41 Mogelijke sluiting havo-vwo-afdelingen onderbouw van vmbo-scholen

Aan de orde is het VAO Mogelijke sluiting havo-vwo-afdelingen onderbouw van vmbo-scholen (AO d.d. 18/06).

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):

Voorzitter. Vorige week hebben wij gesproken over de CSG Beilen die na 45 jaar naar ieders tevredenheid onderbouw havo/vwo te hebben aangeboden, hiermee moet stoppen, tenzij de school fuseert. De reden hiervoor is dat er sprake is van niet toegestaan onderwijs, een omstandigheid die de school niet te verwijten valt, maar die te maken heeft met Haagse regels. Die Haagse regels waren niet bedoeld om ervoor te zorgen dat de school in Beilen geen onderbouw meer mag aanbieden, maar dit was wel een onbedoeld bijeffect van die regels. Bovendien werd dit pas vele jaren na invoering van de nieuwe regels ontdekt. De school moet echter de consequenties dragen. De enige oplossing is een fusie met een grotere school waar niemand op zit te wachten en waarbij de school een deel van de vaste voet verliest. Het CDA vindt dit een gemiste kans.

In het primair onderwijs is de staatssecretaris bereid om de grenzen van de wet- en regelgeving op te zoeken, zo lezen wij in de media. In dit geval gaf de staatssecretaris echter aan, geen uitzonderingen te willen maken. Ik dien daarom een motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de komende jaren ook het voortgezet onderwijs in toenemende mate rekening zal moeten houden met de gevolgen van krimp van het aantal leerlingen;

overwegende dat voorkomen moet worden dat goede scholen gedwongen worden tot fusies waar niemand op zit te wachten en waardoor steeds meer scholen zich concentreren in een paar kerngemeenten waardoor de afstanden naar scholen steeds groter worden;

tevens overwegende dat het belangrijk is om ook in krimpgebieden in het voortgezet onderwijs de menselijke maat te behouden en te voorkomen dat steeds meer sprake is van grootschaligheid waarmee de keuzevrijheid van ouders wordt aangetast;

verzoekt de regering, het voor scholen voor voortgezet onderwijs in krimpgebieden mogelijk te maken om ook op andere manieren dan fusie samen te werken en een veelzijdig "thuis nabij"-onderwijsaanbod mogelijk te houden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Agnes Mulder en Van Meenen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 155(31289).

De heer Van Meenen (D66):

Voorzitter. Mede namens mijn collega's Rog en Mulder dien ook ik een motie in. Die motie richt zich erop dat wij constateren dat het bijna onvermijdelijk lijkt dat het tot een fusie komt, maar dat wij wel nog willen bekijken of de financiële gevolgen daarvan beperkt kunnen blijven.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de CSG Beilen al sinds 1968 tot ieders tevredenheid naast de vmbo-afdeling de onderbouw van havo/vwo aanbiedt;

overwegende dat als onbedoeld effect bij het afschaffen van de basisvorming in het voortgezet onderwijs scholen als de CSG Beilen "niet-toegestaan onderwijs gaven voor het onderbouwgedeelte";

overwegende dat op dit moment fuseren met een grotere school de enige mogelijkheid voor deze school is om de onderbouw havo/vwo te blijven aanbieden;

constaterende dat fuseren ervoor zal zorgen dat de school een aanzienlijk deel van de vaste voet verliest en daardoor met minder middelen hetzelfde aanbod zal moeten bieden;

tevens constaterende dat er eigenlijk geen draagvlak is bij de school om te fuseren, maar de school zich hiertoe door de omstandigheden gedwongen voelt;

verzoekt de regering, te bevorderen dat de fusie van CSG Beilen met terugwerkende kracht ingaat voorafgaande aan de inwerkingtreding van de wet waarbij de basisvorming werd afgeschaft zodat het verlies aan vaste voet zich niet voordoet,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Meenen en Agnes Mulder. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 156(31289).

De staatssecretaris krijgt de moties bijna aangereikt. Hij zal over een halve minuut antwoorden.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

De staatssecretaris krijgt beide moties aangereikt en hij krijgt daarna het woord.

Voordat ik hem het woord geef, deel ik mee dat in de motie van de heer Van Meenen ondertekenaar Rog is vervangen door mevrouw Mulder omdat de heer Rog niet aanwezig is.

De heer Van Meenen (D66):

Daar was ik zelfs op voorbereid. Ik had de gewijzigde motie al bij me.

De voorzitter:

De ondertekening is inderdaad al gewijzigd.

Het woord is aan de staatssecretaris, die begint met de eerste motie.

Staatssecretaris Dekker:

Voorzitter. Het is goed dat wij het debat dat wij met de commissie hebben gevoerd, hier in de plenaire zaal afronden. Wij hebben uitvoerig gesproken over de school in Beilen. Deze casus staat ook niet op zich. Eerder zaten al acht of negen andere scholen in hetzelfde schuitje en zij hebben die stappen gezet. Ik denk dat wij ook in ogenschouw moeten nemen dat mijn voorgangster, Marja van Bijsterveldt, al eens in een eerder debat heeft verkend welke mogelijkheden er zijn. Toen is al geconcludeerd dat dit niet anders kan. Om die reden hebben wij de school in Beilen in de aanloop naar een fusie geholpen door niet de onrechtmatig verstrekte bekostiging terug te vorderen en door niet van de ene op de andere dag te handhaven, maar er komt natuurlijk wel een moment waarop over het slootje moet worden gesprongen. Dit is dat moment in mijn ogen.

Ik zal nu adviseren over de moties. Mevrouw Mulder trekt een vergelijking tussen de school in Beilen en de krimpdiscussie. Ik vind dat niet terecht. Dit is nu toevallig een school die niet krimpt, maar groeit. Bovendien spreken wij in de discussie over krimp, over scholen die willen samenwerken en willen fuseren en waar wij belemmeringen die dat kunnen tegenhouden, willen voorkomen. Wij spreken over een school die precies 180 graden iets anders wil. Deze school wil niet samenwerken en wil niet fuseren. Laten wij die dingen goed gescheiden houden. Daarom ontraad ik de motie van mevrouw Mulder op stuk nr. 155. Morgen of overmorgen praten wij uitgebreid met de leden van de commissie over vraagstukken van krimp en verschillende vormen van samenwerking die daarbij mogelijk zijn. Een directe link met de school in Beilen lijkt mij echter niet op zijn plaats. Ook de suggestie die hier wordt gewekt, wil ik graag terzijde schuiven omdat dit ook niet op andere manieren is ingevuld.

De tweede motie, de motie op stuk nr. 156 , ontraad ik ook. In de eerste plaats omdat het juridisch onmogelijk is om dit te doen. Dat heeft onder andere te maken met een akte die bij de notaris moet passeren en die geen terugwerkende kracht kan hebben. Verder ontstaat een precedentwerking, want ik weet zeker dat als wij dit voor deze school toestaan, morgenochtend om acht uur de scholen bij mij voor de deur staan omdat zij dit ook wel willen. Misschien kan ik de heer Van Meenen toch enigszins tegemoetkomen. Als wij deze week toch over krimp praten, wil ik kijken hoe wij omgaan met vaste voeten in het voortgezet onderwijs als er gefuseerd wordt. Als dit gevolgen heeft voor deze school, dan zij dat zo, maar ik vind dat wij het wel in die volgorde moeten doen. Wij moeten nu niet op basis van casuÏstiek wet- en regelgeving veranderen.

De heer Van Meenen (D66):

Ik aarzel of dit laatste een tegemoetkoming van de staatssecretaris is, want hij zegt dat er geen sprake is van krimp. Maar eerst iets over de motie zelf. Ik beoog juist om te voorkomen dat er precedentwerking ontstaat, nog even los van de juridische mogelijkheden. Mag ik de woorden van de staatssecretaris zo interpreteren dat hij bereid is om te bekijken of er in financiële zin iets gedaan kan worden, onder erkenning van het feit dat er gefuseerd moet worden om het probleem op te lossen? Ik heb een poging gewaagd, samen met collega Rog en mevrouw Mulder, maar dat was blijkbaar niet precies de goede, omdat er juridische haken en ogen aan zitten. Mag ik de woorden van de staatssecretaris zo interpreteren dat hij de intentie heeft om hier wel een oplossing te vinden?

De voorzitter:

Of u de intentie hebt om oplossingen te vinden, staatssecretaris.

Staatssecretaris Dekker:

Ik wil graag oplossingen vinden als het gaat om beleid en niet om een casus van een individuele school, want dan weet ik zeker dat we hier iedere week een debat hebben langs deze lijnen. Als wij dat gaan doen, denk ik aan de overgangsregeling in het primair onderwijs als het gaat om het verdwijnen van vaste voeten. Dat geldt in het voortgezet onderwijs niet. Later deze week zullen wij praten over krimp. Als wij dan constateren dat fusies tussen scholen voor voortgezet onderwijs in de toekomst nodig zijn om die daling van het leerlingenaantal het hoofd te bieden, ben ik best bereid om te bezien of wij daar beleid op kunnen maken. Dat vind ik wat anders dan dat wij nu voor een individueel geval zeggen dat wij dat hier oplossen. Als er gisteren een school was gefuseerd die wij niet in de Tweede Kamer hebben besproken, dan geldt die regeling daar niet voor. Het is ook onze taak, ook voor de Kamer als medewetgever, om ervoor te zorgen dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld.

Mijn toezegging is als volgt. Ik wil in termen van beleid best kijken of we wat regelingen in het kader van fusie in de toekomst kunnen aanpassen. Als die regelingen zo worden vormgegeven dat zij ook op deze school van toepassing zijn, dan zij dat zo, maar ik wil hier niet casuïstiekpolitiek bedrijven.

De voorzitter:

Mijnheer Van Meenen, heel kort.

De heer Van Meenen (D66):

Dat is uiteraard ook niet mijn intentie. Het betreft hier een zeer kleine groep scholen, die inmiddels tot twee is gereduceerd. Zij zijn eigenlijk onbedoeld slachtoffer geworden van een zelfde hang aan beleid. Er is beleid geformuleerd dat eigenlijk een ander doel had. Dat is precies de reden dat wij ons daar nu druk om maken. Ik kan mij goed vinden in de woorden van de staatssecretaris dat je dat ook weer met beleid moet oplossen en niet met casuïstiek. Daar ben ik ook naar op zoek. Mijn suggestie zou zijn om te bekijken wat we impliciet in het debat van aanstaande donderdag zouden kunnen betekenen. Ik zie dat als een opening om het hierover te hebben; niet specifiek over deze school, maar over het geleidelijk afbouwen van vaste voeten in zo'n geval, wanneer men om welke reden dan ook is gedwongen tot fusie.

De voorzitter:

Wat betekent dat concreet voor uw motie?

De heer Van Meenen (D66):

Mag ik daar nog heel even over nadenken?

De voorzitter:

Nadenken kan uiteraard.

De heer Van Meenen (D66):

Ik moet daarover ook even met de heer Rog overleggen, maar hij is er helaas niet, zoals u terecht hebt geconstateerd.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Wij wachten dat lijdzaam af. Ik dank de staatssecretaris voor de gegeven antwoorden. De stemmingen over dit onderwerp zijn volgende week dinsdag.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Naar boven