Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-2014nr. 38, item 14

14 Passend onderwijs

Aan de orde is het VAO Passend onderwijs (AO d.d. 18/12).

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris van harte welkom.

De heer Van Meenen (D66):

Voorzitter. Wij hebben een interessante gedachtewisseling gehad in het algemeen overleg. Het baart mij het meest zorgen dat in de komende periode, januari-februari, leerlingen zich aanmelden die niet door de scholen bij de hand zullen worden genomen en voor wie een passende plek moet worden gezocht. Vandaar de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Wet passend onderwijs scholen per 1 augustus 2014 een zorgplicht voor elke leerling oplegt;

constaterende dat deze zorgplicht inhoudt dat een school een passende plek moet vinden voor alle leerlingen die zich bij deze school aanmelden;

overwegende dat leerlingen zich ruimschoots voor 1 augustus aanmelden bij scholen;

overwegende dat voor leerlingen die zich aanmelden voor het schooljaar 2014-2015 op het moment van aanmelding formeel geen zorgplicht geldt;

overwegende dat voorkomen moet worden dat leerlingen tussen de wal en het schip vallen;

verzoekt de regering, ervoor te zorgen dat de plicht van een school om een passende plek te vinden betrekking heeft op elke leerling die zich vanaf 1 januari 2014 aanmeldt voor het schooljaar 2014-2015,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meenen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 114 (31497).

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. Mijn fractie heeft grote zorgen over de grootste onderwijshervorming van dit kabinet, zoals de staatssecretaris zei. Ik probeer te redden wat er te redden valt met de volgende twee moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat veel leraren bezorgd zijn over de invoering van passend onderwijs vanwege de omstandigheden, waaronder de grote klassen;

van mening dat invoering van passend onderwijs onverantwoord is zolang aan deze omstandigheden niets verandert;

verzoekt de regering, een plan van aanpak op te stellen rond de aanpak van grote klassen, voordat wordt overgegaan tot de invoering van passend onderwijs,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Jasper van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 115 (31497).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de commissie-Dijsselbloem concludeerde dat politiek draagvlak bij onderwijsvernieuwingen belangrijker werd gevonden dan draagvlak in het onderwijs;

constaterende dat bij passend onderwijs onduidelijk is wat het draagvlak is onder leraren en ander onderwijspersoneel;

verzoekt de regering, in overleg met de Tweede Kamer een representatief onderzoek te doen onder leraren en overig onderwijspersoneel, teneinde het draagvlak voor passend onderwijs te meten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Jasper van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 116 (31497).

Mevrouw Straus (VVD):

Voorzitter. Na een uitgebreid debat vanochtend over passend onderwijs rest ons één motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het doel van passend onderwijs is dat ieder kind goed onderwijs krijgt, onderwijs dat het in staat stelt talenten te ontwikkelen en het uitdaagt steeds een stap verder te zetten;

constaterende dat passend onderwijs een hervorming betekent die vanuit het onderwijsveld zelf gewenst is;

constaterende dat de invoeringsdatum van 1 augustus 2014 dichterbij komt en het gewenst is om die te halen, juist om kinderen niet langer buiten de boot te laten vallen;

overwegende dat er al langere tijd zorgen zijn ten aanzien van de betrokkenheid van ouders en docenten bij passend onderwijs en dat deze zorgen tot nu toe onvoldoende door de scholen worden opgepakt;

verzoekt de regering om actie te ondernemen om scholen aan te zetten de betrokkenheid van ouders en docenten te vergroten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Straus en Ypma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 117 (31497).

De heer Van Meenen (D66):

Ik begrijp de strekking van deze motie heel goed. Die onderstreept nog een keer dat er per 1 augustus 2014 iets met de kinderen moet gebeuren. Mevrouw Straus heeft net mijn motie gehoord. Daarin zeg ik dat scholen met name in het voortgezet onderwijs de kinderen die zich in januari, februari aanmelden, naar de juiste plek moeten begeleiden. Hoe kijkt zij daarnaar in het kader van haar streven om op 1 augustus ook echt te kunnen beginnen?

Mevrouw Straus (VVD):

Ik ga ervan uit dat de meeste scholen zo verstandig zullen zijn om te anticiperen op wat er vanaf 1 augustus gaat gebeuren. Volgend schooljaar moeten zij in principe klaar zijn om kinderen de zorg te verlenen die passend onderwijs van hen vraagt. Op de vraag hoe het precies met de zorgplicht zit en in hoeverre daar problemen mee ontstaan, wil ik graag het antwoord van de staatssecretaris afwachten.

De heer Van Meenen (D66):

Kan passend onderwijs, los van de vraag of de zorgplicht het aangewezen middel is, in de ogen van mevrouw Straus een succes zijn voor die kinderen als scholen hen niet kunnen meenemen naar de beste plek?

Mevrouw Straus (VVD):

Nogmaals, ik ga ervan uit dat scholen anticiperen op het feit dat de zorgplicht per 1 augustus in werking treedt en dat zij er dus rekening mee houden dat zij de zorgplicht vanaf volgend schooljaar ingericht moeten hebben. Ik wil aan alle scholen meegeven om het ook op die manier te zien.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Mevrouw de voorzitter. Ieder kind verdient een passende plek in het onderwijs. Daar hebben wij vandaag lang over gesproken. Wij willen graag af van de ellenlange procedures en indicatiestellingen en ervoor zorgen dat ouders niet meer met hun kind hoeven te leuren langs verschillende scholen, maar dat scholen een zorgplicht hebben en kinderen daadwerkelijk een plek bieden.

Het moet nu echter van het bestuurlijke proces neerdalen in het proces met ouders en leerkrachten; wat betekent dit nu in de praktijk? Vandaar dat wij hier mede met mevrouw Straus een motie over hebben ingediend.

Daarnaast hebben wij voor nog twee dingen aandacht gevraagd. Ten eerste willen wij meer werkgelegenheid in het onderwijs, zodat er meer handen in de klas zijn, en bij- en nascholing van docenten. Ten tweede willen wij samenwerking in de wijk over denominatiegrenzen heen. Op dat laatste zal de staatssecretaris in de voortgangsrapportage terugkomen. Over die andere twee zaken heb ik moties ingediend, die afgelopen dinsdag beide een meerderheid hebben gehaald in de Tweede Kamer.

De voorzitter:

Ik zie dat alle moties intussen zijn gekopieerd en dat de staatssecretaris direct kan antwoorden.

Staatssecretaris Dekker:

Voorzitter. Goed dat wij zo kort op het AO al kunnen komen tot een afronding in de plenaire zaal. Er is een viertal moties ingediend.

Ik begin bij de motie-Van Meenen op stuk nr. 114. Het is goed om te zien dat hij aangeeft dat het belangrijk is dat wij nu snel naar de zorgplicht toe gaan. Die kan wettelijk ingaan per 1 augustus 2014. Wij hebben hier weleens eerder over gediscussieerd. Toen was veel meer de vraag of die niet moest worden uitgesteld. Daar was ik toen geen voorstander van en nu ook niet. Nu vraagt de heer Van Meenen om de zorgplicht eerder in werking te laten treden. Dat is ook weer lastig omdat dat wettelijk niet kan en de scholen daar onvoldoende op zijn voorbereid.

Dat laat onverlet dat ik het van harte eens ben met de overwegingen uit de motie die erop gericht zijn dat wij moeten voorkomen dat er leerlingen in de aanloop naar de invoering in augustus tussen de wal en het schip vallen. In het oude systeem zoals wij dat nu nog kennen, gebeurt dat weleens omdat scholen niet de plicht hebben om ieder kind op te nemen. Ik ben er overigens van overtuigd dat samenwerkingsverbanden tussen scholen ook nu al zo veel mogelijk in de geest van deze motie en in de geest van de wet die per 1 augustus ingaat, handelen. Ik wil dat ook nog eens extra aanmoedigen. Ik moet deze motie helaas ontraden, omdat zij ook wettelijk onuitvoerbaar is. Wel kan ik toezeggen dat ik aan mensen die veel in contact staan met scholen en samenwerkingsverbanden, zal vragen om dit onder de aandacht te brengen en te bekijken of er zo veel mogelijk geanticipeerd kan worden op een nieuwe werkwijze waar wij allemaal per 1 augustus 2014 sowieso mee aan de slag zullen gaan.

De heer Van Meenen (D66):

Ik begrijp het probleem met de plicht, omdat die uit de wet voortvloeit. Volgens mij begrijpen wij elkaar echter goed. Als scholen niet beginnen met leerlingen naar de goede plek te leiden, dan is die zorgplicht per 1 augustus ook loos. Stel dat ik de motie als volgt herformuleer: verzoekt de regering, te bevorderen dat scholen een passende plek vinden voor elke leerling die zich vanaf 1 januari aanmeldt, et cetera. Zou de staatssecretaris daar dan wel mee kunnen leven?

Staatssecretaris Dekker:

Dan moet u wel iets preciezer zijn. Daarvoor kijk ik ook even naar de bijbehorende constateringen.

De heer Van Meenen (D66):

De constateringen houden in ieder geval in dat de zorgplicht pas op 1 augustus 2014 begint. Het verzoek aan de regering zou dan zijn om te bevorderen dat scholen een passende plek vinden voor elke leerling die zich vanaf 1 januari 2014 aanmeldt voor het schooljaar 2014-2015. Dan wordt het geen plicht, zoals ik eerder heb gemeld, maar dan vraag ik om dat te bevorderen.

Staatssecretaris Dekker:

Als ik het in die zin mag interpreteren dat we de samenwerkingsverbanden en schoolbesturen erop zullen wijzen om dat zo veel mogelijk vooruitlopend op de invoering te doen, dan kan ik daar goed mee leven. Dan laat ik het oordeel aan de Kamer.

De heer Van Meenen (D66):

Dan zal ik haar wijzigen.

De voorzitter:

Dan wordt de motie op stuk nr. 114 van de heer Van Meenen gewijzigd.

Staatssecretaris Dekker:

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 115 van de heer Van Dijk, waarin wordt gevraagd om een plan van aanpak voor grote klassen. Ik moet die motie helaas ontraden. Ik gaf al eerder in het debat aan dat wij vanuit Den Haag niet sturen op de grootte van klassen. We bekostigen scholen om klassen samen te stellen van een normale omvang. Ik constateer ook dat het overgrote deel van de scholen daar goed in slaagt, getuige ook de brief die ik de Kamer daar onlangs over stuurde. Ik ben überhaupt geen voorstander van een plan van aanpak voor grote klassen, en al helemaal niet als dat een opschortende werking voor de invoering van passend onderwijs zou betekenen.

Ook de motie op stuk nr. 116 zou ik willen ontraden. Ik constateer dat er al een vrij breed draagvlak is bij heel veel organisaties die ouders en leraren vertegenwoordigen, getuige de brief die naar aanleiding van het debat van vandaag ook naar de Kamer is gestuurd. Wel ga ik de komende weken, maanden op schoolniveau monitoren hoe het staat met de betrokkenheid van leraren en ouders. Ik doe dat onder andere om scholen een spiegel voor te houden en om samenwerkingsverbanden te wijzen op scholen waar nog wat extra werk van moet worden gemaakt. Ik voel er echter weinig voor om over te gaan tot een stemming die welhaast een referendum lijkt over de vraag of we dit nu wel of niet moeten doen. Volgens mij hebben we op dit moment wel andere dingen aan ons hoofd om ervoor te zorgen dat de invoering van het passend onderwijs deze zomer gewoon goed gaat slagen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

We hebben vanochtend hierover gesproken. Toen hebben we vastgesteld dat het vooral organisaties zijn die zeggen: doe de invoering zo goed mogelijk. Maar van leraren, de hoofdrolspelers in dit debat, weten we niet goed hoe ze erin staan. Wel weten we dat ze zeer bezorgd zijn. De commissie-Dijsselbloem zegt naar aanleiding van een parlementair onderzoek: pas nou op dat je dat draagvlak in het onderwijs niet verwaarloost; wij moeten hier in Den Haag niet allerlei dingen bedenken die in de scholen niet gedragen worden. Deze motie is helemaal zo kwaad nog niet, zou ik zelf zeggen. Het zou heel sterk zijn als de staatssecretaris haar zou omarmen en zou zeggen: ja natuurlijk, dat onderzoek gaan wij doen met een steekproef en een enquête; dan zullen wij zien hoe het zit met dat draagvlak.

Staatssecretaris Dekker:

Nogmaals, ik voel daar weinig voor. Ik heb op dit moment geen enkele aanwijzing dat dit draagvlak in gevaar is. Organisaties die een hele hoop leraren vertegenwoordigen, hebben weliswaar kritische punten en zeggen dat er echt nog wel iets moet gebeuren in aanloop naar de zomer om dit goed te laten slagen, maar eigenlijk zeggen zij ook stuk voor stuk dat ik moet doorgaan met de invoering van het passend onderwijs. Die biedt uiteindelijk heel veel mogelijkheden, ook voor scholen en leraren, om het beter te doen voor de ouders en leerlingen. Met andere woorden, het is een vooruitgang ten opzichte van wat er nu is.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik snap niet goed waarom de staatssecretaris deze motie ontraadt. Ook stel ik vast dat hij het steeds heeft over organisaties en niet over leraren. Verder spreek ik hier de vrees uit dat wij hier over een aantal jaren staan, dat er dan veel problemen zijn rond het passend onderwijs en dat wij dan met zijn allen vragen hoe het eigenlijk met dat draagvlak zat en of dat in de scholen zelf wel werd gesteund, omdat wij dat toen niet hebben onderzocht.

Staatssecretaris Dekker:

De heer Van Dijk schetst hier een doembeeld. De geschiedenis zal dit allemaal leren. Scholen, schoolleiders en leraren zeggen stuk voor stuk dat dit, hoewel zij het niet gemakkelijk vinden, goed is en dat dit uiteindelijk het beste is voor de leerlingen en de ouders. Die worden nu van het kastje naar de muur gestuurd en vallen tussen de wal en het schip, omdat scholen niet verplicht zijn om een oplossing te zoeken voor ouders en leerlingen. Als ik echter zie hoe hard er gewerkt wordt door scholen, schoolleiders en leraren om dit wel te laten slagen, denk ik dat uiteindelijk iedereen zegt dat het niet makkelijk was, maar dat het wel een heel goede stap was. Ik denk dat iedereen dan alle zeilen zal bijzetten.

Tot slot kom ik op de motie op stuk nr. 117 van mevrouw Straus en mevrouw Ypma met het verzoek aan de regering om actie te ondernemen richting scholen om de betrokkenheid van ouders en docenten te vergroten. Het lijkt mij heel goed om dat nog eens een keer te bevestigen. Die zie ik als ondersteuning van het beleid. Ik laat het oordeel daarover graag aan de Kamer.

De voorzitter:

Hiermee zijn wij aan het einde gekomen van dit VAO.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Morgen zullen wij over de ingediende moties stemmen.

Staatssecretaris Dekker:

Voorzitter, ik heb nog een praktische mededeling. Misschien is het de tas van mijn collega, maar er staat hier een tas. Onbewaakte tassen in dit huis …

De voorzitter:

Nou, met al die camera's hier zal het wel goed gaan! Er wordt bekeken van wie die tas is. Dank u wel.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.