Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201534200-IX nr. 1

34 200 IX Jaarverslag en slotwet Ministerie van Financiën en Nationale Schuld 2014

Nr. 1 JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN FINANCIËN (IX) EN NATIONALE SCHULD (IXA)

Aangeboden 20 mei 2015

Aandeel in ontvangsten IX paragraaf 4.1 t/m 4.7 en 5.1 t/m 5.2 (x € 1.000)

Aandeel in ontvangsten IX paragraaf 4.1 t/m 4.7 en 5.1 t/m 5.2 (x € 1.000)

Aandeel in niet-belastingontvangsten IX paragraaf 4.1 t/m 4.7 en 5.1 t/m 5.3 (x € 1.000)

Aandeel in niet-belastingontvangsten IX paragraaf 4.1 t/m 4.7 en 5.1 t/m 5.3 (x € 1.000)

Aandeel in uitgaven IX paragraaf 4.1 t/m 4.7 en 5.1 t/m 5.3 (x € 1.000)

Aandeel in uitgaven IX paragraaf 4.1 t/m 4.7 en 5.1 t/m 5.3 (x € 1.000)

Aandeel in uitgaven Nationale Schuld paragraaf 4.8 en 4.9 (x € 1.000)

Aandeel in uitgaven Nationale Schuld paragraaf 4.8 en 4.9 (x € 1.000)

Aandeel in ontvangsten Nationale Schuld paragraaf 4.8 en 4.9 (x € 1.000)

Aandeel in ontvangsten Nationale Schuld paragraaf 4.8 en 4.9 (x € 1.000)

Inhoudsopgave

A.

ALGEMEEN

6

1.

AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

6

     

2.

LEESWIJZER

8

     

B.

BELEIDSVERSLAG

10

3.

BELEIDSPRIORITEITEN

10

3.1

Ontwikkeling, inzet en effectief beheer van instrumenten in het kader van de krediet- en schuldencrisis.

10

3.2

Samenvatting Nationale Schuld

18

3.3

Verantwoording beleidsprioriteiten

21

3.4

Realisatie beleidsdoorlichtingen

32

3.5

Overzicht risicoregelingen

34

     

4.

BELEIDSARTIKELEN

43

4.1

Belastingen

43

4.2

Financiële Markten

58

4.3

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

62

4.4

Internationale Financiële Betrekkingen

74

4.5

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

81

4.6

BTW-compensatiefonds

87

4.7

Beheer Materiële Activa

90

4.8

Financiering staatsschuld

92

4.9

Kasbeheer

100

     

5.

NIET BELEIDSARTIKELEN

103

5.1

Apparaat kerndepartement

103

5.2

Algemeen

106

5.3

Nominaal en onvoorzien

106

     

6.

BEDRIJFSVOERINGPARAGRAAF

107

     

C.

JAARREKENING

115

7.

VERANTWOORDINGSSTATEN

115

     

8.

SALDIBALANS IXA en IXB

118

     

9.

AGENTSCHAP

137

9.1

Domeinen Roerende Zaken

137

     

10.

TOPINKOMENS

145

     

D.

BIJLAGEN

147

 

BIJLAGE 1: TOEZICHTRELATIES ZBO’s/RWT’s

147

 

BIJLAGE 2: OVERZICHT NIET-FINANCIËLE INFORMATIE OVER INKOOP VAN ADVISEURS EN TIJDELIJK PERSONEEL (INHUUR EXTERNEN)

154

 

BIJLAGE 3: AFGEROND EVALUATIE- EN OVERIG ONDERZOEK

155

 

BIJLAGE 4: STAATSSCHULDFINANCIERING VOLGENS DE BENCHMARK

157

A. ALGEMEEN

1. AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

AAN de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer van de Staten-Generaal

Hierbij bied ik, mede namens de Staatssecretaris van Financiën, het departementale jaarverslag van het Ministerie van Financiën (IX) over het jaar 2014 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Financiën decharge te verlenen over het in het jaar 2014 gevoerde financiële beheer.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Rekenkamer met betrekking tot:

  • a. Het gevoerde financieel beheer en materieelbeheer;

  • b. De ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

  • c. De financiële informatie in het jaarverslag;

  • d. De betrokken saldibalans;

  • e. De totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

  • f. De in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

  • a. Het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2014;

  • b. Het voorstel van de slotwet over 2014 dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • c. Het rapport van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • d. De verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2014 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2014 alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2014 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de minister van Financiën.

2. LEESWIJZER

Algemeen

Het begrotingshoofdstuk IX (Financiën) omvat het beleidsterrein van het Ministerie van Financiën. In het jaarverslag worden de gerealiseerde beleidsdoelen, instrumenten en ingezette middelen ten opzichte van de ontwerpbegroting 2014 verantwoord.

De focus ligt op beleidsmatige hoofdpunten. Waar relevant wordt verwezen naar Kamerstukken. Voor een toelichting op de belastingontvangsten wordt verwezen naar het Financieel Jaarverslag van het Rijk.

De IX-beleidsartikelen (paragrafen 4.1 t/m 4.9) en niet-beleidsartikelen (paragrafen 5.1 t/m 5.3) zijn de volgende:

De beleidsartikelen voor Financiën zijn:

  • 4.1 Belastingen

  • 4.2 Financiële Markten

  • 4.3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector

  • 4.4 Internationale Financiële Betrekkingen

  • 4.5 Exportkredietverzekeringen en investeringsgaranties

  • 4.6 BTW-compensatiefonds

  • 4.7 Beheer Materiële Activa

De beleidsartikelen voor Nationale Schuld zijn

  • 4.8 Financiering staatsschuld

  • 4.9 Kasbeheer

De niet-beleidsartikelen zijn:

  • 5.1 Apparaat Kerndepartement

  • 5.2 Algemeen

  • 5.3 Nominaal en Onvoorzien.

Opbouw van het jaarverslag

Na het deel Algemeen, aanbieding van het jaarverslag/dechargeverlening en leeswijzer, paragrafen 1 en 2, bestaat de kern van het jaarverslag uit het Beleidsverslag (paragrafen 3 t/m 6) en de Jaarrekening (paragrafen 7 t/m 10). Tot slot zijn 4 bijlagen opgenomen.

In paragraaf 3 wordt ingegaan op de kredietcrisis/Europese schuldencrisis, de samenvatting Nationale Schuld en de beleidsprioriteiten uit de beleidsagenda van de ontwerpbegroting IX over 2014. Verder staan nog de overzichten «realisaties beleidsdoorlichtingen» en «garanties en achterborgstellingen» opgenomen.

Paragraaf 4 bevat de beleidsartikelen, bestaande uit 2 paragrafen:

  • De beleidsdoelstelling. In de beleidsmatige (niet-financiële) toelichting wordt, waar relevant, nader ingegaan op de belangrijkste beleidsresultaten en op opmerkelijke verschillen ten opzichte van de ontwerpbegroting;

  • Budgettaire gevolgen van beleid en een financiële toelichting, waarin opmerkelijke verschillen tussen ontwerpbegroting en realisatie worden toegelicht. Dit betreft de toelichting op de verantwoordingsstaat uit de jaarrekening;

In paragraaf 5 komen de niet-beleidsartikelen aan bod. Paragraaf 6 is de bedrijfsvoeringparagraaf. In de bedrijfsvoeringparagraaf wordt verslag gedaan van de opmerkelijke zaken in de bedrijfsvoering, mede gebaseerd op een risico-analyse. De bedrijfsvoeringparagraaf heeft het karakter van een uitzonderingsrapportage, echter alle onderdelen worden verplicht vermeld, ook wanneer zich geen noemenswaardige bevindingen hebben voorgedaan.

De Jaarrekening bestaat uit paragraaf 7 verantwoordingsstaten IXA en IXB, Domeinen Roerende Zaken (DRZ), paragraaf 8 saldibalans IXA en IXB, paragraaf 9 agentschapdienst DRZ en paragraaf 10 Topinkomens.

Bijlage 1 bevat een overzicht van zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) en rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s) waarvoor Financiën beleidsmatig verantwoordelijk is. In bijlage 2 staat informatie betreffende de externe inhuur. Bijlage 3 bevat afgerond evaluatie- en overig onderzoek. Bijlage 4 beschrijft de staatsschuldfinanciering volgens de benchmark.

Het verslag van de Nationale Schuld heeft twee specifieke eigenschappen. De eerste eigenschap is dat de rente-uitgaven en renteontvangsten op transactiebasis worden verantwoord. Met de registratie van rente op transactiebasis voor de Nationale Schuld wordt aangesloten bij de Europese voorschriften van het ESR 2010 (Europees Stelsel van Rekeningen). Het ESR 2010 is de Europese methode om onder meer het EMU-saldo en het geharmoniseerde BNP (Bruto Nationaal Product) als grondslag voor de afdracht van de eigen middelen aan de Europese Unie te berekenen. De tweede eigenschap is dat voor beide artikelen wordt verondersteld dat de aangegane financiële verplichtingen gelijk zijn aan de uitgaven.»

Het beleidsverslag bevat financiële en niet-financiële gegevens. Deze zijn aan verschillende kwaliteitsnormen onderhevig.

Vanwege tussentijdse afrondingen op gehele duizenden, miljoenen of miljarden euro’s kan de som der delen afwijken van het totaal in de tabellen.

In de toelichting bij de budgettaire tabel wordt op bondige wijze ingegaan op opmerkelijke verschillen tussen de ontwerpbegroting en de realisatie in het verslagjaar. Hierbij worden de volgende grensbedragen aangehouden:

  • Uitgaven en niet-belastingontvangsten:

    > 5% van het bedrag van de ontwerpbegroting en > € 2,5 mln.

  • Belastingontvangsten:

    > 5% van bedrag ontwerpbegroting en > € 25 mln.

Als het beleidsmatig wenselijk is, wordt zo nodig ook beneden deze norm een toelichting gegeven. Verder worden de belangrijke posten in de saldibalans toegelicht.

Groeiparagraaf:

Departementen moeten voldoen aan de BIR (Baseline Informatiebeveiliging Rijksdienst). In de bedrijfsvoeringparagraaf worden eventuele uitzonderingen opgenomen.

Naar aanleiding van het WGO d.d. 18 juni 2014 worden van de voltooide transacties in het kader van de krediet/landencrisis de kosten op alle onderdelen zo precies als mogelijk opgenomen.

B. BELEIDSVERSLAG

Vanaf 2009 zijn initiatieven ontplooid om meer focus aan te brengen in de jaarlijkse verantwoordingsstukken en in het Verantwoordingsdebat.

Focusonderwerpen voor de verantwoording over 2014 zijn fraude en decentralisatie.

Financiën is medefondsbeheerder van het gemeente-/provinciefonds (GF/PF) en in die hoedanigheid betrokken bij de budgettaire verhoudingen van het Rijk en de medeoverheden. Op het onderwerp fraude wordt in de bedrijfsvoeringparagraaf nader ingegaan.

3. BELEIDSPRIORITEITEN

In dit beleidsverslag wordt een overzicht gegeven van de maatregelen die door het Ministerie van Financiën zijn genomen bij het bestrijden van de kredietcrisis, de Europese schuldencrisis en het bewaken van de stabiliteit op de financiële markten. Daarnaast wordt in deze paragraaf ingegaan op de voortgang en ontwikkelingen ten aanzien van deze maatregelen. Tevens wordt ingegaan op de beleidsprioriteiten van de ontwerpbegroting van het Ministerie van Financiën voor 2014. In paragraaf 3.2 is een tabel met toelichting opgenomen met daarin per beleidsprioriteit informatie over hoofddoelstelling en prestaties.

3.1 Ontwikkeling, inzet en effectief beheer van instrumenten in het kader van de krediet- en schuldencrisis.

Inleiding

Als gevolg van de kredietcrisis en de Europese schuldencrisis zijn door de Minister van Financiën maatregelen getroffen om de financiële stabiliteit binnen en buiten Nederland te borgen. Deze maatregelen zijn verwerkt in verschillende beleidsartikelen van de begroting van het Ministerie van Financiën. In de tabel hieronder wordt het totaalbeeld van de verschillende maatregelen, de budgettaire consequenties en de vindplaatsen ervan in de jaarverslagen weergegeven. Tevens wordt hierbij ten aanzien van het jaar 2014 ingegaan op de ontwikkelingen en de mate van doelbereiking met betrekking tot deze maatregelen.

In aanvulling hierop wordt in het Financieel Jaarverslag van het Rijk een rijksbreed overzicht van de maatregelen opgenomen.

Tabel 1: De budgettaire gevolgen van de kredietcrisis (x € mln.) 1
   

2008–20122

2013

2014

Bron jaar- verslag:

Afgerond

A. Verwerving Fortis/RFS/AA

         

1

ABN AMRO Group N.V., RFS Holdings N.V. en ASR Nederland N.V.

27.955

27.955

27.955

Saldibalans

Nee

2

Overbruggingskredieten Fortis

44.341

0

0

par. 4.8

 

3

Aflossingen overbruggingskredieten Fortis

– 40.591

0

– 200

par. 4.8

 

4

Stand overbruggingskredieten Fortis (2–3)

3.750

3.750

3.550

Saldibalans

Nee

5

Renteontvangst overbruggingskredieten Fortis

– 1.695

– 103

– 98

par. 4.8

 

6

Dividend ABN AMRO Group

– 250

– 400

– 325

par. 4.3

 

7

Dividend ASR

– 71

– 88

– 99

par. 4.3

 

8

Dividend en repatriëring kapitaal RFS

– 6

0

0

par. 4.3

 
             

Capital Relief Instrument ABN-AMRO (CRI)

         

9

Premieontvangsten uit CRI

– 193

0

0

par. 4.3

 

10

Stand openstaande garanties

0

0

0

Saldibalans

ja

             

Mandatory Convertible Notes ABN-AMRO (MCN)

         

11

Rente-ontvangsten uit MCN’s

– 103

0

0

par. 4.3

 
             

Counter Indemnity ABN-AMRO (garantie)

         

12

Garantieverlening (geëffectueerd)

950

0

– 950

par. 4.3

 

13

Stand openstaande garanties (12)

950

950

0

Saldibalans

ja

14

Premie-ontvangsten uit garantie

– 78

– 26

– 12

par. 4.3

 

Δ Staatsschuld 2014 (nr. 2+3+5 t/m 9+11+14)

29.309

– 617

– 734

   
             

B. Verwerving SNS Reaal

         

15

Kapitaalinjectie SNS Bank

0

1.900

0

par. 4.3

 

16

Stand geïnjecteerd Kapitaal SNS Bank

0

1.900

1.900

Saldibalans

Nee

17

Kapitaalinjectie SNS Reaal Holding N.V.

0

300

0

par. 4.3

 

18

Stand geïnjecteerd kapitaal SNS Reaal Holding N.V.

0

300

300

Saldibalans

Nee

19

Overbruggingskredieten SNS Reaal Holding N.V.

0

1.100

0

par. 4.3

 

20

Stand Overbruggingskredieten SNS Reaal Holding N.V.

0

1.100

1.100

Saldibalans

Nee

21

Rente overbruggingskrediet

0

– 7

– 21

par. 4.3

 

22

Kapitaalinjectie Propertize

0

500

0

par. 4.3

 

23

Stand geïnjecteerd kapitaal Propertize

0

500

500

Saldibalans

Nee

24

Garantie Propertize

0

4.166

– 566

par. 4.3

 

25

Stand verleende garantie Propertize

0

4.166

3.600

Saldibalans

Nee

26

Premieontvangsten garantie Propertize

0

0

– 2

par. 4.3

 

27

Resolutieheffing

0

0

– 1.005

par. 4.1

 

Δ Staatsschuld 2014 (nr. 15+17+19+21+22+26+27)

-

3.793

– 1.028

   
             

C. Kapitaalverstrekkingsfaciliteit (€ 20 mld.)

         

28

Verstrekt kapitaal ING

10.000

0

0

par. 4.3

 

29

Verstrekt kapitaal Aegon

3.000

0

0

par. 4.3

 

30

Verstrekt kapitaal SNS Reaal

750

0

0

par. 4.3

 

31

Aflossing ING

– 7.750

– 750

– 1.500

par. 4.3

 

32

Aflossing Aegon

– 3.000

0

0

par. 4.3

 

33

Aflossing SNS Reaal

– 185

0

0

par. 4.3

 

34

Afboeking uitstaand kapitaal SNS Reaal bij nationalisatie 3

– 565

0

0

Saldibalans

Ja

35

Stand uitstaand kapitaal ING

2.250

1.500

0

Saldibalans

Ja

36

Stand uitstaand kapitaal Aegon

0

0

0

Saldibalans

Ja

37

Stand uitstaand kapitaal SNS Reaal

0

0

0

Saldibalans

Nee

38

Couponrente ING

– 718

– 31

– 90

par. 4.3

 

39

Couponrente Aegon

– 177

0

0

par. 4.3

 

40

Couponrente SNS Reaal

– 38

0

0

par. 4.3

 

41

Repurchase fee ING

– 1.688

– 344

– 660

par. 4.3

 

42

Repurchase fee Aegon

– 910

0

0

par. 4.3

 

43

Repurchase fee SNS Reaal

0

0

0

par. 4.3

 

Δ Staatsschuld 2014 (nr. 28 t/m 33 + 38 t/m 43)

– 716

– 1.125

– 2.250

   
             

D. Back-up faciliteit ING, EUR/USD wisselkoers

 

1,38

1,21

   

44

Funding fee (rente + aflossing)

14.134

4.808

2.778

par. 4.3

 

45

Management fee

178

26

0

par. 4.3

 

46

Incidentele uitgaven

0

19

0

par. 4.3

 

47

Portefeuille ontvangsten (rente + aflossing)

– 13.323

– 4.275

– 4.231

par. 4.3

 

48

Garantiefee

– 390

– 58

0

par. 4.3

 

49

Additionele garantiefee

– 392

– 87

0

par. 4.3

 

50

Additionele fee

– 192

– 35

– 1

par. 4.3

 

51

Verhandelbaarheidsfee

– 15

– 18

– 1

par. 4.3

 

52

Incidentele ontvangst

0

– 379

0

par. 4.3

 
 

Saldo Back-up faciliteit (nr. 44 t/m nr. 52)

– 1

1

– 1.455

   

53

Meerjarenverplichting aan ING

7.655

2.722

0

Saldibalans

Ja

54

Alt-A portefeuille

11.140

4.686

0

Saldibalans

Ja

             

E. Garantiefaciliteit bancaire leningen (€ 200 mld.)

         

55

Garantieverlening (geëffectueerd)

50.275

0

0

par. 4.2

 

56

Afname voorwaardelijke verplichting (zonder uitgaven)

– 33.033

– 7.349

– 9.893

par. 4.2

 

57

Premieontvangsten op basis van garanties bancaire leningen

– 1.119

– 165

– 100

par. 4.2

 

58

Terugbetaling openstaande fees

5

0

0

par. 4.2

 

59

Stand openstaande fees (nr. 55 – 56)

17.242

9.893

0

Saldibalans

Ja

60

Schade-uitkeringen

0

0

0

par. 4.2

 
             

F. Stabiliteitsmechanisme

         

61

Garantieverlening NL-aandeel EU-begroting

2.832

– 42

– 12

par. 4.4

 

62

Stand openstaande garanties (nr. 61)

2.832

2.790

2.778

Saldibalans

Nee

63

Garantieverlening NL-aandeel EFSF

97.782

– 48.142

0

par. 4.4

 

64

Stand openstaande garanties (nr.63)

97.782

49.640

49.640

Saldibalans

Nee

65

Deelneming SPV (EFSF)

2

0

0

par. 4.4

 

66

Stand deelneming SPV (EFSF) (nr. 65)

2

2

2

Saldibalans

Nee

67

Garantieverlening NL-aandeel ESM

35.445

0

0

par. 4.4

 

68

Stand openstaande garanties (nr. 67)

35.445

35.445

35.445

Saldibalans

Nee

69

Deelneming ESM

1.829

1.829

915

par. 4.4

 

70

Stand deelneming ESM

1.829

3.658

4.573

Saldibalans

Nee

             

G. Garantie DNB

         

71

Garantie DNB

13.610

5.700

0

par. 4.3

 

72

Crisisgerelateerde winst4

0

– 905

– 754

par. 4.3

 

73

Stand openstaande garanties (nr. 71)

13.610

19.310

19.310

Saldibalans

Nee

Δ Staatsschuld 2014 (nr. 57+58+60+65+69+72)

717

759

61

   
             

H. IJsland

         

74

Uitkeringen depositogarantiestelsel Icesave

1.428

0

0

par. 4.2

 

75

Uitvoeringskosten IJslandse DGS door DNB

7

0

– 6

par. 4.2

 

76

Vordering op IJslandse DGS

770

721

0

Saldibalans

Ja

77

Opgebouwde rente op vordering

119

143

159

Saldibalans

Nee

78

Correctie n.a.v. nieuw voorgestelde overeenkomst

– 64

0

0

Saldibalans

Ja

79

Ontvangsten lening IJsland (i.) aflossing

– 734

– 77

– 617

par. 4.2

 

80

Ontvangsten lening IJsland (ii.) rente

0

0

0

par. 4.2

 
             

I. Griekenland

         

81

Lening Griekenland

3.198

0

0

par. 4.4

 

82

Vordering Griekenland

3.198

3.198

3.198

Saldibalans

Nee

83

Ontvangsten lening Griekenland (i.) aflossing

0

0

0

par. 4.4

 

84

Ontvangsten lening Griekenland (ii.) rente & servicefee

– 186

– 26

– 14

par. 4.4

 

85

Uitkering rente aan Griekenland

13

139

125

par. 4.4

 

Δ Staatsschuld 2014 (nr. 74+75+79+80+81+83+84+85)

3.727

36

– 512

   
             

Overige gevolgen

         

86

Uitvoeringskosten en inhuur externen

66

8

3

par. 4.3

 

87

Terug te vorderen uitvoeringskosten inhuur externen

3

5

0

Saldibalans

Ja

88

Ontvangen uitvoeringskosten externen

– 24,5

– 3

– 8

par. 4.3

 

Δ Staatsschuld

 

2.847

– 5.918

   

Staatsschuld cumulatief voor renteberekening

33.035

35.882

29.964

   

Berekende rente over gemiddelde staatsschuld5 2014

   

804

   
X Noot
1

Vanwege tussentijdse afronding op gehele miljoenen euro’s kan de som der delen afwijken van het totaal.

X Noot
2

Bij de artikelen is in deze kolom de stand van 2008 t/m 2012 opgenomen. Bij de saldibalansposten de stand ultimo 2012.

X Noot
3

In het kader van de nationalisatie van SNS Reaal in februari 2013 zijn de nog in bezit zijnde core tier 1 securities met een aanschafwaarde van € 565 mln. gewaardeerd op nul, zie ook Kamerstukken II 2012/13, 33 532, nr. 1.

X Noot
4

Crisisgerelateerde winst is gebaseerd op een opgave van DNB, rekening houdend met een uitkeringspercentage van 95%.

X Noot
5

Door de integrale benadering van schuldmanagement – dat wil zeggen: de financieringsbehoefte van de Staat wordt in haar totaliteit gedekt, ongeacht herkomst van financiering – is het lastig om het totaal aan gerealiseerde rentelasten exact uit te splitsen naar «reguliere» rentelasten als gevolg van de kredietcrisis. De rentelasten als gevolg van de toename van de staatsschuld door de getroffen maatregelen zijn benaderd door het gemiddelde aandeel van de crisismaatregelen in de totale gemiddelde staatsschuld over 2014 (conform EMU-definitie) te vermenigvuldigen met de totale rente op staatsschuld in 2014. Deze methode is enigszins grof maar geeft een indicatie van de gemiddeld toerekenbare rentelasten. De meerjarenverplichting van de Staat aan ING wordt niet in deze berekening meegenomen, omdat de rente op deze meerjarenverplichting via de funding fee direct aan ING wordt betaald (zie begrotingshoofdstuk IX, artikel 3). Tegenover deze rentelasten staan ook renteontvangsten (zie tabel).

Toelichting op mutaties:

A. Verwerving Fortis/RFS/AA

ABN Amro heeft met Deutsche Bank, de eigenaar van HBU, een akkoord bereikt om de wederzijdse aansprakelijkheden, die tussen ABN AMRO en HBU waren ontstaan na de afsplitsing van HBU van ABN AMRO, tussen beide partijen te beëindigen. Hiermee is ook de garantie van de staat aan ABN AMRO van € 950 miljoen beëindigd. ABN AMRO heeft de staat over de jaren 2010 t/m 2014 in totaal € 116 miljoen aan premie betaald.

ABN AMRO heeft over het boekjaar 2013, € 200 miljoen aan slotdividend en over boekjaar 2014 een interim-dividend van € 125 miljoen uitgekeerd aan de staat. ASR heeft over het boekjaar 2013, € 99 miljoen aan slotdividend uitgekeerd aan de staat.

B. Verwerving SNS Reaal en oprichting Propertize

In juni 2014 is de Minister van Financiën het verkoopproces gestart om het verzekergedeelte van SNS REAAL N.V., thans Vivat geheten, te vervreemden. Met het starten van de verkoop van Vivat heeft de minister voldaan aan de eisen die de Europese Commissie heeft gesteld aan de nationalisatie van SNS REAAL N.V. In 2014 was dit proces nog gaande. Op maandag 16 februari 2015 heeft de Minister van Financiën bekend gemaakt dat SNS Reaal en Anbang op zaterdag 14 februari een overeenkomst tot koop van Reaal N.V. hebben getekend, nadat de Minister van Financiën had ingestemd met deze voorwaardelijke verkoop. In 2015 zullen nog verschillende vervolgstappen worden gezet die moeten uitwijzen of de verkoop definitief kan plaatsvinden. Het door de staat aan SNS Reaal Holding N.V. bij de nationalisatie verstrekte overbruggingskrediet is in 2014 doorgerold, omdat SNS Reaal Holding in 2014 niet in staat was om zelfstandig in de financiering te voorzien. De staat heeft als vergoeding voor het verstrekte overbruggingskrediet € 21 miljoen aan rente ontvangen.

De staat garandeert de door SNS Propertize aangetrokken schuld. De maximale omvang van deze garantie was inclusief de verschuldigde rente, € 4,16 miljard. De maximale omvang is per jaareinde met € 566 miljoen afgenomen tot € 3,60 miljard.

Bij de nationalisatie van SNS Reaal N.V. is er van de bancaire sector een bijdrage gevraagd in de vorm van een resolutieheffing. Deze heffing is in 2014 door de Belastingdienst geheven bij alle banken waarop het depositogarantiestelsel in 2014 en op 1 februari 2013 van toepassing was. De grondslag voor deze heffing was het totaal aan gegarandeerde deposito’s van deze banken. De peildatum voor het vaststellen van de depositobasis was de datum van de nationalisatie van SNS Reaal N.V., 1 februari 2013. Over deze depositiegrondslag is op 3 momenten (31 maart, 31 mei, 31 juli) in 2014 0,075% geheven. Er is in 2014 een opbrengst van in totaal € 1,005 miljard gerealiseerd.

C. Kapitaalverstrekkingsfaciliteit (20 mld.)

In 2008 heeft ING een kapitaalinjectie van de staat ontvangen van € 10 miljard. Aan het begin van 2014 stond er nog € 1,5 miljard aan hoofdsom en € 750 miljoen aan rente en premies uit. In maart 2014 heeft ING een eerste tranche terugbetaald, van € 1,225 miljard. ING heeft de laatste tranche van € 1,025 miljard die gepland stond voor mei 2015 in november 2014 vervroegd terugbetaald, nadat de Nederlandsche Bank en de Europese Centrale Bank daar toestemming voor hadden gegeven. ING heeft de hoofdsom van € 10 miljard terugbetaald, plus premies en rente betaald van € 3,531 miljard. Er is sprake van een bruto rendement, omdat er geen rekening is gehouden met de rentelasten die de staat heeft gemaakt om de kapitaalinjectie aan ING te kunnen doen.

In het wetgevingsoverleg over het jaarverslag 2013 heeft de Minister van Financiën toegezegd om zo precies mogelijk te laten zien wat de kosten zijn geweest op alle onderdelen op het moment dat er een gerealiseerde opbrengst is. Nu ING de laatste tranche heeft terugbetaald, is het moment daar om ook de kosten van de kapitaalinjectie aan ING, meer specifiek de gemiddeld toerekenbare rentelasten, in kaart te brengen.

De toerekenbare rentelasten voor de staat komen voor de aan ING verstrekte securities over de gehele looptijd (2008 t/m 2014) uit op € 525 miljoen. Hierdoor komt het netto resultaat per 31/12 2014 uit op € 3.006 miljoen positief.

D. Back-up faciliteit ING

In december 2013 heeft een eerste veiling van een deel van de Alt-A portefeuille plaatsgevonden. Begin 2014 hebben de laatste twee veilingen van de Alt-A portefeuille plaatsgevonden en is de lening van ING aan de staat volledig afgelost. Per eind 2014 is het uiteindelijke resultaat op de IABF gelijk aan € 1.455 miljoen (inclusief € 0,4 miljard die was ontvangen van ING ter compensatie van de toekomstige garantiefees) 1.

E. Garantiefaciliteit bancaire leningen (€ 200 mld.)

In oktober 2008 is de garantieregeling van € 200 miljard voor de uitgifte van middellang schuldpapier in het leven geroepen voor banken vanwege een gebrekkig functioneren van de kapitaalmarkt voor middellange termijnfinanciering. Hierdoor konden financiële instellingen die problemen ondervonden bij het aantrekken van financiering op de kapitaalmarkt een beroep doen op de garantieregeling. De openstelling van het garantieloket is twee keer verlengd, voor het laatst op 1 juli 2010 tot en met 31 december 2010.

Per 1 januari 2011 is de garantieregeling bancaire leningen gesloten en konden er geen aanvragen meer worden ingediend. Ultimo 2013 stond er nog een kleine € 10 miljard aan gegarandeerde leningen uit. De laatste gegarandeerde lening is begin december 2014 afgelost. Hiermee is de garantieregeling definitief afgewikkeld. Over de gehele looptijd, 2008 t/m 2014, hebben er geen schade-uitkeringen plaatsgevonden. De staat heeft in totaal € 1,379 miljard aan premie ontvangen.

F. Stabiliteitsmechanisme

Sinds de inwerkingtreding van het ESM in oktober 2012, is het ESM het voornaamste noodfonds. Sinds juli 2013 kunnen de tijdelijke noodfondsen, EFSM en EFSF, geen nieuwe leningen meer aangaan. Het EFSF verstrekt nog wel de reeds toegezegde leningen van Griekenland. Het EFSF en EFSM blijven bestaan totdat de laatste leningen zijn afgelost.

Het ESM heeft in 2014 financiële steun verstrekt aan Cyprus. Portugal heeft in het eerste half jaar van 2014 nog steun ontvangen van het EFSM, EFSF en het IMF en heeft eind mei 2014 het leningenprogramma succesvol verlaten. Griekenland heeft in 2014 financiële steun van het EFSF en het IMF ontvangen. Daarnaast is in december 2014 door de Eurogroep besloten om het EFSF-programma van Griekenland met twee maanden te verlengen tot en met 28 februari 2015, zodat de Griekse regering meer tijd heeft om de nog openstaande maatregelen onder de vijfde voortgangsmissie af te ronden. Op 27 februari 2015 is, op verzoek van de nieuwe Griekse regering, het leningenprogramma van het EFSF nogmaals verlengd met vier maanden tot en met 30 juni 2015. Griekenland is ook begonnen met de aflossing van de IMF-leningen van het eerste leningenprogramma van het IMF. Eind december 2014 had Griekenland in totaal circa € 9,2 miljard afgelost aan IMF-leningen. Spanje en Ierland hebben eind 2013 de leningenprogramma’s succesvol afgerond, er worden geen nieuwe leningen meer verstrekt. Zowel Spanje als Ierland hebben in 2014 al een deel van de leningen vervroegd afgelost. Spanje heeft in juli 2014 al € 1,6 miljard vervroegd afgelost aan het ESM en Ierland heeft in december 2014 al € 9 miljard vervroegd afgelost aan het IMF.

Onderstaand een overzicht van de stand van de uitgekeerde leningen door het EFSF, EFSM, ESM en het IMF aan Ierland, Portugal, Griekenland, Cyprus en Spanje eind 2014.

Tabel: Overzicht uitgekeerde leningen1 (x € mld.) Stand 31-12-2014
 

Totaal gecommitteerd

NL aandeel

Uitstaande leningen

Griekenland 1

     

Bilaterale leningen

52,9

3,2

52,9

IMF

20,1

nvt

11,6

Griekenland 2

     

EFSF

143,6

14,6

141,8

IMF

28,0

nvt

12,2

Ierland

     

EFSF

17,7

1,8

17,7

EFSM

22,5

1,1

22,5

IMF

22,5

nvt

14,1

Bilaterale leningen

4,8

nvt

4,8

Portugal

     

EFSF

26,0

2,6

26,0

EFSM

24,3

1,2

24,3

IMF

26,0

nvt

27,3

Spanje

     

ESM

41,4

nvt

39,8

Cyprus

     

ESM

9,0

nvt

5,7

IMF

1,0

nvt

0,4

X Noot
1

Zie voor de actuele stand over de uitgekeerde tranches ook de website van de Europese Commissie http://ec.europa.eu/economy_finance/eu_borrower/efsm/index_en.htm, de website van het IMF http://www.imf.org/external/country/index.htm, de website van het EFSF: www.efsf.europa.eu en de website van het ESM: www.esm.europa.eu. In deze tabel is gerekend met de wisselkoers ultimo 2014 voor de IMF-leningen.

G. Garantie DNB-winstafdracht

De staat heeft DNB in 2013 een garantie van maximaal € 5,7 miljard verstrekt. Het doel van deze garantie was om het buffervermogen van DNB te versterken. In 2014 hebben er geen schade-uitkeringen plaatsgevonden op de door de staat aan DNB verstrekte garantie. DNB heeft in 2014 € 754 miljoen aan crisisgerelateerde inkomsten uit hoofde van Europese steunoperaties als winst aan de staat uitgekeerd.

H. IJsland

In 2008/2009 heeft De Nederlandsche Bank na het faillissement van Landsbanki een bedrag uitgekeerd van € 1,6 miljard aan de depositohouders. Hiervan namen de Nederlandse banken € 208 miljoen voor hun rekening en de Nederlandse Staat € 1,4 miljard. De resterende vordering is verkocht en voorziet in een opbrengst voor de Nederlandse Staat van circa € 623 miljoen in 2014. Door de verkoop van de hoofdsom bestaat het bedrag op de balans alleen uit de opgebouwde rente van € 158,8 miljoen.

I. Griekenland

In 2010 en 2011 hebben lidstaten van de eurozone bilaterale leningen verstrekt aan Griekenland (Greek Loan Facility). Nederland heeft in totaal 3,2 miljard euro aan leningen verstrekt. De looptijd van de leningen is 30 jaar en er is een aflossingsvrije periode van 10 jaar ingesteld. Griekenland zal daarom in 2020 beginnen met aflossen. Op deze leningen ontvangt Nederland ieder kwartaal rente. Griekenland betaalt momenteel de 3-maands euribor rente plus een renteopslag van 50 basispunten over de bilaterale leningen. Door een lagere rente dan de geraamde CPB rekenrente en de retroactieve correctie van de renteverlaging (zoals door de Eurogroep in december 2012 overeengekomen) zijn de ontvangsten op de Griekse lening lager uitgevallen dan eerder geraamd.

3.2 Samenvatting Nationale Schuld

De Nationale Schuld was aan het eind van 2014 gelijk aan € 379 mld. De rentekosten voor de financiering van de schuld zijn uitgekomen op € 8,6 mld. Dit is € 0,5 mld. lager dan in de begroting 2014 werd geraamd. De belangrijkste oorzaak hiervoor is dat de staat op de uitgegeven leningen lagere tarieven heeft betaald dan waarmee in de begroting rekening werd gehouden.

In het cijfer voor de nationale schuld is de vordering die de Nederlandse Staat heeft op ABN AMRO niet meegeteld. Deze vordering bedraagt eind 2014 nog € 3,6 mld. In de rentekosten op artikel 11 wordt de als gevolg van deze vordering van ABN AMRO ontvangen rente wel meegeteld. Zonder deze renteontvangsten zouden de rentekosten uit zijn gekomen op € 8,7 mld.

Er is sprake van een schuldverhouding tussen de staat en de deelnemende instellingen doordat publieke instellingen deelnemen aan schatkistbankieren. Deze vorderingen van deelnemers op de staat (bij rekening-couranttegoeden en deposito’s) en vorderingen van de staat op de deelnemers (bij leningen en roodstand op de rekening-courant) tellen mee in de interne schuldverhouding. De interne schuldverhouding is ultimo 2014 € 24,6 mld. negatief. Dit houdt dus in dat de staat per saldo een vordering heeft op de deelnemers aan het schatkistbankieren.

Deze netto vordering wordt veroorzaakt doordat er leningen zijn verstrekt aan de deelnemers van schatkistbankieren (€ 11,5 mld.) en doordat het saldo van alle rekeningen-courant van de deelnemers samen ook negatief is (€ 16,2 mld. negatief). Tegenover deze leningen en roodstand staat een vordering van de deelnemers op de staat vanwege de bij de schatkist gestalde deposito’s van € 3,1 mld. positief. De roodstand op de rekeningen-courant komt voornamelijk doordat de sociale fondsen ultimo 2014 gezamenlijk € 27,0 mld. rood stonden op hun rekeningen-courant bij de schatkist.

De interne schuldverhouding is veel lager uitgevallen dan oorspronkelijk (op Prinsjesdag 2013) werd begroot. Dit komt enerzijds doordat decentrale overheden per eind 2013 zijn gaan meedoen aan schatkistbankieren en hier in de begrotingsraming nog geen rekening is gehouden (eind 2014 hielden de decentrale overheden € 7,0 mld. in de schatkist aan). Anderzijds is dit het gevolg van een lager dan geraamd tekort van de sociale fondsen.

Als gevolg van de negatieve interne schuldverhouding zijn ook de daarbij horende rentekosten (artikel 12) € 0,3 mld. negatief. De deelnemers aan het schatkistbankieren betalen dus netto meer rente aan de staat (op leningen en rekening-courantkredieten) dan dat zij van de staat ontvangen (op rekening-couranttegoeden en deposito’s).

Tabel 1: Kerncijfers ontwerpbegroting en realisaties 2014 (in mld. euro's)
 

Realisatie

Vastgestelde

begroting

Verschil

EMU-schuld

451

466

– 15

Nationale schuld1

379

394

– 15

Schuldverhouding met ABN AMRO

– 3,6

– 3,6

0

Interne schuldverhouding (artikel 12)

– 24,6

– 35,8

11,2

Rentekosten staatsschuld (artikel 11)

8,6

9,1

– 0,5

Rentebaten schuldverhouding ABN AMRO

0,1

0,1

0,0

Rentekosten staatsschuld

8,7

9,2

– 0,5

Rentekosten interne schuldverhoudingen (artikel 12)

– 0,3

– 0,4

0,1

Rentekosten Totaal

8,4

8,7

– 0,3

X Noot
1

Inclusief cash collateral (ontvangen onderpand vanwege afgesloten swaps)

Opbouw en dekking financieringsbehoefte

De financieringsbehoefte bedroeg in 2014 € 94,6 mld. De financieringsbehoefte bestaat voornamelijk uit de leningen die moesten worden afgelost. Deze aflossingen bestaan uit de obligaties die aflopen en uit de omvang van de geldmarkt eind 2013. Leningen op de geldmarkt lopen per definitie korter dan een jaar en worden dus allemaal afgelost in het volgende jaar. Daarnaast moet het kastekort van het Rijk worden gefinancierd. Dit tekort was in 2014 € 11,6 mld.

De financieringsbehoefte is gedekt met de uitgifte van nieuwe langlopende leningen op de kapitaalmarkt en nieuwe kortlopende leningen op de geldmarkt. Er zijn in 2014 echter minder nieuwe kortlopende leningen uitgegeven dan er zijn afgelost. De omvang van de geldmarkt is daardoor eind 2014 € 9,7 mld. lager dan eind 2013. Daarnaast kon een deel van de financieringbehoefte gedekt worden doordat het cash collateral gedurende 2014 met € 10,4 mld. is gestegen van € 10,5 mld. naar € 20,9 mld. Cash collateral is onderpand in de vorm van kasgeld dat banken bij de staat plaatsen in verband met swapcontracten. Cash collateral is daarmee een vorm van financiering voor de staat. De omvang van het onderpand is afhankelijk van de marktwaarde van de swaps. Doordat de marktwaarde van de swapportefeuille in 2014 flink steeg is ook het gestorte onderpand toegenomen. Hierdoor hoefde er dus minder op de geldmarkt te worden geleend.

Tabel 2. Opbouw en dekking van de financieringsbehoefte van het Rijk in 2014, inclusief de geldmarkt (in mld. euro’s)1
 

Realisatie

Financieringsbehoefte:

 

Aflossingen kapitaalmarkt

41,5

Geldmarkt ultimo 2013

30,9

Cash collateral ultimo 2013

10,5

Kassaldo Rijk 2014

11,6

Totaal

94,6

   

Dekking door:

 

Kapitaalmarktuitgifte

52,5

Geldmarkt ultimo 2014

21,2

Cash collateral ultimo 2014

20,9

Totaal

94,6

X Noot
1

In tegenstelling tot de overige tabellen van de artikelen Nationale Schuld worden in deze tabel cijfers op kasbasis weergegeven.

3.3 Verantwoording beleidsprioriteiten

In de ontwerpbegroting IXB 2014 zijn de beleidsprioriteiten van het kabinet op het terrein van het Ministerie van Financiën voor 2014 gepresenteerd. In deze paragraaf is een tabel met toelichting opgenomen met daarin de prestaties die in 2014 zijn behaald.

Tabel beleidsprioriteiten
 

Beleidsprioriteit

Hoofddoelstelling

Prestaties in 2014

Hoofddoelstelling behaald

 

IXB

     

1

Houdbare financiering van beleidsprioriteiten

Het terugdringen van het overheidstekort en de overheidsschuld. Handhaven van de begrotingsregels

Zowel het tekort als de schuld zijn in 2014 verbeterd. De begrotingsregels zijn gehandhaafd.

Ja

2.

Herstellen en bewaken stabiliteit eurozone

Een bijdrage leveren aan een financieel gezond en welvarend Europa en een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling.

Mede dankzij de inzet van Nederland zijn de aangescherpte regels ten aanzien van het SGP nageleefd. De Minister van Financiën heeft bijgedragen aan het beheer van stabilisatiemechanismen zoals het EFSF en het ESM ten behoeve van het bewaken van de financiële stabiliteit.

Gedeeltelijk

3

Sobere en effectieve EU-begroting

Uitvoering van de hervormde EU begroting volgens de gemaakte afspraken.

De Europese begroting is deels volgens afspraken uitgevoerd; de naheffing op basis van de btw- en bni-grondslagen was in omvang onverwacht.

Gedeeltelijk

4

Robuuste financiële sector

Solide, transparante, integere en dienstbare financiële sector met voldoende concurrentie die de klant centraal stelt en geen risico vormt voor de stabiliteit van de overheidsfinanciën of de reële economie.

In het bijzonder is de oprichting van een Europese bankenunie afgerond

Gedeeltelijk

5

Financieel beheer interventies financiële sector

Substantiële reductie van de belangen in de financiële sector waarbij gestreefd wordt naar het volledig terug verdienen van de publieke middelen.

ING heeft door de terugbetaling van de laatste twee tranches van de securities en het beëindigen van de IABF de resterende staatssteun afgelost. Het verzekeringsgedeelte van SNS Reaal N.V. Reaal is begin 2015 voorwaardelijk verkocht aan Anbang. Tenslotte is gestart met de voorbereidingen van de verkoop van ABN AMRO.

Ja

6

Effectief financieel beheer en toezicht in de semipublieke sector

Het verbeteren van het financieel beheer, verantwoording en toezicht bij instellingen met een publiek belang.

Onder coördinatie van het Ministerie van Financiën hebben de vakministers voor hun sectoren analyses gemaakt over de toepassing van het normenkader financieel beheer, verantwoording en toezicht. Dit is grotendeels afgerond.

Gedeeltelijk

7

Exportkredietverzekering en -financiering

In samenwerking met banken en exportsector wordt bekeken in welke mate exportfinanciering verder kan worden ontwikkeld.

Verdere ontwikkeling van de Exportkredietgarantie (EKG), verbeteringen binnen het bestaande instrumentarium en een meer laagdrempelige benadering voor mkb’ers.

Ja

8

Fiscale voornemens

Naar een meer activerend belastingstelsel dat minder complex en beter uitvoerbaar is.

Er is uitvoering gegeven aan de resterende fiscale maatregelen van het regeerakkoord, de Begrotingsafspraken 2014 en de maatregelen die uit de besluitvorming in 2014 zijn voortgevloeid. Het kabinet heeft daarnaast in haar stelselbrief de ontwikkelrichting van het belastingstelsel met heldere doelen geschetst; de besluitvorming wordt voorbereid.

Gedeeltelijk

9

Handhaving Belastingdienst

De Belastingdienst beoogt met zijn toezicht de mate waarin burgers en bedrijven vrijwillig hun verplichtingen nakomen (compliance) maximaal te

vergroten.

De doelstellingen op het gebied van toezicht zijn grotendeels gerealiseerd.

De doelen met betrekking tot de bereikbaarheid van de BelastingTelefoon en het tijdig afdoen van bezwaren en klachten zijn niet gehaald.

Gedeeltelijk

Toelichting beleidsprioriteiten IX

1. Houdbare financiering van beleidsprioriteiten

In 2014 zette het herstel, dat halverwege 2013 begon, voorzichtig door. Over heel 2014 bedroeg de economische groei 0,9%, terwijl bij het vaststellen van de begroting werd gerekend op 0,5%. Het EMU-saldo is in 2014 uitgekomen op een tekort van 2,3% van het bbp. Ook dit is een verbetering ten opzichte van het in de begroting verwachte tekort van 3,3% van het bbp. De EMU-schuld bedroeg eind 2014 68,8% van het bbp. Er is sprake van een flinke daling van de EMU-schuld: eind 2013 bedroeg deze nog 73,5% van het bbp. Een groot deel van deze daling hangt echter samen met de herziening van macro-economische gegevens (ESA2010), dit wordt in het Financieel Jaarverslag van het Rijk verder toegelicht.

Beleidsmatige conclusie

Het jaar 2014 is het eerste jaar waarvoor het kabinet Rutte-Asscher de begroting heeft opgesteld. De begroting voor 2014 is eind 2013 aangevuld met de maatregelen uit de Begrotingsafspraken 2014. Het uitgavenkader voor 2014 – zoals vastgesteld na de herijking als gevolg van de Begrotingsafspraken 2014 – is gehandhaafd. Ook de begrotingsregels zijn gehandhaafd. Zowel het begrotingstekort als de schuldontwikkeling hebben in 2014 een verbetering laten zien. Mede dankzij deze verbeteringen heeft Nederland in 2014 de «correctieve arm» van het Stabiliteits- en Groeipact (SGP) verlaten. In 2014 voldeed Nederland ook aan de eisen uit de «preventieve arm» van het SGP en aan de schuldregel uit het SGP.

2. Herstellen en bewaken stabiliteit eurozone

In 2014 is het herstellen en bewaken van de financiële stabiliteit van de eurozone een belangrijk onderwerp gebleven. De Europese schuldencrisis heeft aanleiding gegeven tot versterking en uitbreiding van afspraken omtrent economische beleidscoördinatie (o.a. door middel van een nieuw begrotingsverdrag tussen lidstaten van de EU). In 2014 had de naleving van de aangescherpte regels ten aanzien van het Stabiliteits- en Groeipact een belangrijke rol op de politieke agenda. Alle lidstaten met een deadline in 2013 of 2014 in hun buitensporigtekortprocedure hebben voldaan aan de gestelde vereisten en zijn daarmee in 2014 ontslagen uit de buitensporigtekortprocedure (met uitzondering van Malta). De versterkte Europese begrotingsregels leveren daarmee concrete resultaten op. Ook Nederland is in 2014 ontslagen uit de buitensporigtekortprocedure. Eén van de prioriteiten van het kabinet is het op orde brengen van de overheidsfinanciën. Het ontslag uit de buitensporigtekortprocedure laat zien dat Nederland op dit terrein een belangrijke stap heeft gezet.

Als sluitstuk van versterkte economische beleidscoördinatie in de Eurozone verstrekt het ESM, onder strikte beleidscondities en waar mogelijk in samenwerking met het IMF, financiële steun aan landen in nood. Sinds juli 2013 kunnen het EFSM en EFSF geen nieuwe leningen meer aangaan. Het EFSF en EFSM blijven bestaan totdat de laatste leningen zijn afgelost. Het ESM is nu het voornaamste noodfonds.

Het ESM heeft in 2014 financiële steun verstrekt aan Cyprus. Portugal heeft in het eerste half jaar van 2014 nog steun ontvangen van het EFSM, EFSF en het IMF en heeft eind mei 2014 het leningenprogramma succesvol verlaten. Griekenland heeft in 2014 financiële steun van het EFSF en het IMF ontvangen. Op 27 februari 2015 is, op verzoek van de nieuwe Griekse regering, het leningenprogramma van het EFSF nogmaals verlengd met vier maanden tot en met 30 juni 2015. Spanje en Ierland hebben eind 2013 de leningenprogramma’s succesvol afgerond, er worden geen nieuwe leningen meer verstrekt. Zowel Spanje als Ierland hebben in 2014 al een deel van de leningen vervroegd afgelost. Spanje heeft in juli 2014 € 1,6 miljard vervroegd afgelost aan het ESM en Ierland heeft in december 2014 al € 9 miljard vervroegd afgelost aan het IMF. Op 8 december 2014 heeft de Raad van gouverneurs van het ESM ingestemd met de uitwerking van het ESM-instrument voor directe herkapitalisatie van banken. Hiermee is het instrument operationeel geworden.

Tot slot stond het jaar 2014 voor de Eurogroep ook in het teken van de voorbereiding voor de toetreding van Litouwen als negentiende lid van de Eurozone dat per 1 januari 2015 de Euro succesvol invoerde als munteenheid.

Beleidsmatige conclusie

Mede dankzij de inzet van Nederland zijn de aangescherpte regels ten aanzien van het SGP nageleefd. Alle lidstaten met een deadline in 2013 of 2014 in hun buitensporigtekortprocedure hebben voldaan aan de gestelde vereisten en zijn in 2014 ontslagen (met uitzondering van Malta). Verder zijn op dit dossier geen afwijking van de planning, echter is volledige realisatie conform brief van het kabinet niet mogelijk voor 31 december 2014. De brief met daarin de visie van het kabinet op de toekomst van de EMU/EU gaat in op stappen die wat het kabinet betreft van belang zijn voor de toekomst van de EMU/EU. De Minister van Financiën draagt bij aan het beheer van stabilisatiemechanismen zoals het EFSF en het ESM ten behoeve van het bewaken van de financiële stabiliteit. Het ESM en het EFSF hebben in 2014, onder strikte beleidscondities, in samenwerking met het IMF, financiële steun verstrekt aan Cyprus, Portugal en Griekenland.

3. Sobere en effectieve EU-begroting

Het begrotingsjaar 2014 was het eerste jaar van het nieuwe Meerjarig Financieel Kader (MFK) van de Europese Unie. Dit MFK is in vergelijking met het vorige MFK versoberd – het uitgavenplafond is 4 procent reëel gedaald ten opzichte van het plafond uit het vorige MFK – en gemoderniseerd – meer budget voor onder andere onderwijs, onderzoek en innovatie. De Minister van Financiën heeft zich in 2014 ingezet voor behoud van deze uitgangspunten in de jaarbegroting van de Europese Unie in voor 2014. Van de acht aanvullende begrotingen die Europese Commissie in 2014 heeft gepresenteerd, paste alleen de derde aanvullende begroting niet binnen deze standpunten. Nederland heeft samen met gelijkgestemden in de Raad gepleit voor een andere invulling van deze aanvullende begroting, hetgeen wel heeft geleid tot wijziging van deze aanvullende begroting, maar niet in voldoende mate. Nederland heeft uiteindelijk tegen deze aanvullende begroting gestemd.

De Europese Commissie heeft eind oktober de naheffing op basis van de grondslagen voor het bni en de btw gepresenteerd. De naheffing resulteerde in een bruto nabetaling van Nederland aan de Europese Unie, met een omvang van € 1,1 miljard. Voor Nederland kwam de omvang van de nacalculatie als een verrassing. Dit geldt voor de meeste lidstaten en zelfs voor de Commissie.

Netto bedraagt de naheffing circa € 650 miljoen omdat Nederland in 2015 een teruggave van circa € 450 miljoen zal ontvangen. In verband hiermee heeft de Minister van Financiën in Europees verband gepleit voor meer transparantie in en harmonisatie van het begrotingsproces en de berekeningswijze van de grondslagen voor de nationale afdrachten aan de Europese Unie; de Europese Commissie verkent de mogelijkheden hiervoor.

Beleidsmatige conclusie

De doelstelling is grotendeels gehaald. Mede dankzij de inzet van Nederland is de begroting voor 2014 uitgevoerd binnen de grenzen van het nieuwe MFK.

4. Robuuste financiële sector

In 2014 zijn zowel op nationaal als Europees niveau verdere stappen gezet om te komen tot een robuuster financieel stelsel. Een belangrijk moment werd gemarkeerd door de aanvang van het Europees bankentoezicht (Single Supervisory Mechanism, SSM) op 4 november 2014. Hiermee is een start gemaakt met de effectieve inwerkingtreding van de Europese bankenunie. Hieronder wordt uitgebreid ingegaan op de Europese bankenunie. Voor de overige stappen wordt verwezen naar de beleidsconclusies bij het artikel Financiële Markten.

Met de Europese bankenunie wordt de negatieve wisselwerking tussen slecht presterende banken en overheden beperkt. Een andere belangrijke doelstelling van de Europese bankenunie is het minimaliseren van de kosten van bankfaillissementen en te voorkomen dat nog langer een beroep moet worden gedaan op publieke middelen. De Europese bankenunie zal hiermee een bijdrage leveren aan het herstel van het vertrouwen in de Europese bankensector en de financiële markten, en is daarmee ook een steun voor het economisch herstel in het eurogebied.

De Europese bankenunie berust op drie pijlers. Het eerdergenoemde SSM vormt de eerste pijler. Met de start van het SSM heeft één toezichthouder, de ECB, de verantwoordelijkheid van het (directe) prudentiële toezicht op de grootste banken in de Europese bankenunie overgenomen van de nationale toezichthouders en zal zij dit, wat betreft Nederland, in de dagelijkse praktijk samen met DNB uitvoeren2. DNB is binnen het SSM-kader primair verantwoordelijk voor het (directe) prudentiële toezicht op alle andere financiële ondernemingen, waaronder de kleine en middelgrote banken. Het SSM moet zorgen voor coherente en doeltreffende toepassing en uitvoering van Uniebeleid en wet- en regelgeving op het gebied van bankentoezicht. Daarnaast zal het toezichtsmechanisme moeten leiden tot een zo hoogwaardig mogelijk toezicht op de banken in alle betrokken lidstaten. Het uiteindelijke doel van het SSM is het bijdragen aan de soliditeit en veiligheid van kredietinstellingen en de stabiliteit van het financiële stelsel in de Europese Unie en in de lidstaten.

In de aanloop naar de start van het Europese bankentoezicht heeft de Europese Centrale Bank (ECB) gedurende 2014 de bankbalansen van de grote, systeemrelevante banken in de eurozone doorgelicht (de zogenoemde Comprehensive Assessment, «CA»). Op deze manier heeft de ECB goed en vergelijkbaar zicht gekregen op de kwaliteit en schokbestendigheid van de balansen van deze banken. De ECB heeft daarbij de boekwaarde van de activa van banken gecontroleerd (Asset Quality Review) en deze in samenwerking met de European Banking Authority (EBA) aan stresstesten onderworpen. Voor de Nederlandse banken geldt dat zij goed uit deze test zijn gekomen; ze zijn goed gekapitaliseerd en kunnen het hoofd bieden aan sterk tegenvallende economische ontwikkelingen 3. De resultaten van de CA hebben aangetoond dat de Europese bankensector voor het overgrote deel voldoende gekapitaliseerd is. De banken die de test niet gehaald hebben, versterken momenteel hun balansen.

In 2014 zijn ook de afspraken over de tweede pijler onder de bankenunie afgerond. Op 15 juli 2014 is namelijk de verordening inzake het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (Single Resolution Mechanism, SRM) vastgesteld. De verordening regelt de (procedure voor) afwikkeling van banken in de Europese bankenunie op basis van een geharmoniseerd Europees kader (zie hieronder). Hiervoor wordt een Europese afwikkelingsautoriteit (Single Resolution Board, SRB) en een door de banken gefinancierd Europees afwikkelingsfonds (Single Resolution Fund, SRF) opgericht. De Europese afwikkelingsautoriteit neemt beslissingen over de afwikkeling van banken in de problemen en streeft naar oplossingen waarbij de verliezen zo veel mogelijk neerslaan bij de aandeelhouders en crediteuren van banken in plaats van het resolutiefonds en de belastingbetaler. Hiervoor is in de SRM-verordening het instrument van bail-in geïntroduceerd. Bail-in omvat het principe dat – na de afboeking van het eigen vermogen – in beginsel alle ongedekte crediteuren van een bank kunnen worden gedwongen om mee te betalen aan de afwikkeling van de bank door afschrijving van hun vordering, dan wel door (gedeeltelijke) conversie ervan in aandelen.

Het SRM zal gefaseerd in werking treden.

De derde pijler onder de Europese bankenunie wordt gevormd door een Europees geharmoniseerde set van regels: het single rulebook. Voor een goed functionerende Europese bankenunie is het zeer belangrijk dat voor alle banken dezelfde regels gelden. In 2014 zijn grote stappen gezet in de verdere totstandkoming van dit single rulebook. Zo is op 1 augustus 2014 de implementatiewet richtlijn en verordening kapitaalvereisten in werking getreden (CRD IV/CRR). Hierin worden onder andere strengere eisen aan het kapitaal van banken (en beleggingsondernemingen) gesteld en worden maatregelen geïntroduceerd ter versterking van het toezicht. De richtlijn en de verordening beogen daarmee te komen tot een versterking van de financiële soliditeit, stabiliteit en weerbaarheid van banken en beleggingsondernemingen. Vooruitlopend op toekomstige Europese discussies over de zogenaamde leverage ratio is in 2014 besloten dat de Nederlandse systeembanken een leverage ratio van minimaal 4% dienen na te streven per 2018. CRD-IV voorziet in het maken van Europese afspraken over de leverage ratio uiterlijk in 2017, met als uitgangspunt de introductie van een bindende en geharmoniseerde Europese leverage ratio eis in 2018. De inzet van het kabinet zal ook hier zijn dat de leverage ratio minimaal 4% dient te bedragen voor ten minste alle systeemrelevante Europese banken. Daarnaast is op 16 april 2014 de herziening van de richtlijn voor depositogarantiestelsels (Deposit Guarantee Schemes Directive, DGSD) vastgesteld. Met de DGSD zal de regelgeving voor nationale depositogarantiestelsels verder worden geharmoniseerd. Tot slot is op 15 mei 2014 de richtlijn voor herstel- en afwikkeling van banken (Bank Recovery and Resolution Directive, BRRD) vastgesteld. De BRRD introduceert een effectief Europees kader om financiële problemen van banken snel en effectief op te lossen en om, indien nodig, de afwikkeling van banken ordelijk te laten verlopen.

Beleidsmatige conclusie

In 2014 zijn in het bijzonder belangrijke stappen gezet voor de effectieve inwerkingtreding van de Europese bankenunie. Zo is het Europees bankentoezicht (SSM), na een uitgebreide doorlichting van de balansen van systeemrelevante banken, op 4 november van start gegaan, is de verordening inzake het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (SRM) vastgesteld en heeft het single rulebook, met de implementatiewet richtlijn en verordening kapitaalvereisten (CRD IV/CRR) en de herziening van de richtlijn voor depositogarantiestelsels (DGSD), verder vorm gekregen.

5. Financieel beheer interventies financiële sector

Het beleid is gericht op een afgewogen, zakelijk verantwoorde exit uit ASR, ABN AMRO en SNS REAAL en op de ondernemingsstrategie die deze exit mogelijk moet maken. De stichting NL Financial Investments (NLFI) heeft de Minister van Financiën geadviseerd over de te volgen exitstrategie voor SNS Reaal N.V. en ASR Nederland N.V. De Minister van Financiën heeft op basis van het advies van NLFI besloten om het verkoopproces van het verzekeringsgedeelte van SNS Reaal te starten. Aan dit verkoopproces mocht ook ASR deelnemen. Op maandag 16 februari 2015 heeft de Minister van Financiën bekend gemaakt dat SNS Reaal en Anbang op zaterdag 14 februari een overeenkomst tot koop van Reaal N.V. hebben getekend, nadat de Minister van Financiën heeft ingestemd met deze voorwaardelijke verkoop. In 2015 zullen nog verschillende vervolgstappen worden gezet die moeten uitwijzen of de verkoop definitief kan plaatsvinden.

Het voornemen om ASR via een dual track benadering terug naar de markt te brengen is vanwege het beperkte absoptievermogen in de markt door de beursgang van Nationale Nederlanden en de verkoop van Reaal uitgesteld. In 2015 zal de Minister van Financiën de Kamer informeren over de voorgenomen verkoop van ABN AMRO. De Kamer zal in de loop van 2015 worden geïnformeerd over de verkoop van SNS Bank en ASR Nederland N.V. Voor alle financiële instellingen geldt dat de minister de Kamer vooraf zal informeren, voordat onomkeerbare stappen worden gezet. Voor de IABF (Illiquid Asset Backup Facility, de hypothekenportefeuille van ING) geldt dat deze in 2014 is afgebouwd. Het uiteindelijke resultaat op de IABF is € 1.455 miljoen.

Beleidsmatige conclusie

Met het afronden van de IABF en de voorwaardelijke verkoop van Reaal aan Anbang begin 2015 heeft de Minister van Financiën invulling gegeven aan de doelstelling die ziet op een afgewogen en zakelijk verantwoorde exit.

6. Effectief financieel beheer en toezicht in de semipublieke sector

Onder coördinatie van het Ministerie van Financiën hebben de vakministeries voor hun sectoren analyses gemaakt voor welke semipublieke instellingen het normenkader van toepassing is, op welke manier het normenkader verankerd wordt, wanneer de verankering plaatsvindt en hoe het toezicht daarop uitgeoefend zal worden. In een aantal sectoren vindt over de invoering van het normenkader nog afstemming plaats met de sector. Ook is er bij een aantal sectoren sprake van mogelijk nieuwe inrichting ervan. In die gevallen zal de analyse nog dit jaar afgerond worden. Ter ondersteuning van de implementatie van het normenkader heeft het Ministerie van Financiën een handreiking financieel beheer opgesteld. In het kader van de versterking van extern financieel toezicht wordt door het Ministerie van Financiën een trainingsprogramma georganiseerd. In 2015 vindt hiertoe een pilot plaats.

Beleidsmatige conclusie

De doelstelling is gedeeltelijk gerealiseerd. Onder de coördinatie van de Minister van Financiën hebben de desbetreffende ministers een analyse gemaakt over hoe het normenkader financieel beheer bij de ressorterende sectoren en instellingen geëffectueerd en gehandhaafd zal worden. Deze analyse zal dit jaar volledig worden afgerond. Daarnaast zijn er acties uitgezet om het extern financieel toezicht te versterken. Er is geen termijn gekoppeld aan de doelstelling, desalniettemin wordt een voorspoedige voortgang nagestreefd.

7. Exportkredietverzekering en -financiering

In de beleidsagenda van 2014 is aangekondigd dat er in samenwerking met banken en de exportsector bekeken wordt in welke mate exportfinanciering verder ontwikkeld kan worden. Nederland beperkt zich primair tot het verzekeren en garanderen en laat, om marktverstoring te voorkomen, het daadwerkelijk financieren zoveel mogelijk over aan marktpartijen. Om het Nederlandse exporterende bedrijfsleven minder afhankelijk te maken van de mogelijkheden van banken én om het speelveld met overheden die wel publieke financiering aanbieden is de Exportkredietgarantie (EKG) ontwikkeld. Deze is eind 2014 ingebed in het reguliere instrumentarium. De EKG bevordert directe investeringen van institutionele beleggers (verzekeraars, banken en pensioenfondsen) in exportkrediet ter financiering van Nederlandse export. Ook zijn er in 2014 nieuwe mogelijkheden gecreëerd binnen de EKG. Zo is via de EKG de Duitse «Pfandbriefmarkt» ontsloten voor Nederlandse exporttransacties. Doordat deze Pfandbriefmarkt zo goed doorontwikkeld is en goed functioneert, heeft deze aansluiting ervoor gezorgd dat EKG ook voor kleine (MKB) transacties kan worden benut. Hierdoor wordt scherp geprijsde financiering nog breder beschikbaar. Dat is goed voor de concurrentiepositie van Nederlandse kapitaalgoederenexporteurs.

De EKG richt zich op de nafinanciering van exportorders. Er zijn op een breder terrein dan alleen nafinanciering verbeteringen doorgevoerd binnen de bestaande instrumenten. Drie in het oog springende voorbeelden zijn de honderd procent directe garanties op wisselfinanciering, de verzelfstandiging van de contragarantie en de meer flexibele toepassing van de zelfstandige werkkapitaaldekking. De honderd procent garantie op wissels maakt het mogelijk dat er meer kapitaal beschikbaar komt van investeerders die direct willen investeren in wisselfinanciering. De zelfstandige contragarantie zorgt voor meer liquiditeit voor Nederlandse bedrijven en de zelfstandige werkkapitaaldekking zorgt ervoor dat exporteurs beter in hun behoefte voor werkkapitaal kunnen worden voorzien. Tot slot zijn er ook buiten de productensfeer stappen ondernomen om de exportkredietverzekeringsfaciliteit voor kleinere bedrijven toegankelijker te maken. Zo is de aanvraagprocedure voor mkb-ers aanzienlijk versimpeld en is ook op de website aandacht besteed aan de specifieke behoeftes van het mkb.

Beleidsmatige conclusie

De aanpassingen zorgen ervoor dat er beter wordt aangesloten bij de ontwikkelingen in de markt en de behoeftes van Nederlandse exporteurs.

8. Fiscale voornemens

In 2014 is sprake geweest van een ambitieuze fiscale agenda. De fiscale wetsvoorstellen die een centrale rol hebben gespeeld zijn het wetsvoorstel modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen, het wetsvoorstel Beschikking Geen Loon en natuurlijk het wetsvoorstel Belastingplan 2015 (waarin onder meer de resterende maatregelen uit het regeerakkoord en de Begrotingsafspraken 2014 zijn opgenomen). Verder zijn er verschillende beleidsbepalende trajecten geweest, zoals de discussies rondom het al dan niet invoeren van de huishoudentoeslag, het onderzoek ter voorbereiding van Autobrief II en het wetsvoorstel Modernisering vennootschapsbelastingplicht overheidsondernemingen. De internationale fiscale agenda heeft onder meer in het teken gestaan van het opnemen van antimisbruikbepalingen in belastingverdragen met ontwikkelingslanden en de nationale en internationale discussies rondom het fiscale vestigingsklimaat. Tot slot heeft de in 2014 aangetreden Staatssecretaris van Financiën met de brieven «Brede agenda Belastingdienst» en «Keuzes voor een beter belastingstelsel» een duidelijke fiscale koers gegeven.

Beleidsmatige conclusie

De fiscale voornemens in de beleidsagenda van 2014 zijn grotendeels gerealiseerd. Een aantal fiscale trajecten waarvan in beginsel in 2014 beleidsstukken of wetgeving zou verschijnen, zijn uitgesteld of in zijn geheel stopgezet. Dit betreft bijvoorbeeld het uitstellen van de herziening van de fiscale regeling voor aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten en het definitief niet invoeren van de huishoudentoeslag. Het kabinet heeft in 2014 gestreefd naar complexiteitsreductie (en blijft dit doen) en dit heeft onder meer geresulteerd in een wetsvoorstel Belastingplan 2015, dat bewust beperkt van omvang was met het oog op de Belastingdienst en waar mogelijk maatregelen bevat die bijdragen aan de voorgenomen complexiteitsreductie. Verder heeft het kabinet actief de plannen voor een stelselherziening opgepakt. Het kabinet heeft in haar stelselbrief de ontwikkelrichting van het belastingstelsel geschetst en daarbij heldere doelen geformuleerd. De besluitvorming voor de herziening van het belastingstelsel wordt thans voorbereid.

9. Handhaving Belastingdienst

Intensivering toezicht

Bij brief van 10 december 2012 van de Staatssecretaris van Financiën aan de Kamer4 zijn maatregelen voorgesteld om het toezicht te intensiveren. Deze maatregelen betreffen ondermeer de versnelling van de aanslagregeling particulieren, uitvoering van boekenonderzoeken, uitvoering van controles voor de omzetbelasting en het realiseren van structureel extra opbrengsten uit invordering. De meeropbrengsten over 2014 van deze intensiveringen werden geraamd op € 533 miljoen. De realisatie in 2014 bedroeg circa € 413 miljoen. Dit bedrag kan nog oplopen doordat nog niet alle kasopbrengsten bepaald zijn. Het verschil tussen raming en realisatie wordt met name veroorzaakt door een lager tempo van de kasstroom en vertraagde werving en opleiding. De lagere kasstroom (€ 70 miljoen) betreft voornamelijk aangebrachte correcties in de IH niet-winst, die nà 31 december 2014 zullen worden ontvangen.

Invulling taakstellingen

De Belastingdienst heeft zijn deel bijgedragen aan de realisatie van de rijksbrede taakstellingen. Zoals met de Tweede Kamer afgesproken 5 worden de taakstellingen vanuit Rutte I (en voorgaande kabinetten) en Rutte II – oplopend tot ruim € 540 miljoen vanaf 2018 – langs twee sporen ingevuld. Spoor 1 betreft efficiency/versobering waarmee € 360 miljoen wordt ingevuld. Spoor 2 betreft aanpassing van (fiscale) wetgeving die leidt tot vereenvoudiging in de uitvoering of taakvermindering bij de Belastingdienst. Spoor 2 draagt € 180 miljoen bij aan de invulling. De afgesproken efficiency en versobering is meerjarig ingevuld en belegd met maatregelen op het terrein van staf/overhead, procesverbeteringen en versoberingen op het gebied van huisvesting. Ten aanzien van Spoor 2 is inmiddels ook een belangrijk deel van de afgesproken besparingen gerealiseerd (€ 127 miljoen). Wat betreft de besparingen vanuit vereenvoudiging van fiscale wet- en regelgeving waren deze in 2014 onvoldoende om het deel van de taakstelling dat de Belastingdienst daarmee invult (spoor 2), te realiseren. Het betreft € 35 miljoen. Ambitie blijft voor de komende jaren om deze vereenvoudigingen alsnog te realiseren. Complexiteitsreductie is dan ook een belangrijk uitgangspunt van de voorgenomen stelselherziening.

Fraudebestrijding

Fraudebestrijding richt zich niet meer uitsluitend op de achterkant van een proces, wanneer het geld al is uitgekeerd, maar steeds meer op de voorkant: bij de aanvraag of de aangifte. Er wordt steeds meer gebruik gemaakt van het opbouwen van informatieposities en data-analyse. En het betekent dat steeds meer wordt samengewerkt met andere overheidsorganisaties.

In 2014 is gestart met het vervaardigen van een fraudeprofiel voor inkomensheffing en is een model voor algemene risicoprofilering van burgers ontwikkeld. Zo is een analysetool ontwikkeld die de handelsregistergegevens veel beeldender presenteert. Op deze wijze is van de verschillende veelplegers een completer beeld gecreëerd van hun organisatie en in welk deel van het land die zich bevindt. Dit is met name van belang om mogelijke fraudes met de omzetbelasting en loonheffingen te kunnen detecteren. Als dit wordt gedetecteerd, dan worden de betreffende OB- en/of loonheffingennummers inactief gemaakt.

Ten slotte wordt onderzocht hoe omzetbelastingfraude, en dan met name carrouselfraude, kan worden bestreden met behulp van data-analyse. Daartoe zijn fraudeprofielen ontwikkeld voor deze vorm van fraude. In 2014 zijn 682 btw-nummers ingetrokken door de Belastingdienst en 59 naar aanleiding van een signaal van de FIOD. Er zijn in 2014 682 ondernemingen stopgezet (in 2103 waren dat er 929).

Het Combiteam Aanpak Facilitators (CAF) richt op het tegengaan van de activiteiten van de facilitators achter misbruik van belasting- dan wel toeslaggelden. Het team heeft in het tijdsbestek van iets meer dan een jaar een 200-tal zaken opgepakt. Hiervan zijn circa 100 zaken afgerond.

Aanpak toeslagfraude

Met ingang van 1 januari 2014 is de Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit in werking getreden. De volgende maatregelen zijn uitgevoerd:

  • Geen verlening voorschot bij verhoogd risico op fraude. Er zijn ongeveer 9.500 aanvragen/mutaties beoordeeld voordat deze zijn uitbetaald. In 74% van de gevallen is gecorrigeerd.

  • Geen verlening voorschot aan een voor de Belastingdienst onbekende aanvrager. Er zijn ongeveer 16.000 aanvragen van onbekende aanvragers beoordeeld, waarvan bij 33% een correctie heeft plaatsgevonden.

  • Opschorting van uitbetaling bij het ontbreken van een actueel adresgegeven of twijfel over adres. In 2014 zijn 24.000 toeslagen van 18.000 unieke BSN’s die de status «vertrokken onbekend waarheen» (VOW) hebben gekregen in de Basisregistratie personen (Brp) gestopt.

Naast deze maatregelen is er in 2014 ter voorkoming van fraude nog een aantal procesverbeteringen doorgevoerd. Er vindt een controle plaats op IP-adressen. Signalen over verdachte IP-adressen worden onderzocht door Belastingdienst/Toeslagen. Hierdoor worden zoveel mogelijk onjuiste of onterechte aanvragen voorkomen. Om het risico op een geslaagde fraude verder te voorkomen wordt op de nieuwe aanvragen voor huur- en kinderopvangtoeslag voor uitbetaling de risicoclassificatie toegepast. Aanvragen met een hoog risico worden niet uitbetaald. De aanvraag wordt of afgewezen of de burger wordt uitgenodigd bij een balie van de Belastingdienst langs te komen.

Kwaliteit persoonsgegevens

De kwaliteit van de gegevens in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens is voor het beperken van fraudemogelijkheden van groot belang. Het gebruik van risicoprofielen door gemeenten bij de inschrijving van nieuwe ingezetenen en de invoering van de Basisregistratie Personen en Reisdocumenten leveren hier een bijdrage aan. Voorbeelden van samenwerking op deze terreinen in 2014 zijn de projecten onderzoek «risicoadressen» in de omgeving van Utrecht en «samenwerken aan Adreskwaliteit» waarin ICTU in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken (veld)onderzoek heeft uitgevoerd naar de kwaliteit van het BRP-gegeven.

Rijksbrede aanpak

Het kabinet is in 2013 gestart met een rijksbrede aanpak van fraude die zich richt op departementsoverstijgende vormen van fraude waarin bijna alle departementen deelnemen. Het voorzitterschap van de bijbehorende ministeriële commissie Fraude wordt vervuld door de Minister-President, de coördinatie in het kabinet is in handen van de Minister van Veiligheid en Justitie die hierover ook aan de Kamer rapporteert. De Staatssecretaris van Financiën neemt deel aan de ministeriele commissie. De Belastingdienst is betrokken bij bijna alle projecten die vanuit de ministeriële commissie zijn opgestart. Tevens is zij trekker van het project gefingeerde dienstbetrekking. In dit project wordt met onder andere het UWV samengewerkt om vroegtijdig potentiële fraudeurs te ontdekken die door middel van een onderneming met gefingeerde werknemers bijvoorbeeld onterecht een uitkering aanvragen.

Beleidsmatige conclusie

De doelstellingen op het gebied van fiscaal toezicht en toezicht Toeslagen zijn grotendeels gerealiseerd. Maatregelen zijn getroffen om fiscale fraude en fraude met toeslagen tegen te gaan. De doelen met betrekking tot de bereikbaarheid van de BelastingTelefoon en het tijdig afdoen van bezwaren en klachten zijn niet gehaald.

3.4 Realisatie beleidsdoorlichtingen

   

realisatie

Toelichting

Art.

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

geheel artikel?

1

Belastingen

               
 

Het genereren van inkomsten voor de financiering van overheidsbeleid. Solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving is hiervoor de basis. Doeltreffende en doelmatige uitvoering van die wet- en regelgeving zorgt er voor dat burgers en bedrijven bereid zijn hun wettelijke verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen (compliance).

   

v

       

Kamerstukken II 2010/2011, 31 066, nr. 98

2

Financiële Markten

               
 

Beleid maken voor een stabiele werking van financiële markten, met betrouwbare dienstverlening van financiële instellingen aan burgers en bedrijven.

     

v

     

Kamerstukken II 2010/2011, 32 013, nr. 16

3

Financieringen

               
 

Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen. In het bijzonder bij investeren in en verwerven, afstoten en beheren van de financiële en materiële activa van de Staat.

         

v

 

http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/fin/documenten-en-publicaties/ kamerstukken/2013/03/01/bijlage-ibo-staatsdeelnemingen.html

4

Internationale Financiële Betrekkingen

               
 

Een bijdrage leveren aan een gezond en welvarend Europa en een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling

   

v

       

Kamerstukken 2009/2010, 31 935, nr. 5

5

Export Krediet Verzekering

               
 

Het bieden van mogelijkheden voor verzekering van betalingsrisico's die zijn verbonden aan export en investeringen in het buitenland, in aanvulling op de markt, en het creëren en handhaven van een gelijkwaardig speelveld voor bedrijven op het terrein van de exportkredietverzekeringsfaciliteit.

 

v

       

v

http://www.rijksbegroting.nl/system/files/18/fin-beleidsdoorlichting-exportkredietgarantie-ekg.pdf

6

BTW-compensatiefonds

               
 

Gemeenten, provincies en Wgr-plusregio's hebben de mogelijkheid een evenwichtige keuze te maken tussen in- en uitbesteding. De btw speelt hierin geen rol.

   

v

       

Kamerstukken II 2009/10, 31 935, nr. 7

7

Beheer Materiële Activa

               
 

Een optimaal financieel resultaat bij het beheren en afstoten van materiële activa van/voor het Rijk ten behoeve van de realisatie van rijksdoelstellingen.

   

v

   

v

 

Kamerstukken 2013/2014, 31 935, nr. 12

8

Overig

               
 

Financieel en Economisch beleid van de Overheid

   

v

       

Kamerstukken II 2009/10, 31 123, nr. 52, bijlage 59 692

 

Projectdirectie Vastgoed

     

v

     

Uitvoeringsprogramma Compacte Rijksdienst

 

Nationale Schuld

               

11

Financiering Staatsschuld

               
 

Schuldfinanciering tegen zo laag mogelijke rentekosten onder acceptabel risico voor de begroting.

     

v

     

Kamerstuk 2011/2012, 33 000-IXA, nr. 5

12

Kasbeheer

               
 

Optimaal kasbeheer van het Rijk en van de instellingen die aan de schatkist zijn gelieerd.

           

v

http://www.rijksbegroting.nl/system/files/18/fin-beidsdoorlichting-schatkistbankieren.pdf

Kamerstukken II 2014/2015, 31 935, nr. 13

Toelichting:

In de Regeling periodiek evaluatieonderzoek (RPE) is vastgelegd dat al het beleid met een zekere regelmaat dient te worden geëvalueerd in een beleidsdoorlichting. Dit kan bijvoorbeeld eens in de vier jaar en ten minste eens in de zeven jaar. Er moet volgens RPE sprake zijn van een dekkende programmering van beleidsdoorlichtingen. De meerjarige programmering van beleidsdoorlichtingen voor Financiën wordt in de begroting opgenomen. In dit jaarverslag wordt over de realisatie hiervan teruggeblikt.

In 2014 zijn twee beleidsdoorlichtingen afgerond. De beleidsdoorlichting over Exportkrediet en investeringsverzekeringen heeft betrekking op Exportkredietgaranties (EKG). Het resterende deel van het begrotingsartikel zal in 2016 worden doorgelicht. De beleidsdoorlichting over Kasbeheer betreft Schatkistbankieren.

3.5 Overzicht risicoregelingen

Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Nr.

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2013

Verleend 2014

Vervallen 2014

Uitstaande garanties 2014

Garantieplafond

2014

Totaal plafond

Stand

begrotingsreserve

1

Belastingen

Garantie procesrisico's

551

176

365

362

400

 

2

Financiële Markten

Garantie interbancaire leningen

9.892.984

9.892.984

 

3

Financiële Markten

Schatkistbankieren (faciliteit AFM)

37.000

37.000

 

37.000

 

4

Financiële Markten

Terrorismeschades (NHT)

50.000

50.000

 

50.000

5

Financiële Markten

WAKO (kernongevallen)

14.023.000

14.023.000

 

14.023.000

6

Financiële Markten

Garantie Stichting Waarborgfonds Motorverkeer

214

58

156

 

156

7

Financiële Markten

NBM

2.500

2.500

 

2.500

8

Financiële Markten

Waarborgfonds motorverkeer

2.500

2.500

 

2.500

9

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

DNB winstafdracht

5.700.000

5.700.000

 

5.700.000

10

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

NIB – Regeling Bijzondere Fin

 

11

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

Garantie SNS Propertize

4.166.410

566.410

3.600.000

 

3.600.000

12

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

Garantie en vrijwaring inzake verkoop en financiering van deelnemingen

954.842

2.010

952.832

 

952.832

20.844

13

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

Deelneming ABN AMRO

950.000

950.000

 

14

Internationale Financiële Betrekkingen

DNB kredietverlening BIS

113.445

113.445

 

15

Internationale Financiële Betrekkingen

EFSF

49.640.411

49.640.411

 

49.640.411

16

Internationale Financiële Betrekkingen

EFSM

2.790.000

12.000

2.778.000

 

2.778.000

17

Internationale Financiële Betrekkingen

ESM

35.445.400

35.445.400

 

35.445.400

18

Internationale Financiële Betrekkingen

EIB-kredietverlening in ACP en OCT

84.895

89.058

173.953

 

171.995

19

Internationale Financiële Betrekkingen

Kredieten EU-betalingsbalanssteun aan lidstaten

2.325.000

10.000

2.315.000

 

2.315.000

20

Internationale Financiële Betrekkingen

MIGA

24.308

3.288

27.596

 

27.596

21

Internationale Financiële Betrekkingen

Wereldbank

3.255.054

633.093

3.888.147

 

3.888.147

22

Internationale Financiële Betrekkingen

EBRD

589.100

589.100

 

589.100

23

Internationale Financiële Betrekkingen

EIB

9.895.547

9.895.547

 

9.895.547

24

Internationale Financiële Betrekkingen

DNB – deelneming in kapitaal IMF

45.344.977

2.158.610

47.503.587

 

47.503.587

25

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

Regeling Investeringen

226.475

5.760

57.225

175.010

453.780

   

26

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

MIGA – herverzekeren

150.000

 

225.365

27

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

Exportkredietverzekering

20.858.069

8.882.142

16.366.533

13.373.678

10.000.000

 
 

Totaal

 

206.259.237

11.885.572

27.971.030

190.173.779

10.604.180

176.622.771

246.209

Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties

Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x € 1.000)

Nr

Artikel

Omschrijving

Uitgaven 2013

Ontvangsten 2013

Saldo 2013

Uitgaven 2014

Ontvangsten 2014

Saldo 2014

Mutatie begrotingsreserve 2014

1

Belastingen

Garantie procesrisico's

259

– 259

378

– 378

2

Financiële Markten

Garantie interbancaire leningen

164.792

164.792

99.636

99.636

3

Financiële Markten

Schatkistbankieren (faciliteit AFM)

4

Financiële Markten

Terrorismeschades (NHT)

1.500

1.500

1.275

1.275

5

Financiële Markten

WAKO (kernongevallen)

68

68

1.126

1.126

6

Financiële Markten

Garantie Stichting Waarborgfonds Motorverkeer

7

Financiële Markten

NBM

8

Financiële Markten

Waarborgfonds motorverkeer

9

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

DNB winstafdracht

10

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

NIB – Regeling Bijzondere Fin

278

278

11

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

Garantie SNS Propertize

1.920

1.920

12

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

Garantie en vrijwaring inzake verkoop van deelnemingen

5.375

5.716

341

5.716

5.716

4.800

13

Financieringsactiviteiten publiek-private sector

Deelneming ABN AMRO

25.555

25.555

12.494

12.494

14

Internationale Financiële Betrekkingen

DNB kredietverlening BIS

15

Internationale Financiële Betrekkingen

EFSF

16

Internationale Financiële Betrekkingen

EFSM

17

Internationale Financiële Betrekkingen

ESM

18

Internationale Financiële Betrekkingen

EIB-kredietverlening in ACP en OCT

38

– 38

19

Internationale Financiële Betrekkingen

Kredieten EU-betalingsbalanssteun aan lidstaten

20

Internationale Financiële Betrekkingen

MIGA

21

Internationale Financiële Betrekkingen

Wereldbank

22

Internationale Financiële Betrekkingen

EBRD

23

Internationale Financiële Betrekkingen

EIB

24

Internationale Financiële Betrekkingen

DNB – deelneming in kapitaal IMF

25

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

Regeling Investeringen

675

675

789

789

 

26

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

MIGA – herverzekeren

120.316

27

Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

Exportkredietverzekering

91.157

167.008

75.851

43.375

205.943

162.568

 

Totaal

 

96.829

365.592

268.763

43.753

328.899

285.146

125.116

Toelichting per risicoregelingen

Garanties groter dan € 5 mln. worden toegelicht, mits deze niet vallen onder de algemene faciliteit voor het schatkistbankieren.

2. Garantie interbancaire leningen

De staat heeft in 2008 een garantiefaciliteit gecreëerd van € 200 mld. waaruit garanties konden worden afgegeven voor interbancaire leningen. In 2014 is de garantieregeling voor interbancaire leningen beëindigd, alle uitstaande garantieverplichtingen zijn vervallen.

4. Terrorisme Schade (NHT)

De Nederlandse Herverzekeringsmaatschappij voor Terrorismeschaden (NHT) is in 2003 opgericht, nadat herverzekeraars en verzekeraars waren begonnen terrorismerisico’s uit te sluiten in hun polissen. Binnen de NHT leveren verzekeraars, herverzekeraars en de staat gezamenlijk een dekkingscapaciteit van € 1 mld. per jaar. De staat heeft een garantie afgegeven voor de laatste € 50 mln. van deze dekkingscapaciteit. De staat en de NHT zijn overeengekomen om de participatie van de staat na 2018 te beëindigen.

5. WAKO (Kernongevallen)

De Wet Aansprakelijkheid Kernongevallen (WAKO) regelt de aansprakelijkheid van exploitanten van nucleaire installaties voor kernongevallen. De exploitant is namelijk verantwoordelijk voor schade bij kernongevallen. De exploitant moet deze aansprakelijkheid verzekeren tot een maximumbedrag van € 1,2 mld. Voor de staatsgarantie betaalt de exploitant jaarlijks een vergoeding aan de Nederlandse Staat.

Het doel van deze risicoregeling is tweeledig: enerzijds schadeloosstelling van slachtoffers indien zich een ernstig kernongeval in Nederland voordoet en anderzijds het internaliseren van kosten die met het gebruik van kernenergie samenhangen. De Staat der Nederlanden staat voor 7 installaties garant tot een bedrag tot € 2,3 mld. dan wel € 1,5 mld. per ongeval. Het totaalrisico voor deze installaties bedraagt vanaf 1 januari 2015 € 11,3 mld. Ultimo 2014 was dit ruim € 14 mld.

9. Garantie DNB-winstafdracht

Een deel van de winst die De Nederlandsche Bank maakt vloeit – via een vooraf bepaalde verdeelsleutel – in de staatskas. De winsten die worden gemaakt met crisisgerelateerde transacties vallen ook onder de winstuitkering. DNB heeft hierdoor tijdelijk grotere risico’s op haar balans staan. Het Ministerie van Financiën en DNB hebben in samenspraak besloten om de bestaande praktijk te handhaven onder afgifte van een garantie die de toegenomen risico’s voor DNB mitigeert. Er wordt geen premie betaald door DNB, als gevolg van de garantie kan DNB meer winst afdragen aan het Ministerie van Financiën.

11. Garantie SNS propertize

Bij de nationalisatie van SNS REAAL is reeds aangekondigd dat Propertize (voorheen: «Property Finance») zal worden afgesplitst van de rest van SNS Reaal en in een vastgoedbeheerorganisatie zal worden ondergebracht. Eind 2013 is de afsplitsing gerealiseerd. De vastgoedbeheerorganisatie heeft tot doel om de vastgoedportefeuille op de middellange termijn zo kostenefficiënt en rendabel mogelijk af te wikkelen. De staat heeft een garantie verstrekt op de financiering van de vastgoedbeheerorganisatie. Een deel van de uitstaande garantie is vervallen vanwege de afgenomen financieringsbehoefte in verband met de afwikkeling van de portefeuille.

12. Garantie en vrijwaring staatsdeelnemingen

De staat heeft een aantal garanties en vrijwaringen afgegeven aan verschillende deelnemingen die volgen uit verplichtingen uit de verkoop van deelnemingen. Dit is het geval geweest bij de verkoop van SDU, Connexxion en WesterSchelde Tunnel. Bij de verkoop van een belang kan het voorkomen dat de koper bepaalde garanties vraagt voor niet in de balans te verwerken posten. Dit is gebruikelijk bij fusies en overnames. Op deze manier wordt het risico van de acquisitie voor de koper verminderd, waardoor voorkomen wordt dat er een overeenkomst gesloten wordt tegen een lagere prijs.

Daarnaast heeft de staat specifieke garanties en vrijwaringen afgegeven vanwege het belang om financiering van staatsdeelnemingen NS en TenneT mogelijk te maken. Het Ministerie van Financiën heeft als aandeelhouder aan TenneT Holding een garantie afgegeven ten gunste van de Stichting Beheer Doelgelden. De middelen uit deze Stichting dienen altijd direct beschikbaar te zijn, bijvoorbeeld indien er een investering in interconnectiecapaciteit dient te worden gedaan. Daarnaast garandeert de staat leningen die NS heeft afgesloten via Eurofima. Eurofima is een multilaterale bank, opgericht op basis van een Europees verdrag, die zich specialiseert in de financiering van rollend materieel. Alle nationale Europese spoorvervoerders kunnen hier financiering aantrekken onder garantie van het land van herkomst.

De premieontvangsten van TenneT worden afgestort in een begrotingsreserve, ultimo 2014 was de omvang van de begrotingsreserve € 20,8 mln.

13. Deelneming ABN AMRO

Er zijn wederzijdse aansprakelijkheden ontstaan door de afsplitsing van HBU (Newbank) uit het oude ABN AMRO, nu RBS N.V. genaamd. Indien RBS N.V. niet meer aan zijn verplichtingen zou kunnen voldoen, kunnen crediteuren onder specifieke voorwaarden tot maximaal € 950 mln. claimen bij HBU. Hiervoor heeft ABN AMRO een vrijwaring afgegeven aan de kopende partij Deutsche Bank. Aangezien ABN AMRO het risico van uitbetaling niet zelf kan lopen, is er een contragarantie door de staat afgegeven.

ABN Amro heeft in 2014 met Deutsche Bank een akkoord bereikt om de wederzijdse aansprakelijkheden tussen beide te beëindigen zodat ook de garantie van de staat (zogeheten counter indemnity) kon worden beëindigd. Het beëindigen van de counter indemnity is in lijn met de aanbevelingen van de Commissie Risicoregelingen (CRR). De CRR heeft o.a. aanbevolen om de crisisgerelateerde risicoregelingen terug te brengen, zodra dat mogelijk is. Met het beëindigen van de counter indemnity tussen ABN Amro en de staat wordt aan deze aanbeveling invulling gegeven.

14. Garantie aan DNB inzake Bank voor Internationale Betalingen (BIS)

Deze garantieovereenkomsten tussen de staat en DNB ziet op het Nederlandse aandeel in de via de Bank voor Internationale Betalingen (BIS) te verstrekken kredietfaciliteiten. Als verplichtingenraming (stelpost) wordt jaarlijks een garantieplafond van € 113 mln. in de ontwerpbegroting opgenomen. De laatste jaren is er geen gebruik gemaakt van deze regeling daarom is de garantieverplichting in de begroting van 2015 niet meer opgenomen. In de tabel «overzicht verstrekte garanties» is de stelpost in 2014 nog wel opgenomen, tevens is het verval van de stelpost in 2014 opgenomen.

15., 16. en 17. EFSF, EFSM en ESM

In 2010 besloten is besloten tot de oprichting van de Europese noodmechanismen EFSM en EFSF en tot de oprichting van een permanent noodmechanisme, European Stability Mechanism (ESM). Dit vindt plaats naar aanleiding van ernstige onrust op de Europese kapitaalmarkten die de financiële stabiliteit in het eurogebied bedreigde. De noodmechanismen kunnen steun verstrekken aan landen in nood onder strikte beleidscondities. Op dit moment staat Nederland voor € 49,6 mld. garant voor het EFSF, € 2,8 mld. voor het EFSM en € 35,4 mld. voor het ESM. De noodfondsen ontvangen rentevergoedingen voor de verstrekte leningen.

18. EIB-kredietverlening in ACP en OCT

De Europese Investeringsbank (EIB) verricht activiteiten in de landen in Sub-Sahara Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACP – landen), alsmede Europese Overzeese Gebieden (OCT – landen). De projecten richten zich op economische ontwikkeling van deze landen via de ontwikkeling van de private sector en de financiële sector, investeringen in infrastructuur en het verbeteren van het ondernemingsklimaat. Een deel van deze activiteiten wordt bekostigd met een revolverend fonds dat gefinancierd wordt door het European Development Fund (EDF). De EIB financiert daarnaast ook met eigen middelen, hierop hebben de lidstaten een garantie afgegeven voor het politieke risico.

19. Kredieten EU-betalingsbalanssteun

De Europese Betalingsbalansfaciliteit is bedoeld voor niet-eurolanden met feitelijke of ernstig dreigende moeilijkheden met betrekking tot de lopende rekening van de betalingsbalans of het kapitaalverkeer. De EU draagt bij aan de stabiliteit door het verstrekken van leningen via de Betalingsbalansfaciliteit. Alleen lidstaten die de euro (nog) niet hebben ingevoerd kunnen aanspraak maken op de Betalingsbalansfaciliteit. Om de financiële ondersteuning te kunnen financieren is de Commissie gemachtigd om namens de EU geld aan te trekken op de kapitaalmarkten. Deze leningen worden gegarandeerd door de EU-lidstaten via de EU-begroting. Uit de betalingsbalansfaciliteit kan voor een maximum aan € 50 mld. aan leningen worden verstrekt. Het Nederlandse aandeel in deze garantie is circa € 2,3 mld.

20. en 21. Wereldbank Groep

De Multilateral Investment Guarantee Agency is een onderdeel van de Wereldbank Groep. Deze organisatie ondersteunt de private sector bij het verzekeren van buitenlandse investeringen. De activiteiten van MIGA worden gefinancierd door aandelenkapitaal (paid-in) en de rest wordt verstrekt in de vorm van garanties (callable capital).

Een ander onderdeel van de Wereldbank Groep is de Internationale Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (IBRD). IBRD functioneert als een soort coöperatieve bank, waarvan lidstaten aandeelhouder zijn. Op basis van ingelegd aandeelkapitaal en garanties, leent IBRD in op kapitaalmarkten en worden leningen verstrekt. De staat verhoogt de garantie aan de Wereldbank in 2014 en 2015 met € 178 mln., deze mutatie is opgenomen in de tabel overzicht verstrekte garanties.

22. EBRD6

De Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) is opgericht om de landen in Midden- en Oost-Europa en de voormalige Sovjet Unie bij te staan in hun transitie naar een democratie en naar een markteconomie. Inmiddels is het operatiegebied uitgebreid met een aantal Centraal-Aziatische landen en enkele Noord-Afrikaanse landen. Het mandaat van de Bank is specifiek gericht op de transitie van (ex-communistische) economieën naar markteconomieën en integratie daarvan in de wereldeconomie. De EBRD wordt gefinancierd door aandelenkapitaal, waarvan zo’n 20% is ingelegd door de lidstaten (paid-in) en de rest wordt verstrekt in de vorm van garanties (callable capital).

23. De Europese Investeringsbank (EIB)

De Europese Investeringsbank heeft tot taak, met een beroep op de kapitaalmarkten en op haar eigen middelen, bij te dragen aan een evenwichtige en ongestoorde ontwikkeling van de interne markt in het belang van de Unie. Op basis van kapitaal en garanties van de lidstaten leent de EIB op de kapitaalmarkt waarmee het middelen genereert voor investeringen in zowel de publieke als de private sector.

24. DNB- Deelneming in kapitaal IMF

Bij het IMF gaat het om een garantie die de Nederlandse Staat aan DNB verleent om het risico te dekken indien het Fonds in gebreke blijft. De garantieverstrekking is daarmee dus in feite een nationale aangelegenheid. Deze garantie staat wel op de begroting, maar wordt alleen ingeroepen in het geval dat het IMF niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en een beroep doet op middelen van DNB. Een deel van de garantie is tijdelijk en/of afhankelijk van ratificatie door de deelnemers van het IMF. Hierdoor kan de garantie dalen.

25. Regeling Investeringen

De staat kan jaarlijks voor maximaal € 454 mln. aan verplichtingen aangaan voor nieuwe investeringsverzekeringen. Via deze verzekeringen worden Nederlandse bedrijven die langdurig investeren gedekt tegen het politieke risico dat zij lopen in het buitenland. In 2014 is er voor € 5,8 mln. aan garantie afgegeven, daarnaast is er € 57,2 mln. aan garantie vervallen.

26. MIGA- herverzekering

Herverzekering MIGA betreft de herverzekering van investeringsverzekeringen afgesloten door Nederlandse exporteurs onder de MIGA-faciliteit van de Wereldbank. Om deze herverzekeringscapaciteit af te bakenen is een separaat garantieplafond opgesteld. In 2014 zijn er geen garanties afgegeven of vervallen.

27. Exportkredietverzekering

De Nederlandse Staat biedt de mogelijkheid voor het verzekeren van betalingsrisico’s verbonden aan het handels- en dienstenverkeer met het buitenland. Het productenassortiment van de EKV-faciliteit omvat momenteel onder andere: de exporteurspolis, financieringspolis, koersrisicoverzekering, werkkapitaaldekking en verzekering van garanties. In 2014 is er voor € 8,9 mld. aan garantie afgegeven, daarnaast is er € 16,4 mld. aan garantie vervallen. De vervallen garanties zien voor een groot deel op de wijziging van de administratie van het valutarisico. Door deze wijziging wordt aangesloten bij de systematiek van andere internationale garanties. Zie ook de toelichting bij artikel 5 Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen.

Voor de totale exportkredietverzekeringenfaciliteit (waaronder 23. Regeling Investeringen en 24. MIGA-herverzekering) is er in 2014 een begrotingsreserve opgericht. Ultimo 2014 bedroeg deze reserve ruim € 186 mln. Daarnaast valt de Seno-Gom faciliteit onder de EKV. Deze faciliteit wordt afbeheerd en de middelen uit de bijbehorende begrotingsreserve vallen de komende jaren vrij. In 2014 is er ruim € 66 mln. vrijgevallen.

4. BELEIDSARTIKELEN

4.1 Belastingen

A: Algemene doelstelling

Het genereren van inkomsten voor de financiering van overheidsbeleid. Solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving is hiervoor de basis. Doeltreffende en doelmatige uitvoering van die wet- en regelgeving zorgen ervoor dat burgers en bedrijven bereid zijn hun wettelijke verplichtingen ten aanzien van de Belastingdienst na te komen (compliance).

B: Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor het beleid en de uitvoering op het terrein van de belastingen. Het beleid is gericht op een eenvoudig, solide en fraudebestendig belastingstelsel. Een belastingstelsel dat begrijpelijk is en dat de administratieve lasten voor burgers en bedrijven en de uitvoeringskosten voor de Belastingdienst waar mogelijk reduceert. Een belastingstelsel dat een solide belastingopbrengst oplevert, zonder willekeurige schommelingen. Een eerlijk belastingstelsel waarbij uitholling van de belastinggrondslag effectief kan worden bestreden, zodat ieder zijn deel bijdraagt.

C: Beleidsconclusies

De Belastingdienst richt zich op het vergroten van de mate van zekerheid over de belastingontvangsten en het terugbrengen van de nalevingstekorten. De Belastingdienst bevordert de naleving door passende dienstverlening te leveren, adequaat toezicht uit te oefenen en zo nodig de nakoming van de verplichtingen bestuurs- of strafrechtelijk af te dwingen. Compliance wordt afgemeten aan de mate waarin burgers en bedrijven tijdig, juist en volledig aangifte doen en tijdig betalen. Om het nalevingstekort te meten doet de Belastingdienst steekproeven in de segmenten Particulieren en Midden- en Kleinbedrijf. De uitkomsten van de steekproeven worden geëxtrapoleerd en geven een schatting van het macro correctiepotentieel bij de geregistreerde belastingplichtigen. De Belastingdienst wil met het zo verkregen inzicht (bijvoorbeeld in de achterliggende oorzaak van de fouten, de aard van de fouten, de belastingmiddelen waar de fouten zich manifesteren, de soort belastingplichtigen en branches), scherpere keuzen maken in de handhaving en inzet van zijn beschikbare capaciteit. De meest recente stand van de compliancefactoren zijn in de volgende tabel opgenomen:

Tabel Compliance
Realisatie meetbare gegevens (kengetal) bij de algemene doelstelling

Jaar1

Realisatie

2010

Realisatie

2011

Realisatie

2012

Realisatie

2013

Realisatie

2014

Percentage aangiften omzetbelasting tijdig ontvangen

95,0%

95,8%

n.v.t.

95,3%

95,1

Percentage aangiften loonheffingen tijdig ontvangen

97,9%

98,2%

n.v.t.

99,1%

99,2

Juist en volledig aangifte doen; percentage nalevingstekort op basis van de steekproef Particulieren (uitgedrukt als percentage van de totale belastingopbrengst voor dit segment)2

1,5%

2,5%

n.v.t.

1,1%

n.v.t.

Juist en volledig aangifte doen; percentage nalevingstekort op basis van de steekproef Midden- en Kleinbedrijf (uitgedrukt als percentage van de totale belastingopbrengst voor dit segment)

6,1%

5,8%

n.v.t.

4,4%

n.v.t.

Percentage aanslagen op tijd betaald

86%

86%

84%

83%3

82%

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie

Voor de tijdige ontvangst van de aangiften omzetbelasting en loonheffing en de tijdige betaling van de aanslagen hebben de percentages betrekking op de aangiften resp. aanslagen uit het voorgaande kalenderjaar.

De steekproef Particulieren 2010, 2011 en 2013 betreft de meting over het aangiftejaar 2006, 2008 resp. 2010.

De steekproef MKB 2010, 2011 en 2013 betreft de meting over het aangiftejaar 2007, 2008 resp. 2010.

X Noot
1

Het jaartal is het jaar waarin de uitkomsten van de metingen worden gerapporteerd.

X Noot
2

excl. IB aangiften van ondernemers en partners van ondernemers

X Noot
3

Cijfer 2013 gecorrigeerd in verband met gewijzigde definitie

Toelichting

De tijdigheid van aangifte gedrag laat over de afgelopen jaren geen bijzondere ontwikkeling zien.

De daling in het percentage op tijd betaalde aanslagen van de vier grote middelen IH, LB, OB en Vpb wordt met name veroorzaakt door een afname van het aantal tijdige betalingen op aanslagen IH.

De mate van compliance wordt verder jaarlijks getoetst door middel van een set enquêtevragen aan burgers en bedrijven in de Fiscale Monitor. Dit is een onderzoek naar een breed scala van onderwerpen onder de doelgroepen particulieren, toeslaggerechtigden, ondernemers, douaneklanten, fiscaal dienstverleners en de toeslagen intermediairs. De belastingmoraal is gemeten door middel van het voorleggen van een aantal stellingen, waarbij gevraagd is in hoeverre men het ermee eens of oneens is:

Tabel belastingmoraal

Realisatie meetbare gegevens bij de algemene doelstelling

Kengetal (in %)

Realisatie

2010

Realisatie

2011

Realisatie

2012

Realisatie

2013

Realisatie

2014

Belastingontduiking is onaanvaardbaar

93

93

93

92

92

Zelf belasting ontduiken is uitgesloten

90

88

88

88

87

Belasting betalen betekent iets bijdragen

35

34

37

35

37

Ervaren kans op ontdekking

86

84

81

80

82

Bron: Fiscale monitor

Toelichting

De cijfers van de belastingmoraal zijn over de jaren heen erg stabiel. In de webrapportage www.fiscalemonitor.nl zijn ook de overige resultaten van de Fiscale Monitor 2014 te bekijken.

D: Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Beleidsartikel 1 Belastingen
Bedragen x € 1.000
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2010

2011

2012

2013

2014

2014

2014

Verplichtingen

3.346.024

3.528.988

3.357.051

3.273.683

2.933.935

3.297.439

– 363.504

               

Uitgaven (1) + (2)

3.414.784

3.394.668

3.268.814

3.187.000

3.210.167

3.297.439

– 87.272

               

(1) Programma-uitgaven

470.975

592.293

445.016

241.860

229.451

406.614

– 177.163

waarvan:

             

Rente

             

Belasting- en invorderingsrente

466.035

587.867

440.182

236.375

223.783

395.700

– 171.917

Rentevergoeding depotstelsel

     

0

0

5.000

– 5.000

               

Bekostiging

   

4.834

5.485

5.668

5.914

– 246

Proceskosten

   

3.872

3.749

3.865

3.536

329

Overige programma-uitgaven

4.940

4.427

962

1.736

1.803

2.378

– 575

               

(2) Apparaatsuitgaven

2.943.809

2.802.374

2.823.798

2.945.140

2.980.716

2.890.825

89.891

waarvan uitvoering fiscale wet- en regelgeving en douanetaken Caribisch Nederland

       

13.211

9.502

3.709

               

Personele uitgaven

   

2.063.064

2.105.757

2.235.931

2.136.729

99.202

waarvan: Eigen Personeel

   

1.877.434

1.875.697

1.995.071

1.971.326

23.745

waarvan: Inhuur externen

   

185.630

230.060

240.860

165.403

75.457

               

Materiële uitgaven

   

760.734

839.382

744.785

754.096

– 9.311

waarvan: ICT

   

232.263

247.976

237.586

213.456

24.130

waarvan: Bijdrage SSO's

   

222.993

228.255

211.555

230.186

-18.631

               

Ontvangsten (3) + (4)

112.796.839

109.815.639

105.863.956

108.151.202

116.225.745

115.246.411

979.334

               

(3) Programma-ontvangsten

   

105.838.010

108.124.386

116.204.039

115.226.789

977.250

waarvan:

             

Belastingontvangsten

111.828.592

108.883.363

105.037.894

107.503.003

115.402.186

114.368.836

1.033.350

               

Rente

             

Belasting- en invorderingsrente

580.676

511.029

432.004

255.029

372.452

468.000

– 95.548

               

Boetes en schikkingen

             

Ontvangsten boetes en schikkingen

359.297

394.396

168.749

167.381

218.885

192.677

26.208

               

Bekostiging

             

Kosten vervolging

   

199.363

198.973

210.516

197.276

13.240

               

(4) Apparaatsontvangsten

28.274

26.851

25.946

26.816

21.706

19.622

2.084

Verplichtingen (– € 363,5 mln.)

Voor een toelichting op de verplichtingen wordt verwezen naar de toelichting op de uitgaven. Het verschil tussen het totaal van de gerealiseerde verplichtingen en de gerealiseerde uitgaven wordt verklaard door een lagere stand van de openstaande betalings- en garantieverplichtingen ultimo 2014.

Uitgaven (– € 87,3 mln.)

Uitgaven Belasting- en invorderingsrente (– € 171,9 mln.)

De uitgaven aan belasting- en invorderingsrente zijn € 171,9 mln. lager dan oorspronkelijk geraamd.

De belangrijkste oorzaak is dat bij de introductie van de belastingrente het budgettaire effect als één gesaldeerd bedrag in de raming is opgenomen. Er was toen nog weinig bekend over de werkelijke verdeling over ontvangsten en uitgaven. De raming van zowel de ontvangsten als de uitgaven is daarom (budgettair neutraal) met € 160 miljoen bijgesteld. Daarnaast zijn de rente-uitgaven, die voortvloeien uit het arrest van de Hoge Raad inzake het vergoeden van samengestelde rente, niet in 2014 gerealiseerd, maar worden deze in 2015 uitbetaald.

Apparaatsuitgaven Belastingdienst (+ € 89,9 mln.)

De apparaatsuitgaven van de Belastingdienst zijn € 89,9 mln. hoger dan oorspronkelijk geraamd. Deze middelen zijn verdeeld over de personele en materiële uitgaven. Het grootste deel hiervan is toegekend met de Voorjaarsnota, namelijk de volgende middelen:

  • extra uitvoeringskosten van fiscale wet- en regelgeving (+ € 24,5 mln.);

  • extra apparaatsuitgaven in verband met werkzaamheden voor derden die worden doorbelast (+ € 6 mln.);

  • Extra ICT uitgaven om systemen en processen robuuster te maken (+ € 35 mln.);

  • hogere uitgaven als gevolg van extra werkzaamheden die voortvloeien uit het Toeslagen Verstrekkingen Systeem (+ € 5,9 mln.);

  • hogere uitgaven (+ € 12 mln.) als gevolg van maatregelen in het kader van één bankrekeningnummer, zoals opgenomen in de brief d.d. 3 maart 2014 (Kamerstukken II 2013/14, 31 066, nr. 192);

Gedurende de uitvoering van het begrotingsjaar voorzag de Belastingdienst een tekort voor 2014. Bij Najaarsnota zijn vervolgens extra middelen toegekend (€ 14,7 mln.). Dit betreft de jaarlijkse loonbijstelling (€ 4,0 mln.) en extra middelen ten behoeve van extra uitvoeringskosten voor fiscale wet- en regelgeving en werkzaamheden in het primaire proces. De toekenning van de middelen was echter niet toereikend voor het voorziene tekort. De Belastingdienst is binnen de budgettaire kaders gebleven door een aantal uitgavenposten voor het jaar 2014 (€ 11 mln.) niet te realiseren in 2014, maar door te schuiven naar 2015.

Ontvangsten (+ € 979,3 mln.)

Belastingontvangsten (+ € 1.033 mln.)

De realisatie van de belastingontvangsten wordt toegelicht in het Financieel Jaarverslag Rijk.

Ontvangsten Belasting- en invorderingsrente (– € 95,5 mln.)

De ontvangsten aan belasting- en invorderingsrente zijn € 95,5 mln. lager dan oorspronkelijk geraamd. Zie de toelichting bij de Uitgaven Belasting- en invorderingsrente inzake de ramingsbijstelling van – € 160 mln. Daarnaast is, als gevolg van een hogere aanslagoplegging, voor ruim € 70 mln. meer rente ontvangen op Vpb-aanslagen.

Boetes en schikkingen (+ € 26,2 mln.)

De ontvangsten uit boetes en schikkingen zijn hoger dan geraamd. Dit is met name veroorzaakt door een toename van de geïnde verzuimboetes voor te laat betaalde aangiften motorrijtuigenbelasting en door een hoger rijksaandeel in de boetes inkomstenbelasting (als gevolg van het vaststellen van nieuwe verdeelsleutels met de sociale fondsen).

Kosten vervolging (+ € 13,2 mln.)

De raming kosten vervolging is in het voorjaar verhoogd met € 10 mln., op basis van het vermoedelijke beloop. Uiteindelijk is er nog een additionele meevaller ontstaan van € 3,2 mln.

Apparaatsontvangsten (+ € 2,1 mln.)

De realisatie ligt € 2,1 mln. hoger dan de oorspronkelijke raming. Tegenover deze ontvangsten staan extra uitgaven. Het betreft met name de vergoeding voor het verrichten van diensten aan derden.

E. Toelichting op de instrumenten

Fiscaal beleid en wetgeving

E.1: Genereren van inkomsten – fiscale wet- en regelgeving

Het genereren van inkomsten ten behoeve van uitgaven voor de rijksbegroting, de sociale fondsen en de zorgverzekeringen door middel van het ontwikkelen van solide, eenvoudige en fraudebestendige fiscale wet- en regelgeving die ook in internationale context werkbaar is.

In de jaren 2012 en 2013 is het, onder druk van steeds nieuwe bezuinigingen, nodig gebleken naast reguliere jaarlijkse wetgevingstrajecten ook tussentijds aanvullende fiscale pakketten te maken (voortvloeiend uit bijv. het Lente-akkoord, het regeerakkoord en Herfstakkoord). In 2014 was geen sprake van tussentijdse aanvullende pakketten en daardoor was er meer ruimte voor andere beleidsbepalende fiscale trajecten.

Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen

In 2013 is het wetsvoorstel Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen ingediend. Dit wetsvoorstel was gericht op de aanpassing van het Witteveenkader. In de Eerste Kamer is dit wetsvoorstel op verzoek van de Staatssecretarissen van Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangehouden voor nader beraad. Het kabinet heeft besloten met wijzigingsvoorstellen te komen en daarvoor zo spoedig mogelijk een novelle in te dienen. Op 20 januari 2014 is de novelle op de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen ingediend. In het wetsvoorstel is onder meer geregeld dat per 1 januari 2015 de opbouwpercentages worden verlaagd, een aftoppingsgrens gaat gelden van € 100.000 per dienstbetrekking en voor het inkomen boven de aftoppingsgrens een nettolijfrente wordt geïntroduceerd. Daarnaast is uitvoering gegeven aan de wens van de Tweede Kamer om naast de nettolijfrente in de derde pijler ook nettopensioen in de tweede pijler mogelijk te maken. Op 27 mei 2014 is de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen aangenomen door de Eerste Kamer.

Brief Brede agenda Belastingdienst

In de brief Brede agenda Belastingdienst is aangegeven dat de afgelopen jaren, mede als gevolg van de diverse gesloten akkoorden, zeer veel fiscale wetgeving op de Belastingdienst is afgekomen. Dit is een van de zaken die heeft geleid tot problemen bij uitvoering op het gebied van belastingen en toeslagen. De Brede agenda voor de Belastingdienst dient om te komen tot een robuuste en toekomstvaste uitvoering van de belastingwetgeving. Vereenvoudiging van het fiscale stelsel (spoor A) is daarvoor cruciaal geworden. De andere sporen van de Brede agenda hebben betrekking op het robuuster maken van de werkprocessen van de Belastingdienst (spoor B) en het helder stellen van de verwachtingen en rapporteren over de prestaties (spoor C).

Brief Keuzes voor een beter belastingstelsel

In juni 2013 heeft de commissie inkomstenbelasting en toeslagen (ook wel de commissie Van Dijkhuizen) haar eindrapport uitgebracht. Daarin is een aantal aanbevelingen opgenomen voor de verbetering van het stelsel van de inkomstenbelasting en de toeslagen. De brief Keuzes voor een beter belastingstelsel is op Prinsjesdag 2014 naar de Tweede Kamer gestuurd. In de brief worden de ambities toegelicht die het kabinet heeft met de herziening van het belastingstelsel en worden de inhoudelijke bewegingen naar een toekomstig stelsel geschetst. De voorstellen van de commissie Van Dijkhuizen komen daar voor een deel in terug. In de brief is bovendien aangegeven dat het kabinet wetgeving zal voorbereiden met daarin maatregelen die bijdragen aan vereenvoudiging.

Energie- en milieuwetgeving

Fiscale maatregelen die leiden tot energiebesparing en tot meer duurzame energie staan constant in de belangstelling en maakten onderdeel uit van het SER Energieakkoord. De uitwerking van dat akkoord heeft ook in 2014 de nodige aandacht gevraagd. Toegezegd was in 2014 nader onderzoek te doen naar de vraag of het mogelijk was dat ondernemers gebruik kunnen maken van het verlaagde tarief energiebelasting voor lokaal duurzaam opgewekte energie en of de huursector ook gebruik kon maken van de vrijstelling voor duurzame energie die zelf wordt opgewekt. Dit bleek mogelijk en de maatregelen zijn opgenomen in het Belastingplan 2015 dat in december 2014 is aanvaard. Daarnaast is in de Begrotingsafspraken 2014 de belasting op het storten van afval geherintroduceerd. Voorts is in de Begrotingsafspraken 2014 de belasting op leidingwater verhoogd en is het plafond van 300m3 losgelaten. Voor beide maatregelen is toegezegd dat in 2014 in overleg met de betrokken partijen de knelpunten in kaart zouden worden gebracht. De daaruit voortvloeiende noodzakelijke aanpassingen zijn meegenomen in het Belastingplan 2015. Tot slot is met Prinsjesdag 2014 een brief naar de Tweede Kamer gestuurd met een visie op fiscale vergroening. Deze brief heeft zich gericht op de relatie tussen de inzet van fiscale instrumenten en vergroening, maar ook hoe Nederland presteert op het gebied van fiscale vergroening.

Bouwstenennotitie schenk- en erfbelasting

Tijdens de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2014 in 2013 bleek in beide Kamers behoefte te bestaan aan inzicht in de budgettaire gevolgen van diverse in de Kamers levende wensen in de tariefsfeer in de schenk- en erfbelasting. Toegezegd is om te schetsen wat mogelijke bouwstenen in de schenk- en erfbelasting zouden kunnen zijn, zonder hierbij beleidsmatige keuzes te maken. Op Prinsjesdag 2014 is een notitie met deze bouwstenen – in de vorm van een spoorboekje met parameters – als bijlage bij de toezeggingenbrieven aan beide Kamers opgenomen.

Herziening fiscale regeling aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten

Aan de Tweede Kamer is toegezegd dat de regering in de loop van 2015 met voorstellen komt om de fiscale regeling aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten fundamenteel te herzien. Aanvankelijk was het idee in 2014 met een voorstel hiervoor te komen. Besloten is echter eerst een (extern) evaluatieonderzoek in te stellen naar de werking van de huidige regeling. Het onderzoek moet nog worden gestart, het streven is om voor de zomer van 2015 te kunnen beschikken over de resultaten van het onderzoek.

Belastingplan 2015

In het Belastingplan 2015 is een groot deel van de noodzakelijke wijzigingen in fiscale wetten voor de te realiseren algemene beleidsdoelstellingen opgenomen en dit wetsvoorstel is op 1 januari 2015 in werking getreden. Het Belastingplan 2015 was bewust beperkter van omvang dan de pakketten Belastingplan in de afgelopen jaren, mede omdat de Belastingdienst gebaat is bij een jaar waarin uitvoering gegeven moet worden aan relatief weinig wetgeving. In het Belastingplan 2015 zijn de resterende fiscale maatregelen uit het regeerakkoord en de Begrotingsafspraken 2014 uitgewerkt, zoals de maatregel strekkende tot het aanpassen van de doelmatigheidsmarge van de gebruikelijkloonregeling opgenomen. Verder is in het Belastingplan 2015 onder meer opgenomen het vervallen van het keuzeregime in de werkkostenregeling, een aantal stimulerende woningmarktmaatregelen en aanpassingen van de autobelastingen. Voorts zijn in het Belastingplan een beperkt aantal maatregelen opgenomen die direct bijdragen aan vereenvoudiging en daardoor bijdragen aan het terugdringen van de uitvoeringskosten en de administratieve lasten.

Onderzoek ter voorbereiding van Autobrief II

Bij de behandeling van de Wet uitwerking Autobrief is toegezegd ruim voor 2015 een evaluatie te starten en te komen tot een periodieke herijking van de CO2-grenzen voor de periode 2016–2019. Een eerste evaluatie, in de vorm van een overzicht van de verkopen van zuinige, zeer zuinige en nulemissie auto’s, is tijdens de behandeling van het Belastingplan 2015 naar de Kamer gezonden. Het onderzoek ter voorbereiding van Autobrief 2.0 waarin voorstellen voor de maatregelen voor de periode 2016–2019 moeten worden opgenomen, is in 2013 gestart. Het kabinet heeft het afgelopen jaar echter aangegeven in het kader van de stelselherziening binnen het domein autobelastingen in te zetten op (onder andere) een vereenvoudiging van die belastingen. De autobelastingen worden daarom meegenomen in de bredere draagvlakpeiling rond de stelselherziening. Dat heeft tot gevolg gehad dat de Autobrief 2.0 niet, zoals eerder toegezegd, in 2014 naar de Tweede Kamer gestuurd is, maar dat deze toezending medio 2015 zal plaatsvinden.

Modernisering vennootschapsbelastingplicht overheidsondernemingen

In de afgelopen jaren is verkend hoe overheidsondernemingen in de vennootschapsbelasting betrokken kunnen worden. In 2014 is het wetsvoorstel Modernisering vennootschapsbelastingplicht overheidsondernemingen ingediend. Met dit wetsvoorstel neemt het kabinet maatregelen om een gelijk speelveld te creëren voor vennootschapsbelastingplichtige particuliere ondernemingen en overheidsbedrijven die niet aan vennootschapsbelasting zijn onderworpen. Ook wordt in dit wetsvoorstel de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen gemoderniseerd. Het wetsvoorstel ligt inmiddels in de Eerste Kamer.

Beschikking Geen Loon

Op 22 september 2014 is een wetsvoorstel ingediend voor de vervanging van de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) door de Beschikking Geen Loon (BGL). Met de invoering van de BGL is de opdrachtgever medeverantwoordelijk voor de vraag of feitelijk sprake is van een dienstbetrekking. Als gevolg van die medeverantwoordelijkheid kan ook de opdrachtgever aansprakelijk worden voor de afdracht van de loonheffingen. Het wetsvoorstel is op dit moment nog aanhangig in de Tweede Kamer.

Belastingverdragen

De Nederlandse overheid onderhandelt voortdurend met andere landen over (nieuwe) belastingverdragen. In 2014 is Nederland onder meer gesprekken aangegaan met België, Bulgarije, Duitsland, Ierland, Polen en Rusland. Doel van de onderhandelingen is een nieuw of gewijzigd belastingverdrag. Daarnaast heeft het kabinet reeds in 2013 aangekondigd om 23 ontwikkelingslanden waarmee Nederland een belastingverdrag heeft, of waarmee onderhandelingen lopen, aan te bieden om anti-misbruikmaatregelen in die verdragen op te nemen. In 2014 is met deze landen contact gelegd en zijn gesprekken gevoerd met enkele van deze landen, waaronder Ghana, Kenia en Zambia.

Fiscaal vestigingsklimaat

Nederland heeft een goed vestigingsklimaat. Het fiscale vestigingsklimaat is een belangrijk facet hiervan. Het fiscale vestigingsklimaat staat echter onder druk van andere landen die aantrekkelijke Nederlandse fiscale maatregelen kopiëren. Vanwege zijn aantrekkelijke fiscale vestigingsklimaat ligt Nederland ook extra onder het vergrootglas in de discussie over internationale belastingontwijking. Nederland is van mening dat dit een internationale problematiek betreft die alleen internationaal echt tot een oplossing kan worden gebracht. Nederland participeert actief in internationale initiatieven op het terrein van het tegengaan van internationale belastingontwijking door multinationals, zoals in het OESO BEPS-project (Base Erosion and Profit Shifting) en binnen de Europese Unie, waar maatregelen worden ontwikkeld die aan een dergelijke oplossing kunnen bijdragen op een wijze die alle landen op eenzelfde manier binden. In beide fora zijn het afgelopen jaar belangrijke stappen gezet. Waar dat mogelijk is, loopt Nederland voorop. Dit is onder andere op het gebied van transparantie en uitwisseling van inlichtingen, waarbij de regering ook enkele eenzijdige maatregelen heeft getroffen.

BELASTINGDIENST

E.2: Dienstverlening

De Belastingdienst bevordert met passende dienstverlening dat burgers en bedrijven hun wettelijke verplichtingen nakomen.

Doelbereiking

De bereikbaarheid van de BelastingTelefoon over het jaar 2014 ligt onder de streefwaarde en de afhandeling van bezwaren en klachten is niet binnen de Awb-termijn gerealiseerd. De overige realisaties zijn op het gewenste niveau.

Realisatie meetbare gegevens

Prestatie-indicator (in %)

Realisatie

2010

Realisatie

2011

Realisatie

2012

Realisatie

2013

Streefwaarde

20141

Realisatie

2014

Bereikbaarheid Belastingtelefoon (BT)

83

82

82

79

80–852

63

Kwaliteit beantwoording fiscale vragen BT

87

87

86

86

80–85

88

Afgehandelde bezwaren binnen Awb-termijn

87

94

94

93

95–100

87

Afgehandelde klachten binnen Awb-termijn

           

Klanttevredenheid3:

98

96

95

98

98–100

93

Internet

89

90

90

91

80–90

94

Balie

91

76

89

85

80–90

92

Telefonie

83

         

Algemeen

 

82

81

85

70–80

79

Intermediairs

 

82

87

89

80–90

83

Bron: Fiscale monitor en Belastingdienst/Centrale Administratie

X Noot
1

De streefwaarden van de Belastingdienst worden weergegeven in bandbreedtes. Hiermee geeft de Belastingdienst per prestatie-indicator aan wat de onder- en de bovengrens is.

X Noot
2

De ervaring leert dat gedurende een aantal momenten in het jaar het aanbod zo groot is dat het de capaciteit van de BelastingTelefoon overtreft. Het vergroten van de capaciteit, gericht op het afvangen van dit piekaanbod, is niet doelmatig. Daarom wordt in deze periodes de bereikbaarheidsnorm niet volledig gerealiseerd. De doelstelling van 80–85% geldt als gemiddelde jaardoelstelling.

X Noot
3

De in de tabel opgenomen realisatie heeft betrekking op klanten die neutraal tot zeer positief scoren.

Toelichting

De belangrijkste oorzaken van het niet halen van de streefwaarde waren:

  • 1. Het hoge telefonieaanbod van 20,8 miljoen belpogingen, een stijging van 23% t.o.v. 2013, wat onder andere veroorzaakt werd door de grote hoeveelheid vragen over de invoering van 1 bankrekeningnummer, SEPA en de Oldtimer- en CO2-wetgeving bij de motorrijtuigenbelasting.

  • 2. Pieken in het telefonisch aanbod als gevolg van het gelijktijdig versturen van meerdere zendingen aan burgers en bedrijven (beschikkingen, aanslagen, brieven).

  • 3. Herhaalverkeer doordat mensen opnieuw bellen na een niet gelukt contact; dit uit zich in een langere wachttijd (145 seconden t.o.v. 125 seconden in 2013). Daarnaast werd de bereikbaarheid negatief beïnvloed als gevolg van verstoringen door uitval of het trager werken van IT-systemen.

In bovenstaande tabel staat het bereikbaarheidspercentage conform de definitie die ook in voorgaande jaren is gehanteerd (63%). Het gaat dan om het deel van de aangeboden telefonie (belpogingen) waarbij een informant het antwoord geeft en daarbij opgeteld het aantal telefoontjes waarbij een bestelling wordt geplaatst in het keuzemenu (bijvoorbeeld een formulier bestellen).

Als rekening wordt gehouden met bellers die in het keuzemenu zelf de telefoon neerleggen, is voor het jaar 2014 de bereikbaarheid 71%. Het gaat dan om bijvoorbeeld burgers die het BSN niet zo snel te kunnen vinden of om burgers en bedrijven die in het keuzemenu het antwoord op hun vraag al krijgen of die positief reageren op het advies in het keuzemenu om op de website het antwoord te vinden.

Bij bezwaren en klachten is het percentage tijdig afgedaan lager dan in 2013. De oorzaak houdt verband met een toename van het aantal bezwaren (12%) en klachten (38%) als gevolg van het massaal opkomen tegen een aantal wijzigingen van regelgeving, waaronder autobelastingen (opheffen vrijstelling CO2, oldtimers regeling, verhoging boetebedrag), erf- en schenkbelasting (art. 12 Successiewet), inkomstenbelasting (gebruik WOZ-waarde) en de belastingrente. Indieners van bezwaren zijn zoveel mogelijk gebeld en bij massale bezwaren zijn op ad hoc basis behandelteams samengesteld. Om de achterstand in de behandeling weg te werken is extra capaciteit geregeld. Voor de komende tijd wordt gewerkt aan verbetering van het behandelproces, waarbij het bezwaarproces wordt geconcentreerd van dertien naar vier locaties. Ook worden de mogelijkheden vergroot om bezwaar digitaal in te dienen en te verwerken.

De meest gebruikte kanalen om informatie te zoeken zijn het internet (websites belastingen, Douane en toeslagen) en de Belastingtelefoon. De mate van tevredenheid over de BelastingTelefoon en de telefonische helpdesk voor intermediairs laat een daling zien ten opzichte van 2013, maar de percentages liggen nog steeds binnen de bandbreedte van de streefwaarde. De daling houdt met name verband met een lagere score op het aspect snelheid waarmee bij het laatste contact een medewerker aan de lijn kwam.

E.3: Toezicht en opsporing

De Belastingdienst oefent adequaat toezicht uit en dwingt, zo nodig, naleving af zodat burgers en bedrijven hun wettelijke verplichtingen nakomen.

Doelbereiking

De doelstellingen voor fiscaal toezicht en toezicht Toeslagen zijn grotendeels gerealiseerd. De doelstellingen van de Douane en de FIOD zijn gerealiseerd.

Misbruik en oneigenlijk gebruik

Belastingheffing en toeslagen zijn gevoelig voor misbruik en oneigenlijk gebruik (M&O), omdat de hoogte van de heffing en de verplichting tot betalen afhankelijk zijn van gegevens die belastingplichtigen en toeslaggerechtigden zelf verstrekken. Dit kan van invloed zijn op de volledigheid van de belastingontvangsten en de juiste uitbetaling van toeslagen. Het tegengaan van M&O bij de uitvoering van wet- en regelgeving vormt derhalve een geïntegreerd onderdeel van het rechtshandhavingsbeleid. Bij het beleidsverslag (3.3) wordt ingegaan op de resultaten van de fraudeaanpak.

Algemeen

Met horizontaal toezicht wil de Belastingdienst zicht krijgen op de mate waarin het bedrijf zelf fiscaal in control is. Periodiek wordt dit getoetst door het uitvoeren van steekproefsgewijze controles. De mate van control bepaalt de vorm en de intensiteit van het benodigde toezicht door de Belastingdienst. Waar horizontaal toezicht (nog) niet mogelijk is, voert de Belastingdienst toezicht achteraf uit.

Realisatie meetbare gegevens

Prestatie-indicator (x 1.000)

Realisatie

2010

Realisatie

2011

Realisatie

2012

Realisatie

2013

Streefwaarde

2014

Realisatie

2014

Aantallen grote ondernemingen onder horizontaal toezicht

     

n.v.t.

3–3,5

2,7

Aantal MKB ondernemingen onder een horizontaal toezichtconvenant

     

89

75–100

109

Aantallen behandelde aangiften IH (betreft Particulieren en MKB)

     

n.v.t.

1.000–1.225

1.049

Aantallen behandelde aangiften Vpb

     

n.v.t.

29–37

34

Aantallen boekenonderzoeken

 

33

87

n.v.t.

35,75–38,75

38,27

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie

Toelichting

Het aantal grote ondernemingen onder horizontaal toezicht ligt met 2.694 onder de streefwaarde (3.000–3.500). Dit houdt verband met een wijziging in de classificatie van ondernemingen door de Belastingdienst (grote ondernemingen respectievelijk MKB ondernemingen). Als gevolg daarvan wordt een kleiner aantal ondernemingen als grote onderneming beschouwd. De Belastingdienst richt zich bij groepsgewijze klantbehandeling in het segment MKB op de klantbehandeling via de fiscaal dienstverlener. De doelstelling voor 2014 is met 108.800 ondernemingen ruimschoots gerealiseerd.

Realisatie meetbare gegevens

Prestatie-indicator

Realisatie

2010

Realisatie

2011

Realisatie

2012

Realisatie

2013

Streefwaarde

2014

Realisatie

2014

Percentage contacten met starters; startersbezoeken en klantgesprekken (ten opzichte van het totaal aantal starters);

n.v.t.

20%

23%

22%

15–25%

20,6

Tijdigheid aangiften:

           

Percentage bereikte belastingplichtigen na verzuim (OB)

n.v.t.

64%

69%

70%

50–60%

67%

Percentage bereikte belastingplichtigen na verzuim (LH)

n.v.t.

93%

90%

93%

90–95%

94%

Percentage bereikte belastingplichtigen na verzuim (IH niet-winst)

n.v.t.

87%

74%

77%

65–75%

78%

Achterstand invordering (in %)

2,5

2,4

2,3

2,4

2,5–3,0

2,2

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie

De aanpak voor de contacten met starters is preventief en gericht op het voldoen aan aangifte- en betalingsverplichtingen. De doelstelling is gerealiseerd. De behandelstrategie MKB richt zich steeds meer op digitale ondersteuning van starters en ZZP-ers. Samen met marktpartijen is de Belastingdienst in 2014 betrokken geweest bij initiatieven als het keurmerk Zeker Online, gericht op certificeren van online administratieve diensten, en het keurmerk Betrouwbaar Afrekensysteem, gericht op betrouwbare kassasystemen.

Voor de tijdigheid van aangiften is evenals in vorige jaren een actief beleid gevoerd door zo snel mogelijk contact op te nemen met belastingplichtigen wanneer die verzuimen op tijd aangifte te doen. De doelstellingen voor bereikte belastingplichtigen na verzuim zijn gerealiseerd. In totaal bedraagt het aantal belastingplichtigen voor de IH niet-winst dat te laat aangifte heeft gedaan 432.000 (2013: 465.000). Voor aangiften die niet tijdig zijn binnengekomen heeft de Belastingdienst aanmaningen en ambtshalve aanslagen opgelegd. Ook zijn boetes opgelegd voor het niet tijdig aangifte doen.

Resultaten invordering

Kengetal

2010

2011

2012

2013

2014

Betalingsachterstand in bedragen (x € mln.)

4.285

4.280

4.201

4.503

4.321

Oninbare vorderingen (%)1

0,6

0,6

0,7

0,7

0,6

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie

X Noot
1

Cijfers gecorrigeerd in verband met gewijzigde definitie waarbij rekening wordt gehouden met de ontvangsten die alsnog binnenkomen op oninbaar geleden vorderingen.

Een deel van de burgers en bedrijven betaalt niet of niet tijdig zijn belastingen. De Belastingdienst neemt invorderingsmaatregelen om achterstallige vorderingen alsnog te innen. Het beleid van invordering is er op gericht zo actueel mogelijk te zijn om te voorkomen dat vorderingen oud worden en de inning lastiger wordt. In 2014 is de betalingsachterstand ten opzichte van 2013 licht gedaald. Ook het percentage oninbare vorderingen is gedaald:

Toeslagen

Prestatie-indicator

Realisatie

2010

Realisatie

2011

Realisatie

2012

Realisatie

2013

Streefwaarde

2013

Realisatie

2014

Toezicht toeslagen

Deels behaald

Grotendeels behaald

Behaald

Aangepaste planning n.a.v. ontwikkelingen gedurende het jaar

Het toezicht wordt volgens plan uitgevoerd

Grotendeels behaald

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie

Toelichting

Het toezicht op toeslagen vindt plaats op basis van een met de betrokken beleidsdepartementen afgestemd toezichtplan. De zorgtoeslag, huurtoeslag en kinderopvangtoeslag berusten op grondslagen die zoveel mogelijk geverifieerd worden met gegevens uit onafhankelijke registraties op basis van contra-informatie. In 2014 was het toezicht voorafgaand aan de eerste uitbetaling vooral gericht op het controleren van risicoadressen en bewijsstukken van onbekende aanvragers en de monitoring van IP-adressen die door aanvragers zijn gebruikt om het toeslagenportaal te benaderen. Door het verlengen van de beslistermijn voor risicovolle aanvragen zijn voor alle vier de toeslagsoorten aanvragen gecorrigeerd, omdat er geen recht op toeslag was. In het Beleidsverslag wordt ingegaan op de resultaten van deze aanpak. Vooral bij de kinderopvangtoeslag en huurtoeslag zijn door de verlengde beslistermijn ook voorschotten en mutaties gecorrigeerd. Bij de controle van de status zorgverzekering heeft dit in de helft van de gecontroleerde uitbetalingen geleid tot correcties. In de fase van definitief toekennen is de controle in het bijzonder gericht op inkomensgegevens en de jaaropgave afgenomen uren kinderopvang.

Toezicht kinderopvangtoeslag

Voor de kinderopvangtoeslag is het deel (circa 16,4%) dat betrekking heeft op de gastouderopvang onzeker in verband met niet objectief vast te stellen uren. Deze onzekerheid bestond ook al vóór 2014 en is het gevolg van beperkingen in wet- en regelgeving en als gevolg daarvan beperkingen in de controlemogelijkheden voor B/Toeslagen.

Douane

Realisatie meetbare gegevens

Prestatie-indicator

Realisatie

2010

Realisatie

2011

Realisatie

2012

Realisatie

2013

Streefwaarde

2014

Realisatie

2014

Controles op de goederenstromen

330.000

342.000

352.000

338.300

295.000 – 365.000

357.000

Gecertificeerde goederenstromen

 

51%

85%

91%

>85%

90,7%

Controles op passagiersvluchten

 

12.500

13.100

13.600

12.000 – 15.000

15.000

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie

Toelichting

Op de niet-gecertificeerde goederenstroom (vracht, koeriers, ambulant) voert de Douane controles uit. Daarbij gaat het om scancontroles en fysieke controles. De doelstellingen zijn gerealiseerd. In het streven naar efficiënt toezicht wordt rekening gehouden met de mate waarin voor de betrouwbaarheid van de administratie kan worden gesteund op een stelsel van interne beheersingsmaatregelen. Dat kan resulteren in certificeringen of convenanten. Een bedrijf dat het certificaat van Authorized Economic Operator verkrijgt (gebaseerd op Europese wetgeving), voldoet aan een aantal gestelde eisen waardoor een lichter controleregime van toepassing is. Daardoor kan het logistieke proces sneller gaan.

De aantallen correcties en processen verbaal, die voortvloeien uit deze controles, zijn opgenomen in onderstaande tabel:

Aantal correcties en processen-verbaal VGEM en fiscaal (x 1.000)

Kengetal

2010

2011

2012

2013

2014

Correcties scan- en fysieke controles vracht

4,4

3,6

3,6

2,6

6,2

Correcties koeriers en postzendingen

16

15

14

15

14

Correcties passagiers

17

20

19

18

19,5

Correcties ambulante controles binnen/buitengrens

4,2

1,9

1,7

1,6

1,5

Correcties administratieve controles

0,7

0,7

0,6

0,5

0,7

Processen-verbaal

32

25

22

26

27

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie

De doelstelling voor het percentage processen-verbaal dat leidt tot veroordeling/transactie is gerealiseerd. De keuze voor de te vervolgen zaken vindt plaats in het overleg tussen het Openbaar Ministerie, de financiële toezichthouders en de FIOD.

FIOD

Prestatie-indicator

Realisatie

2010

Realisatie

2011

Realisatie

2012

Realisatie

2013

Streefwaarde

2014

Realisatie

2014

Percentage processen-verbaal dat leidt tot veroordeling/transactie

76

84

84

85

82–85

83

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie

E.4: Massale processen

De Belastingdienst voert zijn massale processen efficiënt uit.

Doelbereiking

De doelstelling wordt afgemeten aan het aantal postzendingen zonder fouten. De doelstelling is gerealiseerd.

Volumeontwikkeling

Onderstaande tabel geeft de ontwikkeling van het aantal belastingplichtigen en toeslaggerechtigden over de afgelopen jaren weer:

Volumeontwikkeling belastingplichtigen en toeslaggerechtigden (belastingjaar t-1) (x 1.000)

Kengetal

2011

2012

2013

2014

Belastingplichtigen IB/IH

8.408

8.003

7.845

7.847

Belastingplichtigen Vpb

838

853

886

909

Inhoudingsplichtigen LB/LH

642

638

639

647

Inhoudingsplichtigen OB

1.558

1.571

1.637

1.754

Aanvragen toeslagen1

9.073

8.931

8.978

8.596

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie

X Noot
1

De reeks is aangepast in verband met een andere definitie waarbij alle voorlopige toekenningen worden meegeteld.

Toelichting

Op verschillende plaatsen in het ontvangstproces zijn maatregelen getroffen om er op toe te zien dat belastingplichtigen de juiste berichten en gegevens ontvangen. Grote stromen beschikkingen (aanslagen, toeslagen, mailingen) zijn voor verzending systematisch gecontroleerd op juistheid, volledigheid en inhoudelijke (fiscale) kwaliteit. In 2014 zijn 9.645 partijen gecontroleerd. Deze partijen waren in totaal goed voor circa 128,4 miljoen poststukken.

Realisatie meetbare gegevens

Prestatie-indicator

Realisatie

2010

Realisatie

2011

Realisatie

2012

Realisatie

2013

Streefwaarde

2014

Realisatie

2014

Aantal postzendingen zonder fouten

100%

100%

100%

99,3%

≥ 99%

99,9

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie

Een damage is een verstoring in het primaire proces die leidt tot directe gevolgen voor burgers of bedrijven. Het aantal damages is ten opzichte van 2013 afgenomen (67 verstoringen in 2014 tegen 81 in 2013). Op verschillende plaatsen in het ontvangstproces zijn maatregelen getroffen om de goede ontvangst van berichten zeker te stellen. Per eind september is op de website van de Belastingdienst een aparte pagina ingericht waarop direct de verstoringen worden gemeld, inclusief instructie voor de burger wat te doen. De grotere procesverstoringen met maatschappelijke impact worden standaard in de halfjaarsrapportage gemeld.7

Steeds meer belastingplichtigen kiezen voor de digitale aangifte. Voor ondernemers is de score nagenoeg 100%, voor particulieren steeg deze van 96,0% vorig jaar naar 96,5% in 2014. Eén van de maatregelen om de aangifte makkelijker te maken is de vooringevulde aangifte (VIA). Het aantal mensen dat gebruik maakt van deze service steeg van 5,2 miljoen in 2013 naar 6,5 miljoen in 2014. Dit heeft geleid tot een verdere daling van het aantal aangiften op papier.

Aantal ingediende aangiften inkomstenbelasting (belastingjaar t-1) (x 1.000)

Kengetal

2010

2011

2012

2013

2014

Ontvangen aangiften

10.777

11.243

10.968

11.148

11.282

Waarvan digitaal

9.854

10.633

10.448

10.705

10.891

Waarvan papier

923

610

520

443

391

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie

Tijdige afhandeling aangiften (%)

Kengetal

2010

2011

2012

2013

2014

Tijdigheid afhandelen aangiften IB

99,9

99,3

98,5

99,9

99,4

Bron: Belastingdienst/Centrale Administratie

Als regel ontvangen degenen die vóór 1 april hun aangifte inkomstenbelasting doen, vóór 1 juli bericht van de Belastingdienst. De doelstelling voor tijdig afhandelen van aangiften IB bedraagt 98–100% en is met 99,4% ruimschoots gerealiseerd.

4.2 Financiële Markten

A: Algemene doelstelling

Beleid maken voor een stabiele werking van financiële markten, met betrouwbare dienstverlening van financiële instellingen aan burgers en bedrijven.

B: Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën bevordert het goed functioneren van het financiële stelsel en heeft een regisserende rol. De minister is verantwoordelijk voor de Nederlandse wetten en regels ten aanzien van de financiële markten en de institutionele structuur van het toezicht alsmede voor de onderhandelingen over nieuwe regelgeving in Brussel. Het daadwerkelijke toezicht op de financiële markten wordt uitgevoerd door de Nederlandsche Bank, waarbij de verantwoordelijkheid voor het prudentiële toezicht op de grootste banken bij de ECB berust, en de Autoriteit Financiële Markten.

De randvoorwaarden die de Minister stelt voor een integer en stabiel systeem hebben hun basis in de Wet op het financieel toezicht. Het gaat hierbij om (het toezicht op) regelgeving die financiële instellingen stimuleert en verplicht om op integere en transparante wijze te werk te gaan. Met deze regelgeving en dit toezicht wordt eraan bijgedragen dat consumenten en bedrijven met voldoende informatie en vertrouwen financiële producten kunnen afnemen.

De Minister bevordert de educatie van de burger op financieel gebied, streeft naar een integer financieel stelsel met passende regelgeving in de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme en is verantwoordelijk voor de ongestoorde voorziening van voldoende munten in circulatie.

C: Beleidsconclusies

In 2014 zijn verschillende stappen gezet om te komen tot een robuuster financieel stelsel. Verwezen wordt naar de beleidsprioriteiten waarin de Europese bankenunie, en daarbij ook de herziening van de kapitaaleisen, uitgebreid wordt toegelicht. Hieronder wordt ingegaan op andere belangrijke stappen die zijn gezet.

Zo zijn er in 2014 wetswijzigingen voorbereid die in 2015 in werking zijn getreden of naar verwachting in werking zullen treden en die als oogmerk hebben het terugdringen van risico’s en het versterken van cultuur en gedrag in de financiële sector. Deze wijzigingen betreffen onder andere de invoering van tuchtrecht bij banken en de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen (o.a. bonusplafond van maximaal twintig procent van de vaste beloning). Ook is zowel de doelgroep voor de eed en belofte als die voor eisen van geschiktheid en betrouwbaarheid uitgebreid. Voorts is in 2014 de vereiste van kracht geworden dat financieel adviseurs permanent moeten beschikken over de meest actuele kennis. De eerste financieel adviseurs hebben, in meerderheid met goed gevolg, deelgenomen aan centrale-examens om uiterlijk in 2015 hun vakbekwaamheid via vernieuwde diploma’s aan te tonen. In 2014 zijn bovendien, in navolging van het eerdere verbod op provisies bij complexe en impactvolle producten, de provisies voor beleggingsdienstverlening afgeschaft om de kwaliteit en onafhankelijkheid daarvan te versterken.

In Europees verband zijn in 2014 richtlijnen en verordeningen vastgesteld ten aanzien van markten in financiële instrumenten, het tegengaan van marktmisbruik, hypothecair krediet, de onafhankelijkheid van accountantsorganisaties en de transparantie over consumentenproducten met een beleggingscomponent. Ook is vooruitgang geboekt bij de herziening van de richtlijn omtrent verzekeringsbemiddeling en verkoop en, in reactie op de Libor affaire, de regulering van benchmarks en indices. Verder is in 2014 een aanzet gegeven tot een kwaliteitsslag in de accountancysector. De wettelijke controleverklaring van accountants dient boven elke twijfel verheven te zijn. Daarom zijn, naast maatregelen van de sector en de hierboven genoemde Europese maatregelen, enkele wettelijke maatregelen aangekondigd die in 2015 nader worden uitgewerkt.

Tot slot heeft de crisis in Oekraïne en de opkomst van Islamitische Staat inclusief het fenomeen jihadreizigers ertoe geleid dat het instrument van financiële sancties in 2014 stevig is ingezet (bevriezing tegoeden Oekraïense oligarchen, kapitaalmarktrestricties Rusland, bestrijding terrorismefinanciering). Deze maatregelen zullen hun doorwerking in 2015 hebben.

D: Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Beleidsartikel 2 Financiële markten
Bedragen x € 1.000
       

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2010

2011

2012

2013

2014

2014

2014

Verplichtingen

– 7.888.426

– 5.707.805

– 15.864.348

– 7.291.534

– 9.827.776

57.004

– 9.884.780

waarvan garantieverpichtingen

– 8.124.708

– 5.841.128

– 15.932.412

– 7.349.358

– 9.893.042

0

– 9.893.042

Garantie verhoging plafond kredietfaciliteit AFM

– 15.000

– 18.000

0

0

0

0

0

Garantieregeling bancaire leningen

– 8.102.903

– 5.823.147

– 15.932.477

– 7.349.358

– 9.892.984

0

– 9.892.984

Garantie en waarborg NWB

– 6.769

0

0

0

0

0

0

Garantie stichting waarborgfonds

       

– 58

0

– 58

               

waarvan verplichting uit hoofde van het Depositogarantiestelsel/Voorfinanciering DNB

93.219

0

0

0

0

0

               

Uitgaven

228.478

128.238

71.169

60.866

58.451

57.004

1.447

               

Subsidies

1.029

1.150

1.467

2.870

4.584

964

3.620

Afwikkeling Geldmuseum en collectiebeheer

   

689

1.500

0

530

– 530

CDFD

   

778

1.370

4.584

434

4.150

               

Bekostiging

73.153

62.678

9.775

12.203

10.633

13.775

– 3.142

Rechtspraak Financiële Markten

580

1.245

687

1.092

988

1.250

– 262

Muntcirculatie

6.837

9.393

8.500

10.895

9.645

12.385

– 2.740

Afname munt in circulatie

65.736

52.040

0

0

0

0

0

Overig

   

588

216

0

140

– 140

               

Garanties

 

4.481

0

0

0

0

0

Terugbetaling fee garantie bancaire leningen

 

4.481

0

0

0

0

0

               

Leningen

93.219

0

0

0

0

0

0

Voorfinanciering DNB (DGS)

93.219

0

0

0

0

0

0

               

Opdrachten

3.884

3.602

2.091

1.212

1.456

270

1.186

Wijzer in geldzaken

3.884

3.602

2.091

1.212

1.456

270

1.186

               

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

57.162

56.305

57.432

44.201

41.358

41.595

– 237

Bijdrage toezicht AFM

28.666

30.505

29.722

20.500

20.547

20.737

– 190

Bijdrage toezicht DNB

28.496

25.800

27.710

23.701

20.811

20.858

– 47

               

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

31

22

403

380

420

400

20

Caribbean Financial Action Taskforce

31

22

23

0

40

20

20

IASB

380

380

380

380

0

               

Ontvangsten

412.754

906.597

586.778

362.270

814.597

162.931

651.666

               

Garanties

407.210

365.893

230.242

164.972

99.636

155.554

– 55.918

Feeopbrengsten garantieregeling bancaire leningen

407.210

365.893

230.242

164.972

99.636

155.554

– 55.918

               

Leningen

0

534.007

293.150

77.107

623.085

0

623.085

Ontvangsten voorfinanciering DNB (DGS)

 

91.059

2.285

0

0

0

0

Ontvangsten (uit boedel) Icesave

 

442.948

290.865

77.107

623.085

0

623.085

               

Bekostiging

2.276

2.840

60.313

75.451

86.992

5.184

81.808

Ontvangsten muntwezen

2.276

2.840

1.767

10.937

3.288

5.184

– 1.896

Toename munten in circulatie

0

0

58.546

64.514

83.704

0

83.704

               

Overig

3.268

3.857

3.073

44.740

4.884

2.193

2.691

Overige programma-ontvangsten

3.268

3.857

3.073

44.740

4.884

2.193

2.691

Bij het opstellen van dit jaarverslag kon nog geen gebruik worden gemaakt van de definitieve, van een accountantsverklaring voorziene, jaarrekening van de KNM.

E: Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen

Garantieregeling bancaire leningen (– € 9,9 mld.)

Per 1 januari 2011 is de garantieregeling bancaire leningen gesloten en konden er geen aanvragen meer worden ingediend. Ultimo 2013 stond er nog een kleine € 10 miljard aan gegarandeerde leningen uit. De laatste gegarandeerde lening is begin december 2014 afgelost. Hiermee is de garantieregeling definitief afgewikkeld. Over de gehele looptijd, 2008 t/m 2014, hebben er geen schade-uitkeringen plaatsgevonden.

Uitgaven

Geldmuseum (– € 0,5 mln.)

Nadat uit onderzoek is gebleken dat de continuïteit van het Geldmuseum niet meer was gegarandeerd zag het Ministerie van Financiën zich genoodzaakt de subsidierelatie met het Geldmuseum per 2014 te beëindigen. Het Geldmuseum sloot in november 2013 haar deuren. Inmiddels is het beheer van de collectie overgedragen aan DNB.

CDFD (+ € 4,2 mln.)

Per 1-1-2014 heeft het Ministerie van Financiën een Centrale Examenbank (CE) waarmee erkende exameninstituten Wft-examens voor financieel adviseurs kunnen afnemen. Het College Deskundigheid Financiële Dienstverlening (CDFD) heeft het mandaat gekregen voor het inhoudelijke beheer van de CE. Voor deze extra taak is de subsidie met € 1 mln. verhoogd naar € 1,4 mln. De overige uitgaven hebben zowel betrekking op incidentele projectkosten als op structurele uitvoeringskosten, waaronder de uitvoering van het functionele – en technische beheer en gebruik van de CE-applicatie door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO).

Muntcirculatie: (– € 2,7 mln.)

Er zijn minder munten aangemaakt dan begroot waardoor er ook minder muntmetaal is aangekocht is

Wijzer in Geldzaken: (+ € 1,2 mln.)

De verhoging van de begroting voor Wijzer in geldzaken komt voort uit het feit dat de financiële sector – via de koepels van banken, verzekeraars en pensioenfondsen – bijdraagt aan het platform (zie ook toelichting Overig bij ontvangsten).

Ontvangsten

Feeopbrengsten interbancaire lening (– € 55,9 mln.)

ABN AMRO, NIBC, Achmea, leaseplan en ING hebben vervroegd een deel van hun gegarandeerde lening afgelost. Door het vervroegd aflossen van de garantie bancaire lening is er in 2014 minder fee ontvangen dan geraamd. Voor deze transactie is in eerdere jaren een closing out fee betaald aan de staat ter compensatie van de naar beneden bijgestelde meerjarige premie-inkomsten.

Boedel Icesave (+ € 623,1 mln.)

In 2008/2009 heeft De Nederlandsche Bank na het faillissement van Landsbanki een bedrag uitgekeerd van € 1,6 mld. aan de depositohouders. Hiervan namen de Nederlandse banken € 208 mln. voor hun rekening en de Nederlandse Staat € 1,4 mld. Door boedeluitkeringen is tot op heden € 811 mln. geïncasseerd. De resterende vordering is verkocht en voorziet in een opbrengst voor de Nederlandse Staat van circa € 623 mln.

Ontvangsten muntwezen (– € 1,9 mln.)

De lagere ontvangsten zijn te zien in samenhang met de lager dan begrote verkoop van munten aan verzamelaars.

Munten in circulatie (+ € 83,7 mln.)

Er zijn meer munten in omloop gebracht dan dat er uit omloop terugkwamen, waardoor het aantal munten in circulatie is toegenomen. Deze toename heeft geleid tot netto inkomsten, die gelijk zijn aan de nominale waarde van de munten.

Overig (+ € 2,7 mln.)

De overige ontvangsten zijn opwaarts bijgesteld door een technische mutatie (desaldering) voor Wijzer en Geldzaken (+ € 1,2 mln.) en door de ontvangsten van de centrale examenbank (+ € 1,4 mln.).

4.3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector

A: Algemene doelstelling

Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen bij investeren in en verwerven, afstoten en beheren van de financiële en materiële activa van de staat.

B: Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën stimuleert en regisseert een verantwoorde en doelmatige besteding van overheidsmiddelen. Bedrijfseconomische expertise wordt ingezet bij staatsdeelnemingen, politiek belangrijke investeringsprojecten en transacties van de rijksoverheid en publiek- private investeringen in Nederland.

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor:

  • een optimaal financieel resultaat bij het beheren, aangaan en afstoten van staatsdeelnemingen met inachtneming van de betrokken publieke belangen;

  • het toetsen en adviseren op bedrijfseconomische doelmatigheid bij het realiseren van grote publieke investeringsprojecten van politiek belang die in samenwerking met de markt worden verwezenlijkt, zodat vakdepartementen in staat worden gesteld hun projecten binnen budget, op tijd en met de gewenste kwaliteit te realiseren. Voorbeelden van deze projecten zijn Design-Build-Finance-Maintain-(Operate) [DBFM(O)] projecten, bedrijfsvoerings- en duurzaamheidsprojecten, en projecten waarbij exclusieve rechten in de markt worden gezet;

  • het overkoepelende DBFM(O) beleid en de regie van het «systeem» dat ervoor moet zorgen dat DBFM(O) in Nederland structureel goed verankerd is en toegepast wordt;

  • het beheren en afwikkelen van de tijdelijke overheidsinvesteringen in de gesteunde financiële instellingen;

  • het beheren van de Illiquid Asset Back-up Facility binnen de contractvoorwaarden;

  • zwaarwegende en/of principiële beslissingen (o.a. exitstrategie en beloningsbeleid) van, alsmede het houden van toezicht op NL Financial Investments (NLFI, de stichting die de aandelen in ABN Amro, ASR Nederland, SNS REAAL en Propertize (voorheen SNS Property Finance) beheert).

De Minister van Financiën heeft een aantal instrumenten tot zijn beschikking, die ingezet kunnen worden voor de invulling van zijn verantwoordelijkheid:

  • bevoegdheden die de Minister van Financiën heeft op basis van de Comptabiliteitswet en als aandeelhouder op basis van Boek 2 Burgerlijk Wetboek en de statuten van de onderneming;

  • de gedragsregels uit de Corporate Governance Code;

  • bedrijfseconomische, juridische en corporate governance-expertise en kennis en kunde op het gebied van projectfinanciering en risicomanagement;

  • structureel en incidenteel overleg met bestuurders en commissarissen van de staatsdeelnemingen;

  • overleg met betrokken vakdepartementen over de mate waarin en de wijze waarop de relevante publieke belangen worden geborgd;

  • besluit privaatrechtelijke rechtshandelingen 1996, in het bijzonder artikel 6: huur-, huurkoop- en lease-overeenkomsten, zoals DBFM(O) en andere langjarige complexe projecten, mogen pas worden gesloten na overeenstemming met de Minister van Financiën;

  • PPS-code: de beheercode voor goede bedrijfsvoering binnen de rijksoverheid gericht op een doelmatige en rechtmatige inzet van het instrument van publiek-private samenwerking bij de realisatie en de exploitatie van (met name meerjarige) investeringsprojecten;

  • wet Stichting Administratiekantoor beheer financiële instellingen (NLFI).

Bovenstaande instrumenten zijn verschillend van aard. De bevoegdheden die voortvloeien uit het Burgerlijk Wetboek en Comptabiliteitswet vormen de basis van de (formele) zeggenschap. De overige instrumenten hebben een meer informeel karakter, zijn richtinggevend (zoals de Corporate Governance Code) of dienen als randvoorwaarde om invulling te kunnen geven aan de beleidsdoelstelling (zoals de beschikbaarheid over en/of toegang tot de benodigde kennis).

De Minister beoogt jaarlijks de effecten van zijn aandeelhouderschap in de reguliere staatsdeelnemingen te meten. Om deze effecten te kunnen meten waren in de begroting vier meetbare indicatoren/streefwaarden opgenomen. In onderstaande tabel zijn de realisaties van de afgelopen vijf jaren inzichtelijk gemaakt, waarbij de realisatie van 2014 is afgezet tegen de streefwaarde, zoals deze in de begroting 2014 was opgenomen:

Realisatie meetbare gegevens

kengetal1

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Streefwaarde 2014

Realisatie 2014

1.

% deelnemingen dat de Corporate Governance Code «comply or explain» toepast.

94%

88%

100%

100%

100%

100%

2.

% van deelnemingen dat minimaal een C-rating heeft conform de richtlijnen van het Global Reporting Initiative (GRI).

n.v.t.

88%

100%

100%

100%

100%

3.

% van deelnemingen met dividend pay-out ratio 2 van ten minste 40%.

n.v.t.

47%

33%

46% (n=13)

90%

39% (n=13)

4.

% van deelnemingen dat minimaal de rendementsnorm haalt.

n.v.t.

47%

40%

46% (n=13)

80%

54% (n=13)

Bron: Jaarverslagen en statuten van de ondernemingen uit de huidige portefeuille staatsdeelnemingen waarvan het beheer is belegd bij het Ministerie van Financiën (exclusief verworven financiële deelnemingen naar aanleiding van de kredietcrisis)

X Noot
1

Thales en KLM worden gezien de beperkte invloed van de Staat als aandeelhouder bij alle indicatoren buiten beschouwing gelaten.

X Noot
2

Niet voor alle staatsdeelnemingen geldt een uitbetaling van dividend middels een vooraf vastgesteld dividend pay-out ratio. De ratio wordt berekend over deelnemingen waar de Staat als aandeelhouder invloed op heeft.

De meetbare indicatoren beogen zowel het publieke karakter van de deelnemingen te weerspiegelen als de bedrijfseconomische principes die gehanteerd worden bij het uitoefenen van het aandeelhouderschap. Ten behoeve van de realisatiecijfers over 2014 wordt gekeken naar de realisaties die samenhangen met het verslagjaar/boekjaar 2013 van de staatsdeelnemingen. Er kan immers niet op 2014 worden teruggeblikt zonder de officiële jaarrekeningen en jaarverslagen over 2014. Het merendeel van de door de aandeelhouder vastgestelde jaarrekeningen wordt pas verwacht, nadat het jaarverslag 2014 is opgesteld.

Bij twee indicatoren wordt de streefwaarde niet gehaald. Het minimum rendement op eigen vermogen dat als streefwaarde is opgenomen wordt niet door de beoogde 80% van de staatsdeelnemingen gerealiseerd, maar door 54% van de staatsdeelnemingen. Dit heeft twee oorzaken. Ten eerste heeft een aantal staatsdeelnemingen een grote investeringsagenda, waarbij de kosten voor de baten uitgaan en rendementen daarom pas later worden gerealiseerd. Ten tweede is er in sommige gevallen vanwege ongunstige marktomstandigheden sprake van tegenvallende bedrijfsresultaten. Als streefwaarde gold in het begrotingsjaar nog een portefeuillebrede norm van 8%. De portefeuille staatsdeelnemingen bestaat echter uit een verscheidenheid aan ondernemingen, ieder met hun eigen activiteiten en eigen karakteristieken. Daarvoor is één rendementsnorm te willekeurig. Daarom is in de Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2013 het voornemen aangekondigd om voor iedere staatsdeelneming een specifieke rendementsnorm vast te stellen, die op de langere termijn voor het individuele bedrijf realiseerbaar moet zijn. Momenteel worden deze normrendementen in overleg met de ondernemingen vastgesteld. In de begroting voor 2015 is dan ook als streefwaarde opgenomen het aantal staatsdeelnemingen dat zijn eigen, individuele rendementsnorm behaalt. Waar het normrendement nog niet is vastgesteld, wordt de portefeuillebrede norm van 8% gehanteerd.

Slechts 39% van de deelnemingen heeft een pay-out ratio van tenminste 40% weten te realiseren, terwijl de doelstelling 90% was. Ook hier is een aantal oorzaken voor aan te wijzen. Ten eerste zorgt regulering er bij bepaalde deelnemingen voor dat deze ondernemingen tijdelijk meer winst moeten reserveren, waardoor de pay-out ratio dus lager wordt (zie bijvoorbeeld de solvabiliteitseisen bij financiële instellingen). Ten tweede reserveren sommige deelnemingen een groter gedeelte van de winst om grote investeringen te kunnen financieren. Doorgaans vertaalt het reserveren van winst ten behoeve van investeringen zich in hogere winst en daarmee hogere dividenden in de toekomst.

De overige indicatoren werden wel behaald.

Om te meten in hoeverre publieke investeringsprojecten doelmatig worden gerealiseerd, is het aantal goed uitgevoerde Public Private Comparators (PPC) als indicator in de begroting opgenomen. Een PPC is een instrument om de voor- en nadelen van verschillende uitvoeringsvarianten van een project financieel inzichtelijk te maken en biedt de basis voor de besluitvorming over de DBFM(O)-variant van een project. In de PPS-code Rijksoverheid 2008 8 is vastgelegd dat voor alle voorgenomen investeringen in Rijksgebouwen (nieuwbouw of renovatie) boven € 25 mln. en Rijksinfrastructuur boven de € 60 mln. PPC’s worden uitgevoerd. Er is een drietal indicatoren/streefwaarden opgenomen om te meten in hoeverre publieke investeringsprojecten doelmatig worden gerealiseerd. In onderstaande tabel is de realisatie van 2014 afgezet tegen de streefwaarde, zoals deze in de begroting 2014 was opgenomen:

Realisatie meetbare gegevens

Prestatie-indicator

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Streefwaarde 2014

Realisatie 2014

1.

Percentage van projecten binnen het Rijk (infrastructuur, Rijkshuisvesting, Defensie) waar een PPC voor is uitgevoerd zoals afspraken voorschrijven.

100%

100%

100%

100%

2.

Percentage PPC’s met meerwaarde voor DBFM(O) waarvoor «comply-or-explain» is toegepast.

100%

100%

100%

100%

3.

Aantal PPC’s met meerwaarde voor DBFM(O) waarvoor gekozen is voor DBFM(O).

67%

100%

90%

100%

Bron: Vakdepartementen. Vakdepartementen geven aan als ze een PPC hebben uitgevoerd en wat de uitkomst is. Op basis van deze informatie komt de tabel tot stand. De voortgang en prestaties op het gebied van DBFM(O) worden uitvoeriger beschreven in de tweejaarlijkse DBFM(O) voortgangsrapportage aan de Tweede Kamer.

De gegevens uit de tabel zijn afkomstig van de vakdepartementen die periodiek rapporteren over ontwikkelingen op het gebied van DBFMO aan Financiën in het kader van haar toezichthoudende rol. Ingeval vakdepartementen voornemens zijn om af te wijken van het beleid voor PPC’s of van de uitkomst van een PPC dan geldt de afspraak dat zij dit voorafgaand ter goedkeuring dienen voor te leggen aan Financiën.

De verantwoordelijkheid voor de beslissing om volgens DBFM(O) aan te besteden ligt bij de vakdepartementen. Bij gebouwgebonden DBFMO ligt de verantwoordelijkheid tevens bij de cliënten van de Rijksgebouwendienst. De vakdepartementen dragen de primaire verantwoordelijkheid voor het welslagen van de projecten en dus voor het behalen van doelstellingen van bedrijfseconomische efficiëntie en doelmatigheid.

C: Beleidsconclusies

Deelnemingen

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor het aandeelhouderschap van het overgrote deel van de staatsdeelnemingen.

Nota deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2013

In oktober 2013 heeft de Minister van Financiën zijn nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2013 gepresenteerd. 9

De nieuw geformuleerde missie van de staat als aandeelhouder in de nota is: het verantwoord beheer van het in staatsdeelnemingen geïnvesteerde maatschappelijk kapitaal. Daarvoor zal de staat als aandeelhouder:

  • Bijdragen aan de borging van publieke belangen;

  • Stuurt hij op behoud van de financiële waarde die staatsdeelnemingen vertegenwoordigen;

  • Levert hij een bijdrage aan goed ondernemingsbestuur.

Strategie

In 2014 heeft de staat als aandeelhouder met verschillende deelnemingen overleg gevoerd over de toekomstige strategie.

De medeaandeelhouders in Urenco, het Verenigd Koninkrijk en de Duitse bedrijven Eon en RWE hebben aangekondigd de verkoop van hun belang te willen onderzoeken. Deze ontwikkelingen dwongen Nederland tot reflectie op de gevolgen van een eventuele verkoop van de aandelen door de andere aandeelhouders op de borging van de publieke belangen en de toegevoegde waarde van het Nederlandse minderheidsaandeelhouderschap in deze situatie. Het kabinet kondigde in 2013 aan te overwegen de aandelen die de Staat der Nederlanden indirect houdt in URENCO Ltd. te vervreemden mits de publieke belangen inzake non-proliferatie, veiligheid en leveringszekerheid kunnen worden geborgd. Daarom is er door het kabinet een traject gestart om deze publieke belangen middels een adequaat instrumentarium te borgen. In 2013 is Nederland met het Verenigd Koninkrijk en Duitsland in gesprek gegaan over de borging van de publieke belangen indien dat niet meer via een meerderheidsaandeelhouderschap van overheden zou geschieden. Deze gesprekken zijn voortgezet in 2014 en zullen ook in 2015 door lopen.

In het regeerakkoord is opgenomen dat het kabinet voornemens is Holland Casino te verkopen, mits aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan. In 2013 is een begin gemaakt met de uitwerking van een visie op ordening van de casinomarkt. Dit is afgerond in 2014 en heeft geleid tot een wetsvoorstel modernisering speelcasinoregime van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, dat momenteel ter consultatie voorligt.

Wanneer de Kamer akkoord is met de ordening van de casinomarkt kan de staat met Holland Casino een verkooptraject ingaan.

Gezien de financiële situatie van de onderneming heeft Holland Casino geen winst afgedragen in 2014. Holland Casino voert een omvangrijke herstructurering door om zo een financieel solide basis te creëren om zelfstandig in een gemoderniseerde kansspelmarkt te opereren. De eerste resultaten van deze herstructurering zijn inmiddels zichtbaar: de omzet stijgt en de kosten zijn fors teruggebracht. Ten aanzien van de staatsloterij (SENS) is gesproken over de teruglopende omzetten en de mogelijkheid om de online kansspelmarkt te betreden. Staatssecretaris Teeven heeft de Kamer in juli daarnaast geïnformeerd dat onderzoek wordt gedaan naar een nadere samenwerking tussen de Staatsloterij en Lotto. Hierover lopen gesprekken, die ook in 2015 zullen door lopen.

In 2014 is door het kabinet onderzocht of de mogelijkheid moet worden geopend om via kruislingse participatie strategische samenwerking aan te gaan met netwerkbedrijven in andere EU-landen. Hierover is in februari 2014 een brief naar de Kamer gestuurd, met daarin het voornemen om de mogelijkheid te openen voor beide bedrijven om via kruislingse aandelenparticipatie strategische samenwerkingsverbanden aan te gaan met buitenlandse netbeheerders die op grond van Europese regels gecertificeerd zijn. Na debat met de Kamer heeft het kabinet besloten dit onderwerp mee te nemen in de herziening van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet (STROOM). Dit wetsvoorstel zal naar verwachting in het voorjaar van 2015 worden ingediend bij de Tweede Kamer.

Statuten

Zoals in de Nota Deelnemingenbeleid is aangekondigd, is het Ministerie van Financiën in 2014 met staatsdeelnemingen in gesprek gegaan over het doorvoeren van de aangescherpte standaardstatuten bij de staatsdeelnemingen. De aanscherping van de standaardstatuten zit onder andere in de herijking van de goedkeuringsdrempels voor investeringen door de betreffende staatsdeelneming. Door te kijken naar de waarde van de investeringen als gedaan in het verleden, de toekomstige investeringsagenda, alsmede door middel van een portefeuillebrede vergelijking is bekeken wat de nieuwe goedkeuringsdrempels dienen te zijn. Andere wijzigingen zitten met name op het gebied van de tijdige ontvangst van informatie en de mogelijkheid voor de aandeelhouder om met belangrijke onderwerpen, zoals de strategie van de onderneming, mee te praten. Naar verwachting zullen de standaardstatuten in 2015 doorgevoerd worden.

Investeringen en vermogenspositie

Op het gebied van investeringen zijn er in 2014 elf formele investeringen goedgekeurd en is bij vijf informele investeringen meegekeken. Het merendeel van de investeringen betrof investeringen van Tennet. Daarnaast heeft NS in 2014 de aanschaf van nieuwe Sprinters in gang gezet. NS koopt in totaal 180 nieuwe Sprinters bij de treinfabrikanten CAF en Stadler. Ook is het aanschaftraject van de Intercity nieuwe generatie van start gegaan. NS gaat een traject in waarbij geselecteerde leveranciers met biedingen gaan komen om de nieuwe Intercity te mogen produceren.

In 2014 is het belang van de staat in NV ALTMAA N.V. (Aangewezen Luchtvaartterrein Maastricht-Aachen Airport) afgewikkeld en daarnaast is de afwikkeling van Twinning Holding B.V. voltooid. Bij ALTMAA is het aan de staat toekomende resterende saldo van liquide middelen overgeboekt á € 0,8 mln. Bij Twinning was er sprake van een resterend saldo van € 3,3 mln.

Beloningsbeleid

In de Nota Deelnemingenbeleid is aangekondigd dat het huidige beoordelingskader voor beloningsbeleid van staatsdeelnemingen op twee punten wordt aangescherpt. Allereerst worden de variabele beloningen van de bestuurders voortaan gemaximeerd op 20%. Daarnaast wordt het beloningsbeleid van de staatsdeelnemingen in lijn gebracht met de nieuwe standaarden op het gebied van het arbeidsrecht. In 2014 is bij een aantal deelnemingen gestart met de uitrol hiervan. In het Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen wordt jaarlijks gerapporteerd over de voortgang.

Toekomstplannen voor de Financiële instellingen ABN AMRO, ASR en SNS REAAL.

Over ABN AMRO is aan de Kamer gemeld dat na de Asset Quality Reviews een besluit tot daadwerkelijke verkoop zal worden genomen. In 2015 zal de Minister de Kamer hierover informeren. Op 6 juni 2014 heeft het kabinet in een brief aan de Kamer de verkoopplannen voor ASR Nederland N.V. en SNS REAAL N.V. (thans Vivat) gepresenteerd. Vervolgens is, zoals in de brief was aangekondigd, REAAL N.V. gestart met het verkoopproces, waaraan ook ASR mocht deelnemen. Op maandag 16 februari 2015 heeft de Minister van Financiën bekend gemaakt dat SNS Reaal en Anbang op zaterdag 14 februari een overeenkomst tot koop van Reaal N.V. hebben getekend, nadat de Minister van Financiën heeft ingestemd met deze voorwaardelijke verkoop. In 2015 zullen nog verschillende vervolgstappen worden gezet die moeten uitwijzen of de verkoop definitief kan plaatsvinden.

Omdat de uitkomst van het verkoopproces van REAAL nog niet afgerond is, zal de Kamer in de loop van 2015 worden geïnformeerd over de verkoop van SNS Bank. Voor alle financiële instellingen geldt dat de Minister de Kamer vooraf zal informeren, voordat onomkeerbare stappen worden gezet.

Publiek Private Investeringen

Eind 2014 heeft de Minister van Financiën de tweejaarlijkse voortgangsrapportage over DBFM(O) naar de Kamer verstuurd. Hierin wordt benoemd dat in de afgelopen jaren de DBFM(O)-projecten van het Rijk zijn uitgevoerd binnen budget, op tijd en conform de gewenste output. Marktpartijen hebben waardering voor de kwaliteit en bestendige lijn van Nederlandse DBFM(O)-projecten en -beleid. De situatie op de markt voor financiering van DBFM(O) projecten was mede daarom al goed en is sinds medio 2013 sterk verbeterd. Alle DBFM(O)-projecten zijn succesvol met 100% gecommitteerde financiering aanbesteed. Om ook in de exploitatiefase de meerwaarde van DBFM(O)-contracten te kunnen realiseren is professioneel contractmanagement essentieel. Daarom heeft de ADR in opdracht van de Minister van Financiën onderzoek verricht naar de succesfactoren voor contractmanagement. Op basis van de resulterende aanbevelingen hebben de departementen in samenwerking met Financiën gewerkt aan het opzetten van een performancemodel voor contractmanagement. Dit geeft beter zicht op het contractbeheer bij bestaande contracten en borgt dat leerervaringen van eerdere contracten worden benut bij nieuwe aanbestedingen.

Nadat de Minister van Financiën en de Minister van Economische Zaken in 2013 samen een kwartiermaker hebben aangesteld voor de oprichting van de Nederlandse Investeringsinstelling (NLII), zijn afgelopen jaar de plannen verder uitgewerkt en is de instelling opgericht. Voor het realiseren van diverse beleidsdoelstellingen, zoals energiebesparing in woningen (RFE) en internationaal ondernemen in opkomende markten (DGGF), zijn door betreffende vakministers, met medewerking van Financiën, fondsen opgericht. De Minister van Financiën blijft monitoren of de oprichting van een fonds leidt tot het op een efficiënte manier bereiken van beleidsdoelstellingen.

Binnen zijn verantwoordelijkheid om te toetsen en adviseren op bedrijfseconomische doelmatigheid heeft de Minister van Financiën in 2014 bijgedragen aan het realiseren van een efficiëntere en effectieve bedrijfsvoering van het Rijk. Een voorbeeld van een traject waar dit is gebeurd is de Hervormingsagenda Rijksdienst, waarbij de Minister van Financiën heeft aangestuurd op het versterken van de governance op de ondersteunende bedrijfsvoeringdiensten (SGO project 5: Governance en Sourcing). Ook is Financiën in 2014 betrokken gebleven bij het sourcingprogramma Defensie 10 waarbij sourcingafwegingen en -trajecten zijn ondersteund. Een laatste voorbeeld is de advisering bij de privatisering van twee rijksinstellingen voor gesloten jeugdzorg, die verkocht zijn onder verantwoordelijkheid van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 11.

Ook is gewerkt aan een handleiding voor businesscases binnen de Rijksoverheid, om het toetsen op bedrijfseconomische doelmatigheid te kunnen faciliteren. Op dit moment wordt de laatste hand gelegd aan de handleiding zodat deze naar verwachting in de loop van 2015 gepubliceerd kan worden.

Illiquid Assets Back-up Faciliteit

De Illiquid Assets Back-up Faciliteit (IABF) was één van de maatregelen die de staat in 2008 en 2009 heeft getroffen om bij te dragen aan herstel van de stabiliteit van de financiële sector. De IABF had betrekking op de Amerikaanse gesecuritiseerde hypothekenportefeuille van ING (de Alt-A portefeuille). De staat heeft het economische eigendom van de Alt-A portefeuille overgenomen door middel van een lening van ING aan de staat. Daarnaast bestond de IABF uit verschillende fees die tussen de staat en ING werden voldaan 12.

In 2013 is overeenstemming bereikt met ING over de beëindiging van de IABF. De beëindiging heeft plaatsvinden door de Alt-A portefeuille te verkopen. De opbrengsten zijn gebruikt om de lening van ING aan de staat af te lossen 13.

In december 2013 heeft een eerste veiling van een deel van de Alt-A portefeuille plaatsgevonden. Begin 2014 hebben er nog twee veilingen plaatsgevonden en is de lening van ING aan de staat volledig afgelost. Per eind 2014 is het uiteindelijke resultaat op de IABF gelijk aan € 1.455 mln. (inclusief € 0,4 mld. die was ontvangen van ING ter compensatie van de toekomstige garantiefees)14.

Kasstromen overzicht en balans

Het kasstromen overzicht laat zien dat er in 2014 meer US dollars uit de portefeuille en door verkoop van de portefeuille binnengekomen zijn dan er nodig waren om het restant van de lening van ING aan de staat af te lossen. Hierdoor is er sprake van een uiteindelijk positief resultaat op de IABF. Het overzicht laat verder de resultaten van de laatste fee uitgaven en ontvangsten zien. Het uiteindelijke resultaat op de IABF bedraagt € 1.455 mln.

Tabel 1: kasstromen 2011, 2012, 2013 en 2014 (in € mln.)
 

2011

2012

2013

2014

Funding fee

3.242

2.644

4.808

2.778

Management fee

39

33

26

0

Incidentele uitgave

   

19

0

Totaal uitgaven

3.281

2.678

4.853

2.779

         

Portefeuille ontvangsten

3.012

2.434

4.275

4.231

Garantie fee

85

73

58

 

Additionele garantie fee

128

110

87

0

Additionele fee

55

46

35

1

Verhandelbaarheidsfee

 

15

18

1

Incidentele ontvangst

   

379

 

Totaal ontvangsten

3.281

2.678

4.853

4.233

         

Saldo

0

0

0

1.455

D: Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Beleidsartikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector
Bedragen x € 1.000
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2010

2011

2012

2013

2014

2014

2014

Verplichtingen

– 27.770.244

1.027.232

68.581

13.595.835

– 1.435.070

303.866

– 1.738.936

Waarvan betalingsverplichting:

             

Verplichting kapitaalstorting Tennet

0

600.000

0

0

0

0

0

Verplichting Tweede herkapitalisatie ABN AMRO

1.031.000

0

0

0

0

0

0

Verplichting Superdividend NS naar Prorail

1.400.000

0

0

0

0

0

0

Meerjarenverplichting aan ING

1.618.794

461.193

67.858

– 79.228

56.707

289.000

– 232.293

Overbruggingskrediet SNS

     

1.100.000

0

0

0

Kapitaalinjectie SNS

     

2.200.000

0

0

0

Kapitaalinjectie Propertize

     

500.000

0

0

0

               

Waarvan garantieverplichting:

             

Regeling BF

– 6.390

– 8.322

– 1.600

– 387

0

0

0

Voorwaardelijke verplichting Capital Relief Instrument

– 32.611.091

0

0

0

0

0

0

Garantie Counter Indemnity

950.000

0

0

0

– 950.000

0

– 950.000

Garanties en vrijwaringen staatsdeelnemingen

– 167.198

– 49.092

– 13.000

– 13.025

– 2.010

0

– 2.010

Garantie DNB winstafdracht

     

5.700.000

0

0

0

Garantie SNS Propertize

     

4.166.410

– 566.410

0

– 566.410

               

Waarvan overige verplichtingen

14.641

23.453

15.323

22.065

26.643

14.866

11.777

               

Uitgaven

6.833.292

3.599.367

2.993.758

8.674.220

2.805.899

5.400.866

– 2.594.967

               

Vermogensverschaffing

             

Kapitaalstorting Tennet

 

300.000

300.000

0

0

0

0

Uitkering superdividend NS naar Prorail

1.400.000

0

0

0

0

0

0

Tweede herkapitalisatie ABN AMRO

928.000

0

0

0

0

0

0

Kapitaalstorting couponbetaling MCN

103.000

0

0

0

0

0

0

Kapitaalinjectie SNS REAAL

     

2.200.000

0

0

0

Kapitaalinjectie Propertize

     

500.000

0

0

0

               

Bekostiging

             

PPS

6

0

0

0

0

0

0

               

Bijdrage aan RWT

             

NLFI (voorheen STAK)

   

5.250

5.250

17.100

5.052

12.048

               

Lening

             

Management Fee IABF

46.592

38.756

33.206

26.457

272

24.000

– 23.728

Funding Fee IABF

4.345.040

3.242.213

2.644.371

4.807.961

2.778.201

5.362.000

– 2.583.799

Incidentele uitgaven IABF

     

18.960

246

0

246

Overbruggingskrediet SNS

     

1.100.000

0

0

0

               

Garantie

             

Regeling BF

0

0

0

6

6

100

– 94

Dotatie begrotingsreserve TenneT

1.644

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

0

Uitbetalingen garanties en vrijwaringen

     

575

0

0

0

               

Opdrachten

             

Uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

9.011

13.598

6.131

10.211

5.274

4.914

360

               

Ontvangsten

7.970.200

9.925.613

5.131.796

9.603.301

8.858.957

8.611.748

247.209

               

Vermogensonttrekking

             

Opbrengst onttrekking vermogenstitels

154.600

9.000

12.441

0

0

0

0

Dividend staatsdeelnemingen

617.686

423.226

312.510

606.876

679.937

397.497

282.440

Winstuitkering DNB

1.658.738

544.278

749.494

1.974.773

1.118.639

1.166.000

– 47.361

waarvan Griekse inkomsten ANFA

     

43.882

27.427

45.000

-17.573

waarvan Griekse inkomsten SMP

     

163.852

134.897

138.000

-3.103

Afdracht Holland Casino

9.839

0

0

0

0

0

0

Afdrachten Staatsloterij

108.395

102.423

100.000

82.910

84.700

96.000

– 11.300

Opbrengst verkoop vermogenstitels

355

150

38

131.965

4.111

0

4.111

Dividend Financiële instellingen

6.410

216.244

121.302

488.400

423.900

400.000

23.900

Rijksbijdrage Landwinning Havenbedrijf Rotterdam

0

0

0

295.482

0

0

0

               

Bijdrage aan RWT

   

NLFI

   

2.419

4.134

15.417

4.300

11.117

               

Leningen

             

Verwachte portefeuille ontvangsten IABF

4.058.123

3.012.250

2.433.653

4.275.292

4.231.221

5.337.000

– 1.105.779

Garantie Fee IABF

102.502

85.262

73.054

58.205

0

0

0

Additionele fee IABF

77.068

55.409

46.350

35.319

1.229

34.000

– 32.771

Additionele garantie fee IABF

153.939

128.048

109.713

87.413

163

0

163

Verhandelbaarheidsfee

0

0

14.807

17.659

615

15.000

– 14.385

Incidentele ontvangst IABF

     

379.490

0

0

0

Rente SNS krediet

     

6.898

20.608

6.596

14.012

Rente en aflossing div. leningen

67.007

62.999

0

0

0

0

0

Aflossing kapitaalverstrekkingen ING, Aegon en SNS Reaal

500.000

3.500.000

750.000

750.000

1.500.000

750.000

750.000

Couponbetaling en/of boetebetaling kapitaalversterking ING, Aegon en SNS Reaal

154.715

1.750.472

375.000

375.000

750.000

375.000

375.000

Renteontvangsten Mandatory Convertible Note

103.000

0

0

0

0

0

0

               

Garantie

             

Garantie overig

258

658

210

278

916

0

916

Premie-ontvangsten garantie TenneT

1.644

4.800

4.800

4.800

4.800

4.800

0

Premie-inkomsten Capital Relief Instrument

165.482

0

0

0

0

0

0

Premie-inkomsten Counter Indemnity

25.555

25.555

25.555

25.555

12.493

25.555

– 13.062

Garantie fee Propertize

       

1.920

0

1.920

               

Opdrachten

             

Terug te vorderen uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

4.884

4.839

450

2.852

8.288

0

8.288

E: Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen

Meerjarenverplichting IABF (– € 232,3 mln.)

Door verkopen van de IABF portefeuille eind 2013 en begin 2014 zijn de omvang van de rentevergoeding en de fee uitgaven onder de IABF in 2014 lager dan initieel geraamd. Hierdoor is de mutatie in de meerjarenverplichting aan ING eveneens lager dan geraamd.

Garantie Counter Indemnity (– € 950 mln.)

De openstaande garantieverplichting uit 2010 van € 950 mln. aan ABN AMRO is beëindigd per 27 september 2014.

Garantie SNS Propertize (– € 566,4 mln.)

De staat garandeert de door Propertize aangetrokken schuld. De maximale omvang van deze garantie was inclusief de verschuldigde rente, € 4,16 miljard. De maximale omvang is per jaareinde met € 566 miljoen afgenomen tot € 3,60 miljard.

Uitgaven

NLFI (+ € 12,0 mln.)

De begroting van NLFI is naar boven bijgesteld, omdat SNS REAAL en Property Finance aan NLFI zijn overgedragen en door de verwachte verkooptrajecten, waaraan advieskosten zijn verbonden. De kosten zijn voor het grootste deel aan de financiële instellingen doorbelast, hierdoor blijft naar verwachting het door de staat te betalen bedrag per saldo gelijk.

Funding fee en management fee (– € 2.583,8 mln. + – € 23,8 mln.)

De fees zijn lager dan geraamd. Dit is het gevolg van de verkoop van een deel van de Alt-A portefeuille eind 2013. Met de opbrengsten uit de verkoop is de lening aan ING volledig afgelost.

Ontvangsten

Dividend staatsdeelnemingen (+ € 282,4 mln.)

Er is een meevaller bij de dividenden door hoger dan verwachte dividenduitkeringen van TenneT, UCN, Gasunie en Schiphol. Daarnaast wordt op portefeuilleniveau rekening gehouden met risico’s bij de verschillende staatsdeelnemingen. Deze risico’s hebben zich niet voorgedaan waardoor de dividendontvangsten hoger zijn dan geraamd.

Winstafdracht DNB (– € 47,4 mln.)

De winstafdracht DNB voor 2014 (DNB boekjaar 2013) is lager dan geraamd. Dit leidt tot een bijstelling van € 47,4 mln. De winst valt lager uit door minder opbrengsten uit de crisismaatregelen en door lagere vermogenswinsten.

Afdracht Staatsloterij (– € 11,3 mln.)

De omzetten van SENS staan al enige tijd onder druk hierdoor is ook de afdracht aan de staat lager.

Opbrengst verkoop vermogenstitels (+ € 4,1mln.)

In 2014 is het belang van de staat in NV ALTMAA N.V. (Aangewezen Luchtvaartterrein Maastricht-Aachen Airport) afgewikkeld en daarnaast is de afwikkeling van Twinning Holding B.V. voltooid. Bij ALTMAA is het aan de staat toekomende resterende saldo van liquide middelen overgeboekt á € 0,8 mln. Bij Twinning was er sprake van een resterend saldo van € 3,3 mln.

Dividend financiële instellingen (+ € 23,9 mln.)

ASR heeft in 2014 meer dividend afgedragen dan verwacht. Dit heeft geresulteerd in een meevaller van € 23,9 mln.

NLFI (+ € 11,1 mln.)

Zie toelichting onder uitgaven.

Portefeuille ontvangsten (– € 1.105,8 mln.)

De ontvangsten uit de portefeuille zijn in 2014 lager dan geraamd door de opbrengsten als gevolg van verkoop van delen van de portefeuille eind 2013.

Additionele Fee en Verhandelbaarheidsfee (– € 32,8 mln. en – € 14,7 mln.)

De omvang van de fees zijn in 2014 allen lager dan geraamd. Dit is gevolg van de beëindiging van de IABF overeenkomst.

Renteontvangsten SNS krediet (+ € 14,0 mln.)

Het door de staat aan SNS Reaal N.V. bij de nationalisatie verstrekte overbruggingskrediet is in 2014 doorgerold. Vanwege het doorrollen heeft SNS Reaal een hogere vergoeding over het door de staat verstrekte overbruggingskrediet betaald dan verwacht.

Aflossingen kapitaalverstrekking en couponbetalingen / boeterentes (+ € 1,1 mld.)

De staat heeft de laatste aflossing van € 1,025 mld. van ING vervroegd ontvangen. Daarmee heeft ING de volledige kapitaalinjectie van € 10 mld. uit 2008 terugbetaald aan de Nederlandse Staat. In de begroting was rekening gehouden met terugbetaling in 2015.

Premie-inkomsten Counter Indemnity (– € 13,1 mln.)

Het beëindigen van de garantie van de staat aan ABN AMRO inzake HBU (counter indemnity) betekent een verlaging van de te ontvangen premies voor de staat.

Garantie fee Propertize (+ € 1,9 mln.)

Propertize heeft een vergoeding betaald over de door de staat verleende garantie, waarmee de schuld van Propertize wordt gegarandeerd.

Terug te vorderen uitvoeringskosten staatsdeelnemingen (+ € 8,3 mln.)

In 2013 zijn niet alle ontvangsten van doorbelastingen van de kosten met betrekking tot SNS REAAL en de IABF-portefeuille gerealiseerd, de doorbelastingen zijn in 2014 ontvangen. Daarnaast zijn er kosten doorbelast aan de houdstermaatschappij van de Nederlandse aandelen in URENCO (UCN).

4.4 Internationale Financiële Betrekkingen

A: Algemene doelstelling

Een bijdrage leveren aan een financieel gezond en welvarend Europa en een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling.

B: Rol en verantwoordelijkheid

Om het bovenstaande doel te bereiken heeft de Minister van Financiën een regisserende rol in Nederland. De internationale inzet van de Minister is van belang omdat de Nederlandse economie door zijn openheid en relatief beperkte grootte sterk wordt beïnvloed door internationale financieel-economische ontwikkelingen. Een sterke Europese economie heeft een directe weerslag op de Nederlandse economie. Nederland is mede hierdoor gebaat bij een gezonde financieel economische ontwikkeling en een stabiele budgettaire en monetaire ontwikkeling in de Europese Unie en haar lidstaten, waarbij ook de financiële stabiliteit binnen de eurozone gewaarborgd is.

Ten behoeve van de bevordering van financiële stabiliteit in de toekomst neemt de Minister actief deel aan internationaal toezicht ter bevordering van de begrotingsdiscipline van lidstaten van de EU en een stabiele macro-economische omgeving in de EMU. Hieronder valt ook de economische beleidscoördinatie in de EU en de EMU, zoals door een nieuw verdrag voor begrotingsdiscipline tussen lidstaten van de EU en een procedure voor economische onevenwichtigheden. Verder neemt de Minister van Financiën besluiten over het Nederlandse oordeel over aanvragen voor het Exchange Rate Mechanism (ERM-II) en voor euro-invoering. Tevens draagt de Minister van Financiën het Nederlandse standpunt over de EU begroting uit.

De Minister van Financiën draagt bij aan het beheer van stabilisatiemechanismen zoals het EFSF en het ESM ten behoeve van het bewaken van de financiële stabiliteit, ook in financieel-economisch moeilijke tijden. Dit doet de Minister door actief deel te nemen aan Europese overleggen zoals de Eurogroep en Ecofin en regelmatig contact te onderhouden met Europese instellingen en Europese collega ministers. De Minister van Financiën is sinds januari 2013 voorzitter van de Eurogroep en daarmee ook voorzitter van de Board of Governors van het ESM voor een periode van 2,5 jaar. In de afgelopen jaren is een gezamenlijke Europese aanpak voor de crisis gekozen. Nederland heeft hierbij een actieve rol gespeeld. In de komende jaren is het van groot belang om vast te houden aan die aanpak en gemaakte afspraken te implementeren. De rol als voorzitter van de Eurogroep biedt bij uitstek de mogelijkheid om uitvoering te geven aan de gezamenlijke Europese inzet.

Internationale financiële instellingen beïnvloeden economische ontwikkelingen, als gevolg van hun rol bij het financieel-economische beleidstoezicht en als financieel vangnet in geval van een crisis. Goed beleid van deze instellingen draagt daarom bij aan een evenwichtige internationale financieel-economische ontwikkeling en de ontwikkeling van lage- en middeninkomenslanden. De Minister draagt hieraan bij door toezicht te houden op de uitvoering van de taken van de Internationale Financiële Instellingen (IFI’s) en hun financiële soliditeit. Daarnaast levert de inbreng van de Minister bij discussies in internationale fora zoals de Ecofin, Eurogroep, Working Party 3 (van de OESO) en discussies bij het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank en andere IFI’s een bijdrage aan de beïnvloeding van de internationale beleidsdiscussie en beleidsrespons.

C: Beleidsconclusies

In internationaal verband zijn de afgelopen jaren verschillende maatregelen getroffen om de wereldeconomie minder gevoelig te maken voor financieel economische crises. In 2014 hebben de IFI’s, naast aandacht voor crisispreventie, ook focus gelegd op het creëren van inclusieve groei. Er zijn verschillende maatregelen genomen om groei wereldwijd een impuls te geven en IFI middelen en investeringen effectiever in te zetten. De Minister van Financiën heeft voor Nederland als bewaker van de financiële belangen van de Nederlandse overheid en burger een centrale rol in het beleid van de IFI’s.

Zo heeft het IMF onlangs haar schuldenlimietbeleid voor lage inkomens landen aangepast, om de grote behoeft aan investeringen in groei in deze landen tegemoet te komen. Landen met budgettaire ruimte krijgen meer mogelijkheden om naast concessionele financiering (met een schenkingselement) ook gebruik te maken van financiering tegen commerciële voorwaarden. In het oude beleid was hier slechts beperkt ruimte voor. Ook heeft het IMF de eerste stappen gezet om het leenraamwerk aan te passen voor landen met programma’s van een exceptionele omvang. Het IMF wil haar toolkit uitbreiden om adequater te kunnen reageren wanneer de schuldhoudbaarheid van een land in het geding komt en zodoende de groei en succesvolle implementatie van een programma bevorderen. De voorgestelde aanpassingen zouden ervoor zorgen dat private crediteuren gedurende de looptijd van een programma hun vorderingen niet kunnen aflossen, wat de mogelijkheden beperkt voor bail-outs van private crediteuren.

De Wereldbank heeft haar eigen financiële houdbaarheid en financiële capaciteit verhoogd. De Bank voert een grote bezuinigingsoperatie door. De uitgaven van de Bank worden nu getoetst op efficiëntie en effectiviteit. Daarnaast heeft de Raad van Bewindvoerders besloten om de prijzen van leningen verstrekt door de IBRD te verhogen om additionele inkomsten te genereren. Ook zal de IBRD efficiënter gebruik gaan maken van het bestaande aandeelhouderskapitaal door voor elke dollar aan kapitaal iets meer uit te lenen.

Daarnaast heeft de EIB belangrijke stappen gezet om een katalyserende rol op het gebied van investeringen te spelen. Met de introductie van het «Juncker-plan» in december 2014 is een eerste aanzet gegeven door de Europese Commissie om in 2015 met de EIB tot een instrument te komen om invulling te geven aan «An investment plan for Europe». Dit moet een impuls geven aan de Europese interne markt en private investeerders aantrekken.

Op Europees vlak was er in 2014 substantiële aandacht voor een verder herstel van de financiële stabiliteit van de eurozone. De Europese schuldencrisis heeft aanleiding gegeven tot wijziging en uitbreiding van afspraken omtrent economische beleidscoördinatie (onder andere versterkt Stabiliteits- en Groeipact). Gekoppeld hieraan was er aandacht voor de lopende steunprogramma’s voor Griekenland en Cyprus en het in 2014 aflopende programma voor Portugal. De Minister van Financiën nam namens Nederland deel aan discussies en besluitvorming op ministerieel niveau in Eurogroep en Ecofin verband en in de Raad van gouverneurs van het ESM over deze onderwerpen. Eurogroep en Ecofin vergaderingen vinden in beginsel iedere maand plaats.

Als sluitstuk van versterkte economische beleidscoördinatie in de Eurozone verstrekt het ESM, onder strikte beleidscondities en waar mogelijk in samenwerking met het IMF, financiële steun aan landen in nood. Sinds juli 2013 kunnen het EFSM en EFSF geen nieuwe leningen meer aangaan. Het EFSF en EFSM blijven bestaan totdat de laatste leningen zijn afgelost. Het ESM heeft in 2014 financiële steun verstrekt aan Cyprus. Portugal heeft in het eerste half jaar van 2014 nog steun ontvangen van het EFSM, EFSF en het IMF en heeft eind mei 2014 het leningenprogramma succesvol verlaten. Griekenland heeft in 2014 financiële steun van het EFSF en het IMF ontvangen. Daarnaast is in december 2014 door de Eurogroep besloten om het EFSF-programma van Griekenland met twee maanden te verlengen tot en met 28 februari 2015, zodat de Griekse regering meer tijd heeft om de nog openstaande maatregelen onder de vijfde voortgangsmissie af te ronden. Op 27 februari 2015 is, op verzoek van de nieuwe Griekse regering, het leningenprogramma van het EFSF nogmaals verlengd met vier maanden tot en met 30 juni 2015. Griekenland is ook begonnen met de aflossing van de IMF-leningen van het eerste leningenprogramma van het IMF. Eind december 2014 had Griekenland in totaal circa 9,2 miljard euro afgelost aan IMF-leningen. Spanje en Ierland hebben eind 2013 de leningenprogramma’s succesvol afgerond, er worden geen nieuwe leningen meer verstrekt. Zowel Spanje als Ierland hebben in 2014 al een deel van de leningen vervroegd afgelost. Spanje heeft in juli 2014 al 1,6 miljard euro vervroegd afgelost aan het ESM en Ierland heeft in december 2014 al 9,1 miljard euro vervroegd afgelost aan het IMF.

Op 8 december 2014 heeft de Raad van gouverneurs van het ESM ingestemd met de uitwerking van het ESM-instrument voor directe herkapitalisatie van banken. Hiermee is het instrument operationeel geworden. Met het instrument zullen banken directe steun kunnen ontvangen vanuit het ESM in plaats van via de overheden van aanvragende lidstaten. Hiermee wordt bijgedragen aan het verbreken van de vicieuze cirkel, door de link tussen kwetsbare overheden en kwetsbare banken af te zwakken. Tegelijkertijd houdt het akkoord rekening met de noodzaak om prikkels te houden voor aanvragende lidstaten om prudent beleid te voeren en om zorgvuldig om te gaan met de schaarse publieke middelen in het ESM.

Het jaar 2014 stond voor de Eurogroep ook in het teken van de toetreding van Letland tot de Eurozone per 1 januari en van de voorbereiding voor de toetreding van Litouwen als negentiende lid van de Eurozone. Litouwen heeft per 1 januari 2015 de Euro ingevoerd als munteenheid, daarvoor zijn de voorbereidingen in 2014 afgerond. Nadat Litouwen in januari 2014 aangaf niet later dan 1 januari 2015 de Euro te willen invoeren, concludeerde de Europese Centrale Bank en de Europese Commissie in juni 2014 in de convergentierapporten dat Litouwen voldeed aan de vereiste convergentiecriteria. In juli is daarop de derogatie op toetreding van Litouwen opgeheven. Om duurzame convergentie te waarborgen heeft Litouwen structurele hervorming gepresenteerd en deze opgenomen in onder andere het nationaal hervormingsplan.

De onderhandelingen in het kader van het Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2014–2020 van de EU zijn in 2013 afgerond. Vanaf 1 januari 2014 is daarmee het nieuwe MFK in werking getreden. In het nieuwe MFK, dat circa 34 miljard euro lager ligt dan het huidige MFK, hebben de budgetten voor onderzoek en innovatie aan relatief belang gewonnen ten opzichte van de klassieke posten als landbouw- en cohesiebeleid. Tevens heeft Nederland in deze onderhandelingen wederom een korting op de afdrachten bedongen van ruim 1 miljard euro15.

In 2014 zijn acht aanvullende begrotingen gepresenteerd, waarvoor met uitzondering van de eerste aanvullende begroting (technische wijzigingen, was reeds akkoord) in december een akkoord is bereikt. Nederland heeft ingestemd met alle aanvullende begrotingen, met uitzondering van de derde aanvullende begroting. In de derde aanvullende begroting stelde de Europese Commissie voor de betalingen in 2014 te verhogen door middel van de inzet van de zogenoemde contingency margin (het instrument om als laatste redmiddel op onvoorziene omstandigheden te kunnen reageren), ten overstaan van een cumulatief gelijkmatige verlaging van de betalingen in latere jaren van het MFK. Nederland heeft samen met gelijkgestemde lidstaten in de Begrotingsraad gezorgd voor een beperktere inzet van de contingency margin. Uiteindelijk heeft Nederland tegen de derde aanvullende begroting gestemd, omdat Nederland van mening was dat de Europese Commissie te snel en in te ruime mate naar dit instrument heeft gegrepen16.

De Europese Commissie heeft eind oktober de naheffing op basis van de grondslagen voor het bni en de btw gepresenteerd. De naheffing resulteerde in een bruto nabetaling van Nederland aan de Europese Unie, met een omvang van 1,1 miljard euro. Netto bedraagt de naheffing circa 650 miljoen euro omdat, Nederland in 2015 een teruggave van circa 450 miljoen zal ontvangen17. Het kabinet voelde zich verrast door de omvang van de naheffing en heeft daarom gepleit voor meer transparantie en harmonisatie van zowel het begrotingsproces als de berekeningswijze van dergelijke naheffingen. De Europese Commissie heeft hierop een evaluatie toegezegd, waarvan Nederland de resultaten nauwlettend zal volgen18.

Tot slot is de ratificatie van het Eigen Middelenbesluit niet voor het einde van 2014 afgerond. In het Eigen Middelenbesluit wordt de financiering van de Europese begroting vastgelegd; de Nederlandse korting op de afdrachten maakt deel uit van het Eigen Middelenbesluit. De korting op de Nederlandse afdrachten hangt samen met deze ratificatie. De korting op de Nederlandse afdrachten over het jaar 2014 blijft behouden, maar wordt doorgeschoven naar het jaar 2015.

D: Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Beleidsartikel 4 Internationale financiële betrekkingen
Bedragen x € 1.000
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2010

2011

2012

2013

2014

2014

2014

Verplichtingen

40.452.217

91.240.416

38.336.697

– 49.193.450

3.649.277

1.081.076

2.568.201

Waarvan betalingsverplichtingen

4.708.053

730.004

3.585.959

139.000

787.228

800.104

– 12.876

EIB

   

448.222

0

0

0

0

Lening Griekenland

   

– 1.505.643

0

0

0

0

Kapitaal ESM

   

4.573.600

0

0

0

0

               

Waarvan garantieverplichtingen:

35.744.164

90.510.412

34.750.738

– 49.332.450

2.862.049

280.972

2.581.077

Deelneming multilaterale ontwikkelingsbanken en -fondsen

277.118

304.524

120.110

26.588

725.439

167.527

557.912

Garantie aan DNB inzake IMF en BIS

5.416.546

18.518.207

– 825.772

– 1.140.268

2.158.610

113.445

2.045.165

Kredieten EU betalingssteun

1.232.500

– 102.500

5.000

– 35.000

– 10.000

0

– 10.000

EFSM

2.946.000

– 120.000

6.000

– 42.000

– 12.000

0

– 12.000

EFSF

25.872.000

71.910.181

0

– 48.141.770

0

0

0

ESM

   

35.445.400

0

0

0

0

               

Uitgaven

1.304.504

2.284.106

2.005.213

2.599.623

1.093.524

1.119.514

– 25.990

               

Deelneming multilaterale (ontwikkelings) banken en fondsen

             

Deelnemingen multilaterale ontwikkelingsbanken en -fondsen

55.897

337.276

158.227

631.183

52.864

79.753

– 26.889

EFSF

1.054

571

0

0

0

0

0

ESM

   

1.829.440

1.829.440

914.720

914.720

0

               

Leningen

             

Lening Griekenland

1.247.553

1.946.259

4.546

0

0

0

0

Uitkering rente aan Griekenland

   

13.000

139.000

125.000

125.041

– 41

               

Opdrachten

             

TA kiesgroeplanden

       

940

0

940

               

Ontvangsten

39.495

127.715

50.131

34.336

19.969

29.970

– 10.001

               

Deelneming multilaterale (ontwikkelings) banken en fondsen

             

Ontvangsten IFI's

9.611

13.081

9.454

8.630

5.951

4.418

1.533

               

Lening

             

Rente en servicefee ontvangsten lening Griekenland

29.884

114.634

40.677

25.706

14.018

25.552

– 11.534

E: Toelichting op de instrumenten

Betalingsverplichtingen (– € 12,9 mln.)

De verplichting voor technische assistentie valt lager uit en de geraamde kapitaal bijdrage aan de Wereldbank is ten laste gekomen van een eerder aangegane verplichting.

Deelneming multilaterale ontwikkelingsbanken en -fondsen (+ € 557,9 mln.)

Garantie Wereldbank (+ € 468,8 mln.)

De aanpassing van de verplichting wordt voornamelijk veroorzaak door de wisselkoersaanpassing van de garanties afgegeven aan de Wereldbank.

Garantie Cotonou (+ € 89,1 mln.)

De Europese Investeringsbank (EIB) verricht activiteiten in landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen), alsmede de Europese landen en gebieden overzee (LGO). Dit in het kader van de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst (Verdrag van Cotonou), en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee. Het Intern Akkoord betreft een periodieke financiële uitwerking van de genoemde overeenkomsten gedurende het MFK 2014–2020 en is aan de Kamer voorgelegd (Kamerstukken II 2013/14, 33 838, nr. 3.). Het Intern Akkoord bevat een garantie voor 75% van de politieke en soevereine risico’s die de EIB bij haar activiteiten in de ACS en LGO loopt. Deze is in de tweede suppletoire van de Financiën begroting opgenomen. Tevens is de vordering van het eerdere Cotonou programma met € 1,9 mln. toegenomen.

Garantie aan DNB inzake IMF en BIS (+ € 2,0 mld.)

– Aanpassing garantie DNB inzake IMF door wisselkoerswijziging (+ € 2.045,2 mln.)

De aanpassing van de verplichting wordt veroorzaakt door de wisselkoersaanpassing van de garanties afgegeven aan DNB inzake de deelnemingen van het IMF.

– Beëindiging garantie BIS

Deze garantieovereenkomsten tussen de staat en DNB betreffen het Nederlandse aandeel in de via de Bank voor Internationale Betalingen (BIS) te verstrekken kredietfaciliteiten. Als verplichtingenraming (stelpost) wordt jaarlijks een garantieplafond van € 113 mln. in de ontwerpbegroting opgenomen. De laatste jaren is geen gebruik gemaakt van deze regeling en wordt deze niet meer noodzakelijk geacht. Daarom wordt de garantieverplichting niet meer opgenomen (zoals gemeld in de begroting IX 2015).

EU-betalingsbalanssteun (– € 10,0 mln.)

Naar aanleiding van een verandering in het Nederlandse aandeel in de EU-begroting is de bestaande garantieverplichting bijgesteld.

EFSM (– € 12,0 mln.)

Naar aanleiding van een verandering in het Nederlandse aandeel in de EU-begroting is de bestaande garantieverplichting bijgesteld

Uitgaven

Aanpassing betalingsritme International Development Agency (– € 26,9 mln.)

Om budgettechnische redenen is het betaalritme van de toezeggingen aan IDA aangepast. Hiermee wordt het zwaartepunt van de IDA betalingen verlegd naar de jaren 2016 en 2017.

Uitkering Rente aan Griekenland

Onderdeel van de afspraken van de Eurogroep van februari en november 2012 is dat de inkomsten van de ECB en de nationale centrale banken uit de Griekse staatsobligaties die niet zijn meegenomen in de obligatieomruil van februari 2012 worden doorgegeven aan Griekenland. Dit betreft de inkomsten uit de SMP-portefeuille en de ANFA-portefeuille. Nederland heeft in juli 2014 aan het ESM de SMP-inkomsten over 2014 van 112 miljoen euro overgemaakt. Het ESM heeft hiervoor een speciale rekening, waarop lidstaten de SMP-winsten kunnen overmaken. Deze inkomsten zullen door het ESM, na een positief oordeel van de voortgang van het programma (of na een positieve post-programme missie na afloop van het programma), naar Griekenland worden overgemaakt. Omdat de huidige voortgangsmissie nog niet is afgerond, zijn de SMP-inkomsten over 2014 nog niet naar Griekenland overgemaakt.

Ontvangsten

Ontvangsten IFI’s (+ € 1,5 mln.)

De terugbetalingen van leningen door de Europese Investeringsbank (EIB) en de Wereldbank zijn hoger dan geraamd. Bij de EIB gaat het om leningen aan landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen), en de Europese landen en gebieden overzee (LGO) onder het Europees Ontwikkelingsfonds in het kader van de verdragen van Lomé en Cotonou. Bij de Wereldbank gaat het om de EEC Special Action Account, waarbij in Europese Economische Gemeenschap verband via de Wereldbank speciale kredieten worden verstrekt op concessionele basis aan ontwikkelingslanden welke over langere periode worden terugbetaald.

Rente Griekenland (– € 11,5 mln.)

Door een lagere rente dan de geraamde CPB rekenrente en de retroactieve correctie van de renteverlaging (zoals door de Eurogroep in december 2012 overeengekomen) zijn de ontvangsten op de Griekse lening lager uitgevallen.

4.5 Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringen

A: Algemene doelstelling

Het bieden van mogelijkheden voor verzekering van betalingsrisico’s die zijn verbonden aan export en investeringen in het buitenland, in aanvulling op de markt, en het creëren en handhaven van een internationaal gelijkwaardig speelveld voor bedrijven op het terrein van de exportkredietverzekeringsfaciliteit.

B: Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Financiën heeft de rol van regisseur van de uitvoering van de exportkredietverzekeringsfaciliteit. De Minister stelt de randvoorwaarden vast waaronder de uitvoerder van de faciliteit verzekeringen mag afgeven. De staat treedt op als verzekeraar en Atradius Dutch State Business N.V. voert de EKV-faciliteit uit, op naam en voor rekening en risico van de staat. De Minister van Financiën is budgetverantwoordelijk. De Minister van Financiën is, samen met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, beleidsverantwoordelijk voor het verstrekken van de verzekeringen en het nastreven van een gelijkwaardig speelveld op het gebied van de exportondersteunende maatregelen.

Op basis van de Kaderwet financiële verstrekkingen Financiën biedt de Nederlandse Staat, ter aanvulling op de private markt, faciliteiten aan waarmee Nederlandse ondernemers en hun financiers betalingsrisico’s kunnen afdekken bij de staat. Met de verschillende producten binnen de exportkrediet- en investeringsverzekeringen (de EKV-faciliteit) kunnen Nederlandse bedrijven meer exportorders verwerven, hetgeen een positief effect heeft op de concurrentiekracht, industriële productie en werkgelegenheid in Nederland.

Het doel is om een kostendekkende faciliteit te handhaven. Daarom zijn niet alle risico’s voor de staat acceptabel. Het risicoprofiel van de bestaande EKV-portefeuille en van nieuwe aanvragen wordt nauwlettend gevolgd door middel van een uitgebreid risicokader.

Om zo veel mogelijk te voorkomen dat de staat risico’s in verzekering neemt die door de markt kunnen worden gedekt, is de «risicodracht» opgezet. Hierin staat vermeld op welke risico’s (landen, looptijd en omvang) de staat potentieel dekking aanbiedt. Voor de overige risico’s gaat de staat er in principe vanuit dat deze door de markt zelf in dekking kunnen worden genomen. De risicodracht wordt periodiek aangepast na overleg met de uitvoerder van de faciliteit of indien reacties van marktpartijen hiertoe aanleiding geven.

De overheid heeft een belangrijke rol ten aanzien van het bevorderen van een gelijkwaardig speelveld op het gebied van de exportondersteunende maatregelen. Om Nederlandse exporteurs en hun financiers internationaal onder gelijke voorwaarden te kunnen laten concurreren, wordt door Nederland in internationaal verband overlegd over de exportondersteunende maatregelen. Zo worden in OESO- en EU-verband afspraken gemaakt over de voorwaarden waaronder exportkredietverzekeringen mogen worden verstrekt, zoals kostendekkendheid, minimum premies, maximale looptijden, het gebruik van ontwikkelingshulpgelden, een verantwoord leenbeleid en maatschappelijk verantwoord ondernemen. Ook wordt er een actieve dialoog met de opkomende economieën die geen deel uitmaken van de OESO gevoerd. Het doel van deze besprekingen is om mogelijke verstoringen van het speelveld, door landen die niet aan de OESO-regels gebonden zijn, zoveel mogelijk te beperken.

C: Beleidsconclusies

De exportkredietverzekeringsfaciliteit bestond in 2014 uit de volgende onderdelen: de exportkredietverzekeringen en -garanties (EKV) en de regeling investeringsverzekeringen (RIV)19.

In 2014 zijn in totaal 145 nieuwe polissen en dekkingstoezeggingen uitgereikt. Dit is een lichte afname ten opzichte van 2013 toen er 147 nieuwe verzekeringspolissen en dekkingstoezeggingen zijn uitgereikt.

Onderstaande figuur geeft de ontwikkeling van de EKV en de RIV-portefeuille weer door middel van de uitstaande garantieverplichtingen.

Grafiek 1: uitstaande garantieverplichtingen in mln. EUR 2010–2014

Grafiek 1: uitstaande garantieverplichtingen in mln. EUR 2010–2014

In de grafiek is een onderscheid gemaakt tussen definitieve verzekeringen (polissen) en voorlopige verzekeringen (dekkingstoezeggingen). De garantieverplichtingen zijn aangepast op basis van de nieuwe berekeningsystematiek, zie ook de toelichting bij onderdeel E.

In Nederland beperkt de staat zich primair tot het verzekeren en garanderen en laat het daadwerkelijk financieren zoveel mogelijk over aan de markt. Er is de afgelopen jaren echter geconstateerd dat dit leidt tot een ongelijk speelveld als in andere landen wel financiering met publiek middelen mogelijk is terwijl banken geen concurrerende financiering kunnen aanbieden. Om het Nederlandse exporterende bedrijfsleven minder afhankelijk te maken van bancaire financiering is in 2009 de Exportkredietgarantie (EKG) ontwikkeld. Het doel van de EKG is om exportfinanciering laagdrempeliger te maken voor andere investeerders zoals pensioenfondsen. De staat geeft hierbij een 100% betalingsgarantie op de bank die de terugbetalingen moet doorzetten naar de kredietverstrekkende investeerder. Een EKG is uitsluitend mogelijk in combinatie met een EKV dekking. Het additionele risico dat de staat aangaat door afgifte van een EKG betreft daarom het risico dat de bank in betalingsproblemen komt gedurende de beperkte periode dat één betalingstermijn wel is gestort op de bank, maar nog niet is doorgezet naar de investeerder. Het additionele risico die aan de EKG is verbonden, is dusdanig beperkt dat het wordt meegenomen onder het bestaande garantieplafond van € 10 mld.

In 2014 is de doeltreffendheid en doelmatigheid van het instrument EKG door middel van een beleidsdoorlichting onderzocht.20 Hieruit blijkt dat door middel van de EKG export gefinancierd wordt door andere investeerders. Hierdoor worden Nederlandse exporteurs beter in staat gesteld om op concurrerende wijze mee te dingen op het internationale speelveld. Er is sinds de start van de EKG in 2009 geen schade geweest en daarnaast wordt er een kostendekkende premie in rekening gebracht. Hierdoor is het budgettaire effect van de EKG tot op heden licht positief.

Naar aanleiding van de uitkomsten van de beleidsdoorlichting is de EKG opgenomen in het reguliere productenaanbod van de EKV faciliteit. In de beleidsdoorlichting is echter ook geconstateerd dat er verbeteringspunten mogelijk zijn voor de EKG. In 2014 is samen met banken en de exportsector bekeken hoe binnen de bestaande randvoorwaarden het instrumentarium verder ontwikkeld kan worden. Dit heeft er mede toe geleidt dat er een basis is gelegd voor een nieuwe uitvoeringsvariant binnen de EKG. Deze zal verder worden uitgewerkt in 2015.

D: Tabel budgettaire gevolgen van beleid
Beleidsartikel 5 Exportkredietverzekering en investeringsgaranties
Bedragen x € 1.000
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2010

2011

2012

2013

2014

2014

2014

Verplichtingen

1.161.667

1.099.920

2.934.821

3.590.788

– 7.294.439

10.616.386

– 17.910.825

waarvan betalingsverplichtingen:

16.672

12.032

12.412

14.299

198.043

12.606

185.437

waarvan kostenvergoeding Atradius DSB

10.212

10.557

12.126

12.490

11.678

12.606

– 928

               

waarvan garantieverplichtingen:

1.144.995

1.087.888

2.922.409

3.576.489

– 7.492.482

10.603.780

– 18.096.262

EKV

1.198.639

1.118.144

2.942.882

3.523.570

– 7.441.016

10.000.000

– 17.441.016

RIV

– 49.220

– 19.752

– 20.473

52.919

– 51.466

453.780

– 505.246

MIGA

0

0

0

0

0

150.000

– 150.000

Omzetpolissen

– 4.424

– 10.504

0

0

0

0

0

               

Uitgaven

92.479

28.657

70.109

103.647

241.419

110.006

131.413

Garanties

             

Schade-uitkering EKV

76.137

17.909

57.697

89.348

43.376

96.900

– 53.524

Storting begrotingsreserve EKV

       

186.365

0

186.365

Schade-uitkering RIV

0

0

0

0

0

500