Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201119637 nr. 1362

19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 1362 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 oktober 2010

Met het oog op de door het kabinet gewenste intensivering van het gebruik van de ongewenstverklaring bij vreemdelingen die bij herhaling een bij de Vreemdelingenwet 2000 strafbaar feit hebben begaan, is van 1 maart 2008 tot 1 november 2009 een pilot uitgevoerd. Uw Kamer is over deze pilot geïnformeerd in de reactie op het WODC rapport «Illegaal verblijf in Nederland» (TK 2007–2008, 19 637, nr. 1207). Zoals door de toemalige Staatssecretaris in die reactie is aangegeven, was het doel van deze pilot om uit te zoeken in hoeverre een consequenter en gerichter gebruik dan voorheen van een bestaande mogelijkheid tot ongewenstverklaring bij deze doelgroep een geschikt instrument is om illegaal verblijf in Nederland terug te dringen.

De pilot maakt sinds april 2009 deel uit van het programma Uitzetten/vastzetten, waarover in zijn geheel in het najaar van 2010 aan uw Kamer zal worden gerapporteerd. De pilot zelf is inmiddels afgelopen en geëvalueerd, zodat Uw Kamer hierover, in aanvulling op hetgeen hierover in de Rapportage Vreemdelingenketen 2010-I is vermeld, nu kan worden geïnformeerd.

Werkwijze pilot

De pilot omvatte 3 fases:

In de 1e fase worden niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen in het kader van de uitvoering van de algemene politiezorg (bijv. verkeerscontroles, arbeidsinspecties) staandegehouden en opgebracht voor persoonsidentificatie. In deze fase wordt de vreemdeling door de vreemdelingenpolitie geregistreerd, wordt een proces verbaal van bevindingen opgesteld van de overtreding van de Vreemdelingenwet en wordt de vreemdeling zo mogelijk in bewaring gesteld, waarmee hij instroomt in de caseload van DT&V.

Indien dit er niet toe leidt dat de vreemdeling het land verlaat, en hij voor de tweede keer illegaal verblijvend wordt aangetroffen, gaat de 2e fase in. In deze fase wordt van de vreemdeling, door de politie, wederom proces-verbaal opgemaakt van de overtreding van de Vreemdelingenwet en wordt de vreemdeling, op aangeven van de politie, door de IND ongewenst verklaard en zo mogelijk opnieuw in vreemdelingenbewaring gesteld. De in bewaring gestelde vreemdeling wordt ook in deze fase door de politie overgedragen aan de DT&V.

Indien er opnieuw geen vertrek uit Nederland plaatsvindt, en de vreemdeling wederom illegaal in Nederland wordt aangetroffen, gaat de 3e fase in. In deze fase wordt de ongewenst verklaarde vreemdeling strafrechtelijk vervolgd voor het misdrijf van artikel 197 Sr. In deze fase valt ook de rechtzaak en – indien veroordeling volgt – de strafoplegging.

Resultaten pilot

Deze pilot ziet op een specifieke en beperkte groep vreemdelingen, daar er sprake was van drie deelnemende politieregio’s (Utrecht, IJsselland en Brabant-Noord). Zoals blijkt uit de Rapportages Vreemdelingenketen over 2008 en 2009 is gedurende de looptijd van het project in Nederland als geheel een groot aantal vreemdelingen in vreemdelingenbewaring gesteld en uitgezet, en is er bijzondere aandacht geweest voor de groep vreemdelingen in de strafrechtketen, hetgeen tot uitdrukking komt in het gegeven dat, ten tijde van het uitvoeren van de pilot, ongeveer 70% van de vreemdelingen in de strafrechtketen die in de caseload van de DT&V stromen het land daadwerkelijk verlaat.

Voor de pilot ongewenstverklaring geldt dat er in totaal 325 vreemdelingen zijn ingestroomd op peildatum 1 januari 2010. De resultaten zijn als volgt:

  • Er is in totaal sprake geweest van 334 vertrekprocedures bij de DT&V. Opgemerkt wordt dat één vreemdeling soms meer dan één keer door de DT&V kan worden behandeld, en dat er ook 60 vreemdelingen waren die niet in de caseload van de DT&V zijn gestroomd, bijvoorbeeld omdat er geen aanleiding was om hen in bewaring te stellen.

  • Van de 334 vertrekprocedures was in ruim 120 vertrekprocedures sprake van aantoonbaar gedwongen vertrek.

  • In bijna 15 vertrekprocedures was sprake van zelfstandig vertrek onder toezicht uit Nederland. In bijna 10 vertrekprocedures is een vergunning verleend en in circa 15 zaken is sprake van overige uitstroom.

  • Begin januari 2010 zaten nog circa 30 vreemdelingen in het vertrekproces van de DT&V.

  • In bijna 150 vertrekprocedures is sprake van zelfstandig vertrek zonder toezicht. Deze vreemdelingen zijn heengezonden met een aanzegging om Nederland te verlaten.

De vreemdelingen bij wie nog geen aantoonbaar vertrek uit Nederland heeft plaatsgevonden, vormen de groep die mogelijk in aanmerking komt – bij herhaald illegaal aantreffen door de politie – voor ongewenstverklaring. In de pilotperiode is dit bij 3 vreemdelingen gebeurd. Eén vreemdeling uit de pilot is, overigens na afloop van de pilotperiode, tot de fase van strafrechtelijke vervolging doorgedrongen wegens overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht. Ten tijde van het opstellen van deze brief was er nog geen uitspraak gedaan in die zaak.

Conclusies

De pilot heeft het belang van een hantering van het vreemdelingrecht ter bestrijding van ernstige vormen van overlast en criminaliteit onderstreept. Dit strookt met de doelstellingen van het in deze kabinetsperiode gevoerde beleid. De bevindingen laten zien dat een (veel) betere registratie in de automatische bestanden van de vreemdelingenpolitie van de illegaal en daarmee een betere informatieopbouw ten goede komt aan het hele proces. Landelijke invoering bij de politie van de in de pilot gehanteerde werkwijze kan over de hele linie tot betere resultaten ten aanzien van zowel terugkeer als (voorstellen tot) ongewenstverklaring en vervolging leiden.

Voor een beter zicht op het effect op de bestrijding van illegaliteit door intensivering van het gebruik van de ongewenstverklaring is eveneens beter zicht op de effectiviteit van het vreemdelingentoezicht nodig.

Op grond van de naar verwachting in oktober van dit jaar gereed komende schatting van het aantal illegalen door het WODC en een door Justitie verricht en eind dit jaar afgerond onderzoek naar de resultaten van het politiële vreemdelingentoezicht in alle politieregio’s zal een samenhangende visie ontwikkeld worden op de politiële vreemdelingentaak. In het licht van deze visie zal de inzet van het instrument van de ongewenstverklaring op grond van overtreding van de Vw 2000 in de strijd tegen illegaal verblijf in Nederland worden geëffectueerd.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin