1 Openbare lichamen

Op grond van de Leerplichtwet BES en SKJ-wet hebben de bestuurscolleges van de openbare lichamen en leerplichtambtenaren reeds wettelijke taken, waaronder de registratie en monitoring van vsv. Deze registratieplicht blijft een wettelijke taak met dit wetsvoorstel. Geconstateerd is echter dat de uitvoering tot op heden niet conform de bestaande wet- en regelgeving gebeurt; zo is er bij de openbare lichamen nog geen registratie en monitoring van vsv. Met de beoogde invoering van de vsv-aanpak is het belangrijk dat de openbare lichamen dit wel gaan doen. Daar staat tegenover dat de openbare lichamen ontlast worden van de organisatie rondom de sociale kanstrajecten. In het wetsvoorstel wordt de contactschool namelijk verantwoordelijk voor het – in samenspraak met overige partijen – opstellen en indienen van een plan van aanpak met als doel het voorkomen en bestrijden van voortijdig schooluitval. Hiertoe zal de school ook de subsidiemiddelen hiervoor rechtstreeks vanuit het Ministerie van OCW ontvangen.

Voor het openbaar lichaam Bonaire is er na het vervallen van het overgangsrecht over de onderwijshuisvesting ook sprake van een lastenvermindering doordat zij niet meer verantwoordelijk zal zijn voor de onderwijshuisvesting van de SGB. Als verticale scholengemeenschap wordt de school hiervoor dan zelf verantwoordelijk.

Voor alle drie de openbare lichamen geldt dat zij middelen gaan ontvangen ten behoeve van volwasseneneducatie. Dit brengt wel administratieve lasten mee, aangezien zij verantwoordelijk worden voor het maken van een onderbouwde inschatting van de behoefte aan volwasseneducatie op hun eiland en voor de inkoop van educatietrajecten.

7.2 Contactscholen in kader voorkomen voortijdig schoolverlaten

Zowel de SGB op Bonaire als beide scholen voor voortgezet onderwijs op Sint Eustatius en Saba krijgen als taak het opstellen van een eilandelijk plan van aanpak vsv. Hierop wordt hierna ingegaan.

7.3 Scholengemeenschap Bonaire

In het onderwijsproces is sprake van lastenvermindering aangezien de school niet meer voor elke opleiding die zij voornemens is aan te gaan bieden, eerst erkenning moet aanvragen. Daarnaast is er mogelijk sprake van lastenvermindering doordat eindexamenkandidaten meedoen aan centrale examinering en de school daardoor minder instellingsexamens dient te realiseren. Daar staat tegenover dat van de school een intensieve monitoring van het Nederlandse taalonderwijs en de resultaten wordt gevraagd.

Conform de wetgeving voor verticale scholengemeenschappen, zal het eigendom van de grond en de schoolgebouwen door het openbaar lichaam worden overgedragen aan de SGB. De SGB is onder de huidige wet- en regelgeving al verantwoordelijk voor het onderhoud aan de gebouwen maar zal -bij het vervallen van het overgangsrecht voor de voorziening in de huisvesting- ook maatregelen moeten treffen om in de toekomst grotere renovatie en nieuwbouw of huur onder eigen verantwoordelijkheid te kunnen realiseren. De middelen die thans hiervoor aan het openbaar lichaam toekomen, zullen dan stoppen. En een deel ervan wordt toegevoegd aan de bekostiging van de SGB.

De wijzigingen ten aanzien van medezeggenschap hebben ook gevolgen. In de huidige wetgeving bestaat er voor het schoolbestuur slechts een plicht de vertegenwoordigingen van studenten, ouders en medewerkers te informeren over belangrijke ontwikkelingen. Onder de WEB geldt een veel uitgebreider regime van advies- en instemmingsrecht. Hierin zal de studentenraad, voor wie dit nieuw is, ook begeleid en gecoacht moeten worden.

Tot slot wordt de SGB verantwoordelijk voor het – in samenspraak met andere betrokken partijen – maken van een plan van aanpak vsv en zal zij als contactschool ook de middelen voor de uitvoering van dit plan moeten aanvragen en beheren.

7.4 Gwendoline van Puttenschool en Saba Comprehensive School

Evenals de SGB op Bonaire zullen de Gwendoline van Puttenschool op Sint Eustatius en de Saba Comprehensive School op Saba verantwoordelijk worden voor het – in samenspraak met andere betrokken partijen – maken van een plan van aanpak vsv en zullen zij als contactschool ook de middelen voor de uitvoering van dit plan moeten aanvragen en beheren.

7.5 Raad Onderwijs Arbeidsmarkt CN

De ROA CN zal niet meer telkens aan de minister van OCW hoeven te adviseren over een opleiding die de scholen voornemens zijn aan te vragen. Wel blijft zij de arbeidsmarkt en daaraan gerelateerde opleidingsbehoeften in kaart brengen en bespreekt zij met de scholen de toekomstige opleidingsplannen met het oog op beschikbaarheid van leerbedrijven.

De taken ten aanzien van het erkennen van leerbedrijven blijven bij ROA CN, zij het dat ROA CN exclusief bevoegd wordt voor de erkenning van leerbedrijven op het grondgebied van Caribisch Nederland. Daarbij zullen ROA CN en SBB moeten samenwerken om tot één gezamenlijk register van erkende leerbedrijven te komen. SBB houdt dit register in beheer en stelt het erkenningsreglement op.

7.6 SKJ-uitvoeringsorganisaties

Op grond van de SKJ-wet stellen de SKJ-uitvoeringsorganisaties jaarlijks een plan met begroting op die zij indienden bij het openbaar lichaam. Vervolgens ontvangen zij subsidie van het openbaar lichaam en voeren zij SKJ-trajecten uit. Met het intrekken van de SKJ-wet komen de SKJ-trajecten in hun huidige vorm te vervallen en bestaan er ook geen SKJ-uitvoeringsorganisaties meer. Op grond van de voorgestelde wetswijziging maken de betrokken partijen in de keten onder coördinatie van de contactschool een eilandelijk vsv-plan. De contactschool vraagt de middelen voor de uitvoering van dat plan aan en beheert ze daarna ook. De huidige SKJ-uitvoeringsorganisaties kunnen betrokken worden bij planvorming en uitvoering, maar dit wordt niet voorgeschreven aangezien er geen wettelijke grond meer is voor SKJ-uitvoeringsorganisaties. De gevolgen hiervan kunnen per openbaar lichaam verschillen.

8. Financiële gevolgen

Zoals hierboven in paragraaf 3.2 vermeld is de bekostigingssystematiek voor het mbo-deel aan de SGB in 2021 herijkt conform de vereenvoudiging van de bekostiging in het voortgezet onderwijs.42 Deze bekostigingssystematiek wordt voor het mbo in Caribisch Nederland overgenomen in de WEB. Het wetsvoorstel heeft daarom voor wat betreft de bekostiging van het mbo in Caribisch Nederland geen financiële gevolgen.

Het intrekken van de huidige SKJ-wetgeving heeft wel financiële consequenties.

In 2011 zijn bedragen vastgesteld die de openbare lichamen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba ontvangen ten behoeve van de uitvoering van de SKJ-wet:

Bonaire:

€ 400.000

St. Eustatius:

€ 250.000

Saba:

€ 150.000

Deze bedragen zijn vervolgens omgerekend naar dollars en jaarlijks herijkt op basis van loon en prijsstijging (LPO) en wisselkoersen. Inmiddels is het totaalbedrag dat wordt uitgekeerd aan Caribisch Nederland inzake de SKJ-trajecten ruim € 1,3 miljoen waarbij nog steeds dezelfde verdeelsleutel wordt gehanteerd.

Aangezien sinds 2011 de middelen en de verdeelsleutel nooit zijn aangepast op een mogelijk veranderde context, en bovendien de in het wetsvoorstel beoogde preventieve vsv-aanpak op de eilanden onder de SKJ-wetgeving niet bestaat, is het noodzakelijk de hoogte van de middelen en onderlinge verdeling opnieuw vast te stellen.

Het CBS onderzoekt momenteel of er voldoende data beschikbaar zijn, of beschikbaar gemaakt zouden kunnen worden, om tot een onderbouwd nieuw bekostigingsmodel voor de aanpak van vsv in Caribisch Nederland te kunnen komen. Dit nieuwe bekostigingsmodel zal dan vanaf inwerkingtreding van de daarop betrekking onderdelen van het wetsvoorstel worden toegepast.

Hoewel het niet de verwachting is dat er op grond van het wetsvoorstel minder middelen beschikbaar zullen worden gesteld ten behoeve van de vsv-aanpak, verdwijnt wel de toelage die SKJ-kandidaten momenteel nog kunnen ontvangen als ze deelnemen aan een traject. In eventueel toekomstige trajecten voor voortijdig schoolverlaters worden zij niet financieel bevoorrecht ten opzichte van leerlingen en studenten die wel naar school gaan.

Een ander financiële consequentie van het wetsvoorstel betreft educatiemiddelen. Deze zijn tot nu toe niet toegekend aan Caribisch Nederland en worden dat op grond van dit wetsvoorstel wel. Ook hiervoor onderzoekt het CBS momenteel of er voldoende data beschikbaar zijn dan wel gemaakt kunnen worden om tot een onderbouwd bekostigingsmodel te komen.

9. Gevolgen voor de bescherming van persoonsgegevens
Inleiding

In zowel Caribisch als Europees Nederland zijn de Grondwet en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) van toepassing. Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Grondwet en artikel 8 EVRM heeft eenieder recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer (privacy). In deze paragraaf wordt toegelicht dat dit wetsvoorstel in beperkte mate gevolgen heeft voor de verwerking van persoonsgegevens van burgers in Caribisch Nederland.

Huidige situatie

In Caribisch Nederland zijn – voor zover hier van belang – de WEB BES en de SKJ-wet, de Leerplichtwet BES, de WVO 2020, de Wet register onderwijsdeelnemers (WRO) en de Wet bescherming persoonsgegevens BES (Wbp BES) van toepassing. Uit hoofde van de WRO is reeds geregeld voor welke doelen basisgegevens zoals naam en inschrijfgegevens van de student of leerling in het openbaar lichaam Bonaire mogen worden verwerkt en uitgewisseld met de Dienst uitvoering onderwijs (DUO) in Europees Nederland.43 Ook moet een leerplichtambtenaar nu reeds in bepaalde gevallen op grond van de Leerplichtwet BES melden aan zijn bestuurscollege dat een leer- of kwalificatieplichtige jongere verzuimt naar school te gaan. Dezelfde verplichting geldt voor een bevoegd gezag van een school of instelling. Het bestuurscollege, die dus uit twee bronnen verzuimgegevens ontvangt, heeft de verplichting deze gegevens te registreren. Op grond van de SKJ-wet is het bestuurscollege verantwoordelijk voor de registratie van voortijdig schoolverlaters en voor het bijhouden van een deelnemersregister sociale kanstrajecten. Het gaat hier om persoonsgegevens die in eerste instantie worden verzameld en geregistreerd in een openbaar lichaam. Hierop is de Wbp BES van toepassing.

AVG en Wet bescherming persoonsgegevens BES als juridisch kader

Dit wetsvoorstel maakt meer zichtbaar dat er twee wettelijke beschermingsregimes van toepassing kunnen zijn op persoonsgegevens. De AVG en de Uitvoeringswet AVG zijn van belang voor Europees Nederland. De Autoriteit Persoonsgegevens is in de Uitvoeringswet AVG aangewezen als toezichthoudende autoriteit. Voor de gegevensverwerking die in Caribisch Nederland zelf plaatsvindt, is de Wbp BES van toepassing. Op grond van de Wbp BES is de Commissie toezicht bescherming persoonsgegevens BES aangewezen als toezichthouder voor die wet.

Bij gegevensuitwisseling binnen Nederland (Europees en Caribisch) die noodzakelijk is voor het functioneren van de overheid, doet zich de bijzonderheid voor dat in juridische zin, onder de AVG, sprake is van doorgifte van persoonsgegevens aan een gebied buiten de Europese Unie. De openbare lichamen hebben ten aanzien van de Europese Unie de status van landen en gebieden overzee (LGO-status). Het is op grond van artikel 46 van de AVG noodzakelijk dat dan een passend niveau van bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen is gewaarborgd. In de openbare lichamen van het Caribische deel van Nederland wordt een passend beschermingsniveau gewaarborgd door de Wbp BES en deels ook door de AVG en UAVG, als het gaat om gegevens in beheer bij DUO.

Wijzigingen als gevolg wetsvoorstel

Dit wetsvoorstel beoogt de regels voor beroeps- en volwassenenonderwijs en voor de preventie en bestrijding van voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland te moderniseren en voor de inwoners in Caribisch Nederland zoveel mogelijk op een gelijkwaardig voorzieningenniveau als in Europees Nederland te brengen.

De essentie van de wijziging is tweeledig: in de eerste plaats is zij gelegen in de uitbreiding van de territoriale werking van de WEB naar Caribisch Nederland vanwege de intrekking van de WEB BES en de SKJ-wet. Deze wijziging heeft geen gevolgen voor de bescherming van persoonsgegevens voor de inwoners van Caribisch Nederland. Zolang immers de verwerking plaatsvindt binnen het openbaar lichaam blijft daarop de Wbp BES van toepassing. Met dit wetsvoorstel wordt beoogd de uitwisseling van persoonsgegevens uit te breiden tussen de onderwijsinstelling, openbare lichamen en de minister van OCW. zodat ook informatie over schoolverzuim, eventuele vrijstellingen van de leerplicht of diplomering in Caribisch Nederland centraal wordt geregistreerd en daarmee beschikbaar komt als beleidsinformatie. Ook krijgt degene die een diploma in Caribisch Nederland heeft behaald hiermee de kans een afschrift van dat diploma uit het diplomaregister te verkrijgen. Dit is bijvoorbeeld van belang bij verlies van het fysieke diploma.

In de tweede plaats wordt met dit wetsvoorstel het beleid ten aanzien van het voorkomen van voortijdig schoolverlaten meer in lijn gebracht met hoe dit in Europees Nederland is geregeld. Dit betekent dat er binnen een openbaar lichaam persoonsgegevens worden verzameld en gedeeld tussen het bevoegd gezag van een school of instelling en het bestuurscollege over de afwezigheid of het verzuim van studenten en leerlingen. Dit gebeurt nu ook al, waarbij de Wbp BES van toepassing is. Conform de Wbp BES mogen deze persoonsgegevens alleen in overeenstemming met de wet en op een behoorlijke en zorgvuldige manier worden verwerkt. Ook is er sprake van doelbinding. Dat wil zeggen dat deze gegevens alleen voor het in de wet gestelde doel mogen worden verzameld en gebruikt. De jongere of diens wettelijk vertegenwoordigers bij minderjarigheid moeten op de hoogte zijn welke organisatie zijn of haar gegevens verwerkt en voor welk doel. Tot slot moeten de verwerkingsorganisatie de persoonsgegevens in voldoende mate beveiligen. Met dit wetsvoorstel worden een aantal taken van bestuurscollege en betrokken school of instelling overgeheveld van de SKJ-wet naar de WEB en de WVO 2020 zonder dat dit gevolgen heeft voor privacy van de inwoners van Caribisch Nederland.

Bedacht moet worden dat het hier steeds gaat om gegevens die in eerste instantie zijn verzameld in een openbaar lichaam zelf. Het verzamelen van die gegevens en de verwerking ervan wordt beschermd door de Wbp BES. Als die gegevens digitaal worden gedeeld met DUO met als doel om ze op een veilige manier langduriger te kunnen bewaren en te kunnen hergebruiken voor de door de wet toegestane doelen door volgens de wet toegestane gebruikers, wordt DUO verantwoordelijk voor het beheer van die gegevens met inachtneming van niet alleen de specifieke onderwijswetgeving maar ook de Wet register onderwijsdeelnemers, AVG en Uitvoeringswet AVG. Deze gegevens worden dan onderdeel van het Register onderwijsdeelnemers (ROD). Daarna kunnen bepaalde gegevens uit dat register zo nodig worden opgevraagd door degene die daartoe bevoegd is. Afhankelijk van het soort gegeven en het beoogde gebruiksdoel zijn dat in veel gevallen weer de organen of personen die de gegevens in eerste instantie hebben verzameld en gedeeld met DUO.

Zo beschouwd is de bescherming van persoonsgegevens tijdens het hele verwerkingsproces geborgd. Het gaat daarbij steeds om de verzameling en uitwinning van gegevens die noodzakelijk zijn om het door de wet gestelde doel te kunnen realiseren. Het betreft steeds de persoon die voortijdig schoolverlater is of het risico loopt dat te worden vanwege verzuimmeldingen, gegevens over zijn of haar diplomering of over eventuele vrijstelling van de leerplicht. En voor Sint Eustatius en Saba ook de basisgegevens (naam, adres, en andere inschrijfgegevens), waarvoor nu nog geen wettelijke grondslag is.

Autoriteit persoonsgegevens en Commissie Wbp BES

Op 15 januari 2024 is aan zowel de Autoriteit persoonsgegevens (AP) als aan de Commissie toezicht bescherming persoonsgegevens BES (CBP BES) advies gevraagd. De Autoriteit persoonsgegevens heeft op 13 maart 2024 aangegeven geen advies uit te brengen over het wetsvoorstel omdat het wetsvoorstel betrekking heeft op Caribisch Nederland, waardoor de Commissie toezicht bescherming persoonsgegevens BES aan zet is. Op 15 januari 2024 is aan die commissie om advies op het wetsvoorstel gevraagd, maar er is geen advies ontvangen.

10. Internetconsultatie en advies toetsing regeldruk
10.1 Internetconsultatie

Het wetsvoorstel is van 20 december 2023 tot en met 10 maart 2024 voorgelegd voor openbare internetconsultatie.44 Er zijn in totaal zes reacties ontvangen, waarvan vier openbaar gepubliceerd zijn op de website. De andere twee hebben hun reactie buiten de website om per e-mail verstuurd. Die reacties zijn alsnog meegenomen in de verwerking van het commentaar.

Alle respondenten onderschrijven ten algemene het belang van dit wetsvoorstel. Zij zien dit wetsvoorstel als een belangrijke stap richting gelijkwaardigheid ten opzichte van Europees Nederland. Daarnaast juichen zij het toekomstige vsv-beleid toe waarbij meer aandacht komt voor het voorkomen van vsv. Wel zijn er zorgen geuit over de intrekking van de SKJ-wet. Eén van de zorgen ziet toe op het voortbestaan van afzonderlijke SKJ- organisaties die momenteel taken in het kader van de SKJ-wet vervullen. In reactie hierop moet worden benadrukt dat de huidige SKJ-wet geen enkele organisatie bij naam en toenaam benoemt. Zo bepaalt de SKJ-wet alleen dat er een uitvoeringsinstantie moet zijn die sociale kanstrajecten en daarmee samenhangende begeleiding aanbiedt. Die wet bepaalt echter niet welke organisatie dat moet zijn. Ook in het onderhavig wetsvoorstel wordt geen instantie bij naam en toenaam genoemd. Op basis van het eilandelijk plan over vsv kan de contactschool in overleg met de in artikel 8.7.6, tweede lid, onderdeel b, bedoelde partijen van geval tot geval bekijken welke organisatie wordt betrokken bij de uitvoering van het eilandelijk plan en de regering laat die vrijheid aan de betreffende partijen.

Dit zou er dus toe kunnen leiden dat de huidige SKJ-organisaties een rol blijven behouden. Op deze manier bestaat er op eilanden veel ruimte voor eigen keuzes en maatregelen die inspelen op de specifieke eilandelijke situatie en behoeften. Zo beschouwd is er op dit vlak geen verschil tussen het huidige en toekomstige wettelijk kader.

Daarnaast is ook een opmerking geplaatst over de bekostigingssystematiek van de vsv-middelen op de BES-eilanden. Eén van de respondenten geeft aan dat de onduidelijkheid over de bekostiging van de vsv-programma’s tot onzekerheden leidt over de uitvoering van het programma. De regering erkent dat er onduidelijkheden bestaan over de bekostigingssystematiek van de vsv-middelen. Echter, het in Europees Nederland gehanteerde berekeningsmodel is niet één op één toepasbaar op de BES-eilanden. Momenteel wordt in samenwerking met het CBS een afwijkend berekeningsmodel gemaakt dat recht doet aan de situatie op de BES-eilanden.

Verder is de vraag gesteld waarom de coördinerende rol voor het voorkomen en zoveel mogelijk ongedaan maken van vsv bij de contactschool ligt. Hierbij merkt de regering op dat het vsv-beleid vooral gericht is op preventie. Juist omdat scholen het meeste zicht hebben op potentiële uitvallers, en het openbaar lichaam momenteel nog een flinke slag moet maken om hun wettelijke taken ten aanzien van registratie, doorverwijzing en monitoring op orde te brengen, is het op dit moment het meest logisch om deze coördinerende taak bij een school te beleggen. Het bestuurscollege van ieder openbaar lichaam is wel een belangrijke ketenpartner voor het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten. Met name omdat het bestuurscollege over alle verzuimgegevens beschikt. Die databank met verzuimgegevens is van belang voor het maken van vsv-beleid voor alle jongeren tot 25 jaar oud op het eiland.

Ook zijn er enkele opmerkingen geplaatst over de generieke kwalificatie-onderdelen en kwalificatiedossiers. Deze opmerkingen worden hieronder achtereenvolgens besproken. Om te beginnen is de vraag gesteld welke gevolgen dit wetsvoorstel heeft voor de compensatieregeling die op basis van het Examen- en kwalificatiebesluit WEB geldt voor de generieke vakken Nederlands, Engels en rekenen. De regering merkt hierbij in de eerste plaats op dat de uitslagbepaling voor het examen en bijbehorende compensatieregeling niet wordt geregeld met dit wetsvoorstel. Wel wordt in de memorie van toelichting geschetst dat het op dit moment niet mogelijk is om de Nederlandse taal volgens de referentieniveaus voorwaardelijk te maken is voor diplomering zoals thans wel geregeld is in het Examen- en kwalificatiebesluit WEB. Dat betekent dat de compensatieregeling enkel ziet op Engels en rekenen. Het oogmerk is om in die lagere regelgeving, namelijk in het Examen- en kwalificatiebesluit WEB een afwijkende bepaling voor toepassing van de uitslagbepaling in een openbaar lichaam te formuleren.

Daarnaast wordt door een andere respondent aangegeven dat de Nederlandse taal van belang is om de studenten meer kans op een baan buiten het eiland zelf te geven en om gebruik te kunnen maken van Nederlandstalig lesmateriaal. De regering erkent dit belang, maar constateert tevens dat voor de meeste studenten in Caribisch Nederland een andere benadering meer passend is zoals hierboven uiteengezet. Dit laat onverlet dat binnen een bepaalde beroepsopleiding meer nadruk op de Nederlandse taal kan worden gelegd. Die vrijheid is er binnen het onderwijssysteem.

Ook heeft één van de respondenten aangegeven dat de generieke kwalificatie-eis(vak) rekenen enorm talig is. De regering merkt hierbij op dat rekenen een instellingsexamen is. Dit betekent dat een mbo-instelling zoals in Bonaire eigenstandig, en eventueel met behulp van bijvoorbeeld de MBO Raad, een andere mbo-instelling of een exameninstelling, rekenexamens kan ontwikkelen die aansluiten bij de context van de BES-eilanden. Zodoende kan de taligheid van het examenonderdeel worden verlegd naar het rekenkundig inzicht van de student.

Voor wat betreft de kwalificatiedossiers geeft een respondent aan dat een mbo-instelling in een openbaar lichaam op grond van de WEB BES momenteel de keuze heeft om al dan niet mee te gaan in een nieuw kwalificatiedossier wanneer er door middel van wettelijke beroepsvereisten aanvullende eisen worden gesteld die op het eiland onhaalbaar zijn. Een voorbeeld hiervan is – aldus de respondent – de taaleis die geldt voor het kwalificatiedossier Kinderopvang, waarbij de Nederlandse taal op 3F niveau een beroepsvereiste is. De respondent verzoekt de regering om hiermee rekening te houden. In reactie hierop wordt opgemerkt dat een wettelijk beroepsvereiste in een kwalificatiedossier altijd berust op en een gevolg is van wet- en regelgeving. Dat betekent dat interdepartementale bewustwording van belang is. Ieder ministerie of ander bestuursorgaan dat wettelijke beroepsvereisten stelt die onderdeel zijn van een kwalificatiedossier moet zich vooraf de vraag stellen of dat beroepsvereiste in dezelfde vorm of mate voor de openbare lichamen kan worden gesteld. Dit in verband met de doorwerking van een dergelijke eis in het mbo, ook in Caribisch Nederland. Daarnaast is het van belang dat bij de vaststelling van de kwalificatiedossiers oog is voor de eilandelijke context. Dit betekent dat ook in het werkproces van de SBB goed gekeken moet worden naar de toepasselijkheid van de vereisten op de BES-eilanden.

Tot slot wijst een respondent erop dat de scholen in Sint Eustatius en Saba door de regels voor het voortgezet onderwijs daar meer in een keurslijf zitten dan het mbo op Bonaire. Vooral als het gaat om het onderwijsaanbod en de erkenning van leerbedrijven. Dit wetsvoorstel heeft slechts betrekking op het voortgezet onderwijs als het gaat om de erkenning van leerbedrijven (artikel 2.105 WVO 2020) en het stroomlijnen van de aanpak van het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten. Ook de leerbedrijven in het kader van voortgezet onderwijs dat in Sint Eustatius en Saba wordt aangeboden, moeten erkend zijn door ROA CN om leerlingen te mogen ontvangen in het kader van hun stage.

10.2 Adviescollege toetsing regeldruk

Het Adviescollege toetsing regeldruk heeft op 4 april 2024 advies uitgebracht over het wetsvoorstel. Het college acht het nut en de noodzaak van het wetsvoorstel voldoende onderbouwd. Het advies is om het wetsvoorstel in te dienen nadat met de adviespunten rekening is gehouden.

Het college adviseert een evaluatiebepaling op te nemen waarin nader is aangegeven op welke aspecten de wet wordt geëvalueerd en wanneer de doelen van de wet als gehaald mogen worden beschouwd. Daarnaast adviseert het college om toe te lichten wat de gevolgen zijn voor de doelgroepen en het ondersteuningsaanbod waarbij momenteel de SKJ-organisaties betrokken zijn. Tot slot adviseert het college om de regeldrukparagraaf aan te vullen conform de rijksbrede methodiek.

Naar aanleiding van het advies is paragraaf 10.3 aangevuld. Op diverse plaatsen in de memorie van toelichting wordt ingegaan op de impact van het wetsvoorstel voor de doelgroep voortijdig schoolverlaters. Deze groep wordt groter door ook middelen en maatregelen mogelijk te maken voor leerlingen en studenten vanaf de leeftijd van twaalf jaar oud die dreigen uit te vallen. In reactie op het advies wordt verder opgemerkt dat bij de evaluatie van het voortijdig schoolverlatenbeleid -naast de gevolgen voor de doelgroep- ook de uitvoerbaarheid en naleefbaarheid bij bestuurscolleges en scholen een belangrijke rol zullen spelen.

10.3. Gevolgen voor de regeldruk

In deze paragraaf worden de regeldrukkosten bepaald. Dit is het geheel van de verplichtingen (handelingen) dat uit de voorgestelde wetgeving voortvloeit.

10.3.1. Volwasseneducatie

Doel van de inzet op volwasseneneducatie is om de basisvaardigheden van de doelgroep op een zodanig peil te brengen dat zij in staat zijn om, mede gebruikmakend van alledaagse digitale technologie, te communiceren en deel te nemen aan de maatschappij. Dit moet leiden tot zelfredzaamheid van de inwoners op sociaal en professioneel terrein, en tot maatschappelijke inclusie.

Voor alle drie de openbare lichamen geldt dat zij middelen gaan ontvangen ten behoeve van volwasseneneducatie. Dit brengt wel administratieve lasten mee, aangezien zij verantwoordelijk worden voor het maken van een onderbouwde inschatting van de behoefte aan volwasseneducatie op hun eiland en voor de inkoop van educatietrajecten. Ook moeten zij verantwoording afleggen over de besteding hiervan.

Structurele regeldrukkosten openbaar lichaam

Dit zijn de kosten voor de implementatie van het wetsvoorstel voor 3 openbaar lichamen

  • 1. Inschatting van de behoefte aan volwasseneducatie

    • 1.1. Cijfers en data

      • Inzichtelijk maken van cijfers over lage basisvaardigheden in CN. Op basis van beschikbare informatie en onderzoeken.

  • 2. Opstellen van beleid volwasseneducatie

    • 2.1. Planvorming

      • inventarisatie eilandelijk beleid, eilandelijke informatiebronnen en handreikingen die al beschikbaar zijn

      • kennisnemen van andere plannen

      • bepalen focus, doelgroepen, doelen en activiteiten in het eilandelijk beleid

    • 2.2. Schrijven plan, besluitvorming en vaststelling

    • 2.3. Gesprekken over samenwerking en aanbod cursussen basisvaardigheden.

  • 3. Verantwoording over de besteding

Nummer

Taak

Aantal uur

Kosten (€ 54p/u)

1

Inschatting behoefte

180

9.720

2

Opstellen van beleid

450

24.300

3

Verantwoording over de besteding

120

6.480

 

Totaal structurele regeldruk openbaar lichaam

750

40.500

Incidentele regeldrukkosten openbaar lichaam

Dit zijn de kosten voor de implementatie van het wetsvoorstel voor 3 openbaar lichamen

  • 1. Kennisnemen wetsvoorstel

  • 2. Subsidieaanvraag

  • 3. Evaluatie wetsvoorstel

Nummer

Taak

Aantal uur

Kosten (€ 54p/u)

1

Kennisnemen wetsvoorstel

120

6.480

2

Subsidieaanvraag

120

6.480

3

Evaluatie wetsvoorstel

180

9.720

 

Totaal incidentele regeldruk openbaar lichaam

420

22.680

10.3.2 Vsv-beleid

Met het intrekken van de SKJ-wet hebben de SKJ-organisatie en de SKJ-trajecten geen wettelijke basis meer. De contactschool krijgt de algehele coördinatie en maakt samen met de relevante stakeholders een eilandelijk vsv-plan. De contactschool vraagt de middelen voor de uitvoering van dat plan aan en beheert ze daarna ook. Per eiland kan de contactschool in samenspraak met het openbaar lichaam besluiten welke organisaties betrokken worden bij het opstellen van het vsv-programma of bij de uitvoering ervan.

De drie eilanden verschillen onderling sterk wat betreft de deelnemersaantallen, de mate van schooluitval en de omvang van potentiële doelgroep.

Structurele regeldrukkosten contactschool

Dit zijn de kosten voor de implementatie van het wetsvoorstel.

  • 1. Opstellen van een programma met maatregelen inzake terugdringen voortijdige schoolverlaters (vsv); samenwerkingsafspraken tussen onderwijs, openbaar lichaam en andere instanties zoals zorgorganisaties. Deze samenwerkingen zijn essentieel om de continuïteit van het vsv programma te waarborgen, maar brengen structurele verplichtingen met zich mee.

  • 2. Verplichte rapportages en monitoring over het aantal voortijdig schoolverlaters, de resultaten van maatregelen en het verloop van het vsv programma. Uit ervaring blijkt dat dit ongeveer 20 uur per contactschool kost. Voor 3 contactscholen worden de structurele regeldrukkosten geraamd op € 3.240

  • 3. Kennisontwikkeling vsv beleid. De raming is dat elke projectmedewerker jaarlijks vijf dagen bezig is met kennisontwikkeling. Daarnaast is er bij de implementatie van het wetsvoorstel een incidentele impuls nodig.

Nummer

Taak

Aantal uur

Kosten (€ 54p/u)

1

Opstellen programma terugdringen vsv

1.140

61.560

2

Rapportages en monitoring

60

3.240

3

Kennisontwikkeling, structureel

150

8.100

 

Totaal structurele regeldruk contactschool

1.350

72.900

Incidentele regeldrukkosten contactschool

Dit zijn de kosten voor de implementatie van het wetsvoorstel.

  • 4. Contactscholen moeten kennisnemen van dit wetsvoorstel. Per contactschool kost dit 40 uur.

  • 5. Contactscholen moeten eenmalig een aanvraag doen voor de subsidie voor de periode van 1 augustus 2026 tot en met 31 december 2030. De aanvragen worden 40 uur geraamd voor het doen van de subsidieaanvraag.

  • 6. Contactscholen moeten hun ICT-systemen (laten) aanpassen om de financiële verantwoording van het vsv beleid te borgen in de processen. Naar schatting kost dit 100 uur per contactschool.

  • 7. Meewerken aan evaluatie wetsvoorstel. Geschat is dat dit 20 uur per contactschool kost.

Nummer

Taak

Aantal uur

Kosten (€ 54 p/u)

4

Kennisnemen wetsvoorstel

120

6.480

5

Subsidieaanvraag

120

6.480

6

Aanpassen ICT- systemen

300

16.200

7

Evaluatie wetsvoorstel

60

3.240

 

Totaal incidentele regeldrukkosten contactschool

1.140

61.560

Structurele regeldruk voor jongeren

Het is belangrijk dat jongeren weten dat zij ondersteuning kunnen krijgen als zij dit nodig hebben. De communicatie door contactscholen, openbaar lichamen en het Rijk zullen zij tot zich moeten nemen. Op basis van het aantal te bereiken jongeren gaat het om 746 jongeren in het mbo en 74 in het CVQ. Per jongere kost dit 1 uur. Op basis van 17 euro per uur gaat het jaarlijks om € 13.940.

11. Gevolgen voor gendergelijkheid

Dit wetsvoorstel bevat maatregelen die ervoor zorgen dat iedereen de mogelijkheid krijgt om zich te ontwikkelen naar gelang hun interesse en vermogen. Zo maakt dit wetsvoorstel het verzorgen van opleidingen educatie in Caribisch Nederland mogelijk, om bijvoorbeeld de geletterdheid van de beroepsbevolking te vergroten. Daarnaast voorziet dit wetsvoorstel in de mogelijkheid voor LLO. Op deze manier kan iedereen in de beroepsbevolking hun participatie op de arbeidsmarkt vergroten. Kortom, dit wetsvoorstel vergroot de kansen van de beroepsbevolking in CN, ongeacht hun gender.

12. Toezicht en rechtsbescherming

Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van de toezichthoudende taak adviseert de Inspectie om ROA CN expliciet in de WOT te benoemen. De regering merkt hierbij op dat ROA CN, EOZ en het samenwerkingsverband CN nu reeds organisaties zijn waarop de Inspectie toezicht kan houden. Dit geldt ook voor het college van burgemeester en wethouder of het bestuurscollege. Deze organisaties respectievelijk bestuursorganen hebben immers taken toebedeeld gekregen van de wetgever en worden om die reden genoemd in de WVO 2020, WEB BES, WEB en andere onderwijswetten. Op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de WOT heeft de inspectie als taak om toezicht (in de zin van artikel 5:11 en volgende van de Algemene wet bestuursrecht) te houden op de naleving van de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften. In deze wetsbepaling zit geen beperking van dit toezicht tot onderwijsinstellingen. Er kan echter verwarring ontstaan over de bevoegdheden van de Inspectie, omdat de SBB en de samenwerkingsverbanden (in het kader van passend onderwijs) wel apart worden genoemd in de WOT. De reden hiervoor is niet gelegen in de noodzaak om de bevoegdheid tot toezicht te reguleren, maar om te bepalen op welke wijze de Inspectie toezicht zal houden.

Een gemeentelijk of eilandelijk orgaan of functionaris kan op grond van een onderwijswet wettelijke taken hebben gekregen. Een voorbeeld hiervan is de uitvoering van de Leerplichtwet of het voorkomen van voortijdig schoolverlaters. Er is geen wettelijk beletsel dat de Inspectie hierop fungeert als toezichthouder. De minister van OCW kan op grond van artikel 124b Gemeentewet vervangende handhavingsbesluiten nemen. Aangezien de Gemeentewet niet van toepassing is in Caribisch Nederland, is daar de Wet openbare lichamen BES van belang. In laatstgenoemde wet kan de Rijksvertegenwoordiger hier een rol spelen.

II. Artikelsgewijs

Artikel I. Wijziging Wet educatie en beroepsonderwijs
Artikel I, onderdeel A (artikel 1.1.1 WEB)

Aan de begripsbepalingen in de WEB worden ten behoeve van het gebruik van deze wet in het rechtsverkeer met en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (tezamen ook wel Caribisch Nederland genoemd) vijf begrippen toegevoegd. Deze begrippen zijn specifiek van belang voor Caribisch Nederland. Omdat de WEB BES wordt ingetrokken met dit wetsvoorstel, moeten de specifiek voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba relevante regels voortaan in de WEB worden geregeld. Deze drie eilanden zijn in de artikelen 2 tot en met 4 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba aangemerkt als openbare lichamen. Een openbaar lichaam is het meest te vergelijken met een gemeente maar vormt een bijzondere bestuurslaag naast de provincies en gemeenten op grond van artikel 132a van de Grondwet. Ieder openbaar lichaam wordt bestuurd door een bestuurscollege, bestaande uit gezaghebber en eilandsgedeputeerden. Een bestuurscollege is daarmee vergelijkbaar met een college van burgemeester en wethouders volgens de Gemeentewet. Omdat bestuurscolleges belangrijke taken hebben als het gaat om opleidingen educatie en het bestrijden van voortijdig schoolverlaten, wordt dit begrip ook opgenomen in de begripsbepalingen.

In artikel 11.16, vierde lid, WVO 2020 is reeds geregeld dat ieder openbaar lichaam over een samenwerkingsverband passend onderwijs beschikt. Anders dan in Europees Nederland neemt ook een mbo-instelling deel aan dit samenwerkingsverband. Dit bijzondere samenwerkingsverband wordt in de WEB en de WVO 2020 vanwege het onderscheid met andere samenwerkingsverbanden aangeduid met de letters ‘CN’.

Een andere organisatie die alleen actief is in Caribisch Nederland is het expertisecentrum onderwijszorg (EOZ) dat in de WEB wordt geïntroduceerd om dezelfde reden als het samenwerkingsverband CN. Dit EOZ wordt reeds genoemd in de WEB BES en in hoofdstuk 11 van de WVO 2020. Ieder openbaar lichaam heeft zijn eigen EOZ, aldus artikel 11.19, tweede lid, WVO 2020. Het is een door de minister van OCW aangewezen rechtspersoon die als taak heeft deskundige ondersteuning te bieden aan leerlingen en studenten met een specifieke onderwijsbehoefte, waarin de school of mbo-instelling redelijkerwijs zelf niet kan voorzien. Zie verder artikel 11.18, eerste lid, WVO 2020, waar de belangrijkste wettelijke taken van het expertisecentrum zijn opgesomd.

Tot slot is het nodig de begripsbepalingen van ‘bevoegd gezag’ en ‘exameninstelling’ in technische zin te wijzigen vanwege de verplaatsing van de inhoud van artikel 1.6.1 over de exameninstelling naar artikel 6.3.1. WEB.

Artikel I, onderdeel B (artikel 1.5.3 WEB)

Met de ‘onverminderd’-constructie in artikel 1.5.3, tweede lid, van de WEB wordt een geografische taakafbakening bewerkstelligd tussen de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven (SBB) en de Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN) voor wat betreft de erkenning van leerbedrijven. Die taakverdeling wordt als volgt: SBB is ten algemene bevoegd om leerbedrijven te erkennen. Een andere belangrijke wettelijke taak van SBB is het doen van voorstellen voor de inrichting van de landelijke kwalificatiestructuur. In erkende leerbedrijven doet een student de beroepspraktijkvorming als bepaald in artikel 7.2.8, eerste lid, van de WEB. Dit onderricht in de praktijk van het beroep waarvoor wordt opgeleid, is een wezenlijk onderdeel van iedere beroepsopleiding. SBB en ROA CN controleren of de leerbedrijven zich aan de erkenningsvoorwaarden houden en schorten zo nodig de erkenning op of trekken deze in. Dit is allemaal al geregeld in de huidige WEB.

Door de onderhavige wijziging in artikel 1.5.3, tweede lid, van de WEB wordt ROA CN specifiek bevoegd om leerbedrijven te erkennen op de openbare lichamen. Deze taakafbakening met SBB komt de doelmatigheid ten goede. ROA CN is gevestigd op Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

De verdere taakafbakening tussen SBB en ROA wordt verder aan beide organisaties overgelaten op grond van het voorgestelde artikel 1.6.5, tweede lid, WEB. Op grond van artikel 1.6.3, derde lid, WEB kan de regering zo nodig regels stellen over die taakverdeling.

Artikel I, onderdeel C (artikel 1.6.1 WEB)

De inhoud van artikel 1.6.1 over de erkenning van exameninstellingen wordt samengevoegd met het bestaande artikel 6.3.1 over exameninstellingen, gelet op de overlap tussen beide bepalingen. Hiermee kan artikel 1.6.1 (oud) vervallen. Dit heeft ook gevolgen voor enkele begripsbepalingen in artikel 1.1.1 zoals hierboven toegelicht.

Artikel I, onderdeel D (titel 1.6 WEB)
Titel 6. Caribisch Nederland

Nu de artikelen van de WEB, op enkele uitzonderingen na, ook van toepassing worden in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba dient duidelijk te zijn welke regel waar en wanneer van toepassing is. Uitgangspunt is dat de WEB van toepassing blijft op het Europese deel van Nederland en van toepassing wordt op het Caribische deel van Nederland. In beginsel geldt de wet dus voor heel Nederland. De uitzonderingen of verbijzonderingen voor de openbare lichamen zullen aan het eind van ieder hoofdstuk worden gemaakt. Met dit wetsvoorstel zal er aan het eind van ieder hoofdstuk een extra titel worden toegevoegd die regelt welke artikelen van dat betreffende hoofdstuk niet van toepassing zijn op Caribisch Nederland of anders moeten worden gelezen. Ook kunnen in die titel regels worden gesteld die uitsluitend voor de openbare lichamen gelden en daarmee dan niet voor Europees Nederland.

Bij verwijzingen naar andere Nederlandse wetgeving in de WEB gaat het vaak om verwijzingen naar specifieke BES-wetgeving, zodat de bepaling wel van toepassing is in Caribisch Nederland, maar de verwijzing anders moet worden gelezen. Ter illustratie hiervan: artikel 1.3.8 WEB bevat een aangifteplicht bij vermoedelijke zedenmisdrijven. Daarbij wordt verwezen naar een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikelen 127 juncto 141 van het Wetboek van Strafvordering. Hiermee wordt de politie bedoeld. In Caribisch Nederland is dat Wetboek niet van toepassing, zodat dat letterlijk genomen tot gevolg zou hebben dat er geen aangifte bij de politie in een openbaar lichaam maar in Europees Nederland zou moeten worden gedaan. Dit is natuurlijk niet de bedoeling. Daarom wordt in artikel 1.6.6 van de WEB bepaald dat in plaats daarvan aangifte moet worden gedaan bij de opsporingsambtenaar, genoemd in artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering BES. Dit is de politie in Caribisch Nederland.

Artikel 1.6.1 WEB (nieuw)

Ten algemene regelt het voorgestelde artikel 1.6.1 dat een aantal bestuursbegrippen in de wet ten aanzien van de openbare lichamen anders moet worden gelezen. Dit heeft louter en alleen te maken met het feit dat de drie eilanden als decentrale overheid binnen de Nederlandse staat formeel geen gemeente zijn, maar andere openbare lichamen op grond van artikel 132a van de Grondwet. Dit betekent dat zij een eilandsraad in plaats van gemeenteraad hebben en een bestuurscollege met gezaghebber en eilandsgedeputeerden in plaats van een college van burgemeester en wethouders.

Artikel 1.6.2 WEB

De voorgestelde artikelen 1.6.2 en volgende hebben betrekking op de Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland. ROA CN behoudt enkele wettelijke taken op de openbare lichamen, zij het dat die taak minder omvangrijk zal zijn dan op grond van de WEB BES. Tegelijkertijd krijgt ROA CN ook nieuwe taken met dit wetsvoorstel. Deze raad is in bepaalde opzichten het equivalent van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven (SBB).

Het voorgestelde artikel 1.6.2 regelt dat de minister van OCW een privaatrechtelijke stichting aanwijst die de wettelijke taken als ROA CN uitvoert. Nu ROA CN deze taken uitoefent naast SBB en ook een ander takenpakket alsmede een ander geografisch werkgebied heeft dan SBB, hoeven er geen specifiek inhoudelijke eisen meer aan het bestuur van ROA CN te worden gesteld. ROA CN hoeft immers geen voorstellen te doen voor de landelijke kwalificatiestructuur van beroepsonderwijs. Dat blijft de uitsluitende taak van SBB. ROA CN speelt wel een belangrijke rol voor de erkenning van leerbedrijven in Caribisch Nederland, alsmede voor de bevordering van de kwaliteit van die leerbedrijven.

Ingevolge het tweede lid blijft de minister van OCW wel in algemene zin bevoegd eisen te stellen aan het bestuur van ROA CN en de interne organisatie ervan, doordat dit tweede lid de minister een instemmingsrecht geeft op de statuten van de rechtspersoon, alsmede op een eventueel bestuursreglement. De minister is hierbij gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en er mogen geen onredelijke eisen worden gesteld. Het derde lid brengt met zich dat uitsluitend de minister van OCW bevoegd is te besluiten tot benoeming of ontslag van de voorzitter of diens plaatsvervanger van ROA CN vanwege het van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 1.5.2, derde lid, WEB. ROA CN zal voor de uitvoering van zijn wettelijke taken exploitatiesubsidie ontvangen met inachtneming van de begrotingsruimte voor het ministerie van OCW aldus het vierde lid.

Artikel 1.6.3 WEB

Het voorgestelde artikel 1.6.3 bevat de wettelijke taken die ROA CN heeft naast de erkenning en controle van leerbedrijven die in het voorgestelde artikel 1.6.4 wordt geregeld. ROA CN verliest met dit wetsvoorstel enkele taken die het krachtens de WEB BES nu wel heeft. Zo is het niet meer nodig dat ROA CN voorstellen doet over de bekostiging van het beroepsonderwijs voor Caribisch Nederland, nu uitgangspunt wordt dat een bekostigde instelling, ook in een openbaar lichaam, behoorlijk veel autonomie krijgt bij het bepalen van haar opleidingsaanbod, indien daarbij voor iedere beroepsopleiding de randvoorwaarden voldoende kwaliteit, en de zorgplichten doelmatigheid en arbeidsmarktperspectief in acht worden genomen.45

Er is echter wel een extra drempel nodig om te ontmoedigen dat er te snel nieuwe opleidingen worden aangeboden waarvoor te weinig erkende leerbedrijven beschikbaar zijn of die nauwelijks of geen arbeidsmarktperspectief zullen hebben. Die drempel zal bestaan uit een verplicht advies van ROA CN aan het bevoegd gezag van de instelling over die nieuwe opleiding, voorafgaand aan de start ervan. Onderdeel van het advies is of er voldoende leerbedrijven beschikbaar zijn om de beroepspraktijkvorming te kunnen volgen. Dit is geregeld in het eerste lid van het voorgestelde artikel 1.6.3. In combinatie met het voorgestelde artikel 6.5.1 WEB leidt dit ertoe dat voorafgaand aan het starten van een beroepsopleiding eerst advies van ROA CN over het nut van die opleiding moet worden gegeven.

Tevens is in dit lid geregeld dat ROA CN een dergelijk advies kan uitbrengen over een beroepsopleiding die reeds wordt verzorgd in een openbaar lichaam, indien daartoe aanleiding is. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als er signalen zijn dat er structureel onvoldoende leerbedrijven beschikbaar zijn om de beroepspraktijkvorming te vervullen of als er tekenen zijn dat studenten niet binnen redelijke tijd na hun afstuderen het vak waarvoor zij zijn opgeleid kunnen uitoefenen. Niet in alle gevallen behoeft dit advies te worden gedeeld met de minister van OCW. Maar dit ligt wel in de rede als er serieuze problemen dreigen te ontstaan of reeds zijn ontstaan. Deze afwijking ten opzichte van Europees Nederland is nodig, omdat studenten in een openbaar lichaam veel minder mogelijkheden hebben om over te stappen naar een andere opleiding.

Dat advies kan voor de minister van OCW aanleiding zijn om de rechten op bekostiging en het mogen uitreiken van een officieel diploma niet toe te kennen dan wel op grond van artikel 6.1.4, eerste lid, onderdeel c, van de WEB te ontnemen voor die opleiding. Zo nodig kan de minister dan op grond van artikel 6.1.4a van de WEB een tweede advies vragen aan de Commissie macrodoelmatigheid mbo, voordat hij een besluit neemt. Afhankelijk van het tijdsverloop kan dit betekenen dat studenten niet aan hun gekozen opleiding kunnen beginnen omdat die niet zal worden bekostigd en geen officieel diploma kent, dan wel zullen stoppen met hun opleiding. Immers, de opleiding vervolgen betekent dat er geen sprake meer is van een beroepsopleiding in de zin van de WEB en dat er geen officieel diploma meer kan volgen. Dat zal voor de meeste studenten betekenen dat zij willen stoppen. Alleen indien een instelling tevens in het bezit is van een recht op diploma-erkenning voor diezelfde opleiding zou de student kunnen overstappen naar die niet-bekostigde opleiding en zo zijn opleiding kunnen voltooien. Een erkenning in de zin van artikel 1.4.1 van de WEB vraagt om een aparte procedure en een apart besluit. Het is van belang te beseffen dat de WEB op dit punt dus verschilt van de WEB BES. Volgens deze laatste wet moet (nu nog) eerst een diploma-erkenning worden aangevraagd en kan er daarna een apart besluit worden genomen omtrent bekostiging van die opleiding uit de openbare kas.

Een besluit tot ontneming van rechten brengt dus meestal met zich dat studenten hun beroepsopleiding elders zullen moeten vervolgen. Aangezien er slechts één bekostigde mbo-instelling in Caribisch Nederland is, zal dat betekenen dat deze studenten hun beroepsopleiding in Europees Nederland zouden moeten vervolgen of elders in de Caribische regio een daarmee vergelijkbare opleiding gaan volgen. Of dat zij moeten kiezen voor een andere beroepsopleiding aan de Scholengemeenschap Bonaire. Het bijzondere van een eiland met slechts één instelling voor beroepsonderwijs is immers dat er hetzij (tijdelijk) verhuisd moet worden, hetzij voor een andere opleiding op het eiland moet worden gekozen. Nog onwenselijker is dat de student helemaal stopt met het volgen van onderwijs. De toepassing van artikel 6.1.4, derde lid, van de WEB, is in een openbaar lichaam als Bonaire kan daarmee problematisch zijn. Om die reden wordt voorgesteld in artikel 6.5.3 WEB om dat lid niet van toepassing te laten zijn in Caribisch Nederland, zodat er in plaats daarvan kan worden voorzien in maatwerk.

Het tweede lid bepaalt dat ROA CN als vertegenwoordiger van het beroepsonderwijs in de openbare lichamen voorstellen kan doen aan SBB voor kwalificatiedossiers of onderdelen ervan, zoals keuzedelen, die specifiek van belang zijn voor de arbeidsmarkt op de openbare lichamen. Het ligt voor de hand dat ROA CN hierbij zoveel mogelijk samen zal optrekken met het bevoegd gezag van een mbo-instelling en de werkgevers in Caribisch Nederland. Indien zo’n voorstel daadwerkelijk leidt tot een aanpassing van de landelijke kwalificatiestructuur zal SBB op grond van artikel 7.2.4, derde lid, van de WEB daarvan ook melding doen. Deze taak heeft ROA CN nu ook al op grond van artikel 1.5.2, derde lid, WEB BES maar dan aan de minister van OCW. Nu de kwalificaties op voorstel van SBB door de minister van OCW worden vastgesteld, is ervoor gekozen dat ROA CN zich rechtstreeks richt tot SBB, zodat in overleg met die organisatie de noodzaak van een toevoeging aan de kwalificatiestructuur, in het bijzonder voor de situatie op de openbare lichamen, kan worden besproken en beoordeeld.

Het derde lid bepaalt dat in lagere regelgeving nog extra taken aan ROA CN kunnen worden toebedeeld. Zo blijft bijvoorbeeld de mogelijkheid open om aan ROA CN als taak de erkenning van leerbedrijven in de zin van de WEB of WVO 2020 in de drie andere landen van het Koninkrijk toe te bedelen. Het vierde lid bepaalt dat ROA CN geen andere taken uitvoert dan zijn wettelijke taken. Dit is opgenomen omdat het een privaatrechtelijke stichting is, die zonder dit wettelijke beding in beginsel ook andere taken zou kunnen oppakken.

Artikelen 1.6.4 en 1.6.5 WEB (wettelijke taak erkenning leerbedrijven)

Het eerste lid van het voorgestelde artikel 1.6.4 bepaalt dat ROA CN als taak heeft de kwaliteit en de beschikbaarheid van leerbedrijven in de openbare lichamen te bevorderen. Deze taak heeft de raad nu ook al op grond van artikel 1.5.2, vijfde lid, WEB BES.

Het tweede lid van het voorgestelde artikel 1.6.4 geeft ROA CN als taak om een leerbedrijf in een openbaar lichaam te erkennen indien dat leerbedrijf voldoet aan de erkenningsvoorwaarden. SBB stelt bij regeling de erkenningsvoorwaarden vast. Daarnaast zijn ook de voorwaarden van artikel 1.5.3, derde en vierde lid, WEB, van toepassing op een erkenning door ROA CN. Dit betekent dat ieder leerbedrijf ten minste eenmaal per vier jaren moet worden gecontroleerd en dat een erkenningsbesluit moet worden ingetrokken als het leerbedrijf niet meer aan de erkenningsvoorwaarden voldoet. Dit wordt geregeld in het voorgestelde artikel 1.6.4, tweede en derde lid, van de WEB. Het vierde lid bepaalt dat ROA CN een erkend leerbedrijf ten minste elke vier jaar controleert. Voor SBB geldt hetzelfde op grond van artikel 1.5.1, eerste lid, onderdeel d, WEB.

ROA CN behoudt met dit wetsvoorstel een eigenstandige positie naast SBB, maar maakt tegelijkertijd ook gebruik van enkele voorzieningen van SBB. Zo is de regeling van SBB voor erkenning van leerbedrijven na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel ook van toepassing in Caribisch Nederland. En daarmee relevant voor ROA CN omdat ROA CN de leerbedrijven in Caribisch Nederland erkent, controleert op het voldoen aan de erkenningsvoorwaarden en zelfstandig bevoegd is een erkenning op te schorten dan wel in te trekken.

Tegelijkertijd is het van belang dat er geen dubbel werk wordt gedaan. Daarom wordt voorgesteld met artikel 1.6.5, eerste lid, van de WEB te regelen dat een besluit van ROA CN omtrent erkenning, waaronder de opschorting of intrekking van de erkenning van een leerbedrijf, voor alle studenten beroepsonderwijs in heel Nederland relevant is. Zo’n besluit heeft dus rechtsgevolg voor heel Nederland. En andersom geldt dat een beschikking van SBB ook rechtsgevolg heeft voor studenten die hun beroepsopleiding volgen in Caribisch Nederland, zodat ook studenten van bijvoorbeeld een Bonairiaanse beroepsopleiding niet hun beroepspraktijkvorming kunnen volgen bij een leerbedrijf in Europees Nederland waarvan de erkenning is ingetrokken door SBB. SBB heeft als taak om een lijst bij te houden en te publiceren van alle erkende leerbedrijven in heel Nederland. Die lijst moet dus ook de erkenningen en opschortingen of intrekkingen daarvan door ROA CN bevatten. Het tweede lid van artikel 1.6.5 bepaalt dat ROA CN en SBB een doelmatige samenwerking tussen beide organisaties bevorderen.

Artikel 1.6.6 WEB

Met het eerste lid van deze voorgestelde bepaling wordt duidelijk gemaakt dat de eigen wetboeken van strafrecht en strafvordering van toepassing zijn op de openbare lichamen, zodat de verwijzingen in de WEB ook anders moeten worden gelezen. In heel Nederland geldt feitelijk steeds de verplichting voor het bevoegd gezag van een mbo-instelling om aangifte te doen bij de politie of andere bevoegde opsporingsambtenaar, van een mogelijk zedenmisdrijf door een personeelslid jegens een minderjarige student. Wel dient het bevoegd gezag van de mbo-instelling voorafgaand aan de aangifte eerst in overleg te treden met de vertrouwensinspecteur bij de Inspectie. Dit volgt uit artikel 6 van de WOT.

Artikel 1.6.7 WEB

Met het voorgestelde artikel 1.6.7 WEB wordt geregeld dat iedere onderwijslocatie in Caribisch Nederland waar beroepsonderwijs of een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs wordt verzorgd, moet worden gemeld aan de minister van OCW. De verplichting ziet zowel op het bekostigd onderwijs als op het niet-bekostigd onderwijs met diploma-erkenning. DUO registreert deze locaties in de Registratie instellingen en opleidingen respectievelijk het register opleidingen educatie als bedoeld in artikel 6a.1.1 WEB. Deze verplichting geldt alleen voor zover het onderwijs betreft dat wordt verzorgd in een openbaar lichaam. Dit is nodig, omdat er verschillende bekostigingsmodellen bestaan voor het onderwijs in Europees Nederland en Caribisch Nederland. Zonder deze verplichting kan DUO geen administratieve controle uitvoeren en de Inspectie van het onderwijs geen effectief toezicht houden. Deze verplichting geldt met de inwerkingtreding van het artikel ook voor een bevoegd gezag dat reeds bevoegd is bekostigd beroepsonderwijs of een opleiding vavo aan te bieden of reeds een erkenning heeft en voornemens is een opleiding te gaan verzorgen in een openbaar lichaam.

Artikel I, onderdelen E en G (hoofdstuk 1, titel 7, en artikel 2.2.6 WEB)

Artikel 1.7.1 WEB bepaalt nu reeds onder welke voorwaarden een instelling ook andere activiteiten dan haar bekostigde wettelijke taak mag uitvoeren. Het gaat dan om wat ook wel wordt genoemd private activiteiten. Contractactiviteiten zijn een variant hiervan. Hiervoor wordt al dan niet schriftelijk een overeenkomst gesloten met een derde partij. Vandaar de term contractactiviteiten. Deze activiteiten worden omschreven als ‘werkzaamheden voor eigen rekening en ten behoeve van derden’. Het kader voor deze contractactiviteiten, dat nu nog geregeld is in artikel 1.7.1 WEB, wordt verplaatst naar het voorgestelde artikel 2.2.6, eerste tot en met vierde lid, WEB (nieuw). In dat artikel worden de huidige artikelen 1.7.1 en 2.2.6 samengevoegd. Randvoorwaarden zijn dat de private activiteiten wel verband houden met de wettelijke taak van de instelling, alsmede dat de wettelijke taak geen schade oploopt door die private nevenactiviteiten.

De WEB BES kent geen pendant van artikel 1.7.1 WEB. Er is echter geen reden om dit niet ook te reguleren voor de mbo-instelling op Bonaire. Er wordt dus niet voorzien in een afwijking ten behoeve van Caribisch Nederland.

Het is mbo-instellingen onder omstandigheden toegestaan om de bekostigingsbijdrage bestemd voor de wettelijke taak mede te gebruiken voor deze private activiteiten. Er is geen sprake van een onrechtmatige besteding van de bekostiging indien het bevoegd gezag van de mbo-instelling binnen de kaders blijft van hetgeen is bepaald in de Beleidsregel investeren met publieke middelen in private activiteiten (Stcrt. 2021, 18237). Omdat contractactiviteiten verband kunnen houden met de besteding van de bekostiging, is er voor gekozen het wetsartikel 1.7.1 te integreren met het bestaande artikel 2.2.6 WEB. De tekst van het huidige artikel 2.2.6, met daarin een grondslag om regels te stellen over de besteding van de bekostigingsmiddelen aan private activiteiten, wordt opgenomen als vijfde lid van het nieuwe artikel.

Onderdeel E regelt tot slot dat titel 7 van hoofdstuk 1 komt te vervallen. Door artikel 1.7.1 terug te laten keren in de WEB als artikel 2.2.6, eerste tot en met vierde lid, bevat titel 7 van hoofdstuk 1 immers geen bepalingen meer.

Artikel I, onderdelen F en H (artikelen 2.2.2, zevende lid en 2.2a.2, vijfde lid, WEB)

Nu de WEB mede betrekking zal hebben op het bekostigde beroepsonderwijs in het openbare lichaam Bonaire, moet worden gespecificeerd welk deel van Nederland wordt bedoeld in artikel 2.2.2, zevende lid, van de WEB. Deze bepaling is van meet af aan bedoeld om misbruik van bekostiging te voorkomen. Toen het zevende lid is ingevoegd in de wet in 2007, bestond het onderwijsnummer nog niet. Dit nummer wordt juist ingevolge artikel 8.1.1a WEB aangemaakt voor studenten die bij aanmelding en daaropvolgende inschrijving (nog) niet beschikken over een burgerservicenummer als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer omdat zij geen ingezetene van het Europese deel van Nederland zijn of als gevolg van een lopende administratieve procedure nog niet als zodanig zijn geregistreerd. De nieuwe formulering neemt mogelijke verwarring weg door dit onderwijsnummer alsnog te noemen. De bestaande zinsnede dat de beroepspraktijkvorming ook in het Europese deel van Nederland moet worden gevolgd, komt echter te vervallen in de nieuwe redactie. Het komt immers geregeld voor dat (een deel van) de beroepspraktijkvorming in Caribisch Nederland wordt gevolgd of elders in de wereld, mits er maar sprake is van een door SBB of ROA erkend leerbedrijf. Alleen daar mag de student zijn beroepspraktijkvorming volgen om in aanmerking te komen voor een diploma.

Onderdeel H, betreffende artikel 2.2a.2, vijfde lid, WEB wijzigt voor een bekostigde opleiding vavo om dezelfde reden als hiervoor genoemd voor het beroepsonderwijs, wanneer vavo-studenten, gelet op hun woonplaats, meetellen voor de bekostiging.

Artikel I, onderdeel I (hoofdstuk 2, titel 8, WEB)

Zoals eerder aangegeven wordt in beginsel aan het slot van ieder hoofdstuk een titel toegevoegd die specifieke bepalingen inzake de openbare lichamen bevat. Hoofdstuk 2 krijgt daarom een nieuwe titel 8 voor de openbare lichamen.

Artikel 2.8.1 WEB

Met het voorgestelde artikel 2.8.1 WEB wordt in bepaalde gevallen een toets vooraf voor het starten van een beroepsopleiding ingevoerd in de WEB. Hier is sprake van een afwijking (explain) ten opzichte van de thans algemeen geldende situatie voor het bekostigde beroepsonderwijs.

In het voortgezet onderwijs en het hoger onderwijs (zie de artikelen 4.20 en 4.16 WVO 2020 respectievelijk artikel 7.17 WHW) is voor bijna iedere fysieke verplaatsing of opening van een nieuwe school dan wel opleiding of voor het openen van een nevenvestiging van een bekostigde instelling of school in een andere gemeente vooraf ministeriële goedkeuring vereist.46 Zonder die goedkeuring komt de school of opleiding niet meer voor bekostiging in aanmerking en vervalt het recht op het uitreiken van officiële getuigschriften.

Het beroepsonderwijs kent daarentegen slechts een meldplicht voor de start van een nieuwe opleiding (artikel 6.1.2 WEB), alsmede de zorgplichten doelmatigheid en arbeidsmarktperspectief, geregeld in artikel 6.1.3, derde respectievelijk eerste lid, van de WEB. Met deze meldplicht worden andere instellingen vooraf ingelicht over het voornemen van een andere instelling. Deze vorm van gecontroleerde zelfregulering moet voorkomen dat er een wildgroei aan opleidingen ontstaat. Na een eventueel advies van de Commissie macrodoelmatigheid mbo kan de minister van OCW tot de slotsom komen dat een nieuwe opleiding niet aan een of beide zorgplichten voldoet. Dat kan leiden tot het besluit dat de opleiding niet (langer) voor bekostiging in aanmerking komt en dat evenmin officiële getuigschriften mogen worden uitgereikt. Gelet op het tijdsverloop van deze procedure is hier in de praktijk vooral sprake van een beoordeling achteraf. Het beroepsonderwijs kent dus in de praktijk een grote mate van vrijheid van vestiging en geen stelselmatige toets vooraf.

In Caribisch Nederland is een expliciete toets vooraf echter wel nodig. Op Bonaire is slechts één bekostigde instelling, die relatief klein is in vergelijking tot andere instellingen, terwijl beroepsonderwijs in de zin van de WEB in zijn geheel ontbreekt op de beide bovenwindse eilanden.47 Zonder deze extra toets vooraf zou iedere reeds bekostigde instelling in Europees Nederland zelf kunnen beslissen een nevenvestiging te openen op een van de bijzondere gemeenten. En daar nieuwe opleidingen kunnen gaan aanbieden. De studenten op de openbare lichamen en de reeds bestaande instelling voor beroepsonderwijs verdienen hiertegen bescherming. De huidige wettelijke voorschriften schieten hier tekort. Indien immers na verloop van tijd zou blijken dat een opleiding niet doelmatig is of onvoldoende arbeidsmarktperspectief kent, kunnen bijgevolg de rechten op bekostiging en om officiële getuigschriften uit te reiken voor die opleiding worden ingetrokken. Dit zou ertoe leiden dat studenten met die opleiding moeten stoppen. In Europees Nederland kan een student dan meestal nog zijn opleiding aan een andere instelling vervolgen. In Caribisch Nederland betekent het stoppen van een opleiding het eiland verlaten. Dit kan ertoe leiden dat de student plotsklaps voortijdig schoolverlater wordt, of noodgedwongen een andere opleiding moet kiezen dat minder bij zijn of haar wensen aansluit, dan wel moet verhuizen naar Europees Nederland indien hij of zij vastbesloten is die opleiding te volgen. Dit zijn ingrijpende en ongewenste gevolgen, waarop de student onvoldoende zal zijn voorbereid. Dit nieuwe vestigingsbeleid geldt alleen voor Caribisch Nederland. Dit om te voorkomen dat een instelling die nu nog niet in een openbaar lichaam is gevestigd met de komst van dit wetsvoorstel daartoe alsnog zou overgaan. Op grond van het tweede lid is het echter niet uitgesloten dat een Europees-Nederlandse instelling haar opleidingen ook gaat aanbieden in een openbaar lichaam. Op aanvraag zal de minister van OCW daarover een besluit nemen.

Het derde lid geeft de criteria weer die zullen worden gebruikt bij de beoordeling van een aanvraag van een andere instelling om een beroepsopleiding te gaan aanbieden in een openbaar lichaam. Het gaat hier uitsluitend om het starten van een nieuwe opleiding in een openbaar lichaam zonder betrokkenheid van een reeds in het openbaar lichaam gevestigde instelling. In geval van samenwerking bestaan er twee varianten. De eerste variant is een samenwerking waarbij de instelling als bedoeld in het voorgestelde artikel 2.8.1, eerste lid, van de WEB een deel van haar onderwijsprogramma uitbesteed aan een andere instelling, maar wel zelf verantwoordelijk blijft voor de beroepsopleiding. In die situatie is het artikel niet van toepassing. Op grond van thema 1 uit de notitie ‘Helderheid in de bekostiging van het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie 2004’, in samenhang gelezen met de aanvullende Kamerbrief uit 2007,48 is dit onder omstandigheden toegestaan. Een andere variant is het samenwerkingscollege als bedoeld in artikelen 8.6.1 en volgende van de WEB. Bij een samenwerkingscollege nemen twee of meer instellingen gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een beroepsopleiding of opleiding vavo en maken zij daartoe afspraken over onder andere de onderlinge taakverdeling en de inzet van personeel. Als daarbij een instelling betrokken is die reeds op 1 januari 2024 was gevestigd in een openbaar lichaam, is eveneens geen ministeriële goedkeuring vooraf nodig als bedoeld in artikel 2.8.1 van de WEB.

Maatschappelijke behoefte is een criterium dat ook wordt gebruikt bij het besluit omtrent bekostiging van een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs op grond van artikel 2.1.2, tweede lid, van de WEB. Ook kan de minister rekening houden met het onderwijsaanbod in de andere landen van het koninkrijk.

Het vierde lid regelt dat zo nodig aan een besluit tot goedkeuring beperkingen in de tijd en andere voorwaarden kunnen worden gesteld. Het vijfde lid beoogt de instelling die toestemming krijgt om een nieuwe opleiding te starten te stimuleren dat dan ook binnen een jaar te gaan doen. Met het zesde lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels gesteld gaan worden. Daarbij gaat het in ieder geval om de informatie die nodig is om een aanvraag te kunnen beoordelen.

Artikel 2.8.2 WEB

Het voorgestelde artikel 2.8.2 is een hulpmiddel om de artikelen 2.1.5 en 2.1.7 op een goede manier te kunnen toepassen in het rechtsverkeer op en met Caribisch Nederland. In het eerstgenoemde artikel gaat het dan om de correcte verwijzingen naar de privaatrechtelijke begrippen fusie en splitsing in het Burgerlijk Wetboek BES. Bij artikel 2.1.7 gaat het erom dat de uitspraak van de bevoegde rechter wordt meegezonden bij een fusie-aanvraag. Dit zou het geval kunnen zijn wanneer een eventueel voornemen voor fusie heeft geleid tot een gerechtelijke procedure met een medezeggenschapsraad. In dat geval moet de uitspraak van de rechter omtrent het medezeggenschapsgeschil met de aanvraag tot fusie worden meegezonden. Voor een instelling in een openbaar lichaam is dat dan niet de uitspraak van de Ondernemingskamer te Amsterdam, maar die van het Gemeenschappelijk Hof te Curaçao.

Artikel 2.8.3 WEB
Eerste lid

Op grond van het voorgestelde eerste lid van artikel 2.8.3 WEB kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat er voor de bekostiging van het beroepsonderwijs in een openbaar lichaam andere maatstaven mogen worden gehanteerd. Dit is thans al de praktijk. Anders dan in Europees Nederland is het aantal behaalde diploma’s (artikel 2.2.2, tweede lid, onderdeel b, WEB) geen relevante indicator voor de bekostiging voor het beroepsonderwijs in Caribisch Nederland. Dit geldt ook voor het voortgezet onderwijs daar. Voor de volledigheid wordt hier ook al vermeld dat de lumpsumbekostiging geen huisvestingscomponent omvat, zolang een overgangsrechtelijke bepaling met betrekking tot de voorziening in de huisvesting, zoals tot nu toe opgenomen in artikel 11.1b WEB BES, niet is vervallen. Dit wordt geregeld in het overgangsrecht bij dit wetsvoorstel (artikel 13.2.5 WEB). Daarmee is er in Caribisch Nederland een andere berekeningswijze dan bedoeld in artikel 2.2.2, eerste lid, WEB.

Tweede lid

Artikel 2.2.2, zevende lid, van de WEB over het meetellen voor de bekostiging van studenten met hun woonplaats in Europees Nederland, België of de aangrenzende bondsstaten van de Bondsrepubliek Duitsland kan om geografische redenen niet van toepassing zijn in Caribisch Nederland. Vanwege de integratie van de regels voor het Caribische deel van Nederland in de WEB wordt dat lid gewijzigd met dit wetsvoorstel. Dat zevende lid beperkt zich voortaan tot het meetellen van studenten, woonachtig in Europees Nederland (zie artikel I, onderdeel G) en het aangrenzende buitenland.

Daarnaast is het nodig een eigen bekostigingsregel te maken voor Caribisch Nederland als het gaat om de woon- of verblijfplaats van studenten beroepsonderwijs. Daarin voorziet het voorgestelde tweede lid van artikel 2.8.3 van de WEB. Voor het woonplaatsbegrip is aangesloten bij artikel 10, boek 1, Burgerlijk Wetboek BES.

Aangezien het praktisch en financieel onhaalbaar is voor een student om op een ander eiland te verblijven dan waar de instelling is gevestigd, wordt specifiek voor bekostigd beroepsonderwijs in een openbaar lichaam bepaald dat een student alleen kan meetellen voor de bekostiging indien hij ingezetene is van dat openbaar lichaam en aan die student daarbij een persoonsgebonden nummer is toegekend. De Wet basisregistraties persoonsgegevens is niet van toepassing in Caribisch Nederland, zodat de meeste van de studenten geen burgerservicenummer in de zin van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer zullen hebben. De openbare lichamen kennen immers een eigen bevolkingsregister op grond van de Wet basisadministraties persoonsgegevens BES. Overigens is een wetsvoorstel in de maak om ook de burgers van een openbaar lichaam een burgerservicenummer te geven. De bedoeling is dat dat de uitwisseling van gegevens binnen de overheid en met de scholen vergemakkelijkt. Het persoonsgebonden nummer is het burgerservicenummer dan wel het door de minister uitgegeven onderwijsnummer als bedoeld in artikel 8.1.1a, vierde lid, WEB. Zolang genoemde wetswijziging nog niet in werking is getreden wordt dus gebruik gemaakt van een onderwijsnummer.

Derde lid

In diverse artikelen wordt bepaald dat een accountantsverklaring nodig is. Daarbij wordt verwezen naar het gereglementeerde beroep van accountant of andere personen die door de wetgever zijn aangewezen in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Alleen die personen zijn bevoegd de jaarrekening van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt te controleren en daarover een oordeel te geven. Nu in plaats van het Burgerlijk Wetboek in Caribisch Nederland het Burgerlijk Wetboek BES van toepassing is voor de openbare lichamen wordt verwezen naar de deskundige die de wetgever in artikel 121, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES heeft aangewezen. Overigens verklaart deze laatste bepaling deels dezelfde personen genoemd in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bevoegd door verwijzing naar dat artikel. Daarnaast zijn ook bepaalde personen bevoegd die voldoen aan wetgeving van de Verenigde Staten of in het bezit van een specifieke vergunning van de Minister van Financiën.

Artikel 2.8.4 WEB

Waar artikel 2.8.3 WEB een van artikel 2.2.2, zevende lid, WEB afwijkende grondslag voor het tellen van studenten beroepsonderwijs bevat voor een bekostigde instelling in een openbaar lichaam, doet het voorgestelde artikel 2.8.4 WEB dat voor vavo-studenten in een openbaar lichaam, indien zij die opleiding ten minste volgen aan een instelling in een openbaar lichaam. Artikel 2.8.4 bevat daarmee een afwijking van artikel 2.2a.2, vijfde lid, WEB. Voor de bekostiging van het onderwijs op de openbare lichamen heeft artikel 2.8.4 WEB inzake het tellen van vavo-studenten dezelfde strekking als artikel 2.8.3 voor mbo-studenten. Zie daarom verder ook de toelichting op artikel 2.8.3, tweede en derde lid. Overigens moet de verwijzing in dat artikel naar een persoonsgebonden nummer op identieke wijze worden gelezen als voor de student mbo. Dit betekent dat zolang in de openbare lichamen geen burgerservicenummer is ingevoerd, gebruik gemaakt zal worden van het alternatieve onderwijsnummer als bedoeld in artikel 8.1.1a, vierde lid, WEB.

Artikel 2.8.5 WEB

Dit voorgestelde artikel bepaalt dat de artikelen 2.3.1 tot en met 2.3.4 WEB over het aanbod aan en de specifieke uitkering voor de opleidingen educatie niet van toepassing zijn voor de openbare lichamen. Op deze artikelen wordt hierna achtereenvolgens ingegaan. Artikel 2.3.1 is niet van toepassing, omdat daarin is bepaald dat er regio’s zijn voor de coördinatie en financiering van opleidingen educatie. De bestuurscolleges van de openbare lichamen worden zelfstandig bevoegd hiervoor, omdat de openbare lichamen vooralsnog niet in een educatieregio zijn ingedeeld. Artikel 2.3.2 kan reeds uit zichzelf niet van toepassing zijn, omdat de Financiële-verhoudingswet niet van toepassing is in de openbare lichamen. De bestuurscolleges zullen ook geen specifieke uitkering krijgen voor de wettelijke taak om opleidingen educatie te doen aanbieden aan hun inwoners, maar zullen deze wettelijke opdracht moeten financieren uit hun vrije uitkering ingevolge artikel 88 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De strekking van artikel 2.3.2 WEB komt evenwel terug in het voorgestelde artikel 2.8.6. Ditzelfde geldt voor artikel 2.3.3, eerste lid. Dit lid is weliswaar niet van toepassing omdat er geen sprake is van een contactgemeente en regionaal programma op de openbare lichamen maar de strekking hiervan komt wel terug in artikel 2.8.6, eerste lid, WEB.

Artikel 2.8.6 WEB

Zoals ook uitgelegd bij artikel 2.8.5 bevat het voorgestelde artikel 2.8.6 de voor de openbare lichamen relevante regels voor het (doen) verzorgen van een bij zijn inwoners passend aanbod van opleidingen educatie. Dit betreft volwassenenonderwijs, genoemd in artikel 7.3.1, eerste lid, van de WEB. In tegenstelling tot Europees Nederland kan het eilandelijk programma ook een opleiding vavo omvatten, als daaraan behoefte bestaat in het openbaar lichaam. Kortgezegd gaat het om tweedekansonderwijs voor volwassenen, gericht op het leren lezen en schrijven van de Nederlandse taal, dan wel het bereiken van een basisniveau voor rekenvaardigheden, zodat vervolgens het succesvol kunnen deelnemen aan een andere opleiding binnen bereik komt, dan wel hun zelfredzaamheid toeneemt in de samenleving of op de arbeidsmarkt. Het aanbod kan ook bestaan uit Nederlands als tweede of als vreemde taal. Op grond van het genoemde onderdeel f kunnen ook andere opleidingen worden aangewezen bij ministeriële regeling. Dit is al gebeurd voor digitale vaardigheden. Het eerste lid bepaalt dat het bestuurscollege uit de wettelijk beschikbare opleidingen educatie die opleidingen kiest waaraan zijn inwoners de meeste behoefte hebben. Die opleidingen worden verwerkt in een eilandelijk programma.

Het bestuurscollege maakt vervolgens afspraken met aanbieders van opleidingen educatie om die opleidingen te verzorgen conform het eilandelijk programma. De afspraken nemen normaliter de vorm aan van een opdrachtverlening of van een subsidie aan de onderwijsaanbieder. Dit volgt uit het tweede lid. In het derde lid is tot slot geregeld dat het bestuurscollege verantwoordelijk is voor de uitvoering van zijn eilandelijk programma en daartoe coördineert.

Artikel 2.8.7 WEB

Dit artikel betreft voor de toepassing van de WEB in Caribisch Nederland relevante verwijzingen naar de accountant volgens het Burgerlijk Wetboek BES en het hoofd van een school volgens de Leerplichtwet BES in plaats van het Burgerlijk Wetboek BES onderscheidenlijk de Leerplichtwet 1969.

Artikel 2.8.8 WEB

Het voorgestelde artikel 2.8.8 regelt dat de verwijzing in artikel 2.5.5e, onderdeel a, van de WEB in een openbaar lichaam betrekking heeft op de registratie van gegevens omtrent leer- en kwalificatieplichtige jongeren uit hoofde van de Leerplichtwet BES. Het tweede en derde lid bepalen tot slot dat het in een openbaar lichaam gaat om het systeem van doorverwijzing naar onderwijs en arbeidsmarkt als bedoeld in artikel 8.7.5 in plaats van artikel 8.3.2 WEB. Beide systemen hebben dezelfde doelstelling maar de aanpak voor Caribisch respectievelijk Europees Nederland verschilt enigszins van elkaar.

Artikel 2.8.9 WEB

Het voorgestelde artikel 2.8.9 van de WEB regelt de medezeggenschap van een verticale scholengemeenschap in een openbaar lichaam. Deze wordt met dit wetsvoorstel, op enkele details na, hetzelfde als in Europees Nederland. Deze details betreffen het volgende. Ten eerste bestaat er in Caribisch Nederland geen ondersteuningsplanraad als medezeggenschapsorgaan van een samenwerkingsverband. Naar deze raad wordt wel verwezen in artikel 2.6.3, tweede lid, WEB, zodat deze bestaande bepaling niet letterlijk kan worden toegepast op een verticale scholengemeenschap in Caribisch Nederland. Ten tweede is de WOR niet van toepassing buiten Europees Nederland. Aan dit uitgangspunt wordt niet getornd, maar wel is het nodig om bij wijze van uitzondering voor de WEB expliciet te bepalen dat voor het personeel van een vo-school en mbo-instelling, die samen een verticale scholengemeenschap vormen, zoals de Scholengemeenschap Bonaire na inwerkingtreding van deze wet, de WOR wel van toepassing is in een openbaar lichaam. Feitelijk is het toepassingsbereik van dit nieuwe artikel 2.8.9 WEB daarmee thans beperkt tot de Scholengemeenschap Bonaire. Op de vo-school daarbinnen is de Wet medezeggenschap op scholen nooit van toepassing geweest, zodat er ook geen sprake is van een trendbreuk.

Voor de medezeggenschap binnen de Scholengemeenschap Bonaire (een verticale scholengemeenschap) betekent het nieuwe medezeggenschapsmodel dat artikel 3.1.4 en hoofdstuk 8a van de WEB van belang worden voor de inrichting van de medezeggenschap voor met name leerlingen, mbo- en vavo-studenten, en hun ouders. De WOR wordt van belang voor het personeel van de verticale scholengemeenschap.

Artikel I, onderdeel J (opschrift hoofdstuk 3, titel 1, WEB)

De bestaande artikelen in hoofdstuk 3 worden ondergebracht in de nieuwe titel 1 met als opschrift ‘inrichting van het bevoegd gezag’. Hierin staan inrichtingseisen voor de rechtspersoon die de bekostigde mbo- of vavo-instelling in stand houdt. Bijvoorbeeld dat er naast een bestuur ook een raad van toezicht moet zijn. Deze regels gelden alleen voor bevoegde gezagen die een bekostigde instelling in stand houden, omdat hoofdstuk 3 geen onderdeel uitmaakt van de opsomming van erkenningsvoorwaarden van artikel 1.4.1 of 1.4a.1 van de WEB. Deze wijziging is nodig, omdat er een titel 2 komt voor Caribisch Nederland.

Artikel I, onderdeel K (hoofdstuk 3, titel 2 en artikel 3.2.1 WEB)

Aan hoofdstuk 3 wordt voorgesteld een titel 2 toe te voegen met daarin een wetsartikel dat relevant is voor Caribisch Nederland. Dit voorgestelde artikel betreft een verwijzing naar de accountant volgens het Burgerlijk Wetboek BES in plaats van het Burgerlijk Wetboek BES in artikel 3.1.2 WEB. Zonder deze bepaling zou een deskundige of accountant als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek BES niet zijn toegestaan voor de jaarlijks vereiste accountantsverklaring over de verantwoording van de besteding van de overheidsmiddelen van een instelling in een openbaar lichaam.

Artikel I, onderdelen L en M (artikel 4.1a.1 en hoofdstuk 4, titel 1a, WEB)

Met deze twee technische wijzigingen wordt artikel 4.1a.1 met daarin de omschrijving van het beroep van docent verplaatst naar hoofdstuk 4, titel 1, inzake het personeel van instellingen. Een docent maakt immer deel uit van dat personeel, zodat de aparte titel 1a met slechts een enkel wetsartikel kan vervallen. Zo wordt het aantal titels als tussenlaag tussen hoofdstuk en paragraaf verminderd. Hiermee wordt beoogd de leesbaarheid van de wet te verbeteren.

Het opschrift van hoofdstuk 4, titel 1, paragraaf 1, is niet meer geheel passend nu ook artikel 4.1a.1 (oud) in deze titel wordt ondergebracht. Omdat hoofdstuk 4, titel 1, sinds 1 juli 2015 geen paragraaf 2 meer heeft, kan ook het opschrift van paragraaf 1 komen te vervallen.

Artikel I, onderdelen N tot en met R (diverse artikelen hoofdstuk 4 WEB) en artikel XVI (artikel 7 van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993)

Dit betreffen allemaal technische wijzigingen. In hoofdstuk 4 wordt thans in drie verschillende wetsartikelen (artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel a, voor de docent, artikel 4.2.2, eerste lid, onderdeel a, voor de onderwijsondersteunende werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met het onderwijsleerproces, en in artikel 4.2a.1, voor de rest van het personeel) bepaald dat een verklaring omtrent het gedrag (vog) noodzakelijk is om in het bekostigd onderwijs te mogen werken. De slotsom is daarmee dat elke persoon binnen de instelling voorafgaand aan diens benoeming of feitelijke tewerkstelling een vog moet overleggen die de betreffende persoon niet uitsluit voor de beoogde functie of werkzaamheid. Met deze wijziging wordt daarom voorgesteld dit voortaan op één plek te regelen. Dit komt de overzichtelijkheid ten goede. In het derde lid van dit nieuwe artikel 4.2.6 wordt daarnaast bepaald dat geen onderwijs mag worden gegeven in geval van een rechterlijk beroepsverbod. Dit is geen nieuwe eis, maar thans nog in twee artikelen bepaald, te weten in de artikelen 4.2.1, tweede lid, onderdeel d, en 4.2.2, eerste lid, onderdeel e, WEB voor de docent respectievelijk degene die onderwijsondersteunende werkzaamheden verricht waarvoor bekwaamheidseisen van toepassing zijn; in de praktijk vaak aangeduid als instructeurswerkzaamheden. Deze wijziging is daarmee puur technisch van aard en beoogt slechts de overzichtelijkheid te doen toenemen door het onderwerp vog en beroepsverbod centraal in de wet te regelen in het nieuwe artikel 4.2.6 van de WEB.

Door de verlettering in artikel 4.2.1, tweede lid, dienen enkele verwijzingen daarnaar in artikel 4.2a.1 en 4.2.4 WEB en in artikel 7 van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 aangepast te worden.

Artikel I, onderdelen S, T en DD (artikel 4.2.7 (nieuw) WEB)

Titel 7 van hoofdstuk 7 omvat slechts één artikel. Dit artikel 7.7.1 WEB bepaalt dat leraren in opleiding bij een instelling voor beroepsonderwijs of vavo terecht moeten kunnen om leservaring op te doen. En om zo te worden opgeleid tot bevoegd docent. Bij nader inzien past deze bepaling beter in hoofdstuk 4 over personeel, waar zij ongewijzigd terugkomt als het voorgestelde artikel 4.2.7. Immers, een leraar in opleiding kan worden aangemerkt als toekomstig personeel. Titel 7 van hoofdstuk 7 kan daarmee vervallen.

Het opschrift van dit nieuwe artikel wordt veralgemeniseerd naar onderwijspersoneel in opleiding, omdat het niet alleen gaat om ho-studenten maar ook kan gaan om mbo-studenten, zij-instromers of buitenlandse studenten die een kans moeten krijgen volgens het eerste lid van het huidige artikel 7.7.1 WEB.

Artikel I, onderdeel U (hoofdstuk 4, titel 2a, WEB)

De inhoud van artikel 4.2a.1, komt terug in het nieuwe artikel 4.2.6 van de WEB. Artikel 4.2.a.1 vereist een vog voor alle ander personeel dan degenen waarvoor wettelijke bekwaamheidseisen gelden (docenten en instructeurswerkzaamheden). Door deze technische wijziging kan de aparte titel 2a met slechts een wetsartikel erin vervallen. Hiermee wordt beoogd de overzichtelijkheid van de wet te vergroten.

Artikel I, onderdeel V (hoofdstuk 4, titel 4, WEB)

Het voorstel voor een nieuwe titel 4 in hoofdstuk 4 bevat enkele specifiek voor Caribisch Nederland relevante regels in aanvulling op of in afwijking van de rest van hoofdstuk 4. Dit hoofdstuk heeft betrekking op het personeel van een bekostigde instelling. In de praktijk zal de nieuwe titel 4 alleen relevant zijn voor het openbaar lichaam Bonaire.

Uit de WEB BES zijn overgenomen de bepalingen dat de materiële rechtspositie van de ambtenaar voor de openbare lichamen ook van toepassing is op het personeel van een bijzondere onderwijsinstelling als de Scholengemeenschap Bonaire. Dit vloeit nu nog voort uit artikel 4.1.4, eerste lid, WEB BES en wordt straks geregeld in artikel 4.4.1, eerste lid, WEB. Dit betekent evenwel niet dat het formele ambtenarenrecht van toepassing is op dat personeel, omdat dat personeel een tweezijdige arbeidsovereenkomst heeft op grond van het Burgerlijk Wetboek BES. In deze zin heeft het Gerecht van eerste aanleg ook reeds geoordeeld.

Het tweede lid bepaalt dat het salaris en toelagen van het personeel van een bijzondere onderwijsinstelling worden vastgesteld bij eilandsbesluit. Het derde lid bepaalt dat er tevoren overleg dient te zijn gevoerd met de instelling en vertegenwoordigers van haar personeel. Om die reden bepaalt het vierde lid dat artikel 101 Ambtenarenwet BES niet van toepassing is. Dat artikel geeft een grondslag voor regels over georganiseerd overleg tussen ambtenaren en hun werkgevers.

De secundaire arbeidsvoorwaarden die voor ambtenaren gelden zijn dus ingevolge de verwijzing naar de Ambtenarenwet BES wel van belang voor het personeel met een arbeidsovereenkomst, met dien verstande dat het personeel van een mbo-instelling niet de Nederlandse nationaliteit behoeft te hebben in tegenstelling tot een ambtenaar zoals bepaald in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES. Onderwijspersoneel van een bijzondere school of instelling oefent immers geen openbaar gezag uit. De enige in de rechtspraak erkende uitzondering betreft het besluit om al dan niet een diploma toe te kennen aan de leerling of student. De nationaliteitseis die voor ambtenaren geldt, is niet nodig en daarmee niet van toepassing op het onderwijspersoneel, zo bepaalt artikel 4.4.1, vijfde lid. Dit wordt bij inwerkingtreding dus de pendant van het huidige artikel 4.1.5 WEB BES.

Bij gebreke van een collectieve arbeidsovereenkomst (cao) voor het onderwijspersoneel is daarom materieel de ambtenarenrechtspositie van overeenkomstige toepassing. Nu het onderwijspersoneel van een bijzondere instelling echter wel een dienstbetrekking heeft met de stichting die de mbo-instelling in stand houdt, is de vorm van de rechtspositie het civielrechtelijke arbeidsrecht. Een eventueel geschil zal dan uiteindelijk bij de burgerlijke rechter aanhangig moeten worden gemaakt.

Nu geen enkel openbaar lichaam zelf openbaar beroepsonderwijs aanbiedt en dat ook niet in de lijn der verwachtingen ligt binnen afzienbare termijn, is ervan afgezien om te bepalen dat bij een disciplinaire straf op een openbare instelling bij gebreke van een rol van gedeputeerde staten voor de BES de rijksvertegenwoordiger of de minister van OCW die taak heeft. Het zou te ver van de praktijk verwijderd zijn om de bestaande bepaling hierover over te hevelen naar de WEB.49

In vergelijking met de WEB BES komt ook niet meer letterlijk als aparte bepaling terug dat een docent, of onderwijsinstructeur voor de daartoe in het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel aangewezen onderwijsondersteunende werkzaamheden, ook zijn getuigschrift in Curaçao, Sint Maarten of Aruba mag hebben behaald. Dit blijft overigens wel als regel bestaan, maar dat is nu reeds ten algemene geregeld in de artikelen 4.2.1a jo. 4.2.1, tweede lid, onder 6°, voor een docent of 4.2.2, eerste lid, onderdeel c, van de WEB voor onderwijsondersteunende werkzaamheden. Op grond van deze bepalingen geeft ook een met de Nederlandse eisen vergelijkbaar diploma, behaald in de landen Curaçao, Aruba of Sint Maarten, toegang tot het beroep van docent of onderwijsinstructeur in zowel het Caribische als Europese deel van Nederland.

Artikel 4.1.2, vierde lid, WEB bepaalt dat na een onaantastbaar geworden vonnis tot faillietverklaring van een rechtspersoon die een instelling in stand hield, de overige instellingen tezamen de aanspraken van het personeel van die bankroet gegane instelling op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet overnemen naast aanspraken die uit een cao voortvloeien ingevolge het tweede lid van artikel 4.1.2 WEB. Nu zowel de Werkloosheidswet als de cao mbo niet van toepassing is op Caribisch Nederland, is dit reden om deze bepaling niet van toepassing te verklaren op het bevoegd gezag van een instelling in een openbaar lichaam. Anders zou er sprake zijn van eenzijdige en dus geen echte solidariteit.

Artikel I, onderdeel W (artikel 8.0.0 WEB)

Artikel 6.1.3a WEB vervalt weliswaar in hoofdstuk 6, maar feitelijk wordt de inhoud ervan verplaatst naar het eerste artikel van hoofdstuk 8, waar het bij nader inzien beter op zijn plaats is. Het nieuwe artikel 8.0.0 verplicht het bevoegd gezag van een mbo-instelling ertoe om aspirant-studenten juist en volledig te informeren over het beroepsonderwijs op de betreffende instelling. Het doel van deze informatieverplichting is om de aanstaande of oriënterende student in staat te stellen de verschillende opleidingsmogelijkheden te vergelijken en een passende opleiding te kiezen. Gelet hierop is het nodig dat de aspirant-student zich een goed oordeel kan vormen over de inhoud en de inrichting van het te volgen onderwijs en de examinering. Aangezien deze informatievoorziening van belang is bij de studiekeuze wordt de inhoud van artikel 6.1.3a hernummerd tot het nieuwe artikel 8.0.0 van de WEB. Deze informatieverplichting wordt ingevoegd voor artikel 8.0.1 van de WEB. Deze laatste bepaling ziet namelijk op de aanmelding van de aspirant-student bij de instelling. Voordat de student zich aanmeldt voor 1 april, zal hij of zij normaliter eerst kennis willen nemen van welke opleidingen de instelling aanbiedt, alsmede hoe het onderwijs en de examinering is georganiseerd. Verder is hij mogelijk geïnteresseerd in de visie van de instelling op onderwijs en heeft hij wellicht behoefte aan meer gedetailleerde informatie over een of meer beroepsopleidingen, die het bevoegd gezag verplicht is ter beschikking te stellen aan aankomende studenten.

Artikel I, onderdelen X en Y (artikelen 6.1.5b en 6.2.3b WEB)

In beide artikelen wordt de verwijzing naar de wetsbepaling omtrent een exameninstelling gewijzigd van artikel 1.6.1 naar het juiste artikel 6.3.1, omdat met dit wetsvoorstel de belangrijkste regels omtrent de exameninstelling worden gebundeld in de artikelen 6.3.1 en 7.4.4a van de WEB.

Artikel I, onderdeel Z (artikel 6.3.1 WEB)

De inhoud van artikel 1.6.1 over de erkenning van een exameninstelling wordt met artikel 6.3.1 samengevoegd tot een bepaling. Tevens wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt enkele redactionele verbeteringen aan te brengen. Zo is het niet langer nodig te bepalen dat een aanvraag tevens geldt als aanmelding voor het Crebo (thans Registratie opleidingen en instellingen). Het feit dat een positieve beschikking leidt tot opname in RIO is reeds elders in de WEB geregeld en hoeft dus niet te worden herhaald.

Het eerste lid bevat de inhoudelijke eisen voor een besluit tot erkenning als exameninstelling. Een exameninstelling vormt een aanvulling op het stelsel van beroepsonderwijs, omdat een instelling (roc of beroepscollege) de examinering van een bepaalde beroepsopleiding kan overdragen aan een exameninstelling. Bij zo’n overdracht, in de wandeling uitbesteding van examinering genaamd, verkrijgt de exameninstelling de volledige verantwoordelijkheid. Een recht op examinering geldt niet in zijn algemeenheid maar voor een specifieke beroepsopleiding. Dit is al sinds 2004 wettelijk voorschrift, maar volgt nu duidelijker dan voorheen uit het derde lid van het nieuwe artikel 6.3.1. Uitbesteding van examinering vindt dus plaats per opleiding en heeft betrekking op het héle examen ervan met álle examentaken. In dat geval gaat ook de verantwoordelijkheid voor de examenregeling en de examencommissie over naar de exameninstelling. Dit is echter alleen het geval bij volledige overdracht van de examinering aan een exameninstelling. Indien een deel van de examentaken (bijvoorbeeld de toetsconstructie) wordt ingekocht of wordt ontwikkeld in samenwerking met een andere instelling, is er sprake van inkoop of samenwerking en dan blijft het roc of beroepscollege zelf verantwoordelijk voor de examinering.

Het is ook de instelling die de bijbehorende diplomabekostiging ontvangt. Een exameninstelling ontvangt geen bekostiging vanuit het landelijk budget voor het beroepsonderwijs, maar heeft een overeenkomst met de instelling en zal uit dien hoofde een redelijke vergoeding voor de dienstverlening ontvangen.

Uiteraard dient in geval van uitbesteding de wettelijk vereiste rechtsbescherming van de student te zijn gewaarborgd. Dit betekent dat een exameninstelling ook moet zorgdragen voor de examenregeling en voor de instelling van of aansluiting bij een commissie van beroep voor de examens. Dit is ook als eis gesteld in artikel 6.3.1, eerste lid, onderdeel c.

Een instelling kan tot uitbesteding overgaan indien zij dat doelmatig acht of indien zij op basis van de eigen bewaking van de kwaliteit van het examen van een opleiding constateert dat zij niet zelf kan waarborgen dat dit examen op alle examenonderdelen in voldoende mate aan de standaarden, bedoeld in artikel 7.4.4. van de WEB voldoet. De instelling moet tot uitbesteding van de examinering overgaan indien haar het recht op examinering voor een beroepsopleiding is ontnomen. Deze tekst is grotendeels ontleend aan de memorie van toelichting van een wijziging van de WEB in 2004 (Stb. 2004, 138), waarbij de examineringsregels zijn gewijzigd en de exameninstelling haar huidige rol heeft gekregen.50

Artikel I, onderdeel AA (artikel 6.3.3 WEB)

In artikel 6.3.3, eerste lid, wordt een foute verwijzing naar een niet meer bestaand eerste lid van artikel 6.3.2 van de WEB gecorrigeerd.

Artikel I, onderdeel BB (hoofdstuk 6, titel 5, WEB)

Met dit onderdeel wordt aan het slot van hoofdstuk 6 een specifieke titel toegevoegd met daarin de bijzondere of afwijkende regels voor het beroepsonderwijs in de openbare lichamen.

In het voorgestelde artikel 1.6.3, eerste lid, WEB wordt geregeld dat een instelling die bekostigd beroepsonderwijs wil aanbieden in een openbaar lichaam eerst advies moet vragen aan de ROA CN over het arbeidsmarktperspectief van die opleiding en de beschikbaarheid van leerbedrijven om de beroepspraktijkvorming te kunnen volgen. Met artikel 6.5.1 WEB wordt geregeld dat dit advies voorafgaand aan de verplichte startmelding moet worden gevraagd. Deze startmelding betreft de melding aan de minister van OCW van het voornemen dat een nieuwe beroepsopleiding zal worden gestart. Een dergelijke melding is verplicht op grond van artikel 6.1.2, eerste lid, van de WEB.

Het voorgestelde artikel 6.5.2 geeft een andere invulling aan de zorgplicht doelmatigheid voor het bekostigde beroepsonderwijs in een openbaar lichaam, momenteel alleen Bonaire. Dit is nodig omdat een strikte toepassing van artikel 6.1.3, derde lid, WEB geen remmend effect heeft op de komst van nieuwe opleidingen, zolang er een bekostigde instelling is op Bonaire en de andere instellingen ruim 8.000 km verderop zijn gevestigd en alleen daar hun opleidingen aanbieden.

Met de specifieke invulling van doelmatigheid met betrekking tot het beroepsonderwijs op de openbare lichamen wordt acht geslagen op de geografische ligging van de openbare lichamen. Voor het bekostigd beroepsonderwijs in een openbaar lichaam moet veel zwaarder wegen de Caribische context van met het Nederlandse beroepsonderwijs vergelijkbare opleidingen. Dit wordt nog meer van belang wanneer er in de regio, te beginnen met de andere landen binnen het Koninkrijk, meer wordt samengewerkt en er afspraken worden gemaakt over een doelmatige verdeling van onderwijsaanbod in de Caribische regio. Dit proces is thans gaande.

Het voorstel voor artikel 6.5.3 bepaalt dat artikel 6.1.4, derde lid, WEB niet van toepassing is jegens een instelling in een openbaar lichaam. Als een instelling in Caribisch Nederland haar recht op bekostiging of diplomering verliest, zal het in de meeste gevallen nagenoeg onmogelijk zijn voor studenten om dezelfde opleiding aan een andere instelling in de eigen omgeving te kunnen afmaken. Hier past maatwerk. Studenten zullen dan noodgedwongen moeten overstappen naar een andere beroepsopleiding op het openbaar lichaam of tijdelijk verhuizen naar Nederland om hun beroepsopleiding daar af te maken. Niet iedere student zal deze keuze willen of kunnen maken. Daarom heeft het dan ook geen zin om toepassing te geven aan artikel 6.1.4, derde lid, WEB.

Het voorgestelde artikel 6.5.4 bepaalt dat er geen kwaliteitsoordeel zeer zwak voor het bekostigde beroepsonderwijs in een openbaar lichaam kan worden gegeven. Dit houdt ermee verband dat studiesucces vanwege de geringe omvang van de opleidingen daar veel lastiger te meten is. Dit laat onverlet dat de Inspectie van het onderwijs wel blijft toezien op de kwaliteit van het beroepsonderwijs. Onder andere via de band van artikel 6.1.4, eerste lid, onderdelen b of c, WEB, kan er nog steeds opgetreden worden bij de constatering van niet-nakoming van wettelijke deugdelijkheidseisen.

Artikel I, onderdeel CC (hoofdstuk 7, titel 6, WEB)
Artikel 7.6.1 WEB

In artikel 7.1.4 WEB is geregeld van welke ondersteunende instantie een mbo-instelling gebruik kan maken indien een bij aanvang van de opleiding leerplichtige student vanwege ziekte niet in staat is naar de instelling te komen voor het volgen van onderwijs. De wet wijst hiertoe een schoolbegeleidingsdienst of academisch ziekenhuis aan. Deze ondersteuning is vooral van belang bij een afwezigheid vanwege ziekte die zonder ingrijpen voor leerachterstanden zou zorgen. En de aard van de ziekte moet uiteraard het leren niet in de weg staan. De schoolbegeleidingsdiensten of academische ziekenhuizen zijn niet actief in de openbare lichamen. Daarom wordt met het voorgestelde artikel 7.6.1 geregeld dat het EOZ de aangewezen instantie is voor een mbo-instelling in een openbaar lichaam om ondersteuning te verkrijgen in bovengenoemde situatie.

Artikel 7.6.2 WEB

Het voorstel voor artikel 7.6.2 WEB regelt dat het bevoegd gezag van een bekostigde mbo- of vavo-instelling in een openbaar lichaam is aangesloten bij het samenwerkingsverband CN van het desbetreffende eiland. Dit is reeds geregeld in de artikelen 11.16 en volgende van de WVO 2020, zodat naar die bepalingen wordt verwezen. Dat het beroepsonderwijs en het vavo deel uitmaken van een samenwerkingsverband passend onderwijs is uniek voor Caribisch Nederland en ook nodig vanwege de kleinschaligheid van het mbo daar, terwijl opleidingen vavo momenteel helemaal nog niet voorkomen.

In Caribisch Nederland is het, gezien de schaalgrootte, niet haalbaar om een zorgstructuur in te richten volgens de gedetailleerde systematiek van Europees Nederland. Er zijn geen scholen voor speciaal onderwijs zoals die in Europees Nederland zijn geregeld in de Wet op de expertisecentra (hierna: WEC). De gekozen benadering is erop gericht een zo eenvoudig mogelijk wettelijk kader te scheppen waarbinnen het belang van leerlingen en studenten die extra zorg behoeven zo goed mogelijk wordt geborgd terwijl tegelijkertijd ruimte is voor betrokken scholen en instellingen om zelf de beste oplossingen te kiezen, aansluitend bij de behoefte en schaal van het eiland. Met daarbij de professionele ondersteuning van het EOZ die nodig is voor leerlingen en studenten met een beperking of chronische ziekte.

Het huidige hoofdstuk 3 van de WEB BES beschrijft de zorgstructuur op de openbare lichamen. Deze structuur wijkt af van het systeem in Europees Nederland.

Alle scholen en instellingen in Caribisch Nederland zijn aangesloten bij een samenwerkingsverband CN. Bij het samenwerkingsverband CN is ook een expertisecentrum onderwijszorg (EOZ) aangesloten. Per eiland is een aanbod van specialistische deskundigheid georganiseerd in de vorm van een EOZ waarvan instellingen voor beroepsonderwijs, scholen voor primair onderwijs en scholen voor voortgezet onderwijs gebruik kunnen maken. Het EOZ is een rechtspersoon die deskundige ondersteuning kan bieden aan studenten met een specifieke onderwijsbehoefte. De regels over het EOZ, waaronder bepalingen over subsidie, toezicht en taakverwaarlozing, staan in de WPO BES en de WVO 2020. Vanwege de eenvoud is daarom besloten de artikelen 11.16 en 11.17 van de WVO 2020 ook van toepassing te verklaren op het beroepsonderwijs en een opleiding vavo. De artikelen 11.18 tot en met 11.23 van die wet zijn van overeenkomstige toepassing. Het verschil bestaat hieruit dat beide eerstgenoemde artikelen de organisatie van het samenwerkingsverband CN beschrijven, hetgeen uit zichzelf al van toepassing is op het beroepsonderwijs en een opleiding vavo in een openbaar lichaam. Herhaling in de WEB is daarmee strikt genomen niet nodig, maar wordt voor de duidelijkheid wel gedaan. Terwijl de artikelen 11.18 en volgende zijn geschreven voor leerlingen voortgezet onderwijs maar door de overeenkomstige toepassing ook relevant worden voor studenten en vavo-studenten.

Op dit moment kent de WEB BES in artikel 3.1 nog de verplichting om een jaarlijks handelingsplan op te stellen ten aanzien van studenten en vavo-studenten met een specifieke onderwijsbehoefte. Er bestaat echter overlap tussen het handelingsplan uit artikel 3.1 WEB BES en de afspraken met betrekking tot extra ondersteuning uit artikel 8.1.3a WEB (ingevoegd met de Wet verbetering rechtsbescherming MBO-studenten, maakte voorheen onderdeel uit van de onderwijsovereenkomst). Conform artikel 8.1.3a moet het bevoegd gezag schriftelijke afspraken maken met de student of vavo-student die ondersteuning behoeft in verband met handicap of chronische ziekte. Deze afspraken worden jaarlijks herzien.

Artikel 7.6.3 WEB

Het voorgestelde artikel 7.6.3. regelt dat bij toepassing van artikel 7.2.9, tweede lid, van de WEB in een openbaar lichaam voor SBB moet worden gelezen ROA CN. Uit hoofdstuk 1, titel 6, volgt immers dat ROA eerste aanspreekpunt is in een openbaar lichaam over de erkende leerbedrijven.

Artikel 7.2.9, tweede lid, van de WEB bevat de verplichting voor het bevoegd gezag en SBB om met elkaar te overleggen en naar een passende oplossing te zoeken voor de student, indien er na het sluiten van een beroepspraktijkvormingsovereenkomst onverhoopt geen uitvoering (meer) kan worden gegeven aan de beroepspraktijkvorming bij het betreffende leerbedrijf. Aangezien in Caribisch Nederland de ROA CN aan de lat staat voor de erkenning van leerbedrijven, moet in Caribisch Nederland dat overleg plaatsvinden met ROA CN in plaats van met SBB.

Artikelen 7.6.4 en 7.6.5 WEB

In aanvulling op artikel 7.3.1 WEB kan in een openbaar lichaam ook de opleiding en het staatsexamen Nederlands als vreemde taal als opleiding educatie worden onderscheiden. Dit wordt geregeld in artikel 7.6.4.

In het bestaande artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel, c, van de WEB BES is de opleiding Nederlands als vreemde taal aangeduid als opleiding educatie voor Caribisch Nederland. De eisen en procedurele voorschriften voor deze opleiding zijn uitgewerkt in het Staatsexamenbesluit Nederlands als vreemde taal BES. Deze opleiding moet worden toegevoegd aan het rijtje opleidingen educatie. Omdat zij alleen van belang is voor Caribisch Nederland, wordt voorgesteld deze opleiding in een apart artikel 7.6.4 te noemen in plaats van deze toe te voegen aan de opsomming in artikel 7.3.1 WEB. Het voorstelde artikel 7.6.5 WEB geeft een grondslag om nadere regels te stellen over deze opleiding en verklaart (in het tweede lid) enkele bepalingen over het staatsexamen Nederlands als tweede taal van overeenkomstige toepassing op het staatsexamen Nederlands als vreemde taal.

Artikel 7.6.6 WEB

In het voorgestelde artikel 7.6.6 WEB wordt het toepasselijk bestuursrecht geregeld indien er sprake is van een geschil aan een openbare mbo-instelling in een openbaar lichaam. Het betreft allerlei verwijzingen naar de Wet administratieve rechtspraak BES in plaats van de Algemene wet bestuursrecht, nu die laatste wet niet van toepassing is in een openbaar lichaam. Nu een dergelijke openbare instelling niet bestaat, is dit daarmee een theoretische bepaling voor het geval dat zo’n situatie ooit ontstaat.

Artikel 7.6.7 WEB

Van meer praktisch belang is het voorgestelde artikel 7.6.7 over de rechtsbescherming van de student. Het is daarbij van belang te vermelden dat – in tegenstelling tot Europees Nederland – een geschil tussen student of vavo-student en de bestaande mbo-instelling in Caribisch Nederland niet fictief als een bestuursrechtelijke procedure wordt aangemerkt. Een hieruit voortvloeiende procedure zal daarmee ook niet worden afgewikkeld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Omdat de stichting Scholengemeenschap Bonaire een privaatrechtelijk georganiseerde instelling in stand houdt, zal de student zich tot de burgerlijke rechter moeten wenden op zijn of haar openbaar lichaam, indien de klacht of het geschil niet naar tevredenheid binnen de instelling kan worden opgelost. Wel geldt er in die voorfase binnen de instelling dat het bezwaar van de student of vavo-student overeenkomstig enkele bepalingen van de Wet administratieve rechtspraak BES dient te worden behandeld. Wederom in tegenstelling tot Europees Nederland is er sprake van een rechterlijke toetsingsmogelijkheid in twee instanties, dus met de mogelijkheid van hoger beroep bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Dit alles is sinds 1 augustus 2023 zo geregeld met de Wet verbetering rechtsbescherming mbo-student (Stb. 2022, 134) als wijziging van de WEB BES. In artikel 7.6.8 wordt slechts de technische doorwerking van deze recente wetswijziging als gevolg van de intrekking van de WEB BES geregeld. Namelijk door dit te regelen in de WEB zelf.

Artikel I, onderdeel EE (artikel 8.1.8 WEB)

Op grond van artikel 1, onderdeel f, sub 2, van de Leerplichtwet BES kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ook andere diploma’s worden aangewezen die – naast de reeds in die wet aangewezen mbo-, havo- en vwo-diploma’s – opleiden tot een startkwalificatie. Voor de bovenwindse eilanden is dit geregeld in artikel 25 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES. Daarin zijn enkele Nederlandse diploma’s aangewezen waarvan een groot deel van de onderwijs- en exameninhoud wordt bepaald door de Caribbean Examination Council te Barbados. Daarom wordt voorgesteld een zinsnede met deze strekking toe te voegen aan artikel 8.1.8 WEB. Aangezien het telkens gaat om diploma’s die als startkwalificatie worden aangemerkt in de Leerplichtwet 1969 of de Leerplichtwet BES wordt in artikel 8.1.8, eerste lid, onderdeel b, WEB voortaan kortheidshalve verwezen naar deze term.

Artikel I, onderdelen FF en GG (hoofdstuk 8, titel 7, WEB)

Titel 7 met specifieke regels over vooral de preventie en de bestrijding van voortijdig schoolverlaten in Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt toegevoegd aan hoofdstuk 8 van de WEB. Deze regels richten zich in hoofdzaak tot een instelling die beroepsonderwijs of een opleiding vavo aanbiedt en op de taak van het bestuurscollege.

In het voorgestelde artikel 8.7.1 wordt specifiek voor een instelling in een openbaar lichaam de omgekeerde situatie geregeld van artikel 8.0.4, zesde lid, WEB. Dit betekent dat bij aanmelding voor beroepsonderwijs van een student die niet woonachtig is in het hetzelfde openbaar lichaam als waar de instelling is gevestigd, de instelling daarmee rekening dient te houden. Dit betekent concreet dat de intakeactiviteiten die leiden tot het studiekeuze-advies voor die student digitaal of in ieder geval zodanig moeten worden georganiseerd dat de aspirant-student niet fysiek behoeft deel te nemen aan de intakeactiviteiten.

Het voorstel voor artikel 8.7.2 bevat allerlei noodzakelijke, anders te lezen verwijzingen in hoofdstuk 8, titel 1. Het gaat hier om wetgeving die specifiek voor de openbare lichamen is vastgesteld in plaats van andere Nederlandse wetgeving die aldaar niet van toepassing is. Het betreft de Wet toelating en uitzetting BES in plaats van de Vreemdelingenwet 2000, de Leerplichtwet BES in plaats van de Leerplichtwet 1969, de Wet studiefinanciering BES in plaats van de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet administratieve rechtspraak BES in plaats van de Algemene wet bestuursrecht. De oplettende lezer zal opmerken dat er geen verwijzing is opgenomen voor artikel 8.1.7, elfde lid, van de WEB naar de Wet studiefinanciering BES in plaats van de Wet studiefinanciering 2000. De reden is dat er nog geen sprake was van een openbaar lichaam op 1 augustus 2005 en de Wet studiefinanciering BES daarmee nog niet bestond toentertijd. Dit terwijl artikel 8.1.7, elfde lid, WEB wel op die situatie betrekking heeft.

De voorgestelde artikelen 8.7.3 tot en met 8.7.7 bevatten enkele specifieke regels omtrent het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland. Deze bepalingen komen in de plaats van de artikelen 8.3.2, 8.3.4 en 8.3.5 van de WEB, omdat het voorgestelde artikel 8.7.4 gaat bepalen dat deze drie wetsartikelen niet van toepassing zijn voor de openbare lichamen.

Een succesvolle aanpak van het probleem voortijdig schoolverlaten vergt een ketenbenadering, waarbij alle partners met elkaar samenwerken en hun taak uitvoeren in overleg met elkaar. Het begint ermee dat de mbo-of vavo-instelling verplicht is de in de wet omschreven gevallen van verzuim te melden aan het bestuurscollege, conform het voorgestelde artikel 8.7.3 van de WEB. Op deze voorgestelde artikelen wordt hierna achtereenvolgens ingegaan.

Artikel 8.7.3 WEB

Artikel 8.1.8a WEB betreft de verplichte gegevenslevering van een mbo-instelling aan DUO bij ongeoorloofd studentverzuim van meer dan vier weken. Artikel 8.1.8a WEB met inachtneming van het voorgestelde artikel 8.7.3 WEB toepasbaar in een openbaar lichaam. De eerste afwijking is dat de Wet register onderwijsdeelnemers voor wat betreft de verzuimgegevens vooralsnog niet van toepassing is op de openbare lichamen. Dit beletsel in juridische zin verdwijnt echter met de inwerkingtreding van het onderhavig wetsvoorstel. Daarnaast geldt voor Caribisch Nederland afwijkende privacyregelgeving. De Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) is immers niet van toepassing, omdat Caribisch Nederland geen deel uitmaakt van de interne markt van de Europese Unie.51

Wanneer een student langer dan vier weken afwezig is zonder geldige reden, moet het bevoegd gezag dit melden aan het bestuurscollege, zo volgt uit artikel 8.1.8a WEB bij toepassing in Caribisch Nederland. In het voorgestelde artikel 8.7.3 WEB voor Caribisch Nederland wordt niet vastgelegd dat deze melding plaatsvindt via DUO en het register onderwijsdeelnemers, omdat de openbare lichamen daar voorlopig niet op zijn aangesloten. Vooralsnog is de melding nagenoeg vormvrij. Zij moet alleen wel schriftelijk of digitaal gebeuren. Deze formulering laat onverlet dat, wanneer het register onderwijsdeelnemers wordt ingevoerd in Caribisch Nederland, de meldingen via het register dienen te worden gedaan. Wanneer dit zo is, kunnen het eerste en tweede lid van dit nieuwe artikel 8.7.3 WEB vervallen.

Derde en vierde lid: Bij het registreren van verzuim en verwijdering worden persoonsgegevens verwerkt. In Caribisch Nederland dienen deze verwerkingen plaats te vinden conform de Wbp BES. In het vierde lid is opgenomen dat het persoonsgebonden nummer BES mag worden gebruikt bij de bestrijding van voortijdig schoolverlaten. Bij de melding kan het noodzakelijk zijn om in de melding mede persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid of strafrechtelijke persoonsgegevens te gebruiken als dat nodig is om de reden van het verzuim te melden. Het vijfde lid formuleert daarom een uitzondering op artikel 16 Wbp BES met daarin het verbod om deze gegevens te gebruiken. Bijzondere persoonsgegevens komen niet in het register onderwijsdeelnemers terecht.

Artikel 8.3.1 WEB is overigens gewoon van toepassing op de openbare lichamen. Artikel 8.3.1 geeft de definitie van een vsv-er. Daarbij moet worden opgemerkt dat het eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid verwijzen naar jongeren afkomstig uit het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de WEC. Dit is in Caribisch Nederland niet aan de orde, omdat daar geen WEC-scholen zijn.

Artikel 8.7.4 WEB

De artikelen 8.3.2, 8.3.4 en 8.3.5 WEB zijn niet van toepassing in een openbaar lichaam, zo regelt artikel 8.7.4. In plaats van artikel 8.3.2 zijn in een openbaar lichaam de artikelen 8.7.5 en 8.7.6 WEB van belang.

Met de voorgestelde bepalingen 8.7.5 tot en met 8.7.7 is inhoudelijk zoveel mogelijk aangesloten op de artikelen 8.3.2 en 8.3.4 WEB. Wel zijn enige afwijkende keuzes gemaakt voor wat betreft de taakverdeling op de openbare lichamen.

Artikel 8.3.5 WEB kan voor Caribisch Nederland buiten toepassing worden gelaten. Dit betreft deelname van het bevoegd gezag aan het overleg gericht op het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 2.47, tiende lid, WVO 2020. Deze overlegstructuur is op grond van artikel 11.12 WVO 2020 niet van toepassing op de eilanden, waaruit volgt dat deelname van het bevoegd gezag ook niet geregeld hoeft te worden.

Artikel 8.7.5 WEB

Ieder bestuurscollege heeft drie taken in het kader van het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten. In de eerste plaats de registratie van alle door de onderwijsinstellingen gemelde persoonsgegevens omtrent verzuim. Het bestuurscollege dient daarbij uiteraard deze wet en de Wbp BES in acht te nemen. In hetzelfde register houdt het bestuurscollege ook de registratie bij van degenen die niet voldoen aan de eisen van de Leerplichtwet BES. Dit is een andere categorie. Er zouden immers ook jongeren kunnen zijn die op het openbaar lichaam verblijven zonder ooit onderwijs op het openbaar lichaam te hebben gevolgd. Het bestuurscollege draagt zorg voor het beheer van dit register, zodat het goed functioneert, zo volgt uit het eerste en tweede lid.

Een tweede taak van het bestuurscollege is ervoor te zorgen dat alle jongeren onder de 25 jaar oud zonder startkwalificatie (in de zin van de Leerplichtwet BES) van tijd tot tijd worden benaderd met de vraag of zij weer onderwijs willen gaan volgen dan wel in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien door middel van betaald werk. Dit is geregeld in het derde lid. En om deze jongeren zoveel mogelijk op weg te helpen als zij hiertoe uit zichzelf niet direct in staat zijn. De invulling van deze tweede taak kent meer beleidsvrijheid en kan ook onderdeel zijn van het eilandelijk plan voortijdig schoolverlaten. Beide zelfstandige taken van het bestuurscollege zijn geregeld in artikel 8.7.5, eerste tot en met vierde lid, WEB. Zij moeten worden onderscheiden van de derde, meer indirecte taak die volgt uit artikel 8.7.6. Dat is het meedenken en -praten bij de totstandkoming van het eilandelijk plan om het aantal voortijdig schoolverlaters zoveel mogelijk te voorkomen en de daadwerkelijke uitval te bestrijden. Dit vraagt om samenwerking in de keten zoals hierboven al aangegeven.

Met dit wetsvoorstel wordt afgezien van een bijzondere uitkering voor de taak van bestrijding voortijdig schoolverlaten, zoals thans nog wel het geval is op grond van de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES. Er zal een bedrag aan het BES-fonds worden toegevoegd, zodat de openbare lichamen hun medebewindstaak van registratie en als Doorstroompunt naar behoren kunnen uitvoeren. Het zesde lid bepaalt dat bij ministeriële regeling regels ter uitvoering van artikel 8.7.5 kunnen worden gesteld.

Artikel 8.7.6 WEB

Met dit voorgestelde artikel wordt een contactschool aangewezen per openbaar lichaam die het voortouw heeft bij de totstandkoming van een vierjaarlijks plan met daarin een beschrijving van de uitgangssituatie, de te verwachten ontwikkelingen die invloed kunnen hebben op voortijdig schoolverlaten en de maatregelen om dit voortijdig schoolverlaten zoveel mogelijk te voorkomen en te bestrijden. De contactschool kan een school voor voortgezet onderwijs of een mbo-instelling zijn.

Het vierde lid bepaalt dat het eilandelijk plan ook streefcijfers bevat. Het stellen van streefcijfers betekent dat er ook een beschrijving van de beginsituatie moet zijn. Het tijdpad beslaat vier jaar. Op grond van het vijfde lid kunnen bij ministeriële regeling uitvoeringsregels worden gesteld.

Artikel 8.7.7 WEB

In Europees Nederland zijn de coördinerende taken rondom het regionaal programma voortijdig schoolverlaten belegd bij het college van burgemeester en wethouders van de contactgemeente. Van dit uitgangspunt wordt gemotiveerd afgeweken voor Caribisch Nederland.

De regionale samenwerkingsstructuur wordt niet overgenomen voor Caribisch Nederland, omdat de openbare lichamen zich op dit moment niet lenen voor onderlinge regionale samenwerking op het terrein van voortijdig schoolverlaten. Zij zijn om meerdere redenen niet vergelijkbaar met Nederlandse gemeenten. De geografische ligging zou dit ondoelmatig maken. De activiteiten die in Europees Nederland worden uitgevoerd op regioniveau, vinden in Caribisch Nederland plaats voor elk afzonderlijk openbaar lichaam.

Het ontwikkelen van de registratie en monitoring van voortijdig schoolverlaters tussen de 12 en 25 jaar oud behelst een taakverzwaring voor het openbaar lichaam. Het is daarom wenselijk om de overige verantwoordelijkheden te spreiden over verschillende instanties. In Europees Nederland heeft de contactgemeente thans een coördinerende rol bij het opstellen van een regionaal programma met maatregelen ter voorkoming en bestrijding van voortijdig schoolverlaten (artikel 8.3.4, derde lid, WEB). De coördinerende rol bij aanvullende maatregelen in de bestrijding van voortijdig schoolverlaten wordt op de BES-eilanden belegd bij het bevoegd gezag van een onderwijsinstelling op het eiland. Dit is overigens niet heel ongewoon, want dit was tot begin deze eeuw de standaardsituatie in Nederland.

In Europees Nederland ontvangt een contactschool in de RMC-regio subsidie voor de uitvoering van maatregelen uit het regionaal programma. De uitvoering van het regionaal programma is geen bekostigingsvoorwaarde in de zin van artikel 1.1.2 WEB in het licht van artikel 23 Grondwet. De subsidie is opgenomen in een subsidieregeling met een grondslag in de Wet overige OCW-subsidies (hierna: WOOS).

Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is de hoofdregel dat de toepassing op de BES uitdrukkelijk in de betreffende wetgeving moet worden geregeld (tweede lid, onderdeel a), of op andere wijze onmiskenbaar moet blijken (tweede lid, onderdeel b). Echter, beide gronden gelden niet voor de WOOS, omdat in de WOOS niet uitdrukkelijk is bepaald noch onmiskenbaar op andere wijze blijkt dat die wet ook van toepassing is op de BES-eilanden.

Maar de WOOS kan wel vallen onder artikel 2, derde lid, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, omdat de minister de bevoegdheid heeft om subsidie te verstrekken. Ook als het om subsidieontvangers in het buitenland gaat, kan de WOOS eveneens buiten het Europese deel van Nederland toepassing vinden. In dat geval staat het tweede lid niet aan toepassing op de BES in de weg. Om echter toch in een grondslag voor subsidiëring te voorzien wordt in het voorgestelde artikel 8.7.7 een specifieke subsidiegrondslag voor de contactschool gemaakt en worden bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en de WOOS voor de uitvoering van deze taak van toepassing verklaard. Hierdoor ontstaat er een grondslag voor een subsidieregeling voor onderwijsinstellingen, namelijk de aangewezen contactschool, op de BES-eilanden.

Artikel I, onderdeel HH (hoofdstuk 8a, titel 6, WEB)

Met het voorgestelde artikel 8a.6.1 wordt in de WEB geregeld dat niet de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam bevoegd is kennis te nemen van geschillen omtrent de toepassing van de medezeggenschap in een openbaar lichaam, maar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Ingevolge artikel 15, derde lid, van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie kan het Hof ook zitting houden op Bonaire. Het voordeel van toegang tot een rechterlijk college met kennis van de eilandelijke context, dat zich bevindt in de nabijheid van de mbo-instelling en de studentenraad, weegt zwaarder dan de specialisatie van de Ondernemingskamer in het medezeggenschapsrecht. Momenteel is deze bepaling alleen relevant voor Bonaire, aangezien op dat openbaar lichaam de enige bekostigde instelling voor beroepsonderwijs in Caribisch Nederland is gevestigd.

Artikel I, onderdeel II (artikel 10.2 WEB)

Artikel 10.2 WEB heeft betrekking op de toekenning van rechten aan een instelling. Het bepaalt namelijk dat na een gerechtelijke uitspraak waartegen geen hoger beroep meer mogelijk is, een eventueel recht op bekostiging wordt toegekend met ingang van het studiejaar waarin de uitspraak is gedaan. De bekostigingsaanspraak ontstaat zo dus altijd met ingang van het studiejaar. Met de onderhavige wijzigingsopdracht wordt artikel 10.2 veralgemeniseerd, zodat er geen specifieke bepaling voor Caribisch Nederland nodig is. De strekking van de bepaling blijft ongewijzigd.

Artikel I, onderdelen JJ en KK (hoofdstuk 11, titel 2, WEB)

Hoofdstuk 11 is nu nog niet in titels opgedeeld. Vanwege de invoering van titel 2 met regels voor Caribisch Nederland, wordt dat nu wel nodig. Artikel 11.2 WEB bevat nu reeds de mogelijkheid een bestuurlijke boete op te leggen aan – kort samengevat – iedere natuurlijke of rechtspersoon die zich voordoet als bevoegd gezag in de zin van de WEB maar dat niet is. En daarmee de consument misleidt en potentiële studenten op het verkeerde been zet. In het nieuwe artikel 11.2.1 WEB wordt geregeld dat in geval van een overtreding begaan in Caribisch Nederland een bestuurlijke boete wordt opgelegd die is begrensd tot de zesde categorie van het Wetboek van Strafrecht BES. De hoogte is overigens gelijk aan die in het Wetboek van Strafrecht.

Artikel I, onderdelen LL en MM (hoofdstukken 11a en 12 WEB)

Met onderdeel LL wordt voorgesteld dat hoofdstuk 11a vervalt. Dit hoofdstuk komt echter terug als hoofdstuk 12. Het nieuwe hoofdstuk 12 is nagenoeg gelijkluidend aan het bestaande hoofdstuk 11a over experimenten. Het is daarmee een technische omzetting in het kader van de kwaliteitsverbetering van de WEB. In dat kader is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de inhoud van de bestaande bepalingen op te knippen in kortere artikelen met minder leden. Ook is de inhoud anders en overzichtelijker vormgegeven door de wetsartikelen waarvan bij algemene maatregel van bestuur met een experiment mag worden afgeweken samen te nemen in het nieuwe artikel 12.1, eerste lid, van de WEB in plaats van thans verspreid in artikel 11a.1, eerste en zesde lid, van de WEB.

Artikel I, onderdeel NN (hoofdstuk 13 WEB)

Hoofdstuk 13 wordt nieuw toegevoegd aan de Wet educatie en beroepsonderwijs. Met daarin in titel 1 de evaluatiebepalingen, in titel 2 het nog relevante overgangs- en invoeringsrecht en in titel 3 de slotbepalingen. Dit hoofdstuk komt daarmee in de plaats van hoofdstuk 12 van de WEB, hoofdstuk 11 van de WEB BES en artikel 21a SKJ-wet. Beide hoofdstukken respectievelijk het genoemde artikel bevatten thans het overgangsrecht. Veel van dit overgangsrecht is echter uitgewerkt en daarmee niet meer relevant. Het komt daarmee de leesbaarheid van de wet ten goede om uitsluitend het nog relevante overgangsrecht op te nemen in de wet. Hetzelfde geldt voor de evaluatiebepalingen. De inwerkingtredingsbepaling van de WEB, artikel 12.5.2 (oud), vervalt met uitzondering van onderdeel a, nu de aanhef en de onderdelen b, c, en d zijn uitgewerkt. De wet is al in werking getreden. Onderdeel a, dat regelt dat artikel 7.4.11, wat betreft de examens van beide opleidingen Nederlands als tweede taal, nog niet in werking is getreden, wordt verplaatst naar de inwerkingtredingsbepaling van dit wetsvoorstel (artikel XXII). Daarmee wordt bewerkstelligd dat artikel 7.4.11 van de WEB, voor zover het de examens Nederlands als tweede taal betreft, met de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel ook in werking kan treden. Dit zal ertoe moeten leiden dat de grondslag voor het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal vanaf dan niet meer artikel 2.72, derde lid, WVO 2020 zal zijn, maar artikel 7.4.11, derde lid, WEB, in samenhang gelezen met artikel 7.4.3a WEB. Deze omhanging van de grondslag heeft geen inhoudelijke gevolgen. Een certificaat voor een staatsexamenonderdeel dan wel een diploma Nt2 kan alleen worden verleend indien het staatsexamen is afgelegd en overigens aan alle eisen zoals gesteld in of bij het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal is voldoen. Een instellingsexamen kan dus alleen indicatieve waarde hebben over het niveau van de deelnemer aan deze opleiding, maar geen rechtsgevolg.

Hierna volgt een overzicht van nog relevante evaluatie- en overgangsrechtelijke bepalingen die een plek krijgen in hoofdstuk 13 van de WEB. Vervolgens wordt ook kort toegelicht waarom bestaande evaluatiebepalingen of overgangsrechtelijke bepalingen vervallen, tenzij dit evident is.

De resterende en daarmee nog relevante evaluatiebepalingen worden opgenomen in hoofdstuk 13, titel 1:

  • In het voorgestelde artikel 13.1.1 (nieuw) WEB zijn artikel 12.5.1c WEB (oud) en artikel 11.6h WEB BES samengevoegd.52 Ter verduidelijking van het evaluatiemoment is daarbij de inwerkingtredingsdatum van de betreffende wetswijziging in de formulering van het nieuwe artikel opgenomen

  • Artikel 13.1.2 (nieuw) WEB bevat een nieuwe evaluatieverplichting vanwege het onderhavige wetsvoorstel.

De overige evaluatiebepalingen uit de WEB en WEB BES zijn materieel uitgewerkt dan wel inmiddels achterhaald, zodat ze met dit wetsvoorstel kunnen komen te vervallen:

  • Artikel 12.5.1 WEB (oud) betreft de evaluatiebepaling naar aanleiding van de invoering van de WEB destijds in 1996. Deze is niet meer relevant.

  • Artikel 12.5.1a (oud) WEB en artikel 11.6f WEB BES betreffen de evaluatie van de Wet pseudonimisering onderwijsdeelnemers. Het verslag van deze evaluatie, die is uitgevoerd door KBA Nijmegen, is bij brief van 27 juni 2024 aan de Tweede Kamer gestuurd.53 Daarmee is aan de evaluatieverplichting voldaan en is het artikel materieel uitgewerkt, zodat het niet hoeft terug te komen in hoofdstuk 13, titel 1 (nieuw), WEB.

  • Artikel 12.5.1b (oud) WEB betreft de evaluatie van de Wet versterking positie mbo-studenten (Stb. 2020, 234).54 Het tweede lid van dat artikel ziet daarbij specifiek op evaluatie van de invoering van de mbo-verklaring. Een eerste evaluatie van het met die wet ingevoerde studentenfonds is bij brief van 20 december 2022 aangeboden aan de Tweede Kamer.55 Voor de zomer van 2025 is/wordt een uitgebreide (eind)evaluatie aan de Kamer gestuurd.56 De evaluatie wat betreft de invoering van de mbo-verklaring is uitgevoerd door KBA Nijmegen. Het eindrapport daarvan (september 2024) is bij brief van 5 december 2024 aangeboden aan de Tweede Kamer.57 Daarmee is de evaluatiebepaling uit artikel 12.1.1b (oud) WEB afgedaan, zodat dit artikel kan komen te vervallen en niet meer overgeheveld hoeft te worden naar hoofdstuk 13, titel 1 (nieuw), WEB.

  • Voorgesteld wordt om eveneens de evaluatiebepaling uit artikel 11.6g WEB BES niet over te hevelen naar de WEB. Artikel 11.6g WEB BES betreft de evaluatie van de Wet van 28 oktober 2020 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met vereenvoudiging van de grondslagen van de bekostiging voor personeels- en exploitatiekosten van de scholen voor voortgezet onderwijs (vereenvoudiging grondslagen bekostiging vo-scholen) (Stb. 2020, 437).

    De wijzigingen die genoemde wet heeft aangebracht in de WEB BES zijn na inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel voor het mbo niet meer relevant. Met dit wetsvoorstel wordt het mbo in Caribisch Nederland voortaan bekostigd op grond van de artikelen 2.2.2 en 2.8.3 WEB (nieuw). Overigens zal de Wet vereenvoudiging grondslagen bekostiging vo-scholen wel nog periodiek geëvalueerd worden, ook al vervalt artikel 11.6g WEB BES. De evaluatiebepaling uit die wet blijft immers opgenomen in artikel 13.14 WVO 2020. De evaluatie zal alleen geen betrekking meer hebben op de wijzigingen die zijn aangebracht in de WEB BES.

Titel 2 bevat het nog relevante overgangs- en invoeringsrecht zoals dat soms al sinds 1996 is opgenomen in de WEB of vanaf 2011 in de WEB BES:

  • Artikel 12.1a.1 (oud) WEB; het derde lid van dit artikel wordt geschrapt, omdat het artikel al voor iedere opleiding voortgezet volwassenonderwijs geldt, ongeacht of die is erkend dan wel rechtstreeks bekostigd op grond van de WEB. Dit artikel komt terug in artikel 13.2.4 (nieuw) WEB.

  • Artikel 12.2.1 (oud) WEB komt terug in artikel 13.2.1, eerste lid (nieuw), WEB. Dit betreft de gelijkstelling van allerlei diploma’s en certificaten die zijn behaald voor de invoering van de WEB, met diploma’s en certificaten die zijn behaald op grond van de WEB. Aan artikel 13.2.1 is daarnaast een lid toegevoegd om ook de diploma’s die zijn behaald op grond van de WEB BES gelijk te stellen met een diploma op grond van de WEB.

  • Artikel 12.2.7 (oud) WEB komt terug in artikel 13.2.2, onderdelen a tot en met c (nieuw) WEB.

  • Artikel 12.3.8 (oud) WEB; het Christelijk Instituut voor Doven ‘Effatha’ is opgeheven per 1 augustus 2016. Deze instelling kan daarom uit de bepaling worden geschrapt. Dit artikel komt terug in artikel 13.2.3 (nieuw) WEB.

  • Artikel 11.1b WEB BES komt terug in artikel 13.2.5 (nieuw) WEB.

  • Artikel 11.2 WEB BES komt terug in artikel 13.2.2, onderdeel d (nieuw), WEB.

Het betreft in dat artikel telkens overgangsrecht met eerbiedigende werking voor op grond van eerder geldende wetgeving (vóór de invoering van de WEB of de WEB BES) bevoegde docenten in het beroepsonderwijs of in een opleiding vavo.

Met dit wetsvoorstel worden voorts de volgende nieuwe overgangsbepalingen toegevoegd aan de WEB:

  • Artikel 13.2.6 bepaalt voor de duidelijkheid dat de Stichting Scholengemeenschap Bonaire als verticale scholengemeenschap is aangemerkt.

  • Artikel 13.2.7 bevat nieuw overgangsrecht in verband met het intrekken van de SKJ-wet. Deelnemers die op het tijdstip voor inwerkingtreding van dit wetsvoorstel reeds aan een sociaal kanstraject zijn begonnen, behouden het recht dit lopende traject af te ronden. Zij behouden daarbij aanspraak op de kanstrajecttoelage. Op grond van artikel 9, derde lid, van de SKJ-wet kennen sociale kanstrajecten een totale duur van maximaal 2 jaar, met een mogelijkheid tot een verlenging van 6 maanden. Daarom kan dit artikel na die tijdsduur komen te vervallen.

  • Met artikel 13.2.8 wordt duidelijk gemaakt dat de vóór de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel berekende bekostigingsbedragen op grond van de WVO 2020 voor de Scholengemeenschap Bonaire niet opnieuw behoeven te worden berekend. De bekostiging wordt per kalenderjaar vastgesteld. Pas het kalenderjaar na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel wordt het mbo-deel van de bekostiging apart berekend op grond van de artikelen 2.2.1, 2.2.2 en 2.8.3 van de WEB.

Het overige overgangs- en invoeringsrecht uit de WEB, WEB BES en SKJ-wet is verouderd en niet meer relevant. Dit komt daarom niet meer terug en vervalt. Dit betreft de volgende bepalingen:

  • Artikel 12.1.1 (oud) WEB met betrekking tot het experiment leergang vm2; dit experiment is inmiddels afgelopen.

  • Artikel 12.1b.1 (oud) WEB betreft een overgangsbepaling bij te late indiening bekostigingsgegevens voor de rijksbijdrage 2025. 58 Aangezien deze bepaling materieel uitgewerkt is tegen de tijd dat onderhavig wetsvoorstel tot wet zal zijn verheven en in werking treedt, kan deze bepaling komen te vervallen. Artikel 12.1b.1 (oud) WEB wordt dan ook niet overgeheveld naar het nieuwe hoofdstuk 13 (nieuw) WEB.

  • Artikel 12.2.2 WEB; deze bepaling is uitgewerkt. De regering heeft namelijk niet meer de mogelijkheid om arbeidsvoorwaarden vast te stellen, behoudens de maximale beloning voor bestuurders. Artikelen 3.1.2 en 3.2.1, waar de bepaling naar verwijst, zijn vervallen. Artikel 4.1.1 gaat over de formatie en artikel 4.1.2 gaat over de rechtspositie van het personeel. Oorspronkelijk bevatten beide laatstgenoemde artikelen de mogelijkheid om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur verschillende voorschriften vast te stellen. Voor de meeste voorschriften is deze basis echter al eerder vervallen. Artikel 4.1.2, derde lid, bevat tot op heden nog wel de grondslag om voorschriften te stellen omtrent de maximale beloning van bestuurders bij algemene maatregel van bestuur. De maximale beloning van bestuurders is echter op grond van artikel 2.6, eerste lid van de Wet normering topinkomens reeds geregeld in de Regeling normering topinkomens OCW-sectoren. Artikel 4.1.2, derde lid, WEB wordt daarmee alleen relevant voor Caribisch Nederland, omdat de Wet normering topinkomens daar niet van toepassing is.

  • Artikel 12.2.3 WEB; vakinstellingen zijn inmiddels beroepscolleges en daarvoor is reeds een grondslag in de WEB, zodat deze bepaling kan vervallen.

  • Artikel 12.2.4 WEB; agrarische opleidingscentra zijn inmiddels omgezet naar verticale scholengemeenschappen, zodat dit artikel is uitgewerkt en kan vervallen.

  • Artikel 12.2.9 WEB; dit artikel is verouderd.

  • Artikel 12.4.1 WEB; dit artikel is verouderd. De periode waar in dit artikel naar wordt verwezen is vastgesteld in de Invoeringsregeling vervallen leerlinggebonden financiering beroepsonderwijs. Hierin staat dat dit de periode van 1 augustus 2014 tot en met 31 december 2014 betreft. Abusievelijk is deze bepaling tot nu toe blijven bestaan, ondanks dat deze is uitgewerkt.

  • Artikel 12.4a.1 WEB; dit artikel is verouderd. Studenten die voor de inwerkingtreding van de Wet van 26 juni 2013 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs ten behoeve van het bevorderen van doelmatige leerwegen in het beroepsonderwijs en het moderniseren van de bekostiging van het beroepsonderwijs (Stb. 2013, 288) zijn begonnen met een beroepsopleiding, hebben deze opleiding inmiddels afgerond.

  • Artikel 12.4b.1 WEB; dit artikel is verouderd. De benoemingstermijn voor leden van de examencommissie die reeds voor inwerkingtreding van de Wet van 25 januari 2017 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake aanscherping van de eisen met betrekking tot examencommissies in het middelbaar beroepsonderwijs en een technische aanpassing (Stb. 2017, 43) lid waren van de examencommissie is inmiddels verstreken.

  • De artikelen 11.1 en 11.6b WEB BES kunnen vervallen, omdat het beroepsonderwijs in Caribisch Nederland alleen nog maar gebruik maakt van de opleidingsdomeinen, kwalificatiedossiers en kwalificaties zoals vastgesteld in de landelijke kwalificatiestructuur op grond van de WEB.

  • Artikel 11.1a WEB BES kan vervallen, omdat de bekostiging van het beroepsonderwijs in Caribisch Nederland met de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel niet meer op grond van de WVO 2020 zal plaatsvinden maar op grond van de WEB.

    De bekostiging van het beroepsonderwijs op Caribisch Nederland is thans nog op grond van overgangsrecht geregeld in de artikelen 11.1a en 11.1b van de WEB BES. Artikel 11.1a verwijst voor de berekening van de bekostiging van het Bonairiaanse beroepsonderwijs naar de bij of krachtens de WVO 2020 gestelde rekenregels. Kort samengevat vindt de bekostiging van het Bonairiaanse beroepsonderwijs tot nu toe plaats op grond van artikel 11.47, tweede lid, onderdeel b, van de WVO 2020. Met dit wetsvoorstel blijft overeind dat de bekostiging van het beroepsonderwijs zal plaatsvinden op bijna dezelfde wijze als het voortgezet onderwijs op Bonaire. Maar met dit verschil dat de bekostiging van het beroepsonderwijs voortaan zal plaatsvinden via de band van de WEB. Het overgangsrecht van artikel 11.1a WEB BES kan daarbij vervallen. De bekostiging van het beroepsonderwijs in een openbaar lichaam, feitelijk beperkt tot de Scholengemeenschap Bonaire, vindt dan voortaan plaats krachtens de artikelen 2.2.1 en 2.8.3 WEB.

  • De artikelen 11.3 en 11.4 WEB BES zijn uitgewerkt, omdat de op grond van die artikelen geldende vijfjaarstermijn inmiddels is verstreken.

Titel 3 bevat uitsluitend nog de citeertitel als slotbepaling. Dit betekent dat de citeertitel wordt verplaatst van artikel 12.5.3 WEB naar artikel 13.3.1.

Zoals hiervoor toegelicht vervalt de inwerkingtredingsbepaling van de WEB, thans artikel 12.5.2. Dit kan zonder problemen omdat de aanhef en onderdelen b, c en d zijn uitgewerkt, terwijl onderdeel a inzake artikel 7.4.11 WEB deels nog niet in werking is getreden en daarom terugkomt in de inwerkingtredingsbepaling van dit wetsvoorstel, zodat er apart nog over de inwerkingtreding daarvan kan worden besloten. Het betreft de uitgestelde inwerkingtreding van artikel 7.4.11 WEB als het gaat om de examens Nederlands als tweede taal.

Artikel II. Wijziging Wet voortgezet onderwijs 2020
Artikel II, onderdelen A tot en met U, Z en AA (diverse artikelen WVO 2020)

Deze wijzigingen betreffen allemaal het schrappen van verwijzingen in de WVO 2020 naar de WEB BES. Nu die laatste wet wordt ingetrokken, kan in de WVO 2020 worden volstaan met de reeds bestaande verwijzingen naar relevante artikelen in de WEB.

Onderdeel U bevat daarnaast het vervallen van onderdeel d in artikel 11.16, eerste lid, van de WVO 2020, waarbij de overige onderdelen kunnen worden verletterd. Dat onderdeel d bepaalt dat het projectbureau in de zin van de SKJ-wet deel uitmaakt van een samenwerkingsverband CN. Nu die laatste wet wordt ingetrokken, houdt ook de formele uitvoeringsinstantie voor de SKJ-wet op te bestaan en kan de verwijzing naar die wet vervallen.

Artikel II, onderdeel A, onder 12

Met artikel II, onderdeel A, onder 12, wordt een technische wijziging aangebracht in de begripsbepaling van het begrip verklaring omtrent het gedrag in de WVO 2020.59 Bedoeling is om te verduidelijken dat een verklaring omtrent gedrag afgegeven dient te zijn op grond van de ter plaatse van toepassing zijnde wet. In het Europese deel van Nederland is dat de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, terwijl het in Caribisch Nederland de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES betreft. De huidige formulering wekt onbedoeld de indruk dat in Europees Nederland ook volstaan zou kunnen worden met een in Caribisch Nederland afgegeven verklaring en vice versa. Dat is niet het geval. In de WEB wordt eenzelfde onderscheid gemaakt. Artikel 4.2.6, tweede lid, WEB ziet op de vog in Europees Nederland en artikel 4.4.3 (nieuw) WEB ziet op de vog in Caribisch Nederland (artikel I, onderdelen R en V).

Artikel II, onderdelen V en W (artikelen 11.20 en 11.21 WVO 2020) en artikel VIII, onderdeel D (artikel 9a WOT)

Artikel 11.21 WVO 2020 is overbodig aangezien de WOT reeds van toepassing is op het toezicht op het EOZ (zie ook artikel VIII, onderdelen F en G).

In het nieuwe artikel 9a WOT (artikel VIII, onderdeel D) worden de toezichtsbevoegdheden uit de Awb van toepassing verklaard op het toezicht in Caribisch Nederland (vergelijk artikel 11.21, tweede lid, WVO 2020).

In verband met het vervallen van artikel 11.21 WVO 2020 wordt ook de verwijzing in artikel 11.20, tweede lid, aangepast (artikel II, onderdeel V). Daarin wordt dan rechtstreeks naar de taken uit de artikelen 11.18, eerste lid, en 11.19, vierde lid, verwezen, in plaats van via de omweg van artikel 11.21, eerste lid (oud).

Artikel II, Onderdeel Y (artikel 11.47 WVO 2020)

De wijziging in artikel 11.47, waarbij het bestaande onderdeel b vervalt, is nodig omdat de Scholengemeenschap Bonaire met dit wetsvoorstel als verticale scholengemeenschap wordt aangemerkt. Een verticale scholengemeenschap bestaat uit een mbo-instelling die een bestuurlijk-organisatorische eenheid vormt met een school voor voortgezet onderwijs. Een van de voorwaarden in het bijzonder onderwijs (hiermee wordt bedoeld onderwijs dat niet uitgaat van de overheid) is dat zowel instelling als school in stand worden gehouden door een rechtspersoon (één bevoegd gezag).

Het zou dan verwarrend zijn wanneer de grondslag voor de bekostiging van het mbo-deel binnen de verticale scholengemeenschap op grond van artikel 11.47, tweede lid, onderdeel b, WVO 2020 blijft plaatsvinden, zoals nu nog het geval is. Een verticale scholengemeenschap heeft als uitgangspunt dat de WVO 2020 van toepassing is op de school voor voortgezet onderwijs. Met daarbij als belangrijkste uitzonderingen de verantwoordelijkheid voor de huisvesting en de organisatie van de medezeggenschap. En dat de WEB van toepassing is op de mbo-instelling. Vanwege de consistentie van wetgeving wordt hieraan vastgehouden.

Het genoemde onderdeel b bevat zoals gezegd thans de grondslag om de SGB in zijn geheel te bekostigen volgens de regels van de WVO 2020, dus inclusief het mbo-deel. Behalve het systemische bezwaar hiertegen, is het nadeel hiervan dat wijzigingen in wet- en regelgeving en voorzieningen voor het mbo dan niet vanzelf van toepassing worden voor het beroepsonderwijs op Bonaire. Daarom vervalt deze grondslag. De rekenregels voor de bekostiging zijn op een lager niveau te vinden. Namelijk in het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 voor het voortgezet onderwijs en in het Uitvoeringsbesluit WEB voor het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie. Deze rekenregels blijven ongewijzigd door deze technische wijziging in de wet.

De grondslag voor de bekostiging van het beroepsonderwijs op Bonaire is daarmee voortaan te vinden in de artikelen 2.2.1, 2.2.2 en 2.8.4 WEB. Op grond van artikel 2.8.4 WEB is artikel 2.2.2, tweede lid, onderdeel b, WEB, dat betrekking heeft op het aantal gediplomeerden als bekostigingsfactor, echter niet van toepassing in Caribisch Nederland. Daarnaast is vooralsnog ook artikel 2.2.1, tweede en vierde lid, WEB, met betrekking tot de bijdrage in de huisvestingkosten, niet van toepassing. Artikel 13.2.5 WEB bevat namelijk overgangsrecht met betrekking tot de voorziening in de huisvesting (vergelijk het huidige artikel 11.1b WEB BES). Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip maakt een bijdrage in de huisvestingskosten daarom geen deel uit van de rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs op Bonaire.

Artikel II, onderdelen BB en CC (artikelen 11.96 en 11.97 WVO 2020)

Aan artikel 11.96 WVO 2020 wordt toegevoegd dat ook de artikelen 8.7.5, 8.7.6 en 8.7.7 WEB van toepassing zijn op leerlingen die verzuimen naar school te gaan. In artikel 11.97 WVO 2020 is thans bepaald dat de school leerlingverzuim van meer dan een maand meldt aan het bestuurscollege. Dit wordt gewijzigd naar vier weken. Daarmee wordt die meldtermijn in lijn gebracht met hetgeen is bepaald in artikel 8.20 WVO 2020 voor Europees Nederland en indien het betreft een student beroepsonderwijs of vavo als bedoeld in de WEB. In de drie hierboven genoemde artikelen van de WEB is -kort samengevat – het volgende geregeld. Het bestuurscollege is verantwoordelijk voor de goede registratie van deze verzuimmeldingen waarin ook de meldingen afkomstig van de leerplichtambtenaar worden verzameld. Ten tweede heeft het bestuurscollege tot taak iedere jongere onder de leeftijd van 25 jaar oud, die zonder startkwalificatie op het openbaar lichaam woont, te benaderen en te vragen of hij of zij niet weer onderwijs wil gaan volgen. En als dat door omstandigheden op dat moment geen optie is en de jongere in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien, dan eindigt deze taak vooralsnog. Het is de bedoeling dat het bestuurscollege de jongere periodiek blijft bevragen totdat die een startkwalificatie heeft behaald dan wel de leeftijd van 25 jaar heeft bereikt. Dan stopt de verantwoordelijkheid van het bestuurscollege. Tot slot is het bestuurscollege partner in het vaststellen van het eilandelijk plan gericht op het voorkomen en terugdringen van voortijdig schoolverlaten dat door de zogenoemde contactschool als coördinator wordt opgesteld. Dat plan bevat de maatregelen voor een periode van vier jaar.

In artikel 11.97, eerste lid, onderdeel b, WVO 2020 is nu eigenlijk opgesomd in welke gevallen een jongere over een startkwalificatie in de zin van de Leerplichtwet BES beschikt. Thans worden daar genoemd het diploma basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkader- en specialistenopleiding (op grond van de WEB BES), alsmede het havo- of vwo-diploma. Dit onderdeel wordt algemener geformuleerd door rechtstreeks te gaan verwijzen naar alle diploma’s die zijn aangemerkt als startkwalificatie in de zin van de Leerplichtwet 1969 of de Leerplichtwet BES. Daarmee komen naast de reeds genoemde diploma’s ook bepaalde diploma’s en certificaten op grond van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES hieronder te vallen.60

Artikel II, onderdeel DD (artikel 12.23 WVO 2020) en artikel X, onderdeel E (artikel 158 WPO BES)

Op grond van artikel 158 WPO BES en artikel 12.23 WVO 2020 geldt er voor het primair en voortgezet onderwijs in Caribisch Nederland overgangsrecht ten aanzien van de voorziening in de huisvesting. Deze beide bepalingen worden technisch aangepast om mogelijk te maken dat het overgangsrecht niet alleen per onderwijssector, maar ook per openbaar lichaam op een verschillend moment bij koninklijk besluit kan komen te vervallen. Hiermee kan beter ingespeeld worden op de lokale situatie.

Artikel 11.1b WEB BES bevat eenzelfde bepaling met overgangsrecht ten aanzien van de voorziening in de huisvesting voor het mbo in Caribisch Nederland. Deze bepaling komt terug in artikel 13.2.5 (nieuw) WEB. Beroepsonderwijs in de zin van de WEB (BES) wordt in Caribisch Nederland echter alleen verzorgd op Bonaire; het CXC-onderwijs op Sint Eustatius en Saba valt onder de WVO 2020. Daarom is ten aanzien van het mbo eenzelfde aanpassing als hiervoor is genoemd voor het primair en voortgezet onderwijs (de mogelijkheid om het overgangsrecht ten aanzien van de voorziening in de huisvesting per openbaar lichaam op een verschillend moment te kunnen laten vervallen) in de WEB niet nodig.

Artikel II, onderdeel EE (artikel 13.9 WVO 2020), artikel VI (artikel 177 WEC), artikel VII, onderdeel C (artikel 19.1a WHW), artikel IX (artikel 199 WPO) en artikel X, onderdeel F (artikel 163 WPO BES)

Artikel 199 WPO, artikel 177 WEC, artikel 163 WPO BES, artikel 13.9 WVO 2020 en artikel 19.1a WHW bevatten allemaal eenzelfde evaluatiebepaling als de artikelen12.5.1a WEB en 11.6f WEB BES (zie ook de artikelsgewijze toelichting op artikel I, onderdeel LL). Al deze bepalingen betreffen de evaluatie van de Wet van 29 november 2017 tot wijziging van diverse onderwijswetten in verband met het pseudonimiseren van het persoonsgebonden nummer van een onderwijsdeelnemer ten behoeve van het bieden van voorzieningen in het kader van het onderwijs en de begeleiding van onderwijsdeelnemers (Stb. 2017, 508). Deze artikelen kunnen komen te vervallen omdat de betreffende evaluatie inmiddels heeft plaatsgevonden. Het evaluatieverslag is bij brief van 27 juni 2024 aan de Tweede Kamer gestuurd.61 Genoemde bepalingen kunnen daarom komen te vervallen.

Artikel III. Wijziging Leerplichtwet BES

Met de wijzigingen in de Leerplichtwet BES wordt de juridische grondslag gecreëerd voor de aansluiting van de registers van de bestuurscolleges in de openbare lichamen op het register onderwijsdeelnemers voor wat betreft de verzuimgegevens en de vrijstellingsgegevens als bedoeld in de Wet register onderwijsdeelnemers. Een complete registratie van deze gegevens voor heel Nederland is van belang voor de beleidsvoorbereiding alsmede het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten op Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel III, onderdeel A, onder 3

In artikel 1, onderdeel f, onder 2°, van de Leerplichtwet BES wordt een verwijzing naar de WVO 2020 gecorrigeerd. Abusievelijk is eerder verwezen naar artikel 2.68 in plaats van 2.86 WVO 2020. Het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES is mede gebaseerd op artikel 2.86 WVO 2020. Met artikel 25 van het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES is invulling gegeven aan de grondslag uit artikel 1, onderdeel f, onder 2°, van de Leerplichtwet BES. Daarin wordt genoemd welke vo-diploma’s behaald aan instellingen voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2.86 WVO 2020 gelijkgesteld worden met een startkwalificatie.

Artikel IV. Wijziging Wet College voor toetsen en examens

De Wet College voor toetsen en examens (Wet CvTE) regelt de wettelijke taken voor het zelfstandig bestuursorgaan CvTE. Dit college heeft volgens die wet ook taken op het gebied van centrale examinering voor het beroepsonderwijs op Bonaire. Aan die taak is tot op heden geen invulling gegeven. Nu de WEB BES echter wordt ingetrokken, kunnen ook de verwijzingen naar die wet vervallen. In artikel 2 van de Wet CvTE wordt nog een redactionele verbetering doorgevoerd. Artikel 2 heeft namelijk betrekking op centrale examens en thans wordt er verwezen naar centrale examens uit hoofde van artikel 7.4.11 van de WEB. In die bepaling worden zowel de opleidingen vavo als Nederlands als tweede taal genoemd. De opleidingen vavo kennen wel centrale examens, maar de opleiding Nt2 kent alleen staatsexamens. Daarom is het zuiverder in artikel 2 Wet CvTE voortaan te verwijzen naar artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a, WEB, dat alleen betrekking heeft op opleidingen vavo.

Artikel V. Wijziging Wet medezeggenschap op scholen (WMS)

Met deze wijziging in artikel 39 van de Wet medezeggenschap op scholen wordt verduidelijkt dat die wet bij wijze van uitzondering niet van toepassing is op een school of scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs die deel uitmaakt van een verticale scholengemeenschap. Dat de medezeggenschapsregels van de WEB en daarmee ook de WOR van toepassing zijn op een school en een instelling die samen de verticale scholengemeenschap vormen, is al bestaand beleid en volgt uit artikel 2.6.3, tweede lid, van de WEB.

Artikel VII. Wijziging Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

De WEB BES wordt ingetrokken, maar diploma’s of certificaten behaald op grond van die wet kunnen nog wel gelden als getuigschrift voor toelating tot een hoger beroepsopleiding. In de WHW worden drie verwijzingen naar de WEB BES geschrapt omdat artikel 13.2.1, tweede lid, WEB overgangsrecht hierover bevat. Daarmee wordt duidelijk gemaakt dat de WEB BES niet meer bestaat, maar op grond van die wet behaalde diploma’s gelijkgesteld zijn aan diploma’s als bedoeld in de WEB. Zo zijn ook die diploma’s nog wel relevant als geldige vooropleiding in verband met toelating tot een hogeschool of universiteit.

Artikel VIII. Wijziging Wet op het onderwijstoezicht
Onderdeel A (artikel 1 WOT)

Artikel 1 van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) wordt opnieuw vastgesteld. Daarbij worden de begripsbepalingen in alfabetisch volgorde geplaatst. De begripsbepaling ‘onderwijswet’ is geactualiseerd door daarin de verwijzingen naar de WEB BES en de SKJ-wet te verwijderen, nu die wetten met dit wetsvoorstel immers komen te vervallen. Ook wordt in die begripsbepaling geen onderscheid meer gemaakt tussen onderwijswetten voor Europees Nederland en onderwijswetten voor Caribisch Nederland (sub 1 respectievelijk sub 2 van de oude begripsbepaling), omdat dat onderscheid achterhaald is. Zowel de WVO 2020 als straks de WEB zien immers zowel op Europees Nederland als op Caribisch Nederland.

De begripsbepaling ‘samenwerkingsverband’ wordt uitgebreid zodat die ook het samenwerkingsverband CN (artikel 11.16 WVO 2020) omvat. Daarnaast worden begripsbepalingen voor de begrippen ‘expertisecentrum onderwijszorg’ en ‘Raad onderwijs arbeidsmarkt CN’ toegevoegd. Vanwege deze uitbreiding wordt ook het begrip ‘bestuur’ uitgebreid. Thans is dat nog beperkt tot een schoolbestuur, hoofd van de school als het gaat om de Leerplichtwet 1969 of Leerplichtwet BES, of het samenwerkingsverband. Maar omdat er naast het samenwerkingsverband ook nog andere rechtspersonen in onderwijswetten zijn met een wettelijke taak zoals EOZ, SBB, ROA CN, worden ook deze rechtspersonen onder het begrip ‘bestuur’ in de zin van de WOT geschaard. Dit komt de consistentie ten goede.

Onderdelen C en K (artikelen 9 en 16 WOT)

Het huidige artikel 9 wordt opgesplitst; ter verduidelijking wordt het eerste lid daarbij herschreven. Het vijfde en zesde lid (oud) van artikel 9 hebben betrekking op de kosten die verband houden met het toezicht op transnationaal onderwijs.62 Deze leden worden als eerste en tweede lid opgenomen in artikel 16 (nieuw). Inhoudelijk worden die bepalingen niet gewijzigd.

Onderdelen F tot en met I

Met de voorgestelde wijzigingen in de onderdelen F tot en met I wordt geëxpliciteerd dat hoofdstuk 3a van de WOT tevens van toepassing is op het toezicht op het samenwerkingsverband CN en het Expertisecentrum onderwijszorg CN (EOZ), en dat hoofdstuk 3d van tevens van toepassing is op de Raad onderwijs arbeidsmarkt CN (ROA CN).

Onderdeel J

De voorgestelde wijziging schrapt een verwijzing naar de WEB BES.

Artikel X. Wijziging Wet primair onderwijs BES

De verwijzing in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Wet primair onderwijs BES (WPO BES) naar de WEB BES blijft gehandhaafd. Hoewel de WEB BES wordt ingetrokken, blijven diploma’s die eerder zijn afgegeven op grond van die wet nog wel geldig voor onderwijsondersteunende werkzaamheden in het primair onderwijs in de openbare lichamen. In het derde lid van artikel 4 kan de verwijzing naar de WEB BES wel komen te vervallen; omdat het daar gaat over het verrichten van onderwijsondersteunende werkzaamheden door studenten tijdens hun studie hoeft er in die bepaling niet naar de oude wet verwezen te (blijven) worden. Tevens wordt dit lid eenvoudiger geredigeerd. De bedoeling van het lid is immers dat de in dat lid genoemde studenten vrijgesteld zijn van de formele vereisten die kunnen gelden voor onderwijsondersteunende werkzaamheden op een basisschool. Op dit moment zijn dergelijke eisen overigens niet gesteld.

In de artikelen 26, 91 en 99 van de WPO BES worden met dit wetsvoorstel verwijzingen naar de WEB BES vervangen door die naar de WEB, omdat deze laatste wet na inwerkingtreding van onderhavig wetsvoorstel ook van toepassing is in de openbare lichamen.

Artikel XI. Wijziging Wet register onderwijsdeelnemers

De wijzigingen in de WRO zijn verschillend van aard. Er is enerzijds sprake van enkele technische wijzigingen als gevolg van de intrekking van de WEB BES met dit wetsvoorstel, waardoor verwijzingen naar de WEB BES in de WRO kunnen komen te vervallen. In plaats daarvan worden de reeds bestaande verwijzingen naar de WEB ook relevant voor de openbare lichamen. De andere wijziging heeft een inhoudelijk karakter en wordt hierna toegelicht.

In 2020 is er bij de totstandkoming van de Wet register onderwijsdeelnemers en het Besluit register onderwijsdeelnemers voor gekozen om alleen de bepalingen over basisgegevens van toepassing te laten zijn op Caribisch Nederland.63 Achtergrond hiervan was dat voor 1 juli 2020 voor Caribisch Nederland alleen bepalingen over het basisregister onderwijs (BRON, thans register onderwijsdeelnemers (ROD)) tot stand waren gebracht, maar nog niet in werking getreden. De overige registers die zijn opgegaan in het ROD waren niet van toepassing op de BES. Dat betreft dan het oude diplomaregister, meldingsregister relatief verzuim en register vrijstellingen en vervangende leerplicht (die voor Europees Nederland als respectievelijk diplomagegevens, verzuimgegevens en vrijstellingsgegevens zijn opgegaan in het ROD).

In 2020 en 2021 is aan de hand van twee pilots verkend welke mogelijkheden en belemmeringen er zijn om bekostigde scholen en instellingen in Caribisch Nederland op het ROD aan te sluiten voor de basisgegevens. De conclusie van deze pilots was dat bekostigde onderwijsinstellingen in Caribisch Nederland gefaseerd konden worden aangesloten.

Met deze wijziging van de WRO wordt ook het registreren en ontsluiten van verzuimgegevens, vrijstellingsgegevens en diplomagegevens juridisch mogelijk gemaakt voor het beroepsonderwijs en voortgezet onderwijs in Caribisch Nederland. Hiervoor is ook noodzakelijk dat een koppeling wordt gemaakt tussen de WRO en de Leerplichtwet BES. Waar gegevens uit het ROD worden gebruikt voor de uitvoering van de Leerplichtwet 1969, wordt daar met deze wijziging ook het betreffende artikel in de Leerplichtwet BES aan toegevoegd. Deze wijziging hangt daarom samen met die van artikel III inzake de Leerplichtwet BES.

Implementatie zal gefaseerd plaatsvinden en is na inwerkingtreding van deze wet vooral afhankelijk van eventuele ICT-belemmeringen en kosten. De uitwerking hiervan zal plaatsvinden in het Besluit register onderwijsdeelnemers, omdat de WRO slechts de hoofdlijnen en het kader bevat voor de levering en registratie van onderwijsgegevens.

Onderdeel E bevat een wetstechnische reparatie van artikel 42 WRO. Dat artikel bevat enkele wijzigingen in de Wet primair onderwijs BES die nodig zijn om het register onderwijsdeelnemers ook in het primair onderwijs op Caribisch Nederland in te kunnen voeren. Bij een eerdere wijziging van de WPO BES64 is geen rekening gehouden met samenloop met het nog niet in werking getreden artikel 42 van de WRO. Doordat de betreffende artikelen van de WPO BES inmiddels vernummerd zijn, zijn nu enkele technische aanpassingen in artikel 42 WRO nodig, voordat dat artikel in werking kan treden.

De artikelen 43 en 44 WRO zijn nooit in werking getreden. Aangezien het hier wijzigingen van de Wet voortgezet onderwijs BES respectievelijk de Wet educatie en beroepsonderwijs BES betreft, zullen deze artikelen ook niet meer in werking kunnen treden. De WVO BES is ingetrokken bij inwerkingtreding van de Wet WVO 2020 (per 1 augustus 2022). De WEB BES komt met het onderhavige wetsvoorstel te vervallen. Met onderdeel F komen de artikelen 43 en 44 van de WRO daarom te vervallen.

Artikel XII. Wijziging Wet studiefinanciering BES

Met dit artikel worden in de Wet studiefinanciering BES verwijzingen naar de WEB BES vervangen door verwijzingen naar de WEB. Dit is nodig vanwege de intrekking van de WEB BES. Tevens worden enige redactionele verbeteringen doorgevoerd. Zo bleken in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering BES de begripsbepalingen van de begrippen beroepsonderwijs en beroepsopleiding verwisseld te zijn (onderdeel A, onder 2 en 3): de begripsbepaling van beroepsopleiding verwijst in de huidige tekst abusievelijk naar het artikel over beroepsonderwijs in de WEB BES en omgekeerd. Dat wordt nu gecorrigeerd zodat er straks naar de juiste bepalingen in de WEB wordt verwezen.

Artikel XIII. Wijziging Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten 2013 (Wet SLOA 2013)

In artikel 3 van de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten 2013 vervalt de verwijzing naar de WEB BES, omdat die wet wordt ingetrokken.

Artikel XIV. Wijziging Algemene wet bestuursrecht

Omdat artikel 1.6.1 WEB met dit wetsvoorstel wordt samengevoegd met artikel 6.3.1 WEB, wordt met onderhavig artikel de verwijzing naar deze bepaling in artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb geactualiseerd.

Artikel XV. Wijziging Wet inkomstenbelasting BES

De wijzigingen in de Wet inkomstenbelasting BES betreffen slechts een aanpassing van verwijzingen in verband met het intrekken van de WEB BES. Voortaan wordt verwezen naar de overeenkomstige bepalingen in de WEB.

Artikelen XVII tot en met XX

Met deze artikelen wordt de samenloop met andere wetsvoorstellen geregeld. Het betreft het wetsvoorstel Terugdringen schoolverzuim (Kamerstukken 36 663), Van School naar duurzaam werk (Kamerstukken 36 667), Verbetering aansluiting beroepsonderwijs arbeidsmarkt (Kamerstukken 36 670) en Planmatige aanpak onderwijshuisvesting (Kamerstukken 36 692).

Artikelen XXI. Intrekking diverse wetten

Artikel XXI regelt in de onderdelen a en b dat de WEB BES en de SKJ-wet worden ingetrokken omdat die beide wetten met de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel worden geïntegreerd in de WEB.

Met de overige onderdelen van dit artikel worden diverse wetten tot wijziging van (onder meer) de WEB ingetrokken omdat ze inmiddels materieel uitgewerkt zijn. Hieronder wordt op de op dit moment nog resterende bepalingen in elk van die wetten afzonderlijk ingegaan:

c. Wet van 1 juli 1998 (Stb. 1998, 431)

De artikelen IA en II tot en met VII van de Wet van 1 juli 1998 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en enkele andere onderwijswetten in verband met decentralisatie van de wachtgelduitgaven (Regeling decentralisatie wachtgelduitgaven bve) (Stb. 1998, 431) bevatten invoerings- en overgangsrecht dat door het verloop van tijd materieel uitgewerkt is. Genoemde wet kan daarom ingetrokken worden.

d. Wet van 6 oktober 1999 (Stb. 1999, 445)

Artikel V van de Wet van 6 oktober 1999 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met enkele maatregelen ter verbetering van het functioneren van het vervangingsfonds en het participatiefonds (regeling verbetering functioneren vervangings- en participatiefonds) (Stb. 1999, 445) bevat overgangsrecht met betrekking tot de Wet van 1 juli 1998 (Stb. 1998, 431). Door het verloop van tijd is dit materieel uitgewerkt. Genoemde wet kan daarom ingetrokken worden.

e. Wet van 11 maart 2004 (Stb. 2004, 138)

Artikel III van de Wet van 11 maart 2004 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het onderwijstoezicht met het oog op verbetering van de kwaliteit van examens van beroepsopleidingen (Stb. 2004, 138) bevat een overgangsbepaling op grond waarvan oude rechten op het verzorgen van externe legitimering met betrekking tot een beroepsopleiding bij de invoering van die wet zijn omgezet in het recht op examinering van die beroepsopleiding in opdracht van een instelling. Die bepaling kan vervallen omdat hij materieel gezien direct uitgewerkt is sinds het moment van inwerkingtreding van die wet.

Artikel IV van de Wet van 11 maart 2004 (Stb. 2004, 138) bevat een evaluatiebepaling op grond waarvan de doeltreffendheid en de effecten van die wet in de praktijk iedere vijf jaar geëvalueerd zouden moeten worden. Deze evaluatiebepaling is echter al sinds 2008 achterhaald. Genoemde wet stelde een rechtspersoon in, het Kwaliteitscentrum examinering beroepsopleidingen (KCE), die onder andere met het verrichten van onderzoek naar de kwaliteit van de examinering van beroepsopleidingen werd belast. Het KCE bestaat niet meer. Per 15 november 2007 is de aanwijzing van de Stichting kwaliteitscentrum examinering als de rechtspersoon belast met het toezicht op de examens van de beroepsopleidingen in de zin van de WEB ingetrokken.65 Met de Wet van 22 mei 2008, houdende wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met de overgang van het toezicht op de kwaliteit van de examinering van de beroepsopleidingen naar de Inspectie van het onderwijs (Stb. 2008, 204) zijn de wettelijke bepalingen over het KCE (de artikelen 7.4.9a tot en met 7.4.9k WEB) komen te vervallen. De toezichthoudende taken van KCE zijn daarbij overgegaan naar de Inspectie van het Onderwijs.66 Tot een echte evaluatie van de Wet van 11 maart 2004 (Stb. 2004, 138) is het nooit gekomen, mede doordat de Wet van 22 mei 2008 (Stb. 2008, 204) de wijzigingen uit eerstgenoemde wet grotendeels heeft teruggedraaid. Ook de overige wijzigingen waarop de evaluatiebepaling zag, zijn inmiddels door latere wijzigingen in de WEB en de WOT achterhaald. Omdat de evaluatiebepaling daarmee niet meer actueel is, wordt voorgesteld om deze in te trekken.

f. Wet van 29 april 2004 (Stb. 2004, 216)

De artikelen III en IV van de Wet van 29 april 2004 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbeteringen van uiteenlopende, voornamelijk uitvoeringstechnische aard (technische herziening WEB) (Stb. 2004, 216) bevatten invoerings- en overgangsrecht dat inmiddels door het verloop van tijd materieel uitgewerkt is. Genoemde wet kan daarom ingetrokken worden.

g. Wet van 12 maart 2009 (Stb. 2009, 151)

Artikel II van de Wet van 12 maart 2009 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake colleges van bestuur en raden van toezicht (Stb. 2009, 151) bevat overgangsrecht dat inmiddels door het verloop van tijd materieel uitgewerkt is. Genoemde wet kan daarom ingetrokken worden.

h. Wet van 10 april 2008 (Stb. 2008, 140)

De evaluatiebepaling uit artikel V van de Wet van 10 april 2008 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet studiefinanciering 2000, de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en de Les- en cursusgeldwet in verband met regeling in de Wet educatie en beroepsonderwijs van een minimumomvang van het in instellingstijd verzorgde onderwijsprogramma (850 urennorm) (Stb. 2008, 140) is afgedaan bij brief van 25 augustus 2010.67 Genoemde wet kan daarom ingetrokken worden.

i. Wet van 12 maart 2009 (Stb. 2009, 151)

Artikel II van de Wet van 12 maart 2009 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake colleges van bestuur en raden van toezicht (Stb. 2009, 151) bevat overgangsrecht dat inmiddels door het verloop van tijd materieel uitgewerkt is. Genoemde wet kan daarom ingetrokken worden.

j. Wet van 7 november 2011 (Stb. 2011, 560)

De artikelen VI en VIa van de Wet van 7 november 2011 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake de beroepsgerichte kwalificatiestructuur (Stb. 2011, 560) bevatten overgangsrecht dat door het verloop van tijd inmiddels materieel uitgewerkt is. De evaluatiebepaling uit artikel Va is afgedaan bij brief van 10 juli 2014.68 Genoemde wet kan daarom ingetrokken worden.

k. Wet van 8 maart 2012 (Stb. 2012, 157)

De Wet van 8 maart 2012 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank in verband met het gebruik van het persoonsgebonden nummer bij onder meer de uitwisseling van leer- en begeleidingsgegevens van leerlingen (Stb. 2012, 157) bevat in artikel VIa een evaluatiebepaling. Deze is niet meer relevant. Aan genoemde wet is nadere invulling gegeven met het Besluit uitwisseling leer- en begeleidingsgegevens. De evaluatie van dat besluit is uitgevoerd door de onderzoeksbureaus Oberon en SEO Economisch onderzoek en is bij brief van 19 december 2024 aangeboden aan de Tweede Kamer.69

l. Wet van 13 september 2012 (Stb. 2012, 450)

De artikelen VI en VIa van de Wet van 13 september 2012 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en overige educatie (Stb. 2012, 450) bevatten overgangsrecht dat door het verloop van tijd inmiddels materieel uitgewerkt is. De evaluatiebepaling uit artikel VIIIa is afgedaan bij brief van 12 april 2018.70 Genoemde wet kan daarom ingetrokken worden.

m. Wet van 16 april 2015 (Stb. 2015, 170)

De artikelen V, VI en VII van de Wet van 16 april 2015 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake overgang van de wettelijke taken van kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven naar de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven (Stb. 2015, 170) bevatten invoerings- en overgangsrecht dat door het verloop van tijd inmiddels materieel uitgewerkt is. De evaluatiebepaling uit artikel VIIa is afgedaan bij brief van 22 januari 2019.71 Genoemde wet kan daarom ingetrokken worden.

n. Wet van 5 oktober 2016 (Stb. 2016, 362)

Artikel IV van de Wet van 5 oktober 2016, houdende wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en enkele andere wetten ter invoering van een vroegtijdige aanmelddatum voor en toelatingsrecht tot het beroepsonderwijs (Stb. 2016, 362) is nooit in werking getreden. Dit bevat wijzigingen van de WEB BES die inhoudelijk overeenkomen met de wijzigingen die artikel I van die wet heeft aangebracht in de WEB. Nu de WEB BES wordt ingetrokken, kan dit artikel ook niet meer in werking treden. Dat maakt echter niet uit. Vanwege de integratie van de WEB BES in de WEB worden de wijzigingen uit voornoemde wet immers nu materieel gezien ook van toepassing op Caribisch Nederland. De evaluatiebepaling uit artikel V is afgedaan bij brief van 25 februari 2022.72 Genoemde wet kan daarom ingetrokken worden.

o. Wet van 25 januari 2017 (Stb. 2017, 43)

Artikel II van de Wet van 25 januari 2017 tot wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake aanscherping van de eisen met betrekking tot examencommissies in het middelbaar beroepsonderwijs en een technische aanpassing (Stb. 2017, 43) is nooit in werking getreden. Dit bevat wijzigingen van de WEB BES die inhoudelijk overeenkomen met de wijzigingen die artikel I van die wet heeft aangebracht in de WEB. Nu de WEB BES wordt ingetrokken, kan artikel II ook niet meer in werking treden. Dat maakt echter niet uit. Vanwege de integratie van de WEB BES in de WEB worden de wijzigingen uit voornoemde wet nu immers materieel gezien ook van toepassing op Caribisch Nederland. De evaluatiebepaling uit artikel IIIa is afgedaan bij brief van 4 april 2024.73 Genoemde wet kan daarom ingetrokken worden.

Artikelen XXII. Inwerkingtreding

Nadat dit voorstel van wet tot wet zal zijn verheven, kunnen de verschillende artikelen en onderdelen daarvan op verschillende tijdstippen in werking treden, indien dat nodig is. Het streven is de wet of het merendeel ervan in werking te laten treden tijdens het studiejaar 2026/2027. Daarbij zal ook rekening worden gehouden met het kabinetsbeleid van vaste verandermomenten. Dit betekent dat, indien inwerkingtreding op 1 augustus 2026 onmogelijk is, het volgende verandermoment van wetgeving op 1 januari 2027 is. Voor die artikelen van dit wetsvoorstel die niet middenin het studiejaar in werking kunnen treden, wordt dan het eerstvolgende tijdstip van inwerkingtreding 1 augustus 2027. Zie voor meer uitleg over de inwerkingtreding van artikel 7.4.11 van de WEB, voor wat betreft de examens Nederlands als tweede taal, ook de toelichting bij artikel I, onderdeel NN (hoofdstuk 13 WEB).

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,


X Noot
1

Memorie van toelichting, paragraaf 1.2 ‘Doelstelling’.

X Noot
2

Dit is de standaard structuur van een beroepsopleiding, die bestaat uit a) een basisdeel met generieke onderdelen zoals de Nederlandse taal, rekenen, burgerschap, en gemeenschappelijke elementen zoals kerntaken, werkprocessen, vakkennis, vaardigheden en houdingsaspecten; b) een profieldeel met meer specifieke elementen; c) keuzedelen.

X Noot
3

Vergelijk aanwijzing 2.19 van de Aanwijzingen voor de regelgeving; zie ook de voorlichting van de Afdeling advisering van de Raad van State van 9 november 2022 over de voorhang van een Algemene Maatregel van Bestuur, (W04.22.0112), Kamerstukken II 2022/23, 35 957, nr. 14, punt 2b en 3b.

X Noot
4

Voorgesteld artikel 1.6.3, derde lid, van de WEB.

X Noot
5

Zie ook aanwijzing 5.9, tweede lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

X Noot
6

Dit betreft in ieder geval de volgende voorgestelde artikelen: artikel 2.8.1, zesde lid, van de WEB; artikel 8.7.5, zesde lid, van de WEB en artikel 8.7.6, vijfde lid, van de WEB.

X Noot
7

Aanwijzing 2.23–25 Aanwijzingen voor de regelgeving.

X Noot
8

Voorheen artikel 1.6.3, vierde lid, in de versie van het wetsvoorstel zoals dat aan de Afdeling Advisering van de Raad van State is voorgelegd.

X Noot
9

De artikelen 9.3.3, vijfde lid, en 9.3.4, vijfde lid, komen overeen met respectievelijk artikel 8.7.5, zesde lid, en artikel 8.7.6, vijfde lid, in de versie van het wetsvoorstel zoals dat aan de Afdeling is voorgelegd.

X Noot
10

Memorie van toelichting, paragraaf 3.3 ‘Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN)’.

X Noot
11

Kamerstukken II 2000/01, 27 426 nr. 3.

X Noot
12

Dit betreft in ieder geval de volgende wetsbepalingen: artikelen 9, 18, 19, 20, 21, 22 en 23 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

X Noot
13

Zie voorgesteld artikel 1.6.2, vierde lid, van de WEB.

X Noot
14

Zie artikel 3, eerste lid, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Vgl. voorgesteld artikel 8.7.7, tweede lid, van de WEB.

X Noot
15

Memorie van toelichting, paragraaf 9. ‘Gevolgen voor de bescherming van persoonsgegevens’. Zie ook voorgesteld artikel 2.8.8 van de WEB.

X Noot
16

Zie Pro Facto, Evaluatie Wet bescherming persoonsgegevens BES, WODC 2019, paragraaf 6.2.4. Zie ook het advies van 27 maart 2024 van de Afdeling advisering van de Raad van State over de Wet invoering BSN en voorzieningen digitale overheid BES, (W04.23.00389/I), Kamerstukken II 2024/25, 36 639, nr. 4, punt 4.

X Noot
17

Memorie van toelichting, paragraaf 6.1 ‘Reacties Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs en bedrijfsleven en Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland’. Zie ook de uitvoeringstoets ROA CN.

X Noot
18

Voorgestelde artikelen 8.7.3, vijfde lid, van de WEB en 11.97, vijfde lid, van de WVO

X Noot
19

Artikel 16 Wbp BES.

X Noot
20

Artikel 3.1. Comptabiliteitswet 2016.

X Noot
21

Voorgesteld artikel 2.8.6 van de WEB.

X Noot
22

Memorie van toelichting, paragraaf 3.5 ‘Volwasseneneducatie’.

X Noot
23

Artikel 11.1b WEB BES. Zie ook voorgesteld artikel 13.2.5 WEB.

X Noot
24

Memorie van toelichting, paragraaf 3.2 ‘Bekostiging beroepsopleidingen’.

X Noot
25

Zie voorgesteld artikel 13.1.2 van de WEB.

X Noot
26

Zie voorgesteld artikel 13.1.2 van de WEB.

X Noot
27

Zie ook het advies van 22 april 2010 van de Raad van State over het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, (W08.09.0558/IV), Staatscourant 2011, nr. 16697, punt 15; advies van 24 februari 2010 van de Raad van State over de Wet revitalisering generiek toezicht, (W04.09.0438/I), Kamerstukken II 2009/10, 32 389, nr. 4, punt 10. Zie ook 5.1 van het Beleidskompas.

X Noot
28

Memorie van toelichting, paragraaf 3.4 ‘Het beroepsonderwijs’.

X Noot
30

Voorgesteld artikel 1.6.5 van de WEB.

X Noot
31

Het betrof artikel XIX in de versie van het wetsvoorstel zoals dat destijds aan de Raad vaan State is voorgelegd.

X Noot
1

Memorie van toelichting, paragraaf 1.2 ‘Doelstelling’.

X Noot
2

Dit is de standaard structuur van een beroepsopleiding, die bestaat uit a) een basisdeel met generieke onderdelen zoals de Nederlandse taal, rekenen, burgerschap, en gemeenschappelijke elementen zoals kerntaken, werkprocessen, vakkennis, vaardigheden en houdingsaspecten; b) een profieldeel met meer specifieke elementen; c) keuzedelen.

X Noot
3

Vergelijk aanwijzing 2.19 van de Aanwijzingen voor de regelgeving; zie ook de voorlichting van de Afdeling advisering van de Raad van State van 9 november 2022 over de voorhang van een Algemene Maatregel van Bestuur, (W04.22.0112), Kamerstukken II 2022/23, 35 957, nr. 14, punt 2b en 3b.

X Noot
4

Voorgesteld artikel 1.6.3, derde lid, van de WEB.

X Noot
5

Zie ook aanwijzing 5.9, tweede lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

X Noot
6

Dit betreft in ieder geval de volgende voorgestelde artikelen: artikel 2.8.1, zesde lid, van de WEB; artikel 8.7.5, zesde lid, van de WEB en artikel 8.7.6, vijfde lid, van de WEB.

X Noot
7

Aanwijzing 2.23–25 Aanwijzingen voor de regelgeving.

X Noot
8

Memorie van toelichting, paragraaf 3.3 ‘Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN)’.

X Noot
9

Kamerstukken II 2000/01, 27 426 nr. 3.

X Noot
10

Dit betreft in ieder geval de volgende wetsbepalingen: artikelen 9, 18, 19, 20, 21, 22 en 23 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

X Noot
11

Zie voorgesteld artikel 1.6.2, vierde lid, van de WEB.

X Noot
12

Zie artikel 3, eerste lid, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Vgl. voorgesteld artikel 8.7.7, tweede lid, van de WEB.

X Noot
13

Memorie van toelichting, paragraaf 9. ‘Gevolgen voor de bescherming van persoonsgegevens’. Zie ook voorgesteld artikel 2.8.8 van de WEB.

X Noot
14

Zie Pro Facto, Evaluatie Wet bescherming persoonsgegevens BES, WODC 2019, paragraaf 6.2.4. Zie ook het advies van 27 maart 2024 van de Afdeling advisering van de Raad van State over de Wet invoering BSN en voorzieningen digitale overheid BES, (W04.23.00389/I), Kamerstukken II 2024/25, 36 639, nr. 4, punt 4.

X Noot
15

Memorie van toelichting, paragraaf 6.1 ‘Reacties Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs en bedrijfsleven en Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland’. Zie ook de uitvoeringstoets ROA CN.

X Noot
16

Voorgestelde artikelen 8.7.3, vijfde lid, van de WEB en 11.97, vijfde lid, van de WVO

X Noot
17

Artikel 16 Wbp BES.

X Noot
18

Artikel 3.1. Comptabiliteitswet 2016.

X Noot
19

Voorgesteld artikel 2.8.6 van de WEB.

X Noot
20

Memorie van toelichting, paragraaf 3.5 ‘Volwasseneneducatie’.

X Noot
21

Artikel 11.1b WEB BES. Zie ook voorgesteld artikel 13.2.5 WEB.

X Noot
22

Memorie van toelichting, paragraaf 3.2 ‘Bekostiging beroepsopleidingen’.

X Noot
23

Zie voorgesteld artikel 13.1.2 van de WEB.

X Noot
24

Zie voorgesteld artikel 13.1.2 van de WEB.

X Noot
25

Zie ook het advies van 22 april 2010 van de Raad van State over het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, (W08.09.0558/IV), Staatscourant 2011, nr. 16697, punt 15; advies van 24 februari 2010 van de Raad van State over de Wet revitalisering generiek toezicht, (W04.09.0438/I), Kamerstukken II 2009/10, 32 389, nr. 4, punt 10. Zie ook 5.1 van het Beleidskompas.

X Noot
26

Memorie van toelichting, paragraaf 3.4 ‘Het beroepsonderwijs’.

X Noot
28

Voorgesteld artikel 1.6.5 van de WEB.

X Noot
1

Sinds de invoering van het CXC-onderwijs op Saba en Sint Eustatius wordt op deze twee eilanden geen beroepsonderwijs op grond van de WEB BES meer verzorgd. Zie voor nadere toelichting paragraaf 2 van deze memorie van toelichting.

X Noot
2

Een startkwalificatie is op Bonaire een diploma havo, vwo of mbo-2 en op Saba en Sint Eustatius een certificaat CSEC of CVQ2.

X Noot
3

Kamerstukken II, 2019–2020, 35 300 IV, nr. 11.

X Noot
4

CBS- StatLine bevolkingsgegevens.

X Noot
5

Kamerstukken II 2019–2020, 35 297, nr. 4 en Kamerstukken II 2017–2018, 34 878, nr. 4.

X Noot
6

Kamerstukken II 2009–2010, 32 419, nr. 3.

X Noot
7

Wet op de expertisecentra; die wet regelt het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs voor Europees Nederland, er is geen BES-equivalent.

X Noot
8

Beide scholen zijn aangewezen als instelling voor voortgezet onderwijs in de zin van artikel 2.86 WVO 2020; het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES stelt regels voor onder andere het onderwijs en de examinering aan deze instellingen.

X Noot
9

Inspectie van het Onderwijs, Kwaliteitsonderzoek Scholengemeenschap Bonaire; Units Liseo Boneriano, Speciale Lesplaatsen en MBO, 7 februari 2022.

X Noot
10

Artikel 7.2.4, eerste lid, WEB BES.

X Noot
11

Artikel 1.4.1 WEB BES.

X Noot
12

Artikel 1.5.2 WEB BES.

X Noot
13

Artikel 2.1.1 WEB BES.

X Noot
14

Artikel 1.4.1 WEB BES.

X Noot
15

Artikel 6.1.4a, tweede lid, WEB.

X Noot
16

Artikel 1.4.1 WEB BES juncto artikel 2.1.1 WEB BES.

X Noot
17

Een deel hiervan volgt feitelijk onderwijs bij Fundashon Formashon Pa Mayan ‘FORMA’. Dit is een opleidingscentrum voor volwasseneducatie en onderwijs.

X Noot
18

Artikel 2.1.3, eerste lid, WEB.

X Noot
19

Artikel 9.32, derde lid, Uitvoeringsbesluit WVO 2020 in samenhang gelezen met artikelen 11.47, tweede lid, onderdeel b, WVO 2020 en 11.1a WEB BES.

X Noot
20

Hoofdstuk 2, titel 2, WEB wordt ook van toepassing op Caribisch Nederland, met dien verstande dat artikel 2.8.3 een bepaling bevat voor de ten opzichte van Europees Nederland afwijkende berekening van de bekostiging in Caribisch Nederland. Artikel 13.2.8 bevat daarnaast overgangsrecht voor de periode tussen de inwerkingtreding van deze wet en het eind van het dan lopende kalenderjaar.

X Noot
21

Besluit bekostiging WVO 2021, thans opgenomen in het Uitvoeringsbesluit WVO 2020.

X Noot
22

Zie artikel 6.1.2, eerste lid, WEB juncto artikel 6.1.3, eerste en derde lid, WEB.

X Noot
23

Met uitzondering van het doen van voorstellen aan SBB voor een kwalificatie of onderdeel daarvan die in het bijzonder relevant is voor Caribisch Nederland (het voorgestelde artikel 1.6.3, tweede lid, WEB).

X Noot
24

Artikel 1.5.1, derde lid, WEB BES.

X Noot
25

Artikel 7.2.4, vierde lid, WEB.

X Noot
26

Artikel 17a, derde en vierde lid, Examen- en kwalificatiebesluit WEB.

X Noot
27

Met ingang van 1 januari 2025 geldt een minimaal beheersingsniveau voor het spreken van de Nederlandse taal in de kinderopvang in Europees Nederland. Daarbij is het wettelijk beroepsvereiste voor Caribisch Nederland anders ingevuld, gelet op de andere context daar.

X Noot
28

Kamerstukken II 2021–2022, 31 293, nr. 620.

X Noot
29

Zie artikel 2a van de Regeling aanwijzing diploma’s beroepsonderwijs en artikel 7.24, tweede lid, onderdelen d en f van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

X Noot
30

Artikel 2.3.1 WEB.

X Noot
31

Artikel 7.3.1, eerste lid, WEB.

X Noot
32

Vavo omvat alle deeleindexamens en eventuele diploma’s voor de schoolsoorten mavo, havo en vwo.

X Noot
33

Artikel 2.1.2, eerste lid, onder b, WEB.

X Noot
34

De Landelijke geschillencommissie medezeggenschap is een van de geschillencommissies, ondergebracht bij de Stichting onderwijsgeschillen, gevestigd te Utrecht.

X Noot
35

Zie artikel 2, vierde lid, Besluit register onderwijsdeelnemers.

X Noot
36

Kamerstukken II, 2020–2021, 35 570 VIII, nr. 278.

X Noot
37

Een bijzondere uitkering op grond van artikel 91 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is vergelijkbaar met een specifieke uitkering op grond van de Financiële verhoudingenwet. Een vrije uitkering uit het BES-fonds (artikel 88 van eerstgenoemde wet) is vergelijkbaar met een algemene uitkering uit het Gemeentefonds.

X Noot
38

Dit is straks van toepassing voor de SGB op Bonaire, omdat daar vo-onderwijs als bedoeld in de WVO 2020 en mbo onderwijs wordt gegeven.

X Noot
39

Voorstel van wet houdende wijziging van diverse wetten in verband met het invoeren van het burgerservicenummer en de voorzieningen van de digitale overheid in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wet invoering BSN en voorzieningen digitale overheid BES) (Kamerstukken 36 639).

X Noot
40

Kamerstukken II, 2022/23, 29 279 nr. 750.

X Noot
41

Fundashon Formashon Pa Mayan ‘FORMA’, een opleidingscentrum voor volwasseneducatie en onderwijs op Bonaire.

X Noot
42

Zie het Besluit bekostiging WVO 2021 (Stb. 2021, 218) waarmee destijds onder andere het Uitvoeringsbesluit WEB BES is aangepast.

X Noot
43

Zie hiertoe artikel 2, vierde lid, Besluit register onderwijsdeelnemers.

X Noot
45

Deze zorgplichten zijn geregeld in artikel 6.1.3, eerste en derde lid, WEB met een verbijzondering voor CN in het voorgestelde artikel 6.5.2 WEB.

X Noot
46

Op grond van artikel 4.14 WVO 2020 is wel een verplaatsing binnen 3 km toegestaan.

X Noot
47

In 2023 volgden circa 750 studenten een beroepsopleiding aan de SGB.

X Noot
48

Kamerstukken II 2006/07, 27 451, nr. 66.

X Noot
49

Artikel 4.1.6 WEB BES.

X Noot
50

Kamerstukken II 2003/04, 29 205, nr. 3, p. 7.

X Noot
51

Publicatieblad EU 2016, L 119; de openbare lichamen hebben de LGO-status (landen en gebieden overzee) in Europeesrechtelijke zin.

X Noot
52

Met artikel V, onderdeel AA, en artikel VI, onderdeel H, van de Reparatiewet OCW 2024 (Stb. 2024, 109) zijn de artikelen 12.5.1b* WEB en 11.6g* WEB BES vernummerd tot 12.5.1c WEB resp. 11.6h WEB BES.

X Noot
53

Bijlage 3 bij Kamerstukken II 2023/24, 31 293, nr. 738.

X Noot
54

Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in verband met diverse maatregelen gericht op het versterken van de positie van mbo-studenten (Wet versterken positie mbo-studenten) (Stb. 2020, 234).

X Noot
55

Kamerstukken II 2022/23, 31 524, nr. 544.

X Noot
56

P.M.

X Noot
57

Kamerstukken II 2024/25, 31 524, nr. 624.

X Noot
58

Deze bepaling is ingevoerd met artikel V, onderdeel Z, van de Reparatiewet OCW 2024.

X Noot
59

Zoals die begripsbepaling met artikel IV, onderdeel A, van de Wet van 23 oktober 2024 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met de verplichtstelling van een verklaring omtrent het gedrag in het aanvullend onderwijs (Stb 2024, 310) is ingevoegd in artikel 1.1 WVO 2020.

X Noot
60

Het certificaat CSEC, een certificaat CVQ en het diploma CAPE zijn in artikel 25 van genoemd besluit aangewezen als startkwalificatie in de zin van de Leerplichtwet BES.

X Noot
61

Bijlage 3 bij Kamerstukken II 2023/24, 31 293, nr. 738.

X Noot
62

Kamerstukken II 2006/07, 34 355, nr. 19.

X Noot
63

Kamerstukken II 2021/22, 34 878, nr. 18, p. 6.

X Noot
64

Wet van 25 februari 2021 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op het voortgezet onderwijs en enkele andere wetten vanwege de vereenvoudiging van de bekostiging van de scholen voor primair onderwijs en samenwerkingsverbanden (Stb. 2021, 171).

X Noot
65

Kamerstukken II 2006/07, 27 451, nr. 76 en Kamerstukken II 2007/08, 31 321, nr. 3, p. 1.

X Noot
66

Kamerstukken II 2007/08, 31 321, nr. 3.

X Noot
67

Kamerstukken II 2009/10, 31 524, nr. 74.

X Noot
68

Kamerstukken II 2013/14, 31 524, nr. 210.

X Noot
69

Kamerstukken II 2024/25, 31 293, nr. 777.

X Noot
70

Kamerstukken II 2017/18, 31 524, nr. 360.

X Noot
71

Kamerstukken II 2018/19, 31 524, nr. 395.

X Noot
72

Kamerstukken II 2021/22, 31 524, nr. 504.

X Noot
73

Kamerstukken II 2023/24, 31 524, nr. 603, p. 11–12.


X Noot
1

Memorie van toelichting, paragraaf 1.2 ‘Doelstelling’.

X Noot
2

Dit is de standaard structuur van een beroepsopleiding, die bestaat uit a) een basisdeel met generieke onderdelen zoals de Nederlandse taal, rekenen, burgerschap, en gemeenschappelijke elementen zoals kerntaken, werkprocessen, vakkennis, vaardigheden en houdingsaspecten; b) een profieldeel met meer specifieke elementen; c) keuzedelen.

X Noot
3

Vergelijk aanwijzing 2.19 van de Aanwijzingen voor de regelgeving; zie ook de voorlichting van de Afdeling advisering van de Raad van State van 9 november 2022 over de voorhang van een Algemene Maatregel van Bestuur, (W04.22.0112), Kamerstukken II 2022/23, 35 957, nr. 14, punt 2b en 3b.

X Noot
4

Voorgesteld artikel 1.6.3, derde lid, van de WEB.

X Noot
5

Zie ook aanwijzing 5.9, tweede lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

X Noot
6

Dit betreft in ieder geval de volgende voorgestelde artikelen: artikel 2.8.1, zesde lid, van de WEB; artikel 8.7.5, zesde lid, van de WEB en artikel 8.7.6, vijfde lid, van de WEB.

X Noot
7

Aanwijzing 2.23–25 Aanwijzingen voor de regelgeving.

X Noot
8

Voorheen artikel 1.6.3, vierde lid, in de versie van het wetsvoorstel zoals dat aan de Afdeling Advisering van de Raad van State is voorgelegd.

X Noot
9

De artikelen 9.3.3, vijfde lid, en 9.3.4, vijfde lid, komen overeen met respectievelijk artikel 8.7.5, zesde lid, en artikel 8.7.6, vijfde lid, in de versie van het wetsvoorstel zoals dat aan de Afdeling is voorgelegd.

X Noot
10

Memorie van toelichting, paragraaf 3.3 ‘Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN)’.

X Noot
11

Kamerstukken II 2000/01, 27 426 nr. 3.

X Noot
12

Dit betreft in ieder geval de volgende wetsbepalingen: artikelen 9, 18, 19, 20, 21, 22 en 23 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

X Noot
13

Zie voorgesteld artikel 1.6.2, vierde lid, van de WEB.

X Noot
14

Zie artikel 3, eerste lid, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Vgl. voorgesteld artikel 8.7.7, tweede lid, van de WEB.

X Noot
15

Memorie van toelichting, paragraaf 9. ‘Gevolgen voor de bescherming van persoonsgegevens’. Zie ook voorgesteld artikel 2.8.8 van de WEB.

X Noot
16

Zie Pro Facto, Evaluatie Wet bescherming persoonsgegevens BES, WODC 2019, paragraaf 6.2.4. Zie ook het advies van 27 maart 2024 van de Afdeling advisering van de Raad van State over de Wet invoering BSN en voorzieningen digitale overheid BES, (W04.23.00389/I), Kamerstukken II 2024/25, 36 639, nr. 4, punt 4.

X Noot
17

Memorie van toelichting, paragraaf 6.1 ‘Reacties Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs en bedrijfsleven en Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland’. Zie ook de uitvoeringstoets ROA CN.

X Noot
18

Voorgestelde artikelen 8.7.3, vijfde lid, van de WEB en 11.97, vijfde lid, van de WVO

X Noot
19

Artikel 16 Wbp BES.

X Noot
20

Artikel 3.1. Comptabiliteitswet 2016.

X Noot
21

Voorgesteld artikel 2.8.6 van de WEB.

X Noot
22

Memorie van toelichting, paragraaf 3.5 ‘Volwasseneneducatie’.

X Noot
23

Artikel 11.1b WEB BES. Zie ook voorgesteld artikel 13.2.5 WEB.

X Noot
24

Memorie van toelichting, paragraaf 3.2 ‘Bekostiging beroepsopleidingen’.

X Noot
25

Zie voorgesteld artikel 13.1.2 van de WEB.

X Noot
26

Zie voorgesteld artikel 13.1.2 van de WEB.

X Noot
27

Zie ook het advies van 22 april 2010 van de Raad van State over het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, (W08.09.0558/IV), Staatscourant 2011, nr. 16697, punt 15; advies van 24 februari 2010 van de Raad van State over de Wet revitalisering generiek toezicht, (W04.09.0438/I), Kamerstukken II 2009/10, 32 389, nr. 4, punt 10. Zie ook 5.1 van het Beleidskompas.

X Noot
28

Memorie van toelichting, paragraaf 3.4 ‘Het beroepsonderwijs’.

X Noot
30

Voorgesteld artikel 1.6.5 van de WEB.

X Noot
31

Het betrof artikel XIX in de versie van het wetsvoorstel zoals dat destijds aan de Raad vaan State is voorgelegd.

X Noot
1

Memorie van toelichting, paragraaf 1.2 ‘Doelstelling’.

X Noot
2

Dit is de standaard structuur van een beroepsopleiding, die bestaat uit a) een basisdeel met generieke onderdelen zoals de Nederlandse taal, rekenen, burgerschap, en gemeenschappelijke elementen zoals kerntaken, werkprocessen, vakkennis, vaardigheden en houdingsaspecten; b) een profieldeel met meer specifieke elementen; c) keuzedelen.

X Noot
3

Vergelijk aanwijzing 2.19 van de Aanwijzingen voor de regelgeving; zie ook de voorlichting van de Afdeling advisering van de Raad van State van 9 november 2022 over de voorhang van een Algemene Maatregel van Bestuur, (W04.22.0112), Kamerstukken II 2022/23, 35 957, nr. 14, punt 2b en 3b.

X Noot
4

Voorgesteld artikel 1.6.3, derde lid, van de WEB.

X Noot
5

Zie ook aanwijzing 5.9, tweede lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

X Noot
6

Dit betreft in ieder geval de volgende voorgestelde artikelen: artikel 2.8.1, zesde lid, van de WEB; artikel 8.7.5, zesde lid, van de WEB en artikel 8.7.6, vijfde lid, van de WEB.

X Noot
7

Aanwijzing 2.23–25 Aanwijzingen voor de regelgeving.

X Noot
8

Memorie van toelichting, paragraaf 3.3 ‘Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland (ROA CN)’.

X Noot
9

Kamerstukken II 2000/01, 27 426 nr. 3.

X Noot
10

Dit betreft in ieder geval de volgende wetsbepalingen: artikelen 9, 18, 19, 20, 21, 22 en 23 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

X Noot
11

Zie voorgesteld artikel 1.6.2, vierde lid, van de WEB.

X Noot
12

Zie artikel 3, eerste lid, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Vgl. voorgesteld artikel 8.7.7, tweede lid, van de WEB.

X Noot
13

Memorie van toelichting, paragraaf 9. ‘Gevolgen voor de bescherming van persoonsgegevens’. Zie ook voorgesteld artikel 2.8.8 van de WEB.

X Noot
14

Zie Pro Facto, Evaluatie Wet bescherming persoonsgegevens BES, WODC 2019, paragraaf 6.2.4. Zie ook het advies van 27 maart 2024 van de Afdeling advisering van de Raad van State over de Wet invoering BSN en voorzieningen digitale overheid BES, (W04.23.00389/I), Kamerstukken II 2024/25, 36 639, nr. 4, punt 4.

X Noot
15

Memorie van toelichting, paragraaf 6.1 ‘Reacties Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs en bedrijfsleven en Raad onderwijs arbeidsmarkt Caribisch Nederland’. Zie ook de uitvoeringstoets ROA CN.

X Noot
16

Voorgestelde artikelen 8.7.3, vijfde lid, van de WEB en 11.97, vijfde lid, van de WVO

X Noot
17

Artikel 16 Wbp BES.

X Noot
18

Artikel 3.1. Comptabiliteitswet 2016.

X Noot
19

Voorgesteld artikel 2.8.6 van de WEB.

X Noot
20

Memorie van toelichting, paragraaf 3.5 ‘Volwasseneneducatie’.

X Noot
21

Artikel 11.1b WEB BES. Zie ook voorgesteld artikel 13.2.5 WEB.

X Noot
22

Memorie van toelichting, paragraaf 3.2 ‘Bekostiging beroepsopleidingen’.

X Noot
23

Zie voorgesteld artikel 13.1.2 van de WEB.

X Noot
24

Zie voorgesteld artikel 13.1.2 van de WEB.

X Noot
25

Zie ook het advies van 22 april 2010 van de Raad van State over het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, (W08.09.0558/IV), Staatscourant 2011, nr. 16697, punt 15; advies van 24 februari 2010 van de Raad van State over de Wet revitalisering generiek toezicht, (W04.09.0438/I), Kamerstukken II 2009/10, 32 389, nr. 4, punt 10. Zie ook 5.1 van het Beleidskompas.

X Noot
26

Memorie van toelichting, paragraaf 3.4 ‘Het beroepsonderwijs’.

X Noot
28

Voorgesteld artikel 1.6.5 van de WEB.

X Noot
1

Sinds de invoering van het CXC-onderwijs op Saba en Sint Eustatius wordt op deze twee eilanden geen beroepsonderwijs op grond van de WEB BES meer verzorgd. Zie voor nadere toelichting paragraaf 2 van deze memorie van toelichting.

X Noot
2

Een startkwalificatie is op Bonaire een diploma havo, vwo of mbo-2 en op Saba en Sint Eustatius een certificaat CSEC of CVQ2.

X Noot
3

Kamerstukken II, 2019–2020, 35 300 IV, nr. 11.

X Noot
4

CBS- StatLine bevolkingsgegevens.

X Noot
5

Kamerstukken II 2019–2020, 35 297, nr. 4 en Kamerstukken II 2017–2018, 34 878, nr. 4.

X Noot
6

Kamerstukken II 2009–2010, 32 419, nr. 3.

X Noot
7

Wet op de expertisecentra; die wet regelt het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs voor Europees Nederland, er is geen BES-equivalent.

X Noot
8

Beide scholen zijn aangewezen als instelling voor voortgezet onderwijs in de zin van artikel 2.86 WVO 2020; het Besluit Saba Comprehensive School en Gwendoline van Puttenschool BES stelt regels voor onder andere het onderwijs en de examinering aan deze instellingen.

X Noot
9

Inspectie van het Onderwijs, Kwaliteitsonderzoek Scholengemeenschap Bonaire; Units Liseo Boneriano, Speciale Lesplaatsen en MBO, 7 februari 2022.

X Noot
10

Artikel 7.2.4, eerste lid, WEB BES.

X Noot
11

Artikel 1.4.1 WEB BES.

X Noot
12

Artikel 1.5.2 WEB BES.

X Noot
13

Artikel 2.1.1 WEB BES.

X Noot
14

Artikel 1.4.1 WEB BES.

X Noot
15

Artikel 6.1.4a, tweede lid, WEB.

X Noot
16

Artikel 1.4.1 WEB BES juncto artikel 2.1.1 WEB BES.

X Noot
17

Een deel hiervan volgt feitelijk onderwijs bij Fundashon Formashon Pa Mayan ‘FORMA’. Dit is een opleidingscentrum voor volwasseneducatie en onderwijs.

X Noot
18

Artikel 2.1.3, eerste lid, WEB.

X Noot
19

Artikel 9.32, derde lid, Uitvoeringsbesluit WVO 2020 in samenhang gelezen met artikelen 11.47, tweede lid, onderdeel b, WVO 2020 en 11.1a WEB BES.

X Noot
20

Hoofdstuk 2, titel 2, WEB wordt ook van toepassing op Caribisch Nederland, met dien verstande dat artikel 2.8.3 een bepaling bevat voor de ten opzichte van Europees Nederland afwijkende berekening van de bekostiging in Caribisch Nederland. Artikel 13.2.8 bevat daarnaast overgangsrecht voor de periode tussen de inwerkingtreding van deze wet en het eind van het dan lopende kalenderjaar.

X Noot
21

Besluit bekostiging WVO 2021, thans opgenomen in het Uitvoeringsbesluit WVO 2020.

X Noot
22

Zie artikel 6.1.2, eerste lid, WEB juncto artikel 6.1.3, eerste en derde lid, WEB.

X Noot
23

Met uitzondering van het doen van voorstellen aan SBB voor een kwalificatie of onderdeel daarvan die in het bijzonder relevant is voor Caribisch Nederland (het voorgestelde artikel 1.6.3, tweede lid, WEB).

X Noot
24

Artikel 1.5.1, derde lid, WEB BES.

X Noot
25

Artikel 7.2.4, vierde lid, WEB.

X Noot
26

Artikel 17a, derde en vierde lid, Examen- en kwalificatiebesluit WEB.

X Noot
27

Met ingang van 1 januari 2025 geldt een minimaal beheersingsniveau voor het spreken van de Nederlandse taal in de kinderopvang in Europees Nederland. Daarbij is het wettelijk beroepsvereiste voor Caribisch Nederland anders ingevuld, gelet op de andere context daar.

X Noot
28

Kamerstukken II 2021–2022, 31 293, nr. 620.

X Noot
29

Zie artikel 2a van de Regeling aanwijzing diploma’s beroepsonderwijs en artikel 7.24, tweede lid, onderdelen d en f van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

X Noot
30

Artikel 2.3.1 WEB.

X Noot
31

Artikel 7.3.1, eerste lid, WEB.

X Noot
32

Vavo omvat alle deeleindexamens en eventuele diploma’s voor de schoolsoorten mavo, havo en vwo.

X Noot
33

Artikel 2.1.2, eerste lid, onder b, WEB.

X Noot
34

De Landelijke geschillencommissie medezeggenschap is een van de geschillencommissies, ondergebracht bij de Stichting onderwijsgeschillen, gevestigd te Utrecht.

X Noot
35

Zie artikel 2, vierde lid, Besluit register onderwijsdeelnemers.

X Noot
36

Kamerstukken II, 2020–2021, 35 570 VIII, nr. 278.

X Noot
37

Een bijzondere uitkering op grond van artikel 91 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is vergelijkbaar met een specifieke uitkering op grond van de Financiële verhoudingenwet. Een vrije uitkering uit het BES-fonds (artikel 88 van eerstgenoemde wet) is vergelijkbaar met een algemene uitkering uit het Gemeentefonds.

X Noot
38

Dit is straks van toepassing voor de SGB op Bonaire, omdat daar vo-onderwijs als bedoeld in de WVO 2020 en mbo onderwijs wordt gegeven.

X Noot
39

Voorstel van wet houdende wijziging van diverse wetten in verband met het invoeren van het burgerservicenummer en de voorzieningen van de digitale overheid in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wet invoering BSN en voorzieningen digitale overheid BES) (Kamerstukken 36 639).

X Noot
40

Kamerstukken II, 2022/23, 29 279 nr. 750.

X Noot
41

Fundashon Formashon Pa Mayan ‘FORMA’, een opleidingscentrum voor volwasseneducatie en onderwijs op Bonaire.

X Noot
42

Zie het Besluit bekostiging WVO 2021 (Stb. 2021, 218) waarmee destijds onder andere het Uitvoeringsbesluit WEB BES is aangepast.

X Noot
43

Zie hiertoe artikel 2, vierde lid, Besluit register onderwijsdeelnemers.

X Noot
45

Deze zorgplichten zijn geregeld in artikel 6.1.3, eerste en derde lid, WEB met een verbijzondering voor CN in het voorgestelde artikel 6.5.2 WEB.

X Noot
46

Op grond van artikel 4.14 WVO 2020 is wel een verplaatsing binnen 3 km toegestaan.

X Noot
47

In 2023 volgden circa 750 studenten een beroepsopleiding aan de SGB.

X Noot
48

Kamerstukken II 2006/07, 27 451, nr. 66.

X Noot
49

Artikel 4.1.6 WEB BES.

X Noot
50

Kamerstukken II 2003/04, 29 205, nr. 3, p. 7.

X Noot
51

Publicatieblad EU 2016, L 119; de openbare lichamen hebben de LGO-status (landen en gebieden overzee) in Europeesrechtelijke zin.

X Noot
52

Met artikel V, onderdeel AA, en artikel VI, onderdeel H, van de Reparatiewet OCW 2024 (Stb. 2024, 109) zijn de artikelen 12.5.1b* WEB en 11.6g* WEB BES vernummerd tot 12.5.1c WEB resp. 11.6h WEB BES.

X Noot
53

Bijlage 3 bij Kamerstukken II 2023/24, 31 293, nr. 738.

X Noot
54

Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in verband met diverse maatregelen gericht op het versterken van de positie van mbo-studenten (Wet versterken positie mbo-studenten) (Stb. 2020, 234).

X Noot
55

Kamerstukken II 2022/23, 31 524, nr. 544.

X Noot
56

P.M.

X Noot
57

Kamerstukken II 2024/25, 31 524, nr. 624.

X Noot
58

Deze bepaling is ingevoerd met artikel V, onderdeel Z, van de Reparatiewet OCW 2024.

X Noot
59

Zoals die begripsbepaling met artikel IV, onderdeel A, van de Wet van 23 oktober 2024 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met de verplichtstelling van een verklaring omtrent het gedrag in het aanvullend onderwijs (Stb 2024, 310) is ingevoegd in artikel 1.1 WVO 2020.

X Noot
60

Het certificaat CSEC, een certificaat CVQ en het diploma CAPE zijn in artikel 25 van genoemd besluit aangewezen als startkwalificatie in de zin van de Leerplichtwet BES.

X Noot
61

Bijlage 3 bij Kamerstukken II 2023/24, 31 293, nr. 738.

X Noot
62

Kamerstukken II 2006/07, 34 355, nr. 19.

X Noot
63

Kamerstukken II 2021/22, 34 878, nr. 18, p. 6.

X Noot
64

Wet van 25 februari 2021 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op het voortgezet onderwijs en enkele andere wetten vanwege de vereenvoudiging van de bekostiging van de scholen voor primair onderwijs en samenwerkingsverbanden (Stb. 2021, 171).

X Noot
65

Kamerstukken II 2006/07, 27 451, nr. 76 en Kamerstukken II 2007/08, 31 321, nr. 3, p. 1.

X Noot
66

Kamerstukken II 2007/08, 31 321, nr. 3.

X Noot
67

Kamerstukken II 2009/10, 31 524, nr. 74.

X Noot
68

Kamerstukken II 2013/14, 31 524, nr. 210.

X Noot
69

Kamerstukken II 2024/25, 31 293, nr. 777.

X Noot
70

Kamerstukken II 2017/18, 31 524, nr. 360.

X Noot
71

Kamerstukken II 2018/19, 31 524, nr. 395.

X Noot
72

Kamerstukken II 2021/22, 31 524, nr. 504.

X Noot
73

Kamerstukken II 2023/24, 31 524, nr. 603, p. 11–12.

Naar boven