19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 1388 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 11 januari 2011

De algemene commissie voor Immigratie en Asiel1 heeft op 8 december 2010 overleg gevoerd met minister Leers voor Immigratie en Asiel over:

  • de brief van de minister van Justitie d.d. 9 april 2009 inzake de rapportage Vreemdelingenketen juli–december 2009 (19 637, nr. 1334);

  • de brief van de minister van Justitie d.d. 7 juni 2010 met het verslag van een schriftelijk overleg over de rapportage Vreemdelingenketen juli–december 2009 (19 637, nr. 1346);

  • de brief van de minister van Justitie d.d. 1 oktober 2010 inzake de rapportage Vreemdelingenketen januari–juni 2010 (19 637, nr. 1361);

  • de brief van de minister van Justitie d.d. 14 juni 2010 over de uitvoering van de nieuwe asielprocedure (19 637, nr. 1351);

  • de brief van de minister van Justitie d.d. 14 juni 2010 inzake EHRM: de gemotiveerde Rule 39 in Somalische Dublinzaken (19 637, nr. 1350);

  • de brief van de minister van Justitie d.d. 17 juni 2010 over de gevolgen van de uitspraak van het Hof van Justitie inzake de legesheffing voor Turkse onderdanen (C-92/07);

  • de brief van de minister van Justitie d.d. 30 juni 2010 over het landgebonden asielbeleid voor Ivoorkust (19 637, nr. 1354);

  • de brief van de minister van Justitie d.d. 7 juli 2010 over de aard en omvang van fraude en misbruik bij asielaanvragen (19 637, nr. 1355);

  • de brief van de minister van Justitie d.d. 16 juli 2010 over het gebruik van de discretionaire bevoegdheid (19 637, nr. 1357);

  • de brief van de minister van Justitie d.d. 19 juli 2010 met een afschrift van de brief aan VluchtelingenWerk Nederland n.a.v. de interim measure EHRM inzake Somalische Dublinclaimanten aan Griekenland (2010Z11084);

  • de brief van de minister van Justitie d.d. 17 augustus 2010 met het rapport evaluatie beleidswijzigingen Somalië (19 637, nr. 1359);

  • de brief van de staatssecretaris van Justitie d.d. 26 januari 2010 met antwoorden op de vragen van de commissie inzake de rechtsbijstand en medische problematiek in het vreemdelingenbeleid (19 637, nr. 1320);

  • de brief van de staatssecretaris van Justitie d.d. 7 oktober 2009 inzake de rechtsbijstand en medische problematiek in het vreemdelingenbeleid (19 637, nr. 1305);

  • de brief van de minister van Justitie d.d. 11 oktober 2010 over de uitkomsten van de pilot intensivering ongewenstverklaring vreemdelingen (PIOVR) (19 637, nr. 1362);

  • de brief van de minister van Justitie d.d. 13 oktober 2010 over de overdrachten aan Griekenland in het kader van de Dublinverordening (19 637, nr. 1363);

  • de brief van de minister van Justitie d.d. 5 juli 2010 met de aanvulling op de brief aangaande de gevolgen van de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak-Chakroun (32 175, nr. 11);

  • de brief van de minister van Justitie d.d. 19 april 2010 inzake Chinese vreemdelingen (19 637, nr. 1336).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de algemene commissie Immigratie en Asiel,

Brinkman

De griffier van de algemene commissie voor Immigratie en Asiel,

Dortmans

Voorzitter: Brinkman

Griffier: Puts

Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Brinkman, Dibi, Fritsma, Knops, Kooiman, Van Nieuwenhuizen, Schouw, Spekman en Voordewind,

en minister Leers van Immigratie en Asiel, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

De voorzitter: Allen hartelijk welkom bij dit algemeen overleg over vreemdelingen- en asielbeleid. In bepaal de spreektijd op acht minuten per fractie.

De heer Knops (CDA): Voorzitter. De bulk van brieven en berichten van de regering van het afgelopen halfjaar staat nu op de agenda. Dat betekent dat sommige brieven wellicht gedateerd zijn. Asiel en immigratie zijn thema’s die altijd in beweging zijn en waar genoeg over te zeggen is. Vanochtend was ik onaangenaam verrast toen ik Trouw opensloeg en daarin een bericht aantrof waarin staat dat, ondanks de toezegging van de minister in het begrotingsdebat van vorige week, toch uitgeprocedeerde asielzoekers op straat zouden zijn gezet. Graag een reactie hierop van de minister.

In de brief over de aard en omvang van het misbruik van asielaanvragen wordt terecht gesteld dat, juist om een rechtvaardig asielsysteem te behouden en een goed functionerend migratiebeleid te kunnen voeren, misbruik aangepakt moet worden en dat daarin nog een slag te maken is. Dat blijkt ook uit het advies van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ). Het kabinet gaat daar werk van maken en de aanbevelingen van de ACVZ worden opgevolgd. Ook in het regeerakkoord is aangegeven dat het kabinet inzet op intensivering van de aanpak van fraude en misbruik; daarvoor is extra geld uitgetrokken. Bij de begrotingsbehandeling van vorige week is dit onderwerp ook aan de orde geweest. De minister heeft toen aangegeven dat bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) inmiddels een aparte fraude-unit is opgericht, en dat er een afdeling handhaving in oprichting is. In hoeverre wordt dit belemmerd door problemen met INDIGO – hetgeen aan de orde is geweest bij de mondelinge vragen – en wat betekent een vertraging daarin voor de aanpak van fraude en misbruik?

Is er inzake valse aangiften van mensenhandel inmiddels meer zicht op de omvang van het aantal? Hoe verloopt op dit moment de opsporing, die veel capaciteit vergt?

Dan is er het onderwerp vrijwillige terugkeer naar het land van herkomst. Het aantal houders van een asiel- of verblijfsvergunning dat naar het land van herkomst reist en daarna terugkeert naar Nederland wordt geschat op enkele tientallen. Het betreft dan mensen bij wie de asielvergunning om die reden wordt ingetrokken. Is er inmiddels meer zicht op de omvang van dit verschijnsel?

Inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen staat terugkeer naar het land van herkomst voorop. Ook dat is vorige week uitdrukkelijk aan de orde geweest, en dat is een signaal naar mensensmokkelaars en -handelaars dat het niet loont om minderjarigen naar Nederland te brengen onder de genoemde voorwendselen. Ook de Nederlandse steun voor bijvoorbeeld opvanghuizen in Congo en Angola is uitgebreid besproken. In Europees verband wordt ingezet op het creëren van opvangplekken in landen van herkomst, en wij lezen dat daarbij gedacht wordt aan Afghanistan. Als dat het enige land is lijkt ons dat wel wat mager. Wat ons betreft hoeft het opzetten van een weeshuis niet veel geld te kosten. Welke landen zijn er in dezen verder in het blikveld van de minister en welke Europese landen doen mee bij deze aanpak? Want ook hier is Europese samenwerking van belang.

Wat zijn de ervaringen, inzake schijnhuwelijken en de Europaroute, met de eis dat partners tenminste zes maanden moeten hebben samengewoond, of dat uit de relatie een kind is geboren? Hoeveel uitzonderingen zijn er op deze regel gemaakt, waarbij de zogenaamde inherente afwijkingsbevoegdheid is toegepast?

De ACVZ-aanbeveling om in Europees verband samen met het land van herkomst de lokale bevolkingsadministratie te verbeteren is een groot goed. Er is al sprake van Europese samenwerkingsverbanden met landen van herkomst op operationeel niveau. Wat zijn daarvan de resultaten en hoe staat het met de financiering daarvan, waarbij ook gedacht werd aan de inzet van ontwikkelingssamenwerkingsmiddelen? Wat levert de samenwerking met herkomstlanden op bij het aanpakken van vervalste documenten?

Het rapport Evaluatie beleidswijziging Somalië heeft betrekking op de periode begin 2009 tot begin 2010. De brief hierover dateert van 16 augustus jl. Zijn er nieuwe ontwikkelingen? Daalt de Somalische instroom nog steeds? Volgens genoemde brief was het nog te vroeg om conclusies te trekken over het effect van de maatregelen om fraude en misbruik bij nareizende gezinsleden te beoordelen. Kunnen inmiddels conclusies getrokken worden? In de brief wordt ook aangegeven dat het hebben van gemutileerde vingertoppen niet te herleiden is tot een van de artikelen van het Wetboek van Strafrecht. De bestuursrechtelijke aanpak is echter wel zeer effectief gebleken. Wat betekent dat? Wordt overwogen om in het Wetboek van Strafrecht toch een bepaling terzake op te nemen?

Inzake Somalische vreemdelingen die eerder in een veilig derde land verbleven hebben wordt nagegaan of deze landen – Jemen en Kenia worden genoemd – bereid zouden zijn deze mensen terug te nemen. Wat is daarbij de stand van zaken en wordt in dezen ook in Europees verband samengewerkt?

Een belangrijk onderwerp is de brief over de nieuwe asielprocedure. Wij hebben kennisgenomen van deze brief van oktober 2009 en de antwoorden in het schriftelijk overleg van januari 2010. Daaruit blijkt op welke manier met rechtsbijstand en medische aspecten in de nieuwe asielprocedure zal worden omgegaan.

De heer Voordewind (ChristenUnie): De heer Knops noemde Somalië. Ik wil daar de regel die de minister nu hanteert bij betrekken, te weten dat mensen niet teruggestuurd mogen worden naar Mogadishu. Dit naar aanleiding van door mij en de heer Spekman gestelde Kamervragen. Ook het Europese Hof heeft in Rule 39 uitgesproken dat mensen niet teruggestuurd mogen worden naar Griekenland, als zij dan eventueel terug zouden moeten naar Centraal- of Zuid-Somalië. De IND’ers die mensen moeten begeleiden naar Mogadishu gaan sowieso niet verder dan Kenia. Er zijn bovendien veel checkpoints in Mogadishu, waardoor het lastig is om door te reizen naar andere gebieden. Wat voor invloed heeft dat op het standpunt van het CDA inzake het terugsturen van mensen naar Somalië?

De heer Knops (CDA): Er zijn vaak praktische problemen in de landen waar mensen naar moeten terugkeren. Dat mag echter voor ons geen beletsel zijn om, vooral in Europees verband, druk te blijven uitoefenen op die landen om terugkeer wel mogelijk te maken, en daar op te blijven inzetten. Natuurlijk moeten wij rekening houden met de uitspraak van het Europese Hof, maar de richting van dit beleid staat wat het CDA betreft nog steeds overeind: inzetten op terugkeer indien mogelijk en daarbij medewerking vragen van betrokken landen.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Het is een beetje vreemd dat het Europese Hof ons maant mensen niet terug te sturen naar Griekenland, daar zij dan zouden kunnen worden uitgezet naar met name Zuid- en Centraal-Somalië. Dat zou voor ons een teken aan de wand moeten zijn. Moet het terugsturen van mensen naar die gebieden dan niet worden opgeschort?

De heer Knops (CDA): Dat is voor mij moeilijk te beoordelen. De heer Voordewind geeft zelf aan dat het gaat om verschillende gebieden. Graag een reactie van de minister op dit punt.

Voorzitter. Bij de behandeling van de voorstellen en wetgeving voor de nieuwe asielprocedure heeft het CDA aangegeven deze vooral te zullen beoordelen op de effecten ervan: minder herhaalde asielaanvragen, minder reguliere vervolgaanvragen na de procedure, minder medische aanvragen, effectievere terugkeer, minder uitgeprocedeerde asielzoekers en gezinnen met kinderen op straat en beëindiging van gemeentelijke noodopvang. Het is nog te vroeg om conclusies te kunnen trekken over hoe dat gaat uitpakken. In de brief is aangegeven dat de voortgang regelmatig gerapporteerd zal worden in de rapportage Vreemdelingenketen, maar misschien kan de minister enkele van de volgende vragen toch al beantwoorden. Hoe verloopt de medische check aan het begin van de procedure? Is die op orde? Werken asielzoekers daaraan mee? Hoe verloopt de rechtsbijstand? Zijn er voldoende tolken? Verloopt de identiteitsvaststelling van asielzoekers beter dan voorheen? Hoe lang moeten asielzoekers momenteel gemiddeld wachten voordat zij de officiële procedure ingaan?

Uit antwoorden naar aanleiding van het schriftelijk overleg rapportage Vreemdelingenketen van juli–december 2009 blijkt dat in 2009 door de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) aan de IND voorgelegde zaken in het kader van het buitenschuldbeleid wel degelijk gehonoreerd worden. In veertien gevallen is er een buitenschuldvergunning verleend. DT&V heeft in 2009 50 medische zaken in het kader van beoordeling van artikel 64 van de Vreemdelingenwet voorgelegd. Waarom wordt onze schriftelijke vraag over hoe dat beslist is niet beantwoord? Waarom wordt volstaan met de mededeling dat bij een procedure op grond van artikel 64 door de IND niet apart geregistreerd wordt of deze zaken zijn voorgelegd door de DT&V of door de vreemdeling zelf? Daarnaast lijkt het vreemd dat er geen zaken in het kader van schrijnendheid door de DT&V aan de IND zijn voorgelegd, temeer daar in de periode maart 2007 tot april 2010 wel in 550 gevallen, met toepassing van de discretionaire bevoegdheid, een verblijfsvergunning is verleend op grond van schrijnende omstandigheden. Zijn deze dan niet bij de DT&V geweest en wat is daarvoor de verklaring?

In dit verband wijs ik op een citaat uit brief nr. 1348, van 8 juli 2010, waarin beschreven wordt hoe het Lokaal Terugkeer Overleg (LTO) werkt en welke afspraken daartoe gemaakt moeten worden. Gemeenten, kerken en particulieren moeten nu individuele gevallen waarmee zij geconfronteerd worden inbrengen in het LTO, of bij de DT&V of via de interventielijn. Tegelijkertijd wordt vaak nog rechtstreeks gecorrespondeerd met de minister. Werkt het LTO dan wel goed?

Inzake de pilot intensivering ongewenstverklaring vreemdelingen vraagt de CDA-fractie op welke manier bij de ontwikkeling van de samenhangende visie op de politionele vreemdelingentaak, en de rol van het instrument van de ongewenstverklaring daarbij, het Europese inreisverbod is meegenomen.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik had verwacht dat de heer Knops de minister iets zou vragen over de Afghaanse Sahar, die dreigt te worden uitgezet. De minister heeft in de Volkskrant van gisteren een aantal dingen gezegd dat niet klopt. Binnen het CDA is een discussie gaande over hoe met het onderwerp immigratie moet worden omgegaan, op een menselijke manier die recht doet aan de beginselen van de partij. Zegt de CDA-fractie dat dit meisje gewoon moet worden uitgezet, zoals de minister gesteld heeft, of wordt nog om opheldering gevraagd?

De heer Knops (CDA): Naar mijn idee heeft de minister in het bedoelde krantenartikel heel goed uiteengezet op welke gronden hij een dergelijk besluit neemt. Inderdaad is er binnen het CDA een discussie gaande over immigratie, en dat is maar goed ook: het is een belangrijk onderwerp en daar behoort goed over gesproken te worden. Dit voorbeeld maakt weer eens heel duidelijk hoe ons systeem in elkaar zit en waar dat toe kan leiden. Als wij de procedures, zoals ook in het regeerakkoord afgesproken, kunnen aanpassen en verbeteren en daarmee voorkomen dat dit soort situaties überhaupt kan ontstaan, met alle gevolgen van dien voor de betrokkenen, zou dat een groot goed zijn. Daarop is de inzet van de CDA-fractie gericht, maar de minister heeft wel een eigen bevoegdheid om dit soort besluiten te nemen. In het regeerakkoord is aangegeven dat de discretionaire bevoegdheid om af te wijken van bepaalde afspraken beperkt moet worden toegepast; dat moet een uitzondering blijven. De CDA-fractie is van mening dat de minister het genoemde besluit op basis van goede gronden genomen heeft, maar verneemt hierop graag een reactie van hem.

De heer Dibi (GroenLinks): De familie van dit meisje heeft drie verzoeken gedaan om in beroep te gaan. Voor de eerste twee had de IND in totaal zes jaar nodig om te reageren. Het is prima dat de heer Knops zegt dat moet worden tegengegaan dat gezinnen procedures stapelen om uitzetting te voorkomen, wat veel voorkomt. Maar als een gezin door de schuld van de overheid te lang in Nederland blijft en men zich uiteindelijk hier wortelt, dan verwacht ik dat het CDA oproepen van andere fracties – onder anderen gedaan door de heer Spekman en mijzelf – steunt om de minister te vragen nog eens te kijken naar de discretionaire bevoegdheid. Natuurlijk, dat moet geen nieuwe regel worden. Wanneer echter aantoonbaar fouten zijn gemaakt door de overheid zelf en de ruimte er is, dan moet niet sec naar de regels gekeken worden. Ik hoop dat ook de heer Knops dat tegen de minister zegt.

De heer Knops (CDA): De heer Dibi stelt dat de minister dingen gezegd heeft die niet kloppen. Het lijkt mij goed ook die vraag bij de minister neer te leggen.

Op het punt van het versnellen van procedures en het voorkomen dat dit soort situaties überhaupt ontstaat, doel ik heel nadrukkelijk ook op overheidsinstanties die zich hiermee bezighouden. Ik ben het volstrekt met de heer Dibi eens dat ook daar zaken te verbeteren zijn; in elk geval zijn er in het verleden dingen niet goed gegaan. Daarover is geen misverstand en daar heeft de overheid ook een verantwoordelijkheid.

De heer Spekman (PvdA): Zo meteen kom ik namens de fracties van D66, GroenLinks, SP, ChristenUnie en de PvdD met een brief over deze zaak. Ik vond het echt vreselijk om te zien dat de minister zichzelf groter maakte ten koste van een individu; dat hoort niet. Wat is het oordeel van de CDA-fractie over het ingaan op dit geval met naam en toenaam, waardoor de minister dit gebruikt ter meerdere eer en glorie van zichzelf?

Is de CDA-fractie ervan op de hoogte dat deze familie bij de tweede bezwaarprocedure in het gelijk gesteld is en de zaak daarna bij de Raad van State kwam omdat de IND doorprocedeerde?

De heer Knops (CDA): Ik kan de genoemde brief niet beoordelen, daar deze niet aan mij is voorgelegd. Ik neem echt afstand van de opmerking over het zich groot maken door de minister, alsof er een politieke reden zou zijn om dit besluit te nemen. De heer Spekman kan dat zo niet zeggen en kan dat ook niet beargumenteren.

Wat betreft de procedure: deze is pas afgelopen als in laatste aanleg een uitspraak is gedaan. Hoe en waarom partijen daartussenin handelen zoals zij doen, staat hen vrij. Dat is voor de einduitspraak in die zin niet zo relevant.

De heer Spekman (PvdA): Ik houd mijn eerste uitspraak staande, omdat dit altijd normaal geweest is onder bewindspersonen, behalve onder mevrouw Verdonk, die zich ook altijd groter maakte ten koste van het individu. In deze zaak doet hoe de overheid geopereerd heeft ertoe bij de beoordeling om eventueel gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid. Vindt de heer Knops dat wel of niet relevant?

De heer Knops (CDA): Ja, de rol van de overheid is zeker relevant bij de beoordeling van deze zaak. Het is uiteindelijk aan de minister om daarover een besluit te nemen, en dat heeft hij gedaan.

De heer Schouw (D66): Voorzitter. Ik vat kort samen wat tijdens de begrotingsbehandeling gezegd is over immigratie en het asielbeleid van dit kabinet: de minister zou een brug slaan tussen streng, rechtvaardig en barmhartig zijn. In dat kader was ook de D66-fractie verbaasd over het interview in de Volkskrant, want de barmhartigheid bleek verdwenen en de minister kroop in de schoot van mijn linkerbuurman. Wij zijn benieuwd wat mijn rechterbuurman daarvan vindt, maar dat zullen we in tweede termijn wellicht horen.

De heer Knops zei al dat zelfs bij vrieskou asielzoekers op straat gezet worden. De minister heeft vorige week wat dat betreft een duidelijke uitspraak gedaan. Heeft hij dan wel voldoende controle op de IND? Ik neem aan dat die ook meeluistert en dus weet dat dit niet de bedoeling kan zijn, dat de minister zo dadelijk zal aangeven dat dit niet past bij de door hem gedane uitspraken en dat dit wordt teruggedraaid.

Voor D66 is het belangrijk aandacht te geven aan de kansen die migratie biedt. Dat is noodzakelijk, alleen al gezien de vergrijzing. Tenzij wij in dit land een exponentiële bevolkingstoename krijgen, zullen wij actief met migratie aan de gang moeten gaan, bijvoorbeeld om onze kenniseconomie op gang te houden en de vergrijzing en de daaraan gerelateerde problemen het hoofd te bieden. Daarom moet Nederland uitnodigend zijn voor migranten. Ook het Europese aspect is daarbij ontzettend belangrijk. Er is een gezamenlijk asielbeleid nodig in Europa om de instroom evenwichtig te verdelen. Er vindt in Europees verband al samenwerking plaats om vervalste documenten aan te bieden. Kan de minister aangeven op welke andere terreinen er concrete samenwerking in dezen plaatsvindt?

Uit de media hebben wij begrepen dat de heer Rutte met de heer Sarkozy en mevrouw Merkel heeft afgesproken nauwer samen te gaan werken op het terrein van immigratie, en naar verluidt gaat ook minister Leers binnenkort naar Parijs om hierover met zijn Franse ambtgenoten te overleggen. Klopt die berichtgeving? Kan de minister aangeven waarom voor bilaterale samenwerking gekozen wordt en hoe zich dat verhoudt tot het streven om te komen tot een gemeenschappelijk Europees asielbeleid? Kan de minister ons erin geruststellen dat Nederland straks niet, zoals Frankrijk, een reprimande krijgt van de Europese Commissie wegens ongeoorloofde praktijken jegens Roma of andere migranten?

Dat met de nieuwe asielprocedure een snellere en zorgvuldiger afhandeling van asielaanvragen wordt nagestreefd, juich ik toe. Het woord «zorgvuldig» is door de minister meerdere malen in de mond genomen in de afgelopen weken, en daar zal ik hem telkens aan houden. De nieuwe procedure kent wel een aantal zorgpunten, waarop ik een reactie vraag van de minister. VluchtelingenWerk Nederland benoemt het risico dat asielzoekers op straat belanden als de rechter niet binnen vier weken een uitspraak doet. Er zijn enkele asielzoekers na vier weken op straat gezet, terwijl er nog een beroepsprocedure liep. Is de minister het met D66 eens dat er tijdens de beroeps- en hogerberoepsprocedures opvang van asielzoekers dient te zijn? Heeft de minister inmiddels maatregelen genomen om dergelijke situaties in de toekomst te voorkomen? Hoe zal de minister in de toekomst, in geval van een verhoogde instroom van asielzoekers, voorkomen dat zij langer dan bedoeld in het COA moeten verblijven? Is de minister bereid de asielprocedure van minderjarigen, die binnenkomen via Schiphol en die eigenlijk geen risico vormen, op dezelfde wijze op te nemen in de asielprocedure als minderjarigen die Nederland via land inreizen? Graag een ja of nee daarop van de minister.

Door het CDA is voorgesteld – en gelukkig weer aangehouden – om de discretionaire bevoegdheid, the margin of appreciation, ten aanzien van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) te verbreden. Ik herinner deze Kamer eraan dat in mei van dit jaar onze voormalige premier, de heer Balkenende, de Four Freedoms Award heeft uitgereikt aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) vanwege de bijdrage aan de bescherming van individuele mensenrechten in Europa. De motie van D66 om het EVRM als uitgangspunt te nemen voor het beleid en om geen initiatieven te ontplooien die de reikwijdte of doelstellingen van het EVRM afzwakken, is wonderlijk genoeg ontraden en is gisteren ook afgestemd door de Kamer. Dat lijkt mij in strijd te zijn met wat er in het regeerakkoord staat. Wil de minister dat toelichten?

Ik vraag de minister hoe hij de waardering van Nederland ziet voor de bescherming van de mensenrechten door het Europees Hof, en hoe zich dat verhoudt tot de kennelijke wens van een meerderheid van deze Kamer om die mate van bescherming af te zwakken? Er komen steeds meer asielzaken terecht bij het Europees Hof, en als het Nederlandse beleid uitgaat van streng, strenger, strengst dan begrijp ik dat het kabinet de regie natuurlijk liever zelf wil houden. Niettemin hoort de bescherming van mensenrechten voorop te blijven staan. Ik vraag de minister nogmaals wat nu de positie van de Nederlandse regering is ten aanzien van het EHRM. Gaat de regering een poging doen om een bezuiniging af te wentelen op dit Hof of gaat de regering proberen het aantal zaken dat daar op de plank ligt – dat zijn er 160 000 – versneld op te lossen?

De asielsituatie in Griekenland blijft onverminderd slecht. De United Nations High Commission for Refugees (UNHCR) spreekt van een humanitaire crisis en de minister heeft de zorgen over de situatie erkend in zijn antwoorden op Kamervragen daarover. Waarom geldt deze opschorting inmiddels niet voor alle 1900 in Nederland verblijvende asielzoekers waarvoor Griekenland verantwoordelijk is? Ziet de minister nu wel mogelijkheden om, net als in Engeland, asielverzoeken van deze groep alvast zelf inhoudelijk te gaan behandelen om daarmee zowel de langdurige onzekerheid voor deze mensen als de kosten voor opvang te beperken? Hoe kijkt de minister überhaupt aan tegen het functioneren van het Dublinverdelingsmechanisme? Is dat op termijn nog wel houdbaar? De minister schrijft in zijn antwoorden lovende woorden over allerlei maatregelen die genomen moeten worden en die hun tijd moeten hebben, maar ik vraag hem welke resultaten de Nederlandse regering over drie of zes maanden verwacht. Als de regering niet stringenter is in dezen zal er in de komende jaren geen einde aan komen.

De situatie in Ivoorkust baart ons zorgen. De kranten staan er vol van. Wat betekent dat voor het uitzettingsbeleid naar dit land?

Neemt de minister het Romadossier onder zich en welke initiatieven gaat hij op dat punt ontplooien? Neemt de minister ook het probleem van de statelozen onder zijn verantwoordelijkheid en wil hij met beleidsmaatregelen komen om daar wat aan te doen?

De heer Fritsma (PVV): Voorzitter. Er staan veel stukken op de agenda en ik loop een aantal zaken door waar de PVV vragen over heeft. Inzake de laatste twee rapportages van de vreemdelingenwetten en de daarin genoemde cijfers lezen wij dat zaken van Irakezen die zijn toegelaten op grond van het categoriaal asielbeleid, herbeoordeeld zijn. Dit heeft geleid tot intrekking van verblijfsvergunningen. Dat is een goede zaak, want als mensen een tijdelijke asielvergunning hebben en bescherming niet meer nodig is, is het logisch dat zij terugkeren naar het land van herkomst. Deze herbeoordeling wordt echter niet gedaan bij Somaliërs, die eveneens zijn toegelaten op grond van het categoriaal asielbeleid. Waarom niet? Ook hier geldt toch dat asielvergunningen ingetrokken kunnen worden als in individuele gevallen is vastgesteld dat bescherming niet meer nodig is? Het gaat in principe gewoon om handhaving van het toelatingsbeleid waarin bekeken wordt of nog voldaan wordt aan de voorwaarden voor verblijf.

Volgens de rapportage stijgt helaas het aantal aanvragen voor gezinsmigratie weer. Het zou hier voor een groot deel Somaliërs betreffen. Gezien de speciale aandacht die Somalische asielzoekers krijgen in verband met fraude vraag ik de minister of deze speciale aandacht ook nodig is voor Somaliërs die via reguliere gezinsmigratie naar Nederland komen. Zijn er daarbij ook meer problemen met betrouwbaarheid van documenten, of meer vraagtekens bij aangegeven familierelaties? Als dat het geval is vraag ik de minister om ook bij de reguliere migratie speciale aandacht te geven aan de Somaliërs, want ook hiervoor geldt natuurlijk dat hoe meer ondeugdelijke aanvragen ondervangen kunnen worden, hoe beter. Verontrustend zijn daarnaast de cijfers over de Europaroute. In 2009 waren er bijna 4000 aanvragen, waarvan er bijna 3000 werden ingewilligd. Dat is een stijging ten opzichte van het jaar daarvoor en betreft nu meer dan 10% van alle gezinsmigratie. Anders dan bij de gezinsmigranten die onder het nationale toelatingsbeleid binnenkomen, hoeven deze mensen niet te voldoen aan alle gangbare eisen, zoals het inburgeringsvereiste of het mvv-vereiste (machtiging tot voorlopig verblijf). Ook de gangbare eis dat geen misdrijf gepleegd mag zijn vervalt, en dat is een ernstige zaak. Hoewel dat in het gedoogakkoord gelukkig is afgesproken vraag ik de minister om absolute topprioriteit te geven aan het dichten van de Europaroute, want op dat punt wordt ons nationale toelatingsbeleid flink ondermijnd.

De cijfers over vertrekken uit Nederland zijn belangrijk. Die schommelen rond de 10 000. Aangegeven wordt dat ongeveer de helft daarvan wordt aangeduid als «aantoonbaar vertrek». Dit is tamelijk onbevredigend, want daarmee is van 5000 personen niet duidelijk of zij Nederland daadwerkelijk verlaten hebben. Hoe moeten wij deze groep zien? Van hoeveel mensen wordt bijvoorbeeld vermoed dat zij nu illegaal in Nederland zijn? Een paar duizend vreemdelingen starten nieuwe procedures op en dat doet het ergste vermoeden. Het lijkt onterecht dat deze mensen allemaal gecategoriseerd worden onder de noemer «zelfstandig vertrek». Volgende week zal uitgebreider over dit onderwerp gesproken worden en daarom is meer helderheid nodig.

Inzake fraudebestrijding lezen wij over verontrustende zaken. Er is nauwelijks iets bekend over de omvang van fraude en de aanpak schiet tekort. Bij de begrotingsbehandeling hebben wij gehoord dat er een antifraudeunit komt. Dat is goed nieuws, maar die unit moet het probleem wel effectief aan kunnen pakken. Als er geen steekproefsgewijze adrescontroles kunnen plaatsvinden, omdat daarvoor concrete fraudeaanwijzingen moeten bestaan, helpt dat niet. Adrescontroles zijn namelijk erg belangrijk, niet alleen om te bekijken of mensen bijvoorbeeld daadwerkelijk samenwonen, maar ook om te controleren of mensen wel echt in Nederland verblijven. Controle middels steekproeven is ook belangrijk vanwege preventie. Het is nu zo dat wanneer alles op papier klopt, en er dus geen sterke aanwijzingen voor fraude zijn, adrescontroles nooit plaatsvinden. Dat geeft een kromme situatie, want steekproefsgewijze controle mag bijvoorbeeld bij AOW’ers wél. Dat is bekrachtigd door de rechter, naar aanleiding van een door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) aangespannen kort geding. Ik vraag de minister er zorg voor te dragen dat steekproefsgewijze adrescontroles bij vreemdelingen in de toekomst mogelijk zijn. Los daarvan vraag ik of het aantal door de Vreemdelingendienst uitgevoerde adrescontroles kan worden opgevoerd, want het genoemde aantal van een paar honderd vind ik weinig op een totaal van 58 000 reguliere verblijfsvergunningsaanvragen.

Voor fraudebestrijding is het nieuwe systeem, INDIGO, eveneens belangrijk. Er loopt nu een audit. Stel dat daaruit het worstcasescenario blijkt, dat het systeem helemaal niet werkt, is er dan een plan B?

Op de agenda staat de brief over Chinese vluchtelingen. Bij de 150 Chinezen die recent in vreemdelingenbewaring zijn gesteld, is deze in maar liefst 125 gevallen opgeheven wegens «het ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn». Ook in de resterende gevallen kon niet tot uitzetting worden overgegaan en de overheid heeft het zicht op deze mensen verloren. Het resultaat is in dezen dus nul en ik vraag de minister hoe dat kan. Hoe is het beeld in zijn algemeenheid eigenlijk bij mensen die uit China afkomstig zijn? Is dat even negatief als bij die genoemde groep van 150 mensen? Hoe kunnen wij deze problemen oplossen? Waarom is in een rechterlijke uitspraak bepaald dat zelfs bij afgifte van een vervangend reisdocument niet kan worden geoordeeld dat wel sprake is op zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn?

De zaak Chakroun is geagendeerd. De PVV-fractie was erg teleurgesteld dat de inkomenseis naar beneden moest worden bijgesteld. In het gedoogakkoord is gelukkig afgesproken om er in Europa voor te zorgen dat de inkomenseis weer omhoog kan.

Inzake de motie-Spekman/Anker is de PVV het met de minister eens deze niet uit te voeren, omdat de problemen dan gewoon blijven bestaan of zelfs groter worden. Als je mensen beloont die tegen de regels in Nederland blijven en hier zonder enig uitzicht op een verblijfsvergunning toch hun kinderen laten opgroeien, dan wordt het zo lang mogelijk rekken van verblijf in Nederland aangemoedigd, al dan niet door het eindeloos stapelen van procedures. Daarmee wordt het terugkeerbeleid ondermijnd en worden alleen maar meer gevallen gecreëerd van kinderen die hier zonder uitzicht op een verblijfsvergunning opgroeien. Het vreemdelingenbeleid is gebaat bij duidelijkheid en daar hoort bij dat mensen terug moeten keren naar het land van herkomst als zij niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning.

De voorzitter: De bode deelt antwoorden uit op vragen van deze commissie over rechtsbijstand en medische problematiek. Ik heb van de minister begrepen dat was toegezegd dat deze antwoorden er voor het AO zouden zijn, maar de minister verklaart dat er achterstand in de procedure is opgelopen door concurrentie tussen diverse systemen. Ik zal erop toezien dat antwoorden er voortaan ruim van tevoren zullen zijn.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik heb een vraag over de kwestie Sahar. De heer Fritsma heeft zelf bij de IND gewerkt en heeft er zelfs een boekje over geschreven. Hij weet dus dat het daar niet altijd soepel loopt en dat gezinnen met kinderen hier soms te lang blijven wegens het traag en misschien onzorgvuldig werken door de IND. Daardoor wortelen zij en ontstaat de situatie die de heer Fritsma zojuist terecht schetste. Als het aantoonbaar gaat om falen door de IND, wat vindt de heer Fritsma daar dan van? In de Volkskrant van gisteren gaf minister Leers als een soort woordvoerder van de PVV aan dat ook de PVV dit soort zaken heel ernstig vindt. Als dat zo is, wat zegt de heer Fritsma dan in zo’n geval?

De heer Fritsma (PVV): Dit soort zaken is ernstig, maar dat komt omdat er in het verleden vanuit de politiek altijd het signaal gegeven is – door bijvoorbeeld diverse keren een generaal pardon te geven – dat het loont om in Nederland te blijven, ook al is men uitgeprocedeerd. Uiteindelijk komt er wel een verblijfsvergunning. Dat is de basis van het probleem. Door duidelijkheid te geven moeten wij daarvan af; als men is uitgeprocedeerd moet men echt terug naar het land van herkomst. Ook in het geval van Sahar zijn meerdere procedures doorlopen die niet geleid hebben tot een verblijfsvergunning en dan kan alleen maar ingezet worden op terugkeer naar het land van herkomst.

De heer Dibi (GroenLinks): De discussie gaat niet over het geven van het verkeerde signaal. Mijn vraag is of de heer Fritsma, als gezinnen procederen – hetgeen hij onwenselijk vindt en ik in veel gevallen ook onwenselijk vind – en de IND dat aantoonbaar niet goed oppakt en te lang wacht met een besluit, waardoor uiteindelijk kinderen heel lang opgroeien in Nederland, nog steeds zegt: jammer dan. Of zegt hij in dat geval dat hij er best nog eens naar wil kijken?

De heer Fritsma (PVV): Ik ben het met de heer Dibi eens dat procedures soms te lang duren, maar dat mag er niet toe leiden dat wordt overgegaan tot het verstrekken van een verblijfsvergunning. Bij de IND ziet men in de praktijk juist dat uitgeprocedeerde mensen gewoon nieuwe procedures starten, en dat wordt gestaafd door de cijfers die het kabinet verstrekt. Dat worden vaak dossiers van tientallen centimeters dik. Dat stapelen van procedures heeft ertoe geleid dat mensen hun verblijf konden rekken, en daar moeten wij dus van af. Mijn standpunt blijft dan ook dat wij niet moeten overgaan tot afgifte van een verblijfsvergunning als duidelijk is dat mensen daarvoor niet in aanmerking komen. Die duidelijkheid is in bijna alle gevallen meer dan eens verschaft.

De heer Schouw (D66): De heer Fritsma zegt eigenlijk dat ook als er inhoudelijk fouten zijn gemaakt in de procedure, er gewoon overgegaan moet worden tot uitzetting. Dat tast de rechtsstaat aan. De heer Fritsma geeft aan dat hij de inkomenseis heel belangrijk vindt en dat deze in Europa gelukkig veranderd gaat worden. Heeft hij daar een timetable bij? Want anders is het een loze opmerking.

Vindt de heer Fritsma dat het op straat zetten van asielzoekers in de vrieskou in Geeuwenbrug en Emmen conform de afspraken is zoals gemaakt in het plenaire debat van vorige week?

De heer Fritsma (PVV): Als er door de IND inhoudelijk fouten gemaakt worden in procedures vind ik niet dat daarmee genoegen moet worden genomen. Dan staat de weg om bezwaar te maken en daarna wellicht in beroep te gaan natuurlijk open. Het is niet zo dat wij wat dat betreft geen boodschap hebben aan de rechtsstaat.

Het aangewezen moment om de inkomenseis aan de orde te stellen is wellicht bij de behandeling van het Groenboek Gezinsmigratie; ik geloof dat dat komend voorjaar is.

Over het uitzetten van de genoemde asielzoekers wacht ik het antwoord van de minister af, want ik weet niet precies hoe dat gegaan is.

De heer Spekman (PvdA): Ik weet nu wie de brief van gisteren van de heer Leers aan de Kamer geschreven heeft, want die tekst was bijna hetzelfde. De heer Fritsma zit op dezelfde lijn als de heer Leers: duidelijkheid boven alles, en de miskenning van het feit dat de prestaties van de Nederlandse overheid niet altijd briljant zijn. Bezwaar wordt in 30% van de gevallen toegewezen. Dat zegt toch iets over de kwaliteit van de besluitvorming door de IND? Als men in een derde van de gevallen gelijk krijgt, is het logisch dat een asielzoeker in bezwaar gaat.

De heer Fritsma (PVV): Natuurlijk staat de weg van bezwaar en beroep open, maar als iemand het hele traject doorlopen heeft en het duidelijk is dat er geen recht bestaat op een verblijfsvergunning, bekrachtigd door de onafhankelijke rechter, is er maar één gevolgtrekking mogelijk: inzetten op terugkeer. Aan de stellingname van verschillende partijen over bijvoorbeeld een individueel geval stoort het mij dat steeds weer het signaal wordt afgegeven dat men tegen de regels in Nederland kan blijven en dat dit uiteindelijk beloond kan worden met een verblijfsvergunning. Dat is een verkeerd signaal waarmee nog meer schrijnende gevallen gecreëerd worden, en daarmee maakt de PvdA het probleem misschien nog wel groter. Het wordt zo in elk geval in stand gehouden en dat vind ik een ernstige zaak.

De heer Spekman (PvdA): Kinderen moeten niet de dupe zijn van falend ouderschap of een falende overheid. Er is helaas sprake van een falende overheid.

Vindt de heer Fritsma in het geval van Sahar een asielaanvraag, inclusief bezwaar en beroep, één zaak, of ziet hij dat als drie aanvragen?

De heer Fritsma (PVV): Dat betreft geen drie aanvragen. Er is één aanvraag geweest en in een later stadium is bezwaar gemaakt tegen wellicht een afwijzing. Dat bezwaar is ongegrond verklaard, waarna beroep is ingesteld. Het is mijn interpretatie dat dat een uitvloeisel is van één aanvraag. Men zou een bezwaarprocedure of beroep ook als losstaand kunnen zien, maar niemand zou moeten worden vastgepind op numerieke interpretaties.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Voorzitter. Wij ondersteunen de brief en het pleidooi inzake Sahar. Zij komt uit een gezin met drie minderjarige kinderen die langer dan tien jaar in Nederland zijn. Ik ben het niet met de heer Fritsma eens dat hier de procedure is gerekt. Het heeft te lang geduurd voor het gezin een definitieve uitslag van de beoordeling kreeg, en het is onmenselijk om kinderen die nog nooit in Afghanistan zijn geweest nu terug te sturen.

Ik ondersteun het pleidooi en onderstreep de woorden van de minister van vorige week over het niet uitzetten van asielzoekers in de vrieskou. Nu wij dat toch zien gebeuren, vraag ik om een reactie van de minister. Laten we bezien hoe dit kan worden teruggedraaid.

Het kabinet trekt 1 mln. uit voor het beleid dat de minister, samen met de heer Knapen, wil inzetten inzake het terugsturen van alleenstaande minderjarige asielzoekers (ama’s) en wil van dat geld weeshuizen bouwen. Ik heb begrepen dat dit in samenwerking met meerdere landen gaat. Als dat op die manier gebeurt is dat prima, maar vindt de minister ook dat opsporing van familie in het land van herkomst de eerste prioriteit zou moeten zijn? Het wegzetten van ama’s in weeshuizen en vervolgens je handen weer van hen aftrekken lijkt mij namelijk een kille benadering. De benadering van de UNHCR is altijd geweest dat tracing, opsporing, het primaire doel is. Mocht dat niet snel lukken dan is een weeshuis een mogelijkheid, maar in de meeste gevallen, 80%, is er sprake van familie- of clanrelaties die bereid zijn het kind weer terug te nemen. Daarop graag een reactie.

De rapportage Vreemdelingenketen laat een daling zien van de asielaanvragen. Ik heb een aantal opmerkingen betreffende de verschillende landen. Inzake Somalië heeft het Hof een interim measure (IM) afgegeven, weliswaar in een individuele zaak, over het terugsturen naar Mogadishu. Kan de Kamer, in het verlengde van de gisteren aangenomen motie, deze uitspraak van het Europese Hof tegemoetzien, zodat wij die kunnen lezen?

Het is goed om te zien dat de maatregelen om de mensenhandel vanuit Somalië tegen te gaan gewerkt hebben. Het is nu zaak om elk individueel geval zuiver te toetsen, en daarover heeft de ChristenUnie een aantal vragen. Ten eerste het vestigingsalternatief dat de minister in de beantwoording van Kamervragen noemt: als er een vestigingsalternatief is voor Mogadishu wordt er alsnog uitgezet. Hoe ziet de minister dat voor zich, gezien de moeilijke situatie in Mogadishu met de checkpoints, en de verkrachtingen, berovingen en moorden die daar plaatsvinden? Ook al is er een vestigingsalternatief, hoe komt men dan door Mogadishu heen? Ik herinner de minister eraan dat zelfs IND’ers niet verder vliegen dan Nairobi in Kenia vanwege het gevaar. Er zijn zelfs vliegtuigen beschoten die naar Mogadishu wilden, en wij laten asielzoekers daar dan alleen naartoe vliegen. In die context bereiken ons berichten dat mensen die naar Kenia gevlucht zijn – en dat betreft 8000 gevallen in de afgelopen maand – van daaruit gedwongen teruggestuurd worden naar Somalië. Dat gaat in tegen het Vluchtelingenverdrag. Kan de minister daar een reactie op geven, misschien in overleg met staatssecretaris Knapen, en zijn afkeer in dezen laten horen?

Hoe rijmt de minister het terugsturen naar Zuid- en Centraal-Somalië met wat het Europees Hof aangeeft, te weten dat deze asielzoekers in elk geval niet teruggestuurd moeten worden naar Griekenland? Erkent de minister dat Zuid- en Centraal-Somalië nooit kunnen dienen als vestigingsalternatief?

De Kamer heeft gisteren een motie aangenomen over nareizende gezinsleden; de criteria die in het kabinetsbeleid stonden moesten worden aangescherpt, en nu toch weer niet. Hoe gaat de minister die motie uitvoeren? VluchtelingenWerk bespreekt in zijn brief dat de maatregelen ook biologische kinderen betreffen, en dat er in de praktijk soms sprake is van langdurige en zelfs permanente scheiding van gezinnen. Kent de minister deze gevallen en is hij bereid alles in het werk te stellen om de gezinnen die bij elkaar horen echt een gezinsleven te geven waarop zij recht hebben?

Het categoriaal beleid is afgeschaft voor Ivoorkust. Dat leek een logische beslissing, maar we staan nu voor een heel andere situatie. De veiligheidssituatie is belabberd, het vliegveld is blijkbaar gesloten vanaf 2 december. Hoe gaat de minister daarmee om? Het lijkt mij op dit moment voor de hand te liggen om uitzetting naar Ivoorkust op te schorten. Is de minister het daarmee eens?

Wat gebeurt er met de mensen die nu niet kunnen worden overgedragen aan Griekenland? Hoe ziet de procedure er voor hen uit? Nederland doet in Europa zijn best inzake het Griekse nationaal actieplan, maar wat doet de minister voor de mensen die nu moeten wachten tot Griekenland de zaken op orde heeft? En wanneer zal dat zo zijn?

Door de uitvoering van de verbeterde asielprocedure zijn de medische diensten bij de asielzoekerscentra (azc’s) per 1 juli 2010 verdwenen. Kan de minister aangeven wat de ervaringen zijn in dit eerste halve jaar, en is de zorgverlening in noodsituaties accuraat?

Klopt het dat in de eerste maanden dat de nieuwe asielprocedure werd uitgevoerd het verblijf in de centrale ontvangstlocatie onacceptabel lang was? Het is toch de bedoeling dat de asielzoekers op de tweede of derde dag overgebracht worden naar de procesopvanglocatie? Hoelang is de gemiddelde verblijfsduur en hoe wil de minister herhaling van te lang verblijven op de centrale ontvangstlocatie in de toekomst voorkomen?

Inzake de alleenstaande minderjarigen die via Schiphol Nederland binnenkomen kan het toch niet zo zijn dat alleenstaande kinderen hun asielprocedure in detentie doorlopen, terwijl zij overduidelijk minderjarig zijn? Hoe verhoudt zich dat tot de rechten van het kind zoals wij die kennen? Is er een mouw te passen aan het anders organiseren van de opvang van deze kinderen?

De heer Spekman en oud-collega Anker hebben destijds een motie ingediend inzake verblijfsvergunningen en minderjarige kinderen en gisteren is over dit onderwerp een brief gekomen. Vooruitlopend op een uitgebreider debat hierover merk ik op dat de minister stelt dat het soms heel lastig is om het verblijf van acht jaar in Nederland vast te stellen. Het is echter toch simpel om vast te kunnen stellen middels een schoolverklaring dat deze kinderen acht jaar naar school zijn gegaan?

De minister geeft aan dat Nederland zich zal inzetten om de kwalificatierichtlijn zo te wijzigen dat de bewijslast voor het aantonen van het ontbreken van vluchtalternatieven meer naar de aanvrager wordt verschoven. De ChristenUnie-fractie wil daarover meer duidelijkheid. Ik begrijp werkelijk niet wat hier bedoeld wordt. Ik probeer mij er iets bij voor te stellen. Is dit te vergelijken met bijvoorbeeld iemand die ligt te slapen, wakker wordt in een dichte rook en moet rennen voor zijn leven omdat zijn appartement in brand staat? Snakkend naar adem komt hij bij de nooduitgang van het complex, maar daar wordt hij door de brandweer tegengehouden en mag pas naar buiten als hij heeft aangetoond dat er geen alternatieve vluchtroutes waren. Dat klinkt nogal absurd, dus daarop graag een reactie van de minister.

Mevrouw Kooiman (SP): Voorzitter. Ik vervang vandaag mijn collega Sharon Gesthuizen.

Er staan enorm veel punten op de agenda, die allemaal belangrijk zijn. Helaas moet ik mij beperken tot een aantal ervan. Wat ik er in ieder geval wil uitlichten is het weigeren door landen om reisdocumenten af te geven, wat toch een belangrijk punt is bij terugkeer. Uit de beantwoording van schriftelijke vragen over de rapportage Vreemdelingenketen tweede helft 2009 blijkt dat het niet afgeven van een reisdocument in de meeste gevallen aan de vreemdeling zelf te wijten is. Wil de minister volhouden dat landen die hij opnoemde wel altijd willen meewerken? Als dat zo is, waarom staat China dan niet op het lijstje van de minister van niet-meewerkende landen? Door de Chinese autoriteiten zijn namelijk dit jaar eenmalig, na jaren van obstructie, zeventien laissez passers afgegeven. Tegelijkertijd is door hen in de periode januari tot november 2010 niet gereageerd op 195 aanvragen voor laissez passers. Er is dus geen structurele verbetering van de oude situatie, het is weer hetzelfde liedje. Erkent de minister dit?

Inzake het in vreemdelingenbewaring nemen van Tibetanen verklaarde de IND, in een uitzending van EénVandaag, desgevraagd dat recent twee Tibetanen zijn teruggekeerd naar China. Kan de minister dit bevestigen? Graag ontvangen wij een duidelijk antwoord van de minister over hoeveel Tibetanen teruggestuurd zijn naar China, en wanneer.

Bij de begrotingsbehandeling gaf de minister aan dat het goed gaat met de nieuwe asielprocedure. Dat lijkt goed nieuws, maar ik heb daarover nog een paar vragen. Tijdens de feitelijke vragenronde bij de begroting heeft de SP de minister gevraagd hoeveel vreemdelingen op straat gekomen zijn omdat de rechtbank niet binnen de voor opvang geldende termijn van 28 dagen een beslissing genomen had. Met die vraag waren wij volgens de minister toen iets te vroeg. Kan hij nu dan wel antwoord geven, daar hij immers aangeeft dat het ontzettend goed gaat? Ik herhaal de toen door de SP gestelde vraag: kan de minister garanderen dat er geen mensen op straat belanden omdat de rechtbank, buiten de schuld van de vreemdeling, verzuimt om binnen 28 dagen te beslissen?

Een tweede vraag betreft de tijd dat mensen in de centrale opvang verblijven, voordat zij doorstromen naar de procesopvanglocatie. De eerste maanden bedroeg deze tijd namelijk weken, in plaats van de voorziene dagen. Klopt het dat er inmiddels ook al een wachttijd is voordat de mensen in de opvanglocatie terechtkomen? Is er dan een soort pre-opvanglocatie gecreëerd, die formeel eigenlijk niet bestaat? Wat is de status van dit nieuwe fenomeen? Is de minister het met de SP-fractie eens dat deze situatie niet gewenst is? Vindt de minister dat het goed gaat, of is hij bij het begrotingsdebat iets te enthousiast geweest?

De SP deelt de mening van VluchtelingenWerk dat kinderen die via Schiphol binnenkomen hun procedure niet in bewaring moeten doorlopen. Kinderen horen niet in een cel. Is de minister bereid onmiddellijk een einde te maken aan het opsluiten van deze kinderen?

Ook de SP vindt dat fraude en misbruik aangepakt moeten worden. Daarover kan geen misverstand bestaan. Daarom vraag ik de minister wat de gevolgen zijn van het niet invoeren van het nieuwe computersysteem van de IND, INDIGO, dat immers de oplossing zou zijn voor de aanpak van fraude. Alle aangekondigde controlemaatregelen die op dit systeem gebaseerd zijn staan nu in de ijskast. Hoe gaat de minister de gevolgen van het niet invoeren van INDIGO ondervangen?

Wat betekent in de praktijk de volgende zinsnede uit het regeer- en gedoogakkoord: «Bij vergunningverlening op grond van toepassing van de discretionaire bevoegdheid zal terughoudendheid het uitgangspunt zijn»? Is de minister van mening dat zijn voorganger te gemakkelijk verblijfsvergunningen heeft uitgedeeld, en hoe gaat hij zijn eigen discretionaire bevoegdheid invullen? Geldt hiervoor een quotum? Het is niet voor niets dat ook de SP de brief over de kwestie-Sahar ondertekend heeft. Uit de brief over de motie-Spekman/Anker maak ik op dat deze minister een keuze maakt tegen kansrijke kinderen. Wij zijn hier zeker nog niet over uitgesproken, en de minister heeft in dezen veel uit te leggen.

In een interview in de Volkskrant van gisteren zei de minister dat een nee van de rechter ook nee betekent. Ik wijs de minister erop dat er ook gevallen zijn waarin de rechter ja zegt. Ik vraag de minister hier kritisch naar te kijken en te onderzoeken of het automatisme van hoger beroep door de IND wel altijd noodzakelijk is. Kan de minister dit toezeggen?

De SP heeft eerder moties ingediend over mensen in de kou. De minister zal toch begrijpen dat het misgaat als mensen een formele brief krijgen waarin staat dat zij weg moeten, en er niet bij wordt verteld dat zij bij deze kou niet op straat hoeven te staan? Daarop graag een reactie.

De situatie in Griekenland is op humanitair terrein onverminderd dramatisch en gezien de economische situatie valt er op korte termijn weinig verbetering te verwachten. Wat gaat de minister doen om te voorkomen dat mensen die niet kunnen worden overgedragen hier jarenlang in onzekerheid moeten verblijven, met alle kosten die daaraan verbonden zijn? Komt er een punt waarop Nederland zelf procedures gaat behandelen? Hoelang wacht de minister nog lijdzaam af?

Bij afschaffing van het categoriale beschermingsbeleid voor Somalië heeft de SP steeds gezegd dat toetsing op individuele basis kan, op voorwaarde dat asielzoekers die bescherming nodig hebben die ook daadwerkelijk krijgen. De minister week bij het terugsturen van Irakezen af van de aanbeveling van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen. In de kwestie van het vestigingsalternatief voor Centraal- en Zuid-Somalië legt de minister het advies van de Hoge Commissaris wederom naast zich. Neemt de minister de UNHCR nog serieus?

De heer Spekman (PvdA): Voorzitter. Mijn eerste vraag gaat over het aanscherpen van het nareiscriterium. Ik heb begrepen dat de wachttijden voor de gezinsherenigingsprocedure fors zijn opgelopen. Ook zijn de voorwaarden wat opgerekt, daar dit nu ook geldt voor biologische kinderen. VluchtelingenWerk geeft aan dat er gedurende deze lange wachttijden van nu zes tot negen maanden vreselijke dingen gebeuren. Zo werd een echtgenote doodgeschoten op de grens tussen Kenia en Somalië tijdens de herenigingsprocedure en werd in Ethiopië een moeder ontvoerd door de beweging Al-Shabaab. Graag een reactie daarop van de minister.

Inzake de nieuwe asielprocedure sluit ik mij aan bij de opmerking van de heer Schouw over de opvang. Mijn tweede punt betreft de grensdetentie. Die was controversieel verklaard door de vorige Kamer en er worden nu heel veel minderjarige vreemdelingen in grensdetentie geplaatst. Daar moet subiet een einde aan komen. De rechter dwingt dat min of meer ook af, maar wij willen weten of de minister zijn beleid heeft aangepast.

Over de leges is een motie van de ChristenUnie en PvdA aangenomen en daarop is nog steeds geen reactie gekomen, dat loopt de spuigaten uit. Ik verwacht echt binnenkort een reactie van de minister in dezen en hopelijk kan hij er nu al iets over zeggen.

Een symbool van vandaag is dat de brief inzake Chakroun geagendeerd is. Daarin is het oude beleid van minister Verdonk na zes jaar teruggefloten. Zo zijn er heel veel maatregelen genomen waar even goede sier mee gemaakt is, maar die je als een slag in het gezicht terugkrijgt. Ik zoek naar wat dit kabinet gaat doen, en ik wil snappen wat dit kabinet doet. Rekent de minister erop dat hij ook maatregelen kan nemen waar hij een tijdje mee vooruit kan, maar op een gegeven moment over teruggefloten wordt, of doen we het recht door zee en bediscussiëren wij het hier in de Kamer openlijk? Of vinden wij andere manieren om de grenzen te sluiten en het de mensen moeilijk te maken? Toen ik het interview in de Volkskrant las, was het eerste dat in mij opkwam dat het hier gewoon een paginalange lapdance van minister Leers betrof op de schoot van Geert Wilders. Dat bedacht ik niet met plezier, maar dat was wat het was. Er werd alleen maar gepraat vanuit het uitgangspunt dat het ligt aan de vreemdeling: alles is de schuld van de ander die doorprocedeert. Wij als overheid doen het daarentegen geniaal. Wat ik het allerergst vind, is dat vervolgens een meisje naar voren gehaald wordt en door de minister gebruikt om zichzelf groter te maken. Dat heeft mevrouw Verdonk ook gedaan met een aantal gevallen, die ik mij nog zo voor de geest kan halen. Vanuit de oppositie hebben wij er bewust voor gekozen om niet eerder over dit meisje, deze familie te reppen in een mondeling vragenuurtje of een spoeddebat. Mijn collega heeft de kwestie voor het mondelinge vragenuurtje ingetrokken, omdat wij niet wilden dat dit meisje onderdeel zou worden van het publieke debat. Nu is zij dat toch. Niet dankzij de oppositie, maar dankzij de heer Leers, die laat zien hoe geweldig zijn geweten ermee worstelt en hoe slecht hij ervan slaapt, maar die toch een besluit neemt. Dat is prachtige taal, maar dat mag nooit ten koste gaan van zo’n meisje en dat is wel gebeurd. Als ik kijk naar enkele situaties die de laatste tijd plaatsvinden ... Ik noem de motie die niet is aangenomen door de stemverklaring van de CDA-fractie over de vrieskou. Maar wat er gebeurt, is dat ik te horen krijg dat mensen wél op straat gezet worden. Ik kom een andere keer terug op de situatie in Irak, maar ook daarbij is de toonzetting overduidelijk. Dat zie je terug in de citaten in de processen-verbaal van de zittingen. Die liggen hier bij de vertrouwelijke stukken, maar zijn gewoon verkrijgbaar en staan volgens mij ook op de site van VluchtelingenWerk Nederland. In al die verschillende situaties kiest de minister ervoor hardvochtig te zijn, om vooral te zeggen dat het aan de ander ligt, niet aan hem, hij staat voor duidelijkheid. Vervolgens kunnen mensen echter onterecht bijna worden uitgezet, worden ze op straat gezet en zijn kinderen de dupe, zoals het genoemde meisje. Dat heeft mede te maken met de motie die niet wordt uitgevoerd. De heer Fritsma verwoordde zojuist keurig waarom de minister vindt dat dat niet moet. Ik kom daar graag in een later debat nog op terug. Als het nodig is zal ik zeker met de mede-initiatiefnemer van de motie – destijds de heer Anker, nu de heer Voordewind – een initiatiefwetsvoorstel gaan voorbereiden. Ik hoop dat meer collega’s daaraan meedoen en ik nodig daartoe ook de coalitiefracties uit. De kern van de zaak is dat het meisje om wie het nu gaat hier al meer dan tien jaar lang gehoord heeft dat een boerka slecht is, maar dat zij terug zou moeten naar een land waar zij alleen kan overleven als zij een boerka draagt. Het is waar dat zij en haar familie hier geprocedeerd hebben. In tweede aanleg heeft zij gelijk gekregen van de rechter, en toen is de Nederlandse Staat gaan doorprocederen bij de Raad van State. Die procedures hebben ontzettend lang geduurd en dat lag ook aan de wachttijd bij de Nederlandse Staat, die heel sloom opereerde. Trek ook het persoonlijke boetekleed eens aan! Als je de cijfers bekijkt die wij vandaag bespreken, dan zie je dat 70% van de beslissingen op bezwaar niet op tijd genomen wordt. In 35% van de gevallen duurt dit meer dan een halfjaar te lang. Verder blijkt dat deze mensen helemaal niet kansloos zijn, want als dat wel zo zou zijn zou de IND veel sneller kunnen beslissen. Bovendien wordt een derde van alle bezwaren toegewezen. Bij dat hele verhaal over duidelijkheid denk ik: er worden fouten gemaakt, en het is heel terecht dat mensen de bezwaar- en beroepsprocedure ingaan. De minister zegt in het krantenartikel dat deze mensen vijf keer naar de rechter zijn gegaan. Hij moet daar wel bij vermelden dat het om drie asielaanvragen gaat, waarbij de eerste twee asielaanvragen in totaal acht jaar geduurd hebben. De laatste aanvraag is inderdaad terecht en snel in twee weken tijd afgehandeld, maar de andere hebben dus acht jaar geduurd en dat had heel veel te maken met de laksheid van de Nederlandse overheid. Dat meisje is daarvan de dupe.

De heer Fritsma (PVV): Het blijft een feit dat ook in dit individuele geval meerdere procedures doorlopen zijn. Tot aan de rechter toe is geconcludeerd dat er geen recht bestaat op een verblijfsvergunning. Desondanks is dit gezin in Nederland gebleven. De heer Spekman vindt nu dat er een verblijfsvergunning moet komen, waardoor al die andere gezinnen het signaal krijgen dat zij ervoor moeten zorgen meerdere procedures te doorlopen en niet terug te gaan naar het land van herkomst, ook al hebben zij daartoe de plicht. Uiteindelijk krijg je namelijk toch die verblijfsvergunning. Realiseert de heer Spekman zich dat het probleem daardoor juist groter wordt? Natuurlijk is het een tragische zaak dat een meisje terug moet naar Afghanistan, maar juist om ervoor te zorgen dat dit niet nog een keer gebeurt moet nu een duidelijke grens worden gesteld. Gezegd moet worden dat men moet terugkeren als men niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. De heer Spekman geeft een ander signaal af, waardoor andere onverantwoordelijke ouders hun kinderen ook in Nederlanden laten opgroeien. Daardoor ontstaan nog meer Sahars.

De heer Spekman (PvdA): Ik realiseer mij de dilemma’s in het asielbeleid heel goed. Vaak ben ik de bondgenoot van de heer Fritsma als hij het heeft over fraude en minder naïviteit, waardoor ik bijvoorbeeld achter het besluit stond tot afschaffing van het categoriale beleid voor Somalië. Ik kies echter voor dit blauwe boekje, het Verdrag voor de Rechten van het Kind. Ik vind dat belangrijk. Misschien ben ik een beetje weekhartig als het om kinderen gaat, maar ik vind het belangrijk dat kinderen niet de dupe worden van falend ouderschap of een falende overheid. In heel veel situaties zie ik dat kinderen wel de dupe zijn van een falende overheid. Ik kies ervoor om dat niet zo te laten zijn. Ook pak ik de handschoen op door te zorgen dat de overheid beter en efficiënter wordt. In de vorige periode heb ik persoonlijk voorstellen in de Kamer gedaan om een aantal procedures in het asielbeleid te schrappen en te verkorten. Dat vond niet iedereen aardig van mij, maar ik heb het wel gedaan. Ik ben het namelijk totaal eens met de heer Fritsma als het gaat om valse verwachtingen, daar houd ik niet van. Ik houd wel van rechtvaardigheid, en na de afweging kies ik voor de kinderen. Ik constateer dat de heer Fritsma deze kinderen, de jonge meid om wie het hier gaat, in een boerka duwt. Dit terwijl zijn ideologie juist zou moeten maken dat dit meisje niet de boerka gegeven wordt, maar een toekomst hier.

De heer Fritsma (PVV): Ik ga op dat laatste punt maar niet in. De woorden van de heer Spekman zijn tegenstrijdig. Hij zegt dat wij kinderen niet de dupe mogen laten zijn van falend ouderschap, maar hij beloont dat falend ouderschap. Hij zorgt ervoor dat het wangedrag van de ouders – kinderen laten opgroeien zonder enig uitzicht op verblijfsrecht – beloond wordt met een verblijfsvergunning. Het resultaat is dat nog veel meer onverantwoordelijke ouders hetzelfde zullen doen. Het kiezen voor kinderen zijn mooie woorden. Het lot van kinderen is belangrijk – dat vindt de PVV-fractie ook – maar wij moeten niet als onmenselijk worden afgeschilderd. Het gaat erom dat de heer Spekman het probleem juist in stand houdt, waardoor er in de toekomst nog meer Sahars zullen komen. Dat is wat hij bereikt met dit soort stellingnames. Het werkt totaal averechts.

De heer Spekman (PvdA): De stellingname van de heer Fritsma is duidelijk. Als er sprake is van falend ouderschap is er uiteindelijk de Kinderbescherming. Ik ben er voor dat die elke zaak in ogenschouw neemt. Als het nodig is, worden kinderen bij falende ouders weggehaald. Hier is echter ook sprake van een falende overheid, omdat de procedures ellenlang waren. Overigens hebben deze mensen in tweede aanleg, bij de tweede bezwaarprocedure, gelijk gekregen van de rechter. Wie geeft hen dan ongelijk dat zij hier hun kansen afwachten? In de acht jaren die dit alles geduurd heeft zijn dit meisje en vele andere kinderen die dit ook betreft volledig ingeburgerd. Dan moeten zij opeens terug naar een land waarvan zij de taal en de cultuur niet kennen, naar een gebruik dat zij verafschuwen – het dragen van een boerka – terwijl zij hier trots op straat lopen en trots zijn op het bestaan dat zij hier aan het opbouwen zijn. Ik vind dat doodzonde, en mede namens de fracties van GroenLinks, SP, D66, ChristenUnie en de PvdD bied ik zo meteen een brief aan.

Voorzitter. Bij de afgelopen begrotingsbehandeling hebben wij gesproken over Griekenland. De minister heeft toen iets gezegd over het actieplan. Dat er een actieplan is wil echter nog zeggen dat nu opeens mensen teruggestuurd mogen worden naar Griekenland. De rekening tikt door: de opvang van de mensen die vanuit Griekenland naar hier gekomen zijn met een Dublinclaim kost de Nederlandse belastingbetaler elk jaar 40 mln. Wij hebber er dus baat bij dat de situatie in Griekenland beter is, want als dat niet zo is kunnen wij niet terugsturen. Als dat drie jaar gaat duren kost dat 120 mln. Als wij een klein deel van dat bedrag in hulp aan Griekenland steken, zodat de mensen eerder terug kunnen, zijn wij ook nog een goed koopman. Ik vraag de minister om in dit geval een goed koopman te zijn en dus wel actie te ondernemen inzake Griekenland. Een ander alternatief dat eveneens goedkoper is, is het zelf in procedure nemen van mensen. Wat nu voorgesteld is, is de kop-in-het-zandoplossing en ook de duurste oplossing.

Ik zou heel graag willen dat de minister toch uitvoering geeft aan de niet aangenomen motie en gaat praten bij een aantal steden die de koudweerregeling hebben. Daar beoordelen GGD-artsen objectief of het op enig moment verantwoord is om op straat te overnachten en te leven. Er moet bij het op straat zetten van mensen – hetgeen ik overigens helemaal niets vind – bij vrieskou sprake zijn van een menselijke grens, en die kan beoordeeld worden door GGD-artsen.

De voorzitter: De bode overhandigt de brief van de heer Spekman aan de minister.

De heer Dibi (GroenLinks): Voorzitter. Het is goed om vast te stellen dat wij op basis van de rapportage Vreemdelingenketen kunnen concluderen dat er in het afgelopen jaar minder mensen naar Nederland zijn gekomen om een asielaanvraag te doen, en dat meer vreemdelingen Nederland aantoonbaar hebben verlaten dan in het jaar daarvoor. Dit zeg ik om het vaak opgeroepen schrikbeeld dat Nederland overstroomd wordt door asielzoekers te nuanceren. De meeste asielverzoeken komen uit Somalië, Irak en Afghanistan en wij kunnen wel raden waarom dat zo is. Die mensen kunnen wij niet wegzetten als gelukzoekers.

Voor ik bij het belangrijkste agendapunt kom, loop ik een paar zaken langs. Inzake de koudweerregeling, gelijk aan die bij daklozen, zoals voorgesteld door de heer Spekman, heeft de minister een duidelijke toezegging aan de Kamer gedaan bij de begrotingsbehandeling. Blijkbaar is dat niet bij iedereen goed tussen de oren gekomen, derhalve graag een duidelijke reactie van de minister over hoe hij hiermee wil omgaan.

Het aantal minderjarige asielzoekers dat naar Nederland komt neemt almaar toe. Veel van hen komen terecht in detentie. Het komt nog steeds voor dat ama’s op Schiphol in detentie blijven gedurende de asielprocedure, terwijl dat gewoon niet mag. Kan de minister garanderen dat dit niet meer gebeurt, en op welke wijze gaat hij hier gevolg aan geven?

Vorige week heb ik de minister in een mediabericht horen zeggen dat Griekenland de eigen asielproblemen maar eens moest gaan oplossen. Dat klinkt stoer, maar wat is daar precies van waar? Volgens de minister was Eurocommissaris Malmström, die over asiel binnen Europa gaat, het hartgrondig met hem eens. Ik dacht dat er in Europa een andere ontwikkeling gaande was, namelijk een van een meer gezamenlijk asielbeleid waarbij landen solidair samenwerken en bekijken hoe ervoor gezorgd kan worden dat niet één land te veel opneemt, waardoor de spankracht te veel onder druk komt. Via mijn bronnen vernam ik dat mevrouw Malmström het helemaal niet met de minister eens is. Hij had haar woorden weer eens vrijelijk geïnterpreteerd om zo in Nederland duidelijk te maken dat hij scherp is op immigratie en asiel. Graag een reactie daarop van de minister. Als de stroom van asielzoekers die in Griekenland aankomt echt een probleem is van dat land zelf, hoe komt het dan dat wij in Nederland meer dan 2000 Griekse asielzoekers hebben? De minister verwijst naar een uitspraak over de Dublinclaimanten die nog moet komen, eind dit jaar of begin volgend jaar. Dan pas laat hij weten hoe hij daarmee wil omgaan. Het bewijs dat dit geen Grieks probleem is maar een Europees probleem zit hem echter toch in het feit dat wij in Nederland nu te maken hebben met ontzettend veel Griekse asielzoekers die wij niet zomaar kunnen uitzetten. Kan de minister daarop ingaan? Hoe kan hij uitleggen hoe hij tot de conclusie gekomen is dat mevrouw Malmström het met hem eens is?

De houding van de minister over de veiligheidssituatie in Somalië is wat de GroenLinks-fractie betreft dubbelhartig. Volgens hem is Mogadishu onveilig wegens de intensiteit van geweld. Dit valt zelfs binnen de kwalificatierichtlijn artikel 15c. Toch wil de minister Somaliërs uitzetten naar Centraal- en Zuid-Somalië, terwijl de regering dat eerder niet als vestigingsalternatief zag. Wat is er veranderd? Op basis van welke informatie is de minister tot zijn oordeel gekomen, en op basis waarvan denkt de minister dat het veilig is om uitzettingen naar Zuid- en Centraal-Somalië via de luchthaven van Mogadishu te laten plaatsvinden?

Het belangrijkste punt van vandaag is wat mij betreft de motie-Spekman/Anker, waarin staat dat er bij gezinnen met asielzoekerskinderen die mede door toedoen van de overheid langer dan acht jaar in Nederland verblijven, echt gekeken moet worden naar het verlenen van een rechtmatige verblijfsvergunning. De minister wilde de motie niet uitvoeren omdat het uitzetten van gezinnen met minderjarige kinderen prioriteit gaat krijgen van dit kabinet. Het gaat hier echter juist om gezinnen die in het verleden geen prioriteit kregen van de overheid. Het valt mij hierbij op dat de minister wel heel dicht aanschuurt tegen de heer Wilders, misschien uit angst voor problemen met de gedoogpartner. Wellicht kan de minister daar verder op ingaan. Ik kan mij namelijk goed herinneren dat de heer Verhagen, toen hij nog fractievoorzitter van het CDA was, tegen toenmalig minister Verdonk zei dat van daadkracht geen karikatuur gemaakt moet worden. Toen ik het interview in de Volkskrant van gisteren las, zag ik een minister die zijn eigen positie en daadkracht wilde profileren ten koste van een kind. Zelf heb ik mondelinge vragen ingediend en zelfs getwijfeld over een spoeddebat, want met deze kwestie moeten we toch iets doen. Wij vonden echter dat dit beter op een rustige manier geregeld kon worden in plaats van in een gepolariseerd debat. Daar is het nu toch onderwerp van geworden, en dan moeten de zaken ook scherp benoemd worden. De brief die de heer Spekman namens de oppositie heeft opgesteld, is overhandigd aan de minister, maar ik zeg daar uitdrukkelijk bij dat deze zo dadelijk ook overhandigd wordt aan mevrouw Ferrier en de heren Koppejan en Biskop. Ik wijs er de heer Knops op dat bij het CDA gezegd wordt «wij zijn allemaal dissidenten, het gaat niet om slechts twee mensen». Bewijs dat dan maar eens.

De heer Fritsma vindt dit signaal verkeerd. Ik kan mij nog goed herinneren dat minister Verdonk er prat op ging dat zij 700 keer gebruik had gemaakt van haar discretionaire bevoegdheid; dat was nog vaker dan haar voorganger. Toch dacht niemand dat het kabinet een soft beleid voerde inzake immigratie en asiel, het straalde juist in binnen- en buitenland uit dat Nederland een heel streng immigratie- en asielbeleid had. Toch kon er dus in bepaalde gevallen gebruikgemaakt worden van de discretionaire bevoegdheid. Dat kan derhalve ook in dit geval, en dat moet ook. Ik wil graag dat de minister daarop ingaat. Hoe wil hij omgaan met deze zaak? Heeft hij spijt van de uitspraak die hij gedaan heeft in de Volkskrant? Hij heeft daar namelijk een raar beeld geschetst van het aantal aanvragen dat gedaan is, en ook was er helemaal geen sprake van eindeloos rekken tegen beter weten in.

De heer Knops (CDA): Het lijkt mij voor de orde van dit debat goed dat ook wij de brief, genoemd door de heren Spekman en Dibi, te zien krijgen.

De voorzitter: Dit wordt door de bode geregeld.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik stel vast dat het goed nieuws is dat het CDA en de VVD de brief ook willen lezen en nog even naar deze zaak willen kijken. Wil de heer Fritsma de brief ook lezen? Het gaat er niet om dat het hier een zielig meisje betreft, aan wie een verblijfsvergunning gegeven moet worden omdat wij tegen het kabinetsbeleid zijn op het terrein van immigratie en asiel. Puur inhoudelijk moet men concluderen dat er fouten gemaakt zijn door de overheid. Als CDA en VVD bereid zijn om de zaak toch nog even te bekijken, stellen wij dat enorm op prijs, maar niet voor niets geef ik de brief ook aan mevrouw Ferrier en de heer Koppejan voor wat extra druk op de ketel.

In het kader van het interview in de Volkskrant merk ik op dat het mij erg tegenstaat als ministers in de media allerlei stoere dingen roepen die vervolgens in de Kamer allemaal genuanceerd worden. De minister zei in het interview namelijk dat het vervelend is dat, doordat zo vaak procedures gestapeld worden en mensen telkens weer hoop krijgen, dit meisje de dupe wordt van de keuze van haar ouders die tot het einde proberen niet terug te hoeven gaan. In dit geval is dat niet op die manier gebeurd. Het duurde acht jaar voor er duidelijkheid kwam in deze zaak. Graag een reactie van de minister op dit punt.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen (VVD): Voorzitter. Veel onderwerpen zijn al besproken. Ik neem de onderwerpen die minder aan de orde zijn geweest bij de kop. Inzake kennismigranten sluit ik aan bij de woorden van D66. Er is net uitgebreid gesproken over Dublinclaimanten en Griekenland. Ik wil daaraan toevoegen dat de VVD zich bezorgd afvraagt of Griekenland hieraan zelf voldoende prioriteit geeft. De instroom loopt volop door. Als de processen niet op orde zijn, leidt dat tot dweilen met de kraan open. Het heeft consequenties voor de betreffende mensen en voor de Nederlandse overheid. Hoe is de inzet van de minister in Europees verband om de Grieken bij de les te krijgen ten aanzien van de instroom en de opvang?

Vanaf medio 2010 zou de uitvoering van het generaal pardon worden geëvalueerd. Kan de minister aangeven of deze evaluatie klaar is?

Ten aanzien van toezicht en handhaving wil ik nader ingaan op de pilot intensivering ongewenstverklaring vreemdelingen (PIOVR) die al een tijd loopt. Er waren voor de EU-ongewenstverklaring veertig zaken met in twee zaken jurisprudentie. Kan de minister hierop een toelichting geven? Wij houden een warm pleidooi voor de PIOVR, om de pilot als succesvol te beschouwen en landelijk uit te rollen. Er hoeft geen regelgeving te worden gewijzigd. De invoering kan direct plaatsvinden als iedereen doet wat is afgesproken. Het betreft het effectief samenwerken van verschillende partijen in de keten. De bevoegdheden die er zijn dienen gecoördineerd te worden toegepast. Er is behoefte aan meer sturing in de keten. De nationale politie kan daarbij helpen.

De minister dient de uitvoering van het protocol Vreemdeling in de Strafrechtketen (VRIS-protocol) goed te bekijken. De pilot toont aan dat verbeteringen mogelijk zijn in de samenwerking tussen de basispolitiezorg en vreemdelingenpolitie. Het komt voor dat mensen in gevangenissen zitten zonder dat hun V-nummer bekend is. Er zitten mensen met een ongewenstverklaring die kunnen worden uitgezet. Wij willen dat aan de uitrol van de pilot meer prioriteit wordt gegeven.

De verplichting betreffende het Europees inreisverbod gaat in per 24 december 2010. Dat is snel. Op welke manier is Nederland hier klaar voor? Het gaat om de Europese verplichting van strafbaarstelling van illegaliteit. Hoe gaat de minister dit doen?

De minister is sinds 1 juli 2010 aan de slag met de verbeterde en vernieuwde aanpak van de asielprocedure. Wat zijn de eerste ervaringen? Zijn er kinderziektes geweest? De problematiek inzake de identiteitsvaststelling is een belangrijk punt in de rapportages. Op welke manier komt dit punt tot zijn recht in de verbeterde aanpak?

Ik heb op 17 november 2010 schriftelijke vragen gesteld over het bericht dat criminele vreemdelingen met valse paspoorten moeiteloos kunnen onderduiken in Nederlandse asielzoekerscentra. Helaas zijn deze vragen niet beantwoord. Kan de minister dit nu doen?

In het afgelopen half jaar is gewerkt aan het op orde brengen van de toelatingsorganisatie op de BES-eilanden. De werkzaamheden zijn in volle gang en verlopen voorspoedig. Is dit inmiddels afgerond en wat zijn de bevindingen?

Minister Leers: Voorzitter. Er staat veel op de agenda. Het betreft brieven uit de periode van mijn voorganger en zaken uit de actualiteit. Er speelt een aantal persoonlijke zaken. Dat is extra lastig omdat ik niet al te diep wil ingaan op individuele gevallen. Wij zijn bezig een systeem te vervolmaken. Wij zoeken naar de spelregels van de verordeningen en de Vreemdelingenwet (Vw 2000) met alle technieken en gevolgen. We moeten oppassen dat het systeem mensen tekortdoet, omdat we te maken hebben met individuele gevallen. De beslissingen hierover moeten zodanig zijn dat we voorkomen dat ze de uitgangspunten van het systeem aantasten. Het doel waarnaar wij streven is de procedures, de manier van werken en de manier waarop wij met de wet en de uitwerking van de wet omgaan efficiënt, effectief en rechtvaardig te laten zijn. Dit hebben we tijdens het begrotingsdebat ook besproken. Het systeem moet een antwoord geven op vragen van individuen en daarmee rechtvaardig, efficiënt en snel omgaan. Het systeem moet mensen niet lang in onzekerheid laten. Wij hebben natuurlijk te maken met de gevolgen die dat heeft voor de betrokkenen. Dat zijn uiterst lastig te communiceren zaken. De beslissing mag een individu niet tekortdoen, maar een individu mag het systeem ook niet frustreren. Dan krijgen wij te maken met het gelijkheidsbeginsel. Wat voor de een moet gelden, moet eveneens voor de ander gelden. Ik ben geen technocraat, ik leg eerder mijn afweging bij het individu dan bij het systeem. Dat is de reden dat ik de verdeling maak. Ik heb de zorg en plicht dit op zodanige wijze te doen dat het voor iedereen geldt. Dat is lastig.

De zaak-Sahar is zo’n lastig geval. Deze zaak is in procedure en we moeten daar niet over spreken. Ik word daar mee geconfronteerd, ik ben er niet zelf over begonnen. Er is veel media-aandacht gegenereerd, terwijl ik weet dat bewust is gestreefd naar terughoudendheid. Hoe ga ik met deze zaak om gegeven die media-aandacht? Ik heb in algemene zin aangegeven hoe lastig dit punt is. Ik verzet mij fel tegen de beschuldiging dat ik dit zou doen ter meerdere eer en glorie van mijzelf. Integendeel. Een nederlaag is een zwaar woord, maar ik beschouw dit als een ongelooflijk lastig feit. Wij zijn intens bezig geweest met dit dossier. Ik blijf bij de situatie zoals die in de media is gemeld. Het gaat om een zaak waarbij vijf aanvragen zijn ingediend, waarvan vier in Nederland en één in Zweden. De IND heeft vijf beslissingen genomen. De rechtbank heeft twee beslissingen genomen. De Raad van State heeft één beslissing genomen. Wij komen dan procedureel aan de eindafweging. Ik kijk met belangstelling, interesse en aandacht naar de brief. Ik kan een overzicht geven van de exacte omstandigheden die een rol hebben gespeeld, maar ik doe dat niet omdat ik op te veel individuele punten in zou moeten gaan. Het is niet passend eenvoudigweg te zeggen dat de overheid de zaak heeft laten versloffen. De overheid kon eerder en sneller voortgaan in de procedures. Dat is de reden waarom in het belang van de betreffende mensen naar versnelling en meer duidelijkheid moet worden gestreefd. Het gaat te ver om het verwijt bij de overheid neer te leggen.

De heer Spekman (PvdA): Mijn bloed kookt bijna. Ik heb in het verleden gehoord dat ministers en staatssecretarissen tegen de pers zeiden dat zij niet ingaan op individuele zaken. De minister heeft zelf bewust gekozen om hierop te gaan. De Kamer heeft dit niet afgedwongen en is terughoudend geweest. De minister zet deze zaak op een volstrekt ongebruikelijke manier neer, namelijk vijf keer bij de rechtbank. Het betrof twee asielaanvragen, dus vier beslissingen. De eerste twee waren in de eerste aanvraag van asiel en vervolgens in de beroepsprocedure. De tweede keer heeft de rechter ze in het gelijk gesteld. De Nederlandse Staat is in hoger beroep gegaan. Ik heb geen behoefte aan een uitgebreide toelichting van de minister hierop. Ik heb liever dat hij onze brief serieus bestudeert. De minister kan niet zeggen dat hij enkel vriendelijk is geweest richting de pers. Hij heeft zich ten opzichte van dit individu en deze familiesituatie afgezet en daarmee laten zien hoe duidelijk hij is. Dit past precies bij de rest van het interview waarin nuttige vluchtelingen warm welkom wordt geheten. Degenen die niet nuttig zijn, zijn niet welkom.

Minister Leers: De heer Spekman doet mij onrecht. Mijn bloed kan daarvan koken, ware het niet dat ik tracht op dit punt kalmte te bewaren en zorgvuldig te zijn. Dit in het belang van de betreffende zaak. De heer Spekman doet mij onrecht omdat er geen sprake van is dat ik dit voorbeeld heb willen gebruiken ter meerdere eer en glorie. Ik beschouw het als een tekortkoming en zoek voor de toekomst naar de manier waarop deze situaties kunnen worden voorkomen. Ik ga niet prat op hoe deze de beslissing uitpakt. Ik ben hiermee geconfronteerd door de vele media-aandacht. De wijze waarop de procedure is gelopen is niet gelukkig. Ik ben niet blij met de publiciteit die hierover bestaat, maar ik laat de feiten spreken. Ik werk in een brief uit hoe het exact is gelopen. De suggestie dat het genoemde aantal beslissingen onterecht is zal ik schriftelijk bestrijden. In een toelichting zal ik aangeven dat de heer Spekman zich vergist. De situatie ligt anders. Ik bestudeer zijn brief goed en kom met een reactie. Op dit moment moeten de procedures hun beslag krijgen. Daarna spreken wij elkaar en zien hoe wij hiermee moeten omgaan.

De voorzitter: Op welke termijn zegt de minister de brief toe?

Minister Leers: Dat kan redelijk snel want het staat uitgewerkt op papier.

De voorzitter: Is dat voor het kerstreces?

Minister Leers: Ja.

De heer Spekman (PvdA): Ik wacht de brief af. Ik beoordeel alles op zijn merites. Ik constateer dat de minister geen antwoord hoeft te geven op een vraag van de pers. Ministers doen dat vaker niet en Kamerleden antwoorden ook niet altijd. Het antwoord kan altijd zijn dat niet wordt ingegaan op een individueel geval, in het belang van de zaak en in het belang van de betrokkenen. De oppositie heeft op deze wijze gehandeld. Ik betreur het ten zeerste dat de minister de vraag van de pers wel heeft beantwoord. Wij werden daardoor gedwongen deze brief te sturen. De zaak is naar buiten gekomen, waardoor wij niet meer in stilte en eerbied ons werk konden doen voor de moeilijke situatie van de kinderen. Ik vind het vreselijk dat wij niet kiezen voor het belang van het kind, waardoor dit kind een toekomst krijgt in een boerka. Dat wil niemand.

Minister Leers: Een veelheid aan publiciteit is de basis geweest waarop ik desgevraagd heb gereageerd. Ik had kunnen kiezen hier niet op in te gaan. Dat had de Kamer als een tekortkoming van mijn kant gezien. Wij kunnen hierover van mening verschillen. Ik heb getracht in alle eerlijkheid recht te doen aan de situatie. Ik heb een brief toegezegd. Wij spreken daarover met elkaar. Wellicht moeten wij dit begin januari 2011 doen. Ik laat dat aan de Kamer over. De feiten en gegevens zijn aanwezig. De kerstperiode kan worden gebruikt om tot bezinning te komen. Dat is een andere kant van de medaille.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik begrijp dat de minister is geconfronteerd met veel media-aandacht inzake Sahar en voor zijn beurt heeft gesproken. Hoe gaan wij in de toekomst met elkaar verder? De minister gebruikte het woord «nederlaag». Dit raakt hem enorm en hij wil tot bezinning komen. Kan uit de toegezegde brief een andere conclusie komen dan de minister in de Volkskrant heeft geuit? Is de minister bereid onze brief te bestuderen en mogelijk de feiten anders te interpreteren dan tot nu toe is gedaan of is dit het einde van het verhaal en ontvangen wij een plichtmatige brief waarin het standpunt niet wijzigt?

Minister Leers: Alle nieuwe informatie wordt serieus genomen en meegenomen. Dit is ook het geval met de brief. De omstandigheden waarin ik een oordeel moet vellen zijn voor een groot deel in de afgelopen periode bepaald. Deze wegen mee in de uiteindelijke beslissing. Ik loop er niet voor weg, maar ik pretendeer niet dat het allemaal anders zal zijn. Ik wil goed kijken naar hetgeen voorligt. Deze bezinning vraag ik ook van de Kamerleden. Dat is een wederkerig verzoek.

Inzake de omgang van zaken in de publiciteit is mevrouw Verdonk genoemd. Zij heeft indertijd met de Kamer de afspraak gemaakt dat in principe terughoudendheid aan de orde is. Op het moment dat individuen zelf optreden in de media – en dat is hier het geval – is het logisch dat een bewindspersoon reageert. Dat is de uitgangssituatie geweest in de afweging die ik heb gemaakt.

De heer Dibi (GroenLinks): Elke minister gaat daarmee op zijn eigen manier om. Mevrouw Verdonk heeft bijzonder vaak gebruikgemaakt van haar discretionaire bevoegdheid zonder dat iemand dat wist. Het kan dus ook op deze wijze. De bezinning geldt ook voor ons. Wij gaan met de coalitiepartijen om tafel zitten en bezien wat wij kunnen bereiken. Ik waardeer de toezegging van de minister dat alles niet in ijzer is gegoten. Ik kijk uit naar de brief. Hopelijk kunnen we meer doen dan we tot nu toe hebben gedaan.

De heer Schouw (D66): Het is goed dat wij hierover spreken aan het begin van de beantwoording door de minister. Ik wil benadrukken dat de Kamer en de minister zorgvuldig spreken over individuele gevallen. Daarbij hoort de voorwaarde dat als de minister met kracht stelt dat zaken niet kunnen, de Kamer wordt gedwongen met kracht het tegendeel te bewijzen. Zorgvuldigheid in dezen zou heel fijn zijn. Ik complimenteer de minister op dit punt. De collega’s hebben hun best gedaan nieuwe feiten en inzichten aan te dragen. Het is positief dat de minister zegt daar onbevangen tegenover te staan en deze nieuwe feiten en omstandigheden mee te laten wegen. Wij zien medio januari de reactie van de minister.

Minister Leers: Ik ben onbevangen, anders zou overleg met de Kamer geen zin hebben. Een debat heeft geen zin als iedereen onwrikbare posities inneemt. Het is een tekortkoming dat wij de debatten te weinig gebruiken om te kijken waarmee de eigen ideeën kunnen worden verrijkt. Ik zeg toe zorgvuldig naar de brief te kijken. Dit zegt niet dat ik de voorgeschiedenis en de feiten die hebben plaatsgevonden daarmee van tafel kan vegen. Deze spelen in de uiteindelijke afweging een essentiële rol. Ik kijk of op punten tekortkomingen zijn in de informatievoorziening en of het anderszins moet worden gewogen.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Dank voor de bereidwilligheid van de minister om hier nogmaals naar te kijken. Mag ik ervan uitgaan dat er geen onomkeerbare stappen worden gezet of een besluit tot uitzetting van deze kinderen wordt genomen totdat de brief van de minister voorligt en de Kamer daarover heeft gesproken?

Minister Leers: Dat is voor mij vanzelfsprekend. De procedure loopt. Er is verzet aangetekend dus worden er geen onomkeerbare besluiten genomen.

De heer Voordewind (ChristenUnie): De procedure loopt. Wij hebben met de minister afgesproken dat hij een reactie stuurt op onze brief. Kan tot uitzetting worden overgegaan voordat de Kamer de brief heeft ontvangen en daarover met de minister heeft gesproken?

Minister Leers: Dat is niet aan de orde. Het is niet zo dat na deze gedachtewisseling vandaag nog wordt overgegaan tot uitzetting. Met toestemming van de Kamer bekijken wij de zaak begin januari. De kerstperiode kan voor bezinning worden gebruikt.

De voorzitter: Ik zie dat niemand daartegen is. Dat is besloten. De brief zal in de eerste week na het kerstreces binnen zijn en verder worden behandeld door de Kamer.

Minister Leers: Een tweede actuele zaak die vanmorgen ter tafel kwam en mij onaangenaam heeft verrast was het bericht in Trouw. Dit betreft het op straat zetten van asielzoekers in de vrieskou ondanks de gemaakte afspraken. Ik heb direct gevraagd om duidelijkheid hierover, omdat ik vond dat het niet kon. De berichtgeving is onjuist. Er is niemand op straat gezet. Ik verwacht van Trouw dat rectificatie volgt na het verifiëren van de gegevens. Ik trek mij dit persoonlijk aan. Ik heb met de Kamer een afspraak gemaakt en ik ben van mening dat ik mij daaraan dien te houden. Er is niemand van de genoemde gevallen uit de opvang gezet. De behandeling van de aanvraagprocedures gaat door. Dit kan tot discussie of misverstand leiden. Het feit dat het vriest, wil niet zeggen dat de procedures worden opgeschort. Het kan zijn dat mensen te horen krijgen dat de aanvraag wordt afgewezen. De volgende vraag is op welke manier wordt omgegaan met het einde van de procedure. Er is niemand uitgezet, maar dat mensen zullen moeten vertrekken zal zeker zo zijn. Er zijn geen effectieve of concrete handelingen verricht die ertoe hebben geleid dat mensen op straat zijn gezet. Ik verzet mij tegen het opgeroepen beeld dat er mensen met hun matras en tas in de hand in de kou op straat hebben rondgelopen, ondanks de belofte aan de Kamer.

Mevrouw Kooiman (SP): De minister geeft het goed aan. Dat was inderdaad onze informatie. Ik heb gevraagd naar de wijze van communicatie met deze mensen. Zij ontvangen een brief waarin staat dat zij worden geacht te vertrekken, maar weten niet dat zij recht hebben op opvang omdat zij anders in de kou komen te staan. Dat is niet netjes. Deze asielzoekers belanden daadwerkelijk op straat in de vrieskou. Ik verzoek om zorgvuldige communicatie met deze mensen. Zij ontvangen de brief en horen tegelijkertijd dat er recht is op opvang vanwege het koude weer.

Minister Leers: Mevrouw Kooiman gebruikt de term «daadwerkelijk op straat gezet». Dat is niet juist. Na afronding van de procedure wordt met de mensen gesproken. Het is niet alleen een schriftelijke uitwisseling van brieven. Er wordt hun medegedeeld dat de aanvraag is afgewezen en dat zij uiteindelijk moeten vertrekken. Op dat moment worden de mogelijkheden nagegaan. Dat kan via een vrijheidsbeperkende locatie (VBL) of in samenwerking met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Er zijn tal van mogelijkheden om dat te effectueren. De suggestie is ontstaan dat het heeft geleid tot het op straat zetten van mensen. Dat is niet zo. Wij moeten zorgen dat mensen het goed begrijpen. Ik deel deze opvatting, maar volgens mij is dat gewaarborgd. De mensen is wel degelijk te verstaan gegeven dat zij binnen een uur hun spullen moeten pakken en moeten vertrekken.

Mevrouw Kooiman (SP): De minister zegt dat het is gewaarborgd. Ik wil een duidelijke toezegging van hem dat daadwerkelijk goed wordt gecommuniceerd met deze mensen, zodat zij weten dat zij recht hebben op opvang in deze weersomstandigheden.

Minister Leers: Ik ga uit van de waarborging, maar ik zal bij het COA expliciet aangeven dat in de gesprekken inzake vertrek, indien van toepassing, nadrukkelijk de afspraken bij vriesweer worden onderstreept. Ik ben er 100% van overtuigd dat het zorgvuldig gebeurt, maar ik zal dit ter geruststelling nogmaals doen.

De heer Knops (CDA): In het debat over dit onderwerp was het zo vanzelfsprekend dat dit niet kan gebeuren, dat ik mij verbaas dat een beeld ontstaat alsof het wel plaatsvindt. Ik sluit mij aan bij de noodzaak dit zeer helder te communiceren richting de betreffende mensen, zodat de suggestie wordt voorkomen.

Als de woorden van de minister kloppen is het kwalijk dat Trouw op deze manier bericht. Ik ga ervan uit dat de minister met de betreffende redacteur om tafel gaat om de reden te achterhalen dat Trouw dit schrijft. Wij gaan niet over de pers; dat is niet de portee van mijn opmerking. Wij spreken de minister aan als hij iets niet goed doet. Ik verwacht dat de minister hiervan een principezaak maakt en Trouw hierop aanspreekt.

Minister Leers: Ik heb zes keer aan de medewerkers gevraagd of het waar is. Ik heb zes keer hetzelfde antwoord ontvangen. Het is niet waar, dus daar ga ik vanuit. Er is conform de huidige afspraken niemand op straat gezet in deze vriesperiode. Ik vind het opgeroepen beeld in de media zeer spijtig en niet terecht. Ik hoop van harte dat de media dit corrigeren, maar dat is hun eigen afweging. Ik kan niet meer dan de media daarop wijzen. Wij hebben vrije media en een vrije pers. Zij moeten zorgvuldigheid betrachten en ik neem aan dat zij dat doen.

De heer Spekman (PvdA): De ingediende motie had tot doel een goede procedure te maken, zodat een dergelijke situatie wordt voorkomen. Trouw had het recht aan zijn zijde. Op 3 december vond een gesprek plaats met de familie Melkenyan en ontving zij een brief van het COA, waarin stond dat zij op 8 december 2010 het azc moest verlaten. Vervolgens zijn op 7 december 2010 twee mensen langsgekomen in hun woning om ervoor te zorgen dat zij het azc zouden verlaten. Zij zouden anders door de politie in de gevangenis worden gezet. Ik begrijp dat dit klinkt als op straat zetten. Deze berichten komen van mevrouw Steur van de afdeling Noodopvang in de betreffende gemeente. Dit is een redelijk objectieve bron. Deze mensen zitten niet naïef in het asiel. Zij zien wat er gebeurt. Het is een geval van gered door de bel. Ik geef de minister het voordeel van de twijfel en denk oprecht dat hij deze mensen niet op straat wil zetten, maar de minister heeft deze zaak zonder procedure niet onder controle. Het COA dringt min of meer aan, door de twee mensen langs te sturen en een brief te sturen in een periode dat het heel koud is, op uitzetting op 8 december 2010. Op deze manier ontstaat dit soort berichten. Dat is terecht.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen (VVD): Ik ben van mening dat wij niet in een dergelijke casuïstiek moeten vervallen, niet als het gaat om de vrieskou en zeker niet dat namen en individuele zaken over tafel gaan. Wij moeten dit debat zuiver houden.

Minister Leers: Ik heb weinig toe te voegen aan hetgeen ik heb gezegd. Ik ben er 100% van overtuigd, ook door de COA-medewerkers, dat geen concrete uitzetting heeft plaatsgevonden en dat niemand op straat is gezet. Alle details die de heer Spekman noemt ken ik natuurlijk niet. Ik weet niet of dit te maken heeft met de gesprekken over de vervolgstappen via bewaring, een VBL of het IOM. Dit zijn mogelijke vervolgstappen nadat iemand is uitgeprocedeerd. Dat is bekend. Ik zal mijzelf ervan vergewissen of duidelijker kan worden gezegd tegen de mensen dat men bij vriesweer geen spullen hoeft te pakken.

De heer Schouw (D66): Wij hebben net armpjedruk gedaan inzake Sahar. Wij krijgen nu armpjedruk over de vrieskou. Dit helpt niet. Ik verzoek de minister hier goed naar te kijken. Wellicht staat morgen in Trouw een verhaal dat het betoog van de minister ontkracht. Een heldere procedure vanuit de verantwoordelijkheid van de minister helpt om armpjedruk in dit soort debatten te voorkomen. Ik verzoek de minister hierop in de komende dagen te reflecteren.

Minister Leers: Ik zie dit niet als armpjedruk. Ik zie het als een terecht en zorgvuldig verzoek van de Kamer. Ik verantwoord mij naar de Kamer, als de Kamer vraagt hoe het zit. Ik heb aangegeven dat de Kamer mij mag houden aan een toezegging. Ik zal dit in overleg met het COA preciseren.

De heer Fritsma (PVV): Deelt de minister de mening dat goed moet worden gekeken naar de verantwoordelijkheid van uitgeprocedeerde vreemdelingen? Andere partijen gaan ervan uit dat niemand de verantwoordelijkheid neemt om binnen vier weken te vertrekken. Deze mensen zijn uitgeprocedeerd. Er volgt een aanzegging om Nederland binnen vier weken te verlaten. Dat moet mogelijk zijn omdat anders een buitenschuldvergunning is verleend. Veel partijen vergeten dat er een verantwoordelijkheid ligt bij uitgeprocedeerde vreemdelingen om te vertrekken. Men gaat ervan uit dat deze mensen niet vertrekken en na vier weken op straat komen te staan. Is de minister het met mij eens dat de verantwoordelijkheid van uitgeprocedeerde vreemdelingen zwaar weegt?

De voorzitter: Dit was een mooi betoog met een kleine vraag. Kan de minister helder aangeven of hij het COA gaat bevragen en is de minister bereid de Kamer hierover in te lichten? Het CDA vraagt of de berichtgeving in Trouw correct is en wat de minister daarmee gaat doen.

Minister Leers: Ik blijf van mening dat het COA en ik hebben gehandeld volgens afspraak. Ik ga voor de duidelijkheid zodat daarover geen misverstanden ontstaan. Ik wil het daarbij laten. De Kamer spreekt mij aan als er problemen zijn en ik spreek het COA aan. Ik vind het spijtig als beeldvorming ontstaat dat zaken verkeerd kunnen lopen. Dat kan niet en zeker niet in een dergelijke situatie. Er ligt wel een verantwoordelijkheid bij de media om zorgvuldig te controleren of feiten zich daadwerkelijk hebben voorgedaan.

Dit waren twee belangrijke actuele zaken. Ik ga in op de rapportage en alle punten die vervolgens bij de achttien onderwerpen aan de orde zijn gesteld. Ik begin met de rapportage Vreemdelingenketen. In dit overleg staan drie brieven centraal. Het betreft de rapportage over het tweede halfjaar 2009, de rapportage over het eerste halfjaar 2010 en het antwoord op de vragen die de toenmalige leden van de vaste commissie voor Justitie hebben gesteld naar aanleiding van de rapportage over 2009. Ik heb mij als kersverse minister moeten oriënteren op het pak papier en ben tot de conclusie gekomen dat de rapportage zeer gedetailleerd is. Ik wil de Kamer geen gegevens onthouden. Ik had het prettiger gevonden een analyse meer op hoofdlijnen te hebben. Ik wil er de volgende keer een hoofdlijnenverhaal uit distilleren, zonder de Kamer tekort te doen in alle vragen. Dat bespreek ik dan met de commissie. De vrijheid op details vragen te stellen blijft uiteraard bestaan. Het gaat mij om het totaalbeeld. In de rapportage gaan links en rechts allerlei cijfers over de bühne. Dit leidt tot misverstanden. Er zijn cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en de IND en het is de vraag of deze cijfers vergelijkbaar zijn. Achtergrond van deze opmerking is dat wellicht meer problemen ontstaan vanwege de gedetailleerdheid dan dat problemen daarmee worden voorkomen. Ik probeer op hoofdlijnen een aantal algemene zaken te delen en de commissie volledig in het recht te laten waar het gaat om details. Ik had nu zelf moeite om in alle details de grote lijnen te blijven zien.

De heer Schouw (D66): Als wij dit punt laten passeren, zijn we het kwijt. De Kamer moet beschikken over alle informatie. Het is goed als de minister een managementsamenvatting toevoegt, maar de details dienen beschikbaar te blijven.

Minister Leers: Ik zeg dat laatste toe.

De PVV vraagt wat met de 5000 van de 10 000 uitgeprocedeerde mensen is gebeurd die niet aantoonbaar zijn vertrokken. Zij zijn buiten het toezicht gebleven en zijn vertrokken met onbekende bestemming. Het is niet uit te sluiten dat deze personen in de illegaliteit zijn verdwenen. Er is een goede reden om aan te nemen dat het grootste deel van de personen dat buiten het toezicht om vertrekt, daadwerkelijk Nederland verlaat. Dat blijkt uit het feit dat we bij controles en acties van de vreemdelingenpolitie geen grote aantallen mensen tegenkomen. Deze mensen worden in beperkte aantallen in het vreemdelingentoezicht aangetroffen. Hoewel de concrete cijfers ontbreken, kunnen we ervan uitgaan dat een behoorlijk deel van deze mensen is vertrokken met onbekende bestemming.

De heer Spekman (PvdA): Het spijt mij, maar ik ontken dit. Ik begrijp het betoog van de minister. Er is ten tijde van minister Verdonk onderzoek gedaan naar de illegaliteit, de illegaliteitcijfers en wie daarin voorkwamen. Het bleek dat het percentage dat Nederland niet had verlaten het grootste deel was van degenen die Nederland met onbekende bestemming hebben verlaten. Waarom zou de uitkomst op dit moment anders zijn?

Minister Leers: Dit zijn de gegevens zoals ik die ontvang. Men stelt vast dat een groot aantal mensen met onbekende bestemming vertrok. Wij komen deze mensen niet tegen bij controles van het vreemdelingentoezicht. Zij worden niet aangetroffen. Wij kunnen vaststellen dat het vreemdelingentoezicht mogelijk onvoldoende is óf dat mensen daadwerkelijk niet meer in Nederland verblijven en naar elders zijn vertrokken. Dit is een punt van discussie en reden waarom wij concreter zicht willen krijgen op het daadwerkelijke vertrek.

Mensen hebben de verantwoordelijkheid om zelf te vertrekken. Wij trachten niet alleen de instroom te verminderen, maar ook de uitstroom te concretiseren en daarover heldere afspraken te maken. Het systeem moet sluitend zijn. Daar hebben we behoefte aan en daar werken we naartoe. De maatregelen worden niet altijd door iedereen geapprecieerd. Ik heb geen betere informatie dan de nieuwste cijfers.

De heer Spekman (PvdA): Het helpt de Kamer om een kwantitatief en kwalitatief onderzoek te doen naar de feiten die de minister noemt. Het laatste onderzoek beweerde iets anders. Dit onderzoek is uitgevoerd door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC). Wellicht is het onderzoek verouderd. Het is van belang dat iedereen van mening is dat illegaliteit moet worden voorkomen. Wij hebben behoefte aan dit soort cijfers, maar dan wel op basis van gedegen onderzoek.

Minister Leers: Als er nieuwe cijfers zijn, ontvangt de Kamer deze. Ik heb de behoefte te weten hoeveel mensen daadwerkelijk vertrekken. Ik heb deze cijfers op dit moment niet paraat. Er loopt een illegalenschatting. Deze schatting zal leiden tot betere inzichten. Ik deel nieuwe inzichten met de Kamer.

De IND, het COA, de DT&V en de gemeente zijn actief in het LTO. Binnen het LTO wordt intensief samengewerkt met de ketenpartners. Partners brengen informatie in en maken afspraken over vervolgstappen. De DT&V en andere partners willen graag dat gemeenten aansluiten bij dit overleg. Het is in het belang van gemeenten. De interventielijn is bedoeld voor gemeenten om contact op te nemen met de DT&V op het moment dat zij worden geconfronteerd met illegale vreemdelingen. Ik heb geen aanleiding om te zeggen dat het LTO niet goed loopt.

De heer Knops (CDA): Ik stelde de vraag omdat het een bypass was met instanties die zich rechtstreeks tot de minister wenden. Als het LTO goed functioneert, veronderstel ik dat de bypass niet meer nodig is. De verzoeken op basis van schrijnende omstandigheden zouden dan niet meer aan de orde zijn. Wil de minister met de partners kijken of de procedure goed loopt? De afgesproken doelstelling is om procedures uit te voeren en procedures bij niet functioneren aan te passen.

Minister Leers: Het overleg loopt goed. Ik ben voorstander van nader onderzoek naar mogelijkheden tot beter functioneren. Het LTO kan veel van de problemen wegnemen door overleg daar te laten plaatsvinden. Het komt dan niet meer bij mij. Het is natuurlijk niet uit te sluiten dat vragen bij mij terechtkomen. Ik wil regelmatig én vaker met de uitvoeringsinstanties gaan praten, omdat ik denk dat de winst zit in een betere uitvoering. Ik zeg dit toe.

Het WODC is gestart met de evaluatie van de pardonregeling. Ik wacht af tot de evaluatie tot concrete inzichten leidt en zal deze direct met de Kamer delen. Ik ben benieuwd naar de effecten van de pardonregeling.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen (VVD): De minister geeft aan dat de evaluatie is gestart. Het WODC zal een opleveringsdatum hebben aangegeven.

Minister Leers: De evaluatie van de pardonregeling door het WODC kan eind 2011 zijn afgerond.

Er wordt niet vastgelegd of een beroep op artikel 64 Vw 2000, uitstel op basis van medische gronden, door de asielzoeker zelf wordt gedaan of wordt voorgelegd door de DT&V. Dat is de reden dat de resultaten van de aanvragen door de DT&V niet inzichtelijk zijn. Zij zijn in het systeem niet te onderscheiden van andere 64-zaken. Het is een geaggregeerde groep en dus lastig op te delen.

De heer Knops (CDA): Wat is hiervan de reden? Is het interessant om te weten?

Minister Leers: Mensen doen een beroep op artikel 64. Dat kan gebeuren naar aanleiding van de medische controles door de DT&V, of de betreffende persoon doet dit zelf. Dat onderscheid wordt niet gemaakt. Ik ken het effect niet als de gegevens wel afzonderlijk worden verzameld. Het is nu een geaggregeerde groep. Wij kunnen die informatie niet zomaar uit het systeem trekken.

De vraag was of de kennismigrantenregeling versoepeld kan worden, zodat er meer uit wordt gehaald dan wij doen. Ik heb afgelopen week kennisgemaakt en overleg gevoerd met de voorzitter van de SER, de heer Rinnooy Kan. Ik heb met hem gesproken over migratie en asiel en de effecten die dit heeft op de arbeidsmarkt. Hij heeft verduidelijkt waar de belangstelling van de SER naar uitgaat. Wij hebben afgesproken te onderzoeken of meer fricties en beperkingen kunnen worden weggenomen. Ik zeg dit toe. We kijken verder of we de bestaande regeling succesvoller kunnen maken. Bij de SER bestaat positieve waardering voor de huidige regeling. Het kan zijn dat de regeling efficiënter en beter kan worden gemaakt, zeker als INDIGO functioneert. Dat kan een enorme impuls geven. Wellicht dat in de toekomst met de referenten duidelijke afspraken kunnen worden gemaakt. Ik teken daarbij aan dat wij ook goede afspraken moeten maken over fraude en de fraudeaanpak. Wij bieden andere verantwoordelijkheden, maar moeten goede afspraken maken voor het geval deze mensen de verantwoordelijkheden verkeerd gebruiken. De huidige kennismigrantenregeling loopt goed. Wij voelen de internationale competitie en moeten stappen zetten die de regeling verbeteren.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen (VVD): De minister is verantwoordelijk voor migratie in brede zin en niet alleen voor de kennismigrantenregeling. Mijn vraag gaat verder dan alleen het veranderen of verbeteren van de regeling. De minister is verantwoordelijk voor migratie in zijn totaliteit. Wat kan de minister in bredere zin binnen het kabinet doen om dit probleem aan te pakken, bijvoorbeeld met de ministers van Economische Zaken en Onderwijs? Het betreft het brede beleid inzake de kenniseconomie die wij willen zijn.

Minister Leers: Het is vanzelfsprekend dat met de ministers van Economische Zaken, Sociale Zaken en Buitenlandse Zaken goed moet worden nagedacht over de wijze waarop wij migratie van mensen die hier een toevoegende waarde hebben kunnen versterken. Ik heb gezegd dat een van mijn ambities is om het beeld van migratie positiever te laten zijn. Het is van essentieel belang voor Nederland. Wij hebben dat de handjes en de brains genoemd. Ik weet nog niet op welke manier ik dit moet doen en hoe dat moet uitwerken.

Over rechtsbijstand en de medische problematiek liggen twee brieven voor die indertijd controversieel zijn verklaard. De algemene commissie voor Immigratie en Asiel heeft verzocht om een reactie op de twee brieven. Op 1 juli 2010 is, tegelijk met de start van het Modern Migratiebeleid (MoMi), het bedrijf Medifirst gestart met het uitbrengen van medische adviezen in de rust- en voorbereidingstermijn. In onze nieuwe procedure staat deze termijn voor asielzoekers centraal. Pas daarna gaan de acht dagen in waarin wij met verhoor, het tweede gehoor en de beslissing werken. Het medisch advies vindt plaats omstreeks de vierde dag van de termijn. Het is van belang om het medische advies serieus te nemen, om te voorkomen dat wij achteraf in een verlengde procedure met medische zaken te maken krijgen. De medische controles vinden inmiddels plaats. Na enkele opstartproblemen die samenhingen met de planning van de medische adviezen verloopt het uitbrengen van medische adviezen zowel qua logistiek als planning naar tevredenheid. Ongeveer 80% tot 85% van de asielzoekers maakt gebruik van de mogelijkheid tot het ondergaan van een medisch onderzoek ten behoeve van een medisch advies. Er wordt nu onderzoek gedaan naar de reden dat 15% er geen gebruik van maakt. Van de totale groep die het medisch onderzoek ondergaat, wordt 20% tot 25% door de verpleegkundige doorverwezen naar de medisch adviseur voor nader onderzoek. Er vindt een follow-up plaats. Er is geen cijfermatige informatie beschikbaar over het aantal zaken waarin wordt geconstateerd dat bij asielzoekers sprake is van een beperking die van invloed kan zijn op het verloop van de asielprocedure. Ik doe de Kamer deze cijfers toekomen op het moment dat ze bekend zijn.

Geluiden vanuit de advocatuur geven de indruk dat de continuïteit van de rechtsbijstand die met de nieuwe procedure is gecreëerd tot zijn recht komt en wordt gezien als een verbetering. De strakke planning van het proces wordt soms als knellend gezien. Dat is begrijpelijk omdat alles precies moet worden geregeld. INDIGO is in die toepassing van belang. De beschikbaarheid van de advocatuur op het aanmeldcentrum knelt soms met zittingen bij de rechtbanken. Door de uitvoeringspartijen is dit punt opgepakt om zo de planning beter te laten aansluiten. Ik heb in Ter Apel vastgesteld dat de asielzoeker tijdens de rust- en voorbereidingstermijn in de gelegenheid wordt gesteld naar zijn advocaat toe te gaan. De advocaat is niet ter plaatse aanwezig. Dit schept een enorme band tussen de asielzoeker en de advocaat, omdat de asielzoeker hem meer ziet als echte vertegenwoordiger. Dit wordt als kwaliteitsimpuls ervaren. Het komt de vertrouwensband ten goede en de onafhankelijkheid van de advocaat wordt onderstreept.

Er zijn voldoende tolken om de asielprocedure goed te kunnen plannen. Het blijft lastig een tolk te plannen als een asielzoeker een stamtaal spreekt, maar het lukt ook in die gevallen om de procedure goed te plannen. Ik kan de zorg op dat punt wegnemen.

De identiteitsvaststelling van asielzoekers verloopt veel beter dan voorheen. Het voordeel ten opzichte van de situatie van voor 1 juli 2010 is dat de identiteit van de asielzoekers ruim voor de start van de algemene asielprocedure bekend is. Er kunnen onderzoeken plaatsvinden op basis van documenten.

De rust- en voorbereidingstermijn duurt op dit moment gemiddeld tien tot twaalf dagen. Het lijkt alsof de procedure wordt verlengd, maar het komt de procedure ten goede. Het werkt gunstig uit, omdat veel voorbereidingen kunnen worden gedaan die in het belang zijn van de betrokkene.

Hebben de alleenstaande minderjarige asielzoekers aan de grens de mogelijkheid op dezelfde wijze te worden behandeld als ama’s die over land komen? Dat is lastig en heeft te maken met de faciliteiten op Schiphol. Wij zijn die aan het verbouwen en verbeteren. Ik onderzoek op welke wijze de procedure voor ama’s in grensdetentie dusdanig kan worden gewijzigd dat zowel de belangen van de ama’s als het grensbewakingsbelang op de best mogelijke wijze kunnen worden verenigd. Het is de plicht van Nederland in het kader de afspraken Schengen. Het mag niet zo zijn dat een vreemdeling zomaar toegang heeft tot Schengen. Wij moeten daarin zorgvuldig handelen en goede afspraken maken. Ik zoek in goed overleg met de betrokken ketenpartners naar mogelijkheden om voor de procedure zo veel mogelijk draagvlak te creëren. Dat is van belang. Streven is een procedure waarbij zo vaak mogelijk voor de start van de algemene asielprocedure in azc Schiphol een eerste oordeel wordt gegeven over de minderjarigheid van betrokkenen. De leeftijdvaststelling is een lastig punt. Als op dat moment wordt geoordeeld dat de vreemdeling daadwerkelijk minderjarig is, kan de start van de algemene asielprocedure op dezelfde wijze en plaats plaatsvinden als voor ama’s die niet in grensdetentie verblijven. Dit vindt plaats in azc Den Bosch, na een rust- en voorbereidingstermijn van ten minste zes dagen. De waarborgen zijn hiermee verdisconteerd.

Mevrouw Kooiman (SP): De minister kijkt zorgvuldig naar de procedure. Kan de minister garanderen dat er geen kind in een cel terechtkomt? Dat is het probleem op Schiphol.

Minister Leers: Daar is alles op gericht. Wij hebben een speciale plek die wij geschikt willen maken voor de opvang van ama’s. In De Maasberg is gespecialiseerd personeel aanwezig. Het is niet in alle gevallen uit te sluiten dat een kind in een begin- of eindsituatie een keer in detentie komt, maar ik ben het volkomen met de Kamer eens. We moeten hiermee bij kinderen enorm terughoudend zijn. Ik zeg toe dat ik er voor wil zorgen dat het, indien het voorkomt, zo kort mogelijk is.

Mevrouw Kooiman (SP): Ik ben niet helemaal tevreden. Ik wil voorkomen dat kinderen in een cel komen. De minister is in voorbereiding en onderzoekt de mogelijkheden. Kan de minister toezeggen de Kamer over het verloop te informeren? Wij moeten er alles aan doen om te voorkomen dat kinderen in een cel terechtkomen.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Er kan geen verschil zijn tussen een kind dat op Schiphol aankomt of aan de grens staat. Zij moeten een gelijke behandeling krijgen. Wat ons betreft wordt geen kind opgesloten in een cel. Kan de minister de Kamer over de procedures een brief sturen?

Minister Leers: Ik heb uitgelegd dat er een verschil aanwezig is. Wij moeten inzake Schiphol voldoen aan de eisen van Schengen. Ik zal daar waar het kan zoveel mogelijk zorgen dat kinderen daarvan niet de dupe worden. Wij hebben de twee locaties: Schiphol en De Maasberg. Schiphol is beperkt en op dit moment niet voor 100% toereikend. Ik tracht dit op korte termijn te verbeteren, om daarmee de zorg weg te nemen dat kinderen in detentie worden geplaatst.

De heer Spekman (PvdA): Een paar weken geleden heb ik vragen gesteld over deze zaak omdat de rechtbank korte metten heeft gemaakt met grensdetentie. Deze situatie was ontstaan in de tijd dat het kabinet demissionair was en er geen controversieel beleid mocht zijn. Het aantal kinderen in de cel is enorm toegenomen. Is het streven van de minister om het af te laten nemen tot nul, en binnen welk tijdsbestek vindt dit plaats? Het is de uitspraak van de rechter. Wij moeten het allemaal willen terugdringen tot nul.

De heer Schouw (D66): Het is fijn als de minister zegt dat het onacceptabel is en dat hij eraan gaat werken. De minister kan zeggen dat het vanaf 1 juni niet meer voorkomt want ruim daarvoor is de problematiek inzake Schiphol opgelost. Wij hoeven dit onderwerp niet meer te agenderen als de minister het probleem oplost.

De heer Dibi (GroenLinks): Is de minister bekend met de uitspraak van de Amsterdamse rechtbank van 13 oktober 2010 waarin is gezegd dat grensdetentie niet meer kan? Ik neem aan dat de minister de geldende wet- en regelgeving en uitspraken van de rechterlijke macht serieus neemt. De minister dient hier een einde aan te maken.

Minister Leers: Mijn woorden mogen niet op die manier worden verstaan. Dat zou geen recht doen aan de terechte zorg die ik deel. Ik heb vooral op Schiphol lastige problemen op te lossen. Wij hebben in januari over dit punt een debat. Dat lijkt een goed moment om dit onderwerp verder uit te werken. Wij kunnen ons dan daarop concentreren. Ik zeg toe alle informatie te verstrekken en mijzelf goed voor te bereiden. Dit betreft ook de uitspraak van de rechtbank, want die heb ik op dit moment niet paraat. Het is een feit dat betreffende de detentie in het afgelopen jaar sprake was van een tijdelijke piek. Deze piek in inmiddels teruggelopen. Ik stel voor in januari op basis van goede cijfers en inzichten samen heldere conclusies te trekken. De inzet is en blijft om kinderen niet op te sluiten. Wij zoeken het in een andere oplossing. Dit geldt zowel voor Schiphol als voor de landlocaties.

Tijdens de implementatie van de nieuwe asielprocedure is besloten om de medische diensten die in de azc’s werkzaamheden verrichtten niet langer te handhaven. Op basis van de ervaring in de afgelopen maanden is besloten deze beslissing te herzien. Op dit moment wordt bezien of een vorm van medische zorg in de azc’s kan worden ingericht.

Ik ben positief over de eerste ervaringen met de nieuwe asielprocedure. Er was een probleem in de afwikkeling van wat op de oude manier ging, maar nieuw was. Dat leidde ertoe dat bij de centrale ontvangstlocatie tijdelijk oud en nieuw bij elkaar zaten. Dat is opgelost. De ketenpartners hebben hard gewerkt aan het oplossen van dit opstartprobleem. Alle kleine foutjes die bij de introductie van de nieuwe asielprocedure kunnen bestaan, proberen de ketenpartners in het aanmeldproces te stroomlijnen.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen (VVD): Ik heb gevraagd hoe in deze nieuwe procedure de ervaring met de identiteitsvaststelling is.

Minister Leers: Het gaat aanzienlijk beter. Het afnemen van vingerafdrukken speelt een rol. Feit is dat sommige asielaanvragers hun vingertoppen gemutileerd hebben. Dit betrof voornamelijk Somalische asielzoekers. Wij hebben maatregelen genomen om te voorkomen dat mensen versneld in de procedure komen, zonder dat wij weten wie het zijn. Dat betekent dat de situatie aanzienlijk is verbeterd. Het vaststellen van identiteit verloopt uitstekend. Het zal helpen als wij op termijn nieuwe technieken kunnen toepassen. De Kamer voert de datadiscussie ook op een andere plek. Over dit lastige punt zijn we in overleg, maar het speelt een rol.

De heer Schouw (D66): Mijn vraag over asielzoekers die op straat belanden als de rechter niet binnen vier weken reageert, is niet beantwoord.

Minister Leers: Ik heb eerder gezegd dat onze aanpak niet sluitend is. Iemand die is uitgeprocedeerd, heeft de verantwoordelijkheid om te gaan. In het overgrote deel van de gevallen gaan mensen. De rechtbank doet binnen 28 dagen uitspraak wanneer een aanvraag in de algemene asielprocedure wordt afgewezen. Ik kan niet in concrete cijfers uitdrukken hoeveel asielzoekers in deze situatie uit de opvang zijn geplaatst. Er zijn mensen die met de noorderzon naar onbekende bestemming vertrekken.

De heer Schouw (D66): Het was andersom. De mensen zijn niet zelf vertrokken, maar zij zijn weggestuurd terwijl de rechter geen uitspraak had gedaan. Dit is een terechte zorg van een aantal fracties en VluchtelingenWerk. Wij willen dat dit niet meer voor kan komen. We hebben er begrip voor dat het incidenteel gebeurt vanwege de nieuwe procedure, maar willen de toezegging van de minister dat hij werkt aan het voorkomen ervan.

Minister Leers: Ik begrijp de vraag beter. Ik was in de war met de eerdere discussie. Het probleem is dat de uitspraak van de rechtbank niet altijd binnen 28 dagen plaatsvindt. Ik wil daarop scherper sturen, maar ik heb het niet in de hand. Moet ik zeggen dat ik het als een wet van Meden en Perzen ga beschouwen? Dat is lastig, want ik kan niet 100% aan het verzoek tegemoetkomen aangezien ik het niet in de hand heb.

Mevrouw Kooiman (SP): Het is simpel. De mensen moeten niet op straat worden gezet. Het is niet door hun toedoen dat dat gebeurt. Er is een probleem bij de centrale ontvangstlocatie. Er ontstaat een pre-opvanglocatie. Ik hoor deze berichten vanuit het COA.

Minister Leers: Het zal mijn onwetendheid zijn op dit punt. Ik zeg dit in alle eerlijkheid. Het lukt niet in alle gevallen om te voorkomen dat iemand op straat wordt gezet voor de definitieve uitspraak. Dit is heel lastig. Ik spreek af om mij hier precies op te oriënteren en de Kamer vervolgens te antwoorden. Ik kan dat nu niet, omdat ik niet weet of het antwoord dat ik geef juist is.

Mevrouw Kooiman (SP): Ik kan hiermee leven. Wil de minister kijken naar de pre-opvanglocatie? Dat betekent dat er een wachtlijst is voor de centrale ontvangstlocatie.

Minister Leers: Ik betrek dat aspect erbij. Mijn medewerkers herkennen dit niet. Ik zal me hierop beter oriënteren om een totaal, zakelijk en zo goed gefundeerd mogelijk antwoord te geven. Ik betrek de pre-opvanglocatie er dan bij en zoek het uit.

De heer Spekman (PvdA): Ik wil de toezegging van de minister binden aan een termijn. Deze situatie speelt al een tijd. Dit onderwerp is in de oude Kamer expliciet aan de orde gekomen omdat wij ons destijds zorgen maakten of de rechtbank de termijnen haalde. Ik wil vastleggen binnen welke termijn de minister de brief stuurt over de wijze waarop wij omgaan met deze procedure.

Minister Leers: De brief komt in het begin van het komende jaar. Ik heb tijd nodig om me de vragen eigen te maken en te weten wat er speelt. Een toezegging voor de kerst is niet noodzakelijk. Ik stel half februari 2010 voor.

De heer Spekman (PvdA): Ik vind het vervelend om door te vragen en voel me soms een zeur, maar wat gebeurt er in de tussentijd? Ik weet dat de termijnen van de rechtbank uitlopen. Dat heeft als consequentie dat mensen die een beroep afwachten morgen of overmorgen op straat worden gezet, in afwachting van iets waaraan zij niets kunnen doen. Het is nu koud en de minister heeft daarover een toezegging gedaan. Kijkt de minister wat hij in de tussentijd kan doen? Het land staat niet stil.

Minister Leers: Het lijkt alsof alle gevallen verkeerd gaan, maar dat is niet zo. Het merendeel van de gevallen loopt goed. De Kamer maakt een terecht punt van de gevallen die wij niet halen. Ik wil daar helder over zijn, maar moet en wil dat nog nauwkeurig onderzoeken. Laten we niet suggereren dat alles fout gaat. Het is een klein gedeelte. Ik wil hieraan recht doen en vraag de Kamer de ruimte op dit uit te zoeken. Het beklemmende gevoel dat daarmee de zaak op de tocht staat is niet terecht.

De voorzitter: Vanwege de tijd en het grote aantal antwoorden dat de minister nog moet geven, stel ik voor de antwoorden bloksgewijs af te werken en aan het einde van elk onderwerp iedereen de gelegenheid te geven een vraag te stellen.

Minister Leers: Voorzitter. Ik behandel achtereenvolgens nog de onderwerpen fraude, Dublin-Griekenland, Ivoorkust, Somalië, de Chinese asielzoekers, de PIOVR en een paar kleine internationale punten.

Het onderwerp fraude is uitgebreid aan de orde geweest in het begrotingsoverleg. De heer Fritsma heeft toen terecht aandacht gevraagd voor de gang van zaken bij de IND. Om een rechtvaardig asielsysteem te behouden en een goed functionerend migratiebeleid te voeren zullen we fraude moeten voorkomen. Het is goed dat de Kamer mij op dit punt aanjaagt. Er is relatief veel bekend over de aard van fraude. We hebben al een groot aantal maatregelen genomen. Er is nauwelijks betrouwbaar cijfermateriaal over de precieze omvang van fraude en misbruik. Ik hoop van harte dat dit met de introductie van INDIGO aanzienlijk zal verbeteren. De heer Knops vroeg naar de omvang van fraude en misbruik en wees op het ACVZ-advies. Ik ben gisteren bij de ACVZ geweest voor een uitgebreide kennismaking en discussie. Het is een zeer interessant advies, dat ik zeker ga gebruiken. Bij de begrotingsbehandeling vorige week hebben we over alle adviezen gesproken. Die wil ik betrekken bij de toezegging richting de heer Fritsma rond de aparte fraude-unit, om te zien hoe we de aanbevelingen van de adviescommissie in de fraude-unit kunnen verdisconteren.

Ik betrek de aanbevelingen van de ACVZ natuurlijk ook in mijn Europese activiteiten, bijvoorbeeld om samen met het land van herkomst de lokale bevolkingsadministratie te verbeteren. We zijn daar overigens al mee begonnen. In het kader van de zogenaamde Global Approach to Migration worden middelen beschikbaar gesteld voor capaciteitsopbouw in landen van herkomst. Ook worden capaciteitsopbouwprojecten gefinancierd uit het Europees terugkeerfonds (ETF). Bij deze dialoog en de Europese contacten staan kennisuitwisseling tussen experts, capaciteitsopbouw en projecten waarbij migratieprofielen van landen worden opgesteld centraal. De fraudeaanpak moet ook Europees handen en voeten krijgen. De aanpak is tweeledig, zowel bij de IND en de manier waarop de IND werkt als internationaal. Dat heb ik bij de begrotingsbehandeling aangegeven.

INDIGO zal hierin een belangrijke rol moeten spelen. Ik heb eerder gemeld dat INDIGO vertraagd is, maar ik hoop van harte dat het iets later dan gepland toch wordt ingevoerd. De handhaving van de Vw 2000 blijft met INDIGO van kracht. De wet is een belangrijk onderdeel van de fraudeaanpak. Deze aanpak moet natuurlijk ook gelden bij het Modern Migratiebeleid (MoMi) als we kennismigranten binnenhalen. Ik vind het belangrijk om dit te benadrukken. We moeten niet met de armen over elkaar wachten tot INDIGO er is. Met de IND en andere partijen praten we over de tussentijdse invulling van de fraudeaanpak. De inwerkingtreding van INDIGO per 1 januari aanstaande is niet verantwoord. Kwaliteit moet vooropstaan. Men is voortvarend bezig het lek boven water te tillen. Ik zeg dit zonder meteen al te hoge verwachtingen te willen wekken, maar uit mijn contacten met de IND heb ik de indruk dat men redelijk goed zicht heeft op de situatie. Ik wil dat de audit plaatsvindt om te voorkomen dat we een systeem invoeren dat niet integer is, waarbij de invoer van allerlei cijfers en gegevens tot verkeerde koppelingen kan leiden. Het ziet er positief uit. Die audit moet op termijn uitwijzen waaraan het precies heeft geschort. We blijven investeren in en doorwerken met het huidige systeem, waarvan de fraudeaanpak een essentieel onderdeel is.

De heer Knops vroeg naar de omvang van het misbruik van asielaanvragen en de opvangfaciliteiten van ama’s in de landen van herkomst. Bij de terugkeer van ama’s moeten opvangvoorzieningen worden gecreëerd. Dit doen we in Congo en Angola. Daarnaast kijken we met een aantal Europese landen naar de mogelijkheden om opvangvoorzieningen te creëren in Afghanistan en Irak. Deelnemende landen zijn het Verenigd Koninkrijk, Zweden, Noorwegen en Denemarken. Dit zijn landen die relatief veel ama’s hebben. Voor Afghanistan en Irak wordt die stap geconcretiseerd. We beraden ons op opvangvoorzieningen in andere herkomstlanden waar relatief veel ama’s vandaan komen. Voordat we dat doen, moeten we kijken of er familieleden zijn. Ama’s moeten het in de opvang per definitie hebben van hun familie. Daar waar ik kan, zal ik dit in het belang van het kind benadrukken. Het is niet zo dat we de ama’s terugbrengen en zeggen dat we daarmee onze plicht hebben gedaan. In goede samenspraak met het betreffende land wil ik de mogelijkheden in kaart brengen om familieleden te zoeken.

De vraag is of adrescontroles in het kader van de handhaving ook steekproefsgewijs kunnen worden uitgevoerd. Ik benadruk dat een goede handhaving voor mij essentieel is. De steekproefsgewijze adrescontrole wordt meegenomen bij de ontwikkeling van de visie op de politionele vreemdelingentaak en de uitvoering daarvan. Ik kijk of we dit kunnen implementeren.

Sinds 2009 zijn nieuwe voorwaarden van kracht voor het aantonen van een duurzame relatie met een EU-burger. Mensen moeten zes maanden hebben samengewoond of een gezamenlijk kind hebben. Aan deze voorwaarden wordt onverkort vastgehouden. Alleen in bijzondere omstandigheden wordt gebruikgemaakt van de inherente afwijkingsbevoegdheid. De ervaringen die mij worden gemeld zijn positief. Het aantal aanvragen voor verblijven bij een EU-partner is in 2010 afgenomen. Gebruik van de inherente afwijkingsbevoegdheid wordt niet apart geregistreerd. Daarover heb ik dus geen cijfers.

Over de problematiek Dublin-Griekenland zijn veel vragen gesteld. Ik wil de Kamer daarbij wijzen op de schriftelijke vragen van de heer Dibi, die ik eergisteren naar de Kamer heb gestuurd. Er zijn feitelijk drie brieven aan de orde. Dat is de brief van 14 juni van de toenmalige minister van Justitie, waarin de gemotiveerde Rule 39 rond de Zuid- en Centraal-Somaliërs en Griekenland en het al dan niet terugzenden van deze mensen aan de orde komt. Daarnaast is er de brief van 8 juli, waarin de oud-minister aangeeft dat Rule 39 alleen gevolgen heeft voor de Dublinzaken en niet voor het landenbeleid van Nederland voor Somalië. Als derde is er de brief van 13 oktober, waarin de toenmalige minister van Justitie de diverse ontwikkelingen heeft geschetst die zich voordoen bij twee Europese hoven.

Mijn excuses dat de brief zo laat was. De voorzitter heeft al aangegeven dat met de ontvlechting van oud-Justitie naar Binnenlandse Zaken twee systemen op elkaar moeten worden afgestemd en dat dat niet altijd lukt. De vragen zijn echter uitgebreid beantwoord.

Feit is dat wij te maken hebben met een situatie waarin de verwerking van de asielaanvragen in Griekenland niet optimaal verloopt. Daarover hebben de verschillende Europese hoven en onze nationale rechtscolleges het volgende standpunt ingenomen. Overdrachten aan Griekenland kunnen niet zomaar worden geëffectueerd, tenzij de individuele asielzoeker daarin berust. Dit veroorzaakt een lastige situatie omdat in het kader van het Dublinverdrag ieder land zijn eigen verantwoordelijkheid moet nemen. Griekenland moet zijn eigen asielaanvragen afwikkelen. Dat kan niet afgewend worden op Nederland of andere landen in Europa. We spreken regelmatig over het onderwerp, onlangs nog bij de JBZ-raad. De vraag is steeds wat te doen. Griekenland moet primair zijn verantwoordelijkheid nemen. Het land heeft een actieplan opgezet en krijgt hulp bij de uitvoering daarvan, ook van Nederland. Het is immers ook ons belang dat Griekenland zijn grenzen dicht kan houden en een zorgvuldige en goede procedure heeft. Dublinclaimanten kunnen dan naar Griekenland worden teruggestuurd. Wij zijn daarvoor aan het zorgen, maar op dit moment is het nog niet zo ver. Het Hof van Straatsburg heeft hierover uitspraak gedaan. We verwachten eind dit jaar een definitieve uitspraak. De uitspraak van het Hof van Justitie in Luxemburg verwachten we eind 2011. De vraag is wat we tussentijds doen. Gaan we de Dublinclaimanten die door Griekenland moeten worden afgewikkeld zelf doen of niet? Het Verenigd Koninkrijk en België hebben puur uit pragmatische overwegingen besloten de Dublin-Griekenlandzaken inhoudelijk zelf te behandelen. Ik wil onderstrepen dat Griekenland hier primair de verantwoordelijkheid heeft. Voor mij wordt de afweging om het zelf te behandelen actueel nadat we de uitspraak van het Europees Hof hebben gekregen. Ik wil die afwachten. De overwegingen die het Hof aan zijn beslissing ten grondslag legt ga ik betrekken bij de afweging rond onze Dublin-Griekenlandzaken. Het lijkt me niet zorgvuldig daar nu op vooruit te lopen. Ik ben eerlijk. Als wij deze zaken gaan afwikkelen, blijkt dat mensen voor een deel terecht een beroep hebben gedaan. Voor een ander deel is het niet terecht. Wat doen we met die mensen? Het is niet eenvoudig om ze terug te sturen. Ik ben niet zomaar overtuigd van de koopmansgedachte dat dit goedkoper is voor Nederland. Dat zal moeten blijken. Ik vind dit niet het allerbelangrijkste. Dat is de zorgvuldigheid. Het betreft hier mensen die primair onder verantwoordelijkheid van Griekenland vallen. We kunnen beter alles op alles te zetten zodat Griekenland de zaken snel op orde heeft en de eigen verantwoordelijkheid kan nemen. Daar willen we bij helpen en daar is het actieplan op gericht. Bij iedere JBZ-raad praten we hierover en proberen we Griekenland de helpende hand toe te steken.

Wat is de betekenis van de uitspraak van het Hof betreffende de interim measure inzake de overdracht van Somalische zaken aan Griekenland? Een aantal Somalische asielzoekers moet in Griekenland worden behandeld. Zij vallen onder de Griekse verantwoordelijkheid, maar ze zijn bij ons terechtgekomen. Het feit dat het Hof goed wil kijken of Griekenland in deze zaken zorgvuldigheid kan betrachten, was een van de redenen om deze situatie te bevriezen. Dit wil niet zeggen dat wij onze eigen individuele afweging ten aanzien van Somalische asielzoekers niet meer kunnen doen. Die kunnen we blijven maken, omdat wij wel die door het Hof als zorgvuldig beoordeelde procedure hebben. De zaken van Somaliërs die behoren tot de Griekse verantwoordelijkheid moeten we aanhouden, omdat we die gezien de uitspraken van het Hof niet kunnen oppakken.

Als er een Europees land is dat zijn verplichting tot een zorgvuldige procedure niet kan waarmaken, moeten we alles op alles zetten om dit te regelen. Het roept vragen op over de houdbaarheid van het Dublinsysteem. Ik blijf van mening, en met mij de overgrote meerderheid van de collega’s, dat ook voor de toekomst het Dublinsysteem essentieel is. Dit systeem moet asielshoppen juist voorkomen. Natuurlijk is het van belang om het Dublinsysteem te verbeteren. De discussie is de wijze waarop. Wat doe je in het geval van Griekenland? Ik ben het geheel met Eurocommissaris Malmström eens dat er een mogelijkheid moet zijn om een noodsituatie op te kunnen lossen. Als het systeem uit de hand loopt, moet er iets gebeuren. Dat kan alleen voor die landen die volledig voldoen aan het Europees acquis en waar het een tijdelijke situatie betreft. Dit heeft dus uitdrukkelijk geen betrekking op Griekenland, omdat Griekenland nog niet aan het Europees acquis voldoet. Met het actieplan is men er hard op weg naar toe. Mevrouw Malmström is het met me eens dat naast noodzakelijke ondersteuning van Griekenland dit land zelf verantwoordelijk blijft in deze zaak. Zij sprak op dit punt van «ownership» van Griekenland. Ze denkt wel na over acties die in geval van uitwassen moeten worden genomen.

Er zullen op korte termijn verbeteringen zichtbaar zijn in Griekenland. Ik stuur de Kamer het Griekse actieplan toe en stel voor over het plan en de stand van zaken in alle rust van gedachten te wisselen. Ik denk dat Griekenland er op lange termijn zeker in gaat slagen het actieplan uit te voeren. Op korte termijn moeten we kijken waar we hand- en spandiensten kunnen leveren. De Commissie heeft bijvoorbeeld een bedrag van 9,5 mln. ter beschikking gesteld, onder andere voor het creëren van fatsoenlijke opvangplaatsen voor asielzoekers. Wij helpen mee door onze tolken in te zetten en expertise over communicatie met vreemdelingen over te dragen aan Griekenland. Het bijdragen aan het Griekse systeem is in het belang van alle Europese landen.

De heer Schouw (D66): Dit is een belangrijk dossier, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de Nederlandse regering een beetje door blijft modderen. Geloof in de maakbaarheid van de Griekse situatie op korte termijn – zeg een periode van een tot twee jaar – is er bij mijn fractie niet. Het is goed als de minister hier serieus naar kijkt. De minister heeft gezegd dat hij terugkomt op deze situatie als er een uitspraak van het Europees Hof ligt. Op welke termijn is dat? Ik vind dat we hierover binnen vier maanden in deze Kamer een debat moeten hebben. Als de minister niet kiest voor het starten van de asielprocedures in Nederland moet de Kamer hem misschien dwingen dat te doen. Actie is echt nodig.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Ik maak me zorgen over de Somalische asielzoekers en de uitspraak van het Europees Hof. Ik vermoed dat er rechtsongelijkheid gaat ontstaan tussen de Somaliërs die hier rechtstreeks naartoe zijn gekomen en de Somaliërs die via Griekenland in Nederland zijn aangekomen. Deze Somaliërs mogen voorlopig blijven, omdat de minister zegt dat we uitzetting naar Griekenland en dus ook uitzetting naar Somalië opschorten. Met degenen die rechtstreeks naar Nederland zijn gekomen gaan we gewoon door. Dit lijkt me moeilijk uit te leggen aan Somaliërs die, misschien afkomstig uit dezelfde stad, via verschillende wegen in Nederland zijn gekomen.

Mevrouw Kooiman (SP): Ik sluit me gemakshalve aan bij de woorden van D66.

De heer Spekman (PvdA): Wij hebben eerder als PvdA-fractie een actieplan voor Griekenland gemaakt. Je kunt het van twee kanten bekijken, vanuit menselijkheid maar ook als koopman. Als we drie keer 40 mln. betalen is dat 120 mln. Ik wil graag van de minister weten wat de verschillende opties zijn. Hij kan dit inzichtelijk maken in de notitie die hij de Kamer heeft toegezegd. De eerste optie is doen zoals we het nu doen. Dat kost 120 mln. Optie twee is ze naar ons toetrekken en in procedure nemen, met alle consequenties en nadelen. Optie drie is Griekenland intensiever helpen de boel op orde te krijgen. We betalen nu een schijntje. Daar kunnen we wat meer voor over hebben, want uiteindelijk besparen we misschien wel 120 mln. Dat is een heldere keuze. Ik wil graag dat dit in een duidelijke notitie wordt beargumenteerd.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik sluit me aan bij de vraag van de heer Voordewind over Somalië. Ik snap dat rare onderscheid in reisroute niet. De reactie van de minister betreffende Griekenland komt erg naïef over. Er zijn nu meer dan 2000 Griekse asielzoekers in Nederland. Engeland heeft besloten deze zaken zelf in behandeling te nemen omdat dat geld bespaart. Kan de minister nog één keer uitleggen waarom hij dat niet doet, temeer omdat we kunnen aanvoelen dat het Europees Hof een uitspraak gaat doen die deze minister waarschijnlijk terugfluit?

Mevrouw Van Nieuwenhuizen (VVD): Heeft de minister in deze Griekse tragedie voldoende vertrouwen in de inzet van Griekenland? Ik denk dat dit, los van het koopmanschap en het humanitaire aspect, een extra argument is voor de landen die besloten hebben de procedures zelf te starten. Heeft de minister er voldoende vertrouwen in dat de Grieken hun verantwoordelijkheid nemen en dat de problematiek voldoende prioriteit geven om tot oplossingen te komen?

Minister Leers: Wij hebben afgelopen week tijdens de JBZ-Raad intensief gesproken over de situatie in Griekenland. We willen precies weten hoe het ervoor staat, maar we willen ook de Europese solidariteit niet verwaarlozen, juist vanwege het grote belang dat Nederland en andere Europese lidstaten hebben. We zijn niet met een schijnvertoning bezig. Ik ben ervan overtuigd dat Griekenland hard werkt aan de invulling van het actieplan. Vooral bij de uitvoering en bij de beoordeling van de huidige asielstromen zijn mensen van UNHCR betrokken.

Griekenland heeft een bijzondere geografische positie, waarbij eigenlijk twee problemen spelen. Naast het op orde krijgen van de procedure, met aandacht voor alle wettelijke eisen en eisen van het Hof betreffende de mensenrechten en de zorgvuldigheid daarin, speelt de grensbewaking. Hoe voorkomen we dat er lekken ontstaan waardoor het dweilen met de kraan open blijft? Het actieplan voorziet in beide punten en Nederland helpt mee. Voor de grensbewaking leveren wij zeventien douaniers en tolken. De invulling door de lidstaten is een uitgebreide gemeenschappelijke ondersteuning van Griekenland in de praktijk. Daarnaast moet Griekenland de eigen broek ophouden. De procedures die men heeft moeten zorgvuldig zijn en in de Grondwet worden opgenomen. De uitvoering is nu politioneel, maar moet door een apart asielbureau worden opgepakt. Daar werkt men aan. Er wordt op Europees niveau door de Commissie en de lidstaten veel over gesproken. We houden de vinger aan de pols.

Natuurlijk is het probleem niet van vandaag op morgen opgelost. Dat zal nog even duren. De heer Schouw zegt dat ik te veel geloof in de maakbaarheid van de situatie. Als een collega en een Europees commissaris zeggen dat het goed gaat, mag ik in positieve zin verwachten dat men dit op een verantwoorde manier invult. De Kamer hoeft mij niet te dwingen hierover in overleg te gaan. Dat wil ik ook, omdat ik steun van de Kamer van groot belang acht in de internationale setting. Eind dit jaar, begin volgend jaar komt het Europees Hof met een uitspraak. Wat is er op tegen daarop te wachten om vervolgens concreet af te spreken wat we gaan doen? We weten dan hoe het Hof oordeelt en kunnen op zorgvuldige manier omgaan met asielzoekers die wij onder de verantwoordelijkheid van Griekenland hier hebben. Het Verenigd Koninkrijk en België hebben puur en alleen uit pragmatische overwegingen gekozen voor actie. Zij denken precies zoals wij, maar bewaring kost veel geld. Als zij het aantal asielzoekers kunnen verminderen door ze terug te sturen of door asiel toe te kennen, nemen de kosten van bewaring af. Ik vind het zorgvuldiger om te wachten op de uitspraak van het Hof. Zodra die er is ga ik aan de slag.

Bij de ongelijkheid betreffende de interim measure spelen ook weer die twee aspecten. De Somalische zaken van Griekenland mag ik niet overdragen aan Griekenland. Daar houd ik mij aan. Ik blijf het vreemd vinden dat dit zou betekenen dat Nederland niet zijn eigen Somalische asielaanvragen kan behandelen en afwikkelen. Daar zijn wij verantwoordelijk voor. Het is geen kwestie van ongelijkheid. Sterker nog, ik heb de Kamer een brief gestuurd waarin ik aangeef hoe zorgvuldig we omgaan met het eventueel terugsturen van die uitgeprocedeerde Somalische asielzoekers. Ten aanzien van Mogadishu zijn heldere afspraken gemaakt. Ook daar houd ik me aan. Ik vind dat geen ongelijkheid. Het is de verantwoordelijkheid van Nederland om zorgvuldig te zijn en te zorgen voor snelle respons.

De heer Spekman (PvdA): Voorzitter, wilt u wel de toezegging noteren die de minister net heeft gedaan over de brief en de elementen die daarin horen?

Minister Leers: Als de heer Spekman doelt op de uitspraken van het Hof, is het vanzelfsprekend dat ik snel met de Kamer om tafel ga.

De voorzitter: Ik hoor de minister niet zeggen dat hij een reactie zal sturen.

De heer Spekman (PvdA): De voltallige commissie vraagt om inzicht in de keuzes die er te maken zijn op basis van de uitspraak van het Hof, vanuit menselijkheid of koopmansgeest. Er zijn drie opties.

De voorzitter: We gaan het betoog niet herhalen. De vraag is of er een toezegging is dat de minister binnen een bepaalde termijn met een notitie komt.

Minister Leers: Ik wil de uitspraak van het Hof afwachten. Als die bekend is, is duidelijk in welke richting we gaan. Dan hoeven we geen varianten uit te werken, omdat de situatie helder is. Die situatie ga ik vervolgens met de Kamer bespreken.

Voorzitter. De recent toegenomen spanningen in Ivoorkust zijn geen reden om het categoriaal beschermingsbeleid in stand te houden. Dat beleid is afgeschaft door mijn voorganger en is dus niet meer aan de orde. De politieke situatie is na de presidentsverkiezingen van 28 november 2010 inderdaad onrustig. Ik heb nagevraagd bij de minister van Buitenlandse Zaken wat de stand van zaken is. Hij bevestigt dat de binnenlandse veiligheidssituatie gespannen is, maar dat dit niet zodanig is dat het aanleiding is om opnieuw tot een categoriale bescherming over te gaan. Ik blijf Ivoorkust nauwlettend volgen. Indien de situatie daartoe aanleiding geeft, zal ik direct reageren.

Ten aanzien van de evaluatie met betrekking tot de beleidswijziging Somalië noem ik de taskforce Somalië onder voorzitterschap van de IND. Hierdoor kon een groot aantal fraudegevallen worden omgebogen. Er was aandacht voor vingertopmutilatie, nareisaanvragen en voor fraude en misbruik van procedures. Het aantal Somalische asielzoekers is afgenomen. Sinds begin 2009 is het landgebonden asielbeleid voor Somalië naar aanleiding van jurisprudentie aangepast. Inzake Mogadishu hebben we een aantal beperkingen opgenomen.

Irakese asielzoekers vielen eerst ook onder een categoriaal beschermingsbeleid. We gaan individueel toetsen en een herbeoordeling doen. De heer Fritsma vroeg of dit ook opportuun is voor de Somalische asielzoekers. Het vorige kabinet heeft besloten niet tot herbeoordeling van de verleende vergunningen over te gaan. Dit is aan de Kamer gecommuniceerd. Men gaat ervan uit dat de algemene situatie in Centraal- en Zuid-Somalië niet is verbeterd. Dit was aanleiding om te zeggen dat er niet tot individuele herbeoordeling werd overgegaan.

De instroomaantallen van asielaanvragen van Somaliërs zijn per halfjaar bekend. Het eerste halfjaar van 2009 betrof het 3070 aanvragen. In het tweede halfjaar zien we een afname tot 2820. Na afschaffing van het categoriaal beschermingsbeleid waren het er in het eerste halfjaar van 2010 nog 1310. Dat is een duidelijke afname. Ik moet aantekenen dat nu een lichte stijging plaatsvindt, maar niet in de orde van grootte van 2009.

Kenia is bereid te praten over het overnemen van Somaliërs die daar legaal verbleven. In de praktijk blijkt dit moeilijk aan te tonen. Vreemdelingen melden het zelf natuurlijk niet.

De heer Fritsma vraagt aandacht voor het plegen van fraude, specifiek bij de reguliere aanvragen van Somaliërs. Die zijn er bijna niet. De aanvragen die wij hebben zijn mvv-aanvragen en nareisvragen. Hierbij besteedt men doorlopend aandacht aan fraude. Ook bij de gewone reguliere aanvragen van Somaliërs zal dat het geval zijn. Er zijn geen erkende Somalische documenten, dus aanvullende onderzoeken voor identiteit in gezinsverband en DNA-onderzoek zijn nodig. Juist vanwege de bestaande fraude kijken we daar zorgvuldig naar. Dat vergt veel tijd, waardoor meer tijd nodig is om te kunnen beslissen op de verzoeken.

Het klopt dat de IND alleen meevliegt tot Nairobi. Vreemdelingen worden begeleid door escorts van de KMar en een medewerker van de DT&V. De vreemdeling vliegt zelfstandig van Nairobi door naar Mogadishu. De medewerker van de DT&V blijft in Nairobi totdat de vreemdeling toegang heeft gekregen tot Somalië. Er vindt dus feedback plaats. Het is voorgekomen dat een vreemdeling geen toegang kreeg en teruggevlogen is met de medewerker van de DT&V.

Somalische vreemdelingen die niet in het bezit zijn van een verblijfsvergunning dienen terug te keren. Als men dat wil is zelfstandige terugkeer mogelijk. In 2010 zijn zo zes Somalische vreemdelingen teruggekeerd naar Somalië. Indien zelfstandige terugkeer niet is gerealiseerd, is gedwongen terugkeer aan de orde. Binnen de beperkingen die wij hebben afgesproken is één Somalische vreemdeling gedwongen teruggekeerd naar Somalië.

We sturen de Somaliërs terug naar de internationale luchthaven van Mogadishu, omdat die luchthaven in handen is van de Transitional Federal Government (TFG) en troepen van de African Union Mission in Somalia (AMISOM). De inzet is zelfstandige terugkeer, maar als dit gedwongen moet, beschouwen wij de luchthaven als relatief veilige bestemming. We hebben deze discussie overigens eerder gehad.

De vlucht- en vestigingsalternatieven werden genoemd in een analogie van een brandend huis en de nooduitgang. Dat gaat in dit geval niet op. De beoordeling van een vlucht- of vestigingsalternatief vindt plaats binnen een zorgvuldige Nederlandse procedure, terwijl de asielzoeker opvang geniet bij het COA. We kijken naar verschillende scenario’s. De analogie van de heer Voordewind doet niet geheel recht aan deze zorgvuldige procedure.

De Kamer ontvangt een afschrift van de recente interim measure inzake Somalië.

Geagendeerd is het nakomen van twee toezeggingen bij brief van 12 april 2010 van de toenmalige minister van Justitie. Deze toezeggingen waren gedaan naar aanleiding van asielverzoeken van Chinezen op wie vrijheidsbeperking en -ontneming is toegepast, tijdens een overleg over vreemdelingenbewaring op 13 januari 2010. Op 26 november 2008 heeft de Raad van State geoordeeld dat er geen zicht was op uitzetting naar China. Inbewaringstelling was daarom op die grond niet langer mogelijk. Na het verschijnen van de brief van de toenmalige minister van Justitie hebben de Chinese autoriteiten echter zeventien laissez passers afgegeven voor de terugkeer van Chinese vreemdelingen. Dit betekent dat de situatie met betrekking tot de terugkeer van Chinese onderdanen in belangrijke mate is gewijzigd. Hierdoor is er perspectief. Het gaat moeizaam, maar men is bereid tot overleg te komen. Dit moeten we oppakken. In 2009 zijn ongeveer 40 mensen gedwongen teruggekeerd naar China. Tot en met november van dit jaar zijn dat ongeveer 30 personen. Er zijn in 2009 147 Chinezen zelfstandig teruggekeerd met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Tot en met november van dit jaar waren dat er 175. Op dit moment vindt ook bewaring plaats.

De Kamer kent de PIOVR. We kijken daarin of we met de ongewenstverklaring voor een deel ook de strafbaarheid kunnen effectueren. De pilot richtte zich op de overlastveroorzakende illegalen. Voor de aanpak van criminele vreemdelingen geldt het VRIS-protocol. Doel van de pilot was een betere ketensamenwerking en -afstemming bij de politie. Uitgangspunt daarbij was dat aangetroffen illegalen beter werden verhoord en dat consequenter dan voorheen naar ongewenstverklaring werd toegewerkt. In de pilot hebben we een aantal ongewenstverklaringen kunnen realiseren. Ik ken de aantallen niet precies.

We gaan nog praten over de Terugkeerrichtlijn. Dat is een ander instrument. Het staat geagendeerd, maar wordt wat mij betreft nog voor het einde van dit jaar besproken. Implementatie van de Terugkeerrichtlijn is Europees gezien wenselijk voor 24 december 2010. Het is aan de Kamer om te beoordelen of dat kan, omdat er een nota van wijziging voorligt waarin in het bijzonder het inreisbesluit is voorzien van een sanctie. De Kamer moet bepalen op welke termijn deze discussie plaatsvindt.

Tot slot behandel ik een paar kleinere internationale onderwerpen. Naar aanleiding van de motie-Spekman zei de heer Voordewind dat we illegaal verblijf in Nederland eenvoudig kunnen aantonen door scholen te laten verklaren hoe lang een kind op school is geweest. Dat is een misverstand. Los van het probleem dat een school geen beeld heeft van het verblijf in schoolvakanties, zullen scholen er veel moeite mee hebben illegale kinderen bij mij aan te melden. Het zal voor ouders een reden zijn om kinderen niet naar school te laten gaan. Dat is niet wenselijk.

Het is mij ongelooflijk veel waard dat we een houdbaar Europees beleid hebben, waardoor we zowel op het gebied van asiel als inzake migratie goede afspraken maken. Dat betekent dat er de komende jaren hard gewerkt moet worden. Het Europees asielbeleid staat in 2011 en 2012 op de agenda. Tussentijds probeer ik in het kader van allerlei richtlijnen die aan de orde zijn strategische allianties te bouwen. Dat is de reden dat ik heb gezocht naar samenwerking met bijvoorbeeld de Franse en Duitse collega’s. Doel hierbij is zoeken naar steun. We kijken bijvoorbeeld of we bij het groenboek over gezinshereniging iets voor elkaar kunnen krijgen. Ik zal de Kamer daarover informeren. Ik heb nog een aantal creatieve ideeën. Mijn missie is Europese gemeenschappelijkheid, waarbij we kijken of de ideeën die er zijn gezamenlijk kunnen worden uitgewerkt.

In het regeerakkoord is vastgelegd dat absolute topprioriteit moet worden gegeven aan een aantal zaken op asiel- en migratieterrein. Dat zijn voor mij belangrijke zaken. Ik hecht eraan de zogenaamde Europaroute neutraal te benoemen, maar ik wil misbruik ervan voorkomen. Er hoeft geen negatieve connotatie te bestaan over die route. Mensen vestigen zich in een Europees land en komen vervolgens naar Nederland om procedures te omzeilen. In de Europese samenwerking kijken we op een praktische manier hoe we het juridisch kader van de Europaroute beter kunnen afstemmen op de wensen en problemen die er zijn.

Het gunnen van ruimere beoordelingsvrijheid aan lidstaten door het Europees Hof zal altijd plaatsvinden binnen de waarborgen en tekst van het EVRM. Dat blijft het uitgangspunt. Het is goed om afspraken uit het regeerakkoord erbij te betrekken.

In de zaak-Chakroun ben ik teruggefloten op de harde maatregelen. Ik houd vast aan de 120%-norm inzake de verhoging van het inkomen. Dat neemt niet weg dat we internationaal een poging kunnen wagen om met goede argumenten de discussie aan te gaan. We voorzien de maatregelen die we kennen van een heldere omschrijving en benoemen effect, voordelen en nadelen. Het komt op die manier aan op overtuigingskracht en op inhoud, niet op sentimenten. Ik wil die overtuigingskracht ontwikkelen door er goed over te denken, goed te luisteren, te kijken wat kan binnen de waarborgen van de rechtszekerheid en de rechten van de personen die het betreft en dan de discussie aangaan.

De heer Knops (CDA): Voorzitter. Dank aan de minister voor de uitgebreide beantwoording en zijn toezeggingen richting de Kamer. Het is goed om te spreken over een aantal precaire zaken. We voelen ons ongemakkelijk dat ze hier op tafel liggen, maar we weten allemaal dat ze op een goede manier behandeld moeten worden. Met de toezeggingen van de minister zijn wij zeer tevreden. De actieve rol van Nederland buiten onze eigen grenzen, zowel op het gebied van de ama’s als de rol in Griekenland, is in het debat uitgebreid aan de orde geweest. Ik wil de minister oproepen niet alleen op het Brusselse toneel de voortvarendheid te hebben die hij de afgelopen tijd ten toon heeft gespreid om tot een gemeenschappelijk Europees beleid te komen, maar ook actief te kijken hoe we bijvoorbeeld met de opvangkampen verder gaan en hoe we Griekenland concreet kunnen helpen. Het rekensommetje van de heer Spekman vond ik zeer overtuigend. Zodra de uitspraak van het Hof binnen is moet de Kamer hierover spreken.

De heer Schouw (D66): Voorzitter. Over de statelozen en de Roma heb ik niets gehoord. Ik wil met de minister de afspraak maken de problematiek inzake Griekenland uiterlijk eind maart te bespreken. INDIGO wordt ofwel een molensteen om de nek van de minister, ofwel een vindplaats voor goud. Wanneer komt de minister met zijn analyse en rapportage op dit punt?

Belangrijke constatering is dat 70% van de procedures niet op tijd is afgerond. In 30% van de gevallen worden de bezwaren erkend. Het zou de minister sieren als hij zegt dat hij dit een probleem vindt en dat hij een plan maakt om die percentages substantieel te verlagen. Daar moet de discussie over gaan.

De heer Fritsma (PVV): Voorzitter. Ik vind het opvallend dat verschillende woordvoerders de minister erop aanspreken dat hij zich naar aanleiding van media-aandacht uitlaat over een individueel geval. Diezelfde woordvoerders wijden een groot deel van dit debat aan een bericht uit Trouw over een specifiek gezin dat op straat zou zijn gezet. Nog los van de vraag of het krantenbericht klopt, is dit een geval van de pot en de ketel.

Na de antwoorden van de minister houd ik een paar zorgen. De helft van de 10 000 vreemdelingen die vertrekken staan geregistreerd als «met onbekende bestemming vertrokken». Hierbij bestaat een grote kans dat ze in de illegaliteit zijn verdwenen. Gelet op de tijd stel ik voor dit punt volgende week te bespreken in het AO over terugkeer.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Voorzitter. Dank aan de minister voor zijn toezegging als het gaat om het treffen van een regeling voor de ama’s op Schiphol. Ik hoop dat dit snel kan gebeuren, zodat kinderen niet meer in cellen worden opgesloten. Over Somalië blijven we waarschijnlijk van mening verschillen. Ik vind het te prijzen dat er geen herbeoordelingen plaatsvinden nadat het categoriaal beleid is afgeschaft. Tegelijkertijd blijft het wrang dat het voor de nieuwe gevallen niet opgaat, juist omdat Zuid- en Centraal-Somalië te onveilig zijn. Deze redenering kent een discrepantie en daar komen we voorlopig niet uit.

Gisteren heeft de minister een brief gestuurd met een reactie op mijn motie over gezinshereniging. Hij meldt daarin nog niet of de reguliere eisen voor gezinsmigratie wel of niet gelden. De reguliere eisen waren een verhoging van de leeftijdsgrens, borgsom en opleidingseisen. Gaan die nu wel of niet gelden? Ik ben benieuwd hoe de minister de motie die gisteren over dit onderwerp is aangenomen gaat uitvoeren.

Aanstaande maandag wordt alsnog een Irakese asielzoeker uitgezet. Daar verbaas ik me over. We weten dat de uitzetting naar Irak twee weken geleden is afgeblazen. Kan de minister op deze dringende zaak ingaan?

Mevrouw Kooiman (SP): Voorzitter. Dank voor de toezegging van de minister waarmee hij voorkomt dat mensen op straat belanden in de vrieskou. De communicatie in het aanzeggingsproces moet beter. Kinderen horen inderdaad niet in cellen. Het is goed dat de minister deze opvattingen deelt en de Kamer wil informeren over zijn oplossingrichtingen. Het verheugt me dat hij daarbij kijkt naar de pre-opvanglocatie.

Ik heb geen volledig antwoord op mijn vraag over de Chinezen. De minister zegt dat de zeventien laissez passers een structurele verbetering zijn, maar hij gaat voorbij aan de uitspraak van de rechtbank in Dordrecht die zegt dat er geen structurele verbetering is. Daar hoor ik graag een reactie op. Ik wil weten hoeveel Tibetanen er zijn teruggestuurd naar China en wanneer. Ik kan me voorstellen dat de minister deze gegevens niet paraat heeft, dus ik ben ook tevreden met een brief daarover.

De heer Spekman (PvdA): Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn antwoorden. In mijn taakopvatting als oppositielid is het zo dat ik de minister een spiegel voorhoud als ik denk dat dat nodig is. Dat geldt in het geval van toezeggingen die aan de Kamer zijn gedaan. Dat geldt bijvoorbeeld voor het voorkómen dat asielzoekers in de vrieskou worden gezet. Ik vraag me af of het vandaag voorkomen was als het niet in de krant had gestaan. Ik denk van niet. Hetzelfde geldt voor de toezegging van de minister dat Sahar niet in een boerka hoeft te gaan lopen. Ik ben hem dankbaar voor zijn bereidheid tot bezinning.

In het Griekenlanddossier wil ik meer urgentie. Het gaat niet alleen om mensen, maar ook om groot geld. Die combinatie vraagt om urgentie. Mijn vragen over het aanscherpingsbeleid inzake nareizen en de leges zijn nog niet beantwoord. Ik hoop dat de minister zich ervan weerhoudt in interviews in de overdrijving te gaan als het gaat over de per definitie goede daden van de overheid. De cijfers laten zien dat de overheid vaak fouten maakt, anders wordt niet 30% in bezwaar alsnog toegewezen. Het sluitend maken van het systeem is onze grote opdracht, waardoor we elkaar vinden in het debat.

De heer Dibi (GroenLinks): Voorzitter. Dank voor de beantwoording van de minister en dank voor de toezeggingen. De minister gaat de uitspraken van de rechtbank van Amsterdam van 13 oktober 2010 bestuderen. We wachten op een uitspraak van het Hof als het gaat om de Griekse Dublinclaimanten en spreken daar later over. Dat hoeft niet in maart te gebeuren, dat kan volgens mij veel eerder. Over Somalië zijn we het oneens. Het maakt niet uit of je via Amsterdam of via Griekenland terug moet. Onveilig is onveilig en uitzetting moet in dat geval worden voorkomen.

Tijdens de begrotingsbehandeling van Immigratie en Asiel hebben Kamer, oppositie en coalitie de minister gevraagd om de gegevens te verschaffen die tijdens de formatieonderhandelingen op tafel lagen. Anders kunnen we niet beoordelen of de voorgestelde maatregelen kloppen. Het betreft de daling van de instroom van asielzoekers en van gezinsmigratie. Komt deze informatie nog naar de Kamer en, zo ja, wanneer?

Het groenboek is van groot belang bij het aanpassen van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Ik heb begrepen dat het in een bureaula ligt, omdat mevrouw Malmström het niet wil behandelen. Kan de minister daarop ingaan?

Tot slot mijn dank voor de toezegging over de kwestie-Sahar en het moment van bezinning. Ook ik zal dit ter harte nemen, maar de toezegging van de minister wordt enorm gewaardeerd.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen (VVD): Voorzitter. De vraag over het op orde brengen van de toelatingsorganisatie voor de BES-eilanden is nog niet beantwoord. De minister heeft niet volledig geantwoord op mijn verzoek om de PIOVR landelijk uit te rollen. De pilot kost geen geld, er hoeft geen regelgeving te worden aangepast en het blijkt effectief te zijn. De minister heeft gelijk dat de pilot vooral gericht was op het bestrijden van de overlast, maar in combinatie met het begrip van de glijdende schaal werpt de pilot wel degelijk vruchten af. Ik wil dit punt bepleiten in het kader van de overlastproblematiek in onze grote steden. Ik hoor graag of de minister zich in wil zetten voor een landelijke toepassing van PIOVR.

De antwoorden van de minister hadden meer betrekking op de Terugkeerrichtlijn dan op de verplichting voor het Europese inreisverbod dat 24 december aanstaande van kracht wordt. Wat ons betreft zal het Europese inreisverbod meer gestalte moeten krijgen door de strafbaarstelling van illegaliteit als counterpart van de ongewenstverklaring. Daarvoor ligt de bal bij de minister.

Minister Leers: Voorzitter. De publicatie van het Groenboek Gezinshereniging is volgens de laatste informatie gepland voor de vergadering van de Europese Commissie van maart 2011. Ik hoop zelf op enig uitstel, omdat mij dat de gelegenheid geeft om te werken aan coalities. Ik wil de overige lidstaten ervan overtuigen dat de maatregelen die wij in het regeerakkoord afspraken effect zullen hebben.

Sinds 10 oktober 2010 is er op de BES-eilanden een IND-unit voor Caribisch Nederland (IND-BES unit) opgericht, die de Wet toelating en uitzetting BES uitvoert voor deze eilanden. De wet regelt de toelating van vreemdelingen tot de BES-eilanden. In het kader van de afspraken in het regeerakkoord en de discussie over de wederkerigheid wil ik een informele conferentie organiseren. Er bestaan veel misverstanden over de inhoud en veel weerstand. Ik wil kijken of ik die weerstand kan wegnemen. Het is in het belang van het gehele Koninkrijk dat hier goede afspraken over komen. Ook dit is een actie op mijn planning.

De INDIGO-audit is begin 2011 gereed. Ik kan het niet concreter maken, maar alles is erop gericht INDIGO zo snel mogelijk draaiend te hebben. Het is de kern van ons MoMi, het heeft een grote betekenis voor de asiel- en andere aanvragen en het is ook van belang voor de fraudebestrijding. Ik zet alles op alles om het voor elkaar te krijgen, maar kwaliteit gaat boven snelheid. Fouten willen we voorkomen. Het systeem moet integer zijn.

Voordat het nieuwe legeshuis in werking zal treden en de algehele verhoging van de leges ingaat hebben we daar overleg over. Zoals aangekondigd in het regeerakkoord ga ik met de Kamer in gesprek over de hoogte van de leges. Ik ga dan tevens in op de motie-Spekman/Anker naar aanleiding van de uitwerking van de voornemens uit het regeerakkoord. De Kamer zal over dit onderwerp separaat worden geïnformeerd. Ik schat in dat we hier de eerste helft van volgend jaar over zullen spreken. Het moment is niet duidelijk, omdat ik nog niet voldoende zicht heb op de snelheid waarmee het voor elkaar kan komen.

Over de statelozen- en Romaproblematiek ga ik met collega Donner van gedachten wisselen. Het is een onderwerp dat wij samen zullen behandelen. Gezien de goede samenwerking met minister Donner ben ik blij met die afspraak. Ik denk dat het het dossier ten goede komt.

De heer Schouw (D66): Ik heb deze vraag vorige week aan minister Donner gesteld. Hij verwees naar minister Leers. De problematiek is te belangrijk om boven de markt te laten zweven. Het is het een of het is het ander. Laat de minister volgende week een brief sturen waarin hij precies zegt wie waarvoor verantwoordelijk is.

Minister Leers: Ik overleg met de heer Donner. Ik hecht aan het onderwerp en ben het met de heer Schouw eens. Overigens heb ik niet de indruk dat Nederland op het terrein van statelozen en Roma de Franse aanpak huldigt. Mensen hebben binnen de geldende regels hun rechten, maar ook hun plichten. Ik laat de Kamer weten wie voor dit onderwerp verantwoordelijk is.

De uitspraak over zicht op uitzetting naar China van de rechtbank Dordrecht ken ik. Ik ben op dit punt benieuwd naar het oordeel van de Raad van State. Dit is op korte termijn bekend. Ik heb mijn standpunt in eerste termijn gemeld en herhaal het: uitzetting naar China blijft een aandachtspunt. De cijfers laten zien dat het mondjesmaat mogelijk is. Het heeft mijn aandacht, maar ik wacht het oordeel van de Raad van State af.

De PIOVR is in twee regio’s uitgeprobeerd en kan met weinig moeite landelijk worden uitgerold. Ik begrijp wat de Kamer beoogt. Ik kom hierop terug bij de visie op het politioneel vreemdelingentoezicht.

Een actieve rol buiten onze grenzen is vanzelfsprekend. Ik weet hoe belangrijk het is de kraan elders dicht te draaien en niet alleen de problemen die we hier krijgen op te dweilen. We moeten hulp bieden aan landen die geografisch gezien aan onze buitengrenzen liggen. Dan doel ik niet alleen op Griekenland, maar ook op de Balkan en andere gebieden. De Kamer mag mij op dit punt aansporen en ik zal dat ter harte nemen.

Eind maart moeten we de beslissing over de Dublin-Griekenlandzaken nemen. De Kamer hoeft mij hierin niet te dwingen, omdat wij het volledig eens zijn. Ik heb één voorwaarde genoemd. De uitspraak van het Hof moet er zijn, want op basis daarvan kunnen we heldere afspraken maken.

Tijdens het spoeddebat over INDIGO heb ik alles gezegd wat ik daarover te zeggen heb. Ik ben ervan overtuigd dat het op redelijk korte termijn op orde kan zijn, maar ik heb liever 100% kwaliteit dan tempo met grote brokken.

We spraken al over procedures die niet op tijd afgerond zijn. Dit is een ongelooflijk lastig punt. Als ik de komende jaren één ding wil bereiken, is het dat procedures terecht en snel zijn, om mensen geen hoop te geven en het stapelen van aanvragen tegen te gaan. Dit is de kern van mijn inzet. De Kamer mag me daaraan houden. Ik doe tegelijkertijd een beroep op de afgevaardigden om mij op dit punt te helpen de goede stappen te nemen en vraag de Kamer nadrukkelijk mij de spiegel voor te houden. Dit belangrijke punt werkt door in gevallen waarin mensen bezig blijven, hier geworteld raken en vervolgens als gevolg van veel te lange procedures als schrijnend geval in een lastige positie komen. Dat moeten we voorkomen. Ik zeg toe dat ik hieraan ga werken en ik zoek hierin de samenwerking met de Kamer.

We weten dat 5000 mensen met onbekende bestemming zijn vertrokken. Dat is een zorgpunt, omdat we niet precies weten waar ze zijn gebleven. Feit is dat er aantoonbaar meer mensen daadwerkelijk uit ons land vertrokken zijn. Dat aantal is de afgelopen jaren gegroeid. In dit verband zou de illegaliteitstrafbaarstelling een belangrijke rol kunnen hebben. Daar komen we later op terug.

Over nareizen en regulier asielaanvragen heb ik de Kamer een brief gestuurd. Het is goed om in een vervolgbrief de punten op de i te zetten. Ik kijk daarbij wat het regeerakkoord op dit punt heeft bepaald.

Er vindt toch weer uitzetting plaats naar Irak. We hebben steeds gezegd dat individuele toetsing plaatsvindt. Het Hof heeft de generieke bevriezing teruggedraaid. Er is geen interim measure meer vanzelfsprekend. We kunnen wel interim measures opleggen na individuele toetsing. Dit sluit niet uit dat mensen kunnen worden teruggestuurd naar Irak, maar niet voordat ze het recht hebben gehad bij het Hof te vragen om een individuele toetsing.

Mevrouw Kooiman vroeg naar cijfers over Tibetanen in China. Ik stuur de Kamer alle gegevens die ik over China heb per brief toe. Wij hebben inzake Tibetanen geen aparte registratie. Die aantallen kennen we dus niet. Op dat punt kan ik geen aanvullende informatie toezeggen.

De heer Spekman wil mij voortdurend de spiegel voorhouden in zijn rol als volksvertegenwoordiger. Ik nodig hem daar van harte toe uit, omdat ik vind dat ook een minister niet ontbloot moet zijn van tegenspraak. Ik hoop wel dat hij openstaat voor argumenten van mijn kant en dat we elkaar daarin vinden. Wij zullen elkaar vanwege onze verschillende invalshoeken niet altijd kunnen overtuigen. Naar aanleiding van het concrete geval waarover we spraken moeten we voorkomen dat valse hoop wordt gewekt, waardoor mensen zich vastgrijpen aan strohalmen. Dit is ook het dilemma waarin ik voortdurend zit. Alle verbeteringen en toezeggingen leiden bij mensen tot de verwachting dat het deze keer zal lukken. Als het uiteindelijk niet lukt heb ik meer leed veroorzaakt, wat niet wegneemt dat we tot het einde zorgvuldig moeten zijn. Uiteraard is niet alles wat de overheid doet goed. Ik zit hier wel om het beleid dat ik wil voeren te verdedigen. Dat moet zo goed mogelijk zijn. Andersom geldt precies hetzelfde. Het wil niet zeggen dat als je in individuele gevallen ergens tegen aanloopt, dat altijd de schuld van de overheid is.

Over Somalië blijven we van mening verschillen. Het is essentieel om in de zaak van de Griekse Somaliërs onderscheid te maken. Het feit dat wij geen Griekse Somaliërs terugsturen heeft te maken met de procedures in Griekenland. Het Hof heeft vastgesteld dat die procedures nog niet voor 100% de waarborgen en zorgvuldigheid hebben. Dat kan de Kamer toch niet beweren over onze eigen procedures? De Somaliërs die wij vanuit Nederland terugsturen, zijn wel degelijk door een zorgvuldige toetsing gegaan. We kunnen niet zeggen dat wij dat niet kunnen, omdat Griekenland het niet kan.

De heer Dibi (GroenLinks): Ik heb een vraag gesteld over de cijfers waarop de maatregelen zijn gebaseerd voor het dalen van de instroom met 25, 30 of 50%. Dit blijft voor de Kamer een groot vraagteken. Deze informatie is door ons allen opgevraagd.

De voorzitter: De vraag van de heer Dibi is gesteld tijdens de begrotingsbehandeling en doorgeleid naar het kabinet.

De heer Spekman (PvdA): Ik heb een vraag gesteld over de gezinsherenigingsprocedure en de wachttijd.

De heer Voordewind (ChristenUnie): Ik wil de minister nog meegeven dat met betrekking tot de uitzetting in de Irakese zaak van aanstaande maandag een interim measure is aangevraagd en dat deze persoon wacht op de uitslag van het Europees Hof. In dat kader wil ik de minister aansporen in elk geval de uitspraak van het Europees Hof af te wachten en nog niet uit te zetten.

Minister Leers: Het Hof weet dat de uitzetting aanstaande is. Ik neem aan dat het Hof daarom snel met een uitspraak komt. Uiteraard zal de conclusie van het Hof worden meegewogen bij de afweging de uitzetting al dan niet te effectueren. Dat lijkt me duidelijk.

Bij gezinshereniging is niet duidelijk of migratie wel of niet onder het regulier beleid moet vallen. De Kamer krijgt hier een brief over. Daarin neem ik ook het antwoord op de vraag of de behandeling is opgelopen tot zes maanden mee.

Bij de begrotingsbehandeling heb ik gezegd dat ik niet betrokken ben geweest bij het vaststellen van instroomaantallen. Ik zie het niet als zodanig in het regeerakkoord terug. Daar staat «substantiële vermindering», dus ik ga niet verder op deze discussie in. Het is een zaak tussen de Kamer en de PVV-fractie. Het staat voor mij niet vast dat ik gehouden ben aan het verminderen van aantallen in de mate die is genoemd.

De heer Dibi (GroenLinks): De gehele Kamer heeft een verzoek tot informatie gedaan bij het kabinet. De minister zit hier namens het kabinet. Hij moet gehoor geven aan de oproep vanuit de Kamer, anders zullen er andere stappen volgen. Ik snap niet waarom we geheimzinnig moeten doen over dit soort belangrijke informatie.

Minister Leers: De brief is doorgeleid. De Kamer moet nu afwachten wat daar uitkomt.

De voorzitter: Ik dank namens de commissie de minister voor de uitgebreide beantwoording.

Ik heb de volgende toezeggingen genoteerd:

  • De minister stuurt begin januari een brief met een reactie op de brief van de heer Spekman en de feiten van de zaak-Sahar die in de media terecht zijn gekomen. Er zullen geen onomkeerbare stappen worden genomen en niet worden overgaan tot uitzetting totdat de toegezegde brief met de Kamer is besproken.

  • De minister stuurt de Kamer half februari een brief over de termijn die de rechtbank nodig heeft voor een uitspraak. Hierin wordt ook de pre-opvanglocatie meegenomen.

  • De minister stuurt de Kamer een afschrift van de interim measure over Somalië.

  • De minister zal de Kamer informeren over de samenwerking met Duitsland en Frankrijk op het terrein van gezinshereniging.

  • De Kamer wordt eerste helft 2011 geïnformeerd over de motie-Spekman/Anker over de hoogte van de leges.

  • De minister informeert de Kamer over de situatie inzake de Chinese asielzoekers.

  • De minister neemt de uitrol van de PIOVR mee in de visie op het politioneel vreemdelingentoezicht.

  • De Kamer zal worden geïnformeerd over het aantal kinderen in detentie.

  • Na uitspraak van het Europees Hof wordt de Griekenlandkwestie geagendeerd.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Staaij (PvdA), Dijsselbloem (PvdA), Sterk (CDA), Van Bochove (CDA), Aptroot (VVD), Van Dam (PvdA), Knops (CDA), Brinkman (PVV), voorzitter, Voordewind (ChristenUnie), Spekman (PvdA), Thieme (PvdD), Fritsma (PVV), Karabulut (SP), Gesthuizen (SP), Dibi (GroenLinks), Kuiken (PvdA), ondervoorzitter, Berndsen (D66), Van Nieuwenhuizen (VVD), Schouw (D66), Van der Steur (VVD), Van Klaveren (PVV) en Taverne (VVD).

Plv. leden: Dijkgraaf (SGP), Arib (PvdA), Çörüz (CDA), Omtzigt (CDA), De Liefde (VVD), Çelik (PvdA), Smilde (CDA), Elissen (PVV), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Van Dekken (PvdA), Ouwehand (PvdD), Bontes (PVV), De Wit (SP), Kooiman (SP), Sap (GroenLinks), Jadnanasing (PvdA), Hachchi (D66), Azmani (VVD), Pechtold (D66), Venrooy-van Ark (VVD), Kortenhoeven (PVV) en Schaart (VVD).

Naar boven