Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-201032419 nr. 3

32 419 Tweede aanpassing van wetten in verband met de nieuwe staatsrechtelijke positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbaar lichaam binnen Nederland – B (Tweede Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba – B)

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

Algemeen

In de memorie van toelichting bij de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba1 is in de paragraaf «Achtergrond bij het wetsvoorstel» aangegeven dat bij aanvang van de nieuwe staatsrechtelijke positie van de BES-eilanden als openbaar lichaam binnen Nederland (verder aangeduid als: BES) de Nederlands-Antilliaanse regelgeving daar in beginsel van kracht zal blijven, en dat die regelgeving geleidelijk zal worden vervangen door Nederlandse regelgeving.

Wat betreft de regelgeving inzake het onderwijs op de BES is voor een andere lijn gekozen: voorgesteld wordt dat de Europees-Nederlandse regelgeving in grote mate, vanaf het begin, dat wil zeggen per 1 januari 2011, model zal staan voor de op de BES geldende regelgeving. Reden daarvoor is dat het onderwijs op de BES niet voldoet aan de maatstaven die het kabinet aanvaardbaar acht. In oktober 2008 heeft de Nederlandse Inspectie van het onderwijs een onderzoek ingesteld naar de kwaliteit van het onderwijs op de BES. Het desbetreffende rapport is door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij brief van 5 december 2008 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2008/09, 31 568, nr. 6). In die brief stelt de minister dat het rapport van de onderwijsinspectie aangeeft dat de stand van zaken ten aanzien van de kwaliteit van het onderwijs op de BES reden is tot grote zorg. Twee citaten uit het rapport, p. 146 en p. 148: «Het fo2 is «zeer zwak» omdat op bijna alle scholen het leerstofaanbod en het onderwijsleerproces op essentiële punten tekort schieten en omdat de leerprestaties zeer zorgelijk zijn. Hoewel er geen voldoende objectieve toetsresultaten beschikbaar zijn, zijn er aanwijzingen dat grote groepen leerlingen in het fo een leerachterstand hebben van meerdere leerjaren op het gebied van technisch lezen, rekenen en de Nederlandse taal. Ze blijven ook ver achter bij het niveau van de leerlingen die op dit moment nog in de zesde klas van het oude basisonderwijs zitten. In sommige gevallen zijn de achterstanden zo opgelopen dat, als er verder geen actie wordt ondernomen, niet kan worden uitgesloten dat nogal wat leerlingen het fo als analfabeet zullen verlaten.» «In vergelijking tot de Nederlandse situatie is het leerstofaanbod in het vo3 op de BES-eilanden een opvallend zwak punt (Inspectie van het Onderwijs, 2008a). Dat wordt vooral veroorzaakt doordat er niet voor alle vakken boeken beschikbaar zijn en ook doordat, zelfs in de examenjaren, niet alle vakken worden gegeven, omdat er geen docenten zijn.»

In het hierboven aangehaalde eerste citaat is aangegeven dat de onderwijsinspectie ten tijde van het opstellen van het rapport niet beschikte over voldoende objectieve toetsresultaten. Inmiddels zijn er toetsen afgenomen bij de leerlingen in de hoogste klassen van het funderend onderwijs en in de eerste klas van het voortgezet onderwijs. De uitkomsten daarvan bevestigen het beeld van de inspectie.

Met vertegenwoordigers van de eilanden zijn afspraken gemaakt over de uitgangspunten voor een verbeterplan dat inmiddels is opgepakt. Voor dit verbeterplan heeft het kabinet extra financiële middelen ter beschikking gesteld, waardoor reeds in de jaren 2009 en 2010 een aantal verbeteracties kan worden gerealiseerd waardoor al een belangrijke kwaliteitsverbetering kan worden bereikt, zoals het beschikbaar stellen van schoolboeken. Met het verbeterplan alleen is de gewenste verbetering niet mogelijk: ook de regelgeving zal daarbij een rol moeten spelen. Deze moet namelijk de instrumenten verschaffen om het onderwijsbestel op de BES zodanig aan te sturen dat betere resultaten worden geboekt. Tevens bleek dat er bij de besturen van de BES geen overwegende bezwaren bestonden bij het op het onderwijsterrein verlaten van het uitgangspunt dat de Nederlands-Antilliaanse landsverordeningen zoveel mogelijk één op één zouden worden overgenomen.

In dat licht acht het kabinet wachten op het vervangen van de onderwijsregelgeving op de BES geen optie, omdat dit zou betekenen dat leerlingen nog jaren lang goed onderwijs zouden ontberen, terwijl het kabinet van oordeel is dat iedere leerling, ongeacht of deze in het Europese deel van Nederland woont dan wel op de BES, recht heeft op goed onderwijs.

Nadat de beslissing was genomen dat de Europees-Nederlandse regelgeving in grote mate model zal staan voor de op de BES geldende regelgeving, bleek het niet wenselijk de Europees-Nederlandse onderwijswetten integraal van toepassing te verklaren op de BES. Zo is een groot aantal onderwijsbepalingen niet één op één toepasbaar op de BES vanwege de specifieke omstandigheden op deze eilanden, zoals onderlinge afstand tussen de eilanden en de afstand tot het Europese deel van Nederland, de taal, het klimaat en de schaalgrootte. Daardoor zou een onwerkbaar geheel worden gegenereerd.

Daarom is ervoor gekozen aparte onderwijswetten op te stellen, waarbij de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs model hebben gestaan voor de inhoud van de in wetten omgezette landsverordeningen die voor de sectoren funderend (primair) en voortgezet onderwijs op de BES zullen gelden. Ook de Leerplichtwet 1969 is het uitgangspunt geweest bij het vormgeven van de Leerplichtwet BES. Datzelfde geldt voor de omzetting van de Landsstudietoelagenregeling in een Wet studiefinanciering BES, waarbij de Wet studiefinanciering 2000 model heeft gestaan. Voor het beroepsonderwijs geldt dat de inhoud van de landsverordening secundair beroepsonderwijs grotendeels in stand is gehouden. Voor de opbouw van het voorstel van Wet educatie en beroepsonderwijs BES is gekeken naar de Wet educatie en beroepsonderwijs. Voor de Landsverordening sociale vormingsplicht bestaat geen tegenhanger in het Europese deel van Nederland. Het wetsvoorstel Sociale kanstrajecten jongeren is volledig gebaseerd op die landsverordening en op de uitvoeringspraktijk daarvan, zij het dat het verplichte karakter tot deelname is vervangen door een vrijwillige deelname.

Bij gebrek aan een landsverordening voor het hoger onderwijs is in deze sector gekozen voor het direct van toepassing verklaren van het overgrote deel van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Daarnaast bevatten de landsverordeningen een groot aantal verplichtingen die overeen komen met de in het Europese deel van Nederland geldende eisen, maar waaraan in de praktijk geen uitvoering wordt gegeven. Ook daarvoor geldt dat aan deze eisen niet onmiddellijk na de inwerkingtreding van de BES-onderwijswetten kan worden voldaan. In verband hiermee is ervoor gekozen de wetten gefaseerd in werking te laten treden. De administratieve lasten, zowel voor het bestuurscollege als voor de bevoegde gezagsorganen, zullen op deze manier geleidelijk toenemen, totdat uiteindelijk, na ongeveer vijf jaar, het noodzakelijke niveau is bereikt. Prioriteit heeft de invoering van die eisen die onmiddellijk de kwaliteit van het onderwijs raken. Bijvoorbeeld: eerst een schoolplan, en pas daarna een schoolgids. Als bijlage bij deze memorie zijn voor de wetten waarvoor dit van belang is, invoeringsoverzichten opgenomen waarin een vierslag wordt aangekondigd. De vierslag houdt in:

  • inwerkingtreding voorzien per 1 januari 2011,

  • inwerkingtreding voorzien per 1 augustus 2011,

  • inwerkingtreding afhankelijk van de omstandigheden, maar naar huidig inzicht voorzien een tot anderhalf jaar na 1 januari 2011, en

  • inwerkingtreding afhankelijk van de omstandigheden, maar naar huidig inzicht voorzien ongeveer 5 jaar na 1 januari 2011.

Zoals hiervoor al is opgemerkt, verschilt de situatie op de BES-eilanden sterk van de Europees-Nederlandse. Dat verschil is ook tot uitdrukking gekomen in de BES-onderwijswetten. Zo zijn de stichtings- en opheffingsbepalingen zowel in de Wet primair onderwijs BES als in de Wet voortgezet onderwijs BES aanzienlijk vereenvoudigd ten opzichte van hun Europees-Nederlandse tegenhangers. Het werken met een plan van scholen is gezien de schaalgrootte immers niet aangewezen. Ook de regeling van de voorziening in de huisvesting is voor deze wetten zeer eenvoudig gehouden. Voorts zullen er in het primair onderwijs BES geen programma's van eisen gelden. Voor de studiefinanciering geldt dat bijvoorbeeld de terugbetalingsregeling eenvoudiger is vormgegeven.

Bepaalde onderdelen van een aantal wettelijke regelingen zullen op de BES de eerstkomende jaren niet aan de orde zijn. Zo kan worden genoemd de mogelijkheid om een openbare school in stand te laten houden door een stichting., onder het adagium «beter mee verlegen dan om verlegen». Dergelijke bepalingen leveren immers ook geen bestuurlijke lasten op zolang er geen beroep op hoeft te worden gedaan.

Wat de media betreft, is er niet voor gekozen om de Europees-Nederlandse regelgeving in te voeren: de Televisie-landsverordening is uitgangspunt voor de inhoud van de Mediawet BES (behalve bijvoorbeeld op punten die strijdigheid (kunnen) opleveren met de Grondwet). De reden daarvoor is dat de mediasituatie op de BES sterk verschilt ten opzichte van het Europese deel van Nederland, en eenvormigheid op afzienbare termijn niet aan de orde is.

De commentaren die de BES-eilanden hebben geleverd, zijn zoveel mogelijk in de wetsvoorstellen verwerkt.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I

A

Artikel 10.2a (Wet College voor examens)

De Wet College voor examens belast het College voor examens met taken op het gebied van de centrale examens, bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs, en het staatsexamen Nederlands als tweede taal, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs. Rekening houdend met de situatie op de BES wordt in de Wet educatie en beroepsonderwijs BES niet gesproken van Nederlands als tweede taal maar van Nederlands als vreemde taal. De Wet voortgezet onderwijs BES voorziet in dezelfde inrichting en examens als de Wet voortgezet onderwijs. Door deze voorgestelde wijziging van de Wet College voor examens worden de taken van het College voor examens daarom uitgebreid naar de BES-eilanden, om ook in de openbare lichamen de doelstellingen van kwaliteitsverbetering en kwaliteitswaarborg te behalen. Het College voor examens heeft de expertise om de kwaliteit van de examens – zowel voor het Europese deel van Nederland als voor de BES – op niveau, inhoud en afname te waarborgen.

Het College voor examens wordt met de inwerkingtreding van deze wet belast met taken op het gebied van het staatsexamen voortgezet onderwijs, van het staatsexamen Nederlands als vreemde taal en van de centrale examens van het voortgezet onderwijs op de BES-eilanden. Het College voor examens is een zelfstandig bestuursorgaan en is zelf verantwoordelijk voor de invulling en de wijze van uitvoering van zijn taken. De bevoegdheid van het Expertisecentrum Toetsen & Examens dat als examendienst momenteel op de BES-eilanden verantwoordelijk is, zal bij het inwerkingtreden van deze wet ophouden te bestaan.

Om de onderwijskundige consequenties beheersbaar te houden en te kunnen richten op een kwaliteitsslag van het onderwijs is in de Wet voortgezet onderwijs BES (verder: WVO BES) voorzien in een overgangsperiode. De inrichting en de examens die bij de inwerkingtreding van de WVO BES voor het voortgezet onderwijs op de BES zullen gaan gelden, worden per opvolgend leerjaar ingevoerd, te beginnen bij het eerste leerjaar in het eerste schooljaar na de transitie. De oude examens, die op grond van artikel 32 en artikel 57 van de Landsverordening voortgezet onderwijs op de Nederlandse Antillen werden afgenomen, worden tijdens de overgangsperiode onder de verantwoordelijkheid van het College voor examens afgenomen. Afspraken over de examens worden met het Expertisecentrum Toetsen & Examens gemaakt en in protocollen vastgelegd. Op grond van artikel 208, derde lid, van de WVO BES wordt bij algemene maatregel van bestuur geregeld voor welke leerlingen of staatsexamenkandidaten, en voor zover nodig op welke wijze, nog gelegenheid wordt gegeven tot het afleggen van een eindexamen of landsexamen als bedoeld in de Landsverordening voortgezet onderwijs.

B

Artikel 10.4a (Wet studiefinanciering 2000)

Onderdelen A en B

De artikelen 2.7a en 2.13 van de WSF 2000 bepalen dat een deelnemer onderscheidenlijk een student op grond van die wet geen aanspraak op studiefinanciering meer heeft indien er 10 jaren verstreken zijn nadat hem voor het eerst studiefinanciering is toegekend voor het volgen van beroepsonderwijs onderscheidenlijk hoger onderwijs. Artikel 2.14 van de Wet studiefinanciering BES (zie artikel 10.15) bevat een soortgelijke bepaling. Om te voorkomen dat een studerende beide tijdvakken gaat «stapelen», zijn de artikelen 2.7a en 2.13 van de WSF 2000 met een «antistapelbepaling» aangevuld.

Onderdeel C

Artikel 6.5a bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur voorrangsregels worden vastgesteld inzake een schuld op grond van de WSF 2000 en een schuld op grond van de Wet studiefinanciering BES. Artikel 6.3 van de Wet studiefinanciering BES regelt dit op overeenkomstige wijze.

C

Artikel 10.5 (Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek)

Algemeen

Het hoger onderwijs in het Europese deel van Nederland bestaat uit het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs, verzorgd door hogescholen en universiteiten. De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW) kent een gesloten stelsel met bekostigde en niet-bekostigde instellingen voor hoger onderwijs. Alleen de op basis van artikel 1.8 in de bijlage bij de wet onder a tot en met h genoemde instellingen, worden door de overheid bekostigd. De niet-bekostigde instellingen wijst de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) aan op grond van artikel 6.9 WHW.

Alle instellingen in het hoger onderwijs, bekostigd en niet-bekostigd, moeten aan kwaliteitseisen voldoen. De kwaliteit van te verzorgen of reeds verzorgde opleidingen wordt beoordeeld in de vorm van een toets nieuwe opleiding of accreditatie door de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO). Daarnaast bestaat de verplichting voor een instelling een voornemen voor het verzorgen van een nieuwe opleiding of het vestigen van opleidingen op een nieuwe plaats voor te leggen aan de minister. De minister bepaalt aan de hand van deze zogenaamde macrodoelmatigheidsbeoordeling of een nieuwe opleiding of een nieuwe vestigingsplaats van opleidingen doelmatig is in relatie tot het bestaande onderwijsaanbod. Ingeval van beoordeling van de macrodoelmatigheid van een opleiding op een van de BES-eilanden, zal het hoger onderwijsaanbod voor de gehele regio worden gewogen, dus de eilanden Curaçao, Sint Maarten, Aruba en de BES-eilanden. Op deze wijze wordt voorkomen dat op de BES-eilanden opleidingen worden verzorgd die zich evenals de andere reeds bestaande (buitenlandse) opleidingen (op een van de tot de voormalige Nederlandse Antillen behorende eilanden), richten op dezelfde studentenpopulatie.

Het wordt mogelijk gemaakt dat een bekostigde instelling een nevenvestiging op een van die eilanden heeft. Zo kan een reeds bestaande instelling daar geaccrediteerd onderwijs verzorgen en daarvoor bekostiging ontvangen. Daarvoor gelden dezelfde eisen als voor de in het Europese deel van Nederland verzorgde opleidingen.

Daarnaast is het na deze wetswijziging mogelijk dat rechtspersonen voor hoger onderwijs (dus: de niet-bekostigde), hoger onderwijs gaan verzorgen op de BES-eilanden. De instellingen moeten voldoen aan de voorwaarden van de WHW.

Artikelsgewijze toelichting

Onderdeel B

Er wordt een nieuw artikel aan de WHW toegevoegd waarin is geregeld dat de WHW tevens van toepassing is voor het grondgebied van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. In het algemeen deel van de toelichting is uiteengezet wat dit betekent met betrekking tot het hoger onderwijs op de BES-eilanden.

Onderdelen C tot en met F

De wijzigingen in de onderdelen C tot en met F maken het mogelijk dat huidige bekostigde instellingen een verzoek tot het vestigen van een nevenvestiging op de BES-eilanden bij de minister indienen. Tevens kunnen zij een verzoek indienen bij de minister voor een macrodoelmatigheidsbeoordeling voor een nieuwe opleiding binnen de nevenvestiging. In beleidsregels zal de minister nader bepalen in welke gevallen een positieve beoordeling wordt gegeven met het oog op de doelmatige taakverdeling tussen instellingen en de doelmatige besteding van middelen.

Onderdelen G tot en met I

De vooropleidingseisen, de nadere vooropleidingseisen en de aanvullende eisen moeten aan het havo en vwo diploma als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs als aan het havo en vwo diploma als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs BES gesteld kunnen worden. De artikelen 7.24 en 7.25 worden hierop aangepast.

Onderdeel J

Deze bepaling heeft betrekking op de zogenaamde ministersplaatsen: ingeval van een numerusfixus-opleiding wordt een bepaald deel van de beschikbare opleidingsplaatsen gereserveerd voor gegadigden, afkomstig van de Nederlandse Antillen.

In dit artikel wordt de verwijzing naar personen uit de Nederlandse Antillen in overeenstemming gebracht met de nieuwe situatie. Na de transitie zullen de diploma’s van degenen die het voortgezet onderwijs op de BES-eilanden volgen, worden verstrekt op basis van de Wet op het voortgezet onderwijs BES. Deze wet voorziet in inrichting van het voortgezet onderwijs en de diplomering aldaar, die vrijwel gelijk is aan die in het voortgezet onderwijs in het Europese deel van Nederland. De eerste diploma’s op grond van die wet zullen voor het eerst worden afgegeven in 2016. Dan zal worden bezien of het gewenst is de ministersplaatsen te handhaven.

Onderdelen K tot en met M

De artikelen 7a.1 en 7a.2 van de WHW en het opschrift van artikel 7a.3 van de WHW worden aangepast opdat de WPO BES en de WVO BES ook hierop van toepassing worden.

D

Artikel 10.9 (Leerplichtwet BES)

Algemeen

De Leerplichtwet 1969 staat model voor de Leerplichtwet BES, toegesneden op de situatie ter plaatse.

Complementair aan het onderwijsbeleid acht de regering een stringent toezicht op de handhaving van de leerplicht noodzakelijk. Het uitgangspunt blijft daarbij dat de leerplicht een garantie inhoudt dat jongeren goed worden voorbereid op hun functioneren in de samenleving van nu en morgen.

Op degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, rust de verantwoordelijkheid dat de jongere de school waar hij als leerling is ingeschreven, ook daadwerkelijk bezoekt. Maar ook jongeren vanaf 12 jaar dragen op dit punt een verantwoordelijkheid: met name wanneer de ouders/verzorgers feitelijk geen sturing meer kunnen geven aan het gedrag van de (oudere) leerplichtige, is deze nu ook zelf – desnoods strafrechtelijk – aanspreekbaar.

In de afgelopen decennia ontstonden op de BES eilanden problemen bij de uitvoering en handhaving van regelgeving met betrekking tot de leerplicht. Deze problemen zijn vooral het gevolg van een toename van ongeoorloofd schoolverzuim en voortijdig schoolverlaten. De aandacht voor het functioneren van het toezicht op de naleving van de leerplicht nam daardoor toe. Tevens werd vanuit het oogpunt van preventie van criminaliteit aandacht gevraagd voor het aanpakken van schoolverzuim.

Duur leerplicht

Voor de duur van de leerplicht wordt de beginleeftijd overgenomen uit de Leerplichtlandsverordening, voor wat betreft het einde van de leerplichtige periode wordt aangesloten bij de Leerplichtwet 1969. Daaruit vloeit voort dat voor jongeren die 16 jaar zijn en die een startkwalificatie hebben behaald, de leerplicht eindigt aan het einde van het schooljaar waarin zij 16 jaar zijn geworden. Hebben deze jongeren op die leeftijd geen startkwalificatie behaald, dan blijft de verplichting tot het volgen van volledig onderwijs of tot het volgen van een combinatie van leren en werken bestaan tot het tijdstip dat zij een startkwalificatie hebben behaald of tot het tijdstip dat zij 18 jaar worden. Met deze regeling wordt beoogd zo goed mogelijk rekening te houden met verschillen in onderwijsbehoeften en onderwijsmogelijkheden en wordt beoogd een goede voorbereiding op het functioneren in de maatschappij te bereiken.

Vervangende leerplicht

De mogelijkheid bestaat om, in bijzondere gevallen, gedurende het laatste schooljaar van de volledige leerplicht de inschrijving aan een school voor volledig dagonderwijs te vervangen door inschrijving aan een instelling voor deeltijdonderwijs. Er zijn jongeren voor wie het onderwijsaanbod van de scholen voor volledig dagonderwijs niet geschikt is. Om te bevorderen dat een zo groot mogelijk aantal van deze jongeren toch een zo goed mogelijke maatschappelijke kwalificatie bereikt, is de vervangende leerplicht in de wet opgenomen.

Toezicht door het openbaar lichaam

Het toezicht op de naleving van de wet is opgedragen aan het bestuurscollege van het openbaar lichaam. Het wijst daartoe een of meer leerplichtambtenaren aan die met de feitelijke uitoefening van dit toezicht worden belast (artikel 28). Jaarlijks voor 1 oktober brengt het bestuurscollege aan de eilandsraad verslag uit over het in het voorgaande schooljaar gevoerde leerplichtbeleid.

Niet langer taak voor douaneambtenaren en ambtenaren vreemdelingendienst in het kader van de leerplicht

De Leerplichtlandsverordening bevat in artikel 6a de bepaling dat de Minister van Justitie (van het Land Nederlandse Antillen) ambtenaren van de vreemdelingendienst aanwijzingen geeft om, bij vertrek uit de Nederlandse Antillen van een leerplichtige of kwalificatieplichtige jongere te eisen dat deze beschikt over de bescheiden waaruit blijkt dat:

  • a. hem vrijstelling, ontheffing of verlof is verleend als bedoeld in de Leerplichtlandsverordening, of

  • b. hij zich heeft uitgeschreven uit het bevolkingsregister teneinde zich in een ander land te vestigen.

Het artikel bevat voorts de bepaling dat de ambtenaar de jongere die niet over dergelijke bescheiden beschikt, geen toegang verschaft tot luchtvaartuigen en schepen.

Voorgesteld wordt deze bepaling niet over te nemen omdat zij niet past binnen de systematiek van de Rijkswet personenverkeer. In die wet is een vrij verkeer gegarandeerd. Douanepersoneel heeft slechts de taak legitimatiebewijzen te controleren, en niet om een leerplichtige jongere te beletten te vertrekken als deze niet een verklaring van het schoolhoofd kan laten zien waaruit blijkt dat hij inderdaad het eiland mag verlaten. Net zo min als de douane op Schiphol een leerplichtige leerling mag tegenhouden die zich daar meldt terwijl hij op school had horen te zitten.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1. Begripsbepalingen

School

Ook scholen die niet uit de openbare kas worden bekostigd, noch zijn aangewezen, kunnen als scholen in de zin van deze wet worden beschouwd, indien de inrichting van het onderwijs en de bevoegdheden van de leraren overeenkomen met die van gesubsidieerde scholen. De overeenkomst tussen deze scholen en uit openbare kas bekostigde scholen zal worden vastgesteld door de leerplichtambtenaar als vertegenwoordiger van het openbaar lichaam. De leerplichtambtenaar heeft daartoe eerst het bindend advies van de inspecteur ingewonnen. Meent de leerplichtambtenaar, in tegenstelling tot de ouders, dat de «school» niet aan de eisen voldoet, dan zal hij proces-verbaal moeten opmaken. De rechter zal dan een eventuele strafbaarheid moeten beoordelen van ouders die hun kind(eren) aan een dergelijk instituut laten schoolgaan.

Aan de leerplicht kan worden voldaan zowel in het dagonderwijs als in het avondonderwijs, het dagschoolcriterium is niet overgenomen in het onderhavige voorstel. Daarvoor is gekozen om een zo breed mogelijk aanbod aan onderwijs open te stellen voor het voldoen aan de leerplicht.

Hoofd

Onder «hoofd» moet bij afwezigheid van het hoofd van de school of van de instelling ook het waarnemend hoofd worden verstaan, die in dat geval immers met de leiding is belast.

Artikel 2. Aanwijzing scholen en instellingen

Tweede lid

Voor niet bekostigde scholen en instellingen in primair en voortgezet onderwijs is het in strijd handelen met de verplichting om medewerking te verlenen, gesanctioneerd door de mogelijkheid tot intrekking van de aanwijzing. De Leerplichtlandsverordening kent geen expliciete bepaling tot intrekking van de aanwijzing, zoals deze in het tweede lid is neergelegd. Hierin wordt nu voorzien.

Artikel 3. Scholen als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3

Eerste lid

In het eerste lid worden de criteria gesteld die gelden voor de beoordeling van een niet bekostigde school als school waaraan een leerling de leerplicht kan vervullen. Voorgesteld wordt het mogelijk te maken dat niet bekostigde scholen onder de werking van deze wet vallen. In de Leerplichtlandsverordening was dit met betrekking tot particuliere niet-bekostigde scholen niet geregeld. De Europees-Nederlandse kwaliteitsaspecten en bijbehorende normering worden op alle scholen in de openbare lichamen van toepassing. Een en ander is in lijn met hetgeen voortvloeit uit artikel 23 van de Grondwet.

Nu een gedifferentieerde inwerkingtreding van deze wet is voorzien, bij koninklijk besluit en per (onderdeel van elk) artikel, biedt dat de mogelijkheid rekening te houden met de noodzaak dat deze scholen enige tijd nodig zullen hebben om aan de voorwaarden die in dit lid worden gesteld – bijvoorbeeld die inzake het schoolplan – te voldoen.

Tweede lid

Op grond van dit voorstel beoordeelt het bestuurscollege van het openbaar lichaam of aan de leerplicht kan worden voldaan ingeval leerplichtigen niet bekostigd onderwijs volgen. De inspectie adviseert hierover. Het bestuurscollege is verplicht dit advies te volgen.

Derde lid

Het is denkbaar dat uit het inspectietoezicht blijkt dat een school die eerder werd aangemerkt als een school waaraan een leerling de leerplicht kan vervullen, op enig moment niet langer voldoet aan de criteria die daarvoor gelden. In lijn met de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) heeft dat niet meteen gevolgen voor het al dan niet zijn van een school als bedoeld in dit voorstel. Op grond van artikel 11, derde lid, van de WOT zal de inspectie na enige tijd onderzoek doen naar de kwaliteitsverbeteringen die de school heeft gerealiseerd. Als de inspectie oordeelt dat de kwaliteit van het onderwijs ernstig of langdurig tekortschiet, informeert zij de minister (art. 14 WOT). De minister kan op basis van deze melding tot het oordeel komen dat de school niet langer voldoet aan de criteria van artikel 3. Hij stelt dan de leerplichtambtenaar van het openbaar lichaam waar de school gevestigd is, op de hoogte van zijn oordeel. Deze leerplichtambtenaar stelt vervolgens zijn collega’s in de openbare lichamen en zonodig van gemeenten in het Europese deel van Nederland op de hoogte.

Vierde lid

Het bestuurscollege stelt de ouders van de leerlingen op de hoogte dat op basis van de informatie die het heeft ontvangen van de leerplichtambtenaar, het bestuurscollege heeft geoordeeld dat aan de desbetreffende school de leerplicht niet kan worden vervuld. Het op de hoogte stellen van de ouders kan achterwege blijven indien het bestuurscollege zeker is dat de school de ouders op de hoogte heeft gesteld.

Artikel 4. Meerderjarige jongeren

Uit het enkele feit van meerderjarigheid vloeit voort dat een leerplichtige jongere of een jongere die kwalificatieplichtig is zelf verantwoordelijk is voor de verplichtingen die uit deze wet voortvloeien.

Artikel 5. Maatregelen

Eerste lid

Indien de inspectie oordeelt dat de kwaliteit van het niet bekostigd onderwijs ernstig of langdurig tekortschiet, kan de minister maatregelen treffen. Voorgenomen maatregelen dienen de instemming van het hoofd van de school of instelling te hebben. Dit betekent dat, indien het hoofd de minister niet zelf heeft verzocht om maatregelen te treffen, de minister hiertoe slechts in overleg met het hoofd kan overgaan. De inspectie zal in de regel de minister pas informeren, als alle fasen van het periodiek kwaliteitsonderzoek zijn doorlopen en als blijkt dat de school of instelling niet in staat is op eigen kracht of met normale externe steun de nodige kwaliteitsverbetering te realiseren. Een oordeel van de inspectie dat de kwaliteit van het niet bekostigd onderwijs op enig moment tekortschiet, hoeft niet noodzakelijkerwijs te betekenen dat het onderwijs van onaanvaardbaar niveau is. In deze gevallen is het ook niet noodzakelijk om de minister te informeren. Daarom is bepaald dat het daarvoor moet gaan om ernstig of langdurig tekortschieten.

Tweede lid

Bij deze stimulerende maatregelen kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het toekennen van middelen voor het aanstellen van tijdelijke extra formatie of het aanschaffen van leermiddelen. Ook kan het via bemiddeling van besturenorganisaties gaan om het aantrekken van een interim-manager ter versterking van de leidinggevende functie. Zoals beschreven, is het hoofd hier altijd nauw bij betrokken.

Artikel 6. Verantwoordelijke personen

Uit het voorstel vloeit een grote verantwoordelijkheid van de ouders voort en vanaf 12 jaar ook van de jongere zelf. Ouders moeten ervoor zorgen dat hun leerplichtige kinderen onderwijs volgen aan een school die voldoet aan de eisen die in het voorstel aan een school worden gesteld. Als leerplichtige leerlingen onderwijs volgen aan een school die niet of niet langer voldoet aan de eisen van deze wet, zonder dat er sprake is van een vrijstelling, plegen de ouders van deze leerlingen een strafbaar feit.

De leerplicht is tweeledig. In de eerste plaats moet worden gezorgd dat de jongere, zolang hij binnen de leerplichtige leeftijd valt, op een school is ingeschreven. Bij het niet voldoen aan deze verplichting spreekt men van absoluut schoolverzuim. In de tweede plaats moet worden gezorgd, dat de jongere de school waarop hij is ingeschreven, geregeld bezoekt. Het niet voldoen aan de laatste verplichting wordt aangeduid als relatief schoolverzuim. Degene die zich niet houdt aan de verplichting tot inschrijving respectievelijk zorg voor geregeld schoolbezoek maakt zich in beginsel schuldig aan een strafbaar feit, dat vloeit voort uit artikel 38.

Eerste lid

Artikel 6 verplicht de in dat artikel bedoelde persoon of personen er voor te zorgen dat een jongere op een school of instelling staat ingeschreven en deze ook geregeld bezoekt. Bij de aanmelding voor de toelating van een leerling tot een school voor basisonderwijs, een school voor voortgezet onderwijs of een instelling voor educatie en beroepsonderwijs zullen de ouders, voogden of verzorgers van de leerling enkele gegevens over de leerling moeten verstrekken aan de school omdat deze nodig zijn voor een juiste registratie. Deze gegevens betreffen de geslachtsnaam, de voornamen, de geboortedatum, het geslacht en het persoonsgebonden nummer BES van de betrokken leerling.

Het voorstel voorziet erin dat openbare lichamen voor een tweetal wettelijke onderwijstaken op het terrein van handhaving gebruik mogen maken van het persoonsgebonden nummer BES in hun contacten met scholen en instellingen, te weten:

  • 1. handhaving van de leerplicht, en

  • 2. voorkomen van voortijdig schoolverlaten.

Derde lid

In het derde lid wordt nu bepaald dat de leerplichtige, vanaf de leeftijd van 12 jaar, zonodig ook zelf aangesproken kan worden op het schoolbezoek. De inschrijvingsplicht blijft bij de ouders/verzorger(s) berusten en de primaire verantwoordelijkheid blijft eveneens bij de ouders/verzorger(s) liggen.

Artikel 7. Begin en einde van de verplichting tot inschrijving

De verplichting tot inschrijving begint op de eerste schooldag van de maand volgend op die waarin het kind vier jaar is geworden. De verplichting tot inschrijving eindigt wanneer de leerling ten minste gedurende twaalf volledige schooljaren een of meer scholen heeft bezocht, of aan het einde van het schooljaar waarin de leerling 16 jaar oud is geworden. Als schooljaar wordt gerekend de periode van 1 augustus tot en met 31 juli daaropvolgend.

De twee argumenten voor de keuze om de leerplicht op vier jaar te laten beginnen zijn de volgende: enerzijds wordt daarmee aangesloten bij de gewoonte in het Europese deel van Nederland om de jongere op vierjarige leeftijd al naar school te laten gaan en anderzijds om te bereiken dat ook jongeren in de openbare lichamen zo vroeg mogelijk in het onderwijs instromen.

Artikel 8. Vervangende leerplicht

Het volledige dagonderwijs heeft niet voor alle leerplichtige jongeren een passend onderwijsaanbod; ondanks de inspanningen die scholen zich getroosten is er steeds een (klein) deel van de leerlingen niet geschikt om via een volledig schoolprogramma een kwalificatie (diploma) te halen.

Eerste en tweede lid

Een vervangende leerroute kan eerst aanvangen als de jongere de leeftijd van 14 jaar heeft bereikt, en als vaststaat dat het volledig dagonderwijs (op zo wel de huidige dan wel op een andere school) de jongere geen perspectief meer biedt.

De ouders dienen een aanvraag in. Voorafgaand aan deze aanvraag zal normaal gesproken veelvuldig overleg zijn gevoerd tussen de school, de jongere en de ouders, de leerplichtambtenaar en de instellingen voor maatschappelijke zorg. De aanvraag wordt gericht aan het bestuurscollege.

Zesde lid

Als een jongere op een school of instelling niet meer is te handhaven wegens gedragsproblemen, genoemd in dit lid, kan de jongere opgedragen worden een niet vrijblijvend traject te volgen. Dit kan bijvoorbeeld in een expertisecentrum onderwijszorg. Het bestuurscollege kan het traject slechts opdragen aan de jongere op verzoek van het hoofd van de school of instelling en na overleg met de verantwoordelijke personen. Het laatste geldt alleen als de leerling minderjarig is. De jongere volgt een voor hem samengesteld programma. De jongere blijft gedurende deze periode ingeschreven op de school van herkomst.

Artikel 10. Begin en einde van de verplichting tot geregeld schoolbezoek

De verplichting tot geregeld schoolbezoek ligt bij de in artikel 6 genoemde verantwoordelijke personen. Indien de leerplichtige of kwalificatieplichtige jongere meerderjarig is, ligt deze verantwoordelijkheid bij de jongere zelf, zoals verwoord in artikel 4.

Artikel 11. Inschrijving

Voor jongeren tussen de 16 en 18 jaar geldt dat zij moeten voldoen aan de kwalificatieplicht. In de artikelen 6 en 11 van dit voorstel is de verplichting opgenomen bij inschrijving van leerplichtigen en jongeren die kwalificatieplichtig zijn een document te overleggen aan de hand waarvan de voor inschrijving benodigde gegevens van de jongere kunnen worden vastgesteld. Deze verplichting richt zich tot degenen die het gezag over de kwalificatieplichtige jongere uitoefenen of die met de feitelijke verzorging van de kwalificatieplichtige jongere zijn belast. Het is de noodzakelijke pendant voor de in de onderwijswetten opgelegde verplichting van het bevoegd gezag de gegevens over geslachtsnaam, voornamen, geboortedatum, geslacht en – mits voorhanden – het persoonsgebonden nummer BES in de administratie op te nemen. Zoals reeds is aangegeven, kunnen ook andere overheidsdocumenten of een bewijs van uitschrijving van een andere school voor het inschrijvingsdoel worden gebruikt. Daarmee is er een basis voor handhaving en kan er bij onwilligheid zo nodig een strafrechtelijke vervolging worden ingesteld.

Artikel 12. Begin en einde verplichting tot inschrijving

Na de beëindiging van de volledige leerplicht gaat een kwalificatieplicht gelden voor die jongeren die:

  • a. nog geen 18 jaar zijn; en

  • b. nog geen startkwalificatie hebben behaald.

Jongeren die het onderwijs verlaten zonder het behalen van een startkwalificatie, worden aangemerkt als voortijdig schoolverlaters. Een jongere bereikt het niveau van een startkwalificatie met een havo-, vwo- of ten minste mbo-2-diploma. De kwalificatieplicht tot de 18e verjaardag beoogt te bereiken dat zoveel mogelijk jongeren met een startkwalificatie het onderwijs verlaten. Daarbij wordt aangesloten bij de huidige sociale vormingsplicht en de toekomstige sociale kanstrajecten. Deze zijn bedoeld voor jongeren in de leeftijd van 16 (na de inwerkingtreding van deze wet: 18) tot en met 24 jaar, die het onderwijs hebben verlaten zonder dat zij een diploma hebben behaald en voor jongeren aan wie wegens een aan hen opgelegde disciplinaire maatregel de toegang tot een school is ontzegd.

Artikel 13. De invulling van de verplichting tot geregeld schoolbezoek

Eerste lid

Artikel 13 schrijft voor dat een jongere het volledige onderwijsprogramma of een combinatie van leren en werken moet volgen dat wordt aangeboden door een school of instelling waaraan hij is ingeschreven, wil worden voldaan aan de verplichting tot geregeld schoolbezoek. Het uitgangspunt daarbij is dat met het onderwijs alleen of met een combinatie van leren en werken een volledige schoolweek wordt gevuld.

Tweede lid

Het tweede lid geeft aan dat de jongere voldoet aan zijn verplichting de school of instelling geregeld te bezoeken als hij geen les of praktijktijd verzuimt. Als een van de gronden voor vrijstelling van geregeld schoolbezoek die worden beschreven in artikel 20 van dit voorstel aan de afwezigheid ten grondslag ligt, is er geen sprake van verzuim. Het is denkbaar dat het voor een bepaald beroep of een bepaalde bedrijfstak, bijvoorbeeld in de land- en tuinbouw, wenselijk is dat soms een langere periode aaneen onderwijs wordt gevolgd respectievelijk wordt gewerkt.

Artikel 14. Gronden voor vrijstelling van inschrijving

Dit artikel bevat gronden voor de vrijstelling van de verplichting tot inschrijving van een jongere, die zowel van toepassing kunnen zijn voor de volledige als voor de vervangende leerplicht. In de artikelen 15 tot en met 18 wordt de hoofdregel van dit artikel nader uitgewerkt.

Artikel 15. Kennisgeving

Dit artikel regelt dat de ouders in beginsel jaarlijks moeten melden dat zij zich beroepen op een van de vrijstellingsgronden uit artikel 14. Dat geldt in ieder geval voor beroep op vrijstelling krachtens artikel 14, de onderdelen b en c. Krachtens het derde lid hoeft deze kennisgeving echter niet in alle gevallen jaarlijks herhaald te worden. Voor ouders wier kind geestelijk en/of lichamelijk zodanig gehandicapt is, dat het nooit een school of instelling kan bezoeken, heeft deze steeds weer terugkerende verplichting geen enkele zin.

Artikel 16. Lichamelijke of psychische ongeschiktheid

Het beroep op vrijstelling van de verplichting tot inschrijving wegens lichamelijke of psychische ongeschiktheid van de jongere vereist een verklaring van een deskundige, die inhoudt dat hij de jongere niet geschikt acht om tot een school of instelling te worden toegelaten. In verband met het beroepsgeheim behoeft de oorzaak van de ongeschiktheid niet in de verklaring te worden opgenomen.

Wanneer een verklaring van de in de wet vereiste strekking ontbreekt is het beroep op deze vrijstellingsgrond niet rechtsgeldig.

De wijziging in de verplichting van de ouders treedt van rechtswege op zodra de ouders een beroep doen op de vrijstellingsgrond onder overlegging van de bedoelde verklaring. Er is geen sprake van eigen beleidsruimte voor de leerplichtambtenaar of het bestuurscollege.

De verklaring mag niet ouder zijn dan drie maanden. Mede gelet op het feit dat krachtens artikel 15 jaarlijks het beroep op de vrijstellingsgrond moet worden ingediend, is aldus geregeld dat elk jaar serieus nagegaan moet worden of de jongere al dan niet geschikt is onderwijs te volgen (tenzij de verklaring inhoudt dat de jongere hiertoe nooit geschikt zal zijn).

De arts – die niet de behandelende arts van de jongere mag zijn –, de pedagoog of psycholoog moeten door het bestuurscollege zijn aangewezen voor het onderzoek in deze gevallen. Wie de kosten van het onderzoek moet betalen, is niet bepaald. Een beslissing hierover behoort tot de beleidsvrijheid van het openbaar lichaam.

Artikel 17. Bedenkingen tegen richting van school

Eerste lid

Een beroep op deze vrijstellingsgrond vereist een verklaring van de ouders van deze strekking. De vraag is dan in hoeverre deze bedenkingen getoetst mogen worden – in eerste instantie door de leerplichtambtenaar, vervolgens eventueel door de rechter. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat het wel is toegestaan om nauwgezet na te gaan of de bedenkingen zich inderdaad richten op de richting van het onderwijs, in de betekenis die dit begrip in wetgeving en jurisprudentie heeft gekregen (kort aan te duiden als godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag). Onder het begrip richting vallen niet de soort onderwijs of de pedagogische richting van de school.

Tweede lid

Dit lid heeft tot gevolg, dat, wanneer een jongere eenmaal op een school is geplaatst, hij niet meer voor de vrijstelling bedoeld in dit artikel in aanmerking komt, tenzij hij verhuist of er, binnen redelijke afstand van de woning, geen school voor voortgezet onderwijs of instelling is van dezelfde richting als de school waaraan voordien de jongere was ingeschreven.

Artikel 18. Bezoeken van school buiten een van de openbare lichamen

Voor een beroep op de vrijstellingsgrond wegens het volgen van onderwijs buiten een van de openbare lichamen, kan worden volstaan met een verklaring van het hoofd van de desbetreffende onderwijsinstelling. De vrijstelling in dit artikel vervalt automatisch als blijkt dat de jongere de school buiten de openbare lichamen niet geregeld bezoekt. In artikel 38 is bepaald dat de ouders hiervoor strafrechtelijk kunnen worden vervolgd.

Artikel 19. Afschrijving

Dit artikel heeft tot doel te voorkomen, dat de ouders de inschrijving ongedaan maken, zonder dat de minderjarige op een andere school of instelling wordt ingeschreven of een grond voor vrijstelling aanwezig is, en heeft eveneens tot doelde hoofden te verplichten tot afschrijving, indien een van deze omstandigheden zich voordoet. Het laat de keuze van de ouders onverlet, mits maar een keuze gemaakt wordt.

Artikel 20. Gronden voor vrijstelling van geregeld schoolbezoek

In dit artikel worden gronden gegeven waarop een jongere vrijgesteld kan worden tot het geregeld bezoeken van een school of instelling. Als een van de gronden voor vrijstelling van geregeld schoolbezoek – die worden beschreven in dit artikel – aan de afwezigheid ten grondslag ligt, is er geen sprake van verzuim.

Artikel 21. Leeftijd leerling

De in het eerste lid genoemde ontheffingsmogelijkheid van ten hoogste 5 uur per week – die op grond van het bepaalde in het tweede lid kan worden uitgebreid tot maximaal 10 uur per week – is gegeven om overbelasting van het jonge kind te voorkomen. Het spreekt daarom vanzelf dat deze uren niet mogen worden «opgespaard». Deze ontheffingsmogelijkheid is bedoeld voor 4- en 5-jarige kinderen.

Artikel 22. Ziekte van leerling

Bij verhindering wegens ziekte van de jongere is vereist dat de mededeling daarvan binnen twee dagen aan de school wordt gedaan. De wettelijke formulering is behoorlijk ruim gekozen; in het geval van ziekmelden is de praktijk in het algemeen dat de school (telefonisch) geïnformeerd wordt zo gauw de leerplichtige les- of praktijktijd zal verzuimen. Deze snellere melding staat veelal in de eigen huisregels van de school, en sluit ook aan bij de praktijk in werksituaties. Op deze wijze kan ook geen verwarring ontstaan over de vraag of de jongere spijbelt of ziek is.

Wanneer het hoofd vermoedt dat de ziekte een voorwendsel is – van de jongere of de ouders – doet hij er goed aan nader onderzoek in te stellen en de leerplichtambtenaar te informeren.

Artikel 23. Plichten voortvloeiend uit godsdienst of levensovertuiging

Voor verzuim wegens vervulling van plichten voortvloeiend uit godsdienst of levensovertuiging is strikt genomen geen toestemming van het hoofd nodig. Volstaan kan worden met de mededeling – in dit geval twee dagen voorafgaand aan de te verzuimen les(sen) – van verhindering.

Bij de interpretatie van dit artikel moet de uitleg worden beperkt tot de echte plichten (niet elke door de betrokkene gewenste deelname aan bijeenkomsten op godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag is ook als godsdienstplicht aan te duiden). In dit verband is er voor het hoofd een zekere ruimte om de mededeling van verhindering te toetsen op het criterium «plicht». Indien het hoofd een vermoeden van misbruik heeft, licht hij de leerplichtambtenaar in, die een onderzoek kan instellen.

Artikel 24. Vakantie

Dit artikel legt beperkingen op aan het aantal keren dat het hoofd verlof wegens vakantie aan de jongere kan verlenen en aan de duur van het verlof. Overtreding van het tweede lid door het hoofd is strafbaar gesteld in artikel 39.

Artikel 25. Kennisgeving bij beroep op vrijstelling

Dit artikel bepaalt door wie afwezigheid wegens ziekte of voor het voldoen aan verplichtingen die voortvloeien uit godsdienst of levensovertuiging dient te worden gemeld.

Artikel 26. Andere gewichtige omstandigheden

Derde lid

Overtreding door het hoofd van het derde lid, eerste volzin, is strafbaar gesteld in artikel 39.

Artikel 27. Vrijstelling wegens het volgen van ander onderwijs

De reikwijdte is beperkt tot de jongere die kwalificatieplichtig is en de beslissingsbevoegdheid is bij het bestuurscollege gelegd.

Artikel 28. Leerplichtambtenaren

Dit artikel noemt de taken van de leerplichtambtenaar. Het toezicht op de naleving is opgedragen aan het bestuurscollege van het openbaar lichaam waar de jongere woont. Voor de uitvoering van dit toezicht wijst het leerplichtambtenaren aan. Leerplichtambtenaren moeten controleren of leerplichtigen staan ingeschreven bij een onderwijsinstelling en of zij die instelling ook werkelijk bezoeken. Zij hebben toegang tot scholen, voor zover dat voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is. Zij beoordelen verder of leerlingen die op andere manieren onderwijs genieten, voldoen aan hun verplichtingen. Zij hebben de taak om verzuim te voorkomen, door voorlichting te geven samen met scholen. Leerplichtambtenaren voeren ook gesprekken met leerlingen die verzuimd hebben en met hun ouders en maken concrete afspraken over hun terugkeer naar school. Leerplichtambtenaren verrichten hun taken in het openbaar lichaam waar zij zijn aangesteld ten behoeve van alle leerlingen die in dat openbaar lichaam aan het onderwijs behoren deel te nemen. Dat kunnen dus ook leerlingen zijn die afkomstig zijn uit een ander openbaar lichaam. In dat verband onderhouden de leerplichtambtenaren van de openbare lichamen contacten met elkaar. Leerplichtambtenaren zijn buitengewoon opsporingsambtenaar in de zin van het Wetboek van Strafvordering BES. De leerplichtambtenaar moet in het bezit zijn van een bewijs van bekwaamheid dat zij verkrijgen door middel van het afleggen van een examen voor het feitelijk optreden als buitengewoon opsporingsambtenaar.

Hoofden van scholen en instellingen stellen de leerplichtambtenaar van het openbaar lichaam waar de jongere woonachtig is, in kennis van de in- en uitschrijvingen en van ongeoorloofd verzuim. Tegen hoofden die zich niet aan hun verplichtingen houden, kan een strafrechtelijke procedure worden gestart.

Artikel 29. Toezicht op de naleving

Bij dit artikel is aansluiting gezocht bij artikel 9 van de Wet op het onderwijstoezicht. Omdat de Algemene wet bestuursrecht op de BES eilanden niet van toepassing is, zijn de elementen uit de artikelen 5:12 tot en met 5:17 en 5:20 van deze wet in dit artikel opgenomen.

Artikel 30. Gemeenschappelijke regeling betreffende toezicht

De formulering in dit artikel opent de mogelijkheid dat gemeenschappelijke regelingen worden getroffen tussen openbare lichamen en gemeenten in het Europees deel van Nederland.

Artikel 31. Kennisgeving in- en afschrijvingen

De hoofden geven aan het bestuurscollege niet alleen kennis van de in- en afschrijving van leerplichtige leerlingen, maar ook van jongeren die kwalificatieplichtig zijn. Een beslissing tot verwijdering moet terstond gemeld worden.

Artikel 32. Controle absoluut verzuim door bestuurscollege

Aan de hand van de administratie van het openbaar lichaam en de opgaven van de hoofden van de scholen en instellingen kan worden nagegaan, of de leerplichtige en kwalificatieplichtige jongeren op een school respectievelijk een instelling zijn ingeschreven.

Deze controle op absoluut schoolverzuim vindt in ieder geval kort na de aanvang van het schooljaar plaats, om na te gaan of alle leerplichtigen inderdaad zijn ingeschreven bij een school of instelling. Voorts wordt bij mutaties (verhuizingen, in- en afschrijvingen) de hier bedoelde controle uitgevoerd. In geautomatiseerde leerplichtigenadministraties kan dit goed als regelmatige routine opgenomen worden.

Artikel 33. Kennisgeving relatief verzuim

Dit artikel komt overeen met artikel 21 van de Leerplichtwet 1969, zij het dat laatstgenoemd artikel uitsluitend betrekking heeft op het niet-bekostigd onderwijs. In het Europese deel van Nederland wordt de melding van relatief verzuim in het bekostigd onderwijs gedaan via het meldingsregister relatief verzuim als bedoeld in artikel 24h van de Wet op het onderwijstoezicht. Deze mogelijkheid is er nog niet voor de BES.

Artikel 34. Onderzoek door leerplichtambtenaar

Vierde lid

In dit artikellid wordt voor de leerplichtambtenaar een specifieke taak opgenomen indien zich de situatie voor doet dat een school niet langer wordt beschouwd als een school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3. Het gaat dan om zogenaamde particuliere scholen. Binnen vier weken onderzoekt de leerplichtambtenaar of de leerlingen van die aangewezen onderwijsinstelling inmiddels zijn ingeschreven bij een andere school, dan wel of een beroep is gedaan op een van de vrijstellingsgronden. Als dat niet het geval is, moet de leerplichtambtenaar de ouders van die leerlingen wijzen op hun verplichtingen. Ouders zijn misschien niet op de hoogte van het feit dat de aanwijzing niet langer geldt. Als binnen vier weken nadat de ouders op hun verplichting is gewezen, de leerling nog steeds niet op een school is ingeschreven, moet de leerplichtambtenaar een proces-verbaal aan de officier van justitie sturen.

Vijfde lid

De werkeenheden van het arrondissement Amsterdam van de Raad voor de Kinderbescherming krijgen de bevoegdheid om op te treden tegen de in artikel 6, eerste lid, bedoelde personen als zij eerder zijn veroordeeld voor het niet nakomen van de verplichtingen die zijn genoemd in het vijfde lid. Met dit lid wordt beoogd te bespoedigen dat de Raad voor de Kinderbescherming kan ingrijpen bij recidive.

Artikel 35. Overtreding arbeidsverbod

Dit artikel bepaalt dat het hoofd en de leerplichtambtenaar een overtreding van de voorschriften over arbeid van kinderen of jeugdigen terstond meldt aan de daartoe aangewezen ambtenaar.

Artikel 36. Bevoegdheden politie

Dit artikel geeft de politie de bevoegdheid om jongeren die zij onder schooltijd buiten de school aantreft, naar school (terug) te brengen. De woorden «op een voor het publiek toegankelijke plaats» geven een ruime omschrijving, die veel verder gaat dan de openbare weg (ook speeltuinen, warenhuizen, cafetaria’s e.d. vallen onder dit begrip).

De bedoeling van dit artikel is niet dat de politie regelmatig straatcontroles gaat houden, maar dat zij bij een optreden tegen lastige jongeren tevens kan medewerken aan de bestrijding van het onwettig schoolverzuim. Het opmaken van een proces-verbaal wordt niet opgedragen aan de politieambtenaar die een leerplichtige jongere naar school brengt. De politie kan volstaan met rapporteren van haar optreden aan de leerplichtambtenaar, indien de directeur van de school of instelling het verzuim al niet heeft doorgegeven. Niet de politie, maar de leerplichtambtenaar moet de ouders bezoeken.

Artikel 37. Jaarverslag openbaar lichaam en verstrekking statistische gegevens

In de rapportage, bedoeld in dit artikel, zal het bestuurscollege zowel verslag moeten doen van het beleid op het punt van de leerplicht als van het beleid op het punt van de kwalificatieplicht en wat daarmee is bereikt. De verslaglegging dient mede om de minister te voorzien van beleidsinformatie. Deze informatie zal, onder andere, gebruikt worden om spijbelen en vroegtijdig schoolverlaten tegen te gaan.

Artikel 38. Strafbedreiging verantwoordelijke personen

De strafbaarstelling in het eerste lid van dit artikel betreft niet de jongere voor ongeoorloofd verzuim, maar treft de verantwoordelijke personen voor het gemis aan zorg.

Artikel 39. Strafbedreiging hoofd

Dit artikel regelt de strafbedreiging tegen het hoofd van de school of instelling die zijn verplichtingen niet nakomt. Wanneer de leerplichtambtenaar overtredingen van het hoofd constateert, zal hij proces-verbaal moeten opmaken.

Artikel 41. Nadere voorschriften

Op grond van dit artikel worden onder meer nadere voorschriften gegeven voor de uitvoering van de wet en worden de modellen vastgesteld voor de formulieren waarmee onder andere vrijstellingen kunnen worden aangevraagd. Deze formulieren zijn kosteloos op het bestuurskantoor verkrijgbaar.

Artikel 42. Oude ontheffingen en vrijstellingen

Eerste lid

Om te voorkomen dat op grond van de Leerplichtlandsverordening verleende ontheffingen en vrijstellingen opnieuw zouden moeten worden aangevraagd, voorziet dit artikel erin dat zij hun geldigheid behouden onder de Leerplichtwet BES.

Tweede lid

Artikel 4, derde lid, van de Leerplichtlandsverordening bepaalt dat bij of krachtens eilandsverordening ten aanzien van de verzoeken tot ontheffing regels worden gegeven inzake onder meer termijnen en procedures. Voor dergelijke verzoeken waarop nog niet is beslist op het tijdstip van de inwerkingtreding van de wet, bevat het tweede lid de bepaling dat dergelijke verzoeken met toepassing van de voorheen geldende regels worden afgewikkeld.

Artikel 43. Overgangsbepaling scholen waaraan aan leerplicht wordt voldaan

Deze bepaling heeft tot doel, veilig te stellen dat particuliere scholen die onder de werking van de Leerplichtlandsverordening werden aangemerkt als scholen waaraan, door het volgen van onderwijs, aan de leerplicht wordt voldaan, na de inwerkingtreding van de wet onder de werking van de onderhavige Leerplichtwet BES vallen en niet opnieuw de procedure voor aanwijzing hoeven te doorlopen. Het gaat hierbij zowel om scholen voor basisonderwijs als om een school voor voortgezet onderwijs. Het voorgaande houdt uiteraard niet in dat deze scholen niet aan de vereisten ten aanzien van de kwaliteit van het onderwijs behoeven te voldoen; de inspectie heeft op dit terrein een taak.

E

Artikel 10.10 (Mediawet BES)

Algemeen

1. Bestaande regelgeving als uitgangspunt

Het beleidsterrein media is tot nu toe een aangelegenheid van het land de Nederlandse Antillen geweest en centraal gereguleerd. De eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba hebben op dit terrein geen taken. Op de BES-eilanden geldt een oude Televisie-landsverordening uit 1971 en enkele daarop gebaseerde landsbesluiten (uitvoeringsmaatregelen). Deze regelgeving is sterk verouderd en voldoet niet meer. Aan een aantal bepalingen, zoals de filmkeuring en de programmacommissies, wordt al sinds jaar en dag geen uitvoering meer gegeven. Verder is er ook op grond van de Landsverordening op de telecommunicatie-voorzieningen regulering van radio- en televisieomroep. Het gaat hierbij om vergunningverlening voor het technisch mogen exploiteren van radio- en televisiezendinrichtingen. Daarbij zijn echter ook programma-inhoudelijke voorschriften aan exploitanten van radio- en televisiestations opgelegd. Dergelijke voorschriften vormen echter onderdeel van het mediabeleid en de mediaregelgeving en passen minder in het telecommunicatiebeleid.

Overwogen is om de Mediawet 2008 van toepassing te verklaren op de BES-eilanden of om de ontwerp-Medialandsverordening – die thans bij de Antilliaanse Staten voorligt voor verdere behandeling – als uitgangspunt te nemen voor aanpassing van de mediawetgeving op de BES-eilanden. Na overleg met de eilandbestuurders is voor geen van beide opties gekozen.

De mediaregels die in het Europese deel van Nederland gelden, worden voorlopig niet van toepassing verklaard op de BES-eilanden omdat de huidige mediasituatie op de eilanden sterk verschilt van die van het Europese deel van Nederland. Op de eilanden zijn alleen commerciële omroepen actief en de maatschappelijke, economische en geografische omstandigheden zijn totaal anders. Mede gezien de schaalgrootte van de eilanden is het niet opportuun om de uitgebreide bepalingen van de Mediawet 2008 of van de ontwerp-Medialandsverordening van toepassing te verklaren. Daarmee wordt het uitgangspunt gerespecteerd van artikel 2, eerste lid, van de Invoeringswet BES dat in eerste instantie de Nederlands-Antilliaanse regelgeving die vóór de transitie op de eilanden van kracht is, blijft gelden.

In het voorstel voor de Mediawet BES zijn de hoogstnoodzakelijke regels opgenomen voor toezicht op radio- en televisiestations. Deze regels beogen in hoofdzaak de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting en de afwezigheid van censuur te waarborgen en de eigen verantwoordelijkheid van exploitanten van radio- en televisiestations voor de inhoud van hun programma’s vast te leggen. Verder zijn noodzakelijke bepalingen opgenomen in verband met uitvoering en toezicht, zoals een langere bewaartermijn van programma’s door de omroepinstellingen. Wel wordt de terminologie van de Mediawet 2008, voor zover mogelijk, toegepast in het voorstel voor de Mediawet BES. Dit zorgt voor enige eenduidigheid in mediaregels in Nederland.

Aanvankelijk is overwogen uitvoering en toezicht door de eilanden te laten plaatsvinden. De inschatting is echter dat de eilanden bij de introductie van de nieuwe regels niet voldoende in staat zullen zijn deze taak uit te voeren vanwege het ontbreken van voldoende expertise en menskracht. Het toezicht en de handhaving zijn dan ook ondergebracht bij het Nederlandse Commissariaat voor de Media.

2. Wijzigingen

Het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8 van de Televisie-landsverordening, die betrekking hebben op de inhoud van programma’s, is grotendeels vervallen. Het gaat hierbij om bepalingen die inhoudelijke voorschriften aan programma’s verbinden, de filmkeuringscommissie en de overheidscommissies aan wie voorafgaand aan uitzending de inhoud van programma’s moet worden gemeld. Deze onderdelen ademen de sfeer van censuur vanwege de verregaande en voorafgaande bemoeienis van de overheid en zijn slecht verenigbaar met het grondwettelijk verbod op voorafgaand toezicht op radio- en televisieprogramma’s. De overheid dient zoveel mogelijk op afstand van de inhoud van de programma’s te blijven en zeker geen voorafgaand toezicht uit te oefenen. Als er al voorschriften voor de inhoud van programma’s gesteld moeten worden uit oogpunt van algemeen belang, dan is regelgeving en toezicht achteraf daarvoor de geëigende route. Vooralsnog zijn alleen bepalingen opgenomen ten aanzien van de bescherming van minderjarigen, over reclameboodschappen en sponsoring. Andere bepalingen, bijvoorbeeld die gerelateerd aan de nationale veiligheid, openbare orde en goede zeden, worden al voldoende beschermd door het strafrecht.

De Televisie-landsverordening wordt in het voorstel voor de Mediawet BES behalve gewijzigd – ter beperking van voorschriften over de inhoud van programma’s – vooral gemoderniseerd. Zo is in artikel 1 een moderner begrippenkader toegepast, waarbij zoveel mogelijk is aangesloten bij de Mediawet 2008. Deze eenduidigheid in het gebruik van begrippen is vooral van belang voor de uitvoering en handhaving van de regels door het Commissariaat voor de Media. De toestemming voor het verzorgen van een omroepdienst en de daaraan verbonden voorschriften zijn terminologisch ook zoveel mogelijk gelijkgetrokken met hoofdstuk 3 van de Mediawet 2008 waarin de regels voor de commerciële omroep zijn opgenomen. Ook de regels voor het ter beschikking stellen van zendtijd aan de overheid voor overheidsinformatie, voor politieke partijen en in geval van buitengewone omstandigheden zijn afgestemd op de Mediawet 2008. Tot slot is vanwege het toezicht, dat grotendeels op afstand plaatsvindt, ook de bewaarplicht van de omroepinstelling aangepast.

3. Radio

De Televisie-landsverordening geldt alleen voor televisieomroep.

Radio-omroep wordt tot nu toe gereguleerd via de Landsverordening op de telecommunicatie-voorzieningen. Een radio-omroep behoeft een machtiging voor het exploiteren van een radio-elektronische zendinrichting en behoort zich vervolgens te houden aan voorschriften die bij landsbesluit of in de machtiging zijn gesteld en die hun grondslag in de Landsverordening op de telecommunicatie-voorzieningen vinden. Deze voorschriften hebben niet alleen betrekking op technische eisen die aan zendapparatuur en de exploitatie van een radiozender worden gesteld. Ook programma-inhoudelijke voorschriften, zoals voor nieuwsuitzendingen, reclame, sterke drank en rookwaar, zijn opgenomen in de machtigingen. Dergelijke regels behoren echter tot het inhoudelijke mediabeleid en passen niet in telecomvergunningen. Er is dan ook voor gekozen om dergelijke voorschriften in het kader van de mediawetgeving te regelen. Hierdoor is, net als in het Europese deel van Nederland, een helder onderscheid aangebracht tussen enerzijds mediabeleid en regelgeving daaromtrent en anderzijds telecommunicatiebeleid en bijbehorende regelgeving.

Er is daarmee ook geen reden meer om radio-omroep onder een ander regelgevend kader te brengen. Net als in het Europese deel van Nederland zijn televisieomroep en radio-omroep in dezelfde wet geregeld.

4. Uitvoering en handhaving

Het Commissariaat voor de Media neemt de uitvoering en handhaving van de voorgestelde Mediawet BES voor zijn rekening. Net als in het Europese deel van Nederland is geregeld dat het Commissariaat toestemming geeft om een (commerciële) omroepdienst te verzorgen en dat het deze toestemming in bepaalde gevallen ook kan intrekken. Tevens behandelt het Commissariaat aanvragen ten behoeve van zendtijd voor overheidsinformatie, voor politieke partijen en wijst het uren zendtijd toe. Verder is het Commissariaat belast met het toezicht op de naleving van het overig bepaalde bij of krachtens de Mediawet BES.

Er is niet voor gekozen om een dienst op de BES-eilanden aan te wijzen die belast zal zijn met uitvoering, toezicht en handhaving. Toezicht en handhaving vergen specifieke deskundigheid op mediagebied die op de BES-eilanden vooralsnog niet aanwezig is. Toezicht zal voornamelijk op afstand plaatsvinden, maar in elk geval is het de bedoeling dat het Commissariaat minimaal een keer per jaar op de BES-eilanden vergadert. Daarnaast wordt gedacht aan toezicht door een of twee medewerkers ter plaatse die belast zijn met feitelijke uitvoerende en toezichthoudende werkzaamheden ten behoeve van het Commissariaat. Bezien wordt of daartoe samenwerking binnen het Regionaal Service Centrum of met het Agentschap Telecom mogelijk is. Het Agentschap neemt ten behoeve van de BES-eilanden de taken van het huidige Bureau Telecommunicatie en Post over. Dat bureau heeft uitvoerende en toezichthoudende taken ter uitvoering van de telecommunicatiewetgeving. Omroepinstellingen beschikken namelijk ook over technische vergunningen op grond van de telecommunicatiewetgeving voor het in gebruik hebben van zendinrichtingen. Het ligt dan voor de hand te bezien of samenwerking met het Agentschap mogelijk is. Overigens werken in het Europese deel van Nederland het Commissariaat en het Agentschap op basis van een convenant al samen bij het toezicht op de naleving van de uitgegeven vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte door commerciële omroepen.

Artikelsgewijs

Artikel 1

Het merendeel van de begrippen komt overeen met de begrippen in artikel 1.1 van de Mediawet 2008. De Televisie-landsverordening gaat uit van een exploitant en een televisie-inrichting. In dit wetsvoorstel wordt uitgegaan van een omroepinstelling en een omroepdienst. De begrippen zijn gemoderniseerd, maar in materieel opzicht niet veranderd.

In het kader van dit wetsvoorstel is voor het begrip politieke partij niet slechts gekozen voor de partijen die staan ingeschreven voor de Eerste en Tweede Kamer verkiezingen maar ook voor de partijen die staan ingeschreven voor de verkiezingen van de eilandsraden in de openbare lichamen. Op grond van artikel G 3 in samenhang met de nieuwe artikelen Ya 13 en Ya 48 van de Kieswet vallen hier ook de politieke partijen onder die op het moment van transitie in de eilandsraden vertegenwoordigd zijn.

Artikelen 2 tot en met 4

Deze artikelen komen overeen met artikel 2 van de Televisie-landsverordening, maar zijn technisch en terminologisch aangepast overeenkomstig de artikelen 3.1 tot en met 3.4 van de Mediawet 2008, die het verlenen van toestemming voor commerciële omroep regelen. Daarom wordt in deze onderdelen gesproken over een toestemming in plaats van een vergunning. Een toestemming wordt op aanvraag verleend en deze aanvraag vermeldt op welk openbaar lichaam of welke openbare lichamen de toestemming betrekking heeft. Daarnaast vermeldt de toestemming of deze betrekking heeft op radio of televisie.

Aan een toestemming kunnen geen voorwaarden meer worden verbonden zoals artikel 2, derde lid, van de Televisie-landsverordening mogelijk maakt. Het verbinden van inhoudelijke vergunningsvoorwaarden aan het verspreiden van programma-aanbod door een commerciële omroepinstelling past niet in het mediabeleid van Nederland. Zoals eerder vermeld worden eventuele programma-inhoudelijke voorschriften wettelijk geregeld. Verder zijn de weigeringsgronden en intrekkingsgronden van een toestemming gelijkgetrokken met de regels hieromtrent in de Mediawet 2008.

Artikel 5

Dit artikel komt overeen met artikel 3.5 van de Mediawet 2008 en geeft de eigen verantwoordelijkheid van een omroepinstelling weer. Een commerciële omroepinstelling bepaalt zelf de inhoud en vorm van de programma’s en is daar ook verantwoordelijk voor. Deze bepaling kan gezien worden in het licht van de vrijheid van meningsuiting en de afwezigheid van controle of invloed door of vanwege de overheid. Het betekent ook dat een omroepinstelling onafhankelijk van adverteerders en sponsors verantwoordelijk is voor de inhoud van de programma’s.

Een van de middelen die kan bijdragen aan het hanteren van aanvaardbare journalistieke principes is het vastleggen van de journalistieke werkwijze en de programmatisch-inhoudelijke onafhankelijkheid van de omroepinstellingen en hun medewerkers die zijn belast met de verzorging van de programma's. In een programmastatuut wordt uitdrukking gegeven aan de journalistieke rechten en plichten van degenen die inhoud en vorm geven aan de programma's en de onbelemmerde toepassing van journalistieke principes (zoals hoor en wederhoor, zorgvuldige nieuwsgaring en de zorgvuldige afweging van het belang van openbaarheid ten opzichte van het respecteren van de privacy van personen) de journalistieke verantwoordelijkheden en bevoegdheden binnen de omroepinstelling, het scheppen van waarborgen voor het journalistiek onafhankelijk opereren van de instellingen en de programmamakers en de medezeggenschap van programmamakers ten aanzien van het programmabeleid van de omroepinstellingen.

Artikel 6

Dit onderdeel bevat een bepaling vergelijkbaar met artikel 4.1, eerste lid, van de Mediawet 2008, die een inhoudelijke beperking oplegt aan een omroepinstelling. De beperking houdt in dat geen programma’s worden verspreid die de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen ernstige schade kunnen toebrengen. Het gaat hier dus om een algeheel verbod voor programmamateriaal dat ernstige schade kan toebrengen. De Mediawet 2008 bevat in hoofdstuk 4 verder een stelsel van zelfregulering op basis waarvan programmamateriaal dat schadelijk kan zijn voor minderjarigen eerst wordt geclassificeerd en van leeftijds- en waarschuwingssymbolen wordt voorzien. Dit betreft de Kijkwijzer, een uitgewerkt stelsel van regels en toezicht dat is opgesteld door het daartoe aangewezen Nederlands Instituut voor de Classificatie van Audiovisueel Materiaal (NICAM). Uit een oogpunt van uitvoerbaarheid en proportionaliteit wordt dit stelsel nog niet opgelegd aan de radio- en televisieomroepen op de BES-eilanden. In overleg met het Commissariaat, het NICAM en de omroeporganisaties zal bezien worden in welke mate op termijn in vergelijkbare regulering op de BES-eilanden kan worden voorzien. Tot die tijd wordt een beroep gedaan op de eigen verantwoordelijkheid van de omroepen, bijvoorbeeld door uitzendtijdstippen aan te passen, omdat verdergaande wettelijke maatregelen ter beperking van de programmering vooralsnog niet passend worden geacht.

Artikel 7

Dit artikel stelt regels voor het uitzenden van reclameboodschappen. Reclameboodschappen moeten duidelijk onderscheiden zijn van de overige programmaonderdelen. Dit onderscheid kan op verschillende manieren worden vormgegeven, bijvoorbeeld door een omlijsting met akoestische, visuele of ruimtelijke middelen. Deze redactie verwijst naar de terminologie van de richtlijn Audiovisuele mediadiensten die bij wet van 10 december 2009 tot wijziging van de Mediawet 2008 en de Tabakswet ter implementatie van de richtlijn Audiovisuele mediadiensten is geïmplementeerd (Stb. 2009, 552). Voorwaarde is in ieder geval dat programmaonderdelen niet geruisloos overgaan in reclameboodschappen.

Het publiek dient gevrijwaard te blijven van misleiding, die het gevolg kan zijn van subtiele vormen van reclame in programmaonderdelen. Zo zijn subliminale technieken verboden. Subliminale technieken zijn technieken waarbij in een programmaonderdeel beelden of geluiden van zeer korte duur worden ingevoegd met het doel de kijkers of luisteraars te beïnvloeden, zonder dat zij zich daarvan bewust zijn. Voorts is de zogenaamde sluikreclame verboden. Van sluikreclame kan bijvoorbeeld sprake zijn, indien in dialogen namen van bedrijven of merken worden genoemd, zonder dat daar een journalistieke noodzaak voor is, en met het oogmerk reclame te maken.

Op grond van dit artikel kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over programmaonderbrekende reclame (vijfde lid). Bij algemene maatregel van bestuur kunnen tevens regels worden gesteld ten aanzien van reclameboodschappen voor sterke drank en tabaksproducten (vierde lid).

Voor sterke drank geeft artikel 5, eerste lid, onderdeel f, van de Televisie-landsverordening de corresponderende grondslag om regels te stellen voor televisiereclame. Op basis daarvan is een landsbesluit tot stand gebracht met de titel Landsbesluit houdende algemene maatregelen van de 24ste november 1972 ter uitvoering van artikel 5, lid 1, onder f, van de Televisie-landsverordening (P.B. 1971, no. 33), (P.B. 1972, no. 237). In de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt voorgesteld dit landsbesluit om te zetten. Daarmee wordt dus voor een deel in nadere regels onder de Mediawet BES voorzien. Doordat de Mediawet BES tevens betrekking heeft op radio, zullen de reclamevoorschriften in deze algemene maatregel van bestuur ook voor radio gelden. Dat stemt overeen met het vergunningenbeleid op de eilanden gebaseerd op de Landsverordening op de telecommunicatie-voorzieningen. In de vergunning worden namelijk met televisiereclame vergelijkbare beperkingen voor radioreclame vermeld.

De Televisie-landsverordening bevat geen bepaling over beperking van reclameboodschappen voor tabaksproducten. In de praktijk werden in vergunningen voor de exploitatie van radio- en televisie-inrichtingen op grond van de telecommunicatiewetgeving voorschriften gegeven om reclame voor rookwaar te beperken. Deze praktijk in de vergunningverlening krijgt nu een wettelijke verankering: de wet bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld. Voor het begrip tabaksproducten is aangesloten bij het begrip tabaksprodukten uit de Wet beperking tabaksgebruik BES.

De Televisie-landsverordening kent tevens een bepaling op grond waarvan regels voor reclameboodschappen voor geneesmiddelen gesteld kunnen worden (artikel 5, eerste lid, onderdeel f). Deze grondslag is niet overgenomen in de Mediawet BES omdat de voorgestelde Wet op de geneesmiddelenvoorziening BES in artikel 6 al voorziet in een ruime grondslag voor het stellen van regels voor reclame voor geneesmiddelen. In de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is tevens voorgesteld de huidige reclameregels, die bij landsbesluit op grond van de Landsverordening op de geneesmiddelenvoorziening gesteld worden (Landsbesluit televisiereclame voor geneesmiddelen 2000) om te zetten.

Op de BES-eilanden bestaat op dit moment nog geen wettelijk verbod van sluikreclame en subliminale technieken evenmin bestaan wettelijke regels over programmaonderbrekende reclame (anders dan in artikel 7, tweede en vijfde lid). Voor deze nieuwe voorschriften is het wenselijk een overgangstermijn in acht te nemen: door middel van latere inwerkingtreding van deze onderdelen dan wel door uitstel van invoering van nadere regels. Dit biedt omroepinstellingen enige tijd om zich in te stellen op de nieuwe regels.

Artikel 8

Dit artikel stelt regels aan het (laten) sponsoren van programma’s. Daarbij wordt voorbeeld genomen aan enkele voorschiften uit de Mediawet 2008, namelijk de artikelen 3.15 en 3.16. Als één van de waarborgen voor redactionele onafhankelijkheid van werknemers die zijn belast met de verzorging en samenstelling van het programma-aanbod, dient het redactiestatuut van een omroepinstelling zelf (eerste lid). Verder wordt bepaald dat programma-aanbod bestaande uit nieuws, actualiteiten en politieke informatie niet mag worden gesponsord (tweede lid). Daarnaast geldt bij te sponsoren programma-aanbod de verplichting van sponsorvermelding, waarvoor bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld (derde en vierde lid).

Ten aanzien van de voorschriften over sponsorvermelding is het wenselijk een overgangstermijn in acht te nemen: door middel van latere inwerkingtreding van deze onderdelen dan wel door uitstel van invoering van nadere regels. Dit biedt omroepinstellingen enige tijd om zich in te stellen op de nieuwe regels.

Artikelen 9 tot en met 13

Deze artikelen komen voort uit de artikelen 10 tot en met 12 en 14 van de Televisie-landsverordening en hebben betrekking op het ter beschikking stellen van zendtijd aan derden. Daar de openbare lichamen geen publieke omroep kennen, wordt zendtijd voor overheidsinformatie, zendtijd voor politieke partijen, zendtijd voor ideële maatschappelijke organisaties en zendtijd in geval van buitengewone omstandigheden, naar het voorbeeld van de landsverordening voor de commerciële omroepinstellingen geregeld. Hierbij vervangt de zendtijd voor overheidsinformatie de zendtijd voor mededelingen van algemeen belang uit de Televisie-landsverordening. Zendtijd ten behoeve van bonafide maatschappelijke organisaties, vooral van belang voor kerkorganisaties, wordt vervangen door zendtijd ten behoeve van ideële maatschappelijke organisaties. Op voordracht van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, worden regels gesteld voor het gebruik van omroepdiensten in geval van buitengewone omstandigheden. Tevens kan de Minister-President in geval van de algemene noodtoestand regels stellen ten aanzien van de inhoud van radio- en televisieprogramma’s. Hiermee is artikel 13 zoveel mogelijk gelijkgetrokken met artikel 6.26 van de Mediawet 2008.

De bepalingen over zendtijd voor politieke partijen zijn gelijkgetrokken met artikel 6.1 van de Mediawet 2008. Politieke partijen die in de Staten-Generaal vertegenwoordigd zijn, krijgen uren zendtijd ter beschikking om programma’s op politiek terrein te verzorgen. Daarnaast krijgen politieke partijen uren zendtijd ter beschikking in de periode onmiddellijk voorafgaand aan verkiezingen. Vanwege het toepassingsbereik van dit wetsvoorstel en in het belang van de democratie is toegevoegd dat ook politieke partijen die vertegenwoordigd zijn in de eilandsraden zendtijd toegewezen kunnen krijgen en dat politieke partijen die deelnemen aan de verkiezing van een eilandsraad onmiddellijk voor de verkiezing uren krijgen toegewezen op omroepdiensten op de eilanden.

Daar op grond van deze bepalingen zendtijd door het Commissariaat kan worden toegewezen op commerciële stations, is het billijk dat daar een redelijke vergoeding voor de commerciële omroepinstelling tegenover staat. Deze vergoeding wordt bij ministeriële regeling geregeld. In twee gevallen wordt het maatschappelijk belang zodanig geacht dat geen vergoeding aan de omroepinstelling betaald behoeft te worden voor ter beschikking gestelde zendtijd. Het gaat dan om de gevallen van buitengewone omstandigheden en de algemene noodtoestand, en om zendtijd voor politieke partijen. Vanuit democratisch oogpunt moet elke politieke partij die deelneemt aan verkiezingen dezelfde mogelijkheden hebben om het algemeen publiek te bereiken en moeten deze partijen niet afhankelijk zijn van het kunnen betalen van een vergoeding.

De zendtijd voor overheidsinformatie en voor politieke partijen buiten verkiezingen om wordt op aanvraag verleend. Met deze procedure wordt voorkomen dat het Commissariaat uren op de (commerciële) omroepen toewijst zonder dat duidelijk is of er vraag is.

In de Televisie-landsverordening kan zendtijd ter beschikking worden gesteld aan bonafide maatschappelijke organisaties met een niet commercieel doel. Deze bepaling is in zoverre overgenomen dat bonafide organisaties is vervangen door ideële organisaties en hieronder in ieder geval worden verstaan kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag. Het is op dit moment niet duidelijk in hoeverre er nog behoefte is aan deze mogelijkheid. Het Commissariaat heeft bovendien, indachtig de ervaringen met de toepassing van de Mediawet 2008 op het terrein van toewijzen van uren zendtijd ten behoeve van kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag, gewaarschuwd voor mogelijke uitvoerings- en toezichtsproblemen. Er is thans voor gekozen de mogelijkheid niet uit te sluiten, maar op basis van gebleken behoefte en uitvoeringsmogelijkheden eventueel regels te stellen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.

Artikel 14

Dit artikel regelt de bewaarplicht van de omroepinstellingen, de overheid, politieke partijen en eventueel ideële maatschappelijke organisaties is vergelijkbaar met artikel 9 van de Televisie-landsverordening. Het laatstgenoemde artikel is gemoderniseerd en de bewaartermijn is verlengd in verband met het toezicht door het Commissariaat voor de Media, dat grotendeels op afstand plaatsvindt.

Artikel 15

De Mediawet BES voorziet in volledige bestuursrechtelijke handhaving en toezicht en niet meer in strafrechtelijke sancties, naar het model van de Mediawet 2008. Dit biedt effectievere controle en handhaving en belast bovendien het strafrechtelijk apparaat niet. De strafrechtelijke sanctie van artikel 15 van de Televisie-landsverordening is dus niet overgenomen. Het Commissariaat voor de Media is belast met de bestuursrechtelijke handhaving en kan een geldboete opleggen van de vierde categorie (ten hoogste USD 14 000,–)

Artikel 16

Dit artikel komt grotendeels overeen met artikel 16 van de Televisie-landsverordening. Het Commissariaat is belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Mediawet BES. De mogelijkheid bestaat voor de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om andere personen dan behorend tot het Commissariaat, aan te wijzen voor het toezicht. Zoals in paragraaf 4 reeds is aangegeven, wordt bezien of samenwerking mogelijk is met het Agentschap Telecom, die uitvoerende en toezichthoudende taken van het Antilliaanse Bureau Telecommunicatie en Post overneemt, en het Regionaal Service Centrum. Indien dat het geval is, kunnen personen in dienst van deze instanties worden aangewezen om de toezichthoudende taken uit te voeren op de BES-eilanden zelf.

Artikel 17

Dit artikel komt overeen met artikel 18 van de Televisie-landsverordening.

Artikel 18

In aanvulling op artikel 6 van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba regelt dit artikel het overgangsrecht. Exploitanten van televisie-inrichtingen die op grond van de Televisie-landsverordening een vergunning hebben verkregen, worden geacht met ingang van het tijdstip van de inwerkingtreding van de wet voor de duur die voor die vergunning nog rest een toestemming als bedoeld in artikel 2, tweede lid, te zijn verleend. Op deze exploitanten is vervolgens de Mediawet BES van toepassing.

Ook voor radio-omroep geldt een overgangsregime. Een machtiging die aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon om radioprogramma’s te verzorgen is verstrekt op grond van de Landsverordening op de telecommunicatie-voorzieningen, wordt met ingang van de inwerkingtreding van deze wet beschouwd als het verlenen van toestemming voor radio-omroep op grond van de Mediawet BES. De duur van de toestemming is dan gelijk aan de resterende periode waarvoor de machtiging op grond van de Landsverordening op de telecommunicatie-voorzieningen nog gold en ten hoogste voor tien jaar, wat gelijk is aan de vergunningstermijn op grond van deze wet.

Lopende administratieve procedures moeten op basis van artikel 16, derde lid, worden afgedaan naar het recht van de Televisie-landsverordening.

F

Artikel 10.11 (Monumentenwet BES)

Algemeen

In de Aanpassingswet BES is voorgesteld paragraaf 4.2 van de Wet maritiem beheer BES te schrappen. Deze paragraaf bevatte voorschriften ter bescherming van het maritiem archeologisch erfgoed. Voorts zijn in laatstgenoemde wet enkele voorschriften opgenomen over bevoegdheden van toezichthouders in de zin van de Wet maritiem beheer BES met betrekking tot aanhouding of vasthouding van schepen en stillegging van werkzaamheden in geval van overtreding van voorschriften inzake het maritiem cultureel erfgoed. Vanwege de relatie met het overige culturele erfgoed is gekozen om deze voorschriften op te nemen in de Monumentenwet BES. De desbetreffende bepalingen komen in zeer belangrijke mate overeen met de bepalingen van paragrafen 4.2, 5.2 en 5.3 van de Wet maritiem beheer BES. Verder zijn enkele begripsbepalingen uit die wet overgenomen en aan artikel 1 van de Monumentenwet toegevoegd. De wijziging ten opzichte van paragraaf 4.2 is hieronder toegelicht.

Onderdeel D

Artikel 9b

De in artikel 33, tweede lid, onderdeel c, van de Wet maritiem beheer BES opgenomen verwijzing naar regels die zijn opgenomen in de bijlage van het op 2 november 2001 in Parijs tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake de bescherming van cultureel erfgoed onder water, is vervangen door een verwijzing naar internationale normen voor omgang met maritiem archeologisch erfgoed. De reden hiervan is dat deze verwijzing te beperkt is gebleken; er zijn meer relevante regels en normen op dit terrein. Tot de internationale normen voor omgang met maritiem archeologisch erfgoed behoren onder meer de normen voor het beschermen en beheren van maritiem archeologisch erfgoed. Uitgangspunten en een goede werkwijze voor het beschermen en beheren van maritiem archeologisch erfgoed zijn vastgelegd in het Icomos Charter 1996 en de bijlagen (annex) bij het op 2 november 2001 in Parijs tot stand gekomen verdrag van de Verenigde naties inzake de bescherming van cultureel erfgoed onder water.

Verder wordt opgemerkt dat de in artikel 33, derde lid, van de Wet maritiem beheer BES vervatte overgangsbepaling niet is overgenomen in artikel 9b. Het is niet wenselijk de onderwerpen, bedoeld in artikel 9b, tweede lid, onder a, b en c, eerst tijdelijk bij algemene maatregel van bestuur te regelen en vervolgens definitief in de onderscheiden monumenteneilandsverordeningen. Volstaan wordt met de definitieve regeling van bedoelde onderwerpen in de monumenteneilandsverordeningen.

G

Artikel 10.5 (Wet educatie en beroepsonderwijs BES)

Algemeen

1. Uitgangspunten van het wetsvoorstel Educatie en beroepsonderwijs BES

De Landsverordening secundair beroepsonderwijs en educatie, die indertijd is gebaseerd op de Wet educatie en beroepsonderwijs, ligt ten grondslag aan het onderhavige wetvoorstel. Belangrijk streven van het wetsvoorstel is dat op de BES-eilanden de in het Europese deel van Nederland geldende normen voor de inhoudelijke kwaliteit van het onderwijs leidend zijn. De onderwijsopbrengsten op de BES-eilanden moeten op een niveau komen te liggen dat leerlingen die het beroepsonderwijs op de BES-eilanden hebben gevolgd, een zodanig (eind)niveau hebben dat zij zonder problemen kunnen instromen in het vervolgonderwijs op de BES of in het Europese deel van Nederland. Hierbij moet worden opgemerkt dat in het wetsvoorstel de Europees-Nederlandse terminologie wordt gehanteerd: er wordt derhalve niet meer gesproken over secundair beroepsonderwijs (SBO) maar van beroepsonderwijs. Ook is de aanduiding voor de leerwegen in artikel 7.2.2, tweede lid, aangepast aan de Nederlandse situatie: er wordt gesproken van beroepsopleidende en beroepsbegeleidende leerweg in plaats van lerend werken en werkend leren omdat deze terminologie verwarring wekt. Vroeger werd in Nederland het voormalige leerlingwezen (nu: beroepsbegeleidende leerweg) aangeduid als werkend leren: zijnde een leerling die vanuit de werksituatie is gestart met een beroepsopleiding. De andere aanduiding – «lerend werken» – vindt geen basis in de Europees-Nederlandse situatie en is ook taalkundig niet te verklaren. De stage (beroepspraktijkvorming) in de beroepsopleidende leerweg is dikwijls te kort (ongeveer 25%) om van een werksituatie, en dus van «lerend werken», te kunnen spreken. Naast de elementen die de Landsverordening secundair beroepsonderwijs en educatie bevat, zijn in het wetsvoorstel daar enkele essentiële punten aan toegevoegd. Dit gebeurt met de nodige zorgvuldigheid, bijvoorbeeld gelet op de lokale context op de BES, waarbij zonodig een redelijke overgangsperiode wordt geboden.

In de paragrafen 2 tot en met 11 worden de beleidslijnen weergegeven die uitgangspunt zijn geweest voor het wetsvoorstel en die geënt zijn op belangrijkste verschillen tussen de Landsverordening secundair beroepsonderwijs en educatie en de huidige Europees-Nederlandse wetgeving.

2. Inhoudelijke inrichting van het (huidige) secundair beroepsonderwijs

Het SBO is op dezelfde manier vormgegeven als het beroepsonderwijs in het Europese deel van Nederland. Er worden dezelfde soorten opleidingen verzorgd in twee leerwegen, te weten de beroepsopleidende leerweg (lerend werken) en de beroepsbegeleidende leerweg (werkend leren). Bij de beroepsopleidende leerweg ontvangt de leerling voornamelijk onderwijs, daarnaast maakt stage (werk) deel uit van de opleiding. Bij de beroepsbegeleidende leerweg is meestal sprake van werkenden die daarnaast een beroepsopleiding volgen.

Een opleiding is gericht op het verwerven van kwalificaties, welke verwijzen naar beroepsuitoefening binnen een beroep of beroepencategorie. Er is een landelijke kwalificatiestructuur, waarin opleidingen uit de Europees-Nederlandse kwalificatiestructuur worden gebruikt.

De inrichting van de beroepsopleidingen op de BES wordt nu nog afgeleid van lokaal of regionaal vastgestelde eindtermen. In het Europese deel van Nederland kennen we beroepsopleidingen die competentiegericht zijn.

Op dit moment is volledige invoering van competentiegericht onderwijs op de BES nog niet mogelijk. Uitgangspunt is wel dat dit op termijn mogelijk wordt gemaakt. Wel is in het onderhavige wetsvoorstel met het opnemen van een artikel 7.2.4 een link gelegd met het competentiegericht onderwijs dat in het Europese deel van Nederland wordt aangeboden. Artikel 7.2.4 regelt dat de Minister aangeeft welke opleidingen uit de kwalificatiestructuur op de BES verzorgd kunnen worden. Voor de BES zal dus gebruik worden gemaakt van de beroepsopleidingen, respectievelijk kwalificatiedossiers die deel uitmaken van de kwalificatiestructuur van het Europese deel van Nederland.

3. Taal

Op de BES blijft de huidige instructie- en examentaal gehandhaafd. Dit betekent dat de hoofdregel is dat het Nederlands de instructietaal blijft in het beroepsonderwijs en de taal blijft waarin de examens worden afgenomen. Dit laat onverlet dat het in de praktijk zal voorkomen dat een docent gebruik maakt van het Papiaments of Engels voor een aanvullende toelichting. Tevens bevat het wetsvoorstel een uitzondering voor de kwetsbare doelgroepen op beroepsonderwijs niveau 1 op Bonaire om Papiaments als instructietaal en Nederlands als vreemde taal te hanteren. Op Sint Eustatius en Saba bestaat thans geen beroepsonderwijs. Mocht dit daar worden geïntroduceerd, dan ligt het voor de hand daar ook Engels als instructietaal toe te staan in het beroepsonderwijs niveau 1.

4. Positie kenniscentrum beroepsonderwijs en bedrijfsleven (KBB)

Het beroepsonderwijs heeft betrekking op het verhogen van de scholingsgraad van de beroepsbevolking en het optimaliseren van de aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt. Een goede afstemming van het beroepsonderwijs op de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt is een belangrijke voorwaarde voor het slagen van het beroepsonderwijs.

Op de BES ontbreken kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven. Dit wetsvoorstel regelt dat de taken die een kenniscentrum in het Europese deel van Nederland heeft worden ondergebracht bij de Raad onderwijs arbeidsmarkt (raad). Zo worden de eindtermen voorgesteld door de raad. Het wetsvoorstel geeft aan dat de Minister voor ieder openbaar lichaam een raad instelt. Ook is het mogelijk om voor een combinatie van openbare lichamen een raad in te stellen. Dat betekent dat het mogelijk is dat voor Bonaire een aparte raad ingesteld wordt en voor Saba en Sint Eustatius een gezamenlijke raad ingesteld wordt.

5. Aanbod binnen het secundair beroepsonderwijs

Op Bonaire wordt het beroepsonderwijs verzorgd door de Scholengemeenschap Bonaire (SGB) en door enkele niet bekostigde instellingen. De SGB biedt opleidingen op niveau 2 tot 4 aan. Op Sint Eustatius en Saba zijn er geen instellingen voor beroepsonderwijs. Op heel beperkte schaal worden niveau 1-opleidingen aangeboden door de uitvoeringsorganisaties die de sociale kanstrajecten aanbieden.

Ten aanzien van het aanbod binnen het beroepsonderwijs op de BES zal de Europees-Nederlandse systematiek worden gehanteerd. Dit betekent dat de reguliere instelling voor beroepsonderwijs op de BES op termijn ook niveau 1-opleidingen zal gaan verzorgen. In beginsel is het niet mogelijk om op de eilanden alle vormen van het beroepsonderwijs aan te bieden die in de WEB zijn opgenomen. Gelet op het aantal leerlingen is het niet haalbaar alle beroepsopleidingen, en daarbinnen alle leerwegen en sectoren, aan te bieden. Regionale opleidingen centra als in het Europese deel van Nederland zullen er daarom op de BES ook niet zijn. Bij een eventuele uitbreiding van het onderwijsaanbod wordt rekening gehouden met de behoeften op de lokale arbeidsmarkt. Ook is het mogelijk dat aan een instelling «groen onderwijs» wordt aangeboden.

6. Onderwijstijd

Op de BES wordt voor het secundair beroepsonderwijs geen wettelijke urennorm gehanteerd. In het wetsvoorstel is de in het Europese deel van Nederland geldende onderwijstijd, 850 uur voor de voltijdse beroepsopleidingen en 300 uur voor de deeltijdse beroepsopleidingen, opgenomen.

7. Zorgstelsel BES

Leerlingenzorg

Op de BES is het, gezien de schaalgrootte, niet haalbaar om een zorgstructuur in te richten zoals de gedetailleerde systematiek in het Europese deel van Nederland. Dit houdt in dat er geen leerlinggebonden financiering met bijbehorende systematiek voor indicatiestellingen wordt geïntroduceerd op de BES. De gekozen benadering is er op gericht een zo eenvoudig mogelijk wettelijk kader te scheppen waarbinnen het belang van deelnemers met een specifieke onderwijsbehoefte zo goed mogelijk wordt geborgd, terwijl tegelijkertijd ruimte is voor betrokken instellingen om zelf de beste oplossingen te kiezen aansluitend bij de behoefte en schaal van het eiland.

Eerstelijnszorg binnen de school

Uitgangspunt is dat deelnemers met een specifieke onderwijsbehoefte zoveel mogelijk onderwijs zullen volgen binnen het reguliere beroepsonderwijs (eerstelijnszorg). Instellingen maken hierbij gebruik van deskundigheid binnen de instelling (interne begeleiders). De WEB BES voorziet in een bekostigingsgrondslag voor een toeslag op de reguliere bekostiging om invulling te kunnen geven aan deze taak (artikel 2.2.1 van de WEB BES).

Tweedelijnszorg in het expertisecentrum onderwijszorg

Daarnaast wordt per eiland een aanbod van specialistische deskundigheid georganiseerd in de vorm van een «expertisecentrum onderwijszorg», waarvan instellingen voor beroepsonderwijs, scholen voor primair onderwijs en scholen voor voortgezet onderwijs gebruik kunnen maken.

Het expertisecentrum onderwijszorg is een rechtspersoon die deskundige ondersteuning kan bieden aan deelnemers met een specifieke onderwijsbehoefte (de artikelen 1.1.1 en 3.4 van de WEB BES). In eerste instantie zal het expertisecentrum onderwijszorg vooral ondersteuning bieden aan deelnemers binnen een instelling. Voorts kunnen deelnemers worden opgevangen binnen het expertisecentrum onderwijszorg indien deze deelnemers niet kunnen worden opgevangen binnen het beroepsonderwijs. Het expertisecentrum onderwijszorg kan zowel tijdelijk of voor langere tijd zorg dragen voor de opvang van deelnemers met een specifieke onderwijsbehoefte. De WEB BES biedt instellingen de ruimte om hiertoe zelf de optimale vorm te vinden. Er kan bijvoorbeeld binnen het samenwerkingsverband een lokaal door een van de scholen voor primair onderwijs beschikbaar worden gesteld. Het expertisecentrum onderwijszorg huurt dan deze locatie. Daarnaast kunnen instellingen en scholen gezamenlijk een docent of leerkracht per onderwijssoort inhuren of detacheren vanuit een van de deelnemende instellingen of scholen.

Het expertisecentrum onderwijszorg is verantwoordelijk voor de zorgaspecten. Deelnemers blijven ingeschreven bij de instelling voor beroepsonderwijs die verantwoordelijk blijft voor het onderwijs en de voorzieningen die daarbij horen.

Handelingsplan

Dat deelnemers niet binnen de reguliere school kunnen worden opgevangen, moet blijken uit het handelingsplan van de betrokken deelnemer, dat altijd in overeenstemming met de deelnemer of indien de deelnemer minderjarig is met de deelnemer en de ouders, voogden of verzorgers van de deelnemer wordt vastgesteld. Hiervoor gaat het initiatief uit van het bevoegd gezag op basis van de resultaten van gevalideerde testen of toetsen.

Samenwerkingsverband

Per eiland wordt, teneinde de zorgstructuur goed te laten functioneren, één samenwerkingsverband ingericht, waarin het expertisecentrum onderwijszorg, instellingen voor beroepsonderwijs en scholen voor primair en voortgezet onderwijs samenwerken (artikel 3.2 van de WEB BES). In het samenwerkingsverband worden afspraken gemaakt over het geheel van zorgvoorzieningen zodat zoveel mogelijk deelnemers en leerlingen een ononderbroken onderwijsloopbaan kunnen doormaken. In de eerste plaats worden afspraken gemaakt over de zorg voor deelnemers en leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte, die binnen een instelling of school deelnemen aan het onderwijs (eerstelijnszorg). In de tweede plaats worden er binnen het samenwerkingsverband afspraken gemaakt over het onderwijs aan en de zorg voor deelnemers en leerlingen die niet binnen een instelling of school onderwijs kunnen ontvangen. Deze deelnemers of leerlingen krijgen onderwijs binnen het expertisecentrum, dat verantwoordelijk is voor de gespecialiseerde tweedelijnszorg. Verder spreken de partijen in het samenwerkingsverband af wie welk onderwijs verzorgt voor leerlingen die dat onderwijs moeten krijgen in het expertisecentrum onderwijszorg. De afspraken betreffen ook de toerekening van kosten als bijvoorbeeld een docent van de ene instelling voor beroepsonderwijs in het expertisecentrum lesgeeft aan een deelnemer van een andere instelling voor beroepsonderwijs. Deze afspraken worden neergelegd in een eilandelijk zorgplan.

Eilandelijk zorgplan

In het eilandelijk zorgplan worden naast afspraken over de eerste- en tweedelijnszorg ook de activiteiten van het expertisecentrum onderwijszorg, de instellingen voor beroepsonderwijs, de scholen voor primair onderwijs, de scholen voor voortgezet onderwijs en, de beoogde resultaten en procedures om die resultaten te bereiken, beschreven. Het eilandelijk zorgplan wordt, gezien de bevoegdheden die de inspectie heeft ten aanzien van het onderwijs dat wordt gegeven aan deelnemers met een specifieke onderwijsbehoefte, jaarlijks toegezonden aan de inspectie (artikel 3.3 van de WEB BES).

Subsidie aan het expertisecentrum onderwijszorg

De WEB BES kent een grondslag voor de subsidie aan het expertisecentrum onderwijszorg voor zorgtaken die samenhangen met onderwijs aan deelnemers, als onderwijsondersteunende activiteiten, het verzorgen van ambulante begeleiding, het verrichten van handelingsgerichte diagnostiek of het geven van advies (artikel 3.5 van de WEB BES).

Toezicht op onderwijs binnen het expertisecentrum onderwijszorg

De inspectie houdt vanuit haar bevoegdheden ten aanzien van instellingen toezicht op de kwaliteit van het onderwijs dat binnen het expertisecentrum onderwijszorg wordt aangeboden. De inspectie is hiervoor bevoegd, omdat het bevoegd gezag van een instelling waarbij de betreffende deelnemer is ingeschreven verantwoordelijk blijft voor het onderwijs dat deze deelnemer ontvangt.

Toezicht op overige taken van het expertisecentrum onderwijszorg

Het expertisecentrum onderwijszorg kan subsidie ontvangen op grond van artikel 3.5 van de WEB BES. In een ministeriële regeling zullen de voorschriften worden opgenomen waaraan het expertisecentrum onderwijszorg zal moeten voldoen. Het gaat hier bijvoorbeeld om het verstrekken van inlichtingen, gegevens en bescheiden, het opstellen van een begroting en een jaarplan en het uitbrengen van een jaarverslag en jaarrekening. Artikelen uit de titels 4.1 en 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 4 tot en met 19 van de Wet overige OCW subsidies over het verlenen, vaststellen, intrekken en terugvorderen van de subsidie zijn van toepassing op de subsidie aan het expertisecentrum onderwijszorg.

Voor het toezicht op de taken van het expertisecentrum onderwijszorg kan de minister een ambtenaar aanwijzen (artikel 3.6 van de WEB BES). Indien blijkt dat het expertisecentrum onderwijszorg zijn taken ernstig verwaarloost, kan de minister maatregelen treffen (artikel 3.7 van de WEB BES). Als ultimum remedium kan hij zijn bevoegdheid om het expertisecentrum onderwijszorg aan te wijzen, aanwenden om deze aanwijzing in te trekken. Dit houdt in dat de rechtspersoon niet meer in aanmerking komt voor de subsidie, bedoeld in artikel 3.5 van de WEB BES.

8. Bekostiging

De bekostiging van het beroepsonderwijs op de BES zal bij algemene maatregel van bestuur worden geregeld. Vooralsnog zal op basis daarvan een overgangssysteem voor de bekostiging worden vastgesteld. Uitgangspunt zal zijn een vaste voet te geven, op grond waarvan de basisvoorzieningen, inclusief de huisvesting, kunnen worden gefinancierd.

9. Les- en cursusgeld en tegemoetkoming in de onderwijskosten

Op de BES wordt thans voor het volgen van een SBO-opleiding geen les- en cursusgeld geheven. Dit zal in de nieuwe situatie evenmin het geval zijn. Bij het vaststellen van de hoogte van de studiefinanciering zal daarmee rekening worden gehouden.

10. Educatievoorzieningen

De Landsverordening secundair beroepsonderwijs en educatie kent slechts twee soorten cursussen educatie, namelijk cursussen die gericht zijn op breed maatschappelijk functioneren en korte cursussen gericht op sociale redzaamheid. Om de kwaliteit van de educatie op de BES te waarborgen voorziet deze wet in de mogelijkheid educatie te erkennen. Het belangrijkste rechtsgevolg van deze erkenning is dat deze opleidingen civiel effect kunnen hebben. Deze wet voorziet niet in de bekostiging van educatie. Het al dan niet bekostigen van educatie wordt overgelaten aan de eilandsraad. De eilandsraad kan bepaalde opleidingen educatie vanuit het BES-fonds subsidiëren.

11. Benoemingsvereisten

De Europees-Nederlandse bekwaamheidseisen worden van toepassing op de BES. Dit vereist overgangsrecht. Voor zittende bevoegde docenten op de BES (dat wil zeggen docenten die op de dag vóór de inwerkingtreding van de WEB BES bevoegd zijn naar Nederlands-Antilliaans recht onderwijs te geven op de BES) geldt dat deze bevoegd zullen blijven. Docenten die nu niet in het bezit zijn van een bevoegdheid volgens de huidige Antilliaanse regelgeving en/of de nieuw aan te stellen docenten, moeten binnen vijf jaar over een bevoegdheid beschikken die voldoet aan de Europees-Nederlandse bekwaamheidseisen.

12. Terminologie

Deze toelichting belicht voornamelijk de onderdelen van de WEB BES waarbij wordt afgeweken van de Europees-Nederlandse systematiek. Tenzij anders vermeld worden de bevoegdheden en taken die de WEB toekent aan gemeentebesturen toebedeeld aan de eilandsbesturen van de drie eilanden. Ten aanzien van de artikelen waarin de begrippen «gemeente», «gemeenteraad», «burgemeester en wethouders», «gemeentelijke verordening» of «gedeputeerde staten» worden vervangen door «openbaar lichaam», «eilandsraad», «bestuurscollege», «eilandsverordening» respectievelijk «Rijksvertegenwoordiger», zijn deze wijzigingen niet apart in de artikelsgewijze toelichting toegelicht.

Verder zijn verwijzingen naar bepalingen in Europees-Nederlandse wetten vervangen door verwijzingen naar vergelijkbare bepalingen in wetten die gaan gelden op de BES. Ook zal er een gebruikershandleiding voor de uitvoerders en gebruikers van deze wet worden gemaakt.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1.1.1. Begripsbepalingen

Afwijkend van de begripsbepalingen in de WEB is er voor de WEB BES voor gekozen de begrippen in artikel 1.1.1 in alfabetische volgorde op te nemen. De volgende begripsbepalingen wijken af van de begripsbepalingen in de WEB:

Deskundige

Afwijkend van de situatie in het Europese deel van Nederland wordt niet gesproken van een «accountant» maar van een «deskundige». De reden hiervoor is dat in het Burgerlijk Wetboek BES niet gesproken wordt van een «accountant» maar van een «deskundige». Overigens valt de «accountant» aan wie de minister opdraagt een onderzoek uit te voeren, ook onder de definitie van «deskundige».

Expertisecentrum onderwijszorg

Ten opzichte van de WPO is het begrip «expertisecentrum onderwijszorg» toegevoegd. Binnen het zorgsysteem dat zal gaan gelden op de BES speelt dit centrum een cruciale rol (zie ook paragraaf 7).

Instelling

Ten opzichte van de WEB wijkt de definitie van «instelling» af. Op de BES zal geen sprake zijn van regionale opleidingencentra, vakinstellingen of agrarische opleidingencentra. Als er wordt gesproken van een instelling wordt daarmee een organisatorische eenheid die opleidingen educatie of opleidingen beroepsonderwijs verzorgt bedoeld.

Openbaar lichaam

In de begripsbepalingen is opgenomen dat de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba de status van openbaar lichaam hebben en dat het bestuurscollege van elk van deze eilanden de positie kan hebben van bevoegd gezag van de openbare scholen die op dat desbetreffende eiland in stand worden gehouden.

Persoonsgebonden nummer BES

Wat betreft de definitie van het persoonsgebonden nummer BES wordt van hetzelfde systeem uitgegaan als in de WEB. Aangezien op de BES geen gebruik gemaakt wordt van het sociaal-fiscaal nummer of het burgerservicenummer, is hiervoor in de plaats opgenomen «het administratienummer van de leerling, dan wel het door Onze Minister uitgegeven onderwijsnummer».

Raad

Ten opzichte van de WEB is het begrip «raad» toegevoegd. Hiermee wordt de Raad onderwijs arbeidsmarkt bedoeld. Zie verder de toelichting bij artikel 1.5.1 en 1.5.2.

Artikel 1.1.2. Aard bepalingen

Dit artikel legt, zoals gebruikelijk in onderwijswetgeving, de aard van de onderscheiden voorschriften voor openbaar en bijzonder onderwijs vast. Artikel 1.2.1 van de WEB heeft een gelijke strekking. Verschil met de WEB is dat dit artikel zich beperkt tot het beroepsonderwijs. Het eerste lid heeft betrekking op de bekostiging van openbare instellingen en ziet op de bepalingen inzake: de kwaliteitszorg; het karakter van het openbaar onderwijs; de verplichting tot overleg en aangifte inzake zedenmisdrijven, het beheer van de middelen, het personeel, de benoembaarheidsvereisten en bewijzen van bekwaamheid voor docenten, het centraal register, het onderwijs, de inschrijving en de vooropleidingseisen. Voor de openbare instellingen zijn deze bepalingen regels.

Het tweede lid heeft betrekking op de bekostiging van bijzondere instellingen en regelt dat de daargenoemde bepalingen die dezelfde onderwerpen betreffen, bekostigingsvoorwaarden zijn.

Artikel 1.2.1. Doelstellingen onderwijs

In dit artikel zijn de karakteristieken, zowel naar doelstelling als naar positie ten opzichte van andere onderwijssoorten, van de educatie en het beroepsonderwijs uiteengezet. Het artikel komt overeen met artikel 1.2.1 van de WEB

Artikel 1.3.1. Taken instellingen

Door dit artikel krijgen de onderwijsinstellingen voor beroepsopleidingen en educatie de verantwoordelijkheid de toegankelijkheid voor kansarmen te optimaliseren. Ook dienen de opleidingen aan de verschillende instellingen goed op elkaar aan te sluiten. Verder geeft het artikel aan dat de instellingen mogelijkheden voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding moeten aanbieden. Aan dit artikel dat tot en met onderdeel c overeenkomt met artikel 1.3.5 WEB is een onderdeel d toegevoegd. In dat onderdeel wordt de instellingen opgedragen zorg te dragen voor de afstemming op de ontwikkelingen in de samenleving op nationaal en internationaal gebied in het algemeen en ten aanzien van de arbeidsmarkt in het bijzonder. De achtergrond hiervan is de relatieve kleine schaal van de BES-eilanden. Door deze kleine schaal is het voor de deelnemers van belang dat niet alleen rekening gehouden wordt met de ontwikkelingen op de eilanden, maar ook met die in onder andere Aruba, Curaçao en Sint Maarten. De opleidingen hebben tot doel leerlingen op te leiden voor een arbeidsplaats. Om dit te bewerkstelligen dienen de opleidingen aansluiting te hebben op de arbeidsmarkt van de openbare lichamen en andere landen, binnen en buiten het Koninkrijk.

Artikel 1.3.2. Kwaliteitszorg

In artikel 1.3.2 is aan de instellingen de inspanningsverplichting opgelegd zorg te dragen voor voldoende kwaliteit van het onderwijs. Deze inspanningsverplichting volgt uit het eerste lid en zal aan het begin van het eerste studiejaar dat na de transitie start in werking treden. Dit zorgartikel ziet bovendien op nevenwerkzaamheden. Een instelling mag geen nevenactiviteiten verrichten die de kwaliteit van de beroepsopleiding of de opleiding educatie schaadt.

Uit het tweed lid van artikel 1.3.3. volgt dat instellingen verplicht zijn tot het opzetten van een stelsel van kwaliteitszorg dat voorziet in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs. In het kader van dit wetsvoorstel dient deze beoordeling zich tevens uit te strekken tot maatregelen en instrumenten om te waarborgen dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt. Het derde lid regelt dat instellingen jaarlijks een verslag openbaar maken van de beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs. In dit verslag moet ook opgenomen worden hoe de instellingen om zullen gaan met deze beoordeling.

Dit artikel is voor het beroepsonderwijs en de opleidingen educatie het equivalent van artikel 1.18 Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek . Het tweede en derde lid van het artikel komen overeen met artikel 1.3.6 van de WEB. Aangezien het tweede en derde lid een administratieve last voor de instellingen met zich brengt en het niet de bedoeling is om de instellingen te overvragen, zullen deze leden niet direct in werking treden. Er wordt naar gestreefd om deze leden binnen vijf jaar in werking te laten treden.

Artikel 1.3.3. Karakter openbaar onderwijs

In deze bepaling is het voorschrift ten aanzien van het karakter van het openbaar onderwijs neergelegd. Het artikel komt in grote mate overeen met artikel 1.3.7. van de WEB. Aan het eerste lid is echter toegevoegd dat het openbaar onderwijs bijdraagt aan de ontwikkeling van de deelnemers met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden zoals die leven in de Europees-Nederlandse samenleving en de Caribische regio. Deze toevoeging is een erkenning van de pluriforme omgeving waarin de deelnemers opgroeien.

Artikel 1.3.4. Instandhouding instelling

Dit artikel regelt door wie een instelling in stand gehouden kan worden.

Artikel 1.3.5. Verplichting tot overleg en aangifte inzake zedenmisdrijven

De inhoud van dit artikel komt overeen met artikel 1.3.8. van de WEB. Het bevoegd gezag heeft een meldingsplicht als het op de hoogte is van een door een personeelslid gepleegd zedenmisdrijf jegens een minderjarige deelnemer. Ook als het bevoegd gezag slechts een vermoeden heeft dat een dergelijk misdrijf is of wordt gepleegd is er sprake van een meldingsplicht. Samen met de vertrouwensinspecteur zal het bevoegd gezag bepalen of er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een dergelijk zedenmisdrijf. Bij een redelijk vermoeden van schuld doet het bevoegd gezag aangifte. In het derde lid is verder geregeld dat een personeelslid meldingen van zedenmisdrijven moet maken aan het bevoegd gezag.

Artikel 1.4.1. Erkenning beroepsopleidingen

Dit artikel regelt de erkenning van opleidingen. Alleen examens van erkende opleidingen hebben civiel effect. Verder blijkt uit artikel 2.1.1 dat bekostiging van een beroepsopleiding uitsluitend mogelijk is indien de opleiding is erkend. De in het derde lid opgesomde erkenningsvoorwaarden betreffen de kwaliteitswaarborgen voor het onderwijs, daaronder mede begrepen de bekwaamheidseisen voor het onderwijspersoneel van de instelling.

Bij de aanvraag moeten voor de beoordeling van het onderwijs in elk geval een beschrijving van het stelsel van kwaliteitszorg en de ontwerp- onderwijs- en examenregeling van de desbetreffende opleiding zijn gevoegd.

Het vijfde lid schrijft voor dat aanvragen om erkenning worden gericht tot de minister. De minister kan de raad om advies vragen over onderwerpen betreffende onder andere de contouren en doelen van beroepsopleidingen en de erkenning van lokale beroepsopleidingen. Het ligt voor de hand dat de minister dat ook doet. De raad doet daarmee voorbereidend werk ten behoeve van de minister.

De advies- en beslistermijnen hebben als vertrekpunt het moment waarop de aanvraag compleet is.

In het zevende lid is voor het bevoegd gezag de verplichting opgenomen om de minister op diens verzoek de nodige inlichtingen omtrent de instelling te verschaffen. Het gaat hier om die inlichtingen die de minister nodig heeft voor de beoordeling van de aanvraag van het bevoegd gezag om een erkenning.

Artikel 1.4.2. Erkenning opleidingen educatie

Dit artikel regelt de erkenning van opleidingen educatie en is vergelijkbaar met artikel 1.4.1. Alleen erkende opleidingen educatie worden geacht te voldoen aan de wettelijke kwaliteitswaarborgen en kunnen daardoor civiel effect hebben.

De in het derde lid opgesomde erkenningsvoorwaarden betreffen de kwaliteitswaarborgen voor het onderwijs.

In het vierde lid is evenals in artikel 1.4.1 geregeld dat bij de aanvraag om erkenning voor de beoordeling van het onderwijs in elk geval een beschrijving van het stelsel van kwaliteitszorg en de ontwerp- onderwijs- en examenregeling van de desbetreffende opleiding moeten zijn gevoegd.

In het zesde lid is voor het bevoegd gezag de verplichting opgenomen om de minister op diens verzoek de nodige inlichtingen omtrent de instelling te verschaffen. Het gaat hier om die inlichtingen die de minister nodig heeft voor de beoordeling van de aanvraag van het bevoegd gezag om erkenning van een opleiding educatie.

Artikel 1.5.1. Raad onderwijs arbeidsmarkt

Deze bepaling geeft aan dat de minister voor ieder openbaar lichaam een raad instelt. Ook is het mogelijk om voor een combinatie van openbare lichamen een raad in te stellen. Dat betekent dat het mogelijk is dat voor Bonaire een aparte raad ingesteld wordt en voor Saba en Sint Eustatius een gezamenlijke raad ingesteld wordt.

Het artikel regelt bovendien dat een raad een rechtspersoon is met volledige rechtsbevoegdheid en wat de samenstelling van de raden is.

In het vierde lid is de subsidiegrondslag voor de raad opgenomen. De wijze waarop raden door de minister gesubsidieerd worden zal in een ministeriële regeling geregeld worden.

Aangezien op de BES de Algemene wet bestuursrecht en de Wet overige OCW-subsidies niet in zijn algemeenheid van toepassing zijn, zijn titel 4.1 en 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht, handelende over subsidiëring, en de artikelen 4 tot en met 19 van de Wet overige OCW-subsidies van toepassing verklaard.

Artikel 1.5.2. Taken Raad onderwijs arbeidsmarkt

Op de BES zullen geen kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven komen. De schaalgrootte van de BES is daarvoor te klein. De taken die de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven in het Europese deel van Nederland hebben zullen op de BES voornamelijk uitgevoerd worden door de raden.

De taak van een raad is tweeledig. Ten eerste omvat de taak het adviseren van de minister over welke opleidingen voor erkenning en bekostiging in aanmerking komen. De advisering houdt in dat de raad de beslissingen van de minister over de erkenning voorbereidt. Ten tweede omvat de taak het bijdragen aan de kwaliteit van de plaatsen waar de beroepspraktijkvorming wordt verzorgd en draagt een raad zoveel mogelijk zorg voor de beschikbaarheid van een toereikend aantal bedrijven en organisaties van voldoende kwaliteit die de beroepspraktijkvorming verzorgen.

Artikel 1.6.1. Exameninstellingen

Dit artikel komt overeen met artikel 1.6.1 van de WEB. Een instelling kan het afnemen van examens aan een exameninstelling uitbesteden. De minister besluit binnen drie maanden over een aanvraag voor het mogen afnemen van een examen door een exameninstelling. De aanvraag om het recht tot examinering te krijgen wordt ingewilligd als aan de gestelde voorwaarden omtrent kwaliteitszorg, examens en rechtsbescherming is voldaan.

Artikel 2.1.1. Vestiging bekostigingsaanspraak beroepsopleidingen

Dit artikel geeft aan dat de minister de bevoegdheid heeft een beroepsopleiding voor bekostiging in aanmerking te brengen. Voordat de minister tot een dergelijk besluit komt zal hij de desbetreffende raad om advies vragen. Uit artikel 1.5.2 blijkt dat de raden belast zijn met het geven van dergelijke adviezen. Alvorens tot een besluit te komen, hoort de minister de eilandsraad.

Het tweede lid van dit artikel geeft aan op welke gronden de minister kan besluiten een beroepsopleiding niet voor bekostiging in aanmerking te brengen. Als eerste grond wordt genoemd dat de middelen die door de begrotingswetgever ter beschikking zijn gesteld niet toereikend zijn. Door opname van deze grond wordt bereikt dat de minister kan voorkomen dat op de BES de situatie ontstaat dat er oneindig veel beroepsopleidingen aangeboden zullen worden waardoor het bedrag per opleiding zo laag wordt dat het voor de instellingen financieel niet meer haalbaar is aan de gestelde kwaliteitseisen te voldoen.

Artikel 2.1.2. Einde bekostiging beroepsopleiding

Het eerste lid bepaalt dat de aanspraak op bekostiging van een beroepsopleiding van rechtswege eindigt op het moment dat de erkenning van de betreffende beroepsopleiding is ingetrokken. Op grond van artikel 6.2.1 kan de minister een erkenning intrekken.

Op grond van het tweede lid kan de minister de aanspraak op bekostiging van een beroepsopleiding beëindigen indien de behoefte aan de opleiding niet voldoende is. Het ontbreken van de behoefte zal aangetoond moeten worden aan de hand van bij ministeriële regeling gestelde regels.

Het derde lid regelt dat de minister bij een besluit dat een beroepsopleiding niet meer voor bekostiging in aanmerking komt rekening moet houden met de deelnemers die de betreffende opleiding volgen. Deze deelnemers moeten de opleiding aan dezelfde of aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien.

Artikel 2.2.1. Rijksbijdrage beroepsonderwijs

De inhoud van het eerste lid komt grotendeels overeen met de inhoud van artikel 2.2.1 van de WEB.

Afwijkend van artikel 2.2.1 van de WEB is dat in het tweede lid, onderdeel a aangegeven is dat voor de bekostiging van kosten voor personeel aangesloten wordt bij de voorschriften die worden gegeven bij of krachtens de Wet materieel ambtenarenecht BES. De Wet materieel ambtenarenrecht BES en de onderliggende regelgeving omvat onder meer voorschriften over de kosten voor vervanging van personeel, wachtgeld of andere uitkeringen.

Verder kent de WEB voor het Europese deel van Nederland de mogelijkheid de huisvestingskosten te bepalen. Deze systematiek is voor de BES niet overgenomen. In de onderdelen i, j en m van het tweede lid is bepaald dat de rijksbijdrage bedoeld in het eerste lid ook betrekking heeft op de huisvestingskosten.

Verder is ten opzichte van artikel 2.2.1 van de WEB aan de opsomming van het tweede lid onderdeel n. toegevoegd. In het zorgsysteem dat op de BES geldt zal de eerstelijnszorg door de instellingen zelf verzorgd worden. Voor de BES geldt het uitgangspunt dat deelnemers met een specifieke onderwijsbehoefte zoveel mogelijk onderwijs zullen volgen binnen het reguliere onderwijs (eerstelijns zorg). In dit artikel is geregeld dat instellingen daarvoor bekostiging ontvangen.

De opsomming in het tweede lid is geen limitatieve opsomming. Indien het bestuurscollege naast deze genoemde kostensoorten andere kostensoorten voor vergoeding in aanmerking wil laten komen dan is dat mogelijk.

Artikel 2.2.2. Berekeningswijze

Dit artikel is grotendeels gelijkluidend aan artikel 2.2.2 van de WEB. Verschil is dat op grond van de WEB ook bekostigd wordt aan de hand van het aantal deelnemers en examendeelnemers dat een diploma heeft behaald (outputbekostiging). Op de BES zal er slechts bekostigd worden aan de hand van de instroom van deelnemers (inputbekostiging). Dit houdt de bekostiging voor het kleine aantal instellingen in de BES eenvoudiger.

Aan het zesde lid is toegevoegd dat de maatstaf die gebruikt wordt bij de berekening van de rijksbijdrage verschillend kan worden vastgesteld voor opleidingen die worden verzorgd door een instelling die deel uitmaakt van een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 122a van de Wet voortgezet onderwijs BES. Hiermee wordt geregeld dat bij een scholengemeenschap de overhead-kosten niet twee keer voor bekostiging in aanmerking worden gebracht.

Artikel 2.2.3. Aanvullende middelen

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 2.2.3 van de WEB. Het artikel maakt het mogelijk aan de rijksbijdrage bedragen toe te voegen. Dit kan onder meer wenselijk zijn als een instelling gedurende een bekostigingsjaar te maken krijgt met een onevenredig grote toename van deelnemers. In het artikel wordt verder de grondslag gegeven voor een ministeriële regeling waarin de verdere voorschriften over dergelijke aanvullende middelen gegeven kunnen worden. Het derde lid geeft aan dat de minster ten aanzien van deze aanvullende middelen een bekostigingsplafond in kan stellen.

Artikel 2.2.4. Aftrekposten rijksbijdrage

Op grond van dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gegeven over de aftrekposten voor zover het personeelskosten betreft. Het bepaalt dat de kosten van personeel dat met voorbijgaan van zittend personeel of wachtgelders of personeel met een andere ontslaguitkering worden benoemd op de bekostiging in mindering worden gebracht.

Artikel 2.2.5. Bekendmaking, verstrekking en betaling rijksbijdrage

Dit artikel is voor het grootste deel gelijkluidend aan artikel 2.2.4 van de WEB. In het eerste lid is echter niet opgenomen dat de minister bij de bekendmaking van de rijksbijdrage afzonderlijk het bedrag voor gehandicapte deelnemers meedeelt. Deze deelnemers vallen onder de deelnemers met een specifieke onderwijsbehoefte waarvoor een op de BES toegesneden vereenvoudigd zorgsysteem van toepassing is.

Artikel 2.3.1. Jaarrekening.

Dit artikel komt in grote mate overeen met artikel 2.5.3. van de WEB. De jaarrekening die in dit artikel verplicht wordt gesteld voor bekostigde instellingen leidt ertoe dat de minister de bekostigingsinformatie krijgt die nodig is voor het juist vaststellen van de hoogte van de bekostiging. In het artikel wordt anders dan in het tweede lid van artikel 2.5.3. van de WEB niet vermeld dat het aanwenden van de rijksbijdrage voor compensatie van de deelnemers voor les- en cursusgeld in ieder geval ondoelmatige besteding van de rijksbijdrage is. Dit is niet overgenomen omdat in de BES geen les- en cursusgeld geheven zal worden. Zie hiervoor ook paragraaf 9 van de algemene toelichting.

Verder wijkt dit artikel van het vierde lid van artikel 2.5.3 van de WEB af. De keuze om de jaarrekening vergezeld te laten gaan van een verklaring omtrent getrouwheid, afgegeven door een door de raad van toezicht of door een accountant wordt in dit artikel niet gegeven. De instellingen in de BES zullen geen raden van toezicht hebben. De instellingen in de BES zullen daarvoor te kleinschalig zijn. De jaarrekening zal in de BES dus vergezeld gaan van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een de deskundige die door het bevoegd gezag aangewezen is. In het Europese deel van Nederland kan deze deskundige ook door de raden van toezicht aangewezen worden.

Artikel 2.3.2. Jaarverslag

Dit artikel komt grotendeels overeen met artikel 2.5.4. van de WEB. In dit artikel is niet overgenomen dat het bevoegd gezag in het jaarverslag verantwoording aflegt over de omgang met een branchecode voor goed bestuur. Om de administratieve lasten in eerste instantie voor het bevoegd gezag te beperken is ervoor gekozen om dit artikel niet direct in werking te laten treden. Er wordt naar gestreefd om binnen twee jaar van de instellingen te kunnen verlangen dat zij jaarlijks een jaarverslag vast stellen. Tegen die tijd zal dit artikel bij KB in werking treden.

Artikel 2.3.3. Informatie beroepsonderwijs

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 2.5.5 van de WEB. Het artikel regelt de informatieverstrekking van de instellingen aan de minister. Deze informatie heeft de minister nodig om een beleid met betrekking tot het beroepsonderwijs op te stellen. Het artikel geeft de grondslag voor een ministeriële regeling waarin de wijze van beschikbaarstelling van deze informatie geregeld wordt. Ook de kosten die gemaakt worden door de instellingen bij het verzamelen of verstrekken van de gevraagde informatie kunnen in een ministeriële regeling worden vastgelegd. Ook voor dit artikel geldt dat ernaar gestreefd zal worden om het binnen vijf jaar in werking te laten treden.

Artikel 2.3.4. Gebruik persoonsgebonden nummer BES door bevoegd gezag

Dit artikel komt overeen met artikel 2.5.5a van de WEB. Er zal niet meteen gebruik kunnen worden gemaakt van een persoonsgebonden nummer BES. Bepalingen over het persoonsgebonden nummer BES zullen daarom nog niet in werking treden. Er wordt naar gestreefd om na vijf jaar wel gebruik te kunnen maken van een persoonsgebonden nummer BES.

Artikel 2.3.5. Verwerking gegevens door Onze Minister

Dit artikel komt overeen met artikel 2.5.5b. van de WEB. De gegevens die aan het persoonsgebonden nummer BES gekoppeld zijn mogen door het ministerie worden gebruikt in het kader van de bekostiging en de begrotings- en beleidsvoorbereiding. De gegevens mogen in beginsel niet op de persoon herleidbaar openbaar gemaakt mogen worden. Dat wil zeggen dat de verwerking van de op een individu herleidbare gegevens enkel een geanonimiseerd of geaccumuleerd resultaat heeft. Op dit beginsel is een uitzondering gemaakt voor zover het betreft de controle op de juistheid van de gegevens in het kader van de bekostiging. Voor de controle op de rechtmatigheid en de doelmatigheid daarvan kan het soms noodzakelijk zijn dat aan de hand van een persoonsgebonden nummer ter plekke geverifieerd moet worden of de persoon die achter dat nummer schuilgaat ook daadwerkelijk op de school of instelling onderwijs volgt.

Artikel 2.3.6. Gebruik gegevens uit basisregister onderwijs door Minister en inspectie

Dit artikel komt overeen met artikel 2.5.5c. van de WEB. De gegevens in het basisregister worden door de minister gebruikt ten behoeve van het bekostigingsproces en vormen een essentiële input voor de begrotings- en beleidsvoorbereiding. Het is echter niet nodig, en uit een oogpunt van privacy ook ongewenst, dat de minister hiervoor de beschikking krijgt over de gegevens in een zodanige vorm dat individuele leerlingen geïdentificeerd of identificeerbaar zijn. Dit betekent dat in ieder geval de persoonsgebonden nummers BES niet verstrekt zullen worden. Afhankelijk van het doel van de verstrekking (bekostiging, begrotingsvoorbereiding of beleidsvoorbereiding) vindt de verstrekking geanonimiseerd, gesommeerd of geaggregeerd plaats. Bij algemene maatregel van bestuur op grond van het derde lid kan dit voor de verschillende doeleinden nader worden uitgewerkt.

Ook de inspectie heeft gegevens uit het basisregister nodig, bijvoorbeeld voor het vervaardigen van de zogenaamde kwaliteitskaarten. Hiervoor geldt overigens hetzelfde als voor de gegevensverstrekking aan de minister.

Artikel 2.3.7. Gebruik persoonsgebonden nummer door openbaar lichaam

Dit artikel komt overeen met artikel 2.5.5e van de WEB. In dit artikel is geregeld dat het openbaar lichaam de persoonsgebonden nummers van de leerlingen alleen maar mag gebruiken voor de registratie van leerplichtigen in het belang van het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet BES en in het kader van het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten. Daarnaast houdt het openbaar lichaam haar bevoegdheden op grond van andere wetten om het persoonsgebonden nummer te gebruiken.

Artikel 2.3.8. Onderzoek vanwege minister

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 2.5.6 van de WEB. Dit artikel geeft de minister de mogelijkheid een onderzoek in te stellen naar de jaarrekening van een instelling en de gegevens bedoeld in artikel 2.3.3. Een dergelijk onderzoek kan de minister ook uitbesteden. Verder verplicht het artikel het bevoegd gezag van een instelling de minister de voor dit onderzoek benodigde inlichtingen te verstrekken. Zoals in de toelichting op artikel 2.3.3 is vermeld zal dat artikel niet direct in werking treden. Pas als dat artikel in werking treedt, zal een onderzoek ingesteld kunnen worden naar de gegevens bedoeld in dat artikel. In eerste instantie zal de minister dus slechts een onderzoek naar de jaarrekening kunnen instellen of doen instellen.

Artikel 2.3.9. Informatieplicht ministeriële deskundige

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 2.5.7 van de WEB. De deskundige die is belast met het onderzoek van de ministeriële jaarrekening heeft op grond van dit artikel toegang tot elke instelling. Met de ministeriële jaarrekening wordt de departementale rekening bedoeld. Het bevoegd gezag van een instelling moet desgevraagd aan de deskundige belast met dit onderzoek de informatie verstrekken die deze deskundige relevant acht voor zijn onderzoek.

Artikel 2.3.10. Controleprotocol

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 2.5.7a van de WEB. Het artikel bevat de basis voor een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen controleprotocol.

Artikel 2.3.11. Correctie rijksbijdrage; verrekening vorderingen

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 2.5.9 WEB. Dit artikel vormt de mogelijkheid om bij niet rechtmatige besteding, dat wil zeggen in strijd met de wettelijke voorschriften op grond waarvan de bijdrage, is verstrekt, of wanneer de bijdrage is berekend op basis van gegevens die onjuist blijken te zijn, correcties aan te brengen. De toepassing van deze correctiemogelijkheid staat los van de sanctiebepaling in hoofdstuk 10, die een ruimer toepassingsgebied heeft en eerder als aansporing om alsnog aan de wet te voldoen fungeert (dwangsom) dan als reparatie achteraf.

Artikel 2.4.1. Bijdrage voor derden

Dit artikel komt overeen met artikel 2.7 WEB. Het artikel maakt het de minister mogelijk om voor educatie en beroepsonderwijs een bijdrage aan derden toe te kennen ter bevordering van de verwezenlijking van de in artikel 1.2.1, eerste lid, bedoelde doelstellingen. Dit geeft de minister de mogelijkheid om projecten die niet direct in deze wet zijn genoemd te subsidiëren. Dit kan wenselijk c.q. noodzakelijk zijn. Van dit artikel kan bijvoorbeeld gebruik gemaakt worden om langlopend onderzoek te subsidiëren dat beleidsinformatie oplevert dat het stelsel van beroepsonderwijs ten goede kan komen.

In het artikel is naast de van toepassing verklaring van de artikelen 4 tot en met 19 van de Wet overige OCW-subsidies ook titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard. Deze subsidietitel is van toepassing verklaard omdat de Algemene wet bestuursrecht niet in zijn algemeenheid van toepassing is op de BES. Het equivalent van de Algemene wet bestuursrecht op de BES is de Wet administratieve rechtspraak BES. In die wet staat echter geen subsidietitel.

Artikel 2.5.1. Opheffing instellingen

Dit artikel komt overeen met artikel 2.8.2 van de WEB. Dit artikel bevat een regeling voor de situatie dat een instelling wordt opgeheven. Deze regeling houdt in dat als na opheffing of beëindiging van de bekostiging van een instelling blijkt dat de bekostiging door het Rijk ten behoeve van het onderwijsproces heeft geleid tot vermogensvorming bij de instelling, het Rijk daarvoor een vergoeding mag vragen. De achterliggende gedachte is dat het om redenen van doelmatige besteding van rijksmiddelen, om redenen van billijkheid en ter voorkoming van willekeur wenselijk is dat een met rijksmiddelen opgebouwd vermogen na beëindiging van de activiteiten waarvoor die middelen werden verstrekt, terugvloeit naar het Rijk. Om bij de opheffing van een instelling te kunnen bepalen of er daadwerkelijk sprake is geweest van vermogensvorming, moet de instelling zo spoedig mogelijk na de opheffing of de beëindiging van de bekostiging een eindafrekening opstellen. Bij de eindafrekening moet een verklaring van een deskundige worden gevoegd. Als het saldo van de eindafrekening positief is, is er sprake geweest van vermogensvorming en kan de minister een vergoeding van de instelling vragen. De vergoeding kan nooit hoger zijn dan de omvang van het positieve saldo; wel kan de minister de vergoeding lager vaststellen. Dit zal hij in ieder geval doen als de instelling kan aantonen dat met eigen middelen investeringen zijn gepleegd. Dit geld behoort uiteraard niet terug te vloeien naar het Rijk. De voorziening in het derde lid houdt in dat bij een faillissement aan deelnemers een garantie wordt geboden dat zij hun opleiding, eventueel bij een andere instelling, kunnen afmaken. Die voorziening valt in beginsel helemaal onder de verantwoordelijkheid van de in moeilijkheden verkerende instelling, want het is niet aan rijksbeleid te wijten als een instelling de werkzaamheden zal moeten beëindigen.

Artikel 2.5.2. Beheer van de middelen

Dit artikel komt overeen met artikel 2.8.3 van de WEB. Het artikel verschaft de minister een instrument om bij te sturen als een instelling een onverantwoord financieel beleid voert dat het voortbestaan van de instelling – ook op langere termijn – kan bedreigen. Het artikel bevat de plicht voor het instellingsbestuur tot een behoorlijke exploitatie en legt het verzekeren van het voortbestaan van de instelling uitdrukkelijk vast. Dit artikel is een bekostigingsvoorwaarde, blijkt uit artikel 1.1.2. Inhouding van de bekostiging is daarom mogelijk bij niet-nakoming van deze zorgplicht.

Artikel 3.1. Handelingsplan

Dit artikel komt voor een groot deel overeen met artikel 2.2.8 van de WEB. Dit artikel regelt dat de deelnemer of indien de deelnemer minderjarig is de ouders, voogden of verzorgers samen met de instelling afspraken maken over de vormgeving van het onderwijs dat de deelnemer met een specifieke onderwijsbehoefte zal krijgen. Deze afspraken komen in een handelingsplan dat de instemming behoeft van de ouders. In het handelingsplan zal onder andere worden aangegeven hoe de deskundigheid van het expertisecentrum onderwijszorg ingezet zal worden.

Artikelen 3.2. Samenwerkingsverband

Doel van het in dit artikel genoemde samenwerkingsverband is om deelnemers met een specifieke onderwijsbehoefte deel te laten nemen aan het beroepsonderwijs. De vorm van een dergelijk samenwerkingsverband is niet geregeld, de opzet ervan wordt aan de deelnemende bevoegde gezagsorganen overgelaten. Het staat hen vrij om als samenwerkingsverband een rechtspersoon op te richten. Indien deze rechtspersoon geschikt is de taken van het expertisecentrum onderwijszorg uit te voeren, kan de minister het samenwerkingsverband op verzoek aanwijzen als een expertisecentrum onderwijszorg (artikel 3.4, eerste lid).

Het vijfde lid van dit artikel legt de verplichting neer om een geschillenregeling vast te stellen met het oog op het beslechten van geschillen tussen deelnemende organisaties die kunnen ontstaan over aangelegenheden die het samenwerkingsverband aangaan.

Zie verder de toelichting in paragraaf 7 onder «Samenwerkingsverband».

Artikel 3.3. Eilandelijk zorgplan

Dit artikel geeft aan dat de bevoegde gezagsorganen van de instellingen en de scholen die samenwerken in een samenwerkingsverband samen met het expertisecentrum onderwijszorg, jaarlijks gezamenlijk een eilandelijk zorgplan moeten opstellen. In dit zorgplan worden onder andere de activiteiten, de beoogde resultaten en de procedures om de resultaten te bereiken, neergelegd.

Zie verder de toelichting in paragraaf 7 onder «Eilandelijk zorgplan».

Artikel 3.4. Expertisecentrum onderwijszorg

De taak van het expertisecentrum is ruim geformuleerd: «het biedt deskundige ondersteuning aan leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte». Voor deze ruime formulering is gekozen omdat deze specifieke onderwijsbehoefte heel verschillend van aard kan zijn. De deskundige ondersteuning wordt op de aard van die behoefte afgestemd.

Uit de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag voor adequaat onderwijs voor zijn leerling gedurende het verblijf in dit centrum vloeit voort dat dit bevoegd gezag een ander bevoegd gezag of het centrum naar redelijkheid compenseert indien laatstgenoemden kosten maken voor deze leerling in het kader van die verantwoordelijkheid. Deze kosten hoeven pas te worden gecompenseerd indien dit naar het oordeel van het samenwerkingsverband nodig is. Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien een ander bevoegd gezag een bevoegde leraar «uitleent» die onderwijs geeft binnen het expertisecentrum onderwijszorg (zie het derde lid juncto het vierde lid).

De verantwoordelijkheid van de instelling voor de leerling gedurende verblijf in expertisecentrum, laat onverlet dat het bestuur van het expertisecentrum en het daar werkzame personeel ieder hun eigen professionele verantwoordelijkheid hebben voor de inhoud en wijze van uitoefening van hun taak. Daaruit vloeit voort dat het bestuur van het expertisecentrum een klachtenregeling maakt die aan dezelfde eisen voldoet en voor hetzelfde doel is geschreven als de regeling die voor scholen geldt.

Zie verder de toelichting in paragraaf 7 onder «Tweedelijnszorg in het expertisecentrum onderwijszorg».

Artikel 3.5. Subsidie expertisecentrum onderwijszorg

Zie voor de toelichting op dit artikel paragraaf 7 onder «Subsidie aan het expertisecentrum onderwijszorg».

Artikel 3.6 en 3.7. Toezicht expertisecentrum onderwijszorg en taakverwaarlozing door expertisecentrum onderwijszorg

Zie voor de toelichting op deze artikelen paragraaf 7 onder «Toezicht op overige taken van het expertisecentrum onderwijszorg».

Artikel 4.1.1. Directeur, docenten en onderwijsondersteunend personeel

In dit artikel wordt het personeel van een instelling onderverdeeld in de voorkomende functies.

Artikel 4.1.2. Benoeming, schorsing en ontslag

In dit artikel wordt geregeld dat het bevoegd gezag verantwoordelijk is voor de aanstelling, benoeming en het ontslag van het personeel van de instelling. Hiermee wordt aangegeven dat daar waar de Wet materieel ambtenarenrecht van toepassing is op het personeel van een instelling, voor het bevoegd gezag gelezen moet worden hetgeen in de WEB BES onder bevoegd gezag valt.

Artikel 4.1.3. Formatie

Dit artikel komt grotendeels overeen met artikel 4.1.1. van de WEB. Aan dat artikel is toegevoegd dat het bevoegd gezag het beleid met betrekking tot de formatie vast stelt met inachtneming van de daaromtrent bij eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, te geven nadere voorschriften. Hiermee is de invloed van het openbaar lichaam gewaarborgd.

Artikel 4.1.4. Rechtspositie personeel van een bijzondere instelling

Op de rechtspositie van het personeel dat werkzaam is op een openbare instelling op de BES zijn de bepalingen uit de Wet materieel ambtenarenrecht BES en de daarop berustende bepalingen rechtstreeks van toepassing. Dit personeel is immers ambtenaar in de zin van de Wet materieel ambtenarenrecht BES. Omdat deze regelgeving niet ziet op het personeel van een bijzondere instelling op de BES, bepaalt dit artikel dat deze regelgeving van overeenkomstige toepassing is op het personeel van een bijzondere instelling. De bepalingen uit de Wet materieel ambtenarenrecht BES en de daarop berustende bepalingen zijn niet (direct) van toepassing verklaard, omdat de aard van sommige artikelen die gelden voor ambtenaren zich daartegen kan verzetten. Zo is de bepaling dat een ambtenaar de eed of belofte moet afleggen niet relevant voor het personeel van een bijzondere instelling.

Artikel 4.1.5. Afwijking nationaliteitsvereiste

Dit artikel regelt dat de eis van het Nederlanderschap uit de Wet materieel ambtenarenrecht BES niet geldt voor het personeel van een school, omdat nationaliteit geen rol speelt voor de werkzaamheden op een school.

Artikel 4.1.6. Salarissen en toelagen personeel

Dit artikel regelt dat het eilandsbestuur een regeling vaststelt voor de salarissen en toelagen van het onderwijspersoneel. Het tweede lid is opgenomen ten behoeve van de inspraak die een vertegenwoordiging van het onderwijspersoneel moet hebben.

Artikel 4.1.7. Akte van benoeming

Dit artikel omvat eisen waar de akte van benoeming aan moet voldoen. De akte van benoeming heeft betrekking op bijzonder onderwijs terwijl de akte van aanstelling behoort tot het openbaar onderwijs. Op de akte van aanstelling ziet artikel 11 van de Wet materieel ambtenarenrecht BES. Het tweede lid van artikel 4.1.7 bepaalt dat de akte van benoeming ten minste de bepalingen van gelijke inhoud zijn als de bepalingen die zijn vastgesteld in artikel 11 van de Wet materieel ambtenarenrecht BES. Een akte van benoeming moet zowel door het personeelslid als het bevoegd gezag ondertekend zijn.

Artikel 4.1.8. Disciplinaire maatregel, schorsing en ontslag door Rijksvertegenwoordiger

In afwijking van de hoofdregel uit artikel 4.1.2. bepaalt dit artikel dat niet het bevoegd gezag over het opleggen van een disciplinaire straf of schorsing dan wel het verlenen van ontslag gaat, maar de Rijksvertegenwoordiger. Deze uitzondering geldt alleen indien een directeur, een adjunct-directeur of een ander lid van het onderwijzend personeel van een openbare instelling lid is van de eilandsraad die de instelling in stand houdt.

Titel 2. Vereisten benoeming of tewerkstelling (artikelen 4.2.1 t/m 4.2.5)

Deze artikelen komen voor het grootste deel overeen met de artikelen 4.2.1 tot en met 4.2.5 van de WEB. De artikelen wijken op een aantal punten af. Een van de vereisten voor elke benoeming in het onderwijs is het overleggen van een geldige verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Omdat op de BES-eilanden een «eigen» wet gaat gelden, de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES, moet die verklaring op grond van deze laatste wet zijn afgegeven. Vereist is ook een getuigschrift waaruit blijkt dat is voldaan aan de bekwaamheidseisen.

Artikel 4.3.1. Vereiste benoembaarheid overig personeel

Dit artikel komt voor een groot deel overeen met artikel 4.2a.1 van de WEB. In dit artikel is net als in artikel 4.2.1 een verwijzing naar de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES opgenomen.

Artikel 5.1. Medezeggenschap

Dit artikel geeft de medezeggenschap op scholen weer. Het artikel geeft aan dat het bevoegd gezag een representatief te achten vertegenwoordiging van ouders en personeel ten minste twee maal per jaar in de gelegenheid moet stellen de algemene gang van zaken in de school met hem te bespreken. Deze vertegenwoordiging komt ook samen als daarom wordt verzocht door de vertegenwoordigers tezamen. Op dit moment is er nog geen sprake van medezeggenschap zoals die in het Europese deel van Nederland bestaat. Om de eilanden niet te overvragen zal dit artikel niet direct in werking treden. Er wordt naar gestreefd dit artikel binnen twee jaar in werking te laten treden.

Artikel 6.1.1. Centraal register beroepsonderwijs BES

Het register omvat een systematisch overzicht van de beroepsopleidingen die door de afzonderlijke instellingen worden verzorgd onder vermelding van een aantal essentiële gegevens, daaronder begrepen gegevens omtrent de kwaliteit. Onderdeel daarvan is dat in dit register wordt bijgehouden welke instellingen en exameninstellingen het recht hebben op examinering (zie artikel 6.2.4 en 6.3.1).

Artikelen 6.2.1. Beëindiging van rechten erkenning beroepsopleidingen

Erkenningen van beroepsopleidingen vervallen indien een instelling aangeeft de betreffende opleiding niet meer te verzorgen of indien de minister de erkenning intrekt. Het eerste lid regelt het laten vervallen van een erkenning door een instelling.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel bestaat voor de minister de mogelijkheid de erkenning van een beroepsopleiding in te trekken wanneer de kwaliteit van een opleiding onvoldoende is dan wel de instelling essentiële voorschriften die met het oog op kwaliteit van het onderwijs gesteld zijn, niet naleeft. Bij het besluit van de minister om een erkenning in te trekken zal hij rekening moeten houden met de deelnemers aan de betreffende opleiding. Het tijdstip waarop de beschikking die de minister geeft van kracht zal worden moet zodanig gekozen worden dat de voor de opleiding ingeschreven deelnemers de beoogde opleiding nog kunnen voltooien of dat deze deelnemers deze opleiding aan een andere instelling binnen de daarvoor gestelde tijd kunnen voltooien.

In het derde lid is geregeld dat als een erkenning door de minister wordt ingetrokken de aanspraak op bekostiging vervalt en er geen diploma’s of certificaten met civiel effect meer verstrekt kunnen worden. Verder wordt ook de registratie in het Centraal register beëindigd. Hierdoor blijft het Centraal register actueel.

Artikel 6.2.2. Beëindiging van rechten erkenning opleiding educatie

Dit artikel lijkt in grote mate op artikel 6.2.1. Ook erkenningen van opleidingen educatie vervallen indien een instelling aangeeft de betreffende opleiding educatie niet meer te verzorgen of indien de minister de erkenning intrekt. Het eerste lid regelt het laten vervallen van een erkenning door een instelling.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel bestaat voor de minister de mogelijkheid de erkenning van een opleiding educatie in te trekken wanneer de kwaliteit van een opleiding onvoldoende is dan wel de instelling essentiële voorschriften die met het oog op kwaliteit van het onderwijs gesteld zijn, niet naleeft. Ook bij het besluit van de minister om een erkenning in te trekken zal hij rekening moeten houden met de deelnemers aan de betreffende opleiding. Het tijdstip waarop de beschikking die de minister geeft van kracht zal worden moet zodanig gekozen worden dat de voor de opleiding ingeschreven deelnemers de beoogde opleiding nog kunnen voltooien of dat deze deelnemers deze opleiding aan een andere instelling binnen de daarvoor gestelde tijd kunnen voltooien.

In het derde lid is geregeld dat als een erkenning door de minister wordt ingetrokken er geen diploma’s of certificaten met civiel effect meer verstrekt kunnen worden voor deze opleiding.

Artikel 6.2.3 Waarschuwing

Aan de intrekking van een erkenning gaat een waarschuwingsprocedure vooraf waarin de instelling tenminste een jaar de tijd krijgt om orde op zaken te stellen. De minister kan eerst ingrijpen wanneer het bevoegd gezag van die gelegenheid niet of onvoldoende gebruik maakt. Dit artikel geldt zowel voor het intrekken van een erkenning voor een beroepsopleiding als voor een erkenning voor een opleiding educatie.

Artikel 6.2.4. Ontneming recht op examinering instellingen; waarschuwing

De minister kan op grond van artikel 6.2.4 aan een instelling bij onvoldoende examenkwaliteit het recht op examinering van een beroepsopleiding ontnemen. De minister moet evenwel, net als bij andere sanctiemogelijkheden het geval is, telkens een bestuurlijke afweging maken. Bij deze afweging kan rekening gehouden worden met bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld de onmogelijkheid om tijdig het afnemen van examens uit te besteden.

Bij het besluit wordt tevens het tijdstip bepaald waarop de sanctie ingaat. In het merendeel van de gevallen zal dat zijn met ingang van het eerstkomende studiejaar. Op grond van artikel 6.1.1 zal de minister de ontneming van het recht op examinering van een beroepsopleiding bij een instelling in het Centraal register vermelden.

In alle gevallen gaat aan een sanctie een waarschuwing van de minister vooraf (zie het tweede lid). Dit zal zich bijvoorbeeld voordoen wanneer een instelling een voorwaardelijke verklaring heeft gekregen; de instelling dient dan binnen het eerstvolgende jaar de geconstateerde tekortkomingen weg te werken.

Het is de bedoeling dat instellingen zelf de kwaliteit bewaken en deze waar nodig verbeteren dan wel het afnemen van examens uitbesteden. Aangezien de minister niet jaarlijks alle examens van alle beroepsopleidingen even intensief zal onderzoeken, moet worden voorkomen dat een instelling een afwachtende houding aanneemt. Met het oog op een goede waarborg voor de kwaliteit van de examens dient de sanctie daarom tamelijk stevig te zijn.

Als het bevoegd gezag van een (examen)instelling van mening is dat men weer in staat is het examen van de desbetreffende beroepsopleiding zelf af te nemen, kan conform artikel 6.2.4, derde lid, op zijn vroegst drie volledige studiejaren na het ingaan van de sanctie, het recht op examinering opnieuw worden verkregen. Indien het recht wordt ontnomen in de herfst van enig jaar, duurt het dus een kleine vier kalenderjaren alvorens het recht terug kan worden verkregen. Om het recht opnieuw te verkrijgen, moet de instelling een aanvraag indienen.

Artikel 6.2.5. Maatregelen

De minister kan voor alle instellingen maatregelen treffen, op verzoek of uit eigen beweging in overleg met de instelling. Het ligt in de rede dat voor niet bekostigde instellingen een stimulerende maatregel geen financiële ondersteuning zal inhouden.

Voor zover maatregelen het verstrekken van financiële middelen betreffen, zullen daarvoor in een ministeriële regeling nadere regels worden gesteld voor de toekenning en verantwoording. Daarbij zal door de inspectie toezicht worden gehouden op de wijze waarop de instelling de extra toegekende middelen aanwendt en of dit inderdaad leidt tot de beoogde kwaliteitsverbetering.

Artikel 6.3.1. Ontneming recht op examinering exameninstellingen; waarschuwing

Ook aan exameninstellingen kan de minister indien de kwaliteit van de examens van die opleiding niet voldoet aan de standaarden, bedoeld in artikel 7.4.5 het recht op examinering ontnemen. Hiervoor is artikel 6.2.4 van overeenkomstige toepassing verklaard. Anders dan in het Europese deel van Nederland wordt in dit artikel ook de mogelijkheid opgenomen om externe deskundigen in te schakelen indien de kwaliteit van de examens van die instelling niet voldoet aan de standaarden bedoeld in artikel 7.4.5. Hierdoor kan de minister in dergelijke gevallen de hulp van een andere exameninstelling inschakelen. Om deze mogelijkheid open te stellen is artikel 6.2.5 van overeenkomstige toepassing verklaard op exameninstellingen.

Artikel 7.1.1. Taal

Dit artikel regelt dat het Nederlands de taal is waarin het onderwijs wordt gegeven. Hiervan kan afgeweken worden bij het geven van de assistentenopleiding. Op Bonaire kan ook lesgegeven en geëxamineerd worden voor deze opleiding in het Papiaments. Op Saba en Sint Eustatius is naast het Nederlands ook het Engels toegestaan voor deze opleiding. De keuze voor de taal is aan het bevoegde gezag en dient goed onderbouwd vastgelegd te zijn in de onderwijs- en examenregeling.

Artikel 7.1.2. Opleidingen en onderwijseenheden

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 7.1.2 van de WEB. Deze bepaling regelt enkele belangrijke structuurkenmerken van het onderwijs: de opleidingsvorm, de aanduiding van de opleiding, en de afsluiting/toetsing. Onderwijs moet de vorm hebben van opleidingen. Expliciet is in het eerste lid bepaald dat de naam van de beroepsopleiding zoals door de instelling gebezigd in het maatschappelijk verkeer, overeen moet stemmen met de aanduiding van die opleiding in het Centraal register. Complementair is in hoofdstuk 10 een strafbepaling opgenomen voor het geval derden zich ten onrechte bedienen van de aanduiding van in het Centraal register opgenomen opleidingen.

Een opleiding is een samenhangend geheel van onderwijseenheden gericht op verwezenlijking van vastbepaalde doelstellingen dan wel gericht op het bepalen van een diploma voortgezet onderwijs, afgesloten met een examen. Het gaat hier behalve om beroepsopleidingen ook om opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo), die gericht kunnen zijn op het behalen van delen van diploma's voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, hoger algemeen voortgezet onderwijs en voorbereidend wetenschappelijk onderwijs. Op dit moment is er op de BES nog geen sprake van vavo. De WEB BES houdt echter de mogelijkheid open dat er na verloop van tijd ook op de BES vavo komt. Een onderwijseenheid is de kleinste «bouwsteen» van een beroepsopleiding. Eén of meer onderwijseenheden leiden tot een deelkwalificatie (als bedoeld in art. 7.2.3). Een beroepsopleiding bestaat weer uit deelkwalificaties. Een deelkwalificatie is op haar beurt weer een combinatie van eindtermen.

Het examen is de normale afsluiting van opleidingen in de zin van de WEB. Een toets is een afsluiting van een deelkwalificatie. Een toets is een ruim begrip: een toets kan een beoordeling aan de hand van schriftelijke vragen zijn, maar ook andere vormen van afsluiting kunnen worden toegepast, zoals een beoordeling aan de hand van een verslag, een werkstuk of een praktisch werk.

Artikel 7.1.3. Eindtermen

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 7.1.3 van de WEB. De doelstellingen van het onderwijstraject worden geformuleerd als eindtermen, een omschrijving van de vereisten die aan het kennen en kunnen van de deelnemers die de opleiding hebben voltooid mogen worden gesteld. Die vereisten hebben betrekking op het maatschappelijk en beroepsmatig functioneren. Bij opleidingen educatie ligt het accent op het maatschappelijk functioneren, bij beroepsopleidingen op het beroepsmatig functioneren.

Artikel 7.2.1. Reikwijdte

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 7.2.1 van de WEB. De artikelen van titel 2 gelden alleen voor beroepsopleidingen, zo volgt uit dit artikel.

Artikel 7.2.2. Onderscheid beroepsopleidingen; niveau; leerwegen

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 7.2.2 van de WEB. Dit artikel bevat het opleidingenmodel waarin het geheel van soorten opleidingen voor de onderscheiden kwalificatieniveaus is opgenomen.

Artikel 7.2.3. Deelkwalificaties

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 7.2.3 van de WEB. In aanvulling op art. 7.1.3 bepaalt dit artikel dat het totaal van eindtermen voor beroepsopleidingen is onderverdeeld in deelkwalificaties. Een combinatie van enkele eindtermen vormt een deelkwalificatie.

Artikel 7.2.4. Landelijke kwalificatiestructuur; eindtermen beroepsonderwijs

Dit artikel regelt dat de minister aangeeft welke opleidingen uit de kwalificatiestructuur op de BES verzorgd kunnen worden. De minister zal voordat hij tot deze vaststelling komt de raad om advies vragen. Voor de BES zal gebruik worden gemaakt van de beroepsopleidingen, respectievelijk kwalificatiedossiers die deel uitmaken van de kwalificatiestructuur van het Europese deel van Nederland. Overigens zal het aanbieden van competentiegerichte opleidingen slechts worden goedgekeurd indien de instelling die de opleiding aanvraagt, daaraan toe is. De kwalificatiestructuur is een geheel van kwalificaties voor beroepsopleidingen die voor de beroepspraktijk van betekenis zijn en die dient als leidraad voor het middelbaar beroepsonderwijs.

Artikel 7.2.5. Beroepsvereisten

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 7.2.6 van de WEB. Dit artikel strekt tot waarborg dat de eindtermen voor opleidingen die voorbereiden op de uitoefening van een wettelijk geregeld beroep zodanig zijn geformuleerd dat voldaan kan worden aan de eisen die de betreffende wettelijke regeling voor de beroepsuitoefening stelt. De uit andere wetten en regelingen voortvloeiende beroepsvereisten betreffen namelijk niet altijd alleen de eindtermen, maar soms ook de examinering van beroepsopleidingen.

Artikel 7.2.6. Inrichting opleidingen

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 7.2.7 van de WEB. Dit artikel regelt het onderscheid tussen voltijdse en deeltijdse beroepsopleidingen. Centraal daarin staat een studielast van 1600 uren of meer en een minimum van 850 uren «in instellingstijd verzorgd onderwijsprogramma.» Opleidingen die daaraan voldoen zijn voltijds, de overige zijn deeltijds. Het vierde lid geeft een globale omschrijving van de activiteiten die moeten worden gerekend tot het in instellingstijd verzorgd onderwijsprogramma. Daaronder valt ook de tijd waarin een deelnemer bij het expertisecentrum onderwijszorg onderwijs ontvangt. Zoals in de toelichting in paragraaf 7 onder«Tweedelijnszorg in het expertisecentrum onderwijszorg» is aangegeven blijven deelnemers ingeschreven bij de instelling voor beroepsonderwijs die verantwoordelijk blijft voor het onderwijs en de voorzieningen die daarbij horen.

Artikel 7.2.7. De beroepspraktijkvorming

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 7.2.8 van de WEB. Het uitgangspunt dat in dit artikel is neergelegd vindt voor de onderscheiden opleidingstypen een nadere toespitsing in artikel 7.2.2. Het onderricht in de praktijk van het beroep vindt plaats in en door de desbetreffende bedrijven op voet van een overeenkomst. Tijdens de praktijkperiode staat het onderricht in de praktijk van het beroep centraal. De deelnemer is en blijft deelnemer aan de instelling waar het onderwijs wordt gevolgd.

Artikel 7.2.8. Totstandkoming praktijkovereenkomst; vervangende praktijkplaats

Dit artikel is inhoudelijk gelijk aan artikel 7.2.9 van de WEB met dien verstande dat het «Kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven» vervangen is door de raad. Zoals uit artikel 1.1.1 blijkt wordt hiermee de Raad onderwijs arbeidsmarkt bedoeld. Het artikel legt de verantwoordelijkheid voor de beschikbaarheid van praktijkplaatsen en voor het sluiten van de praktijkovereenkomst bij de instelling. Ook moet de instelling zorgen voor een vervangende praktijkplaats als er wat mis gaat.

Artikel 7.2.9. Kwaliteitszorgsysteem; beoordeling van praktijkplaatsen

Dit artikel komt overeen met artikel 7.2.10 van de WEB met dien verstande dat het kenniscentrum beroepsonderwijs is vervangen door de raad. het artikel zorgt ervoor dat onderwijsinstellingen en deelnemers zich er vooraf van kunnen vergewissen dat een beoogde praktijkplaats geschikt is voor het bereiken van de voor de praktijkperiode gestelde doeleinden. Daarom is voorgeschreven dat de raad de praktijkplaatsen regelmatig beoordeelt en daarvoor criteria publiceert. Alleen gunstig beoordeelde bedrijven en organisaties mogen de beroepspraktijkvorming verzorgen. De uitvoering van art. 7.2.9 houdt in dat de raad een register moet bijhouden en openbaar maken van «geaccrediteerde» leerbedrijven.

Artikel 7.3.1. Onderscheid opleidingen educatie

Dit artikel komt in grote mate overeen met artikel 7.3.1 van de WEB. Het artikel is aangepast aan de situatie op de BES. De wijze waarop de opleidingen Nederlands als tweede taal zijn uitgesplitst in het Europese deel van Nederland is niet in de wet opgenomen. In het Europese deel van Nederland is dit onderscheid in niveaus in de WEB opgenomen, gelet op het feit dat voor inburgeringscursussen niveau A gold. Het ligt voor de hand deze niveaus, die aansluiten bij de referentieniveaus Nederlands, voor de BES over te nemen in de in het derde lid voorziene algemene maatregel van bestuur.

Artikel 7.3.2. Eindtermen opleidingen educatie

De inhoud van dit artikel komt voor een groot deel overeen met artikel 7.3.3. van de WEB. Het artikel geeft de grondslag voor een facultatieve ministeriële regeling waarin de eindtermen van de opleidingen educatie worden bepaald.

De minister kan dus bepalen welke opleidingen in elk geval behoren tot de opleidingen, gericht op breed maatschappelijk functioneren, tot de opleidingen Nederlands als vreemde taal en tot de opleidingen, gericht op sociale redzaamheid. Doet de minister dat, dan kan hij voor die opleidingen ook de eindtermen vaststellen. Wijst de minister een opleiding niet aan dan geeft het tweede lid aan dat het bevoegd gezag van de instelling zelf tot taak heeft eindtermen vast te stellen. Voor de opleidingen vavo worden geen eindtermen vastgesteld omdat daarvoor op grond van de WVO BES al examenvoorschriften gelden.

Artikel 7.3.3. Inrichting voortgezet algemeen volwassenenonderwijs

Dit artikel komt voor een groot deel overeen met artikel 7.3.4 van de WEB. In het derde lid wordt echter niet gesproken van deelnemers met een niet-Nederlandse culturele achtergrond. In het derde lid is in plaats daarvan bepaald dat wanneer de herkomst van de deelnemers daartoe noodzaakt, het onderwijs kan worden gegeven in de taal van het land van oorsprong van die deelnemers. Zoals hiervoor is opgemerkt, is er geen vavo op de BES. Dit artikel zal daarom ook niet direct in werking treden. Er wordt naar gestreefd dit artikel in de loop van 2012 in werking te laten treden.

Artikel 7.4.1. Reikwijdte

Dit artikel komt in grote mate overeen met artikel 7.4.1 van de WEB. Het verschil is dat ook in dit artikel niet gesproken wordt van opleidingen Nederlands als tweede taal maar van opleidingen Nederlands als vreemde taal. Zie ook de toelichting bij artikel 7.3.1. Het artikel regelt dat paragraaf 1 van titel 4 niet geldt voor opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en opleidingen Nederlands als vreemde taal. Bepalingen over die opleidingen staan in de tweede paragraaf van titel 4.

Artikel 7.4.2. Algemene bepalingen inzake examens

Dit artikel komt in grote mate overeen met artikel 7.4.2 van de WEB. Het vierde lid van artikel 7.4.2. WEB is niet overgenomen. In dat lid staat dat bij algemene maatregel van bestuur kortere termijnen kunnen worden bepaald dan in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan. De Awb zal in de BES niet gelden. De mogelijkheid tot afwijken van deze Awb-termijnen hoeft daarom niet overgenomen te worden. Het eerste lid strekt de deelnemers tot waarborg dat zij in de gelegenheid gesteld worden om examen af te leggen. Het examen omvat een onderzoek als bedoeld in het tweede lid. Ten bewijze dat een examen met succes is voltooid ontvangt de deelnemer een diploma.

Artikel 7.4.3. Examens beroepsopleidingen

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 7.4.3 van de WEB. In het eerste lid is bepaald dat het examen (de optelsom van toetsen) formeel alleen kan worden afgelegd indien sprake is van een gunstige beoordeling door het betrokken bedrijf, c.q. de betrokken organisatie van de beroepspraktijkvorming. Het tweede lid geeft aan dat het examen bestaat uit onderdelen die overeenkomen met de deelkwalificaties. Het derde lid geeft aan dat deelnemers die in het bezit zijn van een certificaat van een andere instelling zijn vrijgesteld van het daarmee overeenkomende examenonderdeel.

Artikel 7.4.4. Centrale examinering onderdelen beroepsopleidingen

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 7.4.3a van de WEB. Dit artikel geeft de grondslag om onderdelen van beroepsopleidingen aan te wijzen en voorschriften te geven over de examinering daarvan.

Artikel 7.4.5. Kwaliteitsstandaarden

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 7.4.4 van de WEB. Dit artikel schrijft voor dat de minister landelijke standaarden vaststelt voor de kwaliteit van de beroepsexamens en waarop die standaarden betrekking moeten hebben.

De standaarden gaan over de kwaliteit van de examenproducten en de kwaliteit van het examenproces. Bij de productstandaarden gaat het om het antwoord op de vraag: wanneer is het examen naar inhoud en niveau voldoende afgestemd op de eindtermen en het niveau van de betreffende (deel)kwalificatie?

Bij de procedurestandaarden gaat het om het antwoord op de vraag: wanneer wordt het examen op een goede manier georganiseerd en afgenomen?

Artikel 7.4.6. Examinering door andere instellingen of exameninstellingen

Dit artikel komt grotendeels overeen met artikel 7.4.4a van de WEB. In dit artikel wordt geregeld dat een instelling het afnemen van examens van een bepaalde opleiding mag uitbesteden en in sommige gevallen zelfs moet uitbesteden aan een andere onderwijsinstelling dan wel aan een exameninstelling.

Artikel 7.4.7. Examencommissie

Dit artikel komt overeen met artikel 7.4.5 van de WEB. De examens worden afgenomen onder verantwoordelijkheid van een examencommissie. De examencommissie wijst examinatoren aan die de toetsen en (onderdelen) van de examens afnemen onder verantwoordelijkheid van de examencommissie. Deze examinatoren hebben geen eigen bevoegdheden: zij zijn belast met de uitvoering van de taken namens de examencommissie die onder de door de commissie geformuleerde voorwaarden worden uitgevoerd. Het bevoegd gezag kan voor examens van opleidingen, die naar hun aard en inhoud samenhang hebben, één examencommissie instellen.

Artikel 7.4.8. Bewijsstukken van afgelegde toetsen, examenonderdelen en examens

Dit artikel komt grotendeels overeen met artikel 7.4.6 van de WEB. Ingevolge het voorgestelde artikel worden de volgende documenten afgegeven:

  • 1. een – niet nader aangeduid – bewijsstuk, als het gaat om een toets of om een examenonderdeel dat geen betrekking heeft op een deelkwalificatie; dit betreft zowel de opleidingen beroepsonderwijs als de opleidingen educatie;

  • 2. een certificaat voor een examenonderdeel dat een deelkwalificatie betreft; dit betreft uitsluitend de opleiding beroepsonderwijs;

  • 3. een diploma, indien het betreft het examen van een opleiding;

  • 4. een verklaring, indien het betreft een voltooide opleiding educatie.

Het examen van een opleiding educatie leidt dus nimmer tot een diploma. Een diploma wordt minder passend geoordeeld bij opleidingstypen als sociale redzaamheid en breed maatschappelijke functioneren, want daarvoor kan men zich bezwaarlijk « kwalificeren» in een bij diplomering passende zin.

Ter bevordering van de maatschappelijke herkenbaarheid en acceptatie van de opleidingen is in het vierde lid bepaald dat de minister voor de opleidingen een model vaststelt voor de af te geven diploma's en certificaten, niet voor de verklaringen. Het vaststellen van het model van de verklaringen wordt overgelaten aan de instelling.

Artikel 7.4.9. Onderwijs- en examenregeling

De onderwijs- en examenvoorschriften voor elke opleiding zijn, gelet op de samenhang tussen het onderwijs en de examens en mede uit oogpunt van kenbaarheid, geïntegreerd in één document. Het bevoegd gezag geeft bij de daarvoor in aanmerking komende onderdelen de relatie met de eindtermen aan zodat inzichtelijk is langs welke weg de instelling die doelstellingen wenst te bereiken.

Artikel 7.4.10. Deelnemersstatuut

Dit artikel komt overeen met het vierde lid van artikel 7.4.8. van de WEB. In het artikel is een deelnemersstatuut verplicht gesteld. Hierin worden alle rechten en plichten van de deelnemers (met betrekking tot de inschrijving, het onderwijs, de beroepspraktijkvorming, de examens en dergelijke) opgenomen. Om de instellingen niet te veel verplichtingen ineens op te leggen, is ervoor gekozen deze verplichting pas in te laten gaan in de loop van 2012.

Artikel 7.4.11. Studiegids

Uit oogpunt van goede voorlichting dient het bevoegd gezag de onderwijs- en examenregeling voor de aanvang van het studiejaar bekend te maken. Daartoe is voorgeschreven dat een studiegids beschikbaar komt die in elk geval alle onderwijs- en examenregelingen omvat. Ook andere voor belangstellenden relevante informatie over de instelling zal in de studiegids opgenomen worden. Met het oog op het niet overvragen van de instellingen is ervoor gekozen dit artikel niet direct in werking te laten treden. Er wordt naar gestreefd dit artikel in 2016 in werking te laten treden.

Artikel 7.4.12. Reikwijdte

Dit artikel komt grotendeels overeen met artikel 7.4.10 van de WEB. Het artikel bepaalt dat de tweede paragraaf van titel 4 van toepassing is op opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en de opleidingen Nederlands als vreemde taal. Het verschil met artikel 7.4.10 van de WEB is dat «Nederlands als tweede taal I en II» vervangen is door «Nederlands als vreemde taal». Zie ook de toelichting bij artikel 7.3.1. Aangezien er thans geen vavo wordt gegeven en geen opleidingen Nederlands als vreemde taal worden verzorgd, zal dit artikel later – in de loop van 2012 – in werking treden.

Artikel 7.4.13. Examenregeling opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en opleidingen Nederlands als vreemde taal

Dit artikel komt overeen met artikel 7.4.11 van de WEB met dien verstande dat «Nederlands als tweede taal I en II» vervangen is door «Nederlands als vreemde taal». Zie ook de toelichting bij artikel 7.3.1. In het artikel is bepaald dat de regeling van de examencommissies die voor de overige opleidingen educatie is neergelegd in artikel 7.4.7, op overeenkomstige wijze geldt voor vavo en Nederlands als vreemde taal. De examenvoorschriften voor vavo en Nederlands als vreemde taal worden bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. Wie een onderdeel van het examen Nederlands als tweede taal met goed gevolg aflegt, krijgt een certificaat, geen diploma. Wie een vavo-examen met goed gevolg aflegt, ontvangt een diploma.

Artikel 7.5.1. Commissie van beroep voor de examens

In deze bepalingen is een beroepsgang ter zake van examenbeslissingen geregeld. De beroepsgang biedt de deelnemers een mogelijkheid om op zeer korte termijn en «dicht bij huis» een voorziening tegen beslissingen van de examencommissie en examinatoren te vragen.

Artikel 7.5.2. Inlichtingen

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 7.5.4 van de WEB. Het artikel bepaalt dat de leden van de examencommissie en de examinatoren aan de commissie van beroep voor de examens alle inlichtingen verstrekt die de commissie van beroep nodig acht om haar taak uit te kunnen voeren.

Artikel 7.6.1. Practicumplaatsen voor studenten in opleiding

Dit artikel komt overeen met artikel 7.7.1 van de WEB met dien verstande dat de leden 3, 4 en 6 uit een oogpunt van vereenvoudiging niet zijn overgenomen. Dit artikel zorgt ervoor dat studenten aan lerarenopleidingen ervaring kunnen opdoen aan een instelling. Deze studenten moeten in beginsel tot een instelling worden toegelaten. Het derde lid maakt een uitzondering op die plicht tot toelaten mogelijk.

Artikel 8.1.1. Inschrijving

Dit artikel komt in grote mate overeen met artikel 8.1.1 van de WEB.

Het eerste lid regelt de inschrijvingsplicht: ieder die gebruik wenst te maken van de onderwijs- en examenvoorzieningen dient zich te laten inschrijven. De inschrijving geschiedt voor een opleiding, of onderdeel daarvan, voor de gehele cursusduur, dus niet per studiejaar. Voor alle duidelijkheid wordt erop gewezen dat de inschrijving niet plaats vindt naar, maar wel onder aanduiding van, een afzonderlijke leerweg. Ook kan men zich als examendeelnemer laten inschrijven. Dan wenst men uitsluitend te worden toegelaten tot de examenvoorzieningen van de instelling. Voor de inschrijving als examendeelnemer kan het bevoegd gezag een vergoeding vragen. Uit het tweede lid blijkt dat inschrijving alleen open staat voor zover wordt aangetoond dat de aspirant-deelnemer aan een aantal voorwaarden voldoet met betrekking tot zijn «status» (Nederlander of vreemdeling). Het derde lid geeft aan dat als na de inschrijving blijkt dat aan deze voorwaarden niet is voldaan de onderwijsovereenkomst tussen het bevoegd gezag en de deelnemer onmiddellijk ontbonden wordt.

Het vijfde lid geeft aan dat het bevoegd gezag besluit over de toelating: er is geen sprake van een toelatingsrecht. Een uitzondering is daarbij gemaakt voor de inschrijving tot de assistentopleiding en de basisberoepsopleiding: die inschrijving staat in beginsel open voor eenieder. Op de nominatieve gronden is een weigering of verwijdering mogelijk. Zie hiervoor het zevende lid. Ook deze deelnemers moeten overigens wel de «status» van het tweede lid hebben. Het zesde lid bepaalt dat de toelating tot beroepsopleidingen voor zover het de deelneming aan de beroepsbegeleidende leerweg daarvan betreft, uitsluitend openstaat voor degenen die de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt. Het achtste lid bevat een voorschrift voor de toelating tot opleidingen educatie. Toelaatbaar tot die opleidingen zijn uitsluitend volwassenen.

Artikel 8.1.2. Samenwerking met VO-scholen ter bevordering van doelmatig en doeltreffend onderwijs

Dit artikel komt overeen met artikel 2.6aa. van de WEB. Dit artikel in combinatie met artikel 25a Wet Voortgezet Onderwijs BES geeft BVE-instellingen de ruimte om als deelnemer ook toe te laten VO-leerlingen die hun VO-opleiding willen afmaken met hulp van die BVE-instelling.

Artikel 8.1.3. Te verstrekken gegevens bij inschrijving

Dit artikel is gelijkluidend aan 8.1.1a van de WEB. Dit artikel regelt dat bij de inschrijving een aantal gegevens en het zogenaamde persoonsgebonden nummer BES van de deelnemer moeten worden overlegd aan de instelling. Ook regelt het artikel wat er moet gebeuren als de deelnemer niet over een persoonsgebonden nummer BES beschikt. Zoals hiervoor reeds is opgemerkt, kan voorlopig nog geen gebruik gemaakt worden van een persoonsgebonden nummer BES. Bepalingen over het persoonsgebonden nummer BES zullen daarom nog niet in werking treden.

Artikel 8.1.4. Nadere voorschriften toelating

Dit artikel komt overeen met artikel 8.1.2. van de WEB. Het eerste lid van dit artikel strekt tot garantie dat deelnemers in de gelegenheid zijn om onderwijs te volgen ook al ontbreekt een openbare instelling in de nabijheid. Het tweede lid formuleert de algemene toegankelijkheid van het openbaar onderwijs.

Artikel 8.1.5. Onderwijsovereenkomst

Dit artikel komt grotendeels overeen met artikel 8.1.3 van de WEB. Dit artikel schrijft het sluiten van een onderwijsovereenkomst tussen deelnemer en instelling voor, en regelt welke zaken daar in elk geval in geregeld moeten worden. Belangrijkste onderdelen zijn de inhoud en de inrichting van het onderwijs en de examenvoorzieningen. Zonder zo'n overeenkomst is inschrijving voor een opleiding niet toegestaan. Artikel 8.1.3, derde lid, onderdeel d en e van de WEB zijn niet overgenomen. Deze onderdelen geven aan dat de terugbetaling van voorschotten op geldelijke bijdragen en terugbetaling van cursusgeld onderwerpen zijn die in het Europese deel van Nederland onderdeel moeten zijn van de onderwijsovereenkomst. In de BES zal geen sprake zijn van een te betalen geldelijke bijdrage. In de onderwijsovereenkomst hoeven hierover dus ook geen bepalingen opgenomen te worden. De bepaling in het zesde lid van artikel 8.1.3 van de WEB dat na 8 weken zonder succes zoeken naar een geschikte school of instelling overgegaan kan worden tot definitieve verwijdering van de deelnemer waarop de leerplichtwet 1969 van toepassing is, is niet overgenomen. De reden hiervoor is dat er rekening wordt gehouden met de schaalgrootte van de eilanden en het daarmee samenhangende kleine aantal scholen. Er kan dus slechts tot definitieve verwijdering overgegaan worden nadat het bevoegd gezag ervoor heeft zorg gedragen dat een andere instelling, bereid is de deelnemer toe te laten.

Artikel 8.1.6. Onderwijsbijdragen

Dit artikel geeft aan dat de inschrijving van deelnemers op de BES niet afhankelijk wordt gesteld van een geldelijke bijdrage. Een instelling kan een vrijwillige bijdrage van een deelnemer vragen. Over deze bijdrage worden dan afspraken gemaakt in de onderwijsovereenkomst.

Artikel 8.1.7. Controle op langdurige afwezigheid

Dit artikel komt overeen met artikel 8.1.7 van de WEB. Dit artikel gaat over de aanwezigheidscontrole op deelnemers in relatie tot hun aanspraak op studiefinanciering. De studerende waarvan is gebleken dat deze zonder geldige reden langer dan 5 weken afwezig is gebleven, krijgt een sanctie op het gebied van zijn studiefinanciering. Indien de afwezigheid in totaal meer dan 8 weken voortduurt, wordt voorzien in een nog zwaardere sanctie voor de studiefinanciering.

Artikel 8.1.8. Melding in verband met voortijdig schoolverlaten niet-leerplichtigen

Artikel 8.1.8 omschrijft de inhoud van het begrip «voortijdig schoolverlater». In samenhang bezien, bevatten deze artikelen het beleid ten aanzien van de bestrijding van de «drop out» problematiek van leerlingen die niet meer leerplichtig zijn en niet op de arbeidsmarkt zijn toegetreden. Een centrale rol in dit beleid wordt opgedragen aan het bestuurscollege van elk van de BES-eilanden, dat tot taak heeft om voortijdige schoolverlaters in beeld te houden en weer terug te brengen naar onderwijs, al dan niet in combinatie met werk. Hoewel elk bestuurscollege afzonderlijk de opdracht heeft om gegevens over voortijdige schoolverlaters te registreren, draagt artikel 8.3.2 de bestuurscolleges nadrukkelijk op om bij de uitoefening van deze taak samen te werken door uit hun midden een contacteiland aan te wijzen ter vervulling van coördinerende taken. Wat deze taken zijn, is opgesomd in het derde vierde lid van artikel 8.3.2. Anders dan in het Europese deel van Nederland, wordt de openbare lichamen niet opgedragen om zorg te dragen voor de totstandkoming van een regionaal netwerk. Uit de opdracht in het derde lid van artikel 8.3.2 om samen te werken, volgt namelijk automatisch dat de drie openbare lichamen één regio vormen waarin de afspraken met scholen, instellingen en organisaties worden gemaakt.

Teneinde het belang en de resultaatgerichtheid van de taken op het gebied van de bestrijding van voortijdig schoolverlaten te benadrukken, wordt aan de eilandraden opgedragen streefcijfers vast te stellen voor de te behalen resultaten. Het bestuurscollege van het contacteiland neemt streefcijfers en behaalde resultaten op in een jaarlijkse effectrapportage. Deze effectrapportage wordt aan de minister gezonden, die opdracht staat in artikel 8.3.3. In dat artikel staat ook de opdracht tot het verstrekken van aanvullende inlichtingen die bijdragen aan evaluatie en het formuleren van beleid ter zake van voortijdig schoolverlaten van niet-leerplichtigen.

Om de afzonderlijke eilanden tegemoet te komen bij het formuleren en uitvoeren van een beleid ter bestrijding van voortijdig schoolverlaten, wordt in artikel 11.7 voorzien in een overgangsperiode, gedurende welke de eilanden nog niet verplicht worden om samen te werken in een regionaal netwerk. Tijdens de eerste jaren wordt ieder bestuurscollege afzonderlijk opgedragen een beleid op te stellen, afspraken te maken met instellingen, scholen en arbeidsmarktorganisaties, en een jaarlijkse effectrapportage aan de minister te sturen. De vergoeding voor de taken op het gebied van de bestrijding van voortijdig schoolverlaten zal dan ook niet via een specifieke uitkering aan het contacteiland lopen, maar rechtstreeks uit het BES-fonds aan de openbare lichamen worden gedaan.

Om de eilanden niet te overvragen is ervoor gekozen de artikelen over voortijdig schoolverlaters niet direct in werking te laten treden. Er wordt naar gestreefd deze artikelen binnen vijf jaar in werking te laten treden.

Artikel 8.2.1. Vooropleidingseisen

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 8.2.1 van de WEB. Dit artikel bevat, samen met artikel 8.2.2, de vooropleidingseisen voor beroepsopleidingen en opleidingen educatie. Vooropleidingseisen zijn uitsluitend van toepassing op de toelating tot (het merendeel van de) beroepsopleidingen. De toelating tot de basisberoepsopleiding en de assistentopleiding is in beginsel drempelloos, de toelating tot opleidingen educatie (onverminderd artikel 8.1.1) is geheel drempelloos.

In het eerste lid en in het derde lid zijn grondslagen voor een ministeriële regeling opgenomen. Langs de weg van een ministeriële regeling kan geregeld worden dat andere diploma’s of bewijsstukken aangewezen worden die volstaan om ingeschreven te worden. In deze ministeriële regeling zullen in ieder geval de voor 1 augustus 2011 op de BES behaalde diploma’s opgenomen worden.

Artikel 8.2.2. Nadere vooropleidingseisen

Dit artikel komt grotendeels overeen met artikel 8.2.2 van de WEB. Het artikel gaat over nadere inhoudelijke eisen (vooropleidingseisen) aan diploma's mavo en vbo om te kunnen worden toegelaten tot het onderwijs van de WEB BES. Een ministeriële regeling moet voor de toelating tot alle beroepsopleidingen van de WEB behalve de assistentopleiding regelen:

  • op welke vmbo-sectoren het vmbo-diploma van de aanstaande deelnemer betrekking moeten hebben dat toelaat tot het onderwijs van de WEB, en

  • welke vmbo-vakken en andere vmbo programma onderdelen deel moeten hebben uitgemaakt van het examen van zo'n vmbo-diploma.

De ministeriële regeling kan onderscheid maken naar groepen van deelnemers, of kan worden bepaald dat de regeling niet van toepassing is op groepen van deelnemers.

Artikel 8.3.1. Voortijdige schoolverlater

Dit artikel komt grotendeels overeen met 8.3.1 van de WEB. Zie de toelichting bij artikel 8.1.8.

Artikel 8.3.2. Bestrijding voortijdig schoolverlaten door openbaar lichaam

Dit artikel komt gedeeltelijk overeen met artikel 8.3.2 van de WEB. Zie de toelichting bij artikel 8.1.8

Artikel 8.3.3. Informatie over voortijdig schoolverlaten

Dit artikel komt grotendeels overeen met artikel 8.3.3 van de WEB. Zie de toelichting bij artikel 8.1.8

Artikel 8.4.1. Samenwerkingsovereenkomst leer-werktrajecten vmbo

Dit artikel komt overeen met artikel 8.4.1 van de WEB. Dit artikel regelt de mogelijkheid om op scholen voor voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs BES-leer-werktrajecten in te richten. Die trajecten hebben als kenmerken: maatwerk en een substantieel praktijkgedeelte.

Artikel 8.4.2. Samenwerkingsovereenkomst assistentopleiding in het vmbo

Dit artikel komt overeen met artikel 8.4.2 van de WEB. Door de artikelen 26 en 27 WVO BES kan een VO-school haar leerlingen de mogelijkheid bieden om de assistentopleiding zoals geregeld in de WEB te volgen in de vertrouwde omgeving van het vmbo. Het gaat hier om verruiming van de mogelijkheden op het niveau van de basisberoepsgerichte leerweg. Artikel 8.4.2 verwijst behalve naar artikel 26 WVO BES ook naar artikel 27 van die wet. Artikel 27 WVO BES geeft naast artikel 26 WVO BES de kaders waarbinnen de samenwerking tussen een VO-school en de MBO-instelling kan worden vormgegeven. De samenwerking moet in een overeenkomst worden uitgewerkt. Die overeenkomst wordt aangegaan tussen de school en de instelling die de assistentopleiding vmbo faciliteren. Vallen de school en de instelling onder hetzelfde bevoegd gezag, dan heeft een samenwerkingsovereenkomst geen zin. In plaats daarvan moet dat bevoegd gezag een interne regeling vaststellen waarin de assistentopleiding vmbo wordt uitgewerkt.

Artikel 9.1. Beroep

Op het door de Wet administratieve rechtspraak BES geïntroduceerde beroep in 2 instanties wordt in deze artikelen een uitzondering gemaakt. Deze artikelen bepalen dat (rechtstreeks) beroep bij het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba mogelijk is in verband met de spoedeisendheid die de in deze artikelen genoemde besluiten vergen. Beroep bij het Gerecht van eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt dus overgeslagen.

Artikel 9.2. Intreden gevolgen van toekennen van rechten na sprongberoep

Dit artikel komt overeen met artikel 10.2. van de WEB. Het artikel regelt vanaf welk moment de gevolgen van een uitspraak in beroep intreden als het gaat om voor de appellant gunstige uitspraken ten aanzien van bepaalde, met name genoemde beschikkingen.

Artikel 10.1. Aanwijzing

In geval van wanbeheer kan de minister een aanwijzing geven. Dit is een uiterst middel. Daarom is uitputtend opgesomd welk handelen van bestuurders tot een aanwijzing kan leiden. Het gebruik van de aanwijzing is uitsluitend voorbehouden in limitatief omschreven gevallen waarin sprake is van ernstige vormen van bestuurlijk tekortschieten van een of meer bestuurders van de rechtspersoon. Met deze aanwijzing kan de minister van de betrokken rechtspersoon verlangen dat de nodige maatregelen worden getroffen om de overtreding van de geschonden norm te herstellen. Indien de situatie daarom vraagt kan de aanwijzing inhouden dat de rechtspersoon wordt aangesproken om te besluiten tot vervanging van een of meer bestuurders. Indien een aanwijzing niet wordt opgevolgd dan kan een bekostigingssanctie worden getroffen. Dit artikel is een overgangsbepaling en heeft derhalve een beperkte werkingsduur. Voornemen is het artikel een geldigheidsduur te geven van vijf jaar.

Artikel 10.2. Inhouding bekostiging

Dit artikel bevat een algemene sanctiebepaling die van betekenis kan zijn in situaties waarin de instelling in gebreke blijft om bepaalde wettelijke voorschriften na te leven, bijvoorbeeld talmt met de vaststelling van de jaarrekening zonder daartoe in de onmogelijkheid te verkeren. Het tweede lid geeft aan dat deze inhoudings- en opschortingsmogelijkheid van overeenkomstige toepassing is als het bevoegd gezag of het personeel van een instelling niet alle medewerking aan de inspectie verleent die de inspectie redelijkerwijs kan eisen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Het derde lid bepaald dat de minister de bekostiging opnieuw toekent als blijkt dat de reden voor de toepassing van het eerste of tweede lid is vervallen.

Artikel 10.3. Geldboete niet-gerechtigde aanduiding beroepsopleidingen

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 11.2 WEB. In dit artikel is een strafbepaling opgenomen voor het geval derden zich ten onrechte bedienen van de aanduiding van in het centraal register opgenomen opleidingen. Zie ook de toelichting bij artikel 7.1.2.

Artikel 11.1. Overgangsbepaling

In dit artikel wordt geregeld dat de bekostigde opleidingen die in het studiejaar 2008–2009 worden bekostigd op basis van de Landsverordening secundair beroepsonderwijs en educatie, erkende en bekostigde opleidingen voor beroepsopleidingen onder Nederlands recht worden. Dit geldt eveneens voor de niet bekostigde opleidingen die op basis van de Landsverordening voortgezet onderwijs zijn aangewezen als middelbaar beroepsonderwijs. Voor dit tijdstip is gekozen, gelet op het feit dat de Inspectie van het onderwijs in oktober 2008 deze opleidingen heeft beoordeeld. Voor opleidingen die na dat tijdstip zijn gestart geldt dat opnieuw een aanvraag voor erkenning en bekostiging moet worden ingediend.

Artikel 11.2. Benoembaarheid bevoegde docenten

Dit artikel regelt dat docenten die in het bezit zijn van een onderwijsbevoegdheid op grond van Antilliaanse wet- en regelgeving, bevoegd blijven voor het onderwijs op de BES-eilanden. Deze regeling heeft betrekking op zowel zittende docenten als herintreders, alsook op personen die nog niet eerder in het onderwijs werkzaam waren.

Artikel 11.3. Benoembaarheid onbevoegde docenten

Dit artikel bepaalt dat onbevoegde docenten gedurende een periode van vijf jaar na de inwerkingtreding van dit artikel onderwijs mogen blijven verzorgen.

Artikel 11.4. Benoembaarheid docenten in opleiding

Dit artikel bepaalt dat personen die voor de inwerkingtreding van dit artikel zijn begonnen met een opleiding leidend tot een bevoegdheid op grond van de Landsverordening voortgezet onderwijs, na het behalen van deze bevoegdheid binnen vijf jaar, hun bevoegdheid behouden op grond van de WEB BES.

Artikel 11.5. Toepasselijkheid Wet administratieve rechtspraak BES

Dit artikel verduidelijkt dat met de «beslissing van een bevoegd gezag van een openbare school», een beschikking wordt bedoeld in de zin van in artikel 3 van de Wet administratieve rechtspraak BES.

Artikel 11.6. Bestrijding voortijdig schoolverlaten door openbaar lichaam

Dit artikel geeft regelt een overgangsregime voor de openbare lichamen ten opzichte van het voortijdig schoolverlaten op de BES. Om de afzonderlijke eilanden tegemoet te komen bij het formuleren en uitvoeren van een beleid ter bestrijding van voortijdig schoolverlaten, wordt in dit artikel voorzien in een overgangsperiode, gedurende welke de eilanden nog niet verplicht worden om samen te werken in een regionaal netwerk. Tijdens de eerste jaren wordt ieder bestuurscollege afzonderlijk opgedragen een beleid op te stellen, afspraken te maken met instellingen, scholen en arbeidsmarktorganisaties, en een jaarlijkse effectrapportage aan de minister te sturen. De vergoeding voor de taken op het gebied van de bestrijding van voortijdig schoolverlaten zal dan ook niet via een specifieke uitkering aan het contacteiland lopen, maar rechtstreeks uit het BES-fonds aan de openbare lichamen worden gedaan. Op het moment dat de eilanden er klaar voor zijn om één van de eilanden als contacteiland te laten fungeren zal dit overgangsregime door middel van een koninklijk besluit zijn werking verliezen. Op dat moment zullen de artikelen 8.3.1 en 8.3.2 hun werking krijgen. Zie ook de toelichting bij artikel 8.1.8.

H

Artikel 10.13 (Wet primair onderwijs BES)

Algemeen

1. Aanleiding

Sinds 2008 is de Landsverordening funderend onderwijs van toepassing op de BES. Deze landsverordening is voor een deel gebaseerd op de Wet op het primair onderwijs (hierna: de WPO), maar verschilt fundamenteel van de Europees-Nederlandse systematiek waar het gaat om de onderwijskundige benadering. Zo schrijft de Landsverordening funderend onderwijs leergroepen van verschillende leeftijden en ontwikkelingsniveaus verplicht voor. Dit heeft als achtergrond dat op de BES gewerkt wordt met een vergaande interpretatie van het concept van «ontwikkelingsgericht onderwijs» waarbij het gebruik van (uniforme) lesmethoden is ontmoedigd. Deze benadering vormt volgens het rapport van de Inspectie van het onderwijs (hierna: inspectie) voor een belangrijk deel de verklaring van de achterblijvende prestaties in het funderend onderwijs op de BES (zie de bijlage bij Kamerstukken II 2008/09, 31 568, nr. 6). De terminologie in het Europese deel van Nederland is het «primair onderwijs», «PO» of «basisonderwijs», immers onder «funderend onderwijs» wordt in het Europese deel van Nederland tevens het voortgezet onderwijs verstaan.

Uitgangspunten

Het streven is op een zo kort mogelijke termijn de kwaliteit van het onderwijs op de BES naar een met in het Europese deel van Nederland vergelijkbaar niveau te brengen. Tegen deze achtergrond wordt voor de BES zoveel mogelijk uitgegaan van de WPO die geldt in het Europese deel van Nederland. Niet alleen liggen de Europees-Nederlandse kwaliteitsnormen in de Europees-Nederlandse wetssystematiek vervat, de inschatting is eveneens dat de WPO een goed uitgewerkte en beproefde wettelijke infrastructuur biedt om de onderwijskwaliteit op orde te brengen. Deze benadering kan eveneens op draagvlak rekenen op de BES.

Onderwijs Verbeterprogramma

De Landsverordening funderend onderwijs zal bij de Invoeringswet BES worden omgezet in de Wet primair onderwijs BES (hierna: WPO BES). Onderhavige wijziging van de WPO BES vormt een cruciale voorwaarde voor het realiseren van een met het Europese deel van Nederland vergelijkbaar kwaliteitsniveau. De implementatie van deze wetsystematiek en de onderwijskundige invulling van de ruimte die de WPO BES scholen hiertoe biedt, zal echter de nodige inspanning vergen. In de aanloop naar de transitie loopt het «Onderwijs Verbeterprogramma» parallel aan het wetgevingstraject. Dit programma richt zich voor het basisonderwijs op het verbeteren van de leerprestaties, de kernvakken, de verbetering van didactisch handelen van leraren, de opbrengstgerichtheid van het onderwijs, de verbreding en verdieping van de leerlingenzorg en de versterking van management en bestuur. Ook na de transitie zal in het primair onderwijs een verbeterprogramma lopen dat gericht zal zijn op een succesvolle implementatie van de wijzigingen op de WPO BES en het verder versterken van de onderwijskwaliteit.

2. WPO aangepast aan de context en uitgangspositie van de BES

Aangezien de WPO het uitgangspunt is, zullen de artikelen uit deze wet zoveel mogelijk worden overgenomen in de WPO BES. Niet alle onderwerpen uit de WPO zijn passend voor de BES. Hieronder wordt per thema op hoofdlijnen toegelicht welke onderdelen uit de WPO zijn aangepast aan de context en uitgangspositie van de BES. Het gaat hierbij enerzijds om aanpassingen die samenhangen met de taalsituatie en schaal van de BES en anderzijds om aanpassingen die tot doel hebben implementatie van het nieuwe wettelijke kader vanuit de huidige uitgangspositie optimaal te laten verlopen.

Deze toelichting belicht alleen de onderdelen van de WPO BES waarbij wordt afgeweken van de Europees-Nederlandse systematiek. Tenzij anders vermeld, worden de bevoegdheden en taken die de WPO toekent aan gemeentebesturen toebedeeld aan de eilandsbesturen van de drie eilanden.

2.1. Taal en kerndoelen

De taalsituatie op de BES verschilt per eiland. Hieronder volgt per eiland een korte omschrijving van de huidige situatie:

Huidige situatie Bonaire

Op Bonaire wordt vooral Papiaments gesproken en is het Papiaments tevens de instructietaal in het basisonderwijs. Het Nederlands wordt in de bovenbouw (de groepen 5 tot en met 8) als tweede taal aangeboden. De instructie- en examentaal in het voortgezet onderwijs is het Nederlands (zij het dat in het arbeidsgericht onderwijs – vergelijkbaar met het praktijkonderwijs – en het voorbereidend secundair beroepsonderwijs ook vaak de instructie in het Papiaments wordt gegeven). In de huidige situatie is het beheersingsniveau van het Nederlands aan het einde van het funderend onderwijs bij veel leerlingen onvoldoende om in het voortgezet onderwijs een goede kans van slagen te hebben.

Huidige situatie Sint Eustatius

Op Sint Eustatius wordt Engels gesproken en is het Engels tevens de instructietaal in het basisonderwijs. Het Nederlands wordt in de bovenbouw als tweede taal aangeboden. Ook hier is de instructie- en examentaal in het voortgezet onderwijs het Nederlands (zij het dat in het arbeidsgericht onderwijs en het voorbereidend secundair beroepsonderwijs ook vaak de instructie in het Engels wordt gegeven). In de praktijk blijkt ook op Sint Eustatius het beheersingniveau van het Nederlands aan het eind van het funderend onderwijs onvoldoende met het oog op de overstap naar het voortgezet onderwijs.

Huidige situatie Saba

Op Saba wordt Engels gesproken en is het Engels tevens de instructietaal in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs. Bovendien wordt in het voortgezet onderwijs in het Engels examen afgenomen (Caribbean Examinations Council).

Uitgangspunten van de nieuwe situatie

De voor de WPO BES gekozen benadering wat betreft taal is er primair op gericht de onderwijskansen van betrokken leerlingen maximaal te waarborgen. Dit leidt tot het uitgangspunt dat de beheersing van het Nederlands aan het eind van de basisschool ten minste voldoende moet zijn om succesvol het Nederlandstalig voortgezet onderwijs te doorlopen. Daarnaast moet de beheersing van het Nederlands voldoende zijn om (na het voortgezet onderwijs) passend vervolgonderwijs in het Europese deel van Nederland te volgen. Verschillende taaldeskundigen hebben aangegeven dat het niet nodig is om het Nederlands als enige instructietaal in het basisonderwijs in te voeren om het voorgestelde streefniveau te behalen. Hiermee kan, in overeenstemming met de wensen op de BES en internationale verdragen, de dominante moedertaal als instructietaal in het basisonderwijs behouden blijven, zonder dat dit ten koste gaat van de onderwijskansen van de betrokken leerlingen. Dit leidt voor de WPO BES tot de volgende benadering:

  • De wet zal uitgaan van twee instructietalen per eiland met een gelijkwaardige status. Voor Bonaire zijn dit het Nederlands en het Papiaments. Voor Sint Eustatius en Saba zijn dit het Nederlands en het Engels.

  • Het minimum beheersingsniveau van het Nederlands, het Papiaments en het Engels zal in lijn met de systematiek in de WPO worden vastgelegd in regelgeving over de kerndoelen.

  • De WPO BES zal het bevoegd gezag van een school de ruimte bieden om zelf een keuze te maken in de wijze waarop hij het onderwijsproces inricht zolang dit op een wijze gebeurt die adequaat is om de vastgelegde beheersingsniveaus te halen. De inspectie toetst de wijze waarop scholen hier invulling aan geven mede aan de hand van de leerresultaten van betrokken leerlingen.

  • Parallel aan het wetgevingstraject wordt als onderdeel van het Onderwijs Verbeterprogramma in overleg met betrokken scholen waar nodig geïnvesteerd in het realiseren van een adequaat aanbod van lesmethoden gericht op de taalcontext van de BES waaronder lesmethoden in het Papiaments en het Engels.

2.2. Tekortschieten leerresultaten

In de WPO is, net als in de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: WVO), een bepaling over minimumleerresultaten als bekostigingsvoorwaarde opgenomen. Voor het primair onderwijs geldt dat de leerresultaten ernstig of langdurig tekortschieten als over een periode van drie jaren de resultaten van taal en rekenen te laag zijn. Deze minimumleerresultaten worden in het Europese deel van Nederland uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur en vervolgens in een ministeriële regeling. Op basis van onder meer een vergelijking van leerresultaten van leerlingen van scholen in dezelfde schooljaren met een vergelijkbaar leerlingenbestand wordt een minimum normering vastgesteld. Bij langdurig achterblijven van de leerresultaten in vergelijking met deze normering, kan de minister uiteindelijk overgaan tot het beëindigen van de bekostiging van een bijzondere school dan wel het opheffen van de openbare school. Het onderwijs op de BES zal echter eerst een lange periode van aanpassing moeten doormaken en de scholen zullen – net als in het Europese deel van Nederland het geval was – ook de tijd moeten krijgen om vertrouwd te raken met het inspectietoezicht om te kunnen komen tot billijke toepassing van deze «ultieme sanctie».

Op de BES is het leerlingenbestand te klein om de normering van de minimumleerresultaten te onderbouwen met een vergelijking zoals die in het Europese deel van Nederland wordt gemaakt tussen scholen met dezelfde schooljaren en met een vergelijkbaar leerlingenbestand. De veranderingen in de inhoud van het onderwijs als gevolg van de inwerkingtreding van de WPO BES en de WVO BES zullen zodanig zijn, dat vooralsnog de ervaring ontbreekt om op basis van de meting van de resultaten een normering vast te stellen. Zo zal in augustus 2011 gestart worden met het eerste leerjaar volgens de WVO BES. De eerste examens die in overeenstemming met de WVO BES zullen worden afgenomen zullen dan 4, 5 of 6 jaar later plaatsvinden. Als drie jaar lang examens conform de WVO BES zijn afgenomen is het wellicht mogelijk om tot een onderlinge vergelijking te komen. Ook het gegeven dat op de BES het primair onderwijs in twee instructietalen wordt aangeboden komt de vergelijkbaarheid van de meting van de resultaten niet ten goede.

De bepaling over minimumleerresultaten uit de WPO, inclusief de grondslag voor een algemene maatregel van bestuur, is dan ook niet overgenomen. Ook de uiterste consequentie van ernstig of langdurig tekortschietende leerresultaten, namelijk de mogelijkheid om een school te sluiten, is daarmee ook niet opgenomen in de WPO BES en de WVO BES.

Overigens blijven ook bij het ontbreken van de mogelijkheid om een school te sluiten bij ernstig of langdurig tekortschietende leerresultaten, nog voldoende mogelijkheden overeind om slagvaardig op te kunnen treden bij onvoldoende onderwijskwaliteit. Wat betreft de kwaliteit van het onderwijs zal het toezichtskader van de inspectie ook op de BES toegepast worden. De inspectie kan verder prestatieafspraken maken met scholen, de mogelijkheden die nu in de WVO en de WPO bestaan om bekostiging in te houden of op te schorten worden opgenomen in de WPO BES en de WVO BES en ook de aanwijzingsbevoegdheid wordt overgenomen (artikel 128 van de WPO BES).

2.3. Zorgstelsel BES

Leerlingenzorg

Op de BES is het, gezien de schaalgrootte, niet haalbaar om een zorgstructuur in te richten conform de gedetailleerde systematiek in het Europese deel van Nederland. Dit houdt in dat er geen leerlinggebonden financiering met bijbehorende systematiek voor indicatiestellingen wordt geïntroduceerd op de BES. Daarnaast zal er geen sprake zijn van scholen voor speciaal onderwijs zoals die in het Europese deel van Nederland vallen onder de Wet op de expertisecentra (hierna: WEC) of scholen voor speciaal basisonderwijs. De gekozen benadering is er op gericht een zo eenvoudig mogelijk wettelijk kader te scheppen waarbinnen het belang van leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte zo goed mogelijk wordt geborgd, terwijl tegelijkertijd ruimte is voor betrokken scholen om zelf de beste oplossingen te kiezen aansluitend bij de behoefte en schaal van het eiland.

Eerstelijnszorg binnen de school

Uitgangspunt is dat leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte zoveel mogelijk onderwijs zullen volgen binnen het reguliere onderwijs (eerstelijnszorg). Scholen maken hierbij gebruik van deskundigheid binnen de school (interne begeleiders). De WPO BES zal voorzien in een bekostigingsgrondslag voor een toeslag op de reguliere bekostiging om invulling te kunnen geven aan deze taak (artikel 68 van de WPO BES).

Tweedelijnszorg in het expertisecentrum onderwijszorg

Daarnaast wordt per eiland een aanbod van specialistische deskundigheid georganiseerd in de vorm van een «expertisecentrum onderwijszorg», waarvan scholen voor primair onderwijs, scholen voor voortgezet onderwijs en instellingen voor beroepsonderwijs (hierna: instellingen) gebruik kunnen maken.

Het expertisecentrum onderwijszorg is een rechtspersoon die deskundige ondersteuning kan bieden aan leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte (de artikelen 1 en 28 van de WPO BES). In eerste instantie zal het expertisecentrum onderwijszorg vooral ondersteuning bieden aan leerlingen binnen een school. Voorts kunnen leerlingen worden opgevangen binnen het expertisecentrum onderwijszorg indien deze leerlingen niet kunnen worden opgevangen binnen het basisonderwijs. Het expertisecentrum onderwijszorg kan tijdelijk of voor langere tijd zorg dragen voor de opvang van zorgleerlingen (het gaat hierbij om leerlingen en deelnemers uit de sectoren primair onderwijs, voortgezet onderwijs of middelbaar beroepsonderwijs). De WPO BES biedt scholen de ruimte om hiertoe zelf de optimale vorm te vinden. Er kan bijvoorbeeld binnen het samenwerkingsverband een lokaal door een van de scholen beschikbaar worden gesteld. Daarnaast kunnen scholen gezamenlijk een leerkracht per onderwijssoort inhuren of detacheren vanuit een van de deelnemende scholen of instellingen.

Het expertisecentrum onderwijszorg is verantwoordelijk voor de zorgaspecten. Leerlingen blijven ingeschreven bij de school, die verantwoordelijk blijft voor het onderwijs en de voorzieningen die daarbij horen.

Handelingsplan

Dat een leerling niet binnen de school kan worden opgevangen, moet blijken uit het handelingsplan van betrokken leerling, dat altijd in overeenstemming met ouders, verzorgers of voogden wordt vastgesteld. Hiervoor gaat het initiatief uit van het bevoegd gezag op basis van de resultaten van gevalideerde testen of toetsen.

Samenwerkingsverband

Per eiland wordt, teneinde de zorgstructuur goed te laten functioneren, één samenwerkingsverband ingericht, waarin het expertisecentrum onderwijszorg, scholen voor primair en voortgezet onderwijs en instellingen samenwerken (artikel 26 van de WPO BES). In het samenwerkingsverband worden afspraken gemaakt over het geheel van zorgvoorzieningen zodat zoveel mogelijk leerlingen een ononderbroken onderwijsloopbaan kunnen doorlopen.

In de eerste plaats worden afspraken gemaakt over de zorg voor leerlingen en deelnemers met een specifieke onderwijsbehoefte, die binnen een school of instelling deelnemen aan het onderwijs (eerstelijnszorg).

In de tweede plaats worden er binnen het samenwerkingsverband afspraken gemaakt over de zorg voor en het onderwijs aan leerlingen en deelnemers die niet binnen een school of instelling onderwijs kunnen ontvangen. Deze leerlingen krijgen onderwijs binnen het expertisecentrum onderwijszorg, dat verantwoordelijk is voor de gespecialiseerde tweedelijnszorg. Verder spreken de partijen in het samenwerkingsverband af wie welk onderwijs verzorgt voor leerlingen en deelnemers die dat onderwijs moeten krijgen in het expertisecentrum onderwijszorg. De afspraken betreffen ook de toerekening van kosten als bijvoorbeeld een leraar van de ene basisschool in het expertisecentrum onderwijszorg les geeft aan een leerling van een andere basisschool. Deze afspraken worden neergelegd in een eilandelijk zorgplan.

Eilandelijk zorgplan

In het eilandelijk zorgplan worden naast afspraken over de eerste- en tweedelijnszorg ook de activiteiten van het expertisecentrum onderwijszorg en de partijen in het samenwerkingsverband, de beoogde resultaten en procedures om die resultaten te bereiken, beschreven. Het eilandelijk zorgplan wordt, gezien de bevoegdheden die de inspectie heeft ten aanzien van het onderwijs dat wordt gegeven aan leerlingen en deelnemers met een specifieke onderwijsbehoefte, jaarlijks toegezonden aan de inspectie (artikel 27 van de WPO BES).

Subsidie aan het expertisecentrum onderwijszorg

De WPO BES kent een grondslag voor de subsidie aan het expertisecentrum onderwijszorg voor zorgtaken die samenhangen met onderwijs aan leerlingen, als onderwijsondersteunende activiteiten, het verzorgen van ambulante begeleiding, het verrichten van handelingsgerichte diagnostiek of het geven van advies (artikel 69 van de WPO BES).

Toezicht op onderwijs binnen het expertisecentrum onderwijszorg

De inspectie houdt vanuit haar bevoegdheden ten aanzien van scholen toezicht op de kwaliteit van het onderwijs dat binnen het expertisecentrum onderwijszorg wordt aangeboden. De inspectie is hiervoor bevoegd, omdat het bevoegd gezag van een school waarbij de betreffende leerling is ingeschreven verantwoordelijk blijft voor het onderwijs dat deze leerling ontvangt.

Toezicht op overige taken van het expertisecentrum onderwijszorg

Het expertisecentrum onderwijszorg kan subsidie ontvangen op grond van artikel 69 van de WPO BES. In een ministeriële regeling zullen de voorschriften worden opgenomen waaraan het expertisecentrum onderwijszorg zal moeten voldoen. Het gaat hier bijvoorbeeld om het verstrekken van inlichtingen, gegevens en bescheiden, het opstellen van een begroting en een jaarplan en het uitbrengen van een jaarverslag en jaarrekening. Artikelen uit de titels 4.1 en 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 4 tot en met 19 van de Wet overige OCW-subsidies over het verlenen, vaststellen, intrekken en terugvorderen van de subsidie zijn van toepassing op de subsidie aan het expertisecentrum onderwijszorg.

Voor het toezicht op de taken van het expertisecentrum onderwijszorg kan de minister een ambtenaar aanwijzen (artikel 29 van de WPO BES). Indien blijkt dat het expertisecentrum onderwijszorg zijn taken ernstig verwaarloost, kan de minister maatregelen treffen (artikel 30 van de WPO BES). Als ultimum remedium kan de minister de door hem afgegeven aanwijzing intrekken. Dit houdt in dat de rechtspersoon niet meer in aanmerking komt voor de subsidie, bedoeld in artikel 69 van de WPO BES.

2.4. Bekostiging

De WPO BES zal in beginsel uitgaan van een bekostigingssystematiek conform de WPO. Het gaat hierbij om een bedrag per leerling waarbij de middelen niet geoormerkt zijn (lumpsum). De vaststelling van het bekostigingsniveau en normering wordt ondermeer aangepast voor het prijspeil. Dit wordt uitgewerkt in onderliggende regelgeving. Anders dan de bekostigingssystematiek in het Europese deel van Nederland zal de berekeningswijze van de bekostiging voor de materiële instandhouding op basis van programma’s van eisen niet gelden op de BES.

Vereenvoudiging bekostiging materiële instandhouding

De voorbereiding van de programma's van eisen om te voorzien in een kostendekkende vergoeding per school vergt diepgaand onderzoek naar de factoren die de kosten beïnvloeden en zal ingewikkelde formules opleveren. In het Europese deel van Nederland zijn deze programma’s van eisen dan ook tot stand gekomen op basis van jarenlang onderzoek in de praktijk. Omdat dergelijk onderzoek niet voorhanden is voor de BES, heeft dit ten aanzien van de BES twijfel doen rijzen over de zin van deze systematiek voor deze eilanden. Daarom wordt een vereenvoudigde systematiek voor de bekostiging van de materiële instandhouding voorgesteld. Deze voorgestelde systematiek komt overeen met de systematiek van de exploitatiebekostiging, bedoeld in artikel 86 van de WVO, waarmee positieve ervaringen zijn opgedaan.

Het voorgestelde artikel over de bekostiging voor de materiële instandhouding somt de componenten van de materiële instandhouding op en regelt tevens hoe de bedragen worden vastgesteld. Ook is voorzien in aanpassing wegens loon- en prijsontwikkelingen (artikel 97 van de WPO BES). Deze bekostiging dient zodanig te worden vastgesteld dat de vergoeding redelijkerwijs voldoende is voor een in normale omstandigheden verkerende school en omvat een vergoedingsbedrag per school, per m2 en per leerling. Voorts is bepaald dat de vergoedingsbedragen jaarlijks worden vastgesteld.

De bedragen per school, per m2 en per leerling moeten vervolgens bij ministeriële regeling jaarlijks voor 1 oktober worden vastgesteld (artikel 97, vierde lid, van de WPO BES). Diezelfde regeling dient bovendien nadere voorschriften te omvatten omtrent de wijze waarop de vergoeding wordt berekend en voorschriften omtrent de wijze waarop de vergoeding wordt vastgesteld.

2.5. Aanvang bekostiging (plan van nieuwe scholen)

Huidige situatie op de BES

Op dit moment kan de eilandsraad op aanvraag van het bevoegd gezag een school voor bekostiging in aanmerking brengen indien er sprake is van voldoende behoefte aan die school. Bij inwilliging van de aanvraag ontstaat de aanspraak op bekostiging met ingang van het schooljaar volgend op de inwilliging, dan wel een eerder door de eilandsraad vast te stellen moment. Bij eilandsverordening wordt de wijze vastgesteld waarop de behoefte wordt bepaald en worden voorschriften gegeven met betrekking tot de indiening en behandeling van aanvragen om bekostiging (artikel 45 van de Landsverordening funderend onderwijs).

Plan van nieuwe scholen in het Europese deel van Nederland

Een nieuwe openbare of bijzondere school wordt in het Europese deel van Nederland voor bekostiging in aanmerking gebracht als deze school wordt genoemd in een gemeentelijk plan van nieuwe scholen dat door de minister is goedgekeurd. Om als bijzondere school te worden opgenomen in een plan van nieuwe scholen dient deze school vóór 1 februari van het jaar van vaststelling van het plan een verzoek in te dienen bij de gemeenteraad. Voor de opneming van een openbare school dienen burgemeester en wethouders een voorstel in bij de gemeenteraad. Het verzoek van een bijzondere school en het voorstel van burgemeester en wethouders dienen aan vergelijkbare vereisten te voldoen.

Het vastgestelde plan en de gemotiveerd afgewezen verzoeken worden door de gemeenteraad binnen 2 weken na de vaststelling van het plan aan alle verzoekers gezonden met vermelding van de datum waarop het plan ter goedkeuring aan de minister is gezonden. Vervolgens wordt het plan gedurende 6 weken ter inzage gelegd in het gemeentehuis. De minister moet vóór 1 januari voorafgaande aan de planperiode beslissen of hij het plan goedkeurt.

Aanvang van de bekostiging op grond van de WPO BES

Met het oog op het kleine aantal scholen op de eilanden wordt in de WPO BES een vereenvoudigde aanvraagprocedure voorgesteld ten opzichte van de planprocedure die geldt in het Europese deel van Nederland. In plaats van deze planprocedure wordt bepaald dat de minister een openbare of bijzondere school voor bekostiging in aanmerking kan brengen als een bevoegd gezag daarvoor een aanvraag indient. Bij deze aanvraag moet het bevoegd gezag een prognose van het te verwachten aantal leerlingen en een beschrijving van het voedingsgebied voegen. Daarnaast vermeldt de aanvraag de plaatsnaam, het voorgestelde jaar van ingang van de bekostiging en – als het om een bijzondere school gaat – de richting. Deze onderwerpen kunnen in een ministeriële regeling nader worden uitgewerkt (artikel 72 van de WPO BES). Het voordeel van deze systematiek is dat deze – meer dan het plan van nieuwe scholen – aansluit bij de systematiek die nu geldt op de BES.

Beslissing op aanvraag om in aanmerking te komen voor bekostiging op grond van de WPO BES

De minister beslist binnen zes maanden op een aanvraag en voert in deze periode overleg met het betrokken bestuurscollege (artikel 75 van de WPO BES). De minister kan bij dit gesprek een bevoegd gezag betrekken, waarvan de aanvraag is geweigerd. Indien de door het bevoegd gezag ingediende gegevens bij de aanvraag onvoldoende zijn om een verzoek te beoordelen, stelt de minister binnen een door hem te bepalen termijn het bevoegd gezag in de gelegenheid de aanvraag aan te vullen (artikel 75, eerste en tweede lid, van de WPO BES). De minister kan een aanvraag om in aanmerking te komen voor bekostiging slechts weigeren indien op grond van de bij de aanvraag overgelegde gegevens niet aannemelijk is dat zij binnen 5 jaar vanaf de datum van ingang van de bekostiging en voorts gedurende 15 jaar na die periode van 5 jaar zal worden bezocht door ten minste 200 leerlingen (artikel 72, derde lid, van de WPO BES).

Minimumnorm om in aanmerking te komen voor bekostiging

De bovenstaande norm van ten minste 200 leerlingen in de WPO BES om in aanmerking te komen voor bekostiging sluit aan bij de minimumnorm in de WPO en geldt voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Door het opnemen van één norm is de berekening van de minimumnormen om een school te stichten of op te richten op basis van onder andere leerlingdichtheid losgelaten in de WPO BES en is in die zin een vereenvoudiging ten opzichte van het Europese deel van Nederland. Bezien is of de norm van 200 leerlingen voor bijzondere scholen wel realistisch is. In het licht van de beperkte bevolkingsomvang op Saba kunnen daar inderdaad vraagtekens bij worden gezet. Het stichten van een tweede bijzondere school op Saba is inderdaad niet realistisch. In deze kwestie is allereerst van belang dat een minimum stichtingsnorm nu juist beoogt de doelmatigheid en kwaliteit van het onderwijs te garanderen door in gevallen waarin de stichtingsnorm niet wordt gehaald geen publieke bekostiging te toe te kennen. Daarnaast is relevant dat de situatie op Saba volledig vergelijkbaar is met de situatie op de waddeneilanden (Vlieland, Schiermonnikoog). Ook op deze eilanden behoort, bij de huidige bevolkingsomvang, stichting van een tweede bijzondere school niet tot de mogelijkheden. Tegen deze achtergrond is er ten aanzien van de stichting van scholen op de BES geen sprake van een specifieke situatie die het rechtvaardigt een lagere stichtingsnorm te hanteren dan in het Europese deel van Nederland. De minimumnorm is overigens wel haalbaar voor Bonaire en Sint Eustatius.

Voldoende openbaar onderwijs op de BES

De 10 kilometergrens geldt ook voor de BES-eilanden, ondanks de schaal van de eilanden. Hier is allereerst van belang dat het gaat om een waarborgbepaling die beoogt te garanderen dat er sprake is van voldoende aanbod en toegankelijkheid van openbaar onderwijs. Ook voor eilanden die kleiner zijn dan 10 kilometer is deze grens toepasbaar. In deze gevallen geldt immers dat er per eiland slechts sprake kan zijn van één basisschool. Daarnaast is relevant dat op Bonaire de openbare weg tussen Kralendijk en het dorpje Rincon meer dan 10 kilometer lang is. Overigens is ook op Saba tussen de haven en het vliegveld sprake van een openbare weg die ongeveer 10 kilometer lang is. De 10 kilometergrens is daarnaast ook van toepassing op de eilanden in het Europese deel van Nederland (Vlieland en Schiermonnikoog).

2.6. Voorziening in de huisvesting

Huidige situatie op de BES

Op basis van de Landsverordening funderend onderwijs ontvangen openbare en bijzondere scholen een vergoeding van het eilandsbestuur voor de huisvestingsvoorzieningen. Hieronder vallen bijvoorbeeld onderhoud van, huur van en investeringen in gebouwen en terreinen. Het eilandsbestuur bepaalt vervolgens in een algemeen verbindend voorschrift:

  • in welke gevallen de huisvestingsvoorzieningen niet voor vergoeding in aanmerking komen,

  • de wijze waarop vergoeding wordt berekend,

  • de voorwaarden waaronder een vergoeding wordt toegekend,

  • de wijze waarop de vergoeding beschikbaar wordt gesteld aan de bevoegde gezagsorganen, en

  • de verantwoording van de rechtmatigheid en de doelmatigheid van de aanwending van de vergoeding.

Voorzieningen voor de huisvesting in het Europese deel van Nederland

In het Europese deel van Nederland is de verantwoordelijkheid voor de vergoeding van de huisvestingsvoorzieningen voor het primair onderwijs grotendeels aan de gemeente opgedragen. Het systeem dat in dit deel van Nederland geldt, is niet vergelijkbaar met dat in het Antilliaanse deel. In het Europese deel van Nederland wordt een verdeling gemaakt tussen een vergoeding van het Rijk aan een bevoegd gezag voor de huisvestingsvoorzieningen en een vergoeding van de gemeente. In de WPO komt de verdeling erop neer dat het bevoegd gezag van het Rijk een normatieve vergoeding ontvangt voor uitvoering van onderhoud aan de binnenkant van het gebouw en voor het schilderwerk aan de buitenkant. Het bevoegd gezag kan met behulp van de bekostiging voor de materiële instandhouding en dus zonder toepassing van de aanvraagprocedure van de gemeente in principe alle bouwkundige activiteiten aan de binnenkant van het gebouw uitvoeren. Uitzondering hierop vormen een tweetal renovatieactiviteiten welke vrijwel altijd samen worden uitgevoerd met de «algehele aanpassing», te weten werkzaamheden rond de binnenkozijnen en het klimaatbeheersingssysteem. De bouwkundige voorzieningen die aan de buitenzijde van het schoolgebouw worden uitgevoerd, lopen in principe via de gemeente. Via het Gemeentefonds worden middelen voor activiteiten aan de buitenzijde, nieuwbouw en renovatie beschikbaar gesteld. Uitzondering is de uitvoering van het buitenschilderwerk, dat onder de bekostiging voor de materiële instandhouding valt en dus als geldstroom naar het bevoegd gezag gaat.

Voor de gemeentelijke huisvestingsvoorzieningen is het kader, gelet op de grondwettelijke waarborg het openbaar en bijzonder onderwijs gelijk te behandelen (artikel 23 van de Grondwet), in de WPO neergelegd. In dit verband kan bijvoorbeeld gewezen worden op artikel 91, eerste lid, van de WPO waar het beginsel is verwoord: een gemeente behandelt openbare en bijzondere scholen op gelijke voet. Verder bepaalt de WPO dat een gemeente een huisvestingsprogramma moet maken en de huisvestingsvoorzieningen moet uitwerken in een gemeentelijke verordening.

Huisvestingsprogramma gemeentelijke verordening in het Europese deel van Nederland

Jaarlijks stellen burgemeester en wethouders een huisvestingsprogramma op voor het eerstvolgende jaar, waarin de voor vergoeding in aanmerking te brengen voorzieningen zijn opgenomen. Uitsluitend die voorzieningen worden opgenomen waarmee redelijkerwijs in het jaar na het jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden gemaakt. Het programma vormt een bundel beschikkingen en legt rechten vast. Met betrekking tot een verkregen aanspraak – doordat een voorziening in het programma is opgenomen – bepalen burgemeester en wethouders het moment waarop de gevraagde voorziening wordt vergoed.

De gemeentelijke verordening is een regeling die op gemeentelijk niveau de huisvestingsvoorzieningen uitwerkt die in de WPO zijn aangegeven. Op basis van deze gedetailleerde verordening worden de aanvragen beoordeeld.

Voorzieningen voor de huisvesting in de WPO BES

In de WPO BES wordt voorgesteld om bij de uitgangspunten en de verdelingssystematiek van de middelen aan te sluiten die gelden in het Europese deel van Nederland. Dit betekent dat de eilandsraad en het bestuurscollege zorg dragen voor de huisvestingsvoorzieningen op het grondgebied van het openbaar lichaam. Deze huisvesting moet zodanig zijn dat kan worden voldaan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van scholen stelt. Ook dienen zij het openbaar en bijzonder onderwijs op gelijke voet te behandelen (artikel 78 van de WPO BES). De verdeling van middelen komt er – zoals eerder aangegeven – grosso modo op neer, dat het bevoegd gezag van het Rijk een normatieve vergoeding ontvangt voor uitvoering van onderhoud aan de binnenkant van het schoolgebouw. De onderhoudsvoorzieningen die aan de buitenzijde van het schoolgebouw worden uitgevoerd, lopen in principe via het eilandsbestuur (artikel 79 van de WPO BES).

Aanvraag- en toekenningsprocedure huisvestingsvoorzieningen op grond van de WPO BES

De aanvraag- en toekenningsprocedure voor de huisvestingsvoorzieningen is met het oog op het kleine aantal scholen op de eilanden vereenvoudigd. Zo zal niet eerst een programma huisvestingsvoorzieningen door het bestuurscollege worden gemaakt, waarin de aanvragen om huisvesting worden opgenomen die worden beoordeeld op grond van een gedetailleerde eilandelijke verordening.

In plaats van het huisvestingsprogramma en de eilandsverordening kunnen scholen die niet door het openbaar lichaam in stand worden gehouden één keer per jaar een aanvraag om een voorziening in huisvesting indienen bij het bestuurscollege. De aanvraag dient vóór 1 september voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft te zijn ingediend. Het bestuurscollege beslist vervolgens vóór 1 januari van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft op de aanvraag. Indien de door het bevoegd gezag ingediende gegevens bij de aanvraag onvoldoende zijn om een aanvraag te beoordelen, stelt het bestuurscollege binnen een door hem te bepalen termijn het bevoegd gezag in de gelegenheid de aanvraag aan te vullen (artikel 82, eerste en tweede lid, van de WPO BES). De vereisten waaraan deze aanvraag dient te voldoen, staan in de door de eilandsraad vastgestelde eilandsverordening. De aanvraag kan alleen worden afgewezen op basis van een wettelijke weigeringsgrond, waaronder het door het bevoegd gezag vastgestelde bekostigingsplafond (artikel 84 van de WPO BES). Het bestuurscollege beslist op basis van urgentie welke aangevraagde voorzieningen worden bekostigd indien het bekostigingsplafond onvoldoende is voor alle aanvragen (artikel 82 van de WPO BES). Alleen in het geval van aanvragen met een spoedeisend karakter is het mogelijk om een aanvraag buiten de termijnen in te dienen die niet enkel kan worden afgewezen vanwege het bereiken van het bekostigingsplafond (artikel 83 van de WPO BES). Om de hoogte van dat bekostigingsplafond vast te stellen, zal het bestuurscollege overleggen met de bevoegde gezagsorganen, om te inventariseren welke huisvestingsvoorzieningen nodig zijn (artikel 80 van de WPO BES). De aanvraag- en toekenningsprocedure is tot slot van overeenkomstige toepassing op openbare scholen die door het openbaar lichaam in stand worden gehouden (artikel 81 van de WPO BES).

2.7. Beëindiging bekostiging

Minimum opheffingsnorm

Bij toepassing van de berekeningssystematiek – op basis van onder andere de leerlingdichtheid – die in het Europese deel van Nederland geldt, blijkt dat de zogeheten opheffingsnorm op de BES rond de 23 leerlingen uitkomt. Omdat naar verwachting de leerlingendichtheid op de drie eilanden redelijk stabiel zal blijven, is er voor één opheffingsnorm gekozen, de norm van 23 leerlingen (artikel 122 van de WPO BES). Door het opnemen van één norm is dus de berekening van de minimumnormen om de bekostiging van een bijzondere school te beëindigen of een openbare school op te heffen losgelaten in de WPO BES en is in die zin een vereenvoudiging ten opzichte van het Europese deel van Nederland.

Nevenvestigingen

De opheffingsnorm die gaat gelden op de BES komt overeen met de minimumnorm die in het Europese deel van Nederland geldt voor scholen en nevenvestigingen. In dit deel van Nederland wordt vaak voor de mogelijkheid van een nevenvestiging gekozen op het moment dat de school niet meer voldoet aan de opheffingsnorm, maar wel aan de norm voor een nevenvestiging. De minimumnorm voor een nevenvestiging in het Europese deel van Nederland is 23. Omdat op de BES de opheffingsnorm gelijk wordt aan de minimumnorm in het Europese deel van Nederland, is daardoor de noodzaak komen te vervallen van de mogelijkheid van een nevenvestiging. De bepalingen uit de WPO die zien op nevenvestigingen zijn daarom niet overgenomen in de WPO BES.

2.8. Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

De bepalingen uit de WPO met betrekking tot het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid worden in de WPO BES niet overgenomen, omdat de problematiek rond taalachterstanden teveel verschilt van de situatie in het Europese deel van Nederland. Dit houdt tevens in dat er geen wettelijke grondslag wordt opgenomen voor een specifieke uitkering aan de eilanden waar het gaat om onderwijsachterstanden. Dat laat onverlet dat – net als in het Europese deel van Nederland – scholen aanvullende bekostiging zullen ontvangen voor de bestrijding van onderwijsachterstanden (artikel 102, derde lid, van de WPO).

2.9. Schoolbegeleidingsdienst

De BES kennen feitelijk geen schoolbegeleidingsdiensten. In het Europese deel van Nederland is recent overgegaan van aanbodfinanciering naar vraagfinanciering waarbij scholen zelf onderwijsbegeleiding kunnen inkopen afhankelijk van hun voorkeur. Voor de schoolbegeleidingsdiensten die reeds bestonden in de periode 1 augustus 1999 tot 1 augustus 2004 geldt dat zij nog bekostiging ontvangen voor activiteiten in het kader van de ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen. Indien scholen voor die activiteiten andere ondersteuning inhuren, betalen scholen dat zelf. Deze taak zal in de WPO BES – in lijn met het zorgstelsel op de BES en conform het systeem van de WPO – worden belegd bij de school waar de leerling is ingeschreven. Het bevoegd gezag dient er voor te zorgen dat leerlingen die in verband met ziekte thuis verblijven dan wel zijn opgenomen in een ziekenhuis, op adequate wijze voldoende onderwijs kunnen volgen (artikel 10, zevende lid, van de WPO BES). Het expertisecentrum onderwijszorg kan de scholen hierbij ondersteunen.

2.10. Overgangrecht leraren

Bevoegdheid zittende leraren

Zittende bevoegde leraren op de BES zullen hun bevoegdheid behouden onder de WPO BES. Het gaat hierbij om leraren die op de dag voorafgaand aan het tijdstip van de inwerkingtreding van artikel 154, bevoegd zijn naar Nederlands-Antilliaans recht en die onderwijs geven aan een van de basisscholen op de BES (artikel 154, eerste en tweede lid, van de WPO BES).

De Europees-Nederlandse bekwaamheidseisen worden van toepassing. Dit houdt in dat leraren conform de Europees-Nederlandse systematiek zullen moeten voldoen aan de Europees-Nederlandse bekwaamheidseisen. Hiervoor geldt een overgangstermijn van vijf jaar (artikelen 154, 155, 157 en 158 van de WPO BES). Het is conform de Europees-Nederlandse systematiek aan de werkgever om er zorg voor te dragen dat leraren aan de bekwaamheidseisen voldoen en wanneer nodig afspraken met leraren te maken over eventuele benodigde bijscholing.

Leraren die alleen beschikken over een bevoegdheid om onderwijs te geven in de onderbouw (de groepen 1 tot en met 4) behouden deze bevoegdheid (artikel 154, eerste lid, van de WPO BES). Aan deze leraren zal de mogelijkheid worden geboden een applicatiecursus te volgen die leidt tot een volledige bevoegdheid. Het gaat om een zeer beperkt aantal gevallen (maximaal tien). De wijze waarop dit aanbod zal worden gerealiseerd, zal worden bezien in het kader van het Onderwijs Verbeterprogramma.

Zittende leraren behouden hun bevoegdheid voor het geven van zintuiglijke en lichamelijke opvoeding in alle acht groepen. Voor nieuwe leraren gelden de Europees-Nederlandse eisen.

Bevoegdheid toekomstige leraren

Studenten van de lerarenopleiding op Bonaire (die niet leidt tot een Europees-Nederlandse bevoegdheid omdat deze niet geaccrediteerd is) die voor de inwerkingtreding van artikel 156 begonnen zijn aan deze opleiding krijgen de mogelijkheid om gedurende een periode van vijf jaar na de transitie te worden benoemd tot leraar op de BES. Deze leraren zijn dan net als de zittende bevoegde leraren, bevoegd (artikel 156 van de WPO BES).

Onbevoegde zittende leraren

Zittende leraren die op het tijdstip van de inwerkingtreding van artikel 155 niet in het bezit zijn van een bevoegdheid volgens de huidige Antilliaanse regelgeving zullen binnen een termijn van vijf jaar over een bevoegdheid moeten beschikken. Dat betekent dat voor de onbevoegde leraren die voor de transitie beginnen aan een opleiding die leidt tot een Nederlands Antilliaanse bevoegdheid na de transitie hetzelfde overgangsrecht geldt als voor de huidige studenten van de lerarenopleiding op Bonaire (artikel 155 van de WPO BES).

3. Opzet artikelsgewijze toelichting

Zoals in paragraaf 2 al is aangegeven, behoeft de Europees-Nederlandse systematiek op een aantal punten aanpassing met het oog op de specifieke context en uitgangspositie van de BES. Verder worden in deze toelichting alleen de onderdelen van de WPO BES belicht, waarbij wordt afgeweken van de Europees-Nederlandse systematiek. Artikelen waarin slechts de begrippen «gemeente», «gemeenteraad», «burgemeester en wethouders», «gemeentelijke verordening» of «gedeputeerde staten» worden vervangen door «openbaar lichaam», «eilandsraad», «bestuurscollege», «eilandsverordening» respectievelijk «Rijksvertegenwoordiger», zijn om deze reden niet toegelicht. Voor de betrokkenen op de BES zal in een gebruikershandleiding de werking van de volledige WPO BES op een toegankelijke wijze worden toegelicht.

Verder zijn verwijzingen naar bepalingen in Europees-Nederlandse wetten vervangen door verwijzingen naar vergelijkbare bepalingen in wetten die gaan gelden op de BES. Zo wordt in voorgesteld artikel 44, eerste lid, van de WPO BES verwezen naar de artikelen 3, 5a of 6 van de Wet toelating en uitzetting BES in plaats van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000. Dit soort wijzigingen worden in het artikelsgewijze toelichting verder niet toegelicht, maar zullen ook aan de orde komen in de hierboven genoemde gebruikershandleiding. Deze benadering geldt ook voor de aanpassingen in het kader van het zorgstelsel dat gaat gelden op de BES. De artikelsgewijze toelichting gaat dus niet in op bepalingen die niet zijn overgenomen uit de WPO betreffende leerlinggebonden financiering, speciaal onderwijs in de zin van de WEC, speciale scholen voor basisonderwijs en permanente commissie leerlingenzorg. De artikelen die gaan over het nieuwe zorgstelsel op de BES worden uiteraard wel toegelicht in het artikelsgewijze deel. Zie ook paragraaf 2.3 voor de toelichting hierop.

Artikelsgewijs

Artikel 1

Expertisecentrum onderwijszorg

Ten opzichte van de WPO is het begrip «expertisecentrum onderwijszorg» toegevoegd. Binnen het zorgsysteem dat zal gaan gelden op de BES speelt dit centrum een cruciale rol (zie ook paragraaf 2.3).

Onderwijsraad

Ten opzichte van de WPO is het begrip «Onderwijsraad» Toegevoegd. Deze toevoeging maakt duidelijk dat de activiteiten van deze raad zich ook uitstrekken tot de BES. Er wordt geen afzonderlijke wet beoogd waarin overige taken van dit adviescollege ten behoeve van deze eilanden worden geregeld. In de Wet op de Onderwijsraad wordt aan artikel 2 een lid toegevoegd waarin wordt bepaald dat de raad voorts tot taak heeft eilandraden en bestuurscolleges van de BES in bij de wet genoemde gevallen te adviseren over aangelegenheden betreffende het onderwijsbeleid ten aanzien van die eilanden.

Openbaar lichaam

In de begripsbepalingen is opgenomen dat de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba de status van openbaar lichaam hebben en dat het bestuurscollege van elk van deze eilanden de positie kan hebben van bevoegd gezag van de openbare scholen die op dat desbetreffende eiland in stand worden gehouden.

Persoonsgebonden nummer BES

Wat betreft de definitie van het persoonsgebonden nummer BES wordt van hetzelfde systeem uitgegaan als in de WPO. Aangezien op de BES geen gebruik gemaakt wordt van het sociaal-fiscaal nummer of het burgerservicenummer, is hiervoor in de plaats opgenomen «het administratienummer van de leerling, dan wel het door Onze Minister uitgegeven onderwijsnummer».

School

Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs zoals dat wel gebeurt in de WPO, omdat de BES alleen «regulier» basisonderwijs kent (zie ook paragraaf 2.3).

Artikelen 2, 3 en 4

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van de artikelen 2, 3 en 3a van de WPO.

Artikel 5

In dit artikel wordt geregeld dat bij eilandsverordening regels gesteld worden met betrekking tot het verstrekken van voeding en kleding en het vervoer naar en van school. In de WPO wordt in artikel 4 slechts geregeld dat de gemeenteraad een regeling vaststelt met betrekking tot het leerlingenvervoer. In voorgesteld artikel 5 van de WPO BES is aan deze bevoegdheid van de eilandsraad het vaststellen van regels over het verstrekken van voeding en kleding toegevoegd in lijn met artikel 7 van de Leerplichtlandsverordening.

Artikelen 6, 7, 8 en 9

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van de artikelen 4a, 5, 6 en 7 van de WPO.

Artikel 10

Dit artikel beoogt op globale wijze doelen van het onderwijs aan te geven, alsmede de algemene beginselen waarop de werkwijze van de basisschool zal moeten zijn gebaseerd. Dit artikel komt in grote mate overeen met artikel 8 van de WPO. Aan het derde lid is echter toegevoegd dat de algemene vorming van de leerlingen, gezien in relatie tot Nederland en de rest van de Caribische regio in het bijzonder, tot doel heeft dat leerlingen zich individueel en als groepslid kunnen ontplooien tot jongeren die optimaal maatschappelijk kunnen functioneren. Met deze toevoegingen wordt rekening gehouden met de omgeving waarin deze kinderen opgroeien. Afwijkend ten opzichte van de WPO wordt in het voorgestelde vierde lid bepaald dat scholen voorzien in een leerlingvolgsysteem. Hiervoor is gekozen omdat het leerlingvolgsysteem op de BES iets nieuws is. In het Europese deel van Nederland is het ondenkbaar dat een school niet voorziet in een leerlingvolgsysteem. Opname daarvan in artikel 8 van de WPO wordt daarom niet nodig geacht. In het laatste lid wordt er niet zoals in de WPO gesproken van aandacht voor achterstanden in de beheersing van de Nederlandse taal, maar wordt er gesproken van aandacht voor taalachterstanden. Dit behelst zowel het Nederlands als het Engels respectievelijk het Papiaments (zie ook paragraaf 2.1).

Artikel 11

Artikel 11 geeft voor Bonaire een opsomming van de activiteiten die moeten worden ondernomen, en van de leergebieden waarop activiteiten moeten worden ontplooid, mede teneinde de in artikel 10 genoemde doelen te bereiken. Deze opsomming komt in grote mate overeen met de opsomming in artikel 9 van de WPO. Aan de opsomming is het Papiaments toegevoegd. In het voorgestelde derde lid wordt niet gesproken van «de Duitse of de Franse taal» maar van «de Spaanse taal». In het voorgestelde zevende lid wordt aangegeven dat het onderwijs wordt gegeven in het Nederlands of in het Papiaments. Deze afwijkingen ten opzichte van de WPO houden rekening met de regio waar Papiaments een belangrijke taal is (zie ook paragraaf 2.1).

Artikel 12

Artikel 12 geeft voor Sint Eustatius en Saba een opsomming van de activiteiten die moeten worden ondernomen, en van de leergebieden waarop activiteiten moeten worden ontplooid, mede teneinde de in artikel 10 genoemde doelen te bereiken. Deze opsomming komt in grote mate overeen met de opsomming in artikel 9 van de WPO. In het voorgestelde derde lid wordt niet gesproken van «de Duitse of de Franse taal» maar van «de Spaanse taal». In het voorgestelde zevende lid wordt aangegeven dat het onderwijs wordt gegeven in het Nederlands of in het Engels. Deze afwijkingen ten opzichte van de WPO houden rekening met de regio waar Engels een belangrijke taal is (zie ook paragraaf 2.1).

Artikelen 13 en 14

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van de artikelen 10 en 11 van de WPO.

Artikel 15

Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd, en omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het beleid met betrekking tot de bewaking en verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. Anders dan artikel 12 van de WPO is in het vierde lid van artikel 15 van de WPO BES een onderdeel toegevoegd, waarin staat dat het beleid met betrekking tot de bewaking en verbetering van de kwaliteit van het onderwijs in moet gaan op de uitwerking van het eilandelijk zorgplan. Deze bepaling houdt verband met het zorgstelsel dat op de BES gaat gelden (zie ook paragraaf 2.3).

Artikel 16

De schoolgids is een informatiedocument voor de ouders en de leerlingen, dat hen de mogelijkheid biedt in gesprek te treden met het personeel of bevoegd gezag van de school. In de schoolgids wordt het functioneren van de school beschreven. Het artikel komt grotendeels overeen met artikel 13 van de WPO. In voorgesteld artikel 16 van de WPO BES is ook opgenomen dat de schoolgids informatie bevat over de instructietaal of instructietalen.

Artikel 17

De inhoud van dit artikel komt overeen met de inhoud van artikel 14 van de WPO.

Artikelen 18 en 19

Omdat de Wet medezeggenschap op scholen niet op de BES van toepassing wordt verklaard, wordt in de WPO BES voorzien in een eenvoudige medezeggenschapsstructuur waarin ouders en personeel ten minste twee maal per jaar overleg voeren met het bevoegd gezag over de algemene gang van zaken in de school. De medezeggenschapsraad komt ook samen als daarom wordt verzocht door de vertegenwoordigers tezamen (artikel 19 van de WPO BES).

In artikel 18 van de WPO BES wordt de samenstelling van de medezeggenschapsraad geregeld, dit artikel komt grotendeels overeen met artikel 3 van de Wet medezeggenschap op scholen.

Artikel 20

Dit artikel regelt dat de tijd die op een andere school of bij het expertisecentrum onderwijszorg wordt doorgebracht, meetelt als schooltijd in het basisonderwijs. Hiermee is het artikel aangepast aan het zorgsysteem dat op de BES geldt. Ook bevat het artikel de grondslag voor het vaststellen van het begin en einde van de vakanties.

Artikel 21

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 16 van de WPO.

Artikelen 22 tot en met 25

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van de artikelen 17a tot en met 17d van de WPO.

Artikel 26

Doel van het in dit artikel genoemde samenwerkingsverband is om leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte deel te laten nemen aan het primair onderwijs en zodoende een goede aansluiting tussen basisonderwijs en voortgezet onderwijs te bewerkstelligen. Het achterliggende doel van deze constructie is om voor deze leerlingen een zo volledig mogelijke onderwijsloopbaan te realiseren. De vorm van een dergelijk samenwerkingsverband is niet geregeld, de opzet ervan wordt aan de deelnemende bevoegde gezagsorganen overgelaten. Het staat hen vrij om als samenwerkingsverband een rechtspersoon op te richten. Indien deze rechtspersoon geschikt is de taken van het expertisecentrum onderwijszorg uit te voeren, kan de minister het samenwerkingsverband op verzoek aanwijzen als een expertisecentrum onderwijszorg (artikel 28, eerste lid, van de WPO BES).

Het voorgestelde zesde lid van dit artikel legt de verplichting neer om een geschillenregeling vast te stellen met het oog op het beslechten van geschillen tussen deelnemende organisaties die kunnen ontstaan over aangelegenheden die het samenwerkingsverband aangaan.

Zie verder de toelichting in paragraaf 2.3 onder «Samenwerkingsverband».

Artikel 27

Dit artikel geeft aan dat de bevoegde gezagsorganen van de scholen en de instellingen die samenwerken in een samenwerkingsverband samen met het expertisecentrum onderwijszorg jaarlijks een eilandelijk zorgplan moeten opstellen. In dit zorgplan worden onder andere de activiteiten, de beoogde resultaten en de procedures om de resultaten te bereiken, neergelegd.

Zie verder de toelichting in paragraaf 2.3 onder «Eilandelijk zorgplan».

Artikel 28

De taak van het expertisecentrum onderwijszorg is ruim geformuleerd: «het biedt deskundige ondersteuning aan leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte». Voor deze ruime formulering is gekozen omdat deze specifieke onderwijsbehoefte heel verschillend van aard kan zijn. De deskundige ondersteuning wordt op de aard van die behoefte afgestemd.

Uit de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag voor adequaat onderwijs voor zijn leerling gedurende het verblijf in dit centrum vloeit voort dat dit bevoegd gezag een ander bevoegd gezag of het centrum naar redelijkheid compenseert indien laatstgenoemden kosten maken voor deze leerling in het kader van die verantwoordelijkheid. Deze kosten hoeven pas te worden gecompenseerd indien dit naar het oordeel van het samenwerkingsverband nodig is. Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien een ander bevoegd gezag een bevoegde leraar «uitleent» die onderwijs geeft binnen het expertisecentrum onderwijszorg (zie het voorgestelde derde lid juncto het vierde lid).

Deze verantwoordelijkheid laat onverlet dat het bestuur van het expertisecentrum en het daar werkzame personeel ieder hun eigen professionele verantwoordelijkheid hebben voor de inhoud en wijze van uitoefening van hun taak. Daaruit vloeit voort dat het bestuur van het expertisecentrum een klachtenregeling maakt die aan dezelfde eisen voldoet en voor hetzelfde doel is geschreven als de regeling die voor scholen geldt. Daarom is artikel 17 van overeenkomstige toepassing verklaard in het voorgestelde vijfde lid.

Zie verder de toelichting in paragraaf 2.3 onder «Tweedelijnszorg in het expertisecentrum onderwijszorg».

Artikelen 29 en 30

Zie voor de toelichting op deze artikelen paragraaf 2.3 onder «Toezicht op overige taken van het expertisecentrum onderwijszorg».

Artikelen 31 tot en met 36 en 39 tot en met 43

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van de artikelen 29, 30a, 31, 32, 32a, 32b, 33a, 34, 36, 38a en 39 van de WPO met dien verstande dat het in artikel 32, elfde lid, van de WPO opgenomen overgangsrecht niet is overgenomen. Dat overgangsrecht is toegespitst op een situatie die zich alleen in het Europese deel van Nederland kan voordoen.

Artikel 37

Voor de rechtspositie van het personeel dat werkzaam is op een openbare school op de BES gelden de bepalingen uit de Wet materieel ambtenarenrecht BES en de daarop berustende bepalingen rechtstreeks. Dit personeel is immers ambtenaar in de zin van de Wet materieel ambtenarenrecht BES. Omdat deze regelgeving niet ziet op het personeel van een bijzondere school op de BES, bepaalt dit artikel dat deze regelgeving van overeenkomstige toepassing is op het personeel van een bijzondere school.

De bepalingen uit de Wet materieel ambtenarenrecht BES en de daarop berustende bepalingen zijn niet (direct) van toepassing verklaard, omdat de aard van sommige artikelen die gelden voor ambtenaren zich daartegen kan verzetten. Zo is de bepaling dat een ambtenaar de eed of belofte moet afleggen niet relevant voor het personeel van een bijzondere school.

Artikel 38

De eis van het Nederlanderschap uit de Wet materieel ambtenarenrecht BES geldt niet voor het personeel van een school, omdat nationaliteit geen rol speelt bij de werkzaamheden op een school.

Artikel 44

Dit artikel bevat voorschriften over toelating en verwijdering van leerlingen en over de vrijwillige ouderbijdrage. Het artikel komt in grote mate overeen met artikel 40 van de WPO. De bepaling dat na 8 weken zonder succes zoeken naar geschikte school of instelling overgegaan kan worden tot definitieve verwijdering, is niet overgenomen. De reden hiervoor is dat er rekening wordt gehouden met de schaalgrootte van de eilanden en het daarmee samenhangende kleine aantal scholen.

Artikel 45

Dit artikel regelt dat de ouders en de school afspraken maken over de vormgeving van het onderwijs dat de leerling met een specifieke onderwijsbehoefte zal krijgen. Deze afspraken komen in een handelingsplan dat de instemming behoeft van de ouders. In het handelingsplan zal onder andere worden aangegeven hoe de deskundigheid van het expertisecentrum onderwijszorg ingezet zal worden.

Artikel 46

De inhoud van dit artikel komt overeen met de inhoud van artikel 40b van de WPO met dien verstande dat niet wordt gesproken van «sociaal-fiscaalnummer» of «burgerservicenummer», maar van «persoonsgebonden nummer BES» (zie ook de toelichting op artikel 1).

Artikelen 47 en 48

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van de artikelen 41 en 42 van de WPO.

Artikel 49

In dit artikel worden de ouders wettelijk in de gelegenheid gesteld hun betrokkenheid bij de school in de praktijk te brengen. Anders dan in het verder vergelijkbare artikel 44 van de WPO kunnen wettelijk – in lijn met de Landsverordening funderend onderwijs – ook andere vrijwilligers in de gelegenheid worden gesteld deze ondersteunende werkzaamheden te verrichten. Met deze ondersteunende werkzaamheden worden onder andere bedoeld het helpen bij toneelstukken, bij de schoolkrant, in de bibliotheek of in het documentatiecentrum, het begeleiden van schoolreizen, en het bijspringen als leeshulp.

Artikel 50

De inhoud van dit artikel komt overeen met de inhoud artikel 45 van de WPO met dien verstande dat de tijdstippen voor de voor- en naschoolse perioden bij algemene maatregel kunnen worden vastgesteld. In het Europese deel van Nederland geldt de periode tussen 07:30 uur en 18.30 uur. Vanwege een ander klimaat op de BES zal in artikel 44 van de WPO BES geen aansluiting worden gezocht bij deze tijdstippen. Verder is de verwijzing naar de Wet kinderopvang niet overgenomen, omdat deze wet niet zal gaan gelden op de BES.

Artikelen 51 tot en met 57

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van de artikelen 45a, 46, 47, 48, 49, 50 en 51 van de WPO met dien verstande dat de mogelijkheid uit artikel 47 van de WPO om een openbare rechtspersoon in te stellen door meer dan één gemeente niet is overgenomen. Op de BES zal er geen sprake zijn van een openbare school die in stand wordt gehouden door meerdere openbare lichamen. Dat is gelet op de afstand tussen deze eilanden niet realistisch en niet wenselijk.

Artikel 58

In afwijking van de hoofdregel uit artikel 39 van de WPO BES bepaalt dit artikel dat niet het bevoegd gezag over het opleggen van een disciplinaire straf of schorsing dan wel het verlenen van ontslag gaat, maar de Rijksvertegenwoordiger. Deze uitzondering geldt alleen indien een directeur, een adjunct-directeur of een ander lid van het onderwijzend personeel van een openbare school lid is van de eilandsraad die de school in stand houdt.

Artikel 59

In het voorgestelde eerste lid wordt bepaald dat bij de aanstelling van onderwijspersoneel de directeur wordt gehoord. Dit artikellid komt overeen met artikel 54 van de WPO.

In het voorgestelde tweede lid wordt bepaald dat het personeel het recht heeft gehoord te worden voordat het bevoegd gezag directeuren en adjunct-directeuren aanstelt of overplaatst. Dit artikellid is overgenomen uit de Landsverordening funderend onderwijs die voorafgaand aan de transitie op de BES geldig was.

Artikelen 60 tot en met 63

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van de artikelen 55, 56, 57 en 58 van de WPO.

Artikel 64

Dit artikel omvat eisen waar de akte van benoeming aan moet voldoen. De akte van benoeming heeft betrekking op bijzonder onderwijs, terwijl de schriftelijke aanstelling tot het openbaar onderwijs behoort. Op de schriftelijke aanstelling ziet artikel 11 van de Wet materieel ambtenarenrecht BES. Het tweede lid van artikel 64 van de WPO BES bepaalt dat de akte van benoeming ten minste van gelijke inhoud moeten zijn als de bepalingen die zijn vastgesteld in artikel 11 van de Wet materieel ambtenarenrecht BES.

Artikel 65

De inhoud van dit artikel komt overeen met de inhoud van artikel 63 van de WPO.

Artikelen 66 en 67

De inhoud van deze artikelen komt grotendeels overeen met de artikelen 69 en 70 van de WPO met dien verstande dat het vijfde lid van artikel 69 van de WPO niet is overgenomen. Dit artikellid geeft aan dat artikel 4:32 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is op de bekostiging van scholen. Aangezien de subsidiesystematiek, bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht, in beginsel niet geldt op de BES, is dit lid niet overgenomen in artikel 66 van de WPO BES.

Artikel 68

Zie voor de toelichting op dit artikel paragraaf 2.3 onder «Eerstelijnszorg binnen de school».

Artikel 69

Zie voor de toelichting op dit artikel paragraaf 2.3 onder «Subsidie aan het expertisecentrum onderwijszorg».

Artikel 70

Op het door de Wet administratieve rechtspraak BES geïntroduceerde beroep in 2 instanties wordt in dit artikel een uitzondering gemaakt. Artikel 70 van de WPO BES bepaalt dat (rechtstreeks) beroep bij het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba mogelijk is in verband met de spoedeisendheid die de genoemde besluiten in dit artikel vergen. Beroep bij het Gerecht van eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt dus overgeslagen.

Artikel 71

De inhoud van dit artikel komt overeen met de inhoud van artikel 72 van de WPO.

Artikelen 72, 73 en 75

Zie voor de toelichting op deze artikelen paragraaf 2.5. «Aanvang bekostiging (plan van nieuwe scholen)».

Artikelen 74 en 76

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van de artikelen 78 en 84 van de WPO.

Artikel 77

De inhoud van dit artikel komt overeen met de inhoud van artikel 90 van de WPO.

Artikel 78

Zie voor de toelichting op dit artikel paragraaf 2.6 onder «Voorzieningen voor de huisvesting op de BES».

Artikel 79

In dit artikel wordt omschreven wat er onder voorzieningen in de huisvesting moet worden verstaan. Het artikel komt grotendeels overeen met artikel 92 van de WPO. Daar waar artikel 92, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van de WPO spreekt van «algehele vervanging radiatoren, convectoren en leidingen voor de centrale verwarming» wordt in dit artikel gesproken van «algehele vervanging onderdelen van een klimaatbeheersingssysteem». Hier is met het oog op het klimaat op de BES en de mogelijke grotere behoefte aan airconditioning dan aan centrale verwarming afgeweken van artikel 92 van de WPO.

Zie verder de toelichting in paragraaf 2.6 onder «Voorzieningen voor de huisvesting op de BES».

Artikelen 80 tot en met 86

Zie voor de toelichting op deze artikelen paragraaf 2.6 onder «Aanvraag- en toekenningsprocedure huisvestingsvoorzieningen op de BES».

Artikelen 87 tot en met 91 en 93

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van de artikelen 103 tot en met 107 en 109 van de WPO.

Artikelen 92 en 94

De inhoud van deze artikelen komt grotendeels overeen met de inhoud van de artikelen 108 en 110 van de WPO. In het eerste en vierde lid van artikel 92 en het tiende lid van artikel 94 wordt verwezen naar afdelingen en artikelen uit Boek 7 van het Nederlands Burgerlijk Wetboek, omdat het Burgerlijk Wetboek BES geen vergelijkbare bepalingen kent.

Artikelen 95 en 96

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van de artikelen 111 en 112 van de WPO.

Artikel 97

Zie voor de toelichting op dit artikel paragraaf 2.4 onder «Vereenvoudiging materiële instandhouding».

Artikelen 98 tot en 103

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van de artikelen 116, 117, 119, 120, 121 en 123 van de WPO.

Artikel 104

Dit artikel bevat de grondslag voor de bekostiging van kosten voor personeel in verband met voorschriften die worden gegeven bij of krachtens de Wet materieel ambtenarenrecht BES. De Wet materieel ambtenarenrecht BES en de onderliggende regelgeving omvat gelijksoortige voorschriften als de voorschriften, bedoeld in artikel 126 van de WPO. Te denken valt aan voorschriften over de kosten voor vervanging van personeel, wachtgeld of andere uitkeringen.

Artikelen 105 en 106

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van de artikelen 129 en 133 van de WPO.

Artikel 107

De inhoud van dit artikel komt overeen met artikel 134 van de WPO met dien verstande dat het tweede lid van artikel 134 van de WPO niet is overgenomen, omdat daarin een uitzondering wordt gemaakt voor de provincie Friesland. Deze uitzondering is niet relevant voor de BES.

Artikel 108

De inhoud van dit artikel komt overeen met de inhoud van artikel 135 van de WPO.

Artikel 109

In dit artikel wordt de basis gelegd voor de bekostiging door het openbaar lichaam aan het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school dat eigenaar is van een gymlokaal. Het artikel komt grotendeels overeen met artikel 113 van de WPO. In het eerste lid is niet opgenomen dat de ruimte voor het onderwijs in lichamelijke opvoeding zich moet bevinden op het grondgebied van het openbaar lichaam. Dat deze ruimtes zich in de situatie van de BES eilanden in het openbaar lichaam bevinden, spreekt voor zich.

Artikel 110

De inhoud van dit artikel komt grotendeels overeen met de inhoud van artikel 137 van de WPO. Het derde lid van artikel 137 van de WPO is niet overgenomen, waarin staat dat het Rijk jaarlijks een bedrag verstrekt aan het bestuur van een centrale dienst ten behoeve van de personeelskosten van zorgvoorzieningen. Op de BES wordt het namelijk niet mogelijk voor bevoegde gezagsorganen om zelfstandige centrale diensten op te richten, waarbij het personeel de onderwijsrechtspositie rechtstreeks aan zijn dienstverband met de centrale dienst ontleent. Gezien het beperkt aantal scholen op de BES wordt deze mogelijkheid niet gecreëerd in de WPO BES.

Artikel 111

Op grond van dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gegeven over de aftrekposten bekostiging voor de uitgaven van het personeel. Dit artikel is meer algemeen geformuleerd dan artikel 138 van de WPO, omdat de Wet materieel ambtenarenrecht BES van toepassing wordt op het personeel van een openbare school en van overeenkomstige toepassing op het personeel van een bijzondere school. Zie ook de toelichting op artikel 37.

Artikelen 112 en 113

De inhoud van deze artikelen komt overeen de inhoud van de artikelen 140 en 141 van de WPO.

Artikelen 114 tot en met 118

De artikelen 114 tot en met 118 van de WPO BES bevatten de overschrijdingsregeling. De overschrijdingsregeling is een specifieke uitwerking van de gelijke bekostiging van bijzonder onderwijs en openbaar onderwijs. Uitgangspunt van deze regeling is dat de rijksvergoeding van de kosten van het openbaar en bijzonder onderwijs toereikend is. Indien het openbaar lichaam ten behoeve van het openbaar onderwijs extra uitgeeft voor personeel en materiële instandhouding, dienen die uitgaven ook ten behoeve van het bijzonder onderwijs gedaan te worden.

In artikel 144, derde lid, onderdeel c, artikel 144, vierde lid, eerste zin, en artikel 145, eerste lid, laatste zin, wordt verwezen naar artikelen in afdeling 10 van de WPO. Deze afdeling gaat over het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid. De bepalingen uit de WPO met betrekking tot het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid in de WPO BES zijn niet overgenomen. Zie paragraaf 2.8 voor de toelichting hierop.

Verder is in voorgesteld artikel 121 van de WPO BES de mogelijkheid van administratief beroep bij de Rijksvertegenwoordiger geregeld op besluiten van het bestuurscollege in het kader van de overschrijdingsregeling. Zie ook de toelichting op artikel 71 voor de toelichting op het administratief beroep.

Artikel 119

In dit artikel worden de bestedingsmogelijkheden van de bekostiging geregeld. Het artikel lijkt voor een groot deel op artikel 148 van de WPO. In het tweede lid wordt een opsomming gegeven van kostenposten waarvoor de bedragen bedoeld in de artikelen 105, 107, en 110 van de WPO BES mede kunnen worden aangewend. Deze opsomming verschilt met de opsomming die wordt gegeven in artikel 148 van de WPO. Dit verschil is aangebracht omdat deze opsomming is aangepast aan het zorgsysteem dat op de BES wordt geïntroduceerd. Van speciaal onderwijs zal op de BES geen sprake zijn. Wel komt er het expertisecentrum onderwijszorg dat in deze opsomming is opgenomen (zie ook de toelichting op het vierde lid van artikel 28 van de WPO BES).

Artikel 120

Dit artikel bevat voorschriften over de betaling van bekostiging door middel van voorschotten. Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 149 van de WPO, zoals het luidde vóór de wijziging van artikel 149 van de WPO door de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht. Aangezien al uit de Algemene wet bestuursrecht voortvloeit dat gebruik mag worden gemaakt van voorschotten, hoefde dit niet meer opgenomen te worden in artikel 149 van de WPO. De Algemene wet bestuursrecht zal niet gelden op de BES en in de Wet administratieve rechtspraak BES staan dergelijke bepalingen over voorschotten niet. Daarom is de «oude» WPO-formulering van de tekst overgenomen in artikel 120 van de WPO BES.

Artikel 121

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 150 van de WPO.

Artikel 122

Dit artikel bevat de voorschriften betreffende beëindiging dan wel opheffing van een bijzondere respectievelijk openbare school. Zie voor de toelichting op dit artikel paragraaf 2.7.

Artikelen 124 tot en met 128

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van de artikelen 159, 160, 163, 163a en 163b van de WPO.

Artikel 129

Dit artikel komt overeen met artikel 164 van de WPO. Ook het tweede lid van artikel 164 van de WPO, waarin wordt verwezen naar artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht. Laatstgenoemd artikel bepaalt in het kort dat een ieder verplicht is aan een toezichthouder alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Deze bepaling is overgenomen, omdat de Wet administratieve rechtspraak BES een dergelijke bepaling niet kent.

Artikelen 130 tot en met 133

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van de artikelen 164a, 171, 172 en 173 van de WPO.

Artikel 134

Dit artikel is afgeleid van artikel 174 van de WPO. Het artikel beperkt de reikwijdte van de artikelen 171, 172 en 173van de WPO waar het gaat om het persoonsgebonden nummer. Er wordt in voorgesteld artikel 134 van de WPO BES anders dan in de WPO niet gesproken van «persoonsgebonden nummer» maar van «persoonsgebonden nummer BES». Dat houdt verband met het feit dat op de BES geen gebruik wordt gemaakt van het sociaal-fiscaal nummer of het burgerservicenummer, maar van het administratienummer van de leerling (zie ook de toelichting op artikel 1).

Artikelen 135 tot en met 150

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van de artikelen 175, 176a tot en met 176j, 177, 178a, 178b, 178c en 178e van de WPO met dien verstande dat in de voorgestelde artikelen 178a, 178b, 178c en 178e anders dan in de WPO niet wordt gesproken van «persoonsgebonden nummer» maar van «persoonsgebonden nummer BES».

Verder is het achtste lid van artikel 178a van de WPO niet overgenomen. Dit artikellid ziet op de uitvoering van subsidieregelingen van het Europees Sociaal Fonds. Deze subsidieregelingen zijn niet van toepassing op de BES.

Artikelen 151 en 152

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van de artikelen 181 en 182 van de WPO.

Artikel 153

Dit artikel verduidelijkt dat met de «beslissing van een bevoegd gezag van een openbare school», bedoeld in de voorgestelde artikelen 41, derde lid, en 44, eerste lid, van de WPO BES een beschikking wordt bedoeld in de zin van in artikel 3 van de Wet administratieve rechtspraak BES.

Artikelen 154 tot en met 159

Zie paragraaf 2.10 voor de toelichting op deze artikelen.

Artikel 160

Dit artikel bepaalt dat een openbaar orgaan dat een openbare school in stand houdt vanaf de transitie wordt aangemerkt als een openbare rechtspersoon.

Artikel 161

Dit artikel regelt de overgang van de aanspraak op bekostiging. Scholen voor funderend onderwijs die bekostigd werden op grond van de Landsverordening funderend onderwijs, behouden die aanspraak op grond van de WPO BES.

Artikel 162

Om een goede overgang van het huidige op de BES gehanteerde declaratiestelsel naar de lumpsumsystematiek te waarborgen, is in de WPO BES een aanvullende verplichting opgenomen voor een periode van – naar huidig inzicht – vijf jaar om voorschriften te geven over de vaststelling en inrichting van de begroting.

I

Artikel 10.14 (Wet sociale kanstrajecten jongeren BES)

Algemeen

1. De Landsverordening sociale vormingsplicht

In maart 2006 is op de Nederlandse Antillen de Landsverordening sociale vormingsplicht ingevoerd. Deze landsverordening is bedoeld voor jongeren in de leeftijd van 16 tot en met 24 jaar, die buiten het reguliere opleidings- en socialisatieproces zijn geraakt. Kern van dit beleid vormt het bieden van een tweede kans aan de doelgroep.

Tijdens de vormingsperiode wordt in het bijzonder aandacht besteed aan uiteenlopende problemen en beperkingen die een evenwichtige ontwikkeling van de jongeren in de weg staan. Daarnaast wordt ook de directe omgeving (ouders, verzorgers) betrokken bij het vormingstraject. Niet in de laatste plaats wordt tijdens de sociale vormingsplicht contact gezocht met onderwijsinstellingen of werkgevers, zodat de sociale vormingsplicht een perspectiefrijk vervolg krijgt. In dit verband wordt gesproken van een sluitende aanpak. Uiteindelijk, zo is het doel geformuleerd, moet aan de jongeren opnieuw een toekomstperspectief worden geboden.

Kortweg kunnen de projecten die in dit kader worden aangeboden, worden onderverdeeld in vijf typen:

  • 1. tweedekansvoorzieningen van de sociale vormingsplicht,

  • 2. stage- en banencreatie,

  • 3. jongeren ook onze zorg,

  • 4. preventie van drop-outs, en

  • 5. opvoedingsondersteuning en -educatie aan jonge ouders en jongeren.

1.1. Achtergrond van de jongerenproblematiek

Voor de meeste jongeren op de Nederlandse Antillen doen zich geen verontrustende problemen voor. Toch zijn er jongeren die tegen zoveel struikelblokken aanlopen dat deze jongeren zonder speciale maatregelen weinig kans hebben op integratie en participatie in die samenleving.

De cijfers van de Jeugdmonitor 2006 wijzen op de Antilliaanse eilanden op een hoge schooluitval, veel voorkomende patronen van geweld en jeugddelinquentie, een hoog risicogedrag met betrekking tot het gebruik van verslavende middelen en regelmatig voorkomend seksueel probleemgedrag4.

De statistieken zijn voor de bovenwindse eilanden nog het minst gunstig. Kort gesteld is het perspectief voor veel van deze probleemjongeren weinig hoopvol. Dit geldt in het bijzonder voor jongeren bij wie sprake is van een meervoudige problematiek.

Bij dit alles komt dat de BES eilanden worden geconfronteerd met een omvangrijk armoedeprobleem. Het spreekt vanzelf dat een slechte leef- en woonsituatie van grote invloed is op de omstandigheden waarin jongeren opgroeien. Deze omstandigheden zijn op hun beurt nadelig voor het volgen en succesvol afronden van schoolcarrières.

Vanwege de structurele jeugdproblematiek is er een bevolkingsgroep ontstaan, die bij elke nieuwe generatie achteruitgaat qua educatiepeil. Om hieraan een halt toe te roepen, is het nodig geweest om van overheidswege de nodige scholings- en vormingsvoorzieningen te creëren op grond van de Landsverordening sociale vormingsplicht.

1.2. Noodzaak van het wetsvoorstel sociale kanstrajecten jongeren BES

De Landsverordening sociale vormingsplicht op de Nederlandse Antillen heeft het wettelijke kader geboden voor het direct en duurzaam aanpakken van structurele problemen. Op grond van deze landsverordening dienen jeugdigen en jongeren een opleiding te volgen dan wel een baan te hebben. Deze landsverordening is een instrument voor de integratie van inactieve jongeren en jongeren zonder een startkwalificatie.

De Landsverordening sociale vormingsplicht is omgezet in het voorstel van Wet sociale kanstrajecten jongeren BES. Het reguliere onderwijs in de BES-eilanden zal naar verwachting een zodanige verbeterslag ondergaan dat de sociale kanstrajecten en dus de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES overbodig zullen worden. De jongeren kunnen dan zonder meer doorstromen naar het reguliere onderwijs.

Omdat het onderhavige wetsvoorstel ontleend is aan de Landverordening Sociale Vormingsplicht, waarmee op de eilanden al gedurende een aantal jaren wordt gewerkt bestaat geen behoefte aan een gefaseerde invoering van het wetsvoorstel.

2. Wat regelt het wetsvoorstel sociale kanstrajecten jongeren BES

De Landsverordening sociale vormingsplicht heeft model gestaan voor het voorstel voor de Wet sociale kanstrajecten jongeren. In het onderhavige wetsvoorstel is de leerwerkplicht die de landsverordening bevat, niet gehandhaafd. De achtergrond daarvan is het advies van de Raad van State van 17 oktober 2006, nr. W05.06.0319/III (Kamerstukken II 2006/07, 30 901, nr. 4) inzake het voorstel van wet tot wijziging van de Leerplichtwet, de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met de invoering van een kwalificatieplicht en een leerplicht en een aanpassing van de regionale meld- en coördinatiefunctie, waarin de Raad van State aangaf dat het niet is toegestaan aan volwassenen een verplichting op te leggen een opleiding te volgen of bepaalde werkzaamheden te verrichten. Daarmee wijzigt de strekking van de nieuwe wet in aanzienlijke mate: waar de jongere op grond van de landsverordening verplicht was zich te melden, kan de jongere nu op vrijwillige basis een kanstraject volgen. Dit betekent dat er van overheidswege alles aan gedaan moet worden om de jongeren te stimuleren tot deelname. In verband hiermee voorziet het wetsvoorstel in een actieve benadering van de jongeren die tot de doelgroep behoren. Als aanmoediging tot deelname kan worden genoemd de mogelijkheid een startkwalificatie WSKJ te verkrijgen, en het mogelijk maken een werkkring, een beter passende werkkring of een werkkring op een hoger niveau te bereiken. Ook van de kanstrajecttoelage zal een belangrijke stimulerende werking uitgaan.

3. Uitgangspunten van het wetsvoorstel sociale kanstrajecten jongeren BES

Het voorstel van de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES biedt een samenhangend en geïntegreerd geheel van vorming, onderwijs en praktijkervaring. Hieronder wordt kort weergegeven op welke aspecten in de Landsverordening sociale vormingsplicht knelpunten zijn gesignaleerd die de kwaliteit van de sociale vormingsplicht kunnen beïnvloeden.

3.1. Zorgstructuur sociale kanstrajecten

Leerlingenzorg

Op de BES is het, gezien de schaalgrootte, niet haalbaar om een zorgstructuur in te richten zoals de gedetailleerde systematiek in het Europese deel van Nederland. Dit houdt in dat er geen leerlinggebonden financiering met bijbehorende systematiek voor indicatiestellingen wordt geïntroduceerd op de BES. De gekozen benadering is er op gericht een zo eenvoudig mogelijk wettelijk kader te scheppen waarbinnen het belang van deelnemers met een specifieke onderwijsbehoefte zo goed mogelijk wordt geborgd, terwijl tegelijkertijd ruimte is voor betrokken instellingen om zelf de beste oplossingen te kiezen aansluitend bij de behoefte en schaal van het eiland.

In dit wetsvoorstel is de keuze gemaakt om de zorgstructuur niet rechtstreeks te regelen, maar te verwijzen naar de regeling in de Wet educatie en beroepsonderwijs BES. Dit houdt het wetsvoorstel eenvoudig.

Eerstelijnszorg binnen de school

Uitgangspunt is dat deelnemers met een specifieke onderwijsbehoefte zoveel mogelijk onderwijs zullen volgen binnen het sociale kanstraject (eerstelijnszorg). De uitvoeringsinstanties maken hierbij gebruik van deskundigheid binnen de instelling (interne begeleiders).

Tweedelijnszorg in het expertisecentrum onderwijszorg

Daarnaast wordt per eiland een aanbod van specialistische deskundigheid georganiseerd in de vorm van een «expertisecentrum onderwijszorg», waarvan scholen voor primair onderwijs, scholen voor voortgezet onderwijs, instellingen voor beroepsonderwijs. De uitvoeringsinstantie maakt geen deel uit van het expertisecentrum onderwijszorg. De uitvoeringsinstantie kan de tweedelijns zorg inkopen bij het expertisecentrum onderwijszorg.

Het expertisecentrum onderwijszorg is verantwoordelijk voor de zorgaspecten. Deelnemers blijven ingeschreven bij de uitvoeringsinstantie die verantwoordelijk blijft voor het sociale kanstraject en de voorzieningen die daarbij horen.

3.2. Kanstrajecttoelage

Aan de sociale vormingsplicht is op de BES-eilanden een inkomensvoorziening verbonden. Een deelnemer aan een kanstraject komt in aanmerking voor een kanstrajecttoelage om daarmee te voorzien in zijn levensonderhoud. Deelnemers die de zorg hebben voor hun kind of kinderen kunnen daarnaast een beroep doen op een bijdrage in de kosten van kinderopvang. De kanstrajecttoelagen zijn in het onderhavige wetsvoorstel gehandhaafd, hoewel de vormingsplicht wordt afgeschaft en financiële motieven geen rol zouden mogen spelen bij de schoolkeuze van een leerling. In plaats van de sociale vormingsplicht bestaat in het voorgestelde systeem tegenover de plicht een onderwijsprestatie te verrichten, het recht op een kanstrajecttoelage.

3.3. Kwalificatieplicht

Op grond van de Leerplichtlandsverordening van de Nederlandse Antillen eindigt op de BES de volledige leerplicht aan het einde van het 18e levensjaar. Handhaving van de leerplicht is echter problematisch. Deze landsverordening kent geen kwalificatieplicht. Op de BES-eilanden zal voor jongeren tot 18 jaar met de Leerplichtwet BES de kwalificatieplicht worden ingevoerd.

3.4. Niveau startkwalificatie WSKJ

Op grond van de Landsverordening sociale vormingsplicht geldt op de BES mbo niveau 1 (assistentopleiding) als startkwalificatieniveau. In het onderhavige wetsvoorstel is dit gehandhaafd. Jongeren die niet tot dit niveau zijn opgeleid worden aangemerkt als voortijdige schoolverlaters WSKJ.

4. Doelgroep sociale kanstrajecten

Dit wetsvoorstel beoogt kwetsbare jongeren tussen 18 en 25 jaar een nieuwe kans of alsnog de kans te bieden een opleiding te voltooien en/of te voorkomen dat er meer kwetsbare jongeren op de Nederlandse Antillen komen. Kwetsbare jongeren zijn jongeren die niet voldoende onderwijs hebben afgemaakt (geen startkwalificatie WSKJ, d.w.z. geen mbo-1 opleiding) en geen toegang hebben tot het reguliere dagonderwijs en niet voldoende opleiding of ervaring hebben om een baan te krijgen ofwel een lagere beroepsopleiding hebben die niet aansluit op de arbeidsmarkt.

5. Inhoud sociale kanstrajecten

De sociale kanstrajecten die aangeboden kunnen worden aan jongeren, betreffen hetzij middelbaar beroepsonderwijs op niveau 1 of trajecten met educatie-achtige activiteiten. Naar Europees-Nederlandse begrippen zou in dat geval gesproken worden van cursussen gericht op het verwerven van basisvaardigheden, sociale redzaamheid of alfabetisering. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat deze cursussen inhoudelijk (nog) niet vergelijkbaar zijn met de Europees-Nederlandse educatieopleidingen.

6. Taken en verantwoordelijkheden

Bij de uitvoering van de sociale kanstrajecten hebben de hierna beschreven actoren een rol te vervullen,zowel op lands- als eilandniveau.

6.1. Rol eilandelijke projectbureaus

In elk openbaar lichaam zal een projectbureau gevestigd zijn:

Een projectbureau heeft een aantal taken.

Het staat aan het begin van het kanstraject als de instantie die voor elke potentiële deelnemer de educatieve intake doet. Ze blijven tijdens de uitvoering een rol spelen als beheerder van het deelnemersregister en als degene die beschikt op een aanvraag voor een kanstrajecttoelage. Het projectbureau bewaakt de kwaliteit van de sociale kanstrajecten aangezien zij belast is met het toezicht op de uitvoeringsinstantie.

6.2. Rol uitvoeringsinstanties

De uitvoeringsorganisaties bieden sociale kanstrajecten aan en voeren deze uit. De uitvoeringsorganisaties staan in direct contact met de deelnemende jongeren. Omdat de uitvoeringsinstanties de inhoud van het individuele sociale kanstraject vaststelt is er veelal persoonlijk contact met de doelgroep. Zij dienen voor het goed vervullen van deze taak van alle deelnemers de voorgeschiedenis en toekomstverwachtingen te kennen. Ook dienen ze goed op de hoogte te zijn van de thuisproblematiek.

Naast deze op de individuele deelnemers gerichte taak, ligt bij de uitvoeringsinstanties nog een aantal meer algemene taken zoals het opstellen van een raamplan sociale kanstrajecten en het uitvoeren van een genoegzaam aanbod van sociale kanstrajecten en de daarmee samenhangende begeleiding.

6.3. Rol Onderwijsinspectie

De Onderwijsinspectie draagt zorg voor toezicht op de kwaliteit van de sociale kanstrajecten.

7. Succesfactoren sociale vormingsplicht

In opdracht van de Uitvoeringsorganisatie Stichting Ontwikkeling Nederlandse Antillen (USONA) heeft Regioplan Beleidsonderzoek in het voorjaar van 2008 een effectmeting uitgevoerd naar het verloop van de sociale vormingsplicht. De bevindingen van Regioplan onderschrijven het succes en het belang van de sociale vormingsplicht. De succesfactoren hebben vooral betrekking op de aandacht voor vorming, het accent op praktijkgericht onderwijs, de persoonlijke begeleiding en de gerichte uitstroom naar werk.

  • In de opzet van de kanstrajecten is vooral de aandacht voor de sociale vorming anders dan in het reguliere onderwijs. Jongeren leren hoe ze zich in allerlei situaties moeten gedragen, hoe zij zich naar werkgevers moeten opstellen en wat van hen wordt verwacht op de arbeidsmarkt.

  • Ook slaat de combinatie van meer theoretische en praktijkgerichte vakken goed aan. Veel jongeren zijn namelijk vooral geïnteresseerd in meer praktische of praktijkgerichte vaardigheden, die in het reguliere onderwijs (althans in het voortgezet onderwijs) een veel minder prominente plaats innemen.

  • Persoonlijke begeleiding blijkt voor de meeste jongeren noodzakelijk om hen tijdens het kanstraject te ondersteunen. Dit is zo belangrijk omdat de begeleiding de mogelijkheid geeft een oplossing te bieden voor de privéproblemen waarmee velen kampen. Daarnaast blijkt een één op één-benadering vaak essentieel om deze jongeren «binnen boord» te houden en te voorkomen dat zij terugvallen in hun oude bestaan. Een veelgehoord argument is dat er in het reguliere onderwijs nauwelijks aandacht is voor de achtergrond en de thuissituatie van deze jongeren.

  • Tot slot is ook de gerichtheid op een stageplaats en werk een belangrijke meerwaarde van de sociale vormingsplicht. Veel van wat wordt geleerd, heeft namelijk direct te maken met een mogelijk toekomstig dienstverband. Voor de jongeren betekent dit dat zij direct werken aan hun eigen toekomst: zij leren zich te presenteren bij een werkgever, verbeteren hun taalkennis, investeren in vakinhoudelijke kennis en krijgen de kans om werkervaring op te doen5.

Nu in het wetsvoorstel geen sprake meer kan zijn van verplichte deelname, zal alles in het werk worden gesteld de verworvenheden van de sociale vormingsplicht te continueren.

Uit het genoemde onderzoek van bureau Regioplan blijkt ook dat er een aantal kanttekeningen te plaatsen is bij de randvoorwaarden, kosten, opbrengsten en effecten van sociale vormingstrajecten. Zo wordt in het rapport, naast enige andere knelpunten, opgemerkt dat er een groot gebrek is aan bevoegde en gekwalificeerde docenten.

Inmiddels heeft KPMG in opdracht van het Ministerie van OCW eind 2009 een onderzoek laten verrichten naar de wijze waarop de financiële, personele en materiële middelen worden ingezet voor de Sociale Vormingsplicht programma’s op Sint Eustatius en Saba. De algemene conclusie is wederom dat de sociale vormingsplicht op beide eilanden voorziet in een behoefte: het biedt mogelijkheden voor de jongeren die niet langer binnen het regulier onderwijs kunnen of willen zijn.

Ten aanzien van de knelpunten zij opgemerkt dat de situatie op Sint Eustatius en Saba sinds het onderzoek van bureau Regioplan aanmerkelijk is verbeterd. Verdere verbetering zal worden nagestreefd door middel van investering vanuit het Europese deel van Nederland in de opleiding van nieuwe leraren door onder meer het mogelijk maken van zij-instroom en leraren in opleiding (LIO’s). Een bredere inbedding in een breder zorgpakket zal worden bereikt door de verplichte aansluiting van de uitvoeringsinstantie bij het samenwerkingsverband voor de zorg en de aansluiting bij het expertisecentrum dat voor de zorg op de BES-eilanden zal worden ingericht.

Ook is alles erop gericht de vorming van de jongere meer aandacht te geven door het aanbieden van meer maatwerk in de sociale kanstrajecten en door de verbetering van het aansluiting van de sociale kanstrajecten op de reguliere mbo-opleidingen. Tevens wordt gewerkt aan een betere aansluiting van de sociale kanstrajecten op de arbeidsmarkt. Op dit moment is die aansluiting nog verre van optimaal.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2. Doelgroep sociaal kanstraject

Dit artikel geeft een omschrijving van de doelgroep van jongeren die in aanmerking komen voor een sociaal kanstraject.

Artikel 3. Uitnodiging

Bij het ontbreken van een sociale vormingsplicht is het van groot belang dat jongeren tot deelname aan sociale kanstrajecten worden gestimuleerd. Vandaar dat in het eerste lid de verplichting is opgenomen voortijdige schoolverlaters die niet meer naar school gestuurd kunnen worden of aan het werk komen, te verwijzen naar het projectbureau. Het projectbureau mag geen afwachtende houding aannemen, maar heeft ingevolge het tweede lid, de opdracht de jongere uit te nodigen voor een educatieve intake.

Een jongere kan zich uiteraard ook zelf aanmelden. Als een jongere zich aanmeldt – na een uitnodiging of zelfstandig – wordt wel van hem verwacht dat hij meewerkt aan de educatieve intake.

Artikel 4. Educatieve intake

De educatieve intake is er voor bedoeld te onderzoeken of een jongere in aanmerking komt voor een sociaal kanstraject. Daarbij wordt nagegaan wat het kennis- en ervaringsniveau van de jongere is. Dit is van belang als startpunt voor het maken van een individueel traject, wat gebeurt door de uitvoeringsinstantie. Met de jongeren worden afspraken gemaakt over het vervolg. Tijdens de intake worden de persoonsgegevens van de jongere (zoals naam, adres, woonplaats, geboortedatum) en de afspraken die zijn gemaakt vastgelegd in een formulier.

De educatieve intake mondt, als de jongere besluit deel te nemen, uit in een onderwijsovereenkomst waarin de wederzijdse rechten en verplichtingen worden neergelegd.

Artikel 5. Projectbureau en uitvoeringsinstantie

In dit artikel worden de taken van het projectbureau en de uitvoeringsinstantie omschreven. Op de taken van beide instanties is in het algemene deel van deze toelichting reeds ingegaan.

Artikel 6. Deelnemersregister

De jongere die deelneemt aan een sociale kanstraject wordt als deelnemer in het in dit artikel geregelde deelnemersregister ingeschreven. Het doel van de registratie is de begeleiding van de deelnemers.

Het tweede lid somt limitatief op welke gegevens in het deelnemersregister mogen worden opgenomen. Deze zijn alle afgeleid van het doel van de registratie. Op het register zijn de bepalingen van de Wet bescherming persoonsgegevens BES van toepassing.

Artikel 7. Gebruik register

In dit artikel wordt nog eens benadrukt dat de in het register opgenomen gegevens uitsluitend mogen worden gebruikt ten behoeve van de uitvoering en handhaving van deze wet, de zogeheten doelbindingsbepaling. Daarnaast wordt bepaald dat uitsluitend de uitvoeringsinstantie en de toezichthouders toegang hebben tot de gegevens.

Artikel 8. Raamplan sociale kanstrajecten

De uitvoeringsinstantie stelt ingevolge dit artikel een raamplan sociale kanstrajecten op, dat uiteindelijk door het bestuurscollege moet worden vastgesteld (tweede lid). De onderwerpen die in het plan aan de orde moeten komen, worden in het eerste lid opgesomd. Het hele aanbod aan kanstrajecten wordt er inhoudelijk in beschreven. Ook de wijze waarop het bedrijfsleven betrokken is, wordt vermeld. De relatie met het bedrijfsleven is van groot belang, bijvoorbeeld omdat daar de stageplaatsen moeten worden gevonden. Ook voor de afstemming van de inhoud van de trajecten op de behoeften van de arbeidsmarkt is betrokkenheid van het bedrijfsleven van belang. Het raamplan vermeldt zijn looptijd en bevat ten slotte een begroting. In deze begroting wordt naast het aantal deelnemers en de kanstrajecttoelage die zij ontvangen, ook de zorg begroot die bij het expertisecentrum onderwijszorg wordt ingekocht.

Artikel 9. Sociaal kanstraject

Het eerste lid bepaalt dat de uitvoeringsinstantie voor iedere deelnemer een op zijn situatie afgestemd sociaal kanstraject vaststelt. Het intakegesprek levert daarvoor de bouwstenen.

Het tweede lid noemt de mogelijke doelen van de verschillende modulen die aan een deelnemer worden aangeboden. Het varieert van persoonlijke ontplooiing tot het behalen van een startkwalificatie (mbo niveau 1). De doelen zijn in vergelijking met de Landsverordening sociale vormingsplicht, uitgebreid met het verwerven van de kennis van taal en rekenen, computervaardigheden en praktische vaardigheden. Bij dit laatste moet worden gedacht aan telefoneren en geld opnemen bij de bank.

Ingevolge het derde lid duurt een sociaal kanstraject ten minste 3 maanden. Dat lid stelt verder de maximale duur van een kanstraject op twee jaar met de mogelijkheid om deze duur met een periode van maximaal zes maanden te verlengen. Deze verlenging wordt bij het projectbureau aangevraagd.

In het vierde lid is geregeld dat het sociaal kanstraject kan worden aangepast als de omstandigheden van de deelnemer veranderen. Zo wordt bereikt dat een kanstraject altijd aansluit bij de situatie waarin de jongere verkeert

Artikel 10. Getuigschrift

Na een succesvolle afronding van alle modules van een traject ontvangt de deelnemer een certificaat of een diploma. Met name het getuigschrift van de educatieve trajecten heeft niet hetzelfde civiele effect als een Europees-Nederlands getuigschrift educatie, maar een dergelijk getuigschrift verbetert wel de positie van de deelnemers op de arbeidsmarkt en maakt duidelijk dat de kans van slagen van deze deelnemer op het mbo groter is geworden. Een diploma mbo niveau 1 heeft het zelfde civiele effect als een mbo niveau 1-diploma in het Europese deel van Nederland.

Artikel 11. Kanstrajecttoelage

De kanstrajecttoelage kent twee elementen een vaste maandelijkse tegemoetkoming om in het levensonderhoud te voorzien en een toelage voor de kinderopvang. Door op deze wijze in het levensonderhoud van de deelnemer te voorzien zijn er geen beletselen voor deelname zelfs niet voor deelnemers die de zorg voor kinderen hebben.

De maandelijkse tegemoetkoming en de bijdrage in de kinderopvang kunnen worden verstrekt gedurende de periode waar het sociaal kanstraject loopt en is daarmee ook gemaximeerd tot twee jaar met een mogelijke uitloop van 6 maanden.

Op grond van het derde lid vervalt de aanspraak van de deelnemer zowel op de maandelijkse tegemoetkoming als op de bijdrage in de kinderopvang, indien hij zonder geldige reden gedurende een aaneengesloten periode van ten minste twee weken niet deelneemt aan het sociale kanstraject.

De wet regelt dat het projectbureau beslist op aanvragen voor een kanstrajecttoelage.

Artikel 12. Handelingsplan

Dit artikel bepaalt dat de uitvoeringsinstantie voor aanvang van het sociaal kanstraject een handelingsplan opstelt, indien de deelnemer een specifieke zorgbehoefte heeft. Het behandelingsplan wordt opgesteld naar aanleiding van de educatieve intake en vastgesteld in overeenstemming met de deelnemer. Het handelingsplan wordt opgesteld op basis van de resultaten van gevalideerde testen of toetsen.

Artikel 13. Bekostiging sociale kanstrajecten

Dit artikel legt aan het bestuurscollege de verplichting op zowel het projectbureau als de uitvoeringsinstantie te bekostigen voor hun werkzaamheden.

Artikel 14. Verslag uitgevoerde sociale kanstrajecten

Dit artikel verplicht de uitvoeringsinstantie elk jaar aan het bestuurscollege schriftelijk verslag uit te brengen over de uitgevoerde sociale kanstrajecten. Dit verslag biedt het bestuur inzicht in wat er in het afgelopen jaar op het gebied van de sociale kanstrajecten is gebeurd.

Artikelen 15 en 16. Indiening financiële verantwoording; Intrekking of wijziging bijdrage door eilandsraad

Deze artikelen bevatten financiële bepalingen die in deze gevallen gebruikelijk zijn in Europees-Nederlandse situaties.

Artikel 17. Bijzondere uitkering raamplan sociale kanstrajecten

Dit artikel regelt de financiële verhouding tussen de Rijksoverheid en de openbare lichamen.

De minister verstrekt jaarlijks aan per openbaar lichaam een uitkering die de openbare lichamen in staat stelt de sociale kanstrajecten te bekostigen.

Gericht zijn op het behalen van een startkwalificatie WSKJ dat wil zeggen mbo op niveau 1.

Het gaat om een bijzondere uitkering als bedoeld in de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Voor deze uitkering geldt een begrotingsvoorbehoud. De berekening en betaling van de uitkering wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur geregeld.

Artikelen 18 en 19. Intrekking of wijziging bijzondere uitkering door Onze Minister; Terugvordering of verrekening middelen

Deze artikelen geven de minister de mogelijkheid tot aanpassing van de bijzondere uitkering en de terugvordering of verrekening van de middelen.

Artikel 20. Toezicht

In het eerste lid is het toezicht opgedragen aan de toezichthouders die door de minister van OCW worden aangewezen. De inspectie van het onderwijs zal als toezichthouder worden aangewezen.

In het tweede lid wordt de inspecteur belast met het toezicht op de kwaliteit van de geboden sociale kanstrajecten. De inspecteur houdt toezicht op basis van een toetsings- en waarderingskader dat hij voor dit doel ontwikkelt.

In het derde lid zijn de artikelen 5:12, 5:15, 5:16 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard. In artikel 5:12 is de legitimatieplicht van de toezichthouder geregeld. In artikel 5:15 is de toegang van de toezichthouder geregeld. Artikel 5:16 bevat de bevoegdheid van de toezichthouder om inlichtingen in te winnen. Artikel 5:20 bepaalt dat iedereen alle medewerking aan de toezichthouders moet verlenen op het moment dat zij die voor de uitoefening van het toezicht nodig hebben.

Artikel 21. Strafbepalingen

Dit artikel stelt het doen van valse opgaven en het verzwijgen van relevante informatie strafbaar.

J

Artikel 10.15 (Wet studiefinanciering BES)

Algemeen

1. Inleiding

Dit wetsvoorstel (Wet studiefinanciering BES, hierna WSF BES) beoogt een regeling te treffen voor het verstrekken van studiefinanciering aan studerenden woonachtig op de BES-eilanden. Uitgangspunt voor het wetsvoorstel is de Landsstudietoelagenregeling (Landsverordening van de 8ste mei 1961 tot regeling van de toekenning van landstudietoelagen, P.B. 1961, no. 78). De Landsverordening heeft over de jaren de facto reeds aan kracht en actualiteit verloren, sinds er in de tweede helft van de jaren ’80 een vergaande mate van decentralisatie van het studiefinancieringsbeleid naar de afzonderlijke eilanden is ingezet. Bonaire heeft ondertussen een geheel eigen stelsel. De Landsverordening geldt nog steeds voor Sint Eustatius en Saba, maar ook hier wijkt de praktijk af. Daarom ligt niet alleen de Landverordening ten grondslag aan dit wetsvoorstel, maar ook de ondertussen ontwikkelde praktijk en tevens de Nederlandse Wet studiefinanciering 2000 (hierna: WSF 2000).

De WSF BES wordt nadrukkelijk geen kopie van de Landsverordening, noch van de WSF 2000. De WSF BES is hoofdzakelijk voor studerenden op de BES-eilanden en de nabije omgeving bedoeld, terwijl de WSF 2000 hoofdzakelijk is bedoeld voor studerenden in het Europese deel van Nederland. Met studerenden worden zowel deelnemers in het middelbaar beroepsonderwijs bedoeld, als studenten in het hoger onderwijs (hoger beroepsonderwijs en universiteit). Het middelbaar beroepsonderwijs heet op de BES-eilanden «secundair beroepsonderwijs» (sbo).

De BES-eilanden krijgen een eigen WSF BES omdat:

  • in de Europees-Nederlandse regels bepaalde aspecten die wel van waarde zijn voor de BES-eilanden ontbreken, bijvoorbeeld: voorzieningen voor overtochtskosten, uitrustingskosten, voorzieningen voor begeleiding in het Europese deel van Nederland, noodzaak voor het kunnen gebruiken van BES-studiefinanciering in (ei)landen in de regio en het Europese deel van Nederland in verband met de kleine schaal van de eilanden,

  • het Europees-Nederlandse stelsel aspecten kent die voor de BES-eilanden niet relevant zijn, zoals een reisvoorziening in de vorm van een OV-studentenchipkaart,

  • de in het Europese deel van Nederland gehanteerde normbedragen te hoog zijn in vergelijking met de lokale BES-levensstandaard en er bovendien een andere valuta wordt gehanteerd (US-dollars in plaats van euro’s),

  • er gezien de beperkte omvang van de groep studerenden behoefte is aan een regeling die eenvoudiger is uit te voeren dan de WSF 2000. Onder de WSF BES komen enkele duizenden studerenden en debiteuren te vallen, terwijl de systemen van de WSF 2000 zijn toegerust voor 600.000 studerenden.

Er is voor gekozen om waardevolle elementen uit de huidige uitvoeringspraktijk op de BES-eilanden te handhaven in de nieuwe WSF BES. Een aantal belangrijke voorbeelden:

  • studerenden kunnen in de regio studeren, in het Europese deel van Nederland of in de VS;

  • in de normbedragen is rekening gehouden met de verschillende kostenniveaus van de verschillende bestemmingen;

  • er zijn voorzieningen voor overtochtskosten, uitrustingskosten en begeleiding in het Europese deel van Nederland;

  • er is een basisdeel aan beurs dat onder voorwaarden wordt omgezet in een gift;

  • het stelsel is voor zowel deelnemers in het middelbaar beroepsonderwijs als studenten in het hoger onderwijs.

Daarnaast zijn elementen uit het Europees-Nederlandse systeem opgenomen, die de toegankelijkheid en transparantie verbeteren:

  • men kan in de WSF BES in plaats van tot het 25e levensjaar, studiefinanciering aanvragen tot zijn 30e;

  • men krijgt een deel van de studiefinanciering als gift onder de voorwaarde dat men binnen 10 jaar het diploma moet hebben gehaald;

  • de WSF BES is een open einderegeling, waardoor zeker is dat gelijke gevallen gelijke rechten zullen ontvangen. Er zullen geen quota gehanteerd worden;

  • de afbetaaltermijn van 10 jaar is verlengd naar 15 jaar plus een aflossingsvrije «aanloopfase» van twee jaar na het afstuderen;

  • er is een mogelijkheid opgenomen om daarnaast op verzoek de terugbetaling voor 5 jaren op te schorten (jokerjaren);

  • er is de mogelijkheid om het terug te betalen maandbedrag te verlagen indien men een inkomen heeft dat onder een bepaalde grens ligt (de draagkrachtregeling);

  • de rente die over de schuld moet worden betaald, is afgeleid van de rente die de Nederlandse overheid betaalt over staatsleningen. Dit is een doorgaans lagere rente dan de 10% uit de leenvoorwaarden van de huidige uitvoeringsinstantie op Bonaire, de FINEB.

Het systeem is relatief gemakkelijk uitvoerbaar. Er zijn regels nodig voor het proces van aanvragen en toekennen en het proces van het terugbetalen en innen. De regeling is daarbij vrij generiek van aard. Veel bijzondere bepalingen die de WSF 2000 kent, zijn echter niet opgenomen in de WSF BES. Dit zijn vaak ook de bepalingen waarover in de Antilliaanse regelingen niets te vinden was.

In het wetsvoorstel is bewust een aantal complicerende factoren bij het aanvragen en toekennen is weggelaten, zoals:

  • er wordt geen verschil gemaakt tussen uitwonende en thuiswonende studerenden; het maakt slechts onderscheid tussen wonen op het eigen eiland of elders;

  • er is geen sprake van ouderafhankelijkheid: dit betekent geen controle op het ouderlijk inkomen, geen berekening van de veronderstelde ouderlijke bijdrage, geen aftrek voor studieschuld van ouders, geen aftrek voor telkinderen, geen peiljaarverleggingen en geen regeling voor ouders die weigeren zij te dragen;

  • een studerende mag onbeperkt bijverdienen;

  • er is geen éénouder- en partnertoeslag;

  • er bestaat geen koppeling van de WSF BES met de gemeentelijke basisadministratie: de administratie verloopt via telformulieren;

  • bij het stoppen vóór 1 februari vindt geen omzetting van de prestatiebeurs in een gift plaats;

  • er zijn geen aparte regels rond meeneembaarheid van studiefinanciering: studeren buiten het eigen eiland is zonder meer mogelijk;

  • aparte regels rond ziekte, handicap en arbeidsongeschiktheid ontbreken: wanneer deze omstandigheden zich voordoen, kan een beroep worden gedaan op de algemene hardheidsclausule.

De WSF BES zal uitgevoerd worden door de Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO), die te kennen heeft gegeven dat de regeling uitvoerbaar is. Op de vormgeving van de uitvoering is ingegaan in paragraaf 4.

2. Doelen en uitgangspunten van het nieuwe stelsel

Eerste doel van het stelsel van studiefinanciering is dat financiële belemmeringen zoveel mogelijk worden weggenomen om een kwalitatief goede opleiding te volgen waarvoor de studerende de juiste kwalificaties bezit. BES-studerenden moeten financieel in staat zijn om een middelbare beroepsopleiding, hogere beroepsopleiding of universitaire studie te volgen in hun eigen regio of in het Europese deel van Nederland. Indien er voor studerenden van de BES-eilanden een financieel toegankelijk stelsel is, waarin prikkels zitten om in de eigen regio te studeren, zal dit naar verwachting de braindrain van de BES-eilanden naar het Europese deel van Nederland verminderen. Zo kan er een balans ontstaan tussen in de regio blijvende en naar het Europese deel van Nederland vertrekkende studerenden.

Tweede doel van het te ontwikkelen stelsel is, dat er op de BES-eilanden duidelijkheid en rechtszekerheid is over de regelgeving die op de BES-studerenden van toepassing is. In plaats van de versnipperde praktijk onder de huidige situatie, is er nu een voor alle eilanden gelijk stelsel ontwikkeld. Ook de uitvoering is transparant (zie ook paragraaf 4).

Bij het realiseren van de doelen is rekening gehouden met een aantal uitgangspunten en randvoorwaarden:

  • een generiek stelsel, dat voor alle BES-eilanden gelijk is. Wel is het van belang om daarnaast aan de afzonderlijke eilanden de ruimte te laten om aanvullend beleid te voeren dat voor het eiland van belang is, zoals specifiek beleid om de terugkeer van studerende te stimuleren;

  • een eenvoudig en overzichtelijk stelsel, dat goed uit te voeren is (keep it simple);

  • een stelsel dat zoveel mogelijk aansluit op en geen achteruitgang betekent ten opzichte van de huidige praktijk op de eilanden. De huidige cohorten studerenden mogen daarbij niet tussen wal en schip raken;

  • een stelsel met de juiste prikkels, dat studerenden motiveert om de studie met goed gevolg af te ronden en dat oneigenlijk gebruik van het stelsel tegengaat;

  • een stelsel waarbij de studerende de verantwoordelijkheid heeft om te investeren in zijn eigen toekomst;

  • een betaalbaar stelsel, dat budgettair haalbaar is.

3. Inhoud

3.1. Reikwijdte van de wet

De WSF BES kent twee doelgroepen: studerenden van de BES-eilanden die in de regio een opleiding gaan volgen en studerenden die naar het Europese deel van Nederland gaan voor een opleiding. Studerenden die in het Europese deel van Nederland gaan studeren hebben op grond van de WSF BES alleen aanspraak op de opstarttoelage en zijn voor levensonderhoud en studie aangewezen op de WSF 2000. De WSF BES gaat in beginsel gelden voor studerenden van de BES-eilanden die willen studeren op het eigen BES-eiland, andere BES-eilanden, een ander eiland dat behoort tot het Koninkrijk, de Verenigde Staten van Amerika (hierna: VS) en de (ei)landen in het Caribisch gebied (voor zover daar een geschikte opleiding te vinden is): Amerikaanse Maagdeneilanden, Anguilla, Antigua en Barbuda, Bahama's, Barbados, Belize, Bermuda, Britse Maagdeneilanden, Cuba, Dominica, Dominicaanse Republiek, Grenada, Guadeloupe, Haïti, Jamaica, Kaaimaneilanden, Montserrat, Navassa, Puerto Rico, Saint-Barthélemy, Saint Kitts en Nevis, Saint Lucia, Saint Vincent en de Grenadines, Trinidad en Tobago, Turks- en Caicoseilanden. Deze variatie in bestemmingen bestaat ook in het huidige stelsel. Met name Engelstalige studerenden van de Bovenwindse eilanden hebben grote behoefte om naar Engelstalige opleidingen in de regio te gaan: in de VS of op een van de omringende eilanden.

Voor studerenden van de BES-eilanden die in het Europese deel van Nederland een opleiding gaan volgen, is er een zogenaamde opstarttoelage. Die is bedoeld om de overtocht, uitrusting, inrichting, overbrugging en begeleiding in het Europese deel van Nederland te financieren. Pas als zij in het Europese deel van Nederland zijn aangekomen, kunnen zij een beroep doen op studiefinanciering op grond van de WSF 2000. Immers, voorlopig hebben inwoners van de BES-eilanden geen burgerservicenummer, welk nummer nodig is om in aanmerking te komen voor studiefinanciering op grond van de WSF 2000. Dat nummer kunnen ze pas aanvragen na aankomst in het Europese deel van Nederland. De WSF BES gaat niet over het recht van BES-studerenden die in het Europese deel van Nederland studeren en aldaar Europees-Nederlandse studiefinanciering kunnen krijgen. Hoe de samenloop tussen WSF BES en WSF 2000 is georganiseerd, is aangegeven in paragraaf 3.7.

Alleen studerenden van de BES-eilanden kunnen in aanmerking komen voor de studiefinanciering op grond van de WSF BES. Men geldt als studerende van de BES-eilanden als men de Nederlandse nationaliteit heeft, op een van de BES-eilanden geboren is én daar op het moment van de aanvraag woont. Voorts komt voor de studiefinanciering op grond van de WSF BES in aanmerking degene die ten minste tien jaar voorafgaand aan de aanvraag op een van de BES-eilanden heeft gewoond, ongeacht zijn nationaliteit of geboorteplaats. Die periode van tien jaar hoeft niet onafgebroken te zijn. Voor wie niet de Nederlandse nationaliteit bezit, geldt dat hij zijn woonplaats op een van de BES-eilanden heeft en daar ten minste tien jaar – al dan niet aaneengesloten – voorafgaand aan de aanvraag heeft gewoond.

3.2. Mobiliteit en kwaliteit

Om ervoor te zorgen dat studerenden er in het nieuwe stelsel ten opzichte van de huidige situatie niet op achteruit gaan, is bij de vaststelling van de normbedragen gekeken naar de normbedragen die studerenden in het huidige stelsel ontvangen. In het oude stelsel bestonden er tussen de diverse bestemmingen en tussen de diverse BES-eilanden onderling verschillen in de hoogte van de bedragen. Daar is nu zoveel mogelijk harmonisatie in bewerkstelligd, waarbij nog steeds rekening is gehouden met de verschillende kostenniveaus van verschillende bestemmingen. Hierdoor ontstaat er een stelsel, dat de studerende in staat stelt om een passende opleiding te volgen waar hij dat wil.

Met de beschikbare bedragen worden studerenden geacht om voor een belangrijk deel te kunnen voorzien in de kosten die zij maken voor boeken, collegegeld (dit geldt niet voor middelbare beroepsopleidingen op de BES-eilanden, aangezien men daar geen lesgeld betaalt), openbaar vervoer, huisvesting, levensonderhoud, verzekeringen en vervoer naar een ander (ei)land. Met de opstarttoelage wordt men geacht voor een belangrijk deel te kunnen voorzien in de eerste kosten die men maakt om naar het Europese deel van Nederland te gaan.

Door de in het huidige stelsel opgenomen, per bestemmingsgebied variërende bedragen te continueren, wordt de studerende ook in de toekomst in staat gesteld om een passende opleiding te volgen. Voor een studie in de VS maakt een studerende nu eenmaal meer kosten dan voor bijvoorbeeld een studie op Curaçao. En iemand die buiten zijn eigen eiland gaat studeren, ontvangt hogere bedragen dan iemand die op het eigen eiland blijft. De vertrekkende studerende heeft immers meer kosten aan vervoer, de overtocht en huisvesting.

Studerenden zijn in belangrijke mate vrij om de bestemming en opleiding te kiezen die bij hen past. Zoals beschreven kunnen studerenden op het eigen BES-eiland, de Caribische regio, de VS en het Europese deel van Nederland studeren. Buiten deze gebieden studeren is niet mogelijk met studiefinanciering op grond van de WSF BES. Voor de BES-eilanden is het van belang om studerenden van hun eigen eilanden in het vizier te kunnen houden. Dit is vanuit het oogpunt van de bestrijding van «braindrain» van belang.

3.3. Prestatiebeurs en lening

Aangesloten wordt bij het Europees-Nederlandse onderscheid tussen prestatiebeurs en aanvullende lening. Om de prestatiebeurs omgezet te krijgen in een gift, bestaat er de verplichting om het diploma te halen. Het diploma moet gehaald worden binnen 10 jaar na de eerste aanspraak op studiefinanciering om de prestatiebeurs als gift te krijgen. De enige uitzondering op deze regel betreft de groep studerenden die op een van de BES-eilanden een beroepsopleiding volgt op niveau 1 en 2. Zij vallen niet onder de prestatiebeurs en krijgen de prestatiebeurs voor deze opleiding als gift uitgekeerd. Dat verlaagt de drempels voor deze groep studerenden om deel te nemen aan het onderwijs en verhoogt de opleidingskansen op de eilanden. Welke opleidingen onder welk niveau vallen, is beschreven in de Wet educatie en beroepsonderwijs BES. Door de beroepsopleidende leerweg niveau 1 en 2 uit te zonderen van de prestatiebeurs, wordt aangesloten bij de Europees-Nederlandse regels hieromtrent.

De prestatiebeurs bestaat voor eenieder uit een gelijk bedrag. Er bestaat dus geen onderscheid tussen thuis- en uitwonende studerenden. Wel is de hoogte van de prestatiebeurs afhankelijk van de plaats waar het onderwijs genoten wordt. Zie hiervoor verder paragraaf 3.9, die over de normbedragen gaat.

Met het systeem van een prestatiebeurs is aangesloten bij de situatie op Bonaire, waarbij aan iedere studerende onder bepaalde voorwaarden ook een deel als gift wordt uitgekeerd en waar een aanvullende beurs niet bestaat. De prestatiebeurs beslaat 1/3 deel van het maximale normbedrag. Daarmee is het gewicht ervan doorgaans relatief hoger dan in het Europese deel van Nederland. Door het aldus vorm te geven, is de WSF BES relatief eenvoudig uitvoerbaar.

Naast de prestatiebeurs kan men gedurende de prestatiebeursperiode de rest (2/3) van het jaarlijkse normbedrag lenen. Het is aan de studerende zelf om te bepalen hoeveel hij van het bedrag leent. Het is op de BES-eilanden momenteel gebruikelijk dat men het volle pond leent. Soms is dat nodig en soms niet. In de toekomst zullen studerenden via voorlichting moeten worden aangespoord om alleen het bedrag te lenen dat ze echt nodig hebben. Daarbij zal expliciet aandacht worden besteed aan de terugbetaalconsequenties.

Studerenden die naar het Europese deel van Nederland gaan en de opstarttoelage krijgen, ontvangen deze eveneens in de vorm van een prestatiebeurs met de mogelijkheid van een aanvullende lening.

Net als in het Europese deel van Nederland kan men na de prestatiebeursfase van vier jaar, indien dat nodig is, het volledige normbedrag nog gedurende drie jaren bijlenen.

3.4. Studiefinanciering aanvragen en ontvangen

Studerenden kunnen de schriftelijke aanvraag voor studiefinanciering dicht bij huis indienen. Dit zal via (digitale) formulieren gaan en aanlevering van bewijsstukken. Op ieder BES-eiland is een Regionaal Servicecentrum waar men de benodigde faciliteiten heeft om aan te vragen. Om aanvragen goed te kunnen verwerken, wordt gebruik gemaakt van een persoonsgebonden nummer BES. Omdat er op de BES geen gebruik gemaakt wordt van een sociaalfiscaal nummer of een burgerservicenummer (BSN), zal aan de studerende door de uitvoeringsinstantie een onderwijsnummer, het persoonsgebonden nummer BES, worden toegekend. Nadere uitvoeringsaspecten staan beschreven in paragraaf 4.

De studiefinanciering wordt telkens voor de periode van een jaar toegekend en de uitbetaling vindt meestal plaats per maand. Iemand hoeft niet elk jaar opnieuw een aanvraag in te dienen. De studiefinanciering wordt niet toegekend voor een periode die gelegen is voor de aanvang van het studiejaar waarop de aanvraag betrekking heeft. Er zit dus de mogelijkheid in van aanvragen met terugwerkende kracht tot het begin van het studiejaar.

Men krijgt studiefinanciering vanaf het begin van de opleiding. Voor het volgen van de opleidingen geldt in beginsel geen minimumleeftijd. Hiervoor is gekozen, omdat er op de studiefinanciering geen andere regelingen zijn aangesloten zoals de kinderbijslag in het Europese deel van Nederland.. De enige uitzondering op de afwezigheid van een minimumleeftijdcriterium, is de opstarttoelage voor studerenden die een mbo-opleiding in het Europese deel van Nederland willen gaan doen. Als men de opstarttoelage wil ontvangen, moet men 18 jaar of ouder zijn. Dit is nodig om te kunnen aansluiten bij de Europees-Nederlandse situatie. In het Europese deel van Nederland krijgt men voor het volgen van een mbo-opleiding namelijk ook pas studiefinanciering als men 18 jaar of ouder is.

Voor het ontvangen van studiefinanciering geldt wel een maximumleeftijd. Men moet bij aanvang van de studie niet ouder dan 29 jaar zijn.

3.5. Duur financiering en uitbetaling

Voor de prestatiebeurs kan men gedurende vier jaren in aanmerking komen. Daarnaast kan men gedurende deze vier jaar tot aan het niveau van het maximale normbudget een aanvullende lening afsluiten. Na die vier jaar kan de studerende nog drie jaar bijlenen tot maximaal het normbudget.

De regels die gelden bij uitbetaling zullen in lagere regelgeving nader worden vormgegeven. In beginsel zal worden aangesloten bij het Europees-Nederlandse systeem, waarbij de studerende maandelijks zijn studiefinanciering krijgt uitbetaald. Voor enkele bestemmingen wordt de mogelijkheid opengehouden om de toelage vooruit te betalen, aangezien het collegegeld voor sommige opleidingen meerdere maanden vooruitbetaald moet worden, bijvoorbeeld in de VS. Vooruitbetaling is ook nodig voor de mensen die zich enkele maanden voor aanvang van de studie reeds moeten installeren op de plaats van bestemming.

De opstarttoelage is naar zijn aard eenmalig. Dat wil zeggen dat men het bedrag dat men kan ontvangen, niet jaarlijks opnieuw kan krijgen. Wat wél tot de mogelijkheden behoort, is het gespreid uitbetaald krijgen van de toelage.

3.6. Te volgen onderwijstype

Men kan op basis van de WSF BES voor zowel middelbaar beroepsonderwijs als hoger onderwijs studiefinanciering krijgen. Het moet gaan om voltijdse opleidingen. Voor zowel een middelbare beroepsopleiding als een opleiding in het hoger onderwijs heeft een studerende aanspraak op vier jaar prestatiebeurs. In de beroepsopleidende leerweg 1 en 2 is de prestatiebeurs overigens altijd een gift om de drempel om onderwijs te gaan volgen voor de doelgroep te verlagen. Men kan niet zonder meer naar élke beroeps- of hoger onderwijsopleiding die men wil. De instellingen waar men wil gaan studeren, moeten of op basis van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES (WEB BES) of de voor de BES-eilanden relevante bepalingen in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) bekostigd of aangewezen worden of het moet een opleiding betreffen die aan de criteria voldoet die zijn opgenomen in een ministeriële regeling.

3.7. Samenloop en opeenvolging

Een studerende die een sbo-opleiding heeft afgerond, heeft daarna nog aanspraak op vier jaar prestatiebeurs voor het volgen van hoger onderwijs. Er ontstaat in dit geval een geheel nieuwe aanspraak op BES-studiefinanciering. Zo is de doorstroom van middelbaar beroepsonderwijs naar hoger onderwijs gewaarborgd. Eventuele resterende aanspraken voor de beroepsopleiding kunnen niet opgeteld worden bij de studiefinanciering die men voor het hoger onderwijs kan ontvangen.

Omgekeerd kan iemand geen studiefinanciering meer krijgen voor een sbo-opleiding, als hij reeds vier jaren beurs voor het volgen van hoger onderwijs heeft gekregen. Ook kan een studerende die eerst vier jaar lang voor een sbo-opleiding op niveau 3 of 4 beurs heeft gekregen, niet vervolgens nog beurs voor niveau 1 of 2 krijgen. En een studerende die klaar is met niveau 1 of 2, kan niet nog eens beurs krijgen voor een andere opleiding van niveau 1 of 2.

Als iemand reeds zijn volledige aanspraak op studiefinanciering op grond van de WSF BES heeft benut, dan vervalt daarmee niet het recht op studeren in het Europese deel van Nederland met studiefinanciering op grond van de WSF 2000. Daarmee wordt de huidige praktijk voortgezet. Hierbij spelen de volgende overwegingen een rol. Juist omdat de studerende niet hoeft te kiezen tussen óf in de regio studeren óf in het Europese deel van Nederland, zal hij waarschijnlijk eerder voor de regio kiezen indien de financiële mogelijkheden daartoe via een degelijk stelsel van studiefinanciering worden aangeboden en als de opleidingen van goede kwaliteit zijn. Dit zorgt voor inperking van de braindrain van de eilanden naar het Europese deel van Nederland. Wil de studerende daarna alsnog in het Europese deel van Nederland studeren, dan kan dat. Doordat studiefinanciering tot een leeftijd van 30 is aan te vragen, zullen er niet heel veel mensen zijn die beide wegen volledig zullen kunnen bewandelen. Daarnaast zou de studerende op die manier twee grote studieschulden kunnen opbouwen: een onder het regime van de WSF BES en een onder het regime van de WSF 2000. Het is aan de studerende zelf om na te gaan of hij dit wenselijk vindt. Er zal voldoende geïnvesteerd moeten worden in de voorlichting om er voor te zorgen dat studerenden hier prudent mee om gaan.

3.8. Geen terugkeerverplichting

Er is vanaf gezien om de in de Landsverordening bestaande situatie te continueren, dat de prestatiebeurs pas wordt omgezet in een gift als men minimaal vijf jaar in een beroep werkt op de Nederlandse Antillen. Dit zou zich namelijk niet verhouden met het uitgangspunt van een stelsel met zo min mogelijk beperkingen om de opleiding te volgen die bij iemand past en bij het uitgangspunt van een eenvoudige uitvoering.

Bij studerenden van de BES-eilanden die in het Europese deel van Nederland studiefinanciering hebben gekregen op grond van de WSF 2000 en weer naar de eilanden teruggaan, leggen de terug te betalen bedragen gezien de lagere salarissen op de eilanden een relatief zwaar beslag op iemands besteedbaar inkomen. Om dat te ondervangen en de terugkeer vanuit het Europese deel van Nederland naar de eilanden niet te belemmeren, kan men een beroep doen op de draagkrachtregeling in de WSF 2000. Indien uit de draagkrachtmeting blijkt dat een debiteur de bedragen die maandelijks moeten worden terugbetaald niet kan opbrengen, kunnen deze bedragen worden verlaagd.

Daarnaast zouden werkgevers op de BES-eilanden zelf op maat gesneden aantrekkelijke stimuleringsmaatregelen kunnen ontwikkelen. Bijvoorbeeld door banen aan te bieden aan pas afgestudeerden waarbij de werkgever een deel van de studieschuld overneemt.

3.9. Bedragen

De bedragen die in artikel 2.2 zijn opgenomen, betreffen maximale jaarlijkse normbedragen en zijn afgeleid van de normen die in het huidige stelsel ook reeds bestaan. Hierbij is gekeken naar de normen van de FINEB uit 2009–2010 en naar de normen die het Land Nederlandse Antillen heeft aangedragen. Voor de omrekening van Nederlands Antilliaanse Florin (NAF) naar US-dollar (USD) is de vaste wisselkoers van 1 USD = 1,79 NAF gehanteerd.

Met de bedragen die in die tabellen zijn opgenomen, worden mensen die op het eigen eiland blijven, geacht te kunnen voorzien in de kosten van levensonderhoud, studieboeken, leermiddelen en vervoer. Studerenden aan een beroepsopleiding op het eigen eiland hoeven geen lesgeld te betalen. Voor studerenden die een hoger onderwijsopleiding volgen, geldt een net iets hogere norm, aangezien zij wel collegegeld betalen. Er zullen overigens bij de inwerkingtreding van deze wet niet veel studenten zijn, die op het eigen eiland een hoger onderwijsopleiding volgen. De enige hoger onderwijsopleiding op dit moment is de lerarenopleiding op Bonaire, die een dependance is van de Universiteit van de Nederlandse Antillen op Curaçao. Mogelijkerwijs komt er in de toekomst meer hoger onderwijs op de eilanden. Daartoe is in de WHW de mogelijkheid gecreëerd.

Studerenden, die buiten het eigen eiland studeren, krijgen een bedrag waarmee ze geacht worden te kunnen voorzien in de kosten van het lesgeld of collegegeld, kosten van het levensonderhoud, studieboeken en leermiddelen, vervoer, huisvesting en de overtochtskosten. Studerenden, die naar het Europese deel van Nederland gaan, krijgen de opstarttoelage.

De componenten worden als totaalbedrag uitgekeerd. Er wordt niet, zoals voorheen de praktijk was, per component een aparte uitkering vastgesteld en aan de studerende verstrekt.

Het maximale bedrag dat de BES-studerenden in het bovenstaande overzicht kunnen krijgen, is de toelage voor een gang naar de VS: $ 15 500 per jaar. Ter vergelijking: dat ligt, afhankelijk van de wisselkoers van het moment, op een vergelijkbaar niveau met het bedrag dat een uitwonende student in het hoger onderwijs in het Europese deel van Nederland jaarlijks maximaal kan krijgen: € 10 920.

De betaling van de opstarttoelage kan worden uitgesmeerd over het eerste studiejaar. In lagere regelgeving wordt het betaalritme van de opstarttoelage opgenomen. Bij de andere toelagen kan de uitvoeringsinstantie, na overlegging van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding, beslissen bepaalde maanden vooruit te betalen indien er een ticket voor de overtocht naar een ander (ei)land aangeschaft moet worden.

De bedragen worden jaarlijks geïndexeerd aan de hand van lokale prijsontwikkelingen. Welk indexcijfer precies gehanteerd zal worden, zal in een ministeriele regeling bekend worden gemaakt. De bedragen worden uitbetaald in US-dollars.

3.10. Herziening en verrekening

Als de studiefinanciering eenmaal is vastgesteld, kan het voorkomen dat na een tijd blijkt dat deze te hoog of te laag is geweest. Dit kan een fout zijn van de toekennende instantie, maar ook van de studerende zelf. In beide gevallen is herziening van de oorspronkelijke beschikking nodig. Onterecht te veel of te weinig uitbetaalde studiefinanciering moet worden terugbetaald, bijgestort of verrekend.

Om te kunnen vaststellen of herziening nodig is, zijn er bepalingen opgenomen die personen en instellingen verplichten om relevante gegevens te verstrekken, bijvoorbeeld over de vraag of iemand wel daadwerkelijk ingeschreven is aan een bepaalde opleiding.

3.11. Terugbetalen

De terugbetaling geschiedt volgens een relatief eenvoudig systeem, dat de nodige waarborgen biedt voor debiteuren.

Debiteuren moeten na voltooien of staken van de studie na een aflossingvrije periode van twee jaar (de aanloopfase), hun studieschuld binnen 15 jaar terugbetalen. De terugbetaling zal verlopen volgens maandelijkse annuïteiten. Dit houdt in dat de resterende schuld inclusief rente gelijkelijk wordt verdeeld over het aantal maanden dat men heeft om nog terug te betalen.

Over de schuld zal rente berekend worden. Daarvoor wordt uitgegaan van het relatief lage rentetarief dat de Nederlandse overheid moet betalen over staatsleningen. De verwachting is dat het rentetarief in de praktijk lager zal zijn dan de 10% die debiteuren bijvoorbeeld aan de FINEB moesten betalen. Voor debiteuren die niet aan hun betalingsverplichtingen voldoen, zal de wettelijke rente worden gehanteerd.

Er kunnen omstandigheden zijn waarin terugbetalen tijdelijk lastig is voor de debiteur. Dat kan bijvoorbeeld te maken hebben met een laag inkomen. Daarvoor is een draagkrachtregeling opgenomen, die voorziet in de mogelijkheid dat debiteuren met een laag inkomen maandelijks een lager bedrag betalen dan men anders zou moeten doen. Voor de berekening van de draagkracht wordt uitgegaan van het minimumloon op de BES-eilanden. Als terugbetalen tijdelijk minder wenselijk is, omdat de debiteur tijdens de afbetaalperiode bijvoorbeeld opnieuw gaat studeren heeft hij de mogelijkheid om op aanvraag de terugbetaalperiode voor ten hoogste 5 jaar op te schorten (de zogenaamde jokerjaren).

De terugbetaalsystematiek lijkt sterk op die van de WSF 2000. In de Landsstudietoelagenregeling en in de leenvoorwaarden van de FINEB stonden namelijk onvoldoende aanknopingspunten om tot een stelsel te komen met voldoende inhoud en waarborgen.

3.12. Invoeringsdatum, overgangsrecht en communicatie

De transitie is voorzien op 10 oktober 2010. Dit valt midden in een cursus- of collegejaar. Het ligt daarom niet in de rede om de WSF BES vanaf dat zelfde moment in te voeren. Met de invoering zal gewacht worden tot het begin van cursus- of collegejaar 2011/2012. Het gaat dan om de datum van 1 augustus 2011 voor het beroepsonderwijs en 1 september 2011 voor het hoger onderwijs.

Mensen die vóór die data reeds aan het studeren waren, moeten niet tussen de wal en het schip vallen en moeten in de overgang naar het nieuwe stelsel geen grote schokken ervaren. Wanneer het nieuwe stelsel start, moeten niet alleen nieuwe instromers, maar ook diegenen die reeds studeren een aanvraag indienen en krijgen zij vanaf dat moment allemaal dezelfde rechten.

Tussen de transitiedatum en 1 augustus 2011 onderscheidenlijk 1 september 2011 is de WSF BES nog niet operationeel. In die periode zal voor het zittende cohort doorgegaan worden met uitbetalen van de rechten die zij aan het begin van het collegejaar van het Land of de FINEB hebben gekregen.

Omdat alle toekenningen voor iedereen volgens het nieuwe regime zullen worden verstrekt en er dus niet tot in lengte van jaren met verschillende cohorten wordt gewerkt, is de invoering van deze wet vrij overzichtelijk. Door het bestaan van een overgangsperiode en door het in acht nemen van het uitgangspunt om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bestaande praktijk van vóór de transitie, kan de overgang van het oude naar het nieuwe stelsel zonder al te grote schokken verlopen.

Aan huidige en aspirant-studerenden zal duidelijk gemaakt worden dat met de WSF BES een gelijkwaardige voorziening getroffen wordt ten opzichte van het oude stelsel. Voorlichting zal op de eilanden plaatsvinden (zie over de uitvoering verder hieronder in het uitvoeringshoofdstuk).

3.13. Overgang huidige debiteuren

De groep die op het moment van de overgang naar het nieuwe stelsel reeds studeert en al een studieschuld heeft opgebouwd bij het Land Nederlandse Antillen of de FINEB, kan die studieschuld na de overgang naar het nieuwe stelsel niet meer aan hen afbetalen. Het Land en de FINEB hebben tot aan de transitie de verantwoordelijkheid om de studieschulden van deze debiteuren te innen. Het ligt voor de hand dat er na de transitie van hen nog dossiers liggen, die niet volledig zijn geïnd. Voor de groep die debiteur is geworden tijdens het oude stelsel, wordt in het overgangsrecht gegarandeerd dat zij hun schuld na de transitie kunnen terugbetalen onder de voorwaarden die destijds golden.

Van de dossiers van deze debiteuren moet na de inwerkingtreding van deze wet onderzocht worden wat de status ervan is en in hoeverre de schulden nog in te vorderen zijn. Met het Land Nederlandse Antillen is afgesproken dat het alleen dossiers overdraagt aan Nederland, die invorderbaar zijn.

3.14. Lagere regelgeving

In dit wetsvoorstel is de verplichting of mogelijkheid opgenomen om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling nadere regels te stellen. Dat is het geval bij een aantal thema’s waarvan nog meer en detail uitgewerkt moet worden hoe die moeten worden uitgevoerd. Dan valt te denken aan onder meer de vereisten waaraan een aanvraag moet voldoen, de wijze van uitbetalen en het uitbetaalritme van de studiefinanciering, bepalingen omtrent het verstrekken van gegevens, vaststellen van een indexeringspercentage, aanpassing van normbedragen, bijzondere omstandigheden als ziekte, handicap of arbeidsongeschiktheid, en het nader omschrijven van een aantal definitiebepalingen. .

4. Uitvoering

Parallel aan de behandeling van dit wetsvoorstel, wordt er een uitvoeringsstructuur opgezet. DUO zal bij de ingang van de nieuwe systematiek per 1 augustus 2011 de uitvoering op zich nemen. Het hele proces van aanvragen, toekennen en innen zal zoveel als mogelijk op de eilanden zelf plaatsvinden. Het is van belang dat de aanvragen op ieder BES-eiland afzonderlijk kunnen worden ingediend, dat de voorlichting op ieder eiland op orde is en dat studerenden zonder rompslomp hun geld kunnen krijgen. Om daarvoor te zorgen, zal DUO op ieder eiland in een «frontoffice» in de Regionale Servicecentra (RSC) goed bereikbaar zijn. In de RSC’s zullen studerenden worden voorgelicht en geholpen bij het indienen van hun aanvragen.

In een «backoffice» op Bonaire vindt alle administratie plaats. Daar worden de aanvragen beoordeeld, beschikkingen gemaakt en verstuurd, uitbetalingen verricht en de administratie van de toegekende bedragen en het inningenproces bijgehouden. Dit hele proces zal deels handmatig en deels geautomatiseerd verlopen op een wijze die past bij de aard van de regeling. Er wordt tevens zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de faciliteiten die in het RSC reeds worden aangeboden. Voor de uitvoering van het nieuwe stelsel zal zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van lokale expertise en menskracht.

In de overgangsperiode van de beoogde transitiedatum (10 oktober 2010) tot aan de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel per 1 augustus 2011 (beroepsonderwijs) en 1 september 2011 (hoger onderwijs) zal DUO ook verantwoordelijk worden voor de uitvoering van het overgangsrecht, maar zal de uitvoering de facto nog door de FINEB worden gedaan. Het komt er op neer dat de FINEB tot aan de ingang van het nieuwe stelsel de oude rechten blijft continueren onder supervisie van DUO. De FINEB zal tevens in deze overgangsperiode de dienstverlening aan studerenden van Sint Eustatius en Saba verzorgen.

DUO is betrokken geweest bij de totstandkoming van de WSF BES en acht de uitvoering haalbaar. De gelijkenis van de WSF BES met de WSF 2000 kan daarbij als een voordeel gezien worden, omdat DUO de systematiek van de WSF 2000 goed kent en ruime ervaring heeft met het opzetten en uitvoeren van administratieve processen. Daarnaast is er ten opzichte van de WSF 2000 bewust een aantal complicerende factoren bij het aanvragen en toekennen weggelaten, zoals het verschil tussen uitwonende en thuiswonende studerenden, ouderafhankelijkheid, een separate reisvoorziening als de OV-studentenchipkaart, collegegeldkrediet, bijverdiengrens, eenouder- en partnertoeslag en aparte regels rond aanwezigheids- en studievoortgangscontrole.

Ook in de fase van het terugbetalen en innen is een vereenvoudigingsslag aangebracht. Bepaalde elementaire kenmerken zoals de berekening van maandelijks terug te betalen bedragen, renteberekening, terugbetaalperiode en draagkrachtmeting zitten wel in dit wetsvoorstel.. In tegenstelling tot in de WSF 2000 wordt in de WSF BES geen rekening gehouden met een recente terugval in inkomen bij het berekenen van iemands draagkracht («peiljaarverlegging»), het inkomen van de partner van de debiteur bij het berekenen van de draagkracht, een alleenstaande-ouderkorting en verschillende gronden om de aflossingsverplichting tijdelijk te schorsen .

Het resultaat levert niet alleen een beduidende vereenvoudiging op ten opzichte van de WSF 2000, maar is op een aantal punten ook eenvoudiger ten opzichte van de huidige regelingen die op de BES-eilanden worden gehanteerd: de Landsstudietoelagenregeling en de regels van de FINEB. In de WSF BES bestaat geen gecompliceerde ouderafhankelijkheid en geen terugkeerverplichting.

5. Financiën

De geraamde kosten van het nieuwe stelsel zijn voor het belangrijkste deel tot stand gekomen op basis van gegevens over huidige aantallen studerenden die studiefinanciering ontvangen, de bedragen die zij in de toekomst zullen ontvangen, de mate waarin ze de ter beschikking gestelde bedragen in de vorm van een prestatiebeurs en lening zullen ontvangen, de voorwaarden waaronder de prestatiebeurs als gift zal worden verstrekt, de wijze waarop de inning zal verlopen, de uitvoeringslasten en de wijze waarop wordt omgegaan met de huidige debiteuren.

Het stelsel zal een voor het EMU-saldo relevant budgettair beslag krijgen oplopend tot circa 1,7 mln euro structureel per jaar.

6. Administratieve lasten

De groep studerenden die aanspraak gaat maken op studiefinanciering is overzichtelijk, maar het betreft nog altijd enkele duizenden mensen die jarenlang een relatie met DUO zullen aangaan. Daarom is een uitgangspunt bij de ontwikkeling van het stelsel geweest, dat de administratieve lasten voor de uitvoerder, studerenden en debiteuren beperkt moeten zijn. Het proces van aanvragen, toekennen en verstrekken van studiefinanciering en het innen van studieschulden is zo generiek en dus overzichtelijk mogelijk vormgegeven, zonder daarbij in te leveren op de elementaire kenmerken die een degelijk stelsel moet bezitten.

Voor de aanvragers is het proces eenvoudig, doordat ze op hun eigen eiland voorgelicht kunnen worden en in het eigen RSC een aanvraag kunnen indienen.

Artikelsgewijze toelichting

Algemeen

De artikelen van dit wetsvoorstel komen enerzijds overeen met die van de WSF 2000. Voor de toelichting op deze artikelen is, waar mogelijk, aangesloten bij de toelichting behorende bij de overeenkomstige artikelen van die wet. Anderzijds komen artikelen overeen met die van de Studietoelageverordening 1961. Ook de uitvoeringspraktijk van die Studietoelageverordening is betrokken bij de totstandkoming van het wetsvoorstel.

Artikel 1.1. (Definities)

De begrippen in dit artikel komen grotendeels overeen met de in artikel 1.1 van de WSF 2000 gehanteerde begrippen. Een aantal begrippen uit de WSF 2000 zoals belastbaar loon, collegegeldkrediet, ouder, reisvoorziening, specialistenopleiding, thuiswonende en uitwonende studerende, veronderstelde ouderlijke bijdrage, verzamelinkomen, vreemdeling en wetenschappelijk onderwijs komen niet in de begripsbepalingen terug omdat deze begrippen samenhangen met onderwerpen die niet gelden voor de BES-eilanden. Enkele definities worden hierna nader toegelicht.

Het begrip aanvraag is expliciet gedefinieerd omdat de Algemene wet bestuursrecht op de BES-eilanden niet van toepassing zal zijn. Door opneming van deze definitie staat het vast dat elke aanvraag op grond van deze wet schriftelijk moet gebeuren.

Wat betreft de definities van beroepsonderwijs, beroepsopleiding, hoger onderwijs, masteropleiding en studiejaar, is rekening gehouden met opleidingen in de BES-regio die vergelijkbaar zijn met opleidingen in de zin van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES (hierna: WEB BES) en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderwijs (hierna: WHW).

Nieuw is de definitie van opstarttoelage, een eenmalig bedrag voor studerenden die in het Europese deel van Nederland gaan studeren, bedoeld ter dekking van de kosten van de overtocht, uitrusting en inrichting alsmede voor opvang en begeleiding in de eerste maanden dat zij in het Europese deel van Nederland zijn maar nog geen studiefinanciering op grond van de WSF 2000 kunnen ontvangen.

Omdat op de BES-eilanden geen gebruik wordt gemaakt van het burgerservicenummer, is hiervoor in de plaats het begrip persoonsgebonden nummer BES gebruikt. Het persoonsgebonden nummer BES is een onderwijsnummer dat aan de studerende wordt toegekend.

Bij de begripsbepaling «bacheloropleiding» gaat het om de hbo- en de wo-bacheloropleiding. Onder de begripsbepaling «masteropleiding» worden verstaan de wo-masteropleiding die volgt op een wo-bacheloropleiding, en enkele initiële hbo-masteropleidingen. In het Europese deel van Nederland betref dit initiële masteropleidingen de eerstegraads lerarenopleiding, de lerarenopleiding speciaal onderwijs, de voortgezette kunstopleiding en de voortgezette opleiding bouwkunst. Ook gelijkwaardige opleidingen elders vallen onder het begrip «masteropleiding». Die opleidingen worden krachtens ministeriële regeling gelijkgesteld. Alleen als de opleiding geaccrediteerd is of gelijk gesteld is met een geaccrediteerde opleiding, komt de studerende in aanmerking voor studiefinanciering.

Artikel 1.4 (Nationaliteit en woonplaats)

Een persoon komt in aanmerking voor studiefinanciering BES indien hij de Nederlandse nationaliteit heeft en geboren is op een van de eilanden, of geboren is uit een moeder die zich binnen een jaar na zijn geboorte op een van de BES-eilanden heeft gevestigd, terwijl die moeder voordien ook woonachtig was op een van die eilanden. Als de aanvrager niet op een van de eilanden geboren is, komt hij in aanmerking als hij in de tien jaren – al dan niet aaneengesloten – voorafgaand aan de aanvraag op een van de eilanden woonachtig was. Deze laatste mogelijkheid geldt zowel voor inwoners met de Nederlandse nationaliteit als andere nationaliteiten.

Artikel 1.5 (Leeftijd)

Ingevolge de WSF 2000 moet degene die een beroepsopleiding wil volgen, 18 jaar zijn om in aanmerking te komen voor studiefinanciering. Dit geldt voor alle deelnemers, dus ook voor deelnemers die afkomstig zijn van de BES. Omdat de opstarttoelage bedoeld is als «voorloper» op de studiefinanciering op grond van de WSF 2000, is voor diezelfde leeftijdsgrens gekozen om in aanmerking te komen voor een opstarttoelage op grond van de WSF BES.

Voor studenten in het hoger onderwijs die nog geen 18 jaar zijn, is deze eis niet van toepassing. Zij hebben immers recht op studiefinanciering vanaf het kwartaal dat volgt op de begindatum van de studie.

Op grond van het tweede lid kan studiefinanciering BES of een opstarttoelage worden aangevraagd tot en met de maand waarin een studerende 30 jaar wordt.

Het derde lid regelt dat een studerende na het bereiken van de leeftijd van 30 jaar studiefinanciering BES kan blijven ontvangen mits hij onafgebroken blijft studeren en aan de andere eisen op grond van deze wet voldoet. Ook dit sluit aan bij de regelgeving in het Europese deel van Nederland.

Artikel 1.6 (Inspecteur der rijksbelastingen bepaalt inkomen of loon)

In dit artikel wordt bepaald dat de Inspecteur van de rijksbelastingen het inkomen of loon van de studerende dan wel debiteur bepaalt. In het Europese deel van Nederland heeft de inspecteur deze taak ook. De gebruikte termen «belastbaar inkomen» en «zuiver jaarloon», afkomstig uit de Belastingwet BES, zijn vergelijkbaar met de begrippen «verzamelinkomen» en «belastbaar loon», zoals die in de WSF 2000 voorkomen.

Artikel 1.7 (Gebruik persoonsgebonden nummer BES )

Dit artikel komt grotendeels overeen met artikel 1.7 van de WSF 2000. Het persoonsgebonden nummer BES zal door de uitvoeringsinstantie (Dienst Uitvoering Onderwijs) gebruikt worden in de contacten met de studerenden en debiteurs. Ook worden de nummers gebruikt in contacten met andere instanties en personen die zelf ook van het persoongebonden nummer BES gebruik mogen maken.

Artikel 1.8 (Uitoefening rechten door minderjarigen)

Net als in de WSF 2000 wordt in deze wet de mogelijkheid geboden aan minderjarigen om zelf rechtshandelingen in verband met het verkrijgen van studiefinanciering te verrichten.

Artikel 2.1 (Studiefinanciering BES)

Studiefinanciering BES kent de componenten: prestatiebeurs of gift, en lening. Studiefinanciering BES wordt aan alle studerenden toegekend die een aanvraag indienen en aan de voorwaarden voldoen.

Het tweede lid bepaalt dat de hoogte van de studiefinanciering afhankelijk is van het onderwijstype (beroepsonderwijs of hoger onderwijs) en van de plaats waar de aanvrager zijn opleiding wil volgen. De bedragen verschillen vanwege de kosten van het type onderwijs en de diversiteit in levensstandaard en studiekosten in de verschillende landen. Anders dan in het Europese deel van Nederland maakt het voor de bestaat er geen verschil in hoogte van de studiefinanciering geen verschil of een bij het thuiswonen danwel uitwonende situatie dat een studerende bij zijn ouders woont of niet. Om de WSF BES zo eenvoudig mogelijk te houden, is ervoor gekozen geen verschil te maken in de woonsituatie van studerenden. Reden daarvoor is dat de meeste studerenden niet thuiswonend zijn, gezien de geografische omstandigheden. Wel wordt onderscheid gemaakt tussen studeren op het «eigen» eiland of elders.

De uitkering van studiefinanciering BES vindt ingevolge het derde lid plaats per kalendermaand, zij het dat bij het begin van de opleiding uitbetaling van enige maanden ineens mogelijk is, bijvoorbeeld bij aanvang van een opleiding buiten de BES-eilanden vanwege de te maken kosten van overtocht en inrichting. Daarnaast kan het zo zijn dat een studerende het collegegeld in één keer dient te voldoen, zoals in de Verenigde Staten gebruikelijk is.

Het vierde lid bepaalt dat de opstarttoelage in principe in één keer wordt uitbetaald; op schriftelijk verzoek van de studerende kan de minister besluiten de opstarttoelage gespreid uit te betalen.

Artikel 2.3 (Vereisten aanvraag)

Zonder persoonsgegevens, rekeningnummer en bewijs van inschrijving bij de opleiding kan geen studiefinanciering of opstarttoelage worden toegekend. Daarom moeten deze gegevens worden verstrekt bij de aanvraag. Als de gevraagde informatie niet gegeven wordt, kan dat inhouden dat de aanvraag niet wordt behandeld. Niet altijd kan bij de aanvraag een bewijs van inschrijving worden overgelegd. Instellingen in de Verenigde Staten geven bijvoorbeeld geen bewijzen van inschrijvingen af. In dat geval zal de studerende op een ander manier aannemelijk moeten maken dat hij een opleiding zal gaan volgen of volgt. Dit kan bijvoorbeeld aan de hand van een vliegticket of een huurcontract. Het tweede lid maakt nadere regelgeving, ook op dit punt, mogelijk.

Artikel 2.4 (Toekenning)

Op een aanvraag die aan de voorwaarden voldoet, volgt binnen 8 weken een beschikking. Voor deze termijn is aansluiting gezocht bij de WSF 2000.

Artikel 2.5 (Toekenningsperiode)

Studiefinanciering BES wordt telkens voor een periode van een jaar toegekend. De studerende hoeft niet elk jaar opnieuw een aanvraag in te dienen. Op verzoek van de studerende kan de studiefinanciering BES met terugwerkende kracht worden toegekend tot het moment van aanvang van het studiejaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

De opstarttoelage kan niet met terugwerkende kracht worden toegekend.

Studiefinanciering BES kan op aanvraag door de minister worden onderbroken.

Artikel 2.6 (Vorm en duur studiefinanciering BES beroepsonderwijs opleiding niveau 1 of 2; vorm opstarttoelage)

De deelnemers die op de BES-eilanden een beroepsopleiding niveau 1 of 2 volgen, ontvangen de studiefinanciering BES in de vorm van een gift. Deze maatregel verlaagt de drempel voor deze groep deelnemers om deel te nemen aan het onderwijs en verhoogt de opleidingskansen op de BES-eilanden. Tevens wordt aangesloten bij de praktijk van het Europese deel van Nederland, waar de deelnemers aan een beroepsopleidende leerweg niveau 1 en 2 ook studiefinanciering in de vorm van een gift ontvangen. Ook voor deze deelnemers geldt dat zij na vier jaar de mogelijkheid hebben naast de gift een aanvullende lening af te sluiten.

De opstarttoelage voor deelnemers die een opleiding niveau 1 of 2 in het Europese deel van Nederland volgen, wordt eveneens verstrekt in de vorm van een gift.

Artikel 2.7 (Vorm en duur studiefinanciering BES beroepsonderwijs opleiding niveau 3 en 4 en hoger onderwijs; vorm opstarttoelage)

Deelnemers en studenten die zijn ingeschreven voor een beroepsopleiding niveau 3 of 4 respectievelijk een opleiding in het hoger onderwijs kunnen voor die opleiding voor een periode van maximaal 4 jaar in aanmerking komen voor een prestatiebeurs. Deze beurs kan, indien aan de voorwaarden voldaan is, worden omgezet in een gift. Daarnaast kan een studerende een aanvullende lening afsluiten. Nadat de prestatiebeurs is opgehouden, kan een studerende die aan de voorwaarden voldoet, nog gedurende drie jaar het volledige normbudget (prestatiebeurs + aanvullende lening) lenen (zie overzicht, kolom V, in artikel 2.5, eerste lid).

De opstarttoelage voor studerenden die een opleiding niveau 3 of 4 of hoger onderwijs in het Europese deel van Nederland volgen wordt eveneens verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs.

Artikel 2.8 (Studiefinanciering BES in geval van bijzondere omstandigheden)

Dit artikel is een verbijzondering van de hardheidsclausule, opgenomen in artikel 8.3. Hiermee wordt de mogelijkheid geschapen te omschrijven in welke omstandigheden, onder welke voorwaarden en voor welke periode kan worden afgeweken van in dit artikel genoemde bepalingen. Gedacht kan worden aan medische klachten. In dergelijke gevallen kan de duur van de prestatiebeurs worden verlengd, de prestatiebeurs worden omgezet in een gift, de diplomatermijn worden verlengd, of een nieuwe aanspraak op studiefinanciering BES ontstaan.

Artikel 2.9 (Aanspraak studiefinanciering BES en opstarttoelage)

Dit artikel bevat de voorwaarde dat een studerende om in aanmerking te komen voor studiefinanciering BES ingeschreven moet staan bij een instelling die een beroepsopleiding of een bachelor- of masteropleiding verzorgt. De opstarttoelage wordt toegekend als de aanvrager aannemelijk kan maken dat hij in het Europese deel van Nederland gaat studeren. Een bewijs van inschrijving kan op het moment van de aanvraag nog niet worden geëist. In verband hiermee bepaalt artikel 2.10, tweede lid, dat de aanspraak op de opstarttoelage vervalt als de studerende zich niet binnen 9 maanden na zijn aanvraag ook inderdaad heeft ingeschreven.

De opstarttoelage wordt voor beroepsopleidingen niveau 1 en 2 verstrekt in de vorm van een gift Voor andere opleidingen is de vorm die van een prestatiebeurs. Een studerende die een van de laatstbedoelde opleidingen wil gaan volgen, kan van dit verschil kan geen voordeel trekken door een toelage – per definitie in de vorm van een gift – voor een opleiding niveau 1 of 2 aan te vragen. Dan is sprake van een toekenning die ingevolge artikel 5.1 herzien kan en zal worden omdat er feiten of omstandigheden blijken die, waren zij eerder bekend geweest, tot een andere beslissing hadden geleid, namelijk tot toekenning van een opstarttoelage in de vorm van een prestatiebeurs.

Artikel 2.10 (Geen aanspraak)

Studerenden hebben geen aanspraak op studiefinanciering BES indien het onderwijs dat zij volgen, een opleiding betreft die, de vakanties niet meegeteld, korter is dan 40 weken. Ook kan er geen aanspraak op de studiefinanciering gedaan worden indien de studerende niet aan een voltijdse opleiding binnen het beroepsonderwijs of hoger onderwijs is ingeschreven. Tevens kan er geen aanspraak gemaakt worden op studiefinanciering BES indien er een aanspraak bestaat op de WSF 2000. Indien (een tegemoetkoming in) de kosten voor levensonderhoud, huisvesting, studieboeken en -middelen, vervoer, overtocht en collegegeld al door een ander land verstrekt wordt, vervalt de aanspraak op studiefinanciering BES.

In het tweede lid is geregeld dat de studerende die niet voldoet aan zijn verplichting om inlichtingen aan de minister van OCW te verstrekken, zijn aanspraak op de studiefinanciering BES verliest.

Artikel 2.11 (Geen aanspraak meer op studiefinanciering BES beroepsonderwijs)

Studerenden aan het beroepsonderwijs niveau 3 of 4 hebben geen recht meer op studiefinanciering BES indien zij een volledige prestatiebeurs hebben genoten en vervolgens drie jaar gebruik hebben gemaakt van een lening na prestatiebeurs. Tien jaar nadat voor het eerst studiefinanciering BES is toegekend, vervalt de aanspraak. De tien-jaar-termijn is dezelfde als in de WSF 2000.

Het tweede en derde lid bepalen dat geen studiefinanciering BES meer wordt toegekend aan degene die reeds voor een opleiding op een hoger niveau een volledige prestatiebeurs heeft genoten.

Artikel 2.12 (Aanspraak bij einde studie beroepsonderwijs opleidingen niveau 1 of 2)

Voor de deelnemer die met goed gevolg een opleiding niveau 1 of 2 heeft afgesloten, eindigt de studiefinanciering BES – in de vorm van een gift – met ingang van de kalendermaand volgend op de afstudeerdatum.

Een deelnemer die het eindexamen niet heeft gehaald en dit examenjaar over doet, krijgt ingevolge het tweede lid aanspraak op studiefinanciering BES tot het eind van het kalenderjaar).

Deze deelnemers kunnen overigens, na afronding van hun opleiding op niveau 1 of 2, nog aanspraak maken op prestatiebeurs en lening op grond van artikel 2.7.

Artikel 2.13 (Geen aanspraak bij samenloop beroepsonderwijs en hoger onderwijs)

Dit artikel maakt het onmogelijk dat gelijktijdig studiefinanciering voor het volgen van beroepsonderwijs en hoger onderwijs toegekend wordt. In het geval dat een studerende studiefinanciering BES voor beide opleidingen aanvraagt, zal alleen de studiefinanciering BES voor het volgen van hoger onderwijs toegekend worden.

Artikel 2.14 (Geen aanspraak meer op studiefinanciering BES hoger onderwijs)

Studenten die een opleiding in het hoger onderwijs volgen, hebben geen recht meer op studiefinanciering BES indien zij een volledige prestatiebeurs hebben genoten en vervolgens drie jaar gebruik hebben gemaakt van een lening na prestatiebeurs. Tien jaar nadat voor het eerst studiefinanciering BES is toegekend, vervalt de aanspraak. De tien-jaar-termijn is dezelfde als in de WSF 2000.

Hoofdstuk 3 (Omzetting)

Hoofdstuk 3 geldt, niet voor deelnemers die studiefinanciering BES toegekend hebben gekregen voor het volgen van beroepsopleidingen niveau 1 of 2. De studiefinanciering BES voor deze deelnemers wordt immers verstrekt in de vorm van een gift; omzetting in een gift – zoals in dit hoofdstuk geregeld – is dus niet aan de orde.

Artikel 3.1 (Omzetting in gift bij afstuderen binnen diplomatermijn beroepsonderwijs)

Indien de deelnemer zijn opleiding aan een instelling voor beroepsonderwijs met goed gevolg heeft afgesloten binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs wordt de prestatiebeurs omgezet in een gift. Het tweede lid regelt dat een deelnemer die binnen de diplomatermijn een nieuwe opleiding die aan de voorwaarden voldoet aanvangt, direct de resterende periode van zijn prestatiebeurs als gift krijgt.

Op grond van het derde lid vindt de omzetting van de prestatiebeurs in een gift plaats op 1 januari volgend op de afstudeerdatum.

Artikel 3.2 (Omzetting in gift bij afstuderen binnen diplomatermijn hoger onderwijs)

De prestatiebeurs wordt automatisch omgezet in een gift als een student zijn hoger onderwijs opleiding met goed gevolg afsluit binnen de diplomatermijn hoger onderwijs. De genoten opleiding dient een vierjarige hbo-bacheloropleiding te zijn en in geval van een wetenschappelijke opleiding een bachelor- gevolgd door een masteropleiding (in totaal vier jaar). De omzetting van de prestatiebeurs in een gift gebeurt op 1 januari volgend op de afstudeerdatum; voor opleidingen die onder de WHW vallen moet de instelling doorgeven dat een student zijn opleiding met goed gevolg heeft afgesloten. Als een student aan het wetenschappelijk onderwijs zijn bacheloropleiding heeft afgerond, komt hij in aanmerking voor omzetting. In dat geval geschiedt de omzetting uitsluitend op aanvraag.

Artikel 3.4 (Omzetting in gift bij opleiding van minder dan 4 jaren)

Als een opleiding een korter curriculum heeft dan vier jaar, wordt de duur van de studiefinanciering BES verkort met het aantal maanden dat de opleiding korter duurt. De omzetting van de prestatiebeurs in een gift vindt alleen plaats voor dat deel dat is gebruikt. Het resterende deel kan als prestatiebeurs worden aangewend voor een eventuele vervolgstudie. Ook voor deze opleiding geldt dat de omzetting van de prestatiebeurs in een gift plaatsvindt op 1 januari volgend op de afstudeerdatum.

Artikel 3.5 (Berichtenstroom tussen studerende buiten openbaar lichaam en Onze Minister)

Studerenden die buiten de BES en niet in het Europese deel van Nederland afstuderen, zenden binnen drie maanden na afloop van de diplomatermijn een gewaarmerkt afschrift van het diploma aan de minister, in de praktijk is dit: de uitvoeringsinstantie DUO. Op aanvraag wordt de prestatiebeurs dan omgezet in een gift. Op 1 januari volgend op de aanvraag vindt de omzetting plaats. De onderwijsinstellingen buiten de BES en het Europese deel van Nederland zijn niet verplicht zelf diplomagegevens aan de uitvoeringsinstantie te zenden.

Artikel 3.6 (Inschrijving bij opleidingen buiten openbaar lichaam)

In tegenstelling tot de mogelijkheid van gegevensuitwisseling tussen de uitvoeringsinstantie en onderwijsinstellingen op de BES-eilanden, bestaat een dergelijke uitwisseling niet tussen de uitvoeringsinstantie en instellingen buiten de openbare lichamen. Daarom moet de studerende zelf zorg dragen voor een bewijs van inschrijving aan een instelling buiten de BES. Een dergelijk gewaarmerkt bewijs dient elk jaar aan de uitvoeringsinstantie te worden verstrekt. Op het bewijs dient te zijn vermeld voor welke maanden de inschrijving geldt. Op basis van de aangeleverde gegevens wordt de aangevraagde studiefinanciering BES verstrekt, als ook aan de overige voorwaarden is voldaan. Omdat niet alle onderwijsinstellingen aan studerenden dergelijke inschrijvingsbewijzen verstrekken, bepaalt het tweede lid dat in een dergelijk geval ook op een andere manier kan worden aangetoond dat de studerende daadwerkelijk dit onderwijs volgt.

Artikel 4.1 (Definities en reikwijdte hoofdstuk 4)

Voor het stelsel voor terugbetaling van studiefinanciering BES is gekeken naar het systeem dat in het Europese deel van Nederland geldt (geregeld in hoofdstuk 6 van de WSF 2000). In het eerste lid zijn de begripsbepalingen opgenomen die alleen voor dit hoofdstuk relevant zijn. Het tweede lid regelt dat in afwijking van artikel 1.1 in dit hoofdstuk onder lening tevens wordt verstaan de prestatiebeurs.

Artikel 4.2 (Verplichting debiteur terugbetaling studieschuld)

Dit artikel verplicht de studerende die een lening ontvangt, tot terugbetaling daarvan, vermeerderd met de ingevolge de wet berekende rente. De terugbetalingsverplichting vloeit rechtstreeks uit de wet voort.

Artikel 4.3 (Vaststelling rentepercentage)

Het rentepercentage van de over de lening te betalen rente wordt door de minister vastgesteld. Dit artikel geeft aan op welke wijze dit geschiedt. De wijze van vaststelling is gelijk aan die van de WSF 2000.

Artikel 4.4 (Renteberekening)

Dit artikel bepaalt op welke wijze en met ingang van welk moment de rente over de lening wordt berekend en op welk moment de rente verschuldigd is.

Artikel 4.5 (Terugbetalingsperiode)

Het eerste en tweede lid bepalen op welk moment de terugbetalingsperiode begint. Om de terugbetalingsregeling uitvoerbaar te houden, is er geen sprake van terugbetaling zolang men studiefinanciering geniet. De terugbetalingsperiode voor studiefinanciering BES vangt pas aan op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin iemand is opgehouden studiefinanciering te genieten. De terugbetalingsperiode voor de opstarttoelage vangt aan op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin iemand niet langer beroepsonderwijs op niveau 3 of 4 of hoger onderwijs volgt in het Europese deel van Nederland.

Het derde lid bepaalt dat de terugbetalingsperiode uit twee onderdelen bestaat: de aanloopfase en de aflosfase.

Artikel 4.6 (Aanloopfase)

De aanloopfase beslaat de eerste twee kalenderjaren oftewel de eerste 24 maanden na aanvang van de terugbetalingsperiode. Gedurende die 24 maanden bestaat geen aflosplicht. Aflossen mag dus wel. Het onverplichte karakter houdt in dat ook bedragen, kleiner of groter dan de maandelijkse termijnen, mogen worden betaald.

Artikel 4.7 (Aflosfase)

De aflosfase is bepaald op maximaal 15 kalenderjaren, dit zijn 180 maanden. Deze periode kan worden verlengd: op grond van het tweede lid kan een debiteur ervoor kiezen de aflosfase met maximaal 5 jaar te verlengen door gebruik te maken van een of meer aflosvrije periodes. Een aflosvrije periode beslaat minimaal drie maanden; er kan dus niet per maand worden opgeschort. Voor de goede uitvoering van dit artikellid kunnen op grond van het derde lid bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan voorschriften met betrekking tot de aanvraagtermijn of het opschorten voor een aantal maanden tegelijk.

Artikel 4.8 (Achterstallige schuld)

Het eerste lid omschrijft de achterstallige schuld. Het tweede lid bepaalt dat daarover de wettelijke rente is verschuldigd. Daarnaast is in het tweede lid de berekeningswijze voor de wettelijke rente opgenomen. Het vierde lid beoogt te voorkomen dat in geval van achterstallige schuld dubbel rente wordt berekend: namelijk de rente die op basis van het tweede lid van dit artikel verschuldigd is in verband met het achterstallig zijn en de rente die op grond van artikel 4.4 verschuldigd is tijdens de aflosfase.

Artikel 4.9 (Vaststelling en betaling terugbetalingstermijnen)

Dit artikel bepaalt op welke wijze de betaling van de rente en aflossing gedurende de aflosperiode geschiedt. Het systeem houdt in: een vast bedrag dat maandelijks wordt betaald, waarbij het in dat bedrag begrepen rentebestanddeel maandelijks afneemt en het in dat bedrag begrepen aflossingsbestanddeel maandelijks toeneemt. In het vierde lid is de mogelijkheid opgenomen om bij ministeriële regeling te regelen dat de betaling uitsluitend geschiedt door middel van automatische incasso.

Artikel 4.10 (Aanpassing termijnen in verband met draagkracht debiteur)

Als een debiteur gezien zijn inkomen niet in staat is het voor hem geldende termijnbedrag te voldoen, kan hij verzoeken zijn draagkracht uit inkomen vast te stellen.

Artikel 4.11 (Vaststelling draagkracht debiteur)

In dit artikel is de wijze waarop de draagkracht van een debiteur wordt berekend, geregeld. De draagkracht wordt berekend aan de hand van het toetsingsinkomen van de debiteur. Het toetsingsinkomen dat wordt gebruikt voor de draagkrachtmeting is het inkomen in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld. Van een debiteur wordt verwacht dat hij 12% van elke USD boven de draagkrachtvrije voet kan aflossen. De draagkrachtvrije voet is voor een alleenstaande debiteur 84% van het belastbaar minimumloon. Als uit de draagkrachtberekening een bedrag voortvloeit dat lager is dan het bedrag berekend volgens artikel 4.9, dan is het bedrag van de draagkracht de maandelijkse termijn.

Het vijfde lid bepaalt dat als het toetsingsinkomen niet bekend is, de minister daarvoor in de plaats bij benadering een bedrag kan vaststellen. Het zesde lid bepaalt vervolgens dat als er zelfs bij benadering geen toetsingsinkomen kan worden vastgesteld, de hoofdregel van artikel 4.9 geldt.

Artikel 4.13 (Omzetting van niet meer verrekenbare schulden in lening)

Een debiteur kan tijdens de periode waarin hij studiefinanciering geniet, een schuld opbouwen jegens de minister, bijvoorbeeld in geval van het ten onrechte ontvangen van studiefinanciering. Een dergelijke schuld wordt, indien niet meer verrekenbaar met uit te betalen studiefinanciering BES, van rechtswege omgezet in een lening.

Artikel 5.1 (Herziening door Onze Minister)

Het eerste lid geeft aan welke beschikkingen door de minister kunnen worden herzien.

Het tweede lid bevat een limitatieve opsomming van de herzieningsgronden. Het is goed mogelijk dat bepaalde situaties onder meerdere gronden tegelijkertijd vallen. Een grond is voldoende om een beschikking te herzien.

Het derde lid bepaalt binnen welke termijn een herziening kan plaatsvinden. Dit is of 5 jaar of 18 maanden. In geval van bedrog is herziening ook na deze termijnen nog mogelijk.

Artikel 5.2 (Verrekening teveel toegekende en uitbetaalde studiefinanciering BES)

Dit artikel maakt het mogelijk dat teveel uitbetaalde studiefinanciering BES door betrokkene wordt terugbetaald of met hem wordt verrekend. In een ministeriële regeling worden terugbetalingsregels vastgelegd waarbij de redelijkheid en billijkheid in acht worden genomen.

Artikel 6.1 (Uitbetaling en verrekening)

In een algemene maatregel van bestuur kunnen regels over de uitbetaling van de studiefinanciering BES en het uitbetaalritme van de opstarttoelage worden vastgelegd. De prestatiebeurs en mogelijke lening zullen maandelijks worden uitbetaald. Voor wat betreft de opstarttoelage kan het wenselijk zijn deze niet in een keer maar in meerdere termijnen uit te betalen.

Het tweede lid ziet op de situatie dat de uitvoeringsinstantie niet tot uitbetaling over kan gaan, bijvoorbeeld doordat een studerende nog steeds niet het juiste rekeningnummer heeft opgegeven. Het toegekende bedrag aan studiefinanciering BES wordt dan verlaagd met het niet uit te betalen bedrag. De aanspraak op de opstarttoelage vervalt in dat geval.

Artikel 6.2 (Invordering en dwangbevel)

Als iemand weigert de lening of een ander verschuldigd bedrag aan de minister terug te betalen dan kan de minister op grond van het eerste lid een dwangbevel uitvaardigen. Dit betekent dat hij zonder tussenkomst van een rechterlijke instantie kan overgaan tot effectuering van de terugbetaling.

Op grond van het tweede lid wordt dan niet alleen het openstaande bedrag teruggevorderd maar ook de kosten voor de procedure op grond van het eerste lid en de wettelijke rente.

Tegen het dwangbevel kan binnen vier weken verzet worden aangetekend. Dit gebeurt door middel van het dagvaarden van de Staat. In principe is het voor de minister ook in geval van verzet mogelijk om het dwangbevel uit te laten voeren. Enige uitzondering hierop is dat degene die het verzet heeft ingediend, een voorziening bij voorraad uitlokt.

Artikel 7.1 (Verstrekken van inlichtingen door personen)

Dit artikel is opgenomen om een goede uitvoering van de wet mogelijk te maken. De minister kan niet onbeperkt gegevens van een ieder opvragen. Het gaat alleen om gegevens over de persoon zelf. Een tweede beperking is dat het altijd moet gaan over gegevens ten behoeve van de uitvoering van deze wet. Deze inlichtingenplicht zal dus hoofdzakelijk zien op de aanvrager. Uit het derde lid volgt dat gegevens die kunnen leiden tot de toekenning van minder studiefinanciering BES of het verhogen van het bedrag dat maandelijks moet worden terugbetaald, altijd moeten worden doorgegeven. Dus ook zonder dat hierom door de minister wordt gevraagd. Op grond van het vierde lid kan de minister bijvoorbeeld een formulier vaststellen dat moet worden ingevuld om de gegevens door te geven.

De draagkrachtberekening geschiedt zonder dat de debiteur daar documenten voor hoeft over te leggen, behalve wanneer een debiteur niet binnenlands belastingplichtig is. Immers, in dat geval zijn die gegevens al bij de DUO bekend. Onder binnenlands belastingplichtigen vallen degenen die binnenlands belastingplichtig zijn in de zin van de Wet inkomstenbelasting BES, inclusief degenen die daaraan gelijk worden gesteld. Voor anderen kan de draagkracht alleen worden berekend op basis van gegevens die de debiteur zelf verstrekt.

Artikel 7.2 (Verstrekken van inlichtingen door instellingen in een openbaar lichaam of in het Europese deel van Nederland)

Voor de controle op wie er studerenden zijn en of deze studerenden nog steeds dezelfde studie volgen, moet de uitvoeringsinstantie over informatie van de onderwijsinstellingen beschikken. De aanspraak op studiefinanciering BES hangt direct samen met deze gegevens. Ook voor deze gegevenslevering wordt in een ministeriële regeling geregeld op welke manier deze informatie geleverd wordt. Deze informatie moet kosteloos worden verstrekt.

Uit het tweede lid volgt dat de minister kan bepalen welke instellingen moeten melden of studerenden het afsluitend examen van een opleiding met goed gevolg hebben afgelegd. Deze informatie is nodig om het moment van omzetting te kunnen bepalen.

Instellingen die gegevens aan de uitvoeringsinstantie verstrekken, stellen de betrokkene hiervan op de hoogte en wijzen hem op de beroepsgang die voor hem mogelijk is.

Artikel 7.3 (Verstrekken van inlichtingen door organen met een publiekrechtelijke taak)

Ook organen met een publiekrechtelijke taak zijn verplicht kosteloos inlichtingen te verstrekken. Het kan hierbij zowel om publiekrechtelijke als privaatrechtelijke organen gaan.

Artikel 7.4 (Gegevensuitwisseling met landen buiten het Koninkrijk)

Dit artikel bepaalt dat de minister gegevens die hij heeft verkregen voor de uitvoering van de WSF BES aan landen buiten het Koninkrijk kan verstrekken ten behoeve van studiefinanciering in dat land. Deze gegevens worden alleen verstrekt aan landen die eenzelfde niveau van bescherming van persoonsgegevens kennen als op de BES.

Het derde lid bepaalt dat de minister ook gegevens kan opvragen bij de autoriteit van landen buiten het Koninkrijk waar een studerende een opleiding wil gaan volgen of volgt.

Artikel 7.5 (Niet verstekken van inlichtingen)

Voor een goede uitoefening van deze wet is het van groot belang dat er juiste inlichtingen worden verstrekt door eenieder van wie dit gevraagd wordt. Om die reden is in dit wetsvoorstel een sanctie opgenomen voor het niet voldoen aan deze informatieverplichting.

Artikel 7.6 (Overtreding van een bepaling krachtens deze wet)

In dit artikel is de strafmaat geregeld voor overtreding van de bepalingen van deze wet en de daarop gebaseerde regels. Het strafrecht dat van toepassing is op de openbare lichamen kent een iets andere indeling van categorieën van geldboetes dan het strafrecht in het Europese deel van Nederland. Er is aangesloten bij de categorie die min of meer vergelijkbaar is.

Artikel 8.1 (Aanpassing van bedragen)

Dit artikel verplicht de minister jaarlijks per 1 januari aan de hand van de consumentenprijsindex de bedragen van artikel 2.2 aan te passen in verband met de inflatie. De aangepaste bedragen worden opgenomen in een ministeriële regeling. Tevens wordt in de ministeriële regeling vastgelegd wat onder de consumentenprijsindex wordt verstaan.

Artikel 8.2 (Vervreemding, verpanding, belening en beslag)

Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat studiefinanciering BES of de opstarttoelage wordt gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor het is beoogd.

Artikel 8.3 (Hardheidsclausule)

Het artikel regelt de mogelijkheid op individueel niveau af te wijken van de wet als onverkorte toepassing tot grove onbillijkheid zou leiden.

Artikel 8.4 (Bezwaarschriftprocedure)

Net als in het Europees-Nederlandse systeem is de minister niet verplicht om belanghebbenden te horen die een bezwaarschrift hebben ingediend naar aanleiding van een studiefinancieringsbesluit van de minister.

Artikel 9.1 (Geen aanspraak op een opstarttoelage)

In deze bepaling wordt geregeld dat de studerenden vanuit de BES die voor de aanvang van het studiejaar 2011–2012 in het Europese deel van Nederland studeerden, niet in aanmerking komen voor een opstarttoelage op grond van deze wet. Deze groep studerenden heeft op grond van de Landsstudietoelagenregeling aanspraak gehad op een vergelijkbare toelage.

Artikel 9.2 (Studietoelagen verstrekt voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet)

In dit artikel wordt geregeld dat de bepalingen van de Landsstudietoelagenregeling blijven gelden voor de studerenden die een studietoelage ontvangen of hebben ontvangen op grond van die regeling of op grond van de in de WSF BES omgezette Landsstudietoelagenregeling. Voor het verleden verandert hun situatie derhalve niet; voor de debiteuren gelden geen veranderingen in onder andere de manier van terugbetalen, hoogte van de schuld en rente over de schuld. Voor de toekomst echter geldt dat studerenden die al aanspraak hadden op grond van genoemde regelingen, dezelfde rechten hebben als studerenden die voor het eerst aanspraak maken op studiefinanciering ingevolge deze wet. Zo kan een studerende weer een vierjarige prestatiebeurs ontvangen, ook al heeft hij inmiddels al een aantal jaren een studietoelage ontvangen.

K

Artikel 10.16 (Wet voortgezet onderwijs BES)

Algemeen

1. Uitgangspunten

Belangrijk oogmerk van het wetsvoorstel voor wat betreft de Wet voortgezet onderwijs BES (verder aangeduid als: wetsvoorstel WVO BES) is dat de onderwijsopbrengsten voor het voortgezet onderwijs op de BES-eilanden zowel wat de inhoudelijke kwaliteit betreft als wat betreft de afronding van een vorm van voortgezet onderwijs, op een zodanig niveau komen dat leerlingen die voortgezet onderwijs op de BES-eilanden hebben gevolgd een (eind)niveau hebben waarmee zij zonder problemen kunnen instromen in het vervolgonderwijs in het Europese deel van Nederland. Derhalve ligt het in de rede in dit voorstel zoveel mogelijk uit te gaan van de normen, onder meer qua kwaliteit en voorzieningenniveau, die in het Europese deel van Nederland gehanteerd worden. Tegen deze achtergrond wordt voor de BES-eilanden zoveel mogelijk uitgegaan van de tekst van de Wet op het voortgezet onderwijs (verder: WVO). Niet alleen liggen de Europees-Nederlandse kwaliteitsnormen in de Europees-Nederlandse wetsystematiek vervat. De inschatting is eveneens dat de WVO een goed uitgewerkte en beproefde wettelijke infrastructuur biedt om de onderwijskwaliteit op orde te brengen en te houden. Deze benadering kan op draagvlak rekenen op de BES-eilanden.

Op diverse onderdelen van het wetsvoorstel WVO BES bestaat een verschil met de huidige Nederlands Antilliaanse regelgeving. Op deze onderdelen zal invoering met de nodige zorg plaatsvinden en wordt zo nodig een redelijke overgangsperiode voorgesteld. Overgangsbepalingen zijn onder meer opgenomen met betrekking tot de examenbepalingen, de wijze van bekostiging en de bevoegdheidseisen aan leraren. Op grond van artikel 16.1 van de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is gefaseerde inwerkingtreding mogelijk.

Het wetsvoorstel WVO BES sluit aan bij de huidige tekst van de WVO; er wordt in principe niet vooruit gelopen op in voorbereiding zijnde wetgeving.

2. Hoofdlijnen

De beleidslijnen die uitgangspunt zijn geweest voor het wetsvoorstel WVO BES en de belangrijkste verschillen tussen de Landsverordening voortgezet onderwijs en dit wetsvoorstel WVO BES, worden hieronder in hoofdlijnen weergegeven.

2.1. Aanbod en systematiek

Ten aanzien van het aanbod binnen het voortgezet onderwijs wordt de Europees-Nederlandse systematiek van vormen van voortgezet onderwijs gehanteerd. Dit betekent dat het in beginsel mogelijk is om op de eilanden alle vormen van voortgezet onderwijs aan te bieden die ook in de WVO zijn opgenomen. Gelet op het beperkte aantal leerlingen zal dit echter niet voor alle schoolsoorten, en daarbinnen alle leerwegen, sectoren of profielen, te realiseren zijn. Bij een eventuele uitbreiding van het onderwijsaanbod kan rekening gehouden worden met de behoeftes op de lokale arbeidsmarkt.

Op de eilanden komen geen Agrarische Opleidingscentra (AOC). Dit betekent overigens niet dat er geen groen onderwijs op vbo-niveau kan worden aangeboden op de BES-eilanden, omdat een school voor voortgezet onderwijs een vbo-opleiding groen kan aanbieden.

2.2. Taal en examens

Op de eilandenblijven de daar thans gehanteerde instructietaal, examentaal en examenstructuur gehandhaafd. Dit betekent voor Bonaire en Sint Eustatius dat de hoofdregel is dat het Nederlands de instructie- en examentaal in het voortgezet onderwijs blijft en dat de Europees-Nederlandse examenstructuur wordt gehanteerd. Dit laat onverlet dat het in praktijk is toegestaan dat een docent af en toe gebruik maakt van het Papiaments (op Bonaire) of Engels (op Sint Eustatius) voor aanvullende toelichting. Tevens bevat het wetsvoorstel WVO BES een uitzondering voor de instructietaal (Papiaments of Engels) in het praktijkonderwijs, dat geen examens kent. Hierbij blijft het Nederlands als vak behouden.

Het onderwijs op de enige school voor voortgezet onderwijs op Saba, de Saba Comprehensive School, waar Engels de instructie- en examentaal is en waar het Engelstalige examen van de Caribbean Examinations Council wordt afgenomen, zal vooralsnog worden gerekend tot de andere vormen van voortgezet onderwijs. In een algemene maatregel van bestuur zullen onderwerpen als de inrichting van onderwijs en examens en de bevoegdheden van leraren worden uitgewerkt. Op die manier kan de huidige situatie op Saba voorlopig gehandhaafd blijven, maar wordt ook uitdrukkelijk de mogelijkheid opengehouden om op termijn over te stappen op het onderwijs zoals dat in de WVO BES wordt geregeld. De inhoud van het verplichte examenvak Nederlands wordt wel versterkt, opdat Nederlandstalig vervolgonderwijs ook voor Sabaanse leerlingen toegankelijk blijft. Voor eventueel op Saba te stichten nieuwe scholen geldt dat ze moeten voldoen aan de bekostigingsvoorwaarden die in de WVO BES zijn neergelegd voor het voortgezet onderwijs.

Zie verder de artikelsgewijze toelichting bij de artikelen 8, 61 en 72.

2.3. Tekortschieten leerresultaten

In de WVO is, net als in de Wet op het primair onderwijs (verder: WPO), een bepaling over minimumleerresultaten als bekostigingsvoorwaarde opgenomen. Voor het voortgezet onderwijs geldt dat de leerresultaten van een schoolsoort of leerweg ernstig of langdurig tekortschieten als over een periode van drie jaren het doorstroomrendement en de gemiddelde eindexamenresultaten te laag zijn. Deze minimumleerresultaten worden in het Europese deel van Nederland uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur en vervolgens in een ministeriële regeling. Op basis van onder meer een vergelijking van leerresultaten van leerlingen van scholen in dezelfde schooljaren met een vergelijkbaar leerlingenbestand wordt een minimum normering vastgesteld. Bij langdurig achterblijven van de leerresultaten in vergelijking met deze normering, kan de minister uiteindelijk overgaan tot het beëindigen van de bekostiging van een bijzondere school dan wel het opheffen van de openbare school. Het onderwijs op de BES zal echter eerst een lange periode van aanpassing moeten doormaken en de scholen zullen – net als in het Europese deel van Nederland het geval was – ook de tijd moeten krijgen om vertrouwd te raken met het inspectietoezicht om te kunnen komen tot billijke toepassing van deze «ultieme sanctie».

Op de BES is het leerlingenbestand te klein om de normering van de minimumleerresultaten te onderbouwen met een vergelijking zoals die in het Europese deel van Nederland wordt gemaakt tussen scholen met dezelfde schooljaren en met een vergelijkbaar leerlingenbestand. De veranderingen in de inhoud van het onderwijs als gevolg van de inwerkingtreding van de WPO BES en de WVO BES zullen zodanig zijn, dat vooralsnog de ervaring ontbreekt om op basis van de meting van de resultaten een normering vast te stellen. Zo zal in het eerste schooljaar na de transitie gestart worden met het eerste leerjaar volgens de WVO BES. De eerste examens die in overeenstemming met de WVO BES zullen worden afgenomen zullen dan 4, 5 of 6 jaar later plaatsvinden. Als drie jaar lang examens conform de WVO BES zijn afgenomen is het wellicht mogelijk om tot een onderlinge vergelijking te komen. Ook het gegeven dat op de BES het primair onderwijs in twee instructietalen wordt aangeboden komt de vergelijkbaarheid van de meting van de resultaten niet ten goede.

De bepaling over minimumleerresultaten uit de WVO, inclusief de grondslag voor een algemene maatregel van bestuur, is dan ook niet overgenomen. Ook de uiterste consequentie van ernstig of langdurig tekortschietende leerresultaten, namelijk de mogelijkheid om een school te sluiten, is daarmee ook niet opgenomen in de WPO BES en de WVO BES.

Overigens blijven ook bij het ontbreken van de mogelijkheid om een school te sluiten bij ernstig of langdurig tekortschietende leerresultaten, nog voldoende mogelijkheden overeind om slagvaardig op te kunnen treden bij onvoldoende onderwijskwaliteit. Wat betreft de kwaliteit van het onderwijs zal het toezichtskader van de inspectie ook op de BES toegepast worden. De inspectie kan verder prestatieafspraken maken met scholen, de mogelijkheden die nu in de WVO en de WPO bestaan om bekostiging in te houden of op te schorten worden opgenomen in de WVO BES en de WPO BES, en ook de aanwijzingsbevoegdheid wordt overgenomen (zie artikel 183 WVO BES).

2.4. Inhoud onderwijs en kerndoelen

Voor de inhoudelijke inrichting van het voortgezet onderwijs op Bonaire en Sint Eustatius, wordt de Europees-Nederlandse structuur gehanteerd. Dit houdt in dat de kerndoelen gaan gelden in de onderbouw en dat de inhoud van het onderwijsprogramma in de bovenbouw en de beroepsopleidingen wordt afgeleid van de eindtermen. Het wetsvoorstel WVO BES creëert ruimte om de kerndoelen in te vullen aan de hand van de lokale context. In het wetsvoorstel WVO BES is het Papiaments opgenomen als vak in het vrije deel. Op deze wijze wordt een grondslag voor het examenvak Papiaments gecreëerd.

Voor de BES zal worden aangesloten bij de kerndoelen die voor het voortgezet onderwijs in het Europese deel van Nederland zijn opgesteld. Deze zijn breed geformuleerd, zodat er in het onderwijs ruimte is voor eventuele Caribische accenten. Anders dan voor Engels, worden er geen kerndoelen geformuleerd voor andere moderne vreemde talen – in het bijzonder Spaans, Frans en Papiaments – die in de onderbouw op de BES kunnen worden aangeboden. Wel kunnen scholen de kerndoelen voor Engels gebruiken als leidraad voor het onderwijs in andere moderne vreemde talen.

Zolang op Saba het onderwijs in de Saba Comprehensive School voorbereidt op het CXC-examen, wordt de inhoud van het onderwijsprogramma op Saba bepaald door de eisen van het CXC. De kerndoelen zijn echter zo ruim geformuleerd dat zij ook van toepassing kunnen worden op het voortgezet onderwijs in de Saba Comprehensive School.

2.5. Aanvang en einde van de bekostiging, verplaatsing, nevenvestigingen

Bestaande scholen

De huidige scholen of scholengemeenschappen worden via het overgangsrecht aangemerkt als scholen in de zin van de WVO BES. Als het aantal leerlingen gedurende drie jaar lager is dan de opheffingsnorm, kan aan de minister worden gevraagd om een openbare school niet op te heffen, dan wel de bekostiging van een bijzondere school niet te beëindigen. Aan dat verzoek zal in het algemeen worden voldaan als het om de enige school van een bepaalde schoolsoort op het desbetreffende eiland gaat.

Nieuwe scholen

Voor de bekostiging van nieuwe scholen is in de WVO BES een andere systematiek neergelegd dan in de WVO. Gezien de schaalgrootte van de afzonderlijke eilanden, maar ook gezien de verschillen in schaal tussen Bonaire enerzijds en Saba en Sint Eustatius anderzijds, is het niet mogelijk om de stichtingsnormen zoals die in het Europese deel van Nederland gelden, ook op de BES toe te passen. De stichtingsnormen hebben primair tot doel een doelmatige verdeling van de onderwijsmiddelen te waarborgen. Nieuw te stichten scholen moeten een zodanige omvang hebben dat zij bedrijfseconomisch kunnen functioneren en een voldoende kwaliteit van onderwijs kunnen bieden. Gelet op het spanningsveld tussen enerzijds de vrijheid van stichting, en anderzijds het risico op ondoelmatige besteding van onderwijsgeld, is een bevoegdheid voor de minister in de WVO BES opgenomen om scholen voor bekostiging in aanmerking te brengen wanneer blijkt de nieuwe school naar verwachting zal worden bezocht door een aantal leerlingen dat voldoende is om een school van voldoende omvang en kwaliteit in stand te houden. De in de wet neergelegde criteria worden in lagere regelgeving uitgewerkt, om tegemoet te komen aan de specifieke situatie op de verschillende eilanden.

Opheffing van scholen

Ook voor de opheffingsnormen geldt dat deze worden neergelegd in lagere regelgeving. Daarbij zal wel worden aangesloten bij de systematiek die in het Europese deel van Nederland geldt, namelijk dat de opheffingsnormen zijn gerelateerd aan de stichtingsnormen.

Nevenvestigingen en verplaatsen van vestigingen

Voor de BES is een vereenvoudiging aangebracht, in die zin dat niet, zoals in het Europese deel van Nederland, onderscheid wordt gemaakt tussen tijdelijke en permanente nevenvestigingen. Door de schaalgrootte wordt ieder eiland afzonderlijk als voedingsgebied beschouwd, waarbinnen scholen – om onderwijskundige redenen of redenen van huisvesting – nevenvestigingen kunnen openen, indien het eilandbestuur daarvoor de huisvesting ter beschikking stelt. Op de nevenvestigingen kunnen dezelfde soorten onderwijs worden verzorgd als op de hoofdvestiging.

Zolang het eilandbestuur voorziet in de huisvesting, kunnen scholen hun vestigingen verplaatsen binnen de grenzen van het openbaar lichaam.

Geen regionaal plan onderwijsvoorzieningen

In het Europese deel van Nederland is het mogelijk dat bevoegde gezagsorganen samenwerken met als doel het afstemmen van het onderwijsaanbod op de vraag van leerlingen, ouders en andere belanghebbenden in het gezamenlijke werkgebied. Die mogelijkheid verkleint de rol van de centrale overheid en vergroot de autonomie van de scholen. De geografische situatie op de BES-eilanden wijkt zodanig af van die in het Europese deel van Nederland, dat effectuering van deze mogelijkheden tot voorzieningenplanning niet in de lijn der verwachting ligt. Bovendien zal naar verwachting geen sprake zijn van concurrentie van verschillende scholen binnen hetzelfde voedingsgebied. Het artikel dat deze regionale samenwerking mogelijk maakt, is dan ook niet overgenomen voor de BES.

2.6. Bekostiging

Het lumpsumbekostigingssysteem wordt op de BES-eilanden ingevoerd. Bij de lumpsumbekostiging wordt rekening gehouden met een aangepast prijspeil ten opzichte van het prijspeil in het Europese deel van Nederland. Er vindt een overgangstraject plaats van de huidige bekostigingsstructuur die op declaratiebekostiging is gebaseerd, naar de lumpsumbekostiging (zie artikel 209 WVO BES). Tevens gaan dezelfde Europees-Nederlandse bepalingen gelden ten aanzien van de door de school te verstrekken bekostigingsinformatie.

2.7. Huisvesting

Voorzieningen voor de huisvesting in het Europese deel van Nederland

In het Europese deel van Nederland is de verantwoordelijkheid voor de vergoeding van de huisvestingsvoorzieningen voor het voortgezet onderwijs grotendeels aan de gemeente opgedragen. Het systeem dat in dit deel van Nederland geldt, is niet vergelijkbaar met dat in het Antilliaanse deel. In het Europese deel van Nederland wordt een verdeling gemaakt tussen een vergoeding van het Rijk aan een schoolbestuur voor de huisvestingsvoorzieningen en een vergoeding van de gemeente. In de WVO komt de verdeling erop neer dat het schoolbestuur van het Rijk een normatieve vergoeding ontvangt voor uitvoering van onderhoud aan gebouwen en terreinen. De gemeente draagt zorg voor bouwkundige voorzieningen als nieuwbouw en herstel van constructiefouten.

Voor de gemeentelijke huisvestingsvoorzieningen is het kader, gelet op de grondwettelijke waarborg het openbaar en bijzonder onderwijs gelijk te behandelen (artikel 23 van de Grondwet), in de WVO neergelegd. In dit verband kan bijvoorbeeld gewezen worden op artikel 76b, eerste lid, van de WVO waar het beginsel is verwoord: een gemeente behandelt openbare en bijzondere scholen op gelijke voet. Verder bepaalt de WVO dat een gemeente een huisvestingsprogramma moet maken en de huisvestingsvoorzieningen moet uitwerken in een gemeentelijke verordening.

Huisvestingsprogramma gemeentelijke verordening in het Europese deel van Nederland

Jaarlijks stellen burgemeester en wethouders een huisvestingsprogramma op voor het eerstvolgende jaar, waarin de voor vergoeding in aanmerking te brengen voorzieningen zijn opgenomen. Uitsluitend die voorzieningen worden opgenomen waarmee redelijkerwijs in het jaar na het jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden gemaakt. Het programma vormt een bundel beschikkingen en legt rechten vast. Met betrekking tot een verkregen aanspraak – doordat een voorziening in het programma is opgenomen – bepalen burgemeester en wethouders het moment waarop de gevraagde voorziening wordt vergoed.

De gemeentelijke verordening is een regeling die op gemeentelijk niveau de huisvestingsvoorzieningen uitwerkt die in de WVO zijn aangegeven. Op basis van deze gedetailleerde verordening worden de aanvragen beoordeeld.

Voorzieningen voor de huisvesting in de WVO BES

In de WVO BES wordt aangesloten bij de uitgangspunten en de verdelingssystematiek van de middelen die gelden in het Europese deel van Nederland. Dit betekent dat de eilandsraad en het bestuurscollege zorg dragen voor de huisvestingsvoorzieningen op het grondgebied van het openbaar lichaam. Deze huisvesting moet zodanig zijn dat kan worden voldaan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van scholen stelt. Ook dienen zij het openbaar en bijzonder onderwijs op gelijke voet te behandelen (artikel 129 van de WVO BES). De verdeling van middelen komt er – zoals eerder aangegeven – grosso modo op neer, dat het schoolbestuur van het Rijk een normatieve vergoeding ontvangt voor uitvoering van onderhoud aan de het gebouw en terrein.

Aanvraag- en toekenningsprocedure huisvestingsvoorzieningen op grond van de WVO BES

De aanvraag- en toekenningsprocedure voor huisvestingsvoorzieningen is met het oog op het kleine aantal scholen op de eilanden vereenvoudigd. Zo zal niet eerst een programma huisvestingsvoorzieningen door het bestuurscollege hoeven worden gemaakt, waarin de aanvragen om huisvesting worden opgenomen die worden beoordeeld op grond van een gedetailleerde eilandelijke verordening.

In plaats van het huisvestingsprogramma en de eilandsverordening kunnen scholen die niet door het openbaar lichaam in stand worden gehouden één keer per jaar een aanvraag om een voorziening in huisvesting indienen bij het bestuurscollege. De aanvraag dient vóór 1 september voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft te zijn ingediend. Het bestuurscollege beslist vervolgens vóór 1 januari van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft op de aanvraag. De vereisten waaraan deze aanvraag dient te voldoen, staan in de door de eilandsraad vastgestelde eilandsverordening. De aanvraag kan alleen worden afgewezen op basis van een wettelijke weigeringsgrond, waaronder het door het bestuurscollege vastgestelde bekostigingsplafond (artikel 135 van de WVO BES). Het bestuurscollege beslist op basis van urgentie welke aangevraagde voorzieningen worden bekostigd indien het bekostigingsplafond onvoldoende is voor alle aanvragen (artikel 133 van de WVO BES). Alleen in het geval van aanvragen met een spoedeisend karakter is het mogelijk om een aanvraag buiten de termijnen in te dienen die niet enkel kan worden afgewezen vanwege het bereiken van het bekostigingsplafond (artikel 134 van de WVO BES). Om de hoogte van dat bekostigingsplafond vast te stellen, zal het bestuurscollege overleggen met de schoolbesturen, om te inventariseren welke huisvestingsvoorzieningen nodig zijn (artikel 131 van de WVO BES).

De aanvraag- en toekenningsprocedure is tot slot van overeenkomstige toepassing op openbare scholen die door het openbaar lichaam in stand worden gehouden (artikel 132 van de WVO BES).

2.8. Bestuurlijke en organisatorische structuur

Voor wat betreft de bestuurlijke en organisatorische structuur van een school voor voortgezet onderwijs, worden de bepalingen uit de WVO overgenomen. Dit houdt onder meer in dat de Europees-Nederlandse personele structuur op de BES-eilanden wordt overgenomen. Taken en verantwoordelijkheden van het leidinggevend personeel worden vastgelegd en het bevoegd gezag beschrijft jaarlijks het beleid met betrekking tot de formatie van de verschillende personeelscategorieën van de school. Ook wordt een managementstatuut verplicht gesteld.

De mogelijkheid om aan het hoofd van een grote of complexe school een centrale directie te plaatsen, wordt niet overgenomen, omdat, gezien de schaalgrootte op de BES, een dergelijke grote of complexe school niet voor zal komen.

2.9. Bevoegdheden van leraren

Zittende bevoegde leraren op de BES die op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 210 naar Nederlands Antilliaans recht bevoegd zijn, en onderwijs geven op een school voor voortgezet onderwijs op de BES-eilanden, behouden hun bevoegdheden onder de WVO BES. Ook studenten die voor de inwerkingtreding van artikel 212 zijn begonnen aan een lerarenopleiding en die binnen vijf jaar na die inwerkingtreding hun onderwijsbevoegdheid behalen, worden net als zittende bevoegde leraren benoembaar op de BES-eilanden.

Na de inwerkingtreding van deze artikelen kunnen alleen nog leerkrachten aangesteld worden die voldoen aan de (dan geldende) benoemingsvereisten. Dit betekent dat nieuw aan te stellen leraren aan de Europees-Nederlandse bekwaamheidseisen moeten voldoen. Op deze wijze is uitwisseling van leerkrachten op de BES-eilanden onderling, maar ook met het Europese deel van Nederland, eenvoudiger.

Zittende leraren die op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 211 niet in het bezit zijn van een bevoegdheid volgens de huidige Antilliaanse regelgeving zullen binnen een termijn van vijf jaar over een bevoegdheid moeten beschikken. Dat betekent dat voor de onbevoegde leraren die voor genoemde inwerkingtreding beginnen aan een opleiding die leidt tot een Nederlands-Antilliaanse bevoegdheid, daarna hetzelfde overgangsrecht geldt als voor de huidige studenten van de lerarenopleiding. Het is aan de werkgever om er zorg voor te dragen dat leraren aan de bekwaamheidseisen voldoen en indien nodig afspraken te maken over bijscholing.

2.10. Zorgstelsel BES

Leerlingenzorg

Op de BES is het, gezien de schaalgrootte, niet haalbaar om een zorgstructuur in te richten volgens de gedetailleerde systematiek in het Europese deel van Nederland. Dit betekent dat de systematiek voor indicatiestelling en de leerlinggebonden financiering niet wordt geïntroduceerd op de BES. Daarnaast zal er geen sprake zijn van scholen voor speciaal onderwijs zoals die in het Europese deel van Nederland vallen onder de Wet op de expertisecentra (hierna: WEC). De gekozen benadering is er op gericht een zo eenvoudig mogelijk wettelijk kader te scheppen waarbinnen het belang van zorgleerlingen zo goed mogelijk wordt geborgd terwijl tegelijkertijd ruimte is voor betrokken scholen om zelf de beste oplossingen te kiezen aansluitend bij de behoefte en schaal van het eiland.

Eerstelijnszorg binnen de school

De scholen krijgen de taak om leerlingen met een extra onderwijszorgvraag – de eerstelijnszorg, zoals onder andere praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs – zo veel mogelijk binnen de school op te vangen, daarbij worden de maatregelen om een goede zorgstructuur te waarborgen door de school in het schoolplan vastgelegd. Uitvoering van de eerstelijnszorg vindt door en in de school plaats. Het bevoegd gezag van een school bepaalt, in overleg met de ouders, of een leerling in aanmerking komt voor zorg en stelt een handelingsplan op.

Voor de eerstelijnszorg ontvangen de scholen een nader te bepalen toeslag die aan het bedrag van de lumpsum wordt toegevoegd.

Tweedelijnszorg in het expertisecentrum onderwijszorg

Daarnaast wordt per eiland een aanbod van specialistische deskundigheid georganiseerd in de vorm van een «expertisecentrum onderwijszorg», waarvan scholen voor primair onderwijs, scholen voor voortgezet onderwijs en instellingen voor beroepsonderwijs (hierna: instellingen) gebruik kunnen maken.

Het expertisecentrum onderwijszorg is een rechtspersoon die deskundige ondersteuning kan bieden aan leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte (de artikelen 1 en 69 van de WVO BES). In eerste instantie zal het expertisecentrum onderwijszorg vooral ondersteuning bieden aan leerlingen binnen een school. Voorts kunnen leerlingen worden opgevangen binnen het expertisecentrum onderwijszorg indien deze leerlingen niet kunnen worden opgevangen binnen het voortgezet onderwijs. Het expertisecentrum onderwijszorg kan tijdelijk of voor langere tijd zorg dragen voor de opvang van zorgleerlingen (het gaat hierbij om leerlingen en deelnemers uit de sectoren primair onderwijs, voortgezet onderwijs of middelbaar beroepsonderwijs). De WVO BES biedt scholen de ruimte om hiertoe zelf de optimale vorm te vinden. Er kan bijvoorbeeld binnen het samenwerkingsverband een lokaal door een van de scholen beschikbaar worden gesteld. Het expertisecentrum onderwijszorg huurt dan deze locatie. Daarnaast kunnen scholen gezamenlijk een leerkracht per onderwijssoort inhuren of detacheren vanuit een van de deelnemende scholen of instellingen.

Het expertisecentrum onderwijszorg is verantwoordelijk voor de zorgaspecten. Leerlingen blijven ingeschreven bij de school, die verantwoordelijk blijft voor het onderwijs en de voorzieningen die daarbij horen.

Handelingsplan

Dat een leerling niet binnen de school kan worden opgevangen moet blijken uit het handelingsplan van de betrokken leerling, dat altijd in overeenstemming met de ouders wordt vastgesteld. Hierbij zijn een diagnose van een hiervoor gekwalificeerde expert en – indien relevant – resultaten van gevalideerde testen en/of toetsen noodzakelijk. Hiervoor gaat het initiatief uit van het bevoegd gezag.

Samenwerkingsverband

Per eiland wordt, teneinde de zorgstructuur goed te laten functioneren, één samenwerkingsverband ingericht, waarin het expertisecentrum onderwijszorg, scholen voor primair en voortgezet onderwijs en instellingen samenwerken (artikel 68 van de WVO BES). In het samenwerkingsverband worden afspraken gemaakt over het geheel van zorgvoorzieningen zodat zoveel mogelijk leerlingen een ononderbroken onderwijsloopbaan kunnen doorlopen.

In de eerste plaats worden afspraken gemaakt over de zorg voor leerlingen en deelnemers met een specifieke onderwijsbehoefte, die binnen een school of instelling deelnemen aan het onderwijs (eerstelijnszorg).

In de tweede plaats worden er binnen het samenwerkingsverband afspraken gemaakt over de zorg voor en het onderwijs aan leerlingen en deelnemers die niet binnen een school of instelling onderwijs kunnen ontvangen. Deze leerlingen krijgen onderwijs binnen het expertisecentrum onderwijszorg, dat verantwoordelijk is voor de gespecialiseerde tweedelijnszorg. Verder spreken de partijen in het samenwerkingsverband af wie welk onderwijs verzorgt voor leerlingen en deelnemers die dat onderwijs moeten krijgen in het expertisecentrum onderwijszorg. De afspraken betreffen ook de toerekening van kosten als bijvoorbeeld een leraar van de ene basisschool in het expertisecentrum onderwijszorg lesgeeft aan een leerling van een andere basisschool. Deze afspraken worden neergelegd in een eilandelijk zorgplan.

Eilandelijk zorgplan

In het eilandelijk zorgplan worden naast afspraken over de eerste- en tweedelijnszorg ook de activiteiten van het expertisecentrum onderwijszorg en de partijen in het samenwerkingsverband, de beoogde resultaten en procedures om die resultaten te bereiken, beschreven. Het eilandelijk zorgplan wordt, gezien de bevoegdheden die de inspectie heeft ten aanzien van het onderwijs dat wordt gegeven aan leerlingen en deelnemers met een specifieke onderwijsbehoefte, jaarlijks toegezonden aan de inspectie (artikel 68 van de WVO BES).

Subsidie aan het expertisecentrum onderwijszorg

De WVO BES kent een bekostigingsgrondslag voor de bekostiging van taken van het expertisecentrum onderwijszorg in het kader van leerlingen, zoals onderwijsondersteunende activiteiten, het verzorgen van ambulante begeleiding, het verrichten van handelingsgerichte diagnostiek of het geven van advies (artikel 150 van de WVO BES).

Toezicht op onderwijs binnen het expertisecentrum onderwijszorg

De inspectie houdt vanuit haar bevoegdheden ten aanzien van scholen toezicht op de kwaliteit van het onderwijs dat binnen het expertisecentrum onderwijszorg wordt aangeboden. De inspectie is hiervoor bevoegd, omdat het bevoegd gezag van een school waarbij de betreffende leerling is ingeschreven verantwoordelijk blijft voor het onderwijs dat deze leerling ontvangt.

Toezicht op overige taken van het expertisecentrum onderwijszorg

Het expertisecentrum onderwijszorg kan subsidie ontvangen op grond van artikel 150 van de WVO BES. In een ministeriële regeling zullen de voorschriften worden opgenomen waaraan het expertisecentrum onderwijszorg zal moeten voldoen. Het gaat hier bijvoorbeeld om het verstrekken van inlichtingen, gegevens en bescheiden, het opstellen van een begroting en een jaarplan en het uitbrengen van een jaarverslag en jaarrekening. Artikelen uit de titels 4.1 en 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 4 tot en met 19 van de Wet overige OCW-subsidies over het verlenen, vaststellen, intrekken en terugvorderen van de subsidie zijn van toepassing op de subsidie aan het expertisecentrum onderwijszorg.

Voor het toezicht op de taken van het expertisecentrum onderwijszorg kan de minister een ambtenaar aanwijzen. Indien blijkt dat het expertisecentrum onderwijszorg zijn taken ernstig verwaarloost, kan de minister maatregelen treffen (artikel 70 en 71 van de WVO BES). Als ultimum remedium kan de minister de door hem afgegeven aanwijzing intrekken. Dit houdt in dat de rechtspersoon niet meer in aanmerking komt voor de subsidie, bedoeld in artikel 150 van de WVO BES.

2.11. Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

De bepalingen uit de WVO met betrekking tot het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid worden niet overgenomen in de WVO BES. De problematiek rond taalachterstanden verschilt teveel van de Europees-Nederlandse situatie. Ook in het Europese deel van Nederland worden geen specifieke uitkeringen meer gedaan ten behoeve van gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid, maar zit in de bekostiging van het Rijk aan bevoegde gezagsorganen een component voor de bestrijding van onderwijsachterstanden.

Artikelsgewijze toelichting

Deze artikelsgewijze toelichting is er een op hoofdlijnen. Zij gaat op hoofdlijnen in op de artikelen die onderdeel zijn van dit wetsvoorstel WVO BES. Zij gaat niet in detail in op het systeem van de verschillende vormen van voortgezet onderwijs, van de bekostigingsstructuur en de bestuurlijke structuur. Evenmin wordt uitgebreid ingegaan op de personele structuur en het lerarenbeleid. De keuze om aan al deze onderwerpen slechts kort aandacht te geven, is ingegeven door het feit dat de structuur van de WVO is terug te vinden in het onderhavige wetsvoorstel WVO BES en dat het grootste deel van dit voorstel bestaat uit artikelen die ook onderdeel zijn van de WVO. Het voorgaande betekent niettemin dat alle instanties die na de inwerkingtreding betrokken zullen zijn bij de uitvoering daarvan, zich de inhoud «eigen« zullen moeten maken. Dat zal veel extra inspanningen vragen. Daarom wordt overwogen om op een later tijdstip in een afzonderlijk document een gebruikershandleiding te maken die informatie geeft ten behoeve van diegenen die (dagelijkse) gebruikers van de WVO BES zullen zijn.

Deze toelichting belicht voornamelijk de onderdelen van de WVO BES waarbij wordt afgeweken van de Europees-Nederlandse systematiek. Tenzij anders vermeld worden de bevoegdheden en taken die de WVO toekent aan gemeentebesturen toebedeeld aan de eilandsbesturen van de drie eilanden. Artikelen waarin slechts de begrippen «gemeente», «gemeenteraad», «burgemeester en wethouders», «gemeentelijke verordening» of «gedeputeerde staten» worden vervangen door «openbaar lichaam», «eilandsraad», «bestuurscollege», «eilandsverordening» respectievelijk «Rijksvertegenwoordiger», zijn om deze reden niet toegelicht.

Verder zijn verwijzingen naar bepalingen in Europees-Nederlandse wetten vervangen door verwijzingen naar vergelijkbare bepalingen in wetten die gaan gelden op de BES. Zo wordt in artikel 64, tweede lid, verwezen naar de artikelen 3, 5a of 6 van de Wet toelating en uitzetting BES in plaats van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000. Dit soort wijzigingen worden in de artikelsgewijze toelichting verder niet toegelicht, maar zullen ook aan de orde komen in de hierboven genoemde gebruikershandleiding. Deze benadering geldt ook voor de aanpassingen in het kader van het zorgstelsel dat gaat gelden op de BES. De artikelsgewijze toelichting gaat dus niet in op bepalingen die niet zijn overgenomen uit de WVO inzake leerlinggebonden financiering en speciaal onderwijs in de zin van de WEC. De artikelen die gaan over het nieuwe zorgstelsel op de BES worden uiteraard wel toegelicht in het artikelsgewijze deel. Zie ook paragraaf 2.10 voor de toelichting hierop.

De indeling van dit wetsvoorstel WVO BES is gelijk aan de indeling van de WVO. Het handhaven van deze indeling maakt niet alleen het verband tussen de WVO en de inhoud van dit voorstel duidelijk, het bevordert ook het gebruiksgemak.

De meeste artikelen zullen in beginsel op 1 januari of 1 augustus volgend op de transitiedatum in werking treden. Voor een aantal artikelen, vooral wanneer die nieuwe administratieve verplichtingen voor scholen inhouden, geldt dat inwerkingtreding is voorzien na een overgangsperiode van twee tot vijf jaar. Een tabel is bijgevoegd waarin de voorziene inwerkingtredingsdatum per artikel of onderdeel daarvan is aangegeven.

Artikel 1

Enkele begrippen zijn ten opzichte van de WVO toegevoegd:

  • Expertisecentrum onderwijszorg. Dit expertisecentrum biedt ondersteuning aan leerlingen die extra onderwijszorg behoeven. Zie ook paragraaf 2.10.

  • Onderwijsraad. Deze toevoeging maakt duidelijk dat deze raad zijn activiteiten ook uitstrekt tot de BES-eilanden en dus ook zal kunnen adviseren over wetsvoorstellen die specifiek betrekking hebben op deze eilanden. Er wordt geen afzonderlijke wet beoogd waarin overige taken van dit adviescollege ten behoeve van deze eilanden worden geregeld, maar in de Wet op de Onderwijsraad wordt aan artikel 2 een lid toegevoegd waarin wordt bepaald dat de raad voorts tot taak heeft eilandraden en bestuurscolleges van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in bij de wet genoemde gevallen te adviseren over aangelegenheden die het onderwijsbeleid ten aanzien van die openbare lichamen betreffen.

  • Openbaar lichaam. De eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba hebben de status van openbaar lichaam. Het bestuurscollege van elk van deze eilanden kan de positie hebben van bevoegd gezag van de openbare scholen die op dat desbetreffende eiland in stand worden gehouden.

  • Ouders. Daarvoor is gekozen om de tekst van de artikelen waarin dit begrip voorkomt, makkelijker leesbaar te maken.

  • Persoonsgebonden nummer BES. Voor dat nummer wordt van hetzelfde systeem uitgegaan als in de WVO. Aangezien in de BES geen gebruik gemaakt wordt van het burgerservicenummer, is hiervoor in de plaats opgenomen «het administratienummer van de leerling, dan wel het door Onze Minister uitgegeven onderwijsnummer».

  • Raad onderwijs arbeidsmarkt. Deze raad adviseert de minister over de doelmatigheid van de beroepsopleidingen die de instellingen voor beroepsonderwijs verzorgen, waarbij hij onder andere let op de relatie met de arbeidsmarkt.

  • Rijksvertegenwoordiger en Scholengemeenschap: Deze begrippen zijn om wetstechnische redenen in de definitiebepaling opgenomen.

Enkele begrippen zijn niet uit de WVO overgenomen:

  • Meldingsregister relatief verzuim. Omdat de registratie van zowel verzuim als verwijdering van niet-leerplichtigen bij het bestuurscollege wordt neergelegd, zal het gebruik van het meldingsregister niet voorkomen.

  • Nascholing. Het dit begrip komt in de WVO BES, net als in de WVO, niet (meer) voor.

  • Regionaal opleidingencentrum. In de Wet educatie en beroepsonderwijs BES is slechts sprake van instellingen die beroepsonderwijs verzorgen. Anders dan in de Wet educatie en beroepsonderwijs komen regionale opleidingencentra in de Wet educatie en beroepsonderwijs BES niet voor.

Artikel 2, 3, 4 en 5

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van de artikelen 2, 2a, 3 en 4 van de WVO.

Artikel 6

De tekst van dit artikel is gelijkluidend aan artikel 5 van de WVO; er worden geen vormen van voortgezet onderwijs uitgesloten. Het voortgezet onderwijs dat op Saba wordt verzorgd, wordt voorlopig aangemerkt als onderwijs dat valt onder onderdeel e van dit artikel (andere vormen van voortgezet onderwijs).

Artikelen 7, 9, 11 en 12

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van artikelen 6, 6b, 6d en 6e van de WVO.

Artikel 8

Artikel 8 geeft de hoofdregel dat het Nederlands de instructietaal is in het onderwijs en de taal waarin de examens worden afgenomen. Het belang van het opnemen van deze hoofdregel is dat alle leerlingen op de BES-eilanden worden geschoold in een zodanige beheersing van de Nederlandse taal dat zij in het Europese deel van Nederland aansluitend vervolgonderwijs kunnen volgen. Er zijn twee uitzonderingen op deze hoofdregel, die ook onderdeel van de WVO zijn: wanneer het betreft het onderwijs in de desbetreffende taal en wanneer het bevoegd gezag daarvoor op incidentele momenten kiest vanwege de specifieke omstandigheden dan wel de herkomst van de deelnemers aan dat onderwijs. Om te bereiken dat instructie en toelichting duidelijk wordt begrepen en efficiënt kan worden gegeven, is gebruik van de taal die in het maatschappelijk verkeer wordt gebruikt, soms te prefereren boven of naast uitleg in het Nederlands. Vanwege het incidentele karakter wordt van het bevoegd gezag verlangd dat het een gedragscode opstelt voor het gebruik van die andere taal. Aan deze twee uitzonderingen wordt in de situatie van de BES-eilanden de mogelijkheid toegevoegd om in het praktijkonderwijs permanent voor een andere instructietaal te kiezen in situaties dat de actieve en passieve beheersing van de Nederlandse taal te gering is. Ook voor deze keuze geldt dat daaraan een door het bevoegd gezag opgestelde gedragscode ten grondslag ligt. Er wordt op gewezen dat in die situatie in het praktijkonderwijs dan Nederlands als vak in het aanbod wordt opgenomen.

Artikel 10

Het eerste lid van dit artikel is overgenomen uit de Landsverordening voortgezet onderwijs, het was daar het vijfde lid van artikel 12. Omdat, met uitzondering van het praktijkonderwijs, het Nederlands de instructietaal op school is, en het Papiaments dan wel het Engels de spreektaal in het maatschappelijk verkeer buiten de school zal zijn, wordt het opportuun geacht opdracht aan de scholen te geven om te zorgen voor een optimale aansluiting van de moedertaal van de leerlingen aan de instructietaal op school en deze verplichting dan ook in dit wetsvoorstel WVO BES op te nemen. Omdat een voldoende beheersing van de Nederlandse taal van belang is om eindexamen te kunnen doen en vervolgonderwijs te kunnen volgen, moet elke leerling of deelnemer aan het onderwijs kunnen rekenen op noodzakelijke taalondersteuning. Het is aan de scholen daarvoor een taalbeleid te ontwikkelen dat een herkenbaar onderdeel is van het schoolplan. Over dat beleid wordt ook informatie gegeven in de schoolgids ten behoeve van de ouders en verzorgers.

Artikel 12

Lesmateriaal wordt elk leerjaar om niet aan de leerling ter beschikking gesteld. Ook in het Europese deel van Nederland is een dergelijke bepaling van kracht. Het gebruik van het begrip «leerjaar» geeft aan dat niet de kalenderperiode van een schooljaar wordt bedoeld, maar de leerperiode van een schooljaar waarin het onderwijs wordt ingedeeld.

Artikelen 13, 14, 15, 17 en 28

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van artikelen 7, 8, 9, 10a en 10c van de WVO.

Artikelen 16, 18 en 29

In het derde lid van artikel 16 worden de vier sectoren genoemd waarin scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs (mavo) met ingang van het derde leerjaar onderwijs geven. In dat lid is tevens aangegeven dat niet alle sectoren hoeven te worden aangeboden, het bevoegd gezag kan daarin een keuze maken. Daarmee wijkt dit voorstel af van de WVO. Bij het maken van een keuze zal het aantal leerlingen dat deelneemt in dit onderwijs een belangrijke factor zijn.

Deze mogelijkheid om uit aan te bieden sectoren te kiezen, was, in het derde lid van artikel 10b en in het derde lid van artikel 10d van de WVO, al opgenomen voor het voorbereidend beroepsonderwijs en voor de gemengde leerweg mavo-vbo. In het onderhavige voorstel blijft deze mogelijkheid om niet alle sectoren aan te bieden voor die onderwijssoorten gehandhaafd.

Artikelen 16, 18, 29 en 38

Het doel van onderwijs is mede om een goede overstap naar vervolgonderwijs mogelijk te maken en aansluiting te geven bij de leef- en werkomgeving van leerlingen. De taalvakken zijn daarin van groot belang. Met dat doel wordt in deze artikelen rekening gehouden; zij wijken daarom op onderdelen af van de artikelen die in de WVO gelden. Dit wetsvoorstel WVO BES maakt mogelijk dat het bevoegd gezag in dit sectordeel Spaans of Frans aanbiedt en in het vrije deel Papiaments en Duits.

Voor alle drie schoolsoorten wordt bepaald dat het bevoegd gezag vakken en andere programmaonderdelen kan aanwijzen die in het vrije deel door alle leerlingen moeten worden gevolgd. Deze bepaling maakt mogelijk dat bijvoorbeeld Spaans door alle leerlingen verplicht wordt gevolgd.

Artikelen 19 tot en met 25

De WVO BES voorziet in de mogelijkheid om de basisberoepsgerichte leerweg mede in te richten als leer-werktrajecten. Aangezien deze mogelijkheid niet voorkomt in de Landsverordening voortgezet onderwijs, wordt niet voorzien in overgangsrecht.

Het wetsvoorstel voor een Wet educatie en beroepsonderwijs BES voorziet in de instelling van een Raad onderwijs arbeidsmarkt. Deze Raad is werkzaam ten behoeve van de BES-eilanden. De taken van deze Raad stemmen grotendeels overeen met die van de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven die op grond van artikel 1.5.1. van de Wet educatie en beroepsonderwijs in het Europese deel van Nederland werkzaam zijn. Een verschil met de taken van deze kenniscentra is de opdracht aan de Raad om voorstellen te doen aan de minister inzake het ontwikkelen van beroepsopleidingen die relevant zijn voor de regionale arbeidsmarkt van de openbare lichamen.

Artikelen 26 en 27

Deze artikelen komen overeen met de artikelen 10b8 en 10b9 van de WVO.

Artikel 30, 31 en 32

Op de BES-eilanden zijn geen regionale verwijzingscommissies werkzaam; zij worden ook niet ingesteld. Daarom wordt aan het bevoegd gezag opgedragen om de door het bevoegd gezag gehanteerde indicatieprocedure tot toelating tot het leerwegondersteunend onderwijs en het praktijkonderwijs te baseren op erkende testen en toetsen. Daarbij wordt gedacht aan testen en toetsen die jaarlijks vanwege het Ministerie van OCW worden vastgesteld op voorstel van de landelijke vereniging van regionale verwijzingscommissies.

Artikelen 33, 34, 35, 36 en 37

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van artikelen 11a, 11b, 11c, 11d en 11f van de WVO.

Artikel 38

In het derde lid van dit artikel worden de vier profielen genoemd die een school in de periode van voorbereidend hoger onderwijs kan verzorgen. In dat derde lid wordt tevens nadrukkelijk bepaald dat de school een keuze kan maken uit deze profielen, zelfs het aanbieden van één profiel behoort tot de mogelijkheden. Deze beperking is geen onderdeel van de WVO. Zij is ingegeven door het geringe aantal leerlingen dat naar verwachting aan dit onderwijs zal deelnemen, hetgeen het verplicht aanbieden van alle profielen ernstig zou bemoeilijken.

Artikelen 39, 40, 41, 42 en 43

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van artikelen 13, 14, 15, 17 en 20 van de WVO.

Artikel 44

De inhoud van dit artikel komt overeen met de inhoud van artikel 21 van de WVO, met dien verstande dat een verduidelijking is opgenomen aan te sluiten bij de systematiek van de Wet administratieve rechtspraak BES.

Artikelen 45, 47, 48 en 49

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van artikelen 22, 23a, 23b en 23c van de WVO.

Artikel 46

Dit artikel regelt dat de tijd op een andere school of bij het expertisecentrum onderwijszorg meetelt als schooltijd in het voortgezet onderwijs. Hiermee is het artikel aangepast aan het zorgsysteem dat op de BES geldt. Ook bevat het artikel de grondslag voor het vaststellen van begin en einde van de vakanties.

Artikelen 50 en 51

Artikel 50 regelt de minimuminhoud van het schoolplan waarin het beleid met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs in de school wordt beschreven. Het vierde lid noemt een aantal onderwerpen op het beleidsterrein van bewaking en verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. Aan deze opsomming wordt toegevoegd «maatregelen om een goede zorgstructuur te waarborgen». Daarvoor is aanleiding nu in het wetsvoorstel WVO BES in artikel 68, eerste lid, de bepaling is opgenomen dat de bevoegde gezagsorganen van de scholen die samenwerken in een samenwerkingsverband, gezamenlijk jaarlijks een eilandelijk zorgplan opstellen. De schooleigen accenten en activiteiten worden op deze wijze helder gemaakt.

Eveneens wordt bovenvermelde toevoeging opgenomen in artikel 51, dat over de schoolgids gaat. Op die wijze worden ouders en verzorgers jaarlijks geïnformeerd over het zorgbeleid.

Artikelen 52, 53, 54 tot en met 56, 59 en 60

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van artikelen 24b, 24c, 24d tot en met 24e1, 24f en 24g van de WVO.

Artikel 57 en 58

Omdat de Wet medezeggenschap op scholen niet op de BES van toepassing wordt verklaard, wordt in de WVO BES voorzien in een eenvoudige medezeggenschapsstructuur waarin ouders, leerlingen en personeel ten minste twee maal per jaar overleg voeren met het bevoegd gezag over de algemene gang van zaken in de school. De medezeggenschapsraad komt ook samen als daarom wordt verzocht door de vertegenwoordigers tezamen (artikel 58 van de WVO BES).

In artikel 57 van de WVO BES wordt de samenstelling van de medezeggenschapsraad geregeld, dit artikel komt grotendeels overeen met artikel 3 van de Wet medezeggenschap op scholen.

Artikelen 61 en 72, zesde lid

Artikel 61 geeft aan de minister de mogelijkheid om – na verzoek – goed te keuren dat de inrichting van het onderwijs afwijkt van het aantal onderwijskundige voorschriften. Met de term «bijzondere inrichting» wordt niet alleen gedoeld op onderwijs aan leerlingen die in een bijzondere omstandigheid verkeren, maar ook op bijzondere methodieken en op experimenten. Gelet op het aantal artikelen waarnaar dit artikel 61 verwijst, ontstaat daarmee ruimte voor scholen om «eigen» accenten te geven aan het onderwijs dat wordt verzorgd. Het zesde lid van artikel 72 bepaalt dat de bijzondere inrichting van het onderwijs ook kan leiden tot aanpassingen in het eindexamen dat met die bijzondere inrichting rekening houdt.

Voor een goede overdracht van kennis is begrip, en dus ook begrijpelijke taal een essentieel vereiste. Gelet op de eigen situatie op de BES-eilanden als het om taal gaat, worden daarom in dit wetsvoorstel WVO BES op de hoofdregel dat het Nederlands de instructietaal is, in een aantal artikelen uitzonderingen mogelijk gemaakt. Artikel 61 en de laatste volzin van 72, zesde lid, leiden er toe dat ten aanzien van het gebruik van een andere taal dan het Nederlands maatwerk mogelijk is, per schoolsoort en per vak, tijdens de leerjaren en bij de eindexamens, blijvend dan wel in de tijd beperkt. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen zal de minister gebruik maken van zijn bevoegdheid om op aanvraag van het bevoegd gezag toe te staan dat een andere instructietaal wordt gebruikt.

Artikel 62

De inhoud van dit artikel komt overeen met de inhoud van artikel 25a van de WVO.

Artikel 63

Dit artikel regelt dat de ouders en de school afspraken maken over de vormgeving van het onderwijs dat de leerling met een specifieke onderwijsbehoefte zal krijgen. Deze afspraken komen in een handelingsplan dat de instemming behoeft van de ouders. In het handelingsplan zal onder andere aangegeven worden hoe het expertisecentrum onderwijszorg ingezet zal worden.

Artikel 64

De inhoud van dit artikel komt overeen met de inhoud van artikel 27 van de WVO.

Artikel 65

De gegevens waarover de burgerlijke stand beschikt, omvatten een uniek nummer voor elke leerplichtige leerling, dat is het persoonsgebonden nummer BES. Dit nummer wordt met andere gegevens bij inschrijving van een leerling overgelegd. Indien een dergelijk nummer niet kan worden overgelegd, meldt het bevoegd gezag dat aan de minister, deze maakt dan het (reeds eerder) toegekende nummer aan de school bekend. Indien aan de minister blijkt dat geen persoonsgebonden nummer BES werd verstrekt, dan kent de minister aan de leerling een persoonsgebonden onderwijsnummer toe. Dat nummer wordt in de administratie van de school opgenomen zolang geen persoonsgebonden nummer BES dat onderwijsnummer kan vervangen. Doet deze laatste situatie zich voor, dan meldt het bevoegd gezag dat aan de minister, onder vermelding van de beide nummers.

Artikel 66

De inhoud van dit artikel komt overeen met artikel 28 van de WVO zoals dat luidde vóór inwerkingtreding van de Wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Leerplichtwet 1969, de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met onder meer het vereenvoudigen van de procedure voor verzuimmelding. Doel van die wet was om de procedure van verzuimmelding door scholen aan gemeenten te vereenvoudigen, door de toenmalige Informatie Beheer Groep (sinds het intrekken van de Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank, is dit de minister) in de informatie-uitwisselingsketen in te voegen. Op de BES is deze tussenstap echter onnodig, omdat leerlingen van scholen in principe alleen in hetzelfde openbaar lichaam woonachtig zijn als waarin de school gevestigd is. Scholen hebben dan ook niet, zoals in het Europese deel van Nederland, te maken met verschillende gemeenten waar leerlingen vandaan komen en waar verzuim van leerlingen gemeld moet worden. Om die reden is ervoor gekozen om de melding van zowel verwijdering als verzuim van niet-leerplichtige leerlingen rechtstreeks aan het bestuurscollege te doen. Op deze manier wordt tevens bewerkstelligd dat de bestuurscolleges beschikken over de gegevens van schoolverlaters die voor de sociale kanstrajecten in aanmerking komen.

Artikel 67

Doel van het in dit artikel genoemde samenwerkingsverband is om leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte deel te laten nemen aan het voortgezet onderwijs en zodoende een goede aansluiting tussen basisonderwijs en voortgezet onderwijs te bewerkstelligen. Het achterliggende doel van deze constructie is om, indien dat haalbaar blijkt, ook voor deze leerlingen aansluiting met opvolgende schoolsoorten te realiseren. De vorm van een dergelijk samenwerkingsverband is niet geregeld, de opzet ervan wordt aan de deelnemende bevoegde gezagsorganen overgelaten. Het staat hen vrij om als samenwerkingsverband een rechtspersoon op te richten. Indien deze rechtspersoon geschikt is de taken van het expertisecentrum onderwijszorg uit te voeren, kan de minister deze rechtspersoon op verzoek aanwijzen als een expertisecentrum onderwijszorg (artikel 69, eerste lid).

In het samenwerkingsverband nemen nadrukkelijk ook een of meer scholen voor basisonderwijs deel, daarmee wijkt het onderhavige voorstel af van de regeling in de WVO.

Het vijfde lid van dit artikel legt de verplichting neer om een geschillenregeling vast te stellen met het oog op het beslechten van geschillen tussen deelnemende organisaties die kunnen ontstaan over aangelegenheden die het samenwerkingsverband aangaan.

Zie verder de toelichting in paragraaf 2.10 onder «Samenwerkingsverband».

Artikel 68

Dit artikel geeft aan dat de bevoegde gezagsorganen van de scholen en instellingen die samenwerken in een samenwerkingsverband samen met het expertisecentrum onderwijszorg jaarlijks een eilandelijk zorgplan moeten opstellen. In dit zorgplan worden onder andere de activiteiten, de beoogde resultaten en de procedures om de resultaten te bereiken, neergelegd.

Zie verder de toelichting in paragraaf 2.10 onder «Eilandelijk zorgplan».

Artikel 69

De taak van het expertisecentrum is ruim geformuleerd: «het biedt deskundige ondersteuning aan leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte». Voor deze ruime formulering is gekozen omdat deze specifieke onderwijsbehoefte heel verschillend van aard kan zijn. De deskundige ondersteuning wordt op de aard van die behoefte afgestemd.

Uit de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag voor adequaat onderwijs voor zijn leerling gedurende het verblijf in dit centrum vloeit voort dat dit bevoegd gezag een ander bevoegd gezag naar redelijkheid compenseert indien laatstgenoemden kosten maken voor deze leerling in het kader van die verantwoordelijkheid. Deze kosten hoeven pas te worden gecompenseerd indien dit naar het oordeel van het samenwerkingsverband nodig is. Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien een ander bevoegd gezag een bevoegde leraar ´uitleent´ die onderwijs geeft binnen het expertisecentrum onderwijszorg (zie het derde lid juncto het vierde lid).

De verantwoordelijkheid van de school voor de leerling gedurende verblijf in expertisecentrum, laat onverlet dat het bestuur van het expertisecentrum en het daar werkzame personeel ieder hun eigen professionele verantwoordelijkheid hebben voor de inhoud en wijze van uitoefening van hun taak. Daaruit vloeit voort dat het bestuur van het expertisecentrum een klachtenregeling maakt die aan dezelfde eisen voldoet en voor hetzelfde doel is geschreven als de regeling die voor scholen geldt. Daarom is artikel 52 van overeenkomstige toepassing verklaard.

Zie verder de toelichting in paragraaf 2.10 onder «Tweedelijnszorg in het expertisecentrum onderwijszorg».

Artikelen 70 en 71

Zie voor de toelichting op deze artikelen paragraaf 2.10 onder «Toezicht op overige taken van het expertisecentrum onderwijszorg».

Artikelen 72 tot en met 76

Deze artikelen geven regelingen voor de eindexamens die kunnen worden afgenomen aan de verschillende scholen van voortgezet onderwijs. Het gaat om procedurevoorschriften, voorschriften over de inhoud van de examens en over modellen en inhoud van diploma’s, getuigschriften en verklaringen.

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van artikelen 29, 29a, 30, 30a en 31 van de WVO.

Artikelen 77, 78 en 79

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van artikelen 32, 32b1 en 32c van de WVO.

Artikelen 80 tot en met 90

De inhoud van deze artikelen komt grotendeels overeen met de inhoud van de artikelen 33 tot en met 28 van de WVO, maar wijkt op een aantal punten af:

Een van de vereisten voor elke benoeming in het onderwijs is het overleggen van een geldige verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Omdat op de BES-eilanden een «eigen» wet gaat gelden, de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES, moet die verklaring op grond van deze laatste wet zijn afgegeven. Vereist is ook een getuigschrift waaruit blijkt dat is voldaan aan de bekwaamheidseisen.

Met betrekking tot dit getuigschrift wordt opgemerkt dat een leraar die thans bevoegd is naar Nederlands-Antilliaans recht om onderwijs te geven op de eilanden, na de inwerkingtreding van artikel 210 bevoegd blijft tot het geven van onderwijs aldaar. Dat geldt dus voor een leraar die op dat tijdstip een aanstelling heeft en iedere andere persoon die in het bezit is van een dergelijke onderwijsbevoegdheid, ongeacht of op grond van die bevoegdheid eerder les werd gegeven.

Deze leraren zijn echter waarschijnlijk niet bevoegd voor het geven van onderwijs aan scholen in het Europese deel van Nederland omdat daarvoor de bevoegdheidsregels van de WVO gelden. Er zal worden onderzocht of het mogelijk gemaakt kan worden het volgen van aanvullende opleidingen op de eilanden mogelijk te maken.

In het overgangsrecht wordt mogelijk gemaakt dat studenten die een opleiding volgen die leidt tot een getuigschrift naar Nederlands-Antilliaans recht, aan dat getuigschrift een bevoegdheid kunnen ontlenen om onderwijs te geven op de BES-eilanden, indien dat getuigschrift is afgegeven binnen 5 jaar na de inwerkingtreding van artikel 212.

Artikel 90

Voor de rechtspositie van het personeel dat werkzaam is op een openbare school op de BES gelden de bepalingen uit de Wet materieel ambtenarenrecht BES en de daarop berustende bepalingen rechtstreeks. Dit personeel is immers ambtenaar in de zin van de Wet materieel ambtenarenrecht BES. Omdat deze regelgeving niet ziet op het personeel van een bijzondere school op de BES, bepaalt dit artikel dat deze regelgeving van overeenkomstige toepassing is op het personeel van een bijzondere school.

De bepalingen uit de Wet materieel ambtenarenrecht BES en de daarop berustende bepalingen zijn niet (direct) van toepassing verklaard, omdat de aard van sommige artikelen die gelden voor ambtenaren zich daartegen kan verzetten. Zo is de bepaling dat een ambtenaar de eed of belofte moet afleggen niet relevant voor het personeel van een bijzondere school.

Artikel 91

De eis van het Nederlanderschap uit de Wet materieel ambtenarenrecht BES geldt niet voor het personeel van een school, omdat nationaliteit geen rol speelt bij de werkzaamheden op een school.

Artikelen 92, 93, 94 en 95

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van artikelen 39, 39a, 39c en 41 van de WVO.

Artikel 96

Om recht te doen aan de maatschappelijke en culturele omgeving waarin de leerlingen op de BES-eilanden opgroeien, is in het eerste lid opgenomen dat het openbaar onderwijs bijdraagt aan de ontwikkeling van leerlingen met aandacht voor waarden zoals die leven zowel in de Nederlandse als in de Caribische samenleving. Voor de toevoeging «en de Caribische» is gekozen omdat een overgroot deel van de leerlingen hun arbeidszaam en maatschappelijk leven in deze omgeving zal doorbrengen.

Artikelen 97, 98, 99, 101, 102 en 103

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van artikelen 42a, 42b, 42c, 44, 46 en 47 van de WVO met dien verstande dat de mogelijkheid uit artikel 42a van de WVO om een openbare rechtspersoon in te stellen door meer dan één gemeente niet is overgenomen. Op de BES zal er geen sprake zijn van een openbare school die in stand wordt gehouden door meerdere openbare lichamen. Dat is gelet op de afstand tussen deze eilanden niet realistisch en niet wenselijk.

Artikel 100

In afwijking van de hoofdregel uit artikel 92 bepaalt dit artikel dat niet het bevoegd gezag over het opleggen van een disciplinaire straf of schorsing dan wel het verlenen van ontslag gaat, maar de Rijksvertegenwoordiger. Deze uitzondering geldt alleen indien een directeur, een adjunct-directeur of een ander lid van het onderwijzend personeel van een openbare school lid is van de eilandsraad die de school in stand houdt.

Artikelen 104, 105 en 106

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van artikelen 48, 49 en 50 van de WVO.

Artikel 107

Dit artikel omvat eisen waar de akte van benoeming aan moet voldoen. De akte van benoeming heeft betrekking op bijzonder onderwijs terwijl de schriftelijke aanstelling behoort tot het openbaar onderwijs. Op de schriftelijke aanstelling ziet artikel 11 van de Wet materieel ambtenarenrecht BES. Het tweede lid van artikel 107 bepaalt dat de akte van benoeming ten minste van gelijke inhoud moet zijn als de bepalingen die zijn vastgesteld in artikel 11 van de Wet materieel ambtenarenrecht BES.

Artikelen 108 en 109

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van de artikelen 53a en 53c van de WVO.

Artikelen, 110 en 111

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van artikelen 54 en 55 van de WVO.

Artikelen 112 tot en met 115

Deze artikelen regelen de zogenaamde aanwijzing van niet uit de openbare kas bekostigde bijzondere scholen. Scholen die zijn genoemd in artikel 112 en die niet uit de openbare kas worden bekostigd, kunnen door de minister worden aangewezen als bevoegd tot uitreiking van het (eindexamen)diploma. Artikel 113 bepaalt de vereisten waaraan een school moet voldoen om voor aanwijzing in aanmerking te komen. Een aanwijzing kan ook worden ingetrokken, bijvoorbeeld indien misbruik is gemaakt van de aanwijzing of indien de indien de aangewezen school niet langer voldoet aan de formele criteria die gelden voor een reguliere school waarmee de desbetreffende school door de aanwijzing gelijk wordt gesteld.

Artikel 116

De inhoud van dit artikel komt overeen met de inhoud van artikel 60 van de WVO. De taken van het College voor examens, die geregeld worden in de Wet College voor Examens, worden uitgebreid naar de BES-eilanden.

Artikel 117

Dit artikel geeft de basis voor de bekostiging uit ’s Rijks kas van de andere vormen van voortgezet onderwijs, bedoeld in artikel 6, onderdeel e. Het artikel geeft ook een grondslag voor nadere regelgeving bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, waarbij kan worden afgeweken van de WVO BES en de daaronder hangende besluiten en ministeriële regelingen. Van deze grondslag zal gebruik gemaakt worden om het onderwijs zoals dat voorlopig op Saba zal worden gegeven, te regelen.

Artikelen 118 tot en met 122

Deze artikelen regelen onder meer de stichting van nieuwe scholen.

Op elk van de eilanden is thans een uit de openbare kas bekostigde school voor voortgezet onderwijs gevestigd. Die scholen zijn algemeen toegankelijk, zij zijn materieel openbaar. Indien blijkt dat er bij ouders een behoefte aan formeel openbaar onderwijs aanwezig is, en eveneens blijkt dat daarvoor een voldoende potentieel aan leerlingen aanwezig is, dan is de eilandsraad verplicht een voorziening voor openbaar onderwijs te stichten. Is de eilandsraad daarin nalatig, dan kan de rijksvertegenwoordiger en in laatste instantie de minister de eilandsraad opdracht geven een dergelijke school op te richten.

Het tweede lid van artikel 64 van de WVO niet is overgenomen. Dit artikellid geeft aan dat artikel 4:32 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is op de bekostiging van scholen. Aangezien de subsidiesystematiek, bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht, niet geldig is op de BES, is dit lid niet overgenomen in artikel 119 van de WVO BES.

Zie voor de toelichting op artikel 118 paragraaf 2.6 onder «Nieuwe scholen».

Artikel 123

Dit artikel, dat ten dele overeen komt met artikel 16 van de WVO, regelt de nevenvestigingen van scholen op de BES. Nevenvestigingen liggen binnen de grenzen van het openbaar lichaam, en komen tot stand door een samenvoeging van scholen of door de vorming van een nieuwe nevenvestiging, voor zover dat binnen de lumpsumbekostiging van een school te realiseren valt. De vorming van nieuwe nevenvestigingen wordt beperkt door de huisvesting, die door het eilandsbestuur ter beschikking moet worden gesteld.

Artikel 124

Dit artikel komt grotendeels overeen met artikel 71 van de WVO, met dien verstande dat de beperking ten aanzien van het voedingsgebied niet over is genomen. Voor de BES geldt dat ieder openbaar lichaam wordt gezien als één voedingsgebied.

Aan dit artikel is een onderdeel toegevoegd waarin wordt geregeld dat een school of scholengemeenschap die ontstaat door afsplitsing, voor bekostiging in aanmerking kan worden gebracht. Dit onderdeel wordt overgenomen uit artikel 72 van de WVO, dat voor de rest wordt geschrapt omdat op de BES geen sprake zal zijn van regionale samenwerking (zie ook paragraaf 2.6 onder «Geen regionaal plan onderwijsvoorzieningen).

Artikelen 125 en 127

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van artikel 74 en 76 van de WVO.

Artikelen 126, 186 en 191

Op het door de Wet administratieve rechtspraak BES geïntroduceerde beroep in twee instanties wordt in deze artikelen een uitzondering gemaakt. Deze artikelen bepalen dat (rechtstreeks) beroep bij het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba mogelijk is in verband met de spoedeisendheid die de in deze artikelen genoemde besluiten vergen. Beroep bij het Gerecht van eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt dus overgeslagen.

Artikelen 128 tot en met 130

Zie voor de toelichting op deze artikelen paragraaf 2.7 onder «Voorzieningen voor de huisvesting in de WVO BES».

Artikelen 131 tot en met 137

Zie voor de toelichting op deze artikelen paragraaf 2.7 onder «Aanvraag- en toekenningsprocedure huisvestingsvoorzieningen op grond van de WVO BES».

Artikelen 138 tot en met 142 en 144

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van de artikelen 76n tot en met 76r en 76t van de WVO.

Artikelen 143 en 145

De inhoud van deze artikelen komt grotendeels overeen met de inhoud van de artikelen 76s en 76u van de WVO. In het eerste en vierde lid van artikel 146 en het elfde lid van artikel 148 wordt verwezen naar afdelingen en artikelen uit Boek 7 van het Europees Nederlands Burgerlijk Wetboek, omdat het Burgerlijk Wetboek BES geen vergelijkbare bepalingen kent.

Artikelen 146 en 147

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van de artikelen 76v en 76w van de WVO.

Artikel 148

In dit artikel is de hoofdregel neergelegd dat de kosten van openbare en bijzondere scholen voor voortgezet onderwijs worden vergoed door het Rijk met inachtneming van hetgeen geregeld is in afdeling II, en dat bijzondere en openbare scholen dezelfde aanspraken op bekostiging hebben. Daarnaast bevat het artikel in het derde lid grondslag voor afwijkende bekostigingsregels.

Artikel 149

Zie voor de toelichting op dit artikel paragraaf 2.10 onder «Eerstelijnszorg binnen de school».

Artikel 150

Zie voor de toelichting op dit artikel paragraaf 2.10 onder «Subsidie aan het expertisecentrum onderwijszorg».

Artikel 151

De inhoud van dit artikel komt overeen met de inhoud van artikel 78 van de WVO.

Artikelen 152, 154 en 155

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van artikel 84, 85 en 85a van de WVO.

Artikel 153

Dit artikel bevat de grondslag voor de bekostiging van kosten voor personeel in verband met voorschriften die worden gegeven bij of krachtens de Wet materieel ambtenarenrecht BES. De Wet materieel ambtenarenrecht BES en de onderliggende regelgeving omvat gelijksoortige voorschriften als de voorschriften, bedoeld in artikel 84b van de WVO. Te denken valt aan voorschriften over de kosten voor vervanging van personeel, wachtgeld of andere uitkeringen.

Artikel 156 en 157

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van artikel 86 en 89 van de WVO.

Artikel 158 tot en met 162

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van artikel 96c.1 tot en met 96hvan de WVO.

Artikelen 163 en 164

Dit artikel bepaalt de procedure waarmee de bedragen worden vastgesteld waarmee het openbaar lichaam de Rijksvergoeding heeft overschreden. Ook geeft dit artikel de berekeningswijze van het percentage van de overschrijding ten opzichte van de Rijksvergoeding.

Artikel 164 regelt vervolgens hoe het bedrag moet worden vastgesteld waarop een bijzondere school aanspraak heeft in het kader van de overschrijdingsregeling.

Artikel 165

In het vierde lid van dit artikel is de mogelijkheid van administratief beroep bij de Rijksvertegenwoordiger geregeld op besluiten van het bestuurscollege in het kader van de overschrijdingsregeling.

Dit artikel bevat voorschriften over de betaling van bekostiging door middel van voorschotten. Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 96k van de WVO, zoals het luidde vóór de wijziging van artikel 96k van de WVO door de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht. Aangezien al uit de Algemene wet bestuursrecht voortvloeit dat gebruik mag worden gemaakt van voorschotten, hoefde dit niet meer opgenomen te worden in artikel 96k van de WVO. De Algemene wet bestuursrecht zal niet gelden op de BES en in de Wet administratieve rechtspraak BES staan dergelijke bepalingen over voorschotten niet. Daarom is de «oude» WVO- formulering van de tekst overgenomen in artikel 165 van de WVO BES.

Artikel 166

De inhoud van dit artikel komt overeen met de inhoud van artikel 96m van de WVO.

Artikel 167

Op grond van dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gegeven over de aftrekposten bekostiging voor de uitgaven van het personeel. Dit artikel is meer algemeen geformuleerd dan artikel 96n van de WVO, omdat de Wet materieel ambtenarenrecht BES van toepassing wordt op het personeel van een openbare school en van overeenkomstige toepassing op het personeel van een bijzondere school. Zie ook de toelichting op artikel 90.

Artikel 168 tot en met 170

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van artikel 96r tot en met 96s van de WVO.

Artikel 171

De inhoud van dit artikel komt overeen met de inhoud van artikel 97 van de WVO.

Artikelen 172 en 173

In dit artikel worden de bestedingsmogelijkheden van de bekostiging geregeld. Het artikel lijkt voor een groot deel op artikel 99 van de WVO, maar de in het vijfde lid van artikel 172 van de WVO BES gegeven opsomming van bestedingsmogelijkheden is aangepast met het oog op het zorgsysteem dat op de BES-eilanden wordt geïntroduceerd.

De bekostiging moet worden besteed aan het onderwijs aan de school. In enkele gevallen is een bredere of andere besteding mogelijk, de opsomming daarvan in dit artikel is uitputtend.

Van het Rijk ontvangen middelen mogen niet worden gebruikt ten behoeve van contractactiviteiten; deze activiteiten dienen volledig in rekening te worden gebracht bij de derde partij waarvoor ze worden verricht.

Artikelen 174 tot en met 185 en 187

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van artikelen 102a tot en met 104a en 106 van de WVO.

Artikel 188

De voorwaarden voor beëindiging van de bekostiging van bijzondere scholen en van opheffing van openbare scholen zijn gekoppeld aan leerlingenaantallen. Het artikel moet gelezen worden in samenhang met artikel 119, dat de criteria bevat voor de aanvang van de bekostiging van het bijzonder onderwijs dan wel voor stichting in het openbaar onderwijs.

Zie voor de toelichting van dit artikel verder in paragraaf 2.6 onder «Opheffing van scholen».

Artikel 189

Artikel 189 bevat bepalingen die de toepassing van artikel 189 nader invullen. Hier wordt ook geregeld dat de minister kan toestaan dat een school in stand wordt gehouden of bekostiging behoudt ook al is het aantal leerlingen minder, dan in artikel 188 is vermeld. Naar verwachting zal de minister voor de scholen BES-eilanden regelmatig gebruik maken van deze bevoegdheid.

Artikel 190 en 192

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van artikelen 110a en 112 van de WVO.

Artikelen 66, 193, 194 en 195

Artikel 62 omschrijft de inhoud van het begrip «voortijdig schoolverlater». In samenhang bezien, bevatten deze artikelen het beleid ten aanzien van de bestrijding van de «drop out» problematiek van leerlingen die niet meer leerplichtig zijn en niet op de arbeidsmarkt zijn toegetreden. Een centrale rol in dit beleid wordt opgedragen aan het bestuurscollege van elk van de BES-eilanden, dat tot taak heeft om voortijdige schoolverlaters in beeld te houden en weer terug te brengen naar onderwijs, al dan niet in combinatie met werk. Hoewel elk bestuurscollege afzonderlijk de opdracht heeft om gegevens over voortijdige schoolverlaters te registreren, draagt artikel 194 de bestuurscolleges nadrukkelijk op om bij de uitoefening van deze taak samen te werken door uit hun midden een contacteiland aan te wijzen ter vervulling van coördinerende taken. Wat deze taken zijn, is opgesomd in het vierde lid van artikel 194. Anders dan in het Europese deel van Nederland, wordt de openbare lichamen niet opgedragen om zorg te dragen voor de totstandkoming van een regionaal netwerk. Uit de opdracht in het derde lid van artikel 194 om samen te werken, volgt namelijk automatisch dat de drie openbare lichamen één regio vormen waarin de afspraken met scholen, instellingen en organisaties worden gemaakt.

Teneinde het belang en de resultaatgerichtheid van de taken op het gebied van de bestrijding van voortijdig schoolverlaten te benadrukken, wordt aan de eilandraden opgedragen streefcijfers vast te stellen voor de te behalen resultaten. Het bestuurscollege van het contacteiland neemt streefcijfers en behaalde resultaten op in een jaarlijkse effectrapportage. Deze effectrapportage wordt aan de minister gezonden, die opdracht staat in artikel 195. In dat artikel staat ook de opdracht tot het verstrekken van aanvullende inlichtingen die bijdragen aan evaluatie en het formuleren van beleid ter zake van voortijdig schoolverlaten van niet-leerplichtigen.

Om de afzonderlijke eilanden tegemoet te komen bij het formuleren en uitvoeren van een beleid ter bestrijding van voortijdig schoolverlaten, wordt in artikel 214 voorzien in een overgangsperiode, gedurende welke de eilanden nog niet verplicht worden om samen te werken in een regionaal netwerk. Tijdens de eerste jaren wordt ieder bestuurscollege afzonderlijk opgedragen een beleid op te stellen, afspraken te maken met scholen, instellingen en arbeidsmarktorganisaties, en een jaarlijkse effectrapportage aan de minister te sturen. De vergoeding voor de taken op het gebied van de bestrijding van voortijdig schoolverlaten zal dan ook niet via een specifieke uitkering aan het contacteiland lopen, maar rechtstreeks uit het BES-fonds aan de openbare lichamen worden gedaan.

Artikel 196 tot en met 205

De inhoud van deze artikelen komt overeen met de inhoud van de artikelen 118j tot en met 118s van de WVO.

Artikel 206

Dit artikel regelt de overgang van het examensysteem zoals neergelegd in de Landsverordening voortgezet onderwijs, naar de systematiek van de WVO BES. Het nieuwe systeem zal met ingang van 1 augustus van het eerste schooljaar na de transitie van toepassing worden op het eerste leerjaar van scholen voor voortgezet onderwijs. In de jaren daarna wordt het successievelijk van toepassing op de daaropvolgende leerjaren. De leerlingen die voor het eerst worden toegelaten tot het eerste leerjaar, zullen dan ook als eerste volgens de nieuwe bepalingen eindexamen doen. De leerlingen die vóór 1 augustus volgende op de transitiedatum reeds in het eerste leerjaar zitten, zullen het onderwijs blijven volgen zoals dat geregeld is in de Landsverordening voortgezet onderwijs. Deze leerlingen zullen in ieder geval nog de mogelijkheid krijgen om eindexamen of landsexamen te doen zoals bedoeld in de Landsverordening voortgezet onderwijs.

Artikel 207

Dit artikel regelt de overgang van de aanspraak op bekostiging op het tijdstip van de inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen. Scholen in de zin van de Landsverordening voortgezet onderwijs die tot dat tijdstip bekostigd werden, behouden de aanspraak daarop op grond van de WVO BES vanaf dat tijdstip. In dit artikel wordt de Saba Comprehensive School aangemerkt als inrichting voor voortgezet onderwijs. Deze aanduiding heeft een tijdelijk karakter: op een later tijdstip zal de school worden aangemerkt als school waarin voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 6, onderdelen a tot en met d, zal worden verzorgd. Op dat moment zal worden bezien of het een school of een scholengemeenschap betreft.

Artikel 208

Zo lang de Saba Comprehensive school is aangemerkt als inrichting voor voortgezet onderwijs, zullen de bepalingen over voorzieningen in de huisvesting van overeenkomstige toepassing zijn op deze school. Op het moment dat de school wordt aangemerkt als een school als bedoeld in artikel 6, onderdelen a tot en met d, zal de school automatisch onder de reikwijdte van afdeling II van titel III vallen, omdat dan de beperking in de reikwijdte, waarin artikel 128 voorziet, niet meer school van toepassing is.

Artikel 209

Dit artikel voorziet in een overgangstraject naar de lumpsumbekostiging die ook in het Europese deel van Nederland wordt gehanteerd. Gedurende de eerste jaren na de inwerkingtreding van de bepalingen over bekostiging zal de hoogte van de bekostiging worden berekend door het aantal leerlingen van een school te vermenigvuldigen met een jaarlijks bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag. Bij ministeriële regeling zullen verdere regels worden uitgewerkt, om een soepele overgang van declaratiebekostiging naar lumpsumbekostiging mogelijk te maken.

Zie verder de toelichting in paragraaf 2.6.

Artikelen 210 tot en met 213

Artikel 210 regelt dat leraren die in het bezit zijn van een onderwijsbevoegdheid op grond van Antilliaanse wet- en regelgeving, bevoegd blijven voor het onderwijs op de BES-eilanden. Deze regeling heeft betrekking op zowel zittende leraren als herintreders, alsook op personen die nog niet eerder in het onderwijs werkzaam waren.

Artikel 211 bepaalt dat onbevoegde leraren gedurende een periode van 5 jaar na de inwerkingtreding van dat artikel onderwijs mogen blijven verzorgen.

Artikel 212 bepaalt dat personen die voor de inwerkingtreding van dat artikel zijn begonnen met een opleiding leidend tot een bevoegdheid op grond van de Landsverordening voortgezet onderwijs, na het behalen van deze bevoegdheid binnen 5 jaar daarna, hun bevoegdheid behouden op grond van de WVO BES.

Artikel 213 regelt dat benoeming in een leidinggevende functie mogelijk blijft voor personen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van dat artikel in het bezit zijn van een onderwijsbevoegdheid op grond van de Landsverordening voortgezet onderwijs.

Zie ook paragraaf 2.9 van deze toelichting.

Artikel 214

Zie de artikelsgewijze toelichting bij de artikelen 193 tot en met 195.

Artikel 215

Het is altijd mogelijk dat zich situaties voordoen waarbij het onduidelijk is of de Wet voortgezet onderwijs BES wel van toepassing is. In dat geval is het aan de Kroon om hierover een beslissing te nemen.

Artikelen 216 en 217

Het eerste lid van artikel 216 verbiedt het geven van onderwijs in gebouwen en op terreinen die daarvoor ongeschikt zijn bevonden door de inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid. Deze formulering is ruimer dan die in artikel 216, eerste lid, van de WVO, die deze taak van de inspecteur beperkt tot het keuren van lokalen. De formulering is overgenomen uit de artikel 30, tweede lid, van de Landsverordening voortgezet onderwijs. Het artikel bepaalt de minimumeisen waaraan gebouwen en terreinen dienen te voldoen Deze voorschriften dienen de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de leerlingen. Omdat de verbeterplannen waaraan thans uitvoering wordt gegeven, ook nadrukkelijk betrekking hebben op de kwaliteit van gebouwen en lokalen, kunnen deze eisen gaan gelden op het tijdstip van de inwerkingtreding van artikel 216. Artikel 217 bepaalt de sanctie die op overtreding kan worden gesteld.

L

Artikel 12.15 (Wet maritiem beheer)

Als gevolg van het overnemen van een aantal bepalingen uit de Wet maritiem beheer BES in de Monumentenwet BES (zie artikel 10.11) dient eerstgenoemde wet in technische zin te worden aangepast.

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Th. B. Bijleveld-Schouten

Bijlage 1 bij de memorie van toelichting

Gefaseerde inwerkingtreding Leerplichtwet BES

Betekenis van de derde tot en met zesde kolom:

  • derde kolom: inwerkingtreding voorzien per 1 januari 2011

  • vierde kolom: inwerkingtreding voorzien per 1 augustus 2011

  • vijfde kolom: inwerkingtreding op korte termijn, afhankelijk van de omstandigheden, maar naar huidig inzicht voorzien een tot anderhalf jaar na 1 januari 2011

  • zesde kolom: inwerkingtreding op langere termijn afhankelijk van de omstandigheden, maar naar huidig inzicht voorzien ongeveer 5 jaar na 1 januari 2011.

Artikel

Inhoud Leerplichtwet BES

1-1-11

1-8-11

kort

lang

§ 1.

Algemene bepalingen

1.

Begripsbepalingen

X

   

2.

Aanwijzing scholen en instellingen

X

   

3.

Scholen als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3

 

X

  

4.

Meerderjarige jongeren

X

   

5.

Maatregelen

 

X

  

§ 2.

Leerplicht

6.

Verantwoordelijke personen

X

   

7.

Begin en einde van de verplichting tot inschrijving

X

   

8.

Vervangende leerplicht

X

   

9.

Vervangende leerplicht laatste schooljaar

X

   

10.

Begin en einde van de verplichting tot geregeld schoolbezoek

X

   

§ 3.

Kwalificatieplicht

11.

Inschrijving

X

   

12.

Begin en einde verplichting tot inschrijving

X

   

13.

De invulling van de verplichting tot geregeld schoolbezoek

X

   

§ 4.

Vrijstellingen

14.

Gronden voor vrijstelling van inschrijving

X

   

15.

Kennisgeving

X

   

16.

Lichamelijke of psychische ongeschiktheid

X

   

17.

Bedenkingen tegen richting van school

X

   

18.

Bezoeken van school buiten een van de openbare lichamen

X

   

19.

Afschrijving

X

   

20.

Gronden voor vrijstelling van geregeld schoolbezoek

X

   

21.

Leeftijd leerling

X

   

22.

Ziekte van leerling

X

   

23.

Plichten voortvloeiend uit godsdienst of levensovertuiging

X

   

24.

Vakantie

X

   

25.

Kennisgeving bij beroep op vrijstelling

X

   

26.

Andere gewichtige omstandigheden

X

   

27.

Vrijstelling wegens het volgen van ander onderwijs

X

   

§ 5.

Toezicht op de naleving van de wet

28.

Leerplichtambtenaren

X

   

29.

Toezicht op de naleving

X

   

30.

Gemeenschappelijke regeling betreffende toezicht

  

X

 

31.

Kennisgeving in- en afschrijvingen

X

   

32.

Controle absoluut schoolverzuim door het bestuurscollege

X

   

33.

Kennisgeving relatief verzuim

X

   

34.

Onderzoek door leerplichtambtenaar

X

   

35.

Overtreding arbeidsverbod

X

   

36.

Bevoegdheden politie

X

   

37.

Jaarverslag openbaar lichaam en verstrekking statistische gegevens

  

X

 

§ 6.

Strafbepalingen

38.

Strafbedreiging verantwoordelijke personen

X

   

39.

Strafbedreiging hoofd

X

   

40.

Overtreding

X

   

§ 7.

Slot- en overgangsbepalingen

41.

Nadere voorschriften

X

   

42.

Oude ontheffingen, vrijstellingen en verzoeken

X

   

43.

Overgangsbepaling scholen waaraan aan leerplicht wordt voldaan

X

   

44.

Citeertitel

X

   

Bijlage 2 bij de memorie van toelichting

Gefaseerde inwerkingtreding Wet educatie en beroepsonderwijs BES

Betekenis van de derde tot en met zesde kolom:

  • derde kolom: inwerkingtreding voorzien per 1 januari 2011

  • vierde kolom: inwerkingtreding voorzien per 1 augustus 2011

  • vijfde kolom: inwerkingtreding op korte termijn, afhankelijk van de omstandigheden, maar naar huidig inzicht voorzien een tot anderhalf jaar na 1 januari 2011

  • zesde kolom: inwerkingtreding op langere termijn afhankelijk van de omstandigheden, maar naar huidig inzicht voorzien ongeveer 5 jaar na 1 januari 2011.

Artikel

Inhoud Wet educatie en beroepsonderwijs BES

1-1-11

1-8-11

kort

lang

Hoofdstuk 1. Algemeen

Titel 1. Definities, aard bepalingen

1.1.1

Begripsbepalingen

X

   

1.1.2

Aard bepalingen beroepsonderwijs

X

   

Titel 2. Doelstellingen onderwijs

1.2.1

Doelstellingen onderwijs

X

   

Titel 3. instellingen voor educatie en beroepsonderwijs

§1. Taken instellingen

1.3.1

Taken instellingen

X

   

§2. Kwaliteitszorg

1.3.2

Kwaliteitszorg (eerste lid)

 

X

  

1.3.2

Kwaliteitszorg (tweede en derde lid)

   

X

§3. Overige voorschriften

1.3.3

Karakter openbaar onderwijs

X

   

1.3.4

Instandhouding instelling

X

   

1.3.5

Verplichting tot overleg en aangifte inzake zedenmisdrijven

X

   

Titel 4. Erkenning beroepsopleidingen en opleidingen educatie

1.4.1

Erkenning beroepsopleidingen

X

   

1.4.2

Erkenning opleidingen educatie

X

   

Titel 5. Raad onderwijs arbeidsmarkt

1.5.1

Raad onderwijs arbeidsmarkt

X

   

1.5.2

Taken Raad onderwijs arbeidsmarkt

X

   

Titel 6. De exameninstellingen

1.6.1

Exameninstellingen

X

   

Hoofdstuk 2. Planning en bekostiging beroepsonderwijs

Titel 1. Planning

2.1.1

Vestiging bekostigingsaanspraak beroepsopleidingen

X

   

2.1.2

Einde bekostiging beroepsopleiding

X

   

Titel 2. Wijze van bekostiging

2.2.1

Rijksbijdrage beroepsonderwijs

X

   

2.2.2

Berekeningswijze

X

   

2.2.3

Aanvullende middelen

X

   

2.2.4

Aftrekposten rijksbijdrage

X

   

2.2.5

Bekendmaking, verstrekking en betaling rijksbijdrage

X

   

Titel 3. Begroting, verslaglegging en gegevensverstrekking

2.3.1

Jaarrekening

X

   

2.3.2

Jaarverslag

  

X

 

2.3.3

Informatie beroepsonderwijs

   

X

2.3.4

Gebruik persoonsgebonden nummer BES door bevoegd gezag

   

X

2.3.5

Verwerking gegevens door Minister

   

X

2.3.6

Gebruik gegevens uit basisregister onderwijs door Minister en inspectie

   

X

2.3.7

Gebruik persoonsgebonden nummer door openbaar lichaam

   

X

2.3.8

Onderzoek vanwege Minister

X

   

2.3.9

Informatieplicht ministeriële deskundige

X

   

2.3.10

Controleprotocol

X

   

2.3.11

Correctie rijksbijdrage; verrekening vorderingen

X

   

Titel 4. Stimuleringsmiddelen voor educatie en beroepsonderwijs en voor afstemming onderwijs-arbeidsmarkt

2.4.1

Bijdrage voor derden

X

   

Titel 5. Beheer van de middelen

2.5.1

Opheffing instellingen

X

   

2.5.2

Beheer van de middelen

X

   

Hoofdstuk 3. Zorgstructuur

3.1

Handelingsplan

 

X

  

3.2

Samenwerkingsverband

 

X

  

3.3

Eilandelijk zorgplan

 

X

  

3.4

Expertisecentrum onderwijszorg

 

X

  

3.5

Subsidie expertisecentrum onderwijszorg

 

X

  

3.6

Toezicht expertisecentrum onderwijszorg

 

X

  

3.7

Taakverwaarlozing door expertisecentrum onderwijszorg

 

X

  

Hoofdstuk 4. Personeel

Titel 1. Personeel van instellingen voor educatie en beroepsonderwijs

4.1.1

Directeur, docenten en onderwijsondersteunend personeel

X

   

4.1.2

Benoeming, schorsing en ontslag

X

   

4.1.3

Formatie

X

   

4.1.4

Rechtspositie personeel van een bijzondere instelling

X

   

4.1.5

Afwijking nationaliteitsvereiste

X

   

4.1.6

Salarissen en toelagen personeel

X

   

4.1.7

Akte van benoeming

X

   

4.1.8

Disciplinaire maatregel, schorsing en ontslag door Rijksvertegenwoordiger

X

   

Titel 2. Vereisten benoeming of tewerkstelling

4.2.1

Vereisten benoeming of tewerkstelling docenten

 

X

  

4.2.2

Belasten met onderwijsondersteunende werkzaamheden

 

X

  

4.2.3

Bekwaamheidseisen

 

X

  

4.2.4

Bekwaamheidsdossier

   

X

4.2.5

Geschiktheidsverklaring zij-instroom in het beroep van docent

   

X

Titel 3. Benoembaarheidsvereiste voor overig personeel van instellingen

4.3.1

Vereiste benoembaarheid overig personeel

 

X

  

Hoofdstuk 5. Medezeggenschap

5.1

Medezeggenschap

  

X

 

Hoofdstuk 6. Het Centraal register beroepsonderwijs BES en de beëindiging van rechten

Titel 1. Het Centraal register

6.1.1

Centraal register

X

   

Titel 2. Beëindiging van rechten; erkenningen beroepsopleidingen en erkenningen opleidingen educatie

6.2.1

Beëindiging van rechten erkenning beroepsopleidingen

X

   

6.2.2

Beëindiging van rechten erkenning opleiding educatie

X

   

6.2.3

Waarschuwing

X

   

6.2.4

Ontneming recht op examinering instellingen; waarschuwing

X

   

6.2.5

Maatregelen

X

   

Titel 3. Ontneming van rechten exameninstellingen

6.3.1

Ontneming van recht op examinering exameninstellingen; waarschuwing

X

   

Hoofdstuk 7. Het onderwijs

Titel 1. Het onderwijs

7.1.1

Taal

 

X

  

7.1.2

Opleidingen en onderwijseenheden

 

X

  

7.1.3

Eindtermen

 

X

  

Titel 2. Het beroepsonderwijs

§1. Reikwijdte

7.2.1

Reikwijdte

 

X

  

§2. Beroepsopleidingen en eindtermen beroepsopleidingen

7.2.2

Onderscheid beroepsopleidingen; niveau; leerwegen

 

X

  

7.2.3

Deelkwalificaties

 

X

  

7.2.4

Kwalificatiestructuur; eindtermen beroepsonderwijs

 

X

  

7.2.5

Beroepsvereisten

 

X

  

7.2.6

Inrichting opleidingen

 

X

  

7.2.7

De beroepspraktijkvorming

 

X

  

7.2.8

Totstandkoming praktijkovereenkomst; vervangende praktijkplaats

 

X

  

7.2.9

Kwaliteitszorgsysteem; beoordeling van praktijkplaatsen

 

X

  

Titel 3. De educatie

7.3.1

Onderscheid opleidingen educatie

 

X

  

7.3.2

Eindtermen opleidingen educatie

 

X

  

7.3.3

Inrichting voortgezet algemeen volwassenenonderwijs

  

X

 

Titel 4. Examens

§1. Examens beroepsopleidingen en opleidingen educatie met uitzondering van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en opleidingen Nederlands als vreemde taal

7.4.1

Reikwijdte

 

X

  

7.4.2

Algemene bepalingen inzake examens

 

X

  

7.4.3

Examens beroepsopleidingen

 

X

  

7.4.4

Centrale examinering onderdelen beroepsopleidingen

 

X

  

7.4.5

Kwaliteitsstandaarden

 

X

  

7.4.6

Examinering door andere instellingen of exameninstellingen

 

X

  

7.4.7

Examencommissie

 

X

  

7.4.8

Bewijsstukken van afgelegde toetsen, examenonderdelen en examens

 

X

  

7.4.9

Onderwijs- en examenregeling

 

X

  

7.4.10

Deelnemersstatuut

  

X

 

7.4.11

Studiegids

   

X

§ 2. Examens opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en Nederlands als vreemde taal

7.4.12

Reikwijdte

  

X

 

7.4.13

Examenregeling opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en opleidingen Nederlands als vreemde taal

  

X

 

Titel 5. Commissie van beroep voor de examens

7.5.1

Commissie van beroep voor de examens

 

X

  

7.5.2

Inlichtingen

 

X

  

Titel 6. Practicumplaatsen voor studenten in opleiding

7.6.1

Practicumplaatsen voor studenten in opleiding

 

X

  

Hoofdstuk 8. Inschrijving, vooropleidingseisen en voortijdig schoolverlaten

Titel 1. Inschrijving

8.1.1

Inschrijving

 

X

  

8.1.2.

Samenwerking met VO-scholen ter bevordering van doelmatig en doeltreffend onderwijs

    

8.1.3

Te verstrekken gegevens bij inschrijving

 

X

  

8.1.4

Nadere voorschriften toelating

 

X

  

8.1.5

Onderwijsovereenkomst

 

X

  

8.1.6

Onderwijsbijdragen

 

X

  

8.1.7

Controle op langdurige afwezigheid

 

X

  

8.1.8

Melding in verband met voortijdig schoolverlaten niet-leerplichtigen

   

X

Titel 2. Vooropleidingseisen

8.2.1

Vooropleidingseisen

 

X

  

8.2.2

Nadere vooropleidingseisen

 

X

  

Titel 3. Bestrijding voortijdig schoolverlaten niet-leerplichtigen

8.3.1

Voortijdige schoolverlater

   

X

8.3.2

Bestrijding voortijdig schoolverlaten door openbaar lichaam

   

X

8.3.3

Informatie over voortijdig schoolverlaten

   

X

Titel 4. Samenwerking in verband met leer-werktrajecten vmbo en assistentopleiding in het vmbo

8.4.1

Samenwerkingsovereenkomst leer-werktrajecten vmbo

    

8.4.2

Samenwerkingsovereenkomst assistentopleiding in het vmbo

    

Hoofdstuk 9. Beroep bij de administratieve rechter

9.1

Beroep

X

   

9.2

Intreden gevolgen van toekennen van rechten na sprongberoep

X

   

Hoofdstuk 10. Sancties

10.1

Aanwijzing

    

10.2

Inhouding bekostiging

X

   

10.3

Geldboete niet-gerechtigde aanduiding beroepsopleidingen

 

X

  

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

11.1

Erkenning en bekostiging

X

   

11.2

Benoembaarheid bevoegde docenten

X

   

11.3

Benoembaarheid onbevoegde docenten

X

   

11.4

Benoembaarheid docenten in opleiding

X

   

11.5

Toepasselijkheid Wet administratieve rechtspraak BES

X

   

11.6

Bestrijding voortijdig schoolverlaten door openbaar lichaam

X

   

11.7

Citeertitel

X

   

Bijlage 3 bij de memorie van toelichting

Gefaseerde inwerkingtreding Wet primair onderwijs BES

Betekenis van de derde tot en met zesde kolom:

  • derde kolom: inwerkingtreding voorzien per 1 januari 2011

  • vierde kolom: inwerkingtreding voorzien per 1 augustus 2011

  • vijfde kolom: inwerkingtreding op korte termijn, afhankelijk van de omstandigheden, maar naar huidig inzicht voorzien een tot anderhalf jaar na 1 januari 2011

  • zesde kolom: inwerkingtreding op langere termijn afhankelijk van de omstandigheden, maar naar huidig inzicht voorzien ongeveer 5 jaar na 1 januari 2011.

Artikel

Inhoud Wet primair onderwijs BES

1-1-11

1-8-11

Kort

Lang

Hoofdstuk I. Basisonderwijs

Titel I. Algemene bepalingen

1.

Begripsbepalingen

X

   

2.

Doelgroep

X

   

3.

Bevoegdheid schoolonderwijs

X

   

4.

Bevoegdheid onderwijsondersteunende werkzaamheden

X

   

5.

Kosten van voeding, kleding of vervoer voor leerlingen

 

X

  

6.

Verplichting tot overleg en aangifte inzake zedenmisdrijven

X

   

7.

Niet uit de openbare kas bekostigd bijzonder schoolonderwijs

X

   

8.

Uitgaven uit de openbare kas

X

   

9.

Reikwijdte wet

X

   

Titel II. Openbaar en uit de openbare kassen bekostigd bijzonder onderwijs

Afdeling 1. Regelen voor het openbaar onderwijs, tevens voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder onderwijs

§ 1. Onderwijs

10.

Uitgangspunten en doelstelling onderwijs

 

X

  

11.

Inhoud onderwijs openbaar lichaam Bonaire

 

X

  

12.

Inhoud onderwijs openbare lichamen Sint Eustatius en Saba

 

X

  

13.

Kwaliteit onderwijs

 

X

  

14.

Rapportage vorderingen van leerlingen

 

X

  

15.

Schoolplan

 

X

  

16.

Schoolgids

  

X

 

17.

Klachtenregeling

  

X

 

18.

Samenstelling medezeggenschapsraad

  

X

 

19.

Medezeggenschap

  

X

 

20.

Meetellen tijd op andere school; vaststellen vakanties

 

X

  

21.

Vaststelling schoolplan en schoolgids

 

X

  
 

Lid 2

  

X

 
 

Lid 3

 

X

X

 

22.

Bestuurlijke fusie openbare en bijzondere school

   

X

23.

Scheiding toezicht en bestuur

   

X

24.

Intern toezicht

   

X

25.

Inhoud intern toezicht

   

X

§ 2. Zorgstructuur

26.

Samenwerkingsverband

 

X

  

27.

Zorgplan

 

X

  

28.

Expertisecentrum onderwijszorg

 

X

  

29.

Toezicht expertisecentrum onderwijszorg

 

X

  

30.

Taakverwaarlozing door expertisecentrum onderwijszorg

 

X

  

§ 3. Personeel

31.

Directie, leraren en onderwijsondersteunend personeel

X

   
 

Lid 8

  

X

 

32.

Overdracht taken en bevoegdheden

   

X

33.

Vaststelling managementstatuut

  

X

 
 

Lid 3

   

X

34.

Vereisten benoeming of tewerkstelling personeel

 

X

  

35.

Bekwaamheidseisen

 

X

  

36.

Bekwaamheidsdossier

   

X

37.

Rechtspositieregeling personeel van een bijzondere school

X

   

38.

Afwijking nationaliteitsvereiste

X

   

39.

Benoeming, schorsing en ontslag

X

   

40.

Benoeming in algemene dienst

X

   

41.

Verplichting tot bieden van stagemogelijkheden

X

   

42.

Scholings- en begeleidingsovereenkomst zij-instroom in het beroep

   

X

§ 4. Leerlingen

43.

Toelatingsleeftijd; duur onderwijs

 

X

  

44.

Toelating en verwijdering van leerlingen

 

X

  

45.

Handelingsplan

  

X

 

46.

Te verstrekken gegevens bij toelating

 

X

  
 

Lid 4

   

X

 

Lid 6

   

X

47.

Verplichte deelname leerlingen aan het onderwijs

 

X

  

48.

Onderwijskundig rapport

  

X

 

§ 5. Ouders

49.

Ondersteunende werkzaamheden ouders

 

X

  

50.

Tussenschoolse opvang

 

X

  
 

Lid 1, onderdeel d

   

X

51.

Informeren ouders bij zeer zwakke school

  

X

 

Afdeling 2. Overige regelen voor het openbaar onderwijs

52.

Karakter openbaar onderwijs

X

   

53.

Instandhouding openbare school door een openbare rechtspersoon

X

   
 

Lid 9

   

X

54.

Instandhouding openbare school door een stichting

   

X

55.

Bestuursoverdracht openbare scholen

X

   

56.

Mogelijkheid godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs

X

   

57.

Leraren godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs

X

   

58.

Disciplinaire maatregel, schorsing en ontslag door Rijksvertegenwoordiger

X

   

59.

Horen bij aanstelling personeel, directeuren en adjunct-directeuren

X

   

Afdeling 3. Overige voorwaarden voor bekostiging uit de openbare kassen van het bijzonder onderwijs

60.

Instandhouding bijzondere school door rechtspersoon

X

   

61.

Bestuursoverdracht

X

   

62.

Godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs

X

   

63.

Geen weigering toelating op grond van godsdienstige gezindheid of levensbeschouwing

X

   

64.

Akte van benoeming

X

   

65.

Beslissingen bijzonder onderwijs inzake toelating en verwijdering en bezwaarprocedure

X

   

Titel III. Bekostiging

Afdeling 1. Algemeen

66.

Grondslag bekostiging

X

   

67.

Aanvullende middelen

X

   

68.

Grondslag bekostiging zorg leerlingen met specifieke onderwijsbehoefte

X

   

69.

Subsidie expertisecentrum onderwijszorg

X

   

70.

Beroep

X

   

71.

Instandhouding openbare scholen door een stichting of een openbare rechtspersoon

X

   
 

Stichting

   

X

Afdeling 2. Aanvang van de bekostiging

§ 1. Scholen

72.

Aanvang bekostiging

X

   

73.

Voldoende openbaar onderwijs

X

   

74.

Berekening aantal leerlingen

X

   

75.

Beslissing op verzoek

X

   

76.

Omzetting; uitbreiding met openbaar of bijzonder onderwijs; verplaatsing

X

   
 

Lid 3

 

X

  

§ 2. Nadere voorschriften voor de uitvoering van afdeling 2

77.

Nadere voorschriften voor de uitvoering van afdeling 2

X

   

Afdeling 3. Voorziening in de huisvesting

78.

Voorziening in huisvesting door het openbaar lichaam

X

   

79.

Voorzieningen in de huisvesting

X

   

80.

Vaststelling door bestuurscollege van bekostigingsplafond voor nieuwe voorzieningen in de huisvesting

X

   

81.

Indiening aanvraag

X

   

82.

Beschikkingen op aanvragen

X

   

83.

Beschikkingen op aanvragen met een spoedeisend karakter

X

   

84.

Weigeringsgronden

X

   

85.

Tijdstip aanvang bekostiging; vervallen aanspraak op bekostiging

X

   

86.

Toetsing i.v.m. wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden

X

   

87.

Bouwheerschap

X

   

88.

Instemming met eigen bouwplannen voor een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school

X

   

89.

Totstandbrenging voorziening voor een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school

X

   

90.

Onderhoudsplicht; verbod tot vervreemding en bezwaring

X

   

91.

Vorderingsrecht

X

   

92.

Verhuur en medegebruik gebouw of terrein

X

   

93.

Voorziening niet ten laste van het openbaar lichaam

X

   

94.

Einde gebruik gebouw of terrein door een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school

X

   

95.

Jaarlijks bedrag voor huisvestingskosten van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school

X

   

96.

Informatieverstrekking aan eilandsraad en bestuurscollege

X

   

Afdeling 4. Materiële instandhouding

97.

Bekostiging materiële instandhouding

X

   
 

Lid 3, onderdeel b

   

X

98.

Aanvullende bekostiging kosten materiële instandhouding

X

   

99.

Grondslag bekostiging voor materiële instandhouding lichamelijke oefening

X

   

100.

Materiële instandhouding door eigenaar of bevoegd gezag

X

   

Afdeling 5. Grondslag bekostiging personeelskosten

101.

Grondslag bekostiging personeel

   

X

102.

Aantal leerlingen

X

   
 

Lid 3

   

X

103.

Bijzondere bekostiging personeelskosten

X

   

104.

Grondslag bekostiging kosten voor personeel wegens voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens de Wet materieel ambtenarenrecht BES

X

   

Afdeling 6. Budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid

105.

Budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid

X

   
 

Lid 1

   

X

Afdeling 7. Wijze van bekostiging

§ 1. Huisvesting

106.

Bekostiging voor belastingen ter zake van onroerende zaken

X

   

§ 2. Materiële instandhouding

107.

Bekostiging door Rijk aan bevoegd gezag en openbaar lichaam

X

   
 

Lid 5

   

X

108.

Verhoging bekostiging bij bijzondere omstandigheden

X

   

109.

Bekostiging door openbaar lichaam aan bevoegd gezag

X

   

§ 3. Personeel

110.

Verstrekking bekostiging bedragen voor personeelskosten

X

   

111.

Aftrekposten bekostiging

X

   

§ 4. Eilandelijk beleid met betrekking tot personele en materiële voorzieningen

112.

Eilandelijk beleid als openbaar lichaam zelf geen openbare scholen in stand houdt of als openbare scholen ontbreken

X

   

113.

Eilandelijk beleid als openbaar lichaam zelf openbare scholen in stand houdt

X

   

§ 5. Overschrijdingsregeling

114.

Overschrijdingsbedrag; voorwaarde personeel buiten overschrijding

X

   

115.

Voorschot overschrijding

X

   

116.

Vaststelling overschrijdingsbedrag, uitgedrukt in percentage

X

   

117.

Vaststelling overschrijdingsbedrag voor een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school

X

   

118.

Mededeling en beroep

X

   

§ 6. Bestedingsmogelijkheden

119.

Besteding bekostiging

X

   

§ 7. Betaling van de bekostiging

120.

Betaling bekostiging door voorschotten

X

   

121.

Verrekening van vorderingen

X

   

Afdeling 8. Beëindiging van de bekostiging

§ 1. Scholen

122.

Einde bekostiging bijzondere school en opheffing openbare school

X

   

123.

Discretionaire bevoegdheid minister

X

   

124.

Vermindering aantal openbare scholen

X

   

125.

Bekendmaking over beëindiging bekostiging school en opheffing school

X

   

§ 2. Overige bepalingen

126.

Overdracht gebouwen, terreinen en roerende zaken

X

   

127.

Terugstorting

X

   

128.

Aanwijzing

X

   

129.

Inhouding bekostiging

X

   

130.

Maatregelen

 

X

  

Afdeling 9. Verslaglegging en informatieverstrekking

131.

Jaarverslag

X

   
 

Lid 5

   

X

132.

Informatie over bekostiging

X

   

133.

Beleidsinhoudelijke informatie

  

X

 

134.

Reikwijdte voorschriften

   

X

135.

Onderzoek vanwege de minister

X

   

Afdeling 10. Zij-instroom in het beroep

136.

Begripsbepalingen

   

X

137.

Geschiktheidsverklaring

   

X

138.

Geschiktheidsonderzoek

   

X

139.

Uitvoering scholing en begeleiding

   

X

140.

Uitvoeren geschiktheidsonderzoek

   

X

141.

Bekwaamheidsonderzoek

   

X

142.

Uitvoeren scholing, begeleiding en bekwaamheidsonderzoek

   

X

143.

Kwaliteitsbewaking; sancties

   

X

144.

Uitvoeringsvoorschriften zij-instroom

   

X

145.

Inlichtingenplicht

   

X

Afdeling 11. Overige bepalingen

146.

Vermindering bekostiging i.v.m. schuld of nalatigheid

X

   

147.

Gebruik persoonsgebonden nummer BES door bevoegd gezag

   

X

148.

Verwerking gegevens door de minister

   

X

149.

Gebruik gegevens uit basisregister onderwijs door minister en inspectie

   

X

150.

Gebruik persoonsgebonden nummer BES door het openbaar lichaam

   

X

151.

Schadevergoeding bij termijnoverschrijding

X

   

152.

Gebruik ontvangen gelden overeenkomstig bestemming; boekhoudvoorschriften

X

   

Hoofdstuk II. Slotbepalingen

153.

Toepasselijkheid Wet administratieve rechtspraak BES

X

   

154.

Bevoegde leraren

X

   

155.

Onbevoegde leraren

X

   

156.

Toekomstige leraren

X

   

157.

Bevoegdheid in de onderwijsactiviteit zintuiglijke en lichamelijke oefening

X

   

158.

Bevoegdheid onderwijsondersteunende werkzaamheden

X

   

159.

Onbevoegdheid onderwijsondersteunende werkzaamheden

X

   

160.

Overgangsrecht openbaar orgaan

X

   

161.

Aanspraak op bekostiging

X

   

162.

Begroting

X

   

163.

Aanvraag omzetting; uitbreiding met openbaar of bijzonder onderwijs; verplaatsing

X

   

164.

Grondslag bekostiging personeel

X

   

165.

Aantal leerlingen bij samenvoeging

X

   

166.

Budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid

X

   

167.

Opgave aantal leerlingen

X

   

168.

Citeertitel

X

   

Bijlage 4 bij de memorie van toelichting

Gefaseerde inwerkingtreding Wet voortgezet onderwijs BES

Betekenis van de derde tot en met zesde kolom:

  • derde kolom: inwerkingtreding voorzien per 1 januari 2011

  • vierde kolom: inwerkingtreding voorzien per 1 augustus 2011

  • vijfde kolom: inwerkingtreding op korte termijn, afhankelijk van de omstandigheden, maar naar huidig inzicht voorzien een tot anderhalf jaar na 1 januari 2011

  • zesde kolom: inwerkingtreding op langere termijn afhankelijk van de omstandigheden, maar naar huidig inzicht voorzien ongeveer 5 jaar na 1 januari 2011.

Artikel

Inhoud Wet voortgezet onderwijs BES

1-1-11

1-8-11

Kort

Lang

Titel I. Algemene bepalingen

1.

Begripsbepalingen

X

   

2.

Voortgezet onderwijs

X

   

3.

Bevoegdheid schoolonderwijs

X

   

4.

Verplichting tot overleg en aangifte inzake zedenmisdrijven

X

   

5.

Kosten van leerlingenvervoer

 

X

  

Titel II. Het onderwijs

6.

Vormen van voortgezet onderwijs

X

   

Afdeling I. Openbaar en uit de openbare kas bekostigd bijzonder schoolonderwijs

7.

Openbaar en uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs

X

   

Hoofdstuk I. Regelen voor het openbaar schoolonderwijs, tevens voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder schoolonderwijs

§ 1. Scholen

8.

Taal

 

X

  

9.

Onderwijs

 

X

  

10.

Bestrijding (taal)achterstand

 

X

  

11.

Onderwijs in lichamelijke opvoeding

 

X

  

12.

Beschikbaarstelling lesmateriaal aan leerlingen

 

X

  

13.

Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs

 

X

  
 

Gymnasia/lid 2

 

X

  

14.

Hoger algemeen voortgezet onderwijs

 

X

  

15.

Middelbaar algemeen voortgezet onderwijs

 

X

  

16.

Theoretische leerweg en sectoren mavo

 

X

  

17.

Voorbereidend beroepsonderwijs

 

X

  

18.

Beroepsgerichte leerweg en sectoren vbo

 

X

  

19.

Leer-werktraject in basisberoepsgerichte leerweg

   

X

20.

Inrichting buitenschools praktijkgedeelte

   

X

21.

Leer-werkovereenkomst

   

X

22.

Beoordeling kwaliteit leerbedrijven

   

X

23.

Subsidie Raad onderwijs arbeidsmarkt voor taken leer-werktrajecten

   

X

24.

Kwaliteitseisen leerbedrijven

   

X

25.

Samenwerkingsovereenkomst met BVE-instelling

   

X

26.

Assistentopleiding in het vmbo

   

X

27.

Samenwerkingsovereenkomst assistentopleiding in het vmbo

   

X

28.

Afdelingen voorbereidend beroepsonderwijs

 

X

  

29.

Gemengde leerweg en sectoren scholengemeenschap mavo-vbo

 

X

  

30.

Leerwegondersteunend onderwijs

 

X

  

31.

Praktijkonderwijs

 

X

  

32.

Toelating praktijkonderwijs

 

X

  

33.

Algemene voorschriften eerste twee leerjaren

 

X

  

34.

Kerndoelen

 

X

  

35.

Onderwijsprogramma eerste twee leerjaren

 

X

  

36.

Ontheffingen delen onderwijsprogramma; bijzondere voorschriften

 

X

  

37.

Voorschriften derde leerjaar vwo en havo

 

X

  

38.

Periode van voorbereidend hoger onderwijs vwo en havo; profielen

 

X

  

39.

Vakken en andere programma-onderdelen periode van voorbereidend hoger onderwijs: vwo

 

X

  

40.

Vakken en andere programma-onderdelen periode van voorbereidend hoger onderwijs: havo

 

X

  

41.

Nadere inrichting profielen vwo en havo

 

X

  

42.

Onderwijs in een pluriforme samenleving; burgerschap; sociale integratie

 

X

  

43.

Dagscholen; contractactiviteiten

 

X

  
 

Lid 2: contractactiviteiten

   

X

44.

Aanduiding onderwijsaanbod in maatschappelijk verkeer

 

X

  

45.

Overige voorschriften inrichting onderwijs

 

X

  

46.

Meetellen tijd op andere school; vaststellen vakanties

 

X

  

47.

Kwaliteit onderwijs

 

X

  

48.

Rapportage vorderingen van leerlingen

 

X

  

49.

Informeren ouders bij zeer zwakke school

  

X

 

50.

Schoolplan

 

X

  

51.

Schoolgids

  

X

 

52.

Klachtenregeling

  

X

 

53.

Vaststelling schoolplan en schoolgids

  

X

 

54.

Scheiding toezicht en bestuur

   

X

55.

Intern toezicht

   

X

56.

Inhoud intern toezicht

   

X

57

Samenstelling medezeggenschapsraad

  

X

 

58.

Medezeggenschap

  

X

 

59.

Toezending programma's en beschrijvingen contractactiviteiten aan inspectie

   

X

60.

Leerlingenstatuut

   

X

61.

Bijzondere inrichting school

 

X

  

62.

Samenwerking tussen VO-scholen onderling en met BVE-instellingen ter bevordering van doelmatig en doeltreffend onderwijs

  

X

 

63.

Handelingsplan voor overige zorgleerlingen

  

X

 

64.

Toelating, verwijdering, voorwaardelijke bevordering en verblijfsduur

 

X

  
 

Leden 5 tot en met 12 (verblijfsduur)

   

X

65.

Te verstrekken gegevens bij toelating

 

X

  

66.

Melding in verband met voortijdig schoolverlaten niet-leerplichtigen

   

X

§ 2. Zorg

67.

Samenwerkingsverband

 

X

  

68.

Eilandelijk zorgplan

 

X

  

69.

Expertisecentrum onderwijszorg

 

X

  

70.

Toezicht expertisecentrum onderwijszorg

 

X

  

71.

Taakverwaarlozing door expertisecentrum onderwijszorg

 

X

  

§ 3. Eindexamens

72.

Eindexamens en diploma

 

X

  

73.

Getuigschrift en schooldiploma praktijkonderwijs

 

X

  

74.

Extraneï-examens

 

X

  

75.

Afwijking termijn Wet administratieve rechtspraak BES

 

X

  

76.

Verklaring

 

X

  

§ 4. Personeel

77.

Personeelscategorieën; formatiebeleid; taken en functies personeel

X

   
 

Lid 7

  

X

 

78.

Overdracht taken en bevoegdheden

   

X

79.

Vaststelling managementstatuut

  

X

 
 

Lid 3 (overdracht taken en bevoegdheden)

   

X

80.

Vereisten benoeming of tewerkstelling leraren

 

X

  

81.

Bekwaamheid o.g.v. buitenlands getuigschrift

 

X

  

82.

Verzorgen onderwijs met geschiktheidsverklaring op grond van Wet educatie en beroepsonderwijs BES

   

X

83.

Benoembaarheid leidinggevend personeel

 

X

  

84.

Benoembaarheid onderwijsondersteunende functionarissen

 

X

  

85.

Afwijking benoemingvereisten leraren

 

X

  

86.

Bekwaamheidseisen

 

X

  

87.

Inclusieve bevoegdheid

 

X

  

88.

Bekwaamheidsdossier

   

X

89.

Scholings- en begeleidingsovereenkomst zij-instroom in het beroep

   

X

90.

Rechtspositieregeling personeel

X

   

91.

Afwijking nationaliteitsvereiste

X

   

92.

Benoeming, schorsing en ontslag

X

   

93.

Benoeming in algemene dienst

X

   

94.

Schoolpracticumplaatsen

X

   

95.

Personeel ten behoeve van contractactiviteiten

   

X

Hoofdstuk II. Overige regelen voor het openbaar schoolonderwijs

96.

Karakter openbaar onderwijs

X

   

97.

Instandhouding openbare school door een openbare rechtspersoon

X

   
 

Lid 9 (raad van toezicht)

   

X

98.

Instandhouding openbare school door een stichting

   

X

99.

Bestuursoverdracht openbare school

X

   

100.

Disciplinaire maatregel, schorsing en ontslag door Rijksvertegenwoordiger

X

   

101.

Eerbiediging van geloofs- of levensovertuiging

X

   

102.

Godsdienstonderwijs op openbare scholen

X

   

103.

Levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op openbare scholen

X

   

Hoofdstuk III. Overige voorwaarden voor bekostiging uit de openbare kas van het bijzonder schoolonderwijs

104.

Uitzondering weigering leerling op grond van levensbeschouwing

X

   

105.

Bestuur bijzondere school

X

   

106.

Bestuursoverdracht bijzondere school

X

   

107.

Akte van benoeming

X

   

108.

Bestuurlijke voorschriften bijzonder onderwijs

X

   

Hoofdstuk IV. Overige bepalingen met betrekking tot het uit de openbare kas bekostigd onderwijs

109.

Bestuurlijke fusie openbare en bijzondere scholen

   

X

Afdeling II. Niet uit de openbare kas bekostigd bijzonder schoolonderwijs

110.

Kennisgeving oprichting bijzondere school

X

   

111.

Bekwaamheids- en zedelijkheidseisen personeel

X

   

112.

Aanwijzingsbevoegdheid

X

   

113.

Verzoek tot aanwijzing

X

   

114.

Voorschriften aanwijzing

X

   

115.

Intrekken aanwijzing

X

   

Afdeling III. Staatsexamens

116.

Staatsexamens

X

   

Afdeling IV. Andere vormen van voortgezet onderwijs

117.

Inrichtingen voor voortgezet onderwijs

X

   

Titel III. Aanvang, grondslagen, wijze en beëindiging der bekostiging

Afdeling I. Aanvang van de bekostiging

118.

Aanvang en duur van de bekostiging

X

   

119.

Nieuwe school of scholengemeenschap; nieuwe afdeling vbo aan reeds bekostigde school

X

   

120.

Aanvraagprocedure nieuwe school of scholengemeenschap

X

   

121.

Voldoende openbaar onderwijs

X

   

122.

Omzetting

X

   

123.

Scholengemeenschap; nevenvestiging

X

   

124.

Verplaatsing vestiging; samenvoeging van scholen of scholengemeenschappen; nevenvestiging; afsplitsing

X

   

125.

Aanvullende middelen

X

   

126.

Beroep

X

   

127.

Uitvoeringsvoorschriften

X

   

Afdeling II. Voorziening in de huisvesting en inventaris

128.

Reikwijdte van afdeling II

X

   

129.

Voorziening in huisvesting door het openbaar lichaam

X

   
 

Lid 2

   

X

130.

Voorzieningen in de huisvesting

X

   

131.

Vaststelling door het bestuurscollege van bekostigingsplafond voor nieuwe voorzieningen in de huisvesting

X

   

132.

Indiening aanvraag

X

   

133.

Beschikkingen op aanvragen

    

134.

Beschikkingen op aanvragen met een spoedeisend karakter

X

   

135.

Weigeringsgronden

X

   

136.

Tijdstip aanvang bekostiging; vervallen aanspraak op bekostiging

X

   

137.

Toetsing i.v.m. wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden

X

   

138.

Bouwheerschap

X

   

139.

Instemming met eigen bouwplannen voor een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school

X

   

140.

Totstandbrenging voorziening niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school

X

   

141.

Onderhoudsplicht; verbod tot vervreemding en bezwaring

X

   

142.

Vorderingsrecht

X

   

143.

Verhuur en medegebruik gebouw of terrein

X

   

144.

Voorziening niet ten laste van de gemeente

X

   

145.

Einde gebruik gebouw of terrein door niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school

X

   

146.

Jaarlijks bedrag voor huisvestingskosten van niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school

X

   

147.

Informatieverstrekking aan het bestuurscollege

X

   

Afdeling III. Grondslagen en wijze der bekostiging

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

148.

Algemeen

X

   

149.

Grondslag bekostiging zorg voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoefte

X

   

150.

Subsidie expertisecentrum onderwijszorg

X

   

151.

Kostensoorten

X

   

Hoofdstuk II. Grondslagen van de genormeerde bekostiging

§ 1. Grondslag bekostiging personeelskosten

152.

Grondslagen berekening omvang formatie

   

X

153.

Grondslag bekostiging kosten voor personeel wegens voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens de Wet materieel ambtenarenrecht BES

X

   

154.

Omvang bekostiging

   

X

155.

Aanvullende bekostiging personeelskosten

X

   

§ 2. Grondslag bekostiging exploitatiekosten

156.

Bekostiging exploitatiekosten

    
 

Lid 1 en 2

X

   
 

Lid 3, 4, 5, 6

   

X

157.

Aanvullende bekostiging exploitatiekosten

X

   

Hoofdstuk III. Wijze van de bekostiging

§ 1. Onroerende zaak-belastingen

158.

Bekostiging voor belastingen ter zake van onroerende zaken

X

   

§ 2. Bekostiging personeels- en exploitatiekosten

159.

Bekostiging bedragen voor personeels- en exploitatiekosten

   

X

§ 3. Eilandelijk beleid met betrekking tot personele en materiële voorzieningen

160.

Eilandelijk beleid als een openbaar lichaam zelf geen openbare scholen in stand houdt of als openbare scholen ontbreken

X

   

161.

Eilandelijk beleid bij verzelfstandiging van het openbaar onderwijs in een openbaar lichaam

X

   

162.

Eilandelijk beleid als een openbaar lichaam zelf openbare scholen in stand houdt

X

   

§ 4. Overschrijdingsregeling ten behoeve van bijzondere scholen

163.

Vaststelling uitgaven en inkomsten personeels- en exploitatiekosten; vaststelling percentage t.b.v. niet door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen

X

   

164.

Vaststelling overschrijdingsbedrag t.b.v. niet door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen

X

   

165.

Uitkering overschrijdingsbedrag aan niet door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen; beroep op Rijksvertegenwoordiger

X

   

§ 5. Vaststelling en betaling van de bekostiging

166.

Bekostiging

X

   

167.

Aftrekposten bekostiging

X

   

168.

Betaling bekostiging door voorschotten

X

   

169.

Verrekening van vorderingen

X

   

170.

Overdracht bekostiging bij overstap leerling tijdens schooljaar

X

   

Hoofdstuk IV. Overige bepalingen

171.

Boekhouding bijzonder onderwijs

X

   

172.

Besteding bekostiging

X

   

173.

Besteding overeenkomstig bestemming

   

X

174.

Geen vergoeding na schade door schuld of nalatigheid; subrogatie wegens schade aan gebouwen van scholen

X

   

175.

Jaarverslag

X

   
 

Lid 5 (code goed bestuur)

   

X

176.

Informatie over bekostiging

X

   

177.

Beleidsinhoudelijke informatie

  

X

 

178.

Reikwijdte voorschriften

   

X

179.

Gebruik persoonsgebonden nummer BES door bevoegd gezag

   

X

180.

Verwerking gegevens door Onze Minister

   

X

181.

Gebruik gegevens basisregister onderwijs door Minister en inspectie

   

X

182.

Gebruik persoonsgebonden nummer BES door openbaar lichaam

   

X

183.

Aanwijzing

X

   

184.

Inhouding bekostiging

X

   

185.

Maatregelen

 

X

  

186.

Beroep

X

   

187.

Uitvoeringsvoorschriften afdeling III

X

   

Afdeling IV. Beëindiging der bekostiging

188.

Opheffingsnormen

X

   

189.

Grondslag der berekening

X

   

190.

Terugstorting exploitatie-overschot

X

   

191.

Beroep

X

   

192.

Uitvoeringsvoorschriften afdeling IV

X

   

Titel IV. Bestrijding voortijdig schoolverlaten niet-leerplichtigen

193.

Voortijdige schoolverlater

   

X

194.

Bestrijding voortijdig schoolverlaten door openbaar lichaam

   

X

195.

Informatie over voortijdig schoolverlaten

   

X

Titel V. Zij-instroom in het beroep

196.

Begripsbepalingen

   

X

197.

Geschiktheidsverklaring

   

X

198.

Geschiktheidsonderzoek

   

X

199.

Uitvoering scholing en begeleiding

   

X

200.

Uitvoeren geschiktheidsonderzoek

   

X

201.

Bekwaamheidsonderzoek

   

X

202.

Uitvoeren scholing, begeleiding en bekwaamheidsonderzoek

   

X

203.

Kwaliteitsbewaking; sancties

   

X

204.

Uitvoeringsvoorschriften zij-instroom

   

X

205.

Inlichtingenplicht

   

X

Titel VI. Overgangsbepalingen

206.

Inwerkingtreding, eerste toepassing en overgangsrecht inrichting en examens

X

   

207.

Aanspraak op bekostiging

X

   

208.

Voorziening in de huisvesting en inventaris

X

   

209.

Grondslag van de bekostiging

X

   

210.

Benoembaarheid bevoegde leraren

X

   

211.

Benoembaarheid onbevoegde leraren

X

   

212.

Benoembaarheid leraren in opleiding

X

   

213.

Benoembaarheid leidinggevend personeel

X

   

214.

Bestrijding voortijdig schoolverlaten niet-leerplichtigen

X

   

Titel VII. Slotbepalingen

215.

Toepassing van deze wet

X

   

216.

Afkeuring onderwijslocaties i.v.m. volksgezondheid

X

   

217.

Strafbepaling overtreding voorschriften volksgezondheid

X

   

218.

Toepasselijkheid Wet administratieve rechtspraak BES

X

   

219.

Citeertitel

X

   

XNoot
1

Kamerstukken II 2008/09, 31 959, nr. 3, p. 1.

XNoot
2

Is: funderend onderwijs, vergelijkbaar met het Nederlandse primair onderwijs.

XNoot
3

Is: voortgezet onderwijs.

XNoot
4

Jeugdmonitor 3 van de Nederlandse Antillen. Scholierenonderzoek Communities that Care. Eerste voorlopige resultaten. DJJO, 22 februari 2007.

XNoot
5

Ex-Interimevaluatie Sociale Vormingsplicht, Regioplan Beleidsonderzoek, maart 2008.