Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201119637 nr. 1363

19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 1363 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 oktober 2010

In het AO-JBZ van 6 oktober jongstleden heb ik toegezegd u nader te informeren over het aantal personen dat door de diverse ontwikkelingen naar verwachting tijdelijk niet kan worden overgedragen aan Griekenland in het kader van de Dublin-verordening.

Zoals gezegd in het AO is op 3 juni van dit jaar door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een zogenoemde gemotiveerde Rule 39 getroffen, waarbij het Hof duidelijk maakte dat overdrachten van Zuid- en Centraal-Somaliërs aan Griekenland tijdelijk dienden te worden opgeschort. Ik heb uw kamer hierover bericht bij brief van 11 juni 2010 (TK 19 637, nr. 1350).

Daarnaast zijn op 12 augustus jongstleden door een Engelse rechter prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie-EU in Luxemburg. Bij die procedure gaat het, kort gezegd, over de vraag of een overdracht mag plaatsvinden indien de ontvangende lidstaat niet aan zijn EVRM en/of EU-verplichtingen voldoet.

Bij brief van 3 september jongstleden ben ik door de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geïnformeerd dat de Afdeling uitspraken in Dublin-Griekenland-zaken zal aanhouden totdat het Hof van Justitie-EU arrest heeft gewezen. De Afdeling heeft aan rechtbanken gevraagd hetzelfde te doen.

Op 30 september jongstleden is een brief van het EHRM ontvangen waarin dit Hof mij informeert dat het in alle toekomstige zaken waarbij overdracht aan Griekenland aan de orde is een Rule 39 zal treffen zolang het nog geen oordeel heeft gegeven over de zaak M.S.S tegen België. Het Hof verzoekt mij om hangende de zaak M.S.S. tegen België af te zien van overdrachten aan Griekenland. Ik heb dit verzoek thans in beraad.

Deze ontwikkelingen betekenen feitelijk dat de komende tijd overdrachten aan Griekenland niet kunnen worden geëffectueerd, tenzij de asielzoeker zelf geen rechtsmiddelen aanwendt. Dit is relevant voor een groep van circa 1 900 in Nederland verblijvende asielzoekers waarbij Griekenland op basis van de Dublin-verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Een groot deel van deze groep zit nog in een procedure. Gezien de ontwikkelingen zal vermoedelijk door de nationale rechter worden bepaald dat hun overdracht tijdelijk wordt opgeschort. Een groep van 240 asielzoekers heeft geen nationale procedure (meer) lopen. Maar het geheel van omstandigheden zoals beschreven maakt dat ook voor die groep opgaat dat elke procedure die wordt aangespannen naar waarschijnlijkheid zal leiden tot een tijdelijke opschorting van de overdracht.

Ondanks de feitelijke onmogelijkheid om de asielzoekers over te dragen aan Griekenland, blijft Griekenland wel verantwoordelijk voor deze asielverzoeken. Op het moment dat de jurisprudentie dit weer toelaat zullen de overdrachten worden hervat. Dit geldt in beginsel dus ook voor de huidige groep van 1 900 personen.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin