Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202035302 nr. 13

35 302 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2020)

Nr. 13 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 22 oktober 2019

Inhoudsopgave

blz.

 

I.

ALGEMEEN

2

Inleiding

2

1.

Samenstelling pakket Belastingplan 2020

5

2.

Opzet algemeen deel

6

3.

Inkomensbeleid

6

4.

Overgangsrecht voor saldolijfrenten van vóór 2001

38

5.

Aanpassen van de werkkostenregeling

43

5.1.

Vergroten vrije ruimte

44

5.2.

Vrijstellen van vergoedingen voor een VOG

45

5.3.

Verlengen uiterste moment aangifte en afdracht eindheffing

46

5.4.

Waarde producten uit eigen bedrijf

47

6.

Indexeren van vrijwilligersregeling

48

7.

Aanpassen vrijstelling overheidsondernemingen

48

7.1.

Aanpassen onderwijsvrijstelling

49

7.2.

Aanpassen vrijstelling interne activiteiten en quasi-inbestedingsvrijstelling

50

8.

Invoeren minimumkapitaalregel voor banken en verzekeraars

51

9.

Aanpassen verhuurderheffing

59

10.

Verlaagd btw-tarief voor elektronische uitgaven

68

11.

Aanpassen accijns op tabaksproducten

71

12.

Vrijstellingen in de assurantiebelasting

76

13.

Rentevergoeding bij te late terugbetaling Belastingwet BES

77

14.

Invoeren aftrekuitsluiting dwangsommen

78

15.

Gevolgen voor bedrijfsleven en burger

81

16.

Evaluaties

81

17.

Uitvoeringstoetsen Belastingdienst

82

18.

Ramingstoelichtingen bij het pakket Belastingplan 2020 inclusief certificeringsdocument CPB

83

18.1.

Pakket maatregelen inkomstenbelasting

83

18.2.

Uitbreiden vrijstellingen voor overheidsondernemingen

83

18.3.

Aanpassen tarief in de vennootschapsbelasting

83

19.

Overig

84

Bijlage I

99

Bijlage II

101

Bijlage III

113

I. ALGEMEEN

Inleiding

Het kabinet heeft met interesse kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de VVD, de PVV, het CDA, D66, GroenLinks, de SP, de PvdA, de CU, de PvdD, 50PLUS en de SGP.

Hierna wordt bij de beantwoording van de vragen zo veel mogelijk de volgorde van het verslag aangehouden, met dien verstande dat gelijkluidende of in elkaars verlengde liggende vragen tezamen zijn beantwoord.

De leden van de fracties van GroenLinks, 50PLUS, de PvdA en het CDA stellen vragen over box 3 in relatie tot de voorgenomen aanpassing van het stelsel van vermogensrendementsheffing. Deze vragen beantwoord ik in mijn reactie op de vragen die zijn gesteld in het kader van het schriftelijke overleg over de Kamerbrieven over de aanpassing van box 3 en de reactie op de motie van de leden Leijten en Lodders over letselschadevergoedingen. Deze reactie stuur ik voorafgaand aan het eerste wetgevingsoverleg over het Belastingplan naar uw Kamer.

De leden van een aantal fracties hebben vragen gesteld die geen directe relatie hebben met het pakket Belastingplan 2020 zoals dat nu voorligt. Het kabinet heeft getracht zo veel mogelijk van dergelijke vragen van een antwoord te voorzien. De vragen die nog niet beantwoord zijn, worden bij afzonderlijke brief beantwoord. Het ligt voor de hand deze brief na afronding van het parlementaire traject van het pakket Belastingplan 2020, begin 2020 aan uw Kamer te sturen.

De leden van de fracties van de VVD, het CDA en D66 vragen om te reageren op de commentaren van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB). De leden van de fracties van het CDA en D66 vragen ook in te gaan op het commentaar van het Register Belastingadviseurs (RB). De reactie op deze commentaren vindt zo veel mogelijk plaats waar dat onderwerp in deze nota aan bod komt.

De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet een overzicht kan geven van maatregelen, de datum van inwerkingtreding en het moment van evaluatie van alle maatregelen die ingaan per 1 januari 2020, 2021 en 2022. Het grootste deel van de voorgestelde maatregelen treedt in werking per 1 januari 2020 of in de loop van 2020. Per 2021 treden acht maatregelen in werking, en in 2022 een maatregel. De maatregelen in het pakket Belastingplan 2020 zijn divers van aard. Het gaat om technische wijzigingen tot aan de introductie van een nieuwe belasting. Bij de afweging met betrekking tot het evalueren speelt het gewicht of belang en de complexiteit van de maatregel een rol. Voor 15 maatregelen is een vorm van een evaluatie voorzien. Het kan gaan om monitoring (bijvoorbeeld «monitor opbrengst maatregel bij het invoeren van de minimumkapitaalregel voor banken en verzekeraars») of om een beleidsevaluatie (bijvoorbeeld de integrale evaluatie van de mobiliteitsmaatregelen uit het Klimaatakkoord in 2024). Zie bijlage I voor informatie per maatregel.

Tabel 1: Overzicht data van inwerkingtreding maatregelen pakket Belastingplan 2020
 

2020

2021

2022

Evaluatie of monitoring

Aantal maatregelen

45

8

1

15

De leden van de fractie van het CDA vragen of er door de Belastingdienst en het UWV via de polisadministratie een goede koppeling van actuele inkomensgegevens van alle werknemers, gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden plaatsvindt en binnen welke termijn, zodat mensen die minder inkomen krijgen, hogere toeslagen krijgen en omgekeerd. Er vindt een goede koppeling plaats. Als de Belastingdienst actuelere gegevens van de aanvrager heeft, wordt het inkomen dat door de burger gebruikt is om een voorschot op een toeslag aan te vragen aangepast. Als de Belastingdienst er niet helemaal zeker van is dat een nieuw gegeven tot aanpassing van een toeslag moet leiden, wordt de burgers een brief gestuurd of wordt er telefonisch contact opgenomen om hen over een mogelijke wijziging van hun inkomen te informeren. De aanpassingen van het voorschot op basis van actuele inkomensgegevens vinden plaats in de periode van april tot en met oktober van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

De leden van de fractie van het CDA vragen of op alle beschikkingen en voorschotten het toetsingsinkomen vermeld staat, op basis waarvan de toeslag gebaseerd wordt. Bij de beschikking die de aanvrager ontvangt wordt verwezen naar «Mijn toeslagen» op de website www.toeslagen.nl waar de gegevens zijn opgenomen waarmee de toeslag is berekend. Hierbij wordt ook het toetsingsinkomen vermeld.

De leden van de fractie van D66 vragen om een geactualiseerd overzicht van fiscale wetswijzigingen en maatregelen met inwerkingtredingsdatum na 1 januari 2020. De leden van de fractie van het CDA vragen welke fiscale wetten het kabinet van plan is in het eerste half jaar van 2020 bij uw Kamer in te dienen. U vindt hieronder een geactualiseerd overzicht van fiscale wetsvoorstellen. In de tabel zijn de voorgenomen datum van indiening in uw Kamer en de datum van inwerkingtreding opgenomen. Omdat het pensioenakkoord ook tot fiscale wetswijzigingen en maatregelen leidt, merk ik hierbij op dat de Minister van SZW over de planning en uitwerking van het pensioenakkoord uw Kamer heeft geïnformeerd in zijn brief van 7 oktober 2019 («roadmap»).1

Tabel 2: Overzicht fiscale wetsvoorstellen

Naam of inhoud wetsvoorstel

Datum indiening Tweede Kamer

Datum inwerkingtreding

Wet excessief lenen bij eigen vennootschap

4e kwartaal 2019

1-1-2022

Implementatie Richtlijn e-commerce (deel II)

1e kwartaal 2020

1-1-2021

Fiscale verzamelwet 2021

Voor de zomer van 2020

1-1-2021

Wet gegevensverwerking Belastingdienst

Voor de zomer van 2020

1-1-2021

Aanpassingen van box 3

Voor de zomer van 2020

1-1-2022

CO2-heffing voor industrie

Uiterlijk Prinsjesdag 2020

 

Pakket Belastingplan 2021

Prinsjesdag 2020

1-1-2021

Nieuwe concernregeling ter vervanging van fiscale eenheid

2020 of 2021

1-1-2022

De leden van de fractie van D66 vragen naar het totale budgettaire belang van de fiscale regelingen, de ontwikkeling hiervan over de afgelopen tien jaar en een vergelijking met andere landen. Het budgettaire belang van de fiscale regelingen die in de Miljoenennota vermeld worden, is feitelijk niet optelbaar. Dit heeft te maken met het feit dat alle aftrekposten in de inkomstenbelasting worden berekend alsof ze de laatste aftrekpost zijn, waardoor het totale budgettaire belang iets wordt onderschat. Gegeven die kanttekening, klopt de bewering dat het budgettaire belang van de regelingen in 2020 op meer dan € 110 miljard wordt geschat. Elke internationale vergelijking loopt mank, doordat het totaalbedrag sterk afhankelijk is van de structuur van het belastingstelsel in het betreffende land en van de definitie van fiscale regelingen die wordt gehanteerd. Ook een vergelijking binnen Nederland met tien jaar geleden is lastig, gezien de mutaties in de lijst met fiscale regelingen, waardoor niet van alle regelingen die nu op de lijst staan ramingen beschikbaar zijn voor tien jaar geleden. Ook beïnvloeden enkele grote posten die sterk zijn geïntensiveerd het totaalbedrag disproportioneel, met name de arbeidskorting die met ruim € 11 miljard is toegenomen tussen 2010 en 2020 en de ouderenkorting die met bijna € 2,5 miljard is toegenomen. Wanneer wordt gekeken naar de groei van het budgettaire belang van de regelingen die nu op de lijst staan, exclusief de heffingskortingen, tussen 2014 (het oudste jaar waarvan voor de meeste posten bedragen beschikbaar zijn) en 2020, dan is de gemiddelde groei per jaar minder dan 1%.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe het fors verhogen van de algemene heffingskorting en vooral de arbeidskorting in het voorliggende Belastingplan past bij de belastinghervormingsadviezen van de afgelopen tien jaar met als rode draad «grondslagen verbreden, tarieven verlagen» en bij het onlangs gestarte bouwstenentraject om tot een toekomstbestendiger en eenvoudiger en wat betreft de leden van de fractie van de ChristenUnie ook rechtvaardiger belastingstelsel te komen. Deze leden valt het op dat bij de belastingen voor bedrijven de doctrine «brede grondslagen, lagere tarieven» meer impact heeft dan bij de belasting voor burgers. Het hoogste tarief van de vennootschapsbelasting (Vpb) daalt structureel nog steeds, terwijl het basistarief in box 1 volgens deze leden structureel stijgt naar meer dan 37%. Zij ontvangen graag een nadere toelichting en verantwoording op deze onderscheiden fiscale bejegening van burgers en bedrijven, mede in het licht van de al genoemde adviezen en het bouwstenentraject. De lijn van veel adviezen om de belastingen te hervormen komt inderdaad neer op «grondslagen verbreden, tarieven verlagen». Tegelijkertijd worden voorstellen ook getoetst op evenwichtige inkomenseffecten en het bevorderen van arbeidsparticipatie. Zo wordt in het advies van de commissie Van Dijkhuizen een aantal maatregelen voorgesteld om de grondslag te verbreden en tarieven te verlagen en een tweeschijvensysteem in te voeren. Ook gaat in het advies de algemene heffingskorting met € 300 en de arbeidskorting met € 410 omhoog. Zodoende kan het verbreden van grondslagen in een belastingadvies samengaan met een verhoging van de algemene heffingskorting en arbeidskorting.

Op de langere termijn is niet te zeggen dat burgers en bedrijven geheel verschillend fiscaal worden bejegend. Zo is het toptarief in de inkomstenbelasting de afgelopen decennia gedaald van 72% – uitgaande van het wetsvoorstel – naar 49,5% in 2020, onder meer gefinancierd door grondslagverbreding. Voor lage inkomens maakt het kabinet de afgelopen jaren vanwege inkomenspolitieke overwegingen vaker een andere keuze, waardoor de algemene heffingskorting wordt verhoogd in plaats van een verlaging van het belastingtarief in de eerste schijf. Per saldo is dit positief voor lage inkomens. De «bouwstenen voor een beter belastingstelsel» zal geen centraal advies bevatten, maar bestaan uit verschillende bouwstenen die opties bevatten. Hiermee is het voor een partij mogelijk om met een combinatie van maatregelen de grondslag in de inkomstenbelasting te verbreden en de tarieven te verlagen.

Het RB pleit in zijn commentaar op het wetsvoorstel Belastingplan 2020 in verband met het per 31 december 2019 verlopen van de termijn voor de omzetting van pensioen in eigen beheer in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting om een verlenging van deze termijn, zodat belastingplichtigen meer tijd hebben om duidelijkheid te verkrijgen over hun fiscale positie in België. De periode voor het uitfaseren van een pensioen in eigen beheer is gestart per 1 april 2017 en eindigt per 31 december 2019. Vanaf 1 januari 2020 kan geen beroep meer worden gedaan op de in het kader van die uitfasering geboden faciliteiten. Het kabinet is van mening dat een overgangsperiode van bijna drie jaar voldoende is om in een grensoverschrijdende situatie met de fiscale autoriteiten van het woonland contact op te nemen om duidelijkheid te verkrijgen over de fiscale behandeling van de gewenste omzetting voor de – in casu – in België woonachtige directeur-grootaandeelhouder. Een verlenging van deze termijn voor een specifieke groep (buitenlandse) belanghebbenden ligt daarom niet voor de hand. In situaties waarin om welke redenen dan ook een omzetting in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting niet vóór 1 januari 2020 heeft plaatsgevonden, blijft het pensioen in eigen beheer bevroren en zal het in beginsel te zijner tijd als oudedagsvoorziening uitgekeerd worden aan de directeur-grootaandeelhouder.

1. Samenstelling pakket Belastingplan 2020

De leden van de fractie van de VVD vragen wat wordt bedoeld met emissievrije auto’s en welke technieken daaronder worden geschaard. De fiscale stimulering voor emissievrije auto’s ziet op auto’s met een CO2-uitstoot van 0 gram per kilometer (g/km) volgend uit de Europees geharmoniseerde emissietest. De fiscale stimulering is daarmee in beginsel techniekneutraal. In de praktijk zijn er op dit moment twee emissievrije aandrijvingstechnieken, te weten batterij-elektrisch en een brandstofcel aangedreven met waterstof. Waterstofauto’s zijn uitgezonderd van de € 50.000-grens (cap) in de bijtelling omdat deze auto’s nog in het beginstadium van de marktintroductie staan. Als er in de toekomst nieuwe auto’s op de markt verschijnen die door middel van een andere techniek emissievrij worden aangedreven dan komen deze auto’s ook in aanmerking voor de op dat moment geldende fiscale stimulering voor emissievrije auto’s.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of er (AEX-) bedrijven zijn met een effectief Vpb-tarief van 0%. Deze leden vragen hoeveel bedrijven er zijn met een effectief Vpb-tarief van 0–5%, 5–10%, 10%-15% enzovoort of het kabinet hier meer informatie over kan geven. Ik kan vanwege artikel 67 van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen (AWR) opgenomen geheimhoudingsplicht niet ingaan op de situatie van individuele belastingplichtigen. In Nederland zijn bedrijven in de vennootschapsbelasting onderworpen aan een toptarief van 25%. Ik heb de Adviescommissie belastingheffing van multinationals gevraagd om te inventariseren door welk soort bedrijven de vennootschapsbelasting momenteel voornamelijk wordt opgebracht, evenals advies uit te brengen voor mogelijke grondslagverbredingen. Ik kan nog niet op de uitkomsten van dit onderzoek vooruitlopen.

2. Opzet algemeen deel

De leden van de fractie van de PVV vragen of het kabinet kan bevestigen dat Nederland nog steeds soeverein is op fiscaal gebied, met inachtneming van de uitspraak van het Europese hof in de Starbucks-zaak. De situatie van de soevereiniteit is onveranderd gebleven, ook na de uitspraak van het Gerecht van de Europese Unie in de Starbucks-zaak.

De leden van de fractie van de PVV vragen in hoeverre het kabinet bereid is om soevereiniteit op fiscaal gebied te blijven verdedigen. Bij elk voorstel van de Europese Commissie (EC) wordt er door het kabinet kritisch gekeken of het Europese voorstel een meerwaarde heeft boven een mogelijk nationale oplossing. Verder wordt er getoetst of de kosten die met het voorstel gemoeid zijn, wel in verhouding staan tot de geboden verandering. Deze subsididariteits- en proportionaliteitstoetsen zorgen ervoor dat er weloverwogen wordt omgegaan met de soevereiniteit.

3. Inkomensbeleid

De leden van de fractie van het CDA vragen vanaf welk arbeidsinkomen uit dienstbetrekking een belastingplichtige, zonder kinderen, belasting verschuldigd is in 2019, 2020 en 2021. Tabel 3 geeft de gevraagde inkomens weer.

Tabel 3: Maximaal arbeidsinkomen waarbij geen inkomstenbelasting verschuldigd is voor een alleenstaande met een dienstbetrekking, zonder kinderen, zonder aftrekposten. Bedragen zijn in euro's

Jaar

Inkomen

2019

7.099

2020

7.850

2021

8.416

De leden van de fractie van D66 vragen of de brutonetto-trajecten van werknemers, ondernemers voor de inkomstenbelasting (IB-ondernemers) en directeur-grootaandeelhouders (dga’s), zoals vorig jaar opgenomen in de tabellen van bijlage I van de nota naar aanleiding van het verslag, geactualiseerd zouden kunnen worden voor de jaren 2019, 2020, 2021 en 2028. Ook wordt gevraagd of de werkgeverslasten, inclusief het lage-inkomensvoordeel, kunnen worden getoond en wat de betekenis van de wijzigingen in 2020 en 2021 is voor deze trajecten.

De tabellen in bijlage II tonen de gevraagde brutonetto-trajecten. In deze tabellen zijn ook werkgeverslasten en het lage-inkomensvoordeel opgenomen. De gebruikte inkomens zijn gebaseerd op de meest recente ramingen van het Centraal Planbureau (CPB), zoals opgenomen in tabel 4.

Tabel 4: Gehanteerde inkomens voor bruto-netto-trajecten per jaar. Bedragen zijn in euro's
 

2019

2020

2021

2028*

WML

21.069

21.563

22.080

23.134

Modaal

35.500

36.500

37.500

39.500

2x modaal

71.000

73.000

75.000

79.000

* (gebaseerd op 2023, laatste jaar MLT-raming)

Bij de berekeningen wordt ervan uitgegaan dat de dga de in een jaar gemaakte winsten volledig uitkeert. Voor 2028 zijn de laatst beschikbare ramingen van het wettelijk minimumloon (WML) en modaal inkomen uit 2023 gehanteerd. Daarnaast is geen rekening gehouden met indexaties vanaf 2023.

In de tabellen wordt zichtbaar dat zowel werknemers, IB-ondernemers en dga profiteren van de invoering van het tweeschijvenstelsel, de verhoging van de algemene heffingskorting en de verhoging van de arbeidskorting. Daarnaast blijkt dat op termijn het verschil in netto-inkomen tussen de IB-ondernemer enerzijds en de werknemer en dga anderzijds wordt verkleind. Dit wordt vooral zichtbaar bij de vergelijking waar de werknemer twee keer modaal verdient.

De leden van de fractie van D66 vragen naar een vergelijking tussen een zelfstandige zonder personeel (zzp’er) die werkt tegen het minimumtarief van € 16 en een werknemer op minimumloon met bijbehorende werkgeverslasten. Een zzp’er met een uurtarief van € 16 die 46 weken per jaar werkt, daarvan 67% van de uren declarabel is en wiens kosten 15% van de omzet bedragen, heeft een winst van minder dan € 17.000. Als deze zzp’er recht heeft op de zelfstandigenaftrek leidt dit ertoe dat per saldo geen inkomstenbelasting en premie voor de volksverzekeringen verschuldigd zijn. Een werknemer met het minimumloon betaalt in 2020 ongeveer € 1.750 aan inkomstenbelasting en premie voor de volksverzekeringen. De werkgeverslasten (inclusief reservering loondoorbetaling bij ziekte en lage inkomensvoordeel) bedragen circa € 3.700.

De leden van de fractie van D66 vragen om nader in te gaan op het tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen beschreven voorbeeld, dat een werknemer 49,5% belasting gaat betalen, een IB-ondernemer 44,3% belasting gaat betalen en een dga 37,9% belasting gaat betalen. Verder vragen deze leden in hoeverre bij dit voorbeeld sprake is van een globaal fiscaal evenwicht. Verder vragen deze leden of daarmee de belastingdruk voor dga’s niet een stuk lager ligt dan die van werknemers en IB-ondernemers, waaronder veel zelfstandigen zonder personeel. Deze leden vragen ook voor welke jaren het verschil in belastingdruk geldt en of vooruitgeblikt kan worden op de situatie in 2028 wanneer de zelfstandigenaftrek is verlaagd tot € 5.000. In het voorbeeld dat ik tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen heb beschreven, wordt het marginale toptarief vergeleken voor drie groepen belastingplichtigen, namelijk de werknemer, de IB-ondernemer en de dga. In tabel 5 is het marginale toptarief zoals dat de aankomende jaren geldt ten aanzien van die groepen belastingplichtigen opgenomen. Als gevolg van de verlaging van het lage Vpb-tarief (voor het deel van de winst tot en met € 200.000) en de aanpassing van het hoge Vpb-tarief (voor het deel van de winst boven € 200.000) in het onderhavige wetsvoorstel in combinatie met de maatregelen in het pakket Belastingplan 2019 waardoor het tarief van box 2 in de inkomstenbelasting wordt aangepast, wordt het structurele marginale toptarief voor aanmerkelijkbelanghouders voor winsten tot € 200.000 37,87% en voor winsten boven € 200.000 42,76%. Het structurele marginale toptarief voor IB-ondernemers wordt 44,31% en voor werknemers 49,50%. De aanpassing van de zelfstandigenaftrek heeft geen effect op de marginaaltariefstructuur omdat de zelfstandigenaftrek inkomensonafhankelijk is. De tabellen in bijlage II (tabellen brutonetto-trajecten) tonen onder meer het effect van de verlaging van de zelfstandigenaftrek op het netto-inkomen van werknemers, IB-ondernemers en dga’s. Het uitgangspunt van het kabinet is dat de fiscale behandeling van de rechtsvorm zo veel mogelijk een vergelijkbare belastingdruk tot gevolg heeft zodat de keuze van de rechtsvorm van een onderneming zo min mogelijk van fiscale factoren afhangt. Het bestaan van een globaal fiscaal evenwichtige behandeling van de verschillende rechtsvormen is daarbij van belang. Dit betekent volgens het kabinet dat de gemiddelde effectieve belastingdruk ten aanzien van werknemers, IB-ondernemers en dga’s niet te veel van elkaar verschilt. Naast dat de belastingdruk op de laatstverdiende euro relevant is bij het beoordelen van de fiscale gevolgen van een bepaalde rechtsvorm is dus met name ook de gemiddelde belasting- en premiedruk van belang.

In het interdepartementaal beleidsonderzoek Zelfstandigen zonder personeel (IBO-ZZP)2 is aanbevolen om het verschil in gemiddelde belasting- en premiedruk tussen de werknemer, de dga en de IB-ondernemer te verkleinen. De maatregelen opgenomen in het pakket Belastingplan 2020 in combinatie met het pakket Belastingplan 2019 waarin de aanpassingen van het box 2-tarief zijn opgenomen – inclusief het pakket heroverweging vestigingsklimaat3 – dragen hieraan bij. Zo komt als gevolg van het onderhavige pakket aan maatregelen de gemiddelde belasting- en premiedruk van IB-ondernemers dichter bij de gemiddelde belasting- en premiedruk van werknemers en dga’s te liggen vanwege de verlagingen van de zelfstandigenaftrek. Hierdoor wordt de fiscale factor in het maken van een keuze in ondernemingsvorm minder relevant. Wel blijft de gemiddelde belasting- en premiedruk van de IB-ondernemer (en bij hogere inkomens ook de gemiddelde belasting- en premiedruk van de dga) ruim onder die van de werknemer liggen. Dit wordt getoond in figuur 1. Hierbij merkt het kabinet op dat de dga de gemaakte winsten niet onmiddellijk en volledig hoeft te laten uitkeren. In dat geval kan de (effectieve) belasting- en premiedruk van een dga lager uitvallen.

Figuur 1: Gemiddelde belasting- en premiedruk na maatregelen Belastingplan 2020 en Belastingplan 2019, inclusief pakket heroverweging vestigingsklimaat (structureel, 2028)

Figuur 1: Gemiddelde belasting- en premiedruk na maatregelen Belastingplan 2020 en Belastingplan 2019, inclusief pakket heroverweging vestigingsklimaat (structureel, 2028)
Tabel 5: Ontwikkeling marginale toptarief

Jaar

Huidig (2019)

2020

2021

Structureel (2023)

Werknemer

51,75%

49,50%

49,50%

49,50%

IB-ondernemer

44,63%

43,06%

43,48%

44,31%

Dga winst <€ 200.000

39,25%

38,42%

37,87%

37,87%

Dga winst >€ 200.000

43,75%

44,69%

42,76%

42,76%

De leden van de fractie van D66 vragen of verdere gedragseffecten verwacht worden nu het lage vennootschapsbelastingtarief wordt verlaagd. Ik verwacht niet dat dit het geval is.

De leden van de fractie van D66 vragen om het aantal dga’s dat een maatschap vormt met een besloten vennootschap (bv), met name in de situatie waarin ondernemers zowel profiteren van de aftrekposten in de inkomstenbelasting als de voordelen van het houden van een bv. Verder vragen deze leden hoe het aantal maatschappen waarvan een bv onderdeel uitmaakt zich heeft ontwikkeld en in hoeverre met het globale fiscale evenwicht rekening wordt gehouden. Het aantal samenwerkingsverbanden tussen een dga en diens bv wordt door de Belastingdienst niet als zodanig bijgehouden. Dat neemt overigens niet weg dat dergelijke samenwerkingsverbanden wel voorkomen in de uitvoeringspraktijk. Aangezien sprake is van een overeenkomst tussen gelieerde partijen zal de inspecteur de gemaakte afspraken, waaronder de winstverdeling en de vergoeding ten tijde van de inbreng, toetsen op hun zakelijke karakter. In hoeverre dergelijke samenwerkingsverbanden voorkomen en hoe deze zich ontwikkelen wordt niet geregistreerd. Het effect op het globale evenwicht is daardoor niet meetbaar.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen een nadere omschrijving van de wijze waarop belasting kan worden ontweken via box 2 in de inkomstenbelasting. Het kabinet merkt op dat het de aanpak van belastingontwijking als speerpunt heeft. Maatregelen tegen zowel belastingontwijking als belastingontduiking voorkomen dat kosten van algemene voorzieningen worden afgewenteld op belastingplichtigen die niet de grenzen van wat nog mogelijk is opzoeken of overschrijden. Meer specifiek met betrekking tot box 2 kan het volgende worden opgemerkt. Op het moment dat een aanmerkelijkbelanghouder inkomen geniet uit zijn aandelen in box 2 is hierover inkomstenbelasting verschuldigd. Daarnaast zijn inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen verschuldigd over het loon dat de aanmerkelijkbelanghouder in zijn functie als directeur-grootaandeelhouder geniet. Een directeur-grootaandeelhouder heeft als aanmerkelijkbelanghouder nauwe verbondenheid met de vennootschap waarin hij de aandelen houdt, waardoor hij bijvoorbeeld de mogelijkheid heeft gelden te lenen van de eigen vennootschap in plaats van deze gelden als loon of dividend uit te laten keren. Door gelden te lenen kan de aanmerkelijkbelanghouder de belastingheffing over deze gelden langdurig uitstellen of in sommige gevallen zelfs afstellen. In dat geval kan sprake zijn van belastingontwijking. Dit uitstel wordt in excessieve gevallen tegengegaan door middel van het wetsvoorstel Wet excessief lenen bij eigen vennootschap, dat op Prinsjesdag in 2018 is aangekondigd. Hierdoor worden leningen die meer bedragen van € 500.000 aangemerkt als een fictief regulier voordeel waarover belasting in box 2 is verschuldigd. Naast de voornoemde maatregel maakt de wijze waarop kapitaalinkomen van aanmerkelijkbelanghouders in de belastingheffing wordt betrokken onderdeel uit van het bouwstenenonderzoek. In dit onderzoek wordt ook aandacht besteed aan mogelijkheden van een aanmerkelijkbelanghouder om box 2-heffing uit te stellen.

De leden van de fractie van de PvdD vragen om een heldere grafische weergave waarin de wijzigingen in de belastingdruk als gevolg van de tariefveranderingen in de inkomstenbelasting worden weergegeven. In figuur 2 wordt weergegeven hoe de gemiddelde belasting- en premiedruk in 2020 verandert door de voorgestelde wijzigingen van de tarieven in de inkomstenbelasting uit alleen het wetsvoorstel Belastingplan 2020. Dit betreft, ten opzichte van de situatie na het Belastingplan 2019 (exclusief de thans voorgestelde wijzigingen van die wet), een verhoging van het tarief in de huidige eerste schijf met 0,3%, een verlaging van het tarief in de huidige tweede en derde schijf met 0,45% en een verlaging van het toptarief met 1,0%.

Figuur 2: Gemiddelde belasting- en premiedruk voor werkende alleenstaande zonder aftrekposten en zonder kinderen in 2020. Vergelijking tussen situatie na Belastingplan 2019 en situatie na alleen de aanpassing van de inkomstenbelastingtarieven op grond van Belastingplan 2020

Figuur 2: Gemiddelde belasting- en premiedruk voor werkende alleenstaande zonder aftrekposten en zonder kinderen in 2020. Vergelijking tussen situatie na Belastingplan 2019 en situatie na alleen de aanpassing van de inkomstenbelastingtarieven op grond van Belastingplan 2020

Om een volledig beeld van de in dit kader relevante wijzigingen van de inkomstenbelasting te schetsen, is het van belang om ook de wijzigingen in de heffingskortingen in de figuur op te nemen. Figuur 3 toont daarom de gemiddelde belasting- en premiedruk voor een werkende alleenstaande zonder kinderen, inclusief het effect van de heffingskortingen. In de figuur wordt een vergelijking gemaakt tussen de druk vóór het Belastingplan 2019 (en dus voor de meeste fiscale wijzigingen van dit kabinet waren ingevoerd), na Belastingplan 2019 en na Belastingplan 2020.

Figuur 3: Gemiddelde belasting- en premiedruk voor werkende alleenstaande zonder aftrekposten en zonder kinderen in 2020. Vergelijking tussen situatie vóór Belastingplan 2019, na Belastingplan 2019 en na Belastingplan 2020

Figuur 3: Gemiddelde belasting- en premiedruk voor werkende alleenstaande zonder aftrekposten en zonder kinderen in 2020. Vergelijking tussen situatie vóór Belastingplan 2019, na Belastingplan 2019 en na Belastingplan 2020

De leden van de fractie van 50PLUS vragen hoeveel belastingplichtigen gebruikmaken van zowel de arbeidskorting als de zelfstandigenaftrek en hoeveel belastingplichtigen daarnaast ook nog recht hebben op de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK). Naar schatting hebben in 2019 circa 630.000 belastingplichtigen recht op zowel de zelfstandigenaftrek als de arbeidskorting. Naar schatting hebben circa 50.000 belastingplichtigen daarnaast ook nog recht op de IACK.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen hoeveel gepensioneerden recht hebben op de arbeidskorting. Zij vragen daarnaast of er aanwijzingen zijn dat veel werkende gepensioneerden of hun werkgevers vergeten de arbeidskorting toe te passen en of er voor deze groep ook wel eens sprake is van verzilveringsproblematiek. Circa 430.000 gepensioneerden hebben recht op de arbeidskorting, omdat zij naast hun Algemene Oudersdomswetuitkering (AOW-uitkering) nog loon- of winstinkomen genieten.

Werkgevers worden onder andere door middel van het Handboek Loonheffingen geïnformeerd en dienen de regels (waaronder die van de arbeidskorting) zelf toe te passen. Binnen de Belastingdienst zijn geen signalen bekend dat werkgevers in dit geval vergeten om de arbeidskorting toe te passen. Niet uit te sluiten valt dat dit in een incidenteel geval voorkomt. Bij een combinatie van een AOW-uitkering en loon kan het voorkomen dat een belastingplichtige ervoor kiest om de loonheffingskorting te laten toepassen door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). In dat geval wordt de arbeidskorting niet toegepast. Dit kan via de inkomstenbelasting worden rechtgetrokken. Als de belastingplichtige ervoor kiest om de loonheffingskorting te laten toepassen op het loon, in plaats van op de AOW-uitkering, dan wordt gelijk rekening gehouden met de arbeidskorting.

AOW-gerechtigden met recht op arbeidskorting kunnen een deel van hun heffingskortingen niet verzilveren als zij een laag inkomen of relatief hoge aftrekposten hebben. Zo kan een werkende AOW-er die deel uitmaakt van een AOW-paar en geen aanvullend pensioen heeft tot een arbeidsinkomen van circa € 5.000 een deel van zijn heffingskortingen niet verzilveren. Een alleenstaande AOW-gerechtigde zonder aanvullend pensioen kan tot een arbeidsinkomen van circa € 3.000 een deel van zijn heffingskortingen niet verzilveren. Deze rekenvoorbeelden zijn gebaseerd op een situatie zonder aftrekposten.

De leden van de fractie van de VVD vragen naar de hoogte van de algemene heffingskorting in de afgelopen tien jaar. Verder vragen zij wie precies profiteren van de algemene heffingskorting en hoe de verhouding tussen actieven en inactieven is.

Tabel 6 geeft de ontwikkeling weer van de maximale algemene heffingskorting in de afgelopen tien jaar.

Tabel 6: Ontwikkeling algemene heffingskorting 2010-2019

Jaar

Maximale algemene heffingskorting (in euro’s)

2010

1.987

2011

1.987

2012

2.033

2013

2.001

2014

2.103

2015

2.203

2016

2.242

2017

2.254

2018

2.265

2019

2.477

Vanaf 2014 wordt de algemene heffingskorting gedeeltelijk afgebouwd voor inkomens boven het eindpunt van de eerste schijf. Vanaf 2016 wordt de algemene heffingskorting volledig afgebouwd tussen de eindpunten van de eerste en de derde schijf.

In 2019 profiteert iedereen met een belastbaar inkomen uit werk en woning van minder dan € 68.507 in beginsel van de algemene heffingskorting. Een deel van de belastingplichtigen kan de algemene heffingskorting niet (volledig) verzilveren, doordat zij weinig of geen inkomstenbelasting betalen. In 2019 is de algemene heffingskorting nog voor 26,667 procent uitbetaalbaar, mits de partner voldoende belasting is verschuldigd. Hierdoor kunnen ook partners in alleenverdienerhuishoudens nog gedeeltelijk van de algemene heffingskorting profiteren, ook als zij geen inkomen hebben en geen belasting betalen. Zowel actieven als inactieven profiteren van de algemene heffingskorting. Waarschijnlijk kunnen inactieven hun algemene heffingskorting wel minder vaak volledig verzilveren, omdat zij gemiddeld een lager inkomen hebben.

De leden van de fractie van de VVD vragen wat het verschil in profijt is tussen een euro verhoging van de arbeidskorting en een euro verhoging van de algemene heffingskorting en of dit kwantitatief uitgesplitst kan worden. Voor de beantwoording van deze vraag is uitgegaan van het jaar 2020 en de situatie dat belastingplichtigen hun heffingskortingen volledig kunnen verzilveren.

Van een verhoging van de algemene heffingskorting met een euro profiteren alle belastingplichtigen met een belastbaar inkomen uit werk en woning van minder dan € 68.507. Voor belastingplichtigen met een inkomen tot € 20.711 is het voordeel een euro. Voor belastingplichtigen met een inkomen tussen € 20.711 en € 68.507 neemt het voordeel geleidelijk af tot nihil.

Van een verhoging van de arbeidskorting met een euro profiteren alleen werkende belastingplichtigen en zelfstandigen met een arbeidsinkomen van minder dan € 98.587. Als de arbeidskorting generiek verhoogd wordt door het eerste opbouwpercentage te verhogen en overige op- en afbouwpercentages onveranderd te laten, dan is het voordeel voor inkomens tussen € 9.928 en € 98.587 precies een euro. Als gevolg van de verhoging van het eerste opbouwpercentage stijgt namelijk het bedrag van de arbeidskorting met een euro bij alle knikpunten en bij het huidige afbouwpunt van de arbeidskorting. Voor lagere inkomens stijgt het voordeel van nul naar een euro naarmate het inkomen dichterbij € 9.928 ligt.

De leden van de fractie van het CDA vragen waarom de afbouw van de zelfstandigenaftrek en de verhoging van de arbeidskorting niet in hetzelfde tempo plaatsvinden. Het kabinet stelt voor om de extra verhoging van de arbeidskorting in een sneller tempo in te voeren, zodat alle werkenden, zowel zelfstandigen als werknemers, hier eerder van kunnen profiteren.

De leden van de fractie van het CDA vragen waarom de opbrengst van de afbouw van de zelfstandigenaftrek wordt gereserveerd en niet wordt gebruikt ter gedeeltelijke dekking van de verhoging van de arbeidskorting. In de voorstellen van het kabinet is alleen de oploop van de opbrengst van de verlaging van de zelfstandigenaftrek na 2022 onderdeel van de reservering voor verdere stappen op weg naar een toekomstbestendige arbeidsmarkt, bijvoorbeeld in reactie op de Commissie Regulering van werk. De extra verhoging van de arbeidskorting is in 2022 reeds voltooid, zodat de opbrengst daarvoor niet meer kan worden gebruikt.

De leden van de fractie van de PvdD vragen wat de reden is om het verschil in de fiscale behandeling tussen zelfstandigen en werknemers te verkleinen, vanuit de gedachte dat kleine zelfstandigen meer risico’s lopen dan werknemers. Ook vragen zij op welke wijze zelfstandigen voor het feit dat zij meer risico lopen fiscaal worden gecompenseerd. Het kabinet constateert dat zelfstandigen hun arbeid goedkoper kunnen aanbieden dan werknemers, bijvoorbeeld door zich in mindere mate te verzekeren, maar ook door het verschil in de fiscale behandeling. Het kabinet wil deze verschillen verkleinen. Daarom is het voorstel de arbeidskorting te verhogen en de zelfstandigenaftrek te verlagen. Daarnaast is het belangrijk dat alle werkenden voldoende verzekerd zijn voor risico’s als arbeidsongeschiktheid en ouderdom. In het Pensioenakkoord is daarom onder andere afgesproken dat er een wettelijke verzekeringsplicht voor zelfstandigen komt tegen het arbeidsongeschiktheidsrisico. De uitwerking daarvan is bij de sociale partners belegd. Het kabinet heeft aan de Commissie Regulering van werk om advies gevraagd over samenhangende aanpassingen van het arbeidsrecht, de sociale zekerheid en de fiscaliteit.

De leden van de fractie van de PvdD vragen of de verlaging van de zelfstandigenaftrek relatief ongunstig uitpakt voor zelfstandigen met een relatief laag inkomen en zo ja, wat de rechtvaardiging hiervoor is. Het kabinet hecht eraan het voorstel om de arbeidskorting extra te verhogen en de zelfstandigenaftrek te verlagen in samenhang te bezien. Mede door de extra verhoging van de arbeidskorting gaan de meeste zelfstandigen per saldo niet meer inkomstenbelasting betalen dan nu. Omdat de arbeidskorting bij een zeker inkomen volledig is afgebouwd, zijn de maatregelen per saldo ongunstig voor zelfstandigen met de hoogste inkomens.

De leden van de fractie van de ChristenUnie steunen het voorstel om het verschil in fiscale behandeling tussen zelfstandigen en werknemers te verkleinen. Deze leden vragen om een reactie op hun oproep om na een aantal relatief geïsoleerde maatregelen in te zetten op een samenhangend en consistent pakket, waarmee de (fiscale) verschillen tussen de verschillende typen werkenden worden verkleind. Het kabinet steunt de oproep van deze leden. Het kabinet heeft aan de Commissie Regulering van werk om advies gevraagd over samenhangende aanpassingen van het arbeidsrecht, de sociale zekerheid en de fiscaliteit.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het kabinet heeft overwogen om de zelfstandigenaftrek verder terug te brengen of geheel af te schaffen. Het kabinet stelt alles afwegende thans voor om de arbeidskorting te verhogen en de zelfstandigenaftrek te verlagen. Daarbij acht het kabinet de voorgestelde maatvoering het meest opportuun. De zelfstandigenaftrek gaat met circa een derde omlaag terwijl tegelijkertijd, mede als gevolg van de verhoging van de arbeidskorting, de meeste zelfstandigen per saldo niet meer inkomstenbelasting gaan betalen dan nu.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of bij het verkleinen van het verschil in de fiscale behandeling tussen zelfstandigen en werknemers ook is overwogen om de lasten te verlagen voor onder meer IB-ondernemers met personeel. Het kabinet hecht veel belang aan betaalbare lasten op arbeid voor het midden- en kleinbedrijf (mkb). In het voorliggende wetsvoorstel zit bijvoorbeeld het voorstel om de werkkostenregeling per 2020 zodanig te verruimen dat deze wijziging met name voor kleine werkgevers gunstig is. Ook in het kader van loondoorbetaling bij ziekte verlaagt het kabinet per 2021 de lasten op arbeid gericht op kleinere werkgevers. Deze maatregelen gelden zowel voor werkgevers die ook IB-ondernemer zijn als voor werkgevers met een andere rechtsvorm. Deze maatregelen zijn niet specifiek aan de orde geweest bij het voorstel om het verschil in fiscale behandeling tussen zelfstandigen en werknemers te verkleinen.

De leden van de fractie van de CU vragen om een aantal aanvullende tabellen voor de marginale druk, namelijk voor alleenstaanden, minstverdieners in loondienst, zelfstandigen, belastingplichtigen met € 10.000 aan aftrekposten en gepensioneerden. Voor deze tabellen over de marginale druk is aangenomen dat het huishouden in een huurwoning woont en dus geen gebruikmaakt van hypotheekrenteaftrek. Slechts een zeer beperkt aantal huishoudens zal in de praktijk dan aftrekposten hebben van meer dan € 10.000. Daarnaast geldt dat voor gepensioneerden de marginale druk niet relevant is, omdat zij niet werkzaam meer zijn en er bij deze huishoudens dus niet meer sprake is van een inkomensstijging als gevolg van meer werken. Voor de overige groepen zijn de tabellen opgenomen in bijlage III. Bij de berekeningen is steeds uitgegaan van een huishouden met twee kinderen in de leeftijd 6 tot 11 in een huurwoning met huur van € 549 per maand. Voor huishoudens zonder kinderen of in een koopwoning zullen de pieken in de marginale druk doorgaans een stuk lager zijn, omdat zij minder recht hebben op bepaalde inkomensondersteuning en daardoor ook geen last hebben van afbouwtrajecten.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het kabinet voldoende aandacht heeft voor de werkgeverslasten, en of deze onderdeel uitmaken van het hervormingspakket. Het kabinet vindt een evenwichtige verdeling van de lasten van belang, waarbij ook naar de werkgeverslasten wordt gekeken. Zo heeft het kabinet in december 2018 € 450 miljoen gereserveerd om de werkgeverslasten voor met name het mkb te verlagen. Het kabinet heeft binnen het lastenverlichtingspakket huishoudens € 0,6 miljard structureel gereserveerd op weg naar een toekomstbestendige arbeidsmarkt, bijvoorbeeld in reactie op de commissie Borstlap. Een specifieke invulling van deze reservering is bewust nog niet bepaald. Of werkgeverspremies hier een onderdeel van zijn kan daarom niet gezegd worden.

De leden van de fractie van de VVD vragen wat het zou kosten om de afbouw van de algemene heffingskorting af te schaffen en wat het voordeel hiervan zou zijn. Het afschaffen van de afbouw van de algemene heffingskorting kost € 8,2 miljard in 2020. Belastingplichtigen met een inkomen uit werk en woning van meer dan € 20.711 zouden profiteren van het afschaffen van de afbouw van de algemene heffingskorting. Belastingplichtigen met een inkomen uit werk en woning van meer dan € 68.507 profiteren het meest, omdat zij in de huidige situatie helemaal geen recht hebben op algemene heffingskorting. Daarnaast leidt het afschaffen van de afbouw tot een minder complex belastingstelsel en een lagere marginale druk tussen inkomens van € 20.711 en € 68.507.

De leden van de fractie van de SP vragen naar de totale som van de herverdeling via heffingskortingen. Daarnaast vragen zij welke kortingen voor welke inkomensgroepen worden toegepast.

Het budgettair belang van alle heffingskortingen wordt geschat in bijlage 9 bij de Miljoenennota. Tabel 7 geeft het budgettair belang per heffingskorting weer voor 2020. Dit budgettaire belang is een inschatting van het budgettaire effect als alleen de betreffende heffingskorting afgeschaft zou worden. Vanwege mogelijke interactie-effecten kunnen de bedragen niet bij elkaar opgeteld worden om het totale budgettair belang te berekenen.

Tabel 7: Budgettair belang heffingskortingen. Bedragen zijn in miljoenen euro's

Heffingskorting

Budgettair belang 2020

Algemene heffingskorting

23.789

Arbeidskorting

21.084

IACK

1.752

Jonggehandicaptenkorting

182

Alleenstaande ouderenkorting

456

Ouderenkorting

3.749

De algemene heffingskorting is in 2020 maximaal (€ 2.711) voor mensen met een belastbaar inkomen tot € 20.711. Tussen € 20.711 en € 68.507 wordt deze korting met 5,672% afgebouwd. Mensen met een belastbaar inkomen boven € 68.507 hebben geen recht op de algemene heffingskorting.

De arbeidskorting kent in 2020 drie verschillende opbouwtrajecten tussen een arbeidsinkomen van € 0 en een arbeidsinkomen van € 34.989. Bij een arbeidsinkomen van € 34.989 is deze korting maximaal, daarboven geldt een afbouw van 6%. Inkomens boven € 98.639 hebben geen recht op arbeidskorting.

De IACK geldt alleen voor minstverdieners of alleenstaanden met een kind tot 12 jaar. Deze korting bouwt vanaf een arbeidsinkomen van € 5.072 op met 11,45%, tot het maximum van € 2.881 bereikt is bij een inkomen van € 30.234. Er geldt geen afbouw.

De ouderenkorting is maximaal (€ 1.622) tot een verzamelinkomen van € 37.372. Daarboven wordt de korting afgebouwd met 15% tot € 48.185; bij hogere verzamelinkomens is de ouderenkorting € 0.

De jonggehandicaptenkorting en alleenstaande ouderenkorting zijn niet inkomensafhankelijk.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of de getallen en percentages in de tabel bij het antwoord op vraag 44 (feitelijke vragen Miljoenennota 2020) aantallen gebruikers of bedragen in euro’s representeren. Zij vragen ook naar het totaalbedrag aan heffingskortingen dat jaarlijks niet verzilverd wordt en of de tabel bij het antwoord op vraag 44 aangevuld kan worden met aantallen gebruikers of bedragen.

De cijfers in de tabel bij het antwoord op vraag 44 bij de Miljoenennota geven het totale recht op heffingskortingen in miljoenen euro’s weer. Het percentage dat in die tabel is opgenomen is het gedeelte van het totale recht dat verzilverd wordt. Tabel 8 geeft het totale recht in euro’s weer en de uitsplitsing naar het verzilverde en niet-verzilverde deel van dit totale recht.

Tabel 8: Verzilvering van heffingskortingen in 2020 (in miljoenen euro's)

Verzilvering in 2020

Totaal recht

Verzilverd

Niet verzilverd

Algemene heffingskorting

27.623

23.075

4.548

Arbeidskorting

21.401

21.134

267

IACK

1.823

1.784

39

Ouderenkorting

4.489

4.067

422

Alleenstaande ouderenkorting

587

566

21

Jonggehandicaptenkorting

183

176

7

Tabel 9 geeft voor dezelfde heffingskortingen het aantal belastingplichtigen weer dat recht heeft op de heffingskorting in 2020. De derde kolom van tabel 9 geeft het aantal belastingplichtigen weer dat de betreffende heffingskorting volledig op basis van het eigen inkomen kan verzilveren en in de vierde kolom is dat aantal uitgedrukt als percentage van het totaal aantal belastingplichtigen dat recht heeft op de korting.

Tabel 9: Aantal belastingplichtigen met recht op heffingskortingen in 2020 (in duizenden personen en als percentage)

Verzilvering in 2020

Aantal belastingplichtigen

Volledig verzilverd tegen eigen inkomen

Als percentage

Algemene heffingskorting

13.774

9.959

72%

Arbeidskorting

9.724

7.909

81%

IACK

984

757

77%

Ouderenkorting

2.874

1.820

63%

Alleenstaande ouderenkorting

1.346

1.003

74%

Jonggehandicaptenkorting

244

218

89%

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of het kabinet per heffingskorting kan aangeven welk deel niet meer verzilverd kan worden in 2017, 2018, 2019 en 2020 en of hier een trend zichtbaar is. Verder vragen zij of het kabinet kan aangeven welke groepen het meest getroffen worden door het niet meer kunnen verzilveren van de ouderenkorting en de algemene heffingskorting en of dat toegespitst kan worden op alleenstaanden of samenwonenden die twee keer de korting genieten.

Tabel 10 geeft het niet-verzilverde deel van een aantal heffingskortingen in de jaren 2017 tot en met 2020 in miljoenen euro’s. Tabel 11 geeft het niet-verzilverde deel als percentage van het totale recht op de betreffende heffingskorting.

Tabel 10: Niet-verzilverde deel van heffingskortingen (in miljoenen euro's)
 

2017

2018

2019

2020

Algemene heffingskorting

3.317

3.429

3.946

4.548

Arbeidskorting

203

198

218

267

IACK

79

77

34

39

Ouderenkorting

238

297

411

422

Alleenstaande ouderenkorting

12

15

22

21

Jonggehandicaptenkorting

6

6

7

7

Tabel 11: Niet-verzilverde deel van heffingskortingen (als percentage van het totale recht op de betreffende korting)
 

2017

2018

2019

2020

Algemene heffingskorting

14%

15%

16%

16%

Arbeidskorting

1%

1%

1%

1%

IACK

4%

4%

2%

2%

Ouderenkorting

7%

8%

10%

9%

Alleenstaande ouderenkorting

2%

3%

4%

4%

Jonggehandicaptenkorting

4%

4%

4%

4%

De trend die zichtbaar is in tabellen 10 en 11 is voornamelijk te verklaren uit de beleidsmatige verhogingen van de diverse heffingskortingen in de afgelopen jaren. Bij de IACK is het niet-verzilverde bedrag gedaald in 2019 ten opzichte van de jaren daarvoor als gevolg van het afschaffen van de vaste voet in de IACK. Bij de ouderenkorting is het niet-verzilverde deel vanaf 2019 toegenomen vanwege de intensivering in de ouderenkorting.

Belastingplichtigen voor wie het recht op heffingskortingen groter is dan de verschuldigde inkomstenbelasting kunnen een deel van de heffingskortingen niet verzilveren, maar betalen ook geen inkomstenbelasting. Het niet volledig kunnen verzilveren van de ouderenkorting en de algemene heffingskorting zal vooral een rol spelen bij AOW-gerechtigden met een laag inkomen of hoge aftrekposten. Dit geldt zowel voor alleenstaande ouderen als samenwonende ouderen. Samenwonende ouderen ontvangen per persoon een lager AOW-bedrag, wat de kans op het niet volledig kunnen verzilveren van heffingskortingen vergroot. Anderzijds hebben zij geen recht op de alleenstaande ouderenkorting en kunnen zij soms gebruikmaken van de gedeeltelijke uitbetaalbaarheid van heffingskortingen, hetgeen deze kans juist verkleint.

De leden van de fractie van het CDA vragen hoeveel AOW-gerechtigden te maken hebben met verzilveringsproblematiek, omdat zij onvoldoende inkomen hebben om de heffingskortingen te verzilveren. In 2020 hebben ongeveer 2,9 miljoen AOW-gerechtigden recht op de ouderenkorting. Ongeveer 1,8 miljoen van deze AOW-gerechtigden (63 procent) kan de ouderenkorting (en de andere heffingskortingen waar zij recht op hebben) volledig zelf verzilveren. De belastingplichtigen die de heffingskortingen niet volledig zelf kunnen verzilveren betalen ook geen inkomstenbelasting.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het uitvoerbaar zou zijn om de ouderenkorting uit te betalen als er onvoldoende inkomen is. Ik neem aan dat de achtergrond van deze vraag is gelegen in het feit dat een deel van de belastingplichtigen met recht op de ouderenkorting deze korting niet volledig kan verzilveren. Het niet kunnen verzilveren van heffingskortingen is goed in beeld en daarmee wordt rekening gehouden bij de koopkracht, ook bij de ouderen. Als er geen belasting meer te betalen is, is er op basis van de huidige wettelijke regeling niets meer om de ouderenkorting tegen weg te strepen. Het is nu niet mogelijk om de ouderenkorting uit te betalen als er onvoldoende inkomen is. Het uitbetaalbaar maken van de ouderenkorting zou overigens in contrast staan met het beleid bij de overige heffingskortingen, waar de uitbetaalbaarheid juist verder afgebouwd wordt de komende jaren.

Om de ouderenkorting uitbetaalbaar te maken zou een wetswijziging nodig zijn en gebruikelijk is dat een uitvoeringstoets wordt uitgevoerd op basis van een uitgewerkt wetsvoorstel. Een oordeel over de uitvoerbaarheid van een dergelijke regeling kan ik om die reden op dit moment niet geven. Ik heb overigens al eerder toegezegd het niet kunnen verzilveren van heffingskortingen mee te nemen als thema bij een nieuw stelsel4

De leden van de fractie van de VVD vragen hoe de tabelcorrectiefactor precies wordt vastgesteld en wat de effecten hiervan zijn. De tabelcorrectiefactor wordt berekend op basis van afgeleide consumentenprijsindexcijfers (CPI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). De afgeleide CPI is gelijk aan de gewone CPI, exclusief het effect van veranderingen in de tarieven van productgebonden belastingen en subsidies. Voor de tabelcorrectiefactor 2020 worden de prijsindexcijfers uit het eerste halfjaar van 2019 en het laatste halfjaar van 2018 afgezet tegen de prijsindexcijfers uit het eerste halfjaar van 2018 en het laatste halfjaar van 2017. De tabelcorrectiefactor voor 2020 is 1,016. Met deze factor worden onder andere verschillende parameters in de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), zoals schijfgrenzen en heffingskortingen, jaarlijks automatisch verhoogd of verlaagd.

De leden van de fractie van de VVD vragen wat de kosten of opbrengsten zijn wanneer deze factor verhoogd of verlaagd wordt. Als de tabelcorrectiefactor een procentpunt hoger zou uitkomen (dus op 1,026) dan kost dit € 630 miljoen als gevolg van hogere schijfgrenzen en heffingskortingen in de loon- en inkomstenbelasting en premie volksverzekering. Als de tabelcorrectiefactor een procentpunt lager uitkomt (dus op 1,006) dan levert dit € 630 miljoen op als gevolg van lagere schijfgrenzen en heffingskortingen in de loon- en inkomstenbelasting en premie volksverzekering. De tabelcorrectiefactor werkt ook door op andere parameters in zowel de directe als indirecte belastingen. Hierbij kan een tegengesteld effect gelden: zo leidt een hogere tabelcorrectiefactor tot een hogere opbrengst bij de motorrijtuigenbelasting (mrb) en bij sommige accijnzen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen aan te geven welke landen die lid zijn van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) geen progressieve inkomstenbelasting kennen. Voor de beantwoording van deze vraag is gebruikgemaakt van tabel 3.4 uit Taxing Wages 2017–2018, gepubliceerd door de OESO. Er wordt een vergelijking gemaakt tussen de belastingdruk van een alleenstaande zonder kind op 67% en 167% van het gemiddelde loon. In de meeste landen is de belastingdruk (als percentage van het brutoinkomen) hoger voor het hogere inkomen. Alleen in Hongarije is dit percentage gelijk. Ook in Nederland is de inkomstenbelasting progressief, zowel voor als na invoering van het tweeschijvenstelsel.

De leden van de fractie van de VVD vragen naar een historisch overzicht van het toptarief van de inkomstenbelasting in Nederland. Dit overzicht wordt weergegeven in tabel 12.

Tabel 12: Toptarief inkomstenbelasting in Nederland tussen 1960 en 2021

Jaar

Toptarief

           

1960

70,50%

 

1981

72,00%

 

2002

52,00%

1961

70,50%

 

1982

72,75%

 

2003

52,00%

1962

70,50%

 

1983

72,00%

 

2004

52,00%

1963

70,50%

 

1984

72,00%

 

2005

52,00%

1964

70,50%

 

1985

72,00%

 

2006

52,00%

1965

70,50%

 

1986

72,00%

 

2007

52,00%

1966

70,50%

 

1987

72,00%

 

2008

52,00%

1967

70,50%

 

1988

72,00%

 

2009

52,00%

1968

70,50%

 

1989

72,00%

 

2010

52,00%

1969

70,50%

 

1990

60,00%

 

2011

52,00%

1970

70,50%

 

1991

60,00%

 

2012

52,00%

1971

ca. 72,5%

 

1992

60,00%

 

2013

52,00%

1972

ca. 73,0%

 

1993

60,00%

 

2014

52,00%

1973

71,00%

 

1994

60,00%

 

2015

52,00%

1974

71,00%

 

1995

60,00%

 

2016

52,00%

1975

71,00%

 

1996

60,00%

 

2017

52,00%

1976

72,00%

 

1997

60,00%

 

2018

51,95%

1977

72,00%

 

1998

60,00%

 

2019

51,75%

1978

72,00%

 

1999

60,00%

 

2020

49,50%

1979

72,00%

 

2000

60,00%

 

2021

49,50%

1980

72,00%

 

2001

52,00%

     

De leden van de fractie van de VVD vragen daarnaast naar het toptarief van omliggende landen en het bijbehorende drempelinkomen. Voor de beantwoording van deze vraag is gebruikgemaakt van gegevens uit Taxing Wages 2017–2018, gepubliceerd door de OESO. De toptarieven en inkomensgrenzen zijn samengevat in tabel 13.

Tabel 13: Toptarief inkomstenbelasting en inkomensgrens voor omliggende landen in 2018

Land

Toptarief

Vanaf inkomen

België

50%

€ 39.660

Duitsland

45%

€ 260.533

Luxemburg

45,78% (incl. solidariteitsbijdrage)

€ 200.004

Verenigd Koninkrijk

45%

£ 150.000

Frankrijk

45%

€ 156.244

De leden van de fractie van de SP vragen of degenen die in de tweede en derde schijf belasting betalen een lager percentage inkomstenbelasting gaan betalen. Voor deze belastingplichtigen geldt dat voor het gedeelte van hun inkomen dat in de huidige eerste schijf valt een hoger tarief zal gelden, en voor het gedeelte in de huidige tweede en derde schijf een lager tarief.

De leden van de fractie van de SP vragen de effecten van de verhoging van het tarief van de huidige eerste schijf, de verlaging van de tarieven in de huidige tweede tot en met vierde schijf en de verhoging van de algemene heffingskorting en arbeidskorting uit te splitsen naar verschillende inkomensgroepen (WML tot en met 5x WML). Daarnaast vragen zij naar het totale effect van deze maatregelen per inkomensgroep. Ook de leden van de fractie van de VVD vragen naar het voordeel van de lastenverlichting voor een aantal voorbeeldhuishoudens. Voor 2020 zat al een aantal wijzigingen in de inkomstenbelasting in het basispad, met name als gevolg van maatregelen uit het Belastingplan 2019. De besluiten uit de augustusbesluitvorming zijn neergeslagen in het onderhavige wetsvoorstel en de effecten daarvan, ten opzichte van het basispad, worden weergegeven in tabel 14. De totale effecten van alle wijzigingen in 2020 ten opzichte van 2019 worden weergegeven in tabel 15. In aanvulling op deze tabellen wijs ik op het antwoord op vraag 133 bij de Miljoenennota. In dat antwoord wordt voor een aantal huishoudens het effect in 2021 getoond.

De inkomenseffecten in deze tabellen geven slechts een partieel beeld en kunnen niet gebruikt worden als indicatie voor koopkrachtmutaties. In dit overzicht missen namelijk onder andere overige fiscale maatregelen (zoals de tariefmaatregel die het voordeel van bepaalde aftrekposten voor hoge inkomens verkleint), wijzigingen in toeslagen, loonstijging en inflatie.

Tabel 14: Effecten van verschillende IB-maatregelen in Belastingplan 2020 voor een alleenstaande werkende ten opzichte van het basispad in 2020. Bedragen zijn in €, positieve bedragen betekenen een hoger netto inkomen

Inkomensgroep

Effect verhoging tarief huidige 1e schijf

Effect verlaging tarief huidige 2e t/m 4e schijf

Effect verhoging algemene heffingskorting

Effect verhoging arbeidskorting

Totale effect van deze maatregelen

WML

– 62

4

77

106

124

2xWML

– 62

101

41

106

186

3xWML

– 62

198

6

106

248

4xWML

– 62

393

0

106

436

5xWML

– 62

608

0

0

546

Tabel 15: Effecten van verschillende IB-maatregelen voor een alleenstaande werkende in 2020 ten opzichte van 2019. Bedragen zijn in euro's, positieve bedragen betekenen een hoger netto inkomen. Het inkomen is voor beide jaren gelijk verondersteld en gebaseerd op het WML uit 2020

Inkomensgroep

Effect verhoging tarief huidige 1e schijf

Effect verlaging tarief huidige 2e t/m 4e schijf

Effect verhoging algemene heffingskorting

Effect verhoging arbeidskorting

Totale effect van deze maatregelen

WML

– 265

131

246

198

310

2xWML

– 265

293

133

476

637

3xWML

– 265

454

20

476

685

4xWML

– 265

882

0

476

1.093

5xWML

– 265

1.367

0

0

1.103

De leden van de fractie van de SP vragen of het klopt dat degenen die enkel in de eerste schijf belasting betalen per saldo een voordeel van € 150 hebben als gevolg van deze maatregelen. Voor iemand die het WML verdient is het effect van deze maatregelen ten opzichte van het basispad € 124. Ten opzichte van 2019 is het effect van deze maatregelen een stijging van € 310.

Ook vragen de leden van de fractie van de SP naar de effecten van deze maatregelen voor mensen met een inkomen boven en onder de € 68.507. Voor bovenstaande tabellen geldt dat de inkomens van WML, 2xWML en 3xWML lager zijn dan € 68.507 en de inkomens van 4xWML en 5xWML hoger zijn dan € 68.507. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de vergelijking van 2020 ten opzichte van 2019 geen compleet beeld geeft, bijvoorbeeld omdat effecten van de tariefmaatregel (die het voordeel van bepaalde aftrekposten voor inkomens boven € 68.507 beperkt) niet zijn meegenomen.

De leden van de fractie van de SP vragen of het klopt dat de wijzigingen van de belastingtarieven in de loon- en inkomstenbelasting vanaf 2021 € 184 miljoen opleveren en welke inkomens deze opbrengst betalen. Deze bewering klopt als een vergelijking wordt gemaakt ten opzichte van het basispad na het Belastingplan 2019. Ten opzichte van dit basispad stijgt het basistarief van 37,05% naar 37,10%. Dit raakt alle inkomens, omdat ook de hoogste inkomens over de eerste € 68.507 van hun inkomen dit basistarief betalen. Als een vergelijking wordt gemaakt met het basispad aan het begin van deze kabinetsperiode (voor invoering van het tweeschijvenstelsel), leidt de wijziging van de belastingtarieven in de loon- en inkomstenbelasting in 2021 juist tot een lastenverlichting van meer dan € 5 miljard.

De leden van de fractie van de SP vragen naar de verhoging van de belastingdruk op de laagste inkomens als gevolg van de verhoging van het lage btw-tarief en hoe deze zich verhoudt ten opzichte van de fiscale gevolgen door de invoering van het tweeschijvenstelsel. Volgens de statistieken van het CBS zijn de uitgaven onder het verlaagde btw-tarief ongeveer gelijkmatig verdeeld over de verschillende inkomensgroepen als percentage van hun bestedingen. De laagste inkomens profiteren niet van het tweeschijvenstelsel zoals de andere inkomensgroepen dat wel doen. Enerzijds is dit een bewuste keuze van het kabinet geweest: werken meer laten lonen dan bijvoorbeeld het ontvangen van een uitkering. Anderzijds heeft het kabinet ook maatregelen genomen waarvan lagere inkomens profiteren, door bijvoorbeeld de algemene heffingskorting en de zorgtoeslag te verhogen.

De leden van de fractie van de VVD vragen naar het effect van het inzetten van € 600 miljoen om de arbeidskorting te verhogen of de tarieven te verlagen. Indien de verhoging van de arbeidskorting generiek is (dus met vergelijkbare vormgeving als in het voorliggende wetsvoorstel), kan de arbeidskorting met € 80 verhoogd worden. Het basistarief van de inkomstenbelasting (de huidige eerste tot en met derde schijf) zou met 0,16% verlaagd kunnen worden.

De leden van de fractie van de VVD vragen het kabinet aan te tonen dat ook zelfstandigen er komend jaar op vooruitgaan en welke waarborgen er zijn dat zelfstandigen in de jaren erna niet disproportioneel geraakt worden. Het antwoord op deze vraag is beperkt tot de effecten in de inkomstenbelasting voor een zelfstandige en bij de berekening is afgezien van persoonsgebonden aftrekposten en doorwerking op toeslagen.

Ten opzichte van 2019 gaan de meeste zelfstandigen er in 2020 op vooruit. Tabel 16 geeft het effect op de verschuldigde inkomstenbelasting weer voor verschillende winstniveaus. Zelfstandigen met een inkomen tot ongeveer € 26.000 betalen zowel in 2019 als in 2020 geen inkomstenbelasting. De meeste zelfstandigen met een inkomen boven € 26.000 profiteren van de verhogingen van de arbeidskorting en de algemene heffingskorting. Deze verhogingen compenseren de verlaging van de zelfstandigenaftrek voor de meeste zelfstandigen ruimschoots. Zelfstandigen met een winst rond de € 100.000 gaan meer inkomstenbelasting betalen in 2020. Zij hebben geen recht meer op arbeidskorting en ondervinden nadeel van de tariefmaatregel uit het Belastingplan 2019. Voor zelfstandigen met een winst rond de € 150.000 wordt het effect van de tariefmaatregel dan weer ruimschoots gecompenseerd door de verlaging van het toptarief in 2020.

Tabel 16: Verschil in inkomstenbelasting tussen 2019 en 2020 voor zelfstandigen. Bedragen zijn in euro's (– = minder belasting in 2020)

Winst

Inkomstenbelasting

30.000

– 354

40.000

– 511

50.000

– 530

75.000

– 351

100.000

+ 337

150.000

– 385

In 2021 en 2022 gaan zelfstandigen met een winst tot grofweg € 100.000 er in de meeste gevallen nog steeds op vooruit. In 2021 en 2022 profiteren zij nog van extra verhogingen van de arbeidskorting en de algemene heffingskorting. Zelfstandigen met een winst boven de € 100.000 gaan er na 2020 wel op achteruit als gevolg van de tariefmaatregel voor bepaalde aftrekposten. Na 2022 gaan alle zelfstandigen er jaar-op-jaar op achteruit, omdat de zelfstandigenaftrek dan elk jaar met € 250 omlaag gaat. Afgezet tegen 2019 zullen de meeste zelfstandigen echter nog steeds een vooruitgang ervaren, omdat zij in de jaren 2020–2022 door de verhoging van de arbeidskorting en algemene heffingskorting meer dan gecompenseerd worden voor de verlaging van de zelfstandigenaftrek in die jaren.

De leden van de fracties van de SP en de PvdA vragen waarom het kabinet kiest voor handhaving van het hoge Vpb-tarief in 2020 en verlaging per 2021. Het hoge Vpb-tarief (voor het deel van de winst boven € 200.000) zal in 2020 niet worden verlaagd en blijft dat jaar 25%. Per 2021 zal het hoge Vpb-tarief wel worden verlaagd naar 21,7%. Dit is een kleinere verlaging dan eerder vastgesteld (20,5%). Het kabinet heeft er bewust voor gekozen om de middelen die eerder ingezet zouden worden voor de verlaging van het hoge Vpb-tarief in te zetten voor extra lastenverlichting voor burgers. Het kabinet kiest voor een verlaging van het hoge Vpb-tarief naar 21,7% zodat Nederland een land blijft waar bedrijven met reële economische activiteiten zich willen vestigen en investeringen willen doen. De vennootschapsbelasting en het tarief kunnen een belangrijke factor zijn in dit verband. Daarom zet het kabinet – naast op grondslagverbreding – nog steeds in op een verlaging van de tarieven in de vennootschapsbelasting. Deze combinatie van grondslagverbreding en tariefsverlaging past daarnaast in de internationale ontwikkeling van de vennootschapsbelasting. Bovendien zal de door het kabinet ingestelde Commissie belastingheffing van multinationals advies uitbrengen over maatregelen die leiden tot een grondslagverbreding van de vennootschapsbelasting.

De leden van de fractie van de VVD vragen tot wanneer het geld wordt gereserveerd voor de hervorming op de arbeidsmarkt. Het gereserveerde bedrag is structureel beschikbaar. Het bedrag loopt na 2022 op tot uiteindelijk € 0,6 miljard structureel in 2028.

De leden van de fractie van de VVD vragen of er speciale doelen of voorwaarden zijn voor het gereserveerde geld. De budgettaire ruimte wordt gereserveerd voor verdere stappen op weg naar een toekomstbestendige arbeidsmarkt, bijvoorbeeld in reactie op de Commissie Regulering van werk.

De leden van de fractie van de ChristenUnie constateren dat het kabinet de forse extra lastenverlichting heeft willen laten samengaan met hervormingen, en vragen of er andere hervormingen zijn overwogen. Zoals gebruikelijk heeft het kabinet verschillende maatregelen en maatvoeringen in het besluitvormingsproces beschouwd. Het kabinet stelt alles afwegende thans voor om de zelfstandigenaftrek geleidelijk met circa een derde te verlagen om zo het verschil in fiscale behandeling tussen werknemers en zelfstandigen te verkleinen en de arbeidskorting te verhogen om werken meer lonend te maken.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe het kabinet denkt over door hen genoemde en andere hervormingsmaatregelen. De opvatting van het kabinet over de hervormingsmaatregelen die zijn genoemd door de leden van de fractie van de ChristenUnie is verwoord in de antwoorden op de desbetreffende vragen. Voor wat betreft andere hervormingsmaatregelen merkt het kabinet op dat het advies heeft gevraagd aan de Commissie Regulering van werk over samenhangende aanpassingen van het arbeidsrecht, de sociale zekerheid en de fiscaliteit. Het kabinet werkt ook aan hervormingen in het kader van het Pensioenakkoord en het Klimaatakkoord. Verder worden hervormingsopties in kaart gebracht door ambtelijke werkgroepen in het kader van de trajecten Brede Maatschappelijke Heroverwegingen en Bouwstenen voor een beter belastingstelsel.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of het kabinet kan aangeven op welke punten de inkomstenbelasting voor particuliere belastingplichtigen eenvoudiger is geworden op het verhogen van de eerste schijf na. Zij vragen of het kabinet denkt dat de particuliere belastingplichtigen blij zijn met deze vereenvoudiging nu dit naar het oordeel van deze leden betekent dat zij meer belasting gaan betalen. Deze leden vragen of het kabinet deze reductie van complexiteit ook had kunnen bereiken door de eerste schijf niet te verlagen en zij vragen of het kabinet erkent dat het toepassen van de tarieven in de inkomstenbelasting zo ongeveer de meest eenvoudige stap is bij het berekenen van de verschuldigde belasting.

De invoering van een tweeschijvenstelsel betekent dat de tarieven in de tweede en derde schijf van het huidige stelsel gelijk worden getrokken met het nieuwe tarief in de eerste schijf (basistarief). In de als bijlage bij het Belastingplan 2019 gevoegde uitvoeringstoets is aangegeven dat het tweeschijvenstelsel als zodanig slechts tot een beperkte complexiteitsreductie leidt. Een minstens zo belangrijke reden voor het invoeren van het tweeschijvenstelsel is dat een vlakkere tariefstructuur bijdraagt aan een evenwichtigere behandeling tussen een- en tweeverdieners. Daarnaast maakt de invoering van het tweeschijvenstelsel deel uit van een totaalpakket aan maatregelen met betrekking tot het inkomensbeleid, waarbij het kabinet de lasten op arbeid verlaagt. In het Belastingplan 2020 wordt voorgesteld de algemene heffingskorting in twee stappen (verder) te verhogen met in totaal € 80. Deze verhoging komt bovenop de beleidsmatige verhoging die al in het Belastingplan 2019 zat. De verhoging van de algemene heffingskorting verbetert met name de koopkracht van lagere inkomens. Uit de koopkrachtramingen blijkt dat in doorsnee alle inkomensgroepen er komend jaar op vooruitgaan. Het kabinet hecht veel waarde aan vereenvoudiging van het belastingstelsel vanuit het perspectief van burgers. Tijdens het debat over de inning door de Belastingdienst op 21 juni 2018 heb ik naar aanleiding van vragen van de leden Omtzigt, Van Weyenberg en Lodders toegezegd om verbeteringen van het belastingstelsel in kaart te brengen voor de volgende kabinetsperiode.5 In de moties- en toezeggingenbrief die ik op Prinsjesdag 2018 naar uw Kamer heb verstuurd heb ik aangegeven dat het mijn doel is om begin 2020 concrete bouwstenen en voorstellen voor verbeteringen en vereenvoudigingen van het stelsel op te leveren, waarbij knelpunten worden geduid en perspectief op oplossingen wordt geboden.

De leden van de fractie van SP vragen te beargumenteren waarom de fiscale wijziging rondom het tweeschijvenstelsel met meer gemak kan worden doorgevoerd dan bijvoorbeeld een wijziging van de vermogensrendementsheffing die uitgaat van een reëel of reëler rendement op vermogen. Deze leden vragen waarom dit geprioriteerd kan worden door de Belastingdienst gezien de situatie waarin de Belastingdienst zich bevindt. In antwoord op deze vragen wordt gewezen op de uitvoeringstoets naar de vervroegde invoering van het tweeschijvenstelsel die als bijlage is opgenomen bij het pakket Belastingplan 2020. Uit de toets is gebleken dat er een beperkte IV-aanpassing nodig is om de invoering van het tweeschijvenstelsel te vervroegen, waarbij er wel rekening mee moet worden gehouden dat de benodigde wijzigingen tot een suboptimale presentatie op de voorlopige aanslag leiden. De wijzigingen voor de vervroegde invoering van het tweeschijvenstelsel zijn veel minder ingrijpend dan de wijzigingen die doorgevoerd moeten worden bij de door het kabinet beoogde wijziging in box 3. Deze wijziging in box 3 vergt dan ook een langere voorbereidings- en implementatietijd.

De leden van de fractie van de PvdA vragen naar de «race naar de bodem» als het gaat om de tarieven in de vennootschapsbelasting. Met de zogenoemde «race naar de bodem» doelen de leden op de geleidelijke verlaging van de Vpb-tarieven over de afgelopen jaren. Hoewel dit niet expliciet blijkt uit de vraagstelling, is naast de hoogte van het tarief, ook de grondslag waarover de vennootschapsbelasting wordt berekend essentieel voor het bepalen van de vennootschapsbelastingopbrengsten. Internationaal is een trend waarneembaar waarbij in de vennootschapsbelasting de tarieven worden verlaagd in combinatie met een verbreding van de grondslag. Deze kabinetsperiode zijn al enkele grondslagverbredende maatregelen ingevoerd en ook dit Belastingplan zorgt voor een bredere grondslag. Daarnaast wordt het hoge tarief in de vennootschapsbelasting (voor het deel van de winst boven € 200.000) verlaagd naar 21,7% vanaf 2021. Het lage Vpb-tarief (voor het deel van de winst tot en met € 200.000) wordt de aankomende jaren verder verlaagd naar 16,5% per 2020 en naar 15% vanaf 2021. Hiermee wil het kabinet zich inzetten om Nederland aantrekkelijk te laten blijven als vestigings-en investeringsland voor bedrijven met reële economische activiteiten. Uiteindelijk zal het Vpb-tarief zich rond het Europese gemiddelde bevinden. De opbrengsten vennootschapsbelasting als aandeel van het bruto binnenlands product (BBP) liggen op een niveau vergelijkbaar met het niveau voor de crisis. Daarmee heeft er de afgelopen 10 jaar geen sterke daling plaatsgevonden van de vennootschapsbelasting.

In verband met het uitstellen van de verlaging van het Vpb-tarief vraagt de NOB of de grondslagverbredende maatregelen die per 1 januari 2019 zijn genomen ook kunnen worden uitgesteld. De NOB wijst in dat verband op de afschrijvingsbeperking voor gebouwen in eigen gebruik en de beperking van de termijn voor voorwaartse verliesverrekening. Het is als eerste van belang een onderscheid te maken tussen de verlaging van het lage Vpb-tarief (voor het deel van de winst tot en met € 200.000) en het hoge Vpb-tarief (voor het deel van de winst boven € 200.000). Het lage Vpb-tarief wordt in lijn met het regeerakkoord en de heroverweging van het pakket bedrijfsleven verlaagd. Het Belastingplan 2020 brengt daarin geen wijzigingen aan. Het kabinet heeft het lage Vpb-tarief per 1 januari 2019 al verlaagd van 20% naar 19% en zal de aankomende jaren dit tarief nog verder verlagen naar 16,5% per 2020 en naar 15% vanaf 2021. Daarnaast geldt dat het kabinet voor een groot aantal beleidsmaatregelen kiest, soms in dezelfde belastingsoort, maar soms ook in verschillende belastingsoorten, die niet per se een-op-een aan elkaar te koppelen zijn. De totale beleidsmatige lastenontwikkeling zoals vastgelegd in de Startnota van het kabinet vormt daarbij het uitgangspunt (zie ook bijlage 3 van de Miljoenennota 2020). Het kabinet heeft bij het opstellen van de begroting van 2020 bewust een andere keuze gemaakt door de middelen die eerder ingezet zouden worden voor de verlaging van het reguliere tarief in de Vpb in te zetten voor extra lastenverlichting voor burgers. In 2021 zal het hoge Vpb-tarief worden verlaagd naar 21,7%.

De leden van de fractie van de VVD vragen wat de te verwachten opbrengsten zijn van het afschaffen van de betalingskorting in de vennootschapsbelasting.

Zoals aangegeven in de aanbiedingsbrief bij het pakket Belastingplan 2020 is een eerste inschatting van de te verwachten opbrengst € 160 miljoen per jaar. Als het concrete wetsvoorstel voorligt zal deze raming geactualiseerd worden en door het CPB gecertificeerd worden. Er vindt momenteel een uitvoeringstoets plaats om de uitvoeringsaspecten in kaart te brengen.

De leden van de fractie van de VVD vragen wat de te verwachten effecten zijn als bedrijven niet langer in aanmerking komen voor een betalingskorting. Het is mogelijk dat bedrijven minder snel zullen kiezen voor het in één keer vooruitbetalen van de aanslag vennootschapsbelasting en meer gebruik zullen maken van de mogelijkheid in termijnen te betalen. Er worden geen andere effecten voorzien.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of een overzicht gemaakt kan worden van de huidige tarieven vennootschapsbelasting, de tarieven in 2010 en de geplande tarieven in de Europese lidstaten.

De toptarieven vennootschapsbelasting heb ik weergegeven in onderstaande tabel. Geplande tariefswijzigingen voor de andere landen in 2020 en 2021 zijn wellicht onvolledig en kunnen nog wijzigen.

Tabel 17: Overzicht tarieven vennootschapsbelasting, tarieven in 2020 en de geplande tarieven

Land

2010

2019

2020

2021

België

34,0

29,0

25,0

25,0

Bulgarije

10

10,0

10,0

10,0

Cyprus

10

12,5

12,5

12,5

Denemarken

25,0

22,0

22,0

22,0

Duitsland*

29,5

29,8

29,8

29,8

Estland

21,0

20,0

20,0

20,0

Finland

26,0

20,0

20,0

20,0

Frankrijk*

34,4

32,0

28,9

27,4

Griekenland

24,0

28,0

28,0

28,0

Hongarije

19,0

9,0

9,0

9,0

Ierland

12,5

12,5

12,5

12,5

Italië*

31,4

24,0

24,0

24,0

Kroatie

20

18,0

18,0

18,0

Letland

15,0

20,0

20,0

20,0

Litouwen

15,0

15,0

15,0

15,0

Luxemburg

28,6

26,0

26,0

24,94

Malta

35

35,0

35,0

35,0

Nederland

25,5

25,0

25,0

21,7

Oostenrijk

25,0

25,0

25,0

25,0

Polen

19,0

19,0

19,0

19,0

Portugal**

26,5

31,5

31,5

31,5

Roemenië

16

16,0

16,0

16,0

Slovenië

20,0

19,0

19,0

19,0

Slowakije

19,0

21,0

21,0

21,0

Spanje

30,0

25,0

25,0

25,0

Tsjechië

19,0

19,0

19,0

19,0

Verenigd Koninkrijk

28,0

19,0

19,0

19,0

Zweden

26,3

22,0

21,4

20,6

Gemiddeld

23,0

21,6

21,2

21,0

* = Inclusief (social) surcharges

** = Toptarief geldt voor winsten boven de € 35 miljoen.

Bron: Taxes in Europe database, KPMG Global

De leden van de fractie van de PvdA vragen of het kabinet kan ingaan op het onderzoek van het World Economic Forum (WEF), waarbij Nederland als de meest concurrerende economie van Europa en de vierde economie wereldwijd naar boven komt. Deze leden vragen welke factoren daarbij een rol spelen en hoe deze factoren gefinancierd worden. Deze leden vragen of de bedrijven die van het goede Nederlandse vestigingsklimaat gebruikmaken ook een eerlijke bijdrage gevraagd moet worden. Daarnaast vragen deze leden of de meest succesvolle landen in deze lijst te beschrijven zijn als laagbelaste nachtwakersstaten. Het kabinet is zeer verheugd om te lezen dat Nederland nu de meest concurrerende economie van Europa is.6 Het rapport schrijft dat Nederland zijn score vooral te danken heeft aan een consistente sterke score op alle vlakken. Nederland behaalt een top 10-klassering in zes van de twaalf factoren. Nederland scoort uitstekend op het vlak van economische stabiliteit, gezondheid, en de kwaliteit van infrastructuur. Het innovatieve ecosysteem is goed ontwikkeld, met name dankzij een hoogopgeleide beroepsbevolking, een dynamische omgeving voor bedrijven en geavanceerde innovatieve kwaliteiten. Het institutionele kader in Nederland is een van de beste ter wereld, waarbij op elk aspect hoog gescoord wordt, waaronder veiligheid, checks en balances, efficiëntie en toewijding van het kabinet aan duurzaamheid. Deze factoren moeten niet als gegeven worden beschouwd, maar zijn op de lange termijn onderhevig aan constante erosie en bedreiging van buitenaf. Daarom vindt het kabinet het belangrijk om te blijven investeren in een goed investeringsklimaat over de hele breedte, goede instituties, zorg en onderwijs van de bevolking. Dit wordt gedaan met belastinggeld, opgebracht door burgers en bedrijven. Het beeld van het fiscale beleid van de succesvolle landen is niet eenduidig. Van de top 10 hebben Singapore, de Verenigde Staten, Hong Kong en Zwitserland een vrij lage ratio van belastingopbrengsten ten opzichte van het BBP. Nederland, Zweden, Duitsland en Denemarken hebben in vergelijking met deze landen een relatief hoge belastingdruk. Dit kan verklaard worden doordat landen op verschillende manieren concurrerend kunnen zijn. Op dit moment inventariseert de Adviescommissie belastingheffing van multinationals onder meer door welk soort bedrijven de vennootschapsbelasting momenteel voornamelijk wordt opgebracht.

Tabel 18: Top tien van concurrerende economieën

Rang WEF (2019)

Land

Belasting over BBP (2017, %)1

1.

Singapore

14.1

2.

Verenigde Staten

27.1

3.

Hong Kong SAR

14.0

4.

Nederland

38.8

5.

Zwitserland

28.5

6.

Japan

30.6

7.

Duitsland

37.5

8.

Zweden

44.0

9.

Verenigd Koninkrijk

33.3

10.

Denemarken

46.0

X Noot
1

Bron: OECD Revenue Statistics 2018, OECD Revenue Statistics in Asian and Pacific Economies 2019 en Heritage Foundation

De leden van de fractie van de SGP vragen waarom het kabinet heeft gekozen om de arbeidskorting en de algemene heffingskorting te verhogen en niet om de tarieven in de belastingschijven te verlagen. Zij vragen daarnaast wat het effect hiervan is op de marginale belastingdruk. Er moet altijd een afweging gemaakt worden tussen een evenwichtige inkomensverdeling en de betaalbaarheid van het stelsel. Het verhogen van de arbeidskorting is een meer gerichte manier om (meer) werken lonender te maken dan een generieke verlaging van de belastingtarieven. Het verhogen van algemene heffingskorting is een efficiëntere manier om te zorgen voor koopkrachtverbetering van de lagere inkomens dan een verlaging van het tarief van de eerste schijf. Beide doelen, lonender maken van (meer) werken en iedereen laten meeprofiteren van de economische groei, zijn voor het kabinet speerpunten, ook tijdens de afgelopen augustusbesluitvorming. Doordat de arbeidskorting generiek is verhoogd, verandert de marginale druk niet. Uitzondering hierop zijn werkenden met een arbeidsinkomen tot circa € 10.000 en werkenden die – als gevolg van de generieke verhoging – voorheen niet maar nu wel in aanmerking komen voor de arbeidskorting. Specifiek gaat het bij deze laatste groep om werkenden met een inkomen net boven de € 95.000. Daarnaast neemt (via hetzelfde principe) door de aan de verhoging van de maximale algemene heffingskorting gekoppelde verhoging van het afbouwpercentage de marginale druk licht toe voor huishoudens met een inkomen tussen de circa € 20.000 en € 68.000.

De leden van de fractie van de SGP vragen of door de maatregelen uit het Belastingplan de kloof tussen een- en tweeverdieners wordt vergroot of verkleind. Een belangrijk doel van het kabinet is het lonender maken van (meer) werken. Om die reden stelt het kabinet voor de arbeidskorting flink te verhogen. In een tweeverdienershuishouden kunnen beide partners hiervan profiteren (afhankelijk van de hoogte van het arbeidsinkomen), in een eenverdienershuishouden geldt dit alleen voor de werkende partner. Ook van de voorgestelde verhoging van de algemene heffingskorting profiteren tweeverdieners doorgaans meer. Aan de andere kant profiteren eenverdieners meer van de vervroegde invoering van het tweeschijvenstelsel dan tweeverdieners met gezamenlijk eenzelfde inkomen. In 2020 is de verwachte koopkrachtmutatie voor een- en tweeverdieners nagenoeg gelijk.

De leden van de fracties van de SGP en GroenLinks vragen waarom het tarief van de eerste schijf in 2020 eerst wordt verhoogd om in 2021 weer te dalen. In het regeerakkoord is opgenomen dat met ingang van 2021 gefaseerd wordt toegewerkt naar een tweeschijvenstelsel. Dit houdt onder meer in dat het tarief van de huidige eerste tot en met derde schijf – bij combinatie met de premie voor volksverzekeringen en uitgaande van iemand die premieplichtig is voor alle volksverzekeringen – hetzelfde tarief wordt (het nieuwe basistarief). Het tarief van de huidige eerste schijf gaat daarom omhoog, terwijl het tarief van de tweede en derde schijf omlaag gaat. Het stijgen van het tarief van de eerste schijf hangt dus samen met de overgang naar het tweeschijvenstelsel. In het Belastingplan wordt nu voorgesteld om het tweeschijvenstelsel een jaar eerder in toe voeren gecombineerd met een structurele lastenverlichting die per 2021 ingaat. Als gevolg hiervan ligt het tarief van de huidige eerste schijf in 2020 tijdelijk wat hoger.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen wat er met de koopkracht (zowel totaal als van verschillende inkomensgroepen) gebeurt als de verlaging van het toptarief niet doorgaat en dat geld gestopt wordt in het verlagen van het tarief van de eerste schijf. Het toptarief wordt in 2020 verlaagd van 51,75% naar 49,5%. Het terugdraaien van die verlaging levert circa € 500 miljoen op, waarmee het tarief van de eerste schijf met 0,15 procentpunt kan worden verlaagd. In de navolgende tabel is in de eerste kolom de voorspelling te zien van de koopkracht in 2020 met de tarieven in dit belastingplan. De tweede kolom laat zien hoe de voorspelling van de koopkracht is zonder daling van het toptarief en met een lager eersteschijftarief.

Tabel 19: Koopkrachtvoorspelling

Tabel 19: Koopkrachtvoorspelling

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of er huishoudens zijn met een inkomen van twee keer modaal en hoger die geen inkomstenbelasting betalen en of er zelfs huishoudens zijn met een inkomen van € 80.000 en een belastingdruk van -10%. De berekeningen van de belastingdruk op huishoudniveau zijn gedaan met een steekproefbestand waarin circa 100.000 huishoudens zijn opgenomen. In dit steekproefbestand zijn te weinig huishoudens aanwezig met deze specifieke situatie om deze vraag betrouwbaar te kunnen beantwoorden. Het gaat mogelijk om minder dan 800 huishoudens in Nederland die te maken hebben met een gemiddelde druk van -10%. De huishoudens in de dataset die aan deze voorwaarden voldoen zijn over het algemeen tweeverdieners, waarvan beide partners zelfstandige zijn met een (bruto) inkomen van circa € 40.000 tot € 50.000. Ze maken beiden aanspraak op de zelfstandigenaftrek, maar daarnaast ook op de investeringsaftrek. Ook hebben deze huishoudens meerdere kinderen, waardoor ze kinderbijslag en kindgebonden budget ontvangen. Door deze stapeling van aftrekposten én het ontvangen van bijdragen uit de kindregelingen kan de gemiddelde druk negatief worden.

De leden van de fractie van de SP vragen of het kabinet mogelijkheden ziet om met de zelfstandigenaftrek een stimulans te creëren voor zelfstandigen om zich te verzekeren voor arbeidsongeschiktheid en pensioen. Deze leden wijzen erop dat zelfstandigen ook goedkoper kunnen werken dan werknemers omdat zij zich niet hoeven te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid en ouderdom. Het kabinet deelt de mening van deze leden dat zelfstandigen hun arbeid goedkoper kunnen aanbieden dan werknemers, zowel door zich niet te verzekeren, als door het verschil in de fiscale behandeling. Het kabinet wil deze kostenverschillen tussen werknemers en zelfstandigen verkleinen. Daarom stelt het kabinet voor de arbeidskorting te verhogen en de zelfstandigenaftrek te verlagen. Daarnaast is het belangrijk dat alle werkenden voldoende verzekerd zijn voor risico’s als arbeidsongeschiktheid en ouderdom. In het Pensioenakkoord is daarom onder andere afgesproken dat er een wettelijke verzekeringsplicht voor zelfstandigen komt tegen het arbeidsongeschiktheidsrisico. De uitwerking daarvan is bij de sociale partners belegd. Het gaat om twee maatregelen met elk een eigen onderbouwing. Het kabinet heeft aan de Commissie Regulering van werk om advies gevraagd over samenhangende aanpassingen van het arbeidsrecht, de sociale zekerheid en de fiscaliteit. Overigens zijn de premies die een zelfstandige betaalt voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering met een periodieke uitkering aftrekbaar voor de inkomstenbelasting.

De leden van de fractie van de SP stellen dat in voorgaande jaren een stijging van koopkracht ook in het vooruitzicht is gesteld, maar dat deze niet of amper bewaarheid werd en vragen het kabinet welk vertrouwen de lezers van de zinsneden over de koopkracht erin moeten hebben dat deze stijging zal plaatsvinden. De koopkrachtplaatjes van het kabinet betreffen een raming voor het aankomende jaar. Het kabinet kan de koopkracht niet garanderen. De koopkrachtcijfers zijn namelijk voornamelijk afhankelijk van de algemene ontwikkeling van de lonen en prijzen. Het kabinet heeft maar voor een deel invloed op deze ontwikkelingen. De overheid sluit collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s) af voor ambtenaren, maar in de private sector worden de lonen afgesproken tussen werkgevers en werknemers. En weliswaar kunnen belastingmaatregelen doorwerken op de inflatie, maar de consumentenprijzen hangen ook af van bijvoorbeeld de marktprijzen voor voedsel en energie. De overheid draagt haar steentje bij door bijvoorbeeld de belasting op arbeid te verlagen, maar (nieuw) werk vinden, promotie maken, gaan samenwonen, verhuizen of een kind krijgen, heeft vaak een grotere invloed op de financiële situatie van een huishouden. Het is daarom moeilijk om met de koopkrachtcijfers in de hand te voorspellen wat er in de portemonnee van iedere burger gebeurt. De koopkrachtcijfers zijn de best mogelijke inschatting op dit moment, maar gedurende het komende jaar wordt duidelijk hoe de lonen en inflatie zich daadwerkelijk ontwikkelen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen het kabinet te bevestigen dat het voor gepensioneerden moeilijk is invloed op hun inkomenssituatie uit te oefenen, terwijl deze groep wel wordt geconfronteerd met pensioenkortingen en vragen waarom er dan toch voor is gekozen vrijwel niets te doen voor deze groep. Verder vragen zij waarom er niet voor is gekozen een stap te zetten in de ouderenkorting, bijvoorbeeld door het maximum ervan te verhogen en de korting langzamer af te laten bouwen. Het inkomen van de meeste gepensioneerden bestaat uit twee bestandsdelen: de AOW en het aanvullende pensioen. De ontwikkeling van de AOW is gekoppeld aan het minimumloon, dat meeloopt met de gemiddelde cao-ontwikkeling in de markt. Het aanvullende pensioen is het resultaat van afspraken gemaakt tussen werkgever en werknemer en ook afhankelijk van de financiële situatie van het betreffende pensioenfonds. Door lage dekkingsgraden kunnen de meeste pensioenfondsen de uitkeringen en rechten niet volledig indexeren. Ook is er een risico dat bepaalde pensioenfondsen in 2020 zullen moeten korten, omdat de verplichtingen van pensioenfondsen door de lage rente sneller zijn gestegen dan de waarde van de beleggingen. De dekkingsgraden aan het eind van 2019 zijn hiervoor doorslaggevend. Dit heeft gevolgen voor de koopkracht van gepensioneerden en werkenden. Gepensioneerden merken dit meteen in hun portemonnee, voor werkenden is dit niet meteen zichtbaar in het koopkrachtbeeld maar mogelijk wel van belang voor de bestedingsmogelijkheden in de toekomst. Ouderen profiteren wel van de lastenverlichtende maatregelen van het kabinet. Zo hebben ouderen met een hoger aanvullend pensioen baat bij het eerder verwezenlijken van het tweeschijvenstelsel met lagere belastingtarieven in de (huidige) hoogste drie schijven. Daarnaast zien alle AOW’ers de hogere algemene heffingskorting, waartoe het kabinet in het regeerakkoord en de augustusbesluitvorming heeft besloten, terug in een hogere netto-AOW-uitkering. Ten slotte hebben AOW’ers zonder of met een beperkt aanvullend pensioen baat bij de beleidsmatige verhoging van de zorgtoeslag en – afhankelijk van de woonsituatie – het feit dat in 2020 de harde afbouwgrens verdwijnt uit de huurtoeslag. Hiermee is bij de huurtoeslag dezelfde route gekozen als in 2019 bij de ouderenkorting, waarbij tegelijkertijd het maximumbedrag is verhoogd en de afbouw geleidelijk is gemaakt.

De leden van de fractie van het CDA vragen, nu het hoogste tarief wordt verlaagd naar 49,5%, of het kabinet het ook wenselijk vindt om een minimumpercentage aan te geven dat burgers altijd zouden moeten overhouden van elke € 100 die zij verdienen met extra werk (een uitzondering daarbij mag gelden voor mensen die nog aanvullende bijstand ontvangen). Het is niet mogelijk om een eenduidig cijfer te geven voor de maximaal wenselijke marginale druk. In het onderzoek «Marginale druk: op het randje van de mogelijkheden»7 dat recentelijk naar uw Kamer is gestuurd, worden de pieken in de marginale druk geanalyseerd met beleidsopties om deze pieken te verminderen. Uit de studie blijkt dat marginale druk niet op zichzelf staat. Naast het stimuleren van arbeidsparticipatie streeft de overheid binnen het inkomensbeleid ook een evenwichtige inkomensverdeling en gezonde overheidsfinanciën na. Nederland kent een lange traditie van solidariteit met lagere inkomens en een internationaal bezien hoog bestaansminimum. Om die reden bestaat er inkomensondersteuning in de vorm van bijvoorbeeld toeslagen. Daarnaast bestaan er regelingen om de arbeidsparticipatie te stimuleren. Om dit systeem betaalbaar te houden zijn deze regelingen inkomensafhankelijk en gericht op specifieke groepen. Dit betekent dat wanneer iemand meer gaat verdienen, het recht op heffingskortingen en toeslagen daalt. De marginale druk hangt daarom van meer factoren af dan enkel het belastingtarief dat over de laatste euro inkomen wordt betaald. Dit neemt niet weg dat het kabinet gericht inzet op het verlagen van de marginale druk op de plaatsen waar deze hoog is. Zo is tegen deze achtergrond besloten om in 2020 de afbouwgrens in het kindgebonden budget voor paren te verhogen en vervalt de harde afbouwgrens in de huurtoeslag.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen in hoeverre het kabinet de moeilijk uitlegbare doorwerking van de inkomstenbelasting op de toeslagen op de korrel heeft gehad. Indien de leden van de fractie van de ChristenUnie hierbij verwijzen naar de doorwerking van aftrekposten op de toeslagen dan heeft het kabinet dit op zijn netvlies gehad. Doordat aftrekposten (zoals de zelfstandigenaftrek) het toetsingsinkomen verlagen, hebben huishoudens met aftrekposten meer recht op toeslagen dan huishoudens zonder deze aftrekposten.

De leden van de fractie van de SP vragen hoe de verhoging van de energierekening zich verhoudt tot de koopkracht van mensen. De totale energierekening wordt door diverse factoren beïnvloed, zoals de prijzen van gas en elektriciteit, een strenge winter en belastingen. Het kabinet heeft alleen invloed op dit laatste en vindt dat de energierekening voor iedereen betaalbaar moet blijven. Om die reden heeft het kabinet besloten om het belastingdeel op de energierekening – uitgaande van een gemiddeld verbruik – in 2020 met € 100 te verlagen ten opzichte van 2019. Dit heeft een positief effect op de koopkracht.

De leden van de fracties van GroenLinks, 50PLUS, PvdA en PvdD vragen waarom het kabinet ervoor heeft gekozen om het tarief van de eerste schijf te verhogen (en de algemene heffingskorting te verhogen) en juist het toptarief te verlagen als het doel is de koopkracht van lage inkomens te verbeteren. Het doel van het kabinet is niet alleen om de koopkracht van lage inkomens te verbeteren. Een belangrijke doelstelling van het kabinet is om werken lonender te maken en iedereen mee te laten profiteren van de economische groei. Verschillende maatregelen van het kabinet pakken, echter, juist ook positief uit voor lagere inkomens. De invoering van het tweeschijvenstelsel zorgt voor een lagere belasting op inkomen boven circa € 20.000 en maakt (meer) werken lonender, terwijl lagere inkomens juist het meeste profijt hebben van de verhoging van de algemene heffingskorting en de toeslagen. Het pakket aan maatregelen als geheel zorgt volgens het kabinet voor een evenwichtig resultaat voor de verschillende inkomensgroepen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen waarom het tarief in de hoogste schijf wordt verlaagd van 51,75% naar 49,5% en of dit een eerlijke tariefstructuur is. De verlaging van de hoogste schijf is onderdeel van het pakket aan maatregelen op het gebied van inkomensbeleid dat dit kabinet heeft afgesproken bij het regeerakkoord en de daaropvolgende besluitvormingsmomenten. Het kabinet is van mening dat het hele pakket aan maatregelen een evenwichtige inkomensverdeling tot stand brengt, tussen verschillende huishoudens, hoge en lage inkomens, werkenden en niet-werkenden, gezinnen met en zonder kinderen en verschillende huishoudtypes.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen op basis van welk principe ervoor is gekozen om de ouderenkorting drie keer zo snel af te bouwen als de arbeidskorting en de algemene heffingskorting en waarom dat in 2020 niet wordt hersteld. Tot voor kort kende de ouderenkorting geen afbouwtraject maar was sprake van een harde inkomensgrens vanaf waar het lage bedrag van de ouderenkorting van toepassing was. Dit kabinet heeft de geleidelijke afbouw ingevoerd. Daarmee is het budget van de ouderenkorting al juist flink geïntensiveerd. Het percentage waarmee de ouderenkorting afbouwt is onder meer uit budgettaire overwegingen zo vastgesteld; een lager afbouwpercentage gaat gepaard met een grotere budgettaire derving. Bij de afbouw van de arbeidskorting en algemene heffingskorting zijn er naast budgettaire overwegingen ook overwegingen met betrekking tot de arbeidsmarktprikkels. Deze overwegingen gelden in mindere mate voor de ouderenkorting aangezien deze alleen van toepassing is voor mensen boven de AOW-leeftijd.

De leden van de fractie van de PvdA vragen waarom het kabinet ervoor heeft gekozen mensen met een laag inkomen (<115% WML) op achterstand te zetten ten opzichte van mensen met een hoog inkomen (>300% WML). Daarnaast vragen zij waarom het kabinet ervoor heeft gekozen mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt en gepensioneerden op achterstand te zetten ten opzichte van werkenden. Het accent van dit kabinet ligt op werkenden en om die reden neemt het kabinet specifiek maatregelen die (meer) werken lonender maken, bijvoorbeeld door lagere belastingtarieven en een hogere arbeidskorting. Hiermee ontstaat een verschil tussen werkenden en uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden. Een belangrijke doelstelling van het kabinet is echter om iedereen mee te laten profiteren van de economische groei. In het kader daarvan is onder andere gekozen voor een verhoging van de algemene heffingskorting en toeslagen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen naar een uiteenzetting wat het voordeel is van een vlaktaks met daarin de argumenten waarom een vlaktaks wenselijk is, welke problemen het oplost, en wat de gevolgen zijn voor de ongelijkheid in Nederland. De invoering van een tweeschijvenstelsel, met een basistarief en een toptarief, is onderdeel van een breed pakket aan inkomensbeleidsmaatregelen die zijn afgesproken in het regeerakkoord. De wenselijkheid en de effecten van deze maatregel kunnen niet los worden gezien van de andere maatregelen die het kabinet in het regeerakkoord en bij latere besluitvorming heeft afgesproken. Het pakket aan maatregelen uit het regeerakkoord en de daaropvolgende besluitvormingsmomenten verlagen de lasten voor burgers, stimuleren werkgelegenheid en zorgen ook voor een lagere ongelijkheid (gini-coëfficiënt).

Het belangrijkste argument voor dit kabinet om over te stappen naar een tweeschijvenstelsel is dat met het verlagen van de tarieven in de huidige tweede, derde en vierde belastingschijf de lasten op arbeid fors worden verlaagd. Hierdoor wordt het aantrekkelijker om (meer uren) te gaan werken en stijgt het besteedbaar inkomen van werkenden. Een ander argument is dat de invoering van het tweeschijvenstelsel ervoor zorgt dat de huishoudsituatie minder invloed heeft op de belastingdruk en het besteedbare inkomen. Zo gaat het bijvoorbeeld minder uitmaken of een inkomen met één of twee personen in een huishouden wordt verdiend, wat gunstig uitpakt voor de besteedbare inkomens van eenverdienershuishoudens, een groep waar dit kabinet extra aandacht voor heeft.

De leden van de fractie van de PvdA vragen op welke wijze het kabinet denkt te nivelleren zonder het instrument van de inkomstenbelasting. Dit kabinet heeft nivellering niet als doelstelling. Wel streeft het kabinet naar een evenwichtige inkomensverdeling. Er zijn allerlei instrumenten waarover het kabinet kan beschikken om de inkomensverdeling bij te sturen; zo bestaan naast de twee schijftarieven ook nog toeslagen, heffingskortingen, bijslagen en uitkeringen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen wat het kabinet doet om de positie van werkende partners te verbeteren. Het kabinet is van mening dat (meer) werken meer moet gaan lonen, ook voor werkende partners. Daarnaast vindt het kabinet economische zelfstandigheid en emancipatie belangrijk. Het kabinet heeft daarom diverse maatregelen genomen die dit als doel hebben, bijvoorbeeld de verhoging van de arbeidskorting. Hier profiteren (bijna) alle werkenden van. Specifiek voor werkende partners is daarnaast de IACK aangepast. Zo bouwt de IACK nu steiler op terwijl het maximum gelijk blijft. Dit vergroot de prikkel om meer uren te gaan werken. Daarnaast is de kinderopvangtoeslag verhoogt.

De leden van de fractie van de PvdA vragen welke gevolgen de genomen maatregelen hebben voor de arbeidsparticipatie en de werkgelegenheid. Het CPB heeft niet doorgerekend wat het effect is van de maatregelen op de arbeidsparticipatie en de werkgelegenheid. Aangezien het grootste deel van de maatregelen in budgettaire zin de lasten op arbeid verlaagt, zouden deze maatregelen een positief effect op de arbeidsparticipatie en de werkgelegenheid moeten hebben.

De leden van de fractie van de PvdA steunen de gedachte om het verschil in de fiscale behandeling tussen zelfstandigen en werknemers te verkleinen en vragen of ook is nagedacht over de introductie van een werknemerskorting. Zo nee, dan vragen deze leden of het kabinet bereid is dit mee te nemen in onderzoeken naar mogelijke belastinghervormingen. Het kabinet was zich er bij de totstandkoming van de voorstellen inderdaad van bewust dat er meerdere manieren zijn om het verschil in de fiscale behandeling te verkleinen, waaronder ook de introductie van een werknemerskorting. Het kabinet stelt voor om de arbeidskorting te verhogen en de zelfstandigenaftrek te verlagen, omdat voor deze maatregelen geen nieuwe fiscale instrumenten benodigd zijn.

De leden van de fractie van de PvdA hebben gevraagd om een vergelijking van de ontwikkeling van de lonen in de marktsector, de ontwikkeling van de salarissen van CEO’s en de ontwikkeling van de winsten van multinationals.

De hieronder gebruikte data van het CBS zijn gebaseerd op een ruime definitie van multinationals. Het CBS beschouwt bedrijven in buitenlands eigendom en Nederlandse bedrijven met een vestiging in het buitenland als multinational. Deze ruime definitie leidt ertoe dat 80% van de Nederlandse multinationals tot het mkb behoort. Multinationals zijn volgens de gebruikte definitie dus niet per se grote bedrijven. Een voorbeeld van een Nederlandse multinational die tot het mkb behoort is een detailhandelaar die een buitenlands filiaal heeft, net over de grens, om daar iets te kunnen verkopen.

Voor specifiek de Nederlandse multinationals is het op basis van de data mogelijk een onderscheid te maken tussen het mkb (minder dan 250 werknemers) en het grootbedrijf. Voor buitenlandse multinationals kan dit onderscheid op basis van de beschikbare data niet gemaakt worden. Onderstaande grafieken (1a t/m 1e) geven een overzicht van de ontwikkeling van het brutoexploitatieoverzicht en de loonkosten per voltijdsequivalent (maatstaf voor werkgelegenheid) tussen 2010 en 2016. Het brutoexploitatieoverzicht is de toegevoegde waarde verminderd met de beloning van werknemers en belastingen en subsidies op productie en invoer. Het brutoexploitatieoverzicht is gelijk aan de brutowinst vóór belasting minus het ontvangen inkomen uit vermogen (rente, dividenden, et cetera), betaalde rente en betaald inkomen uit grond en minerale reserves. Grafiek 2 geeft ook een verdeling van het brutoexploitatieoverzicht en de loonkosten per subcategorie waarmee de relatieve omvang van de categorieën beter bepaald kan worden. Op basis van de gepresenteerde cijfers kan men afleiden dat de brutoexploitatieoverschotten van multinationals harder zijn gestegen dan bij niet-multinationals, waarbij multinationale mkb’ers een relatief sterke oploop laten zien. Voorzichtigheid bij de interpretatie van de cijfers blijft echter geboden, omdat het niet gaat om de nettowinst van bedrijven en onduidelijk is wat de sterke oploop bij Nederlandse mkb multinationals drijft. Data over de loonontwikkeling van CEO’s zijn niet beschikbaar.

(Bron: Multinationals en niet-multinationals 2010–2016, CBS 2018)

De leden van de fractie van het CDA vragen of het wenselijk is dat een burger met enig gemak inzicht moet hebben in hoeveel belasting hij betaalt als hij extra werkt en zo ja, hoe gaat het kabinet dan gaat bewerkstelligen dat dat ook echt zo is. De leden van de fractie van D66 vragen of het kabinet ten behoeve van deze doelstelling een rekentool of webmodule kan ontwikkelen. Het kabinet is het met deze leden eens dat het voor mensen zo inzichtelijk mogelijk moet zijn wat hun marginale druk is. Marginale druk is – vanwege de diverse regelingen waar iemand gebruik van kan maken – echter ingewikkeld om op individueel niveau te berekenen. Op de site van het Nibud is een rekentool met de naam WerkZorgBerekenaar beschikbaar waarmee mensen een inschatting kunnen maken van wat zij overhouden van een stijging van het brutoloon wanneer zij bijvoorbeeld meer gaan werken.

De leden van de fractie van D66 vragen om een figuur met de gemiddelde belastingdruk van alle huishoudens 2018 en 2021. In onderstaande figuur is de gemiddelde druk naar brutohuishoudinkomen voor beide jaren weergegeven.

Figuur 10: Gemiddelde belastingdruk van alle huishoudens 2018 en 2021.

Figuur 10: Gemiddelde belastingdruk van alle huishoudens 2018 en 2021.

De leden van de fractie van D66 vragen of het kabinet de koopkracht per inkomenskwintiel kan uitsplitsen naar werkenden en niet-werkenden.

Tabel 20: Koopkracht per inkomenskwintiel voor werkenden en niet-werkenden

Tabel 20: Koopkracht per inkomenskwintiel voor werkenden en niet-werkenden

De leden van de fractie van D66 vragen om de ontwikkeling van de AOW over de afgelopen 20 jaar ten opzichte van de gemiddelde contractloonontwikkeling, de ontwikkeling van de inkomenspositie van de groep vlak na pensionering en de ontwikkeling van de koopkracht van werkenden op 100% WML. De gevraagde ontwikkelingen worden, als indexcijfers ten opzichte van het jaar 2003, voor de periode 2003–2018 weergegeven in de onderstaande figuren.

Figuur 11: Ontwikkeling AOW

Figuur 11: Ontwikkeling AOW

De AOW (netto, inclusief vakantiegeld, exclusief inkomensondersteuning AOW) neemt in de periode toe door de reguliere indexatie en door stijgingen van de algemene heffingskorting. Daardoor is de netto-AOW harder gestegen dan de gemiddelde contractloonstijging in de marktsector.

Figuur 12: Koopkrachtontwikkeling

Figuur 12: Koopkrachtontwikkeling

In de bovenstaande figuur is de statische koopkrachtontwikkeling van alleenstaanden met een minimumloon en gepensioneerden met AOW of AOW en een aanvullend pensioen van € 10.000 weergegeven. Het gaat hierbij om de koopkrachtontwikkeling van voorbeeldhuishoudens die een indicatie van de koopkrachtontwikkeling van de betreffende bevolkingsgroepen geeft maar waarmee niet de exacte, individuele koopkrachtontwikkeling kan worden bepaald. Ook zijn wijzigingen in de persoonlijke levenssfeer, zoals gezinsuitbreiding, het vinden van werk of het maken van promotie, in deze cijfers niet meegenomen. Het effect van overheidsbeleid op de koopkracht is doorgaans veel beperkter dat het effect dat uitgaat van dergelijke levensgebeurtenissen. Uit de figuur blijkt dat de koopkracht van de AOW-uitkering met ongeveer 10 procent is toegenomen in de periode tussen 2003 en 2018. De koopkrachtontwikkeling is lager indien sprake is van aanvullend pensioen en ontwikkelt zich negatiever vanaf de economische crisis doordat pensioenfondsen sindsdien de pensioenen nauwelijks hebben kunnen indexeren. De koopkracht van een alleenstaande zonder kinderen en met een minimumloon ontwikkelt zich de laatste jaren positief. Dit komt mede door intensiveringen in de arbeidskorting, waardoor het meer lonend is om te (gaan) werken.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het voor het kabinet acceptabel is dat mensen minder dan € 40 overhouden van € 100 extra verdiend arbeidsinkomen. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen welke extremen in marginale druk het kabinet acceptabel acht. Het kabinet streeft naar een zo laag mogelijke marginale druk, maar hanteert daarbij geen specifieke boven- of ondergrenzen. Marginale druk staat niet op zichzelf maar hangt samen met de wens om te komen tot een evenwichtige inkomensverdeling en gezonde overheidsfinanciën. Het verlagen van de marginale druk leidt tot negatieve inkomenseffecten voor de onderkant van het inkomensgebouw of tot de noodzaak om extra middelen beschikbaar te stellen. Hier zal altijd een afweging in moeten worden gemaakt. Het kabinet vindt dat met de maatregelen uit het regeerakkoord en de daaropvolgende besluitvormingsrondes hierin een goede balans is gevonden.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het kabinet overweegt om de verhoging van de arbeidskorting in lijn met het regeerakkoord vorm te geven door het «dakje» in de arbeidskorting te verlengen. Een reden waarom is gekozen voor een generieke verhoging van de arbeidskorting is dat de doelstelling van het kabinet is om alle werkenden te laten meeprofiteren. Dat wordt niet bewerkstelligd wanneer de arbeidskorting slechts op een deel van het inkomenstraject omhoog gaat. Een andere reden is dat de generieke verhoging van de arbeidskorting gekoppeld is aan de beperking van de zelfstandigenaftrek. Met deze koppeling wordt bewerkstelligd dat zelfstandigen (tot een inkomen van ongeveer een ton) er deze kabinetsperiode niet op achteruitgaan. Een generieke verhoging zorgt ervoor dat zelfstandigen grosso modo worden gecompenseerd. Het verlengen van het «dakje» zoals de leden van de fractie van de ChristenUnie suggereren kan alleen budgetneutraal worden vormgegeven indien werkenden die zich niet op het inkomenstraject van het «dakje» bevinden (onder de circa € 20.000 of boven de circa € 35.000) erop achteruit zullen gaan ten opzichte van het huidige voorstel.

De leden van de ChristenUnie vragen of het kabinet bereid is de marginale druk als een randvoorwaarde mee te nemen bij het volgende Belastingplan. De marginale druk dient altijd in samenhang te worden bezien met de inkomensverdeling en de beschikbare middelen. Het kabinet kan daarom niet op voorhand de marginale druk als randvoorwaarde meenemen. Iedere besluitvormingsronde zal hierin weer een afweging moeten worden gemaakt.

De leden van de fractie van de SGP vragen waarom het kabinet voorstelt de zelfstandigenaftrek geleidelijk te verlagen, en niet wacht op het advies van de Commissie Regulering van werk. Op basis van onder andere de discussienota van de Commissie Regulering van werk8 constateert het kabinet dat het verschil in de fiscale behandeling tussen werknemers en zelfstandigen een van de elementen zal zijn in de discussie over het klaarmaken van de arbeidsmarkt van de toekomst. Ook in het IBO Zelfstandigen zonder personeel (2015)9 is aangegeven dat dit verschil dient te worden verkleind. Evenzo heeft de OESO in het landenrapport Nederland 201810 de aanbeveling gedaan om de zelfstandigenaftrek geleidelijk af te bouwen om het verschil in belastingdruk tussen zelfstandigen en werknemers te verkleinen. Het kabinet wil voorkomen dat zelfstandigen financieel in de problemen komen. Het kabinet stelt daarom voor om extra geld uit te trekken om de arbeidskorting extra te verhogen en de zelfstandigenaftrek gefaseerd te verlagen. Mede door de extra verhoging van de arbeidskorting gaan de meeste zelfstandigen per saldo niet meer inkomstenbelasting betalen dan nu.

4. Overgangsrecht voor saldolijfrenten van vóór 2001

De leden van de fracties van D66, GroenLinks, 50PLUS, de PvdA en de VVD hebben vragen gesteld over het overgangsrecht voor saldolijfrenten van vóór 2001. Ik laat aan de beantwoording van deze vragen een toelichting voorafgaan van de achtergrond van deze maatregel. Daarmee wordt een deel van de vragen beantwoord. De Wet op de Inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964) voorzag voor lijfrenten11 die op het moment van het tot stand komen daarvan aan de geldende voorwaarden voor fiscale facilitering voldeden in het recht op premieaftrek in de inkomstenbelasting. Lijfrenten die bij de totstandkoming niet aan de op dat moment geldende voorwaarden voor fiscale facilitering voldeden, gaven geen recht op premieaftrek in de inkomstenbelasting. Naast de situaties dat alle premies dan wel geen enkele premie van een lijfrente in aftrek konden komen, was het ook mogelijk dat de voor een lijfrente betaalde premies gedeeltelijk in aftrek werden gebracht, bijvoorbeeld omdat niet gedurende de gehele looptijd aan de voorwaarden voor premieaftrek was voldaan of omdat meer premies waren voldaan dan voor aftrek in aanmerking kwamen. Het voorgaande geldt eveneens onder de Wet IB 2001. Verschil met de wet IB 2001 is dat onder de Wet IB 1964 in gevallen waarin de voor een lijfrente betaalde premies niet volledig in aftrek zijn gebracht de belastingheffing in de uitkeringsfase pas plaatsvond vanaf het moment dat de hoogte van de uitkeringen uitkwam boven het totaalbedrag van de ter zake van de lijfrente betaalde, niet afgetrokken premies (saldomethode). Belast werd zodoende het saldo tussen het totaal van de ingelegde premies en de totale uitkeringswaarde.

Met de invoering in 2001 van het boxenstelsel in de inkomstenbelasting door de Wet IB 2001 zouden zonder overgangsrecht de lijfrenten die niet (volledig) aan de voorwaarden voor box 1 voldeden niet langer via de saldomethode worden belast, maar zou de waarde van het recht (geheel of gedeeltelijk) onderdeel gaan uitmaken van de vermogensbestanddelen voor box 3 en zou er derhalve vermogensrendementsheffing over de waarde van het recht worden geheven. Om verlies van de belastingclaim over het bestaande belastbare saldo te voorkomen zou voor die lijfrenten op dat moment moeten worden afgerekend over het gehele in de lijfrente opgebouwde saldo. De wetgever heeft er destijds echter voor gekozen om voor alle lijfrenten overgangsrecht te introduceren op grond waarvan voor de belastingheffing over de uitkeringen de systematiek van de Wet IB 1964 gecontinueerd mocht worden. Voor lijfrenten waarvan de premies geheel of gedeeltelijk niet in aftrek konden worden gebracht (hierna: saldolijfrenten), is aan dit overgangsrecht een termijn van 20 jaar verbonden. De reden hiervoor is dat het wenselijk werd geacht een begrenzing te stellen aan een in het verleden regelmatig voorkomende vorm van tax planning door langdurig belastinguitstel dat met dergelijke saldolijfrenten mogelijk was. Om verlies van de box 1-claim over het belastbare saldo van deze lijfrenten te voorkomen, is in het overgangsrecht ook een afrekenverplichting opgenomen per 31 december 2020. Het voorgaande betekent dat de uitkeringen uit saldolijfrenten van vóór 2001 tot 31 december 2020 in box 1 worden belast, waarbij het saldo tussen de premie-inleg en de totale uitkeringswaarde in de belastinggrondslag wordt betrokken. Tot en met 31 december 2020 is over de waarde van een saldolijfrente geen vermogensrendementsheffing in box 3 verschuldigd.

Het opnemen van overgangsrecht in de Invoeringswet Wet IB 2001 voor alle lijfrenten en de beëindiging daarvan na 20 jaar voor saldolijfrenten (in combinatie met een afrekenverplichting) was destijds een bewuste keuze van de wetgever. Hij heeft toen uitdrukkelijk geregeld dat na een overgangsperiode van 20 jaar een einde zal komen aan de – in relatie tot de vermogensrendementsheffing – mogelijkheid tot uitstel van belastingheffing bij saldolijfrenten. Bij deze keuze is de betrokken groep van belastingplichtigen niet nader in beeld gebracht en zijn er ook geen budgettaire effecten voor berekend. In reactie op de vraag van de leden van de fractie van D66 of de grootte van de groep in lijn is met de verwachting ten tijde van de Invoeringswet Wet IB 2001 kan ik dan ook alleen vermelden dat er toen geen concrete verwachtingen waren en er daarom ook geen vergelijking met de huidige situatie mogelijk is.

Voor saldolijfrenten waarbij op geen enkel moment aan de voorwaarden voor het recht op fiscale aftrek van de premies is voldaan en waarvoor dus in het geheel geen premieaftrek heeft plaatsgevonden (zuivere saldolijfrenten), blijven de beëindiging van het overgangsrecht per 1 januari 2021 en de afrekenverplichting per 31 december 2020 in stand. Dit wetsvoorstel wijzigt voor deze producten dan ook niets. Deze producten werden in het verleden voornamelijk gebruikt voor tax planning. Er kon langdurig belastinguitstel worden bereikt door de ingang van de uitkeringsfase naar de zeer verre toekomst uit te stellen, waardoor bij deze saldolijfrenten sprake is van een onbedoeld belastingvoordeel. Hierbij geldt dat er op basis van het overgangsrecht geen vermogensrendementsheffing in box 3 verschuldigd is. Als geen overgangsrecht zou zijn opgenomen, zouden de zuivere saldolijfrenten vanaf 2001 tot box 3 hebben behoord. Zuivere saldolijfrenten zijn deels ondergebracht bij professionele verzekeraars en deels bij zogenoemde «eigen» besloten vennootschappen. Bij zuivere saldolijfrenten in eigen beheer leidde de opname van de lijfrenteverplichting op de balans van de besloten vennootschap tot een verlaging van de winst en daarmee tot een verlaging van de verschuldigde vennootschapsbelasting. Voor de zuivere saldolijfrenten blijft de keuze die de wetgever bij de invoering van de Wet IB 2001 heeft gemaakt gehandhaafd, de voorgestelde maatregel heeft op deze saldolijfrenten derhalve geen betrekking. Dit betekent dat voor deze categorie op 31 december 2020 moet worden afgerekend en dat het kapitaal vanaf dat moment tot de vermogensrendementsgrondslag in box 3 gaat behoren.

In antwoord op de vragen van de leden van de fracties van D66 en de VVD naar de omvang van de groep die een zuivere saldolijfrente heeft voor wie het overgangsrecht per 1 januari 2021 eindigt kan ik aangeven dat het op basis van een schatting per 1 januari 2017 die ik van het Verbond van Verzekeraars heb ontvangen om ongeveer tweeduizend polissen gaat die bij een professionele verzekeraar zijn belegd. Wat betreft de saldolijfrenten in eigen beheer is de inschatting dat het om een (zeer) beperkt aantal gevallen gaat, maar veelal wel met duidelijk hogere bedragen dan bij verzekeraars.

De maatregel heeft wel gevolgen voor saldolijfrenten waarvan de premies gedeeltelijk niet in aftrek zijn gekomen (de hybride saldolijfrenten). Deze lijfrenten voldeden, wat hun vormgeving betreft, aan de onder de Wet IB 1964 geldende voorwaarden voor premieaftrek. De premies konden echter niet geheel in aftrek worden gebracht, bijvoorbeeld indien meer premies zijn betaald dan op basis van de fiscale aftrekruimte in aanmerking mochten worden genomen. De hybride saldolijfrenten zijn voornamelijk belegd bij professionele verzekeraars. Deze producten voldoen of hebben op enig moment voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor fiscale facilitering. Van onbedoelde mogelijkheden om de belastingheffing in box 1 uit te stellen is daarom niet of slechts in zeer beperkte mate sprake. In onderhavig wetsvoorstel wordt daarom voorgesteld om de beëindiging van het overgangsrecht en de afrekenverplichting af te schaffen voor de hybride saldolijfrenten.

Een derde categorie waar het overgangsrecht op ziet en waar de onderhavige maatregel ook gevolgen voor heeft zijn bepaalde buitenlandse pensioenen, namelijk pensioenen die in het buitenland of bij een internationale organisatie zijn opgebouwd. Deze pensioenen zijn qua doel vergelijkbaar met een tweedepijlerpensioen in Nederland en kunnen onbedoeld onder de afrekenverplichting vallen. Voor dergelijke oudedagsvoorzieningen was de beëindiging van het overgangsrecht en de afrekenverplichting nooit bedoeld. Daarom wordt voorgesteld om ook voor genoemde buitenlandse pensioenen het overgangsrecht niet te beëindigen en de afrekenverplichting af te schaffen. De leden van de fracties van D66 en van de VVD vragen naar de grootte van de groep hybride saldolijfrenten en buitenlandse pensioenen. Hierover zijn geen exacte cijfers bekend.

De leden van de fractie van de PvdA vragen op welke wijze een boxsplitsing van hybride saldolijfrenten uitgevoerd zou moeten worden indien daar toch voor zou worden gekozen, hoe daarbij het box 3-deel zou kunnen worden gewaardeerd en wat de ervaring is met vergelijkbare situaties waarin boxsplitsing toegepast diende te worden. Om een aanspraak op periodieke uitkeringen en verstrekkingen uit een hybride saldolijfrente over box 1 en box 3 te kunnen verdelen, zou moeten worden gekeken voor welk deel in de opbouwfase wel fiscale premieaftrek is genoten en voor welk deel geen recht bestond op fiscale premieaftrek. Voor het deel waarover wel fiscale aftrek is genoten, blijft de aanspraak in box 1 en wordt de uitkering belast in box 1. Het resterende deel van de aanspraak waarvoor in de opbouwfase geen fiscale aftrek is genoten zal tot de bezittingen voor de vermogensrendementsheffing in box 3 behoren. Over het saldo in dat box 3-deel zou per 31 december 2020 in box 1 moeten worden afgerekend. Er moet derhalve splitsing van de waarde van de verzekering plaatsvinden. Het is de vraag hoe deze splitsing moet gebeuren. Dit zou mogelijk kunnen naar evenredigheid van de wel of niet afgetrokken premies.12 In dat geval is het belangrijk dat een belastingplichtige nog in beeld heeft in welk jaar van de opbouwperiode van de hybride saldolijfrente hij welke premiebedragen in aftrek heeft gebracht en hoeveel premies hij in de loop der jaren heeft betaald waarvoor geen fiscale aftrek is geclaimd. Dit zal in de praktijk zeer moeilijk zijn, omdat weinig belastingplichtigen over tientallen jaren een administratie bijhouden waaruit zij deze informatie zouden kunnen ophalen. Verzekeraars zouden naar verwachting wel in staat kunnen zijn om aan te geven hoeveel premies op een saldolijfrente zijn gestort, maar zij beschikken niet over de informatie welke van deze premies fiscaal in aftrek zijn gebracht door de verzekeringnemer in diens aangifte inkomstenbelasting. Als een verzekering gesplitst zou moeten worden, is een verzekeraar aangewezen op informatie van de verzekeringnemer om op basis daarvan de juiste gegevens van deze persoon en van de hybride lijfrente naar de Belastingdienst te kunnen renseigneren. De Belastingdienst ziet wel als er in een jaar premieaftrek in de aangifte is opgenomen maar beschikt niet over de informatie of er daarnaast nog premies zijn betaald die niet fiscaal in aftrek zijn gebracht. Ook beschikt de Belastingdienst niet over de gegevens om te kunnen beoordelen in hoeverre lijfrentepremies in de afgelopen – mogelijk tientallen – jaren zijn afgetrokken. Kortom: de boxsplitsing leidt in de praktijk tot enorme administratieve lasten voor verzekeraars en belastingplichtigen en tot onevenredig hoge uitvoeringslasten voor de Belastingdienst. Overigens is om dezelfde reden voor de tussen 2001 en 2009 bestaande boxsplitsing voor lijfrenten de wet met ingang van 1 januari 2010 aangepast om de problemen met die boxsplitsing voor de praktijk op te lossen.

De voorgestelde maatregel neemt de hiervoor geschetste problemen in de praktijk, zowel wat betreft de verzekeraars en de belastingplichtigen, als ook wat betreft de Belastingdienst, weg. Voor de belastingplichtigen komt er nog bij dat zij als gevolg van het voorstel over hun aanspraken uit de hybride saldolijfrente niet in een keer een hoger bedrag aan belasting verschuldigd zijn, maar de verschuldigde belasting in box 1 gewoon kunnen voldoen uit de lopende uitkeringen. Voor deze groep is de voorgestelde maatregel dus voordelig. Dit is dan ook het antwoord op de vragen van de leden van de fracties van de VVD en 50PLUS over wat de effecten van de voorgestelde maatregel zijn. De voorgestelde maatregel is voor de belastingplichtigen die een hybride saldolijfrente hebben, uitsluitend voordelig. Voor belastingplichtigen die in het verleden gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheden voor tax planning die een zuivere saldolijfrente heeft geboden, wijzigt dit wetsvoorstel niets. De afrekenverplichting die op deze aanspraken rust, staat sinds 20 jaar in de Invoeringswet Wet IB 2001 en wordt voor deze gevallen niet gewijzigd.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen in hoeverre de voorgestelde versoepeling bijdraagt aan tax planning, langdurig uitstel van belastingheffing en doorschuiven van vermogen naar volgende generaties. De versoepeling door de onderhavige maatregel heeft betrekking op de hybride saldolijfrenten waar deze aspecten niet of slechts in zeer beperkte mate spelen. Alleen voor de zuivere saldolijfrenten waarmee per definitie langdurig belastinguitstel en tax planning mogelijk is, blijft de in 2001 voorziene afrekenverplichting gelden. Het concrete voorbeeld waarnaar deze leden vragen ziet dan ook op een verzekerde die bij een professionele verzekeraar een hybride saldolijfrente heeft ondergebracht. Deze verzekerde hoeft per 31 december 2020 niet af te rekenen. Het overgangsrecht blijft van toepassing, waardoor de belastingheffing over de uitkeringen plaatsvindt in box 1. De verzekeraar houdt hierbij de verschuldigde loonheffing in en draagt deze af aan de fiscus.

De leden van de fractie van D66 vragen per wanneer de polissen voor de nu bestaande saldolijfrenten zullen aflopen wanneer de saldolijfrenten zonder beëindiging van het overgangsrecht zouden doorlopen. De beëindiging van het overgangsrecht per 1 januari 2021 en de afrekening per 31 december 2020 betekenen niet dat deze verzekeringen eindigen. Het betreft een fictieve afrekening per 31 december 2020 die plaatsvindt onafhankelijk of de verzekering blijft doorlopen of niet. Tot wanneer deze contracten doorlopen is niet in zijn algemeenheid te zeggen, omdat dit afhangt van de levensverwachting van de verzekerde.

De leden van de fractie van de VVD stellen meerdere vragen over de mogelijke betalingsproblemen voor belastingplichtigen met een zuivere saldolijfrente.

De mogelijkheid dat deze groep in verband met de afrekenverplichting in box 1 tegen betalingsproblemen aan zou kunnen lopen heeft het kabinet afgewogen tegen het – bij volledige afschaffing van de afrekenverplichting – aan deze groep zonder beperking in de tijd ook toekomstig de mogelijkheid bieden om de belastingheffing in box 1 uit te stellen én geen vermogensrendementsheffing in box 3 verschuldigd te zijn over de aanspraken uit de zuivere saldolijfrenten. Naar de mening van het kabinet weegt het beëindigen van de mogelijkheden voor langdurig belastinguitstel voor deze groep, waarbij in het overgrote deel van de gevallen met de zuivere saldolijfrenten fiscale voordelen in de inkomstenbelasting, in de vermogensrendementsheffing (vanaf 2001) en in de vennootschapsbelasting zijn genoten, zwaarder dan de mogelijke betalingsproblemen die zich in individuele gevallen kunnen voordoen. Hier komt bij dat de afrekenverplichting al 20 jaar in de wet staat. Betrokkenen hadden derhalve 20 jaar de gelegenheid om zich voor te bereiden op het afrekenmoment. Aan deze overwegingen liggen geen concrete berekeningen ten grondslag.

Verder vragen de leden van de fractie van de VVD naar de gemiddeld te verwachten afrekenverplichtingen bij zuivere saldolijfrenten. Hierover zijn geen cijfers bekend. Voor de voorgestelde maatregel ten aanzien van de saldolijfrente is hiervoor geen raming gemaakt, omdat voor deze groep niets wijzigt in de wetgeving.

De leden van de fractie van de VVD vragen wanneer de algemene maatregel van bestuur voor de renseignering van de zuivere saldolijfrenten aan uw Kamer wordt voorgelegd. Deze is op 15 oktober 2019 aan uw Kamer verzonden.

Het RB vraagt of voorkoming van dubbele belasting kan worden verleend als het rentebestanddeel van saldolijfrentes wordt belast en het heffingsrecht onder belastingverdragen is toegewezen aan het woonland. De fiscale behandeling van een (saldo)lijfrente in internationale situaties is afhankelijk van meerdere factoren, zoals de nationale belastingwetgeving van de betrokken landen en het toepasselijke belastingverdrag. Als het heffingsrecht exclusief is toegewezen aan het woonland is de fiscale behandeling van eigen inwoners in principe een exclusieve aangelegenheid van dat land. Ik verwacht dat de situatie die het RB schetst, zich niet vaak zal voordoen. Als een belastingplichtige in een concreet geval meent dat sprake is van een belastingheffing in strijd met het betreffende belastingverdrag bevatten belastingverdragen de mogelijkheid om een verzoek in te dienen voor het opstarten van onderling overlegprocedure om de belastingheffing in strijd met het verdrag op te lossen.

5. Aanpassen van de werkkostenregeling

De leden van de fractie van de VVD zijn tevreden met de intensivering van de werkkostenregeling (WKR). Zij zien het profijt dat ondernemers hiervan hebben. De leden van de fractie van de VVD vragen om uit te splitsen welke sectoren vooral gebruikmaken van de WKR. De WKR is het systeem voor de behandeling van vergoedingen en verstrekkingen in de loonbelasting. De WKR is in 2011 ingevoerd. In de eerste vier jaar na invoering was overstappen op de WKR nog niet verplicht. Sinds 2015 geldt de regeling verplicht voor alle werkgevers en daarmee hebben alle werkgevers met de WKR te maken. De leden van de fractie van de VVD vragen om een uitputtende lijst van de vrijstellingen en nihilwaarderingen binnen de WKR. De gerichte vrijstellingen staan opgesomd in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met i, Wet LB 1964, de nihilwaarderingen staan in de artikelen 3.7 en 3.9 van de uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (URLB 2011). Daarnaast vragen de leden van de fractie van de VVD welke wensen in het overleg met werkgevers verder nog zijn geuit, maar waaraan nu vanwege het budgettaire beslag niet wordt voldaan. Partijen hebben erg diverse wensen geuit. Het vrijstellen van feesten en partijen op externe locaties is veelvuldig benoemd, evenals een uitbreiding van de fiscale faciliteit voor jubileumjaren, het herintroduceren van een normrente en het vrijstellen van het kerstpakket. Aan deze wensen is mede vanwege het budgettaire beslag niet tegemoetgekomen. De leden van de fractie van de VVD willen graag inzicht in het bedrag dat gemoeid is met de vergroting van de vrije ruimte in de WKR. De vergroting van de vrije ruimte in de WKR vanaf 2020 leidt tot een jaarlijkse budgettaire derving van € 89 miljoen.

Verder vragen deze leden naar de budgettaire gevolgen van het verlagen van de eindheffing van de WKR van 80% naar 76,15%. De NOB stelt voor om het gemiddelde belastingpercentage zoals dat in 2020 zal gelden als uitgangspunt te nemen voor een herijking van het tarief van de WKR. De hoogte van het eindheffingstarief voor de WKR is op grond van diverse overwegingen vastgesteld. Daarbij is onder meer gekeken naar de gemiddelde marginale druk. Van een directe koppeling tussen het gemiddelde belastingpercentage en het eindheffingstarief is geen sprake. Bij een marginaal tarief van 49,5% bedraagt het gebruteerde tarief circa 98%, in welk licht bezien het eindheffingstarief van 80% nog steeds laag is. Uitgaande van het bedrag aan eindheffing dat in 2017 in het kader van de WKR is voldaan, namelijk circa € 180 miljoen, zou het verlagen van het tarief van 80% naar 76,15% circa € 9 miljoen per jaar kosten.

De leden van de fractie van D66 vragen in welke mate ook werknemers zijn geconsulteerd om na te gaan voor welke aanpassingen in de WKR draagvlak bestaat. Naar aanleiding van de evaluatie van de WKR hebben gesprekken plaatsgevonden met werkgevers uit het mkb, brancheorganisaties en intermediairs. Consultatie van werknemers heeft niet plaatsgevonden. De leden van de fractie van D66 vragen op welke wijze het vergroten van de vrije ruimte de lasten op arbeid voor het mkb wijzigt en of deze maatregel het aantrekkelijk maakt voor het mkb om extra personeel aan te nemen of personeel te behouden. Met name mkb-werkgevers met werknemers met lage lonen of veel parttimers ervaren de huidige vrije ruimte als knellend. Een genoemd argument is dat mkb-werkgevers vaker genoodzaakt zijn om personeelsfestiviteiten op een externe locatie te organiseren, waardoor de kosten – anders dan bij festiviteiten op de werkplek – ten laste van de vrije ruimte komen. Een ander argument is dat mkb-ondernemingen vanwege lage lonen of veel parttimers een naar verhouding beperkte vrije ruimte hebben en tegelijkertijd relatief hoge kosten hebben voor het verstrekken van bijvoorbeeld een kerstpakket, welke kosten daardoor niet altijd volledig ten laste van de vrije ruimte kunnen komen of de ruimte voor het ten laste van de vrije ruimte komen van andere voorzieningen te zeer beperken. De voorgestelde vergroting van de vrije ruimte komt tegemoet aan de hiervoor genoemde signalen en dragen hierdoor bij aan het verlagen van de lasten op arbeid.

De leden van de fractie van de PvdA vragen hoe het bedrag van € 100 miljoen voor lagere lasten op arbeid voor het mkb tot stand is gekomen en of het onderdeel is van een bredere visie. Het kabinet hecht veel belang aan betaalbare lasten op arbeid voor mkb-bedrijven. Bij de augustusbesluitvorming in 2018 is daarom per 2020 een reservering getroffen van € 100 miljoen structureel om de lasten op arbeid voor het mkb te verlichten. Ook in het kader van loondoorbetaling bij ziekte verlaagt het kabinet per 2021 de lasten op arbeid gericht op kleinere werkgevers. Voor een bredere visie op het mkb verwijs ik naar het mkb-actieplan van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.13 De leden van de fractie van de PvdA vragen wat de maatregel gemiddeld per mkb-werkgever oplevert en met welk bedrag de vrije ruimte per werkgever kan worden verhoogd. Van de € 89 miljoen die gebruikt wordt voor het verhogen van de vrije ruimte komt circa € 87 miljoen terecht bij bedrijven met minder dan 250 werknemers in dienst (het mkb). Dit komt neer op een voordeel van gemiddeld circa € 140 per mkb-werkgever. De variatie tussen bedrijven is groot. Met name de bedrijven die nu eindheffing afdragen zullen meer profiteren van de verruiming. De vrije ruimte wordt door de maatregel gemiddeld met circa € 500 per werkgever verhoogd. De vrije ruimte kan per werkgever maximaal met € 2.000 toenemen, namelijk met 0,5% van € 400.000.

5.1. Vergroten vrije ruimte

De leden van de fractie van de VVD vragen welke sectoren structureel hoger en welke sectoren structureel lager uitkomen dan 1,2% en waarom vooral het mkb de 1,2% als knellend ervaart. In de evaluatie van de WKR uit 2018 is inzicht verschaft in de in dat kader afgedragen eindheffing. Hierbij is onderscheid gemaakt naar bedrijfsgrootte en branches.14 Uit de evaluatie blijkt dat een kleine minderheid van de werkgevers in het kader van de WKR eindheffing betaalt. In 2016 liep het percentage bedrijven dat in het kader van de WKR eindheffing betaalt uiteen van ruim 2% bij de bedrijven met minder dan vijf werknemers tot ruim 11% bij bedrijven met minimaal 250 werknemers. Daar staat tegenover dat de procentuele overschrijding bij de kleinere bedrijven gemiddeld hoger is dan bij grotere bedrijven; de grondslag voor de genoemde eindheffing loopt van 1,2% van de loonsom bij de kleinste bedrijven tot 0,3% van de loonsom bij de grootste bedrijven. Mkb-werkgevers geven aan dat zij er vaker voor kiezen om activiteiten niet te organiseren of vergoedingen en verstrekkingen niet te geven als de vrije ruimte ontoereikend is. Tussen sectoren is de fluctuatie in het percentage bedrijven dat in het kader van de WKR eindheffing betaalt minder groot. Alleen bij de sector openbaar bestuur en onderwijs is een uitschieter naar boven te zien met 7%. Met name mkb-werkgevers geven aan de huidige vrije ruimte als knellend te ervaren. Dat hangt samen met lage lonen en het in dienst hebben van veel parttimers.

De WKR zal voortaan worden meegenomen in de sleuteltabel, dit in reactie op een vraag van de leden van de fractie van de VVD. Deze leden vragen verder naar de kosten om de vrije ruimte generiek met 0,1%-punt te verhogen. Zij vragen ook naar een verhoging met 0,1%-punt van het percentage van 1,7%. Gelet op de vraag van deze leden over de sleuteltabel gaan de volgende antwoorden uit van mutaties ten opzichte van het voorgestelde systeem met twee schijven. De budgettaire derving om de vrije ruimte in de tweede schijf (1,2%) met 0,1%-punt te verhogen bedraagt € 69 miljoen per jaar. Het verhogen van de vrije ruimte in de eerste schijf (1,7%) met 0,1%-punt kost € 17 miljoen per jaar. De leden van de fractie van de VVD vragen daarnaast naar de kosten om de grens van € 400.000 te verhogen met € 1.000. Een dergelijke verhoging heeft een verwaarloosbaar budgettair effect. Het verhogen met € 10.000 kost bijna € 1 miljoen per jaar.

De leden van de fracties van de VVD en de SGP vragen waarop het bedrag van € 400.000 is gebaseerd. De leden van de fractie van de VVD vragen of dit op basis van budgettaire mogelijkheden is of dat er een ondernemerstechnische ratio achter zit. De leden van de fractie van de SGP vragen waarom niet voor een hoger bedrag is gekozen. Enerzijds is het bedrag inderdaad gebaseerd op de budgettaire ruimte. Bij het voorgestelde percentage van 1,7% zou een hoger bedrag dan € 400.000 immers meer geld kosten. Daarnaast ervaren, zoals eerder opgemerkt, met name mkb-werkgevers met lage lonen of veel parttimers de huidige beperking van de vrije ruimte als knellend. Door de voorgestelde vormgeving is de verruiming voor hen relatief het grootst. Tot slot, en daar hecht het kabinet ook aan, had de voorgestelde vormgeving de voorkeur van vertegenwoordigers van het mkb.

De leden van de fractie van het CDA merken op het terecht te vinden dat voor het mkb meer ruimte zal ontstaan voor vergoedingen en verstrekkingen, omdat de WKR daar meer knelt dan bij grotere bedrijven. Zij vragen naar de verwachte gedragseffecten in relatie tot de budgettaire effecten van het verruimen van de vrije ruimte. De leden van de fractie van het CDA vragen ook naar het extra loon (in natura) dat werkgevers door de verruiming van de vrije ruimte zullen uitkeren. Deze leden vragen ook hoeveel belast loon zal worden omgezet in loon dat onderdeel zal gaan uitmaken van de vrije ruimte en aan welke loonbestanddelen hierbij kan worden gedacht. Het is op voorhand niet duidelijk wat de gedragseffecten van werkgevers zullen zijn naar aanleiding van de verruiming van de vrije ruimte. Voor de budgettaire raming is op basis van de evaluatie van de WKR uit 201815 aangenomen dat, afhankelijk van de bedrijfsgrootte, 50 tot 65% van de werkgevers de arbeidsvoorwaarden zal aanpassen om de vrije ruimte optimaal te benutten. Dit zou betekenen dat circa € 170 miljoen aan extra vrije ruimte benut zal worden, oftewel circa € 500 per bedrijf. Dit zal gedeeltelijk worden benut om belast loon onder te brengen in de vrije ruimte. Qua loonbestanddelen kan daarbij bijvoorbeeld worden gedacht aan sportabonnementen en fietsen (inclusief bijtelling voor een fiets van de zaak).

5.2. Vrijstellen van vergoedingen voor een VOG

De leden van de fractie van de VVD vragen naar de kosten van het uit de algemene middelen financieren van Verklaringen Omtrent het Gedrag (VOG’s). Deze leden vragen ook, net als de leden van de fractie van de PvdA, naar het bedrag dat is gemoeid met de gerichte vrijstelling voor VOG’s. De leges voor VOG’s bedragen naar verwachting € 40 miljoen in 2020.16De voorgestelde gerichte vrijstelling voor VOG’s kost € 11 miljoen per jaar.

De leden van de fractie van de VVD vragen naar een meer precieze uitsplitsing van de betreffende ondernemers, welke sectoren voordeel ervaren van deze maatregel en om hoeveel werkgevers dit gaat. In 2018 werden er 1,2 miljoen VOG’s aangevraagd. Bij VOG-aanvragen wordt niet geregistreerd op welke branche of sector deze aanvraag betrekking heeft. Het is niet bekend hoeveel van deze VOG-aanvragen vielen onder een wettelijke VOG-plicht, eventuele sectorale afspraken of bijvoorbeeld als verplicht onderdeel van subsidievoorwaarden van een gemeente. Niet bekend is om hoeveel werkgevers het gaat.

De leden van de fractie van D66 willen weten hoe het kabinet omgaat met het advies van het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) om te onderzoeken of de verplichte VOG voor werknemers gefinancierd kan worden uit algemene middelen. De leden van de fractie van de PvdA vragen of het kabinet heeft overwogen om voor de gevallen waarin een VOG onontbeerlijk is een legesvrijstelling of een subsidie in te richten. Werkgevers hebben te maken met diverse verplichtingen die worden opgelegd door de overheid om de kwaliteit en veiligheid op de werkvloer te waarborgen. Hierbij kan worden gedacht aan verplichte certificering of opleidingseisen aan medewerkers, maar ook aan screening. Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever om aan al deze eisen te voldoen. De VOG neemt hierbij een bijzondere plek in, omdat deze vanwege de privacybeschermende aard van het instrument, door de werknemer zelf aangevraagd en betaald dient te worden. Het kabinet ziet geen aanleiding om de bekostiging van een wettelijk verplichte VOG anders te behandelen dan deze andere vereisten bijvoorbeeld door subsidie te verlenen of dergelijke aanvragen vrij te stellen van leges.

De leden van de fractie van de PvdA vragen welke afwegingen ten grondslag liggen aan deze maatregel en in hoeverre deze maatregel een stimulering betekent van het vragen van onnodige VOG’s. Uit het overleg met de werkgevers is gebleken dat zij op dit moment de kosten voor een VOG ten laste van de vrije ruimte brengen, als ze deze kosten aan hun werknemers vergoeden. Aangezien een VOG vaak wettelijk verplicht is en niet tot een voordeel leidt voor de werknemer, leidt dit tot veel onbegrip bij werkgevers. De voorgestelde maatregel houdt in dat de vergoeding van de werkgever aan een werknemer voor een VOG niet meer ten laste komt van de vrije ruimte. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de wens van werkgevers, die specifiek om deze vrijstelling hebben verzocht. Voor het kunnen benutten van de gerichte vrijstelling dient de werkgever deze kosten daadwerkelijk te vergoeden aan de werknemer. De verwachting is dat deze maatregel werkgevers daarom niet stimuleert onnodig een VOG te eisen van hun werknemer.

5.3. Verlengen uiterste moment aangifte en afdracht eindheffing

De leden van de fractie van de VVD vragen welke sectoren en hoeveel werkgevers voordeel zullen ervaren van de voorgestelde verschuiving van het uiterste aangiftemoment. Zij vragen ook naar de inwerkingtredingsdatum van deze voorgestelde verschuiving. Alle werkgevers die aangifte loonbelasting doen, ruim 600.000, kunnen gebruikmaken van de mogelijkheid om de verschuldigde eindheffing in verband met het overschrijden van de vrije ruimte van een kalenderjaar later aan te geven, namelijk tegelijk met de aangifte over het tweede aangiftetijdvak van het volgende kalenderjaar. Het is niet bekend welke sectoren hiervan het meest gebruik zullen maken. De voorgestelde inwerkingtredingsdatum is 1 januari 2020, waarmee de maatregel voor het eerst geldt voor de aangifte over het kalenderjaar 2020.

5.4. Waarde producten uit eigen bedrijf

De leden van de fractie van de VVD vragen welke sectoren voordeel ervaren van de aanpassing van de regels voor de waardering van producten uit eigen bedrijf en hoeveel ondernemers dit betreft. Daarnaast vragen deze leden naar de inwerkingtredingsdatum van deze wijziging. De leden van de fractie van het CDA vragen om een voorbeeld hoe de werkgever de waarde in het economische verkeer van producten uit het eigen bedrijf moet bepalen en welke prijs geldt als er verschillende prijzen worden gehanteerd. De leden van de fractie van de PvdA vragen naar het doel van de maatregel en het verschil ten opzichte van de huidige praktijk. De maatregel ziet op werkgevers die producten uit eigen bedrijf aan werknemers verstrekken of verkopen. In bepaalde sectoren is dit meer gebruikelijk dan in andere. Bij producten uit eigen bedrijf kan worden gedacht aan sectoren met producten die voor de consument interessant zijn, zoals retail en horeca. Voorgesteld wordt om per 1 januari 2020 de waarde van producten uit eigen bedrijf steeds te stellen op de waarde in het economische verkeer. Dit is de waarde die reeds het wettelijke uitgangspunt is voor de gericht vrijgestelde korting voor branche-eigen producten die de werkgever kan geven en in de praktijk vaak ook al wordt gebruikt voor de bepaling van de loonwaarde. In de praktijk zullen derhalve niet veel werkgevers een verandering door deze maatregel ervaren. De waarde in het economische verkeer dient in het kader van deze maatregel te worden uitgelegd als de consumentenprijs. Dit kan het bedrag zijn dat een werkgever op het moment dat de werknemer het product verkrijgt zelf bij consumenten in rekening brengt, maar dat kan ook het bedrag zijn dat een concurrent op dat moment aan consumenten in rekening brengt, bijvoorbeeld een genoemde prijs op een website of een aanbieding uit een reclamefolder. Allebei de bedragen, inclusief btw, zijn consumentenprijzen. De werkgever kan beide als uitgangspunt nemen voor de vaststelling van de hoogte van het loon.

De NOB en het RB merken in hun commentaren op het pakket Belastingplan 2020 op dat uit de evaluatie van de WKR naar voren komt dat het «aanwijzen» van gerichte vrijstellingen als knelpunt wordt ervaren en vragen of hiervoor een oplossing wordt geboden. In de kabinetsreactie op de evaluatie heb ik aangegeven in overleg te treden met het bedrijfsleven om na te gaan voor welke aanpassingen in de WKR draagvlak bestaat. De voorgestelde wijzigingen in de WKR komen tegemoet aan knelpunten die bij de hiervoor genoemde overleggen naar voren zijn gekomen. Het kabinet is niet voornemens om de systematiek van het aanwijzen van eindheffingsbestanddelen aan te passen. Het aanwijzen is al vormvrij en de Belastingdienst is coulant in het beoordelen of vergoedingen en verstrekkingen waar een gerichte vrijstelling voor kan gelden wel zijn aangewezen. Zo gaat de Belastingdienst gedurende het kalenderjaar van zo’n aanwijzing uit als een vergoeding of verstrekking tot het loon behoort en de werkgever deze niet tot het individuele loon van de werknemer heeft gerekend. In het beleidsbesluit van 17 december 201417 en het Handboek Loonheffingen is dat ook uitgedragen.

Hiernaast vraagt de NOB om herintroductie van een normrente voor personeelsleningen. Het kabinet is niet voornemens dit te doen. De introductie van één normrente leidt op individueel niveau tot grote ongewenste effecten. Dit komt doordat de marktrente voor leningen erg uiteen kan lopen. Denk hierbij aan het verschil in marktrente voor leningen met of zonder zekerheid en aan verschillen in looptijden van leningen. Budgettair neutrale varianten die deze ongewenste effecten wegnemen bewerkstelligen niet de gewenste vereenvoudiging.

De NOB is van mening dat de verhoging van de vrije ruimte zou moeten doorwerken naar de concernregeling binnen de WKR. Op grond van de concernregeling wordt de WKR toegepast alsof de in concernverband opererende inhoudingsplichtigen gezamenlijk één inhoudingsplichtige zijn. Dat geldt eveneens voor de toepassing van de verhoging van de vrije ruimte. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat toepassing van de concernregeling geen verplichting, maar een keuzemogelijkheid is.

6. Indexeren van vrijwilligersregeling

De leden van de fractie van het CDA geven aan zeer verheugd te zijn met de indexering van de vrijwilligersregeling. De leden van de fracties van de VVD en de PvdA hebben vragen gesteld over deze maatregel. Zij vragen naar de ontwikkeling van de maximale onbelaste vrijwilligersvergoeding in de komende jaren. De leden van de fractie van de PvdA vragen waarom bij de indexatie van de vrijwilligersregeling is gekozen voor afronding op veelvouden van € 100 en of ook een afronding op tientallen is overwogen. Volgens het wetsvoorstel worden de in de vrijwilligersregeling genoemde maximumbedragen (van thans € 170 per maand en € 1.700 per kalenderjaar) met ingang van 1 januari 2020 jaarlijks aan het begin van het kalenderjaar geïndexeerd, en wel door vermenigvuldiging met de tabelcorrectiefactor. De tabelcorrectiefactor wordt berekend op basis van afgeleide CPI van het CBS. Voor 2020 komt deze uit op 1,016 en vindt – afgezien van de afronding – dus een verhoging met 1,6% plaats. Voor de in de wet op te nemen maximumbedragen zijn verschillende varianten overwogen. Ten behoeve van de uitvoeringspraktijk (kenbaarheid) wordt voorgesteld om het maximumbedrag per kalenderjaar rekenkundig af te ronden op een veelvoud van € 100 en het maandbedrag vast te stelen op 1/10 deel van het afgeronde maximumbedrag per kalenderjaar. In dat geval komt het maximumbedrag per maand steeds uit op een veelvoud van € 10. Tabel 20 laat de ontwikkeling van het in de wet op te nemen maximumbedrag per kalenderjaar zien tot 2030, indien ook voor de jaren na 2020 van een jaarlijkse indexatie met 1,6% wordt uitgegaan.

Tabel 21: Ontwikkeling van het in de wet op te nemen maximumbedrag per kalenderjaar
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

jaarbedrag

1.700

1.700

1.800

1.800

1.800

1.800

1.900

1.900

1.900

2.000

2.000

2.000

De leden van de fractie van de VVD vragen hiernaast of er andere vergoedingen zijn die de afgelopen jaren niet zijn geïndexeerd en of ik daarvan een uitputtende lijst kan geven. Een dergelijke lijst is niet beschikbaar. De Algemene Rekenkamer heeft in het rapport «Forfaits in het belastingstelsel»18 een overzicht gegeven van de bestaande forfaits en aandacht besteed aan indexatie.

7. Aanpassen vrijstelling overheidsondernemingen

De leden van de fractie van de VVD vragen om een precisering van de ondernemingen waarvoor de aanpassing van de vrijstelling voor overheidsondernemingen van belang is. Ook vragen deze leden naar het budgettaire beslag van het aanpassen van de vrijstelling voor overheidsondernemingen voor de drie genoemde categorieën. De eerste categorie overheidsondernemingen betreft de scholen voor primair of voortgezet onderwijs met een internationale afdeling die (gedeeltelijk) door de overheid worden bekostigd en die op basis van de huidige wet niet in aanmerking komen voor de onderwijsvrijstelling. Dit geldt ook voor een geaccrediteerde Europese school. De tweede en derde categorie overheidsondernemingen (eigenlijk is hier sprake van één categorie) betreft publiekrechtelijke rechtspersonen die door de Staat zijn opgericht en waarin taken zijn ondergebracht. Hierbij kan gedacht worden aan zelfstandige bestuursorganen met publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid, rechtspersonen met een wettelijke taak die zijn opgericht naar publiek recht of sui-generisrechtspersonen. Op basis van de huidige wet kan bij deze rechtspersonen belastingheffing plaatsvinden wanneer sprake is van onderlinge activiteiten tussen deze rechtspersonen en de Staat. De budgettaire derving voor het aanpassen van de vrijstelling van overheidsondernemingen voor deze twee categorieën tezamen is in totaal € 5 miljoen incidenteel in 2020 en € 1 miljoen structureel daarna.

7.1. Aanpassen onderwijsvrijstelling

De leden van de fractie van de PvdA vragen waarom wel is voorzien in een onderwijsvrijstelling, maar niet in een vrijstelling voor woningcorporaties met betrekking tot zogenoemde diensten van algemeen economisch belang (DAEB-activiteiten). In de fiscale moties- en toezeggingenbrief van 30 maart 2017 is de motie van de leden Groot (PvdA) en Van Vliet (Van Vliet) uitgebreid aan de orde gekomen.19 Die motie verzoekt het kabinet opties uit te werken om woningcorporaties vrij te stellen van vennootschapsbelasting voor DAEB-activiteiten. Allereerst wordt in genoemde brief de ratio achter de integrale vennootschapsbelastingplicht (Vpb-plicht) zoals deze nu geldt voor woningcorporaties uiteengezet. Deze Vpb-plicht is in het Belastingplan 2008 opgenomen en per 1 januari 2008 ingevoerd. De ratio is dat vennootschapsbelasting wordt geheven over winst van ondernemingen en dat, wanneer het geheel aan activiteiten van woningcorporaties wordt bezien, woningcorporaties vanuit fiscaal oogpunt moeilijk anders dan als ondernemingen kunnen worden gekenmerkt. Deze ratio is niet aan een veranderde opvatting onderhevig en geldt dus nog steeds. In genoemde brief worden vervolgens de onderzochte opties geëvalueerd. De eindconclusie van het kabinet die nu nog steeds geldt, is dat voor woningcorporaties niet voorzien moet worden in een vrijstelling van vennootschapsbelasting voor DAEB-activiteiten. Hierbij zijn staatssteunrisico’s en het voorkomen van het creëren van een ongelijk speelveld binnen de markt nog steeds van belang.

De leden van de fracties van de PvdA en het CDA vragen hoe de onderwijsvrijstelling zich verhoudt tot vrijwillige ouderbijdragen. Hierbij vragen de leden van de fractie van het CDA in het bijzonder hoe dat uitpakt met vrijwillige ouderbijdragen ten behoeve van een speciale afdeling, bijvoorbeeld met meer uitdaging, of klas met meer begeleiding op een door de overheid bekostigde school. Een van de voorwaarden om voor de onderwijsvrijstelling in aanmerking te komen, is dat het onderwijs voor minimaal 70% bekostigd moet zijn uit publieke middelen of uit specifiek in de onderwijsvrijstelling nader opgesomde (ouder)bijdragen, zoals wettelijk collegegeld of wettelijk lesgeld (bekostigingseis). Dit betekent dat een school die gedeeltelijk wordt gefinancierd met vrijwillige ouderbijdragen gebruik kan maken van de onderwijsvrijstelling, zolang voldaan wordt aan bovengenoemde bekostigingseis.

7.2. Aanpassen vrijstelling interne activiteiten en quasi-inbestedingsvrijstelling

De leden van de fractie van het CDA vragen of de Belastingdienst haar eigen vennootschapsbelasting over 2017 en 2018 al berekend en afgedragen heeft en zo ja, hoeveel de Belastingdienst aan vennootschapsbelasting verschuldigd was. In het (belasting)jaar 2017 was er géén sprake van Vpb-plichtige activiteiten bij de Belastingdienst. In het (belasting)jaar 2018 was er sprake van één Vpb-plichtige activiteit bij de Belastingdienst welke volgens de berekeningen een positief bedrag van € 127 genereerde. Op grond van artikel 2 van de Wet op de vennootschapsbelasting is overigens niet de Belastingdienst maar het Ministerie van Financiën in deze gevallen de belastingplichtige.

Het verheugt het kabinet dat de leden van de fractie van de PvdA de aanpassing van de vrijstelling voor interne activiteiten en de aanpassing van de quasi-inbestedingsvrijstelling steunen. Deze leden vragen wat de gevolgen van deze aanpassingen zijn voor bestaande situaties. De voorgestelde wijzigingen vinden voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2020. Vooruitlopend daarop is in een beleidsbesluit van 9 juli 2019 een en ander alvast als goedkeurend beleid neergelegd.20 Aan dit goedkeurende beleid is terugwerkende kracht toegekend en het vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die op of na 1 januari 2016 zijn aangevangen, zijnde de boekjaren waarop de Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen voor het eerst toepassing vindt. Dit betekent dat dit goedkeurend beleid ook van toepassing is op bestaande situaties.

De leden van de fractie van de SP vragen op welke wijze het algemeen belang erbij gediend is dat overheidsondernemingen vennootschapsbelastingplichtig zijn geworden en of hiermee een gelijker speelveld is gecreëerd. De vennootschapsbelastingplicht van overheidsondernemingen is voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2016 gewijzigd, als gevolg van de Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen. Er waren twee ontwikkelingen die aanleiding gaven tot deze maatregel. Allereerst stond de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen al geruime tijd in de belangstelling van zowel het Nederlands parlement als de EC. In het bijzonder is de mogelijke concurrentieverstoring als gevolg van de verschillen in behandeling tussen de activiteiten van publieke ondernemingen enerzijds (veelal onbelast) en private ondernemingen anderzijds (belast), veelvuldig onderwerp van gesprek geweest. Verschillende fracties in uw Kamer en in de Eerste Kamer hebben hierover in de jaren naar aanloop van die wet hun bezorgdheid geuit en om nadere informatie met betrekking tot de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen gevraagd. Ten tweede verrichtte de EC, in het kader van het verbod op staatssteun, een onderzoek dat zich toespitste op de vraag of de (toenmalige) vormgeving van de vennootschapsbelastingplicht resulteerde in een verstoring van het gelijke speelveld tussen overheidsondernemingen die economische activiteiten ontplooien enerzijds en private ondernemingen anderzijds. Uiteindelijk heeft dit onderzoek geresulteerd in een zogenoemde uitnodiging tot het nemen van dienstige maatregelen. Het toenmalige kabinet liet de EC weten dat het voorstel voor dienstige maatregelen werd aanvaard en dat het voornemens was de vennootschapsbelasting zodanig aan te passen dat overheidsondernemingen die economische activiteiten ontplooien op dezelfde wijze aan de vennootschapsbelasting worden te onderworpen als private ondernemingen. Met het vennootschapsbelastingplichtig maken van overheidsondernemingen is een gelijk speelveld gecreëerd, hetgeen in het algemeen belang is.

8. Invoeren minimumkapitaalregel voor banken en verzekeraars

De leden van de fractie van de PvdA vragen, met het oog op het doel van de minimumkapitaalregel, wat in de praktijk het verschil is tussen een betere kapitalisering van banken en het beperken van de fiscale prikkel voor de financiering met vreemd vermogen. Daarbij vragen deze leden om aan te geven waarom een betere kapitaalpositie van banken niet als primair doel geldt, en wat het verwachte effect is van de maatregel. De voorgestelde maatregel heeft – net als de earningsstrippingmaatregel, een generieke renteaftrekbeperking in de vennootschapsbelasting – als doel om binnen de fiscaliteit ook voor banken en verzekeraars de prikkel voor de financiering met vreemd vermogen te beperken. Daarnaast beoogt het kabinet met de invoering van de minimumkapitaalregel dat ook banken en verzekeraars een bijdrage leveren aan de verlaging van het vennootschapsbelastingtarief. Die verlaging wordt grotendeels gefinancierd uit de opbrengst van de ingevoerde earningsstrippingmaatregel die banken en verzekeraars naar verwachting niet raakt. De minimumkapitaalregel heeft niet tot doel om in bredere zin een prudentiële vermogenseis voor banken voor te schrijven gericht op het waarborgen van een stabiel financieel stelsel. Op Europees niveau is immers sprake van maximumharmonisatie van de kapitaaleisen voor banken in de verordening kapitaalvereisten.21 Onder de nieuwe verordening kapitaalvereisten is in dit verband een leverage ratio voor banken van 3% overeengekomen.22 Banken moeten daardoor in de toekomst altijd een minimale leverage ratio aanhouden van 3% van al hun blootstellingen. Bovendien geldt een opslag op de leverage ratio voor mondiale systeembanken. Het verwachte effect van de minimumkapitaalregel is dat binnen de fiscaliteit de prikkel voor de financiering met vreemd vermogen afneemt, doordat de fiscale aftrekbaarheid van rente op geldleningen voor banken en verzekeraars wordt beperkt. Daarbij realiseert het kabinet zich dat het in beginsel aan banken en verzekeraars zelf is om te kiezen voor financiering met eigen of vreemd vermogen en dat bij deze keuze ook afwegingen buiten de fiscaliteit een rol spelen. Bij het kabinet bestaat dan ook niet de verwachting dat banken en verzekeraars enkel door de toepassing van deze maatregel hun financieringsverhouding zullen wijzigen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of het kabinet onderzoek heeft gedaan naar de rol van fiscaliteit bij de financieringsmix van banken. Ook vragen deze leden welke alternatieve maatregelen zijn overwogen, en in het bijzonder of is overwogen om een vast percentage van de rente niet aftrekbaar te laten. Het kabinet heeft geen eigen onderzoek gedaan naar de rol van fiscaliteit bij de financieringskeuze van banken. Wel komt uit verschillende internationale onderzoeken naar voren dat banken reageren op het verschil in de fiscale behandeling van eigen en vreemd vermogen en in relatieve termen zelfs sterker reageren dan niet-financiële bedrijven.23 Om deze reden heeft de Studiegroep Duurzame Groei (SDG) dan ook een minimumkapitaalregel voor banken en verzekeraars als mogelijkheid geopperd.24 Het kabinet heeft deze suggestie omarmd. De SDG heeft daarnaast opgeworpen om als generieke fiscale renteaftrekbeperking een vast percentage van het saldo van verschuldigde en ontvangen rente niet aftrekbaar te maken.25 Een dergelijke maatregel die aangrijpt bij een (netto) rentesaldo heeft in beginsel geen effect op banken en verzekeraars. Het kabinet heeft dan ook niet overwogen om als alternatief voor de voorgestelde minimumkapitaalregel banken en verzekeraars een vast percentage van het (netto) rentesaldo niet aftrekbaar te laten. Daarbij geldt in algemene zin dat het kabinet met de invoering van earningsstrippingmaatregel met ingang van 1 januari 2019 in de Wet Vpb 1969 al een generieke renteaftrekbeperking in de vennootschapsbelasting heeft ingevoerd. Het kabinet is van mening dat geen aanleiding bestaat om een aanvullende generieke renteaftrekbeperking te introduceren, zeker nu zo kort na invoering van deze maatregel het effect nog niet inzichtelijk is.

De leden van de fractie van de VVD vragen naar een analyse van de stijgende lasten voor banken en verzekeraars, en vragen hoe wordt voorkomen dat deze lasten worden verdisconteerd in de kosten voor consumenten of de kredietverlening. Daarnaast vragen deze leden op welke wijze de concurrentie met banken en verzekeraars in omliggende landen wordt geborgd. Over deze kabinetsperiode is voor banken en verzekeraars naar verwachting per saldo sprake van een lastenstijging van € 273 miljoen als gevolg van de voorgestelde invoering van de minimumkapitaalregel en de afschaffing van de aftrekmogelijkheid van de vergoeding op aanvullend tier 1-kapitaalinstrumenten. Daartegenover staat een lastenverlichting als gevolg van de verlaging van het tarief van de vennootschapsbelasting. Het effect van de hiervoor genoemde maatregelen is opgenomen in de onderstaande tabel. Of de lastenverzwaring zich vertaalt in hogere kosten voor consumenten of de kredietverlening is op voorhand niet te zeggen en is afhankelijk van veel factoren waaronder de commerciële keuzes van banken en verzekeraars. Per saldo staan de voorgestelde maatregelen naar de mening van het kabinet echter niet in de weg aan een gezonde kredietverlening, passend bij het huidige economische klimaat. Banken maken voldoende winst en hebben goede toegang tot kapitaalmarkten. In de nasleep van de crisis leefde er in uw Kamer ook zorgen dat het cumulatieve effect van verschillende maatregelen op de bankensector mogelijk implicaties zou hebben voor de kredietverlening. Daarop zijn door het Ministerie van Financiën en De Nederlandsche Bank (DNB) in 2014 analyses gemaakt waarbij het cumulatieve effect van alle maatregelen is afgezet tegen de geraamde winst in de jaren tot en met 2018. Uit deze analyse bleek dat banken voldoende mogelijkheden hebben om de kredietverlening te laten groeien. De afgelopen jaren behaalden Nederlandse banken een winst die aanzienlijk hoger is dan de winst die in 2014 conservatief geraamd was. Momenteel bevindt Nederland zich in een periode van economische groei, waarvan ook banken profiteren. De hoge winstgevendheid van banken is ook het resultaat van het afstoten van minder winstgevende activiteiten en kostenreductie.26 Daarnaast is het internationale speelveld diffuus, maar is het kabinet van oordeel dat banken en verzekeraars deze lastenverzwaring kunnen dragen.

Tabel 22: Structurele budgettaire effecten (in miljoenen euro's, –/– = lastenverlichting) banken en verzekeraars
 

Budgettaire effect maatregel

Aandeel banken en verzekeraars

Totaal

Afschaffing renteaftrek op aanvullend tier 1-kapitaalinstrumenten

   

159

Invoering minimumkapitaalregel

   

295

Earningstrippingmaatregel

2.061

0%

0

Beperkingen verliesverrekening van 9 jaar naar 6 jaar

1.018

9%

92

Tariefsverlaging Belastingplan 2019

– 2.772

9%

– 249

Tariefsverlaging heroverweging pakket

vestigingsklimaat

– 1.185

9%

– 107

Tariefsaanpassing Belastingplan 2020

919

9%

83

Totaal

   

273

De leden van de fracties van de VVD, de SP en de PvdA vragen waarom de renteaftrekbeperking aangrijpt voor zover het vreemd vermogen van een bank of verzekeraar meer bedraagt dan 92% van het balanstotaal, en waarom niet is gekozen voor een ander percentage (norm). Daarbij vragen de leden van de fracties van de SP en de PvdA waarom niet is gekozen voor een verdergaande norm. Verder vragen de leden van de fractie van GroenLinks hoe deze norm zich verhoudt tot norm die wordt gehanteerd in de earningsstrippingmaatregel. Tot slot vragen de leden van de fracties van de VVD en de PvdA of voor banken en verzekeraars dezelfde norm wordt gehanteerd en wat de gevolgen daarvan zijn. Om de prikkel voor de financiering met vreemd vermogen te beperken heeft de SDG de mogelijkheid geopperd om de fiscale aftrek van de verschuldigde rente te beperken voor zover het vreemd vermogen meer bedraagt dan 92% van het commerciële balanstotaal.27 Het percentage van 92 is overgenomen in het regeerakkoord. Omdat het kabinet erkent dat ieder percentage in beginsel arbitrair is, ziet het kabinet geen aanleiding af te wijken van de in het regeerakkoord genoemde norm, mede met het oog op de budgettaire opbrengst die in het regeerakkoord is voorzien. Het hanteren van hoger percentage dan 92 (soepelere norm) zou ertoe leiden dat de in het regeerakkoord voorziene opbrengst niet zou worden gehaald. Omgekeerd zou het hanteren van een lager percentage dan 92 (verdergaande norm), leiden tot een verdergaande lastenstijging voor de sector. De gehanteerde norm geldt voor zowel banken als verzekeraars. Over het algemeen hebben verzekeraars meer eigen vermogen dan banken als gevolg van de kapitaalvereisten uit hoofde van het op hen van toepassing zijnde toezichtkader, waardoor verzekeraars over het algemeen minder hard geraakt zullen worden door de maatregel dan banken. De gevolgen voor een individuele bank of verzekeraar zijn echter afhankelijk van de specifieke omstandigheden bij die betreffende bank of verzekeraar. De formule op basis waarvan de niet-aftrekbare rente op grond van de minimumkapitaalregel wordt berekend houdt – behalve voor wat betreft het doel: het beperken van de fiscale prikkel voor de financiering met vreemd vermogen – in geen enkel opzicht verband met de wijze waarop het niet-aftrekbare saldo aan renten op grond van de earningsstrippingmaatregel wordt berekend. Het gaat daarbij immers ook om verschillende grootheden. Om die reden kan er geen vergelijking tussen beide maatregelen worden gemaakt.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of het hanteren van een vast percentage ertoe leidt dat er door banken en verzekeraars wordt gestuurd om onder het voorgestelde percentage van 92 te blijven, waardoor de maatregel minder effectief wordt om de kapitaalpositie van banken te versterken. Het doel van de voorgestelde renteaftrekbeperking is, zoals hiervoor aangegeven, niet om de kapitaalpositie voor banken te versterken. Het is dan ook niet de verwachting van het kabinet dat banken en verzekeraars uitsluitend als gevolg van de toepassing van deze maatregel hun financieringsverhouding zullen wijzigen. Mocht een bank of verzekeraar de financieringsverhouding wel wijzigen zodat deze onder de in de maatregel gestelde norm komt, dan heeft dat tot gevolg dat de renteaftrekbeperking niet meer van toepassing is.

De leden van de fractie van de PvdA vragen in hoeverre filialen van buitenlandse banken een voordeel hebben, nu hun leverage ratio op individuele basis wordt bepaald in plaats van op groepsniveau. Deze leden vragen ook of een buitenlandse bank de Nederlandse kapitaalratio kan beïnvloeden door hier meer kapitaal neer te laten slaan uit landen waar deze maatregel niet geldt, en hoe dit voordeel kan worden voorkomen. Voor de toepassing van de minimumkapitaalregel voor banken en verzekeraars geldt als hoofdregel dat de leverage- en eigenvermogenratio op Europees geconsolideerd groepsniveau wordt gehanteerd. Hierdoor is het voor buitenlandse banken en verzekeraars in beginsel niet mogelijk om de ratio te beïnvloeden. Alleen in uitzonderingssituaties wordt de ratio op individuele basis gehanteerd. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij een in Nederland gevestigde dochtervennootschap van een bank of verzekeraar met een zetel buiten een land dat behoort tot de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte (EU/EER-land), of indien sprake is van een in Nederland gelegen vaste inrichting van een hoofdhuis dat niet is gevestigd in een EU/EER-land. Bovendien is niet op voorhand te zeggen of de leverage ratio op individuele basis een voordeel oplevert. In het licht van de doelstelling van de maatregel is er dan ook geen reden om hiervoor een aparte regeling op te nemen om een eventueel voordeel te voorkomen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen in hoeverre de voorgestelde maatregel ertoe kan leiden dat voor verzekeraars die in zwaar weer zitten de vennootschapsbelastinglasten kunnen oplopen. De voorgestelde renteaftrekbeperking grijpt aan ingeval de eigenvermogenratio van een verzekeraar minder bedraagt dan 8%. De eigenvermogenratio betreft de verhouding tussen het eigen vermogen en het balanstotaal bepaald aan de hand van de balans die wordt opgesteld volgens de verordening solvabiliteit II.28 Voor zover het eigen vermogen van een verzekeraar minder bedraagt dan 8% van het balanstotaal (bijvoorbeeld als gevolg van geleden verliezen), worden de renten ter zake van geldleningen inderdaad in aftrek beperkt bij het bepalen van de winst en neemt de te betalen vennootschapsbelasting toe. De maatregel heeft in zoverre dan ook een procyclisch effect. Dit effect beperkt zich echter niet tot verzekeraars. Ook banken die met de maatregel worden geconfronteerd – en overigens ook belastingplichtigen die door de earningsstrippingmaatregel worden geraakt – hebben met dit procyclische effect te maken.

De leden van de fractie van het CDA vragen het kabinet of er banken of verzekeraars zijn die wel onder de earningsstrippingmaatregel vallen, of dat die er niet zijn omdat deze bedrijven hun structuur hebben gewijzigd zodat per saldo geen rente verschuldigd is. Bij banken en verzekeraars is op fiscale-eenheidsniveau veelal geen sprake van per saldo verschuldigde rente, waardoor banken en verzekeraars doorgaans niet geraakt worden door de earningsstrippingmaatregel. Het kabinet is geen specifieke gevallen bekend van banken of verzekeraars die wel worden geraakt door de earningsstrippingmaatregel of die hun structuur hebben gewijzigd zodat per saldo geen rente verschuldigd is. Er zijn in theorie wel situaties denkbaar waarin een fiscale eenheid waartoe een vergunninghoudende bank of verzekeraar behoort ook wordt geraakt door de earningsstrippingmaatregel. Om te voorkomen dat de minimumkapitaalregel – naast de toepassing van de earningsstrippingmaatregel – leidt tot een aanvullende renteaftrekbeperking, is voorzien in een afzonderlijke maatregel die de samenloop van beide maatregelen voorkomt.

De leden van de fractie van de VVD vragen hoe wordt voorkomen dat door middel van de earningsstrippingmaatregel en de voorgestelde minimumkapitaalregel te zeer wordt ingegrepen op bedrijfseconomische keuzes van individuele bedrijven. Naar de mening van het kabinet zijn bedrijven in beginsel vrij in hun bedrijfseconomische keuzes. Dit geldt ook ten aanzien van hun financieringskeuze. Fiscaliteit is bij de financieringskeuze tussen eigen- en vreemd vermogen slechts een van de factoren die van belang is.

De leden van de fractie van de VVD vragen hoe wordt voorkomen dat Nederlandse banken relatief hard geraakt worden door de maatregel doordat zij hun hoofdkantoorfunctie in Nederland hebben en dus ook de treasury-activiteiten in Nederland verrichten. Binnen sommige Nederlandse bankengroepen worden binnen de treasuryfunctie de beschikbare middelen van onderdelen van de bankengroep samengebracht (ingeleend) en ter beschikking gesteld aan andere onderdelen van de bank (uitgeleend). De voorgestelde maatregel beperkt de renteaftrek over vreemd vermogen, ongeacht of dat binnen het concern of bij derden is aangetrokken. Als gevolg daarvan worden ook de verschuldigde renten op de vanwege de treasury-activiteiten in Nederland ingeleende concernleningen geraakt. Vanuit beleidsmatig en uitvoeringstechnisch oogpunt is het ongewenst om een uitzondering in de maatregel op te nemen voor de treasury-activiteiten van Nederlandse banken en verzekeraars. Bedoeld is om alle renten ter zake van geldleningen die in Nederland tot fiscale renteaftrek leiden mee te nemen in deze renteaftrekbeperking. Het opnemen van een uitzondering zou ertoe leiden dat meer mogelijkheden ontstaan om de financiering zodanig vorm te geven dat de maatregel minder of zelfs geen effect meer heeft, bijvoorbeeld door derdenleningen om te zetten in concernleningen. Om misbruik tegen te gaan, zijn dan flankerende antimisbruikbepalingen nodig. Dit zou de complexiteit van de wetgeving en uitvoering verhogen, omdat per lening moet worden vastgesteld of deze (uiteindelijk) van derden of binnen het concern is aangetrokken.

De leden van de fractie van het CDA vragen op welke wijze negatieve renten ter zake van geldleningen uitwerken voor het berekenen van de niet-aftrekbare rente op grond van de minimumkapitaalregel. Voor de invulling van het begrip renten ter zake van geldleningen wordt in beginsel aangesloten bij de gehanteerde definities in het kader van de earningsstrippingmaatregel, met dien verstande dat voor de toepassing van de minimumkapitaalregel enkel de renten ter zake van ontvangen geldleningen (de passiva zijde van de balans) relevant zijn. In dat kader geldt – net als voor de earningsstrippingmaatregel29 – dat het begrip rentelasten ter zake van geldleningen algebraïsch moet worden opgevat. Een eventuele negatieve rente op een ontvangen geldlening komt dan ook in mindering op het bedrag aan verschuldigde renten en leidt per saldo tot een lager bedrag aan aftrekbare renten, en indien een bank of verzekeraar door de minimumkapitaalregel wordt geraakt ook tot een lager bedrag aan niet-aftrekbare renten. Voor de volledigheid wordt hier van de gelegenheid gebruik gemaakt om erop te wijzen dat door middel van de tegelijk met deze nota verzonden nota van wijziging voor de toepassing van de maatregel deposito’s onder het begrip geldlening worden gebracht.

De leden van de fractie van de PvdA vragen waarom er voor woningcorporaties (woco’s) niet is gekozen voor een specifieke renteaftrekbeperking net als bij banken en verzekeraars. De earningsstrippingmaatregel is met ingang van 1 januari 2019 in de Wet vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) in werking getreden en vloeit voort uit een Europeesrechtelijke verplichting die onderdeel is van de eerste Europese richtlijn ter bestrijding van belastingontwijking (ATAD1).30 In het regeerakkoord is besloten de earningsstrippingmaatregel uit ATAD1 aanzienlijk strenger te implementeren, waardoor het primaire doel van de maatregel niet zozeer het bestrijden van belastingontwijking is maar het bevorderen van een meer gelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen. Zoals vorig jaar tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Wet implementatie eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking is aangegeven, ziet het kabinet reële staatssteunrisico’s bij het opnemen van een uitzondering voor woningcorporaties in de earningsstrippingmaatregel. De maatregel is derhalve gericht op alle vennootschapsbelastingplichtigen, waaronder dus ook banken, verzekeraars en woningcorporaties. In tegenstelling tot banken en verzekeraars worden woco’s doorgaans wel geraakt door de earningsstrippingmaatregel. Daarom bestaat er naar de mening van het kabinet geen aanleiding om voor woco’s een afzonderlijke renteaftrekbeperking in te voeren. Omdat banken en verzekeraars doorgaans niet worden geraakt door de earningsstrippingmaatregel en een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen naar de mening van het kabinet ook voor banken en verzekeraars van belang is, wordt voor deze groep wel een specifieke renteaftrekbeperking voorgesteld.

De leden van de fractie van de VVD vragen of de minimumkapitaalregel complex is in de uitvoering voor banken en verzekeraars, en vragen verder of er mogelijkheden zijn om de uitvoering te vereenvoudigen, bijvoorbeeld door te werken met een fictieve vaste rente over de openstaande schuldposities.

Om overmatige complexiteit te voorkomen is ervoor gekozen om de maatregelen te laten aansluiten bij de geüniformeerde toezichtkaders uit de verordeningen kapitaalvereisten en solvabiliteit II. Op basis van de verordening kapitaalvereisten dienen banken de leverage ratio openbaar te maken. De leverage ratio geeft kort gezegd de verhouding weer tussen het eigen vermogen en het balanstotaal. Verzekeraars dienen op grond van de verordening solvabiliteit II het eigen vermogen en het balanstotaal te publiceren aan de hand waarvan de eigenvermogenratio kan worden bepaald. Door deze geüniformeerde toezichtkaders te hanteren, worden de regeldrukkosten voor belastingplichtigen en de uitvoeringskosten voor de Belastingdienst beperkt. Zo hoeven belastingplichtigen geen afzonderlijke gegevens op te stellen voor de toepassing van deze maatregel, maar kunnen reeds beschikbare berekeningen en bestaande openbaarmakingsverplichtingen als uitgangspunt worden genomen. Verder kan de Belastingdienst in de handhaving aansluiten bij gegevens die volgen uit een rapportage of verslag waarop reeds door DNB toezicht wordt gehouden.

Verder vallen voor de toepassing van de minimumkapitaalregel – anders dan bij de earningsstrippingmaatregel – valutaresultaten (op de rente) ter zake van geldleningen en resultaten op afdekkingsinstrumenten van rente- en valutaresultaten (op de rente) ter zake van geldleningen niet onder de reikwijdte van het rentebegrip. Met deze keuze verhoogt het kabinet de uitvoerbaarheid van de maatregel voor zowel belastingplichtigen als de Belastingdienst. Andere alternatieven bij de uitvoering van deze maatregel door de Belastingdienst, zoals bijvoorbeeld het rekenen met een fictieve vaste rente, leiden tot een marginale vereenvoudiging. Belastingplichtigen zullen hiervoor een extra berekening moeten maken. Een fictieve vaste rente zou wel tegemoet kunnen komen aan de door de NOB gevraagde aandacht voor de onevenwichtige uitwerking van de maatregel bij een (eventuele toekomstige) stijging van de rente. De renteopbrengsten en rentelasten zullen dan namelijk evenredig stijgen, waardoor de winstmarge voor banken niet hoger wordt, maar de niet-aftrekbare rente wel substantieel stijgt. Het rekenen met een fictieve vaste rente zou er echter voor zorgen dat de differentiatie tussen verschillende risico- en renteprofielen verdwijnt. Daardoor wordt de renteaftrekbeperking voor relatief minder risicovolle instellingen zwaarder, terwijl meer risicovolle banken en verzekeraars minder in de aftrek zouden worden beperkt. Om die redenen kiest het kabinet niet voor een fictieve vaste rente.

De leden van de fractie van de VVD vragen naar de mogelijkheden van het verhogen of verlagen van het percentage waarboven rente niet aftrekbaar is, en wat de budgettaire en overige gevolgen hiervan zijn. Technisch is het uiteraard mogelijk om het percentage van de minimumkapitaalregel te veranderen. Het verhogen van het percentage van 92 met 1% naar 93% (soepelere norm), verlaagt de opbrengst met € 92 miljoen. Een gevolg hiervan is dat de impact op de banken en verzekeraars die reeds geraakt worden, afneemt. Als het percentage van 92 sterk verhoogd wordt, zullen er uiteindelijk minder banken en verzekeraars geraakt worden en zal het effect van een verhoging van het percentage groter zijn. Omgekeerd heeft een verlaging van het percentage van 92 met 1% naar 91% (verdergaande norm) het tegenovergestelde effect, namelijk een verhoging van de opbrengst met € 92 miljoen.

De leden van de fractie van het CDA vragen waarom de maatregel de eerste jaren meer oplevert dan bij het regeerakkoord was geraamd. De raming is geactualiseerd aan de hand van de uitwerking van de maatregel in de voorliggende wetgeving. Daarbij is ook rekening gehouden met de nieuwste data en inzichten, zoals ratio’s en rentestanden. De opbrengst is in de eerste twee jaren (2020 en 2021) hoger dan in de structurele fase (2022). Deze afloop kan deels worden verklaard doordat het vennootschapsbelastingtarief in de tweede schijf per 2021 verlaagd wordt van 25% naar 21,7%. Daarnaast wordt door een wijziging in de verordening kapitaalvereisten met ingang van 28 juni 2021 de berekeningswijze van de leverage ratio aangepast.

De leden van de fracties van de VVD en de PvdA vragen om de effecten van de maatregel nader inzichtelijk te maken door onder meer aan te geven hoeveel groot- en kleinbanken en verzekeraars een hogere aanslag tegemoet kunnen zien als gevolg van de minimumkapitaalregel, alsmede om aan te geven in welke mate welke banken en verzekeraars welke gevolgen zullen ondervinden van de minimumkapitaalregel. De fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 AWR verplicht eenieder die is betrokken bij de uitvoering van de belastingwetgeving tot geheimhouding van gegevens die in het kader van de heffing of inning van de belastingen zijn verkregen. Omdat het aantal Nederlandse banken en verzekeraars beperkt is, kan het kabinet vanwege die geheimhoudingsplicht niet verder ingaan op de gevolgen voor deze sector zonder deze geheimhoudingsplicht te schenden.

De leden van de fractie van GroenLinks lezen in het rapport «Effective tax levels using the Devereux/Griffith methodology» van de EC dat het fiscale voordeel bij de financiering met vreemd vermogen in Nederland ruim 2%-punt bedraagt.31 De leden vragen hoe groot het resterende fiscale voordeel is als dit wetsvoorstel is aangenomen. In het onderzoek van de EC wordt geabstraheerd van renteaftrekbeperkingen. Zo is op pagina A-34 van dat rapport te lezen dat in Nederland een volledige aftrekbaarheid van rente geldt, terwijl er op het moment van onderzoek ook al enkele specifieke renteaftrekbeperkingen van toepassing waren. Ook wordt er geen onderscheid gemaakt tussen sectoren. Op basis hiervan kan het kabinet dus niet inschatten of de effecten van deze maatregel meegenomen kunnen worden in de Devereux/Griffith methode en tot welk resultaat dat zou leiden.

De leden van de fractie van de PvdA vragen naar de verschillende instrumenten die onderdeel kunnen zijn van het tier 1-kapitaal van banken, in het bijzonder naar tier 1-kapitaalinstrumenten waarop rente wordt betaald. Tier 1-kapitaal bestaat uit zogenoemd kernkapitaal en aanvullend tier 1-kapitaalinstrumenten (AT1). Kernkapitaal betreft doorgaans aandelenkapitaal, reserves en ingehouden winsten. Deze vorm van kapitaal kan ingezet worden voor alle onderdelen van zowel de risicogebaseerde als de ongewogen kapitaaleisen. Dit kapitaal is primair bedoeld om lopende verliezen op te vangen. AT1 is een kapitaalvorm die doorgaans bestaat uit eeuwigdurende schuldinstrumenten (perpetuals), zoals voorwaardelijke converteerbare obligatieleningen (zogenoemde contingent convertibles, CoCo’s). Dit type kapitaal kan in beperkte mate worden gebruikt voor de risicogebaseerde kapitaalseis. AT1 telt wel volledig mee voor de ongewogen kapitaalseis. Net als kernkapitaal is AT1 bedoeld om lopende verliezen op te vangen.32 Op AT1 instrumenten wordt een coupon (vergoeding) betaald. De coupon op AT1 wordt niet geraakt door de minimumkapitaalregel, aangezien die coupon met ingang van 1 januari 2019 fiscaal al niet aftrekbaar is.33

De NOB verzoekt om aan te geven welke ratio’s gebruikt zouden moeten worden voor een startende bank of verzekeraar. Dergelijke banken of verzekeraars hebben immers nog geen ratio in een voorafgaand jaar. Op grond van de voorgestelde artikelen 15be, eerste lid, en 15bf, eerste lid, Wet Vpb 1969 worden in beginsel de leverage ratio en de eigenvermogenratio gehanteerd met betrekking tot 31 december van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin het jaar, bedoeld in artikel 7, vierde lid, Wet Vpb 1969 aanvangt. Omdat voor een startende bank of verzekeraar geen ratio voorhanden is met betrekking tot 31 december van het voorafgaande kalenderjaar, wordt door middel van de tegelijk met deze nota verzonden nota van wijziging voor die gevallen geregeld dat de ratio met betrekking tot 31 december van het kalenderjaar waarin het jaar, bedoeld in artikel 7, vierde lid, Wet Vpb 1969 aanvangt, wordt gehanteerd.

De NOB verzoekt om aanpassing van de definities om renteruilovereenkomsten (interest swaps) ter zake van geldleningen onder de reikwijdte van de minimumkapitaalregel te brengen. In de geconsulteerde conceptwettekst werd onder renten ter zake van geldleningen mede verstaan: kosten ter zake van rechtshandelingen die strekken tot het afdekken van renterisico’s of valutarisico’s ter zake van geldleningen, valutaresultaten ter zake van geldleningen, alsmede resultaten ter zake van rechtshandelingen die strekken tot het afdekken van renterisico’s of valutarisico’s ter zake van geldleningen. Daarop werd in verschillende reacties op de internetconsultatie aandacht gevraagd voor de onevenwichtige en complexe uitwerking van deze uitbreiding van het rentebegrip voor banken en verzekeraars. Om deze onevenwichtigheid weg te nemen en de uitvoerbaarheid van de maatregel voor belastingplichtigen en de Belastingdienst te verhogen heeft het kabinet er mede naar aanleiding van deze reacties voor gekozen om de voorgenomen maatregel zodanig aan te passen dat rente- en valutaresultaten ter zake van de (renten op) geldleningen, alsmede de hierop betrekking hebbende afdekkingsinstrumenten niet meer onder het toepassingsbereik van de regeling vallen. Dit leidt ertoe dat in voorkomende gevallen de contractuele rente ter zake van een geldlening, zonder rekening te houden met het effect van de renteruilovereenkomst, in aanmerking wordt genomen voor de toepassing van de minimumkapitaalregel.

De NOB meent dat het goed mogelijk is om de regeling voor banken slechts op de bancaire activiteiten toe te passen en de regeling voor verzekeraars slechts te laten gelden voor de verzekeringsactiviteiten, en verzoekt hierin een verfijning aan te brengen. Het kabinet heeft bij de vormgeving van de minimumkapitaalregel als uitgangspunt genomen dat de regeling toepassing vindt aan de hand van het eigen vermogen en het balanstotaal van en de verschuldigde rente door het lichaam dat beschikt over een vergunning of een afschrift van een mededeling voor het uitoefenen van het bedrijf van bank of verzekeraar. Ingeval een dergelijk lichaam deel uitmaakt van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting, vindt de minimumkapitaalregel toepassing aan de hand van het eigen vermogen en het balanstotaal van en de verschuldigde rente door de fiscale eenheid. Omdat tot een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting zowel een bank als een verzekeraar kan behoren, is voor een dergelijke situatie geregeld op basis van welke bepaling de rente in aftrek wordt beperkt. Concreet betekent dit dat de niet-aftrekbare rente wordt berekend aan de hand van de leverage ratio voor banken of de eigenvermogenratio voor verzekeraars. De door de NOB gesuggereerde verfijning past niet bij het door het kabinet gehanteerde uitgangspunt dat de maatregel toepassing vindt aan de hand van het eigen vermogen en het balanstotaal van en de verschuldigde rente door een belastingplichtige. Een nadere verfijning zou aanleiding geven tot allocatievraagstukken die de wetgeving en uitvoering verder compliceren. Zo dient bij een nadere verfijning binnen een fiscale eenheid een uitsplitsing van activiteiten plaats te vinden en dienen leningen te worden toegerekend aan deze verschillende activiteiten. Daarbij komt de vraag op of en hoe bij deze nadere verfijning de earningsstrippingmaatregel toepassing dient te vinden op de niet-bancaire en verzekeringsactiviteiten.

9. Aanpassen verhuurderheffing

De leden van een aantal fracties hebben vragen gesteld die geen directe relatie hebben met de twee voorgestelde maatregelen in de verhuurderheffing. Het betreft vragen die zien op het woningmarktbeleid of meer algemene thema’s die daaraan raken, en onder de beleidsverantwoordelijkheid van de Minister van BZK vallen. Zoals opgemerkt, heeft het kabinet geprobeerd zoveel mogelijk vragen die geen directe relatie hebben met het pakket Belastingplan 2020 toch van een antwoord te voorzien. In het kader van de verhuurderheffing betreft dat vragen die betrekking hebben op de aan de verhuurderheffing verbonden kosten en baten. De vragen die niet in deze nota worden beantwoord, worden door middel van een afzonderlijke brief beantwoord door de Minister van BZK nu zij betrekking hebben op het algemene woningmarktbeleid.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of het kabinet een analyse kan maken van de opbrengst als gevolg van de generieke renteaftrekbeperking, alsmede een uitsplitsing naar het deel dat door woningcorporaties wordt opgebracht. Ook vragen deze leden hoeveel vennootschapsbelasting woningcorporaties in de jaren 2019 tot en met 2025 betalen en in hoeverre woningcorporaties verantwoordelijk zijn voor de totale stijging van de vennootschapsbelastingontvangsten over deze periode. Verder vragen zij het kabinet een analyse te maken naar de stapeling van (indirecte) lasten voor huurders. Daarnaast vragen de leden van de fractie van de ChristenUnie hoe de totale belastingafdrachten van de woningcorporaties zich ontwikkelen ten opzichte van de vorige periode en hoe zich die verhouden met de ontwikkeling van andere sectoren. In het wetsvoorstel ATAD1 is aangegeven wat de invoering van ATAD1 qua lasten betekent, waarvan het deel voor woningcorporaties afzonderlijk is weergegeven.34 Ten tijde van het regeerakkoord was een opbrengst van € 1.347 miljoen voorzien. Zoals gebruikelijk is de raming bij indiening van het wetsvoorstel geactualiseerd in vergelijking met het regeerakkoord. Bij de herziene raming is meer rekening gehouden met het effect van de verliesvoorraad. Dit heeft geleid tot een raming die in de beginjaren vergelijkbaar is met de raming zoals opgenomen in het regeerakkoord, maar structureel leidt tot een hoger bedrag.

Tabel 23: Effect ATAD1 in miljoenen euro's
 

2018

2019

2020

2021

structureel

Effect ATAD1

 

1.343

1.392

1.525

2.061

– Waarvan door woningcorporaties

 

102

144

193

353

In onderstaand overzicht zijn gegevens opgenomen over aanslagen en de verwachtingen van woningcorporaties voor de vennootschapsbelasting. Deze cijfers zijn niet direct met elkaar vergelijkbaar. De gegevens van het Rijk hebben betrekking op de aanslagen over één (belasting)jaar, terwijl de verwachtingen van woningcorporaties kasstromen zijn die het totaal betreffen van afdrachten vanwege de voorlopige aanslag voor het lopende jaar alsmede (terug-)betalingen als gevolg van definitieve aanslagen voor eerdere jaren. De gegevens over de aanslagen betreffen voor de latere jaren voornamelijk voorlopige aanslagen.

Tabel 24: Vpb-ontvangsten van woningcorporaties (in miljoenen euro's)
 

’12

’13

’14

’15

’16

’17

’18

’19

’20

’21

’22

’23

Corporaties (dVi, dPi)

         

208

499

541

612

662

790

901

Opgelegde aanslagen Belastingdienst

5

19

21

47

208

302

505

481

       

– wv definitieve aanslagen

5

19

21

39

72

49

3

0

       

– wv voorlopige aanslagen

0

0

0

8

136

253

502

481

       

Een verklaring voor de stijgende lastendruk in de vennootschapsbelasting vanaf 2016 is dat woningcorporaties in de periode tot 2015 veel hebben afgewaardeerd vanwege de dalende woningprijzen. Hierdoor is het fiscale resultaat sterk gedrukt, hetgeen heeft geleid tot relatief lage Vpb-afdrachten in die periode en tot opbouw van verliesverrekeningsmogelijkheden voor de jaren daarna. Een gevolg van deze afwaarderingen is dat woningcorporaties vanaf 2016, toen de woningprijzen weer sterk begonnen te stijgen, de afwaarderingen ook fiscaal moesten terugnemen. De verliesverrekeningsmogelijkheden werden en worden hierdoor kleiner en dat leidt tot toenemende Vpb-afdrachten sinds 2016. Dit leidt tot een hogere belastingdruk in de komende jaren. Daarnaast speelt mee dat sommige woningcorporaties een relatief grote fiscale voorziening voor (groot) onderhoud hebben gevormd.35 In de praktijk hebben sommige woningcorporaties hun fiscale voorziening deels moeten terugdraaien, met een hogere aanslag als gevolg. Deze twee effecten verklaren waarom de Vpb-lastendruk vanaf 2016 sterker is gestegen dan in andere sectoren. Hierdoor stijgt het aandeel van de woningcorporaties in de vennootschapsbelasting van 0 naar 2%. Daarnaast wordt opgemerkt dat het uitstellen van de tariefsverlagingen voor de vennootschapsbelasting in 2020 (van 22,55% naar 25%) en 2021 (van 20,5% naar 21,7%) in elk geval niet in de prognosecijfers van de sector zelf is verwerkt, zoals in bovenstaande tabel opgenomen.

Tabel 25: Raming verhuurderheffing corporaties (MJN2020)

(€ mln.)

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

VHH corporaties*

47

1.173

1.283

1.403

1.534

1.657

1.671

1.701

1.785

1.835

1.891

* Raming MJN 2020x 0,95 als benadering van verdeling totale opbrengsten tussen woningcorporaties en overige heffingsplichtige verhuurders. De hier genoemde opbrengsten betreffen de opbrengsten met betrekking tot een belastingjaar. Dit wijkt licht af van de in de begrotingsstukken opgenomen opbrengsten, die de inkomsten betreffen die in een begrotingsjaar zijn binnengekomen. Omdat een beperkt deel van de opbrengsten over een jaar in een navolgend jaar pas daadwerkelijk binnenkomt kunnen hier verschillen in zitten.

Bovengenoemde cijfers zijn gepubliceerd in de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie (BZK) van 2 oktober 2019 over de Indicatieve Bestedingsruimte Woningcorporaties 2019.36 Met betrekking tot de energierekening en energiebelasting is geen specifieke uitsplitsing voorhanden van welk deel hiervan door huurders wordt opgebracht.

De leden van de fracties van de SP en van de ChristenUnie vragen naar de opbrengst van de verhuurderheffing en het actuele overzicht van de ontwikkeling daarvan ten opzichte van de vorige kabinetsperiode. Daarnaast willen de leden van de fractie van de SP weten wat de inkomsten per sociale huurwoning is geweest. In tabel 25 vindt u de opbrengst van de verhuurderheffing sinds 2013, zowel in totaal als per in de verhuurderheffing betrokken huurwoning. Voor de jaren 2013 tot en met 2018 gaat het om gerealiseerde opbrengsten. De jaren 2019 en 2020 betreffen de raming uit de Miljoennota 2019.

Tabel 26: Gerealiseerde en geraamde kasontvangst van de verhuurderheffing
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Totaal in mln

48

1.224

1.346

1.474

1.617

1.738

1.759

1.791

Per huurwoning

21

519

575

639

705

792

   

De leden van de fractie van de SP vragen of het kabinet het eerlijk vindt dat huurders in een corporatiewoning over de huursubsidiegrens meer belasting betalen via de verhuurderheffing dan Shell over haar behaalde winst in Nederland.

De verhuurderheffing wordt opgelegd op het niveau van de verhuurder en de vennootschapsbelasting op het niveau van de vennootschap. In hoeverre beide afgewenteld worden kan ik niet vaststellen en de juistheid van deze vergelijking kan ik dus niet beamen. Ik kan vanwege de in artikel 67 AWR opgenomen geheimhoudingsplicht niet ingaan op de situatie van individuele belastingplichtigen. In Nederland zijn alle bedrijven in de vennootschapsbelasting onderworpen aan een tarief van 19% en 25%. Ik heb de Adviescommissie belastingheffing van multinationals gevraagd om te inventariseren door welk soort bedrijven de vennootschapsbelasting momenteel voornamelijk wordt opgebracht en ook advies uit te brengen over mogelijke grondslagverbredingen. Ik kan niet op de uitkomsten van dit onderzoek vooruitlopen.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen waarom het nauwelijks geld lijkt te kosten om tijdelijke woningen vrij te stellen in de verhuurderheffing. De kosten betreffen de tijdelijke woningen die zonder de maatregel ook zouden zijn gebouwd en die als gevolg van de maatregel onder de vrijstelling gaan vallen. Het geraamde aantal woningen waar het om gaat loopt in 5 jaar tijd op tot 11.250 in 2025, blijft 11.250 tot 2035 en loopt daarna af tot 0 in 2040. De gemiddelde WOZ-waarde van deze woningen wordt geraamd op € 50.000. Per woning betekent dit ongeveer € 267 aan verhuurderheffing. Bij het maximale aantal tijdelijke woningen bedragen de jaarlijkse kosten van de vrijstelling derhalve € 3 miljoen. De ambitie is dat mede door de vrijstelling een fors aantal meer tijdelijke woningen gerealiseerd gaan worden. Vanwege het additionele karakter leidt dit niet tot een derving van de verhuurderheffing.

De leden van de fracties van GroenLinks en de ChristenUnie vragen of het klopt dat de heffingsvermindering structureel € 100 miljoen bedraagt. Dat bedrag klopt. Dit bedrag is ook na 2030 jaarlijks beschikbaar. De leden van de fractie van GroenLinks vragen waarom het kabinet ervoor kiest om dit te communiceren als € 1 miljard. Zij vragen daarnaast of het klopt dat een dergelijke benadering even arbitrair is als een optelsom van € 4 miljard (cumulatief bedrag tussen 2020 en 2060). De leden van de fractie van de PvdA vragen het kabinet bij overuitputting het bedrag van de korting automatisch te verhogen. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of flexibel wordt omgegaan met de € 100 miljoen-grens en of het beschikbare budget of de spelregels die zijn geformuleerd om voor een heffingsvermindering in aanmerking te komen leiden zijn, als de komende jaren meer nieuwbouwwoningen worden gebouwd. Het kabinet heeft als doel om de bouw van nieuwe woningen te stimuleren. Daarom is al eerder aangekondigd dat het budget van de structurele heffingsvermindering voor nieuwbouw flexibel ingezet kan worden. Over de periode 2020–2030 betekent dit dat € 1 miljard beschikbaar is, maar dat dit bedrag niet verdeeld hoeft te worden over elk jaar met een maximum van € 100 miljoen. Het budget komt wel uit op gemiddeld € 100 miljoen per jaar, waarbij de begrotingsregels van het kabinet in acht worden genomen. Het jaarlijkse bedrag kan flexibel worden ingezet. Dit betekent dat wanneer in een jaar meer aanvragen binnenkomen dan voor € 100 miljoen, het budget van latere jaren (binnen een redelijke termijn) ingezet kan worden voor die aanvragen, zolang de aanvragen voldoen aan de spelregels die zijn geformuleerd om voor de heffingsvermindering in aanmerking te komen. Een eventueel tijdelijk sluiten van de heffingsvermindering wordt geruime tijd van tevoren aangekondigd, zodat verhuurders nog de tijd hebben om een geplande aanvraag voor heffingsvermindering te doen. Op de korte en middellange termijn is sprake van een grote opgave voor het realiseren van betaalbare woningen. In de prognoses van de ontwikkeling van de woningbehoefte en gewenste nieuwbouwproductie is een tienjaarsperiode een gebruikelijke termijn. Het voor een tienjaarsperiode beschikbare bedrag aan heffingsvermindering sluit hierop aan. Bij het opstellen voor het plannen en het ontwikkelen van woningbouw wordt door woningcorporaties over het algemeen niet uitgegaan van een veertigjaarsperiode.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen om toe te lichten op welke wijze de heffingsvermindering in de verhuurderheffing kan worden gezien als een vorm van staatssteun. Verder vragen de leden waarom het verminderen van een belasting staatssteun zou zijn, terwijl het afschaffen (of het niet bestaan) van een belasting geen staatssteun is. Een heffing die niet bestemd is voor een bepaalde sector, maar naar de algemene middelen toevloeit, is geen maatregel waarop de staatssteunregels van toepassing zijn. Als vervolgens voor een bepaalde groep ondernemingen een vermindering van de heffing geldt, kan die maatregel staatssteun zijn. Dat is bij de vermindering van de verhuurderheffing het geval. Er is namelijk sprake van een voordeel dat een specifieke groep ondernemers (verhuurders van sociale huurwoningen die bepaalde extra activiteiten ondernemen) geniet voor economische activiteiten die potentieel verstorend zijn voor de tussenstaatse handel, omdat het vastgoed betreft. Vanwege het belang van bepaalde investeringen door verhuurders van sociale huurwoningen, zijn daarvoor taken aan hen opgedragen als dienst van algemeen economisch belang. De vermindering van de verhuurderheffing wordt verleend ter compensatie van de kosten voor het beheer van die opgedragen taken. Deze systematiek is in de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II en lagere regelgeving vastgelegd en gaat ook gelden voor de nu voorgestelde vermindering.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen waarom het kabinet er niet voor kiest om de toegenomen lasten voor woningcorporaties als gevolg van de invoering van de Europese richtlijn ATAD1, rechtstreeks te compenseren via een lagere verhuurderheffing. In het wetsvoorstel ATAD137 is erin voorzien dat de extra Vpb-afdrachten voor woningcorporaties vanwege de ATAD1-maatregelen voor deze kabinetsperiode (niet structureel) zouden worden gecompenseerd door tariefsverlagingen in de Vpb en de verhuurderheffing, alsmede de opname van duurzaamheidsinvesteringen als aftrekpost in de verhuurderheffing. Naar aanleiding van de motie Ronnes c.s.38 van 26 september 2019 zal het kabinet nader ingaan op de extra lastendruk vanwege ATAD1 in relatie tot de totale fiscale lastendruk voor woningcorporaties.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of het kabinet kan aangeven hoe hoog de raming van de opbrengst van de verhuurderheffing was voor 2020 en wat de huidige raming is voor 2020. Zij vragen daarnaast of het noodzakelijk is om in te grijpen, nu de realisaties dermate afwijken van de ramingen. De verhuurderheffing is ingevoerd in 2013. Voor het jaar 2020 was indertijd geen raming gemaakt voor de verhuurderheffing. De huidige raming voor 2020 is de raming in de Miljoenennota 2020 en bedraagt € 1.791 miljoen. Volgens de begrotingsregels van het kabinet mogen de belasting- en premieontvangsten, waaronder de verhuurderheffing, meebewegen met de economische ontwikkeling. Het kabinet acht het dus niet noodzakelijk in te grijpen als de gerealiseerde belastingontvangst van de verhuurderheffing afwijkt van de raming van de opbrengst van de verhuurderheffing.

De leden van de fractie van de PvdA vragen waarom ervoor is gekozen om als schaarstegebieden de COROP-gebieden met de hoogste WOZ-waarden te kiezen. Deze leden vragen daarnaast waarom de gemiddelde WOZ-waarde een goede maatstaf is. De WOZ-waarde is een jaarlijks berekende waarde van de woning die objectief wordt vastgesteld. Daardoor is het een goede maatstaf om te zien waar de woningprijzen het hoogst zijn en dus de schaarste het hoogst is. In de regio’s met de grootste woningtekorten stijgt de huizenprijzen, waar de WOZ-waarde aan gerelateerd is, veel harder dan in andere delen van Nederland. Met het kijken naar de gemiddelde WOZ-waarde wordt aangesloten bij de eerdere heffingsvermindering voor nieuwbouw, waar dezelfde voorwaarde werd gehanteerd.

De leden van de fractie van de PvdA vragen hoe ervoor wordt gezorgd dat in deze schaarstegebieden met de korting ook gezinswoningen gebouwd kunnen worden. Aan de heffingsvermindering wordt als voorwaarde gesteld dat een woning met een huur onder de eerste aftoppingsgrens wordt gerealiseerd. In 2019 bedraagt deze grens € 607,46. Ook gezinswoningen met een huur onder deze grens vallen onder de heffingsvermindering. De heffingsvermindering maakt het financieel beter mogelijk om ook (grotere) gezinswoningen te realiseren die onder de genoemde huurgrens voldoende rendabel verhuurd kunnen worden.

De leden van de fractie van de PvdA vragen waarom is gekozen voor het ondersteunen van nieuwbouw en flexibele woningen en niet ook van de transformatie van de voorraad in krimpgebieden en bijvoorbeeld veranderingen die noodzakelijk zijn in vergrijzende gebieden. Het kabinet richt zich met de huidige wetsvoorstellen op het vergroten van de bouwproductie. De heffingsvermindering voor nieuwbouwwoningen richt zich daarbij op plekken waar de woningschaarste het grootst is. De vrijstelling voor tijdelijke woningen geldt in heel Nederland. Juist ook in gebieden die kampen met een fluctuerende vraag naar woningen, zoals krimpgebieden, kunnen flexibele (nieuwbouw)woningen een passende oplossing bieden. De vrijstelling van de verhuurderheffing voor woningen met een tijdelijk karakter kan daarbij ook gebruikt worden voor tijdelijke transformatie van niet-woningen naar woningen.

Deze leden vragen daarnaast waarom behoefte bestaat aan een «flexibele schil» aan woningen. Meer flexibiliteit in de woningvoorraad zorgt ervoor dat beter kan worden ingespeeld op de dynamiek van de huidige samenleving. Een schil van tijdelijke en flexibele woningen biedt zowel de woningmarkt als de woningzoekende met spoed ademruimte om zich aan te passen aan nieuwe omstandigheden.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of een analyse is gemaakt van het aantal woningen waar tijdelijk behoefte aan is. Hoewel de samenstelling van de groep spoedzoekers kan fluctueren in de tijd en per regio verschilt, is de behoefte aan tijdelijke woonoplossingen structureel. Naar schatting van Platform 31 is ongeveer tien procent van de Nederlandse bevolking een zogenoemde spoedzoeker. Deze komen in vele soorten en maten voor en zo verschilt ook de woningmarkt van plaats tot plaats. In gemeente X kunnen studenten de grootste groep spoedzoekers vormen vanwege de universiteit in de stad. In gemeente Y is geen geschikt aanbod voor jongeren in algemene zin en gemeente Z worstelt met de huisvesting van arbeidsmigranten en permanente bewoning op vakantieparken. Bovendien is de opgave in de ene regio groter dan in een andere. Daarom hanteert de Stimuleringsaanpak Flexwonen als uitgangspunt ook dat de lokale en regionale opgaven leidend zijn en is een handreiking beschikbaar gesteld om de vraag naar tijdelijke en flexibele woningen op lokaal of regionaal niveau in kaart te brengen.

De leden van de fractie van het CDA vragen op welke wijze wordt vastgesteld wat een schaarstegebied is en of hiervoor niet specifieker moet worden gekeken naar de woningmarkt dan alleen naar de WOZ-waarde. Voor de vaststelling van de schaarstegebieden wordt aangesloten bij de afbakening die ook bij de eerdere heffingsverminderingen voor nieuwbouw van huurwoningen is gehanteerd (waarbij in schaarstegebieden een hogere heffingsvermindering gold). Het gaat om de 10 COROP-gebieden (van de 40) met de hoogste gemiddelde WOZ-waarde van woningen. Het betreft de gehele provincie Utrecht, het oosten van Noord-Brabant, de Betuwe en de Veluwe in Gelderland, een groot deel van het midden en zuiden van Noord-Holland, en Leiden en de Bollenstreek in Zuid-Holland. Als schaarstegebied worden verder gezien de gemeenten die niet onder voornoemde opsomming vallen, maar wel deel uitmaken van een regio waar het Rijk een zogenoemde woondeal (bestuurlijke afspraken over onder andere versnelling van de woningbouw) mee heeft gesloten. Woondeals zijn gesloten met vijf stedelijke regio’s waar de woningmarkt niet alleen nu gespannen is, maar waar ook op de langere termijn een flinke bouwopgave ligt. Om de tekorten terug te dringen en de verdere groei van de woningbehoefte bij te houden is het juist in deze regio’s belangrijk om de bouwproductie hoog te houden. Gezamenlijk staan deze regio’s aan de lat voor ruim de helft van de bouwopgave op de langere termijn.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe het begrip nieuwbouw is gedefinieerd. Nieuwbouwwoningen in de zin van deze heffing zijn woningen waarvoor nog geen geraamte of fundering bestond voordat de bouwwerkzaamheden zijn begonnen. Het transformeren van niet voor bewoning bestemde gebouwen naar woningen, waarbij de fundering van het oorspronkelijke gebouw blijft bestaan, vallen niet onder de nieuwe heffingsvermindering. Bij het bepalen van het moment van de start van de bouw wordt hier ook bij aangesloten door het starten met de fundering (slaan van de eerste heipaal) als leidend te zien.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe hoog de heffing zou zijn geweest zonder de door het kabinet doorgevoerde kortingen en heffingsverminderingen. Zij vragen daarnaast in hoeverre de snelle stijging van de WOZ-waarden de diverse kortingen per saldo teniet heeft gedaan. De geraamde opbrengst voor de verhuurderheffing in 2020 bedraagt € 1.791 miljoen. Dat is € 32 miljoen hoger dan de raming voor 2019. Deze stijging valt uiteen in € 158 miljoen stijging door endogene (economische) factoren en € 127 miljoen daling door beleidsmaatregelen. Deze beleidsmatige daling hangt samen met ingevoerde heffingsverminderingen.

Deze leden vragen verder hoe in nominale en reële termen de ontwikkeling van de opbrengsten van de verhuurderheffing eruitziet sinds deze heffing is ingesteld. In onderstaande tabel zijn de nominale en de reële ontwikkeling van de opbrengsten van de verhuurderheffing sinds 2015 opgenomen. De verhuurderheffing bestaat sinds 2013, dus vanaf 2014 is de ontwikkeling in procenten weergeven. De forse stijging in 2014 ten opzichte van 2013 is het gevolg van de stapsgewijze invoering van de verhuurderheffing. Ook in de jaren 2015–2017 heeft de stijging te maken met deze stapsgewijze invoering en de daartoe doorgevoerde verhoging van het tarief van de verhuurderheffing.

Tabel 27: Nominale en reële ontwikkeling van de opbrengsten van de verhuurderheffing
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

nominaal

2.450,0

10,0

9,5

9,7

7,5

1,2

1,8

reëel

2.407,9

7,0

6,7

5,3

2,5

– 3,1

– 1,2

De nominale ontwikkeling in een jaar is de procentuele ontwikkeling ten opzichte van het daaraan voorafgaande jaar. De reële ontwikkeling in een jaar is de procentuele ontwikkeling ten opzichte van het daaraan voorgaande jaar gecorrigeerd voor de ontwikkeling van de waarde van het BBP.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen welk deel van de verhuurderheffing door woningcorporaties wordt opgebracht en welk deel door andere verhuurders. In 2018 is 95% van de verhuurderheffing opgebracht door woningcorporaties.

De leden van de fractie van de VVD vragen welke verminderingen in de verhuurderheffing er nu allemaal zijn en hoeveel gebruik hiervan gemaakt wordt. Zij vragen daarnaast of er plekken zijn waar relatief veel gebruikgemaakt wordt van heffingsverminderingen. In juli 2018 zijn de heffingsverminderingen voor sloop, samenvoeging (beide mogelijk aan te vragen in Rotterdam-Zuid en krimpgebieden), nieuwbouw, transformatie (heel Nederland) en verbouw van woningen (alleen Rotterdam-Zuid) vanwege overuitputting gesloten. Voor deze heffingsverminderingen is het niet meer mogelijk aanvragen in te dienen. Ingediende aanvragen hebben een termijn van drie tot vijf jaar om de investering daadwerkelijk te realiseren, voordat de heffingsvermindering definitief wordt en kan worden afgetrokken van de verschuldigde verhuurderheffing. In juli 2019 is de heffingsvermindering voor verduurzaming tijdelijk gesloten. Het totaal aan aanvragen (in totaal voor een bedrag van € 312 miljoen) overschreed het budget voor de komende jaren 2019–2021 (€ 156 miljoen). De heffingsvermindering voor verduurzaming kent een structureel budget, waardoor deze in de toekomst weer opengesteld zal worden. In het eerste kwartaal van 2020 wordt een evaluatie van de verhuurderheffing naar de Tweede Kamer gestuurd. Daarin wordt aandacht besteed aan het gebruik van de heffingsverminderingen.

In onderstaande tabel is een verdeling gemaakt van het percentage aan definitieve heffingsverminderingen (die gesloten zijn per 1 juli 2018) naar regionale categorie. De vier categorieën zijn «krimpgebieden», «schaarstegebieden», «Rotterdam-Zuid» en «overig Nederland» en zijn qua grootte dus niet gelijk. Er is een onderscheid gemaakt naar het aantal heffingsverminderingen en het daarmee gepaard gaande totale bedrag aan heffingsverminderingen, omdat voor elk gebied andere heffingsverminderingen met andere bedragen golden.

Tabel 28: Verdeling van percentage definitieve heffingsverminderingen naar regionale categorie

Stand augustus 2019

Aantal heffingsverminderingen

Bedrag aan heffingsvermindering

Krimpgebieden

18%

24%

Rotterdam-Zuid

13%

17%

Schaarstegebieden

28%

29%

Overig Nederland

42%

30%

De leden van de fractie van de VVD vragen met welke gemeenten op dit moment woondeals zijn gesloten. Op dit moment zijn woondeals gesloten met de stad Groningen, de regio Eindhoven, de Zuidelijke Randstad, de regio Utrecht en de metropoolregio Amsterdam. Onderstaande tabel bevat een overzicht van de betreffende gemeenten.

Tabel 29: Overzicht gemeenten met woondeals

Aalsmeer

Groningen

Nuenen

Weesp

Albrandswaard

Haarlem

Oirschot

Westland

Almere

Haarlemmermeer

Oostzaan

Westvoorne

Amstelveen

Heemskerk

Ouder-Amstel

Wijdemeren

Amsterdam

Heemstede

Oudewater

Wijk bij Duurstede

Barendrecht

Hellevoetsluis

Pijnacker-Nootdorp

Woerden

Beemster

Helmond

Purmerend

Wormerland

Best

Hilversum

Ridderkerk

Zaanstad

Beverwijk

Houten

Rijswijk

Zandvoort

Blaricum

Huizen

Rotterdam

Zeist

Bloemendaal

IJsselstein

Schiedam

Zoetermeer

Brielle

Krimpen aan den IJssel

Son en Breugel

 

Bunnik

Landsmeer

Stichtse Vecht

 

Capelle aan den IJssel

Lansingerland

Uitgeest

 

De Bilt

Laren

Uithoorn

 

De Ronde Venen

Leiden

Utrecht

 

Delft

Leidschendam-Voorburg

Utrechtse Heuvelrug

 

Den Haag

Lelystad

Veldhoven

 

Diemen

Lopik

Velsen

 

Dordrecht

Maassluis

Vijfheerenlanden

 

Edam-Volendam

Midden-Delfland

Vlaardingen

 

Eindhoven

Montfoort

Waalre

 

Geldrop-Mierlo

Nieuwegein

Wassenaar

 

Gooise Meren

Nissewaard

Waterland

 

De leden van de fractie van de VVD vragen of de heffingsvermindering op de verhuurderheffing alleen terecht moet komen in gebieden waarmee een woningdeal is gesloten. Het kabinet heeft beoogd om de heffingsvermindering terecht te laten komen in gebieden waar de spanning op de woningmarkt het grootst is. Het gaat niet alleen om de gebieden waar een woondeal mee is gesloten. Gekozen is om de gemeenten in de 10 COROP-gebieden (van de 40) met de hoogste gemiddelde WOZ-waarde van woningen op de lijst van gemeenten te zetten waaruit de heffingsvermindering kan worden aangevraagd. Daarnaast staan ook gemeenten waar het Rijk een woondeal mee heeft gesloten op deze lijst. Woondeals zijn gesloten met de vijf stedelijke regio’s waar de woningmarkt niet alleen nu gespannen is, maar waar ook op de langere termijn een flinke bouwopgave ligt. Om de tekorten terug te dringen en de verdere groei van de woningbehoefte bij te houden is het ook in deze regio’s belangrijk om de bouwproductie hoog te houden.

De leden van de fractie van de VVD geven aan op de hoogte te zijn van woningkrapte in regio’s als Friesland, Arnhem/Nijmegen, Limburg en Breda/Tilburg. Deze leden vragen of het kabinet de mening deelt dat meer geografische spreiding over het land wenselijk is. Gekozen is om het budget in te zetten op de plekken waar de schaarste het grootst is. Hierbij is gezocht naar een objectieve maatstaf en is gekozen voor de gebieden waar de gemiddelde WOZ-waarde het hoogst is en waar woondeals mee zijn afgesloten. Woondeals zijn gesloten met vijf stedelijke regio’s waar de woningmarkt niet alleen nu gespannen is, maar waar ook op de langere termijn een flinke bouwopgave ligt. Om de tekorten terug te dringen en de verdere groei van de woningbehoefte bij te houden is het juist in deze regio’s belangrijk om de bouwproductie hoog te houden. Gezamenlijk staan de regio’s die in het kader van deze heffingsverminderingen als schaarstegebied zijn aangewezen aan de lat voor ruim de helft van de bouwopgave op de langere termijn.

De leden van de fractie van de VVD vragen of de vrijstelling voor tijdelijke woningen afdoende is om voldoende tijdelijke huisvesting te realiseren. De ambitie is dat met behulp van deze vrijstelling het huidige jaarlijkse aantal van 3000 gerealiseerde tijdelijke/verplaatsbare woningen substantieel stijgt. Daarvoor zijn er naast de vrijstelling meerdere maatregelen in gang gezet om de bouw van flexibele en tijdelijke woningen een stimulans te geven, waaronder een gebiedsgerichte versnellingsaanpak die eind 2019 van start zal gaan. In de Stimuleringsaanpak flexwonen geeft de Minister van BZK aan welke instrumenten zij hiervoor nog meer inzet.

De NOB wijst op twee arresten van de Hoge Raad van 8 juni 2018 waarin de wettelijke bepaling inzake mede-eigendomssituaties in de verhuurderheffing buiten werking is gesteld gezien de onverenigbaarheid daarvan met het discriminatieverbod in de mensenrechtenverdragen. Het kabinet werkt naar aanleiding van deze arresten aan een wetswijziging. Het streven is om deze maatregel met ingang van 1 januari 2021 in werking te laten treden.

10. Verlaagd btw-tarief voor elektronische uitgaven

De leden van de fractie van D66 verwelkomen het verlaagde btw-tarief voor elektronische uitgaven en ook de verruiming ten opzichte van het eerdere voorstel dat ter consultatie voorlag. De leden vragen of en zo ja op welke wijze andere landen gebruikmaken van de mogelijkheid om het verlaagde btw-tarief voor elektronische uitgaven toe te passen en of er verschillen bestaan in de implementatie. De leden van de fractie van de VVD vragen eveneens welke lidstaten deze facultatieve regeling gaan implementeren. In het kader van de implementatie van het verlaagde tarief op elektronisch geleverde boeken, kranten en tijdschriften heeft het kabinet een onderzoek laten uitvoeren door het International Bureau of Fiscal Documentation (IBFD).39 Een afschrift van dit onderzoek, waarbij een deel van de lidstaten is onderzocht, is als bijlage aan deze nota toegevoegd40. De uitkomsten van het onderzoek zijn samengevat in een tabel op de bladzijden 26 en 27. Uit het onderzoek blijkt dat ten tijde van het onderzoek verschillende lidstaten gebruik maakten of voornemens waren gebruik te gaan maken van de mogelijkheid om een verlaagd btw-tarief te introduceren voor het langs elektronische weg leveren van boeken, tijdschriften en kranten. Van de door de IBFD onderzochte lidstaten gaat het hierbij om de volgende lidstaten: België, Ierland, Finland, Frankrijk, Luxemburg en Zweden. Tegelijkertijd waren er op het moment van het onderzoek ook lidstaten die nog geen gebruik maakten van de regeling. Dit zijn onder andere Duitsland en Verenigd Koninkrijk.41 Zoals uit het onderzoek blijkt hanteren de door het IBFD onderzochte lidstaten verschillende manieren van implementeren. Zo zijn er lidstaten die kiezen voor gedetailleerde wettelijke regels terwijl andere lidstaten de invulling volledig overlaten aan de belastingautoriteiten.42 Dat maakt het niet goed mogelijk aan te geven welke lidstaten kiezen voor een ruimere of minder ruime implementatie. Nederland beoogt met het verruimde voorstel de BTW-richtlijn 2006 ruim te implementeren.

De leden van de fractie van D66 lezen in de memorie van toelichting dat «het bij websites en apps voorkomt dat een vergoeding wordt betaald voor een andere prestatie dan het leveren of uitlenen van de uitgaven. Logischerwijs is het verlaagde btw-tarief in dit geval niet van toepassing. Gedacht kan worden aan een website waarop artikelen gratis kunnen worden gelezen maar tegen vergoeding de advertenties kunnen worden weggelaten.» Naar aanleiding daarvan vragen de leden van de fractie van D66 of het kabinet, aan de hand van een voorbeeld, een toelichting kan geven over de reikwijdte van deze uitsluiting. De leden van de fractie van D66 vragen om specifiek in te gaan op een nieuwswebsite die twee verschillende producten aanbiedt, te weten product A en product B. Product A is online gratis toegankelijk en bevat advertenties; Product B is enkel toegankelijk met een abonnement, bevat geen advertenties en wel meer verdieping en extra nieuwsartikelen. De leden van de fractie van D66 vragen of in dit geval voor product B ook het lage btw-tarief van toepassing is. De leden van de fractie van de VVD vragen verder hoe wordt beoordeeld dat consumenten middels het accepteren van reclame of het betalen van een vergoeding zich toegang verschaffen tot het nieuwsaanbod, en dat het verkrijgen van deze toegang de «aard van de prestatie is». Deze leden vragen bovendien wat de precieze gevolgen zijn indien dit niet gebeurt. Deze leden vragen zich vervolgens af of dit betekent dat het afkopen van reclame dan niet een beoordelingsvraag is die niet past bij het doel dat de consument heeft met de handeling, namelijk het toegang verkrijgen tot nieuws.

Voor de toepassing van het verlaagde btw-tarief is nodig dat de prestatie tegenover de vergoeding bestaat uit het verlenen van toegang tot de leesinhoud van websites of apps. Het verwijderen van advertenties tegen betaling is een (voorbeeld van een) afzonderlijke prestatie, waarbij geen sprake is van het verlenen van toegang tot de leesinhoud. Dat het tegen betaling afzien van reclame indirect het leesgenot dient doet daar niet aan af. Indien in deze context de aard van de prestatie dus niet voldoet aan de voorwaarden betreffende het langs elektronische weg leveren of uitlenen van boeken, kranten en tijdschriften of het verlenen van toegang tot nieuwswebsites zoals die van dagbladen, weekbladen en tijdschriften, kan de toepassing van het verlaagde btw-tarief niet plaatsvinden en zal het algemene btw-tarief gelden. In het voorbeeld, waarbij product A en B los van elkaar worden aangeboden en niet alleen van elkaar verschillen vanwege de reclame, maar ook vanwege het feit dat product B extra verdieping en nieuwsartikelen bevat, doet zich met betrekking tot product B geen situatie voor waarop de uitsluiting van de toepassing van het verlaagde btw-tarief in de memorie van toelichting ziet. Het verlaagde btw-tarief is toepasbaar indien product B voldoet aan de eerdergenoemde voorwaarden.

De leden van de fractie van D66 vragen hoe het kabinet gaat monitoren dat het verlaagde btw-tarief door een verlaging van de prijzen ook ten goede komt aan consumenten en of zij hierover kunnen worden geïnformeerd. Het kabinet zal in 2023 zowel de voorgestelde maatregel als het verlaagde tarief op fysieke boeken, kranten en tijdschriften betrekken bij een beleidsevaluatie. Bij deze evaluatie zal worden onderzocht of het toepassen van een laag btw-tarief op fysieke en elektronische uitgaven doeltreffend en doelmatig is. Ook wordt daarbij onder andere bekeken of de invoering van het lage btw-tarief heeft geleid tot een prijsdaling voor elektronische uitgaven. De precieze onderzoeksmethode zal met een onderzoeksbureau worden bepaald. Van de uitkomsten van deze beleidsevaluatie zal de Tweede Kamer op de hoogte worden gebracht.

De leden van de fractie van D66 vragen een reactie op de vraag van het Register Belastingadviseurs waarom niet meer wordt gesproken van de verhuur, maar van het uitlenen van bepaalde goederen. Voorgesteld wordt om de tekst van de wet redactioneel aan te passen in die zin dat voortaan gesproken wordt van het uitlenen in plaats van de verhuur van de in de tabelpost bedoelde goederen. Hiermee wordt aangesloten bij de tekst van de BTW-richtlijn 2006. Met de voorgestelde wijziging wordt geen inhoudelijke wijziging beoogd.

De leden van de fractie van D66 vragen om een nadere reactie waarom er niet gekozen is voor overgangsrecht, bijvoorbeeld als het gaat om lopende abonnementen. Bij de internetconsultatie heeft het geconsulteerde bedrijfsleven niet om overgangsrecht voor vooruitbetalingen en abonnementen verzocht. Wel is er vanuit de NOB geopperd een dergelijke regeling te treffen. Theoretisch is het denkbaar dat zo’n regeling wordt getroffen. Praktisch heeft zo’n regeling echter enorme administratieve lasten voor het bedrijfsleven tot gevolg, aangenomen dat de sector dit voordeel ook zou teruggeven aan de abonnementhouders en consumenten die vooruit hebben betaald. Gelet op een en ander heeft het kabinet ervoor gekozen aan te sluiten bij het systeem dat ook is gehanteerd bij de verhoging van het verlaagde btw-tarief van 6% naar 9%. Hierdoor is het moment waarop de btw is verschuldigd volgens de reguliere btw-regels bepalend voor welk btw-tarief van toepassing is.

De leden van de fractie van D66 vragen of de eerder specifiek genoemde uitsluiting, die ziet op het onder andere verwijderen van advertenties, is geconsulteerd. Bij de consultatie heeft een wetsvoorstel voorgelegen dat niet voorzag in een verlaagd btw-tarief voor het verlenen van toegang tot nieuwswebsites. De genoemde uitsluiting is dus ook niet aan de orde geweest.

De leden van de fractie van de CDA zijn verheugd dat eindelijk het verlaagde btw-tarief voor elektronische boeken en andere uitgaven gaat gelden. Het verlaagde tarief gaat niet gelden ingeval uitgaven uitsluitend of hoofdzakelijk uit reclamemateriaal, muziek of video-inhoud bestaan. De leden vragen het kabinet op welke wijze dit getoetst dient te worden door de ondernemer en de Belastingdienst. De uitgesloten uitgaven betreffen in feite producten die naar maatschappelijke opvattingen in ieder geval niet hebben te gelden als elektronische uitgaven. Deze beoordeling van inhoud en gebruik dient dus aan de hand van dit criterium te worden gedaan langs de lijnen en voorbeelden zoals weergegeven in de memorie van toelichting. Zo zijn film- en muziekstreamingdiensten uitgezonderd van toepassing van het verlaagd tarief. Met video-inhoud wordt bedoeld bewegend beeld, al dan niet voorzien van geluid. Met beluisterbare muziek wordt niet bedoeld audiomateriaal dat de inhoud van een luisterboek vormt. Bij grensgevallen kan een ondernemer volgens de regels van vooroverleg in overleg treden met de inspecteur.

De leden van de fractie van de CDA geven aan dat het voor een e-book of een digitale kopie van een krant of tijdschrift duidelijk is, maar dat krantenwebsites vaak ook nieuwsvideo’s maken. Zij vragen zich dan ook af op welke wijze dit invloed heeft op het van toepassing zijnde tarief. Zoals hierboven genoemd geldt de regel dat het verlaagde btw-tarief niet van toepassing is op uitgaven en nieuwswebsites die uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit reclamemateriaal of uit video-inhoud of beluisterbare muziek. Deze begrenzing staat toe dat nieuwswebsites in bepaalde mate ook nieuwsvideo’s kunnen toevoegen op de website zonder dat dit een belemmering vormt voor de toepassing van het verlaagde btw-tarief.

De leden van de fractie van de VVD vragen eveneens hoe geborgd wordt dat de consumentenprijzen van deze goederen nu ook zullen dalen, en dat het voordeel van het verlaagde tarief dus daadwerkelijk bij de consument terecht komt. Het invoeren van het verlaagde btw-tarief op de elektronische levering van boeken, kranten en tijdschriften kan leiden tot lagere consumentenprijzen en daarmee tot een bevordering van het lezen. Leveranciers zijn echter niet verplicht dit voordeel aan de consument door te geven in de vorm van lagere consumentenprijzen. Het kabinet zal in 2023 wel onderzoeken of het hanteren van een laag btw-tarief op fysieke en elektronische uitgaven doeltreffend en doelmatig is. In dat kader wil het kabinet via een kwantitatieve analyse ook onderzoeken of de maatregel heeft geleid tot een prijsdaling voor elektronische uitgaven.

De leden van de fractie van de VVD lezen in de memorie van toelichting dat EU-lidstaten niet de mogelijkheid hebben een verlaagd btw-tarief toe te passen als uitgaven uitsluitend of vooral bestaan uit reclamemateriaal of uit muziek- of videomateriaal. De leden vragen het kabinet om een toelichting hierop en dan met name op de BTW-richtlijn uit 2006. De leden vragen zich af of het klopt dat bijvoorbeeld het afbetalen van online reclame niet belast kan worden met het lage btw-tarief vanwege Europese regelgeving. Om te voorkomen dat verlaagde btw-tarieven op grote schaal worden toegepast op audiovisuele inhoud, staat de richtlijn niet toe het verlaagd btw-tarief toe te passen op uitgaven die uitsluitend of hoofdzakelijk uit reclamemateriaal, muziek- en/of video-inhoud bestaan. Het langs elektronische weg leveren van films of muziek kan bijvoorbeeld niet in aanmerking komen voor de toepassing van het verlaagde btw-tarief. Het klopt dat een prestatie die uitsluitend bestaat uit het afkopen van reclame bij het verlenen van toegang tot een nieuwswebsite niet onder het verlaagde btw-tarief valt.

De leden van de fractie van de VVD vragen zich af of deze verlaging van het btw-tarief gevolgen heeft voor de internationale concurrentiepositie van Europese en daarmee ook Nederlandse uitgevers en elektronische aanbieders van kranten, boeken etc. De gevolgen voor de internationale concurrentiepositie van Europese en daarmee ook Nederlandse uitgevers en elektronische aanbieders is geen primaire doelstelling van deze regeling. Daarbij bepalen in internationale situaties de regels van de lidstaat van de consument de heffing en de tarieven van de btw en heeft dit wetsvoorstel geen invloed op prestaties aan consumenten in andere lidstaten. Wel waarborgt dit wetsvoorstel dat de concurrentiepositie van elektronische aanbieders wordt verbeterd door de gelijkstelling van elektronische en fysieke uitgaven voor de heffing van de btw.

De leden van de fractie van de VVD vragen of het klopt dat het doel van de nieuwe wetgeving is om onder andere de betaling voor nieuwswebsites onder het verlaagde btw-tarief te brengen. De voorgestelde wetgeving regelt dat zowel het langs elektronische weg leveren of uitlenen van boeken, kranten en tijdschriften als het verlenen van toegang tot nieuwswebsites zoals die van dagbladen, weekbladen en tijdschriften onder de reikwijdte vallen van het verlaagde btw-tarief. Uiteraard is toepassing van het verlaagde btw-tarief alleen van belang indien voor toegangverlening tot dergelijke nieuwswebsites wordt betaald. Met de aanvulling wordt beoogd nieuwswebsites onder toepassingsbereik van het verlaagde tarief te brengen. Door de modale consument worden deze producten immers gezien als dagbladen.

11. Aanpassen accijns op tabaksproducten

De leden van de fractie van D66 onderschrijven de ambitie om te komen tot een rookvrije generatie en vragen welke maatregelen andere landen nemen om te komen tot een rookvrije generatie. Er zijn verschillende landen in Europa die streven naar een rookvrije generatie, bijvoorbeeld Finland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Ierland. Deze landen hebben net als Nederland een pakket aan maatregelen ingezet op het gebied van tabaksontmoediging, zoals campagnes, stijgingen van de prijs of van de accijns, neutrale verpakkingen en rookverboden.

De leden van de fractie van D66 vragen of de maatregelen het mogelijke risico op grenseffecten verkleinen. Maatregelen gericht op het bereiken van een rookvrije generatie zijn bedoeld om het aantal rokers te verminderen. Op basis van wetenschappelijke literatuur blijkt dat een effectieve aanpak bestaat uit de volgende elkaar versterkende maatregelen, zijnde een forse accijnsverhoging, het beperken van de zichtbaarheid en aantrekkelijkheid van tabaksproducten, alomvattende rookverboden, productregulering en intensieve meerjarige campagnes43. Die aanpak is ook als uitgangspunt genomen bij het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging. Een prijsverhoging zal tot gevolg hebben dat meer mensen stoppen met roken en rokers minder gaan roken. Tegelijkertijd kan de prijsverhoging er ook voor zorgen dat tabaksproducten vaker in het buitenland gekocht zullen worden. Overigens is het Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) hierover in gesprek met Duitsland en België.

De leden van de fractie van D66 vragen of het kabinet een overzicht kan geven van de accijns en kosten per pakje in de omringende landen, Duitsland, België, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Luxemburg, inclusief de in de toekomst voorgenomen prijsverhogingen. De accijnstarieven worden vermeld per 1000 sigaretten en zijn in de omringende landen als volgt. De minimumaccijns is het absolute bedrag dat ten minste per 1000 sigaretten of per kilogram rooktabak wordt geheven.

Tabel 30: Accijns en kosten per pakje in omringende landen voor het jaar 2019 in euro's1
 

Specifieke accijns

Ad Valorem accijns

Minimumaccijns

Gemiddelde prijs per pakje sigaretten met 20 stuks

Nederland

175,20

5,00%

191,25

6,38

Duitsland

98,20

21,69%

165,01

5,64

België

66,47

40,04%

188,58

6,10

Verenigd Koninkrijk

256,28

16,50%

329,99

8,77

Frankrijk

61,10

51,70%

279,00

7,78

Luxemburg

18,89

46,65%

116,00

4,64

X Noot
1

Bron: Europese Commissie (maart 2019).

Voor de omringende landen geldt Frankrijk voornemens is naar een prijs van € 10 per pakje te gaan in 2020. Voor de andere omringende landen geldt dat de in de toekomst voorgenomen prijsverhogingen ons nog niet bekend zijn.

De leden van de fractie van D66 vragen naar een uitputtend overzicht van de wijze waarop tabak en soortgelijke producten als shag, kruidenrookproducten, e-sigaretten en navulverpakkingen in Nederland in de belastingheffing worden betrokken. Op de producten die in de vraag zijn genoemd kunnen meerdere soorten van belasting van toepassing zijn, te weten invoerrechten, omzetbelasting en accijns. Het vaststellen van de hoogte van de invoerrechten valt onder de regelgevende competentie van de Europese Unie. De hoogte van die rechten kunnen variëren naar gelang de oorsprong van de betreffende goederen en het stadium van be- of verwerking van die goederen. Alle genoemde producten worden belast met 21% aan btw. Voor de heffing van accijns geldt dat deze wordt geheven over tabaksproducten. Tabaksproducten worden belast met accijns. Onder «tabaksproducten» wordt verstaan: tot verbruik bereide tabak in de vorm van sigaren, sigaretten en rooktabak, geschikt om te worden gerookt.

Maar ook producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit andere stoffen dan tabak, kunnen als sigaren, sigaretten of rooktabak worden aangemerkt. Die producten moeten dan wel geschikt zijn om te worden gerookt. Er is sprake van «geschikt om te worden gerookt» als er een verbrandingsproces plaatsvindt. Voor de accijnsheffing worden deze bijzondere producten gezien als «sigaren», «sigaretten» of «rooktabak». Dit geldt bijvoorbeeld voor kruidensigaretten die als sigaretten worden behandeld. Waterpijptabak wordt voor de accijnsheffing vervolgens weer behandeld als rooktabak. Zolang er geen drugs of andere in de Opiumwet verboden stoffen in zijn opgenomen, worden al deze producten voor de accijns behandeld als sigaren, sigaretten of rooktabak en dus in zijn geheel belast met accijns.

Verder zijn er kruiden of mengsels van kruiden te koop in een consumentenverpakking. Als uit de wijze van presentatie (aanduidingen op de verpakking) blijkt dat het product is bestemd om (ook) te worden gerookt, worden deze producten belast met accijns op rooktabak, ook al bestaat het product gedeeltelijk of niet uit tabak. Er is een vrijstelling voor sigaretten en rooktabak die geheel uit andere stoffen bestaan en uitsluitend bestemd zijn om te worden gebruikt voor medicinale doeleinden.

Producten als e-sigaretten en navulverpakkingen, indien zij geen tabak bevatten of er vindt geen verbranding plaats, worden niet als tabaksproduct aangemerkt en kunnen daarom niet worden belast met accijns.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat ruwe tabak niet wordt aangemerkt als een met accijns te belasten tabaksproduct. Dit product is namelijk niet geschikt om te worden gerookt. Mocht het echter na een eenvoudige, niet-industriële bewerking geschikt worden gemaakt om te worden gerookt, dan wordt de tabak als rooktabak aangemerkt.

De leden van de fractie van de PVV vragen wat het kabinet gaat doen indien uit de evaluatie blijkt dat de accijnsverhogingen slecht zijn voor de ondernemers in het grensgebied. In het Nationaal Preventieakkoord is afgesproken dat alvorens de prijs verder verhoogd kan worden tot € 10 in 2023, het kabinet in 2021 een evaluatie zal uitvoeren omdat grenseffecten de effectiviteit van en het draagvlak voor de maatregel kunnen ondermijnen. Doel van de evaluatie is om de gedragseffecten en de verschuiving van de verkoop in Nederland naar de ons omringende landen België, Duitsland en Luxemburg en andere landen in beeld te brengen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het aantal mensen dat stopt met roken, het aantal sigaretten dat gekocht en gerookt wordt en in hoeverre mensen overstappen op andere producten.

De leden van de fractie van de SP vragen het kabinet welke wetenschappelijke aanwijzingen er zijn om te veronderstellen dat het verhogen van de tabaksaccijnzen met € 1 leidt tot minder rokers. De leden van de fractie van SP vinden dat er effectievere maatregelen mogelijk zijn om te zorgen dat de jonge generaties niet gaan roken. Zij denken aan het verminderen van het aantal verkooppunten en door de industrie te dwingen om minder verslavende elementen toe te voegen aan de tabak en vragen het kabinet hierop in te gaan. In de wetenschappelijke literatuur wordt een stapsgewijze maar telkens duidelijk voelbare verhoging van de prijs van tabaksproducten beschouwd als de meest effectieve beleidsmaatregel om het aantal rokers te verlagen. Bij rokers die doorgaan met roken kan een accijnsverhoging bijdragen aan het roken van minder sigaretten. De accijnsverhoging moet dan wel leiden tot een verhoging van de verkoopprijs en meer zijn dan de inflatie44. Zoals door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)45 aangegeven in de quick scan zal de accijnsverhoging bijdragen aan een substantiële daling van het aantal rokers in Nederland. In het Nationaal Preventieakkoord is opgenomen dat het Ministerie van VWS onderzoek uit laat voeren naar de mogelijkheden om het aantal verkooppunten in de toekomst te beperken. Dit onderzoek zal voor de zomer van 2020 met uw Kamer worden gedeeld. Daarnaast is er een motie46 van het lid Kuik en lid het Dik-Faber aangenomen om het aantal verkooppunten de komende jaren te monitoren, en mocht er in 2022 te weinig voortgang zijn, wettelijk maatregelen te nemen om het aantal verkooppunten te verminderen. In het Nationaal Preventieakkoord zijn geen afspraken gemaakt om verslavende stoffen in de sigaret te reguleren.

Bij de leden van de fractie van de SP komt het verhogen van de tabaksaccijnzen over als het plukken van mensen met een verslaving en zij vragen het kabinet welk perspectief hen geboden wordt met deze maatregel. Onder groepen met lage inkomens wordt naar verhouding nog veel gerookt met alle consequenties voor hun gezondheid. Juist in deze groep is nog veel gezondheidswinst te boeken. Uit onderzoek dat is uitgezet door vermogensfonds FNO blijkt dat ten minste 65.000 gezinnen in Nederland door de armoedegrens zakken juist vanwege tabaksgebruik47. In het Nationaal Preventieakkoord is specifiek aandacht voor deze groep rokers met ook achterliggende problematiek. Zo wordt op het verbeteren van laagdrempelige stoppen-met-roken ondersteuning in de buurt en stellen verzekeraars eerstelijns stoppen-met-rokenprogramma’s vrij van het eigen risico per 2020. Ook worden er trainingen ontwikkeld en geïmplementeerd voor zorgprofessionals waarin specifiek aandacht wordt besteed aan het begeleiden bij het stoppen met roken van mensen met een praktische opleiding en een laag inkomen.

De leden van de fractie van de SP vinden dat de extra tabaksaccijnzen ten goede dienen te komen aan een verslavingsfonds waarmee rokers kunnen worden geholpen van hun verslaving af te komen en vraagt het kabinet toe te zeggen dit vorm te gaan geven. Rijksbelastingen, zoals de accijns, komen terecht in de algemene middelen. Voor Rijksbelastingen geldt dat zij niet geoormerkt worden, wat inhoudt dat zij niet van te voren worden toebedeeld aan een specifiek doel.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar de netto-opbrengst van de aanpassing van de tabaksaccijns. Ook vragen zij naar de verwachte daling van het verkoopvolume bij de gegeven prijsverhogingen. De maatregel heeft een geschatte opbrengst van € 128 miljoen in 2020 en € 170 miljoen in 2021 en verdere jaren. Zoals in de ramingstoelichtingen bij het Belastingplan 2020 is gemeld, is vanwege de hogere prijsstijging dan voorheen afgeweken van de standaard gedragseffecten van het CPB. Op basis van prijselasticiteiten uit de literatuur is gerekend met een gedragseffect van ongeveer 65%. Zonder gedragseffect nemen de opbrengsten met ongeveer € 480 miljoen toe door de accijnsstijging. Maar door een daling van het aantal binnenslands verkochte sigaretten daalt de opbrengst ex post. Door de aanpassing van de tabaksaccijns, stijgt de prijs van een pakje sigaretten met € 1. Dit is een prijsstijging van ongeveer 16%. De verwachting is dat het verkoopvolume ongeveer 11% daalt door deze aanpassing. De daling van het volume is het gevolg van een daling van het aantal rokers, van het gemiddeld aantal sigaretten dat per dag wordt gerookt en van een toename van grenseffecten en illegale handel.

De maatregel gaat per 1 april 2020 in, de opbrengst in 2020 is daarom 9/12 van de totale opbrengst.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen met hoeveel de tabaksaccijns moet worden verhoogd om per saldo geen extra opbrengst meer te genereren. De leden van de fractie van 50PLUS vragen wanneer het nadeel van dalende verkopen voor de schatkist groter wordt dan het voordeel van de hogere prijzen. De inschatting is dat de verhoging per april 2020 leidt tot een weglek van 65% van de extra opbrengst in de accijnzen. Dit is hoger dan het standaardgedragseffect dat onder andere is gebruikt bij de verhoging uit het regeerakkoord. De weglek is afhankelijk van de prijselasticiteit van de vraag. Deze stijgt naarmate de prijs hoger wordt. De prijselasticiteit zal opnieuw worden geschat in de evaluatie van de verhoging met € 1 van 1 april 2020, die is toegezegd bij het Nationaal Preventieakkoord. Hierdoor wordt meer inzicht verkregen in de hoogte van de prijselasticiteit bij grote verhogingen. Mogelijk kan dan ook meer worden gezegd over de prijs waarbij een verhoging geen extra opbrengst meer genereert.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of de koopkrachtplaatjes van rokers er significant anders uitzien dan voor niet-rokers. In koopkrachtberekeningen wordt geen onderscheid gemaakt tussen rokers en niet-rokers. Koopkracht weerspiegelt de ontwikkeling van iemands bestedingsmogelijkheden: de stijging van het besteedbaar inkomen gecorrigeerd voor inflatie. De prijsstijging van tabak is onderdeel van het algehele inflatiecijfer. Wel is het natuurlijk zo dat huishoudens verschillen in hun koopgedrag. Iemand die een groter deel van het inkomen aan tabak besteed dan waarmee in de inflatie rekening wordt gehouden zal minder aan andere goederen en diensten kunnen besteden. Dit geldt overigens niet alleen voor tabak maar ook voor alle andere uitgaven van een huishouden.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar de orde van grootte van de invloed van de voorgenomen verhogingen van de tabaksaccijns voor een modaal inkomen. De invloed hangt af van hoeveel sigaretten iemand met een modaal inkomen rookt. Het gemiddelde aantal sigaretten per roker is 10,7 per dag. Dit komt neer op ongeveer 3900 sigaretten per jaar en 195 pakjes. Door de stijging met € 1 per pakje gaat een gemiddelde roker die het gedrag niet aanpast € 195 per jaar meer betalen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of de verhoging van de tabaksaccijns in een sneller tempo kan. Op basis van het Nationaal Preventieakkoord wordt in 2020 de accijns op een pakje sigaretten met 20 stuks zodanig verhoogd dat de prijs van dat pakje met 1 euro stijgt. In het Nationaal Preventieakkoord is afgesproken dat, alvorens de prijs verder verhoogd kan worden tot € 10 in 2023, het kabinet in 2021 een evaluatie zal uitvoeren omdat grenseffecten de effectiviteit van en het draagvlak voor de maatregel kunnen ondermijnen. Bij een dergelijke evaluatie dient data meegenomen te worden van de maanden waarin een pakje ook daadwerkelijk € 1 duurder is geworden, waardoor logischerwijs de evaluatie in 2021 zal plaatsvinden.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of het kabinet bereid is de accijnzen op e-sigaretten en nicotinevloeistoffen stevig te verhogen, zodat ook deze producten via de prijs ontmoedigd worden. Producten als e-sigaretten en (nicotine)navulverpakkingen worden, indien zij geen tabak bevatten of waarbij geen verbrandingsproces plaatsvindt, niet als tabaksproduct aangemerkt en kunnen daarom niet worden belast met accijns. Lidstaten kunnen ervoor kiezen dergelijke producten te belasten met een nationale verbruiksbelasting. Nederland heeft hier tot op heden niet toe besloten. Indien hier toe besloten zou worden, zou dit betekenen dat er een geheel nieuwe nationale verbruiksbelasting moet worden geïntroduceerd.

De leden van de fractie van de CDA zijn zeer benieuwd naar de grenseffecten naar de maatregel en vraagt het kabinet of zij kunnen aangeven wat de verwachte grenseffecten zijn van de verhoging in onderhavig wetsvoorstel. De leden van de fractie van CDA vragen met welke grenseffecten is gerekend bij de raming van de maatregel. De raming van de stijging van de accijns per april 2020 is gedaan op basis van onderzoeken waarin de totale elasticiteit wordt berekend inclusief grenseffecten. Uit een rapport van Ecorys48 volgt dat op dit moment ongeveer 2,8% van het aantal gerookte sigaretten uit het buitenland komt. Bij een verhoging naar € 10 per pakje zal dit stijgen met 12,7%-punt. Deze verhoging uit het rapport komt neer op een prijsstijging van ongeveer 50%. Bij een stijging van 16% komt dat neer op een geschatte stijging van verkoop in het buitenland met ongeveer 3 á 4%-punt. In de evaluatie van de stijging van de accijns per april 2020 wordt nader onderzocht wat de grenseffecten van de maatregel zijn, zoals reeds gemeld in het Nationaal Preventieakkoord.

De leden van de fractie van de VVD vragen wanneer het kabinet verwacht de genoemde evaluatie gereed te hebben. Het kabinet verwacht de evaluatie vóór de zomer van 2021 gereed te hebben.

De leden van de fractie van de VVD vragen of de opbrengsten in worden gezet voor de lastenverlichting elders. Deze opbrengsten zijn meegenomen bij het sluiten van het totale inkomstenkader. Tegenover deze lastenverzwaring staat inderdaad lastenverlichting elders. Zie voor een overzicht van de aanpassingen in het inkomstenkader bijlage 3 van de Miljoenennota (hoofdstuk inkomstenkader).

De leden van de fractie van de VVD vragen hoe samenloop met de eerdere tabaksaccijnsverhogingen voorkomen wordt. Ook vragen de leden van de fractie van de VVD hoe wordt voorkomen dat ondernemers verschillende keren hun prijzen moeten aanpassen. In de Wet op de accijns is vastgelegd dat een tariefswijziging op tabak niet eerder in werking kan treden dan met ingang van de eerste dag van de vierde kalendermaand na afloop van de kalendermaand na publicatie in het Staatsblad. De voorgestelde tariefswijzigingen op tabak die volgen uit het regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst» uit 2017, zijn destijds meegenomen in het Belastingplan 2018. Voor de tariefswijziging die ingaat per 1 januari 2020 geldt dat er tussen publicatie van het Belastingplan 2018, op 28 december 2017, meer dan drie kalendermaanden gelegen zijn, waardoor een tariefsaanpassing op 1 januari 2020 mogelijk is. Dit Belastingplan zal naar verwachting eind december 2019 worden gepubliceerd. De tariefswijziging kan dan ook niet eerder ingaan dan per 1 april 2020. Pas vanaf dat moment is het voor de ondernemers ook zeker dat de tariefswijziging doorgaat, waardoor zij nog drie maanden de tijd hebben om prijsaanpassingen te kunnen gaan doorvoeren.

12. Vrijstellingen in de assurantiebelasting

De leden van de fractie van D66 vragen of andere ondernemers dan landbouwers ook gebruik kunnen maken van de brede weersverzekering en de tegemoetkoming brede weersverzekering. Ook vragen de leden van de fractie van D66 of andere ondernemers behoefte hebben om zich te verzekeren tegen schade door extreme en ongunstige weersomstandigheden. Met de introductie van een vrijstelling van assurantiebelasting voor de brede weersverzekering wordt uitvoering gegeven aan de motie van de leden Van der Staaij en Van Haersma Buma.49 De brede weersverzekering betreft een specifieke schadeverzekering die is ontwikkeld in het kader van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid om landbouwers te stimuleren zich te verzekeren tegen schade aan gewassen door extreme en ongunstige weersomstandigheden. Het gaat hierbij om gewassen op landbouwgrond met open teelt en ziet met name op de volgende sectoren:

  • Akkerbouw;

  • Vollegrondsgroenteteelt;

  • Bollenteelt;

  • Sierteelt;

  • Fruitteelt;

  • Boomkwekerij;

De stimulering bestaat uit een subsidie op de premie voor de brede weersverzekering. Door het invoeren van de vrijstelling in de assurantiebelasting voor deze verzekering wordt voorkomen dat de tegemoetkoming die wordt gegeven deels weer wordt belast. Een brede weersverzekering kan niet door andere ondernemers dan landbouwers worden afgesloten.

Mochten andere sectoren van ondernemers behoefte hebben aan een verzekering tegen schade door extreme en ongunstige weersomstandigheden, dan kunnen zij daar een andere soort verzekering voor afsluiten. Voor deze andere soort verzekering geldt geen vrijstelling in de assurantiebelasting.

De leden van de fractie van D66 vragen op welke wijze gezorgd is voor de financiering van het voorstel dat ziet op de brede weersverzekering.

Deze maatregel is gedekt binnen het totaal van het inkomstenkader.

13. Rentevergoeding bij te late terugbetaling Belastingwet BES

De leden van de fractie van de VVD vragen naar de oorzaak van deze wijziging in rentevergoeding bij te late terugbetaling en hoe zich dit verhoudt tot de situatie in Europees Nederland. Daarnaast vragen deze leden naar de gehanteerde percentages in Caribisch Nederland. Het kabinet acht de thans nog in Caribisch Nederland geldende regeling met betrekking tot de invorderingsrente onredelijk nu de belastingplichtige bij te late betaling wel invorderingsrente in rekening krijgt gebracht en dient te betalen, maar de Belastingdienst Caribisch Nederland dit laatste bij een te late uitbetaling niet hoeft te doen. Met deze wijziging komt de regeling op het punt van te late uitbetaling door de Belastingdienst een stap dichterbij de situatie in Europees Nederland. Er wordt immers een evenwicht aangebracht tussen wat een belastingplichtige betaalt en ontvangt. Op dit moment wordt in Caribisch Nederland een percentage van 6% per jaar gehanteerd bij de belastingplichtige. Ook voor de te late betaling door de Belastingdienst dient (uitgaande van het wetsvoorstel met ingang van 1 januari 2020) aan de belastingplichtige 6% per jaar te worden vergoed. In het onderhavige wetsvoorstel worden geen wijzigingen met betrekking tot de invorderingsrente voor Europees Nederland voorgesteld, maar wel twee wijzigingen met betrekking tot de belastingrente. In de antwoorden op vragen van de leden van de fracties van de VVD en het CDA wordt nader ingegaan op de vraag van de leden van de fractie van de VVD wanneer het kabinet voornemens is om de belastingrente in Europees Nederland aan te passen.

De leden van de fractie van het CDA vragen hoe hoog de rente is die de Belastingdienst Caribisch Nederland en de belastingplichtige moeten betalen bij een te late betaling. De rente die door de Belastingdienst Caribisch Nederland momenteel wordt betaald bij te late betaling is 0%. Voor een belastingplichtige is dat 6% op jaarbasis. Dit is geregeld in artikel 8.44 van de Belastingwet BES.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet ook kijkt naar de overdrachtsbelasting in het kader van het onderzoek naar het ijkpunt voor het sociaal minimum en het verlagen van de kosten van levensonderhoud.

Dat is niet het geval. Overdrachtsbelasting staat in een vrij ver verwijderd verband met de kosten van levensonderhoud. Het is namelijk een a-periodieke heffing die in veel gevallen relatief weinig effect heeft voor belastingplichtigen met lage(re) inkomens. Mensen met lage inkomens kopen niet zo vaak een woning.

14. Invoeren aftrekuitsluiting dwangsommen

De leden van de fracties van de VVD en de PVV vragen welke boetes wel aftrekbaar blijven van de winst van bedrijven. Ook vragen de leden van de fractie van de PVV of er een verschil in behandeling is tussen boetes die in Nederland zijn opgelegd en boetes van de EU. Na aanvaarding van de aanpassingen als gevolg van het onderhavige wetsvoorstel komen50 bij het bepalen van de winst niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met:

  • geldboeten opgelegd door een strafrechter en geldsommen betaald aan een staat of een onderdeel daarvan ter voorkoming van strafvervolging, in het kader van een strafbeschikking of daarmee vergelijkbare buitenlandse wijze van bestraffing, dan wel ter voldoening aan een voorwaarde verbonden aan een besluit tot gratieverlening;

  • bestuurlijke boeten en daarmee vergelijkbare buitenlandse boeten;

  • geldboeten opgelegd op basis van bij wet geregeld tuchtrecht;

  • geldboeten opgelegd door een instelling van de EU; alsmede

  • kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting51en kosten ter zake van het aanbrengen alsmede van het verwijderen van de wielklem.52

Kort gezegd geldt de aftrekuitsluiting voor punitieve sancties met een wettelijke basis en hetgeen hieraan gelijkgeschakeld wordt. Boetes in de contractuele sfeer blijven derhalve in beginsel aftrekbaar. Denk bijvoorbeeld aan een tussen partijen contractueel overeengekomen boete voor het niet op tijd (op)leveren van een gebouw of een product. Zoals uit het voorgaande blijkt is er geen verschil in behandeling tussen boeten (in de zin van punitieve sancties met een wettelijke basis) die in Nederland zijn opgelegd en geldboeten opgelegd door een instelling van de EU; beide zijn niet aftrekbaar.

De leden van de fractie van de SP vragen naar het verwachte effect van de aftrekuitsluiting dwangsommen. Ook vragen deze leden of een overzicht kan worden gegeven van de (volgens deze leden onterechte) voordelen die bedrijven en individuen hebben ondervonden van de aftrekbaarheid.

Een bestuursorgaan kan een last onder dwangsom inzetten om een overtreding van wet- of regelgeving geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of te beëindigen, herhaling van een overtreding te voorkomen, dan wel de gevolgen van de overtreding weg te nemen of te beperken. Bij een bestuursrechtelijke dwangsom staat het afschrikkende effect derhalve voorop. In de praktijk blijkt dat niet kan worden uitgesloten dat degene aan wie de last onder dwangsom is opgelegd een kosten-batenafweging maakt en daarmee de verbeurdverklaring van een dwangsom op de koop toe neemt. Om versterking van de effectiviteit van de last onder dwangsom te vergroten is voor aftrekuitsluiting van kosten en lasten die verband houden met bestuursrechtelijke dwangsommen gekozen. Deze aftrekuitsluiting draagt ook bij aan het signaal dat het kabinet maatschappelijk ongewenst gedrag dat ingaat tegen het algemeen belang wil terugdringen. Bovendien geeft de voorgestelde aftrekuitsluiting een extra signaal af voor de gewenste naleving van wet- en regelgeving.

In de vennootschaps- en inkomstenbelasting wordt belasting geheven over de winst, dat wil zeggen het saldo van alle opbrengsten en kosten. Uitgangspunt is dat de belastingheffing waardevrij is (fiscale neutraliteit). Dit brengt onder meer met zich dat alle zakelijke uitgaven die verband houden met de ondernemingsuitoefening in beginsel aftrekbaar zijn. Dat betekent onder de huidige wetgeving dat dwangsommen in de winstsfeer in principe aftrekbaar zijn. De voorgestelde aftrekuitsluiting heeft bewust een nadelig effect voor die bedrijven en individuen die de betreffende bestuursrechtelijke dwangsommen verschuldigd zijn. Een overzicht van eventuele voordelen die bedrijven en individuen in het verleden door de aftrekbaarheid van dergelijke kosten en lasten hebben ondervonden is niet voorhanden. De reden hiervoor is dat er geen centraal overzicht is van de opgelegde bestuursrechtelijke dwangsommen. Daarbij volgt de aftrek van kosten in verband met dwangsommen als zodanig ook niet uit de aangiftegegevens. De omvang van het voordeel van de aftrekbaarheid van een dergelijke last onder dwangsom is afhankelijk van de specifieke situatie van een belastingplichtige die de aftrek toepast, zoals de van toepassing zijnde tariefschijf, de verliespositie, et cetera.

De leden van de fractie van de SP vragen of de effecten van het niet uitsluiten van privaatrechtelijke opgelegde dwangsommen in kaart zijn gebracht en zo ja, of het kabinet deze kan delen met de Kamer. Deze leden vragen ook naar de argumentatie voor het in eerste instantie aftrekbaar laten zijn van dwangsommen in het algemeen. Daarbij vragen deze leden of het niet raar is dat opgelegde privaatrechtelijke dwangsommen aftrekbaar zijn. Het uitgangspunt bij belastingheffing is dat belastingheffing waardevrij is (fiscale neutraliteit). Dit betekent dat bij de bepaling van de hoogte van de winst alle opbrengsten van de onderneming worden belast en alle zakelijke kosten die verband houden met de ondernemingsuitoefening aftrekbaar zijn. Kosten en lasten die verband houden met privaatrechtelijke dwangsommen die opkomen in de winstsfeer zijn derhalve aftrekbaar. Op het uitgangspunt van fiscale neutraliteit kunnen echter – bij wet – uitzonderingen worden gemaakt. Bij een dergelijke uitzondering dient een zorgvuldige afweging plaats te vinden. Zo neemt het kabinet het besluit tot de aftrekuitsluiting van bestuursrechtelijke dwangsommen niet lichtvaardig, maar kiest in de afweging over de inbreuk op de fiscale neutraliteit enerzijds of het laten voortduren van het botsen van het fiscale recht met het (overige) bestuursrecht anderzijds in dit geval echter toch voor het eerste. Voor de privaatrechtelijke dwangsommen wordt eenzelfde keuze gemaakt. Het ligt naar het oordeel van het kabinet niet in de rede een aftrekafsluiting in te voeren voor dwangsommen die worden verbeurd tussen twee private partijen (hierna ook: privaatrechtelijke dwangsom). In dergelijke gevallen staan immers de private belangen van private partijen centraal. De effectiviteit van overheidsingrijpen door middel van het opleggen van een last onder dwangsom staat daarom niet op het spel. Bovendien zou een onevenwichtigheid in de belastingheffing ontstaan aangezien dan kort gezegd een betaalde dwangsom niet aftrekbaar zou zijn, terwijl een door een ondernemer ontvangen dwangsom wel tot de belastbare winst gerekend wordt. De effecten van het niet uitsluiten van de privaatrechtelijke opgelegde dwangsommen zijn – voor zover dat op basis van de beschikbare gegevens al mogelijk zou zijn – derhalve niet in kaart gebracht.

De leden van de fractie van GroenLinks begrijpen dat het niet mogelijk is om een exact overzicht te krijgen van aantallen en bedragen die gemoeid zijn met het gebruik van de last onder dwangsom, maar vragen wel een (grove) benadering en ordegrootte te geven. De uitgangspunten van de budgettaire raming zijn beschreven in de ramingstoelichtingen bij het pakket Belastingplan 2020. Op basis van de beschikbare – niet volledige – gegevens van provincies, waterschappen, de DNB en het Centraal Justitioneel Incassobureau (CJIB) is het budgettaire effect geraamd op € 3 miljoen. Gezien de beperkte beschikbare informatie, is deze raming omgeven met een hoge mate van onzekerheid. De raming betreft zowel bedragen die zijn gemoeid met de last onder dwangsom als met de strafbeschikking voor overtredingen. Voor wat betreft de last onder dwangsom ligt het budgettaire effect in de orde van grootte van ten minste € 0,5 miljoen.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de fiscale behandeling van dwangsommen die door de overheid worden betaald. Dwangsommen als bedoeld in afdeling 5.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn in alle gevallen niet aftrekbaar voor overheidslichamen. Dit kan het gevolg zijn van de voorgestelde aftrekbeperking, doordat het overheidslichaam niet belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting of de dwangsom niet toerekenbaar is aan een ondernemingsactiviteit van het overheidslichaam. Ten aanzien van de ontvanger van een door de overheid betaalde dwangsom hangt de fiscale behandeling af van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Dat is voor dwangsommen niet wezenlijk anders dan voor andere inkomsten. Wanneer een dwangsom in de winstsfeer (inkomstenbelasting- of vennootschapsbelasting) wordt ontvangen, zal deze dwangsom conform de normale winstbepalingsregels in de belastingheffing worden begrepen. Het is ook mogelijk dat de ontvanger de dwangsom niet ontvangt in het kader van een belastbare bron van inkomen, waardoor de ontvangst van de dwangsom niet in de belastingheffing wordt begrepen

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de betekenis van het arrest van de Hoge Raad van 15 februari 201953 voor andere uitbetaalde dwangsommen. In de door deze leden aangehaalde procedure ging het om een door een bestuursorgaan verschuldigde dwangsom, waarop het onderhavige wetsvoorstel niet ziet.54 Het Ministerie van Defensie was in die zaak in gebreke gebleven om tijdig op een bezwaar te beslissen en was daardoor een dwangsom verschuldigd aan een militair ambtenaar. Volgens de rechter is er onvoldoende verband met de dienstbetrekking om de dwangsom als loon aan te merken. Wat de gevolgen van dit arrest zijn voor andere individuele gevallen is ter beoordeling aan de inspecteur.

Het kabinet ziet in deze recente rechtspraak geen reden om de regels voor de belastbaarheid van de ontvangst van de in dit wetsvoorstel bedoelde (last onder) dwangsom en daarmee vergelijkbare buitenlandse dwangsommen aan te passen. Voor de ontvangers van andersoortige dwangsommen55 ziet het kabinet ook geen reden de regelgeving aan te passen.

De leden van de fractie van de VVD vragen aan te geven welke dwangsommen voorheen wel aftrekbaar waren en nu niet meer, alsmede of er nog leemtes in de wet zijn. Onder de huidige wetgeving komen in principe alle zakelijke kosten en lasten die verband houden met alle soorten dwangsommen bij het bepalen van de winst in aftrek. Thans wordt voorgesteld dat kosten en lasten die verband houden met dwangsommen56 en daarmee vergelijkbare buitenlandse dwangsommen bij het bepalen van de winst niet in aftrek komen. Het gaat hierbij om verbeurde dwangsommen die voortvloeien uit een bestuursrechtelijke last onder dwangsom die door een bestuursorgaan is opgelegd om een overtreding van wet- of regelgeving geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of te beëindigen, herhaling van een overtreding te voorkomen, dan wel de gevolgen van de overtreding weg te nemen of te beperken. Naar het oordeel van het kabinet zijn er op het punt van de bestuursrechtelijke dwangsommen na aanvaarding van dit wetsvoorstel geen leemtes in de wet. De leden van de fractie van de VVD vragen verder welke vormen van dwangsommen nu nog wel aftrekbaar zijn. In principe zijn de zakelijke kosten en lasten die verband houden met andere dwangsommen dan de hiervoor genoemde bestuursrechtelijke dwangsom bij het bepalen van de winst wel aftrekbaar. Bij zo’n andere dwangsom kan bijvoorbeeld worden gedacht aan dwangsommen die worden verbeurd tussen twee private partijen (een privaatrechtelijke dwangsom).

15. Gevolgen voor bedrijfsleven en burger

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of er cijfers bekend zijn bij het kabinet over de ontwikkeling van het aantal correcties bij de definitieve aanslag, ten opzichte van de voorlopige aanslag, zowel in euro’s als in aantallen en of het kabinet daar inzicht in kan geven over een reeks van jaren vanaf 2010 of 2012 tot heden. De Belastingdienst legt over het algemeen op twee momenten een voorlopige aanslag op. In het lopende belastingjaar op basis van een schatting van de hoeveelheid belasting die iemand moet betalen of terugbetalen en na het indienen van de aangifte inkomstenbelasting. De Belastingdienst brengt geen correcties aan op een voorlopige aanslag maar brengt bij geconstateerde onjuistheden correcties aan op de ingediende aangifte. In onderstaande tabel zijn cijfers opgenomen over het aantal aangebrachte correcties in de jaren 2012 tot en met 2018 in de vorm van navorderingsaanslagen en definitieve aanslagen waarin is afgeweken van de ingediende aangifte. De gegevens over de opbrengsten van de navorderingen en correcties uit deze tabel in euro zijn niet bekend.

Tabel 31: Aantal navorderingen en aangepaste correcties
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Inkomstenbelasting navorderingen

44.800

43.100

61.000

70.100

64.800

61.000

53.000

Inkomstenbelasting correcties op aangiften

166.700

133.200

159.400

172.800

150.500

127.500

118.000

Inkomstenbelasting overige correcties / massaal automatische correcties

348.600

337.400

329.000

383.700

246.800

261.600

134.100

Inkomstenbelasting administratieve correcties

nb

nb

nb

13.600

9.200

7.200

6.000

16. Evaluaties

De leden van de fractie van D66 vragen welke criteria het kabinet hanteert om te bepalen of een maatregel een substantiële beleidswijziging is. Omdat het bepalen of sprake is van een substantiële beleidswijziging57 maatwerk betreft en hiervoor (nog) geen rijksbrede richtlijn geldt, is bezien welke fiscale maatregelen als zodanig kwalificeren. Daarbij is onder andere gekeken naar de financiële gevolgen van een maatregel, of sprake is van een significante beleidswijziging en naar de grootte van de groep die door een maatregel wordt geraakt. De uitkomst van deze weging is in de evaluatieparagraaf van de tot het pakket Belastingplan 2020 behorende wetsvoorstellen opgenomen. Hierbij verdient vermelding dat – los van deze exercitie – voor veel fiscale maatregelen geldt dat deze al in een reguliere evaluatie worden betrokken.

17. Uitvoeringstoetsen Belastingdienst

De leden van de fractie van D66 vragen het kabinet om in te gaan op de toename van de uitvoeringkosten van de Belastingdienst in het licht van de al bestaande wervingsopgave. De wervingsopgave voor de Belastingdienst is groot en zal in de komende periode ook groot blijven. Het aantal extra fte in 2020 dat benodigd is om nader invulling te geven aan het pakket Belastingplan 2020 is op basis van de uitkomsten van de uitvoeringstoetsen toegevoegd aan de wervingsopgave.

De leden van de fractie van D66 vragen of ik voornemens ben om een doenvermogentoets uit te voeren over het gehele pakket Belastingplan 2020. De motie van het Eerste Kamerlid Sent c.s. verzoekt om het pakket Belastingplan voortaan te voorzien van een doenvermogentoets. In mijn moties- en toezeggingenbrief aan de Eerste Kamer van 4 april 2019 en die van 17 september 2019 schreef ik dat ik voor de fiscale wet- en regelgeving nog aan het verkennen ben hoe op een gedegen wijze invulling kan worden gegeven aan een doenvermogentoets.

Ook vragen deze leden of ik voornemens ben om een uitvoeringstoets op te stellen over het gehele pakket Belastingplan 2020 en wat de gevolgen zijn van het pakket Belastingplan 2020 op de ICT-situatie bij de Belastingdienst. Alle individuele maatregelen in het pakket Belastingplan 2020 worden voorzien van een integrale uitvoeringstoets. In het proces van totstandkoming van de toets wordt ook rekening gehouden met stapeling van maatregelen in de Belastingdienst. Daarnaast werk ik aan de ketenplannen van de in de brief over het ICT-portfolioproces genoemde probleemketens. Bij de totstandkoming van die plannen wordt juist gekeken naar de wisselwerking tussen de beleidsagenda van de keten, waaronder wet- en regelgeving, modernisering en onderhoud.

De leden van de fractie van D66 vragen welke beoordeling het huidige toeslagenstelsel zou krijgen in de huidige opzet van de uitvoeringstoets, als deze toeslagen nu voor het eerst zouden worden ingevoerd. Eigenlijk stellen deze leden mij de vraag of we met de kennis van nu 15 jaar geleden hetzelfde besluit hadden genomen. Hoewel deze terechte evaluatievraag zich meer leent voor een debat met uw Kamer over de toekomst van het toeslagenstelsel, wil ik er toch alvast het volgende over zeggen. Het toeslagenstelsel voorziet ruim zes miljoen huishoudens maandelijks van inkomensondersteuning op maat, gebaseerd op hun actuele inkomen, leefsituatie en de kosten van huur, zorgverzekering, kinderen of kinderopvang. Vanuit dit resultaat voor de burgers van Nederland zou het huidige stelsel een goede beoordeling krijgen. Dit neemt niet weg dat de systematiek door haar complexe grondslagen en de aanvullende bepalingen die daar in de loop van de jaren aan toe zijn gevoegd lastig kan uitpakken voor de uitvoering of voor de burger. Dat is ook gebleken in de zogenoemde CAF 11-zaak, waar de menselijke maat uit het oog is verloren en waarover ik met uw Kamer nog uitgebreid in debat ga over de tegemoetkoming aan de getroffen ouders, de lessen en politieke weging die daaruit moeten worden getrokken en hoe dergelijke misstanden naar de toekomst toe kunnen worden voorkomen. Daarnaast wordt ook binnen het IBO Toeslagen gezocht naar verbetering en vereenvoudiging van het stelsel. Dit komt de uitvoering en de burger ten goede.

18. Ramingstoelichtingen bij het pakket Belastingplan 2020 inclusief certificeringsdocument CPB

18.1. Pakket maatregelen inkomstenbelasting

De leden van de fractie van D66 vragen waarom in de raming geen rekening is gehouden met gedragseffecten, behalve bij het verlagen van het toptarief, waarvoor een gedragseffect van 50% geldt. Ook vragen zij waarom er niet meer aandacht is voor gedragseffecten, bijvoorbeeld als het gaat om de arbeidskorting. De leden van de fractie van D66 vragen ook welke criteria worden gebruikt om te bepalen of gedragseffecten wel of niet worden meegenomen en zij vragen waarom er een uitzondering wordt gemaakt voor het toptarief.

Sinds deze kabinetsperiode worden waar dat relevant is bij het budgettaire effect eerste-ordegedragseffecten meegenomen. Het betreft dan directe effecten op de grondslag van de belasting waar de maatregel betrekking op heeft. Bij het toptarief van de inkomstenbelasting is volgens het CPB sprake van zo’n direct effect.58 Naast de eerste-ordegedragseffecten kunnen maatregelen indirecte, macro-economische, effecten hebben. Bij aanpassingen van bijvoorbeeld de andere schijftarieven of de arbeidskorting verandert de koopkracht en daarmee de consumptie en/of leidt de maatregel tot meer/minder werkgelegenheid. Deze effecten vormen geen onderdeel van het eerste-ordegedragseffect, maar maken wel deel uit van de raming van de totale belastingopbrengsten.

18.2. Uitbreiden vrijstellingen voor overheidsondernemingen

De leden van de fractie van D66 vragen of het uitbreiden van de vrijstellingen voor overheidsondernemingen wordt gezien als een lastenverlichting die de collectieve lastendruk verlaagt en/of als een lastenverlichting voor het bedrijfsleven. Deze maatregel leidt tot een lastenverlichting van € 5 miljoen in 2020 en € 1 miljoen vanaf 2021. Deze maatregel afzonderlijk leidt hiermee tot een (zeer beperkte) verlaging van de collectieve lastendruk. Deze maatregel kan worden gezien als een lastenverlichting voor het bedrijfsleven. In principe publiceert het kabinet overigens uit zichzelf geen tabellen met de uitsplitsing van beleidsmatige lasten tussen burgers en bedrijven, omdat dit onderscheid vaak moeilijk te maken is.

18.3. Aanpassen tarief in de vennootschapsbelasting

De leden van de fractie van D66 vragen welke analyse ten grondslag ligt aan de aanname dat voor winsten boven de € 500.000 een gedragseffect van 20% wordt verondersteld. Zij vragen of bij eerdere Vpb-verlagingen ook aangenomen is dat door een lager tarief bedrijven meer geneigd zijn de beslissing te nemen om naar Nederland te komen. Het gedragseffect dat de grondslag van de vennootschapsbelasting daalt bij een tariefsverhoging, is gebaseerd op elasticiteiten uit het CORTAX-model van TAXUD bij de EU. In het 15e rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte, gepubliceerd in 2016, werd het advies gegeven om gedragseffecten mee te nemen in ramingen van fiscale maatregelen. Sindsdien wordt bij tariefsaanpassingen in de vennootschapsbelasting dit gedragseffect meegenomen. Het gedragseffect is met het CPB afgestemd en de raming van de tariefsaanpassing is dan ook door het CPB gecertificeerd. Het gedragseffect geldt zowel bij een tariefsverlaging als bij een tariefsverhoging.

19. Overig

De leden van de fractie van de SP vragen om een zeer spoedige afhandeling van de zaken rondom het onterecht stopzetten van de kinderopvangtoeslag en naar de relatie met andere taken. Ik wil, evenals uw Kamer, de betrokken ouders in de CAF 11-zaak, zo snel mogelijk tegemoetkomen. Op 9 oktober jl. heb ik in een brief aan uw Kamer gemeld dat er op dit moment wordt gewerkt aan het in kaart brengen en het analyseren van alle beschikbaar gekomen informatie naar aanleiding van verzoeken van de Adviescommissie uitvoering toeslagen, de Auditdienst Rijk (ADR) en een Wob-verzoek.59 Op basis van de analyse van al deze informatie wil ik uw Kamer nog in oktober op de hoogte stellen van het totaalbeeld dat hieruit naar voren komt. Ik streef ernaar om dit totaalbeeld te combineren met mijn reactie op het eerste advies van de Adviescommissie dat ik ook in oktober verwacht. Dit tijdpad wordt niet beïnvloed door andere lopende dossiers.

De leden van de fractie van het CDA vragen naar de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet. Voor de beantwoording van deze vraag wil ik verwijzen naar de brief van 8 oktober jl., waarin de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en ik u geïnformeerd hebben over de verdere voortgang van de implementatie van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet.60

De leden van de fractie van het CDA vragen naar het aantal keren dat in het afgelopen jaar de beslagvrije voet is vastgesteld en hoe vaak de beslagvrije voet juist is vastgesteld. Binnen het huidige stelsel is het vaststellen van een juiste hoogte van de beslagvrije voet in te hoge mate afhankelijk van informatie die de schuldenaar zelf moet verstrekken. Het gaat om informatie die deze schuldenaar – zo blijkt uit cijfers – maar moeilijk, en vaak ook niet, weet aan te leveren (zie ook de genoemde brief van 8 oktober 2019). Een beslagvrije voet wordt in ieder geval vastgesteld bij het doen van een loonvordering (artikel 19 Invorderingswet 1990). De Belastingdienst maakt ongeveer 100.000 keer per jaar gebruik van die bevoegdheid.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet reeds in overleg is geweest met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) om gemeenten die de onroerendezaakbelastingen (OZB) voor bijvoorbeeld sportverenigingen of goede doelen willen verlagen tot het tarief dat ook voor woningen geldt, te ondersteunen bij het vaststellen van de juridische kaders waarbinnen deze bevoegdheid kan worden aangewend. Gezien het feit dat de OZB een lokale heffing betreft die is opgenomen in de Gemeentewet, hetgeen onder de beleidsverantwoordelijkheid van de Minister van BZK valt, heb ik mijn collega gevraagd om een update. Zij is in gesprek met de VNG over de gevolgen van artikel 220f, tweede lid, van de Gemeentewet. Recent heeft zij een brief van de VNG ontvangen. Naar aanleiding daarvan zal met elkaar verder worden gesproken.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet bereid is een folder of website te ontwikkelen, zodat in een oogopslag duidelijk is voor bedrijven op welke manieren zij de studerende kinderen van werknemers kunnen ondersteunen. De informatie hierover is opgenomen in het Handboek loonheffingen, zij het niet gebundeld, maar passend in de structuur van dat Handboek. De content die eerder gebundeld, in een actueel bericht was opgenomen op de site van de Belastingdienst zal, indien nodig geactualiseerd, wederom op de website worden geplaatst.

De leden van de fractie van de SGP vragen wat de verwachte gevolgen zijn van het verhogen van het effectieve tarief van de innovatiebox voor het Nederlandse vestigingsklimaat en of deze maatregel ontmoedigt om te innoveren. De leden van de fractie van de PvdA vragen of een analyse is gemaakt waarom het effectieve tarief specifiek in 2021 naar 9% moet worden verhoogd. De voorgestelde wijziging van het effectieve tarief van de innovatiebox van 7% naar 9% per 2021 maakt geen deel uit van het voorliggende pakket Belastingplan 2020. Om die reden is het kabinet voornemens de door de leden van de fractie van de SGP en de PvdA in dit kader gestelde vragen bij de indiening van het wetsvoorstel waarin deze maatregel wordt opgenomen van een antwoord te voorzien.

De leden van de fractie van de PvdA vragen waarom het effectieve tarief van de innovatiebox niet al per 2020 wordt verhoogd en waarom dat tarief niet wordt verhoogd naar bijvoorbeeld 10%. In de augustusbesluitvorming heeft het kabinet besloten tot enkele aanvullende maatregelen die de lasten van burgers verlagen. Deze aanvullende lastenverlichting voor burgers wordt in 2020 gedekt door de verlaging van het (hoogste) vennootschapsbelastingtarief met een jaar uit te stellen. Om deze lastenverlichting voor burgers ook voor de toekomst te financieren, heeft het kabinet daarnaast een aantal grondslagverbredende maatregelen voor bedrijven voorgesteld, waaronder de verhoging van het effectieve tarief van de innovatiebox van 7% naar 9% per 2021. Het betreft derhalve een budgettaire dekkingsmaatregel, waarbij geen aanleiding is voor een eerdere inwerkingtreding dan 2021.

De leden van de fracties van de VVD en D66 vragen naar de invulling van de motie van Weyenberg c.s., waarmee het kabinet werd verzocht om samen met onder andere de aanbieders van zorg- en doelgroepenvervoer de effecten van de afschaffing van de teruggave van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) te monitoren, om maatregelen te nemen als sprake is van onvoorziene effecten en de Kamer hier voor de behandeling van het Pakket Belastingplan 2020 te informeren. De leden van de fractie van de VVD vragen ook in te gaan op de situatie rond het zorgvervoer, wat de stand van zaken is en of het probleem nu is opgelost. Zoals in de beantwoording van de Kamervragen van 12 juli 2019 toegelicht is het niet mogelijk om in 2019 te rapporteren over de effecten van de afschaffing van de BPM-teruggaafregeling voor taxi’s en openbaar vervoer, omdat deze maatregel pas per 1 januari 2020 in werking treedt61. Om het aanbod van zeer zuinige en emissievrije voertuigen in kaart te brengen heeft het Ministerie van Financiën een externe deskundige gevraagd onderzoek te doen naar de beschikbaarheid van deze voertuigen. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage bij deze nota naar aanleiding van verslag opgenomen. In zijn algemeenheid valt over het aanbod van zeer zuinige en emissievrije voertuigen voor het zorg- en doelgroepenvervoer (hierna personen- en rolstoelbussen) het volgende te zeggen.

Op dit moment zijn er circa 14 verschillende modellen van volledig elektrische personen- en rolstoelbussen beschikbaar. Deze elektrische bussen hebben minder rolstoelplaatsen dan de dieselbussen, maximaal twee rolstoelen in plaats van drie. Verwacht wordt dat de ontwikkeling naar emissievrije personen- en rolstoelbussen, die nog niet zo ver is als bij personenauto’s, de komende jaren zal doorzetten.

Het aanbod van volledig elektrische personen- en rolstoelbussen zal de komende paar jaar flink toenemen van 14 naar 23 modellen. Daarmee neemt de keuzevrijheid in het aanbod voor vervoerders ook toe.

Het afschaffen van de bpm-teruggaafregeling is per 1-1-2020 relevant bij de aanschaf van een nieuw voertuig en niet op het bestaande wagenpark. De sector wordt met deze maatregel dan ook niet gedwongen om in één klap al hun auto’s te vervangen. De maatregel biedt wel een prikkel om, op een logisch vervangingsmoment, te kiezen voor een CO2-zuinig voertuig. Het onderzoek laat zien dat voertuigen voor doelgroepenvervoer gemiddeld ongeveer elke 6 tot 10 jaar worden vervangen. Dit betekent dat de sector ruim de tijd heeft om in de komende jaren geleidelijke stappen te zetten richting zeer zuinige en emissievrije voertuigen.

Verder zouden als gevolg van deze belastingmaatregel gedragsreacties onder vervoerders kunnen optreden. Zo kunnen vervoerders ervoor kiezen om langer door te rijden met hun huidige dieselvoertuigen, of juist om hun huidige dieselvoertuigen vervroegd af te schrijven en voor de belastingwijziging nog een nieuwe dieselbus aan te schaffen. Het gedragseffect van langer doorrijden met huidige voertuigen zal naar verwachting in beperkte mate plaatsvinden. De kans op het gedragseffect om vervroegd af te schijven en nieuwe dieselbus aan te schaffen is afhankelijk van de tijd tussen aankondiging en inwerkingtreding van de maatregel.

Mede naar aanleiding van mijn eerder in deze nota al genoemde brief over bouwstenen voor een beter belastingstelstel vragen de leden van de fractie van D66 wanneer het onderzoek van het CPB naar de erf- en schenkbelasting is afgerond. In de brief «Tijdspaden onderzoeken CPB en ADR Schenk- en Erfbelasting» van 14 maart 201962 is aangegeven dat het CPB in het vierde kwartaal van 2019 met een Nederlandstalige, beleidsgerichte publicatie komt over hun onderzoek naar de grondslag van de schenk- en erfbelasting. Deze planning geldt nog steeds.

De leden van de fractie van D66 vragen om een overzicht van het aantal bv’s en het aantal vennootschapsbelastingplichtige bv’s in de jaren 2015, 2016, 2017, 2018 en 2019 en om een inschatting voor de jaren 2020 en 2021. Ook vragen zij naar de gevolgen van de ontwikkelingen ten aanzien van de fiscale eenheid op deze aantallen. Elke bv is verplicht aangifte vennootschapsbelasting te doen. Een bv kan zelfstandig aangifte doen, of gevoegd zijn als dochtermaatschappij in een fiscale eenheid waarbij de moedermaatschappij aangifte doet. In bijgaande tabel staan de aantallen weergegeven.

Tabel 32: Aantal bv's en aantal vennootschapsbelastingplichtige bv's
 

2015

2016

2017

Aantal aangiften/aanslagen

715.516

741.011

746.953

– waarvan fiscale eenheid

101.840

101.092

99.963

Aantal gevoegde dochters

192.009

190.825

188.561

Met betrekking tot de jaren 2018 en 2019 hebben nog niet alle bedrijven aangifte gedaan en daarom zijn deze aantallen nog niet definitief vast te stellen. Voor het aantal aangiften in 2020 en 2021 is geen raming beschikbaar. De ontwikkelingen met betrekking tot de aantallen in de fiscale eenheid zullen sterk samenhangen met de uitwerking van de nieuwe groepsregeling in de vennootschapsbelasting. Overigens is bij de parlementaire behandeling van de Wet spoedreparatie fiscale eenheid aangekondigd dat het streven is om in het najaar 2019 een hoofdlijnenbrief naar de Tweede Kamer te sturen met daarin een schets van de beoogde toekomstige groepsregeling. In dat kader is een keuzedocument voor een nieuwe groepsregeling voor openbare internetconsultatie aangeboden. Op deze internetconsultatie, die liep van 17 juni 2019 tot en met 29 juli 2019, zijn in totaal elf reacties binnengekomen.63 Deze reacties bevatten geen concrete schets van een optie voor een nieuwe groepsregeling. Om met uw Kamer toch een meer fundamenteel debat te kunnen voeren over de voor- en nadelen van de oplossingsrichtingen, zal een schets van de beoogde toekomstige groepsregeling verder moeten worden uitgewerkt. Dat vergt meer tijd dan aanvankelijk ingeschat. Het verzenden van de hoofdlijnenbrief dit najaar is realistisch bezien – mede gezien het wetgevingsprogramma in het najaar van 2019 – daardoor niet haalbaar. Hierbij is mede van belang dat een nieuwe groepsregeling verweven is met vrijwel het gehele systeem van de vennootschapsbelasting. De introductie van een nieuwe groepsregeling is een omvangrijk en ingrijpend traject. Daarom zal voor het tijdpad van de hoofdlijnenbrief zoveel mogelijk worden aangesloten bij het tijdpad van het bouwstenentraject.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het kabinet bekend is met de website www.missingprofits.world. Zij vragen naar de visie van het kabinet op deze cijfers, onder andere het gepresenteerde cijfer dat Duitsland jaarlijks € 20 miljard aan belasting misloopt waarvan 25% door Nederland. De website www.missingprofits.world is gebaseerd op een eerder verschenen working paper «The Missing Profits of Nations».64 Hierin gebruiken de onderzoekers Foreign Affiliates Statistics Data (FATS), macro-economische data om te bepalen wat de omvang is van belastingontwijking over de wereld en tussen verschillende landen. Het meten van de omvang van belastingontwijking is zeer complex, zoals ik in mijn brief van 6 november 2018 uiteengezet heb.65 Ook vereist het veel aannames, die de resultaten kunnen beïnvloeden, zoals het toewijzen van mismatches in de FATS-statistieken als extra winsten aan (onder andere) Nederland. Daarnaast wordt aangenomen dat verschillen in winstgevendheid tussen activiteiten van multinationals in verschillende landen volledig te wijten zijn aan belastingontwijking, terwijl hier juist bij multinationals ook verschillen in kunnen optreden door economische factoren. Ik zet mij actief in tegen het gebruik van Nederland voor doorstroom- en belastingconstructies maar ook tegen de onjuiste reputatie van Nederland als belastingparadijs. Waar Nederland gebruikt wordt in constructies om winsten naar laagbelastende landen door te sluizen grijp ik in met de voorgestelde bronbelasting op renten en royalty’s.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of er al meetbare effecten zijn voor het vestigingsklimaat nu het kabinet besloten heeft de dividendbelasting te behouden. Zij vragen zo ja, welke en zo nee, of het kabinet deze nog wel verwacht en wanneer. Behoud van de dividendbelasting betekent dat het Nederlandse vestigingsklimaat op dit onderdeel hetzelfde blijft, en dat er daarom ook geen meetbare effecten te verwachten zijn.

De leden van de fractie van D66 zijn van mening dat de term man/vrouw-firma als speciale vorm van de vennootschapsfirma niet meer bij deze tijd past en willen voorstellen om deze benaming te moderniseren en vragen om een reactie van het kabinet. De term man/vrouw-firma past naar het oordeel van het kabinet inderdaad niet bij de huidige tijdsgeest. Deze term wordt overigens niet gebruikt in de Wet IB 2001 of het pakket Belastingplan 2020, zodat de wetgeving op dit punt niet hoeft te worden aangepast. Het lijkt het kabinet overigens het meest gepast om de neutrale term «vennootschap onder firma» te gebruiken.

De leden van de fractie van D66 vragen of er in het afgelopen jaar meer zicht is gekomen op welke ondernemers wel of geen gebruik willen gaan maken van de nieuwe kleineondernemersregeling (KOR). Daarnaast vragen deze leden hoe groot de groep ondernemers is die prestaties leveren aan aftrekgerechtigde ondernemers met een omzet van minder van € 20.000. Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval of de nieuwe KOR gunstig of ongunstig uitpakt voor een ondernemer. De verwachting is dat ondernemers die als afnemers aftrekgerechtigde bedrijven hebben geen gebruik maken van de nieuwe KOR. De nieuwe KOR is dan ongunstig vanwege het wegvallen van het recht op vooraftrek. Een dergelijke ondernemer zal dan ook kiezen om de nieuwe KOR niet toe te passen en btw te berekenen aan zijn afnemers, waardoor hij recht op aftrek van voorbelasting behoudt en de btw nergens in de keten blijft hangen. Met name kleine ondernemers met weinig voorbelasting en kleine ondernemers die leveren aan niet-aftrekgerechtigde ondernemers of particulieren zullen financieel voordeel hebben van de nieuwe KOR. De nieuwe KOR betekent in alle gevallen ontheffing van administratieve verplichtingen.

In de memorie van toelichting is aangegeven dat ongeveer 169.000 van de btw-plichtige ondernemers die op dit moment aangifte doen, zullen kiezen voor de nieuwe KOR. Dit aantal van 169.000 is als volgt opgebouwd. De verwachting is dat ongeveer 143.000 van de 244.000 ondernemers die nu in de aangifte de degressieve vermindering van de huidige KOR toepassen (zonder ontheffing), niet zullen opteren voor de nieuwe KOR. Hiervan verrichten ongeveer 71.000 ondernemers B2B-prestaties. Bovenop de groep van 101.000 (het verschil tussen 244.000 en 143.000) ondernemers die de huidige KOR toepassen (zonder ontheffing) wordt een nieuwe groep van 68.000 ondernemers verwacht die wel van de nieuwe KOR gebruik gaat maken. Deze nieuwe groep van 68.000 ondernemers bestaat uit ondernemers die niet van de huidige KOR gebruik konden maken, maar naar verwachting wel gebruik willen maken van de nieuwe KOR. Verder is ervan uitgegaan dat de ondernemers die nu al zijn ontheven zijn van administratieve verplichtingen hiervan ontheven blijven. Op dit moment kunnen ondernemers zich aanmelden voor de nieuwe KOR. Er zijn nog geen nieuwe inzichten welke ondernemers hier wel of geen gebruik van willen maken. Deze gegevens worden meegenomen bij de aangekondigde evaluatie.

De leden van de fractie van D66 vragen om een toelichting op de huidige stand van zaken omtrent de invloed van wet- en regelgeving zoals besproken bij de behandeling van het pakket Belastingplan 2019 op de draf- en rensport. Zij vragen ook op welke wijze de draf- en rensport sindsdien verder is geconsulteerd. Er hebben de afgelopen tijd verschillende gesprekken plaatsgevonden tussen de Stichting Nederlandse Draf- en Rensport (NDR), de Kortebaanbond en ZE-Betting (Runnerz) en de drie meestbetrokken ministeries (Financiën, VWS en Justitie en Veiligheid) als de NDR met NOC*NSF. Deze gesprekken worden gecontinueerd. In deze gesprekken komen verschillende aspecten aan de orde, zoals de hoogte van de verplichte afdracht en de route en hoogte van een eventuele compensatie. Het streven is om de budgettaire inpassing van een compensatie aan de NDR in de voorjaarsnotabesluitvorming te regelen. Daarmee is nog voldoende tijd tot de inwerkingtreding van de wijzigingen in de kansspelbelasting. Dit is namelijk naar verwachting per 1 januari 2021. Ook de sector heeft nog tijd om zich hierop aan te passen.

De leden van de fractie van het CDA constateren dat van de herstelactie op de leenbijstand (hierna compensatieregeling Bbz 2014–2016) tot dusver zeer weinig gebruik is gemaakt. Deze leden vragen of in de polisadministratie zichtbaar of herleidbaar is wie leenbijstand heeft ontvangen in een gegeven jaar en vooral bij wie de leenbijstand omgezet is in een gift op een bepaald moment. Dat is niet het geval. In de gevallen waarin de lening is omgezet in een gift vormt het kwijtgescholden deel van de lening inkomen voor de bijstandsontvanger. Door gemeenten werd dit inkomen in de periode 2014–2016 in het geval van de definitieve berekening van de uitkering tot levensonderhoud Bbz in het algemeen als inkomen uit een bijstandsuitkering beschouwd voor de loonaangifte. Om die reden is in de polisadministratie niet te onderscheiden in welke gevallen de omzetting van de gift in een lening hieraan ten grondslag heeft gelegen. Verstrekte leningen die niet zijn omgezet in een gift zijn als zodanig sowieso niet opgenomen in de loonaangifte en polisadministratie. Verder vragen deze leden of de bereidheid bestaat om alle gemeentes aan te schrijven en te vragen een lijst te geven wie leenbijstand ontvangen heeft in de relevante jaren en om alle mensen die leenbijstand hebben ontvangen persoonlijk aan te schrijven en te wijzen op de mogelijkheid om gebruik te kunnen maken van de compensatieregeling Bbz 2014–2016. Van meet af aan is over de uitvoering van de compensatieregeling aan uw Kamer gemeld, dat het voor de Belastingdienst/Toeslagen niet mogelijk is om vast te stellen welke (ex-)ondernemers in die periode 2014–2016 met terugvordering van toeslagen als gevolg van het omzetten van de leenbijstand in een gift zijn geconfronteerd en dat er om die reden geen andere mogelijkheid is dan dat deze (ex-)ondernemers zich zelf moeten melden bij de Belastingdienst/Toeslagen om in aanmerking te komen voor de compensatieregeling Bbz 2014–2016. Al sinds de aankondiging van de compensatieregeling medio 2018 is er veel moeite gedaan om zowel de in de periode van 2014–2016 getroffen (ex-)ondernemers als gemeenten hierover te informeren (onder andere bekendmaking via Gemeentenieuws, via Divosa, VNG nieuwsberichten en een mailing van het Ministerie van SZW aan ondernemersorganisaties. En 1 juli 2019 hebben vertegenwoordigers van het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst/Toeslagen nog gesproken met vertegenwoordigers van gemeenten in het zogenoemde Uitvoeringspanel over welke extra acties nog mogelijk zouden zijn om de regeling onder de aandacht te brengen van de doelgroep. Tijdens die bespreking bleek dat niet iedere gemeente de noodzaak of wenselijkheid voelt om nog meer actie(s) te ondernemen om (ex)ondernemers die in de periode 2014–2016 te maken hebben gehad met deze problematiek te wijzen op de compensatieregeling Bbz 2014–2016. Een aantal gemeenten gaf expliciet aan dat zij de getroffen ondernemers in hun gemeente al gecompenseerd hadden via de bijzondere bijstand. Voor deze ondernemers geldt dat na een toegekende aanvraag voor compensatie door de Belastingdienst/toeslagen er conform artikel 58 van de Participatiewet een «terugvorderingsreden» ontstaat en de toenmalig verleende bijzondere bijstand door de gemeente weer bij die ondernemers teruggevorderd zou moeten worden. Deze ondernemers schieten dus niets op met de compensatieregeling. In de beantwoording van eerdere vragen over de mogelijke redenen van het relatief geringe beroep op de compensatieregeling Bbz 2014–2016 is, naast bovenvermelde mogelijke oorzaak en onbekendheid met de compensatieregeling, gewezen op de mogelijkheid dat de raming van het aantal getroffen ondernemers in die periode is overschat. Er is nog een mogelijke oorzaak te noemen en dat is dat (ex-)ondernemers wel bekend zijn met het bestaan van de regeling, maar er geen beroep op (willen) doen, omdat zij deze periode hebben afgesloten omdat zij er inmiddels financieel weer bovenop zijn. In het licht van alles wat sinds medio 2018 al is gedaan om bekendheid aan deze compensatieregeling te geven ben ik niet voornemens om de acties te ondernemen die de leden van de fractie van het CDA vragen.

Commentaren

De leden van de fractie van D66 vragen het kabinet ten slotte om een reactie op de aanvullende vragen van de NOB, het RB en Tax Justice Nederland, bijvoorbeeld zoals geuit tijdens het rondetafelgesprek over de implementatie van tweede Europese richtlijn tegen belastingontwijking (ATAD2). Op de vragen van de NOB en de RB is al uitgebreid ingegaan in de nota naar aanleiding van het verslag van het implementatiewetsvoorstel ATAD2. Tax Justice heeft in het rondetafelgesprek over de implementatie van ATAD2 haar bezorgdheid geuit over het omzetten van hybride structuren in andere structuren. Hierover hebben de leden van de fracties van het CDA en GroenLinks eveneens vragen gesteld. Ik verwijs voor mijn reactie hierop dan ook naar de antwoorden op de desbetreffende vragen van deze leden.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het kabinet kan toezeggen dat het kabinet volgend jaar geen andere definities meer hanteert dan het CPB voor de beleidsmatige lastenontwikkeling. Het kabinet onderkent dat de huidige presentatie van de lastenontwikkeling complex is door onder meer een verschil in definities en is daarom in gesprek met het CPB om te komen tot verdere harmonisatie van de definities van de beleidsmatige lasten. De intentie is om zo snel mogelijk de harmonisatie af te ronden. Omdat het een complexe en technische opgave is om de verschillen tussen de definities van de beleidsmatige lastenontwikkeling te elimineren kan het kabinet echter geen toezegging doen of en wanneer sprake zal zijn van een geharmoniseerde definitie.

De leden van de fractie van 50PLUS vragen of het kabinet het beeld deelt zoals geschetst in tabel 3.8 van de Macro Economische Verkenning (MEV), waaruit volgens deze leden blijkt dat de lastenverlichting in 2020 nagenoeg even groot is als de lastenverzwaring in 2019 en zo nee, waarom niet. De beleidsmatige lastenontwikkeling van het CPB en de boeking van lastenmaatregelen in het inkomstenkader van het Ministerie van Financiën wijken van elkaar af. Deze afwijkingen zijn het gevolg van ramings- en definitieverschillen. Zo wordt de beleidsmatige lastenontwikkeling-indicator (BLO) van het CPB uitgedrukt in cijfers op EMU-basis. Hierbij worden kasontvangsten van belastingen en premies met behulp van de EMU-richtlijnen gerelateerd aan de periode waarin de economische activiteit plaatsvond. Bij de lastenontwikkeling in het inkomstenkader vindt deze toedeling plaats aan de hand van de richtlijnen uit de begrotingsregels. Wanneer beleidsmaatregelen met vertraging effect hebben op de EMU(kas)ontvangsten door de duur van aangifte- en aanslagprocessen, zoals in de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting, kan dit tot verschillen leiden. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de belangrijkste afwijkingen tussen de BLO zoals gerapporteerd in de MEV 2020 en de beleidsmatige lastenontwikkeling die volgt uit het inkomstenkader van het Ministerie van Financiën bij de Miljoenennota 2020. Volgens de definitie van de BLO zoals het kabinet die rapporteert is het dus niet zo dat de lastenverlichting in 2020 even groot is als de lastenverzwaring in 2019 (want in deze definitie is er in 2019 sprake van een lastenverzwaring van € 3,8 miljard en in 2020 sprake van een lastenverlichting van € 2,0 miljard). U vindt een gedetailleerde beschrijving van de aansluiting tussen de lastenontwikkeling van het CPB en het Ministerie van Financiën op de website van het CPB.66

De leden van de fractie van 50PLUS vragen hoe het budgettaire effect van de wetsvoorstellen in het pakket Belastingplan 2020 zich verhoudt tot de door het kabinet gecommuniceerde lastenverlichting in 2020. De € 57 miljoen lastenverlichting van het pakket Belastingplan 2020 betreft het budgettaire effect van de zes wetsvoorstellen van het pakket Belastingplan 2020. De door het kabinet gecommuniceerde beleidsmatige lastenverlichting 2020 bedraagt € 2 miljard. Dit is de som van alle beleidsmatige mutaties in 2020 volgens de definitie van het inkomstenkader. Dit omvat daarmee ook de al eerder in wetgeving omgezette maatregelen van dit en voorgaande kabinetten en de ontwikkeling van de zorgpremies. De beleidsmatige lasten zijn in de periode tussen de Miljoenennota 2019 en de Miljoenennota 2020 voor het jaar 2020 met € 1 miljard gedaald. De reden dat deze lastenverlichting niet zichtbaar is in de budgettaire effecten van de maatregelen in het pakket Belastingplan 2020 heeft voor een belangrijk deel te maken van de meer dan € 1 miljard lager geraamde zorgpremies in 2020. Dit is weliswaar geen effect dat in deze wetgeving is neergelegd, maar wel relevant voor de beleidsmatige lastenontwikkeling.

De leden van de fractie van de VVD vragen welk deel van de lastenverlichting uit het saldo wordt gehaald. Het Klimaatakkoord, het Pensioenakkoord en het lastenverlichtingspakket huishoudens augustus leiden tot additionele uit het EMU-saldo gehaalde lastenverlichting binnen deze kabinetsperiode. In totaal is er in de periode tussen de Miljoenennota 2019 en de Miljoenennota 2020 binnen deze kabinetsperiode additioneel voor € 2,3 miljard lastenverlichting uit het EMU-saldo gehaald (zie onderstaande tabel), waarvoor het kader is gecorrigeerd. Deze kadercorrecties zijn gepaard gegaan met hervormingen: het Klimaatakkoord, het Pensioenakkoord en een hervorming binnen het zogenoemde zzp-dossier.

Tabel 33: Lastenverlichting in mutaties in miljarden euro's
 

2018

2019

2020

2021

2018–2021

Additionele lastenverlichting tussen Miljoenennota 2019 en 2020 (uit EMU-saldo)

0,0

0,0

– 1,0

– 1,3

– 2,3

De leden van de fractie van de PvdA vragen of het gegeven de budgettaire gevolgen van het Belastingplan en de staat van de overheidsfinanciën mogelijk is om meer maatregelen te nemen die de koopkracht ten goede komen. Het kabinet heeft bij de Miljoenennota 2020 additionele maatregelen genomen om de lasten voor huishoudens te verlichten en binnen de grenzen van de preventieve arm van het stabiliteits- en groeipact te blijven. Hiervoor is eenmalig het kader gecorrigeerd, mede in samenhang met hervormingen. In totaal nemen de beleidsmatige lasten voor huishoudens in 2020 met € 3,7 miljard af. Het kabinet vindt dat hiermee een evenwichtig en positief koopkrachtbeeld is ontstaan en ziet daarom geen aanleiding voor aanvullende maatregelen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom niet is gekozen voor een budgetneutrale verschuiving, mede gezien eerdere hervormingsadviezen en de in gang gezette bouwstenen. Het kabinet heeft er met het lastenverlichtingspakket voor huishoudens bewust voor gekozen om de lasten van huishoudens te verlichten door de lasten voor bedrijven te verhogen en een deel van de lastenverlichting uit het EMU-saldo te halen. Deze lastenverlichting is gepaard gegaan met een geleidelijke verlaging van de zelfstandigenaftrek. Dit betreft een maatregel die in lijn ligt met het advies van het IBO-ZZP. Met deze maatregel wordt de fiscale behandeling tussen werkenden en zelfstandigen meer in evenwicht gebracht. Daarnaast heeft het kabinet bewust € 0,6 miljard structureel ruimte gereserveerd voor verdere stappen op weg naar een toekomstbestendige arbeidsmarkt, bijvoorbeeld in reactie op de Commissie Regulering van werk. De Commissie Regulering van werk is gevraagd om aanbevelingen te doen voor een fundamentele stap naar een toekomstbestendige arbeidsmarkt.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of de splitsing tussen burgers en bedrijven extern gevalideerd is, door bijvoorbeeld het CPB. Zoals de leden van de fractie van GroenLinks zelf al opmerken, heeft het kabinet al aangegeven dat het hier een grove inschatting betreft, omdat lastig is vast te stellen hoe lasten precies worden afgewenteld. In principe publiceert het kabinet uit zichzelf dan ook geen tabellen met de uitsplitsing van beleidsmatige lasten tussen burgers en bedrijven. Deze onderverdeling is niet extern gevalideerd door het CPB. Het CPB hanteert namelijk een andere onderverdeling (tussen burgers, bedrijven en buitenland). Zoals hiervoor al aangegeven is het Ministerie van Financiën met het CPB in gesprek om tot een nieuwe gezamenlijke definitie van de beleidsmatige lastenontwikkeling te komen. In het kader hiervan wordt ook gekeken of het mogelijk is een gezamenlijke onderverdeling te hanteren tussen burgers en bedrijven (en mogelijk buitenland)

Youngtimerregeling

De leden van de fractie van D66 hebben een aantal vragen gesteld over de bijtelling voor auto’s van de zaak ouder dan 15 jaar. Zo vragen deze leden waarom het kabinet kiest voor een afwijking van de algemene bijtelling voor deze oudere meer vervuilende auto’s, voor welk deel van deze auto’s als gevolg daarvan geldt dat de bijtelling lager is dan bij toepassing van de algemene bijtelling en of kan worden uitgesloten dat de huidige wijze van bijtelling gemiddeld genomen niet (langer) overeenkomt met het genoten privévoordeel. Het voor privédoeleinden gebruiken van een ter beschikking gestelde auto vormt loon in natura. Dat loon in natura wordt belast en de omvang van het loon wordt bepaald aan de hand van een forfait, kortweg de bijtelling.67 Voor auto’s die meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen, wordt het voordeel in beginsel gesteld op 35% van de waarde in het economisch verkeer (de zogenoemde youngtimerregeling).68 Voor auto’s die niet eerder dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen wordt het voordeel in beginsel gesteld op 22% of 25% van de cataloguswaarde. De bijtelling voor het privégebruik van de ter beschikking gestelde auto betreft steeds een forfaitaire benadering van het genoten privévoordeel. Voor auto’s die meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen, geldt om twee redenen een afwijkende bijtelling. Ten eerste wordt op deze wijze rekening gehouden met de omstandigheid dat bij een oudere, meer afgeschreven auto sprake is van een geringer genoten voordeel. Tegelijkertijd wordt op deze wijze rekening gehouden met de omstandigheid dat een deel van deze auto’s vaak een oude en daarmee relatief lage cataloguswaarde heeft, terwijl zij in optimale staat verkeert en zeer exclusief is. Met de afwijkende bijtelling wordt zowel voor meer afgeschreven auto’s als voor oude auto’s die in optimale staat verkeren door bijvoorbeeld restauratie dus (nog steeds forfaitair) beter aangesloten bij het genoten privévoordeel. Daarmee wordt dus, anders dan wel wordt verondersteld, geen fiscaal voordeel beoogd.

De leden van de fractie van D66 vragen in hoeverre de genoemde regeling prikkelt tot de keuze voor een oudere, meer vervuilende auto. Bij de keuze voor een auto van de zaak speelt een veelheid aan factoren een rol. Daarbij moet men denken aan het doel van de auto (personenvervoer, goederenvervoer, mobiliteit van uitsluitend de berijder enzovoorts), verwachte kilometrage, budget en financiering van alle met de auto samenhangende kosten (vaste kosten en variabele kosten), veiligheid en betrouwbaarheid van de auto (risico op uitval). Indien het een auto betreft die de IB-ondernemer of dga zelf ook voor privégebruik ter beschikking staat, zal bij de keuze voor de auto ook de hoogte van die bijtelling meespelen en deze kan lager zijn indien het een auto betreft die ouder is dan 15 jaar. Het is overigens niet zo dat voor alle auto’s die ouder zijn dan 15 jaar geldt dat de bijtelling lager is dan wanneer de genoemde regeling niet van toepassing zou zijn. Zoals hiervoor geschetst is het zeer waarschijnlijk dat de bijtelling voor de oude, gerestaureerde auto’s die in optimale staat verkeren als gevolg van de zogenoemde youngtimerregeling hoger uitvalt dan de algemene bijtelling omdat de waarde in het economisch verkeer bij de echte gerestaureerde oldtimer vele malen hoger kan zijn dan de oorspronkelijke catalogusprijs van mogelijk 30 of 40 jaar geleden.

De leden van de fractie van D66 vragen een verklaring hoe het kan dat het gebruik van youngtimers met ongeveer 40% gestegen is in 2016 ten opzichte van 2014. Het aantal auto’s ouder dan 15 jaar bij IB-ondernemers is gestegen van 10.410 in 2014 naar 13.903 in 2016. Een duidelijke verklaring voor deze toename is niet te geven. Wel blijkt dat de toename vooral zichtbaar is bij auto’s met een leeftijd tussen de 15 en 20 jaar.

De leden van de fractie van D66 vragen hoe hoog het budgettair beslag is van de zogenoemde youngtimerregeling. Het budgettaire belang van de bijtelling voor deze groep auto’s bedroeg in 2016 ongeveer € 5 miljoen.

De leden van de fractie van D66 verwijzen naar mijn eerder gegeven antwoorden op vragen van de heer Van Weyenberg waarin ik had aangegeven dat er met de zogenoemde youngtimerregeling geen fiscaal voordeel en evenmin een prikkel tot het gebruik van auto’s die ouder zijn dan 15 jaar is beoogd.69 Zij vragen of dit wel een onbedoeld gevolg is van deze regeling en of dit onbedoelde effect niet voorkomen zou moeten worden. Deze leden vragen ook of deze regeling niet zou moeten worden afgeschaft mede omdat ik in die eerdere antwoorden heb aangegeven dat oudere auto’s gemiddeld genomen minder zuinig zijn en meer fijnstof uitstoten dan nieuwe alternatieven. Met de genoemde regeling wordt zoals hiervoor aangegeven, beoogd beter aan te sluiten bij het voordeel dat wordt genoten als gevolg van het voor privédoeleinden ter beschikking hebben van een auto van de zaak. Het is niet reëel om bij een auto van (stel) 16 jaar ervan uit te gaan dat het voordeel gelijk is aan het voordeel van een auto van (stel) drie jaar, net als dat het niet reëel is om uit te gaan van de catalogusprijs voor een klassieke volledig gerestaureerde auto waarvan de waarde in het economische verkeer waarschijnlijk vele malen hoger is. Ik deel de mening van deze leden dat het calculerende gedrag dat deze regeling kennelijk ook met zich brengt – waar de door deze leden genoemde websites van getuigen – niet bedoeld is. Wel past de kanttekening dat er geen inzicht bestaat in de verhouding tussen auto’s die ouder zijn dan 15 jaar die al eerder in bezit van de zaak waren en auto’s die ouder zijn dan 15 jaar die bewust pas zijn aangeschaft omdat ze ouder dan 15 jaar zijn. Vooral bij ondernemers die weinig kilometers afleggen voor de zaak en privé, is het voorstelbaar dat zij hun auto «oprijden». Afschaffing van de genoemde regeling zou ten algemene met zich brengen dat auto’s van de zaak die ouder zijn dan 15 jaar zonder meer in de algemene bijtelling zouden vallen op basis van de catalogusprijs met een bijtellingspercentage van 25%.70 Zoals hiervoor al betoogd zal zo’n bijtelling in een aantal gevallen te hoog zijn en in een aantal gevallen bij bijvoorbeeld gerestaureerde klassiekers te laag. Daarmee wordt dan afgeweken van het uitgangspunt dat (weliswaar forfaitair) zoveel mogelijk het werkelijk genoten voordeel moet worden belast. Aanpassing van de regeling, bijvoorbeeld door een verhoging van de grens van 15 jaar, heeft die nadelen in mindere mate. Het zorgt er in ieder geval voor dat voor gerestaureerde klassiekers nog steeds wordt aangesloten bij de meer reële hogere waarde economisch verkeer.

De leden van de fractie van D66 vragen waarom voor de waarde van een auto die ouder is dan 15 jaar niet wordt aangesloten bij een percentage van de oorspronkelijke catalogusprijs. Dat zou inderdaad een optie kunnen zijn, maar heeft tegelijkertijd het nadeel dat voor de hiervoor genoemde in goede staat verkerende klassieker, voorbij wordt gegaan aan het feit dat de waarde in het economisch verkeer voor zo’n voertuig zeer waarschijnlijk (aanzienlijk) hoger is dan de oorspronkelijke cataloguswaarde. Een percentage van die catalogusprijs zou dan voor een klassieker tot een veel lagere bijtelling leiden dan bij de huidige regeling het geval is.

De leden van de fractie van D66 vragen of is overwogen de grens te verplaatsen van 15 jaar naar 20 of 30 jaar en wat de effecten van een dergelijke aanpassing zouden zijn. Het kabinet heeft niet overwogen de grens te verplaatsen en ook geen voorstellen daartoe ingediend. In 2008 is in uw Kamer een amendement op het wetsvoorstel Belastingplan 2009 aangenomen waarin (onder andere) de grens werd verhoogd van 15 jaar naar 25 jaar.71 Voordat deze wijziging met ingang van 1 januari 2010 in werking zou treden is dit bij amendement op het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2010 teruggedraaid en is daarvoor in de plaats het percentage van de bijtelling verhoogd van (toen) 25% naar 35%.72 Het is moeilijk aan te geven wat de effecten zouden zijn van een verhoging van de grens naar 20 of 30 jaar. In het kader van de hiervoor beschreven initiatieven van uw Kamer om te komen tot een verhoging van de grens naar 25 jaar zijn de daarvoor ingeschatte effecten destijds uitgebreid beschreven.73 Toentertijd werd echter geen rekening gehouden met gedragseffecten; nu gebeurt dat standaard. Een verhoging van de grens naar stel 25 jaar houdt in dat voor alle auto’s tussen de 15 en 25 jaar de algemene bijtelling gaat gelden van 25% over de catalogusprijs. Dat zal in het algemeen leiden tot een (fors) hogere bijtelling met (forse) financiële effecten voor personen aan wie de auto (ook voor) voor privédoeleinden ter beschikking staat. Naar verwachting zal dit tot substantiële gedragseffecten leiden. De groep waar het gebruik van auto’s van de zaak die ouder zijn dan 15 jaar naar verwachting het grootst is, betreft ondernemers. Waar de ondernemer de mogelijkheid heeft, zal hij waarschijnlijk de betreffende auto naar privé overbrengen. Het aantal auto’s tussen de 15 en 25 jaar dat onder de bijtelling valt, zal daardoor dus afnemen. Het is echter de vraag of deze auto daarmee ook uit het straatbeeld verdwijnt.

De leden van de fractie van D66 vragen om een reactie op de stelling dat de Belastingdienst ondernemers de mogelijkheid geeft om met minder zuinige meer vervuilende auto’s die ouder zijn dan vijftien jaar zakelijk te rijden en daarbij alle kosten zoals afschrijving, brandstof, onderhoud, verzekering en wegenbelasting als bedrijfskosten af te trekken van de te betalen belasting. Deze leden vragen ook of er een maximum bestaat ten aanzien van de aftrekbare kosten en of het kabinet overweegt een maximum te stellen aan deze aftrekbare kosten, bijvoorbeeld maximaal het bedrag van de te betalen bijtelling. Ten eerste merk ik op dat de Belastingdienst toeziet op de naleving van de wettelijke mogelijkheden die belastingplichtigen worden geboden. De kosten van een auto van de zaak komen volgens de wettelijke winstbepalingen ten laste van de winst. Dit is slechts anders indien in de wet een uitzondering of verbijzondering zou worden gemaakt. Wanneer het zakelijke karakter van de kosten is vastgesteld, mag de Belastingdienst de hoogte van de uitgaven slechts marginaal toetsen. Concreet betekent dit dat kosten alleen dan niet in aftrek worden toegestaan wanneer een redelijk denkend ondernemer deze niet in aftrek zou hebben gebracht. Het kabinet overweegt niet een wijziging voor te stellen met betrekking tot het maximaal in aftrek te brengen bedrag aan kosten ten aanzien van mede voor privédoeleinden ter beschikking staande auto’s.

De leden van de fractie van D66 vragen om een nadere toelichting op het gebruik van auto’s die ouder zijn dan 15 jaar door anderen dan IB-ondernemers. Verder vragen deze leden of de bijtelling ter zake van auto’s die ouder zijn dan 15 jaar anders uitpakt voor IB-ondernemers dan voor anderen en waarin de verschillen zitten. De verwachting is dat het gebruik van auto’s van de zaak die ouder zijn dan 15 jaar met name voorkomt bij de IB-ondernemer en de dga. Het valt niet te verwachten dat veel (andere) werknemers een auto van de zaak die ouder is dan 15 jaar tot hun beschikking hebben voor privégebruik. Het antwoord op de vraag van deze leden of de regeling die geldt voor auto’s van de zaak die ouder zijn dan 15 jaar anders uitpakt voor IB-ondernemers dan voor anderen luidt ontkennend. Relevant is wel dat de IB-ondernemer en de dga in de regel zelf de keuze maken welke auto van de zaak wordt aangeschaft terwijl dat voor een werknemer minder vaak het geval zal zijn.

De leden van de fractie van D66 vragen om een nadere toelichting ten aanzien van de beschrijving in het Handboek Loonheffingen voor de situatie dat er gelijktijdig twee of meer auto’s voor privégebruik ter beschikking staan en in welke mate er gebruik of misbruik wordt gemaakt van deze regeling. Verder vragen deze leden hoe vaak de Belastingdienst gebruikmaakt van het recht om te bepalen dat de werknemer toch over meer dan één auto moet bijtellen. Deze leden vragen ook of er voorbeelden zijn dat het ter beschikking staan van meerdere auto’s, waarvan een of meer ouder zijn dan vijftien jaar, ertoe leidt dat de keuze voor de hoogste cataloguswaarde leidt tot een lagere bijtelling. Tot slot vragen deze leden waarom er op grond van het Handboek Loonheffingen niet automatisch voor wordt gekozen om de hoogste bijtelling van de ter beschikking staande auto’s toe te passen. Het Handboek Loonheffingen biedt werkgevers duidelijkheid en houvast bij de toepassing van de loonheffingen en geeft in dat kader ook informatie over de wetstoepassing voor de situatie dat er gelijktijdig twee of meer auto’s ter beschikking zijn gesteld. Werkgevers dienen deze regels zelf toe te passen. Bij een boekenonderzoek kunnen werkgevers naar hun handelwijze op dit punt bevraagd worden. Met betrekking tot het gelijktijdig ter beschikking stellen van meerdere auto’s aan werknemers merk ik het volgende op. Indien een auto aan een werknemer ter beschikking wordt gesteld, geldt een wettelijk vermoeden dat deze auto ook voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld zodat het privévoordeel door middel van een forfait tot het loon wordt gerekend. Het is vervolgens aan de werknemer om te doen blijken dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt en daarmee het wettelijke vermoeden te weerleggen. Indien meerdere auto’s gelijktijdig ter beschikking worden gesteld aan een werknemer moet per auto worden beoordeeld of de auto ook voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld. Een redelijke wetstoepassing brengt met zich dat de bijtelling ter zake van het privégebruik van meerdere ter beschikking gestelde auto's beperkt kan blijven tot 1 auto als de werknemer bijvoorbeeld alleenstaand is of als in zijn gezin slechts één persoon een rijbewijs heeft. Dit betreft de reguliere wetstoepassing van de wettelijke forfaitaire regeling. In dat geval wordt de bijtelling op het inkomen gebaseerd op de auto met de hoogste cataloguswaarde en daardoor in de regel de hoogste bijtelling. De Belastingdienst beschikt niet over specifieke informatie hoe vaak het voorkomt dat gelijktijdig meer dan een auto – eventueel ouder dan 15 jaar – aan een werknemer ter beschikking wordt gesteld en welke keuze de werknemer maakt voor het gebruik van die auto’s voor privédoeleinden. Deze keuze zal niet alleen worden bepaald door de hoogte van de bijtelling maar ook door zijn eigen voorkeur voor het soort auto.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of de beleidsmatige lastenstijging van bedrijven tussen 2010 en 2021 (van € 15,1 miljard) kan worden uitgesplitst naar type belastingen en of onderscheid tussen de beleidsmatige en endogene ontwikkeling mogelijk is. De definitie van de beleidsmatige lastenontwikkeling zoals gepresenteerd door het kabinet is volgens de definitie van het inkomstenkader. Een uitsplitsing van de beleidsmatige lastenontwikkeling naar belastingsoort is voor de jaren 2010–2017 niet voorhanden.74 Tussen 2018 en 2021 kan de totale beleidsmatige lastenontwikkeling (en dus niet apart van bedrijven) wel worden uitgesplitst naar belastingen. Zie hiervoor onderstaande figuren. Door maatregelen van voorgaande kabinetten en stijging van de zorgpremies (het zogeheten basispad) en door (compensatie) zorgpremies ten tijde van het regeerakkoord zouden de beleidsmatige lasten deze kabinetsperiode toenemen met bijna € 10 miljard. De figuur aan de linkerkant laat zien dat het kabinet de lastendruk met bijna € 9 miljard verlaagt ten opzichte van het basispad in de kabinetsperiode en dat dat vooral volgt uit een verlaging van de loon- en inkomensheffing. Samen met het basispad en de (compensatie) zorgpremies ten tijde van het regeerakkoord leidt dat tot een beleidsmatige lastenverzwaring van € 1,0 miljard deze kabinetsperiode (figuur rechts).

Figuren 13 en 14: Effect kabinetsbeleid op de lastenontwikkeling (links) en de totale lastenontwikkeling 2018–2021, uitgesplitst naar belastingsoorten (effect in miljarden euro’s)

Figuren 13 en 14: Effect kabinetsbeleid op de lastenontwikkeling (links) en de totale lastenontwikkeling 2018–2021, uitgesplitst naar belastingsoorten (effect in miljarden euro’s)

De beleidsmatige lastenontwikkeling (volgens de definitie inkomstenkader) geeft geen endogene effecten weer. Wel kan bij de belastingontvangsten op EMU-basis een onderscheid worden gemaakt tussen de endogene ontwikkeling en beleidseffecten. Dat is door een verschil in definities niet gelijk aan het effect van beleidsmaatregelen in het inkomstenkader. In bijlage 4 van Miljoenennota 2020 wordt de aansluiting gemaakt tussen de beleidsmatige lastenontwikkeling volgens het inkomstenkader en het effect van beleidsmaatregelen op EMU-basis. De onderstaande figuur geeft de cumulatieve endogene ontwikkeling (€ 74 miljard) en het cumulatieve effect van beleidsmaatregelen (€ 21 miljard) vanaf 2010 weer. Over de gehele periode bezien is de endogene ontwikkeling in lijn met de ontwikkeling van het BBP.

Figuur 15: Cumulatieve endogene ontwikkeling en cumulatieve effect van beleidsmaatregelen (in miljarden euro’s op EMU-basis)

Figuur 15: Cumulatieve endogene ontwikkeling en cumulatieve effect van beleidsmaatregelen (in miljarden euro’s op EMU-basis)

De leden van de fractie van D66 vragen of het kabinet specifieker kan aangeven wanneer in 2020 het CBS de nieuwe vermogensstatistieken inclusief pensioenaanspraken kan publiceren. In de kamervragen bij de Miljoenennota 2020 heeft het kabinet aangegeven dat het de bedoeling is dat het CBS in de loop van volgend jaar de nieuwe statistieken publiceert. Omdat dit een ingewikkelde exercitie die het CBS zorgvuldig wil uitvoeren, kan het CBS op dit moment niet specifieker zijn dan dat.

De leden van de factie van de PvdA geven aan dat voor de overdrachtsbelasting met betrekking tot beleggers het Lid Nijboer hier afgelopen jaar een amendement op heeft ingediend, waarop het kabinet aankondigde dit amendement over te nemen. De leden van de PvdA-fractie willen dit amendement opnieuw indienen om het kabinet te verzoeken een uitzondering voor onderlinge overdrachten tussen woningcorporaties in het wetsvoorstel in te richten. Het kabinet heeft uw Kamer in het kader van de motie Dik-Faber/Ronnes75 toegezegd om te verkennen of een differentiatie van de overdrachtsbelasting voor starters en beleggers op een doelmatige, doeltreffende en uitvoerbare wijze mogelijk is. Dit onderzoek is inmiddels gestart en hierin wordt – in lijn met de motie – gekeken naar een gedifferentieerde overdrachtsbelasting, waarbij starters een vrijstelling krijgen en beleggers vanaf de derde woning te maken krijgen met een hoger tarief. Naar verwachting is dit onderzoek eind dit jaar afgerond, daarna zal een kabinetsreactie volgen.

De Staatssecretaris van Financiën, M. Snel

Bijlage I Overzicht van maatregelen, de datum van inwerkingtreding en het moment van evaluatie van alle maatregelen die ingaan per 1 januari 2020, 2021 en 2022

Maatregelen per wetsvoorstel

2020

2021

2022

Evaluatie

Overige opmerkingen

Belastingplan 2020

         

Maatregelen inkomsten- en vennootschapsbelasting

x

x

x

   

Overgangsrecht voor saldolijfrenten van vóór 2001

x

       

Vergroten vrije ruimte werkkostenregeling gericht op het mkb

x

   

2024: monitor aangegeven eindheffing 2015–2022

 

Aanpassen van de werkkostenregeling

x

       

Indexeren van vrijwilligersregeling

x

       

Aanpassen onderwijsvrijstelling

x

     

terugwerkende kracht 2016

Aanpassen vrijstelling voor interne activiteiten en quasi-inbestedingsvrijstelling

x

       

Invoeren minimumkapitaalregel voor banken en verzekeraars

x

   

2027: monitor opbrengst maatregel 2020–2025

 

Heffingsvermindering nieuwbouw en vrijstelling tijdelijke woningen in de verhuurderheffing

x

   

2023: evaluatie tijdelijke vrijstelling tijdelijke woningen; 2025: evaluatie heffingsvermindering nieuwbouw

 

Verlaagd btw-tarief voor elektronische uitgaven.

x

   

2023: evaluatie verlaagde btw-tarief fysieke en elektronische publicaties

 

Aanpassen accijns op tabaksproducten

x

       

Vrijstellingen in de assurantiebelasting

x

       

Vrijstelling voor brede weersverzekering

x

   

2023: evaluatie Brede Weersverzekering

 

Rentevergoeding bij te late terugbetaling Belastingwet BES

x

       

Grensbedragen voor teruggaaf en betalen belasting BES

x

       

Invoeren aftrekuitsluiting dwangsommen

x

       

Wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2020

Aanpassen delegatiebepaling S&O-afdrachtsvermindering

x

       

Uitbreiding van het aantal aanvraagmomenten en aanpassing van het uiterlijke aanvraagmoment S&O-afdrachtvermindering

x

       

Openbaar maken vergrijpboeten opgelegd aan medeplegers die beroeps- of bedrijfsmatig bijstand verleenden

x

       

Aanpassen inkeerregeling

x

       

Aanpassen tonnageregeling

x

       

Aanpassen definitie vaste inrichting in het kader van het MLI

x

       

Herzien van de earningsstrippingbeschikking

x

       

Aanpassen afvalstoffenbelasting

x

       

Gebruik WOZ-waarden door bestuursorganen

x

       

Gebruik WOZ-waarden door derden

x

       

Keuzeregeling elektronisch berichtenverkeer

x

     

gefaseerde invoering (inwerkingtreding bij KB)

Spontane aangifte

x

       

Aanpassen belastingrente vennootschapsbelasting

x

       

Aanpassen belastingrente erfbelasting

x

       

Implementatie WLTP-testmethode in de autogerelateerde belastingen

x

     

per 1 juli 2020 (bpm/IH/LH) en bij KB (mrb)

Benzineauto met compressieontsteking uitzonderen van dieseltoeslag in de bpm

x

       

Aanpassen van de fijnstoftoeslag

x

       

Verstrekken identificerende gegevens door financiële ondernemingen

x

       

Invoeren factuurplicht BCN

x

       

Aanscherpen criteria 0%-tarief ABB voor de categorie «zeer zuinige auto's'

x

       

Gelijkschakelen bewaarplicht voor administratieplichtigen BES

x

       

Indienen van jaarrekening bij BCN

x

       

Aanpassing foutieve verwijzing art. 13d Vpb

x

   

n.v.t.

 

In art. 29h Wet Vpb 1969 wordt «Onze Minister» vervangen door «de inspecteur"

x

   

n.v.t.

 

Wetsvoorstel fiscale maatregelen Klimaatakkoord

     

Stapsgewijze oploop van de bijtelling voor elektrische voertuigen

x

   

2024:

integrale evaluatie mobiliteitsmaatregelen

 

Mrb emissievrije voertuigen en Plug-in Hybride Elektrische Voertuigen

 

x

 

2024:

integrale evaluatie mobiliteitsmaatregelen

 

Bpm emissievrije voertuigen en Plug-in Hybride Elektrische Voertuigen

 

x

 

2024:

integrale evaluatie mobiliteitsmaatregelen

 

Aanpassing van het mrb-tarief voor bestelauto's

 

x

 

2024:

integrale evaluatie mobiliteitsmaatregelen

 

Verhogen accijns op diesel

 

x

 

Onderdeel van integrale evaluatie klimaatbeleid

 

Verschuiving energiebelasting van elektriciteit naar aardgas

x

   

Onderdeel van integrale evaluatie klimaatbeleid

 

Opslag Duurzame Energie en verlaging belastingdeel energierekening huishoudens

x

   

Onderdeel van integrale evaluatie klimaatbeleid

 

Verhogen van het tarief van de overdrachtsbelasting voor niet-woningen.

 

x

 

Onderdeel van integrale evaluatie klimaatbeleid

 

Buitenlands afval in de heffing van afvalstoffenbelasting betrekken

x

   

Onderdeel van integrale evaluatie klimaatbeleid

 

Wet bronbelasting 2021

Invoering van een bronbelasting op renten en royalty’s

 

x

 

Jaarlijkse monitoring financiële stromen

 

Wetsvoorstel afschaffing aftrek scholingsuitgaven

Afschaffing fiscale aftrek scholingsuitgaven

 

x

   

inwerkingtreden bij KB

Wetsvoorstel implementatierichtlijn harmonisatie en vereenvoudiging handelsverkeer tussen lidstaten

Wet implementatie richtlijn harmonisatie en vereenvoudiging handelsverkeer tussen lidstaten

x

     

1/4/20 effectuering opgaafplicht voorraad op afroep

Bijlage II Brutonetto trajecten werknemers, IB-ondernemers en dga’s

Variant: minimumloon, Jaar: 2019
 

Werknemer

IB-ondernemer

Dga

Tot. werkgeverslasten of winst

€ 24.577

€ 24.577

€ 24.577

Pensioen- en VUT-premie werkgever

€ 872

   

AWf-premie (werkloosheid)

€ 742

   

WGF-premie (werkloosheid)

€ 159

   

AoF-premie (arbeidsongeschiktheid)

€ 1.691

   

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

€ 1.433

   

Reservering loondoorbetaling bij ziekte

€ 611

   

Lage inkomensvoordeel

– € 2.000

   

Dga: gedeelte winst (box 2)

   

€ 0

Bruto inkomen

€ 21.069

€ 24.577

€ 24.577

Zelfstandigenaftrek

€ 0

– € 7.280

€ 0

Mkb-winstvrijstelling

€ 0

– € 2.422

€ 0

Overige aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

Pensioen- en VUT-premie werknemer

– € 448

– € 1.320

– € 1.320

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

 

– € 1.691

– € 1.691

Belastbaar inkomen

€ 20.621

€ 11.865

€ 21.566

Inkomstenbelasting schijf 1

€ 1.835

€ 1.068

€ 1.835

Premies volksverzekeringen schijf 1

€ 5.636

€ 3.281

€ 5.636

Inkomstenbelasting schijf 2

€ 25

€ 0

€ 124

Premies volksverzekeringen schijf 2

€ 66

€ 0

€ 327

Inkomstenbelasting schijf 3

€ 0

€ 0

€ 0

Inkomstenbelasting schijf 4

€ 0

€ 0

€ 0

Totaal IB + PVV

€ 7.561

€ 4.348

€ 7.921

Algemene heffingskorting

€ 2.465

€ 2.477

€ 2.416

Arbeidskorting

€ 3.307

€ 3.399

€ 3.399

Totaal kortingen

€ 5.772

€ 5.876

€ 5.815

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (ZZP)

 

€ 676

€ 1.229

Vennootschapsbelasting

   

€ 0

Aanmerkelijkbelangheffing (box 2)

   

€ 0

Totaal overige belastingen

€ 0

€ 676

€ 1.229

Bijtelling aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

Totaal betaalde belasting (incl. PVV)

€ 1.789

€ 676

€ 3.335

Netto inkomen voor toeslagen

€ 18.832

€ 20.890

€ 18.231

Zorgtoeslag

€ 1.189

€ 1.189

€ 1.105

Netto reservering werkloosheid / ziekte

 

– € 756

– € 756

Totaal toeslagen

€ 1.189

€ 433

€ 348

Netto inkomen na toeslagen en reservering

€ 20.021

€ 21.323

€ 18.580

Variant: minimumloon, Jaar: 2020
 

Werknemer

IB-ondernemer

Dga

Tot. werkgeverslasten of winst

€ 25.203

€ 25.203

€ 25.203

Pensioen- en VUT-premie werkgever

€ 924

   

AWf-premie (werkloosheid)

€ 763

   

WGF-premie (werkloosheid)

€ 162

   

AoF-premie (arbeidsongeschiktheid)

€ 1.721

   

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

€ 1.445

   

Reservering loondoorbetaling bij ziekte

€ 625

   

Lage inkomensvoordeel

– € 2.000

   

Dga: gedeelte winst (box 2)

   

€ 0

Bruto inkomen

€ 21.563

€ 25.203

€ 25.203

Zelfstandigenaftrek

€ 0

– € 7.030

€ 0

Mkb-winstvrijstelling

€ 0

– € 2.544

€ 0

Overige aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

Pensioen- en VUT-premie werknemer

– € 475

– € 1.400

– € 1.400

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

 

– € 1.721

– € 1.721

Belastbaar inkomen

€ 21.088

€ 12.509

€ 22.083

Inkomstenbelasting schijf 1

€ 2.009

€ 1.213

€ 2.009

Premies volksverzekeringen schijf 1

€ 5.727

€ 3.459

€ 5.727

Inkomstenbelasting schijf 2

€ 37

€ 0

€ 133

Premies volksverzekeringen schijf 2

€ 104

€ 0

€ 379

Inkomstenbelasting schijf 3

€ 0

€ 0

€ 0

Inkomstenbelasting schijf 4

€ 0

€ 0

€ 0

Totaal IB + PVV

€ 7.876

€ 4.672

€ 8.248

Algemene heffingskorting

€ 2.690

€ 2.711

€ 2.633

Arbeidskorting

€ 3.492

€ 3.657

€ 3.657

Totaal kortingen

€ 6.182

€ 6.368

€ 6.290

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (ZZP)

 

€ 700

€ 1.237

Vennootschapsbelasting

   

€ 0

Aanmerkelijkbelangheffing (box 2)

   

€ 0

Totaal overige belastingen

€ 0

€ 700

€ 1.237

Bijtelling aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

Totaal betaalde belasting (incl. PVV)

€ 1.695

€ 700

€ 3.194

Netto inkomen voor toeslagen

€ 19.393

€ 21.382

€ 18.889

Zorgtoeslag

€ 1.242

€ 1.242

€ 1.156

Netto reservering werkloosheid / ziekte

 

– € 775

– € 775

Totaal toeslagen

€ 1.242

€ 467

€ 381

Netto inkomen na toeslagen en reservering

€ 20.635

€ 21.849

€ 19.269

Variant: minimumloon, Jaar: 2021
 

Werknemer

IB-ondernemer

Dga

Tot. werkgeverslasten of winst

€ 25.893

€ 25.893

€ 25.893

Pensioen- en VUT-premie werkgever

€ 999

   

AWf-premie (werkloosheid)

€ 707

   

WGF-premie (werkloosheid)

€ 166

   

AoF-premie (arbeidsongeschiktheid)

€ 1.801

   

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

€ 1.499

   

Reservering loondoorbetaling bij ziekte

€ 640

   

Lage inkomensvoordeel

– € 2.000

   

Dga: gedeelte winst (box 2)

   

€ 0

Bruto inkomen

€ 22.080

€ 25.893

€ 25.893

Zelfstandigenaftrek

€ 0

– € 6.780

€ 0

Mkb-winstvrijstelling

€ 0

– € 2.676

€ 0

Overige aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

Pensioen- en VUT-premie werknemer

– € 513

– € 1.513

– € 1.513

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

 

– € 1.801

– € 1.801

Belastbaar inkomen

€ 21.567

€ 13.124

€ 22.580

Inkomstenbelasting schijf 1

€ 1.979

€ 1.240

€ 1.979

Premies volksverzekeringen schijf 1

€ 5.790

€ 3.629

€ 5.790

Inkomstenbelasting schijf 2

€ 59

€ 0

€ 155

Premies volksverzekeringen schijf 2

€ 174

€ 0

€ 454

Inkomstenbelasting schijf 3

€ 0

€ 0

€ 0

Inkomstenbelasting schijf 4

€ 0

€ 0

€ 0

Totaal IB + PVV

€ 8.001

€ 4.869

€ 8.377

Algemene heffingskorting

€ 2.763

€ 2.800

€ 2.703

Arbeidskorting

€ 3.658

€ 3.878

€ 3.878

Totaal kortingen

€ 6.421

€ 6.678

€ 6.581

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (ZZP)

 

€ 748

€ 1.287

Vennootschapsbelasting

   

€ 0

Aanmerkelijkbelangheffing (box 2)

   

€ 0

Totaal overige belastingen

€ 0

€ 748

€ 1.287

Bijtelling aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

Totaal betaalde belasting (incl. PVV)

€ 1.580

€ 748

€ 3.083

Netto inkomen voor toeslagen

€ 19.986

€ 21.831

€ 19.497

Zorgtoeslag

€ 1.294

€ 1.294

€ 1.208

Netto reservering werkloosheid / ziekte

 

– € 757

– € 757

Totaal toeslagen

€ 1.294

€ 537

€ 452

Netto inkomen na toeslagen en reservering

€ 21.280

€ 22.368

€ 19.948

Variant: minimumloon, Jaar: 2028
 

Werknemer

IB-ondernemer

Dga

Tot. werkgeverslasten of winst

€ 27.275

€ 27.275

€ 27.275

Pensioen- en VUT-premie werkgever

€ 1.088

   

AWf-premie (werkloosheid)

€ 739

   

WGF-premie (werkloosheid)

€ 174

   

AoF-premie (arbeidsongeschiktheid)

€ 1.889

   

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

€ 1.579

   

Reservering loondoorbetaling bij ziekte

€ 671

   

Lage inkomensvoordeel

– € 2.000

   

Dga: gedeelte winst (box 2)

   

€ 0

Bruto inkomen

€ 23.134

€ 27.275

€ 27.275

Zelfstandigenaftrek

€ 0

– € 5.000

€ 0

Mkb-winstvrijstelling

€ 0

– € 3.118

€ 0

Overige aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

Pensioen- en VUT-premie werknemer

– € 571

– € 1.659

– € 1.659

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

 

– € 1.889

– € 1.889

Belastbaar inkomen

€ 22.563

€ 15.607

€ 23.726

Inkomstenbelasting schijf 1

€ 2.010

€ 1.475

€ 2.010

Premies volksverzekeringen schijf 1

€ 5.883

€ 4.315

€ 5.883

Inkomstenbelasting schijf 2

€ 122

€ 0

€ 232

Premies volksverzekeringen schijf 2

€ 356

€ 0

€ 678

Inkomstenbelasting schijf 3

€ 0

€ 0

€ 0

Inkomstenbelasting schijf 4

€ 0

€ 0

€ 0

Totaal IB + PVV

€ 8.371

€ 5.790

€ 8.802

Algemene heffingskorting

€ 2.775

€ 2.844

€ 2.713

Arbeidskorting

€ 3.908

€ 4.029

€ 4.029

Totaal kortingen

€ 6.683

€ 6.873

€ 6.742

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (ZZP)

 

€ 897

€ 1.364

Vennootschapsbelasting

   

€ 0

Aanmerkelijkbelangheffing (box 2)

   

€ 0

Totaal overige belastingen

€ 0

€ 897

€ 1.364

Bijtelling aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

Totaal betaalde belasting (incl. PVV)

€ 1.687

€ 897

€ 3.424

Netto inkomen voor toeslagen

€ 20.876

€ 22.828

€ 20.301

Zorgtoeslag

€ 1.317

€ 1.329

€ 1.159

Netto reservering werkloosheid / ziekte

 

– € 792

– € 792

Totaal toeslagen

€ 1.317

€ 538

€ 367

Netto inkomen na toeslagen en reservering

€ 22.193

€ 23.366

€ 20.668

Variant: modaal, Jaar: 2019
 

Werknemer

IB-ondernemer

Dga

Tot. werkgeverslasten of winst

€ 45.689

€ 45.689

€ 45.689

Pensioen- en VUT-premie werkgever

€ 2.481

   

AWf-premie (werkloosheid)

€ 1.232

   

WGF-premie (werkloosheid)

€ 263

   

AoF-premie (arbeidsongeschiktheid)

€ 2.806

   

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

€ 2.378

   

Reservering loondoorbetaling bij ziekte

€ 1.030

   

Lage inkomensvoordeel

€ 0

   

Dga: gedeelte winst (box 2)

   

€ 0

Bruto inkomen

€ 35.500

€ 45.689

€ 45.689

Zelfstandigenaftrek

€ 0

– € 7.280

€ 0

Mkb-winstvrijstelling

€ 0

– € 5.377

€ 0

Overige aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

Pensioen- en VUT-premie werknemer

– € 1.286

– € 3.767

– € 3.767

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

 

– € 2.806

– € 2.806

Belastbaar inkomen

€ 34.214

€ 26.459

€ 39.116

Inkomstenbelasting schijf 1

€ 1.835

€ 1.835

€ 1.835

Premies volksverzekeringen schijf 1

€ 5.636

€ 5.636

€ 5.636

Inkomstenbelasting schijf 2

€ 1.445

€ 635

€ 1.454

Premies volksverzekeringen schijf 2

€ 3.824

€ 1.680

€ 3.848

Inkomstenbelasting schijf 3

€ 0

€ 0

€ 1.835

Inkomstenbelasting schijf 4

€ 0

€ 0

€ 0

Totaal IB + PVV

€ 12.740

€ 9.785

€ 14.608

Algemene heffingskorting

€ 1.765

€ 2.164

€ 1.513

Arbeidskorting

€ 3.390

€ 2.701

€ 2.701

Totaal kortingen

€ 5.155

€ 4.866

€ 4.214

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (ZZP)

 

€ 1.508

€ 2.230

Vennootschapsbelasting

   

€ 0

Aanmerkelijkbelangheffing (box 2)

   

€ 0

Totaal overige belastingen

€ 0

€ 1.508

€ 2.230

Bijtelling aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

Totaal betaalde belasting (incl. PVV)

€ 7.585

€ 6.428

€ 12.623

Netto inkomen voor toeslagen

€ 26.629

€ 32.688

€ 26.493

Zorgtoeslag

€ 0

€ 443

€ 0

Netto reservering werkloosheid / ziekte

 

– € 1.262

– € 1.262

Totaal toeslagen

€ 0

– € 819

– € 1.262

Netto inkomen na toeslagen en reservering

€ 26.629

€ 31.869

€ 25.231

Variant: modaal, Jaar: 2020

Werknemer

IB-ondernemer

Dga

Tot. werkgeverslasten of winst

€ 47.022

€ 47.022

€ 47.022

Pensioen- en VUT-premie werkgever

€ 2.650

   

AWf-premie (werkloosheid)

€ 1.271

   

WGF-premie (werkloosheid)

€ 270

   

AoF-premie (arbeidsongeschiktheid)

€ 2.867

   

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

€ 2.406

   

Reservering loondoorbetaling bij ziekte

€ 1.059

   

Lage inkomensvoordeel

€ 0

   

Dga: gedeelte winst (box 2)

   

€ 87

Bruto inkomen

€ 36.500

€ 47.022

€ 46.935

Zelfstandigenaftrek

€ 0

– € 7.030

€ 0

Mkb-winstvrijstelling

€ 0

– € 5.599

€ 0

Overige aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

Pensioen- en VUT-premie werknemer

– € 1.374

– € 4.024

– € 4.024

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

 

– € 2.867

– € 2.867

Belastbaar inkomen

€ 35.126

€ 27.502

€ 40.044

Inkomstenbelasting schijf 1

€ 2.009

€ 2.009

€ 2.009

Premies volksverzekeringen schijf 1

€ 5.727

€ 5.727

€ 5.727

Inkomstenbelasting schijf 2

€ 1.358

€ 659

€ 1.358

Premies volksverzekeringen schijf 2

€ 3.871

€ 1.878

€ 3.871

Inkomstenbelasting schijf 3

€ 154

€ 0

€ 1.992

Inkomstenbelasting schijf 4

€ 0

€ 0

€ 0

Totaal IB + PVV

€ 13.119

€ 10.272

€ 14.957

Algemene heffingskorting

€ 1.893

€ 2.326

€ 1.614

Arbeidskorting

€ 3.811

€ 3.097

€ 3.102

Totaal kortingen

€ 5.704

€ 5.423

€ 4.717

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (ZZP)

 

€ 1.540

€ 2.242

Vennootschapsbelasting

   

€ 14

Aanmerkelijkbelangheffing (box 2)

   

€ 19

Totaal overige belastingen

€ 0

€ 1.540

€ 2.276

Bijtelling aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

Totaal betaalde belasting (incl. PVV)

€ 7.415

€ 6.390

€ 12.516

Netto inkomen voor toeslagen

€ 27.710

€ 33.742

€ 27.616

Zorgtoeslag

€ 0

€ 422

€ 0

Netto reservering werkloosheid / ziekte

 

– € 1.300

– € 1.300

Totaal toeslagen

€ 0

– € 878

– € 1.300

Netto inkomen na toeslagen en reservering

€ 27.710

€ 32.864

€ 26.316

Variant: modaal, Jaar: 2021
 

Werknemer

IB-ondernemer

Dga

Tot. werkgeverslasten of winst

€ 48.435

€ 48.435

€ 48.435

Pensioen- en VUT-premie werkgever

€ 2.879

   

AWf-premie (werkloosheid)

€ 1.181

   

WGF-premie (werkloosheid)

€ 277

   

AoF-premie (arbeidsongeschiktheid)

€ 3.007

   

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

€ 2.503

   

Reservering loondoorbetaling bij ziekte

€ 1.088

   

Lage inkomensvoordeel

€ 0

   

Dga: gedeelte winst (box 2)

   

€ 503

Bruto inkomen

€ 37.500

€ 48.435

€ 47.931

Zelfstandigenaftrek

€ 0

– € 6.780

€ 0

Mkb-winstvrijstelling

€ 0

– € 5.832

€ 0

Overige aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

Pensioen- en VUT-premie werknemer

– € 1.491

– € 4.370

– € 4.370

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

 

– € 3.007

– € 3.007

Belastbaar inkomen

€ 36.009

€ 28.446

€ 40.554

Inkomstenbelasting schijf 1

€ 1.979

€ 1.979

€ 1.979

Premies volksverzekeringen schijf 1

€ 5.790

€ 5.790

€ 5.790

Inkomstenbelasting schijf 2

€ 1.329

€ 709

€ 1.329

Premies volksverzekeringen schijf 2

€ 3.888

€ 2.076

€ 3.888

Inkomstenbelasting schijf 3

€ 375

€ 0

€ 2.061

Inkomstenbelasting schijf 4

€ 0

€ 0

€ 0

Totaal IB + PVV

€ 13.359

€ 10.553

€ 15.046

Algemene heffingskorting

€ 1.913

€ 2.358

€ 1.645

Arbeidskorting

€ 4.139

€ 3.394

€ 3.424

Totaal kortingen

€ 6.052

€ 5.752

€ 5.069

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (ZZP)

 

€ 1.621

€ 2.312

Vennootschapsbelasting

   

€ 76

Aanmerkelijkbelangheffing (box 2)

   

€ 115

Totaal overige belastingen

€ 0

€ 1.621

€ 2.502

Bijtelling aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

Totaal betaalde belasting (incl. PVV)

€ 7.307

€ 6.423

€ 12.478

Netto inkomen voor toeslagen

€ 28.702

€ 34.635

€ 28.579

Zorgtoeslag

€ 0

€ 412

€ 0

Netto reservering werkloosheid / ziekte

 

– € 1.273

– € 1.273

Totaal toeslagen

€ 0

– € 861

– € 1.273

Netto inkomen na toeslagen en reservering

€ 28.702

€ 33.774

€ 27.306

Variant: modaal, Jaar: 2028
 

Werknemer

IB-ondernemer

Dga

Tot. werkgeverslasten of winst

€ 51.118

€ 51.118

€ 51.118

Pensioen- en VUT-premie werkgever

€ 3.120

   

AWf-premie (werkloosheid)

€ 1.240

   

WGF-premie (werkloosheid)

€ 292

   

AoF-premie (arbeidsongeschiktheid)

€ 3.171

   

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

€ 2.650

   

Reservering loondoorbetaling bij ziekte

€ 1.146

   

Lage inkomensvoordeel

€ 0

   

Dga: gedeelte winst (box 2)

   

€ 1.404

Bruto inkomen

€ 39.500

€ 51.118

€ 49.714

Zelfstandigenaftrek

€ 0

– € 5.000

€ 0

Mkb-winstvrijstelling

€ 0

– € 6.456

€ 0

Overige aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

Pensioen- en VUT-premie werknemer

– € 1.636

– € 4.756

– € 4.756

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

 

– € 3.171

– € 3.171

Belastbaar inkomen

€ 37.864

€ 31.734

€ 41.787

Inkomstenbelasting schijf 1

€ 2.010

€ 2.010

€ 2.010

Premies volksverzekeringen schijf 1

€ 5.883

€ 5.883

€ 5.883

Inkomstenbelasting schijf 2

€ 1.337

€ 988

€ 1.337

Premies volksverzekeringen schijf 2

€ 3.911

€ 2.892

€ 3.911

Inkomstenbelasting schijf 3

€ 907

€ 0

€ 2.363

Inkomstenbelasting schijf 4

€ 0

€ 0

€ 0

Totaal IB + PVV

€ 14.047

€ 11.773

€ 15.503

Algemene heffingskorting

€ 1.957

€ 2.285

€ 1.748

Arbeidskorting

€ 4.222

€ 3.426

€ 3.511

Totaal kortingen

€ 6.179

€ 5.711

€ 5.258

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (ZZP)

 

€ 1.825

€ 2.403

Vennootschapsbelasting

   

€ 211

Aanmerkelijkbelangheffing (box 2)

   

€ 321

Totaal overige belastingen

€ 0

€ 1.825

€ 2.934

Bijtelling aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

Totaal betaalde belasting (incl. PVV)

€ 7.868

€ 7.887

€ 13.179

Netto inkomen voor toeslagen

€ 29.995

€ 35.304

€ 30.012

Zorgtoeslag

€ 0

€ 69

€ 0

Netto reservering werkloosheid / ziekte

 

– € 1.338

– € 1.338

Totaal toeslagen

€ 0

– € 1.270

– € 1.338

Netto inkomen na toeslagen en reservering

€ 29.995

€ 34.034

€ 28.673

Variant: 2x modaal, Jaar: 2019
 

Werknemer

IB-ondernemer

Dga

Tot. werkgeverslasten of winst

€ 90.415

€ 90.415

€ 90.415

Pensioen- en VUT-premie werkgever

€ 6.439

   

AWf-premie (werkloosheid)

€ 2.013

   

WGF-premie (werkloosheid)

€ 431

   

AoF-premie (arbeidsongeschiktheid)

€ 4.586

   

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

€ 3.887

   

Reservering loondoorbetaling bij ziekte

€ 2.059

   

Lage inkomensvoordeel

€ 0

   

Dga: gedeelte winst (box 2)

   

€ 23.602

Bruto inkomen

€ 71.000

€ 90.415

€ 66.814

Zelfstandigenaftrek

€ 0

– € 7.280

€ 0

Mkb-winstvrijstelling

€ 0

– € 11.639

€ 0

Overige aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

Pensioen- en VUT-premie werknemer

– € 3.349

– € 9.788

– € 9.788

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

 

– € 4.586

– € 4.586

Belastbaar inkomen

€ 67.651

€ 57.122

€ 52.439

Inkomstenbelasting schijf 1

€ 1.835

€ 1.835

€ 1.835

Premies volksverzekeringen schijf 1

€ 5.636

€ 5.636

€ 5.636

Inkomstenbelasting schijf 2

€ 1.454

€ 1.454

€ 1.454

Premies volksverzekeringen schijf 2

€ 3.848

€ 3.848

€ 3.848

Inkomstenbelasting schijf 3

€ 12.707

€ 8.695

€ 6.911

Inkomstenbelasting schijf 4

€ 0

€ 0

€ 0

Totaal IB + PVV

€ 25.479

€ 21.468

€ 19.684

Algemene heffingskorting

€ 44

€ 586

€ 827

Arbeidskorting

€ 1.384

€ 18

€ 1.434

Totaal kortingen

€ 1.428

€ 604

€ 2.261

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (ZZP)

 

€ 3.188

€ 2.989

Vennootschapsbelasting

   

€ 4.484

Aanmerkelijkbelangheffing (box 2)

   

€ 4.779

Totaal overige belastingen

€ 0

€ 3.188

€ 12.253

Bijtelling aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

Totaal betaalde belasting (incl. PVV)

€ 24.052

€ 24.052

€ 29.676

Netto inkomen voor toeslagen

€ 43.599

€ 51.989

€ 46.365

Zorgtoeslag

€ 0

€ 0

€ 0

Netto reservering werkloosheid / ziekte

 

– € 2.252

– € 2.252

Totaal toeslagen

€ 0

– € 2.252

– € 2.252

Netto inkomen na toeslagen en reservering

€ 43.599

€ 49.738

€ 44.114

Variant: 2x modaal, Jaar: 2020
 

Werknemer

IB-ondernemer

Dga

Tot. werkgeverslasten of winst

€ 93.093

€ 93.093

€ 93.093

Pensioen- en VUT-premie werkgever

€ 6.865

   

AWf-premie (werkloosheid)

€ 2.072

   

WGF-premie (werkloosheid)

€ 441

   

AoF-premie (arbeidsongeschiktheid)

€ 4.674

   

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

€ 3.923

   

Reservering loondoorbetaling bij ziekte

€ 2.117

   

Lage inkomensvoordeel

€ 0

   

Dga: gedeelte winst (box 2)

   

€ 24.729

Bruto inkomen

€ 73.000

€ 93.093

€ 68.364

Zelfstandigenaftrek

€ 0

– € 7.030

€ 0

Mkb-winstvrijstelling

€ 0

– € 12.049

€ 0

Overige aftrekposten

€ 0

€ 0

€ 0

Pensioen- en VUT-premie werknemer

– € 3.572

– € 10.437

– € 10.437

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

 

– € 4.674

– € 4.674

Belastbaar inkomen

€ 69.428

€ 58.903

€ 53.253

Inkomstenbelasting schijf 1

€ 2.009

€ 2.009

€ 2.009

Premies volksverzekeringen schijf 1

€ 5.727

€ 5.727

€ 5.727

Inkomstenbelasting schijf 2

€ 1.358

€ 1.358

€ 1.358

Premies volksverzekeringen schijf 2

€ 3.871

€ 3.871

€ 3.871

Inkomstenbelasting schijf 3

€ 12.622

€ 9.035

€ 6.925

Inkomstenbelasting schijf 4

€ 456

€ 0

€ 0

Totaal IB + PVV

€ 26.043

€ 22.000

€ 19.890

Algemene heffingskorting

€ 0

€ 545

€ 865

Arbeidskorting

€ 1.753

€ 333

€ 1.816

Totaal kortingen

€ 1.753

€ 877

€ 2.682

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW (ZZP)

 

€ 3.208

€ 2.982