34 086 Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen)

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

 
     

I.

ALGEMEEN DEEL

2

1.

Inleiding

2

2.

Adviezen over het wetsvoorstel

4

3.

Een nieuw Boek 6: Tenuitvoerlegging

7

3.1.1

Opbouw Boek 6

8

3.1.2

Indeling en systematische nummering

11

3.1.3

Gefaseerde inwerkingtreding en lagere regelgeving

12

4.

Optimale tenuitvoerlegging

12

4.1

Tenuitvoerlegging als onderdeel van de strafrechtsketen

13

4.2

Doelstellingen van de tenuitvoerlegging

14

4.2.1

Snellere tenuitvoerlegging

14

4.2.2

Daadwerkelijke tenuitvoerlegging

15

4.2.3

Goed informeren van partners buiten de strafrechtsketen

16

5.

Verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging

17

5.1

Tenuitvoerlegging: Minister en openbaar ministerie

17

5.2

Taken van de Minister van Veiligheid en Justitie

19

5.2.1

Departementale regie

19

5.2.2

Administratie- en InformatieCentrum Executieketen (AICE)

21

5.2.3

Bevoegdheid beëindiging tenuitvoerlegging niet-gratieerbare beslissingen

23

5.2.4

Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften

24

5.3

Taken van het openbaar ministerie

25

5.3.1

Vorderen vervolgbeslissingen, vrijheidsbenemende dwangmiddelen

25

5.3.2

Invloed openbaar ministerie op procedure en inhoud tenuitvoerlegging

27

5.3.3

Advisering door het openbaar ministerie

30

5.3.4

Stellen van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke invrijheidstelling

33

5.3.5

Toezicht op de naleving

34

5.3.6

Informeren van slachtoffers en nabestaanden door het openbaar ministerie

35

5.4

Taken van de politie

36

5.4.1

Taken ten behoeve van de tenuitvoerlegging

36

5.4.2

Aansturing uitvoering executietaak

37

5.5

Taken van de reclassering

38

5.6

De rechter

40

5.7

Tenuitvoerlegging jeugdsancties

42

6.

Betekening

44

6.1

Rechtsvergelijkend onderzoek naar betekening

44

6.2

Aantal betekeningsopdrachten en centrale coördinatie

46

6.3

Elektronische kennisgeving van gerechtelijke stukken

47

6.3.1

Elektronische betekening

47

6.3.2

Elektronische toezending

49

6.4

Overige wijzigingen van de betekeningsregeling

49

6.5

Elektronische betekening en het EVRM

50

7.

Financiële en administratieve consequenties

52

II.

ARTIKELSGEWIJS

54

Bijlage 1:

Transponeringstabel nieuw Boek 6 van het Wetboek van Strafvordering

141

Bijlage 2:

Transponeringstabel bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering

146

Bijlage 3:

Transponeringstabel bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht

149

I. ALGEMEEN DEEL

1. Inleiding

Dit wetsvoorstel strekt ertoe de huidige wetgeving rondom de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen te herzien. Pas na daadwerkelijk uitvoering te hebben gegeven aan een strafrechtelijke beslissing is een strafbaar feit definitief afgedaan. De tenuitvoerlegging vormt hiermee na de opsporing, vervolging en berechting het wezenlijke sluitstuk van de strafrechtsketen. De ambitie van het kabinet is de strafrechtsketen doelmatiger te laten functioneren en de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen te optimaliseren (regeerakkoord VVD-PvdA; Kamerstukken II 2012/13, 33 410, nr. 15, blz. 25). In 2012 constateerde de Algemene Rekenkamer in haar rapport «Prestaties in de strafrechtketen» dat de strafrechtsketen onvoldoende presteert. Tevens werd geconstateerd dat er aan de oplossing van veel knelpunten in de strafrechtsketen met veel energie werd gewerkt, maar dat de onderlinge samenhang ontbrak. Op basis van dit rapport en een rapport over doorlooptijden in de strafrechtsketen (bijlage bij Kamerstukken II 2011/12, 29 279, nr. 133) hebben wij besloten meer centraal te gaan sturen op de strafrechtsketen en lopende initiatieven te bundelen voor een betere samenhang en regie op lopende verbeteringstrajecten (Kamerstukken II 2012/13, 33 173, nr. 6 over het programma versterking prestaties strafrechtsketen (VPS)). Deze inspanningen zijn gericht op het versterken van de prestaties van de gehele strafrechtsketen. Specifiek voor de fase van de tenuitvoerlegging is eerder – in 2011 – begonnen met de noodzakelijke verbeteringen in het zogeheten programma uitvoeringsketen strafrechtelijke beslissingen (USB) (Kamerstukken 2011/12, 33 000 VI, nr. 11 en 29 279, nrs. 147, 156 en 165). In het regeerakkoord is het belang van deze verbeteringen nogmaals benadrukt.

Doelstellingen voor de tenuitvoerlegging zijn het sneller starten van de tenuitvoerlegging, het daadwerkelijk tenuitvoerleggen van straffen en het goed informeren van alle relevante partners binnen en buiten de strafrechtsketen. Daarnaast willen wij ook in de fase van tenuitvoerlegging en bij de beëindiging van straffen en maatregelen de positie van slachtoffers en nabestaanden versterken. Een voorwaarde voor het bereiken van deze doelen is dat de regie op en de samenwerking binnen de uitvoeringsketen wordt versterkt. Om dit te realiseren wordt onder meer de coördinatie van de feitelijke tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen centraal belegd bij een uitvoeringsdienst van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, te weten het Centraal Justitieel Incassobureau (verder: CJIB). De regie op de tenuitvoerlegging komt bij de Minister van Veiligheid en Justitie te liggen. Hiertoe wordt voorgesteld de Minister van Veiligheid en Justitie wettelijk te belasten met de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Het openbaar ministerie – thans nog formeel belast met de tenuitvoerlegging – verstrekt in de nieuwe situatie alle voor tenuitvoerlegging vatbare beslissingen aan de Minister (voorgesteld artikel 6:1:1 Sv). Daarnaast blijft het openbaar ministerie verantwoordelijk voor specifieke taken binnen de tenuitvoerlegging, zoals het waar dat nodig is in het kader van de tenuitvoerlegging aanbrengen van zaken bij de strafrechter, teneinde deze een vervolgbeslissing te laten nemen. Deze bevoegdheidsverdeling en de verdergaande centralisatie sluit aan bij de praktijk, waarbij de formele verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging en de feitelijke tenuitvoerlegging steeds verder uit elkaar zijn komen te liggen (zie nader paragraaf 5.1). Deze centralisatie bevordert de regie op de tenuitvoerlegging als onderdeel van de strafrechtsketen en draagt bij aan een efficiënte strafrechtspleging als geheel.

Naast de verschuiving van de verantwoordelijkheid in de tenuitvoerlegging worden met dit wetsvoorstel enkele andere inhoudelijke wijzigingen voorgesteld. Dit betreft onder meer een wijziging van de huidige betekeningsregeling, waarmee het mogelijk wordt gemaakt gerechtelijke mededelingen elektronisch te betekenen. Verder wordt voorgesteld de Minister de bevoegdheid te geven de tenuitvoerlegging van niet-gratieerbare beslissingen – zoals onherroepelijke geldboetevonnissen onder de € 340 – te beëindigen indien met de verdere tenuitvoerlegging daarvan geen redelijk doel wordt gediend. Daarnaast wordt wettelijk voorzien in termijnen waarbinnen het vonnis moet zijn verstrekt aan de Minister van Veiligheid en Justitie (het CJIB), zodat snel met de ten uitvoerlegging kan worden gestart. Een vierde voorbeeld van een inhoudelijke wijziging is dat wordt voorgesteld de standaardtermijn waarbinnen een taakstraf moet worden uitgevoerd te verlengen, onder schrapping van de mogelijkheid deze termijn eenmaal te verlengen.

Buiten deze inhoudelijke wijzigingen beogen wij de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging van sancties en thans versnipperd zijn te vinden in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering zoveel mogelijk bij elkaar te brengen in één nieuw boek binnen het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv). Hiertoe wordt het huidige Boek V van het Wetboek van Strafvordering integraal opnieuw vastgesteld. Het voorgestelde nieuwe «Boek 6 – Tenuitvoerlegging» kent een systematische nummering en een nieuwe indeling waarbij per sanctiesoort de voor de tenuitvoerlegging relevante bepalingen in aparte Hoofdstukken zijn samengebracht. Deze clustering betekent onder meer dat bepalingen uit andere wetten die zien op de tenuitvoerlegging van specifieke straffen, worden opgenomen in de algemene strafprocesrechtelijke regeling. Dit betreft met name bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr). Waar mogelijk zijn bij deze clustering wettelijke procedures geüniformeerd. Dit is vooral aan de orde bij rechterlijke beslissingen tijdens de tenuitvoerlegging. De verwachting is dat het verminderen van specifieke procedures – zoals bijvoorbeeld bij de reacties op een geconstateerde schending van vrijheidsbeperkende voorwaarden en sancties, bij beslissingen in het kader van de terbeschikkingstelling (TBS) en bij beslissingen op bezwaar – leidt tot een afname van administratieve verplichtingen. Bovendien wordt voorzien in een zekere mate van uniformering hetgeen eveneens bijdraagt aan de vermindering van administratieve verplichtingen. De voorgestelde herziening behelst tot slot modernisering van het taalgebruik van de huidige bepalingen die veelal stammen uit de periode van totstandbrenging van het wetboek, de jaren 20 van de vorige eeuw. De herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging is hiermee één van de belangrijke onderdelen in de beoogde verdergaande modernisering en herstructurering van het huidige Wetboek van Strafvordering (wetgevingsprogramma VPS; Kamerstukken II 2012/13, 29 279, nr. 156, blz. 2).

Deze memorie van toelichting is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de adviezen die zijn ontvangen over een concept van dit wetsvoorstel. De nieuwe regeling van de tenuitvoerlegging – het voorgestelde nieuwe Boek 6 Sv – komt in hoofdstuk 3 aan de orde. In hoofdstuk 4 bespreken wij de beoogde verbeteringen van de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen. Dit betreft zowel organisatorische als wettelijke veranderingen. In hoofdstuk 5 worden de achtergrond en de gevolgen van de verschuiving van de formele verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van openbaar ministerie naar de Minister van Veiligheid en Justitie uitgewerkt. De voorgestelde wijzigingen van de betekeningsregeling worden toegelicht in hoofdstuk 6. De financiële paragraaf vormt het slot van het algemeen deel van deze toelichting (hoofdstuk 7). In het artikelsgewijs deel van de memorie van toelichting wordt per wijzigingsbepaling een toelichting gegeven.

2. Adviezen over het wetsvoorstel

Over het concept van dit wetsvoorstel is advies gevraagd aan de Raad voor de rechtspraak (Rvdr), de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR), de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA), de politie, het College van procureurs-generaal van het openbaar ministerie, de drie reclasseringsorganisaties (3RO), de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) en de raad voor de kinderbescherming (RvdK). Aan de Rvdr, de politie, het openbaar ministerie, de 3RO en de RvdK is in de consultatieronde expliciet de vraag voorgelegd om in het schriftelijk commentaar aandacht te besteden aan de uitvoeringsconsequenties die het in consultatie gegeven conceptwetsvoorstel zal hebben. In deze paragraaf zal kort de algemene strekking van de ontvangen adviezen worden beschreven. Op specifieke opmerkingen zal nader worden ingegaan op de plaatsen waarop de opmerkingen betrekking hebben.

De doelen van het wetsvoorstel om strafrechtelijke beslissingen met behoud van kwaliteit en zorgvuldigheid daadwerkelijk en snel ten uitvoer te leggen en betrokken instanties daarover goed te informeren, worden door alle adviesorganen gesteund. De Raad voor de rechtspraak verwelkomt bijvoorbeeld de doelstelling de tenuitvoerlegging te versnellen. De politie ziet in het wetsvoorstel een bijdrage aan meer efficiënte tenuitvoerlegging en daarmee een goede aanzet voor het verbeteren van de prestaties van de strafrechtsketen als geheel. Effectieve wetgeving en daadkrachtige voortzetting van verbeteringsvoorstellen – zoals in het beleidsprogramma bij dit wetsvoorstel – is door de politie zeer gewenst. De 3RO onderschrijft het doel van het wetsvoorstel en spreekt waardering uit voor de wijze waarop het ontwerp van het wetsvoorstel in samenspraak met de uitvoeringsinstanties tot stand is gekomen. De RSJ kan zich vinden in de doelstelling van het wetsvoorstel bij te dragen aan een voortgaand streven naar adequate en snelle tenuitvoerlegging. De RSJ benadrukt hierbij – terecht – het belang van waarborgen voor kwaliteit; het versnellen van procedures mag er niet toe leiden dat deze aan zorgvuldigheid inboeten. De NOvA onderschrijft de geformuleerde doelstellingen voor de tenuitvoerlegging, als wezenlijk sluitstuk van de strafrechtsketen.

Tot ons genoegen wordt de gekozen opzet waarbij de voorschriften over de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen worden samengebracht in één nieuw Boek, eveneens breed onderschreven. De NVvR oordeelt bijvoorbeeld dat het wetsvoorstel leidt tot een overzichtelijk, systematisch en helder opgebouwd Wetboek van Strafvordering. De Raad voor de rechtspraak geeft op dit punt aan dat de nieuwe regeling de leesbaarheid en overzichtelijkheid van de thans versnipperde regeling ten goede komt. De NOvA staat positief tegenover het voorstel de tenuitvoerlegging te concentreren en te uniformeren. Zij verwacht dat dit kan bijdragen aan het bereiken van de benoemde doelen van het wetsvoorstel. Het openbaar ministerie, dat met zeer veel interesse kennis heeft genomen van het uitgebreide wetsvoorstel, acht het concentreren van alle bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging een aanzienlijke verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Het komt – aldus het openbaar ministerie – de overzichtelijkheid en de toegankelijkheid van de wettelijke regeling zeker ten goede. De 3RO lijkt de voorgestelde opbouw op het eerste gezicht een heldere indeling en een logische keuze. Hierbij plaatst de 3RO als kanttekening dat juist de artikelen die zien op de taken van de reclassering in de huidige wetgeving minder verspreid staan dan in het wetsvoorstel, wat het voor de reclassering lastiger maakt de toepasselijke regels te vinden. Conform het advies van de 3RO op dit punt zijn in het voorgestelde nieuwe Boek 6 de artikelen over de tenuitvoerlegging zo veel mogelijk per sanctiemodaliteit geclusterd. De RSJ acht het samenbrengen van over verschillende regelingen verspreid geraakte onderdelen en het daarbij bevorderen van een eenvormige regeling een goede zaak. Voor de RSJ is dit niet alleen vanuit het perspectief van wetsystematiek van belang, maar ook vanuit het bereiken van een grotere toegankelijkheid van regelgeving, wat eveneens gunstig is uit het oogpunt van rechtsbescherming.

Het college van procureurs-generaal heeft met instemming kennis genomen van het voorstel om de Minister van Veiligheid en Justitie in plaats van het openbaar ministerie wettelijk te belasten met de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. De hierbij horende nieuwe formele verdeling van taken en bevoegdheden in het kader van de tenuitvoerlegging heeft eveneens de instemming van het openbaar ministerie. Deze in het wetsvoorstel vastgelegde verdeling sluit beter aan bij de huidige uitvoeringspraktijk waarin vooral departementale uitvoeringsdiensten de daadwerkelijke tenuitvoerlegging verzorgen en neemt onduidelijkheden in de aansturing van de voor de uitvoering verantwoordelijke ketenpartners weg. De Raad voor de rechtspraak verzoekt in zijn advies de memorie van toelichting aan te vullen met een nadere onderbouwing van de noodzaak en de effectiviteit van de voorgenomen verschuiving. Specifiek wordt door de Raad aandacht gevraagd voor de invulling van de departementale regiefunctie en de positie van het openbaar ministerie. De nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling heeft de instemming van de politie. De politie constateert hierbij dat de aansturing wordt gecentraliseerd. Hierbij onderschrijft de politie de wenselijkheid dat met het wetsvoorstel belangrijke operationele bevoegdheden bij het openbaar ministerie behouden blijven. De 3RO kan zich goed vinden in bij de verdeling van de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging gemaakte keuzes en de versterking van de departementale regiefunctie die de voorgestelde verschuiving van de verantwoordelijkheid met zich meebrengt. De NOvA heeft bezwaren tegen de verschuiving van de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van openbaar ministerie naar de Minister van Veiligheid en Justitie. Dit draagt volgens de NOvA namelijk het risico in zich dat beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging meer dan nu het geval is politiek worden beïnvloed. De RSJ constateert dat het met zoveel woorden toebedelen van de tenuitvoerlegging aan de Minister duidelijkheid schept over diens verantwoordelijkheid daarvoor, niet in de laatste plaats in diens verhouding tot de hem controlerende volksvertegenwoordiging. Voor zover deze klaarheid in lijnen de werkelijkheid beter weerspiegelen is dit volgens de RSJ een goede zaak. De RSJ ziet aan de andere kant dat beslissingen in de sfeer van de tenuitvoerlegging (nog) meer dan nu onder invloed kunnen komen van politieke meningsvorming en verhoudingen in de Tweede Kamer. Naar aanleiding van deze adviezen wordt in hoofdstuk 5 uitvoeriger ingegaan op de achtergrond van de verschuiving van de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging, de taakverdeling tussen openbaar ministerie en Minister en de wijze waarop de centrale regie vanuit het ministerie vorm krijgt. Hierbij komt tevens aan de orde de wijze waarop wordt omgegaan met het risico van een grotere politieke inmenging in het algemene tenuitvoerleggingsbeleid en in individuele beslissingen inzake tenuitvoerlegging. Op deze plek merken wij ter relativering reeds op dat de meer ingrijpende beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging die thans aan de officier van justitie of de rechter zijn om te nemen – zoals beslissingen over vrijheidsbeneming of de inzet van ingrijpende dwangmiddelen- met dit wetsvoorstel aan de officier of rechter blijven, en dat deze beslissingen veelal (in beroep) aan de onafhankelijke rechter kunnen worden voorgelegd. Van belang is verder dat de huidige praktijk leert dat bij (media-)gevoelige zaken de Minister of de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie reeds in het parlementair debat verantwoording aflegt over het justitieel optreden in het algemeen en in individuele gevallen. Dit is ook passend bij de eindverantwoordelijkheid die de bewindspersoon hiervoor draagt.

Een ander onderwerp dat vermelding verdient in deze weergave van de algemene strekking van de ontvangen adviezen, zijn de wijzigingen die zijn voorgesteld voor de regeling van de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen, de betekeningsregeling. De adviezen zijn voor dit onderwerp op te splitsen in enerzijds adviezen over de introductie van de mogelijkheid van elektronische betekening en anderzijds de overige in de consultatieversie van het wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen, met name de betekening aan andere personen dan de geadresseerde, die hebben te gelden als betekening in persoon.

De gedachte om gerechtelijke stukken ook langs elektronische weg te kunnen toesturen en betekenen wordt door de meeste adviesorganen positief ontvangen. Hetzelfde geldt voor het elektronisch ondersteunen van de fysieke uitreiking van gerechtelijke mededelingen. De Raad voor de rechtspraak vindt dat digitale betekening voor de hand ligt gelet op de digitalisering van de samenleving in het algemeen, maar ook van de rechtspraak in het bijzonder. De mogelijkheid van betekening aan iemands e-mailadres wordt toegejuicht. De Raad voor de rechtspraak stelt in dit verband meerdere vragen ter verduidelijking van de voorgestelde werkwijze. De NVvR vindt deze elektronische betekeningen met voldoende waarborgen omkleed en ziet geen bezwaar in deze mogelijkheid. De politie acht de efficiëntere aanpak die elektronische betekening mogelijk maakt een goede ontwikkeling. De NOvA juicht de ontwikkeling van elektronische betekening toe, maar uit enkele zorgen over de veiligheid van betekening langs elektronische weg. Het college van procureurs-generaal van het openbaar ministerie stelt voorop dat het aanbeveling verdient de betekeningsvoorschriften te herzien. De huidige betekeningsvoorschriften stammen uit een tijd dat moderne communicatievoorzieningen niet voorhanden waren. De elektronische communicatiemiddelen waarover de meeste burgers thans beschikken, is maatschappelijk inmiddels van grotere betekenis dan de bezorging van stukken per gewone post. Deze veranderde tijden nopen naar het oordeel van het college tot verdergaande modernisering van de betekeningsvoorschriften. In de paragraaf in deze memorie van toelichting over elektronische betekening (§ 6.3) wordt de door de Raad voor de rechtspraak, de NOvA en het openbaar ministerie gevraagde nadere toelichting gegeven.

Nu de in de consultatieversie van het wetsvoorstel voorgestelde betekening aan andere personen dan de geadresseerde, die hebben te gelden als betekening in persoon, de zogeheten betekeningsficties, geen onderdeel meer uitmaken van het wetsvoorstel, behoeven de adviezen over dit onderdeel geen bespreking. Naast de introductie van elektronische mogelijkheden van kennisgeving van gerechtelijke mededeling wordt in dit wetsvoorstel voor de betekeningsregeling volstaan met het voorstellen van enkele kleinere, meer technische wijzigingen (§ 6.4).

Ten slotte verdient vermelding dat dit conceptwetsvoorstel gedurende een periode van drie maanden voorwerp is geweest van internetconsultatie. Via www.internetconsultatie.nl is aan een ieder de mogelijkheid geboden te reageren op het concept van het wetsvoorstel en de memorie van toelichting. Van deze mogelijkheid is beperkt gebruik gemaakt. Naast enkele betrokken burgers heeft PostNL haar zienswijze ingebracht. De door PostNL gemaakte opmerkingen zien op de wijziging van de betekeningsregeling. PostNL benadrukt ten eerste het belang van het betrouwbaar en volgens de wettelijke voorschriften uitreiken van gerechtelijke stukken. Dit belang onderschrijven wij. Mede naar aanleiding van dit advies wordt in het hoofdstuk van deze memorie van toelichting over de betekening meer aandacht besteed aan dit belang, de wijze waarop in de voorgestelde nieuwe uitvoeringspraktijk gerechtelijke stukken doelmatig èn zorgvuldig worden uitgereikt en de (rechterlijke) controle die hierop plaatsvindt. Ten tweede wijst PostNL op de samenhang met het Wetsvoorstel modernisering UPD van de Minister van Economische Zaken. In dat wetsvoorstel wordt – onder meer – voorgesteld de betekening van gerechtelijke stukken uit de zogeheten Universele Post Dienst (UPD) te halen. Dit voorstel houdt kort gezegd in dat PostNL niet meer verplicht zal zijn deze dienst aan te bieden. De regeling van de UPD staat los van de met dit wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen van de betekeningsregeling. Om deze reden is het advies van PostNL ter zake onder de aandacht gebracht van het Ministerie van Economische Zaken, die dit heeft betrokken bij de voorbereiding van het Wetsvoorstel modernisering UPD (Kamerstukken II 2014/15, 34 024, nr. 3, blz. 9).

Op de overige inhoudelijke onderdelen van de veelal uitgebreide adviezen die zijn uitgebracht bij dit omvangrijke wetsvoorstel wordt in deze memorie van toelichting ingegaan op die plaatsen waar de onderwerpen waarover is geadviseerd, worden belicht. De redactionele opmerkingen van de adviesorganen zijn overgenomen.

3. Een nieuw Boek 6: Tenuitvoerlegging

Dit wetsvoorstel ziet op de nieuwe wettelijke regeling voor de tenuitvoerlegging. De tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen wordt met dit wetsvoorstel geconcentreerd en geüniformeerd binnen de strafrechtelijke wetgeving. Beoogd wordt met dit wetsvoorstel een logisch-systematische opbouw te geven voor de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging. Zoals in hoofdstuk 2 is aangegeven zijn veel van de adviesorganen uitgesproken positief over de voorgestelde opzet. De procureur-generaal van het parket bij de Hoge Raad concludeert in een recente publicatie (prof.mr. J.W. Fokkens, Sancties, aflevering nr. 3, 2014) eveneens dat de concentratie van de nu nog over verschillende wetten verspreide bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging een zonder meer positief verschil betekent. Door de met dit voorstel doorgevoerde scheiding tussen enerzijds de regeling van de verschillende straffen en maatregelen, opgenomen in het Wetboek van Strafrecht, en anderzijds de tenuitvoerlegging daarvan, geregeld in het Wetboek van Strafvordering, wordt voor de tenuitvoerlegging een meer heldere grens getrokken tussen het materiële en het formele gedeelte van het strafrecht (zie ook Nijboer 1987, De doolhof van de Nederlandse strafwetgeving, Groningen: Wolters Noordhoff, blz. 19, 94–95).

3.1.1 Opbouw Boek 6

Het voorgestelde nieuwe Boek 6 kent zeven hoofdstukken. Na de algemene bepalingen in het eerste hoofdstuk – die in beginsel gelden voor alle ten uitvoer te leggen strafrechtelijke beslissingen en voor het toezicht op alle strafrechtelijk opgelegde vrijheidsbeperkingen – wordt in het tweede tot en met de vijfde hoofdstuk aangesloten bij het karakter van de straf of maatregel, achtereenvolgens vrijheidsbenemend (hoofdstuk 2), vrijheidsbeperkend (hoofdstuk 3), geldelijk (hoofdstuk 4) en bijkomend (hoofdstuk 5). Met deze volgorde wordt de opsomming van straffen in artikel 9 van het Wetboek van Strafrecht gevolgd. In het zesde hoofdstuk staan de rechterlijke beslissingen die tijdens de tenuitvoerlegging aan de orde kunnen zijn. Bestaande procedures zijn in dit hoofdstuk gebundeld en vereenvoudigd. Het zevende en tevens laatste hoofdstuk ziet op de strafvorderlijke bepalingen over het verzoeken en verlenen van gratie. Door deze stelselmatige opbouw en de gekozen systematische nummering (zie nader de volgende paragraaf) kan eenvoudiger dan thans het van toepassing zijnde recht worden gevonden. Hieronder wordt voor elk hoofdstuk kort de inhoud en opbouw nader toegelicht. De eerste transponeringstabel die als bijlage bij deze memorie van toelichting is gevoegd, kan worden gezien als gedetailleerde inhoudsopgave van het nieuwe Boek 6.

Het eerste hoofdstuk bevat de algemene bepalingen. De eerste titel van dit hoofdstuk betreft de taken en verantwoordelijkheden die Minister en openbaar ministerie hebben tijdens de tenuitvoerlegging en de algemene uitgangspunten die gelden voor de tenuitvoerlegging. Dit is de afdeling waar de in hoofdstuk 5 van deze memorie van toelichting beschreven nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling tussen Minister en openbaar ministerie haar belangrijkste wettelijke neerslag krijgt. Deze titel bepaalt verder de bevoegdheden die ten behoeve van de tenuitvoerlegging kunnen worden ingezet, de registratie die voor de tenuitvoerlegging wordt gevoerd, de mogelijkheid van de Minister om de tenuitvoerlegging van niet-gratieerbare beslissingen te beëindigen en ten wiens laste en bate de tenuitvoerlegging komt. Voor de tenuitvoerlegging van jeugdsancties gelden op grond van deze titel dezelfde voorschriften als bij volwassenen, tenzij bij of krachtens wet anders is bepaald. Indien er afwijkende voorschriften voor jeugdigen en jongvolwassenen gelden, wordt dit expliciet bepaald in de andere hoofdstukken van het nieuwe Boek 6 Sv. In de tweede titel van het eerste hoofdstuk staan de voorschriften over de aanvang, opschorting en beëindiging van de tenuitvoerlegging. Deze bepalingen gelden voor alle ten uitvoer te leggen strafrechtelijke straffen en maatregelen. De derde en laatste titel handelt over het toezicht op de tenuitvoerlegging van jeugdsancties.

Het tweede hoofdstuk ziet op de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen, maatregelen en dwangmiddelen. Dit betreft de hoofdstraffen gevangenisstraf en hechtenis (artikel 9, eerste lid, onder a, onderdelen 1° en 2°, Sr), de jeugddetentie, de maatregelen plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis, verpleging van overheidswege, ter beschikking stelling (verder: TBS; Tweede afdeling, Titel IIA, Sr), plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (verder: ISD; Derde afdeling, Titel IIA, Sr) en de maatregel van plaatsing in een justitiële jeugdinrichting. Voor de straffen bevat de eerste titel onder meer de gronden voor opneming in de penitentiaire inrichting en de wijze waarop het moment van invrijheidstelling wordt bepaald. De tweede titel bevat de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling, het onderdeel van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf dat thans in het Wetboek van Strafrecht is geregeld (huidig artikel 15 e.v. Sr). De bepalingen in de derde, vierde en vijfde titel van het tweede hoofdstuk – over de tenuitvoerlegging van de TBS-maatregel, de ISD-maatregel en de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen – zijn eveneens overgeheveld uit het Wetboek van Strafrecht. De bepalingen zien ook op de TBS met voorwaarden en op de TBS waarvan het bevel tot verpleging voorwaardelijk is beëindigd, die – gelet op het karakter van beide – ook als vrijheidsbeperkende maatregelen kunnen worden aangemerkt. Dit hoofdstuk is niettegenstaande het belang van de vrijheidsbenemende sancties redelijk beperkt in omvang doordat – gezien de omvang, de complexiteit en het specifieke karakter van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming – voor de bepalingen dienaangaande gekozen is voor concentratie in de Beginselenwetten (Penitentiaire beginselenwet, Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden). In de verhouding tussen de Beginselenwetten en het Wetboek van Strafvordering is met deze herziening van de regeling van de tenuitvoerlegging geen wijziging beoogd.

Het derde hoofdstuk ziet op vrijheidsbeperkende straffen en maatregelen. Het grootste deel van dit hoofdstuk bevat regels over de tenuitvoerlegging van taakstraffen. De bepalingen voor de uitvoering van taakstraffen voor volwassen staan in de eerste titel, die voor jeugdigen staan – samen met de bepalingen over de gedragsbeïnvloedende maatregel – in de derde titel. De tweede titel betreft de gedragsaanwijzingen die een officier van justitie in een strafbeschikking kan geven. Voor de goede orde merken wij op dat de tenuitvoerlegging van bijzondere voorwaarden, die eveneens een vrijheidsbeperkend karakter hebben, niet in dit hoofdstuk wordt geregeld. Reden hiervoor is dat dergelijke voorwaarden altijd zijn gekoppeld aan een andere sanctie; de voorwaarde vormt de stok achter de deur om de veroordeelde tot gedragsverandering te brengen. De reactie die volgt op het niet naleven van deze (bijzondere) voorwaarden is geregeld in het zesde hoofdstuk, aangezien altijd een rechterlijk oordeel nodig is om consequenties te verbinden aan de geconstateerde schending.

Het vierde hoofdstuk ziet op geldelijke straffen en maatregelen. De eerste titel van het vierde hoofdstuk geeft de algemene wettelijke regeling voor de inning van de verschuldigde geldbedragen. Hierbij kan naast de inning van geldboetes, opgelegd door rechters, officieren van justitie, bevoegde bestuursorganen of (buitengewoon) opsporingsambtenaren, worden gedacht aan de inning van een schadevergoedingsmaatregel of wederrechtelijk verkregen voordeel (ontnemingsmaatregel). De tweede titel betreft enkele specifieke bepalingen met betrekking tot de ontnemingsmaatregel. Dit betreft met name de bevoegdheden die ten behoeve van het onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde kunnen worden ingezet. De derde titel ziet op een specifiek op geld gericht onderdeel van de tenuitvoerlegging, de storting van een waarborgsom die als bijzondere voorwaarde is gesteld.

Het vijfde hoofdstuk ziet op de bijkomende straffen die de strafrechter kan opleggen. Dit betreft op grond van de limitatieve opsomming van artikel 9, eerste lid, onder b, Sr: ontzetting uit bepaalde rechten, verbeurdverklaring en openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. Voor deze bijkomende straffen gelden van oudsher slechts een aantal specifiek voorschriften voor de tenuitvoerlegging; dit komt tot uitdrukking doordat dit hoofdstuk in het wetboek slechts uit drie bepalingen bestaat.

In het zesde hoofdstuk worden de rechterlijke beslissingen samengebracht die in het kader van de tenuitvoerlegging kunnen worden genomen. Indien tijdens de tenuitvoerleggingsfase een oordeel van de rechter nodig is, geeft dit hoofdstuk de te volgen procedure en de gevolgen van de genomen vervolgbeslissing. Juist voor deze rechtsbescherming voor personen die de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel ondergaan geldt dat deze thans versnipperd over het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering is te vinden. Het samenbrengen en vereenvoudigen van deze procedures zorgt voor efficiënter werken. In de opbouw van dit hoofdstuk wordt op hoofdlijnen de opbouw van het Boek gevolgd door te starten met een algemene titel en vervolgens per titel de verschillende sanctiesoorten terug te laten keren: vrijheidsbeneming (tweede titel), vrijheidsbeperking (derde titel), geldelijke straffen en maatregelen (vierde titel). Voor de jeugdsancties wordt een aparte titel voorgesteld (vijfde titel). In deze titels zijn met elkaar vergelijkbare procedures zoveel mogelijk samengevoegd en opnieuw uitgeschreven. Hiermee wordt beoogd meer eenvormigheid in de rechtsbescherming te bereiken. Deze herstructurering komt direct sterk naar voren in de eerste titel waar algemene voorschriften voor rechterlijke beslissingen tijdens de tenuitvoerlegging worden gegeven. Deze voorschriften betreffen onder meer welke rechter bevoegd is, wie aan die rechter een oordeel mogen vragen, de voorbereiding en de procedure van het onderzoek ter terechtzitting en de aanwezigheid van veroordeelde, raadsman, getuigen en deskundigen. Als algemene regel geldt dat tegen deze beslissingen in de fase van de tenuitvoerlegging geen rechtsmiddel openstaat, tenzij anders bepaald. In de versie van het wetsvoorstel die aan de Afdeling advisering is voorgelegd was in deze eerste titel ook een bepaling opgenomen die hetzelfde doel had als het huidige rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen (artikel 579 e.v. Sv). Het doel van dit rechtsgeding tot herkenning is bij blijvende twijfel over de identiteit van degene die een vrijheidsstraf ondergaat een rechter te laten beslissen over de identiteit van de betrokkene. Door de nieuwe mogelijkheden tot identiteitsvaststelling, waaronder biometrie, en de vaste toepassing daarvan, in de opsporing en vervolging, maar zeker ook tijdens de tenuitvoerlegging, liet zich de vraag stellen of deze aparte rechtsgang nog relevant was. Navraag bij de Justitiële informatiedienst (voor de afgelopen 10 jaar) en het openbaar ministerie (voor de afgelopen 5 jaar) over het aantal gevallen waarin het huidige rechtsgeding tot herkenning feitelijk is toegepast, heeft opgeleverd op dat dit in de afgelopen periode nul keer het geval is geweest. Hieruit maken wij op dat de huidige wijze van identiteitsvaststelling inderdaad met voldoende zekerheid discussie over de identiteit van veroordeelden uitsluit, zodat het eerder voorgestelde artikel over identiteitsvaststelling door de rechter in de fase van de tenuitvoerlegging is geschrapt.

In de tweede titel van hoofdstuk 6 worden de specifieke beslissingen en procedures in het kader van de terbeschikkingstelling opnieuw vastgesteld. De hiervoor gemaakte opmerking dat de rechtsbescherming tijdens de tenuitvoerlegging thans versnipperd over het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering is te vinden, geldt in het bijzonder voor de terbeschikkingstelling. In de voorgestelde nieuwe titel worden de bestaande regelingen – met behoud van de bestaande mogelijkheden om een vervolgbeslissing aan de rechter te verzoeken – uniform en overzichtelijk opnieuw vastgesteld. Tegen beslissingen die kunnen leiden tot een (langere) vrijheidsbeneming staat beroep open. Op een vergelijkbare wijze wordt in de tweede titel de rechterlijke reactie op niet-naleving van voorwaarden en andere vrijheidsbeperkende sancties in één regeling gevat in plaats van een aparte regeling per type sanctie.

Het zevende en tevens laatste hoofdstuk bevat de strafvorderlijke gratieregeling. De Gratiewet is de inhoudelijke regeling van de procedure van een gratieverzoek. In het Wetboek van Strafvordering wordt geregeld welke vonnissen in aanmerking kunnen komen voor gratie en wat het effect van een gratieverzoek is op de tenuitvoerlegging. Door gratieverlening vervalt de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging, zonder dat de daaraan ten grondslag liggende rechterlijke beslissing wordt aangetast. Gratie vormt hiermee niet zozeer onderdeel van de tenuitvoerlegging als wel het einde van de gevolgen van de rechterlijke beslissing. Om deze reden zijn de strafvorderlijke gratiebepalingen geheel aan het einde van het wetboek geplaatst.

De BES-wetgeving wordt niet gewijzigd met dit wetsvoorstel. Redenen hiervoor is dat voor de strafprocesrechtelijke kant voor de BES, Aruba, Sint-Maarten en Curaçao is gekozen voor een zo uniform mogelijke regeling, omdat er één Hof is dat alle zaken in hoger beroep afdoet en omdat de populatie van deze eilanden zeer gering van omvang is en de tenuitvoerlegging hierdoor zijn eigen karakteristieken heeft en houdt.

3.1.2 Indeling en systematische nummering

Onderdeel van de herziening van het Boek over de tenuitvoerlegging en de modernisering van het Wetboek van Strafvordering is het (stapsgewijs) doorvoeren van een nieuwe indeling in de onderdelen van het Wetboek en van een nieuwe nummering van de artikelen.

Voor de indeling in onderdelen geldt dat in de voorgestelde nieuwe regeling wordt aangesloten bij de Aanwijzingen voor de regelgeving (Aanwijzing 97; Stcrt. 2011, 6602). Dit betekent dat waar de verdeling binnen een Boek thans – in volgorde van afnemende omvang – titel > afdeling > paragraaf is, dit met het voorstel hoofdstuk > titel > afdeling > paragraaf wordt, met dien verstande dat niet elk niveau binnen elk onderdeel wordt gebruikt.

Voor wat betreft de nummering is reeds in het kader van de wet ter implementatie van kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2009 inzake de toepassing tussen de lidstaten van de Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis (PbEU L 294) (Stb. 2013, 250) opgemerkt dat door de wijzigingen van het Wetboek in de loop der tijd de doorlopende nummering van het Wetboek in toenemende mate ondoorgrondelijk is geworden. Ter adstructie wijzen wij op enkele van de meest exotische artikelnummers: artikel 126ui, artikel 126zga en de artikelen 509i bis, 509j bis en 509u bis. Van de artikelen beginnend met 126 bestaan er inmiddels meer dan tachtig (artikel 126 tot en met 126ii), van de artikelen beginnend met 552 bestaan er meer dan zestig (artikel 552 tot en met 552iie). Het laatste artikel van het Wetboek van Strafvordering is artikel 593, terwijl het gehele Wetboek bijna 950 artikelen kent. Om deze redenen stellen wij een nieuwe nummering voor waarin op het niveau van de verschillende hoofdstukken wordt doorgenummerd. Dit brengt mee dat in het artikelnummer het nummer van het boek en van het hoofdstuk waarin het artikel is ondergebracht, tot uitdrukking komt (boek: hoofdstuk: artikel). Met de voorgestelde nummering wordt de moeizame nummering van ingevoegde bepalingen – voor nu – beëindigd. Daarnaast zal op grond van het nummer van de bepaling eenvoudiger zijn af te leiden waarop deze ziet. Bij artikelnummer 6:2:4 zal bijvoorbeeld in de toekomst direct duidelijk zijn dat het gaat om een artikel dat ziet op de tenuitvoerlegging (boek 6) van een vrijheidsbenemende straf of maatregel (hoofdstuk 2). Als hulpmiddel worden in het wetsvoorstel de getallen die terugkeren in de artikelnummers in Arabische cijfers opgenomen (Boek 6; hoofdstuk 2) en de overige cijfers met letters uitgeschreven (eerste titel). In de Wet van 5 juni 2013 tot implementatie van kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2009 inzake de toepassing tussen de lidstaten van de Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis (PbEU L 294)(Stb. 2013, 250) is met het nieuwe Boek V een aanvang genomen met de nieuwe, uit drie cijfers bestaande nummering. Deze wordt met dit wetsvoorstel voortgezet. Beoogd is te gelegener tijd alle artikelen van het Wetboek van Strafvordering op deze wijze te hernummeren. De voorgestelde nieuwe wijze van nummering gaf de om advies gevraagde instanties geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.

3.1.3 Gefaseerde inwerkingtreding en lagere regelgeving

Uit de inwerkingtredingbepaling – het laatste artikel van het wetsvoorstel – vloeit voort, dat het tijdstip van inwerkingtreding van de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Van deze gefaseerde inwerkingtreding kan gebruik worden gemaakt als dit voor de uitvoering van de nieuwe wettelijke regeling noodzakelijk is.

Deze wetswijziging en de beoogde optimalisatie van de tenuitvoerlegging raakt ook lagere regelgeving zoals algemene maatregelen van bestuur, ministeriële regelingen en beleidsregels. Deze gedelegeerde nadere regels worden parallel aan de parlementaire behandeling van dit wetsvoorstel voorbereid zodat deze op hetzelfde moment als (onderdelen van) het wetsvoorstel in werking kunnen treden.

4. Optimale tenuitvoerlegging

De organisaties die bij de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen een wezenlijke rol spelen – het openbaar ministerie, de rechtspraak, de politie, de 3RO, het Ministerie van Veiligheid en Justitie en zijn uitvoeringsorganisaties CJIB, Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), Justitiële informatiedienst, – werken samen aan het verbeteren van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Voor een beter functioneren van de tenuitvoerleggingsketen is wijziging van wet- en regelgeving met betrekking tot de tenuitvoerlegging noodzakelijk. In het vorige hoofdstuk is de voorgestelde concentratie en uniformering van de strafrechtelijke wetgeving over de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen in een nieuw Boek 6 in het Wetboek van Strafvordering toegelicht. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de tenuitvoerlegging als onderdeel van de strafrechtsketen en op de – onder meer door de Algemene Rekenkamer – gesignaleerde tekortkomingen in de uitvoering (paragraaf 4.1). In paragraaf 4.2 beschrijven wij de doelen voor de tenuitvoerlegging en de structurele organisatorische wijzigingen die hiervoor worden doorgevoerd.

4.1 Tenuitvoerlegging als onderdeel van de strafrechtsketen

Voor een doeltreffend werkende strafrechtsketen moeten plegers van strafbare feiten niet alleen worden opgespoord, vervolgd, berecht en bestraft. Het gaat er uiteindelijk om dat plegers van strafbare feiten hun straf daadwerkelijk en volledig ondergaan. De tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen begint bij de beslissing van de rechter, de officier van justitie of een opsporingsambtenaar en eindigt bij het aflopen van de strafrechtelijke titel als de gevangenisstraf is uitgezeten, de maatregel is beëindigd, de taakstraf is uitgevoerd, de geldboete is betaald, aan de strafbeschikking is voldaan of de proeftijd bij gestelde voorwaarden is verstreken. In de fase van de tenuitvoerlegging moeten de betrokken justitiële partijen elkaar – als ketenpartners – informeren over elke stap in de strafrechtelijke procedure om te voorkomen dat zaken niet conform de geldende wet- en regelgeving of vanwege ondoelmatigheid de strafrechtsketen verlaten. Een dergelijke ongewenste uitstroom zou immers kunnen leiden tot rechtsongelijkheid en tot schade aan de geloofwaardigheid van de strafrechtspleging. Vanuit onder meer het resocialisatiebelang van de veroordeelde en het belang van de veiligheid van de samenleving is daarnaast nodig dat de strafrechtsketen er zorg voor draagt dat partners buiten de uitvoeringsketen van strafrechtelijke beslissingen, zoals gemeenten, zorginstellingen maar bovenal ook slachtoffers en nabestaanden, tijdig en correct worden geïnformeerd over de veroordeelde en de tenuitvoerlegging van diens straf. In het voorgestelde artikel 6:1:3 Sv wordt de algemene opdracht om bij de tenuitvoerlegging rekening te houden met deze belangen in de wet vastgelegd.

In 2012 constateerde de Algemene Rekenkamer in haar rapport «Prestaties in de strafrechtketen» dat de strafrechtsketen onvoldoende presteert. Tevens werd geconstateerd dat er aan de oplossing van veel knelpunten in de strafrechtsketen met veel energie werd gewerkt, maar dat de onderlinge samenhang ontbrak. Op basis van dit rapport en het WODC-rapport over doorlooptijden in de strafrechtsketen (bijlage bij Kamerstukken II 2011/12, 29 279, nr. 133) hebben wij besloten meer centraal te gaan sturen op de strafrechtsketen en lopende initiatieven te bundelen voor een betere samenhang en regie op lopende verbeteringstrajecten (Kamerstukken II 2012/13, 33 173, nr. 6 over het programma versterking prestaties strafrechtsketen (VPS)). Deze inspanningen zijn gericht op het versterken van de prestaties van de gehele strafrechtsketen (Kamerstukken II 2011/12, 29 279, nr. 147; 2012/13, 29 279, nr. 156). Doelstellingen van het kabinet voor het presteren van de strafrechtsketen zijn dat doorlooptijden omlaag gaan, meer strafzaken worden afgedaan, de belangen van het slachtoffer en nabestaanden een belangrijke plaats hebben, de ongewenste uitstroom in de strafrechtketen wordt teruggedrongen en de kwaliteit van de afdoening van zaken wordt verbeterd. In 2011 is gestart met de noodzakelijke verbeteringen, specifiek voor de fase van de tenuitvoerlegging, het einde van de strafrechtsketen (Kamerstukken II 2011/12, 33 000 VI, nr. 11 over het programma uitvoeringsketen strafrechtelijke beslissingen (USB)). Het huidige kabinet zet de ingezette versterking en optimalisering van de tenuitvoerlegging voort, als onderdeel van het verbeteren van de prestaties van de strafrechtsketen als geheel. In het regeerakkoord is het belang van deze verbeteringen nogmaals benadrukt. Tevens is in het regeerakkoord een taakstelling voor een doelmatige strafrechtsketen opgenomen. De mede met dit wetsvoorstel beoogde verbeteringen van de doelmatigheid in de tenuitvoerlegging dragen bij aan het realiseren van deze taakstelling (zie over de financiële en administratieve consequenties van het wetsvoorstel hoofdstuk 7).

4.2 Doelstellingen van de tenuitvoerlegging

Alle ketenpartners in de tenuitvoerlegging hebben gezamenlijk specifieke doelstellingen geformuleerd voor de fase van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Deze doelstellingen die uitvoering krijgen in het programma USB en die samenhangen met dit wetsvoorstel, worden in onderstaande paragrafen kort toegelicht.

4.2.1 Snellere tenuitvoerlegging

Door een strafrechtelijke beslissing zo snel mogelijk uit te voeren, ontstaat een duidelijkere relatie tussen het gepleegde strafbare feit, de berechting en de straf. In het voorgestelde artikel 6:1:2 Sv wordt voortvarende tenuitvoerlegging als doel gesteld. Dit is van belang voor de geloofwaardigheid van het strafrechtsysteem en het vertrouwen van burgers in de rechtsstaat. Voor de fase van de tenuitvoerlegging is de concrete doelstelling de tijd tussen de strafrechtelijke beslissing (bijvoorbeeld een onherroepelijke rechterlijke uitspraak of strafbeschikking) en de daadwerkelijke start van de tenuitvoerlegging zo kort mogelijk te laten zijn. Op dit moment zitten daartussen soms maanden. Door afspraken tussen de ketenpartners over efficiëntere samenwerking wordt het proces versneld en de termijn verkort. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het sneller oproepen van veroordeelden tot een vrijheidsstraf zich zelf te melden bij de penitentiaire inrichting, om afspraken omtrent het sneller verstrekken van de ten uitvoer te leggen beslissing en om het sneller starten van het toezicht door de reclassering. Voorgesteld wordt in de wet vast te leggen dat het openbaar ministerie uiterlijk veertien dagen nadat de beslissing voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden deze aan de Minister verstrekt voor de tenuitvoerlegging (artikel 6:1:1, tweede lid, Sv). Voor door of onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie uitgevaardigde strafbeschikkingen geldt dat deze termijn zonder meer haalbaar is. Voor rechterlijke beslissingen geldt dat deze termijn haalbaar is voor het openbaar ministerie op het moment dat de rechtspraak het vonnis spoedig vrijgeeft. Hiertoe is thans door de rechtspraak in het strafprocesreglement van de rechtbanken (Stcrt. 2010, 20926) vastgelegd dat het vonnis binnen vijftien dagen wordt geregistreerd in het bedrijfsprocessensysteem en dat alle zaken waarin vonnis is gewezen en waartegen geen rechtsmiddel is aangewend uiterlijk vijftien dagen na de uitspraak naar het arrondissementsparket worden gezonden. Met dit wetsvoorstel wordt bepaald dat een ondertekend vonnis binnen veertien dagen na de uitspraak aan het openbaar ministerie wordt verstrekt (artikel 365, zevende lid, Sv). Deze gecombineerde termijnen zorgen ervoor dat de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen doorgaans binnen dertig dagen ter hand kan worden genomen. De Raad voor de rechtspraak ziet er een toegevoegde waarde in dat dit onderdeel van de procedure een wettelijke verplichting wordt. Het openbaar ministerie onderschrijft in zijn advies het streven van deze bepaling om de ten uitvoer te leggen beslissingen snel bij de executerende instantie terecht te laten komen. Het advies van het openbaar ministerie om de termijnen voor rechtspraak en openbaar ministerie volledig gelijk te trekken door aan te sluiten bij de datum van de uitspraak in plaats van bij de datum van ondertekening is opgevolgd. Het College van procureurs-generaal wijst er in zijn advies op dat het in de praktijk zal kunnen voorkomen dat de bedoelde termijnen niet worden gehaald. Zo is bijvoorbeeld het openbaar ministerie afhankelijk van het door de rechter tijdig toezenden van de beslissing in zodanige vorm dat deze ten uitvoer kan worden gelegd. Hierop vindt een administratieve controle plaats voordat het openbaar ministerie de beslissing aan de Minister verstrekt voor de tenuitvoerlegging. Het College merkt op dat door het in het Wetboek van Strafvordering opnemen van deze termijnen de indruk zou kunnen ontstaan dat de veroordeelde op grond van termijnoverschrijding met succes bezwaar tegen de tenuitvoerlegging kan maken. Dat is niet het geval. Aan het overschrijden van deze termijnen door de rechtspraak of het openbaar ministerie zijn geen strafprocessuele consequenties verbonden. De registratie van de termijn waarbinnen een vonnis wordt vrijgegeven leidt wel tot nuttig inzicht om dit administratief proces waar nodig te bespoedigen. In zijn advies vraagt het College bij dit onderdeel ten slotte aandacht voor de beslissingen die direct na de uitspraak onherroepelijk of uitvoerbaar zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval als de veroordeelde en de officier van justitie ter terechtzitting afstand doen van het recht om hoger beroep in te stellen of als het een sanctie betreft waarvoor de rechter dadelijke uitvoerbaarheid heeft bevolen. In die gevallen zullen de voor tenuitvoerlegging vatbare beslissingen direct ter beschikking moeten worden gesteld ten behoeve van de tenuitvoerlegging, geheel los van de hierboven bedoelde termijn van tweemaal veertien dagen. Daarover zijn afzonderlijke afspraken gemaakt tussen de rechtspraak, het openbaar ministerie en de betrokken uitvoeringsdiensten.

Een andere versnelling waarop wordt ingezet is het sneller nemen van vervolgbeslissingen als een opgelegde straf niet (goed) wordt uitgevoerd of een gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd door de veroordeelde. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de situatie dat een veroordeelde een taakstraf niet naar behoren uitvoert zodat vervangende hechtenis moet volgen, of om de situatie dat een veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld, maar zich niet houdt aan een gestelde voorwaarde zodat herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling moet worden gevorderd bij de rechter. Dergelijke beslissingen dienen snel te worden genomen en uitgevoerd om effectief te kunnen fungeren als stok achter de deur. In de uitvoering wordt met een centrale administratie onder de verantwoordelijkheid van de Minister beoogd de doorlooptijden om te komen tot een (nieuwe) rechterlijke beslissing te verkorten (zie paragraaf 5.2.2); met dit wetsvoorstel worden dergelijke vervolgbeslissingen in de tenuitvoerlegging op één plek uniform geregeld (hoofdstuk 6).

4.2.2 Daadwerkelijke tenuitvoerlegging

Onder een daadwerkelijke tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen wordt ten eerste verstaan dat de opgelegde sanctie inderdaad en geheel ten uitvoer wordt gelegd. Personen die zijn veroordeeld moeten hun straf ondergaan. De in artikel 6:1:1, eerste lid, Sv bij de Minister van Veiligheid en Justitie neergelegde verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging behelst een verplichting tot tenuitvoerlegging. Voorkomen moet worden dat de tenuitvoerlegging van opgelegde straffen niet start danwel dat veroordeelden na hun opgelegde straffen gedeeltelijk te hebben uitgevoerd uit het gezichtsveld van de betrokken instanties verdwijnen. Dergelijke uitval die plaatsvindt zonder dat hieraan een formele beslissing ten grondslag ligt – en die definitief wordt na ommekomst van de termijn van de executieverjaring – achten wij onaanvaardbaar. Om dergelijke uitval zoveel mogelijk te reduceren wordt zowel – zoals hierboven beschreven – gewerkt aan de snelheid van de aanvang van de tenuitvoerlegging als aan de mate van zekerheid van de tenuitvoerlegging. Om te zorgen dat veroordeelden openstaande vrijheidsstraffen ondergaan, zijn maatregelen getroffen die leiden tot extra inzet op het opsporen van veroordeelden die zich onvindbaar proberen te maken voor justitie en politie (Kamerstukken II 2012/13, 33 400 VI, nr. 90). Deze extra inzet betreft zowel de reguliere opsporing door de politie, als de intensieve opsporing door de politie en het gespecialiseerde Team Executie Strafvonnissen (verder: TES) voor zaken van grote maatschappelijke ernst of met een aanzienlijk strafrestant. Voor principale vrijheidsstraffen is de concrete doelstelling dat in 2016 bij minimaal 92 procent de tenuitvoerlegging gaande of afgerond is 24 maanden nadat een beslissing voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. In 2019 zou dit bij minimaal 95 procent van de principale vrijheidsstraffen het geval moeten zijn (Kamerstukken II 2012/13, 29 279, 165).

Bij de daadwerkelijke tenuitvoerlegging gaat het er in de tweede plaats om dat de uitvoering van de sanctie overeenkomstig de genomen strafrechtelijke beslissing en veilig verloopt. Opgelegde sancties moeten vanzelfsprekend worden uitgevoerd zoals door de rechter of de officier van justitie is besloten. Bij de discretionaire beslissingen die tijdens de tenuitvoerlegging kunnen worden genomen over de wijze van tenuitvoerlegging moet door de uitvoerende instanties rekening worden gehouden met de resocialisatie van de veroordeelde, de belangen van het slachtoffer of zijn nabestaanden en de veiligheid van de samenleving (voorgesteld artikel 6:1:3 Sv). Op het moment dat een van de genoemde belangen in het gedrang komt of dreigt te komen moeten de betrokken organisaties, zoals openbaar ministerie, reclassering en gevangeniswezen met elkaar afstemmen om te komen tot een goede afweging. Dergelijke afstemming tussen de organisaties die betrokken zijn bij de tenuitvoerlegging speelt bijvoorbeeld bij het verlenen van vrijheden aan gedetineerden door de directeur van een penitentiaire inrichting. De huidige wijze waarop op dit soort momenten informatie wordt uitgewisseld, wordt in een gezamenlijke ketenaanpak verbeterd om te zorgen dat degene die verantwoordelijk is voor het nemen van de vervolgbeslissing kan beschikken over de voor die beslissing relevante informatie. Daarnaast kunnen – zoals de RSJ terecht opmerkt in zijn advies – organisaties zoals reclassering en politie zelfstandig blijven adviseren, in onderlinge afstemming danwel onafhankelijk van elkaar. In dit verband kan ook worden gewezen op de nieuwe algemene mogelijkheid van het openbaar ministerie om de Minister ten behoeve van de tenuitvoerlegging te adviseren (artikel 6:1:10 Sv; paragraaf 5.3.3).

4.2.3 Goed informeren van partners buiten de strafrechtsketen

De veiligheid van de samenleving en het slachtoffer staan ook bij de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen centraal. Slachtoffers en nabestaanden mogen erop rekenen dat zij tijdens de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende strafrechtelijke beslissingen niet rauwelijks worden geconfronteerd met een veroordeelde. Slachtoffers, hun directe omgeving en de samenleving moeten er op kunnen vertrouwen dat de veroordeelde tijdens het ondergaan van zijn straf geen directe bedreiging vormt. Gemeenten hebben er belang bij dat bij de terugkeer van plegers van ernstige strafbare feiten rekening wordt gehouden met de maatschappelijke onrust die kan ontstaan als gevolg van die terugkeer. Om deze redenen moet informatie uit het justitiedomein over veroordeelden die terugkeren in de vrije maatschappij tijdig en correct beschikbaar zijn voor publieke instanties zoals gemeenten, moet de verstrekte informatie goed aansluiten op de behoeften van het lokale zorg- en veiligheidsnetwerk en moeten slachtoffers of nabestaanden tijdig worden geïnformeerd. Zo worden slachtoffers en nabestaanden – indien zij dit wensen – ingelicht over verleend verlof of over de datum van het ontslag uit detentie (zie over het informeren van slachtoffers en nabestaanden door het openbaar ministerie ook paragraaf 5.3.6). Gemeenten dienen op de hoogte te worden gesteld van specifieke behoeften van ex-gedetineerden, zodat de resocialisatieactiviteiten tijdens detentie aansluiten op de onder gemeentelijke verantwoordelijkheid geboden nazorg in de vrije maatschappij. Vanuit hun verantwoordelijkheid op het gebied van de openbare orde en veiligheid kan de burgemeester eveneens op de hoogte worden gesteld van de (tijdelijke) terugkeer in de maatschappij van zware gewelds- en zedendelinquenten, in die gevallen dat de openbare orde of de lokale veiligheid in het gedrang kan komen (Bestuurlijke informatievoorziening justitiabelen (BIJ); Kamerstukken II 2012/13, 28 684, nr. 383). Bij het informeren van burgemeesters in het kader van de informatievoorziening BIJ speelt de Justitiële informatiedienst een cruciale rol; de Justitiële informatiedienst verwerkt detentie-informatie van DJI, checkt eventuele relevante adreswijzigingen in de basisregistratie persoonsgegevens, meldt gemeenten in voorkomende gevallen over de terugkeer van genoemde justitiabelen en monitort deze meldingen. Deze rol past bij de belangrijke taak die de Justitiële informatiedienst heeft, te weten het verstrekken van gegevens ten behoeve van een integer en integraal persoonsbeeld in de strafrechtsketen. Integer persoonsbeeld wil zeggen dat informatie over personen in de strafrechtsketen gekoppeld is aan de juiste persoon. Integraal persoonsbeeld wil zeggen dat alle informatie over verdachten en veroordeelden voor zover een bepaalde functionaris in de strafrechtsketen die nodig heeft om een beslissing te kunnen nemen («need to know») snel en efficiënt toegankelijk is. Om partijen buiten het justitiedomein in elke fase van de strafrechtspleging goed te kunnen informeren is de beschikbaarheid van betrouwbare en complete informatie binnen de strafrechtsketen een cruciale voorwaarde. Op het informeren van partijen buiten de strafrechtsketen voor andere doelen dan de strafrechtspleging is – zoals de RSJ opmerkt in zijn advies – privacywetgeving van toepassing. Politiegegevens en justitiële gegevens kennen een zogeheten «gesloten verstrekkingsregime»: dergelijke strafrechtelijke gegevens worden alleen verstrekt voor zover dat bij of krachtens de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is geregeld. Op de ontvangers van deze gegevens rust een wettelijke geheimhoudingsplicht. Op de organisatorische inrichting van de tenuitvoerlegging en de informatievoorziening wordt in het volgende hoofdstuk ingegaan.

5. Verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging

Voor het realiseren van de in het vorige hoofdstuk beschreven doelen achten wij meer centrale regie op de executieketen nodig. Vanuit een heldere verdeling van de taken en verantwoordelijkheden van de verschillende ketenpartners kan centraal worden gestuurd op de gewenste prestaties. In de eerste paragraaf wordt kort ingegaan op de ontwikkeling van de verschuiving van de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van openbaar ministerie naar Minister. Bij deze beschrijving is gebruik gemaakt van het recente proefschrift van dr. S. Meijer (Openbaar ministerie en tenuitvoerlegging, Universiteit Tilburg 2012, blz. 19 e.v.). Vervolgens wordt in paragraaf 5.2 ingegaan op de voorgestelde centrale, directe verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie voor de tenuitvoerlegging. Vervolgens wordt in dit hoofdstuk per direct betrokken organisatie ingegaan op de gevolgen die deze verschuiving van openbaar ministerie naar Minister heeft voor het bepalen en het verwezenlijken van het uitvoeringsbeleid. Dit betreft achtereenvolgens het openbaar ministerie (paragraaf 5.3), de politie (paragraaf 5.4), de reclassering (paragraaf 5.5) en de rechtspraak (paragraaf 5.6). In de laatste paragraaf van dit hoofdstuk wordt apart stilgestaan bij de tenuitvoerlegging van jeugdsancties.

5.1 Tenuitvoerlegging: Minister en openbaar ministerie

Het eerste Nederlandse Wetboek van Strafvordering, uit 1838, bevatte een verplichting voor officieren van justitie tot uitvoering van rechterlijke bevelen en andere rechterlijke beslissingen. De ambtenaren van het openbaar ministerie waren als vertegenwoordigers van de Koning bij de rechtbanken belast met alles wat tot de uitvoerende macht kon worden gerekend. Voor de uitvoering van de uitgesproken beslissingen, kon het openbaar ministerie lokaal de hulp inroepen «der openbare, burgerlijke, of der gewapende macht». Sinds de inwerkingtreding van het huidige Wetboek van Strafvordering in 1926 wordt de tenuitvoerlegging geregeld in artikel 553 e.v. Sv. Oorspronkelijk luidde de bepaling: «De tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen geschiedt op last van het openbaar ministerie bij het gerecht dat de beslissing heeft gegeven of tot hetwelk de rechter van wien de beslissing afkomstig is, behoort.» In 1953 is ingevoegd dat de tenuitvoerlegging door het openbaar ministerie geschiedt «overeenkomstig door Onze Minister van Justitie te stellen richtlijnen». In januari 1999 is het huidige artikel 553 Sv in werking getreden: «De tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen geschiedt door het openbaar ministerie dan wel op voordracht van deze door Onze Minister». Beide wijzigingen volgden uit de ontwikkeling dat de tenuitvoerlegging in toenemende mate werd overgenomen door landelijke diensten die onder de verantwoordelijkheid van de Minister ressorteren (Kamerstukken II 1948/49, 1189, nr. 3, blz. 14; Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, blz. 19). Bij de behandeling van de Beginselenwet gevangeniswezen in 1953 ging het primair om de centrale tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen. In 1999 ging het – bij de vaststelling van de Penitentiaire beginselenwet – naast de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende sancties, waarvoor de Minister reeds direct verantwoordelijk is, ook om de tenuitvoerlegging van vermogensstraffen. De tenuitvoerlegging van de geldsancties is met de oprichting van het CJIB in 1992 eveneens een landelijke aangelegenheid geworden. Deze centralisatie is sindsdien verder gegaan, zodat thans de tenuitvoerlegging van de hoofd- en bijkomende straffen van artikel 9 Sr nagenoeg geheel centraal wordt uitgevoerd door of aangestuurd vanuit het CJIB. De tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen geschiedt al met al momenteel formeel op last van het openbaar ministerie, maar is feitelijk een taak van de administratie geworden. Zoals het openbaar ministerie in zijn advies aangeeft wordt met het wetsvoorstel voortgebouwd op deze ontwikkeling. Door de Minister direct verantwoordelijk te maken voor de tenuitvoerlegging, kan het openbaar ministerie zich richten op zijn kerntaken, te weten de opsporing en vervolging van strafbare feiten ter handhaving van de strafrechtelijke rechtsorde. De voor de verbetering van de prestaties van de uitvoeringsketen noodzakelijke centrale regie op de tenuitvoerlegging kan vanuit de hierop gerichte taken van het openbaar ministerie onvoldoende vorm krijgen. Uitgangspunt bij de nieuwe vormgeving van de tenuitvoerleggingsketen is dat bij de tenuitvoerlegging betrokken organisaties kunnen excelleren in hun kerntaak. Op dit moment ligt het beheer en de aansturing van organisaties die betrokken zijn bij de uitvoering bij de Minister, denk aan de Dienst Justitiële Inrichtingen, het CJIB en Justid. Het ligt in de rede de Minister, naast deze verantwoordelijkheid voor het beheer, de verantwoordelijkheid voor het te voeren beleid en de uitvoering daarvan te geven. Dit maakt betere sturing op de in de tenuitvoerlegging te behalen resultaten mogelijk. Dat de administratie de beste aangewezene is de verantwoordelijkheid voor de uitvoering te dragen past ook bij het gegeven dat het gaat om een vaststaande beslissing van rechter of officier van justitie, die op de meest doelmatige en doeltreffende wijze moet worden uitgevoerd. Het voorgestelde artikel 6:1:1 Sv geeft beter dan het huidige artikel 553 Sv de verdeling van bevoegdheden weer. De tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen geschiedt door de Minister van Veiligheid en Justitie; het openbaar ministerie is exclusief verantwoordelijk voor de verstrekking aan de Minister van voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbare beslissingen. Vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de belangen van slachtoffers en nabestaanden adviseert het openbaar ministerie bij de overdracht van de beslissing waar nodig de Minister over de wijze van tenuitvoerlegging en de beslissingen die in dat kader moeten worden genomen (voorgesteld artikel 6:1:10 Sv). Daarnaast houdt het openbaar ministerie specifieke taken binnen de tenuitvoerlegging, waaronder het aanbrengen van zaken bij de strafrechter teneinde deze een vervolgbeslissing te laten nemen, die op haar beurt weer conform wordt uitgevoerd door de Minister. Op deze taken van het openbaar ministerie wordt in paragraaf 5.3 ingegaan.

5.2 Taken van de Minister van Veiligheid en Justitie

Met dit wetsvoorstel wordt de Minister van Veiligheid en Justitie met de tenuitvoerlegging belast. Deze directe verantwoordelijkheid stelt de Minister in staat zicht te hebben op de gehele tenuitvoerleggingsketen en centraal te sturen op een snelle en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Om de directe verantwoordelijkheid voor zowel het beleid als individuele zaken te kunnen dragen wordt de Minister bevoegd algemene en bijzondere lasten te geven aan degene aan wie de feitelijke tenuitvoerlegging door hem is opgedragen – net als thans het openbaar ministerie een algemene of bijzondere last kan geven aan die personen of instanties (artikel 6:1:5 e.v. Sv). Beslissingen tijdens de fase van tenuitvoerlegging worden in de nieuwe situatie door of namens de Minister genomen, voor zover niet uit de wet voortvloeit dat de desbetreffende beslissing door een rechter of door het openbaar ministerie moet worden genomen. Beslissingen door de rechter zijn in elk geval aan de orde bij beslissingen die tot (hernieuwde) vrijheidsbeneming van de veroordeelde leiden (met dit wetsvoorstel geclusterd in hoofdstuk 6 van Boek 6 Sv).

De directe verantwoordelijkheid van de Minister brengt verder met zich dat de beleids- en beheersmatige sturing van de tenuitvoerlegging vanuit het ministerie vorm krijgt (paragraaf 5.2.1). Ten behoeve van de tenuitvoerlegging en de gerichte sturing daarop is per 1 januari 2014 bij het CJIB onder verantwoordelijkheid van de Minister een administratie- en informatiecentrum ingericht dat coördineert dat de organisaties die zijn belast met de feitelijke tenuitvoerlegging kunnen beschikken over de gegevens die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging (paragraaf 5.2.2).

Voorgesteld wordt dat de Minister ook direct verantwoordelijk wordt voor de tenuitvoerlegging (inning en incasso) van sancties die zijn opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (verder: Wahv). Nu dit formeel geen strafrechtelijke maar administratiefrechtelijke beslissingen betreft, wordt deze keuze separaat nader toegelicht in paragraaf 5.2.4.

5.2.1 Departementale regie

De directe verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van de Minister van Veiligheid en Justitie – zoals die volgt uit het voorgestelde artikel 6:1:1 Sv – werkt door in de organisatie van het ministerie. Om de departementale regiefunctie voor de tenuitvoerlegging goed te kunnen vervullen wordt één directeur-generaal van het ministerie aangewezen als ketenregisseur. De ketenregisseur zal namens ons de samenwerking tussen de partijen die een taak hebben in de tenuitvoerlegging stimuleren en condities scheppen voor een goede samenwerking tussen deze ketenpartners.

De departementale regiefunctie valt uiteen in een aantal specifieke taken. Ten eerste betreft dit de verantwoordelijkheid voor het organiseren en voorbereiden van strategische en tactische overleggen tussen de ketenpartners over de uitvoering binnen de keten. Door middel van deze overlegstructuur wordt gezamenlijk met de ketenpartners de regie op de tenuitvoerlegging gevoerd, verbeteringen bepaald en strategische kaders uitgezet. De tweede taak is het behandelen en bewerken van gegevens over de uitvoering. Deze keteninformatie dient als basis voor de sturing van de tenuitvoerlegging. Op basis van de inzichten uit deze informatie over de prestaties van de tenuitvoerlegging worden knelpunten benoemd en voorstellen tot verbetering gedaan. Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (WODC) meet structureel de prestaties op de zogeheten kritieke prestatie-indicatoren (kpi’s). De prestaties worden gemonitord voor vrijheidsbeperkende, vrijheidsbenemende en financiële straffen en maatregelen. Aan deze prestaties heeft de keten streefnormen voor de tenuitvoerlegging verbonden. De derde taak betreft de vorming van tenuitvoerleggingsbeleid en het waar nodig initiëren van verbeterprojecten. Het opstellen van beleidsregels over de tenuitvoerlegging zoals thans door het openbaar ministerie gebeurt, zal in de nieuwe situatie behoren tot de taken die binnen het ministerie worden uitgevoerd. De huidige Aanwijzing executie van het openbaar ministerie (Stcrt. 2013, 5107) zal in de nieuwe situatie dus grotendeels komen te vervallen en enkel nog die onderdelen bevatten die zien op de taken die het openbaar ministerie behoudt, zoals het instellen van vorderingen bij de strafrechter en het adviseren van de Minister over tijdens de tenuitvoerlegging te nemen beslissingen (paragraaf 5.3). Hetgeen in de Aanwijzing executie van het openbaar ministerie vervalt, zal – voor zover dit niet bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is geregeld – worden bepaald in het departementaal beleid. Naar aanleiding van het advies van de politie kunnen wij op dit punt bevestigen dat in het belang van een effectieve uitvoering goed de samenhang tussen het overblijvende deel van de Aanwijzing Executie en de departementale beleidsregels wordt bewaakt. Het moet gaan om een eenduidig en uitvoerbaar stelsel aan nadere regels dat geen extra administratieve lasten mee zal brengen. Tot slot zal invulling worden gegeven aan de regiefunctie van de Minister door horizontale en verticale ketencontrol. Onder horizontale ketencontrol wordt verstaan het onderling afstemmen van de activiteiten van de betrokken partijen om te zorgen dat de doelstellingen worden bereikt. Tevens gaat het om het zorgen dat alle betrokken partijen over voldoende budget beschikken om de geplande taken uit te kunnen voeren. Ten slotte houdt de horizontale control in dat de geplande prestaties van de keten worden gevolgd (monitoring). Verticale control krijgt vorm in een jaarlijkse cyclus van planning en control per ketenpartner.

Op bovenstaande wijze wordt de regie-, beleids- en beheersfunctie van de Minister voor de tenuitvoerlegging ingevuld. Deze organisatorische veranderingen en de vastlegging van de directe formele verantwoordelijkheid van de Minister in de wet vormen een bestendiging van het hiervoor genoemde programma uitvoeringsketen strafrechtelijke beslissingen (USB) waarin onder meer de feitelijke overgang van de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van het openbaar ministerie naar de Minister van Veiligheid en Justitie die vanaf 1 januari 2014 vorm krijgt, is voorbereid. De mogelijkheid om vooruitlopend op de voorliggende wetswijziging op deze wijze te werken aan de versterkte departementale regie op de tenuitvoerlegging wordt geboden door het huidige artikel 553 Sv, dat bepaalt dat de tenuitvoerlegging op voordracht van het openbaar ministerie door de Minister kan geschieden.

Zowel de RSJ als de Raad voor de rechtspraak, als de NOVA hebben in hun adviezen de zorg geuit dat de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen door de verschuiving van de verantwoordelijkheid naar de Minister van Veiligheid en Justitie meer in de politieke sfeer komt te liggen. Door de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging direct bij de Minister van Veiligheid en Justitie te beleggen wordt een heldere verantwoordingslijn neergezet, waarbij de Minister zich aan het parlement verantwoordt over het gevoerde overheidsbeleid. De parlementaire geschiedenis toont dat deze politieke verantwoording op het gebied van de tenuitvoerlegging reeds onder de huidige verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie geschiedt en dat deze op een goede en opbouwende wijze gestalte krijgt. Zo heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie zich afgelopen tijd verantwoord over individuele casussen – zoals bijvoorbeeld Saban B., Benno L. en Volkert van der G. – en over het algemeen tenuitvoerleggingsbeleid – zoals bijvoorbeeld op het gebied van de terbeschikkingstelling, van de inning van financiële sancties (waaronder verkeersboetes) en van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Deze politieke debatten hebben er niet toe geleid dat beslissingen in individuele gevallen politiek zijn beïnvloed, maar wel dat het beleid en de wetgeving ter zake goed tegen het licht zijn gehouden en waar nodig aangepast.

5.2.2 Administratie- en InformatieCentrum Executieketen (AICE)

Om de departementale regie op de uitvoeringsketen optimaal te kunnen invullen, is het van belang over voldoende keteninformatie te beschikken. Cruciaal onderdeel van de nieuwe regie op de keten is dan ook de positionering van het CJIB als Administratie- en InformatieCentrum voor de Executieketen, het AICE. Het AICE is per 1 januari 2014 gestart als onderdeel van het CJIB. Het CJIB heeft ruime ervaring in het verschaffen van inzicht in de processen en het duiden van dit inzicht. Daarnaast heeft het CJIB thans reeds een grote rol in het routeren van strafrechtelijke beslissingen en is het een landelijk opererende organisatie, waardoor het snel de taken en rol van het AICE zal kunnen invullen. Het AICE heeft als uitvoeringsinstantie van de Minister van Veiligheid en Justitie een coördinerende rol bij het informeren van de met de tenuitvoerlegging belaste ketenpartners over alle door hen ten uitvoer te leggen strafrechtelijke beslissingen. Passend bij de huidige feitelijke situatie en bij de voorgestelde directe verantwoordelijkheid van de Minister voor de tenuitvoerlegging (paragraaf 5.1) zal het AICE deze taken namens de Minister uitvoeren.

De start van de tenuitvoerlegging in de keten begint bij de ontvangst van een strafrechtelijke beslissing door de Minister. Het openbaar ministerie is verantwoordelijk voor de volledige en tijdige aanlevering van deze beslissingen (paragraaf 5.1; artikel 6:1:1, tweede lid, Sv). Deze verantwoordelijkheid betreft ook die strafrechtelijke beslissingen die in de praktijk rechtstreeks bij het AICE worden aangeleverd door de politie en bestuursorganen. Het AICE zorgt er namens de Minister voor dat de feitelijke tenuitvoerleggingsorganisaties, zoals het CJIB, de DJI, de reclassering en de politie, tijdig vernemen dat de desbetreffende beslissing ten uitvoer moet worden gelegd, zodat zij daartoe kunnen overgaan. Het AICE geeft dus namens de Minister een last tot tenuitvoerlegging of aanhouding (artikelen 6:1:4 tot en met 6:1:6 Sv). De politie geeft in haar advies aan het een goede ontwikkeling te vinden dat dergelijke opdrachten vanuit één centraal punt worden gegeven. De overgang van zaaks- naar meer persoonsgericht werken maakt het voor de politie mogelijk om een persoon eenmaal aan te spreken voor meerdere executieopdrachten. Dit uitgangspunt van individualisering van de tenuitvoerlegging spreekt ook de RSJ aan. Ook de Raad voor de rechtspraak lijkt het AICE een toegevoegde waarde te hebben als het gaat om het meer zicht hebben op de uitvoering vanuit de gedachte dat alle ten uitvoer te leggen beslissingen dezelfde route volgen en met het oog op de beoogde samenwerking met de Justitiële informatiedienst en koppeling met registers als het Justitieel documentatiesysteem en Strafrechtketendatabank. Cruciaal voor de snelle start van de tenuitvoerlegging is dat het openbaar ministerie de eigen beslissingen, de onder zijn verantwoordelijkheid genomen beslissingen en de rechterlijke beslissingen snel en volledig voor de tenuitvoerlegging verstrekt aan de Minister (zie ook paragraaf 4.2.1). Ook bij zich aandienende vervolgbeslissingen tijdens de tenuitvoerlegging – bijvoorbeeld als iemand zich niet aan bijzondere voorwaarden houdt of de inning van een geldboete niet slaagt – zorgt het AICE namens de Minister voor de juiste routering en informatiedeling tussen de betrokken ketenpartners.

Door daarnaast bepaalde administratieve taken in de tenuitvoerlegging te centraliseren bij het AICE, bijvoorbeeld het berekenen van ontslagdata van gedetineerden niet meer door de afzonderlijke justitiële inrichtingen te laten doen, neemt de kwaliteit en de inzichtelijkheid van de gevoerde administraties toe en kunnen de andere uitvoeringsorganisaties zich concentreren op hun kerntaak, in dit verband de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. De verwachting is dat deze focus op kerntaken leidt tot een snellere start van de tenuitvoerlegging, tot minder administratieve uitval in de keten en tot een betere informatievoorziening naar partners binnen en buiten de strafrechtsketen. De centrale administratie en informatievoorziening namens de Minister vereenvoudigt verder het bewaken van de naleving van wettelijke termijnen en andere voorschriften (artikel 6:1:9 Sv).

In zijn rol als administratie- en informatiecentrum vormt het AICE een belangrijke basis voor de hierboven beschreven regie-, beleids- en beheersfunctie van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Alle partners in de executieketen werken op dit moment toe naar de (geautomatiseerde) aansluiting op het AICE. Het CJIB zal in de rol van het AICE – zoals vermeld – zorgen dat organisaties en personen die zijn belast met de feitelijke tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen van begin tot einde worden geïnformeerd over de taken die zij moeten uitvoeren. AICE zal bij de uitoefening van zijn taken nadrukkelijk samenwerken met de Justitiële informatiedienst, de organisatie die namens de Minister de verschillende justitiële ketens voorziet van een integer en integraal persoonsbeeld en die de belangrijkste registraties binnen de strafrechtsketen beheert, te weten de justitiële documentatie (JDS), de strafrechtketendatabank (SKDB) en het centraal digitaal depot (CDD+). Doordat de routering van alle ten uitvoer te leggen beslissingen, de zogeheten strafcomponenten, langs het AICE voert, ontstaat meer zicht en grip op de uitvoering. Een en ander biedt ook de mogelijkheid lopende zaken in onderling verband en op persoonsniveau te bezien. Deze procesinformatie is op alle werkniveaus in de keten van belang. Doel van de nieuwe infrastructuur is dat de noodzakelijke informatie aan elke speler in de keten, op maat, tijdig en juist wordt geleverd of beschikbaar wordt gesteld. Tijdens de tenuitvoerlegging is dit bijvoorbeeld van belang op het moment dat een rechter directe invrijheidstelling van iemand in voorlopige hechtenis beveelt, om na te kunnen gaan of de betrokkene niet nog op een andere titel vast moet blijven (zie hierover nader artikel 6:2:5 Sv en de hierbij gegeven toelichting in het artikelsgewijs deel). Informatie over openstaande straffen kan ook van belang zijn in de opsporings- en vervolgingsfase. Indien uit informatie over eerdere zaken bijvoorbeeld duidelijk wordt dat iemand – anders dan hij of zij beweert – nooit een in een strafbeschikking opgelegde taakstraf uitvoert, ligt directe dagvaarding meer in de rede dan nogmaals een strafbeschikking inhoudende een taakstraf uit te vaardigen. In paragraaf 5.3.2 worden enkele andere voorbeelden gegeven hoe raadpleging van de centrale informatie over de tenuitvoerlegging bij het AICE invloed kan hebben op beslissingen van het openbaar ministerie.

Kort gezegd, de centrale organisatie van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen in het AICE moet leiden tot optimaal zicht en grip op de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Het AICE vormt als partner in het proces van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen de spin in het web van de administratieve werkstromen van alle ketenpartners. Het AICE is per 1 januari 2014 gestart. Vanaf die datum neemt het AICE in fases steeds meer de administratie en de informatievoorziening van de tenuitvoerlegging op zich. Hiervoor geldt – evenals voor de in de vorige paragraaf beschreven departementale regiefunctie – dat de inrichting van deze nieuwe organisatie reeds mogelijk is onder de huidige verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van het openbaar ministerie.

5.2.3 Bevoegdheid beëindiging tenuitvoerlegging niet-gratieerbare beslissingen

In de gratieregeling in het Wetboek van Strafvordering is opgenomen dat géén gratie mogelijk is voor onvoorwaardelijke geldboetevonnissen van onder de € 340 (huidig artikel 558, eerste lid, Sv). Deze ondergrens van oorspronkelijk fl. 500 is in 1996 in de wet opgenomen. In 2002 is dit bedrag op grond van de prijs- en inkomensontwikkeling verhoogd naar fl. 750 (Kamerstukken II 27 798). Reden voor deze uitsluiting was ten eerste dat het gelet op het consumptieniveau het voor veroordeelden niet onoverkomelijk moet worden geacht bedragen van deze relatieve hoogte te voldoen. Daarnaast pleitte voor uitsluiting van deze categorie de afweging van het belang van de veroordeelde bij kwijtschelding van de geldboete tegen de last en kosten van de procedure volgens welke een beslissing op een gratieverzoek wordt voorbereid. Gratie wordt immers verleend bij koninklijk besluit na advies van een rechter en met inachtneming van de bij Gratiewet gestelde voorschriften (artikel 122 Grondwet), waaronder de mogelijkheid van advisering door het openbaar ministerie (artikel 5 Gratiewet). Bovendien is voor het verslag van het openbaar ministerie in de regel een onderzoek van de politie benodigd, waarin voor zover mogelijk wordt nagegaan of de bijzondere omstandigheden die door de veroordeelde in zijn verzoekschrift om gratie zijn aangevoerd feitelijke grondslag hebben. Om deze redenen – die nog steeds gelden – is de relatief zware gratieprocedure gereserveerd voor gratieverzoeken die betrekking hebben op een substantiële straf (Kamerstukken II 1994/95, 23 960, nr. 3, blz. 3).

Het openbaar ministerie heeft in het kader van deze herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging naar voren gebracht dat ook met de (verdere) tenuitvoerlegging van deze (relatief geringe) geldboetevonnissen in voorkomende gevallen geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. Tot recent nam het openbaar ministerie in dergelijke schrijnende gevallen contact op met het CJIB om gebruik te maken van zijn bevoegdheid ingevolge artikel 561, derde lid, Sv, om uitstel van betaling te verlenen tot ommekomst van de tenuitvoerleggingstermijn (voorgesteld artikel 6:4:1 Sv). Deze praktijk van «oplegging ter verjaring» was buitenwettelijk en wordt daarom gestopt voor die zaken waarbij gratie mogelijk is (zie paragraaf 5.3.2). Het blijft echter een gegeven dat er uitzonderlijke gevallen zijn waarin het maatschappelijk wenselijk is dat ook de relatief lichte geldboetevonnissen van minder dan € 340 om overwegende redenen niet (verder) ten uitvoer worden gelegd. Het gaat dan niet om één door de rechter opgelegde geldboete van minder dan € 340, maar vaak om meerdere van dergelijke relatief geringe door de rechter opgelegde geldboeten, meestal voor overtredingen. Dit is met name aan de orde bij overlastveelplegers en bij veroordeelden tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD), bij wie de tenuitvoerlegging van dergelijke geldboetevonnissen thans in voorkomende gevallen wordt opgeschort. Deze opschorting geschiedt vaak op verzoek van ketenpartners zoals grote gemeenten om ingezette zorgtrajecten of re-integratie tijdens en na de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel niet te verstoren. Met de tenuitvoerlegging van deze relatief kleine geldboetevonnissen is niet altijd meer een redelijk doel gediend, namelijk als aan de afgesproken (zorg)voorwaarden is voldaan of de maatregel is afgerond en recidive is uitgebleven. Om deze reden wordt thans voorgesteld te voorzien in een bevoegdheid voor de Minister van Veiligheid en Justitie om voor die straffen en maatregelen waarvoor op basis van de wettelijke regeling geen gratie kan worden verleend de tenuitvoerlegging te beëindigen indien hij van oordeel is dat met de voortzetting daarvan geen redelijk doel wordt gediend (voorgesteld artikel 6:1:11 Sv). Het College van procureurs-generaal van het openbaar ministerie heeft met instemming kennisgenomen van de praktische wijze waarop in dit nieuwe artikel invulling wordt gegeven aan de bestaande behoefte om in voorkomende gevallen de tenuitvoerlegging te beëindigen van beslissingen die niet onder de gratieregeling vallen, zoals geldboetevonnissen onder de € 340. Naar aanleiding van het advies van het openbaar ministerie is in de voorgestelde formulering van deze «hardheidsclausule» gekozen voor dezelfde formulering als bij het voorgestelde nieuwe vierde lid van artikel 22 Wahv. Met het criterium «dat met de voortzetting van de tenuitvoerlegging geen redelijk doel wordt gediend» wordt aangesloten bij de gratiegrond van artikel 2, onder b, van de Gratiewet. In de gevallen waarin het openbaar ministerie thans zou kiezen voor de afgesloten weg van opleggen ter verjaring, kan onder de voorgestelde regeling een verzoek aan de Minister worden gericht om de tenuitvoerlegging te beëindigen. De RSJ stemt in zijn advies in met deze «gratiëring» van geringe geldboetes door de Minister. Indien de Minister op grond van daartoe op te stellen departementale beleidsregels gebruik maakt van deze bevoegdheid wordt de veroordeelde hierover schriftelijk geïnformeerd. Voorzien is dat de raad voor de rechtspraak jaarlijks – via het College van procureurs-generaal van het openbaar ministerie – een rapportage ontvangt van de gevallen waarin de Minister gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid. Tot slot benadrukken wij graag dat deze bevoegdheid van de Minister geen recht voor veroordeelden creëert en dat een op deze grond beëindigen van de tenuitvoerlegging geen gevolgen heeft voor de justitiële documentatie van de betrokkene.

Naast deze bevoegdheid van de Minister om in bijzondere gevallen de tenuitvoerlegging van deze niet-gratieerbare sancties te beëindigen, krijgt het openbaar ministerie op grond van dit wetsvoorstel de mogelijkheid om – eveneens op vergelijkbare gronden als waarop gratie kan worden verleend – geldelijke sancties die zijn opgelegd in Wahv- en strafbeschikkingen tijdens de fase van tenuitvoerlegging niet verder ten uitvoer te leggen (artikel 22, vierde lid, Wahv; artikel 257e Sv). Dit inhoudelijk ingrijpen door het openbaar ministerie in de tenuitvoerlegging van eigen beslissingen is beschreven in paragraaf 5.3.2.

5.2.4 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften

Het CJIB verzorgt de tenuitvoerlegging van op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften opgelegde geldelijke sancties thans in naam van de officier van justitie. In zijn rol van het AICE heeft het CJIB op persoonsniveau inzicht in alle openstaande sancties, strafrechtelijk en Wahv. Gezien de sterke procedurele overeenkomsten tussen de inning van strafrechtelijke geldsancties en de inning van Wahv-sancties, en de centrale rol die het CJIB bij beide vervult, wordt voorgesteld de Minister van Veiligheid en Justitie ook te belasten met de inning van de Wahv-sancties. De voorgestelde wijzigingen van de Wahv die volgen uit deze nieuwe verantwoordelijkheid voor de Minister, zien op die taken die thans reeds (volledig) door het CJIB worden uitgevoerd, zoals de inning en incasso van de opgelegde sanctie; het openbaar ministerie blijft verantwoordelijk voor het administratief beroep en bezwaar, voor de procesvertegenwoordiging bij de kantonrechter en – in hoger beroep – bij het gerechtshof en voor het instellen van een vordering tot het toepassen van het dwangmiddel gijzeling (vergelijk paragraaf 5.3.1).

Naast de wijzigingsbepalingen die beter deze feitelijke verdeling van verantwoordelijkheden, taken en bevoegdheden bij de uitvoering van de Wahv weergeven, worden voor de Wahv enkele wijzigingsvoorstellen gedaan die verband houden met andere ontwikkelingen, zoals het in de toekomst niet meer gebruiken van een papieren acceptgiro, het vermelden van het op de beschikking vermelde nummer bij het instellen van beroep bij de officier van justitie en de verdergaande centrale behandeling door het openbaar Ministerie van op grond van de Wahv opgelegde administratieve sancties. In het artikelsgewijze deel van deze toelichting worden deze meer technische wijzigingen nader toegelicht. Aan de voorgestelde wijziging die samenhangt met de stroomlijning van de betekeningsregeling wordt nader aandacht besteed in paragraaf 6.4 van deze memorie van toelichting.

5.3 Taken van het openbaar ministerie

Met de nieuwe bepaling van artikel 6:1:1 Sv wordt beoogd een duidelijke scheiding aan te brengen tussen enerzijds de totstandkoming van een strafrechtelijke beslissing in Nederland en de verstrekking hiervan door het openbaar ministerie, en anderzijds de uitvoering daarvan door de Minister. Het openbaar ministerie houdt echter tijdens de tenuitvoerleggingsfase bepaalde bevoegdheden en mogelijkheden om de wijze van tenuitvoerlegging door de Minister, de administratie te beïnvloeden. De RSJ geeft in zijn advies in zijn algemeenheid aan er geen bezwaar tegen te hebben dat het openbaar ministerie specifieke taken houdt binnen de tenuitvoerlegging. De NVvR vraagt in zijn advies naar de toekomstige rol van de executieofficieren en -advocaten-generaal als aanspreekpunt bij de parketten. Doordat het openbaar ministerie onder de nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling meerdere taken behoudt in de tenuitvoerlegging – waaronder het indienen van vorderingen bij de rechter en het (nader) adviseren over de wijze van tenuitvoerlegging, blijven er binnen het openbaar ministerie officieren van justitie met voldoende expertise op het executieterrein aanwezig als aanspreekpunt en intern adviseur. De suggestie van het openbaar ministerie om een schematische weergave van de nieuwe verdeling van taken en bevoegdheden in de memorie van toelichting op te nemen is niet overgenomen. De taken en bevoegdheden volgen uit de tekst van het wetsvoorstel. Naar aanleiding van het advies van het openbaar ministerie wordt in de navolgende deelparagrafen ter verduidelijking uitgebreider ingegaan op de (grotendeels ongewijzigde) taken van het openbaar ministerie en de samenhang met de nieuwe bevoegdheden van de Minister.

5.3.1 Vorderen vervolgbeslissingen, vrijheidsbenemende dwangmiddelen

De Minister kan niet zelfstandig optreden bij de strafrechter. Indien de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing daartoe aanleiding geeft, beslist het openbaar ministerie op basis van door de Minister verstrekte informatie of zaken al dan niet worden aangebracht bij de strafrechter. De bevoegdheden die het openbaar ministerie thans in het kader van de tenuitvoerlegging uitoefent bij de strafrechter, worden niet gewijzigd met dit wetsvoorstel. Het openbaar ministerie blijft verantwoordelijk voor het aanbrengen van zaken waar de strafrechter een beslissing over de tenuitvoerlegging dient te nemen. In zijn advies beschrijft het College van procureurs-generaal op grond van welke overwegingen een zaak door de Minister van Veiligheid en Justitie kan worden overgedragen aan het openbaar ministerie. Deze beschrijving aan de hand van een voorbeeld over een vordering tot gijzeling in het kader van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) maken wij graag de onze. Een dergelijke gijzelingsvordering is – zoals het openbaar ministerie terecht aangeeft – enkel zinvol als andere middelen aantoonbaar niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. In het geval van de Wahv gaat het om een dwangbevel, buitengebruikstelling van het voertuig en inname van het rijbewijs, voordat de zaak door de Minister, het CJIB, wordt overgedragen voor beslissing door het openbaar ministerie over het indienen van een vordering gijzeling. Met het College van procureurs-generaal achten wij het van belang te bevorderen dat bij de tenuitvoerlegging van de lichtere sancties al het mogelijke door de uitvoeringsinstanties wordt gedaan om tenuitvoerlegging te realiseren zonder dat het openbaar ministerie en de rechter worden ingeschakeld. Daarmee kan worden voorkomen dat het openbaar ministerie en de zittende magistratuur onnodig worden belast, en dat betrokkenen onnodig als pressiemiddel de vrijheid wordt benomen.

Naast de strafrechter is ook de RSJ een bevoegde rechterlijke instantie, namelijk voor beroep tegen beslissingen door of namens de Minister van Veiligheid en Justitie genomen bij de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen of maatregelen. Naast de strafrechter en de RSJ wordt in voorkomende gevallen ook de voorzieningenrechter bij beslissingen over de tenuitvoerlegging betrokken (op de rol van de rechter tijdens de tenuitvoerlegging wordt nader ingegaan in paragraaf 5.6). De procedures bij de RSJ en de voorzieningenrechter worden door of namens de Minister gevoerd.

Ten behoeve van de tenuitvoerlegging dient op gezette tijden gebruik te worden gemaakt van (bijzondere) opsporingsbevoegdheden en vrijheidsbenemende dwangmiddelen. Wat betreft de opsporingsbevoegdheden moet met name worden gedacht aan de bevoegdheden die met de tenuitvoerlegging belaste opsporingsambtenaren kunnen toepassen om de verblijfplaats vast te stellen van de persoon die moet worden aangehouden om zijn straf te ondergaan (voorgesteld artikel 6:1:7 Sv; huidig artikel 565 Sv). Dit betreft een deelverzameling van de (bijzondere) opsporingsbevoegdheden die in het kader van de opsporing kunnen worden ingezet. Omdat deze bevoegdheden ingrijpen in het recht op eerbiediging van het privéleven van de betrokkenen, is het veelal de officier van justitie die (na machtiging van de rechter-commissaris) het bevel geeft tot de inzet ervan. Daarnaast gaat het om de opsporingsbevoegdheden die op bevel van de officier van justitie kunnen worden ingezet ten behoeve van het onderzoek naar het vermogen van een veroordeelde in het kader van een ontnemingsmaatregel (voorgesteld artikel 6:4:11 Sv; huidige artikel 577bb Sv). Het openbaar ministerie wijst er in zijn advies terecht op dat het inzetten van deze bijzondere opsporingsbevoegdheden uitdrukkelijk voorbehouden blijft aan het openbaar ministerie. In paragraaf 5.4 wordt uiteengezet hoe binnen de politieorganisatie de inzet van de opsporingsbevoegdheden is georganiseerd. Wat betreft de inzet van dwangmiddelen gaat het om de inzet van het vrijheidsbenemende dwangmiddel gijzeling (huidige artikelen 577c Sv, 578b Sv (voorgestelde artikelen 6:4:19 en 6:6:25 Sv); 28 Wahv). De inzet van deze dwangmiddelen geschiedt door of op vordering van de officier van justitie. Tot de inzet van de niet-vrijheidsbenemende dwangmiddelen die kunnen worden ingezet zonder rechterlijke tussenkomst wordt op grond van dit wetsvoorstel de Minister bevoegd. Dit betreft – indien niet volledig verhaal heeft kunnen plaatsvinden – het innemen van het rijbewijs (artikelen 28a en 30 Wahv) en het buitengebruikstellen van een voertuig van de betrokkene (artikelen 28b en 29 Wahv).

Voor de tenuitvoerlegging van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de ontnemingsmaatregel, geldt het volgende. Het openbaar ministerie is verantwoordelijk voor de vordering en de inhoud van de ontnemingsmaatregel, inclusief het onderzoek naar het vermogen van de verdachte en het mogelijk leggen van conservatoir beslag. Indien de strafrechter een ontnemingsmaatregel oplegt wordt de desbetreffende rechterlijke uitspraak – net als alle andere strafrechtelijke beslissingen – door het openbaar ministerie aan de Minister verstrekt voor de tenuitvoerlegging. De Minister is verantwoordelijk voor de feitelijke ontneming, die wordt uitgevoerd door het CJIB. In de fase van de tenuitvoerlegging van een ontnemingsmaatregel kan een strafrechtelijk executie onderzoek (SEO) worden gevorderd door het openbaar ministerie (artikel 577ba Sv, voorgesteld artikel 6:4:10 Sv). Dit onderzoek is erop gericht inzicht te verkrijgen in het vermogen van de veroordeelde waarop verhaal kan worden genomen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de ontnemingsmaatregel. De bevoegdheden die in het SEO kunnen worden ingezet (artikel 577bb Sv, voorgesteld artikel 6:4:11 Sv) zijn vergelijkbaar met de bijzondere opsporingsbevoegdheden die worden ingezet bij een strafrechtelijk onderzoek. Het openbaar ministerie blijft – zoals hierboven beschreven – met dit wetsvoorstel ongewijzigd verantwoordelijk voor dit onderzoek en de vorderingen die in dit kader worden ingesteld. Zoals het openbaar ministerie uitdrukkelijk onderschrijft in zijn advies, vindt tussen het openbaar ministerie en het CJIB afstemming plaats over de gevallen waarin het openbaar ministerie actief betrokken is bij de inning van de maatregel. Die afstemming is in elk geval te voorzien in gevallen waarin mogelijk wordt overgegaan tot het vorderen van een SEO, maar kan ook aan de orde zijn bij andere gevallen waarin maatwerk is vereist. Afstemming tussen openbaar ministerie en CJIB is hiermee niet beperkt tot de relatief grote ontnemingen. Ook bij specifieke zaken kan de reguliere inning van de opgelegde ontnemingsmaatregel de aandacht van het openbaar ministerie behoeven (bijvoorbeeld omdat andere zaken die inmiddels lopen tegen de veroordeelde zouden kunnen worden verstoord door een plots verschijnende gerechtsdeurwaarder). Zoals het openbaar ministerie in zijn advies beschrijft strekt de samenwerking op dit punt tot optimalisering van de beschikbare executie-instrumenten ten dienste van effectuering van opgelegde ontnemingsmaatregelen.

5.3.2 Invloed openbaar ministerie op procedure en inhoud tenuitvoerlegging

Opgelegde straffen dienen daadwerkelijk en voortvarend ten uitvoer te worden gelegd (zie ook paragraaf 4.2.1 over de doelstellingen van de tenuitvoerlegging). Het algemene beleid voor de tenuitvoerlegging moet om deze reden zo min mogelijk in individuele gevallen worden doorkruist. Het openbaar ministerie kan echter goede gronden hebben om ook na de overdracht van de strafrechtelijke beslissing aan de Minister voor tenuitvoerlegging in specifieke gevallen invloed uit te willen uitoefenen op de wijze van tenuitvoerlegging. De mogelijkheden tot ingrijpen in de tenuitvoerlegging door een officier van justitie volgen in de huidige situatie uit de wettelijke verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie voor de tenuitvoerlegging en zijn vastgelegd in de Aanwijzing executie van het openbaar ministerie (Stcrt. 2013, 5107). Onder de nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling zullen sommige van deze mogelijkheden onder het beleid van de Minister gaan vallen en worden vastgelegd in departementale beleidsregels (zie ook paragraaf 5.2.1). In dit verband kan onder meer worden gedacht aan hoe om te gaan met veroordeelden met medische problemen. In het onderstaande worden kort de mogelijkheden geschetst die het openbaar ministerie behoudt om in het belang van de opsporing, het slachtoffer, nabestaanden of de veroordeelde of in het algemeen belang in individuele gevallen de tenuitvoerlegging dwingend te beïnvloeden. Hierbij kan onderscheid worden gemaakt tussen procedureel en inhoudelijk ingrijpen en tussen ingrijpen in beslissingen van opsporingsambtenaren en officieren van justitie en in rechterlijke beslissingen.

Procedureel ingrijpen in de tenuitvoerlegging door het openbaar ministerie kan bijvoorbeeld inhouden dat in een beperkt aantal gevallen (de start van) de tenuitvoerlegging met enkele weken of maanden wordt vertraagd of versneld. Aangezien het wettelijk uitgangspunt is dat strafrechtelijke beslissingen voortvarend ten uitvoer worden gelegd (voorgesteld artikel 6:1:2, huidig artikel 561, eerste lid, Sv) is voor dit beïnvloeden van individuele gevallen van tenuitvoerlegging door het openbaar ministerie een zwaarwegende reden vereist. Ter adstructie volgt hieronder een beschrijving van enkele voorbeeldsituaties bij vrijheidsbenemende sancties. Indien in een lopend strafrechtelijk onderzoek het vanuit een zwaarwegend opsporingsbelang onwenselijk is dat een betrokkene op dat moment wordt aangehouden om een openstaande straf uit te zitten, kan zijn aanhouding op verzoek van de officier van justitie of de advocaat-generaal worden uitgesteld. Een dergelijk verzoek van het openbaar ministerie kan ook volgen uit de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde en zijn omgeving. Een voorbeeld hiervan is dat iemand met een openstaande gevangenisstraf verblijft in een afkickkliniek en daar goed werkt aan zijn verslavingsprobleem. Om te voorkomen dat de politie hem tijdens de behandeling uit de kliniek haalt, kan de aanhouding en tenuitvoerlegging worden opgeschort tot na beëindiging van de opname in de kliniek. Het belang van een slachtoffer of zijn nabestaanden kan meebrengen dat een veroordeelde direct na het onherroepelijk worden van het vonnis wordt aangehouden om zijn straf te ondergaan. Met opschorting van de tenuitvoerlegging kan in voorkomende gevallen ook worden vooruitgelopen op een beslissing op een ingediend gratieverzoek waarvan de verwachting is dat dit zal worden ingewilligd (bijvoorbeeld vanwege detentieongeschiktheid). Alleen in dit laatste geval leidt het uitstel van de tenuitvoerlegging ook – indien het gratieverzoek wordt ingewilligd – tot afstel. Alle overige straffen waarvan de tenuitvoerlegging op verzoek van het openbaar ministerie tijdelijk wordt opgeschort, worden vervolgens alsnog ten uitvoer gelegd. Dit uitstel is uiteraard alleen aan de orde in die gevallen waarin niet reeds uit de wet opschortende werking van het gratieverzoek voortvloeit (voorgesteld artikel 6:7:2 Sv; huidig artikel 558a Sv).

Een dergelijk ingrijpen in het tempo van de tenuitvoerlegging hoeft niet op bezwaren te stuiten zolang dit op zichzelf niet leidt tot een verlichting of verzwaring van de ten uitvoer te leggen sanctie. Het uitgangspunt dat de straf geheel ten uitvoer wordt gelegd, blijft immers intact. Op het moment dat het openbaar ministerie het tempo van de tenuitvoerlegging van een opgelegde sanctie wenst te beïnvloeden, wordt dit schriftelijk en met redenen omkleed door de betrokken officier van justitie of advocaat-generaal kenbaar gemaakt aan het CJIB, in zijn rol als het AICE (zie nader paragraaf 5.2.1). Voordat een besluit wordt genomen over versnelling of vertraging van de tenuitvoerlegging, vindt overleg plaats tussen het AICE en het openbaar ministerie. In dit overleg wordt de noodzaak tot ingrijpen in de desbetreffende zaak bezien in samenhang met de informatie die beschikbaar is over eerdere zaken en eventuele andere openstaande zaken van de betrokkene. Dit totaaloverzicht van hetgeen bekend is over de betrokkene, kan de voorgenomen beslissing tot ingrijpen van de officier van justitie in het voorliggende geval beïnvloeden. Indien de officier van justitie na dit overleg bij zijn verzoek blijft, zorgt het AICE voor de gevraagde vertraging of versnelling van de tenuitvoerlegging van de sanctie door de instantie aan wie de feitelijke tenuitvoerlegging is opgedragen. De suggestie van de RSJ deze procedurele mogelijkheid van het openbaar ministerie expliciet in de wet te regelen zodat veroordeelden weten dat zij in voorkomende gevallen het openbaar ministerie om opschorting kunnen vragen, is niet overgenomen. Een dergelijk ingrijpen in het tempo van de tenuitvoerlegging kan namelijk worden beschouwd als een concrete invulling van de in artikel 6:1:10 Sv expliciet geregelde adviesmogelijkheid van het openbaar ministerie, waarvoor beleidsmatig is bepaald dat een advies van het openbaar ministerie over het tempo van tenuitvoerlegging op de hierboven beschreven wijze wordt opgevolgd.

Naast dit procedurele ingrijpen in de tenuitvoerlegging is het in uitzonderlijke situaties denkbaar dat het openbaar ministerie de inhoud van de ten uitvoer te leggen beslissing zou willen wijzigen. Voor zover het beslissingen betreft die door de officier van justitie of onder het gezag en de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie zijn genomen, kan het openbaar ministerie deze tijdens de tenuitvoerlegging wijzigen of intrekken. Hierbij gaat het om het matigen of het laten vervallen van de sanctie in een zaak die buitengerechtelijk is afgedaan met een strafbeschikking of administratieve sanctie op grond van de Wahv. De officier van justitie kan deze door de officier van justitie of de (buitengewoon) opsporingsambtenaar opgelegde sancties ambtshalve ― zonder dat er beroep tegen de Wahv-beschikking of verzet tegen de strafbeschikking is ingesteld ― intrekken of wijzigen. Met dit wetsvoorstel wordt dit inhoudelijk ingrijpen door de officier van justitie in de ten uitvoer te leggen beslissing expliciet geregeld in het vierde lid van artikel 22 van de Wahv respectievelijk in het achtste lid van artikel 257e Sv. Ook hiervoor geldt dat het kunnen beschikken over een overzicht van alle executie-informatie van de betrokkene de beslissing van de officier in het concrete geval kan beïnvloeden. Het CJIB zal in zijn rol als het AICE op persoonsniveau volledig zicht hebben op de lopende zaken. Een belangrijke rol van het AICE bij de tenuitvoerlegging is om alle betrokken partijen, waaronder het openbaar ministerie, te voorzien van de complete executie-informatie die nodig is om beslissingen, zoals bovengenoemde, op te kunnen baseren.

Voor rechterlijke beslissingen geldt dat deze niet inhoudelijk door het openbaar ministerie kunnen worden gewijzigd; het openbaar ministerie kan niet besluiten de tenuitvoerlegging te beëindigen van (onderdelen van) een door de rechter opgelegde straf of maatregel. In het stelsel van de wet ligt namelijk besloten dat onherroepelijk door de rechter opgelegde sancties ten uitvoer moeten worden gelegd (de zogeheten «executieplicht»). Voor het kwijtschelden van (een deel van) de door de rechter opgelegde sanctie staat alleen de weg van gratie open. De (buitenwettelijke) praktijk waarin het openbaar ministerie bij hoge uitzondering het CJIB verzocht een straf niet ten uitvoer te leggen, zodat de executietermijn werd overschreden («opleggen ter verjaring») wordt in dit verband door wijziging van de hierboven genoemde Aanwijzing executie beëindigd voor die straffen waarbij gratie mogelijk is. De 3RO brengt in haar advies onder de aandacht dat het «opleggen ter verjaring» ook positieve bijdragen heeft geleverd aan de tenuitvoerlegging, namelijk aan het succes van de invoering van de maatregel van (voorwaardelijke) ISD; anders dan bij «opleggen ter verjaring» kan bij gratie namelijk niet op voorhand aan de veroordeelde worden gegarandeerd dat meewerken aan de maatregel van (voorwaardelijke) ISD tot kwijtschelding van openstaande straffen zal leiden. In reactie merken wij op dat in die gevallen dat na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel met de tenuitvoerlegging van eerdere strafrechtelijke beslissingen geen redelijk doel meer wordt gediend – bijvoorbeeld omdat dreigt dat ingezette zorgtrajecten of re-integratie van iemand die een (voorwaardelijke) ISD-maatregel opgelegd heeft gekregen, worden verstoord, verschillende wettelijke wegen openstaan om de tenuitvoerlegging te kunnen beëindigen. Een en ander is hierbij afhankelijk van degene die de sanctie heeft opgelegd en van de aard en omvang van de opgelegde sanctie. Waar het gaat om rechterlijke beslissingen staat gratie voorop. Wezenlijk onderdeel van de gratieprocedure is het inwinnen van het advies van de rechter (artikel 122 van de Grondwet). Dat dus – zoals 3RO in haar advies opmerkt – bij gratie geen sprake kan zijn van garanties is juist, en zo hoort het ook. Voor die rechterlijke beslissingen waarbij geen gratie mogelijk is, wordt met dit wetsvoorstel een bevoegdheid van de Minister voorgesteld om in bepaalde gevallen de tenuitvoerlegging te beëindigen van strafrechtelijke beslissingen waarvoor op grond van het voorgestelde artikel 6:7:1 Sv geen gratie kan worden verzocht en verleend. Op deze hardheidsclausule en de verhouding tot de gratieprocedure is ingegaan in paragraaf 5.2.3. Bij beslissingen van het openbaar ministerie en opsporingsambtenaren kan het openbaar ministerie overgaan tot intrekking of wijziging, zoals hierboven in deze paragraaf is beschreven.

Specifiek voor taakstraffen kent de wet in artikel 22f Sr een aparte bevoegdheid aan het openbaar ministerie toe om wel – na het onherroepelijk worden van de beslissing – de aard van de te verrichten werkzaamheden te wijzigen indien de veroordeelde de taakstraf niet geheel overeenkomstig de opgelegde straf kan of heeft kunnen verrichten. Van deze mogelijkheid om een taakstraf inhoudelijk te wijzigen wordt slechts sporadisch gebruik gemaakt. Namelijk alleen wanneer vanuit de aard van het delict een specifieke taakstraf is opgelegd (bijvoorbeeld werken in een revalidatiecentrum na dronken rijden) en deze taakstraf niet beschikbaar of anderszins niet haalbaar blijkt (bijvoorbeeld arbeidsongeschiktheid). Indien dit zich thans voordoet – met name bij jeugdtaakstraffen – wordt door de reclassering of de raad voor de kinderbescherming naar een alternatieve taakstraf waarbij de afwijking van de aanvankelijk opgelegde straf zo beperkt mogelijk blijft. Het openbaar ministerie beslist of de oorspronkelijk opgelegde taakstraf vanwege de overmacht bij de betrokkene of het niet (meer) beschikbaar zijn van de specifiek opgelegde taakstraf kan worden vervangen door het door de reclassering voorgelegde alternatief. De reclassering wordt via het AICE geïnformeerd over deze nieuwe strafrechtelijke beslissing.

Dit zijn de mogelijkheden die het openbaar ministerie heeft om direct en dwingend in te grijpen in de wijze van tenuitvoerlegging. Daarnaast kan het openbaar ministerie op diverse momenten adviseren over de wijze van tenuitvoerlegging. Hierop ziet de volgende paragraaf.

5.3.3 Advisering door het openbaar ministerie

In het wetsvoorstel wordt een bevoegdheid voor het openbaar ministerie opgenomen om de Minister te adviseren over tijdens de tenuitvoerlegging te nemen beslissingen (artikel 6:1:10 Sv). Deze bevoegdheid dient het in paragraaf 4.2.3 vanuit het perspectief van de tenuitvoerlegging beschreven belang van een goede informatiedeling in de strafrechtsketen. Voor een tenuitvoerlegging die naast de persoon van de veroordeelde en de aard van het gepleegde strafbare feit rekening houdt met de belangen van slachtoffers, nabestaanden en de samenleving is het nodig dat degene die namens de Minister besluiten neemt over de wijze van tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel, naast de justitiële documentatie van de betrokkene, kan beschikken over alle informatie die relevant is voor het inschatten van mogelijke risico’s van schending van de belangen van slachtoffers of nabestaanden of het ontstaan van maatschappelijke onrust die met het te nemen besluit gepaard gaan. Deze informatiebehoefte gaat verder dan alleen de eigen ervaringen die de beslissende organisatie met de betrokkene heeft. Ook de ervaringen en de professionele oordelen van andere partijen binnen en buiten de strafrechtsketen met en over de persoon van de veroordeelde kunnen tijdens de tenuitvoerlegging van belang zijn bij besluiten over bijvoorbeeld het verlenen van vrijheden aan een veroordeelde, en de voorwaarden die hierbij of bij een voorwaardelijke invrijheidstelling worden gesteld. Concreet kan het gaan over een risicoanalyse van de reclassering, of een beschrijving van de politie of een gemeentebestuur over de maatschappelijke onrust die mogelijk als gevolg van de terugkeer van de pleger van het strafbare feit kan ontstaan. Het opleggen van gerichte bijzondere voorwaarden zoals een gebieds- of contactverbod kunnen dan naast gedragsverandering van de veroordeelde bijdragen aan het voorkómen dat deze verstoring van de openbare orde zich herhaalt doordat slachtoffers of nabestaanden in hun eigen omgeving worden geconfronteerd met de betrokkene. Deze informatie kan ook relevant zijn voor het bepalen van de duur van de proeftijd van de veroordeelde. Ook het gedrag en de houding van de veroordeelde in de gevangenis zijn mede bepalend bij het nemen van een besluit over het verlenen van eventuele vrijheden aan een gedetineerde. Tijdens de detentie kan bijvoorbeeld blijken dat de gedetineerde zich gewelddadig gedraagt, psychische problemen heeft of ongewenst contact zoekt met slachtoffers of nabestaanden. Het streven is dergelijke relevante informatie die elk van de partijen in de strafrechtsketen verzamelt over de betrokkene, beschikbaar te stellen aan de functionarissen die op een later moment belast zijn met het nemen van (vervolg)beslissingen.

Het openbaar ministerie heeft een belangrijke rol bij dit exclusief volgen van personen door de strafrechtsketen. Dit start bij de leiding die het openbaar ministerie geeft aan de opsporing door de politie en de vervolgingsbeslissing die de officier van justitie neemt op basis van de aangedragen feiten en omstandigheden. Bij het formuleren van de strafeis op de zitting houdt de officier van justitie rekening met de aard van het gepleegde strafbare feit, de persoon van de verdachte, zijn strafrechtelijk verleden, de omstandigheden van het geval en de belangen van het slachtoffer, nabestaanden en de samenleving. In de strafeis werkt dus de in het zaaksdossier opgenomen persoonsgebonden informatie door die is aangeleverd door bijvoorbeeld politie, gemeenten, reclassering, slachtoffers of nabestaanden. Nadat de strafrechter iemand heeft veroordeeld, geeft het openbaar ministerie de uitspraak vrij voor tenuitvoerlegging. Dit is tevens een kantelmoment voor de bedoelde informatieverzameling en informatiedeling rondom de veroordeelde. In de beoogde nieuwe situatie waarin de Minister van Veiligheid en Justitie belast is met de tenuitvoerlegging, eindigt op dat moment immers de directe betrokkenheid van het openbaar ministerie (zie nader paragraaf 5.1, en paragraaf 5.3.1). Vanuit zijn exclusieve rol als verstrekker van voor tenuitvoerlegging vatbare beslissingen brengt het openbaar ministerie advies uit aan de Minister in díe gevallen waarin het openbaar ministerie op basis van het verloop van de opsporing, vervolging en berechting en de persoonsgebonden informatie uit deze fasen van oordeel is dat er bij de veroordeelde specifieke risicofactoren aanwezig zijn die tijdens de tenuitvoerlegging van belang zijn voor de wijze waarop de straf ten uitvoer wordt gelegd. Dit zal met name aan de orde zijn bij ernstige strafbare feiten met een grote maatschappelijke impact. In dit advies van het openbaar ministerie komt de voor de tenuitvoerlegging relevante informatie over de persoon van de veroordeelde uit eerdere fasen uit de strafrechtsketen tot uitdrukking. Het advies van het openbaar ministerie stelt hiermee de Minister en de onder hem ressorterende uitvoeringsorganisaties die als primaire taak de tenuitvoerlegging hebben, in staat strafrechtelijke beslissingen zo optimaal mogelijk uit te voeren. Het advies dat het openbaar ministerie op grond van artikel 6:1:10 Sv uitbrengt vormt hiermee ook de basis voor de latere beslissing van het openbaar ministerie over het stellen van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke invrijheidstelling en voor de beslissing over het al dan niet toepassen van elektronisch toezicht (voorgesteld artikel 6:2:11, zesde lid, Sv).

Uitgangspunt is dat het openbaar ministerie zoveel mogelijk een volledig inhoudelijk advies uitbrengt – met de voor de tenuitvoerlegging relevante persoonsgebonden informatie en professionele oordelen over de veroordeelde – op of in aansluiting op het moment dat de strafrechtelijke beslissing voor tenuitvoerlegging wordt verstrekt aan de Minister. Het onverwijld uitbrengen van een zo volledig mogelijk inhoudelijk advies past bij de kwalitatief hoogwaardige beslissingen die het openbaar ministerie voor de tenuitvoerlegging overdraagt aan de Minister. Indien daartoe aanleiding is, kan het openbaar ministerie een uitgebracht advies op een later moment aanvullen of actualiseren. Dit vervolgadvies kan bijvoorbeeld aan de orde zijn indien de maatschappelijke onrust en de media-aandacht als gevolg van de zaak op het moment van de verstrekking van de ten uitvoer te leggen beslissing nog volop in beweging zijn of bij relevante wijzigingen in de omstandigheden van een slachtoffer of nabestaanden. Dergelijke signalen kunnen bijvoorbeeld bij het openbaar ministerie terecht komen via de politie, slachtofferhulp, de reclassering of de gemeente, tijdens lokale afstemming die het openbaar ministerie heeft in een Veiligheidshuis of het driehoeksoverleg. Een dergelijk nader advies van het openbaar ministerie kan ambtshalve worden uitgebracht of in reactie op een daartoe strekkend verzoek van de Minister. Dit laatste zal met name spelen op het moment dat de verantwoordelijke uitvoeringsinstantie voor een te nemen vervolgbeslissing wil kunnen beschikken over de actuele omstandigheden en daaruit voortvloeiende risico’s. Anders dan de RSJ in zijn consultatieadvies aangeeft verwachten wij dus niet dat dit nadere advies voornamelijk op verzoek van de Minister of de inrichtingsdirecteur zal volgen.

In het voorgestelde artikel 6:1:10 Sv en de nadere regels die op grond van het artikel 6:1:15 Sv bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen worden gesteld, krijgt deze adviesrol van het openbaar ministerie vorm. Hierbij wordt voortgebouwd op de huidige executie-indicator, in artikel 1, sub c, van de Penitentiaire maatregel gedefinieerd als «de aantekening van het openbaar ministerie bij het aanbieden van een vonnis ter executie aan de Minister van Veiligheid en Justitie waarin wordt aangegeven dat het openbaar ministerie wil adviseren over te nemen besluiten inzake de verschillende vormen van te verlenen vrijheden aan de betreffende justitiabele». Dat op grond van dit voorstel onverwijld na de behandeling van de zaak een oordeel moet worden gevormd over mogelijke risico’s op schending van de belangen van slachtoffers of nabestaanden of het ontstaan van maatschappelijke onrust tijdens de tenuitvoerlegging komt de kwaliteit van de advisering ten goede. Ten opzichte van de executie-indicator zorgt de nieuwe werkwijze ervoor dat niet op een later moment alle relevante informatie opnieuw moet worden verzameld en beoordeeld. Dit vermindert de administratieve lasten. Naast dat het streven is dat het openbaar ministerie zo spoedig mogelijk na de verstrekking van de rechterlijke uitspraak aan de Minister een compleet inhoudelijk advies uitbrengt, is in deze bepaling ten opzichte van de executie-indicator aangevuld dat de Minister de officier van justitie kan verzoeken om alsnog advies uit te brengen of het eerder uitgebrachte advies aan te vullen (tweede lid). Deze aanvullingen kunnen ook actualiseringen zijn. De aanleiding voor een dergelijk verzoek zal met name voortvloeien uit informatie over de gedetineerde vanuit de Dienst Justitiële Inrichtingen of de reclassering.

5.3.4 Stellen van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke invrijheidstelling

Sinds juli 2008 is de regeling van vervroegde invrijheidstelling vervangen door de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling. De bijzondere voorwaarden die in dit kader worden gesteld maken onderdeel uit van de wijze waarop een door de rechter opgelegde gevangenisstraf ten uitvoer wordt gelegd. Gelet op de nieuwe verdeling van taken en bevoegdheden tussen het openbaar ministerie en de Minister van Veiligheid en Justitie bij de tenuitvoerlegging is daarom overwogen de beslissing over de voorwaardelijke invrijheidstelling en de daarbij te stellen bijzondere voorwaarden bij de Minister te beleggen. Op meerdere gronden is echter gekozen het vaststellen van bijzondere voorwaarden in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie te laten. Hierbij kan ten eerste worden gedacht aan de samenhang met het toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden door het openbaar ministerie en de ingrijpende gevolgen voor de veroordeelde op het moment dat de gestelde voorwaarden worden overtreden. Daarnaast is bij deze keuze van belang dat het onderdeel van het openbaar ministerie dat het stellen en wijzigen van deze bijzondere voorwaarden verzorgt, de Centrale Voorziening voorwaardelijke invrijheidstelling (CVvi), goed functioneert. De keuze deze taak bij het openbaar ministerie te laten wordt in de uitgebrachte adviezen gesteund door het openbaar ministerie, de Raad voor de rechtspraak, de NOvA, de 3RO en de RSJ.

De feitelijke tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen geschiedt van oudsher onder de verantwoordelijkheid en in naam van de Minister, door de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). Omdat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling pas geldt voor gevangenisstraffen van meer dan een jaar (huidig artikel 15, eerste lid, Sr; voorgesteld artikel 6:2:10 Sv) heeft de DJI in alle gevallen dat het stellen van bijzondere voorwaarden aan de orde is kennis over en ervaring met de individuele gedetineerden en hun detentiegeschiedenis. Voor de overgang van de gedetineerde naar de vrije maatschappij is van belang dat met de gestelde bijzondere voorwaarden nauw wordt aangesloten op het verloop van de detentie van de veroordeelde en de maatregelen en interventies die tijdens die detentie hebben plaatsgevonden. Dit geldt zeker ook voor de voorwaarden die zijn gesteld aan elektronisch toezicht op een veroordeelde. Bij het in het kader van de tenuitvoerlegging stellen van bijzondere voorwaarden moet – net als bij alle beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging – rekening worden gehouden met de resocialisatie van de veroordeelde, de belangen van het slachtoffer of zijn nabestaanden en de veiligheid van de samenleving. Deze belangenafweging wordt expliciet vastgelegd in het voorgestelde artikel 6:1:3 Sv. Voor het maken van een goede afweging tussen deze belangen door het openbaar ministerie zijn naast het advies van de directeur van de penitentiaire inrichting ook de risicoanalyse en de adviezen die worden uitgebracht door de reclassering van belang. Om deze reden wordt voorgesteld dat de reclassering in alle gevallen adviseert over de te stellen bijzondere voorwaarden (voorgesteld artikel 6:2:11 Sv). Voor de advisering bij het stellen van bijzondere voorwaarden wordt in het kader van het beter betrekken van slachtoffers in de fase van tenuitvoerlegging ook bezien hoe – in zeer ernstige zaken – Slachtofferhulp Nederland een bijdrage kan leveren aan de advisering door de reclassering. De RSJ stelt in zijn advies dat voorwaardelijke invrijheidstelling betrekking heeft op een fase na de tenuitvoerlegging. De voorwaardelijke invrijheidstelling maakt echter onderdeel uit van de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf. De titel voor de vrijheidsbeneming blijft bestaan, op het moment dat een bijzondere voorwaarde wordt overtreden, wordt deze immers hervat. Op advies van de 3RO vermelden wij in dit verband dat de gedachte is dat de reclassering bij de genoemde zeer ernstige zaken een actieve rol speelt door voor haar advies aan het openbaar ministerie contact op te nemen met het slachtoffer via Slachtofferhulp Nederland. Op deze manier wordt bewerkstelligd dat slachtoffers en Slachtofferhulp Nederland niet rechtstreeks adviseren over te stellen voorwaarden, maar dat de belangen van het slachtoffer via het advies van de reclassering een plaats krijgen in de beslissing, net als de resocialisatie van de veroordeelde en de veiligheid van de samenleving.

Het uitgangspunt van de wettelijke regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling is dat alle veroordeelden met een straf van meer dan een jaar in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Er kunnen zich echter gevallen voordoen waarin de veiligheid van de samenleving slechts voldoende kan worden gewaarborgd door de detentie voort te laten duren. In dergelijke gevallen kan de voorwaardelijke invrijheidstelling worden uitgesteld of geheel achterwege blijven (huidig artikel 15d Sr; voorgesteld artikel 6:2:12 Sv). Van groot belang voor de effectiviteit en geloofwaardigheid van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling is verder dat het overtreden van een gestelde voorwaarde niet zonder gevolgen blijft. De rechter beslist – ook in de nieuwe situatie – op vordering van het openbaar ministerie over het uitstellen of achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling en over het herroepen van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Indien het openbaar Ministerie van oordeel is dat er reden is de voorwaardelijke invrijheidstelling met een bepaalde termijn uit te stellen of achterwege te laten, dient het openbaar ministerie een daartoe strekkende vordering in. Indien de Minister in het verloop van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf daartoe aanleiding ziet, informeert hij het openbaar ministerie over de omstandigheden die aanleiding kunnen vormen voor het indienen van een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Het openbaar ministerie beslist over het indienen van een dergelijke vordering bij de rechtbank (voorgesteld artikel 6:6:1, zesde lid, Sv).

5.3.5 Toezicht op de naleving

Het toezicht op de naleving van vrijheidsbeperkende straffen, maatregelen, gedragsaanwijzingen en voorwaarden is nauw verbonden met de aanhouding van de veroordeelde (artikel 6:3:15 Sv) en de vordering die het openbaar ministerie indient bij de rechter op het moment dat het openbaar Ministerie van oordeel is dat de opgelegde vrijheidsbeperking niet wordt nageleefd (artikelen 6:6:20 en 6:6:21 Sv). Het openbaar ministerie blijft om deze reden ook in de nieuwe situatie verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving (artikel 6:3:14 Sv). Dit toezicht betreft ten eerste de naleving van de verschillende voorwaarden die in verschillende fases van het strafproces – dus ook buiten de fase van de tenuitvoerlegging – kunnen worden gesteld, zoals voorwaarden bij schorsing van de voorlopige hechtenis (artikel 80 Sv), bij een voorwaardelijk sepot (artikel 167, tweede lid, Sv), bij een kennisgeving van niet verdere vervolging (artikel 244, derde lid, Sv), bij een voorwaardelijke veroordeling (artikel 14c, tweede lid, en artikel 77x Sr), bij een voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (verder: ISD) (artikel 38p Sr), bij terbeschikkingstelling met voorwaarden (artikel 38 Sr), bij een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging (artikel 38j Sr), bij een voorwaardelijke invrijheidstelling (artikel 15a, tweede lid, Sr), en bij voorwaardelijke gratie (artikel 13 Gratiewet). Daarnaast gaat het om het toezicht op zelfstandige vrijheidsbeperkende interventies, zoals de door de officier van justitie opgelegde gedragsaanwijzingen (in een strafbeschikking op grond van artikel 257a, derde lid, onderdeel e, of op grond van artikel 509hh Sv), de handhaving van het toezicht op de bijkomende straf van ontzetting van het recht om ambten of bepaalde ambten te bekleden of het recht om bepaalde beroepen uit te oefenen (artikel 32 Sr) en de door de rechter opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel, waarvoor geldt dat de politie een belangrijke rol heeft bij het toezicht (artikel 38v Sr).

5.3.6 Informeren van slachtoffers en nabestaanden door het openbaar ministerie

Op basis van de huidige wet- en regelgeving is het openbaar ministerie verantwoordelijk voor het informeren van slachtoffers en nabestaanden over het verloop van de zaak. Daarbij staan het slachtoffer of zijn eventuele nabestaanden centraal. Het openbaar ministerie informeert slachtoffers en nabestaanden, indien gewenst in daartoe aangewezen gevallen en in ieder geval indien sprake is van delicten waarbij zij op de zitting een verklaring kunnen afleggen over de gevolgen van het strafbare feit (artikel 51e, vierde lid, Sv), over de invrijheidstelling en eventueel verlof van de verdachte of de veroordeelde. Slachtoffers worden ook geïnformeerd over de inning van de aan hen toegewezen schadevergoeding. Dit laatste gebeurt sinds 2006 door het CJIB, in opdracht en in naam van het openbaar ministerie.

Dit wetsvoorstel wijzigt niets aan de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie voor het informeren van slachtoffers en nabestaanden. Vanuit de nieuwe verantwoordelijkheid van de Minister voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen, zou kunnen worden overwogen de Minister van Veiligheid en Justitie te belasten met de informatieverschaffing aan het slachtoffer en nabestaanden over het verloop van de tenuitvoerlegging. Daarmee zou de eerder genoemde scheiding tussen de totstandkoming van de strafrechtelijke beslissing en de verstrekking hiervan door het openbaar ministerie enerzijds, en de uitvoering daarvan door de Minister anderzijds, ook op het punt van het informeren van slachtoffers en nabestaanden worden doorgevoerd. Voor het slachtoffer en nabestaanden is het echter van belang dat zij te maken krijgen met een beperkt aantal contactpersonen; één aanspreekpunt voor informatie over het verloop van de strafzaak ongeacht de fase waarin deze zich bevindt, heeft hierbij de voorkeur. Vanuit dit belang van één loket voor het slachtoffer en de bij het openbaar ministerie opgebouwde infrastructuur en kennis is er voor gekozen de integrale verantwoordelijkheid voor het informeren van slachtoffers en nabestaanden in alle fasen van het strafproces, inclusief de tenuitvoerlegging, bij het openbaar ministerie te laten. Ook van dit onderdeel van de verdeling van taken en bevoegdheden in het kader van de tenuitvoerlegging heeft het College van procureurs-generaal met instemming kennisgenomen.

Voorwaarde voor het goed kunnen informeren is dat de benodigde informatie door de ketenpartners aan het openbaar ministerie wordt aangeleverd. Het openbaar ministerie kan hierbij gebruik maken van de verschillende informatiebronnen binnen de strafrechtsketen. Naast het AICE is in dit verband vermeldenswaardig dat er een Informatieportaal Justitiabelen (INJUS) is ontwikkeld. Dit portaal, in beheer bij de Justitiële informatiedienst verschaft degenen die daartoe bevoegd zijn geautomatiseerd toegang tot informatie over justitiabelen. Dit portaal is bestemd voor organisaties binnen de strafrechtsketen, voor partijen die slachtoffers of nabestaanden informeren en voor instanties die vanuit hun publieke functie deze informatie over personen in de strafrechtketen nodig hebben en op grond van geldende wet- en regelgeving mogen ontvangen. Bij het laatste kan bijvoorbeeld worden gedacht aan gemeenten, in het kader van BIJ (zie paragraaf 4.2.3).

5.4 Taken van de politie

De politie heeft in het kader van de tenuitvoerlegging meerdere taken. De omvang en inhoud van deze taken, in paragraaf 5.4.1 kort beschreven, wijzigen niet met dit wetsvoorstel. Met de komst van de nationale politie (Stb. 2012, 315) en de met dit wetsvoorstel beoogde directe verantwoordelijkheid van de Minister voor de tenuitvoerlegging wijzigt wel de wijze waarop de politie wordt aangestuurd op de executietaak. In dit verband heeft de politie in haar advies aangegeven dat zij graag krachtig de reeds ingezette maatregelen ter verbetering van de prestaties in de tenuitvoerlegging wil voortzetten. Middels de in paragraaf 5.2.1 beschreven departementale regie zal de Minister de regie voeren over de verbetering van de prestaties in de strafrechtketen en de daarvoor noodzakelijke verbetermaatregelen. In paragraaf 5.4.2 komen de afspraken aan bod die in het kader van de uitvoering van de executietaak worden gemaakt tussen Minister en korpschef.

5.4.1 Taken ten behoeve van de tenuitvoerlegging

De werkzaamheden die de politie verricht ten behoeve van de tenuitvoerlegging vallen onder de basistaak van de politie en zijn thans onder te verdelen in gerichte executie, ongerichte executie en toezicht op de naleving.

Bij de gerichte executie gaat het om executieopdrachten voor veroordeelden met een bekende woon- of verblijfplaats in Nederland. Hierbij valt te denken aan een opdracht tot de inzet van het dwangmiddel gijzeling op grond van de Wahv of een arrestatiebevel voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Van dergelijke executieopdrachten worden er per jaar ongeveer 270.000 via het CJIB aan de politie verstrekt. Het grootste deel hiervan – meer dan 200.000 – ziet op de uitvoering van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Daarnaast kan in het verband van de gerichte executie worden gewezen op de betekeningsopdrachten die de politie uitvoert. Uitgangspunt is dat de politie vanuit de beoogde centrale coördinatie van betekenen door het AICE geen op zichzelf staande gerichte opdrachten meer krijgt aangeboden, omdat de betekening primair gebeurt door de post of een andere door de Minister aangewezen dienst (zie paragraaf 6.2). Indien echter spoedige betekening in persoon noodzakelijk is, bijvoorbeeld om een zitting doorgang te kunnen doen laten vinden, kan de politie worden ingezet om de dagvaarding of de oproeping tijdig in persoon te betekenen. Dit geldt ook voor de gevallen waarin de betekening samenloopt met een andere executieopdracht die de politie al in uitvoering heeft.

De zogeheten ongerichte executie ziet op de afhandeling van zaken van personen zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland. Deze personen worden in het landelijke opsporingsregister van de politie (verder: OPS) gesignaleerd. Het kan gaan om principale vrijheidsstraffen, vervangende hechtenis ter zake van omgezette taakstraffen, geldboetevonnissen, schadevergoedingsmaatregelen, lijfsdwang ter zake ontnemingsmaatregelen, gijzeling ter zake strafbeschikkingen, buitengebruikstelling van een voertuig of gijzeling ter zake Wahv-sancties en aanhouding ter betekening van een rechterlijke beslissing. Voor deze OPS-zaken is het de verantwoordelijkheid van elke opsporingsambtenaar om – waar mogelijk – na te gaan of een persoon die op enige wijze in aanraking komt met de politie, nog openstaande straffen heeft. Dergelijke toevallige aanhoudingen kunnen ook voortvloeien uit gerichte acties, zoals gecombineerde controles op alcohol- en drugsgebruik, belastingachterstanden, onderhoud van het voertuig, openstaande straffen, etc. Op basis van de aard van het delict en de zwaarte van de openstaande straf wordt een selectie gemaakt van zaken waarvoor intensiever wordt opgespoord. Dit gebeurt door de inzet van de rechercheteams binnen elke regio en door het Team Executie Strafvonnissen (TES). Voor de inzet van het TES geldt dat het AICE namens de Minister zaken voor tenuitvoerlegging overdraagt aan het TES in geval het zaken betreft met openstaande vrijheidsstraffen van 120 dagen of meer waarbij het verblijfadres van de veroordeelde onbekend is of het vermoeden bestaat dat de veroordeelde zich in het buitenland bevindt. Vanaf openstaande vrijheidsstraffen van driehonderd dagen is er sprake van actieve opsporing door het TES.

Voor de goede orde merken wij op dat in de toekomst het hierboven geschetste onderscheid tussen gerichte en ongerichte executie komt te vervallen. Dit komt doordat de inrichting van de gegevensuitwisseling tussen het CJIB/AICE en de politie zal gaan wijzigen. Het AICE zal niet meer èn executieopdrachten registreren in het OPS èn gerichte executieopdrachten verstrekken. In plaats daarvan zal de politie in één systeem zicht gaan krijgen op alle uitstaande executieopdrachten.

Het derde type taak dat de politie heeft in het kader van de tenuitvoerlegging is bij het houden van toezicht op de naleving van opgelegde vrijheidsbeperkende straffen en maatregelen. Hierbij moet met name worden gedacht aan de handhavingsbijdrage die de politie levert bij het dagelijks toezicht dat de reclassering houdt op de naleving van vrijheidsbeperkende bijzondere voorwaarden gesteld bij een voorwaardelijke veroordeling of bij een voorwaardelijke invrijheidstelling. Bij signalen van mogelijke schendingen neemt de politie veelal eerst contact met de reclassering in die gevallen waarin de reclassering is belast met het feitelijk toezicht. Daarnaast heeft de politie een rol bij het toezicht op door de rechter opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen (bedoeld in artikel 38v Sr) en bij door een officier van justitie met een strafbeschikking (artikel 257a Sv) of in een gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast (artikel 509hh Sv) aan de verdachte gegeven gedragsaanwijzingen. Op het moment dat de opsporingsambtenaar – al dan niet op aangeven van degene die wordt beschermd door de straf of maatregel – een overtreding van de opgelegde vrijheidsbeperking constateert, kan vervolgens de betrokkene worden aangehouden en voor de officier van justitie worden geleid voor een vervolgbeslissing. Voor de afstemming tussen politie, reclassering en openbaar ministerie zijn door het openbaar ministerie beleidsregels opgesteld («Aanwijzing voorwaardelijke vrijheidsstraffen en schorsing van voorlopige hechtenis onder voorwaarden»; Stcrt. 2013, 5108). Voor de volledigheid merken wij op dat – net als in de huidige regeling – in het voorgestelde artikel 6:3:15 Sv de hulpofficier van justitie de aanhouding kan bevelen indien het bevel van de officier van justitie niet kan worden afgewacht.

5.4.2 Aansturing uitvoering executietaak

De tenuitvoerlegging is op grond van dit wetsvoorstel de directe verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie. De Minister kan voor de tenuitvoerlegging algemene en bijzondere lasten geven aan de politie (voorgesteld artikel 6:1:5 Sv). De algemene lasten, het te voeren beleid, betreffen de in de vorige paragraaf beschreven taken van de politie en de verwezenlijking daarvan. Op grond van deze bevoegdheid worden verder jaarlijks afspraken gemaakt tussen het Ministerie van Veiligheid en Justitie en de politieorganisatie. Deze jaarlijkse afspraken over de tenuitvoerlegging zien op de te behalen concrete resultaten en worden aan de Tweede Kamer gezonden. De politie heeft geadviseerd niet alleen met de politie, maar met alle ketenpartners prestatieafspraken te maken. Sturing op resultaten van de keten als geheel vindt onder meer plaats via de in paragraaf 5.2.1 beschreven systematiek van kritieke prestatie-indicatoren (kpi’s). Met de kpi’s wordt structureel inzicht verkregen in de ketenprestaties ten aanzien van de doelstellingen in de tenuitvoerlegging. Indien het presteren van de keten achterblijft bij de gezamenlijk vastgestelde streefnormen worden zoveel mogelijk concrete knelpunten van de met de tenuitvoerlegging belaste instanties weggenomen om de geambieerde verbetering van het presteren te realiseren. Vanuit de in dezelfde paragraaf beschreven departementale regierol worden naast deze verbetermaatregelen prestatieafspraken gemaakt met de ketenpartners, waaronder de reclasseringsorganisaties (verticale sturing). Het openbaar ministerie is betrokken bij het maken van de afspraken met de politie, omdat in de dagelijkse praktijk de officier van justitie de beperkte recherchecapaciteit van de politie in de regio verdeelt tussen de opsporings- en de tenuitvoerleggingstaken. Dit zijn allebei taken in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. De behaalde resultaten worden – net als in de huidige situatie – maandelijks centraal in kaart gebracht zodat binnen de politieorganisatie (van bovenaf) gericht en tijdig kan worden bijgestuurd op het moment dat behaalde prestaties achterblijven bij de gestelde normen.

Binnen de politie is de executietaak binnen verschillende onderdelen belegd. Dit is ook zo opgenomen in het inrichtingsplan van de politie (Kamerstukken II 2012/13, 29 628, nr. 346). Zoals gezegd is de tenuitvoerlegging geen specialisme binnen de politie, maar een basistaak. De tactische uitvoering van de executietaak wordt gedaan door de eenheden die de basis politiezorg bieden, de basisteams, of indien nodig door zwaardere teams zoals arrestatieteams. Daarnaast zijn er regionale eenheden die de coördinatie van de executietaken verzorgen en is er – tot slot – het reeds genoemde TES, dat zich richt op de opsporing van de meest prioritaire zaken uit het opsporingsregister. De Minister kan voor de tenuitvoerlegging opdrachten geven aan onder andere politieambtenaren (6:1:5 Sv; huidig artikel 556, eerste lid, Sv). Ten behoeve van de tenuitvoerlegging kan de ambtenaar die belast is met een tenuitvoerleggingstaak voor de aanhouding van de persoon iedere plaats betreden en doorzoeken. Voor de vaststelling van de plaats van de gezochte persoon kan de opsporingsambtenaar gebruik maken van de bevoegdheden, benoemd in de voorgestelde bepaling 6:1:7 Sv, het huidige artikel 565 Sv. Indien toepassing van een bevoegdheid dat vereist, wordt de zaak voorgelegd aan een officier van justitie die beslist over de inzet van de bevoegdheid of over het indienen van een daartoe strekkende vordering bij de rechter-commissaris.

5.5 Taken van de reclassering

De taken van de reclassering op het gebied van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen liggen in het verlengde van haar reclassering in het strafproces en betreffen het verzorgen van het dagelijks toezicht op de naleving van vrijheidsbeperkende voorwaardelijke sancties, de plaatsing naar forensische zorg, de tenuitvoerlegging van taakstraffen en het aanbieden van gedragsinterventies en het verstrekken van inlichtingen en adviezen daarover aan de bevoegde autoriteiten. Deze controlerende, begeleidende en adviserende taken worden door de drie door de Minister erkende reclasseringsorganisaties uitgevoerd, te weten de Stichting Reclassering Nederland (RN), de Stichting Verslavingsreclassering GGZ (SVG) en het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering (LdH J&R), en worden hieronder op hoofdlijnen beschreven. Op de rol van de jeugdreclassering wordt ingegaan in paragraaf 5.7 over jeugdsancties.

In paragraaf 5.3.5 van deze memorie van toelichting hebben wij toegelicht dat het openbaar ministerie belast blijft met al het toezicht op de naleving van vrijheidsbeperkende sancties. Op grond van deze wettelijke verantwoordelijkheid draagt het openbaar ministerie – via het AICE – aan de reclassering op het feitelijk toezicht te verzorgen op de naleving van voorwaarden en zelfstandige vrijheidsbeperkende interventies. De voorwaarden die worden gesteld aan de deelname van de veroordeelde aan de vrije samenleving – naast de algemene voorwaarde dat niet opnieuw een strafbaar feiten wordt gepleegd – zijn controlerend of gedragsbeïnvloedend van aard. Bij het eerste kan worden gedacht aan een gebiedsverbod, een contactverbod of een verbod op het gebruik van verdovende middelen, bij het tweede bijvoorbeeld aan verplichte deelname aan een behandeling of gedragsinterventie. De periode dat de reclassering opdracht heeft toezicht te houden op de naleving kan verschillen. Dit is afhankelijk van de wettelijke basis en de aard en inhoud van de ten uitvoer te leggen voorwaarde of interventie. Bij een veroordeling waarbij een deel van de sanctie voorwaardelijk is opgelegd, bedraagt de proeftijd bijvoorbeeld in beginsel ten hoogste drie jaar (in uitzonderingsgevallen ten hoogste tien jaar), bij een voorwaardelijke invrijheidstelling is de proeftijd primair afhankelijk van de duur van de opgelegde vrijheidsstraf. Het toezicht kan – ook omdat in voorkomende gevallen verlenging door de rechter mogelijk is – een relatief lange periode bestrijken. In dit verband wijzen wij ook op het Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en Wetboek van Strafvordering in verband met het laten vervallen van de maximale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege, het verlengen van de proeftijden van de voorwaardelijke invrijheidstelling en de invoering van een langdurige gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel voor ter beschikking gestelden en zeden- en geweldsdelinquenten (Kamerstukken 33 816). Op grond van dat wetsvoorstel komt de maximale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege bij de terbeschikkingstelling te vervallen, waardoor langduriger – en indien noodzakelijk levenslang – toezicht mogelijk wordt.

Als blijkt dat iemand die onder toezicht is gesteld de bijzondere voorwaarden niet naleeft of zich niet houdt aan de aanwijzingen van de reclassering, bericht de reclassering dit – net als nu reeds het geval is – aan de Minister (AICE) en aan het openbaar ministerie. De melding aan het AICE dient om de administratie rondom de tenuitvoerlegging compleet te houden op persoonsniveau. Bij het bericht aan het openbaar ministerie geeft de reclassering tegelijk advies over de reactie die naar het oordeel van de reclassering zou moeten volgen op de geconstateerde schending. Het openbaar ministerie beslist op basis van de schending en dit advies tot het al dan niet bij de rechter vorderen van tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de sanctie.

De verantwoordelijkheid van de reclassering voor de tenuitvoerlegging van taakstraffen houdt zowel het zorgdragen voor voldoende werkprojecten als het zorgdragen voor het toezicht tijdens de uitvoering van de taakstraf in. Voor de start van de tenuitvoerlegging vindt een intakegesprek plaats tussen de reclassering en degene die de taakstraf moet uitvoeren. Tijdens dit gesprek worden de regels van de taakstraf uitgelegd en wordt bekeken wanneer de veroordeelde zijn taakstraf gaat uitvoeren en op welke werkplek. Er zijn diverse projectplaatsen van de reclassering, zoals arbeid in het bos of in de groenvoorziening of op bestaande projectplaatsen, zoals in een ziekenhuis of een verpleeghuis. Op basis van het intakegesprek wordt een taakstrafovereenkomst getekend. Als de veroordeelde de hierin gemaakte afspraken niet nakomt, volgt doorgaans eerst een waarschuwing van de reclassering. Bij herhaalde of ernstiger overtredingen of bij een anderszins niet of niet naar behoren verrichte taakstraf wordt – in het geval de taakstraf door de rechter is opgelegd – door het openbaar ministerie overgegaan tot het bevelen van vervangende hechtenis (voorgesteld artikel 6:3:3 Sv). Indien de taakstraf door de officier van justitie is opgelegd in een strafbeschikking, wordt de zaak bij onvolledige uitvoering van de taakstraf geretourneerd naar de officier van justitie en wordt in beginsel alsnog overgegaan tot dagvaarding.

In het geval dat een rechter – als onderdeel van een straf of maatregel – aan iemand met een psychische of psychiatrische stoornis (ambulante) forensische zorg oplegt, zorgt de reclassering voor het namens de Minister van Veiligheid en Justitie plaatsen naar deze forensische zorg, alsmede het houden van toezicht daarop en het verschaffen van inlichtingen daarover aan de bevoegde autoriteiten.

In het kader van de tenuitvoerlegging is de reclassering – tot slot – verantwoordelijk voor het verzorgen van gedragsinterventies. Deze wetenschappelijk erkende interventies die beogen het gedrag van de veroordeelde blijvend positief te beïnvloeden kunnen tijdens de detentieperiode of als opgelegde voorwaarde worden uitgevoerd. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om training van cognitieve vaardigheden, agressietraining of een leefstijltraining.

Tot slot vermelden wij dat doordat de reclassering in alle fasen van het strafproces betrokken is bij verdachten en veroordeelden, zij over veel relevante gegevens over de persoon van de betrokkene beschikt. Dit zorgt ervoor dat de reclassering naast de hierboven beschreven uitvoerende taken ook een belangrijke adviesfunctie heeft, ook tijdens de tenuitvoerleggingsfase (zie bijvoorbeeld artikel 6:2:11 Sv over het advies van de reclassering over het stellen van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke invrijheidstelling), waarbij wordt voortgebouwd op de adviezen van de reclassering over de persoon van de verdachte en de omstandigheden van het delict tijdens de vervolging en de berechting.

5.6 De rechter

De tenuitvoerlegging hoort wezenlijk bij rechterlijke uitspraken in strafzaken. De rechter die een straf of maatregel oplegt moet erop kunnen rekenen dat deze sanctie daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd. Op de Minister rust dan ook de plicht om de rechterlijke beslissingen die hij via het openbaar ministerie ontvangt ten uitvoer te leggen. Voorgesteld wordt in de wet vast te leggen dat de rechtspraak zorgt dat binnen veertien dagen na de uitspraak het ondertekende vonnis wordt aangeleverd bij het openbaar ministerie (artikel 365, zevende lid, Sv). Dit is nader toegelicht in paragraaf 4.2.1, over het belang van een snelle tenuitvoerlegging.

Tijdens de tenuitvoerlegging kan de rechtspraak op meerdere momenten en op meerdere manieren in beeld komen. Voorgesteld wordt dat de rechter in zijn uitspraak een advies kan meegeven over de wijze van tenuitvoerlegging (voorgesteld artikel 6:1:1, derde lid, Sv). De Raad voor de rechtspraak vindt dit positief omdat dit aansluit bij de gedachte dat de rechter zelf in bepaalde gevallen het beste voor ogen heeft wat met de tenuitvoerlegging van de beslissing wordt beoogd. Zoals de Raad voor de rechtspraak terecht opmerkt is het een verantwoordelijkheid van de rechter zich reeds bij het nemen van zijn beslissing rekenschap te geven van de (wijze van de) tenuitvoerlegging; een genomen beslissing moet immers niet alleen juridisch juist, maar ook praktisch uitvoerbaar zijn en een strafdoel dienen. Dit sluit naadloos aan bij de in hoofdstuk 4 van deze memorie van toelichting beschreven doelstellingen van de tenuitvoerlegging. De RSJ acht het denkbaar dat het openbaar ministerie in zijn advies bij de beslissing gaat reageren op het advies van de rechter. Dit gevaar van «napleiten» – zoals de RSJ het noemt – achten wij zeer klein. Het advies ziet immers enkel op de wijze van tenuitvoerlegging en raakt niet aan de hoogte, de zwaarte of het karakter van de opgelegde sanctie. Na de rechterlijke uitspraak is het de verantwoordelijkheid van de Minister te zorgen dat de beslissing op een juiste manier – rekening houdend met een eventueel advies van de rechter of het openbaar ministerie en de in artikel 6:1:3 Sv genoemde belangen – ten uitvoer wordt gelegd. Bij het routeren door het AICE van de opdracht tot tenuitvoerlegging naar de dienst die feitelijk is belast met de uitvoering van de beslissing wordt het rechterlijk advies mede verstrekt. De voorgestelde adviesmogelijkheid voor de rechter heeft hiermee uitvoeringsconsequenties voor het openbaar ministerie, het AICE en de met de feitelijke tenuitvoerlegging belaste instantie. De routering van het rechterlijk advies zal plaatsvinden conform de in paragraaf 5.2.2 beschreven algemene routering en infrastructuur van het AICE. Voorkomen dient te worden dat het advies leidt tot handmatige invoer bij het AICE; een dergelijke papierstroom zou nopen tot extra controle op de juistheid van de verwerking en haaks staan op de doelstellingen de tenuitvoerlegging snel en zeker te laten plaatsvinden. Tot slot is in dit verband van belang op te merken dat – anders dan bij door de rechter opgelegde sancties die conform die beslissing ten uitvoer moeten worden gelegd – van het advies van de rechter over de wijze van tenuitvoerlegging kan worden afgeweken, als opvolging van het advies tot problemen in de uitvoering leidt. Hiertegen staat geen rechtsmiddel open.

Meest wezenlijke rechterlijke betrokkenheid in de tenuitvoerlegging is het nemen van vervolgbeslissingen die de rechter op grond van hoofdstuk 6 van het voorgestelde Boek 6 ambtshalve kan, danwel op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van een veroordeelde of zijn raadsman moet nemen. Welke rechter bevoegd is voor deze vervolgbeslissingen tijdens de tenuitvoerlegging is, is in de huidige wetgeving op diverse plekken geregeld. Zowel in het Wetboek van Strafrecht, als in het Vierde en Vijfde Boek van het Wetboek van Strafvordering worden de vervolgbeslissingen van de strafrechter geregeld. In hoofdstuk 6 van Boek 6 worden de procesregels bij de vervolgbeslissingen bij de tenuitvoerlegging samengebracht. De bevoegde rechter kan zijn de rechter-commissaris, de kantonrechter, de raadkamer, de rechtbank, de rechtbank die in eerste aanleg kennis heeft genomen van de zaak, de rechter die de sanctie heeft opgelegd, de rechter in hoger beroep; tot het nemen van sommige beslissingen is exclusief de penitentiaire kamer van het Hof Arnhem-Leeuwarden bevoegd. Met het voorgestelde nieuwe zesde hoofdstuk van Boek 6 wordt deze bevoegdheid eenduidiger geregeld in artikel 6:6:1 Sv. De Raad voor de rechtspraak merkt in dit verband op dat in het kader van dit wetsvoorstel niet de algemene vraag naar de wenselijkheid van een executierechter aan de orde behoeft te komen. Hetzelfde geldt voor de procedurele voorschriften die gelden voor de behandeling van de zaak. De huidige ruim 45 regelingen voor de verschillende rechtsgangen voor het verkrijgen van een vervolgbeslissing van de rechter tijdens de tenuitvoerlegging worden teruggebracht tot minder dan tien verschillende procedures, geclusterd naar type beslissing. Tot slot is vermeldenswaardig dat de rechtspraak altijd om advies wordt gevraagd als een gratieverzoek wordt ingediend (artikel 122 van de Grondwet).

Volledigheidshalve vermelden wij hier dat in artikel 6:2:8 Sv de bevoegdheid van de RSJ is geregeld te oordelen over klachten over (over)plaatsing en terugplaatsing naar respectievelijk een TBS-kliniek en de gevangenis. Hiervoor is in paragraaf 3.1.1 en 5.3.1 al ingegaan op het hybride systeem van rechtsbescherming bij de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen.

5.7 Tenuitvoerlegging jeugdsancties

De huidige algemene verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie voor de tenuitvoerlegging geldt voor alle opgelegde sancties. In het strafprocesrecht wordt op dit punt geen onderscheid gemaakt tussen het algemene strafrecht en het jeugdstrafrecht. De hierboven in paragraaf 5.1 beschreven nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling geldt dus eveneens voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen die betrekking hebben op jeugdigen. Voor zover er niet bij of krachtens de wet een afwijkende regeling voor jeugdigen of jongvolwassenen geldt, zijn op grond van het voorgestelde artikel 6:1:14 Sv de algemene bepalingen voor de tenuitvoerlegging ongewijzigd van toepassing op de tenuitvoerlegging van jeugdsancties.

De bijzondere bepalingen voor jeugdige personen (Titel VIII A van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht) bepalen welke straffen en maatregelen aan jeugdigen kunnen worden opgelegd. Ten opzichte van het algemene strafrecht zijn er specifieke straffen en maatregelen voor jeugdigen. Te denken valt hierbij aan de jeugddetentie en de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ) die vrijheidsbeneming in een justitiële jeugdinrichting met zich brengen. Vrijheidsbenemende sancties worden net als bij volwassenen door de DJI uitgevoerd. Jeugdigen worden daarbij in justitiële jeugdinrichtingen geplaatst en niet in het gevangeniswezen.

De specifieke voorschriften die gelden voor de tenuitvoerlegging van jeugdsancties en die thans zijn opgenomen in de genoemde Titel VIII A worden overgenomen in het nieuwe Boek 6 Sv, waarin alle bepalingen over de tenuitvoerlegging worden samengebracht. Het openbaar ministerie vindt het verplaatsen van deze bepalingen begrijpelijk vanuit de wens om bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging te concentreren. Als kanttekening plaatst het openbaar ministerie hierbij dat de formeel- en materieelrechtelijke bepalingen die specifiek gelden voor jeugdigen thans bij elkaar staan en met dit wetsvoorstel worden verspreid. De vraag wordt hierbij opgeworpen of dit niet leidt tot onnodig verlies aan overzichtelijkheid en toegankelijkheid. Naar ons oordeel is dit niet het geval. Zoals in hoofdstuk 3 over de opzet van het nieuwe Boek 6 is beschreven zorgt de concentratie voor de tenuitvoerlegging voor een duidelijker scheiding tussen de regeling van verschillende straffen en maatregen in het materiële strafrecht en de procedurele regels in het strafprocesrecht, zoals beoogd met het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering. Hierbij komt dat de tenuitvoerlegging van jeugdsancties in doorsnee procedureel niet wezenlijk verschilt van de tenuitvoerlegging van volwassensancties. Daar waar van afwijking sprake is kan dit in de nieuwe regeling relatief eenvoudig worden geregeld als uitzondering op de algemene regels. Buiten deze meer systematische overwegingen ondersteunen twee inhoudelijke ontwikkelingen het niet apart regelen van de tenuitvoerlegging van jeugdsancties.

De eerste ontwikkeling waarop wij doelen is de invoering van het adolescentenstrafrecht (Wet van 27 november 2013 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de invoering van een adolescentenstrafrecht (Stb. 2013, 485)). Doel van het adolescentenstrafrecht is het bevorderen van passende sanctionering van jongeren en jongvolwassenen in de leeftijd van 15 tot 23 jaar, waarbij rekening wordt gehouden met de ontwikkelingsfase van de jongere of jongvolwassene. De leeftijdsgrens voor de toepassing van het jeugdstrafrecht bij jongvolwassenen gaat van 21 naar 23 jaar. De mogelijkheid om volwassenenstrafrecht toe te passen bij 16- en 17-jarigen blijft gehandhaafd. Door het bevorderen van een structurele afweging of jeugdstrafrecht of volwassenenstrafrecht geëigend is bij deze doelgroep, wordt meer flexibiliteit gerealiseerd in de sanctietoepassing. Een toename van de flexibiliteit – en daarmee de variëteit – in de sanctietoepassing heeft ook consequenties voor de tenuitvoerlegging, die daarop moet zijn toegesneden. Zo heeft de nieuwe wet bijvoorbeeld tot gevolg dat niet in alle gevallen de jeugdreclassering het reclasseringstoezicht dient uit te voeren bij de toepassing van jeugdstrafrecht, maar de rechter ook kan besluiten om aan de volwassenenreclassering de opdracht te geven de reclasseringswerkzaamheden uit te voeren bij een 16- of 17-jarige. Andersom zal het mogelijk zijn juist ten aanzien van de jongvolwassenen ten aanzien van wie het jeugdstrafrecht wordt toegepast, de toezichthoudende en begeleidende taak door de gecertificeerde jeugdreclasseringsinstelling te laten verrichten. Bij deze grotere flexibiliteit in de tenuitvoerlegging voor jongeren, jongvolwassenen en volwassenen past dat de verschillende voorschriften bij elkaar worden geregeld.

Als tweede relevante ontwikkeling noemen wij de ZSM-werkwijze, die momenteel landelijk wordt uitgerold (Kamerstukken II 2013/14, 29 279, nr. 177). ZSM staat voor Zo Snel, Slim, Selectief, Simpel, Samen en Samenlevingsgericht Mogelijk en is gericht op het snel, selectief en zorgvuldig routeren en afhandelen van strafzaken bij veel voorkomende criminaliteit van volwassenen èn jeugdigen. Op ZSM-locaties zijn naast het openbaar ministerie en de politie ook de reclassering, Slachtofferhulp Nederland en de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig. Doel is na aanhouding van een verdachte zo spoedig mogelijk te beslissen over het afdoeningstraject. De officier van justitie zal hierbij zowel over jeugdige als volwassen verdachten beslissen. Dit kan ook gaan om beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging. Naast gespecialiseerde jeugdofficieren zullen andere officieren van justitie dus ook vaker beslissen in zaken over jeugdigen. Ook hiervoor is dienstig dat de tenuitvoerlegging van jeugdsancties onderdeel uitmaakt van de algemene regeling.

In de uitvoering van jeugdsancties zijn andere partijen betrokken dan in de uitvoering van volwassenensancties. Het gaat in het bijzonder om de raad voor de kinderbescherming en de bureaus jeugdzorg die de jeugdreclasseringstaak uitvoeren.

De raad voor de kinderbescherming coördineert de uitvoering van de taakstraffen voor jeugdigen – zowel werk- als leerstraffen – en heeft een bijzondere taak in de tenuitvoerlegging van jeugdsancties, te weten de zogenaamde casusregie. De casusregie volgt uit de toezichthoudende taak van de raad voor de kinderbescherming op de uitvoering van jeugdreclasseringswerkzaamheden. Dit toezicht is vastgelegd in het huidige artikel 77hh Sr, dat op basis van het voorliggende wetsvoorstel wordt overgenomen in het nieuwe boek 6 Sv (voorgesteld artikel 6:1:25 Sv). Bij deze toezichthoudende taak hoort ook een aanwijzingsbevoegdheid van de raad voor de kinderbescherming jegens de organisaties die de jeugdreclasseringswerkzaamheden uitvoeren (artikel 6:1:25, eerste lid, Sv). Doel van de genoemde casusregie door de raad voor de kinderbescherming is het bevorderen van de samenhang tussen de verschillende activiteiten van de ketenpartners in het jeugdstrafrecht om te komen tot een snelle, vroegtijdige en consequente reactie op het gedrag van de jeugdige. Daarbij gaat het zowel om de inhoudelijke samenhang als om het toezien op de naleving van door de eigen organisatie en door de jeugdreclassering afgesproken termijnen en procedures. De centrale administratie en informatievoorziening die bij het AICE wordt gerealiseerd draagt hieraan bij.

De Bureaus Jeugdzorg voeren de jeugdreclassering uit. Jeugdreclassering biedt begeleiding van en toezicht op jeugdige plegers van strafbare feiten in het kader van verschillende modaliteiten in extramuraal, voorwaardelijk kader, zoals een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie of een schorsing van de preventieve hechtenis. In het kader van de decentralisatie van de jeugdzorg vallen de taken van de jeugdreclassering vanaf 2015 onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten. Dit is ingevoerd bij de Wet van 1 maart 2014 tot het stellen van regels over de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en ouders bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen (Jeugdwet) (Stb. 2014, 105). Feitelijk zal de jeugdreclasseringstaak worden uitgevoerd door daartoe gecertificeerde instellingen.

Het AICE heeft zicht op alle ten uitvoer te leggen beslissingen (paragraaf 5.2.2) en zendt op grond daarvan de beslissing door aan de instantie die (een deel van) de opgelegde straf ten uitvoer moet leggen. Tijdens de tenuitvoerlegging bewaakt het AICE namens de Minister de naleving van uit de wet voortvloeiende termijnen. Bij deze taken wordt door het AICE vanzelfsprekend waar nodig onderscheid gemaakt tussen de tenuitvoerlegging van jeugd- en volwassenensancties.

6. Betekening

6.1 Rechtsvergelijkend onderzoek naar betekening

Om tot tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke beslissing over te kunnen gaan moet in beginsel of de dagvaarding of de mededeling van de uitspraak in persoon bekend zijn gemaakt. Duidelijk moge zijn dat hiermee de regeling van de betekening en de beoogde daadwerkelijke en snelle tenuitvoerlegging nauw met elkaar samenhangen. Om deze reden wordt erop gestuurd reeds de dagvaarding zoveel mogelijk in persoon te betekenen. Dit leidt tot kortere doorlooptijden, minder registraties in het opsporingsregister, minder belasting van de politie (bijvoorbeeld doordat minder betekeningen op het laatste moment nog in persoon moeten gebeuren) en tot minder zaken die door het niet onherroepelijk worden van de beslissing niet ten uitvoer kunnen worden gelegd. De betekeningsregeling is echter niet alleen van belang voor de tenuitvoerlegging. Voor personen die zijn betrokken in een strafrechtelijke procedure is het van belang op de hoogte te kunnen zijn van de voortgang in die procedure, in het bijzonder om zich tegen de beschuldigingen te kunnen verweren. Het is een formeel vereiste dat de verdachte of veroordeelde op de hoogte wordt gesteld van gerechtelijke mededelingen. Omdat gerechtelijke mededelingen op verschillende momenten in strafzaken moeten worden betekend, wordt voorgesteld de gewijzigde betekeningsregeling niet – zoals thans – in het Boek over de tenuitvoerlegging op te nemen, maar in het Eerste Boek, in een aparte Titel (Titel IIb, artikelen 36a en verder Sv). Betekening houdt in dat gerechtelijke stukken op de bij de wet voorgeschreven wijze bekend moeten worden gemaakt aan verdachten of veroordeelden. Het openbaar ministerie is belast met het doen van alle wettelijk voorgeschreven mededelingen, tenzij bij wet voor specifieke mededelingen anders is bepaald (huidig artikel 555, voorgesteld artikel 36a Sv). Het openbaar ministerie acht deze argumentatie juist, evenals het handhaven van de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie voor de kennisgevingen.

De wettelijke regeling van de betekening en de uitvoering die hieraan wordt gegeven maken onderdeel uit van de eisen die aan een behoorlijk strafproces worden gesteld en beïnvloeden direct de efficiëntie van de strafrechtspleging. Van een wettelijk correcte betekening, een rechtsgeldige betekening, hangt namelijk af of een bepaalde fase in het strafproces kan beginnen of niet. Zo kan een terechtzitting niet plaatsvinden zonder rechtsgeldige betekening van de dagvaarding aan de verdachte (artikel 278 Sv). Een rechtsgeldige betekening is ook van belang voor het moment waarop de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen gaat lopen. Zo wordt een vonnis in beginsel alleen voor tenuitvoerlegging vatbaar na het verstrijken van de termijn van veertien dagen voor het instellen van hoger beroep indien de dagvaarding niet alleen rechtsgeldig is betekend, maar ook op een wijze waaruit blijkt dat de verdachte van de zitting op de hoogte is (betekening in persoon). In andere gevallen waarbij het vonnis in afwezigheid van de verdachte is gewezen, kan het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak bekend is aan de verdachte (artikel 408 Sv). Concreet brengt dit mee dat indien de dagvaarding rechtsgeldig, maar niet in persoon is betekend, na een bij verstek gewezen vonnis de mededeling van de uitspraak veelal alsnog in persoon aan de veroordeelde moet worden medegedeeld of betekend om de beroepstermijn te laten aanvangen.

Tegen deze achtergrond hebben wij door de Erasmus Universiteit Rotterdam een rechtsvergelijkend onderzoek laten uitvoeren naar de regeling en de praktijk van de betekening van gerechtelijke stukken in strafzaken («Modaliteiten van betekening in rechtsvergelijkend perspectief», P.A.M. Mevis e.a., in opdracht van het Wetenschappelijk onderzoek- en documentatiecentrum van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (WODC), september 2012). De doelstelling van het onderzoek was te inventariseren welke regelingen inzake betekening in een aantal andere landen bestaan en die mogelijkerwijze een bijdrage kunnen leveren aan verbetering en versnelling van de betekening. En daarmee aan de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen in Nederland. In het bijzonder is hierbij onderzocht welke mogelijkheden er elders in Europa bestaan voor elektronische betekening van stukken in het strafrecht. Dit past tevens binnen het voornemen van dit kabinet om het contact tussen overheid en burger zoveel mogelijk digitaal, en dus zo weinig mogelijk op papier, te laten verlopen (Kamerstukken II 2012/13, 26 643, nr. 280).

Na een eerste beoordeling van welke landen het met name de moeite waard zou zijn om de wettelijke regeling in kaart te brengen (quick scan), hebben de onderzoekers zich toegespitst op de regelingen en de praktijk in België, Duitsland, Engeland, Noorwegen en Zwitserland. In het onderzoek is ook geïnventariseerd in hoeverre de voorzieningen, mede gelet op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (verder: EVRM) en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (verder: EHRM), in de betreffende landen acceptabel en werkbaar zijn.

De conclusies van de onderzoekers (idem, blz. 174 e.v.) maken duidelijk dat alle onderzochte landen een eigen balans hebben gevonden tussen enerzijds een praktisch werkbare betekeningsregeling en anderzijds voldoende rechtsbescherming voor de betrokkene. De onderzoekers merken in dit verband op dat de betekeningsregeling niet los is te zien van de wetssystematiek en de rechtscultuur van de onderzochte landen. Meer concreet zijn door de onderzoekers enkele conclusies getrokken die van belang zijn voor de Nederlandse regeling. In de paragrafen hieronder wordt ingegaan op het gevolg dat door ons aan deze conclusies is gegeven. Daarnaast zijn bij de voorgestelde wijzigingen de aanbevelingen betrokken die volgden uit verschillende onderzoeken van het openbaar ministerie naar gebreken in de huidige praktijk van de betekening.

6.2 Aantal betekeningsopdrachten en centrale coördinatie

Het aantal betekeningsopdrachten in het strafproces neemt de laatste jaren af. Zo bedroeg in 2011 het aantal betekeningen nog ruim 650.000 en in 2014 ongeveer 530.000. Deze dalende trend zet naar verwachting in de komende jaren door tot minder dan 400.000 betekeningsopdrachten per jaar. Dit volgt enerzijds uit wetswijzigingen en anderzijds uit wijzigingen in werkprocessen.

Bij de wetswijzigingen die ervoor hebben gezorgd dat in minder gevallen hoeft te worden betekend is vooral de Wet OM-afdoening (Stb. 2006, 330) van belang. Omdat – anders dan bij de transactie – bij de strafbeschikking het procesinitiatief bij de bestrafte ligt en meer strafbare feiten buitengerechtelijk kunnen worden afgedaan, hoeven door de gefaseerde invoer van de strafbeschikking geleidelijk minder dagvaardingen en oproepingen te worden betekend. Een andere wetswijziging die voor een significante daling van het aantal betekeningsopdrachten heeft geleid is de wet die de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (Wam) onder het bereik van de Wahv heeft gebracht (Stb. 2011, 170). Sinds de inwerkingtreding van die wet wordt overtreding van artikel 30, tweede lid, Wam niet meer strafrechtelijk afgedaan. Ook het voorliggende wetsvoorstel zal – indien het tot wet wordt verheven en in werking treedt – zorgen voor een aanmerkelijke daling van het aantal betekeningsopdrachten. Zoals nader in het artikelsgewijs deel van deze memorie van toelichting wordt toegelicht bij de voorgestelde wijziging van artikel 27 Wahv is toegelicht, wordt voorgesteld de kennisgeving van bij in de inning van Wahv-sancties genomen verhaal zonder dwangbevel niet te betekenen, maar toe te zenden aan de betrokkene. Dit zal naar verwachting leiden tot ruim 100.000 minder betekeningsopdrachten per jaar.

De andere reden dat het aantal betekeningsopdrachten de laatste jaren daalt, is dat het openbaar ministerie zijn processen sneller en efficiënter heeft ingericht. Door de invoering van de ZSM-werkwijze (zie ook §5.7) worden bijvoorbeeld in meer gevallen dagvaardingen direct in persoon aan de verdachte uitgereikt waardoor er geen betekeningsopdracht meer hoeft te worden verstrekt aan de post (Aanhouden & Uitreiken-procedure). Daarnaast dragen ook de behandeling van zaken in Veiligheidshuizen, het Justitieel Casus Overleg en snelrecht- en supersnelrechtprocedures bij aan doelmatige betekening van gerechtelijke mededelingen. Deze procesverbeteringen sluiten ook aan bij de conclusies van de onderzoekers van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Zij stellen namelijk voorop dat het voor een adequate betekening van het grootste belang is dat reeds in het voorbereidend onderzoek «iemand» (een dienst, een functionaris) het belang van betekening onderkent en de uitvoering ervan tot zijn verantwoordelijkheid rekent. Voor het opsporen van een adres waar de verdachte kan worden bereikt, moet deze verantwoordelijke adequate en voldoende, feitelijke middelen en desnoods dwangmiddelen, kunnen inzetten. Voor de Nederlandse praktijk is hiervoor geen wetswijziging nodig, maar een investering in de uitvoeringspraktijk. De onderzoekers vatten dit samen in de kop «Betekenen moet je doen» (idem, blz. 178).

Deze aanbeveling van de onderzoekers bevestigt ook de waarde en relevantie van de voorgenomen ontwikkeling dat het CJIB in de toekomst zijn rol van het AICE centraal de coördinatie van alle betekeningsopdrachten gaat verzorgen in opdracht van het openbaar ministerie. Centrale coördinatie van het betekenen zou opleveren dat op een gestandaardiseerde wijze wordt gewerkt en gericht zou worden gestuurd op de betekeningsopdrachten. Het AICE richt zich dan op het maken van kwaliteitsafspraken met uitvoerende partijen (zoals PostNL en de IPKD) en stuurt gericht op de uitvoering. Hierbij wordt dan – zoals hierboven genoemd – gestuurd op het zoveel mogelijk in persoon betekenen van dagvaardingen omdat dit leidt tot kortere doorlooptijden, minder registraties in het opsporingsregister, minder belasting van de politie en minder zaken die door het niet onherroepelijk worden van de beslissing niet ten uitvoer kunnen worden gelegd. De op termijn beoogde centrale coördinatie zorgt er hiermee ook voor dat – onder meer voor de rechter die de geldigheid van de betekening moet beoordelen – meer informatie beschikbaar komt over de wijze waarop betekeningsopdrachten zijn uitgevoerd. Binnen de algemene beleidsmatige inzet van betekening in persoon zijn – in lijn met de in paragraaf 6.5 beschreven rechtspraak van het EHRM – de hierop gerichte inspanningen het grootst bij ernstiger zaken. Een bijkomend voordeel van de coördinatie van betekenen door het AICE – dat ook het overzicht heeft over alle beslissingen die ten uitvoer moeten worden gelegd – is dat contactmomenten met de verdachte of veroordeelde beter worden benut. Op het moment dat een betekening in persoon plaatsvindt, kunnen bijvoorbeeld mogelijk ook openstaande geldsancties worden geïnd. Ook het omgekeerde kan zich overigens voordoen: op het moment dat een geldelijke of andere sanctie wordt voldaan, kunnen eventuele gerechtelijke mededelingen worden uitgereikt. Bij het inplannen en volgen van betekeningsopdrachten zal in de toekomst vanuit de centrale coördinatie en door de politie en (post)bezorgers gebruik kunnen worden gemaakt van de digitale ondersteuning van het betekeningsproces dat met dit wetsvoorstel wordt mogelijk gemaakt. Hierop ziet de volgende paragraaf onder meer.

6.3 Elektronische kennisgeving van gerechtelijke stukken

De kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan natuurlijke personen geschiedt op grond van de wet door betekening, door toezending of door mondelinge mededeling (artikel 36b Sv). Met dit wetsvoorstel wordt voorzien in de mogelijkheid van elektronische betekening en elektronische ondersteuning van het proces bij fysieke betekening (§ 6.3.1), en van de mogelijkheid van elektronische toezending (§ 6.3.2).

6.3.1 Elektronische betekening

Elektronische betekening blijkt in alle door de onderzoekers van de Erasmus Universiteit Rotterdam nader onderzochte landen mogelijk op basis van hun wettelijke regeling. De onderzoekers constateren echter dat in deze landen in de regel (nog) geen gebruik wordt gemaakt van deze mogelijkheid. Het spaarzame gebruik van de geboden mogelijkheden van elektronische communicatie hangt er voornamelijk mee samen dat elektronische betekening afhankelijk is van de medewerking van de verdachte of de veroordeelde. Indien een betrokkene niet wil worden gevonden en dus niet reageert op de elektronisch verzonden gerechtelijke mededeling, wordt altijd teruggevallen op de fysieke (papieren) betekening in persoon. In die zin blijft de registratie van de woon- en verblijfplaatsen leidend en biedt elektronische betekening geen oplossing voor de «moeilijke gevallen». Naar verwachting zal elektronische betekening wel parallel aan de toename van de digitale communicatie tussen burger en overheid in belang groeien (Kamerstukken II 2012/13, 26 643, nr. 280). Rekening houdend met deze conclusie wordt in dit wetsvoorstel elektronische mededeling op twee niveaus mogelijk gemaakt. Deze wijzigingen betreffen zowel het doen van gerechtelijke mededelingen aan natuurlijke personen als aan rechtspersonen.

Het eerste, meest vergaande niveau is de voorgestelde mogelijkheid van volledig elektronische betekening (artikel 36b, tweede lid, Sv). Op basis van instemming van de betrokkene ontvangt hij op het door hem opgegeven e-mailadres een notificatie dat hij kan inloggen in een beveiligde omgeving om kennis te nemen van aan hem gerichte stukken. In dit verband vraagt de Raad voor de rechtspraak of ieder willekeurig e-mailadres kan worden opgegeven en of dit ook het e-mailadres van een ander kan zijn. Er is geen centrale overheidsregistratie waarin e-mailadressen zijn gekoppeld aan specifieke personen, zodat er enkel kan worden nagegaan of het opgegeven adres een geldig e-mailadres is. Van belang hierbij is dat de e-mailnotificatie weinig meer bevat dan een hyperlink naar de genoemde beveiligde omgeving. Om in te kunnen loggen moet de verdachte of veroordeelde zich digitaal identificeren met een authenticatiemiddel dat voldoet aan de eisen die binnen de in Europees verband ontwikkelde standaarden worden gesteld (voorgesteld artikel 36f Sv). Binnen het huidige Europese raamwerk (STORK) betekent dit dat zal worden aangesloten bij niveau 3. Dit niveau biedt een hoge mate van zekerheid voor de verificatie van de geclaimde identiteit van de gebruiker, zoals de NOvA terecht opmerkt. Hierbij kan worden gedacht aan het gebruik van DigiD waarbij niet alleen een gebruikersnaam en wachtwoord worden vereist, maar ook een sms-controle (DigiD midden, zie www.digid.nl). Bij de afgifte van een DigiD wordt een e-mailadres gekoppeld aan een burgerservicenummer. Voor online identificatie door bedrijven en overheden kan worden gedacht aan eHerkenning (zie www.eherkenning.nl). Beoogd is dat het systeem het moment registreert waarop de betrokkene inlogt en dus de aangeboden gerechtelijke stukken kan inzien. Pas na dit inloggen in de beveiligde omgeving is sprake van (elektronische) betekening in persoon. De betrokkene ontvangt nadat geautomatiseerd is vastgesteld dat is ingelogd een tweede e-mailnotificatie. Dit e-mailbericht bevat overeenkomstige gegevens als de akte van uitreiking die wordt opgemaakt van een fysieke uitreiking (artikel 36i Sv). De vastlegging van de elektronische overdracht wordt opgeslagen en waar nodig toegevoegd aan het strafdossier. Elke elektronische betekening geldt als betekening in persoon. Grootschalige toepassing van deze volledig elektronische betekening leidt uiteraard tot een aanzienlijke besparing ten opzichte van de huidige betekening in persoon van papieren stukken. Betrokkenen zijn niet verplicht tot inloggen om kennis te nemen van aan hun gerichte gerechtelijke mededelingen. Door de steeds grotere beschikbaarheid van technologische voorzieningen en de efficiëntievoordelen die volgen uit de plaats- en tijdonafhankelijkheid van elektronische betekening is niettemin de verwachting dat hiervan in toenemende mate gebruik zal worden gemaakt, zowel door professionele partijen zoals advocatenkantoren en grote bedrijven, als door verdachten en veroordeelden die graag op de meest eenvoudige manier of onopvallend vanachter de computer kennis willen nemen van gerechtelijke mededelingen. Hierbij kan nog worden opgemerkt dat het belang van de verdachte om kennis te nemen van gerechtelijke mededelingen kan wijzigen naarmate de procedure verder loopt; zo kan er wel belang worden gehecht aan kennisneming van het strafdossier, maar minder aan een veroordeling die ten uitvoer zal worden gelegd. In reactie op een vraag in het advies van de Raad voor de rechtspraak merken wij op dat de voorkeur uitgaat naar elektronische in plaats van fysieke betekening. Iemand die zijn elektronische adres opgeeft is daarmee echter niet gevrijwaard van fysieke betekening. Als bijvoorbeeld vanuit eerdere ervaringen met de verdachte of veroordeelde niet wordt verwacht dat iemand zal inloggen of er om andere redenen – zoals spoed – aanleiding is om iemand fysiek in persoon op te zoeken, dan wordt de elektronische betekening overgeslagen om vertraging te voorkomen. De beoordeling van wat een redelijke termijn is voor het pogen van elektronische betekening en wanneer wordt overgegaan tot fysieke betekening is ter beoordeling van de instantie die verantwoordelijk is voor de kennisgeving van de mededeling. Elektronische betekening is verder niet aan de orde op het moment dat iemand rechtens zijn vrijheid is ontnomen. De RSJ geeft in zijn advies aan ervan uit te gaan de betekening in persoon ten aanzien van ingeslotenen altijd ook daadwerkelijk aan de veroordeelde is. Dit is inderdaad het geval. Aan iemand die is ingesloten, worden gerechtelijke mededelingen fysiek overhandigd aan de geadresseerde zelf. De in het voorgestelde artikel 36e, eerste lid, onder a (huidig artikel 588 Sv) voor deze gevallen gegeven opdracht van betekening in persoon krijgt dus ook niet de vorm van elektronische betekening in persoon. Het AICE dat het overzicht heeft over de lopende tenuitvoerlegging en dat de betekeningsopdrachten centraal coördineert, draagt hiervoor zorg.

Het tweede niveau is de elektronische ondersteuning van de fysieke betekening. Dit houdt in dat nog steeds iemand op pad gaat om de stukken te betekenen, maar dat de akte die wordt opgemaakt van de uitreiking van de stukken elektronisch geschiedt, inclusief de handtekening die onder de akte van uitreiking wordt geplaatst (artikel 36h Sv). Door elektronische formulieren in een handcomputer te gebruiken wordt het maken van fouten bij het opmaken van de akte tot een minimum beperkt en kunnen de opgemaakte aktes van uitreiking veel sneller dan nu centraal worden verwerkt. Dit leidt tot een meer betrouwbare en snellere uitvoering van betekeningsopdrachten.

6.3.2 Elektronische toezending

In beginsel gaat bij de toezending van deze mededelingen de verplichting vanuit de overheid niet verder dan dat het stuk op de juiste wijze is verzonden. Er hoeft niet te worden vastgesteld of het stuk ook daadwerkelijk in persoon is ontvangen door de geadresseerde (verzendtheorie). In het algemeen kan worden gesteld dat aan toe te zenden stukken minder vergaande rechtsgevolgen zijn verbonden dan aan te betekenen stukken. Op het moment dat een geadresseerde gebruik wil maken van de geboden elektronische mogelijkheden, zijn de praktische verschillen tussen toezending en betekening echter gering. Bij elektronische toezending van een kennisgeving zal namelijk feitelijk worden uitgegaan van de ontvangst- in plaats van de verzendtheorie door dezelfde werkwijze als bij elektronische betekening te volgen; de geadresseerde ontvangt een e-mailnotificatie, met een hyperlink naar een beveiligde omgeving met daarin het stuk. Het enig verschil is dat aan het kennisnemen van deze stukken minder hoge eisen hoeven te worden gesteld. Binnen de systematiek van DigiD betekent dit dat geen sms-verificatie hoeft te worden vereist voor het inloggen. Verder stelt het systeem ook hier automatisch vast dat de geadresseerde heeft ingelogd en de toegezonden stukken heeft kunnen openen. In die zin verschilt – voor geadresseerden die gebruik maken van de geboden elektronische voorzieningen – elektronische toezending dus niet wezenlijk van elektronische betekening van gerechtelijke mededelingen. Dit is echter niet van belang voor de rechtsgevolgen; er hoeft immers niet te worden vastgesteld dat het toe te zenden stuk is ontvangen door de geadresseerde, nu wordt uitgegaan van de verzendtheorie.

6.4 Overige wijzigingen van de betekeningsregeling

Buiten de in paragraaf 6.3 beschreven voorstellen die verband houden met de elektronische mogelijkheden bij de uitreiking van gerechtelijke stukken, worden nog enkele wijzigingen voorgesteld.

Dit betreft ten eerste de plaats van de regeling in het wetboek. Zoals wij aan het begin van dit hoofdstuk reeds hebben aangestipt wordt voorgesteld de regeling van de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen op te nemen in het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering, omdat het doen van dergelijke mededelingen niet beperkt is tot de fase van tenuitvoerlegging. In een nieuwe titel (artikelen 36a tot en met 36n Sv) worden de kennisgevingen aan natuurlijke personen en die aan rechtspersonen samengebracht. Dit dient vooral de overzichtelijkheid van de regeling van de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen.

Een tweede wijzigingsvoorstel betreft de diensten die gerechtelijke mededelingen kunnen uitreiken. De huidige regeling gaat uit van uitreiking door de post of door ambtenaren die door de Minister van Veiligheid en Justitie zijn aangewezen. Voorgesteld wordt dat ook andere door de Minister aangewezen ambtelijke diensten of particuliere vervoerders kunnen worden belast met de betekening van gerechtelijke mededelingen. Dit maakt de inzet mogelijk van gespecialiseerde vervoersbedrijven of ambtelijke diensten. Het AICE zal als centrale coördinator van de betekening (paragraaf 6.2) resultaatgerichte afspraken maken of contracten sluiten met de vervoerders die de betekeningsopdrachten zullen uitvoeren. Hierbij wordt ook gekeken naar de mogelijkheid om de vergoeding voor een betekening in persoon hoger te laten zijn dan de vergoeding voor een andersoortige rechtsgeldige betekening. Dit prijsverschil kan voor de uitvoerende organisatie(s) een belangrijke stimulans zijn om extra inspanningen te leveren voor het realiseren van een uitreiking in persoon, bijvoorbeeld door meerdere malen, ook in de avonduren of in de weekenden langs te gaan bij het adres van de geadresseerde.

Ten derde wordt voorgesteld dat degene die de uitreiking doet altijd vraagt naar het identiteitsbewijs van degene die het gerechtelijk schrijven in ontvangst neemt. Bij het opmaken van de akte van uitreiking wordt het nummer van het getoonde identiteitsbewijs genoteerd (artikel 36h, derde lid, Sv).

Een vierde wijzigingsvoorstel voor de betekening ziet op het geval dat de geadresseerde niet in persoon bereikbaar is, noch via e-mail, noch op een adres in de basisadministratie, noch op een bekende feitelijke woon- of verblijfplaats. Indien de betekening bij geen van de hier genoemde gelegenheden slaagt, wordt voorgesteld de gerechtelijke mededeling niet meer aan de griffie uit te reiken, maar aan het openbaar ministerie. Daarnaast wordt in een dergelijk geval – net als nu – een afschrift gestuurd aan het adres in de gemeentelijke basisadministratie (indien bekend). Hiervan wordt aantekening gemaakt op de akte van uitreiking. Op grond van een dergelijke rechtsgeldige betekening van een dagvaarding kan de zaak op de terechtzitting worden behandeld. Indien de verdachte echter niet verschijnt en bij verstek wordt veroordeeld, moet – zoals reeds enige malen gememoreerd – de mededeling van de uitspraak alsnog in persoon bekend worden gemaakt aan de veroordeelde.

6.5 Elektronische betekening en het EVRM

In het rechtsvergelijkend onderzoek naar betekening is in beeld gebracht in hoeverre de voorzieningen die er in de onderzochte landen zijn voor de kennisgeving van gerechtelijke stukken acceptabel en werkbaar zijn, gelet op het EVRM en de rechtspraak van het EHRM. Voor geen van de onderzochte landen blijkt dat de inrichting van de regelgeving en de praktijk van aspecten van de betekening in strafzaken in strijd zijn met het EVRM-recht. De algemene conclusie van de onderzoekers is dat er geen al te grote belemmeringen zijn in de zin dat bepaalde modaliteiten reeds op voorhand moeten worden uitgesloten omdat zij in het geheel of in het merendeel van de gevallen in EVRM-context voor het EHRM niet acceptabel zijn (rapport «Modaliteiten van betekening in rechtsvergelijkend perspectief», P.A.M. Mevis e.a., blz. 169).

Voor een beschouwing van de betekenis van het EVRM voor de kennisgeving van gerechtelijke stukken is van belang dat noch uit het EVRM, noch uit de jurisprudentie van het EHRM rechtstreeks eisen voortvloeien over hoe de betekening van gerechtelijke stukken in strafzaken er uit moet zien. De regeling daarvan is aan de verdragsstaten. De rechten die het EVRM aan de verdachte toekent zijn op onderdelen wel afhankelijk van de betekening van gerechtelijke stukken in strafzaken. Hierbij gaat het met name om de in artikel 6, derde lid, EVRM expliciet opgenomen rechten van verdachten over bijvoorbeeld het informeren van de verdachte over de tegen hem ingebrachte beschuldiging, en het in artikel 6, derde lid, EVRM door het EHRM ingelezen algemene recht op aanwezigheid van de verdachte bij zijn berechting. Dit aanwezigheidsrecht is niet absoluut; verstekveroordelingen zijn mogelijk. De overheid is niet verplicht verdachten op een zitting te doen verschijnen als deze zelf niet voldoende moeite doen betrokken te zijn in de procedure (EHRM 10 april 2003, Nunes Dias tegen Portugal, zaaknummer 69829/01). Om het aanwezigheidsrecht te kunnen uitoefenen, moet de verdachte op de hoogte kunnen zijn van de terechtzitting. De overheid heeft hiertoe een inspanningsplicht. Die inspanningsplicht brengt met zich dat de overheid in alle strafzaken daadwerkelijk, op een actieve wijze, inspanningen dient te leveren ten einde de verdachte te bereiken over de komende terechtzitting (idem, blz. 175). Het EHRM heeft in de aan hem voorgelegde gevallen aangenomen dat onder omstandigheden ook op de verdachte een zekere inspanningsplicht rust om kennis te nemen van zijn zaak. Verdachten die zelf geen moeite doen om bereikbaar te zijn dan wel zich actief onbereikbaar houden voor de verschillende inspanningen die de overheid zich troost om de verdachte te informeren, kunnen niet zonder meer succesvol klagen dat hun aanwezigheidsrecht is geschonden op het moment dat het de overheid niet gelukt is hem te bereiken (EHRM 23 februari 1999, De Groot tegen Nederland, zaaknummer 34966/97, NJ 1999, 641; EHRM 16 december 1992, Hennings tegen Duitsland, zaaknummer 68/1991/320/292; EHRM 2 oktober 2007, Weber tegen Duitsland, zaaknummer 30203/03). Bij de beoordeling van dergelijke zaken door het EHRM hangt veel af van de omstandigheden van het concrete geval. Indien een verdachte niet op de terechtzitting aanwezig was en er bovendien onzekerheid bestond over de vraag of de verdachte zich bewust was van het feit dat er een procedure tegen hem aanhangig was, neemt het Hof als beoordelingskader voor het antwoord op de vraag of sprake is van een eerlijk proces in acht in hoeverre de overheid inspanningen heeft geleverd om contact met de verdachte te zoeken en op welke wijze die inspanningen in dat geval zijn vormgegeven. Daarbij is van belang dat aan de verplichting van de overheid om de verdachte op de hoogte te stellen van het feit dat er een strafzaak tegen hem gaat lopen, een zwaarder belang wordt toegekend naarmate het delict, waarvan de verdachte wordt beschuldigd, ernstiger is en de daarop gestelde straf hoger ligt (rapport «Modaliteiten van betekening in rechtsvergelijkend perspectief», P.A.M. Mevis e.a., blz. 152). Een bijkomende voorwaarde die het EHRM stelt naast de inspanningsplicht de verdachte te bereiken, is dat indien de verdachte niet vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting, die verdachte zijn zaak feitelijk nogmaals, maar dan in zijn aanwezigheid, moet kunnen laten behandelen in een full re-trial (idem, blz. 187; EHRM 12 februari 1985, Colozza tegen Italië, zaaknummer 9024/80). Bij een verstekveroordeling is de tijdige kennisgeving van de uitspraak aan de veroordeelde dus van belang voor het geven van deze mogelijkheid van een «fresh determination». Ook hiervoor geldt dat dit voor het EHRM niet een absoluut recht is. Als een verdachte op de juiste wijze op de hoogte was gesteld van zijn proces en van de datum van de terechtzitting en zijn afwezigheid duidelijk aan hemzelf te wijten is, kan een mogelijkheid van een inhoudelijke behandeling in hoger beroep aan de bij verstek veroordeelde worden onthouden (EHRM 14 juni 2011, Medenica tegen Zwitserland, zaaknummer 20491/92; rapport «Modaliteiten van betekening in rechtsvergelijkend perspectief», P.A.M. Mevis e.a., blz. 188).

Het bovenstaande laat zich als volgt samenvatten. Het EVRM stelt geen materiële eisen aan een betekeningsregeling. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt geen beoordeling van de nationale regeling als zodanig, het gaat om de inspanningen die de overheid in het concrete geval op basis van die regeling heeft geleverd om de verdachte juist en tijdig te informeren, zodat hij zijn aanwezigheidsrecht heeft kunnen uitoefenen in eerste aanleg of in hoger beroep. Voor de voorgestelde mogelijkheden van elektronische kennisgeving binnen de Nederlandse betekeningsregeling geldt dat er tot op heden geen uitspraken bekend zijn waarin het Europese Hof zich heeft gebogen over het gebruik van elektronische middelen in het kader van kennisgevingen van gerechtelijke mededelingen. Als het gebruik van een e-mailadres dat de verdachte uitdrukkelijk voor het doel van het doen van gerechtelijke mededelingen ter beschikking stelt, helpt om de inhoudelijke doelen van adequate betekening te realiseren, zal het EHRM zich volgens de onderzoekers daartegen allicht niet verzetten (idem, blz. 169). Voor de thans voorgestelde wijziging die elektronische betekening mogelijk maakt, geldt dat deze geheel afhankelijk is van de vrijwillige medewerking van de betrokkene; de verdachte moet zelf een e-mailadres opgeven en kan er zelf voor kiezen om al dan niet in te loggen na de ontvangst van de notificatie. Van strijdigheid met het EVRM van de voorgestelde regeling voor de elektronische kennisgeving van gerechtelijke mededeling zal dus geen sprake zijn omdat in deze situatie bij niet verschijnen van de verdachte in de regel mag worden aangenomen dat hij afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.

7. Financiële en administratieve consequenties

Met dit wetsvoorstel gaat de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging over van het openbaar ministerie naar de Minister van Veiligheid en Justitie. Zoals hierboven is toegelicht betreft dit vooral een wettelijke verankering van de bestaande uitoefening van taken en bevoegdheden in het kader van de uitvoering door uitvoeringsinstanties van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Omdat de feitelijke taakuitoefening voor het grootste deel gelijk blijft, zijn de financiële gevolgen van de voorgestelde wijzigingen voor de uitvoeringspraktijk in die zin beperkt.

Groter zijn de consequenties die voortvloeien uit de in hoofdstuk 4 beschreven optimalisatie van de tenuitvoerlegging en de doelen die hierbij worden gesteld. Gerelateerd aan dit wetstraject loopt er een programma binnen het Ministerie van Veiligheid en Justitie, het hierboven reeds genoemde programma Uitvoeringsketen Strafrechtelijke Beslissingen (USB)(Kamerstukken II 2012/13, 29 279, nr. 156, blz. 6). In dit programma wordt gewerkt aan de tenuitvoerlegging van de eerder beschreven verantwoordelijkheidsverschuiving en worden een aantal verbetertrajecten uitgevoerd. De business case bij het programma laat zien waar capaciteit vrij zal komen en waar aanvullende capaciteit is vereist. Veiligheid en Justitie draagt er zorg voor dat het programma USB zodanig wordt uitgevoerd dat de vrijkomende capaciteit bij deze verantwoordelijkheidsverschuiving toereikend is om benodigde capaciteit elders beschikbaar te krijgen. Hierbij geldt als randvoorwaarde dat er géén beroep op aanvullende middelen nodig zal zijn. Doel van het programma is de snelle en zekere tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen en het goed informeren van betrokkenen zodat de gehele tenuitvoerleggingsketen wordt versterkt. De activiteiten van het programma richten zich op de wijze waarop deze doelen worden gerealiseerd in de uitvoering. Dit is voor een groot deel een gescheiden traject van het wetsvoorstel. De overdracht van administratieve taken van justitiële uitvoeringsinstanties aan het AICE en het ontwikkelen en aanpassen van geautomatiseerde systemen bij de politie, het openbaar ministerie, de rechtspraak, de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), het CJIB en het AICE, zorgen voor een efficiëntere inrichting van de tenuitvoerlegging. Met name het centraal beleggen van een aantal administratieve taken zal een besparing opleveren in de keten. Zo brengt de functie van het AICE mee dat de administratieve werklast op de tien arrondissementsparketten substantieel wordt verminderd. Op landelijke schaal betreft het binnen het openbaar ministerie ongeveer 20 fte’s in 2016. In samenhang met de vrij vallende fte’s bij het OM zal € 1,8 miljoen worden herschikt binnen het Ministerie van Veiligheid en Justitie voor de extra taken bij het CJIB / AICE. De overdracht van de taken ten aanzien van de berekening van ontslag- en verlofdata van DJI naar het AICE zal bij DJI fte’s besparen. Daarnaast zorgt de centrale aansturing van het AICE op de ontslag- en verlofdata dat efficiënter zal worden gewerkt. Ook hier zal herschikking binnen Veiligheid en Justitie plaatsvinden. De overige voorziene kosten van € 2 miljoen worden gedekt binnen de begroting van Veiligheid en Justitie.

Doel van de veranderingen is de politie, de reclasseringsorganisaties, het CJIB en de DJI in staat te stellen zich te kunnen concentreren op de feitelijke tenuitvoerlegging van straffen. Met een verbeterd en efficiënter executieproces waarmee ketenpartners zich meer kunnen richten op hun kerntaken, kunnen straffen sneller worden ten uitvoer gelegd en zal de uitval in de keten worden verminderd. Tegen deze achtergrond hebben de executiepartners in gezamenlijkheid streefnormen vastgesteld waarmee deze verbetering tastbaar wordt. Voor 2016 is voor principale vrijheidsstraffen als doelstelling vastgelegd dat in minimaal 92 procent de tenuitvoerlegging binnen 24 maanden is gestart of afgerond. In 2019 moet dit percentage nog hoger zijn, met als stip op de horizon een percentage van 95 procent (brief aan de Tweede Kamer van de Minister en de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, Kamerstukken II 2012/13, 29 279, nr. 165, blz. 4).

Met een volledig zicht van het AICE op de ten uitvoer te leggen beslissingen wordt op basis van een zogeheten integraal persoonsbeeld bewerkstelligd dat sancties volgordelijk en efficiënt worden uitgevoerd. Zo zal bij het AICE straks bij de aanlevering van een executeerbare beslissing onmiddellijk zichtbaar zijn of, en zo ja, welke andere straffen jegens een veroordeelde nog openstaan, waarmee sneller en beter tot executie kan worden overgegaan. Nu komt het bijvoorbeeld voor dat pas bij ontslag uit detentie blijkt dat betrokkene nog een geldboete heeft openstaan. Het openbaar ministerie behoeft niet langer vonnissen in strafcomponenten op te splitsen en met meer ketenpartners uit te wisselen: alle procesinformatie wordt eenduidig en exclusief via het AICE gerouteerd. Een opdracht voor een taakstraf vanuit het openbaar ministerie naar de reclassering wordt centraal via het AICE gerouteerd. De reclassering behoeft niet langer uit te zoeken met welk parket hierover moet worden gecommuniceerd. De politie beschikt over een landelijk beeld van alle signaleringen waarmee executie-opdrachten beter kunnen worden uitgevoerd, en samenloop van opdrachten bij meerledige straffen wordt voorkomen. De opdracht tot het verrichten van een taakstraf is zinledig zolang een veroordeelde nog een gevangenisstraf uitzit.

De financiering van de activiteiten in het kader van het programma USB vindt voor het grootste plaats binnen de voor het programma gereserveerde gelden (artikel 34 van de begroting van Veiligheid en Justitie) en voor een beperkt deel binnen de afzonderlijke begrotingen van de betrokken ketenpartners; alle binnen de totale begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. De vormgeving van de sturing van de tenuitvoerlegging wordt gefinancierd uit de structurele, ketenbrede besparing die voortvloeit uit de overdracht van administratieve taken aan het AICE en door de betere aansluiting van de geautomatiseerde systemen die voor de tenuitvoerlegging binnen de strafrechtsketen worden gebruikt. Deze efficiëntiewinsten dragen daarnaast bij aan de efficiencytaakstelling voor de gehele strafrechtsketen (regeerakkoord VVD-PvdA; Kamerstukken II 2012/13, 33 410, nr. 15, blz. 49).

De realisatie van de verschillende hierboven genoemde veranderingen in de uitvoering en de voorbereiding van de gevolgen van de voorgestelde wetswijzigingen zullen stapsgewijs in de periode tot en met 2016 plaatsvinden. Dit is het gevolg van een iteratieve aanpak. Het betreft een omvangrijke operatie die van grote invloed is op de informatievoorziening binnen de strafrechtsketen en gevoelige en specialistische werkprocessen betreft. Zoals ook het openbaar ministerie in zijn advies aangeeft, zullen nieuwe IT-voorzieningen voorafgaand aan implementatie ketenbreed moeten worden getest. Dit vraagt niet alleen om zorgvuldige collectieve afstemming van IT-planningen, maar ook om het zorgvuldig in ketenverband bewaken van de IT-voortgang. Het AICE is – als onderdeel van het CJIB – vanaf 1 januari 2014 gestart met het geleidelijk oppakken van zijn activiteiten. In 2014 en 2015 zal de interface OM-AICE dusdanig worden geautomatiseerd en geoperationaliseerd dat de uitvoering sterk kan worden versneld en verbeterd en dat uitval in de tenuitvoerleggingsketen wordt voorkomen. In de periode 2014–2016 worden de IT-voorzieningen tussen AICE en de andere uitvoeringsorganisaties in aansluiting op deze interface aangepakt. De financiering daarvan vindt plaats binnen de voor het programma gereserveerde gelden en afzonderlijke begrotingen van de betrokken ketenpartners. Dit kan binnen het bestaande wettelijk kader waarin de tenuitvoerlegging de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie is. Vanaf 2014 routeert het AICE de eerste strafrechtelijke beslissingen, zoals de principale vrijheidsstraffen en andere rechterlijke beslissingen naar de uitvoerende organisaties. Op termijn zal het AICE alle ten uitvoer te leggen strafrechtelijke beslissingen routeren.

II. ARTIKELSGEWIJS

ARTIKEL I – WETBOEK VAN STRAFVORDERING

Onderdelen A, D en E

In de titel over de verdachte wordt aan artikel 27a Sv, over het vaststellen van de identiteit van de verdachte, ten behoeve van de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen toegevoegd dat aan een verdachte wordt gevraagd naar een elektronisch adres waarop hij gerechtelijke mededelingen wil ontvangen. Een vergelijkbare bepaling wordt voorgesteld voor het slachtoffer (artikel 51b, zevende lid, Sv). De artikelen 35 en 36 over het horen van een verdachten en over de verklaring dat een zaak is geëindigd worden in de titel over de verdachte opgenomen (artikelen 29e en 29f Sv).

Onderdelen B, C, F en G – Kennisneming en kennisgeving

De voorgestelde nieuwe Titel IIa ziet op de regeling van kennisneming van processtukken en loopt van artikel 30 tot en met artikel 36 Sv. De wettelijke regeling van de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen wordt verplaatst van het huidige Zesde Boek over de tenuitvoerlegging, naar een nieuwe Titel in het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering. Titel IIb – artikelen 36a tot en met 36n.

Reden voor de verplaatsing is dat het betekenen van een gerechtelijke mededeling in voorkomende gevallen weliswaar randvoorwaardelijk is om over te kunnen gaan tot de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke beslissing, maar het kennis geven van gerechtelijke mededelingen zelf geen tenuitvoerleggingshandeling is. Het openbaar ministerie is en blijft onder de nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling voor de tenuitvoerlegging dan ook belast met deze kennisgevingen (voorgesteld artikel 36a Sv; huidig artikel 555 Sv). Op de achtergrond van de voorgestelde wijzigingen in de betekeningsregeling – vooral het mogelijk maken van elektronische betekening – en de coördinerende rol die het CJIB hierbij gaat vervullen namens het openbaar ministerie, is nader ingegaan in hoofdstuk 6 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.

Artikel 36a (artikel 555; nieuw Sv) – openbaar ministerie verantwoordelijk

De eerste volzin van dit artikel komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel 555 Sv. Er zijn enkel enige taalkundige moderniseringen doorgevoerd. Strekking van de bepaling is – kort gezegd – dat alle wettelijk voorgeschreven mededelingen op last van het openbaar ministerie worden gedaan. Er is een tweede volzin toegevoegd die ertoe strekt dat het openbaar ministerie inlichtingen kan vorderen die nodig zijn voor de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen. Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn voor het achterhalen van de feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte of veroordeelde. Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing zodat de daar genoemde verschoningsgerechtigden niet verplicht zijn aan de vordering te voldoen.

Artikel 36b (artikel 585 Sv) – betekening, toezending, mondelinge mededeling

Dit artikel correspondeert met het huidige artikel 585 Sv. Het eerste lid wordt niet gewijzigd. Aan het tweede lid wordt toegevoegd dat bij betekening van een gerechtelijke mededeling de uitreiking ook elektronisch kan geschieden. Bij elektronische overdracht wordt de volgende werkwijze gevolgd. De betrokkene ontvangt op het door hem opgegeven e-mailadres (voorgesteld artikel 27a, derde lid, Sv) een notificatie dat hij kan inloggen in een beveiligde omgeving om kennis te nemen van aan hem gerichte stukken. Voor de identificatie op de website waarop de gerechtelijke mededeling worden aangeboden, zal gebruik worden gemaakt van DigiD (zie www.digid.nl) of een vergelijkbare authenticatiedienst. Hierbij wordt aangesloten bij het Wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering. Voor het inloggen met DigiD zal voor de betekening naast het standaardgebruik van een gebruikersnaam en wachtwoord de extra controle van een per sms ontvangen code worden vereist (STORK 3). In de aldus beveiligde omgeving kan de betrokkene kennis nemen van de aan hem gerichte gerechtelijke stukken. Het systeem zal het moment registreren waarop de betrokkene kennis kan nemen van de aangeboden stukken. De betrokkene ontvangt op dat moment een tweede e-mailnotificatie. Dit e-mailbericht bevat de gegevens genoemd in het voorgestelde artikel 36i Sv, onder meer de autoriteit die het gerechtelijke schrijven uitstuurt, het nummer van het schrijven, de persoon aan wie is uitgereikt en de dag en het uur van de uitreiking. Deze betekening door elektronische overdracht wordt vastgelegd en waar nodig toegevoegd aan het strafdossier. Elektronische betekening geldt als betekening in persoon.

De tweede volzin van het tweede lid maakt duidelijk dat in het geval betekening door elektronische overdracht mogelijk is, dat de voorkeur heeft. Betekening door elektronische overdracht is onmogelijk in het geval degene die de mededeling moet ontvangen geen e-mailadres heeft opgegeven. Daarnaast kan betekening door elektronische overdracht onmogelijk blijken doordat niet binnen een redelijke termijn wordt gereageerd op de aan het opgegeven e-mailadres verzonden notificatie. Wat een redelijke termijn is, is ter beoordeling aan het openbaar ministerie en kan afhankelijk zijn van de urgentie van de mededeling, maar bijvoorbeeld ook van eerdere ervaringen met het doen van mededelingen aan de geadresseerde. Als bij eerdere gelegenheden is gebleken dat de geadresseerde wel zijn e-mailadres heeft opgegeven, maar daarna nooit gebruik heeft gemaakt van de elektronische voorziening, kan de termijn heel kort zijn of elektronische betekening zelfs geheel worden overgeslagen.

Het derde lid ziet op de toezending van gerechtelijke mededelingen. Ten opzichte van het huidige artikel wordt gewijzigd dat toezending niet alleen door aflevering door de post, maar door alle postvervoerbedrijven, zoals bedoeld in de Postwet 2009, en door andere door de Minister bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen diensten kan gebeuren. Deze wijziging komt overeen met de hieronder toegelichte wijziging van artikel 36d, eerste lid, Sv, over de uitreiking van gerechtelijke mededelingen. Aan de bestaande mogelijkheid van aflevering van een brief is de mogelijkheid toegevoegd van toezending door elektronische overdracht. Aan toezending worden in de wet lagere eisen gesteld dan aan betekening van gerechtelijke mededelingen. Voor de elektronische toezending is niettemin – net als bij de elektronische betekening – voorzien in gebruik van een omgeving waarop met een authenticatiedienst zoals DigiD moet worden ingelogd. Zoals in het algemeen deel is toegelicht kan voor het inloggen met DigiD bij toezending echter in beginsel worden volstaan met inloggen met gebruikersnaam en wachtwoord (geen sms-verificatie). De wettelijke voorschriften verplichten er daarnaast niet toe dat zeker moet worden gesteld dat de betrokkene de stukken in persoon heeft ontvangen. De hierboven beschreven eindnotificatie en de vastlegging van de elektronische overdracht (artikel 36i Sv) zijn om deze reden in beginsel niet noodzakelijk bij de toezending van gerechtelijke mededelingen. De nadere regels die op grond van artikel 36f, derde lid, en artikel 36g, vijfde lid, Sv bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden gesteld, zien zowel op de toezending langs geautomatiseerde weg als de toezending met een brief.

Het vierde lid is gelijkluidend aan het vierde lid van het huidige artikel 585 Sv.

Artikel 36c (586 Sv) – betekening alleen als de wet dit voorschrijft

Dit betreft het huidige artikel 586 Sv, dat met dit voorstel inhoudelijk ongewijzigd wordt verplaatst. Geschrapt is dat de wet kan toelaten dat dagvaardingen en aanzeggingen niet worden betekend. Indien dit het geval is, wordt dat in de wet bepaald.

Artikel 36d (587 Sv) – uitvoering betekening

Dit betreft het huidige artikel 587 Sv. Ten opzichte van het huidige artikel wordt in het eerste lid gewijzigd dat gerechtelijke stukken die moeten worden betekend niet meer uitsluitend kunnen worden uitgereikt door de post, maar door alle postvervoerbedrijven, zoals bedoeld in de Postwet 2009, en door andere door de Minister bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen diensten. Hierbij kan worden gedacht aan (gespecialiseerde) koeriersdiensten, maar ook aan overheidsdiensten zoals de Interdepartementale Post- en Koeriersdienst (IPKD) en de Dienst Vervoer & Ondersteuning van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (DV&O). De elektronische betekening zal namens het openbaar ministerie worden verzorgd door het CJIB, in zijn rol van het AICE (paragraaf 5.2.2).

Het tweede lid is nieuw en bepaalt dat de Minister van Veiligheid en Justitie voor de betekening van gerechtelijke mededelingen door elektronische overdracht bij algemene maatregel van bestuur een voorziening aanwijst. Vanwege de centrale coördinatie van betekeningsopdrachten voor het openbaar ministerie door het AICE / CJIB is deze voorziening aldaar in beheer.

Het derde lid correspondeert met het huidige tweede lid van artikel 587 Sv en bevat de mogelijkheid dat de Minister van Veiligheid en Justitie ambtenaren of functionarissen kan aanwijzen aan wie het openbaar ministerie in bijzondere gevallen de uitreiking kan opdragen. Hierbij kan met name – maar niet uitsluitend – worden gedacht aan spoedeisende gevallen. De betreffende ambtenaren zijn thans aangewezen in de Regeling aanwijzing ambtenaren van politie en functionarissen t.b.v. uitreiking en betekening van gerechtelijke stukken. Met dit derde lid is een grondslag toegevoegd voor een ministeriële regeling waarin deze personen worden aangewezen.

Artikel 36e (588 Sv) – betekening door uitreiking

Dit betreft een wijziging van het huidige artikel 588 Sv, over de wijze van uitreiking van een gerechtelijke schrijven.

Uitgangspunt in de huidige en in de voorgestelde regeling is betekening in persoon. Dit gebeurt in elk geval als degene op wie de mededeling betrekking heeft in Nederland rechtens zijn vrijheid is ontnomen in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft (eerste lid, onder a). In een dergelijk geval wordt de mededeling fysiek (niet-elektronisch) uitgereikt. Als dat niet het geval is, wordt het gerechtelijk schrijven eerst aangeboden aan (eerste lid, onder b) het adres in de basisregistratie personen (BRP; de opvolger van de gemeentelijke basisadministratie (GBA)). Indien er geen adres in de basisregistratie personen bekend is, wordt de mededeling aangeboden bij de feitelijke woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.

Het tweede lid (het derde lid van het huidige artikel 588 Sv), onder a, ziet op de situatie dat van de geadresseerde niet de in het eerste lid achtereenvolgens genoemde adressen bekend zijn. Ten opzichte van de huidige regeling wordt toegevoegd dat de identiteit van degene aan wie het schrijven wordt uitgereikt zo mogelijk wordt gecontroleerd en vastgelegd in de akte van uitreiking.

Het huidige derde lid, onder b, de mogelijkheid van betekening aan een gemachtigde, komt met de voorgestelde nieuwe bepaling te vervallen. De suggestie van de Raad voor de rechtspraak deze mogelijkheid te behouden wordt niet opgevolgd. In de huidige praktijk wordt betekening aan een persoon die door de geadresseerde schriftelijk is gemachtigd om gerechtelijke mededelingen in ontvangst te nemen namelijk reeds bij uitzondering toegepast.

Het tweede lid, onder b, betreft het huidige derde lid, onder c. Hierin wordt ten eerste gecorrigeerd voor de verwijzing naar het hernummerde artikel 589 Sv. Daarnaast wordt in deze bepaling niet meer opgenomen dat de mededeling ― indien geen uitreiking heeft kunnen geschieden ― wordt uitgereikt aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend. In de praktijk is dit namelijk een overbodige administratieve handeling gebleken. Op het moment dat het openbaar ministerie een zaak aanbrengt bij de rechtbank, bevat het zaaksdossier immers ook de akte van uitreiking. Ter voorbereiding van de zitting kijkt de griffie naar dit zaaksdossier en niet naar de (eigen administratie van) uitreikingen aan de griffie. De uitreiking aan de griffie is dus onnodig dubbel werk. In de gewijzigde bepaling is behouden dat indien geen uitreiking heeft kunnen plaatsvinden de mededeling wordt uitgereikt aan het openbaar ministerie en dat een afschrift van de mededeling onverwijld wordt toegezonden aan het adres waar de geadresseerde op en na de dag van aanbieding was ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Hiervan wordt een akte van uitreiking opgemaakt, die aan het zaaksdossier wordt toegevoegd (laatste volzin).

Het voorgestelde derde en vierde lid corresponderen met het tweede en vierde lid van het huidige artikel 588 Sv. Aan deze huidige bepalingen wordt inhoudelijk niets gewijzigd. De grondslag voor het stellen van nadere regels is onder de huidige regeling ingevuld met het Besluit kennisgeving gerechtelijke mededelingen.

Artikel 36f (nieuw) – betekening door elektronische overdracht

Deze bepaling geeft – analoog aan het bepaalde in artikel 36e Sv over de wijze van uitreiking van een gerechtelijk schrijven – de wijze waarop elektronische overdracht gebeurt. De stappen die hierbij worden gevolgd, zijn toegelicht bij de toelichting op artikel 36b. Betekening via elektronische overdracht geldt als betekening in persoon als de geadresseerde zich voor de toegang tot de elektronische voorziening op de voorgeschreven wijze heeft geïdentificeerd (tweede lid). Het College van procureurs-generaal merkt in zijn advies op dat noch door het openbaar ministerie, noch door de rechter zou kunnen worden gecontroleerd of degene voor wie de mededeling bestemd is zich daadwerkelijk zelf de toegang heeft verschaft tot de elektronische voorziening. Toegang tot de elektronische voorziening kan alleen worden verkregen door gebruik te maken van aan het burgerservicenummer van de geadresseerde gekoppelde authenticatiegegevens. Aan die authenticatie, worden bij algemene maatregel van bestuur eisen gesteld. Zoals in het algemeen deel van deze memorie van toelichting en bij de toelichting bij artikel 36b Sv is toegelicht, gaat het om een meervoudige authenticatie met in elk geval wachtwoord en sms-verificatie. Binnen het huidige Europese kader voor beveiligingsstandaarden (STORK) komt dit overeen met niveau 3. Wij wijzen in dit verband ook op het Wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering. Na de elektronische identificatie («inloggen») treft de betrokkene de voor hem bestemde stukken aan in de elektronische voorziening. In het door het College geschetste geval dat een (al dan niet uitdrukkelijk) gemachtigde zich in de praktijk met de gegevens van een ander toegang verschaft tot de elektronische voorziening, blijft dat bovendien niet onopgemerkt voor de betrokkene. De betrokkene ontvangt immers op het door hem opgegeven elektronisch adres een bevestiging dat hij heeft ingelogd (zie nader artikel 36i Sv en de bij die bepaling gegeven toelichting). Als adres wordt het elektronisch adres gebruikt dat de verdachte op grond van het bepaalde in het derde lid van artikel 27a Sv heeft opgegeven. Hiermee achten wij de zekerheid dat de geadresseerde zich zelf toegang verschaft tot de elektronische voorziening voldoende gegarandeerd. Als door onachtzaam gebruik van de persoonlijke authenticatiegegevens een ander via de elektronische voorziening (eveneens) kennis neemt van een gerechtelijke mededeling, is dit de verantwoordelijkheid van de betrokkene. Het derde lid maakt het mogelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere voorschriften te geven over de in dit artikel geregelde betekening door elektronische overdracht. Deze nieuw te stellen nadere regels zullen overeenstemmen met de nadere voorschriften die zullen worden gesteld bij het Wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering.

Artikel 36g (588a Sv) – afschrift toezenden

Dit artikel betreft het huidige artikel 588a Sv. De wijzigingen die met dit nieuwe artikel worden voorgesteld betreffen ten eerste toevoeging van de mogelijkheid het opgegeven elektronisch adres te wijzigen (tweede lid). In het derde lid wordt gecorrigeerd voor verwijzingen naar hernummerde en gewijzigde artikelen en wordt de verwijzing geschrapt naar de persoon die is gemachtigd namens de geadresseerde de mededeling in ontvangst te nemen. In het derde lid wordt daarnaast onder c een extra grond opgenomen voor het niet hoeven toezenden van een afschrift van een dagvaarding of oproeping; op het moment dat iemand nadat hij tijdens zijn strafzaak een adres heeft opgegeven zijn adres in de basisregistratie personen wijzigt, dient van dat officieel geregistreerde adres te kunnen worden uitgegaan. Net als in het huidige artikel wordt in het laatste, vijfde lid bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over de wijze waarop uitvoering aan deze bepaling wordt gegeven (vijfde lid; Besluit kennisgeving gerechtelijke mededelingen). Bij de inhoud van deze nadere regels is reeds kort stilgestaan in de toelichting bij het derde lid van het voorgestelde artikel 36b Sv. In aanvulling daarop vermelden wij dat deze nadere regels tevens zien op de wijze waarop verdachten hun adres en hun e-mailadres kunnen wijzigen. Voor het wijzigen van het verblijfsadres moet de verdachte thans op grond van artikel 588a Sv een verklaring in persoon afleggen bij het openbaar ministerie. Dit zal worden vastgelegd in deze nadere regels. Voor het wijzigen van het elektronisch adres wordt voorzien dat dit enkel kan via de beoogde elektronische voorziening.

Artikel 36h (589 Sv) – akte van uitreiking

Dit artikel betreft het huidige artikel 589 Sv, over de akte die wordt opgemaakt van de betekening door uitreiking van een gerechtelijk schrijven. In de voorgestelde nieuwe bepaling blijven de gegevens die op grond van het eerste lid in de akte worden vermeld, ongewijzigd.

Aan het derde lid wordt gewijzigd dat voortaan de identiteit van de persoon waaraan de gerechtelijke mededeling wordt uitgereikt, zo mogelijk wordt vastgesteld aan de hand van een geldig identiteitsbewijs. De soort en het nummer van dit identiteitsbewijs worden genoteerd op de akte van uitreiking. Deze akte wordt ondertekend door degene die de uitreiking verzorgt. Dit kan ook een elektronische ondertekening zijn (zie het Wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering). Overwogen is ook degene die het gerechtelijk schrijven krijgt uitgereikt te verzoeken de akte te ondertekenen. Hiervan is afgezien omdat voor de akte de verklaring van degene die de uitreiking verzorgt bepalend is. Onwenselijk is dat discussie ontstaat over de akte van uitreiking op het moment dat hierop het tekenen voor ontvangst ontbreekt. Ten opzichte van de tekst van het huidige derde lid zijn verder de toevoegingen «ter plaatse» en «terstond» geschrapt. Reden hiervoor is dat door het gebruik van een handcomputer het formeel opmaken en ondertekenen van de akte van uitreiking van de ter plaatse en op het moment van de uitreiking ingevulde gegevens op een later moment en op een andere plaats kan plaatshebben.

Het vierde lid is nieuw ten opzichte van het huidige artikel 589 Sv. Voorgesteld wordt dat indien een gerechtelijke mededeling mondeling wordt gedaan, als bedoeld in artikel 36b, vierde lid, Sv, de vastlegging hiervan in elk geval de gegevens vermeldt die ook in de akte van uitreiking staan.

In het vijfde lid (het huidige vierde lid) is gewijzigd dat het model van de akte in een ministeriële regeling wordt opgenomen, evenals eventuele nadere voorschriften. Daardoor is ook publicatie in de Staatscourant verzekerd.

Artikel 36i (nieuw) – elektronische akte

Deze nieuwe bepaling is het elektronisch equivalent van de papieren akte van uitreiking (artikel 36h Sv). Bij een elektronische overdracht wordt automatisch vastgelegd de autoriteit van welke het door het openbaar ministerie betekende schrijven uitgaat, het kenmerknummer en de geadresseerde. Daarnaast wordt vastgelegd op welk elektronisch adres (e-mailadres) het schrijven beschikbaar is gesteld, de methode van identificatie waarmee toegang is verschaft tot de elektronische voorziening waarop de gerechtelijke mededeling kan worden gevonden en – wezenlijk voor het kunnen dienen als bewijs van de veronderstelde betekening in persoon – de door het systeem vastgelegde gegevens over het inloggen van de geadresseerde op de elektronische voorziening (eerste lid). Bij ministeriële regeling worden – net als aan de papieren akte van uitreiking van artikel 36h, zesde lid, Sv – nadere eisen gesteld aan de elektronische overdracht en de vastlegging daarvan (tweede lid).

Artikelen 36j tot en met 36m (529 tot en met 532 Sv) – kennisgeving aan rechtspersonen

De voorgestelde artikelen 36j tot en met 36m zien op de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan rechtspersonen. De voorschriften hiervoor staan thans op een afzonderlijke plaats (de huidige artikelen 529 tot en met 532 Sv) en worden met deze wijziging samengebracht met het doen van gerechtelijke mededelingen aan natuurlijke personen.

Het openbaar ministerie vraagt zich in zijn advies af of het wetsvoorstel de mogelijkheid biedt om bij rechtspersonen betekening door middel van elektronische overdracht te laten plaatsvinden. Hierover was twijfel ontstaan omdat – anders dan bij artikel 36b Sv voor natuurlijke personen – artikel 36j Sv niet die mogelijkheid voor rechtspersonen noemt. Wij kunnen bevestigen dat dit wel het geval is door de schakelbepaling van artikel 36m Sv, die artikel 36b Sv van overeenkomstige toepassing verklaart op kennisgevingen aan rechtspersonen.

In artikel 36l Sv wordt ten opzichte van het huidige artikel 531 Sv geschrapt dat indien geen uitreiking heeft kunnen geschieden, de mededeling wordt uitgereikt aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend. Voor de toelichting hierop verwijzen wij naar de voorgestelde wijziging van artikel 36e, tweede lid, onder b, Sv, die dezelfde achtergrond heeft.

Artikel 36n (590 Sv) – nietige betekening

In dit artikel – gebaseerd op het huidige artikel 590 Sv – wordt enkel gecorrigeerd voor verwijzingen naar verplaatste en hernummerde artikelen.

Onderdelen F en G

De wijzigingen in deze onderdelen volgen uit de hernummering en verplaatsing van artikelen binnen het Wetboek van Strafvordering. Er is geen sprake van inhoudelijke wijzigingen van de desbetreffende bepalingen. De artikelen 89 e.v. Sv, over schadevergoeding, worden verplaatst naar artikel 533 e.v. Sv.

Onderdeel H

Met het nieuwe artikel 127a Sv wordt voorgesteld in de algemene termen vast te leggen dat waar in het Wetboek van Strafvordering wordt gesproken over «Onze Minister», dit de Minister van Veiligheid en Justitie betreft. Directe aanleiding is dat door de directe verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging de Minister op meer plaatsen in het Wetboek van Strafvordering wordt genoemd.

Onderdeel I

Aan artikel 136 Sv is toegevoegd dat binnen het Wetboek van Strafvordering onder een jaar een periode van twaalf maanden wordt verstaan. Omdat het wetboek zich thans niet uitlaat over wat onder een jaar moet worden verstaan, wordt in de toepassing van de wet uitgegaan van kalenderjaren van 365 dagen. Met de voorgestelde wijziging wordt eenduidig vastgelegd wat binnen het strafrecht onder een jaar moet worden verstaan. Het belangrijkste effect van deze wijziging is – zoals de Raad voor de rechtspraak in zijn advies opmerkt – dat het rekenen voor iedereen eenvoudiger wordt. Voor het Wetboek van Strafrecht wordt een vergelijkbare standaardisering voorgesteld met een wijziging van artikel 88 Sr. De RSJ acht het definiëren van deze begrippen in de artikelen 88 Sr en 136 Sv een welkome voorziening.

Wij achten het onwenselijk dat in het geval dit wetsvoorstel wordt aangenomen en in werking treedt de nieuwe definitie van wat in strafrecht en strafvordering onder een jaar wordt verstaan direct geldt voor vrijheidsstraffen in jaren die zijn opgelegd voor het moment van inwerkingtreding. Een nieuwe berekening van de duur en de einddatum van reeds opgelegde vrijheidsbenemende sancties zou een aanzienlijke extra werklast betekenen. Daarom wordt in artikel XLIV van dit wetsvoorstel voorgesteld aan de strafvorderlijke definitiebepaling eerbiedigende werking toe te kennen, zodat de nieuwe definitie alleen geldt voor gevallen waarin uitspraak is gedaan na de datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel.

Onderdeel J

In artikel 257a, achtste lid, Sv wordt gecorrigeerd voor een verwijzing naar een met dit wetsvoorstel verplaatste bepaling.

Onderdeel K

In lijn met de wens van de regering om te komen tot een volledig digitale handhaving van veelvoorkomende overtredingen – van opsporingsambtenaar tot en met de tenuitvoerlegging – (Kamerstukken 33 697) en de thans voorgestelde mogelijkheid van elektronische kennisgeving van gerechtelijke mededelingen (artikel 36a e.v. Sv) wordt met de wijzigingen van het tweede en vierde lid van artikel 257d Sv voorgesteld ook de toezending van strafbeschikkingen door elektronische overdracht mogelijk te maken. Deze wijziging sluit verder aan bij de voorgestelde wijziging van artikel 4 Wahv die ook elektronische toezending van een «acceptgiro» mogelijk maakt.

Onderdeel L

Met de voorgestelde toevoeging aan de eerste volzin van het achtste lid van artikel 257e Sv wordt de onder het huidige recht bestaande mogelijkheid voor een officier van justitie om een uitgevaardigde strafbeschikking in te trekken of te wijzigen, ook in die gevallen dat tegen de strafbeschikking geen verzet is ingesteld en de tenuitvoerlegging reeds een aanvang heeft genomen, expliciet in de wet vastgelegd. Reden voor deze toevoeging is te verduidelijken dat het ook in de nieuwe situatie – waarin de Minister is belast met de tenuitvoerlegging van strafbeschikkingen – een bevoegdheid van de officier van justitie blijft om strafbeschikkingen die door de officier van justitie of – onder zijn toezicht – door opsporingsambtenaren of bestuursorganen zijn uitgevaardigd, in te trekken of te wijzigen, ook tijdens de tenuitvoerlegging van de in de strafbeschikking opgelegde sanctie. Een vergelijkbare bevoegdheid van de officier van justitie wordt voorgesteld voor de Wahv (artikel 22, vierde lid, Wahv). Voorbeelden van gevallen waarin dit aan de orde kan zijn, zijn gegeven in paragraaf 5.3.2 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.

Onderdeel M

De tenuitvoerlegging van strafbeschikkingen wordt geregeld in het nieuwe Boek 6 Sv. De zevende afdeling van Boek II, Titel IVA, kan om deze reden vervallen.

Onderdeel N

In artikel 265, tweede lid, Sv wordt gecorrigeerd voor een verwijzing naar een verplaatst artikel van de betekeningsregeling.

Onderdeel O

In artikel 361a Sv wordt gecorrigeerd voor een verwijzing naar het naar het Boek over de tenuitvoerlegging verplaatste artikel 15i Sr.

Onderdeel P

Ten behoeve van de voortvarendheid van de tenuitvoerlegging – zoals als doel vastgelegd in artikel 6:1:2 Sv – wordt voorgesteld aan artikel 365 Sv een zevende lid toe te voegen waarin wordt bepaald dat een vonnis binnen veertien dagen na de uitspraak aan het openbaar ministerie wordt verstrekt. De Raad voor de rechtspraak geeft in zijn advies aan dat dit een toegevoegde waarde lijkt te hebben, omdat daarmee de termijn die door de rechtspraak in het strafprocesreglement van de rechtbanken is bepaald voor de registratie en verzending van uitspraken (Stcrt. 2010, 20926) een wettelijke verplichting wordt voor de gerechten. De termijn van veertien dagen sluit ook aan bij het bepaalde in het tweede lid van artikel 6:1:1 Sv, over de verstrekking van een ten uitvoer te leggen beslissing door het openbaar ministerie aan de Minister. Met het vastleggen van deze termijnen beogen wij dat de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen doorgaans binnen dertig dagen ter hand kan worden genomen. Dit is toegelicht in paragraaf 4.2.1 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.

Onderdelen Q, S, Z

Door in de artikelen 366a, tweede lid, 386, derde lid en 450, vierde lid, Sv niet meer te spreken over «de post», wordt ook elektronische toezending, zoals bedoeld in artikel 36b e.v. Sv, mogelijk.

Indien het Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten in verband met het gebruik van elektronische processtukken (Wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering) tot wet wordt verheven en in werking treedt, wordt voorgesteld in artikel 450 Sv te regelen dat het elektronisch aanwenden van een rechtsmiddel leidt tot kennisgeving van gerechtelijke mededelingen door elektronische toezending. Zie voor dit voorstel de samenloopbepaling van artikel XLV van dit wetsvoorstel, en de daarbij gegeven toelichting.

Onderdeel R

Dat een afschrift van een uitspraak kosteloos wordt verstrekt aan een benadeelde partij die zich in het geding over de strafzaak heeft gevoegd, zodat deze partij de vordering ten uitvoer kan leggen als een vonnis in burgerlijke zaken, maakt geen onderdeel uit van de wettelijke regeling van de strafrechtelijke tenuitvoerlegging. Om deze reden wordt voorgesteld de bepaling die hierop ziet, het huidige artikel 554 Sv, als artikel 366b Sv te plaatsen achter de bepaling over de wijze waarop mededeling van een uitspraak wordt gedaan.

Naast deze verplaatsing worden twee technische wijzigingen van het huidige artikel 554 Sv voorgesteld.

In het eerste lid wordt verduidelijkt dat aan de benadeelde partij een afschrift wordt verstrekt van het vonnis of arrest dat onherroepelijk is geworden. Pas met deze in kracht van gewijsde gegane uitspraak kan de toegewezen vordering van de benadeelde partij op dezelfde wijze ten uitvoer worden gelegd als een civielrechtelijk vonnis.

Het tweede lid wordt zo gewijzigd dat er niet ambtshalve een afschrift van de uitspraak hoeft te worden toegezonden als er ook een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd waarvoor gijzeling is toegepast vanwege onvolledige betaling en de veroordeelde aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan danwel dat de staat het resterende bedrag van de schadevergoeding reeds geheel heeft uitgekeerd aan het slachtoffer (op grond van de zogeheten voorschotregeling van het huidige artikel 36f, zevende lid, Sr, voorgesteld artikel 6:4:2, zesde lid, Sv). In die gevallen is immers het gehele bedrag van de betalingsverplichting van de veroordeelde aan het slachtoffer door de staat uitgekeerd en heeft de benadeelde partij geen belang meer bij een afschrift van het vonnis om deze als een civielrechtelijk vonnis ten uitvoer te kunnen leggen. Zoals de Raad voor de rechtspraak in zijn advies terecht opmerkt kan een afschrift van het vonnis op grond van artikel 365, derde lid, Sv al eerder in de procedure aan de benadeelde partij worden verstrekt. De ambtshalve verstrekking aan de benadeelde partij op grond van artikel 366b Sv kan daarmee tot gevolg hebben dat de benadeelde partij een tweede maal dezelfde beslissing ontvangt. Vanuit het doel van de verstrekking, zorgen dat de benadeelde partij kan pogen de vordering als civielrechtelijk vonnis ten uitvoer te leggen op het moment dat het ook na vrijheidsbeneming als pressiemiddel te hebben ingezet, achten wij dit niet bezwaarlijk.

Onderdelen T, U, V, W, X, AA, CC, DD, EE

In de artikelen 390, eerste lid, 404, derde lid, 408, eerste lid, onder d, 410a, tweede en vierde lid, 432, eerste lid, onder d, 451a, eerste lid, 482f, derde lid, 482g, vijfde lid, en 489, tweede lid, Sv wordt gecorrigeerd voor verplaatsing van artikelen waarnaar in deze bepalingen wordt verwezen.

Onderdeel BB

De bepalingen die zien op schadevergoeding na vernietiging van een onherroepelijke uitspraak in cassatie (artikelen 480 en 482 Sv) worden overgenomen in de voorgestelde nieuwe Titel VIA van het Vierde Boek en kunnen op deze plek komen te vervallen.

Onderdeel FF

De artikelen 501 tot en met 505 Sv – de mogelijkheid van beroep tegen rechterlijke beslissingen in het kader van een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen – kunnen vervallen omdat de mogelijkheid van beroep tegen rechterlijke beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging wordt geregeld in het nieuwe hoofdstuk 6 van het voorgestelde Boek 6 Sv, met speciale bepalingen voor jeugdigen.

Onderdelen GG, HH en II

In de artikelen 509d, eerste lid, 509f, 509g, eerste en vierde lid, Sv wordt gecorrigeerd voor verplaatsing van artikelen waarnaar in deze bepalingen wordt verwezen.

Onderdeel JJ

Het bevelen van de aanhouding van een veroordeelde omdat deze zich niet aan gestelde voorwaarden heeft gehouden, wordt voor alle voorwaardelijke modaliteiten gebundeld geregeld in het nieuwe Boek 6. Dit geldt ook voor de (procedurele) gevolgen voor de veroordeelde van de aanhouding. Artikel 509i Sv kan om deze reden vervallen.

Onderdeel KK

De Titels en Afdelingen die op grond van dit onderdeel vervallen (artikel 509j tot en met artikel 509gg Sv), zien op enkele rechtsplegingen tijdens de tenuitvoerlegging van de maatregel van terbeschikkingstelling. Deze procedures worden overgenomen in hoofdstuk 6 van het nieuwe Boek 6.

Onderdeel LL

De artikelen – 529 tot en met 532 Sv – die op grond van dit onderdeel vervallen, zien op de betekening van gerechtelijke mededelingen aan rechtspersonen. Deze worden opgenomen in de nieuw voorgestelde betekeningsregeling (artikelen 36a e.v. Sv) en zijn aldaar toegelicht.

Onderdeel MM

In artikel 552ff Sv wordt gecorrigeerd voor verplaatsing van artikelen waarnaar in deze bepalingen wordt verwezen.

Onderdeel NN

Op de plek waar de regeling van de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan rechtspersonen was geregeld (zie toelichting bij het onderdeel over het vervallen van de artikelen 529 tot en met 532 Sv), wordt een nieuwe Titel ingevoegd over schadevergoeding en andere bijzondere kosten. De artikelen in deze titel – de nieuwe artikelen 529 tot en met 536 (huidige artikelen 591 tot en met 592 en 89 tot en met 93 Sv) – vormen thans Titel II in Boek V (kosten) en de Tweede Afdeling A van Titel IV in Boek I (schadevergoeding) van het Wetboek van Strafvordering. Aangezien deze bepalingen niet enkel zien op de tenuitvoerlegging zijn deze beter op hun plaats in het Vierde Boek, met rechtsplegingen van bijzondere aard. Voorgesteld wordt dat de artikelen over kosten in een nieuwe Titel VIA in dit Vierde Boek worden samengebracht met de bepalingen over schadevergoeding (artikelen 89 tot en met 93).

In de verplaatste artikelen worden de verwijzingen naar andere bepalingen gecorrigeerd maar worden geen inhoudelijke wijzigingen voorgesteld. In artikel 529 (nieuw), vijfde lid, Sv is de verwijzing naar het met dit wetsvoorstel te vervallen rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen (artikelen 579 e.v. Sv) geschrapt.

In artikel 530 (nieuw) – het huidige artikel 591a Sv – wordt in het vierde lid gecorrigeerd voor verwijzingen naar artikelen die op grond van dit wetsvoorstel worden verplaatst.

In artikel 533, eerste lid, Sv is (schade geleden ten gevolge van) «ondergane inverzekeringstelling» ingevoegd. Dat hiervoor schadevergoeding kan worden toegekend is reeds op grond van artikel 550, eerste lid, Sv het geval. Beoogd wordt de verschillende gronden voor schadevergoeding in deze nieuwe titel samen te brengen.

De bepalingen die zien op het toekennen van schadevergoeding indien blijkt dat iemand ten onrechte zijn vrijheid is ontnomen (de artikelen 14l, 15k, 38ij en 77dd, vijfde lid, Sr) worden met artikel 537 Sv toegevoegd aan de nieuwe titel over schadevergoeding en kosten. Naar aanleiding van het advies van het openbaar ministerie is in het eerste lid van artikel 537 Sv verduidelijkt dat de toewijzing van schadevergoeding ziet op schade die is geleden door vrijheidsbeneming tussen het moment van aanhouding en het moment van de afwijzing van de vordering of van de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het vervallen of teruggeven van een waarborgsom aan een veroordeelde is eveneens toegevoegd aan de nieuwe Titel over schadevergoeding en kosten (artikel 538 Sv). Op een eventuele teruggave is artikel 6:1:13 Sv van toepassing: voordat wordt overgegaan tot teruggave, wordt het uit te keren bedrag eerst verrekend met geldsommen die de veroordeelde nog heeft openstaan bij de staat of bij slachtoffers of diens nabestaanden.

In het voorgestelde artikel 539 Sv zijn de huidige bepalingen die zien op schadevergoeding na beroep in cassatie gebundeld (480, 482 Sv).

Onderdeel OO – schadevergoeding ten onrechte ondergane inverzekeringstelling

In het huidige artikel 550, eerste lid, Sv worden de bepalingen over schadevergoeding van overeenkomstige toepassing verklaard voor ten onrechte ondergane inverzekeringstelling. Deze regeling wordt geplaatst in de nieuw ingevoegde titel over schadevergoeding (Titel VIA van het Vierde Boek, voorgesteld artikel 553, eerste lid, Sv), zodat het eerste lid van artikel 550 Sv kan vervallen.

Onderdeel PP – toepasselijkheid Algemene termijnenwet

Voorgesteld wordt het huidige laatste artikel van het Wetboek van Strafvordering, artikel 593 Sv, over de toepasselijkheid van de Algemene termijnenwet, te verplaatsen. Aangezien dit artikel – anders dan de andere bepalingen uit het huidige Vijfde Boek – niet ziet op de tenuitvoerlegging, noch op schadevergoeding of kosten, wordt voorgesteld dit artikel te plaatsen in Titel VI van het Eerste Boek. Deze titel bevat de betekenis van in het wetboek voortkomende uitdrukkingen en geeft onder meer definities voor termijnen die worden gehanteerd.

Onderdeel QQ – Boek 6 – Tenuitvoerlegging

Het voorgestelde nieuwe Boek 6 geeft een nieuwe regeling voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. In hoofdstuk 3 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting is de nieuwe opzet en de nieuwe nummering van dit Boek toegelicht. De bijlage bij deze memorie van toelichting bevat drie transponeringstabellen. De eerste transponeringstabel geeft per bepaling in het nieuwe Boek 6 Sv aan of deze is gebaseerd op een huidige bepaling of nieuw is toegevoegd (bijlage 1). De tweede transponeringstabel geeft per artikel in het huidige Boek VI Sv aan in welk nieuw artikel dit is overgegaan (bijlage 2). Deze twee transponeringstabellen zijn in zoverre elkaars tegenhanger. De eerste transponeringstabel bevat echter meer informatie aangezien hierin ook is terug te vinden welke bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging en thans niet in het Wetboek van Strafvordering zijn opgenomen, zijn verwerkt in het nieuwe Boek 6. Dit betreft met name bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht. De derde transponeringstabel (bijlage 3) geeft per vervallen artikel uit het Wetboek van Strafrecht aan in welke bepaling(en) het bepaalde terugkeert.

In het onderstaande wordt per bepaling een korte toelichting geven. Daar waar het enkel gaat om een hernummering van een bestaande bepaling over de tenuitvoerlegging blijft de toelichting hiertoe beperkt.

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

EERSTE TITEL

TAKEN EN BEVOEGDHEDEN

Artikel 6:1:1 (77v, derde lid, Sr, 553 en 572, eerste lid Sv; nieuw) – verantwoordelijkheidsverdeling, verstrekken beslissing door OM, adviesrecht rechter

Deze bepaling bevat de voorgestelde nieuwe algemene verantwoordelijkheidsverdeling voor de tenuitvoerlegging. Het openbaar ministerie is ervoor verantwoordelijk dat alle voor tenuitvoerlegging vatbare beslissingen zo spoedig mogelijk – uiterlijk veertien dagen nadat ze ten uitvoer kunnen worden gelegd – aan de Minister van Veiligheid en Justitie (tweede lid) worden verstrekt. Dit aanleveren gebeurt – vanaf de gefaseerde start van het AICE (paragraaf 5.2.2) waar mogelijk, en uiteindelijk volledig – elektronisch, door het openbaar ministerie of rechtstreeks door opsporingsinstanties zoals de politie. Deze beslissingen betreffen alle rechterlijke beslissingen en strafbeschikkingen en dus alle straffen, bijkomende straffen en maatregelen waaraan een uitvoeringscomponent vastzit. De Minister en de onder hem ressorterende diensten zijn vervolgens verantwoordelijk voor de feitelijke tenuitvoerlegging van deze beslissingen (eerste lid). Dat de Minister de tenuitvoerlegging tot taak en bevoegdheid heeft betekent onder meer dat de Minister invulling geeft aan de in paragraaf 5.2.1 beschreven regie op de tenuitvoerlegging (regie-, beleids- en beheersfunctie van de Minister).

In die gevallen dat de rechter in zijn uitspraak een advies geeft over de wijze van de tenuitvoerlegging van zijn beslissing, wordt dit advies eveneens door het openbaar ministerie aan de Minister verstrekt zodat deze daarmee in de uitvoering rekening kan houden (derde lid). Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij uitspraak waarin een jeugdige wordt veroordeeld tot jeugddetentie of plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (zie huidig artikel 77v, eerste en derde lid, Sr). De achtergrond en de gevolgen van deze wijziging zijn toegelicht in hoofdstuk 5 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel 6:1:2 (561, eerste lid Sv; nieuw) – voortvarende tenuitvoerlegging

Uit de wetssystematiek vloeit voort dat er een plicht bestaat om onherroepelijke beslissingen ten uitvoer te leggen (dr. S. Meijer, Openbaar ministerie en tenuitvoerlegging, Universiteit Tilburg 2012, blz. 120 e.v.). Dit artikel brengt tot uitdrukking dat de met tenuitvoerlegging belaste autoriteiten niet alleen de plicht hebben de door het openbaar ministerie verstrekte beslissingen uit te voeren, maar hierbij ook de opdracht hebben hiertoe zo spoedig mogelijk over te gaan. Het openbaar ministerie verstrekt de ten uitvoer te leggen beslissing binnen twee weken nadat deze voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden (artikel 6:1:1, tweede lid, Sv). Voor de rechtspraak geldt op grond van het voorgestelde zevende lid van artikel 365 Sv een vergelijkbare termijn van twee weken voor het aanleveren van hun uitspraak aan het openbaar ministerie. Deze voortvarendheid is een bestaand uitgangspunt voor de tenuitvoerlegging (huidig artikel 561, eerste lid, Sv) en één van de doelen voor de (verbetering van de) uitvoeringsketen van strafrechtelijke beslissingen. Zie nader paragraaf 4.2.1 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel 6:1:3 (nieuw) – algemene opdracht, doelen en belangen in de tenuitvoerlegging

Bij de wijze van tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen moet rekening worden gehouden met verschillende doelen en belangen. De wijze waarop een opgelegde vrijheidsstraf wordt voltrokken moet bijvoorbeeld niet onnodig in de weg staan aan de nieuwe kans die de veroordeelde krijgt bij zijn terugkeer in de vrije samenleving. Naast de terugkeer in de samenleving van een gedetineerde moet bij beslissingen tijdens de tenuitvoerlegging ook rekening worden gehouden met de veiligheid van de samenleving als geheel en de gerechtvaardigde belangen van slachtoffers en nabestaanden. Een afweging tussen resocialisatie, veiligheid en slachtofferbelangen is nadrukkelijk aan de orde bij het verlenen van vrijheden aan gedetineerden en de voorwaarden die daarbij worden gesteld. Binnen de uit de wetssystematiek volgende plicht tot tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen geeft dit (nieuwe) artikel hiertoe een algemene opdracht aan degenen die zijn belast met de tenuitvoerlegging. De 3RO is verheugd dat deze algemene opdracht aan de uitvoerende instanties in de wet wordt opgenomen. Specifiek voor de vrijheidsstraffen wordt een vergelijkbaar algemeen richtsnoer voorgesteld voor de drie Beginselenwetten (Instellingswet Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming 201.; Kamerstukken II 2013/14, 33 970). Naar aanleiding van het advies van de RSJ is in de formulering van artikel 6:1:3 Sv nauwer aangesloten bij hetgeen wordt voorgesteld voor de Beginselenwetten. Zoals de RSJ met reden opmerkt zijn de beginselenwetten leidend waar het gaat om de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende sancties.

Naar aanleiding van de over deze bepaling ontvangen adviezen merken wij op dat niet is beoogd een hiërarchie aan te brengen tussen de genoemde doelen en belangen of een aparte grond voor het opkomen tegen beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging te creëren; het betreft nevengeschikte aspecten waarmee tijdens de tenuitvoerlegging doorlopend rekening moet worden gehouden. De Raad voor de rechtspraak vraagt in dit verband hoe de verklaring omtrent het gedrag (VOG) zich verhoudt tot het genoemde belang van resocialisatie. In zijn advies beschrijft de Raad de spanning tussen de oplegging van straffen en de resocialisatie. Ze noemen de VOG daarbij als voorbeeld van tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen. Weigering een VOG af te geven zou resocialisatie belemmeren zonder dat een verstrekking afbreuk zou doen aan de belangen van het slachtoffer of nodig is voor de veiligheid van de samenleving. Dit is een onjuiste interpretatie van de VOG en daarmee geen goed voorbeeld in de context van de tenuitvoerlegging. Wij verwijzen ter adstructie naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS, 1 augustus 2012, 2011114789/1/A3). De Afdeling overweegt hierin dat de weigering een VOG af te geven een bestuursrechtelijk instrument is dat een preventief doel dient en – anders dan een vonnis van de strafrechter – geen punitieve sanctie is. Specifiek voor het door de Raad voor de rechtspraak aangehaalde voorbeeld van de taxibranche heeft de Afdeling voorts eerder overwogen (ABRvS, 13 juni 2012, 201107663/1/A3), dat de omstandigheid dat door de weigering van de afgifte van een VOG een verzoeker de gewenste functie van taxichauffeur niet kan uitoefenen, een bij het vaststellen van de beleidsregels voorzien gevolg van die weigering is. Dit is inherent aan het beoogde belang van bescherming van de samenleving (Stb. 2011, 314). Met andere woorden, de VOG levert soms inderdaad een belemmering op voor het uitoefenen van bepaalde functies. Dit kan aan resocialisatie van een individuele veroordeelde in de weg staan, maar is noodzakelijk om het risico te beperken dat de samenleving ongewenst opnieuw met vormen van criminaliteit wordt geconfronteerd.

Artikel 6:1:4 (nieuw) – opdragen taken door Minister

De Minister, formeel verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen, kan de uitoefening van zijn bevoegdheden opdragen aan ambtenaren die onder zijn verantwoordelijkheid werken. Dit maakt het bijvoorbeeld mogelijk dat ambtenaren werkzaam bij het CJIB danwel de DJI in naam van de Minister bevoegdheden inzet ter inning en incasso van geldsancties danwel de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen. De opdracht van de Minister wordt op schrift gesteld. Bij algemene maatregel kunnen op grond van artikel 6:1:15, tweede lid, Sv nadere regels worden gesteld over de toepassing van bevoegdheden van de Minister door zijn ambtenaren. Deze bepaling is opgesteld naar analogie van artikel 126 van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO), op grond waarvan rechterlijke ambtenaren van het openbaar ministerie bevoegdheden kunnen opdragen aan bij een parket werkzame ambtenaren, onder meer in het kader van de tenuitvoerlegging. In reactie op het advies van de RSJ – die deze toebedeling op zich logisch vindt – merken wij op dat in de gestelde nadere regels onder meer zal worden bepaald welke beslissingen aan welke functionarissen zijn voorbehouden, zoals artikel 126 RO dat doet voor de verhoudingen binnen en verantwoordelijkheden van (ambtenaren van) het parket. Daarnaast is in het derde lid de afdeling van de Awb die ziet op mandaat (artikelen 10:1 tot en met 10:12 Awb) van toepassing verklaard op de uitoefening van bevoegdheden in naam van de Minister door zijn ambtenaren.

Artikel 6:1:5 (556 Sv) – last door Minister

De Minister van Veiligheid en Justitie kan ten behoeve van de hem opgedragen tenuitvoerlegging een beroep op anderen doen. In dit artikel wordt opgesomd wie voor de tenuitvoerleggingstaak kan worden ingezet door de Minister.

Ten opzichte van de huidige bepaling, artikel 556 Sv, waarin voor het met de tenuitvoerlegging belaste openbaar ministerie wordt bepaald welke personen kunnen worden ingeschakeld, worden enkele punten gewijzigd. Ten eerste kan het bepaalde uit het huidige tweede lid komen te vervallen. Dit lid is reeds in onbruik geraakt sinds iedere officier van justitie plaatsvervangend officier van justitie is bij de overige arrondissementsparketten en bij het landelijk parket (artikel 136, vijfde lid, Wet op de rechterlijke organisatie). Daarnaast is gezien de voorgestelde directe verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van de Minister de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen niet meer gebonden aan het arrondissement waar de rechterlijke beslissing is genomen. Verder wordt ten opzichte van het zesde lid van de huidige bepaling de beperking geschrapt dat het geven van een dergelijke last alleen kan voor zover het volkenrecht en het interregionale recht dit toelaten (zie Kamerstukken II 1964/65, 7979, nr. 3, blz. 13), aangezien deze restrictie in de uitoefening van rechtsmacht reeds volgt uit het volkenrecht en het interregionale recht. Tot slot is in het voorgestelde vierde lid de verwijzing in het huidige derde lid van artikel 556 Sv naar artikel 146, derde lid, Sv geschrapt, aangezien dit artikellid reeds geruime tijd is vervallen. Wat ongewijzigd blijft, is dat de personen die met een taak in de tenuitvoerlegging zijn belast het recht hebben de hulp in te roepen van de politie en de Koninklijke marechaussee.

Artikel 6:1:6 (564, 564a Sv) – inhoud van een last tot aanhouding

Een last op grond waarvan iemand in het kader van een tenuitvoerlegging van een straf of maatregel wordt aangehouden, vergt bijzondere zorgvuldigheid vanwege de vrijheidsbeneming die dit tot gevolg heeft. Om deze reden worden in het eerste lid voorschriften gegeven voor de inhoud van een dergelijke last. In de aanhef is – ten opzichte van het huidige artikel 564, eerste lid, Sv – gekozen voor aansluiting bij de aanhouding in het kader van de tenuitvoerlegging in plaats van bij het bevel tot vrijheidsbeneming of de veroordeling. Deze grondslag voor de aanhouding volgt uit onderdeel b van dit eerste lid; de last moet een opgave van de beslissing of het bevel bevatten waarop de aanhouding steunt.

In het bepaalde in het derde lid werkt door dat wordt voorgesteld dat niet het openbaar ministerie maar de Minister van Veiligheid en Justitie de last tot tenuitvoerlegging geeft. Zodra de aanhouding is verricht, wordt de Minister hierover direct geïnformeerd. Indien degene die is aangehouden beweert en blijft beweren dat hij niet degene is die had moeten zijn aangehouden is de Minister ervoor verantwoordelijk de identiteit van de aangehoudene eenduidig vast te stellen. Om de identiteit buiten twijfel vast te stellen kan gebruik worden gemaakt van identiteitsbewijzen, foto’s, vingerafdrukken en eventuele andere beschikbare biometrische gegevens zoals DNA-materiaal. Gezien de systematische wijze waarop thans in de strafrechtspleging de identiteit van verdachten, veroordeelden en getuigen wordt vastgelegd en gecontroleerd is de verwachting gerechtvaardigd dat alleen in uitzonderlijke gevallen twijfel over de identiteit van de aangehoudene kan ontstaan.

De strekking van het voorgestelde vierde lid is ongewijzigd ten opzichte van het tweede lid van het huidige artikel 564 Sv, met dien verstande dat net als in het voorgestelde artikel 6:1:5 (huidig artikel 556 Sv) de beperking wordt geschrapt dat het geven van een dergelijke last alleen kan voor zover het volkenrecht en het interregionale recht dit toelaten. Deze restricties in de uitoefening van rechtsmacht volgen immers uit het volkenrecht en het interregionale recht en zijn in die zin hier ten overvloede apart benoemd. Het huidige derde lid van artikel 564 Sv is niet overgenomen in deze bepaling. De aanhouding van een verdachte, getuige, deskundige of tolk ten behoeve van de tenuitvoerlegging zal minder vaak aan de orde zijn dan de aanhouding van een veroordeelde. Indien echter een last tot een dergelijke aanhouding nodig is voor de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke beslissing, moet deze ook de aanhouding buiten het rechtsgebied van de rechtbank kunnen inhouden. Uiteraard gelden hierbij de grenzen van het hogere recht van het volkenrecht, het interregionale recht en het Europees recht. Bij aanhouding buiten het rechtsgebied zijn de artikelen 539n en 539o Sv van overeenkomstige toepassing. Op dit punt stemt de bepaling overeen met het huidige vijfde lid. De van overeenkomstige toepassingsverklaring van de artikelen 539b, tweede, derde en vierde lid, Sv wordt als zodanig niet overgenomen in de nieuwe bepaling. Reden is dat thans op grond van het tweede lid voor alle gevallen waarin iemand op basis een last tot tenuitvoerlegging wordt aangehouden, de wijze van identiteitsvaststelling en de kennisgeving van de aanhouding aan de Minister vastligt.

De grondslag voor het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften kunnen stellen omtrent het geven van een last (huidige artikel 564, zesde lid, Sv), wordt gegeven in het laatste artikel van deze eerste titel.

Artikel 6:1:7 (565 Sv) – bevoegdheden bij de tenuitvoerlegging

Dit artikel ziet op de bevoegdheden die een met de tenuitvoerlegging belaste ambtenaar kan gebruiken om de te vatten persoon aan te houden. Ten opzichte van het huidige artikel 565, tweede lid, Sv, wordt artikel 126j Sv toegevoegd aan de bevoegdheden die kunnen worden ingezet met het oog op de vaststelling van de verblijfplaats van de aan te houden persoon. Deze bevoegdheid om stelselmatig informatie in te winnen sluit bij uitstek aan bij het doel van deze bepaling, te weten het traceren van aan te houden personen, en is niet meer ingrijpend dan de bevoegdheden die reeds kunnen worden ingezet. De RSJ stemt in zijn advies in met de onderbouwing van de toevoeging van deze bevoegdheid. Bij de invoering van de mogelijkheid bepaalde bevoegdheden in het kader van de tenuitvoerlegging toe te passen (Kamerstukken II 2004/05, 29 413, nr. 7, blz. 5 en 6) zijn in de wet waarborgen voor de toepassing opgenomen. Of de door de Minister met de tenuitvoerlegging belaste ambtenaar een van de opgesomde bevoegdheden kan inzetten, is afhankelijk van de in het tweede lid onder a tot en met c genoemde voorwaarden die betrekking hebben op de ernst van het gepleegde feit en de aard van de bevoegdheid. Op grond van deze procedurele waarborgen kan de met de tenuitvoerlegging belaste ambtenaar veelal niet zelfstandig beslissen tot het gebruik van deze bevoegdheden, maar mag dit enkel op bevel van de officier van justitie. Gelet op de zware beperkingen die sommige bevoegdheden mogelijk maken op de grondrechten van betrokkene en zijn omgeving, is het noodzakelijk dat deze aan een rechterlijke toets worden onderworpen. De officier van justitie kan het bevel tot de inzet van bepaalde bevoegdheden daarom pas geven, nadat hij daartoe gemachtigd is door de rechter-commissaris.

Artikel 6:1:8 (nieuw; 22k, tweede volzin, 38, 38p, vierde lid, laatste volzin, 77h, 77o, tweede lid, Sr) – identiteitsvaststelling

In dit artikel wordt bepaald dat de ambtenaar die belast is met de aanhouding van een persoon of met de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel altijd de identiteit van degene die een sanctie moet ondergaan vaststelt op de in artikel 27a Sv vastgelegde wijze. Dit is reeds het geval bij de tenuitvoerlegging van taakstraffen (huidige artikelen 22k en 77o Sr). Deze bepaling over bij identiteitsvaststelling bij aanhouding ten behoeve van de tenuitvoerlegging sluit verder aan bij het bepaalde in artikel 55c Sv, over het vaststellen van de identiteit van aangehouden verdachten. Door de uniforme standaardcontrole van de identiteit binnen de strafrechtsketen, van de verdachte tot aan de veroordeelde die een sanctie ondergaat wordt structureel bijgedragen aan het voorkomen van identiteitsfraude binnen het strafproces en wordt – bij de tenuitvoerlegging – het risico geminimaliseerd dat de verkeerde persoon wordt aangehouden. Voor de goede orde merken we op dat de beginselenwetten eigen voorschriften bevatten voor de identiteitsvaststelling (te weten artikel 28 van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 33 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en artikel 22 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden).

Artikel 6:1:9 (nieuw, 567, 568, 572a Sv) – vorderen en uitwisselen inlichtingen; registratie

Eén van de bevoegdheden die de Minister ten behoeve van de tenuitvoerlegging krijgt, is het vorderen van gegevens die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging (eerste lid). Een zelfde bevoegdheid heeft de officier van justitie onder de huidige verantwoordelijkheidsverdeling (artikel 572a Sv). Naar aanleiding van het advies van de 3RO is de formulering van het tweede lid aangepast om te verduidelijken dat de Minister van Veiligheid en Justitie niet de verantwoordelijke is voor de verwerking van persoonsgegevens door instanties zoals de reclassering.

Namens de Minister informeert het AICE – als onderdeel van het CJIB – betrokken ketenpartners ten behoeve van de tenuitvoerlegging en bewaakt centraal de voortgang en de termijnen (tweede lid). Het AICE coördineert de informatievoorziening voor alle ketenpartners en is – naast de registraties zoals die worden gevoerd bij de Justitiële informatiedienst – een belangrijke bron voor gegevensuitwisseling ten behoeve van de tenuitvoerlegging (zie uitgebreider paragraaf 5.2.2). In de bij het AICE bijgehouden registers worden persoonsgegevens verwerkt op basis van de geldende wet- en regelgeving. Gezien de aard en het doel van de administratie betreft dit vanzelfsprekend ook strafrechtelijke persoonsgegevens. Op grond van artikel 22 van de Wet bescherming persoonsgegevens mogen deze bijzondere, gevoelige persoonsgegevens onder meer worden verwerkt door organen die krachtens de wet zijn belast met de toepassing van het strafrecht. Het gegeven dat – indien dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven en in werking treedt – de Minister wettelijk is belast met de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen biedt dus op zichzelf voldoende grondslag voor de verwerking van strafrechtelijke persoonsgegevens door het AICE, dat onder de verantwoordelijkheid van de Minister functioneert. Het tweede lid dient dan ook vooral ter verduidelijking dat de Minister deze registratie voert ten behoeve van de tenuitvoerlegging en de organisaties die hierin een taak hebben. In dit verband is vermeldenswaardig dat de organisaties die een opgelegde sanctie feitelijk ten uitvoer leggen en die niet direct onder de verantwoordelijkheid van de Minister vallen, op grond van de Wet en het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens zelfstandig bevoegd zijn voor dat doel de justitiële documentatie bij de Justitiële informatiedienst te raadplegen. Het AICE hoeft de zaaksgegevens dus niet (door) te verstrekken aan deze organisaties om deze in staat te stellen kennis te nemen van de voor de ten uitvoer te leggen beslissing. Volstaan kan worden met een notificatie dat in een specifieke zaak de organisatie een sanctie moet uitvoeren.

Artikel 6:1:10 (nieuw) – advies door het openbaar ministerie

Een invulling van de tijdens de tenuitvoerlegging verplichte afweging van belangen op grond van artikel 6:1:3 Sv is het advies dat het openbaar ministerie kan uitbrengen over tijdens de tenuitvoerlegging te nemen besluiten (eerste lid), bijvoorbeeld over de wijze waarop een vrijheidsstraf ten uitvoer wordt gelegd. Als het openbaar ministerie over een veroordeelde wil adviseren, gebeurt dit zoveel mogelijk op of direct volgend op het moment dat de ten uitvoer te leggen beslissing wordt verstrekt aan de Minister («onverwijld»). Indien ontwikkelingen tijdens de tenuitvoerlegging daartoe aanleiding geven, kan het openbaar ministerie op een later moment alsnog advies uitbrengen of het eerder uitgebrachte advies aanvullen (tweede lid). Deze actualisatie of aanvulling van gegevens door het openbaar ministerie gebeurt op eigen initiatief dan wel op verzoek van de Minister. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het advies (zie voorgesteld artikel 6:1:15, eerste lid, onder c, Sv). Deze nadere regels betreffen onder meer de opbouw van het advies en de vervolgbeslissingen tijdens de tenuitvoerlegging waarbij dit advies wordt betrokken in de besluitvorming. De inhoud en betekenis van deze adviesrol van het openbaar ministerie is nader toegelicht in paragraaf 5.3.3 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel 6:1:11 (nieuw) – hardheidsclausule

De in dit artikel vastgelegde bevoegdheid van de Minister om de tenuitvoerlegging van geldboetevonnissen waarvoor geen gratie mogelijk is te beëindigen in het geval met de voortzetting daarvan geen redelijk doel meer wordt gediend, is toegelicht in paragraaf 5.2.3 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting. Met deze bevoegdheid kan de Minister om overwegende redenen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de uit de wettelijke systematiek voortvloeiende verplichting rechterlijke beslissingen ten uitvoer te leggen («executieplicht»). Deze bevoegdheid ziet enkel op geldboeten die op grond van artikel 6:7:1 Sv niet voor gratie in aanmerking komen. Dit betreft onvoorwaardelijke geldboeten tot en met een bedrag van € 340. Andere wettelijke bepalingen met een dergelijke «hardheidsclausule» zijn bijvoorbeeld artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000.

Artikel 6:1:12 (35, 36a, 37e, 38o, derde lid, 77ff Sr) – kosten en baten, vergoedingsregeling

De staat draagt – tenzij bij of krachtens wet anders is bepaald – de kosten voor de tenuitvoerlegging. Behoudens de baten uit schadevergoedingsmaatregelen komen de baten van de tenuitvoerlegging ten goede van de staat. In dit artikel worden de bepalingen gebundeld die thans zien op de kosten en baten van (bepaalde onderdelen van) de tenuitvoerlegging (artikelen 35, 36a, 37e, 38o, derde lid, 77ff Sr).

Artikel 6:1:13 (nieuw) – algemene bepaling voor verrekening

In gevallen dat een geldbedrag dient te worden uitbetaald aan een verdachte danwel veroordeelde vindt in de huidige praktijk zoveel mogelijk verrekening plaats met opeisbare openstaande strafrechtelijke vorderingen. Dit gebeurt op basis van artikel 6:127 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het uitkeren van geldbedragen aan (gewezen) verdachten of veroordeelden speelt onder meer bij toegewezen vergoeding voor schade geleden ten gevolge van ondergane vrijheidsbeneming, bij terugstorten van waarborgsommen (beide geregeld in Titel VIA van het Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering) en bij het geval dat het openbaar ministerie overgaat tot opheffing van een in het kader van artikel 94a Sv gelegd beslag. Een dergelijke verrekening is wenselijk om te voorkomen dat gelden worden terugbetaald aan een veroordeelde die tegelijkertijd op grond van een (andere) onherroepelijke strafrechtelijke beslissing geld verschuldigd is aan de staat of slachtoffers en diens nabestaanden. Met het eerste lid van het voorgestelde artikel wordt deze verrekening expliciet in strafvordering geregeld zodat niet hoeft te worden teruggevallen op de genoemde civielrechtelijke regeling, die ook niet voor alle situaties voldoende basis biedt om tot verrekening over te kunnen gaan. In de formulering van deze bepaling is aangesloten bij de verrekening die op grond van het huidige artikel 90 Sv bij het toekennen van schadevergoeding kan plaatsvinden. De beoogde praktische werkwijze is dat in gevallen waarin uitkering van een geldbedrag aan een verdachte of veroordeelde aan de orde lijkt, via het AICE wordt nagegaan of er sprake is van opeisbare vorderingen. Indien dit het geval wordt het uit te keren bedrag in mindering gebracht op opeisbare vorderingen. Een eventueel surplus wordt gerestitueerd. De betrokkene wordt door de Minister van de toegepaste verrekening in kennis gesteld (tweede lid).

Artikel 6:1:14 (nieuw; 77v, vierde lid, Sr) – tenuitvoerlegging jeugdsancties

Op grond van deze bepaling gelden voor de tenuitvoerlegging van sancties opgelegd op basis van het jeugdstrafrecht dezelfde regels als voor de tenuitvoerlegging van sancties opgelegd op basis van het reguliere strafrecht, tenzij er in de wet of gedelegeerde regelgeving specifieke voorschriften voor de tenuitvoerlegging van jeugdsancties zijn. Deze speciale regels zijn er bijvoorbeeld voor de tenuitvoerlegging van taakstraffen door jeugdigen (derde titel van hoofdstuk 3 van het nieuwe Boek 6 Sv) en voor de specifieke sancties voor jeugdigen zoals de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (pij-maatregel; vijfde titel van hoofdstuk 2 van het nieuwe Boek 6 Sv) en de gedragsbeïnvloedende maatregel (derde titel van hoofdstuk 3 van het nieuwe Boek 6 Sv. Deze bepaling over de tenuitvoerlegging van jeugdsancties is in algemene zin toegelicht in paragraaf 5.7 van deze memorie van toelichting.

Artikel 6:1:15 (11, 15b, derde lid, 16, 77ff, tweede lid, Sr, 564, zesde lid, 576a Sv, nieuw) – grondslag nadere regels

Onderdeel van de voorgestelde nieuwe opzet van het boek over de tenuitvoerlegging is dat grondslagen voor nadere regels per titel worden geclusterd. Dit maakt snel inzichtelijk waarover nadere regels kunnen worden gesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. Vergelijkbare delegatiebepalingen kunnen om deze reden worden aangetroffen aan het einde van de verschillende titels in het nieuw voorgestelde Boek 6.

Voor deze eerste titel van het eerste hoofdstuk, over de uitgangspunten, verantwoordelijkheden en taken in de tenuitvoerlegging, geldt dat de nadere regels die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden gesteld in elk geval zien op de last tot aanhouding die de Minister kan geven (artikel 6:1:5 Sv) en op het advies van de officier van justitie over tijdens de tenuitvoerlegging te nemen besluiten (artikel 6:1:10 Sv) (eerste lid).

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen op grond van het tweede lid van deze bepaling regels worden gesteld over hetgeen in het voorgestelde artikel 6:1:7 Sv is bepaald over het opdragen van bevoegdheden in de tenuitvoerlegging door de Minister aan voor hem werkzame ambtenaren.

In het derde lid is de grondslag voor voorschriften voor het werk van reclasseringsinstellingen overgenomen van het huidige artikel 16 Sr. De 3RO meent dat de voor het derde lid voorgestelde tekst zou suggereren dat in deze nadere regels enkel de werkzaamheden van de reclassering nader kunnen worden geregeld. Dit is niet het geval. Net als de huidige uitvoeringsbesluiten kunnen de nadere regels ook voorschriften bevatten voor het openbaar ministerie en de veroordeelde.

Het vierde lid ziet op de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur te bepalen dat de staat geldbedragen, verkregen uit de tenuitvoerlegging van geldboetes, ten goede laat komen aan bestuursorganen. Dit lid is naar inhoud en strekking gelijk aan het huidige artikel 576a Sv.

TWEEDE TITEL

AANVANG, SCHORSING, BEËINDIGING EN TENUITVOERLEGGINGSTERMIJN

Artikel 6:1:16 (557 Sv) – schorsende werking rechtsmiddelen

Dit artikel betreft de omzetting van het huidige artikel 557 Sv. Buiten een modernisering van het taalgebruik en een wijziging in de volgorde van de artikelleden wordt deze bepaling niet gewijzigd.

Artikel 6:1:17 (257g Sv) – aanvang tenuitvoerlegging strafbeschikking, schorsing door verzet

Dit artikel correspondeert met het huidige artikel 257g Sv. Ten opzichte van dat artikel is een derde lid toegevoegd, dat bepaalt dat de proeftijd die hoort bij een in een strafbeschikking gegeven aanwijzing die het gedrag van de bestrafte betreft, niet loopt gedurende de tijd dat de bestrafte (op een andere titel) zijn vrijheid is ontnomen. Indien iemand dus in een gedragsaanwijzing een gebiedsverbod voor een periode van een maand opgelegd heeft gekregen en hij of zij brengt veertien dagen van die maand door in een penitentiaire inrichting, loopt de proeftijd veertien dagen langer. Het AICE zal – als centraal administratiepunt voor de tenuitvoerlegging – de termijn van de proeftijd eenduidig gaan berekenen.

Artikel 6:1:18 (14b, derde, vierde en vijfde lid, 14f, eerste lid, Sr, artikel 15c Sr) – aanvang proeftijd voorwaardelijke veroordelingen en voorwaardelijke invrijheidstellingen

Het eerste lid is gebaseerd op het huidige derde lid van artikel 14b Sr. Met de gewijzigde formulering wordt beoogd het moment waarop de proeftijd bij een voorwaardelijke veroordeling ingaat inzichtelijker te regelen. Uitgangspunt is dat de proeftijd bij een veroordeling waaraan bijzondere voorwaarden zijn verbonden aan het niet ten uitvoer leggen van een deel van de sanctie ingaat op de dag dat de uitspraak onherroepelijk wordt. Dit is anders als de rechter in zijn uitspraak een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid geeft waardoor de proeftijd met de uitspraak meteen ingaat (zie het huidige artikel 14e, eerste lid, Sr). Van dit uitgangspunt wordt eveneens afgeweken indien de uitspraak onherroepelijk wordt doordat de veroordeelde en de officier van justitie – bijvoorbeeld, maar niet noodzakelijkerwijs ter terechtzitting – beiden afzien van aanwending van een rechtsmiddel. In dat geval gaat de proeftijd in op de vijftiende dag nadat de uitspraak is gedaan. Deze (her)formulering van de aanvang van de proeftijd is gebaseerd op de adviezen ter zake van meerdere adviesinstanties (RSJ, 3RO, openbaar ministerie). De termijn van twee weken na de uitspraak biedt het openbaar ministerie, het AICE en de reclassering tijd het toezicht te organiseren op basis van de rechterlijke uitspraak. Dit is met name van belang bij bijzondere voorwaarden die zijn gesteld. Voor de goede orde merken wij op dat indien de rechter dadelijke uitvoerbaarheid beveelt, de voorwaarden en de proeftijd uiteraard onmiddellijk ingaan. Daarover zijn tussen de rechtspraak, het openbaar ministerie en de reclassering afzonderlijke afspraken gemaakt om op de kortst mogelijke termijn de voorwaarden en het toezicht daarop te laten starten.

Het tweede lid ziet op de proeftijd van een voorwaarde gesteld bij een voorwaardelijke invrijheidstelling (vergelijk het huidige artikel 15c Sr). Deze gaat in op de dag van de voorwaardelijke invrijheidstelling en is qua duur gelijk aan de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, met een minimum van één jaar. De rechter kan op vordering van het openbaar ministerie de proeftijd eenmaal met een periode van maximaal twee jaar verlengen.

Voor zowel de proeftijd bij een voorwaardelijke veroordeling als die bij een voorwaardelijke invrijheidstelling geldt dat deze niet lopen gedurende de tijd dat de veroordeelde zijn vrijheid is ontnomen (derde lid). De 3RO vraagt in haar advies om verduidelijking van de situaties van vrijheidsbeneming waarvoor deze onderbreking geldt. In de artikelsgewijze toelichting van Tekst & Commentaar bij het in deze bepaling overgenomen artikel 14b, vierde lid, Sr (C.P.M. Cleiren, M.J.M. Verpalen (red.), Tekst &Commentaar Strafrecht, Deventer: Kluwer 2012) wordt hierover onder meer het volgende gezegd. Het gaat niet alleen om strafrechtelijke vrijheidsbeneming maar ook om vrijheidsbeneming op andere titel. Te denken valt aan bijvoorbeeld civielrechtelijke gijzeling en aan vreemdelingenbewaring. Een proeftijd loopt wel gedurende strafonderbreking (artikel 6:2:4 Sv), maar niet tijdens verlof van een gedetineerde. Bij een terbeschikkingstelling (met dwangverpleging) loopt bij elk verlof de TBS en daarmee de vrijheidsontneming door. De proeftijd loopt dus niet gedurende verlof in het kader van de TBS. Voor de specifieke situatie waarvoor de 3RO aandacht vraagt betekent dit het volgende. Duidelijk is dat ook een vrijheidsbeneming op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ) valt onder «rechtens zijn vrijheid is ontnomen». Een rechterlijke machtiging in het kader van de Wet BOPZ loopt door bij een verlof of voorwaardelijk ontslag (Hoofdstuk IV van de Wet BOPZ). Gezien deze parallel met verlof bij een terbeschikkingstelling lijkt de conclusie in de rede te liggen dat de proeftijd bedoeld in artikel 6:1:18 Sv niet loopt gedurende de tijd dat de veroordeelde valt onder een rechterlijke machtiging in het kader van de Wet BOPZ, ook niet tijdens verlof of voorwaardelijk ontslag. Idealiter wordt bij de voorwaarden die worden gesteld in het kader van de Wet BOPZ aansluiting gezocht bij de voorwaarden bij de (strafrechtelijke) voorwaardelijke veroordeling of de voorwaardelijke invrijheidstelling. De reclassering, die het toezicht op deze voorwaarden verzorgt, kan een rol hebben in de afstemming.

Artikel 6:1:19 (38f Sr) – onderbreking termijn TBS

Dit betreft een omzetting van het huidige artikel 38f van het Wetboek van Strafrecht. Het eerste lid, onderdeel e, is naar aanleiding van het advies van het openbaar ministerie toegevoegd. Het openbaar ministerie wijst op een uitspraak van het Hof Arnhem (LJN BU7382) waarin is uitgesproken dat in het huidige artikel 38f Sr – kennelijk bij abuis – niet het geval wordt benoemd waarin de termijn van de voorwaardelijke beëindiging van een dwangverpleging wordt onderbroken door een vrijheidsbeneming. Deze in de jurisprudentie geconstateerde leemte wordt met dit voorstel gevuld.

Artikel 6:1:20 (38t Sr) – onderbreking termijn ISD

Dit betreft een omzetting zonder inhoudelijke wijzigingen van het huidige artikel 38t van het Wetboek van Strafrecht, over onderbreking van de termijn van een ISD-maatregel.

Artikelen 6:1:21, 6:1:22 en 6:1:24 (75, 76, 77 Sr) – vervallen recht tot tenuitvoerlegging

Een straf of maatregel kan niet meer ten uitvoer worden gelegd na de dood van de veroordeelde, na het verstrijken van de tenuitvoerleggingstermijn en na de overdracht van de strafvervolging aan een vreemde staat. Thans is dit in respectievelijk artikel 75, 76 en 77, van het Wetboek van Strafrecht verwoord als het «vervallen van het recht tot tenuitvoerlegging». Het verstrijken van de tenuitvoerleggingstermijn wordt ook wel de «executieverjaring» genoemd. Voorgesteld wordt deze bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging op te nemen in het hoofdstuk van het nieuwe Boek 6 met de algemene bepalingen over de start en het einde van de tenuitvoerlegging.

Artikel 6:1:23 (76a, 77m, negende lid, 77w, elfde lid, Sr) – aanvang tenuitvoerleggingstermijn

Deze voorgestelde bepaling over de tenuitvoerleggingstermijn betreft de omzetting van de huidige artikelen 76a, 77m, negende lid, 77w, elfde lid, Sr over de executieverjaring. Ten opzichte van deze huidige bepaling wordt in het derde lid een wijziging voorgesteld voor de opschorting van de tenuitvoerleggingstermijn. Beoogd wordt dat de huidige opschorting van de tenuitvoerleggingstermijn van vrijheidsstraffen in het geval dat iemand rechtens zijn vrijheid is ontnomen, gaat gelden voor alle ten uitvoer te leggen straffen en maatregelen. Indien iemand bijvoorbeeld een geldboetevonnis of een schadevergoedingsmaatregel heeft openstaan en daarnaast langdurig in de gevangenis zit, begint de tenuitvoerleggingstermijn op grond van de voorgestelde bepaling dus pas (weer) te lopen op het moment dat de veroordeelde vrijkomt. Hierbij is niet relevant of de geldelijke en de vrijheidsbenemende sanctie volgen uit dezelfde of uit verschillende veroordelingen. Naar aanleiding van het advies van het openbaar ministerie merken wij hierbij op dat de tenuitvoerlegging en de activiteiten die in het kader daarvan plaatsvinden, niet hoeven te worden stopgezet tijdens detentie. Ook op het moment dat iemand rechtens zijn vrijheid is ontnomen kan inning van financiële sancties plaatsvinden. De opschorting van de tenuitvoerleggingstermijn heeft dus enkel tot gevolg dat de termijn waarbinnen deze activiteiten kunnen geschieden wordt verlengd.

De wetsgeschiedenis laat zien dat met deze wijziging wordt teruggekeerd naar hetgeen de wetgever eind negentiende eeuw bij de totstandkoming van de oorspronkelijke bepaling voor ogen stond (Kamerstukken II 1878/79, 110, 2, blz.7). Dit blijkt uit de toelichting die destijds bij artikel 86 van het Wetboek van Strafregt werd gegeven (de oorspronkelijke bepaling die vrijwel ongewijzigd tot op heden in het wetboek is blijven staan) (Kamerstukken II 1878/79, 110, 3, blz. 80): «Gestuit wordt de verjaring door de uitvoering van de straf, en de termijn begint op nieuw te loopen bij ontvlugting van den veroordeelde uit de plaats waar hij zijne straf ondergaat. Wat het derde lid bepaalt over schorsing van deze verjaring, is ontleend aan art. 51, vierde lid, Tit. XIII ontw. strafv. Waar de wet schorsing der tenuitvoerlegging van het vonnis mogt bevelen, moet de termijn der verjaring niet doorloopen, en hetzelfde moet gelden waar de executie der straf plaats vindt of feitelijk onmogelijk is, omdat de veroordeelde eene andere straf ondergaat.»

In het vierde lid wordt ten opzichte van het huidige artikel 76a, vierde lid, Sr verduidelijkt dat in het geval een betalingsregeling wordt getroffen de verlenging van de tenuitvoerleggingstermijn met twee jaar alleen betrekking heeft op de opgelegde geldboete. De tenuitvoerleggingstermijn van een in dezelfde strafbeschikking opgelegde taakstraf wijzigt dus niet door een getroffen betalingsregeling. Het openbaar ministerie geeft in zijn advies aan dit een verbetering te vinden ten opzichte van de huidige regeling.

Buiten deze wijzigingen wordt in deze bepaling ten opzichte van het huidige artikel 76a Sr het taalgebruik gemoderniseerd. Deze bepaling geldt ook voor jeugdsancties. Daarmee zijn de specifieke bepalingen 77m, negende lid, en 77w, elfde lid, Sr ook hierin opgenomen.

Artikel 6:1:24 (77 (deels) Sr) – gevolgen overdracht tenuitvoerlegging

Met deze bepaling wordt voorgesteld het deel van het huidige artikel 77 Sr dat ziet op de gevolgen van overdracht aan een vreemde staat van het recht tot uitvoering van de straf over te hevelen naar het nieuwe Boek 6. Zoals wordt toegelicht bij de voorgestelde wijziging van artikel 77 Sr blijven de gevolgen van de overdracht van de strafvervolging aan een vreemde staat wel bepaald in het Wetboek van Strafrecht.

DERDE TITEL

TOEZICHT OP DE TENUITVOERLEGGING

Artikel 6:1:25 (77o, eerste lid, 77hh Sr) – toezicht op jeugdreclassering door raad voor de kinderbescherming

De huidige toezichthoudende taak van de raad voor de kinderbescherming op de jeugdreclassering (artikel 77hh Sr) is met deze bepaling overgenomen in dit artikel in het nieuwe Boek 6 Sv. In plaats van verwijzingen naar specifieke bepalingen op grond waarvan reclasseringswerkzaamheden met betrekking tot jeugdigen kunnen plaatshebben – zoals in de huidige bepaling – is gekozen voor een algemenere omschrijving. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

HOOFDSTUK 2

VRIJHEIDSBENEMENDE STRAFFEN EN MAATREGELEN

EERSTE TITEL

OPNEMING, AANVANG, ONDERBREKING EN INVRIJHEIDSTELLING

Artikel 6:2:1 (566 Sv) – grond voor opneming

Dit artikel betreft het huidige artikel 566 Sv. Als gevolg van de directe verantwoordelijkheid van de Minister voor de tenuitvoerlegging wordt in het eerste lid en het derde lid het openbaar ministerie vervangen door de Minister. In het eerste lid wordt de redactie van de bepaling verduidelijkt door een opsomming te gebruiken. Onder a is toegevoegd dat het ook kan gaan om een bevel tot aanhouding. Hiermee wordt gedoeld op de aanhouding die op grond van artikel 6:3:15 Sv kan worden bevolen indien er ernstige redenen zijn aan te nemen dat de veroordeelde zich niet houdt aan de sanctie, maar ook bijvoorbeeld op het bevel tot voorlopige aanhouding op grond van het bepaalde in Afdeling A van Hoofdstuk II van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen. Voor de goede orde merken wij op dat in deze specifieke bepaling de voorlopige hechtenis is opgenomen als grond voor opneming in een inrichting, maar dat voor het overige Boek 6 niet ziet op de tenuitvoerlegging van de preventieve hechtenis.

In de aanhef van het eerste lid en in het derde lid is «op vertoon van» vervangen door «op grond van». Op vertoon van impliceert namelijk het overleggen van een schriftelijk stuk, terwijl steeds meer informatie-uitwisseling in de strafrechtsketen geautomatiseerd plaatsvindt.

Het vierde lid van het huidige artikel 566 Sv is in dit voorstel komen te vervallen. Dat ambtenaren die belast zijn met de tenuitvoerlegging de hulp van politie en Koninklijke marechaussee kunnen inroepen volgt namelijk al uit de algemene bepalingen (huidig artikel 556 Sv; voorgesteld artikel 6:1:5, vijfde lid, Sv). Door de feitelijke vernummering van het huidige vijfde naar het vierde lid wordt direct gecorrigeerd voor de thans incorrecte interne verwijzing.

Zoals de RSJ met recht in zijn advies opmerkt bij dit artikel en bij artikel 6:2:5 Sv, houdt de Minister alle gegevens van veroordeelden bij en is hij er in zoverre voor verantwoordelijk dat geen personen (langer) worden ingesloten dan waarvoor een titel van insluiting beschikbaar is. Het toezicht dat de rechtbank en het parket thans formeel hebben op de nakoming van de voorschriften over de opneming in de inrichting, de invrijheidsstelling en de registratie daarvan, (artikel 571 Sv) komt op grond van dit wetsvoorstel te vervallen. In de praktijk worden de verplichte bezoeken door rechters en officier van justitie slechts sporadisch afgelegd, althans de schriftelijke verslagen die van deze bezoeken zouden moeten worden gemaakt, worden niet uitgebracht aan de Minister van Veiligheid en Justitie. Toezicht op het gevangeniswezen is eveneens geregeld bij en krachtens de Beginselenwetten. Beoogd is dat de Inspectie Veiligheid en Justitie – in 2012 ontstaan door organisatorische samenvoeging van de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (IOOV) en de Inspectie voor de Sanctietoepassing (ISt) – toezicht zal gaan houden op de rechtmatigheid van de feitelijke tenuitvoerlegging, waaronder de door de RSJ genoemde controles of de detentie wordt uitgevoerd op een bestaande en juiste titel en of de registers over de tenuitvoerlegging betrouwbaar en volgens de geldende voorschriften worden bijgehouden.

Artikel 6:2:2 (26 Sr) – aanvang vrijheidsbeneming

Dit artikel betreft het huidige artikel 26 Sr. Ten opzichte van deze bepaling is de zinledige tussenzin «voor zover elk van deze straffen betreft» geschrapt en is «in kracht van gewijsde gegaan» vervangen door de meer gangbare term «onherroepelijk geworden».

Artikel 6:2:3 (562, 563 Sv) – optreden psychische stoornis en opschorting

Indien een veroordeelde na de uitspraak, maar voor de start van de tenuitvoerlegging is gaan lijden aan een psychische stoornis, kan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf worden opgeschort. Deze mogelijkheid voor uitzonderlijke gevallen is thans geregeld in artikel 562 Sv en wordt zonder inhoudelijke wijzigingen in de eerste drie leden van deze bepaling overgenomen. Het vierde en vijfde lid betreffen het geldende artikel 563 Sv, waarin de mogelijkheid wordt beschreven van tenuitvoerlegging van een vervangende straf.

Artikel 6:2:4 (570b, eerste, derde lid, Sv, 77j, eerste, derde lid, Sr) – onderbreking tenuitvoerlegging vrijheidsstraf

In zeer bijzondere gevallen kan een gedetineerde toestemming van de Minister krijgen om de inrichting waar hij verblijft tijdelijk te verlaten. Bij de gronden voor strafonderbreking gaat het om zeer bijzondere gebeurtenissen in de persoonlijke levenssfeer, die dermate ingrijpend dan wel zodanig van aard zijn dat niet kan worden volstaan met een incidenteel verlof of gewacht tot een mogelijkheid om de inrichting in een ander kader tijdelijk te verlaten. Dergelijke strafonderbreking kan worden toegepast bij gevangenisstraf, (vervangende) hechtenis, militaire detentie (570b Sv) en (vervangende) jeugddetentie (77j Sr). In deze bepaling over onderbreking van de tenuitvoerlegging worden de bepalingen ter zake in het reguliere strafrecht (huidig artikel 570b Sv) en het jeugdstrafrecht (huidig artikel 77j, eerste tot en met derde lid, Sr) samengevoegd. De huidige bijzondere regeling dat jeugddetentie gedurende een tijdvak van ten hoogste drie maanden wordt onderbroken, komt hierbij op het niveau van de wet te vervallen. Het is wenselijk dat ten aanzien van zowel volwassenen en jeugdigen de criteria voor de strafonderbreking worden geconcentreerd in één algemene maatregel van bestuur. De nadere regels die over het onderbreken van de tenuitvoerlegging kunnen worden gesteld, kunnen ook criteria voor de duur van de onderbreking bevatten. De grondslag voor het kunnen stellen van deze nadere regels wordt voorgesteld in het laatste artikel van deze titel. Op de beslissing van de Minister worden – evenals in de huidige artikelen 77j Sr en 570b Sv – de in het tweede lid genoemde hoofdstukken van de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen van toepassing verklaard.

Artikel 6:2:5 (570 Sv, 15, zesde lid, Sr, nieuw) – invrijheidstelling

Ten opzichte van het huidige artikel dat ziet op de invrijheidstelling, artikel 570 Sv, worden enige taalkundige wijzigingen voorgesteld. Zo wordt «hoofd van het gesticht» vervangen door directeur van de inrichting. Daarnaast worden de volgende inhoudelijke wijzigingen voorgesteld.

De huidige afwijkende momenten van invrijheidstelling op het moment dat de laatste dag van de straftijd een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is (artikel 570, eerste lid, onder b en c, Sv), komen te vervallen. In de huidige samenleving waarin ook in het weekeinde en op feestdagen kan worden voorzien in basisbehoeften en zo nodig (digitaal) kan worden gestart met diensten zoals de gemeentelijke sociale dienst, is hiertoe geen dwingende reden meer. Dit betekent dat op grond van deze wijziging in het nieuwe artikel ook het derde lid van het huidige artikel 570 Sv kan komen te vervallen, aangezien invrijheidstelling niet meer op grond van het eerste lid gebeurt voordat de straftijd geheel is verstreken. De organisaties met taken in het kader van de invrijheidstelling van veroordeelden – zoals het gevangeniswezen en het AICE – zullen op grond van deze wijziging ook in het weekend en op feestdagen hieraan uitvoering moeten kunnen geven.

In het eerste lid, onder c, wordt niet meer gesproken over een bevel tot invrijheidstelling van «het bevoegde gezag», maar van Onze Minister. De Minister van Veiligheid en Justitie – het AICE – ontvangt in de nieuwe situatie de (door de rechter) genomen beslissing en geeft deze als bevel tot invrijheidstelling door aan de directeur van de inrichting. Vóórdat het bevel wordt gegeven iemand op vrije voeten te stellen, zal dus eerst bij het AICE worden nagegaan of de vrijheid van de betrokkene niet nog op andere titel ontnomen moet blijven. Als dit het geval is, wordt het bevel uiteraard niet gegeven, maar verandert enkel de titel waarop iemand vanaf dat moment vastzit. Hierover wordt de inrichting geïnformeerd. Deze controle door de Minister past bij de rol van het AICE (paragraaf 5.2.2) en dient ertoe te voorkomen dat iemand die nog een vrijheidsbenemende straf heeft openstaan (tijdelijk) niet beschikbaar is voor verdere tenuitvoerlegging, zodat er kostbare capaciteit moet worden ingezet om deze alsnog ten uitvoer te leggen. Dit kan in het bijzonder relevant zijn bij buiten de reguliere kantoortijden genomen rechterlijke beslissingen tot onmiddellijke invrijheidstelling. Hierbij kan worden gedacht aan de beslissing tot invrijheidstelling op een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis, een contraire beëindiging van een terbeschikkingstelling of een beslissing van de rechter-commissaris over de tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis bij een vrijheidsbeperkende maatregel.

Het voorgestelde vierde lid is nieuw ten opzichte van de huidige regeling en biedt de mogelijkheid om na ontvangst van het bevel tot invrijheidstelling van de Minister de betrokkene nog gedurende enige uren vast te houden om de administratieve en fysieke afhandeling van het bevel uit te voeren. Het College van procureurs-generaal onderschrijft in zijn advies dat in de wet een termijn wordt opgenomen waar de gedetineerde rechten aan kan ontlenen, maar acht de in de consultatieversie van het wetsvoorstel voorgestelde termijn van twee uur te kort. Om deze reden wordt thans als maximale duur drie uur voorgesteld. Als de gedetineerde op het moment van het bevel tot invrijheidstelling niet in de inrichting is – bijvoorbeeld omdat hij nog onderweg is van de zitting waar tot zijn invrijheidstelling is besloten naar de inrichting – begint deze termijn van drie uur te lopen vanaf het moment dat de gedetineerde terug is bij de inrichting, waar veelal ook nog persoonlijke bezittingen van de betrokkene zullen zijn. Dat gedetineerden teruggaan naar de inrichting is staande praktijk (Aanwijzing onmiddellijke invrijheidstelling (2011A016); Stcrt. 2011, nr. 13873). Het is goed te benadrukken dat het streven in de uitvoering zal zijn – zoals het openbaar ministerie ook aangeeft in zijn advies – de daadwerkelijke invrijheidstelling ruim binnen deze maximaal drie uur te realiseren, ook als deze uren buiten de reguliere kantooruren vallen. Dit ook in reactie op het advies van de RSJ bij deze mogelijkheid de (ex-)gedetineerde nog gedurende enige uren ingesloten te houden.

Dit artikel is ook van toepassing op voorwaardelijke invrijheidsstellingen (vergelijk het huidige artikel 15, zesde lid, Sr).

Artikel 6:2:6 (570a Sv, 15, vijfde en zesde lid, Sr) – invrijheidstelling bij meerdere straffen

Dit artikel betreft het huidige artikel 570a Sv en artikel 15, vijfde en zesde lid, Sr, waarin artikel 570a Sv van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op de voorwaardelijke invrijheidstelling. Met deze samenvoeging wordt geen inhoudelijke wijziging van de huidige regeling beoogd.

Artikel 6:2:7 (15, vierde lid, 27a Sr) – verrekening vrijheidsstraf in het buitenland

Het eerste lid van dit artikel betreft het huidige artikel 27a Sr, het tweede lid het huidige vierde lid van artikel 15 Sr. Voorgesteld wordt deze bepalingen zonder inhoudelijke wijzigingen over te nemen in de nieuwe regeling.

Artikel 6:2:8 (13, 19 Sr) – plaatsing in TBS-instelling bij gebrekkige ontwikkeling of psychische stoornis

Dit artikel betreft een samenvoeging van het huidige artikel 13 Sr (terugkerend in het eerste tot en met het vijfde lid) en de schakelbepaling artikel 19 Sr, die artikel 13 Sr van overeenkomstige toepassing verklaart op de hechtenis en vervangende hechtenis (zesde lid). In het eerste lid wordt de verwijzing naar artikel 37e Sr niet overgenomen vanwege de voorgestelde algemene bepaling op grond waarvan de tenuitvoerlegging – behoudens uitzonderingen – ten laste van de Staat komt (artikel 6:1:12 Sv), waarin artikel 37e Sr opgaat.

Artikel 6:2:9 (nieuw, 570b, tweede lid, Sv, 13, tweede en derde lid, 77j, tweede lid, Sr) – nadere regels bij algemene maatregel van bestuur

Dit laatste artikel van de eerste titel bevat de grondslagen voor nadere regels die bij het bepaalde in deze titel worden gesteld. De invulling die in het tweede tot en met het vierde lid wordt gegeven aan de nadere regels volgen uit de huidige delegatiebepaling die worden overgenomen. Dit betreft artikel 570b, tweede lid, Sv, artikel 13, tweede en derde lid, Sr en artikel 77j, tweede lid, Sr.

TWEEDE TITEL

VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING

De wijzigingen in de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling zijn in algemene zin toegelicht in paragraaf 5.3.4 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.

Met de artikelen 6:2:10 tot en met 6:2:14 worden – behoudens de consequenties voor de verschoven verantwoordelijkheid van openbaar ministerie naar Minister – geen noemenswaardige inhoudelijke wijzigingen van de huidige regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling voorgesteld. Op advies van 3RO wordt in artikel 6:2:11 Sv voorgesteld vast te leggen dat onder medewerking aan reclasseringstoezicht mede wordt begrepen de verplichting van de onder toezicht gestelde zich te melden bij de reclasseringsinstelling. Dat deze verplichting tot medewerking in artikel 6:2:11 Sv als verplichte algemene voorwaarde wordt geformuleerd en in het vergelijkbare gewijzigde artikel 14c Sr en het nieuw voorgestelde artikel 6:3:14 Sv als onderdeel van het reclasseringstoezicht heeft voor de uitvoering in de praktijk geen consequenties.

Artikel 6:2:15 geeft een grondslag voor het stellen van nadere regels over de voorwaardelijke invrijheidstelling. Voor zover de huidige artikelen over de voorwaardelijke invrijheidstelling, de artikelen 15 tot en met 15l Sr, zien op rechterlijke beslissingen tijdens de voorwaardelijke invrijheidstelling, worden deze onderdeel van hoofdstuk 6 van Boek 6 en op die plaats toegelicht.

DERDE TITEL

VERPLEGING VAN OVERHEIDSWEGE EN TER BESCHIKKING STELLING

Artikel 6:2:16 (37d Sr) – instelling TBS-gestelden

Dit artikel betreft het huidige artikel 37d Sr. Voorgesteld wordt dit zonder inhoudelijke wijzigingen over te nemen in deze titel.

Artikel 6:2:17 (37c, tweede lid Sr) – behandeling en aanwijzingen in het belang van de veiligheid

Dit artikel betreft – ongewijzigd – het tweede lid van het huidige artikel 37c Sr.

Artikel 6:2:18 (38j, derde lid, 38l, eerste lid, Sr) – einde terbeschikkingstelling

Deze bepaling over het einde van een terbeschikkingstelling betreft een samenvoeging van het huidige artikel 38j, derde lid, Sr (eerste lid) en artikel 38l, eerste lid, Sr (tweede lid).

Artikel 6:2:19 (38la, eerste tot en met vijfde lid, Sr) – TBS en illegale vreemdelingen

Met deze bepaling worden het eerste tot en met het vierde lid van artikel 38la Sr overgenomen. Op grond van het advies van het openbaar ministerie wordt in het derde lid verduidelijkt dat als voorwaarde wordt gesteld dat de vreemdeling Nederland verlaat en niet terugkeert. Het toevoegen van het verlaten kan problemen voorkomen in gevallen waarin de uitzetting mislukt na een onherroepelijke beslissing tot beëindiging van de TBS. De rechtsbescherming voor vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben (artikel 38la, vijfde tot en met zevende lid, Sr), wordt geregeld in hoofdstuk 6 van Boek 6 (artikel 6:6:10 Sv).

VIERDE TITEL

INRICHTING VOOR STELSELMATIGE DADERS

Artikel 6:2:20 (38o, eerste en derde lid, Sr) – ISD-inrichting

Dit artikel betreft het huidige artikel 38o Sr, met dien verstande dat de grondslag voor het stellen van nadere regels wordt verplaatst naar het laatste artikel van deze titel.

Artikel 6:2:21 (38u Sr) – Minister kan ISD-maatregel altijd beëindigen

Dit artikel betreft – ongewijzigd – het huidige artikel 38u Sr.

Artikel 6:2:22 (38o, derde lid, Sr, nieuw) – grondslag voor amvb over ISD

Dit slotartikel van de titel bevat de grondslag voor nadere regels die bij het bepaalde in deze titel kunnen worden gesteld. Deze nadere regels zien in elk geval op de kosten van de tenuitvoerlegging van de maatregel die ten laste van de gemeenten komen (thans geregeld in hoofdstuk 9A van de Penitentiaire maatregel).

VIJFDE TITEL

MAATREGEL VAN PLAATSING IN EEN INRICHTING VOOR JEUGDIGEN

Deze titel bestaat uit één bepaling met de regels voor de tenuitvoerlegging van maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (artikel 6:2:23 Sv). Inhoudelijk stemt dit artikel overeen met het huidige zevende tot en met negende lid van artikel 77s Sr.

HOOFDSTUK 3

VRIJHEIDSBEPERKENDE STRAFFEN, MAATREGELEN EN VOORWAARDEN

Het derde hoofdstuk van boek 6 ziet op de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeperkende sancties en in een strafbeschikking opgelegde gedragsaanwijzingen. De eveneens vrijheidsbeperkende sancties van door de officier van justitie gegeven gedragsaanwijzingen ter beëindiging van ernstige overlast (artikel 509hh Sv) en door de rechter opgelegde zelfstandige vrijheidsbeperkende maatregelen (artikel 38v Sr) kennen geen specifieke tenuitvoerleggingsbepalingen. Hetzelfde geldt voor de bijzondere voorwaarden bij een veroordeling met een voorwaardelijke straf, een voorwaardelijke invrijheidstelling, een schorsing van de voorlopige hechtenis en een voorwaardelijk sepot. Wel wordt de reactie op geconstateerde niet-naleving van die bijzondere voorwaarden geregeld, zoals de aanhouding van de veroordeelde (dit hoofdstuk, artikel 6:3:15 Sv) en het rechterlijk oordeel dat hierop volgt (hoofdstuk 6, artikel 6:6:20 e.v. Sv).

EERSTE TITEL

TAAKSTRAFFEN

Artikel 6:3:1 (22c, derde en vierde lid, Sr) – termijn tenuitvoerlegging taakstraf

In deze bepaling wordt ten opzichte van het huidige artikel 22c Sr voorgesteld de termijn te verlengen waarbinnen een taakstraf moet worden uitgevoerd. Tegelijkertijd wordt voorgesteld de huidige mogelijkheid van éénmalige verlenging van deze termijn te laten vervallen. Met het vervallen van rappelleren en ambtshalve verlengingen wordt het administratief proces vereenvoudigd en administratieve lasten weggenomen.

Voor een door de rechter opgelegde taakstraf van maximaal 240 uur geldt op grond van deze bepaling een termijn van achttien maanden (ten opzichte van thans twaalf maanden met de mogelijkheid van eenmalige verlenging met nog twaalf maanden) en voor een door de officier van justitie in een strafbeschikking opgelegde taakstraf van maximaal 180 uur een termijn van negen maanden (ten opzichte van thans zes maanden met de mogelijkheid van eenmalige verlenging met nog zes maanden). De NVvR vraagt zich of het schrappen van de verlengingsmogelijkheid niet in meer gevallen leidt tot een automatische omzetting in vervangende hechtenis en daarmee – vanwege de mogelijkheid van bezwaar tegen de vervangende hechtenis – tot extra zaken die aan de rechter moeten worden voorgelegd. Op basis van de huidige praktijk ligt dit niet in de lijn der verwachting. Bij door de rechter opgelegde taakstraffen wordt onder de huidige regeling namelijk in minder dan 10 procent van de gevallen verlenging van de termijn verzocht. Met de voorgestelde standaardtermijn van 18 maanden ligt het in de rede te verwachten dat in een nog beperkter percentage omzetting in vervangende hechtenis vanwege termijnoverschrijding aan de orde kan zijn. De uit het schrappen van de verlengingsmogelijkheid voortvloeiende noodzaak van een snellere start van de tenuitvoerlegging van taakstraffen sluit aan bij de doelstelling straffen voortvarend ten uitvoer te leggen. Een snellere start vergroot ons inziens verder de kans dat de taakstraffen daadwerkelijk worden uitgevoerd in plaats van omgezet. Met de combinatie van een langere standaardtermijn en de concrete streefnormen die worden vastgesteld voor het voortvarend starten met de tenuitvoerlegging (zie paragraaf 4.2.1 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting) wordt de uitvoering tegemoetgekomen door de reclassering standaard voldoende tijd te geven voor de organisatie en uitvoering van de taakstraf. Met de NVvR concluderen wij dat goede afstemming in de uitvoeringspraktijk hierbij van belang is. Juist vanuit die afstemming met de praktijk en de uitdrukkelijke steun die de 3RO in hun advies geeft aan dit voorstel zijn wij ervan overtuigd dat de verlengingsmogelijkheid kan worden gemist. De administratieve lasten worden hierbij beperkt zonder dat de verwachting is dat er meer zaken aan de rechter zullen worden voorgelegd.

Voor het moment waarop deze termijn begint te lopen (eerste lid) is overwogen te kiezen voor het moment waarop het vonnis voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden in plaats van het moment waarop de beslissing onherroepelijk is geworden. Naar aanleiding van het advies van de 3RO, de constatering dat in meer gevallen bij het moment van onherroepelijkheid wordt aangesloten en van een inschatting van de gevolgen van deze wijziging voor de uitvoeringspraktijk wordt vastgehouden aan het moment van onherroepelijkheid. De samenhang tussen het onherroepelijk en het voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn van een beslissing volgt uit het bepaalde in de tweede titel van het eerste hoofdstuk van het voorgestelde Boek 6 (artikel 6:1:16 e.v. Sv).

Artikel 6:3:2 (22f, eerste en tweede lid, 77o, derde en vierde lid, Sr) – wijzigen taakstraf

Met deze bepaling worden de artikelen 22f, eerste en tweede lid, en 77o, derde en vierde lid, Sr overgenomen. Genoemde artikelen bevatten een uitzondering op de regel dat een door de rechter opgelegde sanctie niet wordt gewijzigd: het openbaar ministerie kan de inhoud van een taakstraf wijzigen ingeval een veroordeelde deze niet geheel overeenkomstig de opgelegde straf kan of heeft kunnen verrichten. Een dergelijk inhoudelijk wijzigen van een door de rechter opgelegde taakstraf is slechts in een beperkt aantal gevallen aan de orde. Hiervoor is namelijk niet alleen nodig dat de rechter – anders dan gebruikelijk – vanuit de aard van het delict een specifieke taakstraf oplegt (bijvoorbeeld werken in een revalidatiecentrum na dronken rijden), maar ook dat deze specifieke taakstraf niet beschikbaar of anderszins niet haalbaar blijkt (bijvoorbeeld arbeidsongeschiktheid). Mede vanuit deze beperkte praktische waarde geeft de RSJ in zijn advies in overweging deze mogelijkheid te schrappen. In plaats daarvan zou het aan de rechter moeten zijn om een taakstraf alleen specifiek in te vullen als hij zich daarvoor ervan heeft vergewist dat de specifieke taakstraf kan worden gerealiseerd. Dit advies van de RSJ is niet overgenomen omdat de geschetste situatie zich sporadisch wel voordoet – met name bij jeugdzaken – en het bepaalde dan een praktische oplossing biedt. In deze samenloop van uitzonderlijke omstandigheden wordt door de reclassering gezocht naar het best overeenkomende alternatief van vergelijkbare aard en zwaarte. Het openbaar ministerie toetst vervolgens zorgvuldig of de door de reclassering voorgestelde inhoudelijke wijziging nog in de lijn ligt met wat de rechter met de oorspronkelijke taakstraf heeft bedoeld. Gezien deze toetsende rol van het openbaar ministerie, dat de oorspronkelijke beslissing ter tenuitvoerlegging aan de Minister heeft verstrekt, houdt het openbaar ministerie deze wijzigingsbevoegdheid en wordt deze niet – zoals de RSJ suggereert – aan de Minister toegekend. Met de wijziging van de inhoud van de taakstraf verstrekt het openbaar ministerie als het ware een nieuwe ten uitvoer te leggen beslissing aan de Minister. Ten opzichte van de huidige regeling wordt voorgesteld de mogelijkheid van bezwaar tegen de kennisgeving van het openbaar ministerie over de wijziging van de taakstraf niet over te nemen (huidig derde lid van artikel 22f en vijfde lid van artikel 77o Sr). Belangrijkste redenen hiervoor zijn dat het zelden voorkomt en dat bij een voorkomende wijziging zorgvuldig door reclassering en openbaar ministerie wordt gekeken naar een goed vergelijkbaar alternatief. In reactie op het advies van de RSJ kan hieraan nog worden toegevoegd dat in het geval de veroordeelde de gewijzigde taakstraf niet uitvoert omdat hij het niet eens is met die wijziging, de zaak alsnog bij de rechter komt.

Artikel 6:3:3 (22g, eerste en tweede lid, 22d, vierde lid, Sr) – tenuitvoerlegging vervangende hechtenis bij door rechter opgelegde taakstraf

Indien iemand een door de rechter opgelegde taakstraf niet (naar behoren) uitvoert, kan op grond van de rechterlijke uitspraak waarin de taakstraf is opgelegd vervangende hechtenis worden toegepast (artikel 22d, eerste tot en met derde lid, Sr). De toepassing van vervangende hechtenis geschiedt – net als onder het huidige recht (artikel 22g, eerste en tweede lid, en artikel 22d, vierde lid, Sr) – door het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie geeft hiervan kennis aan de veroordeelde. Deze beslissing over het aantal dagen vervangende hechtenis wordt betekend.

Artikel 6:3:4 (22i Sr) – termijn voor nemen beslissing over wijziging of vervangende hechtenis

Met deze bepaling wordt het huidige artikel 22i Sr overgenomen, met dien verstande dat in de bepaling alleen nog het laatste moment waarop de beslissing kan worden genomen wordt benoemd. Dit laat ongewijzigd dat in de praktijk de beslissing wordt genomen zodra duidelijk is geworden dat de taakstraf niet of niet naar behoren is uitgevoerd, en dat niet wordt gewacht tot het laatste moment.

Artikel 6:3:5 (22j, 77q, tweede lid, Sr) – kennisgeving verrichte taakstraf

Met deze bepaling worden artikel 22j en artikel 77q, tweede lid, Sr overgenomen, met als wijziging dat in de nieuwe regeling de Minister verantwoordelijk is voor de kennisgeving over de afgeronde tenuitvoerlegging.

Artikel 6:3:6 (22k, eerste volzin, Sr) – nadere regels tenuitvoerlegging taakstraf

Dit laatste artikel van de titel bevat de grondslag voor nadere regels die kunnen worden gesteld over de inhoud van de taakstraf, de tenuitvoerlegging van de taakstraf en de rechten en plichten van degene die een taakstraf moet uitvoeren.

TWEEDE TITEL

GEDRAGSAANWIJZINGEN

Artikel 6:3:7 (578, eerste lid (deel), tweede lid, Sv) – aanwijzingen in strafbeschikking

Dit artikel betreft de voorgestelde omzetting van het deel van artikel 578, eerste en tweede lid, Sv dat op de tenuitvoerlegging van de door de officier van justitie in een strafbeschikking gegeven aanwijzingen ziet. Bij het eerste lid merkt het openbaar ministerie op dat hier niet is vermeld met welke termijn de proeftijd van een gedragsaanwijzing kan worden verlengd. Dat klopt en is ongewijzigd overgenomen van het huidige artikel 578, eerste lid, Sv. De achtergrond hiervan is het volgende. In het algemeen geldt dat de wet niet de termijn maximeert waarbinnen aan de in de strafbeschikking gegeven aanwijzingen moet worden voldaan. Ook is in het algemeen niet voorgeschreven dat die termijn in de strafbeschikking zelf wordt bepaald. Dit is alleen anders voor de «andere aanwijzingen het gedrag van de verdachte betreffend», die een proeftijd van hoogstens een jaar kunnen hebben (artikel 257a, derde lid, onder e, Sv). De wet staat dus niet aan een lange termijn in de weg. Bij de totstandkoming van genoemde bepaling is wel aan de orde gesteld dat een al te lange termijn onwenselijk is omdat bij het niet voldoen aan de aanwijzing alsnog moet worden gedagvaard voor het feit waarvoor de strafbeschikking was uitgevaardigd (Kamerstukken II 2004/05, 29 849, nr. 3, blz. 67). Het is aan het openbaar ministerie om in een concreet geval te bepalen welke verlenging wenselijk is. Naar aanleiding van het advies van het openbaar ministerie wordt verder een correctie aangebracht door te verwijzen naar het derde in plaats van het tweede lid van artikel 257a Sv.

DERDE TITEL

JEUGD – TAAKSTRAF EN GEDRAGSBEÏNVLOEDENDE MAATREGEL

Met de artikelen 6:3:8 tot en met 6:3:11 Sv worden de bepalingen die specifiek zien op de tenuitvoerlegging van jeugdtaakstraffen overgenomen (te weten de huidige artikelen 77m, derde en vijfde lid, 77o, eerste en derde lid, 77n, vierde lid, 77p, eerste, tweede en vierde lid, 77q, en 77ff, derde en vierde lid Sr).

Bij het voorgestelde artikel 6:3:8 Sv kan ten eerste worden opgemerkt dat de tenuitvoerleggingstermijn voor taakstraffen bij jeugdigen gelijk is. Deze bedraagt ten hoogste negen maanden voor taak- en leerstraffen van honderd uur of minder en ten hoogste achttien maanden voor taak- en leerstraffen van langere duur, ongeacht of deze is opgelegd in een rechterlijke uitspraak of strafbeschikking. Daarom kent deze bepaling een andere formulering dan artikel 6:3:1 Sv. Bij de Wet adolescentenstrafrecht (Stb. 2013, 485) is de termijn voor leerprojecten verlengd van zes naar negen maanden. Dit heeft ook zijn doorwerking gehad in dit wetsvoorstel. Hiermee is ook de zorg van de NVvR of zes maanden voor een leerstraf niet te kort is ondervangen. Ten tweede is – net als in artikel 6:3:1 Sv, over de termijn waarbinnen een taakstraf moet worden uitgevoerd – in deze bepaling voor jeugdtaakstraffen een langere termijn voorgesteld, in combinatie met het laten vervallen van de huidige mogelijkheid van éénmalige verlenging van de termijn. Ten derde merken wij op dat het bepaalde in het geldende artikel 77m, negende lid, Sr niet terugkeert in artikel 6:3:8 Sv omdat op grond van de algemene bepaling van 6:3:1 Sv ook voor jeugdigen geldt dat de tenuitvoerleggingstermijn wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde vastzit of ongeoorloofd afwezig is.

In artikel 6:3:11 Sv keert het tweede lid van artikel 77q Sr niet terug aangezien het toesturen van het bericht over afronding van een jeugdtaakstraf valt onder de algemene regeling van artikel 6:3:5 Sv.

Met artikel 6:3:12 Sv worden de artikelleden die zien op de tenuitvoerlegging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige overgenomen in deze titel (artikel 77w Sr). Voor de start van de tenuitvoerleggingstermijn van de maatregel wordt – net als in artikel 6:3:1 Sv – aangesloten bij het moment dat de rechterlijke uitspraak voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden in plaats van het moment van de onherroepelijkheid van de beslissing.

Het laatste artikel van deze titel – artikel 6:3:13 Sv - bevat een grondslag voor het bij algemene maatregel van bestuur of het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur stellen van nadere regels over het bepaalde over de tenuitvoerlegging van jeugdtaakstraffen en de gedragsbeïnvloedende maatregel.

Buiten de gevolgen van de directe verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van de Minister worden met deze verplaatsing naar Boek 6 geen wijzigingen van de bijzondere regelingen voor deze jeugdsancties beoogd.

VIERDE TITEL

TOEZICHT EN AANHOUDING

Artikel 6:3:14 (nieuw; 14d, eerste, tweede lid, 15b, eerste en tweede lid, 32, 38a, derde lid, 38b, 38c, 38i, 38p, zevende lid, 38q, 77ta, tweede lid, 77aa, eerste lid, tweede lid, tweede volzin, Sr) – toezicht op de naleving

Zoals in paragraaf 5.3.5 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting is aangegeven, blijft het openbaar ministerie belast met het toezicht op de naleving van alle in strafrechtelijk kader opgelegde (vrijheidsbeperkende) voorwaarden, maatregelen, gedragsaanwijzingen – waaronder die opgelegd in een strafbeschikking – en de bijkomende straf van ontzetting van bepaalde rechten (eerste lid). Redenen hiervoor zijn dat het toezicht nauw verbonden is met de aanhouding van een veroordeelde en dat de vordering die het openbaar ministerie indient bij de rechter indien de opgelegde vrijheidsbeperking niet is nageleefd.

Het eerste tot en met vierde lid van deze bepaling zijn geënt op de huidige bepalingen die zien op het toezicht op de naleving door het openbaar ministerie. Dit betreft de artikelen 14d, 15b, 32 en 38a, derde lid, Sr, die op grond van dit wetsvoorstel komen te vervallen.

In het eerste lid worden de verschillende vrijheidsbeperkingen opgesomd waarvoor het openbaar ministerie is belast met het toezicht. Onder a gaat het om de voorwaarden die zijn gesteld op grond van onder meer de artikelen 14c, 15a, 38, 38g of 38p Sr en de artikelen 80 en 167 Sv en artikel 13 van de Gratiewet. Op grond van het advies van het openbaar ministerie is voorwaardelijke beëindiging van een verpleging van overheidswege toegevoegd aan de opsomming in het eerste lid, onder a, onderdeel 6°. Specifiek voor dit eerste lid geldt dat – zoals de 3RO met reden opmerkt in haar advies – deze ondanks de plaatsing in het Boek van het Wetboek van Strafvordering over de tenuitvoerlegging niet alleen ziet op de tenuitvoerlegging van onherroepelijke strafrechtelijke beslissingen, maar tevens op het toezicht op bijzondere voorwaarden die zijn gesteld in de preventieve fase, zoals bij een voorwaardelijk sepot of bij de schorsing van een voorlopige hechtenis. Het feitelijke, dagelijkse toezicht zal worden uitgeoefend door de reclassering.

In het voorgestelde tweede lid wordt in de eerste volzin bepaald dat de Minister van Veiligheid en Justitie deze taak aan de reclassering kan opdragen. Deze opdrachtverlening aan de reclassering verloopt via het AICE. Hierbij wordt ook het openbaar ministerie, belast met het toezicht op de naleving, geïnformeerd over de toezichthoudende reclasseringsinstelling. Het openbaar ministerie en de Minister kunnen vanuit hun respectieve verantwoordelijkheid voor het toezicht en voor de tenuitvoerlegging ook ambtshalve opdracht geven tot reclasseringstoezicht of – indien de uitvoering daartoe aanleiding geeft – de reclasseringsinstelling wijzigen die het dagelijkse toezicht houdt (tweede lid, tweede volzin). Dit laatste kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij een verhuizing van de veroordeelde of in het geval een geval een gecertificeerde instelling, bedoeld in de Jeugdwet, zijn reclasseringsfunctie niet meer kan uitoefenen. Omdat de redenen voor toepassing van de bevoegdheid hiermee ook puur gelegen kunnen zijn in de uitvoering van het reclasseringstoezicht is het advies van de 3RO om deze bevoegdheid niet tevens aan de Minister toe te kennen, niet opgevolgd.

De verdachte of veroordeelde die onder toezicht is gesteld, is verplicht medewerking te verlenen aan de reclassering (derde lid). Hetzelfde geldt voor jeugdigen en jongvolwassenen, die mee moeten werken met de reclasseringswerkzaamheden van de gecertificeerde instellingen, bedoeld in de Jeugdwet. Ten opzichte van de huidige verplichting om mee te werken aan het reclasseringstoezicht is – op advies van 3RO – toegevoegd dat de onder toezicht gestelde zich bij de reclassering moet melden zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Hiermee wordt de reikwijdte van de verplichting medewerking aan het reclasseringstoezicht verduidelijkt. Reclasseringstoezicht is niet mogelijk als de onder toezicht gestelde weigert zich op het kantoor van de reclassering te melden voor gesprekken. Het benoemen van de meldplicht als algemene verplichting die uit het reclasseringstoezicht voortvloeit biedt duidelijkheid voor de reclassering en de onder toezicht gestelde. Zoals 3RO in haar advies opmerkt geldt deze verplichting tevens voor degenen die een beroepsverbod opgelegd hebben gekregen (eerste lid, onder c). Volledigheidshalve is in dit lid – naast artikel 6:1:8 Sv – specifiek voor de reclassering bepaald dat de reclassering ten behoeve van het te houden toezicht de identiteit van de veroordeelde vaststelt op de in artikel 27a Sv bepaalde wijze.

De reclassering informeert het openbaar ministerie over het gehouden toezicht (vergelijk huidig artikel 77ta, tweede lid, Sr). Bij het niet naleven van de in het eerste lid genoemde voorwaarden en sancties, bij het niet meewerken aan het toezicht, of als de veiligheid dat vereist, informeert de reclassering het openbaar ministerie – als opdrachtgever voor het te houden toezicht en vanuit zijn verantwoordelijkheid vorderingen bij de rechter in te stellen voor het nemen van een vervolgbeslissing bij niet-naleving van gestelde bijzondere voorwaarden. Daarnaast wordt in geval van niet-naleving de Minister geïnformeerd zodat deze, als verantwoordelijke voor de tenuitvoerlegging, de administratie op persoonsniveau compleet kan houden (vierde lid). Gezien het belang van de centrale administratie bij en de algemene routering via het AICE is het voorstel van de 3RO om de Minister niet in het vierde lid te vermelden, niet overgenomen.

Op grond van het advies van het openbaar ministerie is aan deze bepaling een vijfde lid toegevoegd dat het openbaar ministerie bevoegd laat van een ieder de gegevens te vorderen die nodig zijn voor het houden van toezicht op de naleving. Dit is een beperktere bevoegdheid voor het openbaar ministerie dan de huidige op grond van artikel 572a Sv. Die algemene bepaling over het vorderen van gegevens ten behoeve van de tenuitvoerlegging is – voor de Minister van Veiligheid en Justitie – overgenomen in artikel 6:1:9 Sv.

Artikel 6:3:15 (14fa, eerste lid, 15h, eerste lid, 38x, eerste lid, 77wf, eerste lid, 77cca, eerste lid, Sr, 509h, 509i, eerste en tweede lid, Sv) – aanhouden na niet naleven

Indien er ernstige redenen zijn dat een persoon zich niet houdt aan een strafrechtelijk opgelegde vrijheidsbeperking, kan zijn aanhouding worden bevolen door het openbaar ministerie. Op basis van het advies van het openbaar ministerie is als aanvullende grond voor aanhouding opgenomen het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. Op grond van het advies van de RSJ is als criterium toegevoegd dat aannemelijk moet zijn dat de rechter die beslist over de gevolgen van het niet naleven, op grond van de gedragingen van degene die gebonden is door de vrijheidsbeperkende sanctie, daadwerkelijk vrijheidsbeneming zal bevelen. Hiermee is het huidige criterium van onder meer artikel 509i, eerste lid, Sv overgenomen in de algemene regeling. Indien spoed is geboden, kan de hulpofficier van justitie de aanhouding bevelen. Deze aanhoudingsbevoegdheid geldt op dit moment uniform voor de verschillende vrijheidsbeperkende sancties, maar is telkens separaat geregeld. In dit artikel worden deze regelingen samengevoegd (eerste en tweede lid). Ten opzichte van die huidige regelingen wordt in het derde lid expliciet toegevoegd dat de Minister het openbaar ministerie kan informeren over het vermoeden dat de vrijheidsbeperking niet wordt nageleefd. De reden hiervoor is de verantwoordelijkheid van de Minister voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen van waaruit hem signalen over niet-naleving kunnen bereiken. Vanuit de algemene verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging en de specifieke verantwoordelijkheid voor het verlenen van proefverlof aan ter beschikking gestelden wordt de Minister standaard geïnformeerd over deze aanhoudingen na het niet naleven van een opgelegde vrijheidsbeperking. Het openbaar ministerie kan op basis van deze informatie van de Minister actie ondernemen. Hierbij moet worden gedacht aan wettelijke bevoegdheden zoals het bevelen van de aanhouding, het gelasten bij de rechter van de tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging van de straf of maatregel, het vorderen van de voorlopige tenuitvoerlegging, de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling, de voorlopige hervatting van de TBS en de voorlopige verpleging.

HOOFDSTUK 4

GELDELIJKE STRAFFEN EN MAATREGELEN

EERSTE TITEL

INNING VAN GELDBOETES EN SCHADEVERGOEDINGSMAATREGELEN

Deze titel ziet op de inning door de Minister van strafrechtelijke geldboetes – opgelegd in een rechterlijke uitspraak of in een strafbeschikking – en schadevergoedingsmaatregelen. Sommige bepalingen zien tevens op de inning van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dat is dan specifiek bepaald.

Artikel 6:4:1 (561, tweede en derde lid, 572, vierde lid, Sv) – tijdstip betaling

De Minister wordt op grond van dit wetsvoorstel verantwoordelijk voor de inning van opgelegde geldsancties en de daarbij horende administratiekosten. Hieruit volgt dat de Minister het moment of de momenten van betaling bepaalt indien de rechter in zijn uitspraak of de officier van justitie in zijn strafbeschikking betaling in gedeelten heeft toegestaan (eerste lid) en dat de Minister in de tenuitvoerlegging uitstel van betaling kan verlenen (tweede lid). In het huidige artikel ter zake, artikel 561 Sv, is dit de bevoegdheid van het openbaar ministerie. In praktische zin heeft deze wijziging weinig consequenties, aangezien de feitelijke uitvoering thans en op grond van de voorgestelde bepaling door het CJIB gebeurt.

Artikel 6:4:2 (24b, 36f, vierde, vijfde, zesde (deels) lid, Sr) – aanmaning met verhoging

Indien een geldboete, schadevergoedingsmaatregel of administratiekosten niet tijdig worden voldaan, wordt door de Minister – feitelijk het CJIB – een aanmaning met de door de wet voorgeschreven verhoging van het verschuldigde bedrag verstuurd. In de huidige situatie verstuurt het CJIB deze aanmaning namens het openbaar ministerie (artikel 24b Sr; thans van overeenkomstige toepassing verklaart voor de schadevergoedingsmaatregel in artikel 36f, vijfde lid, Sr). Met deze bepaling wordt de wettelijke verhoging in het eerste lid aangepast vanwege de geldontwaarding sinds 2005, het jaar waarin het huidige bedrag is vastgesteld (Stb. 2006, 11; Wet van 22 december 2005 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994, in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima). Voorgesteld wordt deze bedragen te verhogen van thans € 15 en € 30 naar respectievelijk € 20 en € 40 (eerste en tweede lid). Gezien de beperkte verhoging en het éénmalig karakter hiervan is het advies van de NVvR deze indexering van de standaardverhoging te matigen niet opgevolgd.

De ten opzichte van het derde lid van het huidige artikel 24b Sr gewijzigde formulering van het derde lid volgt uit de wijziging dat artikel 6:4:2 Sv rechtstreeks ziet op de inning van schadevergoedingsmaatregelen. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging van het bepaalde beoogd.

Het vierde lid bepaalt dat de leden over de gevolgen van het niet betalen van het verschuldigde geldbedrag niet van toepassing zijn als de Minister nadat de veroordeelde heeft verzuimd een betalingsregeling heeft getroffen. Bij deze wijziging is in het vierde lid het woord «afbetaling» vervangen door de juistere omschrijving van «betaling in termijnen».

In het voorgestelde vijfde lid worden het vijfde lid van artikel 36f Sr en het vijfde lid van artikel 24b Sr samengevoegd. Een betaling die een veroordeelde doet zonder vermelding van een betalingskenmerk, een zogenaamde ongerichte betaling, strekt allereerst tot voldoening van een opgelegde schadevergoedingsmaatregel, zodat slachtoffers en nabestaanden als eerste het aan hun verschuldigde bedrag ontvangen. Als er geen schadevergoedingsmaatregel is opgelegd of deze volledig is voldaan, strekt betaling vervolgens achtereenvolgens tot voldoening van eventuele verhogingen, de in rekening gebracht administratiekosten en – tot slot – de geldboete.

Het zesde lid ziet specifiek op de schadevergoedingsmaatregel en is geënt op artikel 36f, vierde en zesde lid, Sr.

Artikel 6:4:3 (572, vierde lid, 573 Sv) – verhaal

Buiten de verschuiving van de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van openbaar ministerie naar Minister worden ten opzichte van het huidige artikel 573 Sv geen wijzigingen voorgesteld voor het verhaal dat kan worden genomen indien een geldboete, een schadevergoedingsmaatregel of de administratiekosten niet volledig zijn betaald. Dat in het eerste lid is bepaald dat woonplaats kan worden gekozen bij de Minister van Veiligheid en Justitie hangt samen met het van toepassing zijn van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Degene onder wie beslag wordt genomen en derden-rechthebbenden moeten betekeningen en exploiten kunnen richten tot degene die executeert, de Minister (vergelijk Kamerstukken 21 504).

Artikel 6:4:4 (574 Sv) – verhaal in geval van conservatoir beslag

Dit betreft hetgeen thans is bepaald in artikel 574 Sv.

Artikel 6:4:5 (575 Sv) – verhaal krachtens dwangbevel

Dit betreft het huidige artikel 575 Sv, waarin enkele wijzigingen worden voorgesteld.

In het tweede lid wordt gewijzigd dat niet het openbaar ministerie, maar de Minister het dwangbevel uitvaardigt in naam van de Koning. Dit is een direct gevolg van de nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling voor de tenuitvoerlegging.

In het derde lid, tweede en derde volzin, wordt de termijn waarbinnen verzet kan worden gedaan tegen een inbeslagneming gelijk aan de regeling van artikel 26, derde lid, Wahv. Achtergrond van dit wijzigingsvoorstel is dat het huidige derde lid van artikel 575 Sv, op het punt van het moment van het instellen van verzet voor meerdere uitleg vatbaar is. De huidige zinsnede «Verzet wordt gedaan bij een met redenen omkleed bezwaarschrift, hetwelk vóór de verkoop en uiterlijk binnen zeven dagen te rekenen van de dag der inbeslagneming, wordt ingediend bij het gerecht» is in de loop der jaren op verschillende manieren uitgelegd. Ten eerste als dat verzet pas kan worden ingesteld nadat beslaglegging heeft plaatsgevonden en ten tweede dat verzet kan worden ingesteld tot en met zeven dagen na beslaglegging. Het CJIB hanteert de ruimere, tweede termijn. Dit is ook de meest gangbare uitleg in de huidige rechtspraktijk. De engere, eerste variant is minder wenselijk omdat niet in alle zaken door een deurwaarder daadwerkelijk wordt overgegaan tot het leggen van beslag. Indien feitelijk geen beslag wordt gelegd, bestaat er binnen de eerste uitleg geen mogelijkheid om verzet in te stellen. Dit heeft in voorkomende gevallen geresulteerd in niet-ontvankelijk-verklaringen door de rechter (onder meer: rechtbank Arnhem, d.d. 20 juni 2012, rechtbanknummer 12/534; rechtbank Amsterdam, d.d. 22 juli 2011, zaaknummer VD 11–01; rechtbank Noord-Nederland, d.d. 21 januari 2013, zaaknummer 546030/VM VERZ 12–10). Om deze reden wordt ter verduidelijking van deze termijn voorgesteld in het derde lid aan te sluiten bij de regeling van de Wahv. Voorgesteld wordt net als in de Wahv de termijn voor het doen van verzet te bepalen op twee weken, gerekend vanaf de dag dat het dwangbevel is betekend. Dit is een niet voor meerdere uitleg vatbare termijn. De tekst van het dwangbevel zal worden aangepast om de geldende termijn duidelijk weer te geven.

Artikel 6:4:6 (576 Sv) – verhaal zonder dwangbevel

Dit betreft het huidige artikel 576 Sv. Met de ten opzichte van de huidige regeling voorgestelde wijzigingen voor het nemen van verhaal zonder dwangbevel wordt aangesloten bij de op dit punt voorgestelde wijzigingen van artikel 27 van de Wahv. Daarnaast is ter verduidelijking aan het tweede lid toegevoegd dat de kennisgeving ook kan zien op verhaal dat plaatsvindt in verband met de inning van een opgelegde schadevergoedingsmaatregel.

Beoogd wordt de regeling van verhaal zonder dwangbevel gelijk te houden voor het strafrecht en de Wahv. Om deze reden worden met het eerste lid, onder c, en het (nieuwe) achtste lid, dezelfde wijzigingen voorgesteld als die thans bij de Eerste Kamer aanhangig zijn voor de Wahv (Verzamelwetsvoorstel Veiligheid en Justitie 2013; Kamerstukken 33 771). Zoals in dit verband is toegelicht houden deze wijzigingen verband met de implementatie van richtlijn nr. 2007/64/EG van het Europees parlement en de Raad betreffende onder meer betalingsdiensten in de interne markt (Stb. 2009, 436) en de in Europees verband gemaakte afspraken over standaarden met betrekking tot de infrastructuur tussen banken. Ingevolge hiervan wordt de Nederlandse automatische incasso vervangen door het Europese betaalproduct van «direct debit». Het reguliere betalingsverkeer waarin de automatische incasso thans wordt gebruikt, wordt hierdoor niet geraakt. Dit ligt anders voor de toepassing van verhaal zonder dwangbevel waarvoor de banken thans een van de automatische incasso afgeleide systematiek hanteren. «Direct debit» gaat namelijk uit van een machtiging van de rekeninghouder en kent het stornorecht en de mogelijkheid van blokkering. Dit verhoudt zich slecht tot het vereenvoudigd derdenbeslag van verhaal zonder dwangbevel. Vanwege het vervallen van de automatische incasso is door het Ministerie van Financiën een nieuw ondersteunend automatiseringssysteem ontwikkeld. Om hiervan voor verhaal zonder dwangbevel gebruik te kunnen maken, stelt het Ministerie van Financiën als voorwaarde dat de wettelijke regeling zodanig wordt gewijzigd dat ook verhaal kan worden genomen op de kredietruimte van de betaalrekening van degene aan wie de sanctie is opgelegd. In het voorgestelde achtste lid wordt het nemen van verhaal zonder dwangbevel uitgesloten indien de schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen van toepassing is. De Invorderingswet 1990 kent in artikel 19 een soortgelijke bepaling.

Voor de achtergrond van de wijzigingen ten opzichte van de huidige regeling in het tweede lid, strekkende tot het niet betekenen maar toezenden van de kennisgeving, en in het zesde lid, strekkende tot het verlengen van de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift, zij op deze plek verwezen naar de artikelsgewijze toelichting die wordt gegeven bij de wijziging van artikel 27 Wahv op dit punt. Aangezien in de huidige praktijk bij de inning van strafrechtelijke geldsancties geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid van verhaal zonder dwangbevel, ligt het praktisch belang primair bij de wijziging van de Wahv.

In het derde lid van het huidige artikel 576 Sv staat ten onrechte «betekening», want de kennisgeving wordt verstrekt aan degene onder wie verhaal wordt genomen. Dit wordt gecorrigeerd in deze nieuwe bepaling.

Artikel 6:4:7 (24c, vierde, vijfde en zesde lid, 36f, achtste lid (deels), Sr) – verrekening betaalde geldboete met vervangende hechtenis en gijzeling

Dit betreft het huidige artikel 24c, vierde tot en met zesde lid, Sr, over de samenhang tussen het deel van een geldboetevonnis dat is betaald en de ten uitvoer te leggen vervangende hechtenis. Deze leden zijn ongewijzigd overgenomen in deze bepaling.

Artikel 6:4:8 (572, tweede, derde lid, Sv, 36f, zevende lid Sr) – nadere regels inning geldsancties, vergoeding aan slachtoffers

De laatste bepaling van de titel bevat net als bij de andere titels de grondslagen voor het stellen van nadere regels omtrent hetgeen in deze titel is geregeld over de tenuitvoerlegging van geldelijke sancties.

TWEEDE TITEL

ONTNEMING VAN WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL

Voor de huidige bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging van een ontnemingsmaatregel (artikel 577b tot en met 577bg Sv) wordt voorgesteld deze inhoudelijk ongewijzigd over te nemen in deze titel (6:4:9 tot en met 6:4:16 Sv). Het openbaar ministerie heeft in zijn advies verzocht om enkele inhoudelijke wijzigingen van de regeling van het strafrechtelijk executie-onderzoek (SEO). Omdat – zoals het openbaar ministerie ook opmerkt – de regeling pas kort van kracht is en omdat het wijzigingsvoorstellen betreft die een nadere inhoudelijke onderbouwing zouden vergen, zijn de gedane suggesties niet overgenomen in dit wetsvoorstel. In de voorgestelde omzetting wordt enkel gecorrigeerd voor de hernummeringen van artikelen waarnaar in deze regeling wordt verwezen.

Voor de bepalingen die zien op de rechtsbescherming van de veroordeelde tijdens de tenuitvoerlegging geldt dat deze onderdeel uitmaken van het voorgestelde hoofdstuk 6 van dit boek. Deze bepalingen, gebaseerd op de huidige artikelen 577b, tweede tot en met achtste lid, Sv worden aldaar toegelicht.

Artikel 6:4:17 (578a, eerste, tweede, zevende lid, Sv) – termijn schriftelijke schikking wederrechtelijk verkregen voordeel

Met deze bepaling worden van het huidige artikel 578a, Sv het eerste, tweede, zevende lid, ongewijzigd overgenomen. De overige leden van artikel 578a krijgen hun plaats in hoofdstuk 6 van de voorgestelde nieuwe regeling.

Artikel 6:4:18 (nieuw) – grondslag voor nadere regels

Dit slotartikel van de titel bepaalt dat in een algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld over de tenuitvoerlegging van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

DERDE TITEL

BEVEL GIJZELING

Artikel 6:4:19 (36f, zevende lid, Sr; nieuw) – toepassing gijzeling door openbaar ministerie bij schadevergoedingsmaatregel

Met dit wetsvoorstel wordt een wijziging van artikel 36f Sr voorgesteld die ertoe strekt dat de rechter bij de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel bepaalt dat gijzeling kan worden toegepast indien een dergelijke maatregel niet volledig wordt voldaan. De maximale duur van deze gijzeling is één jaar. Als tijdens de tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel blijkt dat niet (volledig) wordt betaald en er geen verhaal kan worden genomen, kan het openbaar ministerie toepassing bevelen van de door de rechter in zijn uitspraak bepaalde gijzeling. Hierop ziet deze bepaling, die mede op grond van het advies van het openbaar ministerie over de tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel wordt voorgesteld. Het is op deze plaats goed op te merken dat voor de ontnemingsmaatregel geldt dat in artikel 36e Sr (en ten opzichte van het huidige artikel 577c Sv) eveneens wordt gekozen voor het gebruik van de term gijzeling. Dit vervangt bij de ontnemingsmaatregel de huidige, meer civielrechtelijke term lijfsdwang. Voor deze gijzeling bij het niet volledig voldoen van een ontnemingsmaatregel is op grond van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State voorgesteld dat het openbaar ministerie niet zelfstandig hiertoe kan overgaan maar een vordering bij de rechter moet instellen. Dit is bepaald in het voorgestelde artikel 6:6:25 Sv en wordt bij die bepaling toegelicht.

Met deze voorstellen voor gijzeling wordt beoogd te komen tot een uniformere regeling en toepassing van vrijheidsbeneming als dwangmiddel bij de inning van geldelijke sancties door in alle gevallen te spreken over gijzeling (d.w.z. bij de inning van de ontnemingsmaatregel, van de schadevergoedingsmaatregel, van in een strafbeschikking opgelegde geldboeten en van beschikkingen in het kader van de Wahv). Hierbij is beoogd de bij de uitvoering betrokken instanties niet méér te belasten dan onder de huidige regeling, door het openbaar ministerie de gijzeling zonder rechterlijke tussenkomst te kunnen laten bevelen (net als bij de huidige vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel). Uitgaande van de cijfers van de afgelopen jaren betreft het bij de schadevergoedingsmaatregel maximaal 1.900 gijzelingszaken per jaar, waardoor de uitvoeringsconsequenties relatief beperkt zullen zijn. De verwachting is dat de effectiviteit van de inning van de schadevergoedingsmaatregel wordt vergroot doordat – anders dan de vervangende hechtenis – de gijzeling in gedeelten kan worden toegepast. Door deze flexibiliteit in de toepassing kan ook beter rekening worden gehouden met het vermogen van de veroordeelde op het moment dat het ertoe doet, namelijk het moment van de (stokkende) tenuitvoerlegging. Hieronder wordt deze bepaling verder toegelicht.

De rechter bepaalt – zoals vermeld – in zijn uitspraak dat gijzeling voor een bepaalde duur kan worden toegepast. Dit geldt thans ook voor de toepassing van vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel. Omdat de toepassing van gijzeling volgt uit de rechterlijke beslissing waarin de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd, hoeft op het moment dat het nemen van verhaal ter inning niet slaagt, geen rechter te worden aangezocht; het openbaar ministerie beslist (eerste lid). Dit is eveneens thans reeds het geval bij de vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel. Het openbaar ministerie is bij het bepalen van de duur van de toepassing van gijzeling gebonden aan dezelfde criteria als de rechter die op vordering van het openbaar ministerie bepaalt of en hoe lang gijzeling kan worden toegepast bij een niet geïnde geldboete opgelegd in een strafbeschikking (vergelijk artikel 6:6:25 Sv voor gijzeling bij de geldboete in de strafbeschikking en bij de ontnemingsmaatregel). Voor de duur houdt dit in dat er minimaal één dag gijzeling ten uitvoer wordt gelegd en maximaal één dag per openstaande € 25, met een totale maximumduur zoals door de rechter bepaald in zijn uitspraak. Voor de feitelijke duur van de gijzeling wordt verder rekening gehouden met wat al wel is voldaan of verhaald (tweede lid). Dit betekent overigens niet dat in alle gevallen de duur van de gijzeling recht evenredig zal worden verminderd met het bedrag dat reeds is voldaan. Onder omstandigheden, met name wanneer grotere bedragen verschuldigd zijn, is het wenselijk de duur van de gijzeling langer dan dit te laten zijn om hiervan voldoende dreiging te laten uitgaan. Gijzeling wordt niet toegepast als de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij wel wil, maar niet kan betalen (derde lid). De bewijslast ligt hierbij primair bij de veroordeelde. Op het moment dat de veroordeelde tijdens de gijzeling alsnog het verschuldigde bedrag geheel voldoet eindigt de gijzeling – vanzelfsprekend – direct. Daarnaast kan de Minister van Veiligheid en Justitie te allen tijde de gijzeling beëindigen (vierde lid). Dit laatste kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als tijdens het verblijf in het huis van bewaring alsnog een bevredigende betalingsregeling is getroffen, maar ook als tijdens de gijzeling blijkt dat iemand daadwerkelijk niet in staat is te betalen. Tevens kan worden gedacht aan gevallen waarin de gegijzelde ziek wordt in het huis van bewaring. Voordat een dergelijk bevel tot invrijheidsstelling wordt gegeven door de Minister vindt afstemming plaats met het openbaar ministerie, dat de gijzeling heeft bevolen. (Een beëindigde) Gijzeling kan op een later moment opnieuw worden bevolen door het openbaar ministerie. Gijzeling is immers een dwangmiddel dat de verschuldigdheid niet opheft (vijfde lid). Zoals bij de wijziging van artikel 36f Sr wordt toegelicht is de constatering dat toepassing van de huidige vervangende hechtenis de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan het slachtoffer niet opheft een belangrijke aanleiding om de vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel te vervangen door gijzeling. Voor de goede orde merken wij verder in dit verband op dat – net als bij de huidige vervangende hechtenis – ook nadat de door de rechter bepaalde maximale duur van de gijzeling (vervangende hechtenis) is toegepast, de veroordeelde het openstaande bedrag verschuldigd blijft. Er resteren alleen geen wettelijke dwangmiddelen om de veroordeelde tot betaling te bewegen. Tegen de toepassing van gijzeling staat – evenals tegen de tenuitvoerlegging van de huidige vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel – geen rechtsmiddel voor de veroordeelde open.

VIERDE TITEL

STORTING WAARBORGSOM

Artikel 6:4:20 – storting waarborgsom (577d Sv)

Dit betreft de verplaatsing van het huidige artikel 577d Sv. Hierbij wordt gecorrigeerd voor de hernummering van de bepalingen waarnaar wordt verwezen. Daarnaast worden de bij de Wet OM-afdoening (Stb. 2006, 330) ingevoegde verwijzingen naar de strafbeschikking geschrapt, aangezien een strafbeschikking op grond van artikel 257a Sv niet de aanwijzing kan bevatten dat een waarborgsom moet worden gestort.

HOOFDSTUK 5

BIJKOMENDE STRAFFEN

Dit hoofdstuk bevat de – beperkte – regeling van de tenuitvoerlegging van de drie bijkomende straffen die op grond van artikel 9, eerste lid, onder b, Sr kunnen worden opgelegd, te weten ontzetting van bepaalde rechten, verbeurdverklaring en openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

Artikel 6:5:1 (577, 577a Sv) – verbeurdverklaring en verbeurdverklaarde vorderingen

Dit betreft een samenvoeging van de huidige artikelen 577 en 577a Sv, zonder inhoudelijke wijzigingen.

Artikel 6:5:2 (36, derde lid, Sr) – kosten openbaarmaking rechterlijke uitspraak

Dit betreft het huidige artikel 36, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Kosten voor de openbaarmaking van een uitspraak worden op dezelfde wijze geïnd als geldelijke sancties (hoofdstuk 4). In de bepaling is gecorrigeerd voor de abusievelijke verwijzing naar het vervallen artikel 25 Sr.

Artikel 6:5:3 (nieuw) – nadere regels bij of krachtens algemene maatregel van bestuur

Met dit artikel wordt een (nieuwe) grondslag gecreëerd voor het kunnen stellen van nadere regels over de tenuitvoerlegging van door de rechter opgelegde bijkomende straffen.

HOOFDSTUK 6

RECHTERLIJKE BESLISSINGEN INZAKE DE TENUITVOERLEGGING

Het zesde hoofdstuk ziet op beslissingen die tijdens de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel door een rechter moeten worden genomen. Behoudens hetgeen in de Beginselenwetten is bepaald over beslissingen over vrijheidsbenemende sanctie, en behoudens het doen van verzet bij verhaal met of zonder dwangbevel, wordt beoogd al deze rechterlijke vervolgbeslissingen bijeen te brengen in één hoofdstuk. De eerste titel van hoofdstuk 6 bevat de algemene regeling die van toepassing is op elk van die rechterlijke beslissingen, tenzij hiervan in een andere titel van dit hoofdstuk wordt afgeweken. Met de andere titels wordt de opbouw van Boek 6 gevolgd; per hoofdstuk in Boek 6 is er een titel over de rechterlijke vervolgbeslissingen die in het kader van de tenuitvoerlegging van de verschillende sancties aan de orde kunnen zijn.

EERSTE TITEL – ALGEMEEN

Artikel 6:6:1 (nieuw; 14g, derde lid, 14h, tweede lid, 15d, vierde lid, 15i, vierde, vijfde lid, Sr, 509j, 509p, 509z, tweede, derde lid, 580 Sv) – bevoegde rechter

Deze bepaling wijst de rechters aan die bevoegd zijn beslissingen te nemen in het kader van de tenuitvoerlegging. In beginsel is dat het gerecht dat in eerste aanleg kennis heeft genomen van het strafbare feit waarvoor de sanctie is opgelegd waarop de vervolgbeslissing ziet (eerste lid, eerste volzin). Dit kan de politierechter, de kantonrechter of de rechtbank zijn. Voor de goede orde merken wij op dat de rechter die kennisneemt van de zaak in het kader van de tenuitvoerlegging niet dezelfde persoon hoeft te zijn als degene die de zaak in eerste aanleg heeft behandeld. In de consultatie gegeven versie van dit wetsvoorstel was voorgesteld het gerecht in het arrondissement waar de veroordeelde ten gevolge van een vrijheidsbenemende sanctie verblijft gelijkelijk bevoegd te verklaren om beslissingen te nemen inzake de tenuitvoerlegging. Leidende gedachte hierachter was het waar mogelijk beperken van de lengte van de vervoersbewegingen van de justitiële inrichting naar het gerecht. Het College van procureurs-generaal achtte dit in zijn advies om meerdere redenen onwenselijk. Ten eerste zou het in voorkomende gevallen leiden tot extra administratieve lasten doordat – thans veelal nog fysieke – dossiers en aanvullende informatie, inclusief de bij het lokale parket aanwezige gegevens over (het contact met) slachtoffers, zouden moeten worden overgedragen van het ene naar het andere gerecht. Daarnaast zou met enige regelmaat discussie te verwachten zijn over het bevoegde gerecht. Tot slot benoemt de openbaar ministerie dat de detentielocatie kan wijzigen, zodat de vraag naar het bevoegde gerecht opnieuw zou kunnen spelen. Hierbij komt dat in toenemende mate gebruik zal kunnen worden gemaakt van telehoren, wat eveneens de vervoersbewegingen beperkt. Op grond van deze overwegingen is het wetsontwerp zo aangepast dat enkel het gerecht dat in eerste aanleg kennis heeft genomen van het strafbare feit waarvoor de sanctie is opgelegd, bevoegd is tot het nemen van de bedoelde vervolgbeslissingen. Indien het aangezochte gerecht bij het kennisnemen van de zaak oordeelt dat de beslissing beter door een ander gerecht kan worden genomen – bijvoorbeeld het gerecht dat in tweede feitelijke instantie de straf heeft opgelegd – kan het gerecht de zaak doorverwijzen (vierde lid). Door het toenemend gebruik van elektronische processtukken hoeft een dergelijke verwijzing in een afnemend aantal gevallen gepaard te gaan met het versturen van grote papieren dossiers.

Op grond van het advies van de RSJ is het eerste lid gesplitst in twee volzinnen, waarbij de tweede volzin duidelijker dan het ontwerpwetsvoorstel dat in consultatie is gegeven bepaald dat de rechter – tenzij in dit hoofdstuk expliciet anders is bepaald – beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging ambtshalve kan nemen, of op verzoek van het openbaar ministerie of de veroordeelde.

Ter bevordering van de proceseconomie is in het tweede lid opgenomen dat indien de veroordeelde wordt vervolgd voor een ander strafbaar feit en de vordering in het kader van de tenuitvoerlegging gelijktijdig wordt behandeld, de rechter bevoegd is die kennisneemt van het nieuwe strafbare feit. Dit is overgenomen uit de huidige artikelen 14h, tweede lid, en 15i, vijfde lid, Sr.

Het derde lid bevat een specifieke bevoegdheidsregeling voor de gevallen waarin de vervolgbeslissing wordt gevraagd in het kader van de tenuitvoerlegging van een beslissing van een buitenlandse rechter die op grond van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen is overgedragen in Nederland. In dat geval is – bij gebreke van een Nederlandse rechter die de sanctie heeft opgelegd – de rechter bevoegd die het verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland heeft verleend. In de huidige regeling is dit bepaald voor de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling (zie artikelen 15d, vijfde lid, en 15i, vierde lid Sr).

Het gerecht kan – op grond van het eerste lid – ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de veroordeelde komen tot een beslissing als bedoeld in dit hoofdstuk. Indien de aanleiding een verzoek van de veroordeelde is, neemt het openbaar ministerie hierop onverwijld een conclusie (vijfde lid).

De tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen gebeurt onder verantwoordelijkheid van de Minister en door zijn uitvoeringsinstanties. Dit heeft tot gevolg dat de Minister de eerste kan zijn die kennisneemt van omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot het vragen van een vervolgbeslissing. In het zesde lid wordt voor deze gevallen bepaald dat de Minister, in de praktijk zijn uitvoeringsorganisaties, het openbaar ministerie kan informeren over die omstandigheden. Het is daarna aan het openbaar ministerie om te oordelen of die informatie aanleiding geeft tot het indienen van een vordering. Deze beslissing wordt aan de Minister (AICE) gemeld zodat de centrale administratie van het verloop van de executie volledig en sluitend blijft.

Uitgangspunt is dat zaken in het kader van vervolgbeslissingen in de tenuitvoerlegging worden behandeld door een enkelvoudige kamer (zevende lid, onder a). Dit is – net als thans op grond van artikel 14g, derde lid, Sr – anders indien de vordering van het openbaar ministerie strekt tot de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel van één jaar of meer; de behandeling geschiedt dan altijd door een meervoudige kamer (zevende lid, onder b, onderdeel 1°). De enkelvoudige kamer die kennisneemt van de zaak kan deze op grond van het zevende lid (onder b, onderdeel 2°) ook verwijzen naar een meervoudige kamer als de rechter direct na kennisneming van de stukken oordeelt dat dit voor een goede rechtsbedeling aangewezen is. Hierbij kan zowel aan de juridische complexiteit van de gevraagde beslissing als aan de omvang van de in het geding zijnde belangen worden gedacht. Bij verzoeken tot kwijtschelding van een maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan het bijvoorbeeld om vele miljoenen gaan. Het is van belang dat deze verwijzing aanstonds gebeurt om te voorkomen dat behandeling van een zaak wordt vertraagd in gevallen waarin verwijzing voorzienbaar is. Vanzelfsprekend is behandeling door een enkelvoudige kamer ook niet noodzakelijkerwijs het geval als op grond van het tweede lid behandeling van de vordering plaatsvindt bij de behandeling van een nieuw strafbaar feit; dan is leidend welke rechter bevoegd is van dat nieuwe strafbare feit kennis te nemen (onder b, onderdeel 3°). In dit laatste lid van het artikel over de bevoegde rechter is onder c opgenomen dat de rechter-commissaris bevoegd is voor het nemen van spoedeisende, tijdelijke en voorlopige beslissingen. De praktische toepassing hiervan is geregeld in artikel 6:6:20 Sv.

Artikel 6:6:2 (nieuw; 509bb Sv) – bevoegdheid raadsman

Naar analogie van artikel 241b Sv is hier bepaald dat voor de rechterlijke beslissingen inzake de tenuitvoerlegging de raadsman dezelfde bevoegdheden heeft als de veroordeelde. Waar in dit hoofdstuk dus wordt gesproken over de veroordeelde, wordt hieronder mede zijn raadsman verstaan.

Artikel 6:6:3 (nieuw; 14g, derde en vijfde lid, 14h, 15h, 15i, derde, vierde, vijfde, zesde lid, 38x, 77ee, tweede lid, 77wf, 77cca Sr, 509j, zevende lid, 509l, 509o, zesde lid, 509r, eerste lid, 509s, 509z, vierde, vijfde lid, 509aa, eerste lid, 509bb, 509cc, 580 Sv) – procedure vóór de terechtzitting

Dit artikel regelt hetgeen procedureel gebeurt voor de terechtzitting bij het gerecht dat op grond van artikel 6:6:1 Sv bevoegd is. Deze procedurele voorschriften zien dus niet op de beslissingen die door de rechter-commissaris worden genomen. Deze bepaling is geënt op de bepalingen ter zake in het Wetboek van Strafrecht en Wetboek van Strafvordering, die veelal aansluitend op de materiële bepalingen over de straffen en maatregelen zijn opgenomen. Dit betreft onder meer de artikelen 14g, derde en vijfde lid, 14h, 15h, 15i, derde, vierde, vijfde en zesde lid, 38x, 77wf, 77cca en 77ee, tweede lid, Sr, en de artikelen 509r, eerste lid, 580 Sv.

Het openbaar ministerie stuurt alle relevante stukken aan een op grond van artikel 6:6:1 Sv bevoegd gerecht toe. De rechter die kennisneemt van deze stukken bepaalt of de zaak in behandeling wordt genomen of dat het openbaar ministerie of de veroordeelde niet ontvankelijk wordt verklaard (eerste lid). Dit geeft de rechter ten opzichte van de huidige regeling een ruimere mogelijkheid om zaken snel te sluiten indien een veroordeelde bijvoorbeeld met grote regelmaat niet ter zake doende verzoeken indient. Indien de zaak in behandeling wordt genomen, wordt onverwijld een dag voor het onderzoek bepaald en wordt de veroordeelde opgeroepen om aanwezig te zijn. De vordering of conclusie wordt betekend. Op grond van dit wetsvoorstel kan deze gerechtelijke mededeling ook elektronisch worden betekend. Als er sprake is van reclasseringstoezicht, wordt ook de reclasseringsmedewerker opgeroepen (tweede lid). Zo nodig wordt een raadsman toegevoegd (derde lid). De procesdeelnemers kunnen kennisnemen van de processtukken (vierde lid) en getuigen en deskundigen laten oproepen (vijfde lid). Op het oproepen van getuigen en deskundigen tijdens de tenuitvoerlegging zijn dezelfde voorschriften van toepassing als bij de strafoplegging (artikelen 260, 263 en 264 Sv). Indien de veroordeelde nog minderjarig is op het moment dat de zaak dient, gelden de specifieke strafvorderlijke bepalingen voor zaken betreffende jeugdige personen (zesde lid). Dit betreft onder meer de behandeling achter gesloten deuren (artikel 495b Sv), de verplichting tot bijwoning van de zitting door ouders of voogd (artikel 496 Sv) en de mogelijkheid van het vragen van nadere inlichtingen bij de raad voor de kinderbescherming (artikel 498 Sv). De van overeenkomstige toepassingsverklaring van artikel 503 Sv – over aanvullende bevoegdheden van de raadsman voor veroordeelden die de leeftijd van 16 jaar nog niet hebben bereikt – is niet overgenomen aangezien deze bevoegdheid algemeen voor de tenuitvoerlegging is geregeld in artikel 6:6:2 Sv. Er is voor het overige voor gekozen om de artikelen voor jeugdige personen op deze plek van overeenkomstige toepassing te verklaren, ook al zien zij deels op het onderzoek ter terechtzitting, het onderwerp van het volgende artikel.

Voor de goede orde merken wij op dat waar in deze en andere bepalingen wordt gesproken over betekening, toezending en kennisneming van stukken, hieronder ook de elektronische varianten worden verstaan. Zo wordt de mogelijkheid van digitale betekening van gerechtelijke stukken voorgesteld in dit wetsvoorstel en maakt het Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met het gebruik van elektronische processtukken (Wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering) de elektronische uitwisseling en toepassing van processtukken mogelijk.

Artikel 6:6:4 (nieuw; 14fa, 14i, 15e, 38x, 77wf, 77cca Sr, 509dd, 580, 581 Sv) – onderzoek ter terechtzitting

Deze bepaling ziet op het onderzoek ter terechtzitting en is samengesteld uit de diverse artikelen ter zake in het huidige Wetboek van Strafrecht en Wetboek van Strafvordering (o.m. de artikelen 14fa, 14i, 15e, 38x, 77wf, 77cca Sr en de artikelen 509dd, 580, 581 Sv).

Uitgangspunt is behandeling in een openbare terechtzitting (eerste lid). Voor jeugdige personen geldt op grond van artikel 6:6:2, zesde lid, Sv de uitzondering van behandeling achter gesloten deuren (artikel 495b Sv). Het openbaar ministerie moet bij het onderzoek aanwezig zijn en worden gehoord (tweede lid); de veroordeelde en de reclasseringsmedewerkers kunnen aanwezig zijn en worden gehoord (derde lid). Hierbij kan ook gebruik worden gemaakt van «telehoren» (Besluit videoconferentie). Zoals toegelicht bij artikel 6:6:2, zesde lid, Sv gelden voor jeugdige personen specifieke regels voor de aanwezigheid ter terechtzitting. Voor de behandeling van de zaak in het kader van de tenuitvoerlegging gelden veel van dezelfde bepaling als bij de behandeling van een strafbaar feit waarvoor iemand wordt vervolgd (vierde lid). De opsomming van deze bepalingen die van overeenkomstige toepassing zijn verklaard en de uitzondering voor getuigen wiens identiteit niet (geheel) bekend is (de anonieme, bedreigde getuige van artikel 226a Sv)(vijfde lid), zijn gebaseerd op de artikelen 14i, vierde lid, en 15e, zesde lid, Sr en artikel 581, eerste lid, Sv. Het zesde lid geeft het openbaar ministerie, de veroordeelde en diens raadsman de mogelijkheid om gedurende het onderzoek ter terechtzitting wijzigingen aan te brengen in de vordering, de conclusie of het verzoek.

Artikel 6:6:5 (nieuw; 14j Sr, 509n, derde, vierde lid, 509t, vierde lid, 509u, 509u bis, 509ee Sv) – beslissing

Dit artikel over de beslissing is eveneens een samenvoeging van de verschillende bepalingen ter zake in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering.

Een uitspraak in het kader van de tenuitvoerlegging wordt net als een uitspraak waarbij een sanctie wordt opgelegd in het openbaar gedaan (eerste lid). Dit geldt evenzeer voor beslissingen die worden genomen in het kader van de tenuitvoerlegging van jeugdsancties; artikel 495b Sv ziet enkel op het uitgangspunt van een besloten behandeling van de zaak, niet op de uitspraak.

De inhoud van de beslissing wordt schriftelijk medegedeeld aan de veroordeelde. Indien het gaat om een beslissing waarbij voorwaarden zijn gewijzigd, bevat de schriftelijke mededeling de details van deze wijziging (tweede lid). Onder de huidige regeling moeten deze wijzigingen in voorkomende gevallen (in persoon) worden betekend (artikel 14j, tweede lid, Sr, artikel 509n, vierde lid, Sv). Aangezien het gaat om beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging – en de veroordeelde dus in alle gevallen op de hoogte is van de zaak – wordt voorgesteld te volstaan met schriftelijk mededelen. Indien de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen, komt de schriftelijke mededeling ook bij hem in persoon terecht.

Indien er voor de veroordeelde een rechtsmiddel tegen de genomen beslissing openstaat, is het van belang de veroordeelde zo mogelijk in persoon te bereiken. Daarom wordt in het derde lid geregeld dat in deze gevallen – zoals beslissingen in het kader van de ter beschikking stelling en in het kader van de rechterlijke reactie op het niet-naleven van een opgelegde vrijheidsbeperking – de beslissing wordt betekend. Dit garandeert dat in een akte van uitreiking wordt vastgelegd of en zo ja hoe de gerechtelijke mededeling de persoon heeft bereikt. Uitgangspunt bij betekening is dat de betrokkene de gerechtelijke mededeling in persoon krijgt uitgereikt (voorgesteld artikel 36e, eerste lid, onder a en b, Sv).

Artikel 6:6:6 (14e, tweede lid, 38, achtste lid, 38v, vijfde lid, 77za, tweede lid Sr) – opheffen dadelijke uitvoerbaarheid

De rechter die in beroep kennisneemt van een straf of maatregel waarvoor dadelijke uitvoerbaarheid is bevolen, kan op grond van dit artikel dat bevel opheffen of schorsen. De rechter kan deze beslissing ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie nemen. Met deze bepaling wordt aangesloten bij de huidige artikelen 14e, tweede lid, 38, achtste lid, 38v, vijfde lid, en 77za, tweede lid Sr, waarin telkens de mogelijkheid van opheffen van de dadelijke uitvoerbaarheid van een specifieke straf of maatregel is bepaald. De mogelijkheid van bij kennisneming van het beroep opheffen van de dadelijke uitvoerbaarheid ziet ook op de dadelijk uitvoerbare beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging (zoals de dadelijk uitvoerbare tijdelijke opname van het huidige artikel 509j bis Sv). Dat de beroepsrechter de uitvoerbaarheid niet alleen kan opheffen, maar ook kan schorsen is nieuw ingevoegd ten opzichte van de genoemde bepalingen. Reden hiervoor is de rechter meer mogelijkheden te geven rekening te houden met de specifieke omstandigheden van het geval. Deze bepaling loopt samen met het Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de dadelijke tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen (consultatie), waarin eveneens wordt voorzien in een mogelijkheid voor het gerechtshof dat kennisneemt van het hoger beroep om de dadelijke uitvoerbaarheid te schorsen. Een eventuele schorsing eindigt uiteraard op het moment dat in beroep over de zaak is beslist.

Artikel 6:6:7 (nieuw; 14j Sr, 509n, tweede lid, 509ee, 583 Sv) – geen rechtsmiddel

Uitgangspunt is dat tegen een rechterlijke beslissing die in het kader van de tenuitvoerlegging wordt genomen géén rechtsmiddel openstaat. Op deze hoofdregel worden in de overige titels van het zesde hoofdstuk van Boek 6 bepaalde uitzonderingen gemaakt. Mede naar aanleiding van het advies van de 3RO noemen wij gevallen waarin wel beroep kan worden gesteld. Dit betreft bepaalde beslissingen in het kader van de ter beschikking stelling (artikel 6:6:15 Sv) en in het kader van de rechterlijke reactie op het niet-naleven van een (in bijzondere voorwaarden) opgelegde vrijheidsbeperking (artikel 6:6:22 Sv). De hoofdregel van dit artikel geldt wel weer voor deze beslissingen in beroep, hiertegen staat geen rechtsmiddel (cassatie) open.

Het uitgangspunt dat er geen rechtsmiddel kan worden ingesteld bij beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke beslissing is niet anders als de beslissing deel uitmaakt van een uitspraak ter zake van een ander strafbaar feit. Een eventueel ingesteld beroep tegen die uitspraak kan dus alleen zien op de beslissing over het (nieuwe) strafbare feit waarvoor iemand is vervolgd. Hiermee wordt voorkomen dat in gevallen waarin de rechter zich niet alleen uitspreekt over een nieuw feit maar tevens over de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde sanctie, (standaard) hoger beroep wordt ingesteld in de hoop dat de tenuitvoerlegging van de eerste sanctie wordt verrekend in de beroepsbeslissing over het nieuwe strafbare feit. Voor de uitvoeringspraktijk betekent dit dat uit één uitspraak twee data van onherroepelijkheid kunnen komen te staan. De tenuitvoerleggingsbeslissing is direct onherroepelijk, terwijl voor de beslissing over het nieuwe strafbare feit veelal schorsende werking geldt bij het instellen van een rechtsmiddel (artikel 6:1:16 Sv). Praktisch kan dit vorm krijgen door aan de afzonderlijke beslissingen een eigen parketnummer toe te kennen.

TWEEDE TITEL – VRIJHEIDSBENEMENDE STRAFFEN EN MAATREGELEN

Voor de duidelijkheid herhalen wij op deze plek dat uit de structuur van het voorgestelde nieuwe Boek 6 volgt dat de rechter die bevoegd is tot het nemen van de beslissingen uit deze tweede titel, in beginsel wordt bepaald in de eerste titel van dit hoofdstuk. De algemene bepalingen uit de eerste titel geven ook de procedure die wordt gevolgd om te komen tot de beslissing. Daar waar bij de vrijheidsbenemende straffen en maatregelen wordt afgeweken van de algemene regeling, wordt dit specifiek bepaald.

Artikelen 6:6:8 (15d, derde tot en met zevende lid, 15e, tweede lid, Sr) en 6:6:9 (15f Sr) – uitstel of afstel voorwaardelijke invrijheidstelling, gevolgen van toewijzing

Deze artikelen zien op de mogelijkheid van het uit- of afstellen van een voorwaardelijke invrijheidstelling. Ten opzichte van de huidige bepalingen (artikelen 15d, derde tot en met zevende lid, 15e, tweede lid, en 15f Sr) is gewijzigd dat de rechter bij toewijzing van het uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet het tijdstip van invrijheidstelling bepaalt, maar de periode waarvoor uitstel wordt verleend (eerste lid). Hiermee wordt onder meer voorkomen dat de veroordeelde er op rekent die dag vrij te komen, maar doordat er nog andere vrijheidsstraffen openstaan toch nog langer vast dient te blijven zitten. Onverminderd blijft geleden dat de veroordeelde hangende de beslissing over uitstel of afstel niet in vrijheid wordt gesteld (vijfde lid).

Artikel 6:6:10 (nieuw; 38c, 38g, 38h, 38la, zesde, zevende lid, 38lb Sr, 509q, 509s, 509j, vijfde, zesde en zevende lid, 509m Sv) – TBS: beslissingen bij niet-naleving, in het belang van de veiligheid

In dit artikel worden alle huidige beslissingen gebundeld die in het kader van de terbeschikkingstelling kunnen worden genomen indien de ter beschikking gestelde een gestelde voorwaarde niet heeft nageleefd of indien de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen dat op een andere manier vereist (vergelijk artikel 6:3:14 Sv). Deze beslissingen zijn thans verspreid over het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering te vinden (artikelen 38b, 38c, 38h Sr, 509q, 509s, 509j, vijfde, zesde en zevende lid, 509m Sv). Zoals in de aanhef van het eerste lid wordt, aangegeven moet de rechter bij het nemen van deze beslissingen rekening houden met de materiële bepalingen over de terbeschikkingstelling. Dit betreft bijvoorbeeld de inhoud van de voorwaarden die kunnen worden gesteld (artikel 38a Sr) of de totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling, al dan niet met bevel tot verpleging van overheidswege (artikel 38e Sr).

De bevoegde rechter volgt uit het bepaalde in de eerste titel van dit hoofdstuk. Opmerkenswaardig is dat de beslissingen van het eerste lid, onder a tot en met c, van artikel 6:6:10 Sv standaard zullen worden afgedaan door de meervoudige kamer, aangezien deze altijd strekken tot vrijheidsbeneming van minimaal één jaar (artikel 6:6:1, zevende lid, Sv). Uit de algemene systematiek volgt verder dat de rechter ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde of diens raadsman of op vordering van het openbaar ministerie kan komen tot deze beslissingen. Gezien de aard van de beslissingen zal de beslissing in de praktijk doorgaans enkel op vordering van het openbaar ministerie worden genomen.

Het tweede lid ziet op de beslissing tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege. Voor de voorwaarden die aan deze beëindiging kunnen worden verbonden, wordt in dit artikel verwezen naar de materiële bepalingen over het stellen van voorwaarden.

Het derde lid bevat hetgeen thans in artikel 38lb Sr is bepaald over de speciale voorwaarde die kan worden verbonden aan de beëindiging van een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege van een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Nederland; deze vreemdeling kan als bijzondere voorwaarde gesteld krijgen dat hij of zij niet terugkeert naar Nederland.

Het vierde en vijfde lid zien op de situatie dat een vreemdeling zich niet houdt aan de voorwaarde niet naar Nederland terug te keren (huidig artikel 38la, zesde en zevende lid, Sr).

Artikel 6:6:11 (nieuw; 38k Sr, 509j bis, 509o, eerste lid, 509oa, 509q, eerste lid, Sv) – termijnen voor indiening vordering, beslissingen rechter-commissaris

Het eerste tot en met derde lid geven de termijnen die zijn verbonden aan het instellen van een vordering als bedoeld in artikel 6:6:10 Sv. Hiermee worden – inhoudelijk ongewijzigd – de huidige bepalingen ter zake overgenomen (artikelen 509oa, 509q, eerste lid, Sv). Van belang is dat hangende de beslissing van de rechter de ter beschikking gestelde niet in vrijheid wordt gesteld. Hierop ziet het vierde lid van dit artikel. Het vijfde tot en met zevende lid zien op de beslissingen die de rechter-commissaris kan nemen om in het kader van de terbeschikkingstelling op korte termijn te komen tot een voorlopige of tijdelijke reactie. Zoals de RSJ in zijn advies opmerkt is thans niet de rechter-commissaris maar de rechtbank bevoegd tot het bevelen van een tijdelijke opname voor de duur van maximaal zeven weken en tot het eenmalig verlengen van deze tijdelijke opname met maximaal zeven weken (artikel 509j bis Sv). Deze keuze vloeit voort uit de algemene keuze om in het kader van de tenuitvoerlegging de rechter-commissaris spoedeisende, tijdelijke en voorlopige beslissingen te laten nemen (voorgesteld artikel 6:6:1, zevende lid, onder c, Sv). Conform het advies van de RSJ is in het negende lid ter versterking van de rechtspositie van de ter beschikking gestelde in deze procedure bepaald dat de ter beschikking gestelde zo mogelijk vóór het nemen van de beslissing, maar in elk geval achteraf door de rechter-commissaris wordt gehoord. Het achtste tot en met tiende lid stellen enkele procedurele vereisten aan de beslissing van de rechter-commissaris. De korte termijn waarbinnen moet worden beslist en de dadelijke uitvoerbaarheid, stemmen overeen met de huidige regeling en volgen uit het spoedeisende karakter van deze beslissingen.

Artikel 6:6:12 (nieuw; artikel 509o Sv) – te overleggen stukken

Bij beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging van een terbeschikkingstelling moeten op grond van deze bepaling enkele specifieke documenten worden overlegd, die inzicht geven in het gedrag van de ter beschikking gestelde en zijn of haar lichamelijke en geestelijke gesteldheid. Met dit artikel worden de huidige bepaling ter zake gevolgd (artikel 509o Sv). Dit artikel betreft een aanvulling op de algemene bepalingen uit artikel 6:6:3 Sv.

Artikel 6:6:13 (509j, zesde lid, 509k, 509l, 509r, tweede lid, 509t, eerste, vijfde lid, Sv) – onderzoek rechter, horen ter beschikking gestelde

Dit artikel bevat in aanvulling op het algemene artikel 6:6:4 Sv nadere voorschriften voor het onderzoek voor de in artikel 6:6:10 genoemde beslissingen in het kader van de terbeschikkingstelling. Met deze regeling worden de huidige artikelen die hierop zien gebundeld (artikelen 509k, 509l, 509r, tweede lid, 509t, vijfde lid, Sv). Conform het advies van de RSJ is in het eerste lid het huidige artikel 509j, zesde lid, Sv overgenomen. Hierin wordt bepaald dat het onderzoek in elk geval binnen één maand plaatsvindt indien deze volgt op een bevel van de rechter-commissaris tot voorlopige verpleging dan wel een bevel tot voorlopige hervatting van de verpleging. In het derde lid is opgenomen dat niet alleen de ter beschikking gestelde, maar ook diens raadsman wordt gehoord alvorens wordt beslist.

Artikel 6:6:14 (38s Sr, 509ee Sv) – tussentijdse beoordeling noodzaak voortzetting tenuitvoerlegging ISD

Dit artikel ziet op de mogelijkheid tussentijds – tijdens de tenuitvoerlegging – de noodzaak te beoordelen om de tenuitvoerlegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voort te zetten. Het eerste lid is een aanvulling op artikel 38s, derde lid, Sr, waarin wordt bepaald dat de rechter bij het opleggen van de maatregel kan beslissen tot een tussentijdse beoordeling. Op grond van artikel 6:6:1 Sv kan de rechter ambtshalve, op vordering van de officier van justitie, dan wel op verzoek van de verdachte of diens raadsman tot een tussentijdse beoordeling komen. Voor de situatie dat de rechter bij het opleggen van de maatregel beslist tot een tussentijdse beoordeling, wordt dit voorgesteld in het nieuwe artikel 38n, derde lid, Sr. Tijdens de tenuitvoerlegging is het gerecht bevoegd dat in eerste aanleg kennis heeft genomen van het strafbare feit waarvoor de ISD is opgelegd; dit kan dus – indien het gerechtshof voor het eerst de maatregel heeft opgelegd – een andere rechter zijn dan die op grond van artikel 38s, derde lid, Sr heeft besloten tot de tussentijdse beoordeling. Op dit punt stemt de bevoegdheidsregel van 6:6:1 Sv overeen met de rechtspraak waarop het openbaar ministerie in zijn advies wijst (HR 18 november 2008, NJ 2009/292), waaruit volgt dat redelijke wetsuitleg meebrengt dat ten aanzien van een in hoger beroep opgelegde ISD-maatregel heeft te gelden dat de rechtbank die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het misdrijf ter zake waarvan de ISD-maatregel is opgelegd, bevoegd is tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel. Het hof is zelf niet bevoegd tot die tussentijdse beoordeling, maar is wel bevoegd om gelijktijdig met het opleggen van de maatregel te beslissen tot zo’n tussentijdse beoordeling. Dat een andere rechter dan de rechter die de maatregel heeft opgelegd oordeelt over de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging is overigens ook het geval als de opleggende rechter niet beslist tot een tussentijdse beoordeling van de ISD en zes maanden na de start van de tenuitvoerlegging wordt verzocht om een tussentijdse beoordeling (tweede lid). Het derde en vierde lid bevatten enkele specifieke voorschriften voor deze tussentijdse beoordeling. Deze zijn gebaseerd op het huidige artikel 38s, eerste en derde lid, Sr.

Artikel 6:6:15 (509v, 509ff Sv) – instellen beroep

Dit artikel voorziet in een uitzondering op de in artikel 6:6:7 Sv vastgelegde hoofdregel door voor de in het eerste lid genoemde beslissingen het instellen van beroep mogelijk te maken. Reden voor deze uitzondering is dat het bij deze beslissingen kan gaan om meerjarige vrijheidsbeneming (zoals verlenging of hervatting van een terbeschikkingstelling). Onder het huidige recht staat tegen deze beslissingen ook beroep open (zie bijvoorbeeld artikel 509v Sv). De termijn van veertien dagen voor het instellen van het beroep start na de beslissing van de rechter. Hierin wordt aangesloten bij de formulering van artikel 408, eerste lid, Sv. De beslissing waartegen beroep kan worden ingesteld wordt op grond van artikel 6:6:5, derde lid, Sv betekend. Deze betekening zal veelal in persoon geschieden omdat de ter beschikking gestelde op grond van de beslissing van de rechter zijn vrijheid zal zijn ontnomen.

Artikel 6:6:16 (509w Sv) – onderzoek gerechtshof

Voor het onderzoek door het gerechtshof gelden voor een groot deel dezelfde regels als voor het onderzoek dat leidt tot de beslissing die in beroep wordt aangevochten (eerste lid). Het tweede lid geeft het gerechtshof de mogelijkheid om direct na eerste kennisneming van de stukken te beslissen indien deze kennisneming tot het oordeel leidt dat het beroep kennelijk ongegrond of niet ontvankelijk is. Met het derde lid wordt het derde lid van het huidige artikel 509w Sv ongewijzigd overgenomen.

Artikel 6:6:17 (509x, eerste lid, 509gg Sv) – beslissing gerechtshof

Het gerechtshof beslist zo spoedig mogelijk en kan of een nieuwe beslissing nemen of de beslissing van de rechter bekrachtigen. Dit artikel is inhoudelijk gelijk aan het huidige eerste lid van artikel 509x Sv. Het openbaar ministerie wijst er zijn advies op dat het tweede lid van artikel 509x Sv niet is overgenomen. Dit is bewust gedaan. De uitsluiting van hoger beroep valt onder de nieuwe bepaling van artikel 6:6:7 Sv en de motiveringsplicht volgt uit het eerste lid van artikel 6:6:5, waarin is bepaald dat rechterlijke beslissingen binnen de tenuitvoerlegging met redenen zijn omkleed.

Artikel 6:6:18 (nieuw, 38g, derde lid, Sr, 509o, eerste lid, Sv) – nadere regels bij algemene maatregel van bestuur

Dit laatste artikel van deze titel over rechterlijke beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende sancties geeft een grondslag voor het stellen van nadere regels hierover. Voortbouwend op de huidige artikelen 38g Sr en 509o, eerste lid, Sv zien deze nadere regels in elk geval op de procedures van verlenging van de terbeschikkingstelling en van de voorwaardelijke beëindiging van het bevel tot verpleging.

DERDE TITEL – VRIJHEIDSBEPERKENDE STRAFFEN, MAATREGELEN EN VOORWAARDEN

Artikel 6:6:19 (14f, 38b, 38i, 38j, 38q, 77cc Sr; 509z, eerste lid, Sv) – wijzigen proeftijd en voorwaarden door de rechter

Met dit artikel worden de verschillende bepalingen over het wijzigen van een proeftijd – de artikelen 14f, 38b, 38i, 38j, 38q, 77cc Sr – samengebracht in één artikel. Voor al deze proeftijden kan de rechter op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de veroordeelde wijzigingen aanbrengen in de termijn van de proeftijd, in de voorwaarden die aan de proeftijd zijn verbonden en in de toezichtsopdracht van de reclassering (eerste lid). In reactie op het advies van de RSJ bevestigen wij dat is beoogd in artikel 6:6:1 Sv in algemene zin te regelen dat – tenzij anders is bepaald – beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie, danwel op verzoek van de veroordeelde kunnen worden genomen. Op grond van het advies van de RSJ is – zoals op de bestemde plek is toegelicht – de tekst van artikel 6:6:1 Sv in deze richting aangepast.

Ten opzichte van de huidige regeling wordt met het tweede lid de mogelijkheid voor de rechter om de proeftijd te verlengen uitgebreid door meermalen verlenging mogelijk te maken en door de verlenging niet te beperken tot twee jaar maar tot de maximale termijn die kan worden gesteld door de rechter die de eerste proeftijd bepaalt.

Het derde lid is naar aanleiding van het advies van het openbaar ministerie toegevoegd. Dit artikel geldt ook terbeschikkingstellingen. De looptijd van een TBS onder voorwaarden of van een TBS waarvan het bevel tot verpleging voorwaardelijk is beëindigd, is niet aan te merken als een proeftijd. Met het derde lid wordt geregeld dat ook bij deze looptijden de rechter voorwaarden kan stellen, wijzigen of opheffen of opdrachten over toezicht door de reclassering kan geven.

Artikel 6:6:20 (14fa, tweede tot en met zesde en achtste lid, 15h, tweede tot en met zesde en achtste lid, 38x, tweede lid, 77wf, 77cca, 77dd, eerste tot en met vierde lid, Sr) – bevoegdheid rechter-commissaris

In artikel 6:6:1, zevende lid, onder c, Sv wordt benoemd dat de rechter-commissaris bevoegd is tot het nemen van spoedeisende, tijdelijke en voorlopige beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging. Dit artikel somt in het eerste lid deze beslissingen op. Het betreft beslissingen die onder het huidige recht ook worden genomen door de rechter-commissaris (artikelen 14fa, 15h, 38x, 77wf Sr). Met het tweede tot en met het zevende lid worden de procedurele voorschriften uit de genoemde huidige artikelen samengevoegd overgenomen. Ten opzichte van die artikelen zijn twee wijzigingen vermeldenswaardig. Ten eerste wordt voorgesteld dat de veroordeelde zo mogelijk wordt gehoord. Dit horen is dus geen absolute verplichting. Voorop staat de spoed voor het nemen van deze beslissingen in reactie op het niet-naleven van vrijheidsbeperkende voorwaarden of maatregelen. Ten tweede keren de huidige artikelen 14fa, zevende lid, en 15h, zevende lid, Sr niet terug in de nieuwe regeling. Dat een veroordeelde in het kader van een voorlopige tenuitvoerlegging of een schorsing van een voorwaardelijke invrijheidstelling niet langer kan worden vastgehouden dan de duur van de ten uitvoer te leggen straf of van de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling is verleend, volgt namelijk uit de algemene bepaling over invrijheidstelling (artikel 6:2:5 Sv). De rechter-commissaris is bij het nemen van zijn beslissing gebonden aan de opgelegde straf waarvoor een vervolgbeslissing wordt gevraagd. Als de veroordeeld wordt aangehouden, wordt op grond van het tweede lid parallel aan de vordering bij de rechter-commissaris een vordering bij de rechtbank ingediend. Hierop ziet het volgende artikel.

Artikel 6:6:21 (14g, eerste, tweede, vierde lid, 15i, tweede lid, 15j, 38c, 38x, 38r, 77v, tweede lid, laatste volzin, 77wf, 77cca, tweede tot en met achtste lid, 77dd Sr, eerste tot en met vierde lid, 509i, derde tot en met zesde lid, 509z, eerste lid, Sv) – bevoegdheid rechtbank

Dit artikel ziet – kort gezegd – op de beslissing van de rechter om bij een onder voorwaarden opgelegde straf of maatregel, of bij een voorwaardelijke invrijheidstelling te besluiten alsnog over te gaan tot tenuitvoerlegging van (een deel van) het strafrestant (eerste lid). In de consultatieversie van dit wetsvoorstel was dit eerste lid bij abuis beperkt tot enkel vrijheidsbenemende straffen en maatregelen. Naar aanleiding van het advies van het openbaar ministerie is dit gecorrigeerd. Het betreft een bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van alle voorwaardelijk opgelegde straffen, dus ook bijvoorbeeld taakstraffen en geldboeten. Een hiertoe strekkende vordering kan – net als op basis van de huidige regeling – worden ingediend als het openbaar ministerie oordeelt dat de veroordeelde de voorwaarde of maatregel niet naleeft en er niet met een waarschuwing kan worden volstaan (derde lid). Bij het alsnog ten uitvoer leggen van een straf of maatregel waarvan de rechter onder het stellen van voorwaarden had bepaald dat dit deels niet zou gebeuren, kan de rechter er ook voor kiezen in plaats daarvan de tenuitvoerlegging van een taakstraf te gelasten (tweede lid). Dit stemt overeen met de huidige regeling (artikel 14g, tweede lid, Sr), met dien verstande dat in de bepaling wordt gecorrigeerd voor verwijzingen naar verplaatste artikelen. Het onderzoek door de rechter dient binnen een zo kort mogelijke termijn plaats te vinden. Op advies van het openbaar ministerie is hiervoor in het vierde lid een termijn van ten hoogste één maand gegeven in die gevallen dat de beslissing van de rechter volgt op een beslissing van de rechter-commissaris als bedoeld in artikel 6:6:20, eerste lid, Sv. Indien de veroordeelde is aangehouden, verplicht het vijfde lid de rechter de veroordeelde te horen alvorens te beslissen. Op grond van artikel 6:6:3, tweede lid, Sv doet het openbaar ministerie de veroordeelde en – indien daarvan sprake is – degene die met het reclasseringstoezicht is belast, tot bijwoning van de zitting oproepen. Conform het advies van het openbaar ministerie stemt de voorgestelde regeling hiermee op dit punt overeen met het huidige artikel 14fa, vierde lid, Sr. Indien de rechter-commissaris voorlopige tenuitvoerlegging van een onder voorwaarden niet ten uitvoer gelegde straf heeft bevolen of de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling heeft bevolen, kan de rechter dit bevel opheffen (zesde lid; huidige artikelen 14f, achtste lid, 77cca, achtste lid, Sr).

Artikel 6:6:22 (14g, derde en vijfde lid, 14h, 15h, 15i, derde, vierde, vijfde, zesde lid, 38x, 77wf, derde lid, 77cca, achtste lid, Sr) – instellen beroep

Tegen de rechterlijke beslissingen bedoeld in artikel 6:6:20, eerste lid, onder c en d, en in artikel 6:6:21, eerste lid, onder b, Sv staat de mogelijkheid van beroep open (eerste lid). Dit betreft de tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis in het kader van de vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Sr), de tenuitvoerlegging van vervangende jeugddetentie of hechtenis in het kader van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige en de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd. In de consultatieversie van het wetsvoorstel was in dit eerste lid een uitbreiding van de rechtsbescherming voorgesteld door – anders dan in de huidige regeling (artikel 14j, eerste lid, Sr) – beroep open te stellen tegen beslissingen die worden genomen na geconstateerde niet-naleving van een bij een voorwaardelijke veroordeling gestelde bijzondere voorwaarde. Het openbaar ministerie heeft in zijn advies met kracht van argumenten betoogd dat deze beroepsmogelijkheid onnodig en onwenselijk is. De door het openbaar ministerie aangedragen argumenten overtuigen. Het gaat om relatief eenvoudige beslissingen van de rechter tot het vaststellen of de voorwaarden al dan niet zijn overtreden en of onder de gegeven omstandigheden gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging is gerechtvaardigd. De gevolgen van niet-naleving van de voorwaarden zijn door de rechter, die het veroordelend vonnis heeft uitgesproken, bij de straftoemeting meegewogen, terwijl de gevolgen voor de veroordeelde duidelijk zijn. Tegen de beslissing waarin een deel van de straf voorwaardelijk is opgelegd, is hoger beroep mogelijk. Daarmee zijn de belangen van de veroordeelde met voldoende waarborgen omkleed. Een mogelijkheid van beroep tegen deze beslissing tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegd gedeelte van de straf leidt tot ongewenste verlenging van de procedure en tot uitstel van tenuitvoerlegging, waar juist een snelle justitiële reactie op zijn plaats is. Voorts heeft het College van procureurs-generaal bij het eerste lid geadviseerd tegen concentratie van de behandeling van die beroepszaken bij één gerechtshof, te weten het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De beslissingen in de onderliggende strafzaken worden op grond van de gewone bevoegdheidsregels afgedaan. De beslissing tot tenuitvoerlegging bouwt voort op de eerder genomen beslissing tot voorwaardelijke veroordeling. Ook op dit punt is het advies van het College gevolgd.

Het tweede lid is vergelijkbaar met het bepaalde in artikel 6:6:6 Sv; de rechter die kennisneemt van het beroep kan reeds voordat hij beslist in de zaak de tenuitvoerlegging staken, zodat de veroordeelde weer in vrijheid wordt gesteld.

In het derde lid worden de relevante, algemene bepalingen van de beroepsmogelijkheid in het kader van de terbeschikkingstelling van overeenkomstige toepassing verklaard.

Artikel 6:6:23 (22g, derde lid, 22h, 77p, derde lid, Sr) – beslissing op bezwaar tegen vervangende hechtenis of vervangende jeugddetentie bij niet uitvoeren taakstraf

Met dit artikel wordt de huidige mogelijkheid van bezwaar tegen de beslissing van de rechter om vervangende hechtenis of vervangende jeugddetentie toe te passen in het geval een taakstraf niet of niet naar behoren is uitgevoerd (artikelen 22g, derde lid, 22h, 77p, derde lid, Sr), overgenomen, met dien verstande dat dit bezwaar niet meer wordt ingediend bij de rechter die de taakstraf oplegde, maar bij de rechter die op grond van artikel 6:6:1 Sv bevoegd is (eerste lid). Het tweede lid verschilt niet van de huidige regeling.

Artikel 6:6:24 (578, derde tot en met vijfde lid, Sv) – aanwijzingen in OM-strafbeschikking

Dit artikel bevat hetgeen thans in artikel 578, derde tot en met vijfde lid, Sv is geregeld over het beklag dat een bestrafte kan doen tegen een beslissing van de Minister over teruggave van een geldbedrag indien blijkt dat het op grond van een in een strafbeschikking gegeven aanwijzing overgedragen voorwerp een hogere waarde vertegenwoordigt dan de som van het wederrechtelijk verkregen voordeel (artikel 6:3:7 Sv). In het voorgestelde artikel wordt – ter harmonisering van de gehanteerde begrippen – niet meer gesproken over het doen van beklag, maar over het indienen van een bezwaarschrift. Ten opzichte van het vijfde lid van artikel 578 is in het derde lid van artikel 6:6:24 Sv de van overeenkomstige toepassingsverklaring van artikel 577b Sv uitgeschreven.

VIERDE TITEL – GELDELIJKE STRAFFEN EN MAATREGELEN

Artikel 6:6:25 (577c, 578b Sv; nieuw) – vorderen inzet gijzeling bij niet volledig verhaal geldboete in strafbeschikking of ontnemingsmaatregel

Dit artikel betreft het huidige artikel 578b Sv over de toepassing van het dwangmiddel gijzeling indien niet of niet volledig verhaal kan worden genomen ter voldoening van een in een strafbeschikking opgelegde geldboete en het huidige artikel 577c Sv over de tenuitvoerlegging van lijfsdwang bij het niet nakomen van een door de rechter opgelegde ontnemingsmaatregel. Zoals in het artikelsgewijs deel bij artikel 6:4:19 Sv is toegelicht wordt de meer civielrechtelijke term lijfsdwang vervangen door gijzeling.

De in dit artikel voorgestelde regeling komt overeen met de voorgestelde toepassing van gijzeling bij de inning van de schadevergoedingsmaatregel (artikel 6:4:19 Sv), met dien verstande dat voor de strafbeschikking en de ontnemingsmaatregel geldt dat het openbaar ministerie een vordering dient in te stellen om te worden gemachtigd gijzeling toe te passen (eerste lid). Daarnaast kent deze bepaling in het tweede lid een aparte regeling voor het bepalen van de bevoegde rechter bij gijzeling in het kader van een in een strafbeschikking opgelegde geldboete. Voor de bevoegde rechter bij een gijzelingsvordering in het kader van de tenuitvoerlegging van een ontnemingsmaatregel geldt de hoofdregel van artikel 6:6:1 Sv.

In het derde lid wordt de bekendmaking van de oproeping geregeld. Hierin wordt de Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met bekendmakingen aan personen zonder bekende woon- of verblijfplaats gevolgd, dat thans aanhangig is (Kamerstukken 33 956). Reden hiervoor is dat bij dat wetsvoorstel enkel de oproeping voor de behandeling van een gijzelingsvordering bij een strafbeschikking voorgesteld, terwijl met dit artikel de procedure voor de zitting algemeen wordt geregeld (vgl. artikel 6:6:3 Sv).

Het vierde lid ziet op de duur van de gijzeling, die verschillend in duur kan zijn bij de strafbeschikking en bij de ontnemingsmaatregel, maar waarbij steeds geldt dat per € 25 maximaal sprake kan zijn van één dag gijzeling.

Het vijfde tot en met achtste lid zijn inhoudelijk gelijk aan het tweede tot en met vijfde lid van artikel 6:4:19 Sv.

Ten opzichte van het huidige artikel 578b Sv is nog vermeldenswaardig dat is toegevoegd dat de gijzeling te allen tijden kan worden beëindigd door de Minister van Veiligheid en Justitie (zevende lid). Zoals ook bij de toelichting bij artikel 6:4:19 is aangegeven kan hierbij worden gedacht aan gevallen dat er tijdens de gijzeling alsnog een bevredigende betalingsregeling getroffen of er tijdens de gijzeling blijkt dat de gegijzelde daadwerkelijk niet in staat is te betalen. Ook kan worden gedacht aan gevallen waarin de gegijzelde ziek wordt in het huis van bewaring en de gijzeling om deze reden moet worden gestaakt.

Artikel 6:6:26 (577b, tweede, derde, vierde, zesde, zevende lid, Sv) – verminderen of kwijtschelden bedrag ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

Dit betreft het huidige artikel 577b Sv, waarvan het tweede tot en met het vierde, het zesde en het zevende lid worden overgenomen in het eerste tot en met vijfde lid van deze nieuwe bepaling over het verminderen of kwijtschelden van het bedrag dat is vastgesteld bij het opleggen van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het tweede lid bevat een voorbeeld van een geval waarin teruggave van een geldsom aan een veroordeelde aan de orde kan zijn. Hierop is de in artikel 6:1:13 Sv voorgestelde mogelijkheid van verrekening van toepassing.

Het vijfde lid van het huidige artikel 577b Sv wordt niet overgenomen omdat de openbaarheid van de behandeling algemeen wordt geregeld in het voorgestelde artikel 6:6:4 Sv. Het achtste lid van het huidige artikel 577b Sv vervalt eveneens. Hierin is bepaald dat een krachtens artikel 24b van het Wetboek van Strafrecht ingetreden verhoging vervalt. Dit is echter een zinledige bepaling aangezien artikel 24b Sr niet van (overeenkomstige) toepassing is op de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Artikel 6:6:27 (578a, derde tot en met zesde lid Sv) – bezwaar bij termijn schikking wederrechtelijk verkregen voordeel

Dit betreft het huidige artikel 578a Sv, waarvan het derde tot en met zesde lid ongewijzigd worden overgenomen in deze nieuwe bepaling over het bezwaar dat door de veroordeelde kan worden gemaakt tegen de beslissing van de officier van justitie op het verzoek om teruggave van geld of goederen (artikel 6:4:17, tweede lid, Sv).

VIJFDE TITEL – JEUGD

Voor de voorgestelde artikelen 6:6:28 tot en met 6:6:37 geldt dat deze zonder inhoudelijke wijzigingen zijn overgenomen uit de huidige regeling. Wel is gecorrigeerd voor verwijzingen naar met dit wetsvoorstel verplaatste en gewijzigde artikelen.

Op advies van de Raad voor de rechtspraak is bij de beslissing tot verlenging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen de rechterlijke adviesmogelijkheid van artikel 6:1:1, derde lid, Sv expliciet van overeenkomstige toepassing verklaard (artikel 6:6:31, zevende lid, Sv).

Naar aanleiding van het advies van de RSJ is artikel 6:6:31, derde lid, Sv gewijzigd om te verduidelijken dat hoger beroep tegen een beslissing tot verlenging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen mogelijk is. In het vierde en vijfde lid zijn enkele bepalingen overgenomen die specifiek zien op beslissingen over minderjarige verdachten.

HOOFDSTUK 7

GRATIE

De Gratiewet bevat de regeling van de procedure van een gratieverzoek. In het Wetboek van Strafvordering wordt geregeld welke vonnissen in aanmerking kunnen komen voor gratie en wat het effect van een gratieverzoek is op de tenuitvoerlegging.

Artikel 6:7:1 Sv (558 Sv) – mogelijkheden tot gratie

Dit artikel betreft de strafrechtelijke gratieregeling die thans in artikel 558 Sv is opgenomen. In dit artikel zijn enkele technische wijzigingen voorgesteld. Zo is het huidige derde lid, toegevoegd aan het eerste lid, onder b, en zijn de gevallen waarvoor geen gratie kan worden verleend verplaatst van het eerste lid naar het derde lid. Deze wijzigingen zijn niet louter cosmetisch. Praktisch wordt bereikt dat de in het derde lid benoemde ondergrens van € 340 – indien dit wetsvoorstel wordt aangenomen en in werking treedt – ook geldt voor het eerste lid en daarmee anders dan thans ook voor de in het tweede lid genoemde straffen die zijn opgelegd door het Internationaal Strafhof of door een rechter in een ander land.

Artikel 6:7:2 (558a Sv) – opschortende werking gratie

In dit artikel wordt uitgewerkt in welke gevallen een verzoekschrift om gratie de tenuitvoerlegging van de straf opschort. Ten opzichte van de huidige regeling wordt voorgesteld de opschorting te schrappen bij geldboetes. Bij kortdurende vrijheidsstraffen en taakstraffen heeft een gratieverzoek opschortende werking aangezien een vrijheidsbeneming en een taakstraf niet kunnen worden teruggedraaid als het gratieverzoek wordt gehonoreerd. Dit is anders bij geldboetes die nog niet in de fase van vervangende hechtenis zitten. Omdat een geldbedrag eenvoudig kan worden geretourneerd in het geval dat gratie wordt verleend, is in de rechtswetenschap wel beargumenteerd dat opschortende werking kan worden onthouden aan een gratieverzoek dat ziet op een geldboete (F. W. Bleichrodt, Een voortvarende tenuitvoerlegging van straffen, Sancties, aflevering. 5, 2010, blz. 221 e.v.). Precies dat wordt voorgesteld in deze bepaling. Voor het overige is de voorgestelde bepaling gelijk aan het huidige artikel 558a Sv, met dien verstande dat de grondslag om nadere regels te kunnen stellen (artikel 558a, derde lid, Sv) is verplaatst naar het laatste artikel van dit hoofdstuk over gratie.

Artikel 6:7:3 Sv (559 Sv) – geen opschortende werking gratie

Dit artikel stelt beperkingen aan de opschortende werking van gratieverzoeken. Hierin zijn geen inhoudelijke wijzigingen voorgesteld ten opzichte van het huidige artikel 559 Sv.

Artikel 6:7:4 (559a Sv) – mededeling aanvang opschorting

Vanuit de voorgestelde verantwoordelijkheid van de Minister voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen, is in deze bepaling (gebaseerd op het huidige 559a Sv) de mededeling van de Minister aan het openbaar ministerie over het ingaan van de opschorting, geschrapt. Om dezelfde reden is het ingaan van de opschorting (derde lid) niet meer gekoppeld aan de kennisneming van deze mededeling door het openbaar ministerie, maar aan de kennisneming door de veroordeelde. Tot slot is het – vanwege de algemene verantwoordelijkheid van de Minister voor de tenuitvoerlegging – de Minister die er zorg voor draagt dat de tenuitvoerlegging overeenkomstig de geldende wettelijke voorschriften wordt opgeschort of geschorst.

Artikel 6:7:5 (560 Sv; nieuw) – gratieverzoek van openbaar ministerie of derde

Conform het huidige artikel ter zake, artikel 560 Sv, wordt voorgesteld een verzoekschrift om gratie dat niet afkomstig is van degene aan wie de straf of maatregel is opgelegd, niet in behandeling te nemen indien degene niet met het verzoek instemt. In het voorgestelde artikel wordt hieraan toegevoegd dat deze instemming niet vereist is bij een ambtshalve door het openbaar ministerie ingediend verzoekschrift om gratie. Hierbij moet met name worden gedacht aan de gratieverzoeken die het openbaar ministerie ambtshalve, in het kader van een persoonsgerichte aanpak indient. De gedachte is hierbij niet zozeer dat verwacht wordt dat de veroordeelden niet zouden instemmen met een dergelijk gratieverzoek, als wel dat dit een administratieve stap scheelt.

Artikel 6:7:6 (560a Sv) – doorzending gratieformulier

Met dit artikel wordt het huidige artikel 560a Sv – over de afwikkeling van gratieverzoeken op niet-gratieerbare maatregelen – ongewijzigd overgenomen.

Artikel 6:7:7 (560b Sv) – teruggave na gratie

Dit artikel betreft het voorstel tot wijziging en vernummering van het huidige artikel 560b Sv. Inhoudelijk zijn geen wijzigingen in deze bepaling voorgesteld.

Artikel 6:7:8 (nieuw; 558a, derde lid, Sv) – nadere regel bij algemene maatregel van bestuur

Dit artikel bevat een grondslag voor het bij algemene maatregel van bestuur stellen van nadere regels gesteld over de gratieregeling uit dit hoofdstuk. De nadere regels zien – net als het op artikel 558a, derde lid, Sv gebaseerde Besluit aanvang tenuitvoerlegging straffen en maatregelen – in elk geval op het tijdstip van de aanvang van de tenuitvoerlegging.

ARTIKEL II – WETBOEK VAN STRAFRECHT

Onderdeel A

Artikel 11 Sr

Bij de vaststelling van de Penitentiaire beginselenwet (Stb. 1998, 430) is in artikel 11Sr voorzien in een grondslag voor het bij of krachtens wet stellen van regels over de wijze van tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Zoals in de memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel met reden is opgemerkt, behoren regels aangaande de executie van de straf te worden ondergebracht in het Wetboek van Strafvordering dan wel in een aparte wet aangaande de tenuitvoerlegging (Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, blz. 4). Dit wetsvoorstel beoogt hetzelfde te bereiken door waar mogelijk de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging van sancties bij elkaar te brengen in het nieuwe boek 6 Sv. Gezien de omvang, de complexiteit en het specifieke karakter van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming is voor de bepalingen dienaangaande gekozen voor concentratie in de Penitentiaire beginselenwet. Een dergelijke eigenstandige wettelijke regeling behoeft geen grondslag in een regeling van hetzelfde niveau. Om deze reden wordt voorgesteld artikel 11 van het Wetboek van Strafrecht te schrappen. De RSJ kan bovenstaande redenering volgen, maar vreest voor een lacune omdat dit artikel niet alleen bepaalt dat een en ander bij wet moet worden geregeld, maar ook wat er in elk geval bij wet moet worden geregeld. Gezien het evidente belang van de in artikel 11 Sr onder a tot en met f genoemde onderwerpen (o.m. de bestemming van inrichtingen, de selectie van personen, het beheer van en toezicht op de inrichtingen, het regime in de inrichtingen, beperkingen op de grondrechten in de inrichtingen en de rechtsgang bij bepaalde beslissingen over de gedetineerde) en de uitgebreide wettelijke regeling hiervan in de Beginselenwetten zien wij – anders dan de RSJ – geen bezwaar in het schrappen van deze bepaling.

Artikel 13 Sr

Dit artikel over de plaatsing in een justitiële inrichting voor terbeschikkingstelling bij gebrekkige ontwikkeling of psychische stoornis wordt overgenomen in de artikelen 6:2:9 en 6:2:10 van het nieuwe Boek 6 – Tenuitvoerlegging.

Onderdeel B

Het vierde en vijfde lid van artikel 14b kunnen komen te vervallen, zo merkte het openbaar ministerie in zijn advies op. Het vierde lid ziet op de tenuitvoerlegging en is overgenomen in het voorgesteld artikel 6:1:18 Sv. Het huidige vijfde lid, waarin wordt bepaald dat de proeftijd niet loopt op het moment dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen, kan komen te vervallen aangezien deze stuiting van de proeftijd als onderdeel van de tenuitvoerlegging wordt geregeld in het voorgestelde artikel 6:1:17 Sv.

Onderdeel C

In het eerste lid van artikel 14c Sr wordt ten eerste gecorrigeerd voor de verwijzing naar artikel 14d Sr. Ten tweede wordt in dit eerste lid – op grond van het advies 3RO en net als in het voorgestelde artikel 6:3:14, derde lid, Sv – voorgesteld dat onder medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht mede melding bij de reclasseringsinstelling moet worden begrepen. Verder worden aan artikel 14c Sr worden twee leden toegevoegd die thans onderdeel uitmaken van de artikelen 14d en 14f.

Het vijfde lid is gebaseerd op artikel 14d, tweede lid, eerste volzin. Wat met dit wijzigingsvoorstel vervalt, is dat de rechter een specifieke reclasseringsinstelling kan aanwijzen. Deze beslissing betreft de wijze van tenuitvoerlegging van de opgelegde straf en wordt – net als het overige deel van het huidige artikel 14d – geregeld in het nieuwe Boek 6. De 3RO is het eens met deze wijziging aangezien deze formulering recht doet aan zowel de huidige als de beoogde praktijk. In de praktijk worden reclasseringsopdrachten door het AICE verzonden aan een gezamenlijk «instroompunt» van de drie reclasseringsorganisaties. Daar wordt aan de hand van de cliëntkenmerken en volumeafspraken bepaald welke reclasseringsorganisatie de opdracht gaat uitvoeren.

Het zesde lid is het huidige tweede lid van artikel 14f Sr.

Onderdeel D

Het toezicht op de naleving van voorwaarden wordt geregeld in het voorgestelde Boek 6 Sv (onder meer in 6:3:14 Sv). Artikel 14d Sr kan om deze reden komen te vervallen.

Onderdeel E

De mogelijkheid van de rechter om in eerste aanleg bevolen dadelijke uitvoerbaarheid van een straf op te heffen wordt algemeen geregeld in het voorgestelde artikel 6:6:6 Sv. Het huidige tweede van artikel 14e kan om deze reden komen te vervallen. In het restant van de bepaling – het huidige eerste lid – wordt met deze wijziging gecorrigeerd voor de verwijzing naar artikel 14d Sr, dat op grond van dit voorstel vervalt.

Onderdeel F

Op grond van dit onderdeel vervallen de artikelen 14f tot en met 16, 19 en 22a Sr. Hieronder wordt per cluster van samenhangende bepalingen een toelichting gegeven.

Artikel 14f Sr

De mogelijkheid van verlenging door de rechter van de proeftijd van een bijzondere voorwaarde die is gesteld bij een voorwaardelijke straf (artikel 14f, eerste lid, Sr) is overgenomen in het vierde lid van artikel 14b Sr, en in de artikelen 6:1:18 en 6:6:19 Sv. In het eerstgenoemde artikel is in het tweede lid materieel bepaald dat verlenging door de rechter mogelijk is, het als tweede genoemde artikel maakt onderdeel uit van de procedure waarin tot deze beslissing wordt gekomen.

Artikelen 14fa tot en met 14l Sr

De reactie die volgt op de constatering dat de veroordeelde een bijzondere voorwaarde niet naleeft, wordt geregeld in het nieuwe Boek 6 over de tenuitvoerlegging. De aanhouding (huidig artikel 14fa, eerste en tweede lid, Sr) wordt geregeld in artikel 6:3:15 Sv. De rechterlijke reactie op niet-naleving (huidige artikelen 14g tot en met 14l Sr) wordt geregeld in hoofdstuk 6 van het nieuwe Boek 6.

Artikelen 15 tot en met 15l Sr

De regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling (artikelen 15 tot en met 15l Sr) wordt – als onderdeel van de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf – in haar geheel verplaatst naar het voorgestelde Boek 6. Wij verwijzen ook naar paragraaf 5.3.4 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel 16 Sr

Deze delegatiebepaling voor het nader regelen van reclasseringswerkzaamheden wordt overgenomen in artikel 6:1:15 Sv.

Artikel 19 Sr

Voor de toelichting bij het schrappen van deze schakelbepaling verwijzen wij naar de toelichting in dit artikelsgewijs deel bij het schrappen van artikel 13 Sr.

Artikel 22a Sr

In artikel 22a Sr is bepaald dat het hoofd van het departement van Veiligheid en Justitie – gedoeld wordt op de Minister – onder abnormale omstandigheden, zoals oorlogsdreiging, kan bepalen dat vrijheidsstraffen buiten Nederland ten uitvoer kunnen worden gelegd. Deze bepaling wordt met dit wetsvoorstel geschrapt en keert niet terug in Boek 6 Sv. Dat door de rechter gewezen vonnissen binnen het gehele Koninkrijk ten uitvoer kunnen worden gelegd, is namelijk reeds expliciet geregeld in artikel 40 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.

Onderdeel G

In artikel 22b Sr wordt gecorrigeerd voor de verwijzing naar artikel 22g Sr, dat wordt vervangen door artikel 6:3:3 Sv.

Onderdeel H

Zoals in het artikelsgewijs deel van deze memorie van toelichting is toegelicht bij het voorgestelde artikel 6:3:1 Sv wordt beoogd de mogelijkheid te schrappen om de termijn waarbinnen een taakstraf moet worden uitgevoerd te verlengen. In plaats daarvan wordt voorzien in een langere standaardtermijn. Dit heeft tot gevolg dat van artikel 22c het derde en vierde lid kunnen komen te vervallen.

Onderdeel I

De vermindering van de vervangende hechtenis naar rato van het deel van de taakstraf dat wel is verricht wordt – als onderdeel van de tenuitvoerlegging – geregeld in artikel 6:3:3. Het vierde lid van artikel 22d kan om deze reden komen te vervallen.

Onderdeel J

Deze bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging van taakstraffen (artikelen 22e tot en met 22k Sr) worden overgenomen in het voorgestelde nieuwe Boek 6 en kunnen vervallen uit het Wetboek van Strafrecht. Voor de inhoudelijke wijzigingen bij deze bepalingen verwijzen wij graag naar de toelichting bij de artikelen 6:3:2 tot en met 6:3:6 en 6:6:31 Sv.

Onderdeel K

In artikel 23, eerste lid, Sr wordt gewijzigd dat de Minister van Veiligheid en Justitie de termijn stelt waarbinnen het geldboetevonnis moet zijn voldaan. Dat de rechterlijke uitspraak verplicht tot betaling van de opgelegde geldboete behoeft geen expliciete regeling in deze bepaling over de termijn van betaling en komt met deze wijziging te vervallen.

Onderdeel L

Artikel 24b Sr kan komen te vervallen omdat het bepaalde over de gevolgen van het in verzuim blijven bij de betaling wordt overgenomen in het voorgestelde artikel 6:4:2 Sv. Wij verwijzen naar de toelichting op die bepaling.

Onderdeel M

Hetgeen in het vierde tot en met zesde lid van artikel 24c Sr is bepaald over de vervangende hechtenis wordt op grond van dit wetsvoorstel overgenomen in artikel 6:4:7 Sv. Deze leden kunnen om deze reden komen te vervallen.

Onderdeel N

De aanvang van een vrijheidsstraf wordt bepaald in het voorgestelde artikel 6:2:2 Sv. Artikel 26 Sr kan komen te vervallen.

Onderdeel O

De voorgestelde wijziging van artikel 27 Sr houdt verband met de vernummering van het huidige artikel 578b Sv. Buiten deze correctie van de verwijzing is de bepaling ongewijzigd.

Onderdeel P

De aftrek van buitenlandse detentie wordt geregeld in het voorgestelde artikel 6:2:7 Sv. Artikel 27a Sr kan komen te vervallen.

Onderdelen Q en R

Het toezicht op de naleving door de veroordeelde van de ontzetting van het recht om een bepaald ambt te bekleden of een bepaald beroep uit te oefenen wordt onderdeel van de algemene toezichtsbepaling voorgesteld in artikel 6:3:14 Sv. Het huidige artikel 32 Sr kan om deze reden komen te vervallen, met dien verstande dat de mogelijkheid voor de rechter om een reclasseringsinstelling aan te wijzen als vierde lid aan artikel 28 Sr wordt toegevoegd.

Onderdeel S

In het derde lid van artikel 34 Sr wordt gecorrigeerd voor verwijzingen naar verplaatste bepalingen.

Onderdelen T en V

De kosten en baten van de tenuitvoerlegging worden algemeen geregeld in het voorgestelde artikel 6:1:12 Sv. De artikel 35 en 36a Sr kunnen op grond hiervan komen te vervallen.

Onderdeel U

De inning van de kosten van openbaarmaking is tenuitvoerlegging en wordt geregeld in het voorgestelde artikel 6:5:2 Sv. Het derde lid van artikel 36 Sr kan hiermee komen te vervallen.

Onderdeel W

Deze wijziging van artikel 36e, tiende lid, Sr volgt uit de vervanging van «lijfsdwang» door «gijzeling» als pressiemiddel om veroordeelden tot betaling van een ontnemingsmaatregel te bewegen. Thans kan – na rechterlijk verlof – tot drie jaar lijfsdwang worden toegepast indien een veroordeelde na pogingen verhaal te nemen niet aan de betalingsverplichting voldoet. Op grond van de voorgestelde bepaling bepaalt de rechter voor een dergelijk geval dat tot drie jaar gijzeling kan worden gevorderd. De vordering tot toepassing van gijzeling wordt geregeld in artikel 6:6:25 Sv en nader toegelicht in de bij dat artikel gegeven toelichting.

Onderdeel X

De inning van opgelegde schadevergoedingsmaatregelen, thans geregeld in het vierde tot en met achtste lid van 36f Sr, wordt – als onderdeel van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen – geregeld in het vierde hoofdstuk van Boek 6. Door in het vierde lid artikel 24a Sr van overeenkomstige toepassing te verklaren, blijft behouden dat de rechter in zijn uitspraak kan bepalen dat de schadevergoedingsmaatregel in termijnen kan worden betaald.

Het voorgestelde vijfde lid vervangt materieel het huidige zevende lid. In het huidige artikel 36f, zevende lid, Sr wordt de regeling van toepassing van vervangende hechtenis (of vervangende jeugddetentie) bij niet volledig verhaal van geldboetevonnissen van overeenkomstige toepassing verklaard voor de inning van schadevergoedingsmaatregelen. Hierbij is bepaald dat toepassing van vervangende hechtenis de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan het slachtoffer niet opheft. Vervangende hechtenis is in deze zin geen logische term en geeft ten onrechte associaties met bestraffing. Om deze reden en op grond van het advies van het openbaar ministerie het stelsel van de inning van de schadevergoedings- en de ontnemingsmaatregel te vereenvoudigen wordt voorgesteld de vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel te vervangen door gijzeling. In combinatie met de vervanging van de term lijfsdwang door gijzeling bij de ontnemingsmaatregel (zie de voorgestelde wijziging van artikel 36e Sr en de daarbij gegeven toelichting) wordt bereikt dat in alle gevallen dat vrijheidsbeneming als pressiemiddel tot betaling kan worden ingezet, uniform wordt gesproken over gijzeling. Dit is het geval bij de inning van de ontnemingsmaatregel, van de schadevergoedingsmaatregel, van in een strafbeschikking opgelegde geldboeten en van beschikkingen in het kader van de Wahv. Hierbij geldt telkens dat bij het bepalen van de duur voor elke volle € 25 van het opgelegde bedrag niet meer dan één dag wordt gerekend. Voor de schadevergoedingsmaatregel wordt de totale duur van de gijzeling begrensd op één jaar. Op dit punt wordt dus geen wijziging voorgesteld ten opzichte van de maximale duur van de huidige vervangende hechtenis. De bevoegdheid tot het bevelen of vorderen van gijzeling bij respectievelijk de schadevergoedings- en de ontnemingsmaatregel wordt geregeld in de artikelen 6:4:19 Sv en 6:6:25 Sv, en aldaar toegelicht.

Onderdeel Y

Voor het bepaalde in het eerste lid van artikel 37c Sr geldt hetzelfde als voor het bepaalde in artikel 11 Sr: de eigenstandige wettelijke regeling van de verpleging van overheidswege en de rechtspositie van ter beschikking gestelden in de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden behoeft geen grondslag in een regeling van hetzelfde niveau. Het tweede lid van artikel 37c wordt overgenomen in artikel 6:2:17 Sv. Op deze gronden wordt voorgesteld artikel 37c Sr te schrappen.

De procedurele bepalingen van artikel 37d en 37e Sr worden inhoudelijk overgenomen in de artikelen 6:2:16 en 6:1:12 Sv en kunnen worden geschrapt uit het Wetboek van Strafrecht.

Onderdeel Z

In de artikelen 6:1:8 en 6:3:14 Sv wordt voor ambtenaren en instellingen die zijn belast met de tenuitvoerlegging of met het toezicht op de naleving en de begeleiding van de verdachte of de veroordeelde, algemeen bepaald dat de identiteit van de betrokkene wordt vastgesteld op de wijze bedoeld in artikel 27a Sv. De specifieke bepaling in artikel 38, tweede lid, tweede volzin, Sv kan om deze reden komen te vervallen.

Als gevolg van samenlopende wijzigingen heeft artikel 38 Sr thans twee vijfde leden (Stb. 2010, 270). Het vijfde lid dat begint met «In het geval als bedoeld» ziet op een rechterlijke procedure tijdens de tenuitvoerlegging, te regelen in hoofdstuk 6 van Boek 6 Sv, en kan hier komen te vervallen.

De bevoegdheid van de rechter die kennisneemt van het hoger beroep om de dadelijke uitvoerbaarheid die in eerste aanleg wordt bevolen op te heffen wordt in artikel 6:6:6 Sv algemeen geregeld. Om deze reden kan het achtste lid van artikel 38 Sr komen te vervallen.

Onderdelen AA

Het toezicht op de naleving van vrijheidsbeperkende voorwaarden wordt algemeen geregeld in artikel 6:3:14 Sv. Hieruit volgt dat artikel 38a, derde lid, Sr kan vervallen.

Onderdeel BB

De artikelen 38b, 38c, 38f, 38g, 38h, 38i, 38k, 38l, 38la en 38lb Sr, zien op de tenuitvoerlegging van de ter beschikking stelling en op de (rechterlijke) beslissingen die in dat verband kunnen worden genomen. Deze bepalingen keren materieel terug in de artikelen 6:1:8, 6:1:23, 6:2:19, 6:2:20, 6:6:3, 6:6:6, 6:6:7, 6:6:9, 6:6:10 en 6:6:22 Sv, en kunnen hier vervallen.

De artikelen 38o, 38q, 38r, 38s, 38t en 38u Sr zien op de tenuitvoerlegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders en op de (rechterlijke) beslissingen die in dat verband kunnen worden genomen. Deze bepalingen keren materieel terug in de artikelen 6:1:6, 6:1:8, 6:1:10, 6:1:23, 6:2:21, 6:6:9 en 6:6:22 Sv en kunnen hier vervallen.

De artikelen 38x en 38ij Sr zien op het niet-naleven van een rechterlijke vrijheidsbeperkende maatregel en de schadevergoeding die in dat kader kan worden uitgekeerd in het geval dat er schade is geleden vanwege een in dat verband ten onrechte ondergane vrijheidsbeneming. Deze bepalingen zijn overgenomen in de algemene regeling van het toezicht op de naleving en van het uitkeren van schadevergoeding. Om deze reden kunnen deze bepalingen op deze plaats vervallen.

Onderdeel CC

In artikel 38e Sr wordt gecorrigeerd voor de verwijzing naar het vervallen artikel 38c Sr.

Onderdeel DD

In artikel 38j Sr kan het derde lid vervallen omdat in artikel 6:2:18, tweede lid, Sv wordt bepaald dat een terbeschikkingstelling vervalt bij het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak waarbij dezelfde persoon wederom ter beschikking wordt gesteld.

Onderdeel EE

Aan artikel 38n Sr wordt een derde lid toegevoegd. Hierin wordt het eerste lid van artikel 38s Sr overgenomen, voor zover dit ziet op de materiële mogelijkheid van de rechter om te beslissen tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.

Onderdeel FF

Het toezicht op de naleving van vrijheidsbeperkende voorwaarden en de identiteitsvaststelling daarbij worden algemeen geregeld in artikel 6:3:14 Sv. De grondslag voor nadere regels wordt overgenomen in artikel 6:2:22 Sv. Hieruit volgt dat van artikel 38p het vierde en zevende lid, Sr kunnen vervallen.

Onderdeel GG

De bevoegdheid van de rechter om een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid op te heffen op het moment dat de rechter in hoger beroep kennisneemt van de zaak, wordt algemeen geregeld in artikel 6:6:6 Sv. In artikel 38v kan daarom het vijfde lid vervallen.

Onderdeel HH

De transactie is inmiddels voor het grootste deel omgezet in de strafbeschikking. De gefaseerde invoering van de strafbeschikking wordt naar verwachting uiterlijk in 2015 afgerond. Zoals aangekondigd bij de behandeling van de Wet OM-afdoening blijft de transactiebevoegdheid van de officier van justitie in elk geval tot na de evaluatie van de Wet OM-afdoening naast de strafbeschikkingsbevoegdheid bestaan (Kamerstukken I 2005/06, 29 849, C, blz. 22, 23). Het blijft om deze reden relevant de tenuitvoerlegging van transacties te regelen. Deze voorschriften zijn voornamelijk vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen. Voor de uitvoering van in een transactie overeengekomen taakstraffen wordt de wettelijke regeling van de uitvoering van bij rechterlijke uitspraak opgelegde taakstraffen van overeenkomstige toepassing verklaard. Met de voorgestelde wijziging van het vierde lid van artikel 74 Sr wordt gecorrigeerd voor de verplaatsing van de betreffende bepalingen naar Boek 6 Sv.

Onderdeel II

Met de voorgestelde wijziging van het vierde lid van artikel 74b Sr wordt gecorrigeerd voor verwijzingen naar verplaatste artikelen.

Onderdeel JJ

Artikelen 75, 76 en 76a Sr

Dit wetsvoorstel beoogt de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging van sancties te concentreren in het Wetboek van Strafvordering. Vanuit deze gedachte zijn de bepalingen over het vervallen van het recht tot uitvoering van een straf of maatregel door de dood van de veroordeelde (artikel 75) of door executieverjaring (artikel 76) opgenomen in het nieuwe boek 6 Sv, zodat deze bepalingen in het Wetboek van Strafrecht kunnen komen te vervallen. Ditzelfde geldt voor de gevolgen van overdracht aan een vreemde staat van het recht tot uitvoering van de straf (artikel 77). Met de voorgestelde wijziging van artikel 77 blijven de gevolgen van de overdracht van de strafvervolging aan een vreemde staat wel bepaald in het Wetboek van Strafrecht.

Onderdeel KK

Zoals hierboven toegelicht wordt het vervallen van het recht tot tenuitvoerlegging geregeld in het nieuwe Boek 6. Met deze wijziging van artikel 77 Sr blijft het vervallen van het recht tot strafvordering wel geregeld in het Wetboek van Strafrecht.

Onderdeel LL

Met de voorgestelde wijziging van artikel 77a Sr wordt gecorrigeerd voor verwijzingen naar verplaatste artikelen.

Onderdeel MM

Met de voorgestelde wijziging van het eerste en tweede lid van artikel 77f Sr wordt gecorrigeerd voor verwijzingen naar verplaatste artikelen. Het derde lid van artikel 77f Sr kan vervallen aangezien de verplichting de identiteit tijdens de tenuitvoerlegging vast te stellen op de hier beschreven wijze volgt uit de algemene bepalingen in Boek 6 Sv.

Onderdeel NN

In artikel 77i Sr kan de verwijzing naar artikel 26 Sr worden geschrapt. De ingangsdatum van gevangenisstraf en hechtenis wordt in artikel 6:2:2 Sv namelijk algemeen bepaald, ook voor jeugdigen.

Onderdeel OO

Het bepaalde in artikel 77j Sr keert terug in het voorstel voor Boek 6 Sv. Het eerste en derde lid – over onderbreking van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf – worden overgenomen in artikel 6:2:4 Sv. De delegatiebepaling uit het tweede lid van artikel 77j Sr staat in artikel 6:2:9 Sv. Het vierde en vijfde lid – over voorwaardelijke invrijheidstelling door de rechter bij jeugddetentie – van artikel 77j Sr worden overgenomen in artikel 6:6:28 Sv.

Het bepaalde in artikel 77k Sr wordt overgenomen in hoofdstuk 6 van Boek 6 Sv (artikel 6:6:29 Sv). Dit betreft namelijk een rechterlijke beslissing inzake de tenuitvoerlegging van een opgelegde straf.

Gezien deze verschuiving naar het strafprocesrecht kunnen de artikelen 77j en 77k Sr komen te vervallen.

Onderdeel PP

Het derde tot en met zevende lid van artikel 77l Sr worden overgenomen in artikel 6:6:30 Sv.

Onderdeel QQ

De onderdelen van artikel 77m Sr die zien op de tenuitvoerlegging van jeugdtaakstraffen keren terug in het nieuwe Boek 6 Sv (artikel 6:1:23, tweede lid, en artikel 6:3:8 Sv), met uitzondering van de mogelijkheid van verlenging van de uitvoeringstermijn van de taakstraf (artikel 77m, achtste lid, Sr). Zoals toegelicht in de artikelsgewijze toelichting van het voorgestelde artikel 6:3:1 Sv vervalt deze verlengingsmogelijkheid ten gunste van een langere standaardtermijn.

Onderdeel RR

Artikel 77n, vierde lid, Sr vervalt, omdat het aldaar bepaalde over vermindering van de vervangende jeugddetentie terugkeert in artikel 6:3:10 Sv.

Onderdeel SS

De artikelen 77o, 77p, 77q, 77t, 77tb en 77u Sr kunnen vervallen omdat het aldaar bepaalde terugkeert in het voorgestelde Boek 6 Sv:

  • artikel 77o in de artikelen 6:1:8, 6:3:2 en 6:3:9 Sv;

  • artikel 77p in de artikelen 6:3:10 en 6:6:23 Sv;

  • artikel 77q in artikel 6:3:11 Sv;

  • artikel 77t in artikel 6:6:31 Sv;

  • artikel 77tb in artikel 6:6:32 Sv;

  • artikel 77u in artikel 6:6:37 Sv.

Onderdeel TT

De leden van artikel 77s Sr die zien op de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen worden overgenomen in artikel 6:2:23 Sv en kunnen vervallen uit het Wetboek van Strafrecht.

Onderdeel UU

Het toezicht op de naleving wordt in artikel 6:3:14 Sv algemeen geregeld, het tweede lid van artikel 77ta kan vervallen. In het eerste lid en het derde lid (oud) wordt gecorrigeerd voor verwijzingen naar verplaatste artikelen.

Onderdeel VV

Met de voorgestelde wijziging van het eerste en vierde lid van artikel 77tc Sr wordt gecorrigeerd voor verwijzingen naar met dit wetsvoorstel verplaatste artikelen.

Onderdeel WW

Het huidige artikel 77v Sr kan komen te vervallen aangezien deze bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met dit wetsvoorstel verschuiven naar Boek 6 Sv. Naar aanleiding van het advies van de Raad voor de rechtspraak merken wij specifiek voor de rechterlijke adviesbevoegdheid van artikel 77v, eerste lid, Sr, op dat deze terugkeert in het derde lid van artikel 6:1:1 Sv.

Onderdeel XX

Het huidige artikel 77w Sr wordt teruggebracht tot die onderdelen die niet zien op de tenuitvoerlegging. Die onderdelen verschuiven met dit wetsvoorstel naar Boek 6 Sv.

Onderdeel YY

De artikelen 77wb, 77wd en 77wf Sr vervallen omdat deze zien op de tenuitvoerlegging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (artikel 77w Sr) en om deze reden worden verplaatst naar Boek 6 Sv.

Onderdeel ZZ

Voor het derde tot en met zevende lid van artikel 77wc Sr geldt dat deze uit het Wetboek van Strafrecht kunnen vervallen omdat deze tenuitvoerleggingsbepalingen worden overgenomen in Boek 6 Sv – Tenuitvoerlegging.

Onderdeel AAA

In artikel 77x Sr wordt gecorrigeerd voor verwijzingen naar met dit wetsvoorstel verplaatste artikelen.

Onderdeel BBB

Dat de proeftijd niet loopt gedurende de tijd dat iemand rechtens zijn vrijheid is ontnomen, wordt algemeen geregeld in artikel 6:1:18 Sv. Het derde lid van artikel 77y Sr kan om deze reden komen te vervallen.

Onderdeel CCC

De mogelijkheid voor de rechter die in hoger beroep kennisneemt van een zaak om het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid op te heffen wordt in artikel 6:6:6 Sv algemeen geregeld. Het tweede lid van artikel 77za Sr kan om deze reden vervallen.

Onderdeel DDD

Het toezicht op de naleving door het openbaar ministerie wordt in artikel 6:3:14 Sv algemeen geregeld, dus ook voor voorwaarden bij een voorwaardelijke beëindiging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen en bij een voorwaardelijke maatregel betreffende het gedrag van een jeugdige. Dit heeft tot gevolg dat in de artikel 77aa Sr de toezichtbepalingen kunnen worden geschrapt. In het tweede lid is de wijziging van het Burgerlijk Wetboek die met de Wet van 12 maart 2014 tot aanpassing van wetgeving en vaststelling van overgangsrecht in verband met de herziening van de maatregelen van kinderbescherming (Stb. 2014, 131) is geregeld, reeds betrokken.

Onderdeel EEE

Zoals toegelicht bij het vorige onderdeel wordt het toezicht op de naleving in het voorgestelde Boek 6 Sv algemeen geregeld. In samenhang daarmee worden ook de beslissingen die tijdens de tenuitvoerlegging van een (voorwaardelijke) straf of maatregel worden genomen bepaald in dat Boek. Hetzelfde geldt voor het toezicht op de tenuitvoerlegging van jeugdsancties door de raad voor de kinderbescherming. De artikelen 77cc, 77cca, 77dd, 77ee, 77ff en 77hh Sr kunnen daarmee komen te vervallen.

Onderdeel FFF

Met de wijziging van artikel 88 Sr wordt toegevoegd dat binnen het Wetboek van Strafrecht onder een jaar een periode van twaalf maanden wordt verstaan. Voor de tenuitvoerlegging heeft deze standaardisering bijvoorbeeld tot gevolg dat iemand die wordt veroordeeld tot 3 jaar gevangenisstraf net zolang zal vastzitten als iemand die wordt veroordeeld tot 36 maanden. In de huidige praktijk kan dit 15 dagen schelen (1.095 dagen bij drie kalenderjaren van elk 365 dagen; 1.080 dagen bij 36 maanden van elk 30 dagen). Wij verwijzen voor het overige naar de toelichting die is gegeven bij de wijziging van artikel 136 Sv, waarmee voor het Wetboek van Strafvordering een zelfde definitie wordt voorgesteld.

Onderdeel GGG

In artikel 90quinquies, eerste en tweede lid, Sr wordt gecorrigeerd voor verwijzingen naar verplaatste artikelen.

Onderdeel HHH

De rechters en officieren van justitie die op grond van het huidige artikel 571 Sv zijn belast met het toezicht op de registratievoorschriften van gevangenissen kunnen van het hoofd van een inrichting vorderen iemand die is opgesloten, of de op schrift gestelde grond voor de vrijheidsbeneming, te tonen. De RSJ wees er in haar advies op dat het niet opvolgen van deze wettige vordering strafbaar is gesteld in artikel 369 Sr. Nu het toezicht door de genoemde functionarissen komt te vervallen (toegelicht bij de artikelsgewijze toelichting bij artikel 6:2:1 Sv), is de strafbaarstelling obsoleet.

ARTIKEL III – WET ADMINISTRATIEFRECHTELIJKE HANDHAVING VERKEERSVOORSCHRIFTEN

In het algemeen deel van deze toelichting is ingegaan op de gewijzigde verdeling tussen het openbaar ministerie en de Minister van taken en bevoegdheden bij de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sancties. De voorgestelde wijzigingen van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (verder: Wahv) volgen met name uit het toepassen van deze nieuwe verdeling op de inning van op grond van de Wahv opgelegde sancties (zie nader paragraaf 5.2.4). Daarnaast worden enkele voorstellen gedaan die verband houden met andere ontwikkelingen, zoals het in de toekomst niet meer gebruiken van een papieren acceptgiro en de verdergaande centrale behandeling door het openbaar Ministerie van op grond van de Wahv opgelegde administratieve sancties.

Onderdeel A

Artikel 4, vijfde lid, Wahv

De papieren acceptgirokaart zal naar verwachting in de komende jaren verdwijnen uit het inningsproces. Dit is een gevolg van de realisatie van de Single Euro Payments Area (SEPA), wat staat voor een gebied waarbinnen het in de toekomst mogelijk moet zijn om met één rekening en één set betaalmiddelen te kunnen betalen naar rekeningen in eigen land en naar rekeningen in andere landen. Ingevolge de implementatie van richtlijn nr. 2007/64/EG van het Europees parlement en de Raad betreffende onder meer betalingsdiensten in de interne markt (Stb. 2009, 436) en de in Europees verband gemaakte afspraken over standaarden met betrekking tot de infrastructuur tussen banken onderling ten aanzien van overschrijvingen, automatische incasso en kaartbetalingen heeft (op termijn) tot gevolg dat de Nederlandse acceptgiro en automatische incasso worden vervangen door Europese betaalproducten. Daarnaast biedt de huidige informatietechnologie nieuwe mogelijkheden, zoals het gebruik van een digitale nota. Om deze redenen wordt thans voorgesteld in dit lid te schrappen dat de administratieve sancties (en eventuele verhogingen) dienen te worden voldaan door middel van een toegezonden acceptgiro. In plaats daarvan wordt bepaald dat de Minister op de beschikking de wijze vermeldt waarop de sanctie moet worden voldaan. De in de beschikking vermelde betalingswijze kan – net als op grond van de huidige bepaling – ook inhouden dat een specifieke plaats van betaling wordt aangeduid.

In de bepaling is daarnaast ingevoegd dat de beschikking een beschikkingsnummer vermeldt. Dit beschikkingsnummer is van belang voor de verwerking en registratie van beroepschriften gericht tegen een opgelegde administratieve sanctie. De achtergrond van deze wijziging wordt nader toegelicht bij de toelichting bij de wijziging van artikel 6 Wahv.

Naar aanleiding van het advies van de Raad voor de rechtspraak is in de onderdelen A, D, F en H, betreffende wijzigingen in de artikelen 4, 22, 25 en 26a ter verduidelijking opgenomen dat de inning ook ziet op de administratiekosten.

Onderdeel B

Artikel 6 Wahv

Administratief beroep tegen administratieve sancties op grond van de Wahv wordt binnen het openbaar ministerie in de praktijk niet meer behandeld door de officier van justitie in het arrondissement waar de gedraging is verricht, maar centraal door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (verder: CVOM; zie over dit onderdeel van het openbaar ministerie ook de Wet van 19 juni 2014 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten in verband met de wettelijke regeling van de centrale verwerking openbaar ministerie (Stb. 2014, 225)). De wijziging van het eerste lid strekt ertoe dat op de beschikking wordt vermeld bij welke officier van justitie beroep kan worden ingesteld, zodat dit altijd zonder meer duidelijk is voor de betrokkene. Bij het instellen van beroep bij de officier van justitie moeten enkele identificerende gegevens verplicht worden vermeld. Met de wijziging van het tweede lid wordt voorgesteld ook het door het CJIB op de beschikking vermelde nummer te verplichten. Indien betrokkene dit beschikkingsnummer – in de huidige praktijk bekend als het CJIB-nummer – niet vermeldt, is het voor de CVOM niet (altijd) mogelijk te achterhalen tegen welke administratieve sanctie het beroep is gericht. Door het vermelden van het door het CJIB op de beschikking aangegeven nummer kan op eenvoudige wijze het beroep worden geregistreerd, kunnen de juiste zaaksgegevens bij het CJIB worden opgevraagd en kan vervolgens het beroep (sneller) worden beoordeeld. Dit verkort de doorlooptijd van de behandeling van het beroep. Gezien de grote aantallen administratieve sancties en beroepschriften is dit beschikkingsnummer van wezenlijk belang voor de verwerking en registratie. Voor de goede orde merken wij op dat het ontbreken van een van de verplichte gegevens niet automatisch tot niet-ontvankelijkheid leidt. Pas als het niet eenvoudig mogelijk blijkt op grond van de wel aangeleverde gegevens te bepalen op welke beschikking het beroep betrekking heeft kan dit de consequentie zijn. Thans moet de CVOM in ruim zes procent van de beroepschriften terug naar een betrokkene met het verzoek om het beschikkingsnummer van het CJIB alsnog te vermelden. Op een totaal van circa 400.000 beroepschriften op jaarbasis betekent dit dat met de voorgestelde wettelijke verplichting het beschikkingsnummer te vermelden op het beroepschrift, de CVOM in tot ongeveer 24.000 zaken eventueel verzuim niet hoeft op te vragen. Naast de genoemde bijdrage aan de doorlooptijden wordt met de voorgestelde wijziging onmogelijk gemaakt dat bewust beroepschriften zonder beschikkingsnummer worden ingediend om de registratie en besluitvorming te bemoeilijken.

Onderdeel C

Artikel 10 Wahv

De wijziging hangt samen met de hierboven toegelichte wijziging van artikel 6 Wahv. Doordat de woonplaats van de betrokkene in geen geval meer betekenis heeft voor welke officier bevoegd is, geldt dit ook voor de bevoegde rechtbank.

Onderdeel D

Artikel 11, derde lid, Wahv

Deze wijziging hangt samen met de hierboven bij de wijziging van artikel 4 Wahv beschreven ontwikkeling dat de acceptgiro naar verwachting in de komende jaren zal verdwijnen. De verouderde term storting wordt met de voorgestelde wijziging vervangen door overboeking.

Onderdeel E

Artikel 22 Wahv

Op grond van dit artikel is het openbaar ministerie thans formeel belast met de inning van Wahv-sancties (eerste lid). Ten behoeve van die inning is een ieder verplicht de hiervoor noodzakelijke gegevens te verstrekken aan degene die met de inning is belast (derde lid). In lijn met de in paragraaf 5.1 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting beschreven nieuwe verdeling van taken en bevoegdheden in de tenuitvoerleggingsfase wordt in deze bepaling de officier van justitie vervangen door de Minister van Veiligheid en Justitie. Het CJIB, dat thans reeds feitelijk de inning verzorgt voor het openbaar ministerie, doet dit – indien dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven en in werking treedt – voortaan namens de Minister. Qua strekking is het derde lid van deze bepaling gelijk aan de strafvorderlijke bevoegdheid van de Minister om inlichtingen te vorderen (voorgesteld artikel 6:1:9, eerste lid, Sv).

Er wordt een nieuw vierde lid voorgesteld, waarmee de huidige praktijk dat een officier van justitie de inning van een opgelegde administratieve sanctie ook buiten een door de betrokkene ingesteld bezwaar of beroep kan beëindigen indien hij van oordeel is dat met die inning geen redelijk doel meer wordt gediend, expliciet in de wet wordt vastgelegd. Reden voor deze bepaling is te verduidelijken dat het ook in de nieuwe situatie – waarin de Minister is belast met de inning van de administratieve sancties – een bevoegdheid van de officier van justitie blijft om de administratieve sancties die onder zijn toezicht worden opgelegd te vernietigen of te wijzigen, ook tijdens de innings- en incassofase. Voorbeelden van gevallen waarin dit aan de orde kan zijn, zijn gegeven in paragraaf 5.3.2 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting. Er is voor gekozen dezelfde bevoegdheid niet voor te stellen voor de Minister van Veiligheid en Justitie. De instanties en ambtenaren die een administratieve sanctie in het kader van de Wahv opleggen moeten er op kunnen vertrouwen dat deze sanctie wordt geïnd. Indien naar het oordeel van het CJIB, de met de inning belaste uitvoeringsdienst van de Minister, met de voortzetting van de administratieve sanctie geen redelijk doel wordt gediend, kan het openbaar ministerie worden verzocht gebruik te maken van de in artikel 22, vierde lid, Wahv aan de officier van justitie toegekende bevoegdheid van beëindiging van de inning.

Onderdeel F

Met de voorgestelde wijziging van artikel 23, tweede lid, wordt verduidelijkt dat de wettelijke verhogingen volgen als of de sanctie of de administratiekosten niet tijdig geheel zijn voldaan.

Onderdeel G

Artikel 24 Wahv

Onderdeel van de inning van de administratieve sanctie is het versturen van een aanmaning tot betaling van het (verhoogde) bedrag indien de betrokkene niet tijdig het gehele bedrag heeft voldaan. Met deze wijziging wordt de Minister belast met het versturen van deze aanmaning.

Onderdelen H, I, J en K

Artikelen 25, 26, 26a en 27 Wahv

Deze wijzigingen volgen uit de voorgestelde directe verantwoordelijkheid van de Minister voor de inning van Wahv-sancties en zien op het verhaal met dwangbevel (artikelen 25, 26 en 26a Wahv) en het verhaal zonder dwangbevel (artikel 27 Wahv). In de toekomstige situatie zal verhaal niet door de officier van justitie, maar door de Minister worden genomen (artikel 25). Hieruit vloeit voort dat de Minister wordt belast met de beoordeling van verzetschriften tegen het genomen verhaal (artikel 27 Wahv). Dit sluit aan bij de huidige praktijk waarin verzet reeds volledig wordt afgehandeld door het CJIB.

De termijn voor het inzetten van de genoemde dwangmiddelen is en blijft vijf jaar. Hierbinnen is de termijn voor het nemen van verhaal (artikel 25, tweede lid, Wahv) thans bepaald op twee jaar nadat ten aanzien van de administratieve sanctie een onherroepelijke beslissing is genomen. In de praktijk blijkt deze termijn van twee jaar met regelmaat te kort. Gemiddeld genomen wordt zes maanden na onherroepelijkheid van de administratieve sanctie een dwangbevel uitgevaardigd en ter betekening en tenuitvoerlegging overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder moet zijn dossier sluiten na het verstrijken van de termijn van twee jaar. De gerechtsdeurwaarder heeft dus ongeveer anderhalf jaar de tijd om tot volledige inning te komen. Met regelmaat heeft de gerechtsdeurwaarder op dat moment wel een deel van de vordering weten te innen, maar nog niet het totaal. Door wat extra tijd lukt het de gerechtsdeurwaarder in meer gevallen volledige betaling te verkrijgen, bijvoorbeeld door middel van maandelijkse inhoudingen op loon of uitkering. Dit voorkomt dat zaken doorstromen naar de dwangmiddelenfase, waarin de betrokkene kan worden gegijzeld (artikel 28 Wahv), het rijbewijs kan worden ingenomen (artikel 28a Wahv) en het voertuig buiten gebruik kan worden gesteld (artikel 28b Wahv). Om deze reden wordt met de wijziging van het tweede lid van artikel 25 Wahv voorgesteld de termijn waarin verhaal kan worden genomen van twee jaar te verlengen naar drie jaar. Met de voorgestelde wijziging tot verlenging van de termijn voor het nemen van verhaal wijzigt – zoals vermeld – niet de totale termijn van vijf jaar voor de inning en incasso van de administratieve sanctie. In haar advies ondersteunt de politie dit voorstel van harte. In de praktijk constateert de politie dat deurwaarders te weinig tijd hebben om verhaal te halen, met als gevolg dat de politie wordt belast met het toepassen van gijzeling of de handhaving van buitengebruikstelling van voertuigen. Door het verlengen van de afhandeltermijn is de verwachting dat deze werklast voor de politie zal afnemen omdat de deurwaarder meer tijd krijgt voor deze taken.

Voor artikel 26a Wahv wordt – net als in artikel 11, derde lid, Wahv – voorgesteld de term «storting» in het tweede lid vervangen door de modernere term overboeking. Daarnaast wordt voorgesteld dat bij de behandeling van een tegen de beschikking van de kantonrechter ingesteld hoger beroep niet de officier van justitie maar een gevolmachtigde namens de Minister aanwezig is (vijfde lid). Dit volgt uit de huidige praktijk waarin slechts incidenteel een zittingsvertegenwoordiger van het openbaar ministerie aanwezig is bij de behandeling van een verzetszaak bij de kantonrechter. De gevolmachtigde namens de Minister zullen ambtenaren van het CJIB zijn. Conform de nieuwe gerechtelijke kaart is in het eerste lid opgenomen dat hoger beroep kan worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

De wijziging van het tweede lid van artikel 27 Wahv ziet naast de verschuiving van de verantwoordelijkheid voor de inning van openbaar ministerie naar Minister op de wijze waarop de kennisgeving van het verhaal zonder dwangbevel wordt gedaan. Deze kennisgeving wordt gedaan nadat het verhaal is genomen (bijvoorbeeld op een bij het CJIB bekend bankrekeningnummer van de betrokkene). Dit is om te voorkomen dat de betrokkene tegoeden op zijn bankrekening weghaalt. Voorgesteld wordt deze kennisgeving achteraf niet meer te betekenen, maar via de post te versturen. De termijn waarbinnen verzet kan worden ingesteld tegen het genomen verhaal wordt in dit verband verlengd van één week naar zes weken (zesde lid). Dit is de in het bestuursrecht gebruikelijke termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift (artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht). Betekening is niet noodzakelijk aangezien de betrokkene in deze zes weken ook al via andere weg, te weten de afboeking op zijn bankrekening, kennis neemt van het genomen verhaal. Het niet langer betekenen van deze kennisgeving kan ook getalsmatig worden onderbouwd. Bij de circa 120.000 kennisgevingen van verhaal zonder dwangbevel die in 2011 zijn betekend, is in minder dan 400 gevallen verzet ingediend (ongeveer 0,3 procent van de gevallen). In 2012 heeft de kantonrechter in 6,2 procent van de in dat jaar aan hem voorgelegde gevallen het ingestelde verzet gegrond geoordeeld. Omdat de beslissingen van de kantonrechter in het ene jaar ook deels betrekking hebben op verhaal genomen in het daaraan voorafgaande jaar, kan dit percentage niet zonder meer worden toegepast op het totale aantal kennisgevingen in het ene jaar om te bepalen in hoeveel gevallen ten onrechte verhaal zonder dwangbevel blijkt te zijn genomen. Wel kan dit een indicatie geven van de orde van grootte; toegepast voor 2011 op de circa 120.000 betekende kennisgevingen van verhaal zonder dwangbevel, waartegen 400 keer verzet is ingesteld, kan worden opgemaakt dat het in absolute zin gaat om ongeveer 25 gevallen per jaar. Het toesturen van de kennisgeving leidt dus tot een aanzienlijke besparing in het aantal betekeningsopdrachten, zonder dat de rechtsbescherming van de betrokkenen afneemt. Doordat de betrokkene via de post en via zijn bankgegevens kennis kan nemen van het genomen verhaal, en de periode waarin verzet kan worden ingesteld, wordt verlengd van één naar zes weken, heeft de betrokkene immers ruime mogelijkheden om in verzet te komen tegen het genomen verhaal. Dezelfde wijziging – het schrappen van de betekening van de kennisgeving van genomen verhaal zonder dwangbevel – wordt voorgesteld voor verhaal zonder dwangbevel in het strafrecht (zie artikel 6:4:6 Sv), waarvoor overigens geldt dat dit in de praktijk (nog) niet wordt toegepast.

Onderdelen L, M, N, O en P

Artikel 28, 28a, 28b, 29 en 30 Wahv

Voorgesteld wordt niet langer in artikel 28 Wahv het parket te specificeren waarvan de officier van justitie bevoegd is de inzet van dwangmiddelen te vorderen op het moment dat geen volledig verhaal heeft kunnen plaatsvinden. Dit sluit aan bij de ontwikkeling binnen het openbaar ministerie dat beslissingen in het kader van de Wahv zoveel mogelijk centraal worden voorbereid en genomen (Wet van 19 juni 2014 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten in verband met de wettelijke regeling van de centrale verwerking openbaar ministerie; Stb. 2014, 225).

Zoals is toegelicht in paragraaf 5.3.1 blijft de officier van justitie verantwoordelijk voor beslissingen over het vorderen van vrijheidsbenemende dwangmiddelen zoals gijzeling. De Minister beslist over de inzet van de overige dwangmiddelen. Vanwege de beoogde directe verantwoordelijkheid van de Minister voor de inning van Wahv-sancties is ook in de artikelen 28a, 28b, 29 en 30 Wahv, de officier van justitie vervangen door de Minister. Het is op grond hiervan formeel de Minister die – indien niet volledig verhaal heeft kunnen plaatsvinden – het rijbewijs kan innemen (artikelen 28a en 30 Wahv) en een voertuig van de betrokkene buiten gebruik kan stellen (artikelen 28b en 29 Wahv). In de praktijk worden deze dwangmiddelen uitgeoefend door het CJIB, thans in opdracht van het openbaar ministerie en in de beoogde nieuwe situatie namens de Minister van Veiligheid en Justitie. Buiten deze vervanging van de officier van justitie door de Minister zijn deze bepalingen niet inhoudelijk gewijzigd.

Onderdeel Q

Artikel 36 Wahv

Deze wijziging hangt samen met de voorgestelde wijzigingen van de artikelen 26 en 27 Wahv op grond waarvan de Minister van Veiligheid en Justitie wordt belast met de beoordeling van verzetschriften. Het is hiermee de Minister die aan de indiener van het verzetschrift tegemoet kan komen en die in voorkomende gevallen het betaalde griffierecht kan vergoeden aan de betrokkene. Dit sluit aan bij de bestaande praktijk waarin het CJIB overgaat tot deze uitbetaling, zonder dat daarvoor nadere afstemming met het openbaar ministerie plaatsheeft.

ARTIKEL IV – ADVOCATENWET

Deze wijziging volgt uit de hernummering van de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging. De bepaling is voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL V – ALGEMENE DOUANEWET

Deze wijziging van de Algemene douanewet volgt uit de verplaatsing van een bepaling die ziet op de tenuitvoerlegging van strafbeschikkingen. Artikel 10:15, vierde lid, is voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL VI – ALGEMENE WET INZAKE RIJKSBELASTINGEN

Deze wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen volgt uit de verplaatsing van een bepaling die ziet op de tenuitvoerlegging van strafbeschikkingen. Artikel 76 is voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL VII – BEGINSELENWET JUSTITIËLE JEUGDINRICHTINGEN

Deze wijzigingen volgen uit de hernummering van de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging van jeugdsancties. De bepalingen zijn voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL VIII – BEGINSELENWET VERPLEGING TER BESCHIKKING GESTELDEN

De voorgestelde wijzigingen van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden volgen uit de hernummering van de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging. De bepalingen zijn voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL IX – GERECHTSDEURWAARDERSWET

Deze wijziging volgt uit de hernummering van de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging. De bepaling is voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL X – GRATIEWET

Onderdeel A

Deze wijziging van artikel 1 van de Gratiewet volgt uit het voornemen het openbaar ministerie niet langer te belasten met de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen. In de nieuwe situatie verstrekt het openbaar ministerie deze beslissingen aan de Minister van Veiligheid en Justitie ter tenuitvoerlegging (hoofdstuk 5 algemeen deel).

Onderdeel B

Deze wijziging van artikel 3 van de Gratiewet volgt uit de hernummering van de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging. De bepaling is voor het overige ongewijzigd.

Onderdeel C

Met de invoeging van dit lid in artikel 4 van de Gratiewet wordt voorgesteld dat in het geval er op hetzelfde moment meerdere verzoekschriften worden ingediend die allemaal betrekking hebben op dezelfde veroordeelde, er kan worden volstaan met het vragen van advies aan het gerecht dat de zwaarste straf heeft opgelegd. De hieruit voortvloeiende vermindering van administratieve lasten bij het openbaar ministerie en de dienst van het ministerie die namens de Minister advies bij het gerecht inwint, is met name relevant in die gevallen dat het openbaar ministerie vanuit een persoonsgerichte benadering ambtshalve gratie aanvraagt voor meerdere, vaak relatief lichte veroordelingen. Het gerecht dat op grond van de veroordelingen waarop de verzoekschriften betrekking hebben om advies wordt gevraagd, kan indien het daartoe aanleiding ziet een gerecht dat een van de andere sancties heeft opgelegd om advies vragen, alvorens het advies uitbrengt over alle ingediende verzoekschriften.

Onderdeel D

Artikel 5 Gratiewet

Voor de beoordeling van een verzoekschrift om gratie kan de Minister van Veiligheid en Justitie inlichtingen inwinnen bij daarvoor in aanmerking komende autoriteiten. Dit gebeurt in elk geval in die gevallen waarin het openbaar ministerie bij de verstrekking van de beslissing aan de Minister heeft geadviseerd over tijdens de tenuitvoerlegging te nemen besluiten inzake de verschillende vormen van te verlenen vrijheden. Deze adviesfunctie van het openbaar ministerie is in paragraaf 5.3.3 van het algemeen deel van deze toelichting toegelicht.

Onderdeel E

Artikel 6, eerste lid, en artikel 9 Gratiewet

De verwijzing naar «het verslag van het openbaar ministerie», de term uit het huidige artikel 5, vierde lid, wordt met deze bepaling in artikel 6 en artikel 9 van de Gratiewet gewijzigd in het advies dat het openbaar ministerie kan uitbrengen (zie nader de toelichting op de wijziging van artikel 5 Gratiewet).

Onderdeel F

Artikel 19 Gratiewet

Deze wijziging volgt uit de hernummering van de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging. De bepaling is voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL XI – JEUGDWET

Deze wijziging van de Jeugdwet volgt uit de hernummering van bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging. De bepaling is voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL XII – LOODSENWET

Deze wijziging volgt uit de hernummering van de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging. De bepaling is voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL XIII – NOODWET RECHTSPLEGING

Deze wijziging volgt uit de hernummering van de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging. De bepaling is voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL XIV – OPIUMWET

Deze wijziging volgt uit de hernummering van de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging. De bepaling is voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL XV – OVERLEVERINGSWET

De voorgestelde wijzigingen van de artikelen 60, 65 en 67 van de Overleveringswet volgen uit de hernummering van de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging. De voorgestelde wijziging van artikel 68 van de Overleveringswet volgt uit de verplaatsing van de betekeningsregeling naar het algemeen deel van het Wetboek van Strafvordering. De bepalingen zijn voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL XVI – PENITENTIAIRE BEGINSELENWET

De voorgestelde wijzigingen van de artikelen 9, tweede lid, 10, tweede lid, 76, eerste lid, 77, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet volgen uit de vervanging van lijfsdwang door gijzeling bij de (inning van de) ontnemingsmaatregel en uit de hernummering van de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging. De inhoudelijke wijziging met betrekking tot de gijzeling is toegelicht in de artikelsgewijze toelichting bij de voorgestelde artikelen 6:4:19 en 6:6:25 Sv.

ARTIKEL XVII – POSTWET 2009

De voorgestelde wijziging van artikel 16, derde lid, onder c, volgt uit de verplaatsing van de betekeningsregeling naar het algemeen deel van het Wetboek van Strafvordering. De bepaling is voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL XVIII – SCHEEPVAARTVERKEERSWET

De voorgestelde wijziging van artikel 35b, vierde lid, van de Scheepvaartverkeerswet volgt uit de verplaatsing van de regeling van schadevergoeding en kosten. De voorgestelde wijziging van artikel 35b, vierde lid, van de Scheepvaartverkeerswet volgt uit de verplaatsing van de betekeningsregeling naar het algemeen deel van het Wetboek van Strafvordering. De artikelen zijn voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL XIX – TELECOMMUNICATIEWET

De voorgestelde wijziging volgt uit de hernummering en herindeling van de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging. Artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Telecommunicatiewet is voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL XX – UITLEVERINGSWET

De voorgestelde wijzigingen van de artikelen 53, 57 en 59 van de Uitleveringswet volgen uit de hernummering van de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging en schadevergoeding. De voorgestelde wijziging van artikel 60 van de Uitleveringswet volgt uit de verplaatsing van de betekeningsregeling naar het algemeen deel van het Wetboek van Strafvordering en de toevoeging van de mogelijkheden van elektronische betekening en elektronische toezending. De bepalingen zijn voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL XXI – UITVOERINGSWET INTERNATIONAAL STRAFHOF

De voorgestelde wijzigingen van de artikelen 9 en 56 van de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof volgen uit de verplaatsing van de betekeningsregeling naar het algemeen deel van het Wetboek van Strafvordering. De voorgestelde wijziging van artikel 44 volgt uit de hernummering van de bepalingen die zien op schadevergoeding en kosten. De voorgestelde wijzigingen van de artikelen 64 en 82 van de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof volgen uit de hernummering van de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging. De genoemde bepalingen zijn voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL XXII – UITVOERINGSWET VERDRAG BIOLOGISCHE WAPENS

Deze wijziging volgt uit de hernummering van de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging. De bepaling is voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL XXIII – VREEMDELINGENWET 2000

De voorgestelde wijziging van artikel 105 van de Vreemdelingenwet 2000 volgt uit de verplaatsing van de betekeningsregeling naar het algemeen deel van het Wetboek van Strafvordering. De bepaling is voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL XXIV – WEGENVERKEERSWET 1994

De voorgestelde wijziging van artikel 164 volgt uit de hernummering van de bepalingen die zien op schadevergoeding en kosten.

De voorgestelde wijzigingen van artikel 180 van de Wegenverkeerswet volgen uit de hernummering van de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging.

De bepalingen zijn voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL XXV – WET AANSPRAKELIJKHEIDSVERZEKERING MOTORRIJTUIGEN

De voorgestelde wijziging van artikel 30, achtste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen volgen uit de hernummering van de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging. De bepaling is voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL XXVI – WET BIJZONDERE OPNEMINGEN IN PSYCHIATRISCHE ZIEKENHUIZEN

Deze wijziging van artikel 53, tweede lid, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen volgt uit de hernummering van de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging. De bepaling is voor het overige inhoudelijk ongewijzigd.

ARTIKEL XXVII – WET DIEREN

Deze wijziging van artikel 8.27 van de Wet dieren volgt uit de hernummering van de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging. De bepaling is voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL XXVIII – WET DNA-ONDERZOEK BIJ VEROORDEELDEN

Deze wijziging van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden volgt uit de hernummering van de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging en op de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen. De bepalingen zijn inhoudelijk ongewijzigd.

ARTIKEL XXIX – WET INTERNATIONALE MISDRIJVEN

Deze wijziging van de Wet internationale misdrijven volgt uit de hernummering van de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging. De bepaling is voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL XXX – WET LUCHTVAART

De voorgestelde wijzigingen van de artikelen 11.7, zesde lid, en 11.13, derde lid, van de Wet luchtvaart volgen uit de hernummering van de bepalingen die zien op schadevergoeding en kosten en op de tenuitvoerlegging. De bepaling is voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL XXXI – WET MILITAIRE STRAFRECHTSPRAAK

De voorgestelde wijzigingen van artikel 39, eerste lid, van de Wet militaire strafrechtspraak volgt uit de hernummering van bepalingen over de tenuitvoerlegging. De bepaling is voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL XXXII – WET OP DE BEROEPEN IN DE INDIVIDUELE GEZONDHEIDSZORG

De voorgestelde wijziging van artikel 68, derde lid, tweede zin, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg volgt uit de hernummering van de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging. De bepaling is voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL XXXIII – WET OP DE ECONOMISCHE DELICTEN

De voorgestelde wijziging van de artikelen 10, tweede lid, tweede zin, en 32, tweede lid, van de Wet op de economische delicten volgen uit de hernummering van de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging en op schadevergoedingen en kosten. De bepaling zijn voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL XXXIV – WET OP DE JEUGDZORG

Met de voorgestelde wijzigingen van de Wet op de jeugdzorg wordt gecorrigeerd voor verplaatste bepalingen. Inhoudelijk worden geen wijzigingen voorgesteld.

ARTIKEL XXXV – WET OP DE RECHTERLIJKE ORGANISATIE

De voorgestelde wijziging van artikel 67 corrigeert voor verwijzingen naar verplaatste artikelen.

Op grond van artikel 127 van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO) kan de Minister algemene en bijzondere aanwijzingen geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie. In artikel 128 Wet RO wordt de procedure beschreven die moet worden gevolgd als de Minister in een concreet geval een aanwijzing wil geven inzake de opsporing en vervolging van strafbare feiten. De taken en bevoegdheden die het openbaar ministerie heeft tijdens de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen worden in het eerste lid van artikel 128 Wet RO niet genoemd. Hieruit wordt in een recent proefschrift (dr. S. Meijer, Openbaar ministerie en tenuitvoerlegging, Universiteit Tilburg 2012, blz. 61) opgemaakt dat de aanwijzingsbevoegdheid van artikel 127 Wet RO zich ook uitstrekt tot de taken en bevoegdheden die het openbaar ministerie uitoefent in het kader van de tenuitvoerlegging, maar dat de procedurele waarborgen van artikel 128 Wet RO niet gelden voor de aanwijzingen betreffende het optreden van het openbaar ministerie tijdens de tenuitvoerlegging. Met de directe verantwoordelijkheid van de Minister voor de tenuitvoerlegging – zoals voorgesteld met dit wetsvoorstel – krijgt het openbaar ministerie een andere rol en andere taken in de fase van de tenuitvoerlegging. Dit laat echter onverlet dat het wenselijk is de waarborgen uit artikel 128 Wet RO ook van toepassing te laten zijn op aanwijzingen die de Minister aan het openbaar ministerie in een concreet geval geeft over de taken en bevoegdheden die het openbaar ministerie uitoefent ten behoeve van de tenuitvoerlegging. Net als in de vervolgingsfase zal het openbaar ministerie na het indienen van een vordering ten behoeve van de tenuitvoerlegging ten overstaan van de rechter verantwoording moeten afleggen over de afwegingen die aan de vordering ten grondslag hebben gelegen. Cruciaal is in die context het vertrouwen dat de rechter moet kunnen stellen in de objectiviteit en integriteit van het openbaar ministerie. Dit impliceert dat de officier van justitie in de praktijk de bedoelde bevoegdheden in grote zelfstandigheid moet kunnen uitoefenen. De Minister is indien dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven en in werking treedt direct verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging. De in artikel 124 Wet RO vastgelegde taak van openbaar Ministerie van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde kent waar het de tenuitvoerlegging betreft in de nieuwe situatie een beperktere invulling dan thans (zie paragraaf 5.3 van het algemeen deel van de memorie van toelichting). De Minister zal vanuit zijn directe verantwoordelijkheid directer betrokken zijn bij de tenuitvoerlegging en de sturing daarop (zoals beschreven in paragraaf 5.2 van het algemeen deel van de memorie van toelichting). Niettemin zal de Minister in zijn bemoeienis bij het ten behoeve van de tenuitvoerlegging aanbrengen van zaken door de officier van justitie bij de rechter grote terughoudendheid moeten betrachten. In het incidentele geval dat de Minister op aan het algemeen belang ontleende gronden toch een aanwijzing ter zake wenst te geven, dient de zorgvuldigheid van de besluitvorming te worden gewaarborgd. Om die reden wordt voorgesteld het eerste lid van artikel 128 Wet RO te laten zien op de uitoefening van alle aanwijzingen die de Minister op grond van artikel 127 Wet RO in een concreet geval geeft aan het openbaar ministerie.

ARTIKEL XXXVI – WET OP DE RECHTSBIJSTAND

De voorgestelde wijziging van artikel 44a, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand volgt uit de hernummering van de bepaling die ziet op de kostenvergoeding bij het ontbreken van een straf (huidig artikel 591a Sv). De bepaling is voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL XXXVII – WET OP HET NOTARISAMBT

De voorgestelde wijziging van artikel 102, tweede zin, derde zin, van de Wet op het notarisambt volgt uit de hernummering van de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging. De bepaling is voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL XXXVIII – WET OVERGANG BIJZONDERE RECHTSPLEGING

Met de wijzigingen van artikel 21, tweede lid, en artikel 27 van de Wet overgang bijzondere rechtspleging wordt gecorrigeerd voor de verwijzing naar de verplaatste regelingen van schadevergoeding en kosten en van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

ARTIKEL XXXIX – WET OVERDRACHT TENUITVOERLEGGING STRAFVONNISSEN

De voorgestelde wijzigingen van de artikelen 13d, tweede lid, 31a, vierde lid, 36, tweede lid, 62 en 66 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen volgen uit de hernummering van de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging. De wijziging van artikel 67 van deze wet volgt uit de verplaatsing en hernummering van de huidige artikelen 591 en 591a Sv. De wijziging van artikel 68 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen houdt verband met de herziening en verplaatsing van de regeling van de wijze van kennisgeving van gerechtelijke mededelingen. De bepalingen zijn voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL XL – WET TARIEVEN IN STRAFZAKEN

De voorgestelde wijziging van artikel 16, derde lid, van de Wet tarieven in strafzaken volgt uit de hernummering van de bepaling die ziet op de vergoeding van proceskosten (huidig artikel 591 Sv). De bepaling is voor het overige ongewijzigd.

ARTIKEL XLI – WET WEDERZIJDSE ERKENNING EN TENUITVOERLEGGING GELDELIJKE SANCTIES EN BESLISSINGEN TOT CONFISCATIE

De Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie bevat regels over de strafrechtelijke samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie op het terrein van de tenuitvoerlegging. Ontvangt een lidstaat een vonnis uit een andere lidstaat, dan is deze in beginsel gehouden het vonnis te erkennen en de opgelegde sanctie ten uitvoer te leggen. De wijze van tenuitvoerlegging geschiedt volgens het recht van de lidstaat waar de tenuitvoerlegging plaatsvindt. Met de voorgestelde wijzigingen wordt beoogd de nieuwe verdeling van taken en bevoegdheden tussen openbaar ministerie en de Minister van Veiligheid en Justitie in deze wet door te voeren. Voor de tenuitvoerlegging van beslissingen afkomstig uit een andere lidstaat ligt de scheiding hierbij tussen enerzijds de erkenning van sancties opgelegd in een andere lidstaat van de Europese Unie door het openbaar ministerie, en anderzijds de verantwoordelijkheid voor die tenuitvoerlegging door de Minister.

Onderdeel A

In artikel 1 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie wordt gedefinieerd dat in deze wet met Onze Minister wordt gedoeld op de Minister van Veiligheid en Justitie (nieuw onderdeel o). In onderdeel n wordt «tenzij in deze wet uitdrukkelijk anders is bepaald» geschrapt, omdat er in de wet geen andere officier van justitie voorkomt dan de officier van justitie die bevoegd is op grond van artikel 4 en 5 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie. De wijziging van onderdeel f is puur redactioneel.

Onderdelen B, C, D en G

De voorgestelde directe verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van de Minister geldt ook voor de tenuitvoerlegging van sancties uit andere lidstaten die door het openbaar ministerie zijn erkend. Dit wordt met de in deze onderdelen gewijzigde artikelen vastgelegd. Met de wijziging van artikel 5 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie worden zowel de Minister als de officier van justitie bevoegd tot verzending van een in Nederland opgelegde beslissing aan de bevoegde autoriteiten in een andere lidstaat van de Europese Unie. Ter voorkoming van onduidelijkheid zal in de uitvoeringspraktijk worden vastgelegd wie die bevoegdheid in welk geval uitoefent.

Tevens wordt in de artikelen 4 en 5 de «officier van justitie van het arrondissementsparket te Leeuwarden» vervangen door «de officier van justitie bij het arrondissement Noord-Nederland». Dit was verzuimd bij de Wet herziening gerechtelijke kaart (Stb. 2012, 313).

Onderdeel E

Met de wijzigingen van onderdelen a en b van het eerste lid van artikel 10 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie wordt verduidelijkt dat ook strafbeschikkingen voor erkenning en tenuitvoerlegging in een andere lidstaat vatbaar zijn. De wijzigingen van het tweede lid van artikel 10 vloeien voort uit de nieuwe verdeling van verantwoordelijkheden in de tenuitvoerlegging tussen openbaar ministerie en Minister.

Onderdeel F

De wijziging van het eerste lid van artikel 11 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie corrigeert de verwijzingen naar bepalingen in Boek 6 Sv.

Het ingevoegde tweede lid bepaalt dat in het geval de erkende beslissing ziet op een verkeersovertreding bij de inning dezelfde dwangmiddelen kunnen worden ingezet als bij de inning van sancties die zijn opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. De mogelijkheid om betaling af te dwingen door uiteindelijk een rijbewijs in te kunnen nemen, een voertuig buiten gebruik te kunnen stellen of degene aan wie de beschikking is opgelegd te kunnen gijzelen, draagt sterk bij aan het realiseren van een hoog inningspercentage. Aangezien de inzet van deze dwangmiddelen de opgelegde sanctie niet wijzigt, is toepassing hiervan niet afhankelijk van toestemming van de uitvaardigende lidstaat. Met dit voorstel wordt aangesloten bij de systematiek van de erkenning en tenuitvoerlegging van confiscatiebeslissingen, waarvoor in artikel 22 reeds is bepaald dat het bij sancties uit andere lidstaten die overeenkomen met de Nederlandse ontnemingsmaatregel mogelijk is het niet-vervangende dwangmiddel van gijzeling (lijfsdwang) toe te passen. Behandeling van de vordering tot het verlenen van de machtiging tot het toepassen van gijzeling bij deze verkeersovertredingen is – net als bij de overige artikelen waarin een rechtbank bevoegd wordt verklaard – de exclusieve bevoegdheid van de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement Noord-Nederland.

Het derde lid (het huidige tweede lid) ziet op de uitzonderlijke omstandigheid dat vertaling van de beslissing nodig is. Zowel de officier van justitie – in het kader van de erkenningsbeslissing – als de Minister – in het kader van de tenuitvoerlegging – kunnen voor dat doel de tenuitvoerlegging opschorten. Uitgangspunt is dat vertaling niet nodig is aangezien alle benodigde informatie voor zowel de toetsing ten behoeve van de erkenning als voor de tenuitvoerlegging op het certificaat behoort te zijn vermeld.

Onderdeel H

Dit betreft een kleine tekstuele verduidelijking in het tweede lid van de artikelen 13a en 24a van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie. De in het tweede lid genoemde weigeringsgrond slaat terug op het eerste lid van deze bepalingen.

Onderdeel I

Deze wijziging corrigeert de verwijzingen naar een bepaling in Boek 6 Sv.

Onderdeel J

De wijzigingen van artikel 16 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie corrigeren voor de verwijzingen naar bepalingen in Boek 6 Sv (eerste, vijfde en zevende lid) en voor de verantwoordelijkheid van de Minister voor de tenuitvoerlegging (negende lid).

Onderdeel K

Tot het beëindigen van de tenuitvoerlegging van een Nederlandse beslissing in een andere lidstaat kan op grond van het gewijzigde artikel 21 worden besloten door de officier van justitie en de Minister. De uitvoerende lidstaat wordt hierover onverwijld bericht. Net als bij de bevoegdheid tot verzending aan een andere lidstaat zal voor helderheid in de uitvoering worden gezorgd over de uitoefening van deze bevoegdheid door openbaar ministerie of Minister.

Onderdeel L

Deze wijziging corrigeert de verwijzingen naar bepalingen in Boek 6 Sv. Daarnaast wordt ook in deze wet de vervanging van lijfsdwang door gijzeling bij de inning van een opgelegde maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel doorgevoerd.

Onderdeel M

Bij de implementatie van Kaderbesluit 2009/299/JBZ (Stb. 2011, 232) is deze verplichte weigeringsgrond onbedoeld weggevallen. Dit wordt met deze wijziging gecorrigeerd.

Onderdeel N

De voorgestelde tekstuele aanpassingen van artikel 26 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie vloeien voort uit de omstandigheid dat zowel de officier van justitie als de Minister sommige van de genoemde opties tot opschorting kunnen toepassen.

In artikel 27, eerste lid, van deze wet is bepaald dat een ingesteld beroep schorsende werking heeft. Omdat dit een verplichtende opschorting betreft kan artikel 26, eerste lid, onderdeel b, op grond waarvan de officier van justitie op deze grond de tenuitvoerlegging kan opschorten, vervallen.

Onderdeel O

In artikel 28 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie wordt verduidelijkt dat als het bedrag dat uit de tenuitvoerlegging van de beslissing tot confiscatie exact € 10.000 is, het bedrag toevalt aan de tenuitvoerleggingsstaat. Dat dit zo is vloeit voort uit artikel 16, eerste lid, onder a, van het kaderbesluit 2006/783/JBZ.

De overige wijzigingen in artikel 28 van deze wet vloeien voort uit de directe verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van de Minister en uit de nieuwe wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging.

Onderdeel P

De wijzigingen van artikel 34, tweede en derde lid en artikel 35, tweede lid, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie vloeien voort uit de directe verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van de Minister.

Onderdeel Q

Met dit onderdeel wordt gecorrigeerd voor de voorgestelde verplaatsing van de regeling van de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen naar het eerste boek van het Wetboek van Strafvordering.

Onderdeel R

In artikel 37 wordt gecorrigeerd voor de verplaatsing van een artikel over de tenuitvoerlegging dat opnieuw wordt vastgesteld.

ARTIKEL XLII – WET WEDERZIJDSE ERKENNING EN TENUITVOERLEGGING VRIJHEIDSBENEMENDE EN VOORWAARDELIJKE SANCTIES

Met de voorgestelde wijzigingen in de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties wordt enkel gecorrigeerd voor verwijzingen naar verplaatste artikelen. Inhoudelijk zijn geen wijzigingen beoogd.

ARTIKEL XLIII – WET ZEEVAART

Deze wijzigingen van de artikelen 55n en 55o van de Wet zeevaart corrigeren voor de voorgestelde verplaatsing en hernummering van het huidige artikel 556 Sv.

ARTIKEL XLIV – OVERGANGSRECHT

Uitgangspunt bij de (gefaseerde) inwerkingtreding is onmiddellijke werking van de nieuwe regeling. Dit betekent dat de nieuwe regeling niet slechts van toepassing is op hetgeen na haar inwerkingtreding voorvalt, doch ook op hetgeen bij haar inwerkingtreding bestaat, zoals bestaande rechtsposities en verhoudingen. Op één punt wordt voorgesteld hiervan af te wijken. De nieuw ingevoerde definitie van een jaar zal op grond van de voorgestelde bepaling van overgangsrecht niet gelden voor vrijheidsstraffen die zijn uitgesproken voor het moment dat deze wet in werking treedt. Voor deze veroordelingen blijft de huidige berekening van de detentieduur gelden, waarbij voor een jaar een termijn van 365 dagen wordt gehanteerd. De achtergrond van dit overgangsrecht is toegelicht bij de artikelsgewijze toelichting bij de wijziging van artikel 136 Sv.

ARTIKEL XLV – SAMENLOOP

Dit artikel voorziet in het regelen van de samenloop met het voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten in verband met het gebruik van elektronische processtukken (Wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering).

De samenloop betreft ten eerste de voorgestelde wijziging van artikel I, onderdeel C, die afhankelijk is van een voorgestelde wijziging in artikel I, onderdeel B, van het Wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering. Indien dat onderdeel B eerder in werking is getreden of treedt dan, onderscheidenlijk op dezelfde datum in werking treedt als het voorliggende wetsvoorstel, wordt in dit wetsvoorstel aan artikel 36a (nieuw) een tweede lid toegevoegd overeenkomstig de voorgestelde wijziging in artikel I, onderdeel B, van het Wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering.

Ten tweede wordt in het Wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering in artikel 450 Sv het langs elektronische weg kunnen aanwenden van gewone rechtsmiddelen voorgesteld. Zoals onder meer door prof.mr. B.F. Keulen is betoogd in een recente publicatie over de voorgestelde nieuwe betekeningsregeling (Trema, februari 2014, blz. 42 e.v.) biedt dit de mogelijkheid een koppeling aan te brengen tussen het elektronisch instellen van een rechtsmiddel en het elektronisch toezenden van gerechtelijke mededelingen in die zaak. Dit verdient aanbeveling omdat intensiever gebruik wordt gemaakt van de ingevoerde elektronische voorzieningen en de contactmogelijkheden die deze bieden. Omdat regeling van deze verplichte koppeling afhankelijk is van het tot wet worden verheven en inwerkingtreden van het Wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering wordt deze koppeling voorgesteld in een samenloopbepaling. De met deze wijzigingsbepaling voorgestelde toevoeging van een zevende lid aan artikel 450 Sv houdt het volgende in.

Op het moment dat iemand met gebruikmaking van de daartoe bestemde elektronische voorziening beroep instelt (voorgesteld artikel 450, vierde lid, Sv; wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering), worden op grond van de voorgestelde bepaling gerechtelijke mededelingen in de betreffende zaak niet meer fysiek betekend of toegezonden. Kennisgeving gebeurt vanaf dan in beginsel door toezending door elektronische overdracht (de wijze waarop toezending door elektronische overdracht plaatsvindt is toegelicht bij de artikelsgewijze toelichting bij artikel 36b Sv). In de bevestiging van de ontvangst van de elektronische volmacht een rechtsmiddel aan te wenden (artikel 450, vierde lid, Sv; wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering) wordt opgenomen dat degene altijd binnen drie dagen (72 uur) een e-mailbericht van justitie zal ontvangen. Dit nadere bericht is ofwel de notificatie van de oproeping van de veroordeelde om tegen een bepaalde datum ter terechtzitting te verschijnen – waarmee de koppeling tussen elektronische rechtsmiddel en elektronische kennisgeving definitief wordt (zevende lid, tweede volzin) – ofwel het bericht dat de kennisneming van gerechtelijke mededelingen in die zaak niet meer verplicht via de elektronische voorziening verloopt. In het laatstgenoemde geval zullen in die zaak kennisgevingen van gerechtelijke mededelingen in beginsel weer op de reguliere, fysieke wijze geschieden. Hiermee wordt voorkomen dat de voorgestelde verplichting voor degene die langs elektronische weg een rechtsmiddel aanwendt om met elektronische beschikbaarstelling van de dagvaarding of oproeping genoegen te nemen, tot gevolg heeft dat diegene gedurende langere tijd zijn e-mailadres regelmatig moet controleren om te zien of er een nieuwe mededeling voor hem beschikbaar is. Dit kan tot onnodige onzekerheid leiden over of niet een bericht is gemist. Indien het in de ontvangstbevestiging van het aangewende rechtsmiddel aangekondigde nadere bericht binnen 72 uur uitblijft (of lijkt uit te blijven), kan contact worden gezocht met het openbaar ministerie. Dat oproeping binnen een dergelijke korte termijn mogelijk is, blijkt uit artikel 408a Sv, waarin is bepaald dat als hoger beroep in persoon wordt ingesteld, de oproeping aanstonds kan worden uitgereikt.

Met dit voorstel wordt de efficiëntere wijze van elektronische kennisgeving in meer gevallen standaard gebruikt, zonder dat de betrokkene – die er door het elektronisch aanwenden van een rechtsmiddel blijk van heeft gegeven voldoende vaardig te zijn om gebruik te maken van de beschikbare elektronische voorzieningen – langer dan 72 uur in onduidelijkheid blijft over de vraag of kennisgevingen hem in de rest van zijn zaak langs elektronische weg zullen bereiken.

Overige samenloop

Doordat met het voorliggende wetsvoorstel de regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen integraal wordt herzien en het Boek in het Wetboek van Strafvordering dat ziet op de tenuitvoerlegging in zijn geheel opnieuw wordt vastgesteld, raakt dit aan meerdere lopende wetgevingstrajecten. Deze samenloop betreft in elk geval de volgende wetten en wetsvoorstellen:

  • Aanpassing van wetgeving en vaststelling van overgangsrecht in verband met de herziening van de maatregelen van kinderbescherming (Kamerstukken 33 061);

  • Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de dadelijke tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen;

  • Wetsvoorstel bronbescherming in strafzaken (verschoningsrecht journalisten) (Kamerstukken 34 032);

  • Wetsvoorstel forensische zorg (Kamerstukken 32 398);

  • Wetsvoorstel ter Implementatie van richtlijn 2011/99/EU van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 december 2011 betreffende het Europees beschermingsbevel (PbEU L 338);

  • Wetsvoorstel tot implementatie van kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2009 inzake de toepassing tussen de lidstaten van de Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis (PbEU L 294)(Kamerstukken 33 422);

  • Wetsvoorstel tot wijziging van de Postwet 2009 tot modernisering en flexibilisering van de universele postdienstverlening (modernisering UPD) (Kamerstukken 34 024);

  • Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met bekendmakingen aan personen zonder bekende woon- of verblijfplaats (Kamerstukken 33 956);

  • Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met de verbetering en versterking van de opsporing en vervolging van computercriminaliteit (computercriminaliteit III);

  • Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en Wetboek van Strafvordering in verband met het laten vervallen van de maximale duur van de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege, het verlengen van de proeftijden van de voorwaardelijke invrijheidstelling en de invoering van een langdurige gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel voor ter beschikking gestelden en zeden- en geweldsdelinquenten (Wet langdurig toezicht, gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking) (Kamerstukken 33 816);

  • Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten in verband met het gebruik van elektronische processtukken (digitale processtukken Strafvordering);

  • Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de eigen bijdrage van veroordeelden aan de kosten van de strafvordering en de slachtofferzorg;

  • Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de eigen bijdrage van veroordeelden aan de kosten van het strafproces;

  • Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen in verband met het opheffen van de samenloop van regelingen inzake het tijdelijk verlaten van de inrichting tijdens de voorlopige hechtenis en enige wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering in verband met de schorsing en de beëindiging van de voorlopige hechtenis van een ongewenst verklaarde vreemdeling uit te sluiten en een wijziging van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot de beëindiging van de voorlopige hechtenis (Kamerstukken 32 882);

  • Wetsvoorstel verplichte GGZ (Kamerstukken 32 399).

Gelet op de omvang van deze samenloop wordt er – net als bijvoorbeeld bij de modernisering van de rechterlijke organisatie (Kamerstukken II 2000/01, 27 878, nr. 3) – voor gekozen de aanpassingen die hieruit voortvloeien niet in dit wetsvoorstel te regelen in meerdere samenloopbepalingen maar bij een aparte wet door te voeren. Beoogd is dat met die wet enkel technische correcties worden doorgevoerd.

ARTIKEL XLVI – GEFASEERDE INWERKINGTREDING

Uit de inwerkingtredingsbepaling vloeit voort, dat het tijdstip van inwerkingtreding van de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Deze gefaseerde inwerkingtreding kan tot gevolg hebben dat wordt afgeweken van de zogeheten vaste verandermomenten (inwerkingtreding in beginsel per 1 januari of 1 juli) indien dit nodig is om de invoering van de wijzigingen in de uitvoeringspraktijk gecontroleerd te laten plaatsvinden.

ARTIKEL XLVII – CITEERTITEL

Het komt, gelet op het belang van dit wetsvoorstel, wenselijk voor in een citeertitel te voorzien. Deze wet wordt aangehaald als de «Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen».

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

Bijlage 1: Transponeringstabel nieuw Boek 6 van het Wetboek van Strafvordering

Nieuwe bepaling

Oorsprong

Inhoud

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Eerste titel – Taken en bevoegdheden

6:1:1

77v, derde lid, Sr, 553, 572, eerste lid, Sv, nieuw

Verantwoordelijkheidsverdeling Minister – OM, termijn aanleveren vonnis, advies rechter

6:1:2

561, eerste lid, Sv, nieuw

Voortvarende tenuitvoerlegging

6:1:3

nieuw

Algemene opdracht (belangen)

6:1:4

nieuw

Minister kan opdrachten geven aan ondergeschikten

6:1:5

556 Sv

Last door Minister voor tenuitvoerlegging

6:1:6

564, 564a Sv

Inhoud last

6:1:7

565 Sv

Bevoegdheden bij tenuitvoerlegging

6:1:8

22k, tweede volzin, 38, 38p, vierde lid, 77h, 77o, tweede lid, Sr, nieuw

Identiteitsvaststelling

6:1:9

567, 568, 572a Sv, nieuw

Registratie van de tul (AICE), gegevensverstrekking

6:1:10

nieuw

Advies van het openbaar ministerie

6:1:11

nieuw

Hardheidsclausule Minister

6:1:12

35, 36a, 37e, 38o, derde lid, 77ff, eerste en vierde lid, Sr

Kosten en baten tenuitvoerlegging, vergoedingsregeling

6:1:13

nieuw

Verrekening

6:1:14

Nieuw, 77v, vierde lid, Sr

Tenuitvoerlegging jeugdsancties

6:1:15

11, 15b, derde lid, 77ff, tweede lid, Sr, 564, zesde lid, 576a, Sv, nieuw

Grondslag voor nadere regels voor het bepaalde in deze titel

Tweede titel – Aanvang, schorsing, beëindiging en tenuitvoerleggingstermijn

6:1:16

557 Sv

Schorsende werking rechtsmiddelen

6:1:17

257g Sv

Aanvang tenuitvoerlegging strafbeschikking, opschorting door verzet

6:1:18

14b, vierde en vijfde lid, 14f, eerste lid, 15c Sr

Aanvang proeftijd vi en vv

6:1:19

38f Sr

Onderbreking termijn TBS

6:1:20

38t Sr

Onderbreking termijn ISD

6:1:21

75 Sr

Dood veroordeelde

6:1:22

76 Sr

Tenuitvoerleggingstermijn

6:1:23

76a, 77m, negende lid, 77w, elfde lid, Sr

Aanvang tenuitvoerleggingstermijn

6:1:24

77 Sr

Gevolgen overdracht tenuitvoerlegging

Derde titel – Toezicht op de tenuitvoerlegging

6:1:25

77o, 77hh Sr

Raad voor de Kinderbescherming houdt toezicht op jeugdreclassering

Hoofdstuk 2 Vrijheidsbenemende straffen en maatregelen

Eerste titel – Opneming, aanvang, onderbreking en invrijheidstelling

6:2:1

566 Sv

Grond voor opneming in inrichting

6:2:2

26 Sr

Aanvang vrijheidsbeneming

6:2:3

562, 563 Sv

Opschorting tenuitvoerlegging vrijheidsstraf vanwege psychische stoornis

6:2:4

77j, eerste en derde lid, Sr, 570b, eerste en derde lid, Sv

Onderbreken tenuitvoerlegging vrijheidsstraf

6:2:5

570 Sv, 15, zesde lid, Sr, nieuw

Invrijheidstelling

6:2:6

570a Sv, 15, vijfde en zesde lid, Sr

Invrijheidstelling bij meerdere straffen

6:2:7

15, vierde lid, 27a Sr

Verrekening vrijheidsstraf in het buitenland

6:2:8

13, 19 Sr

Plaatsing in TBS-inrichting bij gebrekkige ontwikkeling of psychische stoornis

6:2:9

nieuw, 570b, tweede lid, Sv, 13, tweede en derde lid, 77j, tweede lid, Sr

Grondslag voor nadere regels voor het bepaalde in deze titel

Tweede titel – Voorwaardelijke invrijheidstelling

6:2:10

15, eerste, tweede, derde en zevende lid, Sr

Voorwaardelijke invrijheidstelling

6:2:11

15a, eerste tot en met zevende lid, Sr

Voorwaarden bij voorwaardelijke invrijheidstelling

6:2:12

15d, eerste en tweede lid, Sr

Uitstel of afstel voorwaardelijke invrijheidstelling

6:2:13

15g Sr

Herroepen voorwaardelijke invrijheidstelling mogelijk

6:2:14

15l Sr

Voorwaardelijke invrijheidstelling bij tekort aan plaatsen

6:2:15

nieuw, 15a, achtste lid, Sr

Grondslag voor nadere regels voor het bepaalde in deze titel

Derde titel – Verpleging van overheidswege en ter beschikking stelling

6:2:16

37d Sr

Inrichting TBS-gestelden

6:2:17

37c, tweede lid, Sr

Behandeling en aanwijzingen in het belang van de veiligheid

6:2:18

38j, derde lid, 38l, eerste lid, Sr

Einde terbeschikkingstelling

6:2:19

38la, eerste tot en met vijfde lid, Sr

TBS en illegale vreemdelingen

Vierde titel – Inrichting voor stelselmatige daders

6:2:20

38o, eerste en derde lid, Sr

ISD-inrichting

6:2:21

38u Sr

Minister kan ISD-maatregel altijd beëindigen

6:2:22

Nieuw, 38o, derde lid, Sr

Grondslag voor nadere regels voor het bepaalde in deze titel

Vijfde titel – Maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen

6:2:23

77s, zevende tot en met negende lid, Sr

Voorwaardelijk einde maatregel

Hoofdstuk 3 Vrijheidsbeperkende straffen, maatregelen en voorwaarden

Eerste titel – Taakstraffen

6:3:1

22c, derde en vierde lid, Sr

Termijn tenuitvoerlegging taakstraf

6:3:2

22f, eerste en tweede lid, 77o, derde en vierde lid, Sr

Wijzigen taakstraf door OM

6:3:3

22g, eerste en tweede lid, 22d, vierde lid, Sr

Bevel tenuitvoerlegging vervangende hechtenis

6:3:4

22i Sr

Termijn voor nemen beslissing over vervangende hechtenis

6:3:5

22j, 77q, tweede lid, Sr

Kennisgeving verrichte taakstraf

6:3:6

22k, eerste volzin, Sr

Grondslag nadere regels tenuitvoerlegging taakstraf

Tweede titel – Gedragsaanwijzingen

6:3:7

578, eerste lid (deel), tweede lid, Sv

Aanwijzingen in OM-strafbeschikking

Derde titel – Jeugd (Taakstraf en gedragsbeïnvloedende maatregel)

6:3:8

77m, derde, vijfde, lid Sr

Termijn jeugdtaakstraf en leerproject

6:3:9

77o, eerste en derde lid, Sr

Tenuitvoerlegging jeugdtaakstraf

6:3:10

77n, vierde lid, 77p, eerste, tweede en vierde lid, Sr

Bevel tenuitvoerlegging vervangende jeugddetentie

6:3:11

77q, eerste lid, Sr

Termijn beslissing wijziging opgelegde sanctie

6:3:12

77w Sr

Termijn gedragsbeïnvloedende maatregel

6:3:13

77w, 77ff, derde en vierde lid, Sr

Nadere regels tenuitvoerlegging maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige, bijdragen voor en tenuitvoerlegging van taakstraffen

Vierde titel – Toezicht en aanhouding

6:3:14

nieuw; 14d, eerste en tweede lid, 15b, eerste en tweede lid, 32, 38a, derde lid, 38b, 38c, 38i, 38p, 38q, 77ta, tweede lid, 77aa, eerste lid, tweede lid, tweede volzin, Sr

Openbaar ministerie zorgt voor toezicht op de naleving en zet daartoe reclassering in (en instelling wijzigen)

6:3:15

14fa, eerste lid, 15h, eerste lid, 38x, eerste lid, 77wf, eerste lid, 77cca, eerste lid, Sr, 509h, 509i, eerste en tweede lid, Sv

Aanhouding na niet-naleving van een vrijheidsbeperkende straf of maatregel

Hoofdstuk 4 Geldelijke straffen en maatregelen

Eerste titel – Inning van geldboetes en schadevergoedingsmaatregelen

6:4:1

561, tweede en derde lid, Sv

Moment betaling geldboetes

6:4:2

24b, 36f, vierde, vijfde, zesde lid (deels) Sr

Versturen aanmaning met verhoging

6:4:3

572, vierde lid, 573 Sv

Verhaal

6:4:4

574 Sv

Verhaal in geval van conservatoir beslag

6:4:5

575 Sv

Verhaal krachtens dwangbevel

6:4:6

576 Sv

Verhaal zonder dwangbevel

6:4:7

24c, vierde, vijfde en zesde lid, 36f, achtste lid (deels), Sr

Verrekening betaalde boete met vervangende hechtenis en gijzeling

6:4:8

572, tweede, derde lid, Sv, 36f, zevende lid, Sr

Grondslag voor nadere regels voor het bepaalde in deze titel

Tweede titel – Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

6:4:9

577b, eerste lid Sv

Voordeelontneming

6:4:10

577ba Sv

Instellen onderzoek naar vermogen

6:4:11

577bb Sv

Bevel inzet opsporingsbevoegdheden onderzoek voordeelontneming

6:4:12

577bc Sv

Schriftelijk bevel

6:4:13

577bd Sv

Vorderen gegevens

6:4:14

577be Sv

Gegevens gebruiker communicatiedienst

6:4:15

577bf Sv

Opnemen communicatie

6:4:16

577bg Sv

Einde onderzoek naar vermogen veroordeelde

6:4:17

578a, eerste, tweede en zevende lid, Sv

Termijn schriftelijke schikking wederrechtelijk verkregen voordeel

6:4:18

nieuw

Grondslag nadere regels

Derde titel – Bevel gijzeling

6:4:19

Nieuw; 36f, zevende lid, Sr, 577c Sv

Bevel gijzeling

Vierde titel – Storting waarborgsom

6:4:20

577d Sv

Storting waarborgsom

Hoofdstuk 5 Bijkomende straffen

6:5:1

577, 577a Sv

Verbeurdverklaring en verbeurdverklaarde vorderingen

6:5:2

36, derde lid, Sr

Kosten openbaarmaking rechterlijke uitspraak

6:5:3

nieuw

Grondslag voor nadere regels voor het bepaalde in deze titel

Hoofdstuk 6 Rechterlijke beslissingen tijdens de tenuitvoerlegging

Eerste titel – Algemeen

6:6:1

nieuw; 14g, derde lid, 14h, tweede lid, 15, vierde lid, 15i, vierde, vijfde lid, Sr, 509j, 509p, 509z, tweede, derde lid, 580 Sv

Bevoegde rechter

6:6:2

Nieuw; 503, 509bb Sv

Bevoegdheid raadsman

6:6:3

nieuw; 14g, derde en vijfde lid, 14h, 15h, 15i, derde, vierde, vijfde, zesde lid, 38x, 77ee, tweede lid, 77wf, 77cca Sr, 509j, zevende lid, 509l, 509o, zesde lid, 509r, eerste lid, 509s, 509z, vierde, vijfde lid, 509aa, eerste lid, 509bb, 509cc, 580 Sv

Procedure vóór de terechtzitting

6:6:4

14fa, 14i, 15e, 38x, 77wf, 77cca, Sr,509dd, 580, 581 Sv

Onderzoek ter terechtzitting

6:6:5

14j Sr, 509n, derde, vierde lid, 509t, vierde lid, 509u, 509u bis, 509ee, Sv

Beslissing

6:6:6

14e, tweede lid, 38, achtste lid, 38v, vijfde lid, 77za, tweede lid, Sr

Opheffen dadelijke uitvoerbaarheid

6:6:7

nieuw; 14j Sr, 509n, tweede lid, 509ee, 583 Sv

Geen rechtsmiddel

Tweede titel – Vrijheidsbenemende straffen en maatregelen

6:6:8

15d, derde tot en met zevende lid, 15e, tweede lid, Sr

Uitstel of afstel voorwaardelijke invrijheidstelling

6:6:9

15f Sr

Gevolg toewijzing vordering uitstel of afstel

6:6:10

nieuw; 38c, 38h, 38la, zesde, zevende lid, Sr, 509q, 509s, 509j, vijfde, zesde en zevende lid, 509m Sv

Bevoegde rechter

6:6:11

nieuw; 38k Sr, 509j bis, 509o, eerste lid, 509oa, 509q, eerste lid, Sv

Termijnen voor indiening vordering, beslissingen rechter-commissaris

6:6:12

nieuw; 509o Sv

Te overleggen stukken

6:6:13

509j, zesde lid, 509k, 509l, 509r, tweede lid, 509t, eerste, vijfde lid, Sv

Onderzoek rechter, horen ter beschikking gestelde

6:6:14

38s Sr, 509ee Sv

Tussentijdse beoordeling noodzaak voortzetting tenuitvoerlegging ISD

6:6:15

509v, 509ff Sv

Instellen beroep

6:6:16

509w Sv

Onderzoek gerechtshof

6:6:17

509x, eerste lid, 509gg, Sv

Beslissing gerechtshof

6:6:18

nieuw, 38g, derde lid, Sr, 509o, eerste lid, Sv

Nadere regels bij amvb

Derde titel -Vrijheidsbeperkende straffen, maatregelen en voorwaarden

6:6:19

14f, 38b, 38i, 38j, 38q, 77cc Sr, 509z, eerste lid, Sv

Wijzigen proeftijd en voorwaarden door rechter

6:6:20

14fa, tweede tot en met zesde en achtste lid, 15h, tweede tot en met zesde en achtste lid, 38x, tweede lid, 77cca, 77dd, eerste tot en met vierde lid, 77wf, Sr

Bevoegdheid rechter-commissaris

6:6:21

14g, eerste, tweede en vierde lid, 15i, tweede lid, 15j, 38c, 38r, 38x, 77v, tweede lid, laatste volzin, 77wf, 77cca, tweede tot en met achtste lid, 77dd, eerste tot en met vierde lid, Sr 509i, derde tot en met zesde lid, 509z, eerste lid, Sv

Bevoegdheid rechtbank

6:6:22

14g, derde en vijfde lid, 14h, 15h, 15i, derde, vierde, vijfde, zesde lid, 38x, 77wf, derde lid, 77cca, achtste lid, Sr

Instellen beroep

6:6:23

22g, derde lid, 22h, 77p, derde lid, Sr

Bezwaarschrift tegen vervangende hechtenis / jeugddetentie

6:6:24

578, derde tot en met vijfde lid, Sv

Aanwijzingen in OM-strafbeschikking

Vierde titel – Geldelijke straffen en maatregelen

6:6:25

577c, 578b Sv, nieuw

Gijzeling

6:6:26

577b, tweede tot en met achtste lid, Sv

Verminderen of kwijtschelden voordeelontneming

6:6:27

578a, derde tot en met zesde lid Sv

Bezwaar bij termijn schikking wederrechtelijk verkregen voordeel

Vijfde titel – Jeugd

6:6:28

77j, vierde en vijfde lid Sr

Voorwaardelijke invrijheidstelling jeugddetentie

6:6:29

77k Sr

Omzetting jeugddetentie naar straffen o.g.v. artikel 9 Sr

6:6:30

77l, derde tot en met zevende lid, Sr

Jeugddetentie of taakstraf bij onvolledige betaling

6:6:31

77t, 77v, eerste lid, laatste volzin, Sr

Verlenging PIJ-maatregel

6:6:32

77tb, 77cc, derde lid, Sr

Verlenging voorwaardelijke beëindiging door rechter

6:6:33

77tc Sr

Omzetting PIJ-maatregel

6:6:34

77wb Sr

Wijziging invulling gedragsbeïnvloedende maatregel

6:6:35

77wc, derde, vierde, vijfde, zesde, zevende lid, Sr

Vervangende jeugddetentie bij niet-meewerken gedragsbeïnvloedende maatregel

6:6:36

77wd Sr

Eenmalige verlenging gedragsbeïnvloedende maatregel

6:6:37

77u Sr, 502 Sv

Horen veroordeelde bij verlenging PIJ-maatregel

Hoofdstuk 7 Gratie

6:7:1

558 Sv

Gevallen waarin gratie mogelijk is

6:7:2

558a Sv

Opschortende werking gratie

6:7:3

559 Sv

Geen opschortende werking gratie

6:7:4

559a Sv

Mededeling aanvang opschorting

6:7:5

560 Sv; nieuw

Gratieverzoek van OM of derde

6:7:6

560a Sv

Doorzending gratieformulier

6:7:7

560b Sv

Teruggave na gratie

6:7:8

Nieuw; 558a, derde lid, Sv

Nadere regels bij amvb

Bijlage 2: Transponeringstabel bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering

Huidige bepaling

Na wijziging (boek: hoofdstuk: artikel)

89

533 Sv

90

534 Sv

91

535 Sv

93

536 Sv

257g

6:1:17 Sv

366b

554 Sv

480

539 Sv

482

539 Sv

501

6:6:37, derde lid, Sv

502

6:6:37 Sv

503

6:6:2 Sv

504

6:6:37, vierde lid, Sv

505

6:6:37, vijfde lid, Sv

509i,

 

eerste en tweede lid

6:3:15 Sv

derde tot en met zesde lid

6:6:21 Sv

509j

 

eerste lid

tweede lid

derde lid

vierde lid

vijfde lid, zesde lid, zevende lid

6:6:1, vijfde lid, Sv

6:6:1,

eerste lid,

vierde lid, Sv

6:6:10, 6:6:3, eerste lid, 6:6:13, eerste lid, 6:6:3, tweede lid, Sv

achtste lid

509k

6:6:13 Sv

509jbis

 

eerste, tweede, derde lid

vierde lid

6:6:11 Sv

Vervalt

509k

6:6:3

509l

6:6:3, 6:6:13 Sv

509m

6:6:10 Sv

509n

6:6:5, 6:6:7 Sv

509o

 

eerste lid, eerste zin

eerste lid, tweede zin

tweede lid

derde lid

vierde lid

vijfde lid

zesde lid

zevende lid

6:6:11, eerste lid, Sv

6:6:18 Sv

6:6:12, eerste lid,

tweede lid,

derde lid,

vierde lid, Sv

6:6:3, tweede lid, Sv

6:6:12, zesde lid, Sv

509oa

6:6:11 Sv

509p

6:6:1 Sv

509q

6:6:10, 6:6:11 Sv

509r

6:6:3, 6:6:13 Sv

509s

(tweede lid vervalt)

6:6:3, 6:6:10 Sv

509t,

 

eerste lid

tweede lid

derde lid

vierde lid

vijfde lid

6:6:13, eerste lid, Sv

6:6:10, vierde lid, Sv

6:6:13, vierde lid, Sv

6:6:5, eerste lid, Sv

6:6:13, vijfde lid, Sv

509u, eerste, tweede lid

6:6:5 Sv

509u bis

6:6:5 Sv

509v

6:6:15 Sv

509w

6:6:16 Sv

509x,

 

eerste lid,

tweede lid

6:6:17 Sv

vervalt

509y

vervalt

509z,

 

eerste lid

tweede lid

derde lid

vierde lid

vijfde lid

6:6:19, 6:6:21 Sv

6:6:1, eerste lid,

vierde lid, Sv

6:6:3, eerste lid,

tweede lid, Sv

509aa

6:6:3 Sv

509bb

6:6:2, 6:6:3 Sv

509cc

6:6:3, vierde en vijfde lid, Sv

509dd

6:6:4, eerste, vierde en zesde lid, Sv

509ee

6:6:5, 6:6:7, 6:6:14 Sv

509ff

6:6:15 Sv

509gg

6:6:17 Sv

529

36j Sv

530

36k Sv

531

36l Sv

532

36m Sv

550, eerste lid

533 Sv

553

6:1:1 Sv

554

366b Sv

555

36a Sv

556

6:1:5 Sv

557

6:1:16 Sv

558

6:7:1 Sv

558a

6:7:2 Sv

559

6:7:3 Sv

559a

6:7:4 Sv

560

6:7:5 Sv

560a

6:7:6 Sv

560b

6:7:7 Sv

561, eerste lid

561, tweede en derde lid

6:1:2 Sv

6:4:1 Sv

562

6:2:3 Sv

563

6:2:3 Sv

564

zesde lid

6:1:6 Sv

6:1:15 Sv

564a

6:1:6 Sv

565

6:1:7 Sv

566

6:2:1 Sv

567

6:1:9 Sv

568

6:1:9 Sv

569

vervallen

570

6:2:5 Sv

570a

6:2:6 Sv

570b

 

eerste en derde lid

tweede lid

6:2:4 Sv

6:2:9 Sv

571

vervallen

572, eerste lid

572, tweede, derde en vierde lid

6:1:1 Sv

6:4:3, 6:4:8 Sv

572a

6:1:9 Sv

573

6:4:3 Sv

574

6:4:4 Sv

575

6:4:5 Sv

576

6:4:6 Sv

576a

6:1:15 Sv

577

6:5:1 Sv

577a

6:5:1 Sv

577b,

 

eerste lid,

tweede tot en met achtste lid

6:4:9 Sv

6:6:26 Sv

577ba

6:4:10 Sv

577bb

6:4:11 Sv

577bc

6:4:12 Sv

577bd

6:4:13 Sv

577be

6:4:14 Sv

577bf

6:4:15 Sv

577bg

6:4:16 Sv

577c

6:4:19, 6:6:25 Sv

577d

6:4:20 Sv

578

 

eerste lid (deel), tweede lid

derde tot en met vijfde lid

6:3:7 Sv

6:6:24 Sv

578a,

 

eerste, tweede en zevende lid

derde tot en met zesde lid

6:4:17 Sv

6:6:27

578b

6:6:25 Sv

579

vervalt

580

vervalt

581

vervalt

582

vervalt

583

vervalt

584

vervalt

585

36b Sv

586

36c Sv

587

36d Sv

588

36e Sv

588a

36g Sv

589

36h Sv

590

36n Sv

591

529 Sv

591a

530 Sv

592

531 Sv

592a

532 Sv

593

135a Sv

Bijlage 3: Transponeringstabel bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht

Huidige bepaling

Na wijziging (boek: titel: artikel)

11

vervallen, 6:1:15 Sv

13

6:2:8, 6:2:9 Sv

14b, vierde en vijfde lid

6:1:18 Sv

14d,

 

eerste lid

tweede lid

6:3:14 Sv

14c, vijfde lid, Sr

14e, tweede lid

6:6:6 Sv

14f

tweede lid

6:1:18, 6:6:19 Sv

14b, vierde lid Sr 14c, zesde lid Sr

14fa

(zevende lid vervalt)

6:3:15, 6:6:4, 6:6:20 Sv

14g,

 

eerste, tweede en vierde lid

6:6:21, 6:6:22, 538 Sv

derde en vijfde lid

(zesde lid vervalt)

6:6:1, 6:6:3, 6:6:22 Sv

14h

6:6:1, 6:6:3, 6:6:22 Sv

14i

6:6:4 Sv

14j

6:6:5, 6:6:7 Sv

14k

538 Sv

14l

537 Sv

15

6:2:5, 6:2:6, 6:2:7, 6:2:10 Sv

15a

 

eerste tot en met zevende lid

achtste lid

6:2:11 Sv

6:2:15 Sv

15b

 

eerste en tweede lid

derde lid

6:3:14 Sv

6:1:15 Sv

15c

6:1:18 Sv

15d

 

eerste en tweede lid

derde tot en met zevende lid

6:2:12 Sv

6:6:1, 6:6:8 Sv

15e

6:6:4, 6:6:8 Sv

15f

6:6:9 Sv

15g

6:2:13 Sv

15h

(eerste en zevende lid vervallen)

6:3:15, 6:6:3, 6:6:20, 6:6:22 Sv

15i

(eerste en zevende lid vervallen)

6:6:1, 6:6:3, 6:6:21, 6:6:22 Sv

15j

6:6:21 Sv

15k

537 Sv

15l

6:2:14 Sv

16

6:1:15 Sv

19

6:2:8 Sv

22a

vervalt

22c, derde en vierde lid

6:3:1 Sv

22d, vierde lid

6:3:3 Sv

22e

6:1:8, 6:1:15, 6:3:14, vierde lid, Sv

22f, eerste en tweede lid (derde lid vervalt)

6:3:2 Sv

22g,

 

eerste en tweede lid

derde lid

6:3:3 Sv

6:6:23 Sv

22h

6:6:23 Sv

22i

6:3:4 Sv

22j

6:3:5 Sv

22k,

 

eerste zin

tweede zin

6:3:6 Sv

6:1:8 Sv

24b

6:4:2 Sv

24c, vierde, vijfde, zesde lid

6:4:7 Sv

26

6:2:2 Sv

27a

6:2:7 Sv

32

6:3:14 Sv

35

6:1:12 Sv

36, derde lid

6:5:2 Sv

36a

6:1:12 Sv

36f, vierde, vijfde, zesde lid

6:4:2 Sv

37c,

 

eerste lid 1

tweede lid

vervalt

6:2:17 Sv

37d

6:2:16 Sv

37e

6:1:12 Sv

38,

 

tweede lid, vijfde lid, achtste lid

6:1:8 Sv

6:6:6 Sv

38a, derde lid

6:3:14 Sv

38b (deels, onder 2)

6:3:14 Sv

6:6:19 Sv

38c

6:3:14, 6:6:10, 6:6:21, Sv

38f

6:1:19 Sv

38g

6:6:10, 6:6:18 Sv

38h

(derde lid vervalt)

6:6:10 Sv

38i

6:3:14 Sv

6:6:19 Sv

38j

6:2:18, 6:6:19 Sv

38k

6:6:11 Sv

38l, eerste lid

6:2:18 Sv

38la,

 

eerste tot en met vijfde lid

zesde en zevende lid

6:2:19 Sv

6:6:10, vijfde en zesde, Sv

38lb

6:6:10, derde lid, Sv

38o

 

eerste lid

tweede lid

derde lid

6:1:12, 6:2:20 Sv

vervalt

6:1:12 Sv

38p,

 

vierde lid, laatste zin

zevende lid

6:1:8 Sv

6:3:14 Sv

38q (deels, onder 2)

6:3:14, 6:6:19 Sv

38r

6:6:21 Sv

38s

38n, derde lid, Sr, 6:6:14 Sv

38t

6:1:20 Sv

38u

6:2:21 Sv

38v, vijfde lid

6:6:6 Sv

38x

6:3:15, 6:6:3, 6:6:4, 6:6:20, 6:6:21, 6:6:22 Sv

38ij

537 Sv

75

6:1:21 Sv

76

6:1:22 Sv

76a

6:1:23 Sv

77

6:1:23 Sv

77j

 

eerste en derde lid

tweede lid

vierde en vijfde lid

6:2:4 Sv

6:2:9 Sv

6:6:28 Sv

77k

6:6:29 Sv

77l

derde tot en met zevende lid

6:6:30 Sv

eerste tot en met vijfde lid

77m,

 

derde lid

6:3:8, eerste lid, Sv (tweede volzin geschrapt)

vijfde lid

zevende, achtste lid

negende lid

6:3:8, tweede lid, Sv

vervallen

6:1:23, derde lid, Sv

77n, vierde lid

6:3:10, tweede lid, Sv

77o,

 

eerste lid

tweede lid

derde en vierde lid

vijfde lid

6:1:25 Sv

6:1:8 Sv

6:3:2, eerste lid, en 6:3:9 Sv

vervalt

77p,

 

eerste lid

tweede lid

derde lid

vierde lid

6:3:10, eerste lid, Sv

6:3:10, vierde lid, Sv

6:6:23, eerste en tweede lid, Sv

6:3:10, derde lid, Sv

77q,

 

eerste lid

tweede lid

6:3:11 Sv

6:3:5 Sv

77s, zevende tot en met negende lid

6:2:23 Sv

77t

6:6:31 Sv

77ta,

tweede lid

6:3:14 Sv

77tb

6:6:32 Sv

77tc

6:6:33 Sv

77u

6:6:37 Sv

77v,

 

eerste lid, laatste volzin,

derde lid

vierde lid

6:6:21, 6:6:31 Sv

6:1:1, derde lid, Sv

6:1:14, tweede lid, Sv

77w,

 

derde lid, tweede volzin,

negende lid, tweede volzin,

tiende lid

elfde lid

vervalt

vervalt

6:3:12, 6:3:13 Sv

6:1:23 Sv

77wb

6:6:34 Sv

77wc,

derde tot en met zevende lid

6:6:35 Sv

77wd

6:6:36 Sv

77wf

6:3:15, eerste en tweede lid, 6:6:3, 6:6:4, 6:6:20, 6:6:21, 6:6:22 Sv

77y, derde lid

6:1:18, derde lid, Sv

77za, tweede lid

6:6:6 Sv

77aa, eerste lid, tweede lid, eerste volzin

6:3:14 Sv

77cc,

 

eerste, tweede lid

derde lid

6:6:19 Sv

6:6:32 Sv

77cca

6:3:15, 6:6:3, 6:6:4, 6:6:20, 6:6:21, 6:6:22 Sv

77dd,

 

eerste tot en met vierde lid

vijfde lid

6:6:20, 6:6:21 Sv

537 Sv

77ee

6:6:3, zesde lid, Sv

77ff

 

eerste lid

tweede lid

derde lid

vierde lid

6:1:12 Sv

6:1:15 Sv

6:3:13, eerste lid, Sv

6:3:13, tweede lid, Sv

77hh

6:1:25 Sv

Naar boven