Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-2008nr. 91, pagina 6451-6520

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Goedkeuring van het op 13 december 2007 te Lissabon totstandgekomen Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met Protocollen en Bijlage (Trb. 2008, 11) (31384).

De voorzitter:

Ik heet de minister-president en de staatssecretaris voor Europese Zaken van harte welkom. Ik hoop dat de Kamerleden ruime spreektijden hebben opgegeven. Wanneer ik zal schorsen voor de avondpauze, kan ik nog niet zeggen, maar ik kan dat niet doen na de eerste termijn van de Kamer. Die duurt namelijk vier uur en ik moet wat de tijden betreft rekening houden met datgene waarop onze medewerkers recht hebben. Ik geef het woord aan de heer Ten Broeke.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Ten Broeke (VVD):

Voorzitter. De VVD-fractie waardeert het dat de hoofdrolspelers van de totstandkoming van de opvolger van de in 2005 verworpen Europese grondwet nu in vak K zitten en niet in de Oval Office. Dat zij hun reis met en door Europa in de Tweede Kamer afsluiten, lijkt ons bijzonder passend. In elk geval is dat passender dan de houding die aanvankelijk leek op te maken uit de brief die de minister-president ons op 10 maart stuurde. Daaruit bleek dat de goedkeuringswet die wij vandaag bespreken, was opgenomen in de lijst van spoedeisende wetsvoorstellen. Dat neemt niet weg dat mijn fractie deze regering een compliment wil maken. Er is een duidelijke inzet gekozen. Daar heeft de Kamer een handje bij geholpen, hetgeen ook de regering ruiterlijk erkent. Achteraf moeten wij dan ook even ruiterlijk vaststellen dat het meeste van wat wij wilden, is bereikt. Dat is wel eens anders geweest, want wat werd er door Nederland in 2001 in Nice bereikt? Dat was een treurige Top die eigenlijk vastliep op de onenigheid over de stem- en zetelverdeling in de raad en in het Europees Parlement. Datzelfde zeteltje in het parlement kwam er en marge van deze Top, de Top in Lissabon, weer bij.

In de debattenreeks van het afgelopen anderhalf jaar – ik heb soms het gevoel dat het een debatterij was – trok ik de vergelijking met Zwarte Maandag van 1991. Die bezorgde Nederland een regelrecht trauma. Onze oud-collega in het Europees Parlement Bob van den Bos heeft dat trauma nu prachtig geboekstaafd. Hoe Nederland het doelwit werd van een complot, kopte NRC Handelsblad vorige week terugblikkend. Die zin vormde een schril contrast met de kop die deze avondkrant gebruikte om vooruitblikkend de positie van de Nederlandse regering voorafgaande aan de goedkeuring van het hervormingsverdrag te kwalificeren als geïsoleerd. Dat oordeel wordt trouwens een half jaar later nog steeds door de meest vermaarde van alle commentatoren de heer Heldring herhaald. Ook mij is verteld dat de ambtenaren op het ministerie van Buitenlandse Zaken en van Algemene Zaken deze column als eerste lezen. Ik wil de waardering die mijn fractie heeft voor hun inzet bij de totstandkoming van dit verdrag en voor de beantwoording van onze schriftelijk vragen dan ook in dat licht uitspreken: wij gunnen u uw genoegen.

Voorzitter. Nederland heeft met succes een bocht gemaakt. Er is met dank aan het referendum terecht een correctie aangebracht. In dit Verdrag van Lissabon is namelijk de balans tussen de lidstaten en de Unie hersteld. Die balans was met het grondwettelijk verdrag zoek geraakt. De Europese grondwet die was bedoeld als een liefdesverklaring aan Europa oogstte namelijk een loyaliteitsverklaring aan de natiestaat. De Nederlandse burger koos niet tegen Europa of tegen ons lidmaatschap van de Europese Unie, maar tegen het te veel, te snel, te duur en het over ons, maar vooral zonder ons, terecht of niet.

Nederland begon ooit zo in de jaren vijftig. Oud-minister-president Drees bezag de Europese integratie met de nodige scepsis: te duur, te katholiek en ook te continentaal. Maar vanaf de jaren zeventig en tachtig streefden de Nederlandse beleidsmakers openlijk en voluit naar een Europese federatie. Waar Zwarte Maandag faalde, slaagde Zonnige Woensdag. Vanaf juni 2005 daalt het besef neer dat Europa geen liefde oproept, maar wel steun verdient en dat wij daar hier keihard voor moeten vechten. Dat werk begint dus ook hier. Aan het actief steun verwerven voor de Europese Unie, aan het politiseren van het Europese debat, daaraan heeft het de afgelopen jaren ontbroken. De WRR spreekt over de eerste 50 jaar van de Europese eenwording in vernietigende termen als "verwaarlozing met een legitimiteitscrisis tot gevolg".

Naar dit Verdrag van Lissabon wil ik positiever kijken. Ik zou die eerste 50 jaar van Europa willen vergelijken met een olympisch zwembad waarin, als je na 50 meter als eerste het keerpunt hebt bereikt, de rest denkt dat je tegen de stroom in zwemt. Het kabinet herkent dat gevoel misschien. Dit verdrag kan dan een keerpunt zijn. Het verduidelijkt de spelregels, het verbetert de instellingen en het vergroot de slagkracht op die onderwerpen waarop wij de EU nodig hebben: energie, terrorisme, migratie en economische groei. De overdracht van bevoegdheden mag dan ditmaal niet zo spectaculair zijn als in Rome en later in Maastricht, maar op cruciale punten worden deze verdragen nu aangepast aan de eisen van deze tijd. In die zin kan Lissabon dus aan het rijtje van Europese hoofdsteden en andere steden – Amsterdam, Nice, Maastricht en Rome – worden toegevoegd. Europa meandert zich langs deze steden een weg vooruit. De Europese vooruitgang, maar ook het gebrek daaraan wordt bepaald door de wil van de lidstaten, de hoofdsteden, om soevereiniteit te delen als men daar tenminste echte oplossingen voor terugkrijgt: een Europa dat werkt.

Dat Europa is dus geen superstaat, geen federatie, geen confederatie, maar een pragmatisch huwelijk, een unie, tussen lidstaten en burgers. Wat de VVD betreft hoeft Europa niet langer gedefinieerd te worden in de termen van ingewijden die spreken over "sui generis". Het kan veel positiever en simpeler: een unie van lidstaten en burgers. Europa is een samenwerkingsverband van soevereine staten waarin de burgers van de lidstaten ook burgers van de unie zijn, zo reikte de heer Hoekstra ons aan. De VVD constateert dat ook de regering is gecharmeerd van deze benadering en vraagt zich af wat zij daarmee gaat doen in de communicatie die hierop gaat volgen.

Het verdrag, de inhoud, de redenen waarom die inhoud geen aanleiding gaf tot een nieuw referendum, ze zijn door de VVD in de reeks debatten die wij sinds oktober vorig jaar met elkaar hebben gevoerd al uitvoerig naar voren gebracht. Ik sta nog één keer bij enkele punten stil. Daarna zal ik de regering enkele vragen stellen. Tot slot zal ik ingaan op de voorstellen tot een behandelingsvoorbehoud, die wij in de genoemde debatten hebben aangekondigd.

Dit Verdrag van Lissabon is een gewoon wijzigingsverdrag geworden, dat letterlijk teruggaat tot het Verdrag van Nice. In januari vorig jaar hadden wij er verschillende termen voor. Wij zeiden dat wij terug naar af moesten. Wij wilden terug naar Nice en een Nice-plusverdrag creëren. Dat was begin 2007. Dat was de eerste eis die de VVD-fractie stelde aan het hervormingsverdrag waarover wij vandaag debatteren. Wij constateren vandaag dat dat is gebeurd. Vervolgens moest het grondwettelijk karakter overtuigend verdwijnen. Vorige week hebben wij daar uitgebreid over gedebatteerd. Ook dat is naar onze mening gebeurd. Wel wil ik hier memoreren dat de VVD-fractie daarbij exact hetzelfde beoordelingskader hanteerde als in 2003, toen wij het eerste referendum mogelijk maakten, in 2005, toen wij de verlenging van de tijdelijke referendumwet afstemden, en in 2007, toen wij van mening waren dat wij om diezelfde reden geen nieuw referendum konden steunen. Wij hebben zeer goede nota genomen van de motivering van de indieners van de referendumwet, die ditmaal niet langer het "raken aan" of het "grondwettelijk karakter" als redenen opvoeren. Het sterkt ons in de gedachte dat een hoge mate van wensdenken de inzet voor een tweede referendum heeft gedreven. Hoezeer de VVD-fractie ook accepteert dat "geen referendum" nog steeds veel chagrijn betekent, getuigt de willekeurige motivering ervoor van een flinke mate van opportunisme.

Voor de VVD-fractie gold als andere eis dat aan de erkende bezwaren van het nee zou worden tegemoet gekomen. Daaraan hebben wij zelf met constructieve suggesties een bijdrage mogen leveren. Zoals gezegd, gold het nee niet Europa of het Nederlandse lidmaatschap van de EU, maar was het onder meer te verstaan als de wens naar een grotere herkenbaarheid van en in de Brusselse besluitvorming, het beter doorklinken van de Nederlandse rol en identiteit in de Europese integratie, het simpelweg opkomen voor de Nederlandse belangen. Deze Kamer gebruikte haar democratische mogelijkheden in de aanloop naar de top om een optimaal resultaat in het verdrag te realiseren. De regering erkent ook ruiterlijk dat dit mede heeft geholpen, maar het was niet makkelijk. Daar moest geregeld stoom en kokend water aan te pas komen. De VVD is daardoor alleen maar gesterkt in haar opvatting dat alleen een assertieve houding van Nederland en het Nederlandse parlement een goede bijdrage kan leveren aan een groeiende legitimiteit van de EU en toekomstig Europees beleid. Ook het verdrag zelf draagt daaraan bij. Ook daarin is herkenbaar terug te vinden waarmee het Nederlandse nee in 2005 is vertaald. De revolutionair verbeterde positie van nationale parlementen staat daarin voor ons voorop. Dat was nodig, omdat de Nederlandse burgers in elk geval geen behoefte meer hadden aan blauwdrukken of federale stappen voorwaarts. Juist het nationale been moest in Europese richting worden bijgetrokken, en dat is hier nu gebeurd. De nationale parlementen moeten dat dan wel gaan waarmaken door een assertieve rol te spelen, en door onderling samen te werken en de Europese regeldrift kritisch te behandelen. De Tweede Kamer kan niet langer haar eigen electorale stoepje schoon vegen door telkens Brussel de schuld te geven, waar wijzelf in gebreke blijven. Dat het 35 jaar heeft geduurd voordat er een Europese vennootschap is gekomen en dat wij al sinds de val van de Berlijnse Muur praten over postliberalisering, die nu weer tot 2011 is uitgesteld, is aan de lidstaten en niet aan de Commissie te danken.

Met te veel lidstaten wordt Europa handelingsonbekwaam. Dus is het van belang dat de uitbreiding van Europa in dienst wordt gesteld van het vermogen van Europa om te kunnen blijven handelen, het absorptievermogen. Een Europa dat letterlijk grenzeloos is, wordt namelijk ook machteloos, wat uiteindelijk hopeloos is. Daarom is artikel 94 ook zo'n belangrijke aanwinst, want daarin worden naast de Kopenhagencriteria ook de lessons learned en het absorptiecriterium toegevoegd.

De heer Pechtold (D66):

Interessante beschouwing! Op dit onderdeel, de omvang van Europa, hebben wij elkaar de vorige keer ook met prominenten om de oren geslagen. Bolkestein vindt Europa nu al te groot. Ik weet dat de VVD nogal eens moeite heeft gehad met Turkije, daar is nu een hele fractie uit ontstaan, ik hoor u nu toch met enige spijt in de stem over 27 lidstaten praten. Kunt u daar iets meer over zeggen?

De heer Ten Broeke (VVD):

Ons standpunt over Turkije is ongewijzigd. De heer Bolkestein heeft zoals bekend daarin altijd zijn eigen standpunt gehad. Wij zullen zien hoe hij straks als voorzitter van de programcommissie voor de Europese verkiezingen van volgend jaar opereert. Wij vonden eigenlijk dat de onderhandelingen met Turkije al hadden moeten zijn afgebroken, waarover wij ook een motie hebben ingediend. In het verleden is dat met een andere motie ook gebeurd, ondertekend door de huidige staatssecretaris. Wij vinden dat een buitengewoon kritische blik naar Turkije zeer aan de orde is, maar wij blijven ons houden aan het standpunt dat in elk geval de huidige afspraken met Turkije gestand moeten worden gedaan. Het nieuwe verdrag levert alleen wel een nieuw denkkader op. Aan de Kopenhagencriteria worden nu twee elementen toegevoegd: de lessons learned en het absorptievermogen. Daarvan heb ik al mijn allereerste bijdrage in deze Kamer iets gezegd, namelijk hoe dat moet worden verstaan. Ik vind dat het draagvlak onder de bevolking daarbij moet meewegen, en dat vindt deze regering ook. Hoe denkt de regering dat te gaan meten en te gaan volgen?

De heer Pechtold (D66):

U loopt wat weg bij het getal 27, en de laatste twee en de tien in één keer. Dat zou erop duiden dat u vooral een probleem maakt van het absorptievermogen. U staat open voor een gestage groei, zij het onder voorwaarden.

De heer Ten Broeke (VVD):

Sterker nog: u hebt ons in deze Kamer al een paar keer horen zeggen dat ik hoop dat de Balkan lid zal worden van de EU, maar dan wel volgens die heel strikte criteria. U kent onze inzet inzake de voorportalen van een lidmaatschap voor Servië. Daar is te gemakkelijk gehandeld door deze regering. Daar had een rechte koers moeten zijn gevaren. Er zijn landen die daar vooralsnog niet aan toe zijn. Op dit moment spreken wij slechts over drie landen op de Balkan die voor een lidmaatschap in aanmerking komen. Het meest waarschijnlijk is dat Kroatië zich daarvoor het eerst kwalificeert. Onze kritische houding hierover is bekend. Wij waren buitengewoon ontevreden met de uitlatingen van de heer Barroso, die een einddatum en daarmee impliciet ook een begindatum voor toetreding noemde. Ik heb de regering hierover bevraagd. Ik denk niet dat er aan die kant enthousiasme is over die uitspraak. Het getuigt er wat mij betreft van dat de Commissie, maar ook de meeste andere lidstaten, nog niet goed hebben begrepen wat in artikel 49 staat.

De heer De Roon (PVV):

De heer Ten Broeke stelt een wat gladde vraag hoe de regering denkt de opinie van de bevolking over toekomstige toetreders te gaan peilen en meten. Waarom vraagt hij niet gewoon om een referendum bij iedere nieuwe toetreder die zich aandient? Dan weten wij zeker hoe de Nederlandse bevolking erover denkt.

De heer Ten Broeke (VVD):

Als die vraag zich voordoet, zullen wij er opnieuw naar kijken. U kent ons beoordelingskader. Ik denk dat de kans niet al te groot is dat wij om een referendum zullen vragen, maar het is niet uit te sluiten. U bent iets aan het voorbereiden op dit vlak. Wij zullen dat zien wanneer het langskomt.

De heer De Roon (PVV):

Ik vind dat toch wat vaag. Enerzijds spreekt u uit dat u belangstelling hebt voor wat de Nederlandse bevolking ervan denkt. Als puntje bij paaltje komt, en dat is heel eenvoudig te meten met een referendum, deinst u er toch weer voor terug.

De heer Ten Broeke (VVD):

Wij hebben vorige week en in het afgelopen jaar herhaaldelijk over het referendum gesproken. Ik heb in extenso aangegeven wanneer de VVD een referendum een middel acht dat dienstbaar is om de besluitvorming aan te vullen die in deze Kamer moet plaatsvinden. Wij zullen zien of uw voorstel zich daarvoor kwalificeert.

De heer De Roon (PVV):

Gelet op uw opstelling tot zover concludeer ik dat het referendum in uw visie bijna nooit dienstbaar kan zijn.

De heer Ten Broeke (VVD):

Wij hebben het dienstbaar geacht in 2003. De redenen daarvoor zijn bekend. Ik vond het opmerkelijk om vorige week, toen u achter die tafel zat, te vernemen dat de redenen die toen golden, door de initiatiefnemers ineens waren aangepast. Het is niet zozeer dat wij schipperen met de beoordelingskaders, maar dit geldt vooral voor de initiatiefnemers.

Voorzitter. De VVD-fractie wil weten hoe de regering ervoor gaat zorgen dat andere lidstaten het uitbreidingsartikel ook gaan begrijpen. De ervaring met het stabilisatieakkoord met Servië is hier uitgebreid behandeld. Ik noemde de uitspraken van Barroso over Kroatië.

De VVD-fractie steunt de uitbreiding zelf, die de schandelijke deling van Europa opheft en die bijna een half miljard mensen brengt binnen een liberaaldemocratische rechtsstaat, maar ook binnen zeer verschillende welvaartsstaten. Bij de uitbreidingen die zijn geweest en die nog komen gaan, zal het vrij verkeer van personen tegen de achtergrond van immigratie van buiten de EU en arbeidsmigratie binnen de EU opnieuw scherp bekeken moeten worden. De douane-unie van zes landen kan niet maatgevend zijn voor de huidige unie van 27, waarin zeer arme landen voorkomen en cultuur en socialezekerheidsstelsels zich nog niet eenvoudig laten verzoenen met de West-Europese verzorgingsstaten. Je kunt wel burger van de Unie zijn, maar dat betekent voor de VVD-fractie niet automatisch dat je alle rechten die burgers in die lidstaten hebben opgebouwd, bijvoorbeeld in de nationaal opgebouwde verzorgingsstaten, ook zomaar een-op-een kunt overnemen. Wederom moet de balans tussen lidstaten en burgers goed worden getroffen. Een noodrem op de toevloed van migranten naar onze sociale zekerheid is een belangrijke toevoeging die tegemoetkomt aan het nee.

Er zijn nog veel meer opmerkingen te maken over dit verdrag, maar in eerdere debatten is al veel gezegd waarover wij tevreden zijn. Ik heb nog een paar vragen over de nota naar aanleiding van het verslag. Op pagina 4 wordt gesteld dat de zetel in Straatsburg is vastgelegd in een protocol. Wat doet het kabinet met de belofte om deze weer aan de orde te stellen op toppen van regeringsleiders? Op pagina 4 worden de reflectiegroep en de motie-Pechtold over de visie op EU 2030 genoemd. Wanneer komt deze visie? Hoe staat het met de reflectiegroep? Gaat de regering de reflectiegroep gebruiken om het totale gebrek aan begrip over artikel 49 onder de aandacht te brengen? Op pagina 55 worden het draagvlak en de absorptie genoemd. Hoe gaat de regering dit meten? Op pagina 5 staat dat uit onderzoek bekend is dat 75% van de Nederlanders strikt aan de uitbreidingseisen wenst vast te houden. Wij zijn het met die mensen eens.

De VVD-fractie wenst een debat te voeren over de profielschets voor de voorzitter van de Raad en van de Europese Commissie, want deze staat wel degelijk op de agenda van het Franse voorzitterschap. Wanneer kan dat het beste volgens de regering? Over overwegingen van algemeen economisch belang staat iets op pagina 8. Dat is wat anders dan het vastleggen in primair recht op grond van protocol 9. Constateert de regering met de VVD geen verschil met het door de Commissie ingetrokken witboek?

Er blijft onduidelijkheid bestaan over de vraag of woningbouwcorporaties Vpb-plichtig zijn. In elk geval vinden wij het vreemd dat de heer Timmermans die consequent over de woningbouwcorporaties spreekt als gered uit de grijpgrage klauwen van Commissaris Kroes en andere neoliberalen, dit blijft doen. De regering schrijft immers op pagina 24 dat het protocol geen verandering brengt in de positie van woningbouwcorporaties. Kunnen de bewindslieden dit toelichten?

Kunnen de Nederlandse Antillen dit verdrag tegenhouden of vertragen? Kan de aanname van dit verdrag leiden tot wijziging van het Statuut?

De Solidariteitsclausule in artikel 188 R van het Werkingsverdrag spreekt over dreigende terroristische aanvallen en de bijstandsverplichting. Die bijstandsverplichting is achteraf geregeld. Voor mijn fractie geldt dit ook voor het vrije woord en cartooncrises zoals de Denen die hebben meegemaakt en Nederland recent met de film van de heer Wilders. Zal de Nederlandse regering ervoor ijveren om die clausule ook zo te verstaan? Wat doet Nederland nu Denemarken gisteren in Pakistan is aangevallen?

De fractie van GroenLinks wijst er op pagina 16 terecht op dat de maximale marktliberalisatie geen doel is van de EU. Misschien horen wij die erkenning ook van GroenLinks. De leden van die fractie lijken te vergeten dat de sarko-pseudowijziging vrij en onvervalst te schrappen, is gecorrigeerd in een protocol en door een motie van VVD en CDA. Ik vind het belangrijk dat zij dat weten en wij willen hen daaraan houden.

De interne markt blijft de hoeksteen van de samenwerking binnen de EU, staat op pagina 17. Dat is prima. De VVD-fractie heeft altijd verlangd naar zo'n hoeksteen.

Omdat het GBVB en de EVBD, kortom het defensie- en buitenlands beleid, onlosmakelijk verbonden zijn met het acquis, zou het niet mogelijk moeten zijn dat landen alleen daartoe toetreden. Is het kabinet bereid om bijvoorbeeld in het kader van de visie die het formuleert na de motie-Pechtold, na te gaan of dit werkelijk zo is? De WEU hebt ooit overwogen om het wel op die manier vorm te geven. Wij zijn van mening dat titel V van het verdrag van de Europese Unie dit wel degelijk mogelijk maakt door een ander besluitvormingsregiem.

De combinatie van voorzitter van de Europese Raad en Commissievoorzitter blijft mogelijk. Nederland moet dit ten koste van alles tegengaan. Ik krijg graag een duidelijke uitspraak van het kabinet.

Het kabinet zegt dat er geen aanwijzingen zijn voor nadere samenwerking. Wij zouden graag zien dat het daartoe zelf het initiatief neemt. Op diensten doet het kabinet dit niet, maar misschien kan er op energieterrein wat meer activiteit tegemoet worden gezien.

In vervolg op het gestelde op pagina 38 is mijn vraag of wij lidstaten uit de Unie kunnen gooien. Begrijp ik het goed dat de noodremprocedure voor migrerende werknemers gold binnen de EU en dat Verklaring 22 die nu is toegevoegd, daaraan ook de migranten van buiten de EU hebt toegevoegd? Dat is dan geen primair recht. Kunnen wij dit nog repareren in het asielpakket onder Frans voorzitterschap?

De heer Van Bommel (SP):

De heer Ten Broeke vraagt tussen neus en lippen door of er lidstaten uit de Europese Unie kunnen worden gegooid. Heeft dit wellicht te maken met het standpunt van de fractie van zijn partij in het Europees Parlement die heeft voorgesteld om het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie te zetten?

De heer Ten Broeke (VVD):

Ik zou bijna willen zeggen: absoluut niet. Dit is ook niet het standpunt van de fractie van de VVD in het Europees Parlement. Het is een uitlating van de heer Manders, Hij maakt daarvan wel deel uit, maar hij heeft iets anders gezegd dan in de krant stond. Ik heb daarvan direct afstand genomen. Zeker nu wij de interne markt de hoeksteen hebben genoemd en ik die zojuist heb omarmd – hoewel dat moeilijk is met een hoeksteen, maar ik doe dat in dit geval graag – is een lidstaat als het Verenigd Koninkrijk hard nodig.

De heer Van Bommel (SP):

Ik begrijp dat dit niet het standpunt van de VVD-fractie in de Tweede Kamer is.

De heer Ten Broeke (VVD):

Bepaald niet.

De heer Van Bommel (SP):

Ik heb niet gezien dat dit is gecorrigeerd door de fractie van het Europees Parlement, maar dat is haar verantwoordelijkheid. Mag ik de vraag van de heer Ten Broeke dan zo verstaan dat hij van mening is dat er in het verdrag eigenlijk meer mogelijkheden gecreëerd zouden moeten worden om een lid uit de Europese Unie te zetten?

De heer Ten Broeke (VVD):

Ik wil meer duidelijkheid. Stel dat een lidstaat zich consequent tegen alles van de Unie blijft verzetten, wat zijn dan de mogelijkheden? Je kunt een lidstaat schorsen voor een bepaalde periode in de Raad. Zijn er behalve die mogelijkheid nog andere mogelijkheden? Daarover wil ik graag iets meer horen.

De heer Van Bommel (SP):

Mag ik dit dan zo samenvatten dat de heer Ten Broeke op zoek is naar meer mogelijkheden om leden die zich niet aan de spelregels van de Europese Unie houden, te straffen? Mag ik het zo samenvatten?

De heer Ten Broeke (VVD):

Nee. In de dialectiek waarin de heer Van Bommel is opgevoed, is dit misschien wel zo, maar voor mij geldt dat ik het kabinet heb gevraagd hoe dit in het verdrag zit. Misschien kan het daarover nog iets vertellen.

De heer De Roon (PVV):

U bent onlangs mee geweest met een reis van de Kamercommissie naar de corrupte staten Roemenië en Bulgarije. Zijn dat landen die volgens u in aanmerking komen om wellicht eruit te worden gegooid, gelet op wat wij daar hebben geconstateerd qua corruptie en verwevenheid van de overheid met georganiseerde criminaliteit?

De heer Ten Broeke (VVD):

Nee, dat antwoord geef ik u nu al. Ik hoop overigens dat wij daarover later nog een debat voeren. Wij zijn samen in Roemenië en Bulgarije geweest en wij hebben alleen in Bulgarije ook samen gereisd. Het is heel teleurstellend dat u hier zegt dat dit een corrupte staat is die er wat u betreft direct uitgesmeten moet worden. Dat hebben wij daar niet geconstateerd. Daar hebben wij juist vastgesteld – ik geloof dat u ook onder de indruk was van de minister van Justitie en de openbare aanklager die wij hebben ontmoet – dat het met de corruptie inderdaad heel moeilijk is. Nederland is één van de meest kritische en opmerkzame landen op dit punt en dat is ook terecht. De VVD-fractie is dat ook, maar zij ziet ook verbeteringen. U hebt die volgens mij ook mogen constateren en ik ben benieuwd naar wat u straks daarover zegt. Die verbeteringen zijn overigens een direct gevolg van het feit dat het lidmaatschap van de Europese Unie op dit moment aan de orde is.

De heer De Roon (PVV):

Ik wil er meteen wel wat over zeggen, want ik heb niet veel verbeteringen gezien. Wij hebben inderdaad een paar aardige mensen ontmoet die de goede formuleringen hebben uitgesproken, maar daar gaat het natuurlijk helemaal niet om bij het aanpakken van corruptie en georganiseerde criminaliteit. Wij willen gewoon resultaten zien en daarvoor heeft men nu al anderhalf jaar de tijd gehad. Die resultaten zijn gewoon niet zichtbaar geworden.

De voorzitter:

Dank u wel. Verder verwijs ik u toch naar uw eigen termijn. De heer Ten Broeke vervolgt zijn betoog.

De heer Ten Broeke (VVD):

Begrijp ik goed dat de noodremprocedures op migrerende werknemers golden binnen de EU en dat de nu toegevoegde Verklaring 22 ook de migranten van buiten de EU daaraan heeft toegevoegd? In dat geval is dat geen primair recht. Kan dat nog worden gerepareerd?

Ik kom te spreken over sport. Ik moet u even terechtwijzen in uw formulering op pagina 57 in de nota naar aanleiding van het eindverslag. De staatssecretaris begrijpt mijn fractie volkomen verkeerd en schuift haar het standpunt in de schoenen dat hij vergeefs heeft gepropageerd en dat hij daarbij tegen een enorme muur is opgelopen bij de Commissie. Mijn fractie wenst juist nadrukkelijk geen sectorbrede uitzondering voor sport. Zij ziet in het sportartikel echter wel mogelijkheden voor zelfregulering door bonden. Zelfs bij 6+5, mits niet op nationaliteit, maar "home grown" – de staatssecretaris weet ongetwijfeld waarover ik spreek – gaat het niet om de nationaliteit, maar of de speler bij een club is opgegroeid. De VVD-fractie komt daar overigens nog een keer op terug, maar ziet die rectificatie graag.

De VVD-fractie wil een behandelingsvoorbehoud omdat zij dit hard nodig heeft; de regering trouwens ook. Het Verdrag van Lissabon vraagt erom en het is een erkenning van het feit dat EU-beleid nu binnenlands beleid is geworden. De regering erkent dat dit nu niet het geval is. Wat wij doen, valt ook nog altijd onder dat achttiende-eeuwse leerstuk van het verdragsrecht dat bij buitenlands beleid wordt georganiseerd. De artikelen 91 tot en met 96 van de Grondwet zijn daarvan het bewijs en alleen dat al vraagt om een structuurwijziging.

Wij hoeven echter niet de Grondwet aan te passen. Het gaat mijn fractie vooral om een betere democratische legitimering van de Europese Unie en van besluiten uit Brussel. De VVD-fractie wil anders dan de regering geen model waarbij gekozen wordt tussen controle hier, in de Eerste en Tweede Kamer, of daar, in het Europees Parlement. Zij wil hier en daar. Het geploeter deze week over de uitleveringsrichtlijn aan de overkant is misschien wel het meest actuele bewijs dat in ieder geval de Eerste Kamer wanhopig wordt van het achterhalen van de juiste informatie. Mijn fractie stelt om die reden twee amendementen voor die een behandelingsvoorbehoud en instemmingsrecht mogelijk maken voor de volledige Staten-Generaal.

Het eerste amendement voorziet in een schifting of een selectie voor een voorbehoud. De ervaring uit andere landen leert dat hierdoor ongeveer 10% van de Brusselse berg aan wetgeving overblijft. Daarnaar kijken wij dan extra nauwkeurig. Zij wordt voorzien van periodieke en regelmatige terugkoppeling van de regering. De onderhandelaars zullen namens de regering bij het begin van de onderhandelingen in Brussel een parlementair voorbehoud op tafel moeten leggen, zoals door veertien van de 27 lidstaten al doen. De regering zal de eerste beraadslaging met het parlement moeten afsluiten alvorens zij tot definitieve instemming kan overgaan. Voor alle duidelijkheid, de regering kan hierbij afwijken van de al dan niet tot uiting gebrachte opvatting van de Kamer. Het gaat er slechts om dat hier het overleg is afgerond. De regering kan dus gewoon meewerken aan de uitvoering, maar zal dat vooral moeten uitleggen.

Het tweede amendement voorziet in instemmingsrecht op onderwerpen waarbij democratische controle tekortschiet. Het Europees Parlement heeft geen invloed op de bijzondere procedures, operationele samenwerking, politiesamenwerking, optreden op elkaars grondgebied en zo zijn er nog een paar. Op die punten moet instemmingsrecht gelden voor beide Kamers. Dat moet ook gelden als unanimiteit nog wel een vereiste is, zoals bij buitenlands beleid en defensiebeleid. Dit geldt zeker als het uitvoeringsbesluiten betreft, die weer wel onder de meerderheidsbesluitvorming kunnen vallen. Dat geldt bijvoorbeeld voor besluiten over het opleggen van sancties.

Ik heb het rode lampje gezien, voorzitter. Ik heb nog twee minuten nodig.

Het besluit over op te leggen sancties moet met unanimiteit worden genomen, maar de besluitvorming over de wijze waarop dit gebeurt, kan bij meerderheid geschieden. Ik wil kunnen zien of dat Nederlandse belangen onevenredig treft. Wij willen het instemmingsrecht ook laten gelden voor de noordremprocedures waarover het nationaal belang kan worden ingeroepen. Daarmee wordt hiervoor het unanimiteitsvereiste geïntroduceerd. Dan moet het parlement de regering kunnen dwingen.

Vorige week riepen zes hoogleraren in koor dat dit nu moet worden geregeld. Dat klopt. Deze boot komt maar eenmaal per vijftien jaar voorbij. De laatste keer was het met de heren Van Traa en De Hoop Scheffer van respectievelijk de Partij van de Arbeid en het CDA. Ook zij motiveerden het instemmingsrecht met een verwijzing naar een actievere opstelling van de Kamer. De Europese Unie is binnenlands beleid. De regering erkent dat. Zeker met dit verdrag wordt dat steeds meer voelbaar. Wij kunnen ons niet langer permitteren dat wij wakker schrikken omdat wij onze zaakjes niet voldoende hebben georganiseerd. De discipline is zowel voor het parlement als de regering noodzakelijk. Het huidige instrumentarium is hierop onvoldoende toegesneden. Van een AO wordt een VAO gemaakt om een motie in te dienen. Vaak is de put dan al gedempt. Dat werkt dus niet. Het werkt zelfs averechts. Juist door er vanaf het begin bij te zijn, kun je bij blijven. Dan voorkom je dat nare moties noodzakelijk zijn. Het is dus een voordeel voor de regering. Op deze manier kan een nieuwe zwarte maandag worden voorkomen. Dat geldt ook voor moties van wantrouwen en voor situaties zoals die zich voordeden onder de vorige minister van Economische Zaken, Brinkhorst, waarin je helemaal opnieuw moet beginnen. Dat overkwam hem met betrekking tot de IT-patenten.

Ik wil ook niet meer achter fiches moeten aanjagen of kritiek hoeven te hebben op onduidelijke geannoteerde agenda's die niets prijsgeven van de situatie waarin Nederland zich bevindt. De praktijk bij JBZ is een totaal andere. Dat moet iets te maken hebben met het veel intensievere regime dat daar geldt. Het zal niet verzwakkend werken op het mandaat van de regering, maar juist versterkend. De commissie-Meijer heeft dat aangetoond op basis van vijftien jaar studie in binnen- en buitenland. Ook de onderzoeken van Voermans in Leiden en anderen elders in Nederland bewijzen dit. De regering krijgt er op deze manier een onderhandelingschip bij. Je kunt het parlement dan meenemen bij de gewijzigde omstandigheden tijdens de onderhandelingen. Uiteindelijk zal dat het begrip vergroten. Daarmee wordt ook de legitimiteit van de beslissingen groter.

Steeds meer landen zien dit in. Tussen 2003 en 2007 steeg het aantal landen dat een vorm van behandelingsvoorbehoud heeft opgenomen enorm. Het geldt thans voor veertien van de 27 landen. 90% van deze landen schift voor een voorbehoud, in slechts 10% wordt er alleen maar gesproken. In deze landen heeft het een aantoonbaar heilzaam effect gehad op de publieke opinie. Wij willen absoluut geen Deense toestanden en stellen dat ook expliciet niet voor. Wij willen geen mandatering. Onze voorstellen komen daarbij niet eens in de buurt. Toch heeft dit zich daar ook voorgedaan. Denemarken was ooit een heel kritisch land. Het is nog steeds een kritisch land, maar wordt tegenwoordig bij de mainstream ingedeeld.

Met een behandelingsvoorbehoud organiseer je bovendien vanuit het gevoel van de burger en het parlement een extra waarborg vanwege de ernstige aard en het zware karakter van de voorstellen. Dat geldt vooral wanneer het JBZ-voorstellen betreft. Het Europees Parlement kan geen nationale belangen controleren. In het Europees Parlement ontbreekt immers een vertrouwensregel. Het Europees Parlement onderhandelt bij codecisie. In het beste geval is er één rapporteur namens 750 leden uit 27 landen naast een Raad die eveneens 27 leden telt. Het Europees Parlement kan dan ook nog eens geen alternatieven inbrengen, zoals de Kamer dat wel kan.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Is per se een amendement nodig voor de wensen die de heer Ten Broeke heeft? Ik wil deze vraag graag even kort toelichten. Men zegt dat wij met het Verdrag van Lissabon het Huis van Europa weer op orde brengen. Het is de taak van de Tweede Kamer om ons eigen huis op orde te brengen om binnen het Verdrag van Lissabon te kunnen functioneren. Moet dat met een amendement? Als het antwoord van de heer Ten Broeke op deze vraag bevestigend luidt, vraag ik mij af hoe hij met een amendement denkt te kunnen waarborgen wat hij wil of juist niet wil. Hij wil geen Deense toestanden, en bepaalde afbakeningen en wijzen van in werking treden en functioneren. Juist de zaken die hij noemt, zie ik in het amendement niet precies terugkeren.

De heer Ten Broeke (VVD):

Ten aanzien van de Deense toestanden merk ik op dat Denemarken een mandateringssysteem kent. Vanuit de Deense constitutionele tradities is dat logisch. Er is een eenkamersysteem en er is sprake van minderheidsregeringen. Een Deense minister durft Kopenhagen echt niet te verlaten als hij niet weet dat hij heelhuids kan terugkeren. In die situatie snap ik het. Dat heeft echter niets te maken met het systeem dat wij in Nederland kennen. Wij hebben daarnaar heel zorgvuldig gekeken. Op basis van de motie die ik vorig jaar heb ingediend, hebben wij hiernaar onderzoek verricht. Wij hebben vastgesteld dat het zich niet verhoudt met het Nederlandse constitutioneel systeem. Het is dan ook absoluut niet aan de orde. Een mandateringssysteem is dus absoluut niet aan de orde. Het is echter wel nodig om dit per amendement te regelen, omdat een amendement de verhoudingen dwingt. Iemand zei tijdens het debat van vorige week dat het algemeen kiesrecht ook niet bij motie is geregeld. Toch was de attitude wel wat veranderd toen dit kiesrecht werd ingevoerd; men wilde vrouwen ook kiesrecht geven. Er zijn echter zaken die zo belangrijk zijn voor de verhouding tussen de Eerste en Tweede Kamer en de regering, dat die moeten worden vastgelegd. In dit geval is de disciplinering zeer noodzakelijk. Dit constateren wij al vijftien jaar zonder behandelingsvoorbehoud. Ik wil niet nog eens vijftien jaar wachten om daarna dezelfde conclusie te trekken.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

De heer Ten Broeke zegt: geen Deense toestanden. Hij zegt ook dat wij deze manier helemaal niet kennen in Nederland. Kan hij met dit amendement echter waarborgen dat dit op een andere manier wordt ingericht en wij geen Deense toestanden creëren? Kan hij verwijzen naar een tekst?

De heer Ten Broeke (VVD):

Mevrouw Wiegman maakt de vergelijking met Denemarken. Ik wil daaruit echter wegblijven, want dit heeft echt niets met het Deense systeem te maken. Waar leest zij dat ik een mandaat opleg? Sterker nog, het behandelingsvoorbehoud geeft de regering uitsluitend de verplichting om vanaf het allereerste moment, de eerste raadswerkgroep, ons structureel, periodiek, regelmatig en intensief in te lichten over het besprokene. Wij schiften de informatie ook nog eens. De hele berg die uit Brussel in ons Postvak IN belandt, wordt door ons eerst geschift. Ervaring in andere landen leert dat je dan ongeveer 10% overhoudt. Dit gedeelte dragen wij voor behandeling voor. Dan nog kan de regering aan het einde van de procedure af zien van overeenstemming. Men moet het er echter wel over eens zijn dat het gesprek is afgerond. Vanzelfsprekend draagt de regering na de besluitvorming hiervan de consequenties, mocht de Kamer hiertoe besluiten.

Het instemmingsrecht beperk ik tot de terreinen waar unanimiteit geldt, zoals bij buitenlandse zaken en defensie. Ook geldt dit instemmingsrecht als er bijzondere procedures gelden waaraan het Europees Parlement niet te pas komt en als dus de democratische legitimering niet aanwezig is. Ten slotte geldt het waar noodremprocedures zijn ingevoerd en dus het nationale belang kan worden ingeroepen, en er dus ook weer sprake kan zijn van unanimiteit als hiervoor de procedure wordt gevolgd. Voor deze situaties geldt het instemmingsrecht dus sowieso. Voor het overige geldt dezelfde systematiek als bij het behandelingsvoorbehoud. Wij nemen een termijn waarbinnen wij stilzwijgend akkoord gaan. Als wij iets voor een instemmingsrecht willen agenderen, zullen wij binnen deze termijn piepen. Dit woord komt naar ik meen uit het Duitse systeem. Dit is echt iets heel anders dan het Deense voorstel.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

De heer Ten Broeke noemde al het piepsysteem. Het blijkt dus dat dit amendement veel uitwerking vergt. Hoe gaan wij dit precies inrichten? De heer Ten Broeke zegt dat het behandeld moet gaan worden. Hoe borgen wij dat dit amendement niet materieel neerkomt op een instemmingsrecht van het parlement?

De heer Ten Broeke (VVD):

Omdat dit zelfs expliciet in de toelichting staat genoemd. Ik zal het u voorlezen. "De in dit amendement vastgelegde behandelingsvolgorde verschilt hierin van de instemmingsprocedure, dat de Kamers de onderwerpen preciezer en actiever zullen volgen." Dit komt dus neer op een soort tracking and tracing van de regering door de Kamer. Daarboven staat in de toelichting: "Zij kan ook niet meewerken aan de uiteindelijke vaststelling van wetgevingshandelingen voordat de desbetreffende Kamer de behandeling en het overleg heeft afgerond." Zij kan dus niet meewerken voordat het overleg en de behandeling zijn afgerond. Dat is echt iets anders dan: "hoe had u het gehad willen hebben?" Het is ook iets anders dan: "mogen wij instemmen?"

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Ik begrijp het verschil goed tussen het Deense systeem en wat nu bij amendement wordt voorgesteld. Bij een behandelingsvoorbehoud hoeft de discussie er aan het einde van de rit niet toe te leiden dat je het met elkaar eens bent. Deze afwezigheid van overeenstemming hoeft echter nog niet direct tot een vertrouwenskwestie te leiden. In de gewone verhouding tussen regering en parlement kan het parlement er dan op vertrouwen dat de regering er toch nog het beste van zal maken. Dit is een groot verschil met het mandaatsysteem.

De heer Ten Broeke (VVD):

Juist, en ook met het instemmingsrecht.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Precies. Ik heb twee vragen aan de heer Ten Broeke.

Ten eerste zou het voor mij verhelderend zijn als de heer Ten Broeke het verband tussen de twee amendementen nog eens toelicht. In het ene amendement is er namelijk bij het instemmingsrecht sprake van dat je binnen twee maanden kunt piepen, terwijl bij het behandelingsvoorbehoud gesproken wordt over een termijn van drie maanden waarbinnen je moet piepen. Hoe verhouden die termijnen zich tot elkaar?

Ten tweede vraag ik mij af hoe je moet piepen. Heeft de heer Ten Broeke daar al vastomlijnde ideeën over? Moet dat gebeuren door een Kamermeerderheid of kan het door een commissie gebeuren? Kan het geregeld worden via de 30-ledenregel zoals wij die kennen bij de goedkeuring van verdragen, waarvoor geldt dat 20% van het aantal grondwettelijke leden kan vragen om behandeling? De heer Ten Broeke begrijpt waar ik naar toe wil: staat het open of ligt het vast?

De heer Ten Broeke (VVD):

Het ene amendement richt zich op een behandelingsvoorbehoud. Je zou kunnen zeggen dat dit een mildere vorm is van het volgen van de regering, waarbij uiteindelijk verschil van overeenstemming kan blijven bestaan. Nadat de regering heeft besloten om instemming te verlenen in de Raad, kan dat vervolgens tot consequenties leiden in de Kamer. Deze zijn echter niet voorgeprogrammeerd. Bij het instemmingsrecht wil de Kamer in ieder geval dat voor de categorieën onderwerpen die zijn genoemd, instemming sowieso wordt gevraagd en dat er voor de rest stilzwijgende instemming is. Mevrouw Peters zegt terecht dat er een verschil zit tussen de beide periodes. Dat heb ik aangebracht omdat bij instemmingsrecht de regering heel snel moet weten wat zij wil en wenst. Mij is duidelijk geworden, ook na studie van de JBZ-pijler waarvoor nu instemmingsrecht bestaat en waartoe dit zich beperkt, dat een termijn van twee maanden correspondeert met wat er in het verdrag is opgenomen, namelijk het feit dat bij ons, als enige, het nationale parlement eerst twee maanden lang eigenaar is van voorstellen van de Europese Commissie alvorens er formele onderhandelingen kunnen beginnen. Daarom heb ik de termijnen volstrekt gelijk laten lopen, maar ben ik bij een behandelingsvoorbehoud iets ruimer in het jasje gaan zitten, om zo de schifting goed te kunnen laten plaatsvinden.

De verdere uitvoering moet wat mij betreft kunnen gebeuren door een wijziging van het Reglement van Orde, of moet in ieder geval kunnen worden afgesproken in het onderlinge verkeer van de Kamer. Ik kan mij echter voorstellen dat wij dit nog verder willen preciseren, en ik sta open voor suggesties op dit punt.

De heer Blom (PvdA):

Ik heb een vraag over het laatste punt. Op het moment dat de Kamer besluit, zoals de heer Ten Broeke dat voorstelt, om zo'n amendement aan te nemen, hebben wij vastgesteld dat wij met een behandelingsvoorbehoud gaan werken. Wij hebben alleen nog niet vastgesteld hoe wij dat gaan doen. Dat betekent dat wij dan een heleboel essentiële informatie missen. Op het moment dat er op een ander manier tot besluitvorming wordt gekomen dan wij nu in de Commissie doen, namelijk bij meerderheid iets op de agenda zetten, kun je verwachten dat als je een behandelingsvoorbehoud wilt, je dat op dezelfde manier gaat doen. Dat waarborgt in ieder geval de stroom van debatten hier in de Kamer. Wij moeten namelijk niet alleen kijken naar de theoretische invulling van zo'n behandelingsvoorbehoud, maar ook naar de praktische kant van zaken.

De voorzitter:

U hebt uw punt gemaakt.

De heer Blom (PvdA):

Ik heb nog één korte toevoeging. Op het moment dat je het naar beneden aanpast, dus via de 30 zetels of misschien slechts één partij, zou dat kunnen leiden tot een ongelofelijke stroom van debatjes in de Kamer. Zo kan er een soort file ontstaan van files uit Brussel.

De heer Ten Broeke (VVD):

Daarvoor is de schifting. Er zijn heel veel verschillende systemen voor. Ik kan nu een systeemdiscussie met de heer Blom voeren, maar dat wil ik niet. Ik wil dat wij vandaag het principe omarmen. Het principe dat wij op deze manier onze controlerende rol gaan invullen, is mij veel waard. Wij kunnen het hebben over de uitvoering, maar die moet dat principe niet in de weg staan. Voor de uitvoering bestaan verschillende modaliteiten, mevrouw Peters noemde er al een. Ik kan mij echter ook andere voorstellen. Je kunt bij wijze van spreken ook de shortlist bij handopsteken vaststellen maar over die shortlist vervolgens een gewone meerderheid laten besluiten. Er zijn verschillende modaliteiten die wij moeten onderzoeken. Het principe moeten wij echter vastleggen. Zo is het overigens ook gegaan bij het Schengenverdrag, het Verdrag van Maastricht daarna en alle andere goedkeuringswetten waarvoor deze regering het instemmingsrecht met één streep uitveegt. Daarvoor is ook niet voorzien in procedureafspraken. Ook daaraan heeft het parlement zelf invulling gegeven. Op de punten van subsidiariteit en proportionaliteit, die een ander type toets zijn, doen wij het ook op een andere manier. Wij hebben die dit jaar zelfs nog weer aangepast op vragen als wanneer je in die commissie kunt zitten en wanneer niet en wanneer je iets kunt aanbrengen en wanneer niet. Die uitvoering bediscussieer ik graag met de heer Blom, maar wij hebben nog een half jaar om dat op te lossen. Wij hebben echter alleen deze week en dit moment om deze boot niet meer te laten passeren.

De heer Ormel (CDA):

Voorzitter. Het amendement van de heer Ten Broeke lezende en zijn uitleg horende, bekruipt mij steeds meer het gevoel dat hij bezig is het wiel opnieuw uit te vinden. Denkt hij niet dat de mogelijkheden van de Kamer op dit punt voldoende zijn om te doen wat hij met zijn amendement probeert te bereiken?

De heer Ten Broeke (VVD):

Het antwoord daarop is dubbel neen. Wij hebben die mogelijkheden niet, maar ook de praktijk staat er lijnrecht tegenover. Dubbel is wat in het amendement van de heer Ormel staat, namelijk dat de Kamer een vorm van informatieplicht van de regering moet ontvangen, want volgens mij hebben wij die al.

Ik stel voor, een volstrekt andere werkwijze te hanteren. Dan kunnen fiches niet meer te laat zijn. Besluitvorming die zich buiten ons gezichtsveld afspeelt, kan ook niet meer.

De voorzitter:

U moet echt proberen om korter te antwoorden.

De heer Ten Broeke (VVD):

Zeker, maar het zijn wezenlijke vragen, voorzitter.

De voorzitter:

Ja, maar dat gaat de gehele avond zo door. Het ene is nog wezenlijker dan het andere.

De heer Ten Broeke (VVD):

Het gaat zelfs over het functioneren van uw eigen parlement.

De voorzitter:

Daarom leef ik ook zo mee. Hoe lang duren volgens u twee minuten?

De heer Ten Broeke (VVD):

Op twee zinnen na ben ik klaar.

De voorzitter:

Geweldig. Ik zet uw tijd weer aan.

De heer Ten Broeke (VVD):

Voorzitter. Hebben wij voldoende meegepraat over 60 jaar Europese integratie? De WRR en heel veel andere deskundigen die dit al jaren bestuderen, constateren dat dit niet het geval is. Zij smeken ons bijna om iets anders te doen. Zij smeken ons bijna om die disciplinering naar twee kanten toe eindelijk vorm te geven. Andere landen tonen de reflex om bij een vergrote Unie ook hun invloed te organiseren in die grotere Unie. Waar geen logische combinaties meer mogelijk zijn, valt Nederland terug en blijft zitten met de achterafcontrole, zoals die in het oude leerstuk van de Grondwet was opgenomen. Zelfs de regering erkent dat dit zich slecht verhoudt met de erkenning van Europees beleid als binnenlands beleid. Daarom, dames en heren... Hé, op de een of andere manier zie ik u allen ineens als publiek! Dat is toch gek!

De voorzitter:

Dat heb ik graag. Ik luister echt.

De heer Ten Broeke (VVD):

Voorzitter. Daarom vind ik dat wij nu echt de consequentie moeten trekken van het feit dat Europa binnenlands beleid is geworden. Dat verdient een behandeling, zoals wij dat met het overige binnenlands beleid ook doen. Laten wij beginnen met serieus werk te maken van onze controle, niet alleen voor de legitimiteit naar de burgers, maar ook voor Europa.

De voorzitter:

Ik wijs de leden erop dat er een briefje van mij is rondgegaan. Ik zou niet graag willen dat u dat niet leest.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Voorzitter. Het is nu enkele jaren geleden dat het Verdrag van Nice van kracht werd. Over dit verdrag werd in deze Kamer gedebatteerd op het moment dat de Commissie de mededeling deed dat het niet lang zou duren voordat er tien nieuwe lidstaten bij de Unie zouden komen. Een historisch moment. Sindsdien zijn er nog eens twee lidstaten bij gekomen, waarmee wij op de huidige omvang van 27 lidstaten zitten. West- en Oost-Europa zijn verenigd in één Europese Unie. Wie had dat durven denken gedurende de jaren die wij de Koude Oorlog hebben genoemd?

De goedkeuring van het Verdrag van Nice was ook om een andere reden een historisch moment. Het was voor het eerst dat de ChristenUnie met een wijziging van een Europees verdrag heeft ingestemd. Het Verdrag van Nice had ten doel de Europese Unie klaar te maken voor uitbreiding. In de afgelopen jaren werd echter duidelijk dat voor een goed functioneren van de Unie met zo veel leden meer nodig was dan Nice. Het grondwettelijke verdrag moest uitkomst bieden. Zoals de Kamer weet, kon de ChristenUnie zich hierin niet vinden. Hoewel geen voorstander van het referendum, heeft de ChristenUnie de tijd voorafgaand aan dit referendum gebruikt om haar visie op het grondwettelijke verdrag duidelijk te maken aan de Nederlandse bevolking.

De bezwaren concentreren zich op twee punten: de vorm van het verdrag en de pretentie die het in zich meedroeg. Het grondwettelijke verdrag ademde een verstatelijking van de Unie, wat bleek uit de benaming van grondwettelijk verdrag, uit het formaliseren van vlag en volkslied, uit titels als president en minister en uit het benoemen van richtlijnen en verordeningen als wetten. Daarnaast waren de "checks and balances" onvoldoende gewaarborgd. Hoe zat het met de verdeling van bevoegdheden, wat was de rol van nationale parlementen en wat waren de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het Europees Parlement? Ter verduidelijking, de ChristenUnie was niet tegen alle vernieuwingen en voorstellen uit het grondwettelijke verdrag. Er was noodzaak voor aanpassing van de institutionele structuur van de Europese Unie om ook in de toekomst te kunnen functioneren, gezien de uitbreiding naar de huidige 27 lidstaten en de nieuwe uitdagingen die op ons afkomen.

Na de bezinningsperiode die volgde op het nee van Frankrijk en Nederland ligt nu het Verdrag van Lissabon voor. Voor mijn fractie zijn de volgende vragen hierbij belangrijk. Is tegemoet gekomen aan de bezwaren die de ChristenUnie had bij het grondwettelijke verdrag? Is het Verdrag van Lissabon ten opzichte van Nice een verbetering of niet? De vraag of het Verdrag van Lissabon een verbetering is, kan langs drie sporen beoordeeld worden. Is het transparanter, is het effectiever en is het democratischer? Als mijn fractie het Verdrag van Lissabon vergelijkt met het grondwettelijke verdrag, kunnen wij niet anders dan concluderen dat het Verdrag van Lissabon wezenlijk afwijkt van het grondwettelijke verdrag. Dat was ook onze insteek bij het coalitieakkoord. Mijn fractie kan dan ook niet anders dan de premier en de staatssecretaris complimenteren met het behaalde resultaat. Immers, weg zijn de statelijke pretenties en ambities waarmee het grondwettelijke verdrag was omgeven. Wij staan weer met beide benen op de grond.

De fractie van de ChristenUnie is ervan overtuigd dat met het Verdrag van Lissabon gekozen wordt voor een andere richting voor de Europese samenwerking. Geen ronkende taal meer, maar samen zoeken naar de beste manieren om die dingen samen te regelen die nodig zijn, niet meer en niet minder. Ook ten aanzien van de benodigde "checks and balances" is het nodige aangepast ten opzichte van het grondwettelijke verdrag. Ik denk dan met name aan de versterkte rol van de nationale parlementen door middel van de gele en de oranje kaart. De ChristenUnie heeft zich hiervoor sterk gemaakt in een neecampagne en is blij dat dit novum dankzij haar inzet en de stem van de Nederlandse bevolking is opgenomen in het Verdrag van Lissabon. Ook de bevoegdheidsverdeling die nu voor het eerst is opgenomen in de EU-verdragen, was voor de ChristenUnie een belangrijk punt, naast meer bevoegdheden voor het Europees Parlement.

Waar het echt om gaat, is de vraag of wij met Lissabon beter af zijn dan met Nice. Dat wij blij zijn dat grote bezwaren tegen het grondwettelijke verdrag zijn weggenomen, betekent niet dat wij kritiekloos achterover leunen bij de rest van het Verdrag van Lissabon. Dit verdrag beoordelen wij op zijn eigen merites, afgezet tegen de huidige situatie. Betekent het Verdrag van Lissabon een democratisering van de Unie? De ChristenUnie is van mening dat op dit vlak een aantal goede stappen is gezet. Het Europees Parlement krijgt meer te zeggen en zal hierdoor aan betekenis groeien binnen de Europese verhoudingen. Mijn fractie hoort echter wel graag van de staatssecretaris hoe hij de introductie van bijzondere wetgevingsprocedures beoordeelt waarin de rol van het parlement ondergeschikt is. Is het eigenlijk niet zo dat er twee wetgevingsprocedures naast elkaar bestaan, gezien het aantal onderwerpen dat hieronder valt? Hoe verhouden beide zich volgens het kabinet tot elkaar?

Daarnaast is de politieke verantwoordingsrelatie tussen Commissie en het Europees Parlement voor het eerst vastgelegd en betekent het Verdrag van Lissabon een versterking van de positie van de Commissievoorzitter. Ook het burgerinitiatief draagt bij aan de democratisering van de Europese Unie. Het zal veel vragen van burgers, maar de mogelijkheid is er. Ik wil bij dit punt overigens een kritische opmerking plaatsen over de mogelijke vermenging van bevoegdheden van de Hoge Vertegenwoordiger, als voorzitter van de Raad Buitenlandse Zaken en als lid van de Commissie. Wat ons betreft is dit onwenselijk. De toekomst zal ons moeten leren hoe het werkelijk gaat uitpakken, maar mijn fractie is hier niet helemaal gerust op.

Zoals al is aangegeven, wordt de rol van nationale parlementen versterkt. Mijn fractie is ingenomen met deze versterking. Het gaat niet alleen om de rode en gele kaart, maar ook om betere informatievoorziening en erkenning van de actieve bijdrage van nationale parlementen aan het Europees proces.

Hoe je het ook wendt of keert, de Europese Unie en haar instellingen staan ver af van de burger. Versterking van de rol van nationale parlementen kan bijdragen aan het dichten van dit gat. Dat is ook democratie. Dit betekent een waarborging van de belangen van de lidstaten. Mijn fractie beseft overigens terdege dat de mogelijkheden die geboden worden wel opgepakt moeten worden door de nationale parlementen. Dit zal veel vragen van ons als parlementariërs. Er rust een verplichting op onze schouders. Wij gaan deze overigens graag aan. In dat verband voelt de ChristenUnie veel voor een versterking van de parlementaire betrokkenheid. Wij moeten niet alleen toezien op de inrichting van het Europese huis, zoals geregeld wordt met het Verdrag van Lissabon, maar ook toezien op de inrichting van ons eigen huis.

Het parlement heeft de verantwoordelijkheid om toe te zien op het Europese besluitvormingsproces en het handelen van het kabinet daarin, juist nu er nog meer verantwoordelijkheden op Europees niveau komen te liggen of onder meerderheidsbesluitvorming komen te vallen. Actief toezien op wat in Europa gebeurt en een intensief debat met onze regering past bij de veranderde attitude ten aanzien van de Europese Unie. Dit past ook bij het Verdrag van Lissabon. Daarnaast wil de ChristenUnie graag een vorm van instemmingsrecht op de terreinen waarop unanimiteit is vereist en waarop de codecisieprocedure niet van toepassing is.

Het is een belangrijke vraag of het Verdrag van Lissabon bijdraagt aan een transparante Europese Unie. Transparantie levert wat mijn fractie betreft een gemengder beeld op. Het is een verbetering dat de raad van ministers voortaan in het openbaar zal vergaderen en stemmen over wetgevingsvoorstellen. Mijn fractie hoort nog wel graag van het kabinet waarom er niet voor gekozen is om alle raadsvergaderingen, dus ook die van de Europese Raad, openbaar te maken. Ook het toezenden van documenten verhoogt de transparantie. Is echter voldoende gewaarborgd dat de burger zelf er ook gebruik van kan maken?

Ook komt er door het Verdrag van Lissabon meer eenduidigheid in de Europese structuren. Er zijn niet meer drie pijlers met elk hun eigen kenmerken, maar alles wordt zo veel mogelijk onder één regime geplaatst. Tegelijk valt hierop veel af te dingen. Het GBVB en het EVDB blijven hun aparte status behouden. Dat is overigens terecht. De vereenvoudiging van de besluitvorming wordt toch wat minder ver doorgevoerd dan gewenst, vanwege een overgangstermijn en het behoud van de Ionanninamechanismen.

De heer Ten Broeke (VVD):

Hoorde ik het nu net goed? De fractie van de ChristenUnie is voor een instemmingsrecht, maar beperkt dit tot die zaken waar geen codecisie geldt. Hoe zit het dan met de noodremmen? Hoe zit het met de gemeenschappelijke veiligheid, het buitenlands beleid en het Europese defensie- en veiligheidsbeleid? Daarover had uw fractie toch altijd heel sterke opvattingen? Uw fractie vindt toch dat het nationaal parlement heel sterk moet kunnen meekijken? Geldt daarvoor geen instemmingsrecht of laat u dat lopen?

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Wij moeten nog afwegen waar onze ondergrens voor de instemming ligt. Ik heb de terreinen genoemd die absoluut instemming behoeven. Het is echter afhankelijk van de beantwoording namens het kabinet. Ik wil weten of wij er als parlement van kunnen uitgaan dat wij goed zicht behouden op alle terreinen waarop unanimiteit geldt. Dat vind ik wel een heel belangrijk punt, ook voor de eerste termijn van het kabinet. Daarover wil ik duidelijkheid krijgen. Daarna kan ik bekijken wat er bij amendering op dat terrein verder zeker valt te stellen.

De heer Ten Broeke (VVD):

Wij hebben het over invloed uitoefenen op onderhandelingen. U kent het antwoord van de regering. Dat staat in de nota naar aanleiding van het verslag. Zij wil helemaal niks. U begint met de laagste inzet, namelijk met: als geen codecisie geldt. In het verleden waren er voor uw fractie heel veel terreinen waarop de besluiten zich absoluut nooit zouden mogen onttrekken aan de democratische controle van dit parlement. In feite geeft u het recht op die democratische controle weg of komt u in deze bijdrage nog met een opschaling?

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Ik heb niet het gevoel iets weg te geven. Ik heb een ondergrens aangegeven en gezegd wat wij in ieder geval willen. Over de andere punten wil ik duidelijkheid. De nota naar aanleiding van het verslag heb ik niet zo gelezen dat er zou staan: de regering wil niets. Ik wil dat duidelijk wordt wat op welke terreinen via een amendement kan worden geborgd. Daarnaast kun je door de boel hier goed op orde te hebben de regering volgen. Misschien kunnen wij bij andere zaken zo te werk gaan. Dit is voor mij een belangrijk punt en hierover wil ik in eerste termijn opheldering.

Wat bovendien de transparantie niet ten goede komt, is de veelheid aan protocollen en verklaringen. Ook de verruiming van mogelijkheden om over te gaan tot versterkte samenwerking draagt mijns inziens niet bij aan transparantie en eenduidigheid van de Unie. Hoe denkt het kabinet dit te beperken? Hoe zal men voorkomen dat op allerlei terreinen groepjes lidstaten ontstaan?

Een belangrijk pluspunt van het Verdrag van Lissabon is de bevoegdhedenverdeling. De ChristenUnie heeft hierop sterk ingezet en zij is ingenomen met het resultaat. Niet eerder is zo duidelijk opgenomen hoe de bevoegdheden zijn verdeeld, wat tot de gedeelde, exclusieve en ondersteunende bevoegdheden van de Europese Unie behoort en niet eerder is zo duidelijk opgenomen dat de Europese Unie slechts gaat over die onderwerpen die haar zijn toebedeeld.

Met de schriftelijke inbreng heeft mijn fractie gevraagd op welke manier de gedeelde bevoegdheden zijn georganiseerd. Kan het kabinet aangeven hoe voorkomen wordt dat hierbij sprake zal zijn van een sluipenderwijze uitbreiding van bevoegdheden? Diezelfde vraag geldt voor de definiëring van taken. Hoe wordt erop toegezien dat oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van mogelijk onbedoelde ruime formuleringen? Het is mijn fractie nog niet duidelijk welk gewicht de uitbreidingscriteria in het verdrag hebben. Kan er nu wel of niet strikter de hand worden gehouden aan de criteria door hiernaar te verwijzen?

Vergroot het Verdrag van Lissabon de efficiëntie van de Europese Unie? De uitbreiding van de meerderheidsbesluitvorming naar meerdere beleidsterreinen kan grote gevolgen hebben voor de efficiëntie van de Unie. Besluiten kunnen gemakkelijker tot stand komen en zij zullen ook beter zijn, schrijft de regering in de nota naar aanleiding van het verslag. Inderdaad, in een Unie van 27 lidstaten is het bereiken van unanimiteit niet gemakkelijk. Mijn fractie kan, alles overwegende, leven met de uitbreiding van meerderheidsbesluitvorming. Zij kan dat met de wetenschap van het bestaan van een subsidiariteitstoets en dat er de mogelijkheid is om aan de noodrem te trekken en verder dat een bevoegdhedenverdeling is opgenomen.

De uitbreiding naar meerderheidsbesluitvorming springt vooral in het oog op het JBZ-terrein. Niet alleen zal besluitvorming in den regel plaatsvinden via een gewone wetgevingsprocedure met als bijkomend effect dat het Hof van Justitie ook op dit terrein rechtsmacht krijgt. Formeel krijgt het Hof weliswaar geen extra bevoegdheden, maar het krijgt wel meer te zeggen op JBZ-terreinen, inclusief over minimumnormen voor strafbare feiten en over sancties in verband met bijzonder zware, grensoverschrijdende criminaliteit. Formeel verandert er niets, materieel wel. Het Hof van Justitie zal bij veel meer onderwerpen de mininorm bepalen. De Kamer zal daarop nauwlettend moeten toezien. Graag hoor ik van het kabinet op welke manier het zal toezien op het betrachten van terughoudendheid door het Hof. Wat zijn de mogelijkheden van het kabinet op dit punt?

Dit verdrag kent ook bepalingen voor de verruiming van de regeling voor Eurojust en voor de grondslag voor het instellen van een Europese aanklager. De regering formuleert de stappen die in dezen worden gezet nog als voorzichtig. Wat is voor de regering de noodzaak van het vastleggen van de mogelijkheden voor een Europese aanklager in het licht van het regelen van voldoende bevoegdheden voor Eurojust? Is het niet voldoende als Eurojust in staat wordt gesteld om dwingender op te treden tegenover de nationale lidstaten. Intussen dendert het proces van de inrichting van een Europees openbaar ministerie door. De ambities in Europa zijn hoog, terwijl het kabinet meent dat er sprake is van terughoudendheid. De ChristenUnie wil graag dat de regering zich hierover duidelijk uitspreekt. Wat is de bedoeling, wat stelt het voor en hoe zal de inrichting van het openbaar ministerie beperkt worden?

Met een beroep op het vergroten van de efficiëntie en de stroomlijning van het buitenlands beleid wordt de dubbele hoed van de Hoge Vertegenwoordiger als lid van de Commissie en als voorzitter van de raad voor buitenlandse zaken verdedigd. Mijn fractie is van deze verdediging niet overtuigd. Er wordt nu vooral onduidelijkheid gecreëerd. Bevoegdheden doorkruisen elkaar. Hoe wil men dat voorkomen?

Aansluitend hierop houdt mijn fractie twijfels over de manier waarop het voorzitterschap zal worden vormgegeven. Wij hebben een lid van de Commissie die voorzitter is van de Raad Buitenlandse Zaken, een vaste voorzitter voor tweeënhalf tot vijf jaar, die zich vooral moet ontwikkelen tot technisch voorzitter, en daarnaast nog het voorzitterschap van de vakraden, door een combinatie van drie landen voor de duur van anderhalf jaar. Gaat dit niet juist ten koste van de efficiëntie? In het kader van transparantie: hoe duidelijk is dit voor burgers, maar ook voor derde landen waarmee de EU hebt te maken?

Er is veel gezegd over de voor- en nadelen van dit Verdrag. Ik ben benieuwd naar de antwoorden van het kabinet. Maar wij zullen ook verder moeten kijken dan dit verdrag alleen, alleen al vanwege het feit dat er nog zoveel onduidelijk is. Onduidelijkheid over hoe nieuwe bepalingen uit zullen werken, maar ook over de invulling van taken en diensten. Wat wordt de functieomschrijving van de nieuwe voorzitter? Zal hij zich houden aan de wens van Nederland om vooral technisch voorzitter te zijn, of wordt het toch een politiek mannetje? Hoe zal de combinatie van Hoge Vertegenwoordiger en lid van de Commissie uitpakken? Hoe zal het Europees OM zich gaan ontwikkelen en de nieuwe dienst voor externe vertegenwoordiging? Er is nog veel werk aan de winkel voor parlement en kabinet, dat nog gedegen onderhandelingen zal moeten gaan voeren. Daarnaast is er nog de vormgeving in eigen huis en andere nationale parlementen om onze taak waar te maken. Intensieve debatten over Europese aangelegenheden, actiever en eerder betrokken, toezien op bevoegdheden, verdeling en subsidiariteit. Ook van belang is het debat over de grenzen. Er is al toegezegd dat na dit verdrag hierover zal worden gesproken. Voor nu voldoende, maar het is wel een onderwerp dat ons bezighoudt.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Het wetenschappelijk bureau van uw partij heeft onlangs enkele mooie aanbevelingen gedaan over de toekomst van Europa en dit verdrag. Met belangstelling heb ik het doorgebladerd, waarbij mij de aanbeveling opviel om te kijken naar de invoering van het behandelingsvoorbehoud voor Europese dossiers. Dat is geen verrassing, want het is dezelfde aanbeveling die de vaste commissie voor Europese Zaken aan het Presidium heeft gedaan, wat het Presidium vervolgens heeft overgenomen. Zelf hebt u net veel vragen gesteld over dingen die nog onduidelijk zijn, met name op JBZ-terrein. Is het behandelingsvoorbehoud niet bij uitstek om daarover een vinger aan de pols te houden?

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Ik heb daar heel veel behoefte aan, maar dit debat is voor mij bepalend om te bepalen hoe je dit vorm geeft. Ik vind de voorliggende amendementen heel sympathiek, maar heel veel dingen zijn voor mij nog onduidelijk. Als zaken wettelijk worden geregeld zonder dat je weet hoe dat uitpakt, twijfel ik over de vorm waarin dat gebeurt. Ik speek ook over een vorm van een behandelingsvoorbehoud, want dat er iets dergelijks moet komen, is zeker.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Ik neem er verheugd kennis van dat u een bepaalde vorm van behandelingsvoorbehoud wel wilt maken. Ik twijfel echter aan uw analyse dat het iets is dat de Kamer zelf kan regelen. Het behandelingsvoorbehoud gaat namelijk over de verhouding Kamer-regering. Daarover moeten keiharde, bij wet vastgelegde afspraken worden gemaakt. Uw uitwisseling met de heer Ten Broeke ging over het instemmingsrecht, een hard middel, dan houd je iets bij je totdat je instemt met wat de regering wil. Het behandelingsvoorbehoud houdt alleen in dat je erover wil praten met de regering, die ons informatie moet verstrekken om de behandeling mogelijk te maken. Bent u het met mij eens dat die analyse misschien niet klopt, maar dat je het in je verhouding met de regering moet regelen?

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Daar twijfel ik nog over. Dat wil ik scherp krijgen in deze eerste termijn door heel duidelijk uit te wisselen wat de betekenis is van de amendementen. Kunnen wij hetzelfde effect ook langs een andere weg krijgen? Wij moeten het wel goed afbakenen. Wij zijn het erover eens dat je prioriteit moet geven aan echt belangrijke onderwerpen die je graag wilt behandelen. Dat moet je goed afbakenen als je dat bij wet wilt regelen.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Ik begrijp uit het antwoord dat mevrouw Wiegman een behandelingsvoorbehoud wil in een of andere vorm, maar dat zij graag ideeën van de regering hoort over hoe dat kan worden vormgegeven, voordat zij meewerkt aan initiatieven van de Kamer om dat te regelen.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Ik hoor het ook graag van de regering, maar ik heb er zelf wel ideeën over. Het is voor mij heel belangrijk om het van de regering te horen, omdat zij bij de beantwoording in eerste termijn niet de indruk moet wekken dat het niet goed komt en dat wij maar moeten afwachten hoe het met de informatievoorziening zal gaan en of wij onze taak in het parlement kunnen waarmaken.

De heer Ten Broeke (VVD):

Ik ben heel blij dat mevrouw Wiegman hier vaststelt dat de ChristenUnie niet alleen instemmingsrecht wil, waarbij wij erover kunnen debatteren of dit moet worden opgeschakeld, maar ook een behandelingsvoorbehoud, waarbij zij nog niet weet of dit moet in de vorm van een amendement of iets anders. Zij is nog niet helemaal tevreden over de operationele invulling. Over dat laatste valt te debatteren, maar het eerste moeten wij in eerste instantie zelf regelen. Wij moeten toch niet aan de regering vragen hoe wij onze controle gaan vormgeven? Ik ben erg blij dat zij zegt dat wij hier zelf invulling aan moeten geven. Ik bied haar aan om met ideeën te komen die wij in een amendement kunnen vormgeven, als zij vaststelt dat een amendement aan de orde is.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Dat aanbod neem ik graag aan, maar ik moet wel zeggen dat ik het een worsteling vind. Bij uw amendement vraag ik mij af of de dingen wel voldoende zijn afgebakend. U verwijst heel veel naar toelichtingen. Ik zou u op uw blauwe ogen vertrouwen, maar je dient een amendement in met het oog op een langere periode. Ik kan onvoldoende overzien of wij er op dezelfde manier gebruik van maken. Of zijn er zoveel mogelijkheden om te vertragen dat dingen blijven hangen? Wat wordt verstaan onder een in het parlement afgeronde behandeling? Als je dat wettelijk wilt regelen, moet je dat heel goed afbakenen, zodat heel scherp is hoe wij dat gaan doen. Dat gevoel heb ik nog onvoldoende bij dit amendement.

De heer Ten Broeke (VVD):

Mevrouw Wiegman mag mij op mijn blauwe ogen vertrouwen, maar dat moet zij zeker nooit doen bij de regering. Daarvoor zitten wij in het parlement. Ik ben erg blij met dit aanbod en neem het van harte aan. Ik wil graag kijken naar mogelijkheden om het behandelingsvoorbehoud zo in te vullen dat alle onduidelijkheden zijn weggenomen, zodat het instemmingsrecht dekt waar de ChristenUnie zich al zeker twee jaar druk over maakt.

De heer Ormel (CDA):

Ik hoor enige vrees bij mevrouw Wiegman dat de informatiestromen onvoldoende zijn en dat er zaken tussendoor glippen. Daarvoor wil zij eventueel bij amendement een behandelingsvoorbehoud regelen. Acht zij artikel 68 van de Grondwet niet voldoende om te regelen wat sommigen in dit huis er bovenop willen regelen via een behandelingsvoorbehoud?

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Dat is waar het mij in dit debat om gaat. Hebben wij zo'n amendement echt nodig of is er voldoende basis, niet om de regering op de blauwe ogen te vertrouwen, maar zodat het parlement de regering kan controleren op dit terrein? Dat heb ik nog niet scherp. Daarvoor zal dit debat moeten helpen.

De heer Ormel (CDA):

Ik begrijp dat u een behandelingsvoorbehoud niet nodig acht, als u van de regering hoort dat zij conform artikel 68 van de Grondwet die informatie zal verschaffen waar u om vraagt.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Als je er zicht op hebt dat de dingen wettelijk voldoende zijn geborgd en een amendement niet nodig zou zijn, is voor mij een behandelingsvoorbehoud eerder een mogelijkheid om ons eigen huis zo in te richten dat wij onze parlementaire taken kunnen waarmaken. Naast de subsidiariteitstoets die nu al plaatsvindt, zouden wij vooraf onderwerpen kunnen selecteren voor behandeling. Die ruimte neem je dan als parlement.

De heer Ormel (CDA):

Ik ben het ermee eens dat wij orde in eigen huis moeten hebben, maar dat regel je toch niet per amendement in een goedkeuringswet bij een verdrag?

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Dat is dan ook een overweging. Daarom dub ik zo. Als je zegt dat er voldoende wettelijke waarborgen zijn en er geen amendement nodig is omdat wij dit zelf in eigen huis kunnen oplossen, is dat goed. Maar als ik toch het gevoel heb dat er op dit moment onvoldoende waarborgen zijn en er een amendement is om dit te regelen, moet je dat wel op zo'n manier doen dat je het goed afbakent, opdat het niet alle kanten op kan gaan en zeker niet die kant die wij niet beogen met het amendement.

De heer Van der Staaij (SGP):

Bij het schertsende punt dat heer Ten Broeke zo-even maakte dat mevrouw Wiegman de regering niet op haar blauwe ogen moet vertrouwen, ving ik op dat zij niet alleen naar de toelichting kijkt, maar ook naar de tekst. Geldt ook hier niet dat wij niet alleen moeten uitgaan van de houding die dit kabinet uitstraalt, maar ook van de vraag hoe wij ervoor kunnen zorgen dat de betrokkenheid van het parlement bij belangrijke Europese besluitvorming op de beste manier is geregeld?

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Dit is een belangrijke vraag. Daarom hoop ik dat de bewindslieden hier niet alleen zitten en een bepaalde houding innemen, maar dat zij in eerste termijn vooral goede antwoorden geven.

De heer Van Bommel (SP):

Mevrouw de voorzitter. Het Verdrag van Lissabon is na een periode van reflectie in relatief korte tijd tot stand gekomen. Dit was mogelijk doordat het in Nederland en Frankrijk weggestemde grondwettelijk verdrag heeft gediend als basis voor het Verdrag van Lissabon. Buiten Nederland zegt iedere regeringsleider hardop dat alle belangrijke zaken uit het grondwettelijk verdrag in het Verdrag van Lissabon zijn behouden. Deze regering blijft er echter op hameren dat het Verdrag van Lissabon een regulier wijzigingsverdrag is dat zich in inhoud, vorm en benadering kenmerkend onderscheidt van het grondwettelijk verdrag. De vraag is dus of de minister-president van mening verschilt met zijn collega's in het buitenland of is de bezweringsformule dat er een kenmerkend onderscheid is, bestemd voor binnenlandse consumptie en wordt er aan de Europese vergadertafels ook door Nederland gewoon volmondig erkend dat alle belangrijke zaken uit het grondwettelijk verdrag ook in het Verdrag van Lissabon staan?

Laat ik om te beginnen stilstaan bij het karakter van het verdrag. Bevat dit verdrag nog grondwettelijke aspecten? Als wij de definitie van grondwettelijkheid hanteren die destijds werd gehanteerd bij de Europese grondwet, moeten wij die vraag volmondig met ja beantwoorden. Er zijn twee aspecten die destijds door de Raad van State zijn aangegeven. De Raad stelde eerder: "In de Europese grondwet zal het Handvest van grondrechten zijn opgenomen. Voorts komt een Europese grondwet tot stand waarin de gewijzigde institutionele verhoudingen en de besluitvorming voor wat thans nog wordt aangeduid als de eerste, de tweede en de derde pijler op een samenhangende manier zullen zijn geregeld. Goedkeuring van het verdrag zal men om die reden tot op zekere hoogte kunnen vergelijken met een grondwetswijziging."

Met het Verdrag van Lissabon komen de veranderingen weliswaar anders tot stand, maar ze hebben bij benadering hetzelfde resultaat. Allereerst het Handvest van de grondrechten. Dat blijft juridisch bindend. De rechter zal wettelijke bepalingen ervan kunnen toetsen. Voor de status maakt het niet uit of het integraal is opgenomen of dat wordt volstaan met een verwijzing ernaar. Inmiddels wordt het belang van het juridisch verwijzen in het Verdrag van Lissabon ernstig gebagatelliseerd. Het handvest zou al van toepassing zijn verklaard sinds 2004 via een aantal arresten van het Europese Hof van Justitie. Is het juridisch bindend maken van het handvest inmiddels iets symbolisch geworden? Ik meen van niet. Het Europese Hof mag dan wel vooruitlopen op de vaststelling ervan, maar het is aan de lidstaten om het juridisch bindend te verklaren. Bovendien: hoe verklaart de regering anders de zware tegenstand van landen als het Verenigd Koninkrijk en Polen tegen het handvest? Waarom hebben deze landen grote moeite gedaan om zich ervan te vrijwaren?

De bestaande verdragen worden zo gewijzigd dat nog steeds de bovengenoemde samenhang tot stand komt. Ik citeer uit een boekje van een aantal onderzoekers van Clingendael, onderzoekers die het naar mijn mening heel goed hebben verwoord: "Voortaan wordt het verdragskader gevormd door het verdrag betreffende de Europese Unie en een verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Op deze manier wordt de EG in de Unie geïntegreerd en blijft er één organisatie, de Unie, over. Deze beschikt over een expliciete rechtspersoonlijkheid en een samenhangend institutioneel kader."

De pijlermetafoor is niet meer van toepassing nu er een eenduidige organisatie overblijft. Deelt het kabinet de mening dat de pijlermetafoor straks helemaal niet meer opgaat? Het is de conclusie van mijn fractie dat als men toen op basis van die argumenten sprak over een grondwettelijk verdrag, dat men dat op basis daarvan nu ook moet doen.

De essentiële vraag is of het Verdrag van Lissabon beter is dan het grondwettelijk verdrag. Het antwoord op die vraag luidt ja. Het is inderdaad beter en dat heeft mijn fractie ook kenbaar gemaakt na afloop van de top van juni vorig jaar. Dat komt mede doordat het verdrag niet meer lijkt op een grondwet. Er zijn immers geen inspanningen gespaard om vele symbolen, benamingen en de vorm zo te wijzigen dat het document eruit ziet als een gewoon verdrag. En hier geldt: vorm is ook inhoud.

De poging om een Europese grondwet via een conventie met referenda in verschillende landen goedgekeurd te krijgen, is mislukt. Daarmee is een belangrijk middel uit handen genomen van diegenen die pleiten voor een federaal of meer statelijk Europa. Met dit verdrag wordt deze ontwikkeling niet gestuit, maar het krijgt zeker geen impuls. Dat vindt mijn fractie winst.

Vandaag is het onze taak om de veranderingen van dit verdrag te beoordelen ten opzichte van het grondwettelijk verdrag. Wat is de meerwaarde van de veranderingen? Ik loop een aantal veranderingen langs.

De begrenzing van de bevoegdheden. Het is goed dat de grenzen extra zijn aangegeven. Het zijn in het algemeen verduidelijkingen van de bestaande situatie en deze bevatten geen juridische wijzigingen ten opzichte van het grondwettelijk verdrag. Maar daar staat lijnrecht de manier tegenover waarop het verdrag mogelijkheden biedt om zichzelf te wijzigen en om het verdrag flexibel te houden. Een van die manieren is het zogenaamde flexibiliteitsartikel, waarvan de reikwijdte verder wordt uitgebreid, zodat een nieuwe bevoegdheid binnen een beleidsterrein kan worden gecreëerd, mocht dat noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie. Erkent de regering dat het verduidelijken van grenzen niet hetzelfde is als die grenzen hard vastleggen?

Een andere verandering is de duidelijke verwijzing naar de uitbreidingscriteria. Ook dat is winst. Daarvoor is het echter wel noodzakelijk dat de EU haar eigen afspraken serieus neemt. De verwijzing daarnaar is daarvoor geen garantie, zie Roemenië en Bulgarije, die nog steeds op belangrijke onderdelen niet voldoen. Er schieten wel andere samenwerkingsverbanden als paddenstoelen uit de grond, zie de verschillende samenwerkings- en associatieovereenkomsten, maar ook de mediterrane unie en het voorstel voor een oostelijk partnerschap. Het moet niet zo zijn dat landen straks al praktisch op alle terreinen participeren in de EU, maar het hen wel aan formeel lidmaatschap en daarmee aan zeggenschap ontbreekt. Dat schept namelijk ook verwachtingen. Ziet het kabinet dit dilemma?

De publieke diensten en het afschermen van de interne markt. De verhouding tussen die twee is met het protocol dat samen met de Europese Commissie is opgesteld, verduidelijkt. Het is echter geen verandering van de bestaande situatie. Als het geen effect heeft op bestaande wetgeving, maar enkel helpt bij afwegingen die het Europese Hof van Justitie moet maken, welk nut heeft het dan in de praktijk? Is het soms een symbolische stap? Het ontbreekt vaak aan rechtszekerheid vooraf. Het protocol is zelfs aanleiding voor de Europese Commissie om, met steun van het kabinet, af te zien van een horizontale richtlijn die meer duidelijkheid biedt. De collega's van de PvdA in het Europees Parlement maken zich daar nog steeds hard voor. In plaats daarvan heeft de Commissie nu al, op basis van het protocol, handvatten ontwikkeld voor een juiste toepassing van de regels in de praktijk, een geval-tot-gevalbenadering dus.

De noodzaak van duidelijkheid vooraf bleek al met de discussie rond de aanbesteding van gratis schoolboeken, hier in de Kamer. Waarom volgt het kabinet hier niet de lijn van de redenering die het aanhangt als het gaat om sport? Daar worden de problemen rond rechtsonzekerheid vooraf wel erkend en gesteund door het kabinet. Is sport wel een onderwerp dat speciale behandeling verdient en de publieke diensten niet?

De SP-fractie heeft twijfels bij de veronderstelde versterking van de nationale parlementen. Op allerlei manieren is de rol van de nationale parlementen versterkt. Zo is er een oranjekaartprocedure bovenop al de voorgestelde gele kaart gekomen en is een recht op meer en tijdige informatie in het leven geroepen. Verder is er instemmingsrecht gekomen voor bepaalde passerellen. Dat is goed.

Ik hecht echter eraan om twee zaken te benadrukken. Het is niet mogelijk gebleken om nationale parlementen de mogelijkheid te geven, in meerderheid zelfstandige besluiten te blokkeren. Zij hebben nog steeds steun nodig van de Europese Commissie, de Europese Raad of het Europees Parlement. Daarnaast wordt de positie van nationale parlementen niet ten opzichte van de Grondwet, maar wel ten opzichte van de bestaande situatie op een aantal onderdelen verzwakt. Instemming van de nationale parlementen is straks niet meer noodzakelijk voor alle besluiten op het gebied van justitie en politiesamenwerking. Hetzelfde geldt voor het sluiten van sommige internationale verdragen. Het kabinet stelt voor om het instemmingsrecht, zoals dat is vastgelegd in de eerdere goedkeuringsverdragen, te laten vervallen. Erkent het kabinet dat de nationale parlementen weliswaar meer middelen krijgen om invloed uit te oefenen, maar dat zij daartegenover manieren kwijtraken om zelfstandige besluiten te blokkeren?

Er zijn ook regelrechte verslechteringen ten opzichte van het grondwettelijk verdrag. Aan de noodrem is nu een procedure gekoppeld, waardoor andere landen – als zij met minimaal negen zijn – automatisch toestemming krijgen om een nauwere samenwerking aan te gaan als een land zich tegen een maatregel verzet. Hierdoor ontstaat een Europese Unie van verschillende snelheden, waarmee de vormgeving van de Unie in handen komt van een select gezelschap. De landen die niet willen of kunnen meedoen, worden buitengesloten en kunnen later enkel slikken of stikken. Ten opzichte van een veto wordt een noodremprocedure nog meer een middel dat niet leidt tot het zoeken naar consensus, maar tot manieren om lidstaten verder te isoleren als zij zich verzetten tegen de meerderheid. Erkent het kabinet dat door deze nieuwe procedure de druk op lidstaten verder wordt vergroot?

Ik heb tot nu toe gesproken over veranderingen ten opzichte van de Europese grondwet. Het is tijd om te spreken over wat mijn fractie vindt van wat de rest van het verdrag inhoudt. Veel is hetzelfde gebleven ten opzichte van de Europese grondwet en veel van onze kritiek dus ook. Inmiddels zijn wij jaren na de opstelling van dat grondwettelijk verdrag. De Europese Unie heeft sindsdien niet stilgezeten. Zij heeft zich verder ontwikkeld en onze kritiek dus ook. De ambities van het verdrag zijn grotendeels hetzelfde gebleven. Naast het slagvaardiger maken van de Unie bevinden de belangrijkste ambities zich op het vlak van buitenland- en defensiebeleid enerzijds en binnenlandse zaken en justitie anderzijds. Dit zijn twee kernonderdelen van elke staat of staat in wording. Het is dan ook niet verbazend dat veel details die nog moeten uitgewerkt op basis van wat is afgesproken, zich in het verdrag vooral op deze twee terreinen bevinden.

Het verdrag komt met belangrijke wijzigingen waardoor de Europese Unie zich verder als machtsblok versterkt en zich kan meten met andere machtsblokken op het wereldtoneel. De wijzigingen betreffen een versterking van het gemeenschappelijk buitenlandbeleid en een verdere militarisering van de Europese Unie. Op de concrete veranderingen zal ik namens mijn fractie later ingaan, maar met deze ambitie alleen al heeft zij een probleem. De Europese Unie behoort al tot de rijkste en militair sterkste regio's in de wereld. Zij heeft vooral de Verenigde Staten van Amerika op militair en buitenlands gebied voor zich te dulden. Waarom moet de Europese Unie als machtsblok worden versterkt en ten opzichte van wat en wie? Ten opzichte van de arme regio's?

Met de onderhandelingen over de EPA's, de Economic Partnership Agreements, liet de Europese Unie zich al van haar neokoloniale kant zien. Dat geldt ook voor het meedoen aan de "battle for brains", waarin hoger opgeleiden uit armere regio's worden weg geplukt, hetgeen leidt tot een braindrain. Voor een rechtvaardige wereldorde zou de Europese Unie eerder een stapje terug moeten doen, vooral op economisch gebied. Deelt de regering de opvatting dat er met de handelsakkoorden met ACP-landen niet alleen nieuwe kansen, maar ook nieuwe bedreigingen worden aangegaan, vooral voor arme landen?

Wij horen over het eendrachtige optreden in het buitenlandbeleid dat de EU zich moet versterken ten opzichte van de Verenigde Staten. In die gedachte zou de Europese Unie niet zo'n agressieve buitenlandpolitiek voeren als de VS en om die reden ook tegenwicht moeten bieden aan de VS. Dat is echter een fabeltje als je kijkt naar de oorlogen die de VS is begonnen en waaraan de EU-lidstaten hebben geparticipeerd. Eerder zal de EU in haar poging om tegenwicht te bieden, als zij dat al wil, veranderen in het evenbeeld, want ook zij voelt zich gelegitimeerd om buiten de VN om op te treden.

In een nota naar aanleiding van het verslag schrijft het kabinet, en ik citeer: "De Unie zal dan ook niet licht besluiten tot militair optreden buiten de VN Veiligheidsraad om." Het optreden van de EU in Kosovo is om die reden nog maar het begin van een steeds vaker solistisch optreden van de Unie, die daarmee de internationale rechtsorde verder ondermijnt. Ziet het kabinet in het optreden van de VS een voorbeeld van hoe de Europese Unie zich internationaal sterk moet maken? Hoe past een sterke EU in een rechtvaardige, multipolaire wereld? Een van de veranderingen om de internationale ambities te verwezenlijken, is de aanstelling van een vernieuwde Hoge Vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid. Naast vooral een rol in de Raad, zal deze een eigen Europese dienst voor extern optreden hebben. Dat wordt een soort diplomatieke dienst. Zal men in de Verenigde Staten dan voortaan wel weten wie men moet bellen wanneer men Europa aan de lijn wil hebben? Ik meen van niet. Met dit verdrag komen er alleen maar extra telefoonnummers bij. Naast de Hoge Vertegenwoordiger komt er ook een Europese president. Na afloop van een Europese top wordt het steeds meer dringen voor de foto: het land dat de overige raden voorzit naast de voorzitter van de Europese Commissie naast de Hoge Vertegenwoordiger naast de regeringsleiders en staatshoofden van de grote lidstaten. De taakverdeling tussen de Hoge Vertegenwoordiger en de Europese president staat voorlopig nog helemaal niet vast. Daarmee is het onduidelijk hoe prominent de president naar buiten zal mogen optreden. Ziet ook de regering dit probleem?

Belangrijker dan deze organisatorische kwesties is het feit dat de Europese Unie op tal van terreinen hopeloos verdeeld is. Er wordt weliswaar geprobeerd de coördinatie van het buitenlands beleid te versterken, maar valt er wel iets te coördineren? Wordt het geen methode om kunstmatig gezamenlijke standpunten te produceren, zoals dat gebeurde ten aanzien van de erkenning van Kosovo? Of wordt het, erger nog, een drukmiddel om dissidenten in een keurslijf te dwingen? Ik maak mij zorgen over de vraag of met dit verdrag de ruimte voor een eigen optreden tegenover het buitenland ernstig wordt beperkt. Hoe legt de regering bijvoorbeeld artikel 32 uit? Daarin staat: "Iedere lidstaat overlegt met de andere lidstaten in de Europese Raad of in de raad alvorens internationaal op te treden of verbintenissen aan te gaan die gevolgen kunnen hebben voor de belangen van de Unie. De lidstaten dragen er door onderlinge afstemming van hun optreden zorg voor, dat de Unie haar belangen en haar waarde op het internationaal toneel kan doen gelden." Betekent dit dat wij, voordat wij ook maar één stap op het terrein van het buitenlands beleid zetten, eerst met de andere lidstaten moeten overleggen of wij er wel goed aan doen? Wat behoort inmiddels niet meer tot de algemene belangen van de Europese Unie?

Zonder gezamenlijk buitenlands beleid is er, naar de mening van onze fractie, geen basis voor een gemeenschappelijk defensiebeleid. Niettemin worden met dit verdrag belangrijke stappen gezet in de richting van verdere militarisering van de Europese Unie. De zogenaamde Petersburgtaken worden uitgebreid. Om nog meer redenen dan nu het geval is, kan de Europese Unie missies buiten de EU inzetten. Dit betreft onder andere ontwapeningsacties. Ook kunnen de missies worden ingezet om landen te helpen om terrorisme te bestrijden. Gezien het te pas en te onpas gebruiken van het woord "terrorisme" begeven wij ons daarmee op een hellend vlak. De lidstaten werken geleidelijk toe naar een gezamenlijk defensiebeleid. De Europese Raad kan op basis van unanimiteit besluiten tot een gemeenschappelijk defensie. De lidstaten verbinden zich ertoe om hun militaire vermogens geleidelijk te verbeteren. Voor het eerst wordt er in dit verband een verwijzing gemaakt naar het Europees Defensie Agentschap, dat dit zal moeten stimuleren. Daarnaast komt er de mogelijkheid van een permanente, gestructureerde samenwerking. Deze zal leiden tot samenwerking tussen de militair meest geavanceerde lidstaten, die vervolgens de slagkracht leveren voor de missies die de Europese Unie wil ondernemen. Frankrijk is volop bezig om landen bij elkaar te krijgen die hieraan willen meedoen.

Er is bovendien een solidariteitsclausule. Deze verplicht landen om elkaar bij te staan in tijden van oorlog of terroristische aanslagen. Met het Verdrag van Lissabon wordt de Europese Unie kortom nog meer ook een militair Europa. Wie heeft daarom in vredesnaam gevraagd? Wat zijn de gevolgen van het feit dat het buitenlands beleid over twee verdragen is verspreid? Het kabinet stelt dat de solidariteitsclausule geen verplichting inhoudt tot het geven van militaire bijstand. Het valt echter op dat deze clausule in het werkingsverdrag is opgenomen. Daarmee wordt het een onderdeel van de communautaire methode. Daarbij gelden geen veto's. Ik verzoek het kabinet om in te gaan op de vraag waarom de clausule is opgenomen in dit deel van de verdragen en de mogelijke gevolgen ervan. Kan het gewijzigd worden zodat het wel een militaire verplichting inhoudt? In de nota naar aanleiding van het verslag zegt de regering dat de bijstandsverplichting geen verplichting is. Hoe valt een bijstandsverplichting niet als een verplichting uit te leggen? In lid 7 van het bewuste artikel staat letterlijk: "Indien een lidstaat op zijn grondgebied gewapenderhand wordt aangevallen, rust op de overige lidstaten de plicht, deze lidstaat met alle middelen waarover zij beschikken hulp en bijstand te verlenen." Dat lijkt mij maar voor één uitleg vatbaar. Er is sprake van een verplichting om elkander bij te staan op het moment dat men wordt aangevallen. Ik verneem daarop graag de reactie van de regering.

In het verslag wees mijn fractie al op de moeilijkheid om terrorismebestrijding en buitenlands beleid van elkaar te scheiden. Het kabinet antwoordde dat per geval een beslissing moet worden genomen onder welk van beide terreinen iets valt. Wat zijn de gevolgen van het feit dat justitie en binnenlandse zaken in het werkingsverdrag staan en dat deze afweging voor het buitenlands beleid niet wordt gemaakt? Dit heeft namelijk grote gevolgen voor de besluitvormingsprocedure die wordt gevolgd.

De Hoge Vertegenwoordiger wordt in de ogen van velen een soort supercommissaris. Hoe zit het echter met de democratische controle van de Hoge Vertegenwoordiger? Hoe moet het verder met het Europese beleid voor ontwikkelingssamenwerking? Wordt dit onderdeel van het buitenlandbeleid, of blijft beleid gericht op de ontwikkeling van landen en de bestrijding van armoede? Blijft er in de toekomst een aparte Commissaris voor ontwikkelingsbeleid bestaan? De SP-fractie zou deze Commissaris niet graag zien vertrekken.

Ik kom op de versterking van de Europese justitie, het politieapparaat en het asiel- en migratiebeleid. De andere belangrijke ambitie bevindt zich op het gebied van de zogenaamde "ruimte voor vrijheid, veiligheid en recht". Deze ruimte wordt als een van de belangrijkste doelstellingen van de Europese Unie gezien. Het omvat een breed terrein, namelijk justitie- en politiesamenwerking, asielbeleid, migratie en de bewaking van de buitengrenzen.

Een belangrijke verandering is natuurlijk het feit, dat nationale parlementen niet meer hoeven in te stemmen met besluiten en dat het Europees Parlement de rol van de nationale parlementen overneemt. Het Europese Hof van Justitie krijgt voor het eerst volledige jurisdictie over dit terrein. Wij vragen ons af wat van dit laatste de gevolgen zijn voor de bestaande wetgeving. Iedere lidstaat kon tot nu toe met een zekere marge beslissen over de vraag, hoe men Europese regels wilde omzetten in nationale wetgeving. Straks kan het Europese Hof van Justitie voor het eerst gaan beoordelen of dit daadwerkelijk op de juiste manier is gebeurd. Ik hoor hierop graag een reactie van het kabinet. Voor de SP-fractie is dit een van de gevoeligste terreinen. Deze onderwerpen, van misdaad tot asielbeleid, trekken veel aandacht van de bevolking. Het is daarom een slechte zaak dat belangrijke beslissingen op deze terreinen verder op afstand komen te staan van de Nederlandse bevolking. Hoe wil de regering voorkomen dat burgers dit ervaren als een groeiende kloof tussen burger en politiek?

Ik wil even stilstaan bij de gevolgen per terrein. Ik begin bij het strafrecht. Wat is de aanleiding voor de voorgestelde veranderingen? Waaruit blijkt dat interstatelijke samenwerking of de bestaande samenwerking niet goed is? Welke bewijzen of signalen worden voor de onderbouwing hiervan aangereikt? Wij hebben inmiddels veel meer ervaring met de samenwerking op dit terrein. Wij hebben al de nodige voorbeelden gezien waarbij het wederzijds erkennen van rechterlijke uitspraken en het Europees aanhoudingsbevel ernstig tekortschieten volgens de normen die in Nederland worden gehanteerd voor een eerlijke en zorgvuldige rechtsgang. De SP-fractie deelt het vertrouwen niet dat het kabinet zo maar stelt in het rechtssysteem van alle andere lidstaten. Hoe kan het kabinet dit volhouden, als wij denken aan lidstaten als Roemenië en Bulgarije? Zelfs de Europese Commissie zegt keer op keer dat deze landen op dit terrein niet voldoen aan de Europese afspraken.

Daarnaast zal het niet mogelijk zijn om ons nationale strafrechtsysteem te vrijwaren van invloed van het Europese strafrecht om grensoverschrijdende misdaad aan te pakken. Het strafrecht is wat dit betreft één huis. Ik citeer uit de toespraak die de toenmalige minister Donner van Justitie in 2003 hield bij de opening van Eurojust. "Toch zal de harmonisatie van de strafwet en de strafvorderingswet die van toepassing zijn op grensoverschrijdende delicten onvermijdelijk het functioneren van het hele systeem beïnvloeden vanwege de eenheid en de homogeniteit van het strafrechtsysteem. Dit betekent dat wij, om 10% van de delicten aan te pakken, wellicht 90% van onze strafwet en strafvorderingswet zouden moeten harmoniseren." Is dit het ons waard? Moeten wij ons hele strafrechtstelsel harmoniseren om 10% van de delicten aan te pakken? Het komt mij voor dat dit niet het geval is.

Ook waar zij elkaar niet beïnvloeden, zullen twee soorten rechtssystemen naast elkaar moeten bestaan. Dit zou ertoe kunnen leiden dat een proces op basis van een EU-richtlijn andere toelaatbaarheid van bewijs kent en andere rechten voor verdachten en slachtoffers kent dan zaken die volgens nationaal recht plaatsvinden. Dit zal raken aan het rechtvaardigheidsgevoel van de Nederlandse bevolking, en overigens ook van de bevolking van de andere lidstaten. Hoe zal het kabinet daarmee omgaan? Er is al sprake van een zekere crisis in de rechtspraak. Hoe gaat het kabinet dit nu weer uitleggen?

Een voorbeeld is de typisch Nederlandse eigen afweging die wordt gemaakt bij het softdrugsbeleid. Wij kregen geen duidelijk antwoord op de vraag of het Verdrag van Lissabon bepalingen bevat die de overige lidstaten van de Europese Unie straks meer mogelijkheden geven om het Nederlandse softdrugsbeleid onder druk te zetten. Ik vraag de regering om alsnog te reageren op dit punt. Hoe zit het straks met de strafmaat? De SP-fractie was blij met de uitspraak die het Europese Hof van Justitie uiteindelijk heeft gedaan over strafrecht in milieuzaken. Er mag weliswaar besloten worden om iets strafbaar te stellen als dit nodig is voor het bereiken van doelen in het EG-verdrag, maar de lidstaten blijven gaan over de strafmaat. Gaat dit veranderen nu JBZ onderdeel gaat uitmaken van het in het Werkingsverdrag herdoopte EG-verdrag?

Voorts worden de instituties verder versterkt die zich met misdaad bezighouden. Als het gaat om coördinatie en afstemming valt hiervoor wel iets te zeggen. Waarom wordt echter de mogelijkheid voor een Europees openbaar ministerie gecreëerd? Kan niet veel beter een lidstaat met ervaring met grensoverschrijdende misdaad die taak vervullen, gesteund door andere landen waar de desbetreffende misdadigers zich ook ophouden? De mogelijkheid van zo'n openbaar ministerie wordt wel gecreëerd, maar het kabinet is onduidelijk over de komst ervan. Het staat dus wel in de steigers. De Europese Unie kennende, is het dan ook niet de vraag óf het er komt, maar wanneer het er komt. Andere onderdelen van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zijn het asiel-, migratie- en grensbewakingsbeleid. Ook hier treden belangrijke veranderingen op.

Bij de vaststelling van het Haags programma is afgesproken te streven naar een asielbeleid in 2010. Wij zien nu al hoe ver de bemoeizucht vanuit de Europese Unie op dit terrein gaat. Deze loopt van afspraken over uitzetten tot faciliteiten die de asielzoekers moeten worden geboden. Alsof dat belangrijke redenen zijn voor asielzoekers om te kiezen voor een bepaald land. Waarom is uitbreiding van bevoegdheden op dit terrein eigenlijk wenselijk en noodzakelijk?

Met het verdrag wordt harmonisatie expliciet toegestaan. De SP-fractie ziet afspraken over minimumnormen met betrekking tot toelating en statusverlening, zoals het nu al kan, als een manier om te voorkomen dat landen elkaar gaan beconcurreren op de strengste voorwaarden. De meerwaarde van de harmonisatie ziet mijn fractie echter niet, zeker niet gezien de verschillen in behandeling van asielzoekers tussen lidstaten. Harmonisatie staat niet langer toe om zorgvuldiger of ruimhartiger te zijn dan andere landen. Wat betekent dit bijvoorbeeld voor een generaal pardon? Kan Nederland zelfstandig beslissen als het van mening is dat om wat voor reden dan ook een ontstane situatie het best kan worden opgelost met een generaal pardon, of kan vanuit de EU een dergelijk besluit worden tegengehouden?

Mijn volgende punt betreft migratie en grensbewaking. Wordt er toegewerkt naar een gezamenlijk beheer van buitengrenzen, zeg maar een EU-douane? In de nota naar aanleiding van het verslag antwoordt het kabinet dat dit al tot de mogelijkheden behoort. Vindt het dit echter ook wenselijk? Naast een EU-diplomatieke dienst en het feit dat alle EU-burgers bij alle EU-ambassades terechtkunnen, komt er ook een rechtsbasis voor de uniformering van identiteits- en reisdocumenten. Worden hiermee ook EU-paspoorten mogelijk? Hoewel het kabinet aangeeft deze ontwikkeling nu nog niet wenselijk te vinden, constateer ik dat deze maatregelen het bij elkaar wel mogelijk maken dat wij straks in het buitenland enkel EU-burger zijn.

Over die Europese diplomatieke dienst valt ook het een en ander te vragen. Is het juist dat die dienst naar verwachting 5000 ambtenaren nodig heeft en dat een derde deel daarvan uit de lidstaten moet komen? Berichten luiden dat het ministerie van BuZa helemaal niet is voorbereid op de uittocht van diplomaten.

Het Verdrag van Lissabon moet leiden tot een grotere slagvaardigheid van de EU. Met dit verdrag wordt de EU steeds minder een samenwerkingsverband van soevereine staten en krijgt zij trekken van statelijkheid. Naast het feit dat politie- en justitiesamenwerking communautair in plaats van intergouvernementeel wordt, komt er ook een Europese president in plaats van het roulerend voorzitterschap. Technische argumenten voor een Europees president zijn de te zware werklast, de discontinuïteit van agenda's en de wisseling van de personen die Europa internationaal vertegenwoordigen. Daarnaast riep de uitbreiding van de EU twijfels op over de kundigheid van de nieuwe lidstaten om leiding aan de EU te geven en over het tijdsbestek tussen de voorzitterschappen.

De voordelen van een roulerend voorzitterschap worden in de ogen van de SP-fractie echter miskend. Het versterkt de aandacht voor de EU en het betreffende land, het maakt nationale politici direct verantwoordelijk voor de Europese beleidskoersen en het biedt de mogelijkheid nationale beleidsonderwerpen op de nationale agenda te plaatsen. Bovendien benadrukt het roulerend voorzitterschap de gelijkheid tussen de lidstaten en geeft het vooral de kleine lidstaten extra zichtbaarheid.

Nederland was dan ook ten tijde van de discussie over de Europese grondwet tegen een vast voorzitterschap, maar verdedigt het nu opeens. Nu stelt het kabinet dat het een technisch voorzitter betreft, maar iedereen kan lezen dat deze strijd nog lang niet is beslist. Daarvoor is nog veel te veel onduidelijk en moeten details nog worden uitgewerkt. Daarbovenop bestaat de mogelijkheid dat het ambt van president van de Europese Raad en het voorzitterschap van de Europese Commissie door dezelfde persoon kan worden uitgeoefend. Gelukkig wijst Nederland deze mogelijkheid af. Het is echter wel bewust mogelijk gemaakt. De mening van Nederland over een Europese Zonnekoning was een ondubbelzinnig nee. Dit werd een "ja, mits" en dreigt nu gewoon een ja te worden. Naast de formele afspraken zal ook veel afhangen van de persoon die het wordt. Het is dus afwachten wat wij straks zullen krijgen.

Een tweede versterking van het statelijk karakter is de overdracht van soevereiniteit, of, in de woorden van de staatssecretaris, het "poolen" van soevereiniteit. Op verschillende terreinen worden de besluitvormingsprocedures namelijk zo aangepast dat Nederland niet meer het laatste woord heeft over zijn eigen rechtsorde. Met ander woorden, Nederland verliest veto's, overigens net zoveel als bij de Europese Grondwet. De Grondwet houdt het in totaal op 17 bestaande artikelen waar wij veto's kwijtraken en 33 nieuwe artikelen waar geen veto op rust; in totaal 50. Natuurlijk zijn ze niet allemaal even belangrijk. De belangrijkste bevinden zich naar onze mening op justitie- en politiesamenwerking, asiel en migratie en energie en klimaat. De SP heeft nooit gepleit voor een teruggave van alle veto's. Ook in onze optiek is meerderheidsbesluitvorming soms een optie, bijvoorbeeld op milieugebied. Daar heeft dit tot nu toe niet geleid tot grote ongelukken, ondanks dat een aantal Oost-Europese landen, bijvoorbeeld onlangs Polen met een snelweg door beschermd natuurgebied, minder milieubewust is. De essentie is dat er met het afschaffen van veto's en het delen van soevereiniteit voldoende overeenstemming moet zijn met betrekking tot de normen en waarden op deze terreinen. Met het afschaffen van vetorechten zeg je het volste vertrouwen te hebben in elkaar. Het is niet enkel een spel van geven en nemen. Dat uitgangspunt garandeert dat er ook draagvlak voor maatregelen bestaat in alle landen, ondanks dat op details de uitwerking zou verschillen als een lidstaat het in zijn eentje voor het zeggen had. Het spijt de SP om te zeggen dat wij dat vertrouwen in meer of mindere mate, afhankelijk van de terreinen waarop veto's worden ingeleverd, niet hebben als het gaat om de lidstaten van de EU. Het betreft hier niet enkel de nieuwe lidstaten. Voorbeelden te over. Neem de regels over hoe lang iemand kan vastzitten in voorarrest, zonder proces en zonder aanklacht. Dat kan in Frankrijk en in Spanje jaren zijn, anders dan in Nederland. De behandeling van asielzoekers in Griekenland zou in Nederland niet worden gepikt.

Ik mis in de discussie over veto's deugdelijke argumenten voor afschaffing ervan. Het slagvaardiger maken van de EU is natuurlijk een open deur. Wij schaffen immers niet alle veto's af. Is de JBZ minder gevoelig en belangrijk dan Financiën waar wij wel veto's behouden? Moeten beide gebieden dan niet slagvaardig zijn? Overigens meldt het kabinet trots dat het veto op onder andere de meerjarenbegroting is behouden, terwijl er geen enkele druk en serieuze voorstellen waren vanuit de lidstaten om die te behouden. Dat is een typische pyrrusoverwinning. Kom niet met open deuren en oneliners, maar kom met argumenten en analyse waaruit zou moeten blijken dat het afschaffen van veto's noodzakelijker is dan de mogelijke risico's die wij lopen bij het weggeven.

Toen wij nog moesten uitbreiden met veel nieuwe lidstaten werd het inleveren van veto's noodzakelijk geacht, maar is de EU sinds de uitbreiding dan verlamd? Op veel dossiers wordt al vooruitgang geboekt. Kijk naar het Klimaatplan en het asielbeleid. Wij besluiten toch nog steeds grotendeels met consensus? Kan het kabinet voorbeelden geven van dossiers die door het afschaffen van veto's een enorme impuls gaan krijgen? Voor de SP is de noodzaak dus niet aangetoond. Volgens de Nederlandse bevolking gaan de ontwikkelingen op Europees vlak vaak te snel. Dat was een van de redenen waarom men neen zei in 2005. Maar wat doet het kabinet? Het wil nog sneller. De SP gaat liever voor zorgvuldige besluitvorming met breed draagvlak en dus zo veel mogelijk gebaseerd op consensus.

Op een aantal gebieden komt er een noodremprocedure, in plaats van het veto. Bij justitie- en politiesamenwerking betekent dit dat een lidstaat bij een aantal gevoelige beslissingen, wanneer hij vindt dat een voorstel fundamentele aspecten van zijn strafrechtstelsel aantast, een voorstel kan blokkeren. Sommigen beweren dat dit bijna hetzelfde is als een veto, maar het is beslist zwakker. Wanneer is iets fundamenteel en wie bepaalt dat? Dat een lidstaat daar niet enkel zelf over gaat, blijkt uit de verandering die de noodrem bij de sociale zekerheid voor migrerende werknemers heeft ondergaan, ten opzichte van de Europese Grondwet. Daar kon eerst enkel een beroep op worden gedaan als er fundamentele aspecten van het socialezekerheidsstelsel in het geding waren, maar nu is de drempel verlaagd en is "fundamenteel" als criterium veranderd in "belangrijk". Andere lidstaten en in laatste instantie het Europese Hof van Justitie moeten het dus wel eens zijn met wat telt als fundamenteel. Bovendien is er nu de procedure aan gekoppeld dat andere lidstaten automatisch kunnen besluiten onderling verder te gaan met de maatregel, waarmee zij de betrokken lidstaat verder isoleren.

Een ander gehoord argument is dat het afschaffen van nationale veto's minder erg is, omdat het Europees Parlement de parlementaire taak overneemt. Hierin zie ik geen gelijkwaardig vervanging. Het Europees Parlement functioneert nog steeds niet als een volwaardig parlement. Het heeft geen recht op initiatief en geen recht op debatten met Eurocommissarissen. Daar bovenop zijn er geen Europese publieke media en geen Europese publieke ruimte. Echte politieke partijen zijn er evenmin. Pogingen om de vorming ervan te stimuleren, komen enkel ten goede aan die partijen die al decennia lang stevig in het Europese zadel zitten, namelijk de conservatieven, de christendemocraten en de sociaaldemocraten. De bevolking in de Europese landen kan nauwelijks een lid van het Europees Parlement noemen. Een recente Eurobarometer meldt dat de meerderheid van de Nederlanders zelfs niet weet dat het Europees Parlement direct wordt verkozen. Dat belooft wat volgend jaar bij de verkiezingen voor het Europees Parlement.

Over democratie gesproken, de SP heeft het burgerinitiatief steeds een positief punt genoemd, ook in de discussie over de Europese Grondwet, omdat het de betrokkenheid van burgers bij de Europese Unie kan vergroten. Wel plaatsen wij vraagtekens bij de verwachtingen die ermee worden gewekt. Het gaat ons ook te ver om in dit kader te spreken van participerende democratie, zoals de regering doet. De Europese Commissie kan een burgerinitiatief immers in alle vrijheid volstrekt ongestraft naast zich neerleggen. Waarop baseert de regering de verwachting dat de Commissie terdege rekening zal houden met burgerinitiatieven? Naar verwachting zal er in de tweede helft van dit jaar een voorstel komen voor de uitwerking van het burgerinitiatief. De regering hanteert het uitgangspunt dat het burgerinitiatief zo uitvoerbaar en eenvoudig mogelijk moet zijn. Dat lijken mij goede uitgangspunten. Ondertussen worden links en rechts al voorstellen gedaan om te komen tot verdere uitwerking. Zo las ik onlangs het voorstel om deelname aan het burgerinitiatief al mogelijk te maken vanaf de leeftijd van veertien jaar. Dat lijkt mij niet bevorderlijk voor het gewicht van dit initiatief. Wat is de opvatting van de regering over de minimumleeftijd voor deelname aan het burgerinitiatief? Er woedt immers al een discussie.

Vervolgens wil ik graag kort stilstaan bij enkele gevolgen voor specifieke beleidsterreinen, te beginnen bij energie. Geeft het nieuwe artikel de Europese Unie een extra middel om de energiemarkt verder te liberaliseren? Het is voor ons nog steeds onduidelijk wat de invloed van de solidariteitsclausule op energiegebied zal zijn voor eventuele nationale voorraden. Is Nederland straks verplicht om energieleveranciers te manen, extra energie te leveren aan landen die getroffen worden door energietekorten? Is dit onafhankelijk van de vraag of landen wel genoeg hebben geïnvesteerd voor de lange termijn om deze tekorten te ondervangen?

Er komen steeds meer zelfstandigen zonder personeel in de Europese Unie. Op basis van de interne marktregels ontduiken zij de minimumlonen en de cao's in de lidstaten. De Europese Unie kan straks zonder veto's maatregelen nemen op dit gebied. Welk effect zal dit hebben op de bestaande problemen die wij hebben met het openstellen van grenzen?

Mijn volgende opmerking betreft de ratificatie van het verdrag. De grondwettelijke goedkeuringsprocedure voor verdragen is onbevredigend. Dit is vorige week ook al aan de orde geweest. De huidige procedure kent echter ook onduidelijkheden. Hierop zijn wij gewezen door professor Besselink. Het kabinet meldt dat er geen onderdelen van het verdrag zijn die strijdig zijn met onze Grondwet en dat daarom voor goedkeuring geen tweederde meerderheid nodig is. Hoe weet het kabinet dit? Het EU-verdrag legt besluitvormingsprocedures vast over toekomstige besluiten waarvan wij de inhoud nog niet kennen. De mogelijkheid bestaat dat er besluiten worden genomen die strijdig zijn met de Europese Grondwet. In dat geval heeft dit besluit op basis van dezelfde Grondwet voorrang. De rechter moet in dat geval het EU-verdrag namelijk laten voorgaan, ondanks strijdigheid met de Nederlandse Grondwet. Het kabinet stelt ons gerust met de vaststelling dat deze situatie zich tot op heden nog niet heeft voorgedaan. Is de crux niet de vraag of het gebeuren kan? Als deze mogelijkheid zich met de aanname van dit verdrag voordoet, zou toch een zware goedkeuringsprocedure moeten gelden met tweederde meerderheid van de stemmen?

De SP vindt de discussie over parlementaire betrokkenheid via het instemmingsrecht en het behandelingsvoorbehoud belangrijk. Het kabinet stelt voor, deze zaken te schrappen omdat in het overgrote deel de rol van nationale parlementen wordt overgenomen door het Europees Parlement. Voor de SP zijn deze twee parlementen niet gelijkwaardig en dus ook niet uitwisselbaar. Daarnaast zijn er andere argumenten om deze instrumenten voor de Kamer te behouden. Het is de beste garantie voor een vroege betrokkenheid van de Kamer. Daarnaast is er ook een gat met betrekking tot de parlementaire controle bij gevoelige beslissingen op politiesamenwerking, waarvoor een noodremprocedure is afgesproken. Noodzaak van instemming door een van beide parlementen ontbreekt echter als de beslissing wordt genomen in de Europese Raad. Wij creëren hiermee een nieuw democratisch gat. Dat moeten wij niet willen en dat moeten wij ook niet toestaan.

Anders dan in 26 andere landen houdt men in Ierland wel een referendum over het Verdrag van Lissabon. Het is daar beslist geen gelopen race. Volgens de laatste peiling zegt 41% van de bevolking ja tegen het verdrag en 33% nee; de overige 26% weet het nog niet of gaat mogelijk niet stemmen. Het is dus volstrekt onvoorspelbaar wat de uitkomst zal zijn op 12 juni 2008. Commissievoorzitter Barroso zei onlangs in een interview dat er geen plan B is voor het geval de Ieren nee zeggen. Dit lijkt mij niet bijzonder geloofwaardig. Het referendum in Ierland is een verplicht referendum en dus dient de Europese Unie rekening te houden met een eventueel Iers nee. Overigens kan het verdrag niet in werking treden als de Ieren nee zeggen. Kan de regering expliciet bevestigen dat het verdrag uitsluitend in werking kan treden indien alle 27 lidstaten het verdrag ratificeren?

Wij moeten bij de beoordeling van dit debat ook stilstaan bij wat er niet is bereikt. Allereerst is het verbazingwekkend dat de grote ergernis, de dubbele vergaderlocatie van het Europees Parlement, niet is opgelost. Is daarover überhaupt gesproken? De wens van de Kamer was bij de regering bekend. Een andere ergernis is het ontbreken van voorstellen voor een sociaal Europa. De EU is enkel bezig met het stimuleren van afbraakpolitiek en ontwikkelt niks dat een sociaal Europa verstevigt. Ook het gebruik van de term "sociale markteconomie" is een gotspe als de term maar een keer in de tekst voorkomt en nergens leidt tot een agenda om de levensstandaard en -zekerheid van mensen te verhogen. De EU hebt geen bevoegdheden voor sociale zekerheid, maar onder het motto van "flexecurity" probeert zij wel in te breken in de nationale socialezekerheidsstelsels. Waarom streeft zij niet naar een Europa met de beste sociale zekerheid, de beste werknemersrechten en de hoogste investeringen in onderwijs, om maar eens iets te noemen?

De uitbreiding en het vrije verkeer van werknemers heeft tot nu toe als belangrijk gevolg dat werknemers in de Europese Unie tegen elkaar worden uitgespeeld en de lonen onder druk worden gezet. Het kabinet lijkt geen oog te hebben voor de problemen die daardoor worden veroorzaakt, zoals gebrekkige huisvesting en uitbuiting, maar heeft ook geen oog voor de problemen ginds, waar arbeidstekorten zijn en gezinnen uit elkaar worden gerukt. De staatssecretaris werd door de fractievoorzitter van de Partij van de Arbeid in Rotterdam nog eens herinnerd aan de lokale gevolgen. Waarom zouden wij geen aanpassingen maken die het mogelijk maken dat het vrije verkeer wordt gereguleerd? Daaraan is alle behoefte. Waarom komt er geen beleidskader om topinkomens van multinationals aan te pakken of belasting shoppen tegen te gaan? Ook het oplossen van grensoverschrijdende problemen is niet daadwerkelijk aan de orde gekomen. Vorig jaar was men maar al te blij met het aan banden leggen van grensoverschrijdende beltarieven. Die werden als succes vol lof gemeld. Overigens is hiervan een direct gevolg dat de beltarieven naar landen buiten de Europese Unie zijn gestegen. Tel uit je winst!

Een laatste, en in mijn ogen zeer kwalijke misser is het feit dat er van dit verdrag geen publieksversie beschikbaar is. Waarom is dit niet het geval? De Kamer heeft hierop verschillende malen aangedrongen. Haar is medegedeeld dat verschijning zou plaatshebben op de Dag van Europa, 9 mei. De conclusie kan niet anders zijn dan dat het kabinet de burger met lege handen laat staan. De Kamer blokkeerde eerder vandaag de betrokkenheid van de kiezers via een referendum. Het kabinet is niet eens bereid de burger op een adequate wijze te informeren over de inhoud van dit verdrag. Dat simpele feit is beschamend.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Ik heb een poos geluisterd naar het betoog van de heer Van Bommel. Hij noemt heel veel bezwaren en kritiekpunten. Ik besef dat dit de eerste termijn is. Misschien is het nog niet het juiste moment voor conclusies. Maar waar zou de SP-fractie graag naar toe willen? Is de heer Van Bommel van mening dat wij veel beter met huidige Verdrag van Nice verder kunnen gaan? Als ik dat scenario in gedachten neem, vermoed ik dat de heer Van Bommel niet verder komt op de terreinen waarop volgens hem Europa zich moet inzetten, zoals de beltarieven en het sociaal beleid. Ik zou eerder zeggen dat je het Verdrag van Lissabon beter kunt gebruiken om op die terreinen wat te bereiken.

De heer Van Bommel (SP):

Als je de bezwaren die ik in mijn betoog noem als instrument zou gebruiken om te snijden in het Verdrag van Lissabon, kom je al een heel eind. Dit betekent dat je geen veto's opgeeft, dat je geen vaste voorzitter en geen Hoge Vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken met verschillende petten hebt. Als je al deze wijzigingen zou toepassen op het Verdrag van Lissabon, kom je op een verdrag waartegen de SP-fractie waarschijnlijk wel ja zou zeggen.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Maar dan heb je het over het Verdrag van Nice.

De heer Van Bommel (SP):

Dat lijkt mij niet. Sinds Nice is er wel het een en ander gebeurd en is er ook sprake van een uitbreiding. Wat dat betreft zitten er nog wel verschillen tussen.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Wij hebben nog steeds te maken met het Verdrag van Nice. Dat is nu werkzaam. Dat is nu de manier waarop wij binnen de grote Europese Unie met elkaar aan het discussiëren zijn en besluiten nemen.

De heer Van Bommel (SP):

Dat klopt. Helaas kunnen wij niet vandaag met amendementen dit verdrag wijzigen. Ik zou dit graag doen. Ik neem aan dat dit ook voor u geldt. U had ook een aantal bezwaren. Zo werkt het helaas niet. Een ratificatiedebat gaat alleen maar over het verdrag zoals het er ligt. Wij kennen de inzet van de regering. Wij hebben steeds gezegd dat wij de inzet te gering vinden en veel te mager. Wij bespreken nu het resultaat van de inzet. Dat resultaat vinden wij ook te mager.

De vergadering wordt van 18.25 uur tot 19.30 uur geschorst.

De heer Ormel (CDA):

Mevrouw de voorzitter. Internationale kwesties van vrede en veiligheid, armoedebestrijding, energie en milieu kunnen alleen met enige kans van succes worden aangepakt als wij onze krachten bundelen. De Europese Unie biedt daarvoor een vanzelfsprekend kader. In deze Unie heeft Nederland van meet af aan een belangrijke positie ingenomen en een aanzienlijke inbreng gehad. Wij Nederlanders danken onze naoorlogse economische ontwikkeling en onze welvaart aan de samenwerking in Europa. Wij zijn Europa.

Aldus koningin Beatrix in de voorbeschouwing van het boek Paleis Europa. Wij behandelen vandaag de wetswijziging ter ratificatie van het Verdrag van Lissabon, de logische opvolger van het Verdrag van Nice. Het is de logische opvolger, omdat de Europese Unie inmiddels bestaat uit 27 lidstaten en de regels daaraan aangepast dienen te worden wil geen stagnatie ontstaan. Deze uitbreiding heeft bijgedragen aan democratisering, stabiliteit en vreedzame ontwikkeling. Nederland profiteert van de toegenomen vraag in de nieuwe lidstaten. Nederland is een van de grootste exporteurs naar de nieuwe lidstaten. Dankzij de Economische en Monetaire Unie zijn de landen die daaraan deelnemen, zoals Nederland, minder kwetsbaar voor bijvoorbeeld de huidige financiële crisis. Dankzij de uitbreiding zijn ook de belangrijkste grondwaarden van de Europese Unie, gelijkwaardigheid, solidariteit, individuele vrijheid en beschermwaardigheid van het leven van onze burgers, steeds beter gegarandeerd. Er ligt een steeds grotere gordel om Nederland heen die het Europese beschavingsideaal, de democratische rechtsstaat en een onafhankelijk rechtssysteem aanvaardt en als norm uitdraagt in de wereld.

Voorzitter. De CDA-fractie complimenteert de minister-president, de minister van Buitenlandse Zaken en de staatssecretaris voor Europese Zaken met het onderhandelingsresultaat en met dit verdrag. Wij zijn blij met het voorliggende wetsvoorstel en wij zullen voor de goedkeuringswet ter ratificatie van het Verdrag van Lissabon stemmen. Wij hebben een eurorealistische koers. Wij zien volop het belang van de Europese Unie. Wij willen ook dat Nederland een actieve plaats inneemt in de Europese Unie, maar wij zijn tegelijkertijd van mening dat zoveel mogelijk nationaal geregeld moet worden wat nationaal kan. Biedt dit verdrag waarborgen voor onze nationale identiteit en biedt dit verdrag kansen voor vooruitgang voor Nederland en voor Europa? De conclusie van de CDA-fractie is een volmondig ja. Een actieve deelname aan een sterke Europese Unie is een Nederlands belang. Namens de CDA-fractie wil ik drie aspecten nader belichten: de democratische controle van de Europese Unie, onze nationale soevereiniteit en identiteit en de ambities die wij moeten hebben.

Voorzitter. Dankzij het Verdrag van Lissabon krijgen nationale parlementen en het Europees Parlement meer controlerende mogelijkheden. Kan de regering nader aangeven hoe zij het institutionele evenwicht in de Unie na de ratificatie van het Verdrag van Lissabon beschouwd? Naar de mening van de CDA-fractie is de Commissie weliswaar initiatiefnemer voor Europese wetgeving, maar zal ook de Europese Raad zich hiermee bezig dienen te houden. De deelnemers aan de Europese Raden staan onder de rechtstreekse controle van de nationale parlementen. Dat betekent dat de controle op de voortgang van de Europese Unie voor een belangrijk deel onder de verantwoordelijkheid van onze nationale parlementen valt. Direct, omdat de Nederlandse deelnemer aan de Europese Raden een vertegenwoordiger van de regering is en het parlement controleert de regering. Daar hebben wij geen amendement voor nodig. Indirect kunnen wij de Commissie controleren, omdat de Commissiebesluiten door de Europese Raad geaccordeerd dienen te worden. Daarnaast krijgt het Europees Parlement meer bevoegdheden om de Commissie te beoordelen. Daarmee is sprake van een grotere democratische legitimiteit.

Sinds het Verdrag van Maastricht heeft de Tweede Kamer het recht van instemming bij besluiten die de Raad op JBZ-terrein neemt. Na ratificatie van dit verdrag zal dit de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht gaan heten. De regering geeft in de nota naar aanleiding van het verslag aan, dat niet langer de noodzaak aanwezig is om het instemmingsrecht voor onderdelen van deze ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te handhaven.

De CDA-fractie is van mening dat het parlementaire instemmingsrecht kan verdwijnen op de onderdelen waar het Europees Parlement mede besluitvormingsbevoegdheid heeft gekregen. Dit geldt niet voor regelingen inzake paspoorten, verblijfsvergunningen en daarmee gelijkgestelde documenten, op het gebied van maatregelen indien lidstaten in een noodsituatie komen door een plotselinge toestroom van onderdanen van derde landen, bij maatregelen met grensoverschrijdende gevolgen voor het familierecht en bij politionele samenwerking. Samen met mijn collega Blom heeft de CDA-fractie op dit punt een amendement ingediend.

Als een lidstaat van oordeel is dat een vastgesteld minimumvoorschrift afbreuk zou doen aan fundamentele aspecten van zijn strafrechtstelsel, kan verzocht worden dit wetsontwerp aan de Europese Raad voor te leggen. Dit schorst de gewone wetgevingsprocedure. De CDA-fractie is van mening dat de Kamer over deze zogenaamde noodremprocedure geïnformeerd dient te worden als de regering overweegt dit instrument in werking te stellen. Ik hoor graag een reactie van de regering.

De CDA-fractie is van mening dat de Europese Unie zo snel mogelijk na de ratificatie van het verdrag van Lissabon kan toetreden tot het EVRM, het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens. Ik vraag de toezegging dat de regering zich daarvoor zal inzetten.

De Commissie zal vanaf 2014 kleiner worden. Dat betekent dat Nederland, maar ook Duitsland, Frankrijk en iedere andere lidstaat, niet altijd vertegenwoordigd zal zijn door een Commissaris. Nu behoort iedere Commissaris op te komen voor het Europese belang. Wij gaan ervan uit dat het ook niet meer mogelijk zal zijn dat een Commissaris tijdelijk met verlof gaat om mee te doen aan een nationale campagne, zodra er niet meer één Commissaris per lidstaat is. Een Commissaris hoort niet zowel van het Europese als van het nationale walletje te eten. Dit is in het verdrag geregeld voor de voorzitter van de Commissie, maar zal wat ons betreft voor alle Commissarissen moeten gelden. Wij overwegen, op dit punt een motie in te dienen.

De CDA-fractie is ook van mening dat een regionale betrokkenheid in de Commissie wenselijk is. Een suggestie zou kunnen zijn om bijvoorbeeld minimaal één Commissaris van de Beneluxlanden bij iedere roulatie in de Commissie te benoemen. Dat zal ook wel zo zijn, want in iedere drie commissies zit Nederland twee keer. Dat betekent dat dit niet zo'n grote opdracht zal moeten zijn als je over drie landen spreekt.

De CDA-fractie is benieuwd naar de inzet van de Nederlandse regering bij de samenstelling van de Commissie. Welke commissariaten acht zij essentieel? Is het te overwegen om bijvoorbeeld clusters te benoemen en zo ja, welke clusters? Te denken valt aan een cluster buitenlandse zaken, een cluster veiligheid, een cluster duurzame ontwikkeling, innovatie en energie, een cluster economie en handel en een cluster sociaal beleid en cultuur. Binnen zo'n cluster, onder leiding van een Commissaris, zou het mogelijk moeten zijn om vicecommissarissen op bepaalde thema's aan te stellen.

De CDA-fractie neemt aan dat na de ratificatie van het Verdrag door de Staten-Generaal, de regering niet gaat afwachten, maar een aanvang neemt met de uitwerking van dit verdrag. Wij verwachten een nadere visie op de rol van de Europese dienst voor extern optreden. De CDA-fractie is van mening dat deze dienst zowel ten dienste van de Raad als ten dienste van de Commissie moet staan, natuurlijk primair aangestuurd door de Hoge Vertegenwoordiger. Maar stelt u zich de agenda van deze Hoge Vertegenwoordiger eens voor! Kan dat door één functionaris lijfelijk worden gedaan? Wekelijkse commissievergaderingen bijwonen, waarvan hij vicevoorzitter is, maandelijkse raden en extern de Unie vertegenwoordigen. Op welke wijze krijgt de Hoge Vertegenwoordiger toegang tot de VN-Veiligheidsraad? Daarover zijn enkele afspraken met Groot-Brittannië en Frankrijk. Kan de regering daar wat meer over zeggen? Zijn er niet enkele plaatsvervangers nodig?

Ten aanzien van de Europese dienst voor extern optreden (EDEO) vragen wij ons af, wie over deze dienst aan wie verantwoording aflegt. Nederland moet zich inzetten voor plaatsing van diplomaten bij deze dienst. In een aantal landen zouden ambassades van de lidstaten gekoppeld kunnen worden aan deze dienst, zodat bijvoorbeeld visaverstrekking gezamenlijk kan worden uitgevoerd. Graag de visie van de regering op de verhouding tussen de Nederlandse diplomatieke dienst en de EDEO. Wij vragen van de regering een notitie over de Nederlandse visie op deze zaken, die toch in het Verdrag van Lissabon geregeld moeten worden.

Onze identiteit is in de eerste plaats nationaal, wat de EU nu juist zo uniek maakt, want dat is niet alleen voor een Nederlander zo, maar ook voor een Zweed, een Ier en een Luxemburger. De zaken die de grootste invloed op ons leven hebben, spelen zich hoofdzakelijk lokaal af: de school van onze kinderen, de verbouwing van je huis, een vergunning om een boom te kappen. Daar gaat Brussel niet over, wat vooral zo moet blijven. Maar laten wij niet blijven hangen in het afbakenen van verantwoordelijkheden. Procedures voor het geven van oranje en gele kaarten zijn een belangrijke verbetering van de democratische legitimiteit van de nationale parlementen, en daar kunnen wij onze regering dankbaar voor zijn. Maar wij moeten ons niet laten verleiden tot louter remmen, wij moeten niet alleen de nadruk leggen op wat niet op Europees niveau moet worden geregeld, maar ook waar de EU wel voor zou kunnen dienen.

De CDA-fractie is van mening dat Nederland meer gediend is met een proactieve opstelling. Wij zullen in ieder geval voorstellen vanuit Brussel vroeger beoordelen en ook voorstellen naar Brussel sturen, via onze collega's in het Europees Parlement en onze regering. Wij zijn van mening dat het mogelijk moet worden om agendapunten vanuit nationale parlementen via de inbreng van de regering toe te voegen aan de agenda van de raden, is het niet de eerstkomende raad, dan de daarop volgende. Wij zijn ook van mening dat de A-punten, in feite hamerstukken, toch beschikbaar moeten zijn voor de Kamer. Over deze A-punten is al op het niveau van een raadswerkgroep besloten, en deze punten worden niet als uitdrukkelijk punt op de agenda van de raden geplaatst. Wij verzoeken de regering na te gaan of het mogelijk is om deze A-punten mee te zenden met de geannoteerde agenda. Als wij daartoe aanleiding zien, kunnen wij de bewindspersoon vragen dit punt uitdrukkelijk op de agenda van de bevoegde raad te laten zetten. Ook de gang van zaken in de comitologie hoort transparant en controleerbaar te zijn. Wij verzoeken de regering in het kader van de transparantie een overzicht van de comités, de samenstelling en hun bevoegdheden openbaar te laten zijn. Graag een reactie van de regering.

Een verdere politisering van het Europese beleid is noodzakelijk. De CDA-fractie is van mening dat het parlement meer moet inzetten op een dualistische informatievoorziening. Europese voorstellen kunnen bezien worden door een nationale bril, maar zij kunnen ook bezien worden vanuit een partijpolitieke overtuiging. Het ondersteunende apparaat van de Kamer is nadrukkelijk gericht op een vroegtijdige signalering van Europese ontwikkelingen die van belang voor Nederland kunnen zijn. De CDA-fractie wil op deze plek grote waardering uitspreken voor de professionalisering van de staf van de Kamer. Klasse! Maar de politieke weging zal niet alleen op nationaal, maar ook op partijpolitiek niveau gemaakt moeten worden. Pas dan kan echt sprake zijn van politisering. De groei en de professionalisering van de ondersteuning van de fracties blijft achter bij de ontwikkeling van het ondersteunende Kamerapparaat. Dat staat op gespannen voet met dualistische informatievoorziening. Dit is geen pleidooi, gericht aan de regering, maar aan onszelf. De CDA-fractie zal via haar vertegenwoordiging in het Presidium aandacht vragen voor het belang van dualistische informatievoorziening.

Dit verdrag is een middel om verder te gaan, om ambitie te tonen. De wereld om Nederland heen verandert, en deze veranderingen zetten door. Nog geen twintig jaar geleden bevond zich op 250 kilometer afstand van de Nederlandse grens het IJzeren Gordijn. Wie nu door Berlijn loopt, moet moeite doen om deze voormalige scheidslijn te ontwaren. Machtsblokken in de wereld verschuiven en daar liggen kansen voor Nederland: kansen om ons mensenrechtenbeleid met kracht uit te dragen, kansen voor het Nederlandse bedrijfsleven, kansen voor de Nederlandse student, kansen voor duurzaam beheer van onze aarde, kansen voor onze veiligheid, kansen voor het behoud van onze welvaart en kansen voor solidariteit met de zwakkeren. De Nederlandse regering en ook het Nederlandse parlement moeten zich inzetten om veelvuldig over de Europese Unie te communiceren, om vertrouwen terug te winnen. Op welke wijze pakt de regering dit aan? Worden ook maatschappelijke organisaties hierbij in voldoende mate betrokken? Hoe staat het met de aangekondigde structureel betere informatievoorziening? En op welke wijze gaat de regering concreet en tastbaar invulling geven aan de wens van de Kamer om regio's over de grenzen heen beter te laten samenwerken? De Euregio's zijn een belangrijk middel voor samenwerking in de Europese Unie. Nederland hoort thuis in de voorhoede van het Europese integratieproces. De regering heeft daarvan al blijk gegeven door de actieve inzet voor het klimaat en tijdens de onderhandelingen voor dit verdrag.

De eurorealistische koers van het CDA houdt ook in dat wij er scherp op toezien dat de Europese Unie zich niet gaat bemoeien met zaken die thuishoren op nationaal of op regionaal niveau. Dat noemen wij subsidiariteit. Maar daarnaast willen wij volop werken aan de gezamenlijke uitdagingen. Wij verwachten een actieve participatie in de club van wijzen en wij nodigen de regering uit om voor de bespreking van de staat van de Unie ook haar visie over de toekomst van de Europese Unie aan de Kamer te doen toekomen. Het CDA wil een Europese Unie die werkt vanuit het besef een hoofdrol te moeten vervullen in de nieuwe geopolitieke machtsverhoudingen in de wereld om het Europese beschavingsideaal te verdedigen en waar mogelijk uit te dragen. Deze uitdaging vergt een coherente Europese aanpak. Daar kan en hoort Nederland een belangrijke bijdrage aan te leveren. Nederland hoort wat de CDA-fractie betreft in de Europese voorhoede.

De heer Ten Broeke (VVD):

De heer Ormel zegt dat de regering een instemmingsrecht wil op drie artikelen waarop het Europees Parlement geen invloed kan uitoefenen, namelijk op artikelen over identiteitskaarten, over de operationele politiesamenwerking en over het grondgebied waarop de politie van een andere lidstaat kan opereren. Waarom wil hij dat niet bij de zogenaamde noodrem, bij artikel 42, over de sociale zekerheid? Waarom wil hij dat niet bij het Openbaar Ministerie? Daar heeft de heer Ormel in het verleden toch vragen bij gezet? Waarom wil hij het niet bij het strafrecht en de minimumvoorwaarden? De heer Ormel vraagt naar de mening van de regering. Ik vraag echter naar zijn mening. Waarom wil hij dat niet op het terrein van buitenland en veiligheid? Hij vervult daarbij zelf een bijzondere rol. Hij kent toch de artikel 100-procedure? Die heeft de Kamer niet voor niets. Waarom wil hij A-punten toevoegen aan geannoteerde agenda's, die over het algemeen weinig inzichten bieden? De A-punten maken dat toch niet beter?

De heer Ormel (CDA):

Voorzitter. Is dit een bijdrage of een vraag?

De heer Ten Broeke (VVD):

Het zijn een paar vragen die u zou kunnen beantwoorden.

De voorzitter:

Ik denk dat de heer Ormel dat ook lukt.

De heer Ormel (CDA):

Dat lukt mij, vooral omdat de heer Ten Broeke in zijn vragen al de antwoorden heeft besloten. Waarom geen instemmingsrecht voor het buitenlands beleid terwijl er een artikel 100-procedure is? Dat instemmingsrecht hoeft niet, juist omdat er een artikel 100-procedure is. Alle artikelen die de heer Ten Broeke noemt, zijn naar de mening van de CDA-fractie democratisch geborgd door hetzij de mogelijkheden van ons parlement hetzij de mogelijkheden van het Europees Parlement. In sommige gevallen is het geborgd door mogelijkheden van beide parlementen. Wij vinden het dus niet nodig. De heer Ten Broeke leest zijn amendement voor. Ik heb echter samen met de heer Blom een amendement ingediend waarin wij specifiek de artikelen opnoemen waarvan wij menen dat er sprake is van een democratisch deficit. Wij willen daarin duidelijk zijn. Vandaar dat wij amenderen. De artikelen die de heer Ten Broeke in zijn amendement toevoegt, dat een zwaardere versie is van het amendement-Ormel/Blom, vinden wij democratisch voldoende geborgd.

De heer Ten Broeke (VVD):

De regering is dit niet met de heer Ormel eens, want juist onder titel V zegt zij dat er wel degelijk sprake kan zijn van bijvoorbeeld het uitwisselen van persoonsgegevens in het buitenlandbeleid. P&R kwam bijvoorbeeld aan de orde in de beantwoording. De regering schrijft dan dat dit wordt overgelaten aan toezichthoudende instanties. Die controleren achteraf en dan is er dus sprake van een democratisch deficit, voor zover ze al controleren. Daar is de heer Ormel het dus niet met de regering eens en daar zit dat democratisch deficit. Waarom staat dit dan niet in zijn amendement?

De heer Ormel (CDA):

Omdat wij van mening zijn dat het daar niet zit. Ik stel voor dat wij het antwoord van de regering afwachten. Als zij ons amendement te slap vindt en het amendement van de heer Ten Broeke overneemt, zal ik de eerste zijn om dat te erkennen, tenminste als de begeleidende tekst van de regering valide is.

De heer Ten Broeke (VVD):

De heer Ormel wil heel graag dat wij gaan accelereren, dat wij voortgang maken. Dat wil ik ook. Kan hij verklaren waarom alle landen die met instemmingrechten werken en met onderhandelingsvoorbehouden, in de uitvoering van Europese regelgeving Nederland ver vooruit zijn?

De heer Ormel (CDA):

Nu stelt de heer Ten Broeke een heel moeilijke vraag. Hij zegt dat als het licht op oranje springt en het gaat regenen, dat komt doordat het licht op oranje gaat. Zo is het niet. Dat andere landen soms wat verder zijn, komt wellicht ook doordat de parlementen daar wat harder werken. Dat is een mogelijkheid. In ieder geval werkt het Nederlands parlement gedegen. De CDA-fractie is van mening dat wij voldoende democratische middelen hebben om deze regering te controleren. Deze regering is met haar vertegenwoordiging in alle raden van Europa op een belangrijk niveau controleerbaar. Daarmee heeft het nationale parlement een vinger in de pap in de Europese Unie. Op een klein punt is dit niet het geval en daarom heb ik samen met collega Blom een amendement opgesteld.

De heer Van der Staaij (SGP):

Mevrouw de voorzitter. Voordat ik concreet op het voorliggende verdrag inga, wil ik eerst enkele algemene opmerkingen maken over de houding van de SGP ten opzichte van Europa. Vanaf het allereerste begin, dat nu dus ruim 50 jaar achter ons ligt, heeft mijn fractie een herkenbare, maar ook kritische visie gekend op het proces van Europese integratie. Geen blinde kritiek. De EU hebt zonder twijfel veel bijgedragen aan de lange periode van vrede en welvaart die wij nu mogen kennen. Dat erkennen wij graag en daarvoor zijn wij dankbaar.

Toch heeft de SGP-fractie zich vaak kritisch opgesteld tegenover het Europese eenwordingsproces en dit is door de jaren heen in veel toonaarden bezongen. Was het eenwordingsproces niet louter gefundeerd op menselijk optimisme zonder te rekenen met God en zijn woord? Zou Nederland niet worden overvleugeld door grote landen? Baren wij niet een bureaucratische moloch die zich losweekt van de burgers?

De Europese integratie heeft inmiddels een hoge vlucht genomen. Er is nauwelijks een onderwerp te noemen of Brussel houdt zich ermee bezig. Aan de ene kant bood de EU oplossingen voor problemen die grensoverschrijdend zijn. Wij erkennen de waarde daarvan en denken daarover graag constructief mee. Aan de andere kant streefden veel politici een almaar voortgaande europeanisering na. Daartegen hebben wij ons blijvend verzet. De EU is geen doel op zich.

Op 1 juni 2005 bleek dat veel burgers dit ook zo zien toen de EU-grondwet bij referendum een nee te horen kreeg. Eurofiel Den Haag schrok wakker uit zijn droom, in ieder geval voor even. Het SGP-geluid dat vroeger als tegendraads of zelfs achterhaald werd gezien, kreeg bredere weerklank, zowel bij burgers als bij politici.

In de afgelopen twintig jaar heeft de SGP vaak nee gezegd tegen nieuwe Europese verdragen. Meestal omdat de EU naar onze mening te hard van stapel liep en om te voorkomen dat de Nederlandse regering de controle op allerlei zaken uit handen zou geven. Betekende dit een antihouding? Nee, het ging en gaat ons om een Europa dat zijn grenzen kent en zich tot zijn kerntaken beperkt. Op veel terreinen is de Brusselse bemoeienis te ver doorgeschoten, maar grensoverschrijdende problemen zoals de achteruitgang van het milieu, internationale criminaliteit, terrorisme, toestroom van asielzoekers en illegale migrantenproblematiek vragen wel om Europese oplossingen. Nationale oplossingen zijn daarvoor niet toereikend. Een probleemgerichte benadering van Europese integratie is dus gewenst. Iets daarvan zien wij – ik zeg dat met waardering – overigens ook terug in het beleid van het kabinet, een nuchtere insteek ten opzichte van Europa. In die lijn willen wij graag meedenken: nationaal beleid waar mogelijk, Europees beleid waar dat geboden is. Burgers zullen zich immers het beste in Europa herkennen als Europa bijdraagt aan de oplossing van concrete problemen.

Vanuit de zojuist geschetste houding wil mijn fractie het voorliggende verdrag beoordelen. Ik teken daarbij aan dat dit eenvoudiger is gezegd dan gedaan. Dat het Verdrag van Lissabon uiteindelijk onderwerp is geweest van ordinaire koehandel, is op elke pagina zichtbaar. Het wemelt van de ingewikkelde overgangsbepalingen, protocollen, opt-outs en opt-ins, nadere verklaringen et cetera. Over transparantie en simplificatie gesproken!

Daar komt bij dat een aantal zaken zich in de praktijk moet uitkristalliseren, bijvoorbeeld de dubbelrol van de Hoge Vertegenwoordiger. Wat wordt de betekenis van de vaste voorzitter van de Raad in combinatie met een verkleining van de Europese Commissie of de uitbouw van de Europese diplomatieke dienst? Het verdrag kent daarom nogal wat losse einden en dat maakt het lastig om de precieze gevolgen van dit verdrag te voorspellen, temeer omdat juist de personele invulling van gepleegde innovaties vaak een belangrijke factor is.

In het verslag heb ik al opgemerkt het te betreuren dat in het verdrag de Unie zich opnieuw niet uitspreekt over de finaliteit van de EU, noch in geografische, noch in inhoudelijke zin. Lidstaten geven vele veto's op en er is sprake van nieuwe bevoegdheidstoedelingen aan en bevoegdheidsuitbreidingen van EU-instellingen zonder dat wordt aangeduid wanneer deze bevoegdhedenoverdracht een grens bereikt. De regering antwoordt eenvoudigweg dat dit ook niet de doelstelling van het verdrag was. Dat kan ik geen argumentatie noemen. Wanneer heeft het integratieproces zijn grens bereikt? Wanneer heeft het aantal lidstaten zijn grens bereikt? Waarom spreekt het verdrag niet duidelijk uit dat de EU een functionele organisatie moet zijn en blijven, die eerst en vooral bedoeld is voor het samen oplossen van politieke en maatschappelijke problemen die lidstaten zelf niet meer het hoofd kunnen bieden? Het is toch niet overdreven om hierop een antwoord te verlangen? Ik verwijs in dit verband naar hetgeen hierover door de Nationale Conventie naar voren is gebracht. Ook de Conventie legde immers de vinger op het taboe rond de finaliteitsdiscussie.

Zo kunnen er telkens nieuwe vragen rijzen. Zo wordt de EU plotsklaps een belangrijke taak toegekend bij het sportbeleid. Waar komt dit vandaan? Welke knelpunten worden hiermee opgelost, die niet langs andere weg hadden kunnen worden weggenomen?

Bovenaan ons wensenlijstje voor de EU staat een beleid dat strookt met Gods goede geboden. Niet alleen in Nederland, maar ook in Europa waait momenteel een seculiere wind. Wil de EU zich ontwikkelen tot een duurzaam samenwerkingsverband, dan dient zij niet alleen een economische, maar ook een geestelijke samenhang te hebben: een gedeeld waardebesef. Daarom vonden wij het zo wenselijk dat als de regeringsleiders zich in het verdrag zouden uitspreken over het geestelijke erfgoed van Europa, het christendom daarbij niet verzwegen zou worden. Meer nog, dat zij de betekenis van christelijke waarden voor het Europa van de toekomst zouden onderstrepen.

Helaas bevat het verdrag een aanvulling op de bestaande preambule, waarin wordt ingegaan op het geestelijk erfgoed van Europa, maar waarin het christendom verzwegen wordt. Zonder het christendom is Europa echter niet te verklaren. Europa mist, na het doorsnijden en marginaliseren van de christelijke wortels van Europa, een werkelijk bezielend en samenbindend verband. Europa is voor veel mensen slechts een technocratisch apparaat geworden, ver van hun bed. Is er dan niet veel voor te zeggen – gelet op de zorg om de huidige invulling van de moraal, maar ook gelet op bedreigingen van buiten, zoals de radicale islam – om opnieuw de rijke betekenis van de christelijke traditie en de daaruit voortvloeiende waarden en normen te belichten? Juist ook in Europees perspectief en juist ook met het oog op onze identiteit? Is dan deze armetierige preambule geen gemiste kans?

Al bij het Verdrag van Nice heeft mijn fractie expliciet gewezen op de verhouding tussen achtereenvolgende uitbreidingen van de Europese Unie met nieuwe lidstaten en de alsmaar voortgaande uitbreiding van de taken en bevoegdheden van deze Unie. Naar mijn mening was en is het gelet op het toenemende aantal lidstaten noodzakelijk om niet meer bevoegdheden aan de Europese Unie te verlenen, maar juist om bevoegdheden terug te geven aan de lidstaten. De met de uitbreiding van de EU sterk groeiende diversiteit aan nationale culturen, identiteiten, belangen en vormen van wetgeving moeten dwingen tot een duidelijke beperking van de taken en bevoegdheden van de EU.

Ook de kloof tussen de burgers van de lidstaten en de Brusselse politiek zou ertoe moeten nopen om uiterst terughoudend te zijn met het overdragen van alsmaar meer bevoegdheden van de lidstaten aan de EU, en zelfs te kijken of bevoegdheden teruggegeven kunnen worden aan de lidstaten. Ik constateer dat in het verdrag aan die notie niet herkenbaar gestalte wordt gegeven. Is dat geen gemiste kans, juist nu wij spreken over zo'n intensief doorlopen traject over bevoegdheidsverdeling tussen EU en lidstaten? Is mijn conclusie juist dat in het verdrag de bestaande systematiek van bevoegdheden wel wordt verduidelijkt, waarvoor waardering, maar niet wordt beperkt en zeker geen rem vormt op de zich almaar uitbreidende Europese beleidsdynamiek?

Ik wil de aanwezigen niet vermoeien met de behandeling van de vraag of dit verdrag nu wezenlijk afwijkt van de eerder afgeschoten grondwet. Daarover is al vaak gedebatteerd. Naar mijn overtuiging is er inhoudelijk bijzonder weinig verschil tussen de toenmalige grondwet en het huidige verdrag. Een recente, boeiende nota van het wetenschappelijk instituut van de ChristenUnie onderstreept dit. Het is niet voor niets dat op één na iedere Kamerfractie hetzelfde standpunt innam ten opzichte van de grondwet en het nu voorliggende verdrag. De verschillen tussen grondwet en verdrag hebben vooral betrekking op vorm en symbolen. Inhoudelijk zijn de verschillen marginaal. Veel deskundigen, maar ook de meeste Europese regeringsleiders, hebben dit ook klip-en-klaar aangeduid en het zou het kabinet sieren als zij dat ook deed. Ik wil niet blijven steken in de vergelijking met de Europese grondwet.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Het is goed om te merken dat verschillende collega's verwijzen naar het korte commentaar van ons wetenschappelijk instituut. Hebt u in het commentaar gelezen dat veel verschillen weliswaar de vorm betreffen, maar dat die vormverschillen wel degelijk een inhoudelijke betekenis hebben?

De heer Van der Staaij (SGP):

Ik heb het hele verhaal gelezen en ik heb zeker gezien welke waardering wordt toegekend aan de vormverschillen. Ik heb ook gelezen dat in het Verdrag van Lissabon een substantiële verdieping van het integratieproces wordt gegeven en dat daarvoor nieuwe mogelijkheden worden gegeven. Er staat ook in dat het verdrag in vergelijking met de huidige situatie de statelijkheid van de EU verder doet toenemen. Ik zeg niet dat het hele verhaal alleen maar een onderstreping is van mijn analyse, maar het viel mij op. Mijn complimenten voor de onafhankelijkheid van het functioneren van zo'n instituut om gewoon met zo'n heldere, eerlijke analyse te komen van verschillen en overeenkomsten tussen de oude grondwet en het voorliggende nieuwe verdrag.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Ik ben dan wel heel benieuwd welke inhoudelijke weging u aan die vormverschillen geeft.

De heer Van der Staaij (SGP):

De inhoudelijke weging die ik geef aan de vormverschillen is dat het op zichzelf een vooruitgang is dat zaken als de vlag en het volkslied verdwenen zijn, maar dat zij voor ons onvoldoende zijn om te zeggen dat nu een verdrag voorligt, waarin mijn fractie zich wel kan vinden. Er zijn nog veel punten die te wensen overlaten. Ik noem zaken waartegen wij ons in het verleden ook verzet hebben, zoals de president en de overdracht van veto's. Er zijn nog meer punten. Ik kom daar verderop in mijn betoog nog op terug.

Voorzitter. Het gaat er nu vooral om hoe dit verdrag zich verhoudt ten opzichte van Nice. Dat is de bestaande situatie. Hoe beoordelen wij in vergelijking daarmee het nu voorliggende verdrag? Mijn fractie heeft voluit oog voor de positieve elementen die het betreffende verdrag van Lissabon biedt. Ik denk expliciet aan bijvoorbeeld de grotere rol van nationale parlementen met de gele en oranje kaart en de verhelderde relatie tussen de bevoegdheden van lidstaten en EU. Helaas overheersen voor mijn fractie toch de negatieve elementen.

Opnieuw is er sprake van vele nieuwe bevoegdheidstoedelingen en vele bevoegdheidsuitbreidingen voor de EU-instellingen, zonder dat daarbij altijd een overtuigende motivering op basis van het subsidiariteitsbeginsel voorhanden is. Dit betreft met name de terreinen op het gebied van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht en een serie nieuwe beleidsterreinen waarop de EU bevoegdheden heeft geclaimd, zoals energie en het gemeenschappelijk buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid. Ik denk ook aan het nieuwe instrument voor het externe beleid. Na de voltooiing van de interne markt richt de EU haar ambities overduidelijk op de onderdelen uit de huidige derde pijler en het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en het Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB). De EU moet op het wereldtoneel haar eigen rol gaan spelen. Ik noem hierbij het expliciet aanzetten tot een Europees leger en de oprichting van een Europees Defensieagentschap, een soort embryonaal ministerie van Defensie van de EU. Of het hier altijd om EU-doelstellingen gaat, blijft voor de SGP-fractie een knellende vraag. Met dit verdrag krijgt het integratieproces in ieder geval een stevige verdieping.

In aansluiting op het voorgaande noem ik de afschaffing van de zogenaamde pijlerstructuur. Concreet betekent dit onder meer dat ook de justitiële en politiële samenwerking in strafzaken – de derde pijler – terecht komt onder het supranationale model. Op deze terreinen wordt dus voortaan met gekwalificeerde meerderheid in plaats van bij unanimiteit besloten. Dat is een ingrijpende stap. De motivatie ervoor acht ik nog steeds mager. Welke concrete politieke problemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht kunnen niet worden opgelost onder de huidige verdragsbepalingen, maar wel onder de nieuwe? Kan de regering hard maken dat besluitvorming bij unanimiteit de totstandkoming van Europees beleid en Europese regelgeving op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht heeft gefrustreerd?

Naast inhoudelijke terreinen waarop het integratieproces een impuls krijgt, kan nog worden gewezen op de royale mogelijkheden voor een verdergaande sluipende integratie via het mechanisme van nauwere samenwerking. Zonder allerlei verdragswijzigingen kunnen kopgroepen van lidstaten op bepaalde beleidsvelden overgaan tot verdere integratie. Vervolgens zal deze potentiële toekomstige deelnemers binden. In dit kader wijs ik op het mogelijke gevaar van een Europese Unie met twee of meer snelheden. Dat zal zich manifesteren wanneer een groep lidstaten op een bepaald beleidsterrein een nauwere samenwerking aangaat. Is de regering hiervoor niet beducht? Dit geldt zeker in relatie tot de recent toegetreden lidstaten en de mogelijk in de nabije toekomst toetredende lidstaten. Op veel beleidsterreinen hebben deze immers nog een relatief grote achterstand op andere lidstaten. Gebruikmaking van het instrument van de nauwere samenwerking met buitensluiting van de nieuwere lidstaten kan zo maar afbreuk doen aan de onderlinge loyaliteit tussen de lidstaten en hun loyaliteit ten opzichte van de Europese Unie. Bovendien ontstaan op deze wijze twee lagen van regelgeving, zelfs binnen een en hetzelfde beleidsterrein. Het ene daarvan is bindend voor alle lidstaten en het andere slechts voor de deelnemers aan de nauwere samenwerking. Hierdoor komt de transparantie en de zichtbaarheid van de Europese samenwerking op het beleidsterrein in kwestie in gevaar. Hoe ziet de regering dit?

Daarnaast leg ik de vinger bij de verruiming van de reikwijdte van het flexibiliteitsartikel, artikel 352 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Dat artikel voorziet in een algemene bevoegdheid voor de gevallen waarin het verdrag niet in een specifieke bevoegdheid voorziet om een van de doelstellingen van de Unie te kunnen verwezenlijken. Dit artikel staat in beginsel haaks op de nagestreefde heldere afbakening van bevoegdheden tussen de Europese Unie en de lidstaten.

In algemene zin moet ik constateren dat de ambities van een federaal Europa derhalve bepaald niet zijn verdwenen. Op het institutionele vlak wordt in dit verband een aantal hervormingen doorgevoerd: een sterkere Europese Raad, een vaste voorzitter van de Raad, verlies van een eigen Eurocommissaris, een Hoge Vertegenwoordiger met eigen diplomatieke dienst. Deze zullen de Europese Unie een meer federaal aanzien gaan geven. Het verdrag kan voor kleine lidstaten slecht uitpakken door de instelling van een vaste voorzitter en het vooruitzicht niet langer altijd een eigen onderdaan in de Europese commissie te hebben. De kleine en middelgrote lidstaten, waaronder Nederland, hebben hiertegen in het verleden altijd krachtig geageerd.

Mijn fractie is verheugd over het feit dat aan artikel 12 een protocol is toegevoegd over het subsidiariteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel waarin een rol is toebedeeld aan de nationale parlementen. De in dit protocol vastgelegde procedure biedt in ieder geval de nodige mogelijkheden voor een sterkere betrokkenheid van de parlementen bij de Europese besluitvorming. Het risico dat sprake is van een papieren tijger is vanwege de beperkingen die het protocol aan de gebruikmaking van deze mogelijkheden verbindt echter niet denkbeeldig. In dit verband wijs ik op de zeer korte termijn van acht weken waarbinnen een derde deel van de nationale parlementen bezwaar moet hebben gemaakt tegen een voorstel van de Europese Commissie. Dat vergt een zeer goed lopende interne behandelprocedure van elk nationaal parlement en een zeer geperfectioneerde samenwerking met andere nationale parlementen. Wij moeten dus nog wel zien wat het in de praktijk daadwerkelijk zal gaan opleveren.

Ik wil ook stilstaan bij het parlementair instemmingsvereiste zoals dat op dit moment nog geldt. Met bindende derdepijlerbesluiten over strafrechtelijke samenwerking mag de Nederlandse minister in de Raad pas instemmen wanneer het parlement ermee heeft ingestemd. De regering wil dit vereiste schrappen. Dat zou een substantiële verslechtering van de positie van het parlement zijn ten opzichte van de huidige situatie. Het is ontoereikend om dit te verdedigen met de enkele verwijzing naar de rol van het Europees Parlement op dit terrein. Het betreft een Europese procedure, die zich niet primair richt op de regering. Het instemmingsvereiste waarborgt dat de minister rekening houdt met de parlementaire wensen. Vorige week werd in het rondetafelgesprek gezegd dat het instemmingsvereiste juist mogelijkheden biedt voor nationale regeringen om internationaal een steviger onderhandelingspositie te krijgen. Mijn fractie wenst geen verslechteringen ten aanzien van het huidige parlementaire instemmingsvereiste. Wij willen dit behouden, zeker op de gevoelige terreinen van politie, justitie, migratie, asiel en externenbeleid. Voor de overige terreinen dient ten minste een behandelingsvoorbehoud te worden ingevoerd. Veel lidstaten kennen de afspraak dat de regering pas met ontwerpbesluiten mag instemmen wanneer zij door het parlement zijn vrijgegeven. Wij zijn benieuwd naar de reactie van de regering op de amendementen die vanavond zijn ingediend. Het gebeurt niet zo vaak dat bij het debat over de goedkeuring van een verdrag spannende amendementen nog een rol spelen, maar vanavond is dit terecht wel aan de orde. In eerdere debatten over Europa ging het vooral om de weging van de inhoud van het verdrag. Het nieuwe element in dit debat ten opzichte van de eerdere is de vraag naar de voortgaande betrokkenheid van het Nederlandse parlement bij de inbreng in Europa van niet alleen huidige, maar ook van toekomstige ministers. Volgens mijn fractie is het van groot belang om deze betrokkenheid niet van de goedwillendheid van de leden van het kabinet te laten afhangen, maar deze betrokkenheid stevig wettelijk te borgen.

Wij plaatsen vraagtekens bij de introducering van de post van vaste voorzitter van de Europese Raad. Het is zeker denkbaar dat deze voorzitter zich presidentiële allures zal gaan aanmeten. Het leiden en stimuleren van de werkzaamheden van de Europese Raad, de zorgplicht voor de voorbereiding en continuïteit van de werkzaamheden van deze instelling en de taak om de samenhang en de consensus te bevorderen, zijn bepaald niet louter procedurele taken. Het is toch reëel om ervan uit te gaan dat een krachtige persoonlijkheid hieraan een politieke invulling zal geven?

Mijn scepsis geldt ook de taak van de voorzitter op het terrein van de externe vertegenwoordiging. Het is zeker niet denkbeeldig dat hierbij spanningen ontstaan met de functie-uitoefening van de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid. Zo behoort de voorbereiding van het gemeenschappelijke buitenland- en veiligheidsbeleid tot het takenpakket van de Hoge Vertegenwoordiger. Aangezien echter de Europese Raad de strategische beleidslijnen op dit terrein vaststelt, kan ook op dit punt de vaste voorzitter een substantiële rol claimen. Dat is toch risicovol? De regering kan toch niet stellen dat de rol van de voorzitter op het terrein van de externe vertegenwoordiging vooral technisch van aard is? Als dat zo was, zou ook de bepaling overbodig zijn dat deze taak geldt, onverminderd de aan de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid toegedeelde bevoegdheden. Rivaliteit en territoriumdrift zouden wel eens de vruchten van deze constellatie kunnen zijn.

De Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid zie ik als de cosmetische herintroductie van de EU-minister van Buitenlandse Zaken. Aan de institutionele vormgeving van deze post kleven veel nadelen. Ik noem in dit verband de dubbele hoed van deze persoon, als de vertegenwoordiger namens de Europese Raad en Eurocommissaris voor externe betrekkingen. Feitelijk spreken wij hierbij over een Europese superminister van Buitenlandse Zaken. Hij zal het gezicht naar buiten toe zijn. In dit verband zal hij ook in de Veiligheidsraad het standpunt van de Europese Unie verwoorden. Verder zal hij leiding geven aan de Europese diplomatieke dienst en aan de vertegenwoordigingen van de Europese Unie in het buitenland. Al met al wordt met de introductie van deze post een stevige impuls gegeven aan het gemeenschappelijk buitenlands beleid. Dit beleid is altijd als intergouvernementeel aangemerkt en volgens mijn fractie moet dit zo blijven.

Ik merk hierbij op dat de buitenlandspolitieke prioriteiten van lidstaten vaak zodanig uit elkaar liggen, dat het nastreven van een alomvattend gemeenschappelijk buitenlands beleid tamelijk vruchteloos lijkt te zijn. De doelstellingen die hierover zijn geformuleerd, zoals de wereldwijde verspreiding van de beginselen die aan de oprichting, ontwikkeling en uitbreiding van de Europese Unie ten grondslag liggen, lijken erg pretentieus en ambitieus, zeker in het licht van de meningsverschillen die er over concrete kwesties van buitenlands beleid in de afgelopen jaren naar voren zijn gekomen. Volgens SGP-fractie behoort het buitenlands beleid tot de kern van de beleidsbevoegdheden van lidstaten. Daarom zien wij geen heil in de stapsgewijze invoering van besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid. Tot slot wekken op dit punt zinsneden waarin gewag wordt gemaakt van de totstandbrenging van een steeds toenemende convergentie van het optreden van de lidstaten, ten minste de indruk dat wordt beoogd om een volledig uniform buitenlands beleid tot stand te brengen. Volgens ons moet er altijd voldoende ruimte blijven voor nationale standpunten en accenten. Is dat met deze formulering wel voldoende gegarandeerd?

Over het beoogde veiligheidsbeleid is mijn fractie ook niet gerust, al ben ik blij dat de besluitvorming bij unanimiteit wordt gehandhaafd en het beleid op intergouvernementele leest geschoeid blijft. Ik kan mij echter niet aan de indruk onttrekken dat de nieuwe bepaling over het defensiebeleid meer dan voorheen de mogelijkheid aan de Europese Unie biedt om, los van de NAVO en de VS, een eigen veiligheidsbeleid te voeren, met als uiteindelijke uitkomst een eigen Europees leger. De regering beklemtoont dat van een Europese alleingang op dit onderdeel geen sprake zal zijn. Ik hoop dat dit werkelijk het geval zal blijken te zijn. Mijn fractie vindt namelijk deze samenwerking met de VS en in de NAVO juist van groot belang, zeker bij de huidige situatie in de wereld. Wij vinden dat Europese staten primair binnen de NAVO kunnen en moeten samenwerking aan de verbetering van hun defensieapparaat, van de onderlinge samenwerking et cetera.

Het Handvest van de grondrechten is met dit verdrag in één keer juridisch bindend verklaard. Over deze stap is al veel gesproken. Ook over de nadelige consequenties ervan is veel gezegd, bijvoorbeeld over de consequenties in relatie tot het reeds opgebouwde jurisprudentiekapitaal van het EVRM, dat opnieuw formuleren van dezelfde rechten in andere bewoordingen overbodig en verwarrend maakt. Daarnaast zij gewezen op de algemene, en daarmee juridisch onduidelijke formulering van diverse bepalingen uit het Handvest, waarvan de reikwijdte en gevolgen vooralsnog onduidelijk zijn. Datzelfde geldt ook voor de onderlinge verhouding van sommige bepalingen uit het Handvest. Deze punten zijn allemaal al eerder gemaakt. De EU is naar mijn mening volstrekt niet nodig om als verdediger van onze grondrechten te fungeren in een aparte catalogus. Wij hebben daar de nationale grondwetten voor en ook toetreding van de EU tot het EVRM lijkt ons voldoende. Naar mijn mening is die toetreding afdoende om het optreden van de EU aan algemene rechtsnormen en -beginselen te binden. Opname van grondrechten hoort bij een grondwet, niet bij een verdrag als dit.

Professor Besselink, hoogleraar Europees constitutioneel recht, heeft onlangs een brief aan de Kamercommissie gestuurd waarin gewezen wordt op het feit dat het Verdrag van Lissabon zou noodzaken tot het afwijken van een concrete bepaling van onze Grondwet, zodat ook het Grondwetsartikel van toepassing zou zijn dat met een gekwalificeerde meerderheid gestemd zou moeten worden over dit verdrag. Daarbij wordt gewezen op de spanning die er kan ontstaan, collega Van Bommel wees hier ook al op, met artikel 120 van de Grondwet, en mogelijk ook met de artikelen 93 en 94 van de Grondwet. Kortheidshalve verwijs ik naar hetgeen de heer Van Bommel hierover naar voren heeft gebracht en naar zijn uitnodiging aan het kabinet om nog eens uitdrukkelijk in te gaan op die grondwettelijke aspecten.

Ik wacht met belangstelling het antwoord van de regering af. Het mag echter duidelijk zijn, dat mijn fractie van mening is dat dit verdrag een stevige, verdere uitbreiding en communautarisering van het beleidsdomein van de EU impliceert, waartegen mijn fractie grote bedenkingen heeft. Ik heb dat met vele voorbeelden geïllustreerd, ook bij wijze van verantwoording voor ons uiteindelijke stemgedrag. Volledigheidshalve moet ik erbij zeggen dat er uiteraard ook te wijzen valt op positieve elementen. Ik heb hier voorbeelden van genoemd, zoals de eigen rol die nationale parlementen kunnen spelen of verhelderingen in de bevoegdheidsafbakeningen. Zo zijn er naar de mening van mijn fractie zeker meer voordelen te noemen van het Verdrag van Lissabon ten opzichte van de huidige constellatie. Maar per saldo wegen voor ons de minnen toch zwaarder dan de plussen. Dergelijke procedures onderstrepen hoe diep de Europese integratie is doorgedrongen in het nationale beleidsdomein. Daarover is en blijft mijn fractie kritisch.

De heer Pechtold (D66):

Voorzitter. "Het einde van de vrijblijvendheid. Een einde aan de onvervulde beloften en een einde aan het ongestraft niet naleven van regels. Nodig is een geloofwaardige en meer verplichtende aanpak. Afspraak is afspraak, een deadline is een deadline, een gele kaart is een gele kaart en criteria zijn criteria. Het betekent ook politieke wil tonen om te bouwen aan het Europese huis dat nog lang niet af is. Alleen een ondubbelzinnige keuze voor een sterk en federaal Europa met hervormde instituties kan een antwoord zijn op de vraagstukken die zich in het Europa van vandaag en morgen voordoen."

Aldus niet Guy Verhofstadt, maar niemand minder dan onze premier, Jan-Peter Balkenende. Dat waren nog eens tijden! Maar de tijden veranderen. Mythes kwamen, mythes gingen. De weg van Laken naar Lissabon is lang en moeizaam geweest, met vallen en opstaan, maar wie is daarmee niet groot geworden... Maar, wij zijn weer op de goede weg in Europa. Ik complimenteerde het kabinet hier ook al mee tijdens het verantwoordingsdebat. Het is de verdienste van deze drie bewindslieden. Ik weet dat zij dit waarderen en dat is winst.

Het is goed om op dit moment nog eens te kijken naar de doelstellingen van dit proces. Zoals verwoord in de verklaring van Laken van december 2001, moest de Europese Conventie de contouren schetsen van een Europese Unie die vooral democratischer, transparanter en slagvaardiger zou zijn en bovendien een sterker extern profiel zou hebben.

Het Verdrag van Lissabon, dat nu voor ons ligt, zal de EU zeker democratischer maken. Daar ben ik van overtuigd. Of het slagvaardiger wordt, zal in de praktijk moeten blijken, maar daar heb ik toch vertrouwen in.

Over het sterke externe profiel zijn nog wel veel vragen te stellen. Daarop zal in de komende maanden antwoord moeten komen. Een ding is zeker: transparanter zal het er niet op worden. Het lijkt wel alsof elke regel vooraf wordt gegaan door een beperking. Als voorbeeld wijs ik op de opt-outs voor het Verenigd Koninkrijk. De tekst is zelfs voor de experts een onleesbaar document geworden. Daarnaast bevat het verdrag nog behoorlijk wat losse eindjes, waarvan ik hoop dat het kabinet vandaag in ieder geval kan aangeven hoe het die aan elkaar zou willen knopen. In ieder geval krijg ik graag de toezegging dat de Kamer nauw bij de uitwerking hiervan zal worden betrokken.

Op 13 december, bijna zes maanden geleden, zetten de Europese leiders hun handtekening onder het verdrag. Een week daarvoor presenteerde de staatssecretaris een communicatieplan om het verdrag, zoals hij zei, te introduceren – die term is niet van mij, maar komt uit het communicatieplan – bij de mensen teneinde Europa dichter bij de mensen te brengen. Dat was, nadat het kabinet had besloten geen volksraadpleging over het nieuwe verdrag te houden en nadat de PvdA in de Kamer zich naar dat besluit schikte. Maar dat is sinds de stemmingen eerder vandaag geschiedenis, in ieder geval voorlopig. De teneur was duidelijk. Zoals NRC schreef: "In het buurthuis of café, bij de sportvereniging of op internet, overal zouden Nederlanders oog in oog komen te staan met Europa."

De toon van de staatssecretaris suggereerde dat er een publiek debat zou komen over het nieuwe verdrag en dat het kabinet dat vol verve zou verdedigen, bij wijze van spreken op straat. Het kan zijn dat ik hem gemist heb, maar ik ben de staatssecretaris bij het winkelen niet tegengekomen.

Staatssecretaris Timmermans:

Ik was op Pinkpop.

De heer Pechtold (D66):

Dat is gemiste kans. Er zou een publieksversie van het verdrag komen. Is deze inmiddels, na bijna zes maanden, klaar of komen de deskundigen er niet uit? Met de vele protocollen, ingewikkelde overgangsregelingen en de mogelijkheden van opt-ins en opt-outs en andere uitzonderingen is het namelijk een ontoegankelijk verdrag geworden, een verdrag dat door ingewijden nauwelijks uit te leggen is, door de onderhandelaars nauwelijks wordt verdedigd, maar dat ondertussen wel in een noodtempo door de Kamer wordt gejaagd. De staatssecretaris schreef dit weekend nog een ander interessant stuk in NRC, maar hij was niet de enige PvdA'er met een lezenswaardig artikel. Ook de heer Tichelaar had een wijze les voor dit kabinet. Hij zei over Balkenende II: "Je kon het er mee eens zijn of niet, maar ze hadden wel visie en presenteerden het goed en deinsden er niet voor terug om een vol Malieveld te hebben. Daar kan het huidige kabinet van leren. Politici zijn bang geworden voor de kiezer." En inderdaad, als je dit proces op je laat inwerken, vraag je je zo langzamerhand toch af: Wil het kabinet niet, of durft het niet?

Staatssecretaris Timmermans:

Ben ik bang?

De heer Pechtold (D66):

Dat niet. Ik moet eerder concluderen dat de staatssecretaris misschien niet wil.

Ik sta bij dit punt stil, omdat het de inhoud negatief heeft beïnvloed. De inzet van de Nederlandse regering was gericht op het voorkomen van een volgend referendum, op het voorkomen dat Europa opnieuw uitgelegd moest worden. Het zou gaan over de ambitie, over waar Nederland vond waar Europa heen moest. Wat Nederland in en met Europa kon bereiken, werd echter ingeruild voor de terugtraprem. In plaats van meer transparantie en het inlossen van de belofte na het neen om mensen beter te betrekken en te horen over Europa is dit verdrag tot stand gekomen in de achterkamer en in overlegjes, met als dieptepunt de koehandel rond de verdeling van het aantal zetels in het Europees Parlement. Een referendum wordt vermeden en de burger blijft met lege handen en zonder stem achter. What goes around, comes around!

Ik kom bij een aantal punten op basis waarvan ik dit verslag een verslechtering vind ten opzichte van het grondwettelijke verdrag. Het Handvest van de grondrechten is gesneuveld. Hoewel het met een u-bocht juridisch toch geldig is, ging de Nederlandse regering tegelijkertijd akkoord met een opt-out voor het Verenigd Koninkrijk en Polen, een opt-out voor belangrijkste waarden van de Europese Unie, de grondrechten. Was de EU niet juist in de in de eerste plaats een waardegemeenschap, een opt-out voor die mensen die gelijke kansen willen, een opt-out voor de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van geweten en het recht op bescherming tegen racisme en vreemdelingenhaat? Hebben Nederlanders in meerderheid tegen gestemd, omdat ze niet wilden dat homo's gelijke rechten hadden, vraag ik mij af. Waren zij soms tegen de vrijheid van meningsuiting? De onderhandelaars hebben niet alleen een potentieel gevaarlijk precedent geschapen voor toekomstige lidstaten. Immers, waarom zouden zij zich wel moeten houden aan het Handvest van de grondrechten? Bovenal hebben de Europese regeringsleiders hiermee het politieke signaal gegeven dat hun eigen nationale en politieke belangen belangrijker waren dan de grondrechten. De nieuwe Poolse regering heeft gelukkig al aangegeven dat zij waarschijnlijk geen gebruik gaat maken van de mogelijkheid van de opt-out. Zou de minister kunnen aangeven of dit daadwerkelijk zal gaan gebeuren? Mijn fractie roept de regering op, haar contacten te gebruiken om ook het Verenigd Koninkrijk van deze stap te overtuigen.

Niet alleen ten aanzien van de grondrechten hebben lidstaten een opt-out weten te bedingen. Ook op andere terreinen, zoals JBZ en het vrije verkeer van werknemers, hebben lidstaten, met name het Verenigd Koninkrijk, zich het recht toegeëigend om als het erop aankomt niet mee te doen. De fractie van D66 vindt dit een zorgelijke zaak. Het beeld ontstaat van een lidstaat die wel de krenten wil eten, maar niet de pap. Dit is helemaal zorgelijk, als diezelfde lidstaat wel een actieve rol speelt in het bereiden van de pap, bijvoorbeeld op het terrein van terrorismebestrijding. Juist op het gebied van JBZ is coherent, slagvaardig beleid in de hele Europese Unie noodzakelijk. Opt-outs spelen op de tegenstanders in de kaart en verzwakken de positie van de Unie in zijn geheel. Mijn fractie gaat er daarom ook vanuit dat de Nederlandse regering alles zal doen wat in haar vermogen ligt om de Engelsen te overtuigen.

Toch zou ik niet zover willen gaan als de kandidaat-lijsttrekker voor het Europees Parlement van de VVD, de heer Manders, die het Verenigd Koninkrijk uit de EU zou willen zetten. Ik heb inmiddels begrepen dat de afstand tussen Brussel en Den Haag wat dat betreft toch groot is. Wij moeten laden Europa intrekken en niet Europa uitduwen. De heer Ten Broeke is helaas door zijn interrupties heen, maar wij zijn het met elkaar eens.

Een andere categorie die welig tiert in het nieuwe verdrag zijn de protocollen. Ik noem er een bij uitstek, het protocol over de diensten van algemeen economisch belang. Om het verlies van het referendum te compenseren werd hierop hard ingezet. Gevestigde belangen kwamen onder druk te staan. Met een dode letter zonder juridische haalbaarheid doet de PvdA nu voorkomen alsof de woningcorporaties gered zijn uit de klauwen van Brussel. Nog los van de vraag of dit wenselijk is, vraag ik mij af of de stelling houdbaar is dat woningcorporaties commerciële en publieke functies kunnen blijven vermengen. Zal het nieuwe protocol dit nou echt veranderen?

Voor de uitsluitend publieke diensten zal het protocol weinig tot niets toevoegen. Ook onder de huidige verdragen kunnen publieke diensten worden uitgezonderd van de regels van de interne markt. In Malta is de levering van melk een publieke dienst. In Frankrijk is de watervoorziening een commerciële activiteit. Die diversiteit bestaat al binnen de kaders van de huidige verdragen. Volgens mij stuurt het kabinet door zijn uitleg van het protocol kiezers met een kluitje in het riet. Dit zal vroeg of laat leiden tot teleurstellingen. Eerlijk en open communiceren, herinnert het kabinet zich dit nog? Waar had dit politiek kapitaal beter aan besteed kunnen worden?

Het kenmerkt het kabinet dat het de ogen sluit voor noodzakelijke hervormingen van de Nederlandse woningmarkt. Het Verdrag van Lissabon integreert nieuwe probleemstellingen die niet in het grondwettelijk verdrag staan. De strijd tegen klimaatverandering wordt in de doelstelling inzake het milieubeleid opgenomen. De juridische grondslag inzake energie wordt aangevuld. De fractie van D66 beschouwt dit als een positieve ontwikkeling. Zowel het afremmen van klimaatverandering als de voorbereiding op de consequenties kunnen wij niet binnen onze dijken en duinen regelen. Daarnaast kunnen de consequenties van klimaatverandering, zoals droogte, voedseltekorten en overstromingen ertoe leiden dat andere delen van de wereld ontwricht raken. Het vraagstuk over klimaat en energie wordt daarmee onderdeel van het veiligheidsvraagstuk. Dit vraagt om een daadkrachtig extern energiebeleid, gesproken uit één mond.

Mijn fractie kiest er uitdrukkelijk voor om in de voorhoede van Europa plaats te nemen. Er zijn politici in de Kamer die er enorm veel energie in steken om Nederland maar niet te veel voor de troepen te laten uitlopen. Zij zijn gefocust op gelijkmatigheid van het speelveld. D66 wil dat Nederland die energie gebruikt om zich warm te lopen als spits, als voortrekker. Daarvoor bestaan veel kansen. In het nieuwe verdrag maakt het leiderschap dit mogelijk. Door de verstedelijking van de wereld kan Nederland groene en innovatieve vormen van glastuinbouw exporteren. Door de versnelde klimaatveranderingen zal de expertise op het gebied van watermanagement worden aangesproken. Dan moet Nederland wel willen innoveren en gehoor geven aan een ander Lissabonakkoord, namelijk dat over de ontwikkeling van onze kenniseconomie.

Nederland heeft de traditie van eerlijk delen en ook deze regering blijkt warm te lopen voor nivellering en gelijkmatigheid, maar als je als spits wilt fungeren dan werkt dat niet. Wat dat betreft doet Nederland het nog lang niet goed. Waar de Angelsaksische landen wetenschappelijke instellingen en het bedrijfsleven goed weten te koppelen, ontbreekt het met ons innovatiebeleid aan scherpe keuzen. Wij moeten ophouden met iedereen een beetje te geven; wij moeten de top verstevigen en die aantrekkelijk maken voor partners. Graag krijg ik op dit punt een reactie.

Met het Verdrag van Lissabon wordt ook ingezet op het energievraagstuk. Twee zaken zijn hierbij van belang. Door samenwerking kunnen Europese landen minder gemakkelijk tegen elkaar worden uitgespeeld door Rusland. Ook op andere punten kan Europa een hardere vuist maken. Ik denk dan aan mensenrechten, democratische hervormingen en aan de opstelling van Rusland in internationale conflicten. Europese samenwerking is ook van belang voor duurzame energietechnologie en -productie. Wat dat betreft vind ik de huidige plannen van de lidstaten tekortschieten. De klimaatplannen hebben wel een heel erg nationale focus. Mijn fractie pleit voor veel meer gemeenschappelijk onderzoek en gemeenschappelijke projecten, waardoor Nederland bijvoorbeeld kan investeren in grote zonnecentrales in het zuiden van Europa. Wij willen ook dat Europa de elektriciteitsnetwerken beter op elkaar laat aansluiten, zodat de technologische en geografische voordelen van de lidstaten elkaar complementeren. Hoe wil de regering dit proces aanjagen?

De Kamer heeft de regering eerder bij motie gevraagd om grootschalige Europese zonne-energieprojecten in samenwerking met Noord-Afrikaanse landen te stimuleren. Wat is de stand van zaken? Op Bali is een onderhandelingsmandaat opgesteld. Er is een agenda vastgesteld die niet alleen de rijke landen doelstellingen oplegt, maar dat ook ontwikkelingslanden doet. De rijke landen moeten dan wel laten zien dat scherpe keuzen worden gemaakt. Pas dan zullen niet alleen ontwikkelingslanden, maar juist landen als China en India volgen. Als Europa deze klimaatagenda serieus neemt, moet het nu niet terugkomen op doelstellingen. Nationaal moet sprake zijn van stevig beleid aan de hand van wetgeving, fiscaal beleid en met internationale samenwerking. Europa moet ervoor zorgen dat ook in ontwikkelingslanden met kennis en gelden energievoorziening duurzaam wordt. Dan heeft het voor bedrijven geen zin meer om vanwege het klimaatbeleid uit Europa te vertrekken. Ons voorstel om een nieuw Europees verdrag voor duurzame energie op te stellen is inmiddels bekend.

Voorzitter. Dan kom ik te spreken over het buitenlands beleid. Mijn fractie wil meer en vaker gemeenschappelijk optreden. Wie neemt de telefoon op als ik bel? vroegen de Amerikanen al decennia geleden. Tegenwoordig weten wij dat ze om drie uur 's nachts iemand willen kunnen bellen. Het gaat al wat beter, maar het moet nog veel beter. Er moet onderhandeld worden over P en R en over visa, zeker nu wij vandaag weer horen dat de Amerikanen volgend jaar een wachttijd van 72 uur willen invoeren. Vandaag heb ik bij de regeling daarover al vragen gesteld. Zij worden naar u doorgeleid, mijnheer de minister.

Er moeten verder afspraken worden gemaakt over Kosovo. Er moeten afspraken worden gemaakt over energie en klimaat. Er moet ook een daadkrachtiger geluid klinken bij het protesteren tegen de schending van mensenrechten en de beperking van democratische vrijheden. Partijen die argwanend staan tegenover meer gemeenschappelijk Europees buitenlands beleid moeten zich afvragen of zij geen achterhoedegevecht voeren waarvan uiteindelijk alle Europeanen de dupe worden. Zij moeten niet verbaasd zijn als de VS of andere landen unilateraal optreden. Op dit punt is er een uitdaging. Wij hebben nog een wereld te winnen. Hoe groot is de stap die wij met het Verdrag van Lissabon op dit gebied vooruitzetten? Dat hangt in belangrijke mate af van de rol van de Hoge Vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid. Het mandaat van de vertegenwoordiger moet krachtig zijn, anders hebben wij er alleen maar weer een stoel bij aan de onderhandelingstafel. Op dit punt krijg ik graag een reactie.

Er komt een externe diplomatieke dienst. Hoe moet volgens de minister deze dienst functioneren? Hoe zal die dienst zich verhouden tot het optreden van de Nederlandse diplomaten? Welk mandaat heeft deze dienst? Hoe wordt de subsidiariteit bewaakt?

Een andere vraag over de vertegenwoordiger en deze diplomatieke dienst luidt: wat is de relatie met de NAVO? De NAVO en de EU zijn niet één op één overlappend; veel lidstaten zijn van beide lid. Hoe ziet de regering deze samenwerking?

Een andere open vraag die de komende maanden beantwoord moet worden, betreft de vaste voorzitter van de Europese Unie. Het kabinet weigerde om op die kwestie met de nota naar aanleiding van het verslag in te gaan. Nogmaals de vraag: wat is het standpunt van de regering als het gaat om de invulling van deze post? Aan welke rol, welk mandaat en welke persoon moeten wij denken en hoe wordt de Kamer bij de keus betrokken? De inzet van D66 en de oproep aan het kabinet zijn duidelijk: een krachtig mandaat, ingevuld door iemand met een sterk profiel kan ervoor zorgen dat Europa slagvaardiger wordt en naar buiten beter zichtbaar. Ook de details van het burgerinitiatief moeten nog worden ingevuld. Kan de premier aangeven wat het traject en zijn inzet zijn?

Zoals ik al eerder heb gezegd: wat mij betreft is het glas half vol. De vraag die vandaag uiteindelijk voorligt, is niet of dit verdrag een verbetering is ten opzichte van het grondwettelijk verdrag, maar of het een verbetering vormt ten opzichte van het Verdrag van Nice. Op die vraag is ons antwoord: ja. De EU wordt democratischer. Met dit verdrag krijgt het Europees Parlement zeggenschap over de gehele EU-begroting, krijgt het Europees Parlement medezeggenschap over het beleid inzake justitie, binnenlandse zaken en veiligheid, krijgt het Hof van Justitie zeggenschap over justitie en binnenlandse zaken, en worden de grondrechten van de meeste EU-burgers beter beschermd, wordt de structuur van de EU eenvoudiger en wordt een burgerinitiatief ingevoerd. De EU wordt ook slagvaardiger, want met dit verdrag worden de veto's op vrijwel alle terreinen afgeschaft. De Europese Commissie wordt kleiner en kopgroepen worden mogelijk gemaakt. Daarnaast krijgt de EU een vaste voorzitter, rechtspersoonlijkheid en één minister– dat is het toch? – voor het buitenlands en veiligheidsbeleid. Met deze instrumenten in de hand zal de EU beter in staat zijn om haar afspraken na te komen en te werken aan haar geloofwaardigheid.

Ik kom op de amendering van de goedkeuringswet, in de eerste plaats het instellen van een parlementaire schiftingscommissie gekoppeld aan een behandelingsvoorbehoud. Mijn fractie is daar gematigd voorstander van. Als ik zie in welk gezelschap wij dan verkeren, dan krab ik mij achter de oren. Het Europa dat de SP en de PVV voorstaan is geheel anders dan mijn ideaal. Ik begrijp ook de bezwaren van tegenstanders dat het risico bestaat dat samenwerking belemmerd zal worden door parlementaire voorbehouden. Als dit voorstel bedoeld is om verdere Europese samenwerking te frustreren, dan verzet ik mij daartegen. Bovendien mag een behandelingsvoorbehoud niet leiden tot een defensieve houding van het parlement ten opzichte van Europa. Het mag het parlement niet lui maken; het parlement moet juist actiever worden. Het hebben van een rem betekent niet dat je je handen van het stuur kunt halen. De invoering van dit instrument zie ik als een katalysator voor de mentaliteitsverandering die al voorzichtig is ingezet, maar nog niet genoeg uit de verf komt, om Europa ook in dit parlement echt binnenland te maken. Ik verwijt sommige voorstanders van dit voorstel ook dat zij niet méér gebruikmaken van de mogelijkheden die de Kamer op dit gebied al heeft. Deze inactiviteit holt de rechten van de Kamer uit. Het kabinet zou eigenlijk niet moeten luisteren als wij deze zelfkritiek uiten. Ik vertrouw erop dat de partijen die een amendement met die strekking steunen, dat ook zullen waarmaken. De invoering van deze nieuwe procedure ontslaat de Kamer ook niet van de verantwoordelijkheid om zichzelf tijdig in Brussel te laten informeren. Invloed in de vormingsfase bij de Commissie blijft te prefereren boven invloed in de raadsfase.

Een schiftingscommissie betekent ook meer differentiatie in het Europees beleid van de Kamer. Benoemen op welke dossiers de Kamer extra zal letten, betekent ook benoemen op welke dossiers de Kamer minder of zelfs niet zal letten. Er moeten dus prioriteiten worden gesteld. Dat geldt niet alleen voor de Kamer, maar zou ook moeten gelden voor het kabinet.

Daarnaast vormt het instrument voor mij een signaal aan het kabinet. Neem de Kamer en daarmee het publieke debat en de bevolking meer mee. Betere informatievoorziening, meer politisering, betere verantwoording en meer debat, zoals onder andere de WRR aanbeveelt. Op deze manier kweek je duurzaam draagvlak voor Europa. Wij willen bij het kabinet graag de vinger aan de pols houden. En dat willen wij ook bij de Kamer zelf. Ik zal een subamendement indienen om het behandelingsvoorbehoud elke vijf jaar te evalueren om te bezien op welke manier het instrument uitpakt en om indien nodig bij te sturen.

Lissabon is niet ideaal, niet perfect en niet zoals D66 het verdrag zou hebben geschreven. Daarvoor is onze ambitie met Europa groter. Het verdrag is echter een belangrijke en noodzakelijk stap vooruit. Belangrijke hervormingen hebben de Unie naar de 21ste eeuw getild. De democratische controle is aangepast aan de praktijk en op veel gebieden zal de Unie slagvaardiger kunnen optreden. De uitdagingen op het gebied van veiligheid en buitenlands beleid zijn legio. Europa kan gaan werken aan het zoeken naar oplossingen voor de problemen van morgen: klimaat, energie, migratie en veiligheid.

Blijft de vraag: what's next?

De heer Ormel (CDA):

Voorzitter...

De heer Pechtold (D66):

Ik heb nog zes regels. Mijn betoog mondt uit in een zekere climax.

De heer Ormel (CDA):

Die wil ik niet verstoren.

De heer Pechtold (D66):

What's next? Met dit verdrag kunnen wij weer vooruitkijken. De EU-reflectiegroep zal naar verwachting in de loop van 2010 rapporteren. Wat is de stand van zaken? Met mijn motie is het kabinet opgeroepen een visie te ontwikkelen op de EU in 2030. Ik ben blij met de manier waarop de staatssecretaris deze heeft omarmd. Ik verwacht er veel van.

Mijnheer de minister-president. Er wordt veel gespeculeerd over uw ambities in Europa, maar voorlopig is er in uw huidige functie nog voldoende gelegenheid om te laten zien wat u met Europa wilt.

De heer Ormel (CDA):

Wat een climax. Ik heb een vraag over de bijdrage van de heer Pechtold bij de amendementen. Die begrijp ik echt niet. Hij brandt eerst het amendement-Ten Broeke tot de grond toe af met een gedegen analyse dat wij als Kamer zelf voldoende middelen hebben. Vervolgens kondigt hij aan met een subamendement te komen, dat hij over vijf jaar een keer wil evalueren. Kan hij dat uitleggen?

De heer Pechtold (D66):

Als de heer Ormel had opgelet, had hij gehoord dat mijn bijdrage begon met "mijn fractie is daar gematigd voorstander van". Vervolgens heb ik kritisch beschreven dat wij eigenlijk op dit moment voldoende instrumenten hebben, maar dat het kennelijk met die instrumenten toch niet werkt. De heer Ormel mag mijn tekst hebben als hij daarvan in tweede termijn gebruik wil maken. Waar dat aan ligt, of dat aan onszelf als Kamer ligt, of dat wij toch vaak achter de feiten aanhollen, is moeilijk te zeggen. Ik zie in het amendement-Ten Broeke een mogelijkheid. Ik heb dat vanochtend in mijn fractie vergeleken met een voorstel voor een soort referendum. Als je het gebruikt, ben je eigenlijk te laat. Als partijen dit instrument uit de kast trekken, zal het hen dwingen meer rekening te houden met, meer tijd te nemen voor en iets meer te communiceren. De reden van mijn subamendement dat ik zo-even heb aangekondigd is om er een horizonbepaling in op te nemen. Ik twijfel nog om er gelijk een gereedschapskist bij te stoppen, of het werkt of niet. Daarom heb ik gedacht om voor de komende vijf jaar, de komende zittingsperiode van het Europees Parlement, daarmee te oefenen.

De heer Ormel (CDA):

Ik ken de heer Pechtold als een democraat pur sang, het staat zelfs in de naam van zijn partij.

De heer Pechtold (D66):

En als een hypereurofiel, zoals de heer Ormel altijd zegt.

De heer Ormel (CDA):

Ik ga dat niet allemaal herhalen, maar nu glibbert hij alle kanten op. Hij zegt dat de democratische hulpmiddelen er zijn. Hij wijst met een wijds armgebaar naar de voorzitter en vervolgens zegt hij: ja en misschien moet er toch wat gereedschap bij. Het is hom of kuit. Ik adviseer de heer Pechtold om niet met allerlei subamendementen te komen, maar om zich gewoon te houden aan zijn eigen analyse en het amendement niet te steunen.

De heer Pechtold (D66):

De Kamer heeft bijvoorbeeld ook de mogelijkheid tot debat. De laatste tijd zijn er alleen maar spoeddebatten. Weet de heer Ormel waarom? Omdat 80 zetels in dit kabinet vaak een debat onmogelijk maken. Dan moeten wij met 30 zetels maar een spoeddebat aanvragen. Ik vind dat niet prettig. Als hij mij vraagt of ik dat een prettige ontwikkeling vind, is het antwoord nee. Maar als ik Europa mag nemen? Ik kan mij herinneren dat het lid Ormel keer op keer ontkende dat er iets nodig was als wij vroegen of er een brief kon komen. Ik zou het graag willen en ik zie het lid Ten Broeke het proberen en ik zie van PVV tot SP dat men middelen zoekt. Misschien zou enige zelfreflectie aan de kant van de heer Ormel op zijn plaats zijn over de vraag waarom wij deze middelen niet gebruiken en waarom ik in procedurevergaderingen als het gaat om rapporteurschap toch ook vaak bij hem iemand vindt die vindt dat wij dat moeten doen.

De voorzitter:

Kunt u iets beknopter antwoorden? Het is heel wezenlijk, cruciaal, om niet te zeggen doorslaggevend voor het debat, maar desondanks.

De heer Pechtold (D66):

Absoluut.

De heer Ormel (CDA):

Mevrouw de voorzitter. De heer Pechtold noemt nu zelf het spoeddebat, daarvoor zijn slechts 30 zetels nodig – ik begrijp dat dat voor de fractie van D66 veel is, maar toch moet dat met een paar andere partijen erbij te halen zijn – het vragen om een brief en een actieve opstelling tijdens een procedurevergadering. Hij doet zichzelf geweld aan. Hij is een actief Kamerlid en gebruikt alle middelen die hij heeft ten volle. Zelfs buiten de Kamer zie ik hem wel eens actief, en toch zegt hij nu in een soort wanhopige bui dat hij het niet eens is met het amendement, maar hij gaat er wel een subamendement op indienen. Dat begrijp ik niet.

De heer Pechtold (D66):

Ik heb nergens gezegd dat ik het er niet mee eens ben. Ik heb alleen gezegd dat ik er gematigd positief tegenover sta, of woorden van die strekking. Ik heb onszelf een spiegel voorgehouden om vooral meer gebruik te maken van het instrument dat wij hebben, maar als de heer Ormel mij nu zo vraagt of ik voor of tegen het amendement-Ten Broeke ben, dan ben ik ervoor. Ik ben ervoor, omdat ik vind dat wij de komende vijf jaar beter moeten oefenen met de mogelijkheden die wij hebben, maar ook moeten trachten de nieuwe mogelijkheden – het instemmend geluid dat ik uit vak K hoor...

De voorzitter:

Ik zou ook even niet naar hen kijken.

De heer Pechtold (D66):

Nee, ik zal niet kijken.

De heer Ormel (CDA):

Ik vind het niet consequent.

De heer Pechtold (D66):

Dat is jammer. Als de heer Ormel zegt dat ik draai, dan bevind ik mij langzamerhand in goed gezelschap.

De heer Van der Staaij (SGP):

Ik vond dat de heer Pechtold op dit onderdeel wel een helder verhaal had. Het is opvallend dat de ondertekenaars van het amendement mensen zijn met heel verschillende visies op de Europese integratie. Maar dát staat hier los van, het gaat hier puur om de parlementaire betrokkenheid. De heer Pechtold is negatief over de handelwijze van het parlement tot nu toe. Is het terrein waarop wij nu instemmingsrecht hebben, namelijk JBZ, geen voorbeeld waar het eigenlijk wel goed loopt?

De heer Pechtold (D66):

Ik zit niet geharnast in dit debat, ik luister straks graag naar de argumentatie van het kabinet. Ik zie verbeteringen, maar ik zie ook nog heel veel dingen niet goed gaan. In eerste termijn heb ik meegedacht, door te zeggen: als je eraan begint, zou je niet voor de eeuwigheid moeten doen, maar voor een kortere periode. Wie weet zeg ik straks na het antwoord van de drie heren tegen mijn fractie: jongens, het is niet nodig.

De voorzitter:

Mijnheer Pechtold, en ook de anderen: kijkt u met mij af en toe naar de klok en bedenk dat ook de regering nog vandaag in eerste termijn wil antwoorden!

Mijnheer Van der Staaij met een vervolgvraag.

De heer Van der Staaij (SGP):

Eigenlijk heb ik nog dezelfde vraag. Is JBZ niet een voorbeeld van een goede invulling van het instemmingsrecht?

De heer Pechtold (D66):

Voor een deel. Ik kan mij het debat over PNR nog herinneren, waar wij tot groot ongenoegen van de minister van Justitie, die daar echt van baalde, via een motie aan de noodrem trokken. Een partij van de Partij van de Arbeid zei dat het eigenlijk een groter signaal was dan alleen PNR. In de wandelgangen werd gezegd: ze moeten maar eens even weten dat wij meer betrokken moeten worden!

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Voorzitter. Ik sta hier met enigszins ambivalente gevoelens. Niet omdat de GroenLinksfractie ambivalent is over de vraag of zij dit verdrag moet ratificeren, helemaal niet zelfs. Maar wel over de manier waarop. Over dit verdrag voor het nieuwe Europa had een referendum moeten plaatsvinden. Mijn fractie betreurt ten zeerste dat de vraag van de goedkeuring nu beperkt blijft tot dit parlement. Jammer voor de burger en voor de democratie. Wat dat parlement en de dan resterende representatieve democratie zelf aangaat, ook daar worden de poten onder weg gezaagd als wij niet goed opletten omdat, als het aan de regering ligt, toekomstige debatten over besluiten die dat nieuwe Europa gaat nemen zelfs in het parlement niet meer volwaardig gevoerd zullen kunnen worden. Nog een behoorlijk minpunt voor hoe het democratisch hart van deze regering klopt. Dat klopt niet warm genoeg, wat een punt van grote zorg is.

Wij kunnen blijven speculeren over de redenen voor het nee van juni 2005. Ook onder de achterban van mijn eigen partij, een pro-Europese partij, waren er om diverse redenen neestemmers. Hoe dan ook was het een protest tegen een decennialange politiek van voldongen feiten, maar dat wil niet zeggen dat de neestemmers geen verandering zouden willen en alles bij het oude willen laten. GroenLinks heeft het nee geïnterpreteerd als een roep om verandering, om een Europa dat niet alleen oog heeft voor munt en markt, maar ook voor mens en milieu. Voor een superstaat bestaat geen steun, en voor een Europese supermarkt evenmin.

GroenLinks staat wat Europa betreft voor een politieke unie die het voortouw durft te nemen bij de aanpak van klimaatverandering, een unie die doorwerkt aan een gemeenschappelijke rol op het wereldtoneel, een unie die niet wegduikt voor de gevolgen van vergrijzing of globalisering, maar haar best doet voor hogere arbeidsparticipatie, eerlijke handel en een schonere kenniseconomie, een unie die culturele en religieuze verschillen respecteert, maar schendingen van de mensenrechten binnen en buiten haar grenzen aan de kaak stelt, een unie die er ook voor de burgers is en haar bevolking ambitieuze waarden garandeert, een unie die steeds meer gezamenlijk opereert op het gebied van defensie en buitenland, juist omdat zo'n samenwerking meer kan opleveren dan 27 kikkers in een kruiwagen. Kortom, GroenLinks ziet het bouwwerk Europa allerminst als afgrond, maar heeft de ambitie flink verder te timmeren als de solidariteit met mens en milieu daarbij baat heeft.

Een van de belangrijkste ambities van GroenLinks is het vergroenen van Europa. Het Europa van de toekomst, dat vandaag een stap dichterbij wordt gebracht, wil op klimaatverandering zijn voorbereid, op een wijze die Europa past, met erkenning van de urgentie en onder aanvaarding van het principe van solidariteit met landen die als eerste het meeste te maken hebben met de gevolgen van onze vervuiling. Met dit verdrag kan de EU een motor worden bij de strijd tegen klimaatverandering, bijvoorbeeld door het stellen van normen aan producten en het instellen van uitstootplafonds voor lidstaten en door het ontwikkelen van mechanismen om geld op tafel te krijgen om arme landen tegemoet te komen, die zelf part noch deel hebben aan de oorzaken van klimaatverandering. De EU kan dit, ook als dat aanpassingen in onze eigen economie, industriële productie, distributiesystemen en consumptiepatronen vergt. Het is maar de vraag of dit hervormingsverdrag ver genoeg gaat om de gevolgen van klimaatverandering effectief te bestrijden. Daarvoor zijn veel verdergaande afspraken nodig dan nu worden voorgesteld. Wij zullen met dit nieuwe verdrag aan de slag gaan om de Unie die kant op te proberen te bewegen. Het verdrag reikt daarvoor handvaten aan.

Het Europese model van vreedzame integratie is ook een voorbeeld voor veel andere landen. Anderhalve week geleden hebben twaalf landen de Zuid-Amerikaanse unie Unasur opgericht. Volgens de Braziliaanse president Lula wil Unasur het voorbeeld van de Europese Unie volgen. Eerder maakten Afrikaanse landen daarmee een begin door de Afrikaanse Unie op te richten. In Azië spiegelt Asean zich aan de EU en wil in 2015 een gemeenschappelijke markt zijn met dezelfde soort instellingen als de EU. Hoe pril deze initiatieven ook zijn, zij laten zien dat het Europese model van supranationale samenwerking, van het vervangen van macht door recht in de onderlinge betrekkingen, een grote aantrekkingskracht heeft. Dit geldt niet alleen voor de buren van de Unie, maar ook voor andere werelddelen. Bij alle kritiek die er te leveren valt op de totstandkoming en de inhoud van het Verdrag van Lissabon, is het goed om voor ogen te houden dat wij bezig zijn met een unieke vorm van integratie, die bouwstenen levert voor een vreedzame wereldorde. Onder dit gesternte is er deze week een historisch belangrijk moment. Voor het eerst sinds 2004 en 2007, toen samen dertien nieuwe lidstaten zijn toegetreden, leggen wij nieuwe afspraken vast. Op basis van deze afspraken zullen wij, 27 Europese lidstaten, parlementen en hun bevolkingen, de komende jaren, wellicht zelfs decennia, in Europa samenwerken.

GroenLinks is nu vooral in het eindresultaat geïnteresseerd en in het toekomstperspectief. Kritiek op de totstandkoming van dit hervormingsverdrag heeft GroenLinks bij de schriftelijke inbreng ruimschoots geventileerd. Het verdiende geen schoonheidsprijs. Er waren veel cosmetische veranderingen, die materieel zonder consequenties zijn, en daarmee mogelijk burgers op het verkeerde been zetten. En bovendien is het helaas een onleesbaar product geworden. Merkwaardig, ik wil er één voorbeeld uitlichten, was het gemak waarmee het kabinet de integrale opname van het grondwettelijk handvest in het verdrag heeft laten vallen. Dat was geen bezwaar van de neestemmers van destijds. Maar belangrijker voor ons, vandaag, is dat op een aantal punten ook aan de voor mijn fractie relevante bezwaren van grondwetcritici tegemoet is gekomen: betere bescherming van diensten van algemeen belang, het schrappen van de vrije en onvervalste mededinging bij de doelstellingen, een grotere rol van nationale parlementen en expliciete klimaatbepalingen. Ook de bepaling over solidariteit bij energiecrises is een welkome aanvulling. Voor het overige zijn pluspunten uit de grondwet bewaard gebleven: de verbetering dat het Europees Parlement zeggenschap krijgt over 95% van de Europese wetgeving, dat de rechtsbescherming van burgers toeneemt dankzij het handvest en de grotere rol voor het Europees Hof van Justitie. De laatste verbetering lijkt overigens niet onverbloemd te gelden bij het gebruik van persoonsgegevens en passagiergegevens in de buitenlandpijler. Kan de regering in vervolg op haar opmerkingen in de nota naar aanleiding van het verslag duidelijker aangeven of dit ook betekent dat het Hof en het Europees Parlement buitenspel staan bij de uitwisseling van passagiergegevens met het doel van terrorismebestrijding? Zijn zulke situaties denkbaar? Het Europese Hof van Justitie heeft hierover twee weken geleden uitspraak gedaan. Daaruit blijkt dat als een voorstel tot uitwisseling van passagiergegevens ook onder justitie geschaard kan worden, met als doel criminaliteitsbestrijding, het onder het Verdrag van Lissabon via de medebeslissingsprocedure moet worden behandeld. Kan de regering deze lezing bevestigen?

Het is een pluspunt dat de besluitvaardigheid van de Raad van Ministers toeneemt, met minder vetomogelijkheden en een lagere drempel voor meerderheidsbesluiten. Het is een pluspunt dat de bevoegdheden van de Unie duidelijker worden opgesomd en afgebakend. Het is een pluspunt dat het Europees Parlement een volwaardig tegenspeler wordt op JBZ-zaken. Daardoor kan op meer fronten gestreden worden tegen de voortdurende aantasting van privacy van burgers. Het is een pluspunt dat het Hof sneller boetes kan opleggen aan lidstaten die Europese milieuwetten negeren. Dan is er nog een hele serie verbeteringen die mooi lijken, maar die nog uitgewerkt moeten worden. De heer Pechtold vroeg een tijdje geleden om een lijst van nog uit te werken onderwerpen. Dat heeft de regering toegezegd. Dat lijstje is bij mijn weten nog niet ontvangen. Wordt het daarvoor geen tijd? Iedereen weet dat het moeilijk instemmen is met iets waaraan nog veel open eindjes zitten. Ik zal een aantal punten noemen, waarvan ik hoop dat de regering zich hierbij proactief wil opstellen door met suggesties te komen voor de uitwerking ervan.

Hoe wordt de grotere rol van het Europees Parlement bij de keuze van de commissievoorzitter uitgewerkt? Wat vind de regering in dit verband van de wens van het Europarlement om het mogelijk te maken dat politici zich in meerdere lidstaten kandidaat stellen voor de Europese verkiezingen? Het verdrag schept de mogelijkheid om de rol van voorzitter van de Europese Raad te laten vervullen door de Commissievoorzitter. Wat wordt het mandaat van die vaste voorzitter? Waarom is de regering tegen zo'n personele unie tussen de Commissievoorzitter en de voorzitter van de Europese Raad? Daarvoor wil ik de redenen horen. Wij zien als voordeel van een personele unie dat dit de slepende competentieconflicten tussen Europese Commissie en Europese Raad kan voorkomen.

De versterking van de positie van de Hoge Vertegenwoordiger biedt kansen op stroomlijning van het externe optreden van de Unie en kan leiden tot grotere samenwerking op het gebied van defensie. Hoe gaat dit vorm krijgen? Hoe gaat die ondersteuning door de diplomatieke dienst er uitzien?

Ten slotte is het goed dat het Europees burgerinitiatief er uiteindelijk komt, maar hoe gaat het er uitzien? De effectiviteit van dit nieuwe democratische instrument zal er bijvoorbeeld zeer bij gebaat zijn als burgers van de verschillende lidstaten ook via internet hun steun kunnen betuigen aan een initiatief. Ook wijs ik op artikel 165 van het Werkingsverdrag, waarin een nieuwe passage staat over het aanmoedigen van de deelname van jongeren aan het democratische leven van Europa. Deze passage levert een sterk argument om jongeren al voor hun achttiende, bijvoorbeeld vanaf hun zestiende, het recht te geven om een burgerinitiatief mee te ondertekenen als opstap naar een volwaardig Europees burgerschap. Is de regering bereid bij de uitwerking van dit initiatief een proactieve rol te spelen en suggesties te doen aan het voorzitterschap? Graag een reactie op mijn suggesties daartoe.

Dit alles gezegd zijnde en dit verdrag al met al afwegende, is het voor de GroenLinksfractie een verbetering ten opzichte van het Verdrag van Nice. Daarvoor geef ik complimenten aan de regering en aan Europa. Wij staan hier weer met een nieuw en beter verdrag.

Ik kom op het voorstel voor de goedkeuringswet zelf. Tot mijn verbazing stelt de regering voor om het bestaande instemmingsrecht van het parlement voor JBZ-besluiten in te trekken. Dit was een beperkt instemmingsrecht, in Europa uniek in zijn soort want specifiek beperkt tot het beleidsterrein van JBZ, waarop het Europees Parlement geen codecisiebevoegdheden heeft. Andere lidstaten werken met betere behandelingsvoorbehouden of instemmingsvereisten, zonder zo'n inhoudelijke beperking. Om een veelheid van redenen is mijn fractie fel gekant tegen dit voornemen van de regering. Twee kwesties zijn hier wat mij betreft aan de orde.

Ten eerste is het altijd verdacht als een regering het parlement bevoegdheden wil ontnemen. Dit instemmingsrecht is een parlementaire verworvenheid die het parlement niet licht opgeeft. De amendementen van de heer Ten Broeke, die ik mede heb ondertekend, getuigen daarvan. Democratische controle hoort bij mijn weten altijd maar een kant op te gaan: altijd meer, nooit minder. Dat is een ambitie die ook bij dit nieuwe Europa past, inclusief zijn lidstaten. Het is ondenkbaar dat Nederland hier in een achterhoede zou belanden, sterker, een achterwaartse beweging zou maken.

De heer Blom (PvdA):

Even de feiten. Ik heb nergens gelezen dat de regering voorstelt om bevoegdheden van ons in te trekken. Zij heeft alleen vastgesteld dat de situatie naar aanleiding van het Verdrag van Lissabon niet meer in overeenstemming is met de wens van de Kamer, onder andere geuit door mijn partijgenoot de heer Van Traa toen het Verdrag van Nice in werking trad, die constateerde dat sprake was van een democratisch deficit. Met andere woorden: als er geen instemmingsrecht van de Kamer zou zijn, zou het nooit op een democratische manier kunnen landen in het besluitvormingsproces in de Europese Unie. Dat is veranderd met het Verdrag van Lissabon. De heer Ormel en ik hebben geprobeerd het via amendement...

De voorzitter:

Mijnheer Blom, uw vraag

De heer Blom (PvdA):

Mijn vraag luidt waar mevrouw Peters de wijsheid vandaan haalt dat de regering zaken intrekt, terwijl zij niets anders doet dan vaststellen dat de situatie is veranderd en dat men daarom op een andere manier met dat instemmingsrecht moet omgaan. Ik heb nergens gelezen dat de regering ons adviseert het in te trekken.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Het voorstel voor de goedkeuringswet dat wij vandaag bespreken kent drie artikelen. Een dat het in werking treedt, twee wanneer en drie dat de bepalingen uit de voorgaande goedkeuringswetten, waarin het parlement instemmingsrecht wordt gegeven voor JBZ-onderwerpen, worden ingetrokken of komen te vervallen. Ik weet de precieze bewoording niet meer. Dat is de essentie van de voorgestelde goedkeuringswet.

Voorzitter, ik probeer mij te concentreren op de beantwoording van deze vraag, maar ik hoor zo veel commentaar links van mij. Het is moeilijk om mij op deze manier te concentreren.

De voorzitter:

Ik vraag de staatssecretaris zichzelf te bewaren voor zijn antwoord.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Er worden geen redenen voor het waarom gegeven in de goedkeuringswet zelf. Die redenen geeft de heer Blom erbij. Hij zegt dat wij het instemmingsrecht niet meer nodig hebben, want het democratisch deficit dat er was, is er in zijn ogen niet meer. In mijn ogen is dat er nog wel. Als hij mij toestaat om mijn betoog te vervolgen, zal ik uitleggen waarom er nog wel degelijk een democratisch deficit is waarvoor dit parlementair instemmingsrecht nodig is.

De heer Blom (PvdA):

Heeft mevrouw Peters goed gekeken naar de oorsprong van de vormgeving van het instemmingsrecht in de Kamer en naar de redenen van onze collega's om aan het einde van de jaren negentig met zo'n instemmingsrecht te gaan werken? Staat dit nog, volgens haar?

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Ik heb de stukken goed bestudeerd en de reden die de heer Blom en zijn voorgangers in de Kamer hebben gegeven, was het zogenaamde democratische deficit dat nu zou zijn opgevuld. Daarover verschil ik met de heer Blom van mening en ik zal uitleggen waarom. De reden van de regering om het behandelingsvoorbehoud af te wijzen, is, zoals ik in de uitwisseling van stukken tussen Kamer en regering heb bespeurd, dat dit onwerkbare situaties zou opleveren. Het is onwenselijk en niet efficiënt. Daarop wil ik graag ingaan.

Dat is een, het parlementair instemmingsrecht dat komt te vervallen. De tweede kwestie die aan de orde is, is de vraag of het Nederlandse parlement niet alleen een instemmingsrecht op die onderwerpen moet behouden, maar dat daarnaast de democratische controle door dit nationale parlement moet worden uitgebreid naar andere beleidsterreinen. Mijn fractie beantwoordt die vraag hartstochtelijk bevestigend. Beide kwesties, behoud van het instemmingsrecht en uitbreiding van de democratische controle op de inbreng van Nederland in Brussel, raken aan de vraag of de democratische controle die het Europees Parlement zal uitvoeren na de inwerkingtreding van het nieuwe verdrag, voldoende is om nationale democratische controle achterwege te laten. Verder is het de vraag of de bestaande bevoegdheden van dit parlement voldoende zijn om zich van de resttaken te kwijten. Bij de kwesties waar het Europees Parlement geen codecisiebevoegdheden heeft, dus de unanimiteitskwesties op JBZ-terrein, sancties in het buitenlandbeleid bijvoorbeeld, is dit sowieso het geval. Hier blijft dus een exclusieve taak voor de nationale parlementen weggelegd en is daarom een instemmingsrecht geboden.

Bij kwesties waar het Europees Parlement wel codecisiebevoegdheden heeft, geldt wat mij betreft het volgende. De regering en de indieners van het amendement-Ormel/Blom redeneren dat er geen democratisch tekort meer is en dat er geen afzonderlijke en aanvullende taken voor het nationale parlement zijn weggelegd. De regering redeneert bovendien dat het anders tot een welhaast onwerkbare situatie zou leiden die niet effectief is, aldus de nota naar aanleiding van het verslag. Dit is een onbegrijpelijke redenering om zes of zeven redenen die ik graag wil toelichten.

De voorzitter:

Uw derde interruptie?

De heer Blom (PvdA):

Dan zie ik ervan af.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Op al deze redenen krijg ik graag een reactie van de regering. Ten eerste: de codecisieprocedure van het Europees Parlement is geen volwaardige democratische parlementaire controle. Er resteert, anders dan de leden Ormel en Blom redeneren, nog wel een democratisch gat, omdat het Europees Parlement geen bevoegdheden heeft om de inbreng van lidstaten in de Raad te controleren. De parlementen van de lidstaten vervullen hier een complementaire taak om dat gat te vullen.

De voorzitter:

Toch een derde interruptie?

De heer Blom (PvdA):

Ja, want ik vind dit echt onbegrijpelijk. Het is een raar verhaal als je constateert dat er een democratische deficit is omdat wij blijkbaar onze regering niet kunnen controleren. Als ik naar aanleiding van een VAO bij motie iets opdraag aan de regering om tot uiting te brengen in een Europese Raad, dan heb ik daarvoor alle mogelijkheden. Mevrouw Peters heeft nu ook terreinen genoemd – dat is ook bij de bespreking van het amendement van de heer Ten Broeke aan de orde geweest – waarnaar de controle moet worden uitgebreid, namelijk defensie en buitenlands beleid. Op die terreinen hebben wij nooit een instemmingsrecht gehad. Kan mevrouw Peters mij drie voorbeelden geven waar dit in de afgelopen tien jaar problemen heeft opgeleverd?

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Ik geef een voorbeeld. De Eerste Kamer heeft heel lang en intens geprobeerd en doet dat nog steeds, om informatie van de regering te krijgen over de Nederlandse inbreng bij de vaststelling van de richtlijn voor de uitzetting van illegalen naar derde landen. Keer op keer op keer op keer is de regering gevraagd om informatie over haar inbreng. Die informatie is nooit door de regering verschaft. Het gaat om een kwestie die valt onder JBZ en waarvoor niet langer de unanimiteitsregel geldt. Het instemmingsrecht van het parlement was hier niet van toepassing en daardoor had de Eerste Kamer geen stok achter de deur om deze informatie van de regering los te peuteren. Uiteindelijk heeft de Eerste Kamer deze informatie overigens wel gevonden, namelijk op een website van een lidstaat waar dit soort informatie wel met het parlement wordt gedeeld. Dit voorbeeld illustreert dat parlementen erbij zijn gebaat om een stok achter de deur, een instemmingsvereiste of een behandelingsvoorbehoud, te hebben op terreinen waar alleen codecisie van toepassing is.

Voorzitter. Het nationale parlement heeft, als de wens van de fracties van PvdA en CDA werkelijkheid wordt, op drie uitzonderingen uit het amendement na, alleen nog maar de bevoegdheid om op te komen voor kwesties die onder het subsidiariteitsbeginsel vallen. Dat zijn kwesties die niet door Brussel geregeld zouden moeten worden. Het instemmingsvereiste en behandelingsvoorbehoud betreffen echter de bevoegdheid van het parlement om ook kwesties die Brussel wel regelt, effectief te controleren en te beïnvloeden. De eigen regering speelt daarbij een grote rol en die rol moet nationaal worden gecontroleerd.

Onderwerpen die onder het instemmingsrecht vielen en in de toekomst onder de codecisie – strafrecht, asielrecht, politiesamenwerking, grensbewaking, visa en verblijfsvergunningen – behoren tot de gevoeligste onderwerpen, want zij raken aan de nationale soevereiniteit. Ze raken de fundamentele mensenrechten. Het zijn zaken waarbij het parlement de regering moeten kunnen blijven controleren. Niet voor niets vielen deze onderwerpen het langst onder de unanimiteitsregel. Ze werden pas heel laat naar Europa overgeheveld, omdat ze zo gevoelig liggen.

De Nederlandse bevolking liet met haar nee weten een grote afstand tot Europa te voelen. Inbreng en controle en een actief debat, gestimuleerd door een stok achter de deur van het eigen parlement, kunnen die kloof verkleinen. Het Europees Parlement is daarvoor geen vervanger. Het vult die kloof niet op. Daarop wijzen ook de lage opkomsten bij Europese verkiezingen.

Het instemmingsrecht bevordert de transparantie, doordat daaraan de verplichting tot tijdige openbaarmaking en voorlegging van ontwerpbesluiten is gekoppeld. Artikel 68, waarnaar de heer Ormel verwees, is onvoldoende garantie. Dat artikel kennen wij! Als dat artikel voldoende was, zaten wij nu niet te bedelen om tijdige fiches, inzicht in de Nederlandse inbreng et cetera. Dat is overigens informatie die in lidstaten die instemmingsrecht of een behandelingsvoorbehoud kennen, wel wordt uitgewisseld. Daarover zijn dan immers wettelijke afspraken gemaakt. Ik wijs op de gedetailleerde Duitse regeling.

Ik houd de literatuur zo goed mogelijk bij en als ik goed heb geteld kennen 18 van de 27 Europese lidstaten een behandelingsvoorbehoud, instemmingsrecht of een variant daarop. Deze werken daar allemaal zonder problemen mee. Met name Finland is heel tevreden over haar behandelingsvoorbehoud. Dat is de reden dat het Finse model door veel lidstaten is overgenomen. Nieuwe lidstaten, oude lidstaten, het hele Oostblok, het noordelijke blok en oudgedienden als Frankrijk en Duitsland: allemaal werken ze met een vorm van behandelingsvoorbehoud of instemmingsrecht.

Voorzitter. Ik zie de staatssecretaris lachen en daarom daag ik hem en de regering uit om met negatieve voorbeelden te komen uit die lidstaten. Waarom zou Nederland in de achterhoede moeten gaan zitten?

Mijn laatste argument betreft de angst voor onwerkbare situaties of ineffectieve rompslomp, waarover in de nota naar aanleiding van het verslag wordt gesproken. De ervaring van die andere achttien lidstaten leert dat die angst niet terecht is. Het gros van de voorstellen wordt zonder behandeling of expliciete instemming stilzwijgend doorgelaten. Voor de behandeling van dossiers, waarvoor wel instemming of behandeling is vereist, hebben die landen praktische en efficiënte methoden gevonden. Dat kunnen wij ook. Wij moeten dan wel als parlement onze verantwoordelijkheid nemen. Natuurlijk, dat hoort er ook bij. Daar is mijn fractie zich van bewust. Los daarvan moet haar van het hart dat het een grote vergissing is om te denken dat democratie in het leven is geroepen als antwoord op de vraag wat de meest efficiënte en minst omslachtige wijze van besluitvorming is. Nee, daar gaat democratie niet over. Democratie gaat over wat de meest zorgvuldige, afgewogen, legitimerende en representatieve wijze van besluitvorming is, omdat die uiteindelijk het langst stand houdt en de beste uitkomsten biedt. Dat kost inderdaad misschien soms wat meer tijd, maar dat is niet erg.

De fractie van GroenLinks steunt om deze redenen dan ook de amendementen, waarvan de heer Ten Broeke penvoerder is, voor uitbreiding van het huidige instemmingsrecht op bepaalde, specifiek omschreven terreinen en voor introductie van het behandelingsvoorbehoud op de overige terreinen. Beide zijn uit praktische redenen geformuleerd en opgetuigd met een piepsysteem om zowel onnodige werklast voor regering en parlement als vertraging te voorkomen, zonder daarmee aan democratische waarborgen te tornen.

De voorzitter:

Wij hebben nog drie sprekers van de zijde van de Kamer, dus ik vraag uw uiterste beperking. Ik geef het woord aan de heer De Roon.

De heer De Roon (PVV):

Voorzitter. Nadat op 19 oktober van het vorige jaar de tekst van het Hervormingsverdrag, thans bekend als het Lissabonverdrag, was vastgesteld, zei onze minister-president: er is volop recht gedaan aan de zorgen van de Nederlandse bevolking die rondom het referendum naar voren kwamen. Volgens onze minister-president wil de burger dus geen symbolen in het verdrag, maar wel dat op de Dag van Europa de Europese vlaggen wapperen op de daken van de departementen. De burger wil volgens onze minister-president het Handvest van de grondrechten niet in het verdrag, maar wel in een protocol met dezelfde bindende werking. Onze burger wil volgens diezelfde minister-president geen rode kaart, waarmee slechte voorstellen in Europa kunnen worden tegengehouden, maar hooguit een oranje kaart, waarmee wij eigenlijk niet zo heel veel in te brengen hebben.

Ook wil onze burger geen minister van Buitenlandse Zaken voor Europa, maar wel een Hoge Vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenland- en veiligheidsbeleid, met een uitgebreide Europese diplomatieke dienst en daarnaast ook nog eens een pseudopresident van de Europese Unie, die niet door de burgers, maar door een select clubje van Europese regeringsleiders wordt uitgekozen. Ten slotte wil de burger volgens onze minister-president dat wij vetorechten inleveren en daarmee de soevereiniteit van Nederland verder laten inperken, bijvoorbeeld op het gebied van asiel en immigratie en justitie.

De PVV-fractie gelooft hier niets van. Zij weet niet met welke mensen dit kabinet tijdens zijn tour van 100 dagen gesproken heeft, maar het was duidelijk niet met één van de maar liefst bijna vijf miljoen mensen die nee stemden tegen de Europese grondwet. Het kan echter ook zo zijn, minister-president, dat het u eigenlijk simpelweg niet kan schelen wat die mensen vinden. Of de reden van de neestem tegen de Europese grondwet nu de symbolen waren die in het Europees grondwettelijk verdrag stonden, of dat wellicht toch ook ontevredenheid van de burgers met het kabinet-Balkenende II een rol speelde of dat het een uiting van bezwaar was tegen een eventuele toetreding van Turkije, anno 2008 zijn deze kaarten niet heel anders geschud. Er lijkt geen reden om nu in te stemmen met een verdrag dat zo goed als hetzelfde is als de afgewezen Europese grondwet van 2005.

De enige manier om erachter te komen of de burger er nu misschien toch anders over denkt, te weten het houden van een raadplegend referendum, grijpt dit kabinet niet aan. Dat is onbegrijpelijk en unfair tegenover de burger. Alleen al het gebaar naar de burgers dat dit kabinet hen serieus neemt door een referendum over het Lissabonverdrag te faciliteren, had wellicht nog een heleboel goed kunnen maken. Maar ja, er lijken andere belangen te spelen, belangen die het kabinet gewichtiger acht. Die belangen moeten volgens mijn fractie toch in Brussel gelegen zijn. Het zijn belangen waarop burgers hier in Nederland niet zitten te wachten, maar die voor dit kabinet kennelijk wel interessant zijn. Ik wil maar eens wat concreter worden en concrete voorbeelden geven van zaken die uit Brussel komen en die de burger persoonlijk raken.

De mensen op Texel maken zich ernstig zorgen over de dreiging van Europese regels. Die verplichten om de veerverbinding naar het vasteland Europees aan te besteden. De Tesselaars vrezen dat hiermee Texels trots, de veermaatschappij Teso, en dat als gevolg daarvan de regie van de dienst waarvan het eiland afhankelijk is, verdwijnt. Het is niet te geloven! Brussel bemoeit zich met de veerdiensten naar Texel. Op het hele eiland kan niemand worden gevonden die ontevreden is met de bestaande situatie. Niemand zit op verandering te wachten. Er is zeker niemand die erom heeft gevraagd. Maar toch loopt men het risico dat Brussel vroeg of laat de touwtjes in handen gaat nemen. Dit moet toch niet kunnen. Niet op Texel, maar ook niet elders in ons land. De burger staat erbij en kijkt ernaar. Hij heeft geen invloed meer. That's it. Als gevolg van de groeiende Europese macht zal dit in de toekomst steeds vaker gebeuren. In Den Haag aankloppen, heeft steeds vaker ook al geen zin meer. Als de Europese Unie op een bepaald terrein bevoegdheden heeft, is het moeilijk en wordt het bovendien nog eens steeds moeilijker om daar nog een speld tussen te krijgen. Door het verlies van vetorechten, de toename van het aantal gevallen waarin op basis van een gekwalificeerde meerderheid van stemmen wordt besloten en in het bijzonder ook door het ontbreken van een rode kaart, zal ook onze minister-president dikwijls niets meer in de melk te brokkelen hebben. Onze afhankelijkheid van andere lidstaten neemt daarmee alleen maar toe. Ook onze minister-president staat er dan bij en kijkt er naar. Vervolgens komt hij met lege handen terug naar Den Haag. Hij komt terug met lege handen voor de mensen op Texel en alle andere mensen in ons land.

Een ander concreet voorbeeld betreft de kleine garagebedrijven. De Europese Commissie wil een ingreep plegen in de beschermende wetgeving voor de autobranche. Het gevolg daarvan kan zijn dat onafhankelijke garagebedrijven, die het goedkope alternatief voor mensen met een smalle beurs vormen, 10% tot 20% meer gaan vragen voor onderhoudsbeurten. Bovendien wordt het dan weer mogelijk dat autofabrikanten kunnen gaan bepalen dat de garanties die zij verstrekken alleen maar gelden als het onderhoud door de merkdealer wordt verricht. Kortom: Brussel jaagt de automobilist naar de duurdere merkdealer.

Dit zijn enkele voorbeelden van gevolgen die de burger in zijn dagelijks leven ervaart als vanuit Brussel wordt beschikt. De burger heeft de zekerheid dat hij, of het maatschappelijk verband waarvan hij deel uitmaakt, daarop geen invloed kan uitoefenen. Het is dan ook geen wonder dat de burger zich niet verbonden voelt met de Europese besluitvorming. Er is gewoon geen band. Alle retoriek over Europees burgerschap brengt daarin geen verandering.

Mijn fractie is van oordeel dat het huis Europa waaraan dit kabinet mee bouwt, niet in het belang is van onze burgers. Het verband tussen de supermacht Europa in staat van wording en zijn onderdanen bestaat niet. Het Europese huis zal dientengevolge uiteindelijk niet sterk maar zwak blijken te zijn. De PVV-fractie wenst een sterk Europa. Een sterk Europa is, naar ons idee, een kleiner Europa waaraan geen zwakke lidstaten worden toegevoegd. Een kleiner Europa dat zich bovendien niet vergrijpt aan ambities die te hoog zijn gegrepen. Het Europa dat het kabinet voor ogen staat, is een Europa dat is ontstaan uit angst: de angst van het kabinet voor de bedreigingen die het uit de buitenwereld op ons ziet afkomen, zoals globalisering, voedselproblematiek, watertekort, waterteveel, milieuvervuiling en energietekort. "Alleen Europa kan ons redden," zo redeneert het kabinet. Daarmee spreekt het kabinet een gebrek aan vertrouwen in Nederland en in ieder geval in zichzelf uit.

De PVV-fractie heeft meer vertrouwen in Nederland dan het kabinet. Wij zijn van mening dat Nederland heel goed zonder opgelegde Europese regelgeving kan ten aanzien van ongewenste illegalen en asielzoekers. Niemand anders dan Nederland zelf behoort te bepalen wie wel en wie niet in Nederland mogen verblijven en wie het land uit moeten. Geen Europese bemoeizucht, maar de bereidheid, inzet en toewijding van de overheid om de regels hier te handhaven moet bepalend zijn. Wij zijn van mening dat Nederland ook heel goed zonder opgelegde samenwerking op het gebied van de bescherming van ons milieu kan. Daarover moeten wij uitsluitend zelf gaan. Wij moeten zelf de regels bepalen en deze regels zelf ook daadwerkelijk handhaven. Er moeten geen regels komen uit Brussel wanneer wij daarmee niet zelf voor de volle honderd procent instemmen. Evenmin wensen wij Europese bemoeizucht met ons handhavingsbeleid. De Europese bemoeizucht kost ons bovendien handen met geld. Dat betreft niet alleen het bedrag dat wij jaarlijks aan Brussel afdragen, maar ook de kosten die al deze beslissingen voor ons met zich meebrengen. Een voorbeeld hiervan zijn de op stapel staande Europese regels voor schoner slootwater die Nederland de komende tien jaar minstens 10 mld. gaan kosten. Het is een heel slecht initiatief uit de liberale groep in het Europees Parlement. Het slaat nergens op dat bijvoorbeeld Bulgaren, Roemenen en Slovenen gaan meebeslissen over ons slootwater. Een ander voorbeeld is de dreiging dat de chemiesector ons land ontvlucht als deze, zoals de EU wil, verplicht wordt om vanaf 2013 emissierechten te kopen. Deze prachtige bedrijfstak zal dan, met dank aan dit kabinet en de EU, uit ons land verdwijnen naar India en China.

De dreigende instemming met het Verdrag van Lissabon is de grootste politieke ramp van het jaar. In het verdrag had de rode kaart centraal moeten staan. Als wij iets niet willen, mag het niet zo kunnen zijn dat Europa het ons dwingend oplegt. Het Verdrag van Lissabon kan, zo lijkt het althans op dit moment, alleen nog maar door het referendum in Ierland en misschien ook nog door een uitspraak van het Duitse constitutionele hof worden gestopt. Het is belachelijk dat van de 490 miljoen EU-onderdanen, alleen 3 miljoen Ierse kiezers en daarnaast nog 9 Duitse rechters iets in de melk te brokkelen hebben. Het is een schande voor dit kabinet dat een Nederlands referendum heeft gefrustreerd. Het is een schande voor de partijen CDA, PvdA, met uitzondering van de heer Kalma, VVD, ChristenUnie en SGP die vanmiddag tegen een referendum over het Verdrag van Lissabon hebben gestemd. Mijn fractie is van oordeel dat het Verdrag van Lissabon slecht is voor Nederland. Wij zullen dan ook onder geen beding steun verlenen aan de invoering van dat verdrag in Nederland.

Ik eindig met tien punten die de PVV-fractie voor ogen heeft met betrekking tot Europa. Wij willen geen Europese superstaten en geen inlevering van vetorechten. Wij willen geen communautair immigratiebeleid. Wij willen geen kostbare verhuizingen tussen Brussel en Straatsburg à raison van 116 mln. per jaar. Wij willen geen Turkije in de EU en geen Europees Parlement, maar de bevoegdheden daarvan terug naar de nationale parlementen. Wij willen dat er minder miljarden van de belastingbetaler naar de EU gaan. Wij willen geen nieuwe landen lid maken van de EU en wij willen dat Roemenië en Bulgarije eruit gaan. Verder willen wij geen gele of oranje, maar wel een rode kaart. Wij willen geen Hoge Vertegenwoordiger voor gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid. De PVV-fractie wil een kleiner Europa, met minder lidstaten, waarvoor niet meer maar minder euro's hoeft te worden afgedragen. Wij willen niet meer, maar minder bevoegdheden voor Europa, niet meer maar minder bureaucratie, niet meer maar minder immigratie. Wij willen een sterk en soeverein Nederland dat samenwerkt waar het nodig is. Wij willen geen Europese superstaat. Nederland moet Nederland blijven en baas in eigen land.

De heer Blom (PvdA):

Voorzitter. De contrasten in deze Kamer zijn altijd leuk. Ik ga het niet hebben over wat wij niet willen, maar over wat wij wel willen. Ik ga het niet hebben over wat wij minder willen, maar over wat wij misschien wel meer willen. Daarmee is direct het verschil tussen beide partijen aangegeven.

Met de Goedkeuringswet voor het Verdrag van Lissabon zijn wij gekomen bij de afsluiting van een roerige periode. Wij kunnen tevreden zijn over de uitkomst. Nederland zat na het nee in een lastige positie. Er ligt nu echter een verdrag dat volgens mijn fractie vergaand tegemoetkomt aan de Nederlandse zorgen. Europa zat ook in een lastige positie. Terwijl wij in debat gingen met onszelf, waren er om ons heen verwondering en zorgen over Nederland.

Wat waren eigenlijk onze bezwaren en hoe wilden wij verder? Wij moeten ons realiseren dat onze Europese partners bereid zijn geweest om een stap in onze richting te zetten en een nieuw compromis te sluiten. Een compromis waarmee iedereen kan leven en waarmee Europa verder kan. Burgers hebben wel degelijk grote verwachtingen van Europese samenwerking en zullen ons afrekenen op zichtbare resultaten. Uit onderzoek van het SCP blijkt dat 79% van de Nederlanders het EU-lidmaatschap een goede zaak vindt. 74% vindt het ook van voordeel voor Nederland. Europa is een deel van de Nederlandse samenleving en Nederland is een deel van Europa. Zoals Europa van invloed is op ons dagelijks leven, zo hebben wij invloed op Europa.

Na ruim twee jaar Europese reflectie ligt er een hervormingsverdrag. Dat komt tegemoet aan de zorgen van Nederland, terwijl het Europa de ruimte biedt om verder te gaan. Maar een verdrag alleen lost geen vragen op. Wij moeten het debat over instituties nu achter ons laten, vooruitkijken en effectieve oplossingen zoeken voor de uitdagingen waarvoor wij staan. De belangrijkste wijzigingen van het hervormingsverdrag zijn wat mijn fractie betreft de volgende. Ik wijs eerst op de versterkte invloed van de nationale parlementen. De PvdA heeft zich hard ingezet voor een sterkere rol van het Nederlandse parlement in het Europese besluitvormingsproces. Nationaal regelen wat het beste nationaal kan worden geregeld en Europees waar een Europese aanpak het beste past. Daarnaast geeft de nieuwe taakverdeling tussen de lidstaten en de EU zowel de nationale overheden als de burgers veel meer duidelijkheid. Wij weten nu wie wat doet.

Een ander belangrijk punt wordt gevormd door de beroemde diensten van algemeen economisch belang. In het nieuwe verdrag staat duidelijk dat ieder land dat lid is van de EU een bepaalde dienst kan aanwijzen als dienst van algemeen economisch belang. Een dienst van algemeen economisch belang hoeft niet geheel te worden onderworpen aan de regels van de Europese interne markt of concurrentie, omdat deze diensten een bepaalde sociale doelstelling hebben. Dat is belangrijk, omdat de PvdA vindt dat de Nederlandse regering belangrijke zaken voor onze bevolking, zoals huisvesting en zorg, zelf moeten blijven regelen, zonder invloed van de Europese markt en concurrentieregels. Daarnaast is vastgelegd dat deze diensten van hoge kwaliteit, veilig en betaalbaar moeten zijn.

De PvdA wil een sterk en groen Europa, maar wij willen ook een sociaal Europa. Veel landen zijn jaloers op ons sociaal stelsel en daar mogen wij best trots op zijn. Wij hebben een minimumloon, goede arbeidsomstandigheden en een robuuste sociale zekerheid. Maar het is niet overal zo goed geregeld. Nederland heeft een zekere verantwoordelijkheid om de verschillen tussen oude en nieuwe lidstaten te verminderen, al is het maar om oneerlijke concurrentie tegen te gaan. Daarmee is de kous niet af. Het Nederlandse parlement zal erop moeten toezien dat de regering zich inzet voor heldere regelgeving om onze sociale woningbouw, onze zorg en ons onderwijs te vrijwaren van ongewenste inmenging van marktregels.

Op bepaalde terreinen zijn de problemen niet op nationaal niveau op te lossen. De PvdA heeft zich ingezet voor meer samenwerking daar waar nodig is. Met het nieuwe verdrag komt er een gemeenschappelijk beleid voor asiel, immigratie, justitie, milieu en klimaat. Wij werken alleen samen daar waar dat echt meerwaarde heeft. Dat is niet het geval op het gebied van strafrecht, of het beleid op het gebied van softdrugs of euthanasie. Dat blijft een Nederlandse zaak.

Het valt niet mee om met 27 lidstaten unaniem tot besluiten te komen. Bij de aanpak van sommige grensoverschrijdende problemen is het belangrijk dat de besluitvorming niet wordt geblokkeerd door een veto. Daarom is de PvdA voorstander van het opgeven van veto's op terreinen als misdaadpreventie en asielbeleid. Op andere terreinen echter moet het vetorecht wel blijven bestaan, bijvoorbeeld op het gebied van strafrecht. Het beeld dat Nederland zijn soevereiniteit uit handen geeft door zijn vetorecht op te geven, klopt dus niet. Ook wanneer met meerderheid wordt besloten in plaats van met unanimiteit kan een voorstel worden geblokkeerd, maar dan wel door een aantal landen samen. Bovendien zijn de bevoegdheden van de EU niet onbeperkt. Hoe de bevoegdheden zijn verdeeld, is duidelijk vastgelegd in de verschillende verdragen van de EU. Veranderingen in deze verdelingen kunnen alleen met instemming van alle lidstaten, inclusief Nederland, plaatsvinden.

Uit allerlei onderzoeken blijkt dat de burgers van Europa zich onvoldoende betrokken voelen bij de EU. Het idee dat mensen geen invloed hebben op de besluiten die in Brussel worden genomen, moet veranderen. Zonder steun van de bevolking voor de werkzaamheden van de EU ziet de toekomst er somber uit. Met behulp van het Europees burgerinitiatief kunnen burgers hun stem laten horen over allerlei onderwerpen en zelf nieuwe initiatieven aandragen. De invoering van het burgerinitiatief is in de ogen van de PvdA een belangrijke stap in de richting van een democratische Unie.

De Partij van de Arbeid vindt het Handvest van de grondrechten een heel waardevol document voor alle Europese burgers. Het brengt een aantal belangrijke rechten van Europese burgers samen in een document, niet alleen de klassieke grondrechten, zoals het recht op vrijheid van meningsuiting, maar ook moderne en sociale rechten. Het handvest moet de Europese burgers beschermen tegen ongewenste Europese regels, wanneer deze tegen de grondrechten ingaan. Met het juridisch bindend maken van het Handvest van de grondrechten kunnen Europese burgers het gebruiken wanneer zij vermoeden dat Europese regels in strijd zijn met de in het handvest vastgelegde grondrechten.

Er is een duidelijke verwijzing naar de toetredingscriteria opgenomen. De Partij van de Arbeid had liever gezien dat de criteria letterlijk waren opgenomen in het verdrag, maar dit is een volwaardig compromis. Hiermee krijgen Nederland en de andere lidstaten meer houvast en daadkracht om landen die willen toetreden op de vingers te tikken als dit nodig is, of zelfs onderhandelingen te staken wanneer zij zich niet aan de opdrachten houden.

Wanneer het Verdrag van Lissabon in werking treedt, betekent dit dus een versterking van de rol van het Europees Parlement. Het aantal terreinen waarop het medewetgever is, de zogeheten codecisieprocedures, worden uitgebreid. Daarnaast wordt het Europees Parlement betrokken bij de vaststelling van de gehele EU-begroting. Met het vaststellen van de begroting wordt vaak vooruitgelopen op het te voeren beleid. Zonder geld volgt er geen uitvoering van plannen. Ook de rol van het nationale parlement wordt versterkt. Wij hebben straks, met het nieuwe verdrag, ook de mogelijkheid om met een meerderheid van de nationale parlementen aan te geven dat er geen reden wordt gezien om een probleem of discussiepunt Europees van regelgeving te voorzien. Om dit goed te laten werken is een intensievere samenwerking van de nationale parlementen nodig. Daarom is samen met de VVD het voorstel gelanceerd om deze oranjekaartprocedure verder op te tuigen. Tegelijkertijd zal de Tweede Kamer moeten laten zien dat wij wel degelijk de ontwikkeling van wet- en regelgeving in de EU volgen en kunnen beïnvloeden. De tijd van verschuilen achter de gedachte "dat komt uit Brussel en wij wisten van niets" is echt voorbij. Publieke debatten zullen ervoor zorgen dat burgers zich meer betrokken voelen bij de Europese besluitvorming en de EU.

Over de ontwikkeling van gemeenschappelijk EU-beleid op het terrein van asiel en immigratie wil de Kamer tijdig kunnen meepraten. Zij wil daarop wezenlijke invloed hebben. Daarom heeft de Partij van de Arbeid samen met het CDA een amendement ingediend waarbij ontwerpbesluiten op het terrein van vrijheid, veiligheid en recht instemming van de Staten-Generaal vereisen voordat de regeringsvertegenwoordiger van Nederland zijn medewerking kan verlenen aan het tot stand komen van een besluit op dit terrein. Onze uitgangspunten daarbij zijn helder. Wij willen dat Europa meer is dan een markt alleen, waar sociale verworvenheden en publieke dienstverlening niet ondergeschikt zijn aan marktregels en internationale concurrentie. Wij willen een gezond Europa, met een schone, veilige en zekere energievoorziening, dat een leidende rol speelt bij de strijd tegen klimaatverandering. Wij willen een Europa dat mee bepaalt hoe de globalisering uitpakt en een bijdrage levert aan internationale solidariteit, vrede en veiligheid in de hele wereld.

De heer Van Bommel (SP):

De heer Blom heeft al twee keer gezegd dat Europa de markt meester is en heeft het over de diensten van algemeen economisch belang, de publieke diensten. Door dit verdrag en door het protocol op dit punt is het toch duidelijk dat publieke diensten die tegelijkertijd een commerciële taak hebben – ik doel op de woningbouwcorporaties – zich gewoon hebben aan te passen aan de marktregels van Europa. Daarmee komen de corporaties zoals wij ze kennen in Nederland in een verdomhoekje.

De heer Blom (PvdA):

Het is maar net waarmee je het vergelijkt. In de huidige situatie, waarbij de regels van het verdrag van Nice gelden, heb ik in ieder geval niet de mogelijkheid om tot een uitzonderingspositie te komen. Dat heb ik onder het Verdrag van Lissabon wel. Ik heb de regering ook opgeroepen om ervoor zorg te dragen dat dit op een fatsoenlijke manier wordt vormgegeven. Volgens de protocollen van het Verdrag van Lissabon kan ik die diensten van algemeen belang in Nederland toepassen op woningbouwcorporaties. Volgens mij is daarmee helemaal niks mis. Het is een stap in de goede richting, vergelijkbaar met de huidige toestand onder het Verdrag van Nice.

De heer Van Bommel (SP):

Er worden voor de woningbouwcorporaties geen stappen in de goede richting gezet. De woningbouwcorporaties kunnen nu hun taken uitvoeren. Zij hebben de taak om te zorgen voor sociale woningbouw. Zij hebben ook een commerciële taak: bouwen voor een wat duurder segment. Die twee taken kunnen zij combineren en op die manier hun sociale taak financieren. Hoe is het dan mogelijk dat u dit verdrag ziet als een verbetering van de bestaande situatie? Het is een verslechtering van de bestaande situatie.

De heer Blom (PvdA):

Dat ben ik dus niet met u eens. Het Verdrag van Lissabon biedt ontsnappingsmogelijkheden voor onze regering. Zij kan daardoor een woningbouwvereniging voorzien van het predicaat dienst van algemeen economisch belang. Dat vervolgens een scheiding moet worden aangebracht tussen de commerciële en de sociale activiteiten, is inherent aan de nieuwe situatie, maar die mogelijkheid is er. Zij was er niet en daarom is wat mij betreft een stap in de goede richting gezet.

De heer Van Bommel (SP):

Voorzitter. Ik wil van de heer Blom hom of kuit. Is hij van mening dat voor woningbouwcorporaties de situatie verbetert, gelijk blijft of verslechtert?

De heer Blom (PvdA):

Verbetert.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Voorzitter. Ik reageer een beetje laat, maar de heer Blom was zo snel klaar met zijn bijdrage dat hij mij enigszins verraste.

De heer Blom (PvdA):

Als je je beperkt tot de hoofdlijnen, ben je vrij snel klaar.

De voorzitter:

Die zit. Mevrouw Peters mag haar vraag stellen.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Voorzitter. De heer Blom verdedigt nu zijn amendement en zegt: de Partij van de Arbeid wil niet alleen letten op het feit of subsidiariteit wordt betracht, maar ook goed nagaan welke wetten men in Brussel wel mag maken. Daarom wil zij dat dit parlement daarover tijdig kan meepraten. Wij gaan wezenlijk beïnvloeden wat er in Brussel gebeurt, zei hij. Ik citeer hem. Vervolgens komt hij met een amendement en noemt dan drie artikelen. Let wel: drie! Aan de hand daarvan wil hij wezenlijk invloed uitoefenen. Maar hij noemt slechts drie artikelen, terwijl er ontiegelijk veel beleidsterreinen zijn waarover Brussel gaat. De drie artikelen die hij noemde betreffen onder andere de paspoorten en de grensoverschrijdende politionele samenwerking, maar is meepraten over kwesties op deze terreinen wat hij verstaat onder wezenlijke beïnvloeding van Brusselse besluitvorming?

De heer Blom (PvdA):

Laat ik voordat ik deze vraag beantwoord vaststellen dat de Tweede Kamer in de afgelopen tien jaar bijna helemaal niets heeft gedaan aan wezenlijke beïnvloeding van de Brusselse besluitvorming, terwijl zij daartoe alle mogelijkheden had. Dat is punt één. Dan punt twee.

Ik wil dan de wijze van besluitvorming die is vastgelegd met het Verdrag van Lissabon vergelijken met die welke is vastgelegd met het Verdrag van Nice. Dan zijn er twee zaken van belang. De eerste betreft de vraag: waarom is met het sluiten van het Verdrag van Nice in 1999 op bepaalde terreinen instemmingsrecht aan de lidstaten verleend? Dat is gedaan om de doodeenvoudige reden dat er anders geen democratische waarborg was. Met het Verdrag van Lissabon zijn er op twee manieren democratische waarborgen. De ene waarborg is dat een gedeelte van het besluitvormingsproces overgaat naar het Europees Parlement en de andere dat de Europese Raad van ministers overgaat tot meerderheidsbesluitvorming en niet meer besluiten neemt op basis van unanimiteit. Dat betekent dat in beide gevallen de democratische waarborg onderdeel is van het besluitvormingsproces.

Vervolgens wil ik aangegeven wat de standaard manier van werken van deze Kamer is. Als ik vind dat deze regering tijdens de Europese Raad een bepaald standpunt moet innemen en ik kom er met de heren van dit kabinet in het AO voorafgaande aan die Raad niet uit, dan vraag ik tijdens de regeling van werkzaamheden een VAO aan. Dan dien ik tijdens het debat over het VAO een motie in. Als die motie dan door de meerderheid van de Kamer wordt gesteund, is de regering opgedragen om die motie uit te voeren. De regering kan die motie natuurlijk ook niet uitvoeren. Dan is het aan ons om daaraan een waardeoordeel te verbinden. Dus ik heb nu eigenlijk op elk willekeurig terrein instemmingsrecht. Alleen, ik moet zelf het initiatief nemen. Dat is het verschil met uw voorstel. Daarmee gaat u een bouwwerk creëren, waardoor u zelf kunt achteroverleunen...

De voorzitter:

Mijnheer Blom, wij kennen het voorstel van mevrouw Peters. U moet kort antwoorden. Mevrouw Peters stelt haar vervolgvraag.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

U zegt dat het voorstel van anderen te ver zou gaan, vanwege de nieuwe positie van het Europees Parlement. Ook door het feit dat de raad bij meerderheid beslist zou de democratische controle gewaarborgd zijn. Daar hebt u gelijk in. Echter, dat geldt dan voor de democratische controle op het Europese niveau, maar aan dat Europese proces gaat een belangrijke fase vooraf. In die fase wordt het standpunt van uw eigen Nederlandse regering bepaald. Daar ligt een taak voor u als Nederlands parlementariër. Daar moet u uw eigen regering bevragen over wat zij in New York of in Brussel gaat doen. Dat deficit blijft bestaan. U zegt dat u al bevoegdheden hebt om de regering op dit punt uitputtend te controleren. Maar vlak voor de Raad is het te laat. U hebt vanaf het begin van de behandeling, wanneer de onderhandelingen gaande zijn, recht op informatie. Daar moet u de regering op controleren en haar eventueel op bijsturen.

De voorzitter:

Mevrouw Peters, ik wil echt dat u kortere vragen stelt. Dat geldt voor iedereen.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Met moties aan het eind werken wij niet vruchtbaar samen. Als wij alles op de vertrouwenskwestie moeten laten aankomen...

De heer Blom (PvdA):

Als u deze woorden in de mond neemt, diskwalificeert u het totale gebeuren hier in onze eigen Kamer. Wij zijn gewend om te gaan met nationale wetgeving op de manier die ik aangeef. Dat zou ineens niet kunnen bij Europese regelgeving? Dat kan dus wel. Als u zegt dat wij te weinig instrumenten hebben, dan diskwalificeert u uw eigen werkzaamheden. Dat gaat dus niet goed. Als in de Raad bij meerderheid kan worden besloten, kun je instemmingsrecht creëren wat je wilt, maar dat geeft geen zekerheid dat je je zin krijgt. Wat gaat u dan vervolgens doen op het moment dat u het hele spul hebt opgetuigd en de regering vervolgens een nederlaag lijdt in Europa?

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Er is een groot verschil tussen de controlemogelijkheden die je nodig hebt om nationale wetgeving te controleren, en de controlemogelijkheden die je nodig hebt om Brusselse wetgeving te controleren. Nationaal zijn er maar twee actoren: regering en parlement. Wij hebben recht op alle informatie die daarvoor relevant is. In het Brusselse is er een veelheid aan actoren, een veelheid aan inbreng, een diplomatieke, geheime onderhandelingsprocedure waar Nederlandse parlementariërs geen toegang toe hebben. Om die marge als nationaal parlement te bereiken, heb je extra informatieplichten en behandelingsvoorbehouden nodig.

De heer Blom (PvdA):

Als ik mijn zin niet krijg tijdens de voorbereiding van een Europese Raad, ga ik naar de voorzitter met een motie en roep ik de regering op om mij die informatie te verstrekken. De regering heeft vervolgens de plicht om dat te doen. Als zij dat niet doet, heeft zij een probleem. Zo simpel zit voor mij de wereld in elkaar hoor.

De heer Van Bommel (SP):

Het simpele wereldbeeld van de heer Blom kennen wij.

De heer Blom (PvdA):

Lekker hè?

De heer Van Bommel (SP):

Nee, dat vind ik niet lekker, en wel om twee redenen. U stelt zich hier op als goedkope boodschappenjongen voor het kabinet en u ondermijnt de positie van het parlement. Als parlementariër in een dualistische verhouding zou u zich daarvoor moeten schamen. U vindt het verdrag zo goed omdat het onder andere de positie van het parlement versterkt. Waarom wilt u op dit cruciale punt de positie van het parlement dan niet versterken? U hebt de gelegenheid, u hebt de kans, maar kennelijk bent u liever knechtje van het kabinet dan gewoon parlementariër. Waarom wilt u de positie van het parlement niet versterken?

De heer Blom (PvdA):

Dat wil ik wel en daarom hebben collega Ormel en ik een amendement ingediend om het democratisch deficit te weerleggen. U komt met grote woorden, maar ik heb u de afgelopen vijftien jaar niet over behandelingsvoorbehouden gehoord. Er zijn nieuwe argumenten bedacht, maar ik heb ze nooit gemist. Als ik in mijn leven iets nooit gemist heb, hoef ik het ook niet te bedenken.

De heer Van Bommel (SP):

Ik zou veel woorden kunnen wijden aan wat de heer Blom in zijn leven tekortkomt, maar dat valt buiten het bereik van dit debat. Het gaat nu om de positie van het parlement. Vanuit de Kamer wordt een instrument geboden dat sterker is dan wat de heer Blom met het CDA te bieden heeft. Toch zegt hij daar nee tegen. Ik snap wel dat alles wat nieuw is vreemd is, en dat hij dat eerst wil onderzoeken. Daar ben ik ook voor, maar onmiskenbaar is het instrument dat door Ten Broeke c.s. geboden wordt, sterker dan datgene wat door Ormel en Blom wordt geboden...

De voorzitter:

Uw punt is duidelijk.

De heer Van Bommel (SP):

Ik heb mijn vraag nog niet eens gesteld.

De voorzitter:

Jawel. U vindt het instrument sterker en u wilt weten waarom de heer Blom het niet wil.

De heer Van Bommel (SP):

Nee, ik wil weten of de heer Blom erkent dat het instrument inderdaad sterker is.

De heer Blom (PvdA):

Het lijkt mij zeer onzinnig om een instrument te verzinnen dat sterker is dan het instrument dat ik al heb, terwijl iedereen weet dat ik het instrument dat ik heb, nog nooit heb gebruikt.

De heer Van Bommel (SP):

Dat kan de heer Blom niet menen. Je kunt gaan voor iets wat de zaak vertraagt of op termijn ter discussie stelt, maar je krijgt vanuit de Kamer het ultieme instrument in handen. Dat is dan toch het interessantste wat je je maar kunt wensen? Dan moet hij als lid van de Kamer, los van partijpolitieke belangen, toch voor het sterkste instrument gaan?

De heer Blom (PvdA):

Ik heb die instrumenten, mijnheer Van Bommel. Ik zeg net dat het niet een kwestie is van een sterker instrument, het is hoogstens een kwestie van een ingewikkelder instrument. Ik kan heel makkelijk leven met het feit dat ik in een algemeen overleg een VAO kan aanvragen en de regering bij motie kan opdragen om wat te doen. Dat vind ik echt genoeg. Voor de punten waar er echt wezenlijke verschillen zijn, hebben de heer Ormel en ik een amendement ingediend. Zo simpel is het, mijnheer Van Bommel. U maakt de wereld ingewikkeld, u creëert problemen die er helemaal niet zijn. Daarin bent u erg goed.

De voorzitter:

Dank u wel, dit was het laatste woord van de heer Blom en van een aantal andere leden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Het wordt laat, maar toch nog een bijdrage van mijn kant.

50 jaar Europese eenwording waarin de burger niet betrokken is, en het resultaat laat zich aanzien: een gedrocht van een Unie dat van ingewikkelde verdragen en besluitvormingsconstructies aan elkaar hangt, niet transparant en zonder noemenswaardige democratische controle, maar wel met allerlei bevoegdheden die parlementen in de lidstaten buitenspel zetten. De constitutie van Europa moest worden herzien, maar in plaats van een pas op de plaats te maken om louter het democratisch functioneren te regelen en de transparantie te garanderen, moest en zou er een monsterverdrag worden opgesteld, een verdrag voor een grondwet voor Europa. Daarin worden niet alleen democratiseringsvoorstellen uitgewerkt, maar wordt gesproken over het afstaan van vetorechten, overdracht van bevoegdheden en zelfs een eigen militaire macht. Oude achterhaalde artikelen uit de oprichtingsverdragen worden nog maar eens bekrachtigd, zoals het uitgangspunt dat productie verhoging het enige doel van het gemeenschappelijke landbouwbeleid mag zijn. Het welzijn van dieren zou weliswaar worden gerespecteerd, als dat maar niet ten koste zou gaan van de vrijheid van mensen om onder het mom van tradities stieren dood te martelen en ganzen op grove manier onder dwang te voederen voor de productie van foie gras.

De Partij voor de Dieren, destijds nog niet vertegenwoordigd in dit huis, was faliekant tegen de Europese grondwet. Dat gold ook voor de Nederlandse kiezer, die zich in grote meerderheid hebt uitgesproken tegen deze nieuwe stap in de Europese integratie. In tegenstelling tot die kiezer mag de Partij voor de Dieren nu haar oordeel vellen over het nieuwe verdrag, dat tot stand is gekomen na de klip-en-klare afwijzing in 2005. Wij betreuren het ten zeerste dat die kans niet aan de burger wordt geboden.

Hoe zou die burger oordelen over het nieuwe verdrag? Duidelijk is dat het hervormingsverdrag nauwelijks afwijkt van die verfoeide grondwet. Na een denkpauze van twee jaar waarin het angstvallig stil bleef, presenteerden de Europese regeringsleiders in juni 2007 in twee dagen tijd een nieuwe aanpak van dit proces. Het Nederlands Juristenblad schrijft hierover: De kern van deze nieuwe aanpak werd gevormd door een uitruil. Landen die het grondwettelijke verdrag al geratificeerd hadden, hebben aan de landen die dat nog niet hebben gedaan toegegeven dat er een nieuwe verdragtekst moest komen die ontdaan was van allerlei toeters en bellen die hem de allure van een grondwet gaven. In ruil daarvoor hebben de landen die het grondwettelijk verdrag niet geratificeerd hebben, aan de andere lidstaten toegegeven dat de substantie van het grondwettelijke verdrag goeddeels overeind zal worden gehouden. Alles wat die Europese grondwet aan nieuws bracht, wordt overgebracht naar twee bestaande verdragen en alles wat die Europese grondwet ongewijzigd had willen overnemen uit die verdragen, blijft verder onaangeroerd.

De vraag is hoe de beoogde democratisering en transparantie is uitgewerkt en hoe dat zich verhoudt tot de verdere integratie van Europa. Wij zien dat de Raad van Ministers alleen in het openbaar gaat vergaderen als het over wetgeving gaat. Hoe zit het met de controle op die andere overleggen? De rol van de nationale parlementen wordt versterkt, maar niet op belangrijke terreinen als politie en justitie. Daartegenover zijn de bevoegdheden van de Europese Unie op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht ruimer geformuleerd. De samenwerking op het gebied van de bestrijding van het terrorisme wordt veelvuldig geroemd door verschillende partijen in de Kamer. Bij mij lopen op zulke momenten de rillingen over de rug. De privacy van burgers wordt met voeten getreden en het Europees Parlement kan nog altijd niet als een echt parlement opereren en dus onvoldoende tegenmacht organiseren als vertegenwoordiging van het volk. De Partij voor de Dieren maakt zich grote zorgen over het strafrecht en de militaire plannen van Europa. Wij sluiten ons graag aan bij de vragen die hierover zijn gesteld door de heer Van Bommel en wachten de reactie van de regering af.

Wat niet verandert, is de bepaling dat dierenwelzijn ondergeschikt is aan menselijke tradities, zoals het stierenvechten. Wat verder ongewijzigd blijft, is die ouderwetse bepaling uit de jaren vijftig dat de landbouw eerst, vooral en uitsluitend over productieverhoging moet gaan. Dat heeft desastreuze gevolgen en staat haaks op de moeizaam tot stand gekomen milieuambities van de EU, om over de invulling daarvan maar niet te spreken. Bijna de helft van de Europese begroting wordt nu besteed aan de landbouw. Wat dat de afgelopen 50 jaar heeft opgeleverd, kan niet anders dan teleurstellend worden genoemd.

Wij hebben boterbergen en melkplassen gezien. Gegarandeerde minimumprijzen voor boeren zorgden ervoor dat die bergen en plassen nog groter werden. De productie werd verder geïntensiveerd, bestrijdingsmiddelen en kunstmest werden volop ingezet en dieren in steeds kleinere hokken gestopt. Er werd immers betaald voor het product. Toen de boter- en graanbergen ten hemel rezen en de melk- en wijnplassen steeds verder uitdijden, werd de oplossing gezocht in grootschalige gesubsidieerde dumping van voedsel in ontwikkelingslanden. Dat was oneerlijke concurrentie die leidde tot de teloorgang van lokale boeren in de arme landen. In de jaren negentig is ingegrepen in het Europese landbouwbeleid om deze uitwassen te voorkomen, maar desondanks blijken wij niet veel vorderingen te hebben gemaakt. Wij zijn nog steeds ver verwijderd van een duurzame landbouw, waarin respect voor mensen, dieren en de omgeving het uitgangspunt vormen. Wij zien dat ook in Nederland iedere week 50 boeren stoppen die geen toekomst meer zien voor hun bedrijven en dat is, zeg ik in alle bescheidenheid, niet het gevolg van het feit dat de Partij voor de Dieren sinds anderhalf jaar in dit parlement zit, dat is het rechtstreekse gevolg van 30, 40, 50 jaar Europees landbouwbeleid, Nederlands landbouwbeleid onder aanvoering van het CDA.

Wij zien weer melkplassen, wij zien de dumping van melk, wij zien boeren melk uitrijden over hun landbouwgrond omdat zij vinden dat zij te weinig verdienen en te weinig betaald krijgen voor hun melk. Wij zien een overschot aan varkensvlees opnieuw gedumpt worden. Vanuit Europa worden Europese subsidies gegeven om grote hoeveelheden varkensvlees op de Afrikaanse markt te dumpen. Ontwikkelingsorganisaties luiden de noodklok, omdat lokale boeren niet kunnen concurreren tegen dit goedkope vlees. Lokale productie van voedsel komt in het gedrang. Het milieu hebt ernstig te lijden onder de Europese veehouderij. Broeikasgassen, ammoniak, fijnstof, het loopt de spuigaten uit. Nederland is letterlijk de "zwarte schandvlek" van Europa als het gaat om vernietiging van de natuur door ammoniakemissies van de bio-industrie.

30 jaar politiek onderhandelen heeft niet meer opgeleverd dan een half A4'tje extra ruimte voor de legkip. Omgerekend per jaar is dat nog minder dan vier vierkante centimeter. In Europa leven en lijden jaarlijks tien miljard dieren in de bio-industrie. Het gesleep van levende dieren naar alle uithoeken van de Unie gaat je voorstellingsvermogen te boven. Kortom, alle reden om te kiezen voor een duurzaam landbouwbeleid. In de nota naar aanleiding van het verslag lees ik dat de regering vindt dat waarden als dierenwelzijn, landschapsbeheer, plattelandsontwikkeling en duurzaamheid voldoende kunnen worden gewaarborgd in artikel 32 van het werkingsverdrag, maar ik vraag mij af hoe en krijg graag een toelichting van de regering. Het trucje met het "kunnen" hebben wij intussen geleerd: de dierenwelzijnswetgeving in Nederland is al meer dan vijftien jaar oud en daarvan was het ook de bedoeling dat het zou "kunnen" worden ingevuld. Wij zijn nu vijftien jaar verder en het is niet gebeurd. Graag een reactie van de regering daarop. Is de regering bereid zich ervoor in te spannen, integrale duurzaamheid uit te roepen tot uitgangspunt van het gemeenschappelijk landbouwbeleid? Is zij bereid zich in te zetten voor een werkelijke erkenning van de intrinsieke waarde van het dier, door het voorbehoud van de culturele en religieuze tradities te schrappen in de bepaling van het Verdrag van Amsterdam? Ik hoop dat wij niet nog eens 30 jaar doen over zo'n marginale welzijnsverbetering als die welke ik hierboven heb beschreven.

De voorzitter:

Wij zijn gekomen aan het einde van de inbreng van de kant van de Kamer.

De heer Van Bommel (SP):

Een punt van orde. Voorzitter, hebt u enig idee hoe lang u vanavond wilt doorgaan? Kunt u de Kamer daarover informeren?

De voorzitter:

Ja. Ik ga door totdat het kabinet in de eerste termijn heeft geantwoord.

De heer Van Bommel (SP):

Ongeacht hoeveel tijd daarmee is gemoeid?

De voorzitter:

Ja, dat doe ik ook bij debatten die op een ander moment worden gehouden. Morgen hebben wij de tweede termijn.

De heer Van Bommel (SP):

Garandeert u daarbij dat de tien fracties die aanwezig zijn, gebruik kunnen maken van de vijf interrupties die u heeft beloofd?

De voorzitter:

Ja, als de interrupties kort en bondig zijn, kan dat. Als dat niet zo is, bezin ik mij nader.

De vergadering wordt van 21.55 uur tot 22.15 uur geschorst.

Minister Balkenende:

Voorzitter. Graag zeg ik de leden van de Kamer dank voor hun inbreng in de eerste termijn van dit debat. Het is een belangrijk debat, dat voortvloeit uit de vele debatten die wij hebben gehad over dit onderwerp. Het is ook goed dat wij nu toewerken naar de besluitvorming en dat wij het proces van ratificatie kunnen afronden. Wat betreft de rolverdeling: ik zal stilstaan bij een aantal algemene onderwerpen en bij een aantal specifieke vragen dat is gesteld. De minister van Buitenlandse Zaken zal met name ingaan op de gevolgen van het Verdrag voor het Europees Buitenlands en Veiligheidsbeleid, op de EDEO, als die aan de orde komt, op de solidariteitsclausule, op de EPA, op de Mediterrane Unie, en hij zal ook stilstaan bij het onderdeel instemmingsrecht ten aanzien van het gemeenschappelijk buitenlands veiligheidsbeleid. De staatssecretaris zal ingaan op de andere onderwerpen. Hij zal meer in het bijzonder ingaan op de ingediende amendementen, die zich concentreren op het punt behandelingsvoorbehoud en instemmingsrecht. Ik zal daarover in algemene zin ook een aantal opmerkingen maken.

Wij hebben in de afgelopen twaalf maanden bij een fors aantal gelegenheden gesproken over het wijzigingsverdrag, dat uiteindelijk de naam Verdrag van Lissabon heeft gekregen. De eerste keer was vlak na de afronding van de onderhandelingen over het IGC-mandaat onder het Duitse voorzitterschap, nu bijna een jaar geleden. Vervolgens hebben wij gesproken over het oordeel van de Raad van State. Daarna hebben wij, na de afronding van de intergouvernementele conferentie en na de ondertekening in Lissabon, de discussie voortgezet. Nog vorige week sprak de Kamer in aanwezigheid van staatssecretaris Timmermans over de initiatiefwet Van Bommel en de zijnen. Keer op keer, zeg ik voor alle duidelijkheid, zijn dat nuttige debatten geweest waarin de argumenten over en weer uitgebreid naar voren zijn gekomen. Het kabinet heeft getracht zo goed mogelijk in te gaan op de vragen en opmerkingen van de Kamer. Ik zal proberen om duplicaties met eerdere debatten te voorkomen.

Het kabinet hecht buitengewoon veel waarde aan de Kamerbehandeling van dit verdrag. Niet alleen omdat het bij dit verdrag gaat om de toekomst van de Europese Unie, die medebepalend is voor de Nederlandse welvaart, veiligheid en leefomgeving in de komende jaren, maar ook omdat het kabinet ervan overtuigd is dat het een stevig draagvlak voor de Europese samenwerking niet als een gegeven kan beschouwen. Wij moeten daaraan blijven werken. De discussie tussen regering en volksvertegenwoordiging is daarbij een essentiële schakel. Daarom, en ik ga nu iets verder terug in de tijd, heeft het kabinet ook in de onderhandelingsfase de dialoog met het parlement opgezocht. Het kabinet heeft dit vaker gedaan dan in veel andere lidstaten is gebeurd. Bij de bepaling van de inzet en bij de uitwerking van onze strategie zijn de debatten van vorig voorjaar zeer nuttig geweest. Ik denk aan de ideeën van de heer Ten Broeke over de oranje kaart of aan de suggesties van de heer Van Bommel voor de verankering van de uitbreidingsregels in het verdrag.

Ook rechtstreeks heeft de Kamer de gezamenlijke desiderata kracht bij kunnen zetten. Ik herinner bijvoorbeeld aan het bezoek van de vaste Kamercommissie onder leiding van de heer Waalkens aan de Duitse onderhandelaars in Berlijn. De bijna Kamerbrede steun voor de vijf punten uit de brief en het debat van medio maart 2007 waren buitengewoon belangrijk: geen grondwet, vermijdt statelijke pretenties, meer democratie en meer betrokkenheid van de nationale parlementen, duidelijk afgebakende bevoegdheden, bijvoorbeeld bij de publieke dienst, meer slagvaardigheid, vooral op terreinen zoals milieu en veiligheid, en respect voor de uitbreidingsregels. Dit alles maakte dat het voorzitterschap, de Commissie en andere lidstaten daar niet omheen konden. Om die punten te vertalen in concrete gedragsteksten en daarvoor steun te verwerven van de andere spelers is daarna nog een hele toer geweest. Toen op 24 juni vorig jaar bleek dat het gelukt was, gaf dat veel voldoening omdat zo op een geloofwaardige manier gehoor werd gegeven aan de zorgen en verwachtingen die in de uitgebreide discussies en onderzoekingen na het referendum naar voren waren gekomen. Wij hadden de andere lidstaten ervan weten te overtuigen dat wij zo een steviger basis voor Europese samenwerking zouden hebben.

Ik loop nog eenmaal de punten langs die het Verdrag van Lissabon in de ogen van het kabinet een duidelijke verbetering maken ten opzichte van de bestaande verdragen en het ook fundamenteel doet verschillen van het verworpen grondwettelijk verdrag. Allereerst is het Verdrag van Lissabon een wijzigingsverdrag zonder grondwettelijke ambities. Dat heeft meer dan slechts een symbolische waarde. Het is een fundamentele politieke keuze, omdat het aangeeft dat de Unie zich niet in een statelijke of federale richting ontwikkelt.

In de tweede plaats levert het Verdrag van Lissabon een grote bijdrage aan het democratisch gehalte van de Unie. De rol van de nationale parlementen, die straks een rechtstreekse invloed kunnen uitoefenen op de voorstellen van de Europese Commissie, wordt aanzienlijk versterkt. Er is gesnoeid in het aantal besluitvormingsprocedures en rechtsinstrumenten. De positie van het Europees Parlement is versterkt met een uitgebreid budgetrecht en een brede toepassing van de codecisie. Tevens wordt een burgerinitiatief ingesteld en wordt de openbaarheid van de Raad verder vergroot.

In de derde plaats stelt het verdrag duidelijke grenzen aan de bevoegdheden van de Unie. Dat is gebeurd in de beschrijving van de categorieën bevoegdheden in het verdrag maar ook in het protocol over de diensten van algemeen belang. In dit protocol wordt helder afgebakend dat de EU-regelgeving rekening moet houden met de nationale sociale arrangementen en de kwaliteit van publieke diensten.

In de vierde plaats zal de Unie slagvaardiger kunnen optreden op de gebieden waarop een gemeenschappelijke aanpak noodzakelijk is. Vraagstukken met een duidelijk grensoverschrijdend karakter, zoals energie, milieu, klimaat en de aanpak van terrorisme vergen een besluitvaardiger Europese Unie. Tot slot zijn in het Verdrag van Lissabon de criteria verankerd die de EU stelt aan een land dat wil toetreden. Dit benadrukt het belang van de criteria en de gedegen toetsing van lidmaatschapsaanvragen daaraan door de Raad.

De inbreng van de Kamer van vandaag overziend, stel ik vast dat een grote groep de inhoud van het verdrag steunt. Een kleine groep was liever verder gegaan op het pad van de grondwet en een andere groep geeft de indruk liever de samenwerking in Europa verder te willen beknotten. Dat sterkt het kabinet in de gedachte dat het Verdrag van Lissabon een evenwichtige grondslag is. Een uiterst belangrijk punt in het debat van vandaag is de betrokkenheid van de Kamer bij Europese wetgevingsvoorstellen. Ik denk dat Kamer en regering wat betreft die betrokkenheid wel op eenzelfde lijn zitten.

Ook het kabinet hecht grote waarde aan een goed geïnformeerd en diepgaand politiek debat over de Europese wetgeving waarvoor wij mede verantwoordelijk zijn. Politisering van het Europabeleid is onontbeerlijk. Het is nodig om ons in Europa op koers te houden en rekening te houden met wat er bij de burgers leeft. Het is een onmisbare investering in het draagvlak voor Europa. Met andere woorden: het kabinet steunt volledig het streven van de Kamer naar meer betrokkenheid. Het heeft zich in de verdragsdiscussie ingezet voor de versterking van de positie van de nationale parlementen en het zal al het mogelijke doen om de Kamer in staat te stellen van die versterkte positie gebruik te maken. Het zal zich volledig inzetten om de Kamer optimaal van informatie te voorzien, om tijdig een beoordeling van nieuwe wetgevingsvoorstellen te geven, om wanneer de Kamer dat wenst daarover met de Kamer te overleggen. Het kabinet zal te allen tijde helder aangeven met welke inzetten het in Brussel zal opereren. De Kamer kan steeds haar opvatting in een motie vastleggen en de Kamer controleert de regering na ommekomst uit Brussel.

Het kabinet denkt dat de bestaande mogelijkheden nog beter kunnen worden benut, maar het staat ook open voor verdere verbetering van de werkafspraken als daaraan in de Kamer behoefte bestaat. Wij moeten altijd gericht blijven op verbetering en daarbij is er uiteraard een aantal aandachtspunten die, als ik mij niet vergis, ook door de Kamer worden gedeeld: geen verzwakking van de Nederlandse onderhandelingspositie in Brussel; respect voor de onderscheiden rollen van regering en volksvertegenwoordiging; geen bureaucratisering, waar juist politisering wordt beoogd. Gezien het feit dat er een grote mate van overeenstemming bestaat, zowel over doelstelling als over randvoorwaarden, heb ik er vertrouwen in dat wij tot een goede samenwerking kunnen komen.

De heer Pechtold (D66):

Het is een duidelijk betoog, maar hoe ziet de premier als eerste onder zijns gelijken in het kabinet hoe dat de afgelopen vijf jaar is gegaan? Vindt hij dat dit voldoende goed is gegaan? Hoe beziet hij dat in het licht van de beschouwing die hij nu houdt? De premier heeft enkele voordelen genoemd van meer betrokkenheid van de Kamer. Mijn tweede, meer concrete vraag luidt: hebben hij en zijn collega's het soms ook niet nodig om in onderhandelingen in Europa aan te geven dat er betrokkenheid is van de Kamer, dat de instemming nog niet zeker is, kortom, kan hij druk vanuit Den Haag gebruiken in zijn proces?

Minister Balkenende:

Dat is een goede vraag. Mijn beeld van de afgelopen jaren is dit. Op de eerste plaats hebben wij te maken gehad met tal van belangrijke onderwerpen die hebben genoopt tot een duidelijke profilering van Nederlandse kant. Er zijn daarbij twee elementen aan de orde. Het ene is het proces, de vraag hoe de samenwerking met de Kamer is geweest, hoe de informatie is geweest, hoe de debatten zijn gelopen, wat de wensen van de Kamer waren en hoe wij die internationaal naar voren hebben kunnen brengen. Het tweede punt is het inhoudelijke resultaat. Ik hoef die lijst niet eens te melden. Het begon al met de ombuiging van de stijging van de landbouwuitgaven. Daarover is vaak gesproken. Dat lag ook heel gevoelig hier in het parlement. Er is het miljard dat wij hebben teruggehaald. Wij hebben destijds gesproken over de wensen van Nederland voor de grondwet en daarna over de Nederlandse criteria en de wensen voor het wijzigingsverdrag. Wij hebben gesproken over de profilering op het gebied van administratievelastenverlichting uit Brussel. Wij hebben gesproken over het Haags Programma over veiligheid. Wij hebben in de reflectieperiode gesproken over de vraag wat Europa betekent voor de burger. Wij zijn zeer succesvol geweest in onze onderhandelingen. Ik heb bij al die onderwerpen gemerkt dat de goede dialoog met de Kamer daaraan een belangrijke bijdrage heeft geleverd. Dit gold bijvoorbeeld voor een thema als de excessieve betalingspositie van Nederland of onze positie inzake Servië waarin wij gezamenlijk zijn opgetrokken. Wij hebben het hard gespeeld in de onderhandelingen, maar wij konden steeds zeggen: wij doen dit in samenspel met het parlement. Dit heeft geleid tot een duidelijke markering van de positie van Nederland.

Ik snap de vraag van de heer Pechtold wel, want die raakt natuurlijk aan de vraag hoe je aankijkt tegen de instrumenten die hier in de debatten aan de orde zijn. Wij verschillen wel eens van mening, maar hij heeft een paar belangwekkende opmerkingen gemaakt. Hij zei: als je bepaalde instrumenten kiest, moet je dan ook niet iets hebben waarmee je de internationale besluitvorming zou kunnen frustreren, die ook contraproductief zouden kunnen werken. Op basis van mijn ervaring in de afgelopen jaren en dat geldt evenzeer voor de andere leden van het kabinet, ben ik van mening dat er effectief is gehandeld, omdat wij wisten wat wij wilden en hoe het parlement erover dacht. Het is de vraag of dit een aanknopingspunt is voor een instemmingsrecht.

De heer Pechtold bracht nog een tweede punt naar voren, namelijk kijk heel goed naar de bestaande instrumenten. Het is maar zeer de vraag of er een behandelingsvoorbehoud nodig is of dat je zegt: Europese Commissie wees transparant in je werkprogramma, kabinet wijs daar tijdig op en ga het debat met de Kamer aan om te weten welke elementen er op de agenda staan, Kamer geef aan welke onderwerpen speciale aandacht vergen. Dit is een keuze die de Kamer maakt. Dan is het vervolgens een kwestie van de organisatie van het debat. De heer Blom sprak ware woorden over het gebruik van de parlementaire instrumenten.

Op basis van mijn eigen ervaring weet ik dat iedere Europese Raad wordt voorafgegaan door een algemeen overleg; na afloop is er een plenair debat. Ik neem de aantekeningen die ik maak tijdens het algemeen overleg mee naar de Europese Raad omdat ik weet dat dit zo bij de Kamer leeft. Ik heb de leden meer dan eens dankgezegd voor de constructieve manier waarop wij over zaken spreken. De staatssecretaris zal verder ingaan op de techniek, maar het is de vraag of een behandelingsvoorbehoud wel altijd productieve gevolgen heeft of juist contraproductief zou kunnen werken. Ik aarzel daarover.

Er is nu een instemmingsrecht voor de JBZ, maar dat heeft een bepaalde geschiedenis. Het is de vraag of wij dit instrument moeten oprekken. Het kabinet is hiervan niet overtuigd. Ik denk dat het goed is om twee dingen voorop te stellen. Ten eerste: transparantie, tijdig melden welke zaken er spelen, een Kamer die alert is om onderwerpen te bespreken. Ten tweede: maximaal gebruikmaken van de bestaande instrumenten. Daar komt nog iets anders bij. Het lijkt mij goed om nog eens te wijzen op het verschil tussen regering en Kamer. Het is natuurlijk helder: de regering regeert en de Kamer controleert, maar dat doe je niet in een isolement. Juist daarom zijn er zo veel mogelijkheden voor debat. Dit heeft de afgelopen jaren ook geholpen. Je moet echter wel voorkomen dat de een op de stoel van de ander gaat zitten.

Wij hebben in het wijzigingsverdrag bewuste keuzes gemaakt opdat de rol van het Europees Parlement op onderdelen wordt versterkt, de codecisieprocedure. Wij hebben gesproken over de QMV (qualified majority voting). Dit raakt echter net zo goed aan het functioneren van het nationale parlement. Als de bestaande instrumenten goed worden gebruikt en een kabinet weet dat het rekening moet houden met het parlement, is het voor mij geen gegeven dat je de uitweg moet zoeken in extra instrumenten die weleens contraproductief zouden kunnen werken. Dit is mijn oprechte bezorgdheid. De staatssecretaris zal op de techniek ingaan, maar hiermee heb ik alvast een algemeen oordeel gegeven.

Er moet ook vertrouwen over en weer zijn. Vertrouwen in een regering die het parlement serieus neemt en omgekeerd een regering die precies weet wat er in het parlement leeft. Zo probeer ik ook premier te zijn door rekening te houden met de wensen van de Kamer. Ik heb baat gehad bij de opstelling van de Tweede Kamer in het land. Ik kon die gebruiken, maar uiteindelijk gaat het om het vakwerk dat je in Brussel moet doen.

De heer Pechtold (D66):

Het oordeel van mijn fractie zal niet afhankelijk zijn van haar positie in de oppositie of in een coalitie. Of ik nu hier sta of mijn partij zit aan de andere kant: wij hebben heldere spelregels nodig. Het betoog van de minister-president is helder. Kan hij echter ook een waardeoordeel geven over de manier waarop wij het huidige instrumentarium de afgelopen jaren hebben gebruikt? Ten slotte hoor ik graag iets meer over wat hij bedoelt met zijn opmerking dat het contraproductief kan zijn.

Minister Balkenende:

Mijn waardeoordeel is dat ik over het gebruik positief ben. Dat oordeel baseer ik wel op mijn ervaring met de Europese Raad. Ik heb verder het gevoel dat elke bewindspersoon nadrukkelijk rekening houdt met wat er in de Kamer leeft. Ik kan niet uit de school van de ministerraad klappen, maar ik hoef u niet te verhelen dat in de ministerraad meer dan eens wordt gewezen op wat er in de Kamer is gezegd over Europese regelgevingsprojecten.

Wij hebben de afgelopen jaren goed gescoord bij de onderhandelingen. Dat is gebeurd in een goede sfeer en in dialoog met de Kamer. Ik ben daarover in ieder geval zo positief dat ik geen reden zie om het instrumentarium uit te breiden. Dat is mijn oprechte overtuiging.

Nederland heeft de afgelopen jaren laten zien dat het effectief kan onderhandelen. Daarvoor moet je goed weten wat er in de Kamer leeft en welke zaken gevoelig liggen. Tegelijkertijd moet je er direct bij zijn om je contacten met andere lidstaten te kunnen benutten. Een behandelingsvoorbehoud zou daarbij contraproductief kunnen werken, omdat het tijd kost. Als er sprake is van QMV, kunnen anderen best wel eens zeggen: Nederland doet maar.

Het kan van belang zijn om snel met de hoofdrolspelers in contact te treden. Je kunt dan snel tot overeenstemming komen. Wat is de inzet van Nederland? Wat kunnen wij weggeven en wat willen wij absoluut binnenhalen? Als de regering geblokkeerd zou zijn door het ontbreken van een Kameruitspraak en andere lidstaten zouden gewoon doorgaan, dan kan dat wel eens slecht uitpakken.

Als u in de gebeurtenissen van de afgelopen jaren het bewijs kunt vinden voor de stelling dat er niet adequaat is gehandeld, had u misschien een punt. Volgens mij is daar echter geen sprake van. Je moet bij onderhandelingen tijdig kunnen aanschuiven. Je moet weten wat je wilt. Verder is het nog maar de vraag of de huidige instrumenten niet goed genoeg werken en een aanpassing noodzakelijk maken.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Het is goed om te horen dat de minister-president de manier waarop het toe nu toe is verlopen als prettig en waardevol heeft ervaren. Wat is er dan echter mis mee om het bij de behandeling van deze goedkeuringswet wettelijk te verankeren?

Minister Balkenende:

Ik heb zojuist uitgelegd wat het bezwaar kan zijn om het kabinet te belemmeren bij onderhandelingen met een formele blokkade door de Kamer. Het instemmingsrecht gaat echter nog verder, want het is de meest extreme uitbreiding van de middelen die de Kamer in de huidige situatie ter beschikking staan. De vraag van de heer Pechtold is dan ook zeker relevant. Wij moeten ons inderdaad eerst een beeld vormen van de wijze waarop het de afgelopen jaren is gelopen. Van de voorstellen die ik nu hoor, vraag ik mij toch echt af of ze wel goed zullen uitwerken. Ik twijfel daarover. Die twijfel zou u kunnen wegnemen met een voorbeeld van een situatie waarin Nederland achter het net heeft gevist, maar zo'n voorbeeld is er volgens mij niet.

Het begint allemaal met wederzijds vertrouwen. Een kabinet hoort te luisteren naar de Kamer. Als het dat niet doet, dan dient de heer Blom heus wel in een VAO een motie in. Een kabinet heeft acht te slaan op wat er in de Kamer leeft. Vervolgens is er diplomatiek handwerk nodig en om dat effectief te kunnen doen moet je er snel bij zijn.

Je hebt hierbij te maken met structuur en cultuur. Ik denk dat de instrumenten voor de structuur behoorlijk werken. Ik zie ook geen aanleiding om te zeggen dat zaken niet zouden werken. Het is met het oog daarop toch echt de vraag of extra instrumenten nodig zijn. Ik denk dat daarvoor geen evidente noodzaak bestaat. Bovendien heb ik gewezen op de risico's die hieraan verbonden zijn.

Op dit moment kennen wij geen instemmingsrecht. Het bestaat wel bij JBZ-onderwerpen, maar dat hangt samen met de rol van het Europees Parlement. Dat verandert overigens als gevolg van het wijzigingsverdrag. Het is in dat geval echter de vraag of die snelle betrokkenheid ook gepaard moet gaan met voorbehouden of instemmingsrechten. Dat is voor mij absoluut geen gegeven. Het is ook niet nodig.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van mevrouw Wiegman.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Het zou er in dat geval toch extra veel voor pleiten om juist helemaal aan het begin van het proces tot een behandelingsvoorbehoud over te gaan om wat meer los te komen van de huidige situatie, waarin op het allerlaatste moment in een VAO, een motie wordt ingediend, een motie waarover nauwelijks nog debat mogelijk is, omdat de raad al de volgende dag plaatsvindt. Het is in dat geval voor de regering veel prettiger om al in een heel vroeg stadium te weten wat het standpunt van de Kamer is. Dat haalt de druk van al die moties weg.

Minister Balkenende:

U moet een goed onderscheid maken tussen het op de hoogte zijn van ontwikkelingen en zaken tijdig bespreken. Dat geef ik graag aan u toe en dat delen wij ook met elkaar. Als de Kamer ergens over wil spreken, is het de verantwoordelijkheid van de regering om dat te faciliteren en te ondersteunen. Als een behandelingsvoorbehoud betekent dat de regering feitelijk geen handelingsbevoegdheid meer heeft, dan is dat een stap te ver. Daardoor kunnen wij op een gegeven moment niet verder met bepaalde zaken. Dat is eerlijk gezegd een risico dat wij in Europees verband kunnen gaan lopen.

Het is ook geen noodzakelijk instrument. Als wij willen dat de Kamer tijdig betrokken wordt bij wetgevingsprocessen, dan moeten de bestaande instrumenten worden geoptimaliseerd. De Kamer maakt daarvan gebruik. Als een kabinet echter feitelijk niets meer kan doen vanwege bepaalde blokkades, dan is het een ander verhaal. Ik heb er dus echt heel grote moeite mee.

De voorzitter:

Ten slotte, mevrouw Wiegman.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

In dat geval is het heel belangrijk dat wij vanavond heel scherp krijgen wat wij verstaan onder "behandelingsvoorbehoud". Als de minister-president zegt dat hij dat opvat als gebrek aan handelingsvrijheid, dan verstaan wij elkaar niet goed.

Minister Balkenende:

Ik ben al wat verder gegaan dan ik mijzelf heb voorgenomen, omdat de staatssecretaris zou ingaan op de meer technische aspecten. Wij spreken nu feitelijk ook over een amendement van de heer Ten Broeke, waarin een en ander duidelijk naar voren komt. Het is goed om de consequenties van dat amendement onder ogen te zien. Ik heb alleen willen zeggen dat de Kamer de regering voor de voeten kan lopen als het een dergelijke bevoegdheid heeft. Dat zou wel eens contraproductief kunnen werken en dat moet u niet willen.

De voorzitter:

De heer Ten Broeke, op het gevaar af dat wij discussies overdoen, maar dat ligt nu eenmaal in de aard van het debat.

De heer Ten Broeke (VVD):

Ik hoop dat ik de premier een klein stukje kan helpen, want kennelijk heb ik iets niet goed uitgelegd. In het amendement dat mijn naam draagt en dat door nog een aantal leden is ondertekend, is absoluut geen sprake van een blokkade. Het tegendeel is waar. Hij kan nee schudden wat hij wil, maar hij weet dat heel goed.

Een behandelingsvoorbehoud betekent dat hij tot op het moment dat hij moet instemmen met een voorliggend besluit, aan zijn eigen opvatting kan vasthouden. Hij kan in de toelichting lezen dat het enige wat moet zijn afgehandeld, het overleg met de Kamer is. Dat, mijnheer de minister-president, is een behandelingsvoorbehoud. Het is geen blokkade. De Kamer gaat die motie van Blom voorkomen, want die wil zij helemaal niet. Zij zorgt er gewoon voor dat wij vanaf het begin precies van elkaar weten welke kant wij oplopen. Dat geeft u ruimte, zoals dat bij zeventien van uw collega's ook het geval is.

Minister Balkenende:

U zegt: wij blokkeren niets, want het kabinet mag iets doen als de Kamer erover gesproken heeft. Wat als de Kamer zou zeggen: wij weigeren dat te bespreken? Dat kan zich voordoen. Dat is een bevoegdheid die u krijgt. Dat is eigenlijk helemaal niet verstandig. Het gaat uiteindelijk om de inhoud van de zaak. Er kunnen zich gewoon omstandigheden voordoen waarin het krachtenveld internationaal een bepaalde kant op gaat en dan ben je misschien te laat.

De voorzitter:

Dank u wel, want de heer Ten Broeke was nog niet helemaal uitgesproken; hij haalde adem.

De heer Ten Broeke (VVD):

Ik kom de minister-president gewoon direct tegemoet. Dat lijkt mij vanavond het beste. Hij zegt: stel nu eens dat iemand vandalisme wil plegen door de behandeling op te houden of door eindeloos vast te houden aan de stelling dat de Kamer niet uitgesproken zou zijn. Prima. In dat geval nemen wij in mijn amendement op dat er sprake moet zijn van redelijk gedrag., Wij kunnen opnemen dat wij de regering er redelijkerwijs niet van weerhouden dat zij haar instemming kan geven aan een voorstel. Wat moet gebeuren bij een behandelingsvoorbehoud, en dat geldt voor veertien van uw 27 collega's en die zitten echt niet met de voeten in het beton, is dat de regering ons van het begin af aan op die onderwerpen die wij hebben voorgesorteerd voor behandeling, actief, periodiek en intensief op de hoogte stelt. Als dat mag, wil één voorbeeld geven, voorzitter.

De voorzitter:

Zeker.

De heer Ten Broeke (VVD):

Ik heb hier een lijstje. In het vierde kwartaal hebben wij u een brief gestuurd over de tijdigheid van fiches. Daarmee was veel mis. Het gaat veel beter. Dat heb ik erkend. Desondanks moest ik op 15 april toch nog vaststellen dat negen fiches te laat waren en wij de implementatietermijn van twaalf kaderrichtlijnen hadden overschreden. Zo zou ik nog wel even kunnen doorgaan. Ondanks alle beloften...

De voorzitter:

U hebt uw punt gemaakt.

De heer Ten Broeke (VVD):

...moeten wij er toch nog telkens om blijven vragen. Het punt van de Eerste Kamer is eerder al door mevrouw Peters genoemd.

De voorzitter:

U moet geen nieuwe punten aandragen. Dan wordt het een volledig betoog.

Het woord is aan de minister-president.

Minister Balkenende:

Het punt van de fiches trekken wij ons aan. De bestaande werkmethoden kunnen en moeten worden verbeterd. Wij zijn daartoe graag bereid. Dat is iets anders dan dat er een bevoegdheid zou bestaan die ertoe kan leiden dat wij worden belemmerd in onderhandelingen en contacten met anderen. Ik hecht eraan dat de regering regeert en de Kamer controleert. Uiteraard regeren wij in dialoog met de Kamer. Wij hebben de instrumenten voor tijdige informatie. Wij hebben een informatieplicht. De Kamer weet precies hoe het zit. Wij kennen het instrument van de motie voor uitspraken van de Kamer. Ik ben van mening dat wij met het huidige instrumentarium heel ver kunnen komen als wij over en weer elkaar scherp houden.

De voorzitter:

U hebt uw punt gemaakt. Het is mij niet helemaal duidelijk wie u met "wij" bedoelt. Ik meen dat wij "wij" zijn. De heer Ten Broeke, een korte zin, niet weer een heel verhaal.

De heer Ten Broeke (VVD):

Artikel 68 van de Grondwet waarnaar de minister-president en eerder de heer Ormel hebben verwezen, biedt niet meer dan het recht van de Kamer op informatie. De Kamer zal daarom echter altijd expliciet moeten vragen. Ik wil af van dat systeem, niet alleen om de cultuur maar ook om de structuur te verbeteren.

De voorzitter:

U hebt uw punt gemaakt. Het woord is aan de minister-president.

Minister Balkenende:

Voorzitter. U wenst geen herhaling van zetten. Met alle waardering voor de heer Ten Broeke en voor zijn betrokkenheid, heb ik toch echt grote moeite met het instrument dat hij bepleit.

De heer Van der Staaij (SGP):

Ik vind het jammer dat het erop lijkt dat deze voorstellen alleen maar worden gezien als een soort handenbinders voor het kabinet. Van verschillende hoogleraren hebben wij vorige week juist begrepen dat de praktijk in andere landen uitwijst dat het heel goed kan functioneren zonder dat het contraproductief werkt. Als wij kijken naar de Nederlandse JBZ-praktijk – de erfenis van onder andere de heer De Hoop Scheffer die destijds een amendement heeft ingediend – en naar de manier waarop het systeem in Engeland functioneert, vraag ik mij af of de vrees voor contraproductiviteit wel gerechtvaardigd is.

Minister Balkenende:

Ik meen dat het het best is als de staatssecretaris dadelijk ingaat op de situatie in andere landen. Hij is daarop geprepareerd. Ik heb het gevoel dat wel heel snel gezegd wordt dat in andere landen dingen op een bepaalde wijze gebeuren. Daarop valt het nodige af te dingen. Er wordt gezegd dat ook in Frankrijk een dergelijk voorbehoud bestaat. Er moet mij van het hart dat de Kamer met het huidige instrumentarium in een veel betere positie verkeert dan het Franse parlement. Daarop zal de staatssecretaris ingaan.

Kijkend naar de manier waarop het de afgelopen jaren heeft gefunctioneerd, is het de vraag of je moet kiezen voor instrumenten waarmee je het instemmingsvereiste enorm gaat uitbreiden en waarmee je grote belemmeringen in het proces legt. Het risico is zelfs aanwezig dat je op de stoel van de regering komt te zitten. Dat zeg ik er ook nog even bij. Ik ben van mening dat het op basis van de ervaring in de afgelopen jaren niet gerechtvaardigd is. Ik zie ook een hoop nadelen, maar bovenal geen argumenten om het op deze manier te gaan inrichten. Er zijn onderwerpen die waarschijnlijk zo door kunnen. Dat is geen punt. Het gaat om de onderwerpen met een hoog politiek gehalte. De Kamer identificeert welke dat zijn. Vervolgens moet de Kamer daarover tijdig informatie ontvangen. De opmerking die de heer Ten Broeke maakt over de fiches trekken wij ons aan. Dat moeten wij aanpakken. Het is echter iets anders om een bevoegdhedenverdeling tot stand te brengen waarbij ik vrees dat een vermenging van verantwoordelijkheden zou kunnen ontstaan waarvan wij schade zouden kunnen ondervinden.

De voorzitter:

Ik zit objectief te luisteren. Van weerskanten hoor ik herhalingen. Ik verzoek u om dat, zeker met het oog op de tijd, te voorkomen. Het woord is aan de heer Ormel.

De heer Ormel (CDA):

Mevrouw Peters had zich eerder gemeld.

De voorzitter:

Pardon. Het woord is aan mevrouw Peters.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

De minister-president stelt dat hij graag actief met de Kamer meedenkt over de vraag of de informatievoorziening goed loopt en wellicht beter kan. Ik moet eerlijk toegeven dat een van de belangrijkste motieven om deze amendementen te steunen, is gelegen in onze wens om de informatievoorziening goed te regelen. In mijn ogen is die tot op heden niet voldoende. Daarom heb ik behoefte aan een extra instrument. Het gaat ons er niet om dat wij de voorstellen van de Europese Commissie opgestuurd willen krijgen. In het nieuwe verdrag wordt dat geregeld. Wij zullen die automatisch rechtstreeks van de Commissie ontvangen. Het gaat mij bijvoorbeeld om de tijdigheid van de informatie. Wij krijgen de informatie nu vaak niet, of te laat, of pas helemaal aan het eind van de rit. Het gaat mij er eigenlijk vooral om dat de Kamer op de hoogte wordt gesteld van de inbreng van de regering op belangrijke dossiers. Wij hebben vaak meegemaakt dat wij daarom moeten bedelen. Ik heb eerder het voorbeeld van de Eerste Kamer aangehaald. Het gaat mij ook om belangrijke andere posities die worden ingenomen die de wetgevingsbehandeling in belangrijke mate beïnvloeden.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Wijzigingen in het ontwerpbesluit zijn voorbeelden van zaken waarom ik behoefte heb aan een extra instrument. Als daarover betere afspraken gemaakt kunnen worden, wat mij betreft in een amendement, maar ik sta open voor andere suggesties, dan wordt voor een groot gedeelte tegemoetgekomen aan de behoefte die uit die amendementen spreekt.

Ten tweede maakt de minister-president een punt over contraproductiviteit. De heer Van der Staaij merkte dat eerder ook op en verwees daarbij naar andere landen. Ik noem met name het Finse voorbeeld, dat bekend staat om zijn flexibiliteit. De regering schijnt er nog veel onderhandelingsruimte te hebben. Het Finse behandelingsvoorbehoud is met name niet ontworpen om een blokkade op te werpen. Zijn daar geen lessen van te leren, voordat de regering het afwijzende standpunt inneemt?

De voorzitter:

Dank u wel.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Ten slotte, zou de premier willen reageren op het feit dat complete handelingsvrijheid natuurlijk niet in het belang is van de democratische controlemogelijkheden van het parlement? Deelt de regering mijn standpunt dat...

De voorzitter:

Mevrouw Peters, alstublieft, hoe moet ik het aan u duidelijk maken zonder dat het pijnlijk wordt? Dit is geen interruptie, dat kunt u zelf ook niet menen. Een interruptie is kort en bondig! Ik hoor nog niet het begin daarvan.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Ik heb respect voor de tijd. Ik wil het zelf ook niet laat maken. Wij binden ons aan een heel beperkt aantal interrupties, terwijl het hier gaat om een parlementair recht.

De voorzitter:

Mevrouw Peters, ik doe zo mijn best. Stelt u nu een vraag. Ik vraag aan de minister-president om daarop kort te antwoorden.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Ik probeer het in de vragende vorm te gieten, maar het gaat hier ook om een uitwisseling van argumenten, waar ik prijs op stel. Ik ben niet bij voorbaat niet te overreden, net zoals ik ervan uitga dat er met de regering standpunten zijn uit te wisselen, zodat wij kunnen groeien. Ik wil graag het standpunt testen dat democratische controle niet alleen gaat over verhoging van de efficiency van een regering, maar ook over verhoging van de betrokkenheid, de transparantie en het levendige politieke debat.

Minister Balkenende:

Mevrouw Peters brengt twee dingen als essentiële elementen naar voren: tijdige informatie en een reële ruimte voor een reële beïnvloeding. Zij wil deze betrokkenheid bij het tot stand komen van regelgeving. Zij vindt mij op die punten aan haar kant. Ik vind het echter geen rechtvaardiging voor de instrumenten die wij nu met elkaar bespreken. De staatssecretaris zal hier later nog op ingaan. Wij kunnen wel degelijk ook binnen het bestaande instrumentarium antwoorden vinden op de terechte punten die mevrouw Peters naar voren brengt.

De staatssecretaris zal ingaan op de vraag over de invloed van andere landen, zoals Finland.

Het laatste punt van mevrouw Peters is meer een cri de coeur over betrokkenheid. Daar zet ik zelf ook een dikke streep onder. Ik heb dat het afgelopen jaar vanuit mijn verantwoordelijkheid als minister-president ook steeds ervaren. Er is geen moment geweest dat ik niet de dialoog heb gezocht. Ik zeg in alle eerlijkheid, ook naar aanleiding van de vraag van de heer Pechtold, dat ik er baat bij heb gehad. Het is onze positie ten goede gekomen, in alle gevallen die ik al heb genoemd. Daarom ben ik hartstochtelijk voor een sterke betrokkenheid. Ik maak echter een andere systeemkeuze, daar ben ik eerlijk in. De resultaten kunnen bewijzen dat dit het afgelopen jaar goed heeft gewerkt.

De voorzitter:

U kunt nog een concluderende opmerking maken, mevrouw Peters.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Ik heb een korte, concluderende vraag over de informatievoorziening. Wat voor wijze ziet de premier, anders dan de wijze van deze amendementen, om de informatievoorziening te verbeteren op die punten die ik noemde, tijdigheid, inbreng van de regering en belangrijke ontwikkelingen in de voorliggende voorstellen?

Minister Balkenende:

Het lijkt mij dat een dergelijke discussie, die de procedure betreft, in de commissie voor Europese Zaken verder besproken zou kunnen worden. De vraag is dan waar op het ogenblik de hiaten zitten. De staatssecretaris is graag bereid om dit debat aan te gaan. Ik zie het punt van mevrouw Peters. Als er onvolkomenheden zijn, hebben wij ons dat aan te trekken, laat daar geen enkel misverstand over ontstaan. Zij zei terecht, dat het begint met de Europese Commissie die met een werkprogramma komt. Vervolgens dient de regering de Kamer op de hoogte te stellen over hoe het zit met de processen, wanneer er zaken worden gedaan, wanneer zaken aan de orde komen in de raden en hoe zit het met het traject van voorbereiding. De Kamer behoort tijdig te weten wat er gebeurt. Het kabinet hoort tijdig aan te geven hoe de opvattingen erover zijn. De Kamer dient vervolgens ook te horen wat ermee is gedaan. Dan heeft de Kamer ook nog het instrument van de moties en de debatten die kunnen worden gevoerd. Zo kun je een heel, heel eind komen.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Ormel.

De heer Van Bommel (SP):

Voorzitter. Ik heb een punt van orde.

De voorzitter:

Nee, nee, geen punt van orde. Het woord is aan de heer Ormel.

De heer Van Bommel (SP):

Ik heb echt een punt van orde, voorzitter.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Van Bommel voor een punt van orde.

De heer Van Bommel (SP):

Dank u wel, voorzitter. Mevrouw Peters heeft terecht het punt gemaakt dat wij aan het begin staan van de beantwoording door het kabinet. U hebt de tien fracties die in eerste termijn gesproken hebben, vijf interrupties ieder toegestaan. Dat betekent maximaal 50 interrupties.

De voorzitter:

Dat is heel veel.

De heer Van Bommel (SP):

Dat is inderdaad heel veel. Het is nu tien voor elf.

De voorzitter:

Dit duurt alleen maar langer. Er is geen Kamermeerderheid, dat heb ik gesondeerd, om deze termijn te verplaatsen. Dat kan ook niet, gezien de agenda. Wij maken dit dus gewoon af. Dit kost echt tijd.

De heer Van Bommel (SP):

Voorzitter. Het duurt hooguit een minuut. Ik verwijs naar het bezoek dat de regering brengt aan de Amerikaanse president. Ik denk dat dit debat belangrijker is dan het bezoek aan een vertrekkende president in Amerika. Ik kan mij dus heel goed voorstellen...

De heer Ormel (CDA):

Een punt van orde, voorzitter. Ik vind dit buiten de orde.

De voorzitter:

De heer Van Bommel maakt zijn zin af en dan gaan wij nog een keer vaststellen dat er een Kamermeerderheid is voor het afmaken van de eerste termijn van dit debat. Ook de heer Blom wil de eerste termijn van de regering vandaag afmaken. Ik zie hem vanuit de gang knikken. Dat geldt ook voor de heer Ormel en mevrouw Wiegman.

De heer Van Bommel (SP):

Ik maak mijn zin af, voorzitter. Ik kan mij voorstellen dat wij dit debat in het uiterste geval knippen en morgen, desnoods eerder dan in de middag, bijvoorbeeld in de ochtend, verder gaan met de beantwoording van de regering.

De voorzitter:

De planning doe ik graag zelf. Dank u wel. De heer Ormel is aan de beurt voor zijn vraag aan de regering.

De heer Ormel (CDA):

Voorzitter. Ik heb een vraag aan de minister-president naar aanleiding van de interruptie van mevrouw Wiegman. Zij is bezig met een zoektocht naar zorgvuldigheid. Ik waardeer dat. Zij zoekt naar het middel van het behandelingsvoorbehoud wat betreft het instemmingsrecht. De minister-president heeft daar een waardeoordeel over gegeven. Ik deel dat, maar ik heb samen met collega Blom ook een amendement ingediend over een beperkt instemmingsrecht. Ik zie dat meer als een scalpel, als een fijn instrument dat nodig is. Kan de minister-president daar ook een waardeoordeel over geven?

Minister Balkenende:

Dat ligt eraan, want op dat punt ligt de scope iets anders. Ik heb met de staatssecretaris afgesproken dat hij daarop zal ingaan. Ik begrijp het punt wel, maar met het amendement van de heer Ormel ligt het iets anders.

De heer Ormel (CDA):

Ik ben al blij met wat de minister-president nu zegt. Ik meende uit zijn woorden te beluisteren dat hij het instemmingsrecht in algemene zin veroordeelde. De staatssecretaris gaat er nader op in, maar ik begrijp dat het amendement-Ormel/Blom op wat meer welwillendheid kan rekenen.

Minister Balkenende:

Ik heb een algemeen oordeel gegeven over het instemmingsrecht. Daar doe ik niets aan af. Ik heb alleen wel aangegeven dat het ene verstrekkender is dan het andere. De staatssecretaris zal op de andere punten ingaan.

Dan de vraag wat deze geschiedenis ons heeft opgeleverd. In 2001 begonnen wij met de werkzaamheden voor het nieuwe verdrag, omdat er zorgen waren over de groeiende kloof tussen Europa en de burgers. Wij vreesden dat de besluitvaardigheid van een grotere EU zou afnemen en wij wilden een steviger extern beleid. Uit de neestemmen, het gestopte ratificatieproces in enkele andere lidstaten en de discussie die daarop volgde, sprak duidelijk dat het grondwettelijke verdrag niet goed aansloot bij de wijze waarop veel mensen de verhouding tussen het nationale en het Europese niveau zagen. Zij wilden de controle behouden over hun eigen toekomst. Die zorg kwam niet alleen voort uit de precieze inhoud van het verdrag, maar ook uit de wijze waarop Europa zich had ontwikkeld: een snelle uitbreiding van het ledental, veel nieuw beleid, ingrijpende regelgeving en dat zonder dat burgers zich betrokken voelden. Dat is weer die term "betrokken".

Wij hebben dat signaal ter harte genomen. Wij kijken nu kritischer of zaken op Europees niveau moeten worden aangepakt, of beter nationaal kunnen blijven. Er wordt gesnoeid in de regelgeving. De afspraken over de uitbreiding zijn aangescherpt. Wij richten ons meer op de grote grensoverschrijdende vraagstukken, zoals klimaatverandering, energiezekerheid en veiligheid. Nationaal maken wij meer werk van de politieke discussie over Europa en van onderwijs en informatievoorziening. Uit het Verdrag van Lissabon spreekt ambitie, maar ook realisme. Het is geen statelijke sprong vooruit, maar een moderne set regels voor Europese samenwerking. Het schept duidelijkheid over de bevoegdheden van de Unie en over de uitbreidingsregels. Het maakt helder dat de EU in de woorden die een groep scholieren onder leiding van de heer Hoeksma daarvoor vond: "_een Unie is van burgers en van lidstaten". Het verbetert de mogelijkheden om de grote vraagstukken van deze tijd aan te pakken. Dat wilde ik in algemene zin zeggen

Ik kom nu bij een aantal concrete vragen. De heer Ten Broeke heeft een vraag gesteld over de zeteldiscussie Brussel en Straatsburg. Hoe zal het kabinet de zetelkwestie onder de aandacht blijven brengen van regeringsleiders? De zetels van de instellingen zijn vastgelegd in het bestaande protocol bij de verdragen, dat door het Verdrag van Lissabon niet wordt gewijzigd. Uitsluitend door een verdragswijziging kan de zetel van het Europees Parlement worden gewijzigd, maar daarvoor ontbreekt de vereiste instemming van alle lidstaten. Het kabinet blijft van mening dat het beter is om tot één vergaderlocatie voor het Europees Parlement te komen. Idealiter zou het Europees Parlement zijn eigen zetel moeten kunnen kiezen. Het kabinet is nog steeds bereid de discussie over de zetelkwestie te voeren op het juiste moment, bijvoorbeeld bij een volgende verdragswijziging en wanneer andere lidstaten die bereidheid ook tonen. Ik heb al eerder aangegeven dat ik ook zelf de nodige contacten daarover heb gehad, maar soms merk je ook dat de kwestie zelfs vanuit het Europees Parlement niet wordt opgebracht. Wij gaan hiermee wel door, maar bekeken moet worden of de timing goed is en of er de mogelijkheid van een verdragswijziging is.

De heer Van Bommel (SP):

Mijn vraag was – ook de heer Ten Broeke heeft deze kwestie aangeraakt – of de regering deze kwestie in de onderhandeling, in het proces om te komen tot het Verdrag van Lissabon, heeft opgebracht.

Minister Balkenende:

De zaak is aan de orde geweest bij het grondwettelijk verdrag. Daarna is de kwestie ook nog een keer los van de discussie over het verdrag aan de orde gekomen. Daarover hebben wij destijds in de Kamer gesproken. Ik heb hierover met tal van regeringsleiders bilateraal gesproken. Ik heb er met de EVP over gesproken. De heer Borel heeft het punt niet eens opgebracht in de plenaire Europese Raad. Toen heb ik in de Kamer gezegd dat wij afhankelijk zijn van het feit dat er sprake moet zijn van een verdragswijziging. Tegelijk is het een zaak van aanvoelen of er draagvlak voor bestaat. Dat was er totaal niet. Wij hebben steeds, als een van de zeer weinigen, onze nek uitgestoken. Zijn er mogelijkheden om dingen te veranderen? Zal Frankrijk bijvoorbeeld met een andere functie of andere activiteiten voor Straatsburg wellicht eens een houding hebben om tot verandering te komen? Op dit ogenblik is zo'n houding niet aanwezig. Het zal voortdurend een kwestie zijn van in de gaten houden of er draagvlak is en of er ruimte ontstaat voor deze discussie. De heer Van Bommel kan ervan verzekerd dat wij steeds aan de bal zullen zijn.

De heer Van Bommel (SP):

Ik ben niet onder de indruk van dit antwoord. Ik heb niet de indruk dat de Nederlandse regering bij dit thema echt aan de boom aan het schudden is. Als het gaat om compensatie voor Frankrijk – dat is het concrete probleem – vind ik dat Nederland, afgaand op wat de minister-president hier zegt en gezien de eerdere stellingname, actiever en concreter moet zijn in het doen van een handreiking aan Frankrijk. Als het gaat om Europese verdragen moet Nederland Frankrijk in de onderhandeling wat te bieden hebben. In het proces dat nu gaande is, heeft de minister-president Frankrijk niets geboden. In die zin staat hij met lege handen. Daarom kunnen wij dus ook alleen maar nee schudden als hij met niets thuiskomt. Dat is toch onbevredigend bij zo'n belangrijke kwestie?

Minister Balkenende:

Ik voel mij totaal niet aangesproken. Het spijt mij zeer. Van de regeringsleiders ben ik degene die het verst zijn nek hebt uitgestoken. Ik kan het niet anders maken dan het is. Ik wil echter niet aan een kamikazeactie beginnen. Ik blijf dit punt nadrukkelijk onder ogen zien en houd in de gaten of er ruimte voor discussie ontstaat, maar zomaar een losse flodder naar buiten brengen, lukt helemaal niet. Niet voor niets heb ik gewezen op het feit dat de voorzitter van het Europees Parlement destijds, de heer Borel, het punt niet eens bij de Europese Raad heeft opgebracht, terwijl er wel degelijk over was gesproken in het Europees Parlement. Dat is een signaal.

De heer Van Bommel (SP):

Het Europees Parlement is natuurlijk van een compleet andere orde dan de Europese Raad. Een gerespecteerd lid als Nederland, dat een grote financiële bijdrage aan de EU levert, heeft alle recht om deze geldverslindende kwestie op te brengen. Daarom zou het de minister-president sieren als hij dit aan de orde zou stellen. In plaats daarvan spreekt hij van een "kamikazeactie", en zegt hij met andere woorden: Nederland staat weer alleen, of is met te weinig mensen; dus gaan wij dit niet doen en moeten wij hierover zwijgen. Nederland heeft veel recht om hierover te spreken en het zou de minister-president sieren om daarover als eerste het woord te voeren.

Minister Balkenende:

Ik zou wat meer waardering van de heer Van Bommel verwachten voor wat ik heb gedaan. Dat is meer dan enige andere regeringsleider.

De heer Ten Broeke plaatste een opmerking over het absorptievermogen. Hierover hebben wij eerder gesproken: wat wordt bij de criteria in het artikel 49 EU bedoeld met dit vermogen? In het uitbreidingsartikel staat dat rekening wordt gehouden met de door de Europese Raad overeengekomen criteria voor toetreding. Het absorptievermogen is echter geen criterium in formele zin. Dat betekent niet dat het absorptievermogen niet wordt meegewogen. De formulering van artikel 49 maakt duidelijk dat de beslissing om een kandidaat-lidstaat toe te laten, een politieke beslissing is. Daarbij spelen ook een beoordeling van de politieke wenselijkheid en de gereedheid van de Unie mee, met andere woorden: absorptiecapaciteit. Artikel 49, dat duidelijk afwijkt van het corresponderende artikel in het grondwettelijk verdrag, had daarom ook nadrukkelijk de steun van de lidstaten die de absorptiecapaciteit centraal stellen.

De heer Ten Broeke en mevrouw Wiegman hebben een vraag gesteld in samenhang met de uitbreidingsstrategie en het draagvlak daarvoor. Voor verdere uitbreiding is draagvlak cruciaal. In de ogen van de regering gaat het daarbij niet allereerst om een meetpunt vlak voor een definitief besluit over toetreding. Het gaat er veeleer om, de uitbreidingsstrategie strikt te blijven toepassen en zo aan burgers te communiceren dat uitbreiding geen proces is van politieke opportuniteit of van een automatisme, maar van strikte criteria. Burgers moeten in de komende jaren keer op keer merken dat de EU de uitbreidingsstrategie serieus neemt. Enquêtes laten steeds weer zien dat burgers vraagtekens plaatsen bij uitbreiding, maar dat de steun daarvoor sterk stijgt als gevraagd wordt of landen mogen toetreden mits zij aan alle criteria strikt voldoen.

Hiermee heb ik ook geantwoord op de vraag van mevrouw Wiegman of de EU zich echt aan de uitbreidingsstrategie zal houden. Doet de Unie dat niet, dan zal het draagvlak voor uitbreiding ontbreken, en is voortzetting moeilijk voorstelbaar.

De heer Ormel (CDA):

Ik heb een vraag aan de minister-president over de combinatie van het begrip draagvlak en het begrip absorptiecapaciteit. Daarover heerst nog wat onduidelijkheid. Kunt u nader aanduiden hoe de regering denkt over de verhouding tussen die twee criteria? Vindt u dat het draagvlakcriterium moet gelden voorafgaand aan het moment dat een land het kandidaat-lidmaatschap wordt aangeboden of vindt u dat het daarna nog zou mogen gelden?

Minister Balkenende:

Dat zijn twee dingen van verschillende categorieën. De heer Ten Broeke bracht terecht de vraag naar voren hoe de absorptiecapaciteit in het kader van het juridisch raamwerk in elkaar zit. Ik heb hem dat uitgelegd. Het draagvlak daarentegen is geen criterium, maar heeft veel meer te maken met een politieke omstandigheid, een gevoel, een oriëntatie, de wijze waarop burgers het proces van uitbreiding beleven. Ik heb net gezegd dat het draagvlak voor uitbreiding toeneemt als kan worden duidelijk gemaakt dat de kandidaat-lidstaten strikt voldoen aan de gestelde criteria. Het gaat dus om twee verschillende zaken. Ik begrijp de heer Ormel wel. Men zal niet alleen maar bekijken of een kandidaat-lidstaat voldoet aan de criteria. Ook is de vraag ter zake of de Europese Unie in staat is om die zaken op te pakken. Ik ben weer terug bij de redenering. Daarom vermeldde ik dat artikel 49 de uitdrukkelijke steun had van lidstaten die de absorptiecapaciteit centraal stellen. Volgens hen is dit een element dat te maken had met draagvlak. Zo loopt de redenering dus rond, maar het zijn wel verschillende zaken. Bij draagvlak zijn trouwens veel meer dingen aan de orde, maar zo kan het verband worden gelegd.

Mevrouw Wiegman heeft een vraag gesteld over de openbaarheid van de Europese Raad. Zij wilde weten waarom de Europese Raad niet ook openbaar wordt. De Raad van Ministers is momenteel alleen openbaar bij beraadslagingen en stemmingen over codecisiewetgeving. Met het Verdrag van Lissabon wordt de Raad openbaar voor alle wetgevende beraadslagingen en stemmingen. Dit is winst. De Europese Raad wordt niet openbaar. Deze heeft immers geen wetgevende bevoegdheid. Het gaat erom dat nationale parlementen hun ministers kunnen controleren op het gebied van wetgeving. Dit is in de Europese Raad dus niet aan de orde.

De heer Ormel heeft een vraag gesteld over een belangrijk punt, het institutioneel evenwicht in de Europese Unie na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon. Het Verdrag van Lissabon introduceert nieuwe actoren en instellingen. Zo wordt de Europese Raad een instelling van de Unie en krijgt de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie een nieuwe invulling van zijn functie. Deze verbeteringen zullen ongetwijfeld leiden tot veranderingen in het institutioneel evenwicht in de Unie. Voor het kabinet staat echter buiten kijf dat de instellingen onderling in balans zullen blijven. De nieuwe instellingen en functies zijn immers tot elkaar veroordeeld om samen te werken. De Raad kan geen besluit nemen zonder een voorstel van de Commissie. Het initiatiefrecht van de Commissie wordt met het verdrag uitgebreid, hetgeen de positie van de Commissie versterkt. De positie van het Europees Parlement wordt met het verdrag eveneens aanzienlijk versterkt door de bredere toepassing van codecisie. De versterking van de positie van deze communautaire instellingen kan als een tegenwicht worden beschouwd voor de versterking van de positie van de Europese Raad. Het geheel blijft daardoor goed in balans.

De terechte vraagstelling van de heer Ormel hangt samen met iets anders. Verschillende keren hebben wij daarover gesproken. De juridische mogelijkheid zou nog bestaan dat er een koppeling is van de voorzitter van de Europese Raad en de voorzitter van de Europese Commissie. Precies vanwege dit evenwicht tussen de instellingen zijn wij er een absolute tegenstander van. Het zou namelijk wel eens ten koste kunnen gaan van de balans tussen deze instellingen.

De heer Ormel heeft ook gevraagd welke commissariaten het kabinet essentieel acht en of het kabinet denkt aan bepaalde clusters. Het proces van de keuze van een lidstaat voor een kandidaat-eurocommissaris en diens portefeuille betreft een zorgvuldig politiek en diplomatiek proces, dat in samenspraak met de beoogde commissie en voorzitter plaatsvindt. Daarop vooruitlopen acht het kabinet niet nuttig en niet wenselijk. De vorige keer zijn wij voor de hoofdprijs gegaan met de mededingingspost, waarop mevrouw Kroes heeft plaatsgenomen. Dit was een buitengewoon subtiel spel. Het is maar goed dat het op deze manier is gespeeld. Het is heel moeilijk om nu alweer een voorschot te nemen op het genoemde keuzeproces.

De heer Van Bommel heeft een vraag gesteld over de vaste voorzitter van de Europese Raad. Hij zei dat Nederland altijd tegen een Europese president is geweest en vroeg waarom wij daarvan nu wel voorstander zijn. Nederland was net als andere landen tegen het creëren van een Europese president met vergaande bevoegdheden. In dat verband is ook wel de term "Zonnekoning" gevallen. Het Verdrag van Lissabon voorziet in een vaste voorzitter van de Europese Raad, met een duidelijk gedefinieerd en beperkt mandaat.

De voorzitter van de Europese Raad kan de Europese agenda niet van bovenaf dicteren. Hij zal zijn werkzaamheden doorlopend moeten afstemmen met het roulerend voorzitterschap, de Commissievoorzitter en de Hoge Vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken. Een dergelijke voorzitter laat zich het beste kenschetsen als een integrerend voorzitter met coördinerende taken. Deze persoon is, meer dan de roulerende voorzitter, afhankelijk van de steun op de lange termijn van de lidstaten die hem benoemen en eventueel voor een nieuwe periode kunnen herbenoemen. De vaste voorzitter zal ook minder stokpaardjes berijden dan bij nationale voorzitterschappen het geval kan zijn. Dit leidt tot een grotere continuïteit in de werkzaamheden van de Europese Raad.

Voorzitter. De heer Pechtold heeft een vraag gesteld over de positie van Nederland met betrekking tot innovatiebeleid, technologie en duurzaamheid. Volgens hem zou Nederland op deze terreinen niet optimaal scoren. Ik heb hiervan niet hetzelfde beeld als de heer Pechtold. Ik ben niet van mening dat de innovatiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven achterblijft bij dat van andere landen. Nederland heeft van het Centre for European Reform een positieve beoordeling gekregen vanwege zijn hoge arbeidsproductiviteit, lage werkloosheid en hoge economische groei. Wij werken hard aan het creëren van een goed innovatieklimaat, bijvoorbeeld via het Innovatieplatform. Er is veel te doen: verbetering van het vestigingsklimaat, vermindering van de administratieve lasten en het stimuleren van private R&D-uitgaven.

De heer Van der Staaij vroeg wat het mandaat van de vaste voorzitter van de Europese Raad is. Zal hij aan territoriumdrift leiden? Hierover heb ik al opmerkingen gemaakt. Het mandaat van de voorzitter van de Europese Raad is verankerd met het Verdrag van Lissabon. Daarin kunt u lezen dat de voorzitter de consensus van de Europese Raad zal bevorderen. Dat maakt de voorzitter van de Europese Raad tot meer dan een voorzitter die de vergadering technisch leidt, die de vergadering opent en sluit. De voorzitter van de Europese Raad zal zich dus ook moeten inspannen om de lidstaten te bewegen tot het innemen van dezelfde positie. Hij zal dat doen in samenwerking met het roulerend voorzitterschap en de voorzitter van de Commissie. De voorzitter van de Europese Raad kan het zich niet veroorloven om solistisch op te treden. Alleen in goede samenwerking met andere voorzitters kan de Europese Raad een succes worden.

De heer Pechtold (D66):

Ik heb in een eerder debat al gevraagd welk profiel u voor de vaste voorzitter in gedachten heeft. Zo'n nieuwe functie zou al direct een erebaan kunnen zijn voor gewezen regeringsleiders, maar je kunt ook aan een apolitiek profiel denken. Wilt u op een ander moment, eventueel schriftelijk, aangeven wat de Nederlandse inzet op dit punt is? Ik vind het namelijk van uitermate groot belang om te weten hoe wij in dezen handelen.

Minister Balkenende:

Met het antwoord op de vragen van de heer Van Bommel en die van de heer Van der Staaij heb ik gesproken over het type voorzitter dat ons voor ogen staat. Ik heb gezegd wat hij te doen heeft en hoe de samenwerking met anderen zal zijn. Ik heb aangegeven dat hij bindend bezig zal moeten zijn en dat hij goed oog zal moeten hebben voor de verhouding tussen de verschillende instellingen. Ik neem aan dat wij later dit jaar te maken zullen krijgen met een profielschets. Die zal tot stand komen tijdens het Franse voorzitterschap en dan zal zich een moment voordoen waarop wij nader van gedachten kunnen wisselen. Wat mij betreft zal de vaste voorzitter een bindende persoonlijkheid zijn, iemand die nadrukkelijk rekening houdt met de verschillende posities van de verschillende lidstaten, iemand die zich bewust is van het evenwicht tussen de verschillende instellingen en die voor de rest iemand is met wie je kunt lachen. Mag ik het daarbij laten, voorzitter?

De heer Pechtold (D66):

Voorzitter, voordat wij nu op dit punt weer een voorbehoud maken, wil ik nog op iets wijzen. De premier zei dat wij over dat profiel komen te spreken onder het Franse voorzitterschap in het najaar. Ik zou toch graag zien dat hij ruim daarvoor – ik stel voor: vlak na de zomer – samen met zijn collega's een brief opstelt en ons iets meer over het profiel van de vaste voorzitter laat weten dan hij doet met deze leuke karakterschets. Ik wil vooral weten welke strategie in Europees verband wordt gevolgd. Ik ben wel gecharmeerd van het feit dat in landen die een dictatuur afschaften de nieuwe eerste positie werd ingenomen door een oud-vakbondsleider of een schrijver. Zoiets kan soms een enorm succes zijn, zorgen voor een wijgevoel en voor een nieuwe eenheid. Daarom vroeg ik of de minister-president vlak na de zomer de Kamer hierover een brief wil sturen. Als hij dat doet, hoef ik ook geen voorbehoud te maken. Dus ik wil die brief graag krijgen ruim voordat dit onderwerp onder het Franse voorzitterschap aan de orde is.

Minister Balkenende:

Ik wil die toezegging maar eens niet doen. Ik heb daar een reden voor. Ik heb een aantal kwalificaties gegeven. Die kunnen ontleend worden aan de gemaakte afspraken en opmerkingen. Wij praten nu niet alleen over een profielschets, maar ook over een persoon. Althans, de discussie kan al heel snel die kant op gaan. Daarom is een heel verstandige opstelling nodig. Wij weten nooit hoe dit soort dingen loopt. De laatste keer dat ik een dergelijke situatie heb meegemaakt, was bij de keus van de voorzitter van de Europese Commissie. Bij zoiets kan er op het laatste moment een beslissing worden genomen. Dat hebben wij ook toen gezien. De keus zal afhankelijk zijn van de manier waarop het krachtenveld in Europa zich ontwikkelt. De vraag is of wij veel verder kunnen gaan dan het geven van een aantal indicaties of het in aanmerking nemen van wat onder het nieuwe voorzitterschap naar voren zal komen. Ik weet ook niet of dat zich leent voor verdere bespreking. Ik neem graag kennis van de opvattingen van de heer Pechtold over de persoon van de voorzitter van de Europese Raad. Ik vind wat wij hij daarover zegt prima. Zelf heb ik aangegeven hoe wij de functie zien, maar om veel verder te gaan dan dat: ik weet niet of ik dat kan en of ik dat wil.

De heer Pechtold (D66):

Als met dit verdrag een nieuwe functie wordt gecreëerd, mag dat niet alleen een bevoegdheid van regeringshoofden in een achterkamer zijn. Ik vind dat wij na de zomer best een voorzet van de minister-president mogen krijgen. Ik treed niet in de vraag of het die of die kandidaat moet zijn. Nogmaals, wij schetsen zo'n profiel voor de eerste keer. Ik vind de minister-president een fantastisch hoofd P&O dat hij zo een paar zaken uit de mouw schudt. Hij heeft nog net niet de financiën erbij genoemd. Ik zou zeggen: zet dat nou even op papier. Dan kunnen wij ergens over praten. Ik kan hier wel een AO over aanvragen, maar dan heb ik een brief van de regering nodig. Ik wil een aanzet van de manier waarop de minister-president ertegen aankijkt: proces en profiel. Wie hij gaat steunen, is een tweede...

Minister Balkenende:

Ik had even de indruk dat u over personen wilde gaan spreken. Ik zie het al voor mij dat het Nederlandse parlement over een persoon gaat spreken en dat die persoon vervolgens wordt aangenomen. In dat geval zit Nederland bepaald niet sterk in de onderhandelingen voor de komende jaren.

Ik ga geen toezegging voor september doen. Als hierover meer te melden is, zal ik de Kamer op de hoogte houden. Het kan zijn dat dat gebeurt bij de voorbereiding van een Europese Raad. Als er bepaalde gegevens zijn die aanknopingspunten bieden, zal ik ze verstrekken, maar ik ga niet op voorhand een toezegging doen. Wij moeten echt even afwachten hoe dit proces zich verder gaat ontwikkelen.

De heer Ten Broeke (VVD):

Ik heb geen enkele behoefte aan een discussie die op wat voor manier dan ook de kansen voor een Nederlandse Commissaris, een goede Commissievoorzitter of een goede invulling van het voorzitterschap van de Raad zou verminderen. Om die reden heb ik de minister-president een verzoek gedaan. Zodra het Franse voorzitterschap dit punt heeft geagendeerd en de minister-president de Fransen zijn wensen overbrengt, vraag ik hem ons te laten weten hoe het eruitziet. Dan kunnen wij er in algemene zin over spreken. Hoe langer wij wachten, hoe dichter wij komen bij het moment dat er allerlei namen rondvliegen. En dan politiseren wij.

Minister Balkenende:

Ik heb ervaring opgedaan bij de Nederlandse eurocommissaris. Ik herinner mij dat er toen kritiek op mij is geleverd: Nederland zou te laat zijn, Nederland zou achter het net vissen. Vervolgens hebben wij de zwaarste portefeuille binnengehaald. Dat is gebeurd omdat ik heel goed contact had met de voorzitter van de Europese Commissie. Wij wisten precies wat wij wilden bereiken. Wij hadden een aantal troeven die wij konden inzetten. Als het onderdeel was geweest van de discussie hier, als de Kamer zich had uitgelaten over het type portefeuille, dan weet ik zeker dat het zo ver nooit was gekomen.

Minister Verhagen:

Voorzitter. De minister-president heeft zojuist uiteengezet welke vooruitgang in de EU wordt geboekt met het Verdrag van Lissabon. Het verdrag biedt de EU en de burgers, zoals ook de leden Ormel, Pechtold en Blom zeer nadrukkelijk naar voren brachten, meer democratie, meer transparantie en meer besluitvaardigheid. Meer democratie omdat het parlementaire toezicht op de besluitvorming in Europa aanzienlijk wordt vergroot, zowel vanuit het Europees Parlement als vanuit de nationale parlementen. Meer transparantie omdat de Raad in het openbaar zal vergaderen over alle Europese wetgevingshandelingen. Meer besluitvaardigheid omdat de Raad in de toekomst vaker met gekwalificeerde meerderheid besluiten zal nemen. Hierdoor zal de EU met 27 lidstaten goed kunnen blijven functioneren en is zij in staat om grensoverschrijdende problemen effectiever dan nu aan te pakken.

Een belangrijke vooruitgang in het nieuwe verdrag is de versterking van het externe optreden van de Unie. De Europese Raad in Laken concludeerde al in 2001 dat dit coherenter en effectiever moest. Een sterkere positie van Europa in de wereld biedt ons kansen om de waarden waarvoor Europa staat – democratie, rechtszekerheid, respect voor mensenrechten – krachtiger uit te dragen in zijn betrekkingen met derde landen. Het biedt kansen om vrede, veiligheid en welvaart beter dan nu te bevorderen. Het biedt kansen om de uitdagingen van de globalisering het hoofd te bieden. Ik denk aan de internationale concurrentie, het grensoverschrijdend terrorisme, de criminaliteit, de klimaatverandering en de migratieproblematiek. Het zijn grensoverschrijdende vraagstukken die wij niet meer op nationaal niveau kunnen aanpakken, laat staan oplossen.

Een sterkere positie van Europa biedt ook heel concreet de mogelijkheid om met meer kracht op te treden in de bescherming van de mensenrechten. De Unie is een gemeenschap van waarden: rechtvaardigheid, humaniteit, gelijkwaardigheid, respect en solidariteit. Die waarden kunnen en moeten wij gezamenlijk buiten de Unie uitdragen. In EU-verband kun je dat veel beter dan als afzonderlijke lidstaat.

De Europese Unie is een steeds belangrijker mondiale speler, zowel in economisch als in politiek opzicht. Die invloed moeten wij gezamenlijk inzetten om juist de mensenrechten te beschermen. De EU kan daardoor effectiever optreden tegen bijvoorbeeld het misdadige regime in Birma, in de strijd tegen slavenarbeid door kinderen en tegen verkrachtingen in Congo, steniging in Iran, censuur in Oezbekistan en het verwerpelijke optreden van Mugabe in Zimbabwe dan wanneer wij dat als landen afzonderlijk of tegengesteld zouden doen.

De behoefte aan een sterkere positie van de Europese Unie op het wereldtoneel wordt ook door de burgers gedeeld. In de periode van bezinning die volgde op de verwerping van het grondwettelijke verdrag is gebleken dat ook de Nederlandse burger juist een sterkere positie van de Unie in de wereld steunt. Uit het onderzoek waarover de Kamer na afloop van de bezinningsperiode per brief van 16 mei 2006 is geïnformeerd, blijkt dat 76% van de Nederlanders vindt dat de Europese Unie eigenlijk een grotere rol zou moeten spelen in die bevordering van stabiliteit, vrede en democratie in de wereld. Het is ook begrijpelijk dat de burger daaraan behoefte heeft, want een sterkere Unie kan daardoor ook meer tegenwicht bieden aan de onzekerheden die de globalisering met zich meebrengt. Mensen maken zich zorgen over hun baan, over hun veiligheid op straat, maar ook in de bredere omgeving. Zij maken zich zorgen over hun eigen identiteit en dat is volkomen begrijpelijk. Juist om daarin een tegenwicht te bieden, om die nadelige gevolgen van globalisering het hoofd te kunnen bieden, heb je die sterkere Unie nodig.

Met het Verdrag van Lissabon zal de Unie aanzienlijk beter toegerust zijn om een coherentere en slagvaardigere rol op het wereldtoneel te spelen. Het zal Europa meer smoel geven in de wereld en daar heeft Nederland alleen maar belang bij. Hoe wordt dat bereikt? De Kamerleden hebben allen gesproken over de meest in het oog springende verbetering. Dat is het samenvoegen van de functie van de Hoge Vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken met de functie van vicevoorzitter van de Europese Commissie, belast met het externe beleid van de Unie. Dat is dus niet de Commissaris voor ontwikkelingssamenwerking waarop de heer Van Bommel met name wees.

In het verslag van de vaste commissie voor Europese Zaken hebben de leden van vrijwel alle fracties specifiek hierover vragen gesteld. Die samenvoeging van die functies is bedoeld om de middelen en instrumenten die de Raad en de Commissie ter beschikking staan op dat externe gebied te integreren. De Hoge Vertegenwoordiger zal meer dan nu het geval is in staat zijn om juist toe te zien op de samenhang van alle aspecten van het buitenlandse beleid van de Unie. Alle middelen, zoals diplomatie, civiele veiligheid en handel kunnen dan in samenhang worden ingezet. Die verbeterde samenhang zal ertoe leiden dat de Unie efficiënter en slagvaardiger in de wereld kan optreden, dus niet meer gefragmenteerd, maar als één Unie. Met die Hoge Vertegenwoordiger nieuwe stijl krijgen wij één aanspreekpunt, één gezicht op het wereldtoneel. Een aantal Kamerleden heeft daarover gesproken. Je kunt dus door het concentreren van functies in één persoon beter je stem laten horen en meer betekenen in de geglobaliseerde wereld. Dat is goed voor onze welvaart, onze veiligheid en ons milieu. Daarover zijn specifieke vragen gesteld.

De heer Van Bommel en mevrouw Wiegman hebben gezegd dat het onduidelijk is wie straks de Europese Unie extern vertegenwoordigt. Dat is helemaal niet het geval, want de Hoge Vertegenwoordiger is juist als vicevoorzitter van de Europese Commissie belast met alle aspecten van het externe optreden, dus ook met communautaire beleidsterreinen. Die Hoge Vertegenwoordiger voert de politieke dialoog ook met derden en verwoordt in internationale organisaties en op internationale conferenties het standpunt van de Europese Unie. De voorzitter van de Raad zorgt op zijn niveau voor die aangelegenheden die niet vallen onder de bevoegdheden van de Hoge Vertegenwoordiger. Dat is in het verdrag helder gescheiden, zodat ik daarmee geen problemen verwacht. Wel geef ik toe dat als je ziet wat die persoon moet gaan doen, dit een buitengewoon zware job zal zijn. Ik kan de Kamer verzekeren dat de functie van Hoge Vertegenwoordiger niet is weggelegd voor luie mensen.

Mevrouw Wiegman stelde de vraag of de functies van Hoge Vertegenwoordiger-oude stijl en vicevoorzitter van de Commissie niet te veel door elkaar lopen. Ik denk dat dat juist niet het geval is. Die samenvoeging is een troef, want de inzet van middelen op verschillende niveaus vergroot de samenwerking. Het is duidelijk dat de Hoge Vertegenwoordiger zal handelen op basis van de onderscheiden bevoegdheden die duidelijk in het verdrag zijn vastgelegd. Juist omdat hij ook als voorzitter van de Raad van buitenlandse zaken verantwoordelijk is voor het in opdracht van die raad uitvoeren van het gemeenschappelijk buitenlands beleid en het EVDB, is die samenhang beter gegarandeerd. Naar mijn stellige overtuiging leidt dat niet tot minder efficiency, maar juist tot meer efficiency. Je ziet dat wat nu de Commissaris voor externe betrekkingen doet, in lijn hoort te zijn met dat wat een Hoge Vertegenwoordiger doet, zij het dat deze hun eigen bevoegdheden en financiële middelen hebben.

De Hoge Vertegenwoordiger zal ook optreden als vaste voorzitter van de Raad van buitenlandse zaken. Hij wordt in die functie benoemd voor een periode van vijf jaar. Daardoor krijg je meer continuïteit in het voorzitterschap en de werkzaamheden van de Raad. Ik heb zelf drie voorzitters meegemaakt, namelijk Duitsland, Portugal en Slovenië en omdat iedereen zijn eigen stokpaardje heeft, zie je dat de continuïteit minder wordt. Vanwege die dubbelfunctie kan de Hoge Vertegenwoordiger een beroep doen op de ambtelijke diensten van Commissie en Raad. Hij krijgt dus wel een goede ondersteuning. Bovendien zal de Hoge Vertegenwoordiger geassisteerd worden door de Europese dienst voor extern optreden (EDEO), die de inhoudelijke expertise zal moeten leveren die de Hoge Vertegenwoordiger nodig heeft.

De heer Ormel (CDA):

Twee lidstaten van de Unie zijn vast lid van de VN-Veiligheidsraad. Klopt het dat er afspraken zijn dat die lidstaten bij toerbeurt hun plek tijdelijk afstaan aan de Hoge Vertegenwoordiger? Zo nee, lijkt het u dan niet wenselijk dat daarover afspraken worden gemaakt?

Minister Verhagen:

Op dit moment vindt een algemene discussie plaats over uitbreiding van de Veiligheidsraad. Een aantal landen, waaronder Nederland, vindt dat het aantal vaste leden van de Veiligheidsraad niet meer geheel representatief is. Dan heb je het over Afrika, Azië en Latijns-Amerika, maar ook over een land als Duitsland. Nederland heeft hierin een grote rol gespeeld, aangezien het een van de vijf vertegenwoordigers leverde. Er is op dit moment geen permanente oplossing denkbaar om de Veiligheidsraad verder uit te breiden, rekening houdend met de gewijzigde omstandigheden. Wij hebben ook initiatieven genomen om tot een tijdelijke oplossing te komen in afwachting van een definitieve oplossing. Wij zoeken daarbij naar de mogelijkheid dat tijdelijke leden voor langere periode lid zijn van de Veiligheidsraad. Tijdelijke leden moeten voor langere tijd lid kunnen zijn en ook voor herverkiezing in aanmerking komen. De periode dat landen als niet-permanent lid in de Veiligheidsraad zitten wordt zo wat verlengd. Dat is een tussenoplossing, vooruitlopend op de definitieve oplossing.

De volgende vraag is: wie gaat dat doen? Nederland is voorstander van een lidmaatschap van de Europese Unie van de Veiligheidsraad. Dat zou uiteraard de vertegenwoordiger moeten zijn. Als Nederland lid is van de Veiligheidsraad is, zit ik ook niet daar. Dan zit de Permanente Vertegenwoordiger van Nederland daar de meeste tijd. Dit alles vraagt een besluit hoe de Veiligheidsraad veranderd moet worden met het oog op de veranderde situatie in de wereld. Daar bestaat op dit moment nog geen overeenstemming over. Die discussie moet in VN-kader gevoerd worden, alvorens de gevolgen voor de Europese Zaak te kunnen schetsen. De afspraken die de heer Ormel noemt zijn er dus niet.

De heer Ormel (CDA):

Hervorming van de Veiligheidsraad kan nog enige jaren duren. De Hoge Vertegenwoordiger gaat echter volgend jaar van start. In die situatie zijn EU-leden Verenigd Koninkrijk en Frankrijk permanent lid van de Veiligheidsraad. De Hoge Vertegenwoordiger moet dan bij die twee leden bedelen om aan tafel te mogen zitten.

Minister Verhagen:

Dat is geen kwestie van bedelen. Ik zeg daarover het volgende. Nederland is op dit moment geen lid van de Veiligheidsraad. Wij zijn ook geen tijdelijk lid. Gisteren had ik overleg met mijn Franse collega over een aantal zaken die binnenkort spelen in de Veiligheidsraad. Dat is bijvoorbeeld de rapportage van Ocampo, de procureur-generaal van het hof dat de misdaden tegen de menselijkheid in Darfur onderzoekt. Ik heb hem gevraagd op dit punt de Nederlandse positie, dat Sudan daadwerkelijk moet uitleveren, te steunen en om op basis van de rapportage aan het werk te gaan. Als bijvoorbeeld Birma onderwerp is van de Veiligheidsraad, spreken wij daarover in de RAZEB. Uiteraard doen wij daarbij een poging om de vaste leden ervan te overtuigen ons standpunt over te nemen. Een gemeenschappelijk standpunt is natuurlijk gemakkelijker. Daarop kunnen wij die landen immers aanspreken. Ik kan niet zeggen: er is een Hoge Vertegenwoordiger, wij breken de raad open en het VK geeft zijn zetel op voor de heer Solana. Zo werkt het niet. Wij moeten elkaar niets wijsmaken. Ik vind het idee aardig. Wij vinden dat de EU op termijn vertegenwoordigd moet worden in de Veiligheidsraad. De heer Ormel moet echter, vooruitlopend op de hervormingen, van ons niet het onmogelijke vragen.

De EDEO, de Europese Dienst Extern Optreden, is onderwerp van discussie. In het verdrag ligt niet vast hoe het precies vorm zal krijgen. Nederland hecht eraan dat de EDEO een op zichzelf staande dienst is, die niet onder het Raadssecretariaat of onder de Commissie valt. Het Verdrag van Lissabon bevestigt de op zichzelf staande status van EDEO met de wijze waarop de dienst wordt samengesteld. Er zullen ambtenaren worden gedetacheerd uit het Raadssecretariaat, de Commissie en uit de diplomatieke diensten van de lidstaten. De EDEO wordt dus geen dienst gelijk aan de nationale diplomatieke diensten op de internationale ambassades. De lidstaten zijn bij het verdrag overeengekomen dat EDEO geen afbreuk doet aan de bevoegdheden van lidstaten ten aanzien van hun buitenlands beleid en hun nationale diplomatieke diensten. EDEO of de delegaties van de Unie in derde landen zullen dus ook geen taken overnemen van de Nederlandse diplomatieke dienst. De EDEO zal de Raad en daarmee de lidstaten alleen van dienst zijn bij het uitvoeren van beleid en maatregelen waarover de Raad beslist. Kortom, het is de Raad van ministers van Buitenlandse Zaken die over de werkzaamheden van de EDEO besluit. De EDEO kan niet autonoom eigen taken uitbreiden of functies van lidstaten overnemen en uiteraard ben ik bereid nader met de Kamer van gedachten te wisselen als de discussies daarover verder vorm krijgen. Het is op dit moment nog te vroeg om daarover een notitie te schrijven, maar de gedachten mogen duidelijk zijn.

De heer Van Bommel heeft gezegd dat dit een dienst wordt met 5000 ambtenaren. Het aantal van 5000 ambtenaren hoor ik voor het eerst. Dit is volgens mij volstrekt uit de lucht gegrepen. Een voorstel daartoe ligt niet ter tafel in Brussel. Sterker, er ligt nog geen enkel voorstel in Brussel. Over het aantal ambtenaren dat vanuit de lidstaten, de Commissie en het Raadssecretariaat bij de EDEO wordt geplaatst, moet ook nog worden besloten. Lidstaten beginnen daarover nu na te denken. Ik kan de heer Van Bommel geruststellen dat wij ons niet laten verrassen. Ik kan mij er wel iets bij voorstellen waarom hij begint over die 5000 man. Het aantal personen dat werkzaam is in Brussel en op delegaties van de Europese Unie in derde landen, die dus op enigerlei wijze geheel of ten dele bij externe zaken zijn betrokken, bedraagt ongeveer 5000 man. Dat is de huidige situatie. Daarvan werken er zo'n 1400 op beleidsniveau, waarvan 700 op de delegaties en 700 bij de Commissie en het Raadssecretariaat. Als men spreekt over een groot deel uit de lidstaten, dus ambtenaren van de buitenlandse diensten van de verschillende lidstaten, die tijdelijk worden gedetacheerd bij de EDEO, dan spreekt men over ongeveer 500 tot 700 man in de huidige situatie. Dus het instellen van zo'n hele moloch van allemaal nieuwe ambassades is absoluut niet de bedoeling in het verdrag en is ook absoluut niet onze inzet.

De heer Van Bommel heeft specifiek gevraagd of wij wel oog hebben voor de OS-dimensie. Nogmaals, de Commissaris blijft. Nederland behoorde ook tot de eersten die in EU-kader het belang van aandacht voor de OS-dimensie van het buitenlands beleid en van de diensten aan de orde hebben gesteld. Het belangrijkste ontwikkelingspunt, te weten de erkenning van armoedebestrijding als een leidende EU-doelstelling en de centrale rol van beleidscoherentie voor ontwikkeling, dient inderdaad handen en voeten te krijgen. Beleidscoherentie voor ontwikkeling zal op extern gebied wel onderdeel moeten gaan uitmaken van het mandaat van de Hoge Vertegenwoordiger, maar er moet een volledige coherentie komen op het gebied van veiligheid en ontwikkeling van fragiele staten, dus eigenlijk zo'n beetje wat wij in ons herijkt beleid hebben. Dat je rekening houdt met elkaars posities, laat onverlet dat wij een minister voor Ontwikkelingssamenwerking hebben, maar de coherentie van het beleid valt weer onder mijn verantwoordelijkheid als minister van Buitenlandse Zaken. Die geïntegreerde benadering zal er dus ook op Europees niveau moeten zijn. Wij gaan ervan uit dat er ook na 2014 een ontwikkelingscommissaris zal blijven als het aantal Commissarissen wordt verminderd.

De heer Van Bommel (SP):

Deze discussie is van belang omdat wij zien dat er een internationale verschuiving optreedt op dit terrein. Ontwikkelingssamenwerking als beleidsterrein wordt steeds meer gezien als instrument van het buitenlandse beleid, door het ondersteunen van doelen uit de buitenlandse politiek met geld en inzet van OS. Wij zien het in Nederland, wij zien het wereldwijd. De vraag is dus niet of de regering verwacht dat er na die datum nog een Commissaris van OS zal zijn, maar of de regering dat verlangt.

Minister Verhagen:

Ja, dat is onze inzet. Dat laat onverlet dat wij wel van mening zijn dat ontwikkelingssamenwerking een geïntegreerd onderdeel is van het totale buitenlandse beleid, zoals dat in Nederlands sinds 1996 het geval is. Het is ook niet voor niets dat sinds het Verdrag van Maastricht ook expliciet vermeld staat dat juist vanwege die coherentie eventuele effecten op de ontwikkeling van andere landen moeten worden meegewogen in het totale buitenlandse beleid. Wij gaan niet dat geïntegreerde beleid afschaffen. Integendeel, wij willen geïntegreerd beleid, maar onze inzet is erop gericht om na 2014 een Commissaris voor ontwikkelingssamenwerking te behouden, want dan is de vraag aan de orde of het aantal Commissarissen wordt verminderd.

De heer Van Bommel (SP):

Het gaat niet alleen om de periode na 2014. Het verdrag wordt waarschijnlijk aangenomen en dan krijgen wij te maken met een Hoge Vertegenwoordiger die een andere opvatting heeft van zijn taken dan de functionarissen die wij nu kennen. Het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid zal dan – gezien de coherentie van beleid; de minister spreekt daar terecht over – ondergeschikt worden aan het buitenlands beleid. Wij lopen dan het risico dat het beleid dat is gericht op ontwikkelingssamenwerking, dus op de bestrijding van armoede en op de ontwikkeling van landen, ondergeschikt wordt aan het buitenlandse beleid dat op andere zaken is gericht.

Minister Verhagen:

Ik ben het hiermee absoluut niet eens. Het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid in Nederland is ook niet volledig ondergeschikt, maar maakt integraal onderdeel uit van het buitenlands beleid. Wij hebben dit in 1996 bij de herijking besloten. Wij hebben het nu zelfs uitgebreid, bijvoorbeeld in het kader van de fragiele staten, tot de drie D-benadering waarvan de Kamer altijd een groot voorstander is geweest. Dat wil zeggen dat defensie, diplomatie en ontwikkelingssamenwerking geïntegreerd worden benaderd om te voorkomen dat je afzonderlijk je eigen toko beheert zonder te kijken of er enige samenhang of enige versterking mogelijk is. De heer Van Bommel kan het daarmee niet eens zijn, maar wij zijn van mening dat dit de meest efficiënte inzet van de middelen is die wij willen gebruiken voor de ontwikkeling van kwetsbare regio's en wij zijn daarin altijd gesteund door de Kamer.

De heer Van Bommel (SP):

Ik ben het op dit punt zeer oneens met de regering. Ik stel vast dat de regering tot voor kort een andere lijn heeft gevolgd, namelijk de millenniumdoelstellingen. Daarvoor heeft de minister zelf campagne gevoerd. Die gaan niet over veiligheid, fragiele staten, ontwapening of weet ik wat, die gaan over armoedebestrijding, het versterken van een staat, niet in de sfeer van veiligheid, maar in de sfeer van de bestrijding van honger en armoede, onderwijs, et cetera.

Minister Verhagen:

Ik verbaas mij over de heer Van Bommel. Juist als ik naar de millennium development goals kijk of naar bijvoorbeeld de positie van vrouwen, dan zou het toch absurd zijn als alleen Commissaris Michel en minister Koenders een projectje steunen voor vrouwen en de ministers van Buitenlandse Zaken en de Hoge Vertegenwoordiger daarmee geen rekening houden in hun buitenlands beleid. De enige manier om die millennium development goals effectief te bereiken, is door ervoor te zorgen dat alle instrumenten daarop worden gericht. Niet voor niets neemt de minister voor Ontwikkelingssamenwerking in de RAZEB deel aan de discussies als wij spreken over Zimbabwe of Birma. Dat moet juist op elkaar worden afgestemd en samenhang vertonen. Dit heeft niets te maken met onderschikt of ondergeschoven te zijn.

Een aantal woordvoerders heeft gevraagd of de verbeteringen op extern gebied ten koste gaan van het eigen buitenlands beleid van Nederland. Ik kom daarop nog terug, maar het lijkt mij logischer om eerst in te gaan op de samenwerking tussen de EU en de NAVO. Het zal duidelijk zijn dat wij – mede op basis van het overleg met de Kamer – inzetten op een betere samenwerking tussen de EU en de NAVO of dit nu gaat over Afghanistan of over Kosovo. Het is noodzakelijk dat beide organisaties nauw en gecoördineerd samenwerken. Daarom heb ik mijn Turkse en Cypriotische collega's verschillende malen vrij hard toegesproken opdat zij een einde maken aan de blokkering van die samenwerking. De werkzaamheden van onze militairen en politiefunctionarissen komen in gevaar als die samenwerking niet optimaal is. Dat geldt zowel voor Afghanistan als voor Kosovo.

In het verdrag wordt weliswaar het gemeenschappelijk buitenlands veiligheidsbeleid en het Europese defensiebeleid versterkt, maar dan wel met als doel om de slagkracht te vergroten. Het komt ook niet in plaats van de NAVO, want om de Unie slagvaardiger op te kunnen laten treden, moet zij over middelen beschikken. Het gaat daarbij niet om concurrentie, maar om wederzijdse versterking. Zelfs als je de capaciteit van de NAVO en de EU samenvoegt, beschik je niet over voldoende middelen om al je ambities waar te maken. Dat is de reden dat de generaal in zijn notitie zo nadrukkelijk spreekt over de noodzaak van nauwe samenwerking en capaciteitsversterking.

Tegen de heer Van der Staaij zeg ik nadrukkelijk dat het niet de bedoeling is om capaciteit bij de NAVO weg te halen ten behoeve van de Unie. Beide hebben namelijk een belangrijke bijdrage te leveren.

De heer Van Bommel gaat in op artikel 32 en het verband tussen dit artikel en het internationale optreden. Meer in het bijzonder wil hij weten hoe in de raad met dit artikel wordt omgegaan. Artikel 32 stelt dat de lidstaten in de Europese Raad of in de Raad moeten overleggen als de belangen van de Unie in het geding zijn. Het is niet meer dan normaal dat een lidstaat in zo'n geval eerst overlegt met de andere lidstaten. Dat is geen inperking. Het doet ook niets af aan de nationale verantwoordelijkheid van de lidstaten. Je mag echter wel vragen van de lidstaten dat zij overleggen met hun partners over zaken die andere lidstaten raken of kunnen raken.

Al deze verbeteringen op extern gebied gaan niet ten koste van het nationale buitenlandse beleid van Nederland. Ook met het EDEO wordt geen diplomatieke dienst in het leven geroepen die concurreert met die van de lidstaten. Het doet geen afbreuk aan de bevoegdheden van de lidstaten op het gebied van het buitenlands beleid en de nationale diensten.

Ik benadruk nogmaals dat het gemeenschappelijk buitenlands beleid en het EVDB ook onder het Verdrag van Lissabon intergouvernementeel blijven. Ik zeg dat zo nadrukkelijk, omdat ik enige verwarring op dit punt proef. Hoewel op enkele onderdelen gekwalificeerde besluitvorming wordt ingevoerd, blijft unanimiteit de hoofdregel. De status aparte van het GBVB en het EDVB komen tot uitdrukking in het feit dat deze beleidsterreinen in tegenstelling tot het communautaire beleid in het EU-verdrag zijn blijven staan.

Ik hecht er ook aan te onderstrepen dat als besloten wordt tot militaire operaties als die in Tsjaad, de deelname aan deze operatie alleen mogelijk is na nationale parlementaire instemming. In de RAZEB is een akkoord gegeven voor de militaire missie in Tsjaad, maar dat onverlet dat de Kamer conform de artikel 100-procedure betrokken is bij de besluitvorming over deelname van Nederlandse troepen aan deze missie. Er is geen Europees leger, ook al roept men dat nog zo hard. Er is geen Europees leger en er is ook geen sprake van inbreuk op de nationale besluitvorming over de inzet van Nederlandse militairen.

Het nationale buitenlands beleid wordt niet vervangen. Het houdt zijn intergouvernementele karakter. Dat blijkt ook uit het feit dat de Hoge Vertegenwoordiger alleen maar kan optreden als mandataris van de raad van de ministers van Buitenlandse Zaken. Hij kan niet handelen naar eigen bevind van zaken. Hij moet besluiten van de Raad uitvoeren. Hij handelt op basis van een mandaat dat de Raad hem kan verlenen. Met andere woorden: de Raad besluit. De ministers van Buitenlandse Zaken besluiten.

De heer Ten Broeke en de heer Van Bommel spraken over de interpretatie van de solidariteitsclausule. Deze clausule legt vast wat moreel al lang geldt. Lidstaten hebben als lid van een gemeenschap de plicht om elkaar bij te staan. Dat is een zeer zwaarwegende plicht die wij al lang kennen. Hij illustreert dat het deel uitmaken van de Europese Unie is gegrondvest op verbondenheid en niet op egoïsme. Deze clausule leidt niet tot kwantitatieve of kwalitatieve verplichtingen die lasten op Nederland zouden leggen zonder dat Nederland zelf beslist over het verlenen van hulp en bijstand aan een getroffen c.q. aangevallen lidstaat. Het is vrij normaal om hulp en bijstand te verlenen als een andere lidstaat door een ramp wordt getroffen en een beroep op de andere lidstaten doet. Dat doe je. Daaraan wil je je niet onttrekken. Dan zeg je niet: sorry, ik heb het nu even te druk met mijzelf. Zo zijn wij niet getrouwd. Natuurlijk wordt in onderling overleg afgesproken wat de hulp en bijstand zullen inhouden. Het is niet aan de getroffen staat of aan het voorzitterschap om te bepalen wat Nederland gaat bijdragen. Dat gebeurt in het reguliere overleg tussen de Nederlandse regering en het parlement.

Ik heb het nu gehad over de noodhulp. Wat betreft militaire bijstand treedt de bijstandsverplichting absoluut niet in de plaats van artikel 5 van het NAVO-verdrag. De Europese Unie heeft niet die ambitie. De heer Van Bommel sprak over de energielevering. Op dat terrein is geen sprake van een automatische verplichting. Er wordt een moreel principe vastgelegd. Ik heb dat principe al eerder beschreven. Het biedt de Unie de mogelijkheid om maatregelen vast te stellen wanneer zich in een lidstaat ernstige problemen voordoen ten aanzien van de energievoorziening. Dat betekent in ieder geval niet dat bijvoorbeeld de Gasunie verplicht zou kunnen worden om gas te leveren.

De heer Van Bommel (SP):

De kern van de zaak is de bijstandsverplichting. Mijn vraag ging specifiek daarover. Ik heb daarnaast een vraag over de energieleveranties gesteld. In de nota naar aanleiding van het verslag stelt de regering dat reeds op dit moment veel landen van de Europese Unie de bijstandsverplichting kennen via artikel 5 van het NAVO-verdrag. De minister refereert daaraan. Dat is terecht. Het is geen vrijblijvend artikel. De aanval op Afghanistan was mede gebaseerd op artikel 5 van het NAVO-verdrag. Één land werd aangevallen, alle landen hebben dan een taak te verrichten. In de nota naar aanleiding van het verslag stelt de regering dat deze bijstandsverplichting kan worden vergeleken met de bijstandsverplichting uit het NAVO-verdrag. Zij is dus allerminst vrijblijvend. Artikel 42 lid geeft op geen enkele wijze blijk van een vrijblijvendheid van de lidstaten. Er staat in dat indien een lidstaat wordt aangevallen, op de overige lidstaten de plicht rust om deze lidstaat met alle middelen waarover zij beschikken hulp en bijstand te verlenen. Het gaat in dit verband over een aanval, gewapenderhand, op het grondgebied van een lidstaat. Het sturen van voedselpakketten is hier niet aan de orde, evenmin als andere zaken in de humanitaire sfeer. Het gaat om militaire bijstand. Ik verzoek de minister om hierover klare wijn te schenken.

Minister Verhagen:

Dat heb ik gedaan. Om te beginnen heb ik gezegd dat dit moreel al gold. Ik heb gezegd dat het ook nu niet vrijblijvend is. Het is een zeer zwaarwegende plicht, om de doodeenvoudige reden dat een unie die op waarden is gebaseerd, niet is gebaseerd op egoïsme. Daarnaast heb ik gezegd dat het niet alleen gaat over zaken zoals humanitaire rampen, maar ook een aangevallen lidstaat betreft. Een lidstaat die door een ramp wordt getroffen of die wordt aangevallen, kan uiteraard een beroep doen op andere lidstaten om hulp en bijstand te verlenen. Daaraan kun je je niet zomaar onttrekken door te zeggen dat je even met jezelf bezig bent of er even geen zin in hebt. Welke aard van hulp en bijstand en welke inzet van middelen je echter kiest, is een zaak van de lidstaten en derhalve van het reguliere overleg tussen Kamer en regering.

De voorzitter:

Afsluitend, mijnheer Van Bommel.

De heer Van Bommel (SP):

Dit is pas de tweede trede...

De voorzitter:

De eerste was zo lang.

De heer Van Bommel (SP):

Nou, nee. Dit is de kern van de zaak, voorzitter. Wij kunnen ook hierover weer een debat gaan voeren, maar dat lijkt mij niet slim. Dan moet ik alsnog met u meerijden. Dat lijkt mij geen goed plan.

De voorzitter:

Ik verheug mij er al op.

De heer Van Bommel (SP):

Het gaat om de vraag of hier sprake is van een verplichting. De minister kan wel zeggen dat er in het verleden al sprake was van een morele verplichting. Er is echter geen enkel verdrag waarin de morele verplichting is opgenomen om in geval van een gewapende aanval op een lidstaat bijstand te verlenen. Laat de minister mij het artikel maar aanwijzen in welk verdrag dan ook waarin dat staat.

Minister Verhagen:

Ik heb al gezegd dat ik mij niet kan voorstellen dat je niets doet als een andere lidstaat van de EU wordt aangevallen of getroffen door een humanitaire ramp. Ik heb ook gezegd dat de keuze welke middelen dan ingezet moeten worden aan de lidstaat is, en niet aan het voorzitterschap of aan de getroffen lidstaat. Het moet dus gebeuren op basis van het reguliere overleg tussen parlement en regering. Dit laat artikel 5 over de NAVO onverlet. Daarom heb ik gezegd dat het niet in de plaats komt van artikel 5. Als het NAVO-leden betreft, gaat deze hele discussie niet op. Dan treden wij niet in overleg, dan staan wij gewoon België bij als dat land binnengevallen wordt door al dan niet woeste horden.

De heer Van Bommel (SP):

Dat is precies de kern van de zaak. Juist de simpele verwijzing die de regering hanteert in een nota naar aanleiding van het verslag, brengt mij op het spoor van geen vrijblijvendheid. Omdat er in dit artikel staat "met alle mogelijke middelen", dus ook militaire, zal het er in de praktijk toe leiden dat landen die nu als neutraal gelden, zoals Ierland dat geen NAVO-lid is en hecht aan zijn neutraliteit, zich gedwongen zullen voelen om militair op te treden. De minister zegt dat er een morele plicht is om dat te doen.

De voorzitter:

U herhaalt zich.

Minister Verhagen:

Ik denk dat ik vrij helder ben geweest over wat het inhoudt. Als het Ierse parlement zegt dat het niets doet, dan is dat zo.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Minister Verhagen:

Het Nederlandse parlement kennende, ga ik ervan uit dat het normaliter in meerderheid bereid zal zijn een bijdrage te leveren als andere lidstaten van de EU in gevaar komen.

Voorzitter, ik sprak tot nu toe over wat ik als de uitgangspunten zie van de EU. Ik wil ook nog iets zeggen vanuit de inhoud en de praktijk. De buitenlandse politieke agenda van de Unie is in de afgelopen jaren, met name sinds Maastricht, enorm verbreed. Voordien was de norm de grootste gemene deler, dus een soort consensus zo dicht mogelijk bij de bodem. Lidstaten voerden hun eigen beleid en alleen als dat bleek samen te vallen met dat van andere lidstaten voerden zij dat gezamenlijk. Ik heb deze situatie meermalen zelf vanuit het Europees Parlement kunnen waarnemen eind jaren tachtig, begin jaren negentig. Vandaag de dag is dit wezenlijk anders. Ik stel vast, ook na anderhalf jaar ministerschap, dat de wereld daadkracht verwacht van de EU. Ook de grootste lidstaten van de EU verwachten via de EU extern beleid te voeren zoals zij dat zelf niet meer kunnen. Ook de grootste lidstaten streven dus juist na om binnen de gezamenlijkheid te opereren. Op deze trend bouwt het Verdrag van Lissabon voort.

Ik kan twee recente voorbeelden geven. Vorige week was ik in Israël op de Westbank waar ik sprak met collega Livni alsook met premier Fayad. Zij spraken allebei zeer nadrukkelijk over de EU in termen van verwachtingen en realiteiten. De Unie is er dus als een fact of life. De Unie is lid van het kwartet, een grote hulpverlener en een enorme handelspartner. In het verleden probeerden verschillende spelers om de lidstaten van de EU tegen elkaar uit te spelen. Vandaag de dag is dat niet meer het geval. Integendeel, men wil de relatie met de EU juist verdiepen. Daar ben ik een groot voorstander van. Een ander voorbeeld, over Iran. In het rapport van het IAEA worden grote zorgen uitgesproken over het nucleaire verrijkingsprogramma van Iran. Wij spraken zojuist over de Veiligheidsraad. Als die kwestie een aantal jaren geleden zou hebben gespeeld, hadden landen als het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk hun eigen beleid gevoerd als lid van de Veiligheidsraad. Nu constateer ik dat men dat niet zonder andere landen wil doen, bijvoorbeeld niet zonder Duitsland als het gaat om de ontwikkeling van het pakket incentives en de sancties. Er is dus geen sprake meer van een directorium of een eigen beleid. Men probeert juist om tot afstemming te komen en gezamenlijk op te trekken binnen de EU. Ik vind dat waardevol, want dat betekent dat Nederland via de EU meer invloed kan uitoefenen dan het in zijn eentje kan.

Gelet op die ontwikkeling is het van groot belang dat het nationale parlement in nauwe dialoog met de regering betrokken blijft bij de input als het gaat om de Brusselse beleids- en besluitvorming. Ik reageer ook op het punt van het GBVB en het amendement ter zake. Dit vraagt niet om een fundamentele verandering van ons bestel, want dat berust op de gedachte dat het parlement optimaal wordt geïnformeerd, voor en na beslissingen en dat het parlement de regering controleert op het beleid en steunt totdat het tegendeel blijkt. Dat betekent ook dat regering en parlement niet op elkaars stoel moeten gaan zitten. Als oud-lid van de Kamer ben ik geneigd te zeggen dat geen van beide partijen dat zou moeten willen. Een grote, verre vader van ons constitutioneel bestel, de heer Thorbecke, zou dat nadrukkelijk met mij eens zijn. Als lid van de VVD zou dat de heer Ten Broeke ook moeten aanspreken. Ik herinner eraan hoe lang wij over de kwestie-Servië hebben gesproken in het parlement. Dat kwam niet op de donderdagavond, voorafgaande aan de Raad, aan de orde. Daarover is maandenlang gesproken, in verschillende stadia. Op het laatst heb ik de Kamer geïnformeerd dat ik wat meer ruimte zocht. Als ik het onderhandelingsbod dat ik op tafel wilde leggen, hier had besproken met de vraag of ik er instemming voor zou kunnen krijgen, weet ik één ding zeker, namelijk dat ik het niet had gehaald. Als ik mijn kaarten in de Kamer op tafel leg, voordat de onderhandelingen plaatsvinden, kan ik het schudden. Dan gebeurt het niet.

De voorzitter:

Hoeveel tijd heeft de minister nog nodig?

Minister Verhagen:

Nog drie minuten.

De voorzitter:

Dat lijkt mij mooi.

Minister Verhagen:

Vanwege het feit dat sprake blijft van intergouvernementele politieke besluitvorming wat betreft buitenlands beleid, ook gelet op de wijze hoe je daarover moet communiceren, gaat het absoluut niet aan dat je zo'n voorbehoud moet kunnen maken om daarmee invloed te kunnen hebben.

Mij resten twee vragen van de heer Van Bommel. De eerste gaat over de EPA's met de ACS-landen. Daarover hebben wij meermalen gesproken. De ACS-landen wilden deze akkoorden zelf, omdat het Verdrag van Cotonou op een aantal punten niet werd geaccepteerd, met het oog op de normale vrijhandelsakkoorden. De landen hebben zelf bij de totstandkoming van het Cotonou-akkoord in 2000 aangegeven, en vervolgens regelmatig herhaald, dat zij een specifieke overeenkomst wilden, namelijk een economisch partnerschapsakkoord. Dat zou kunnen binnen de marges van de WTO. Het is nu van belang om de interim-onderhandelingen die zijn gevoerd en waarbij wij zijn opgekomen voor de belangen van de armste landen, om te zetten in volledige EPA's. De Nederlandse inzet blijft gericht op ontwikkelingsvriendelijke en asymmetrische akkoorden, maar dat wil niet zeggen dat je in alle gevallen onderscheid maakt vanwege specifieke omstandigheden. Tijdens de laatste bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking hebben wij erop aangedrongen om maximale flexibiliteit toe te passen in deze verdere onderhandelingen.

De laatste vraag van de heer Van Bommel betrof de relaties met buurlanden. Hij sprak over de ENP, de Mediterrane Unie, de "oostelijke dimensie" et cetera en merkte op: zonder dat deze landen lid zijn, zijn ze eigenlijk al lid, wat maakt het uit? In de Kamer hebben wij meerdere malen over Europees nabuurschap gesproken. Met de motie-Ormel c.s heeft de Kamer nadrukkelijk gevraagd om aan de specifieke vormen daarvan het partenariaat als een extra vorm toe te voegen. Omdat wij een stabiele, welvarende ring rond de Unie willen bereiken door de samenwerking met deze landen zo intensief mogelijk te maken, kunnen deze landen delen van het acquis van de EU overnemen, zoals vrijhandelsverdragen, de vrijhandelszone en andere vormen van samenwerking. Goed nabuurschap is echter nadrukkelijk een doel op zichzelf. De Unie zal altijd buren hebben, hoe groot je de Unie ook maakt; of het moest zijn dat de Unie de hele wereld omvat. Wij hebben er dus altijd belang bij om de relaties met de buren te intensiveren en deze goed te houden. Dat hoeft op niets anders uit te lopen. Het is dus ook cruciaal om op dit punt geen valse verwachtingen te wekken. De recente uitbreidingsstrategie van de EU is in dit opzicht glashelder. Op dit moment wordt geen nieuw Europees perspectief dan wel uitzicht op lidmaatschap verleend.

Toen de minister-president sprak over de criteria, heeft hij nog eens nadrukkelijk uiteengezet hoe wij omgaan met landen die wel perspectief hebben op Europees lidmaatschap. Ten aanzien van de anderen geldt: nee, het enkele feit dat wij in het kader van het nabuurschap of in het kader van het partenariaat, als wij dit ontwikkelen, nauwere betrekkingen met u willen hebben, biedt u absoluut geen ticket tot de EU.

De heer Ten Broeke (VVD):

De minister van Buitenlandse Zaken had het over Thorbecke, en ik sta hier nog steeds in de geest van Thorbecke. Op het Huis van Thorbecke zit een nieuwe laag, zoals wij allen weten. Thorbecke zou hebben gezegd: regel daarvoor de democratische controle zo goed mogelijk. Waarschijnlijk zou hij ook hebben gezegd: regel het onderling, en deel het de regering daarna mede. Wij praten er met de bewindslieden over; dus wees daar in ieder geval blij mee. Ik wil op vier punten de beoordeling van de minister horen.

De voorzitter:

Dat zijn dan wel twee interrupties. Vier vragen tegelijk is erg veel. U moet kiezen, of ik tel twee interrupties.

De heer Ten Broeke (VVD):

Kan de minister bevestigen dat er onder het buitenlands beleid zoals dat nu wordt opgenomen, bijvoorbeeld in artikel 24 van het nieuwe verdrag, wetgevingsbehandelingen zijn die buiten de controle van het Europees Parlement vallen? Dat geldt overigens ook voor Personal Name Records. Ik verwijs naar pagina 51 van de nota naar aanleiding van het verslag; zo maak ik het nog makkelijk ook. Als dat zo is, dan is dat een reden voor een instemmingsrecht.

De minister noemde al artikel 100. Volgens dat artikel heeft hij een inlichtingenplicht. Wij vatten dat op als een materieel instemmingsrecht. Ook volgens dit artikel kunnen echter algemene aanwijzingen worden gegeven. In hoofdstuk 2 van het artikel staat dat algemene aanwijzingen worden gegeven waarbij bij meerderheid wordt besloten nadat bij unanimiteit is besloten. De minister schudt van nee, maar dat is wel degelijk wat mogelijk is. Daarvoor zou onze instemming toch op zijn plaats zijn, als wij in de geest willen blijven handelen van de artikel 100-brief, van de commissie-Van Baalen en, zeg ik tegen collega Wiegman, van de motie-Van Middelkoop.

De voorzitter:

Mijnheer Ten Broeke, het is 24.05 uur. U moet echt proberen beknopter te zijn.

Minister Verhagen:

Ik heb de elementen geschetst waarover het Europees Parlement niets te zeggen heeft. Het is gewoon gemeenschappelijk buitenlands veiligheidsbeleid dat intergouvernementeel blijft. Die behandelen wij volgens de normale parlementaire behandeling. Juist op die punten hebben wij gewoon vetorecht. Er is dus ook geen formeel instemmingsrecht nodig, op de manier die u beschrijft, om de normale democratische controle te kunnen uitoefenen. Ik heb u reeds gezegd dat als er sprake is van een uitzending van Nederlandse militairen artikel 100 gewoon blijft bestaan, net zozeer als dat wij in de afgelopen Raad... Ik hoor van u dat dit niet uw vraag is, ook goed. Net zo goed als u... Voorzitter, ik vind dit geen normale behandeling! Om te beginnen staat de Kamer hier vanaf 16:00 uur. De regering krijgt dan de kans om in de helft van de tijd van de Kamer daarop te antwoorden. Als je halverwege een zin al niet meer de kans krijgt om te zeggen...

De voorzitter:

De heer Ten Broeke had het woord nog niet. Gaat u rustig door met uw betoog.

Minister Verhagen:

Op het moment dat de Raad besluit over de inzet van bijvoorbeeld een Europese missie in Tsjaad, gaat het over het algemene besluit, los van het feit dat de hele Kamer daarin niet geïnteresseerd was. Men wilde al een artikel 100-procedure hebben voordat de Europese Unie algemeen besloot tot het uitzenden van een Europese missie naar Tsjaad. Overeind blijft dat wij ook met het nieuwe verdrag, indien daaraan Nederlandse militairen meedoen, te maken hebben met de normale artikel 100-procedure. U bent helemaal niet verplicht om ook maar één Nederlandse soldaat uit te zenden als u dat niet wenst. U kunt nu wel zeggen dat u dit weet. Waarom begint u dan over de artikel 100-procedure? Deze procedure wordt niet aangetast. Als er een besluit is genomen in de Europese Raad om een militaire missie uit te oefenen, bent u niet verplicht om daaraan Nederlandse militairen toe te voegen. U hebt niet uw amendement nodig om die zekerheden te kunnen bieden. Op geen enkele wijze wordt u aangetast. Als het gaat om de PNR, als het Europees Parlement er niet over gaat, is er dus geen sprake van medezeggenschap door het Europees Parlement en geldt de normale parlementaire controle net zoals nu. U ziet spoken.

De heer Ten Broeke (VVD):

Ondanks het tijdstip denk ik dat dit niet het geval is. Ik noem niet alleen artikel 100. Ik probeer het te specificeren en daarmee tegemoet te komen aan diegenen die voor u het antwoord zouden kunnen opzoeken. Ik heb het niet over het besluit van unanimiteit. Nu praat u trouwens door mij heen. Ik leg u nog een keer uit waar ik het over heb. Onder hoofdstuk 2, artikel 42 lid 1, artikel 43 van het VEU kunnen besluiten worden genomen, die bijvoorbeeld samenhangen met missies. Dit zijn algemene aanwijzingen die samenhangen met de verdeling van de middelen, waarover bij meerderheid wordt besloten. Dat heb ik mijn bijdrage gezegd. Dat heb ik in mijn vraag bedoeld. Ik specificeer het voor u. U zegt dan telkens dat in artikel 100 is voorzien vanwege de unanimiteit. Ja, ik weet dat. Dank u.

Minister Verhagen:

Ú begint over artikel 100.

De heer Ten Broeke (VVD):

Dat klopt, en ik voeg er iets aan toe. Misschien kunt u daarop ingaan.

Minister Verhagen:

U voegt eraan toe dat op een gegeven moment middelen van de Europese Unie ingezet worden ten behoeve van een operatie. Als dit middelen van de Europese Unie zijn, is het ook normaal dat dit met een meerderheid besloten wordt. Het gaat namelijk over financiële middelen van de Europese Unie. Ik ga ervan uit dat u in ieder geval niet terug wilt gaan naar de periode vóór Van Mierlo. Toen kon één lidstaat van de Unie een besluit, waar een meerderheid voor is, blokkeren. Dat vraagt u in wezen. Als u daarheen terug wilt gaan, staat u niet voor wat u zegt voor te staan, namelijk effectiever optreden. Als u niet wilt dat middelen van de Europese Unie ingezet worden ten behoeve van dit soort zaken, bij meerderheid te besluiten, dan wenst u dit niet. Dan wilt u terug naar hoe het vóór Van Mierlo was. Daarom kon ik mij dus ook niet voorstellen dat de heer Pechtold, gelet op de wensen die hij tijdens zijn interruptie uitsprak, er ook maar aan kon denken om voor uw amendement op dit punt te stemmen.

De heer Ten Broeke (VVD):

U interpreteert wel, maar beantwoordt niet mijn vraag. Stel dat Nederland instemt met een uitzending, dan gebeurt dat met unanimiteit. Het besluit over die uitzending valt dan dus niet terug te draaien. Mij gaat het er echter om dat nadat dat besluit is genomen, er uitvoeringsbesluiten kunnen worden genomen die ook bindend zijn, terwijl voor die besluiten niet in een democratische controle is voorzien. Ik denk aan dezelfde redenering die wij in het verleden op JBZ-terrein hebben gehanteerd. Ik noem een aantal zaken waarbij meerderheidsbesluitvorming geldt. Stel dat besloten wordt tot het nemen van sancties, tot uitzending met een bepaalde verdeling van middelen of tot het volgen van bepaalde strategieën. Dat laatste wordt expliciet genoemd. Dan zou een instemmingsrecht wellicht op zijn plaats kunnen zijn. Daar ging mijn vraag over.

Minister Verhagen:

Daarvoor wordt de situatie niet anders. Op die punten is er geen sprake van wetgeving. Dat zorgt voor een formeel verschil. U doet nu of hierbij wetgeving aan de orde is, maar dat is niet het geval. Hierbij gaat het om besluiten. De EU kan besluiten tot het nemen van sancties tegen bijvoorbeeld Birma of Zimbabwe. Dan heeft het parlement geen instemmingsrecht en kan het geen voorbehoud maken. Deze Kamer vraagt in vergelijking met parlementen van andere lidstaten eerder om meer dan om minder sancties. Stel nu dat u geen sancties wilt tegen Iran – ik geef een voorbeeld, maar u zegt het maar – dan maakt u dat toch van tevoren kenbaar. Dan is uw opvatting bekend. Vervolgens kunt u mij ter verantwoording roepen als ik toch instem met het nemen van sancties. Zo werkt dat. In de VN hebben wij in dergelijke situaties ook geen stem als wij geen zitting hebben in de Veiligheidsraad, maar er zijn wel Veiligheidsraadresoluties waaraan u ook gebonden bent al hebt u hier 100 keer het instemmingsrecht.

Verder wijs ik nog op het volgende, waarbij ik ter illustratie de missie van de EU naar Tsjaad noem. Stel dat de Raad besluit tot het zenden van deze missie. U weigert tijdens het artikel 100-debat uw instemming te geven voor de uitzending van Nederlandse militairen. Als vervolgens EU-geld ingezet wordt, geld dat dus staat op de EU-begroting, dan kunt u niets blokkeren, maar het Europees Parlement heeft een stem als het gaat de inzet van die financiële middelen.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Kent u andere lidstaten die op het terrein van het buitenlands beleid iets hebben dat lijkt op een voorbehoud? Zo ja, wat zijn de ervaringen van die landen?

Een belangrijk motief voor het indienen van de amendementen was het bewerkstelligen dat er tijdig informatie beschikbaar komt. Wij weten allemaal dat het regime voor informatieverschaffing door de regering aan de Kamer voor GVDB-onderwerpen anders is dan het regime voor informatieverschaffing bij JBZ-onderwerpen. Op dat terrein geldt het instemmingsrecht. De informatie op JBZ-terrein voor de Kamer is zeer uitgebreid en kent een bepaald format. Als het om GVDB-onderwerpen gaat, moeten wij vaak bedelen bij de regering om in een vroegtijdig stadium te kunnen achterhalen wat de inbreng van andere lidstaten is. Wij krijgen dat pas te horen bij het bespreken van de geannoteerde agenda aan de vooravond van de Raad. In hoeverre is de minister van Buitenlandse Zaken bereid om tegemoet te komen aan de duidelijke wens van de Kamer om deze informatievoorziening te verbeteren? Wat mij betreft wordt die verbeterd met het indienen van een amendement, maar ik hoor graag of er andere suggesties zijn.

Minister Verhagen:

Ik begrijp de zorg. Eigenlijk is de focus van het debat hierop gericht. Ook na ratificering van het Verdrag van Lissabon krijgt u geen informatie over de inzet van andere lidstaten. U krijgt die niet om de doodeenvoudige reden dat er bij besluiten over de inzet van andere lidstaten geen sprake is van wetgeving. Daarom is er in dezen niet die openbaarheid die u wenst. In andere gevallen kan er sprake zijn van wetgeving. U sprak over informatievoorziening op JBZ-terrein, maar er zijn veel raden waarin over wetgeving wordt gesproken, bijvoorbeeld in de Milieuraad, maar ook in andere raden. Er is dan een traject voor wetgeving, waarbij eerst de Europese Commissie een voorstel doet. Dan kun je heel duidelijk zien welke wetsvoorstellen worden gedaan en vervolgens komt het normale proces. Ik vind ook dat de informatievoorziening beter moet in een eerder stadium. Met de voorzitter van de Commissie heb ik daar recent nog over gesproken. Dat heeft echter niets met het verdrag als zodanig te maken. Ik kan moeilijk vorige week de tyfoon in Birma van gisteren beschrijven, terwijl het wel duidelijk is dat dit punt aan de orde komt. Wij hebben het gezien bij de uitbreiding, bij Servië, bij Bosnië. Dat soort punten zien wij aankomen. Daar hebben wij dan ook al maanden tevoren over gesproken. Dat culmineert dan uiteindelijk in een moment waarop je ja of nee je handtekening zet. Nogmaals, dit zal door het Verdrag van Lissabon niet veranderen. In zijn algemeenheid vraagt de Kamer terecht om in een vroegtijdig stadium betrokken te worden, juist bij de voorbereiding van raden inzake het GBVB.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Zijn er voorbeelden te noemen van lidstaten die een bepaald behandelingsvoorbehoud hebben...

De voorzitter:

Mag dat schriftelijk?

Minister Verhagen:

Die zijn er niet. Bij Servië wist u dat wij een voorbehoud hadden totdat aan bepaalde voorwaarden was voldaan. Van een land als Litouwen was het bekend dat het een voorbehoud had over het onderhandelingsmandaat in relatie tot Rusland. Idem dito Polen. Dat is geen parlementair voorbehoud. De posities zijn gelet op de houding van de parlementen zeer duidelijk. Ik wist ook van tevoren dat het Slowaakse parlement rond Kosovo bepaalde standpunten had.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Voorzitter. Ik ben u erkentelijk voor uw suggestie dat een gedeelte misschien schriftelijk kan worden opgelost. Hoe is het nu precies in andere landen geregeld? Ik wil dat heel graag weten. Zijn er bij andere Europese lidstaten precedenten met een behandelingsvoorbehoud op het gebied van het buitenlands beleid, van defensie en van al die andere terreinen die nog met de staatssecretaris aan de orde zullen komen? Het debat zou er zeer bij gebaat zijn, als wij vóór de tweede termijn zo'n lijstje hebben. Op die manier weten wij waar wij het over hebben. Dan weten wij in hoeverre wij Nederland in een uitzonderlijke positie willen praten of dat wij iets heel normaals vragen, gegeven de Europese standaarden.

Minister Verhagen:

Op het punt van het buitenlands beleid zijn er geen behandelingsvoorbehouden. Dat hoef ik niet schriftelijk te doen, dat is niet het geval. Op het punt van defensie is dat vaak wel het geval. Een land als Nederland kan gegeven de artikel 100-procedure nooit instemmen met deelname zonder het parlementaire voorbehoud kenbaar te maken.

De voorzitter:

Aan het eind van het debat kunnen wij inventariseren wat er eventueel nog schriftelijk komt. Wij hebben ook nog het rapport van onze eigen collega Van Baalen. Bovendien hebben wij natuurlijk een schriftelijke voorbereiding gehad

Staatssecretaris Timmermans:

Voorzitter. Het is inmiddels 4 juni. Ik kan niet nalaten te benadrukken hoe belangrijk dit debat is. Wij zijn bezig met het slotstuk van het einde van de Europese deling. Het is niet minder dan dat. Met dit verdrag rusten wij de Unie toe om na de deling goed te kunnen functioneren. Dat is vanaf het begin van de jaren negentig geprobeerd. Het is aanstaande november negentien jaar geleden dat de Muur viel. Vanaf dat moment heeft de EU geprobeerd de landen te helpen om vrijheid en welvaart te creëren, maar ze ook op te nemen. Dat was hun morele recht. Wij zijn er tot op heden niet in geslaagd om onze spelregels aan te passen aan die nieuwe situatie. Dat is wat het verdrag doet. Het is niet zomaar een verdrag. Ik moest daaraan denken omdat een aantal uwer zo nadrukkelijk alleen maar de nadruk legde op wat er niet goed loopt in de Unie, op de tekortkomingen van de Unie. Vaak is die kritiek heel terecht. De Unie kent veel tekortkomingen, er moet nog veel gebeuren. Tegelijkertijd wil ik ook vaststellen dat wij het hebben over een gemeenschap van 500 miljoen mensen waar het beter toeven is dan waar dan ook elders in de wereld. Omdat er beter voor elkaar gezorgd wordt. Omdat er beter onderwijs is dan waar dan ook. Omdat er betere mogelijkheden zijn voor mensen die elders niet zoveel kansen zouden krijgen. Dat is ook ons Europa. Met alle tekortkomingen die er zijn, is dit de basis waarop wij vandaag over een nieuw verdrag spreken.

Ik wil u even terugnemen naar het Verdrag van Maastricht. Dat heeft een andere reden waarom dit voor mij een emotioneel debat is. De Kamer zag dit al eerder. Ik bied haar mijn verontschuldigingen aan als ik iets te verbaal of non-verbaal was. Het raakt mij echt. Ik heb Maarten van Traa mogen ondersteunen bij de behandeling van het Verdrag van Maastricht. Ik heb zelf hier in de Kamer het Verdrag van Amsterdam en van Nice mogen behandelen. Nu ligt dit verdrag er. Mijn geschiedenis met het grondwettelijke verdrag hoef ik niet meer op te rakelen. Dat is al voldoende gebeurd.

Ik wil die geschiedenis terughalen omdat die terugkomt op een van de punten die de Kamer graag met mij wil bespreken, namelijk wat de verhouding is tussen Kamer en kabinet op het punt van het behandelen van Europese wetgeving. Laten wij daar wat duidelijker over zijn, het gaat om wetgeving. In het Verdrag van Maastricht is door toenmalige collega's van de Kamerleden een amendement geplaatst dat het gevolg was van het feit dat er een pijlerstructuur kwam. De Kamer weet dat de heer Van den Bos zojuist een proefschrift heeft geschreven dat een interessante beschrijving is, maar tegelijkertijd ook "faction", moet ik u eerlijk zeggen. Ik heb het zorgvuldig gelezen. Zijn bewering dat er een complot zou zijn met Piet Dankert kan ik niet uit de feiten uit het proefschrift halen, maar goed, het is een interessant proefschrift. De unitaire unie ging dus niet door, maar het werden pijlers.

Een van de gevolgen van die pijlers was dat alles wat met Justitie en Binnenlandse Zaken te maken had intergouvernementeel was. Dit woord moeten wij even vasthouden. Op basis van het feit dat het intergouvernementeel was en er Europese besluiten genomen zouden worden, zeiden de Tweede en Eerste Kamer dat er een probleem zou komen, want bij intergouvernementele besluitvorming heeft het Europees Parlement geen medebeslissingsrecht. Als wij dat niet afhechten in het Nederlandse parlement en het Nederlandse parlement uiteindelijk bepaalt wat het kabinet kan doen, dan ontstaat er een democratisch gat, een democratisch deficit. Daarom hebben zij dat amendement ingediend. Het ging er dus om, een democratisch deficit te dichten. Ik zeg nadrukkelijk dat het dus niet ging om een grotere betrokkenheid van de Kamer bij het proces van Europese wetgeving, zoals vandaag is gewisseld. Nee, men redeneerde zeer zuiver.

Ik begrijp dat een aantal Kamerleden vanuit hun achtergrond, ideologie en ideeën over de Europese Unie nu dit debat aangrijpen om de communautaire besluitvorming zo veel mogelijk te veranderen en te wijzigen in een bepaalde richting. Van een partij als GroenLinks, die altijd zo nadrukkelijk de communautaire methode voorop heeft gesteld, begrijp ik dat weer niet. Daarom reageerde ik zo-even een beetje emotioneel op mevrouw Peters. Zij zegt dat wij de bevoegdheid op JBZ-terrein zomaar weggeven. Nee, het is de logica van het verdrag dat op het moment dat iets van intergouvernementeel communautair wordt, de communautaire methode ook wordt gerespecteerd. Ik zeg dat met zo veel nadruk, omdat de communautaire methode het enige is dat de Europese Unie materieel onderscheidt van alle andere vormen van internationale samenwerking, als je het op de keper beschouwt. De Commissie heeft daarbij het exclusieve recht om een voorstel te doen, de Raad en het Europees Parlement zijn de medewetgevers en ultimo ratio kan de Raad alleen bij unanimiteit een voorstel van de Commissie verwerpen. Ik vind dat je dat wat je doet op het punt van de parlementaire betrokkenheid, die communautaire methode, volledig moet respecteren. In dat hele intensieve proces naar dit verdrag met de Kamer hebben wij immers voortdurend in meerderheid vastgesteld dat zeker voor een middelgroot tot klein land als Nederland de communautaire methode de hoeksteen is van onze positie in de Europese samenwerking. Vandaar dat het Nederlandse kabinet zegt: daar waar vanaf nu met meerderheid zal worden besloten, is een parlementair instemmingsrecht niet meer nodig, want wij geven het Europees Parlement het volle pond op dit punt. Dat is altijd de logica geweest, ook van de amendementen van Van Traa, De Hoop Scheffer en anderen in de geschiedenis van de behandeling van de verdragen. Dus als de heer Ten Broeke juist Van Traa en De Hoop Scheffer aanroept, moet hij dat wel correct doen, en niet alleen wijzen op grotere betrokkenheid. Ik ben zijn man voor grotere betrokkenheid. Ook ik ben niet tevreden, het gaat nog niet goed genoeg. Ik ben blij dat ook de heer Ten Broeke zegt dat het beter gaat, maar het gaat nog niet goed genoeg. Ik heb het Finse voorbeeld goed bestudeerd. Dit parlement kan een Fins systeem installeren zonder enige wetswijziging. Waarom dan een amendement dat neerkomt op instemmingsrecht – ultimo ratio blijft er altijd een hakbijl – op terreinen die communautair zijn? Wij zijn er niet per se voor, maar je zou je kunnen voorstellen dat je de redenering van Van Traa c.s. volgend, heel zorgvuldig kijkt naar die landen waar bij wetgeving nog sprake is van unanimiteit, dus intergouvernementeel. De heer Ten Broeke wil de methode die is bedoeld voor de uitzondering algemeen verklaren. De logica daarvan ontgaat ons. Bovendien schept het andere verhoudingen in de constitutionele orde tussen kabinet en parlement. Verder maakt het ons ook niet slagvaardiger. Uit een van de andere lidstaten, Oostenrijk, het volgende: er is een voorbehoud, dat één enkele keer daadwerkelijk is gebruikt, namelijk in 1995 bij een richtlijn over het vervoer van vee. Toen werd de Oostenrijkse minister van landbouw aan een bepaald standpunt gebonden, en was daarmee zodanig buiten de discussie geplaatst dat er uiteindelijk in de raad een uitkomst kwam die onnodig slecht voor Oostenrijk uitpakte. Sindsdien is het voorbehoud niet meer gebruikt. Dat komt omdat in die communautaire methode bij meerderheid wordt besloten. Als je moet zeggen dat je niet meer mag mee onderhandelen van je parlement, zegt de rest: dan onderhandelen wij wel met anderen. De heer Ten Broeke wil met zijn amendement een sanctie houden, maar ik moet rekening houden met iedere consequentie van een amendement. Daarmee zou de Nederlandse regering niet meer in staat zijn, te onderhandelen.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Dank voor het stukje geschiedenis en de logica die u daarin hebt willen aangeven. Zal later niet worden teruggeblikt op dit verdrag en een nieuwe logica worden ontdekt: kijk, toen kwam het Verdrag van Lissabon, kijk, daar werd gesproken over een versterkte rol van de nationale parlementen daarom was een behandelingsvoorbehoud zo logisch?

Staatssecretaris Timmermans:

Ik vrees dat nu een paar dingen door elkaar gaan lopen. De versterkte rol van de nationale parlementen gaat over de toetsing op subsidiariteit en proportionaliteit. Dat is de Ten Broekekaart die wij er ten opzichte van het grondwettelijk verdrag bij hebben gekregen. Hier hebben wij het erover hoe je de rol van dit parlement maximaliseert bij vorming van het Nederlandse standpunt in het wetgevingstraject. De heer Ten Broeke zegt dan: om die rol maximaal te houden, moet ik een straf in mijn achterzak hebben. Ik moet een sanctie hebben, want anders luisteren wij niet. Hij roept veertien parlementen aan, maar ik kom maar bij een paar parlementen echte sancties tegen: bij de Polen, de Britten en de Denen. Bij de Britten is het nog maar de vraag of het een echte sanctie is. Het Franse parlement is vandaag al een paar keer genoemd. Als wij het zo gaan doen, betekent dit dat de regering vanaf nu over de agenda van de Kamer gaat. Ik weet niet of de Kamer dat wil. Dat is echter de praktijk in het Franse parlement. Op papier is daar een instemmingsrecht. Hooggeleerde heren die graag veel papier bestuderen en de praktijk wat minder volgen zien dat. Wat is echter politiek en materiaal gezien de waarde daarvan als het kabinet, de regering, bepaalt wat er op de agenda komt?

De voorzitter:

Mevrouw Wiegman stelt een vervolgvraag.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

De staatssecretaris heeft het snel over sancties en blokkades. Ik lees het amendement en daarin gaat het over behandeling vroeg in het proces.

Staatssecretaris Timmermans:

Ik moet het amendement toch zorgvuldig lezen? Beide amendementen komen neer op een voorbehoud of een instemmingsrecht van de Kamer. De Kamer eist instemmingsrecht. Als de Kamer niet akkoord is, kan de regering niet verder. Dat is uiteindelijk de consequentie van beide amendementen. Ik kan die niet anders lezen. Anders moeten de indieners misschien nog eens terug naar de tekentafel om een en ander opnieuw te bekijken. Dit is immers wat er staat. Ik herhaal nog eens: voor wat mevrouw Wiegman wil, is geen wetswijziging nodig. Dat kan binnen de huidige wetgeving. Dat kunnen wij zo regelen.

De voorzitter:

Dat maakt hierbij, met deze uitspraken, deel uit van de wet. Mevrouw Wiegman, uw conclusie?

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

De staatssecretaris leest instemming waar het puur gaat om behandeling. Dat betekent dat er over gesproken wordt.

Staatssecretaris Timmermans:

Ik heb horen spreken van een goedwillend kabinet en een kwaadwillend kabinet. Laten wij het eens omdraaien. Straks is er sprake van een kwaadwillende Kamer. In het amendement staat niet hoe, wanneer en onder welke voorwaarden een behandeling moet worden afgerond. Wat zijn daarbij de meerderheden en de termijnen? Stel dat de Kamer zegt een onderwerp voorlopig even helemaal niet te willen behandelen. Wat kan de regering dan nog doen? De handen van de regering zijn dan gebonden, zodat andere regeringen een besluit nemen zonder dat wij een rol kunnen spelen.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Ik reageer op een punt dat de staatssecretaris eerder maakte over onze traditionele steun voor de communautaire methode. Dat is juist. Wij van GroenLinks zijn een groot voorstander van de communautaire methode en van besluitvorming bij meerderheid. Wij hebben een groot vertrouwen dat het Europees Parlement zich enthousiast van de nieuwe bevoegdheden zal kwijten. De communautaire methode is echter steeds uitgebreider en steeds gedetailleerder geworden. De methode grijpt diep in onze eigen rechtsorde in. Het nationale parlement heeft zich niet te bemoeien met de communautaire methode, maar moet de eigen regering controleren die participeert in het Brusselse. Het Europees Parlement is er voor het Brusselse. Om ons van onze taak te kwijten, is een goede informatievoorziening nodig. Ik vind het heel interessant dat de staatssecretaris zegt dat het Finse model zonder wetswijziging uit te voeren is. Hoe is dat mogelijk zonder amendement?

Staatssecretaris Timmermans:

Dat is heel simpel. Het Finse parlement heeft een commissie ingesteld, een Grand Committee. Die krijgt informatie van de Finse regering, net zoals de Kamer dat krijgt van ons. De Grand Committee stelt daar op hoofdlijnen een standpunt op vast. Dat wordt meegegeven aan de regering. Als dat niet het geval is, gaat de regering gewoon haar gang en informeert die de Grand Committee over de voortgang. Het is een proces, maar zonder sancties of methoden om de Finse regering naar Brussel te laten gaan zonder dat het zich mag uitspreken omdat het Finse parlement er nog niet uit is. Bij de Polen en de Denen is wel het geval dat de regering zonder mandaat niet kan handelen.

De voorzitter:

Een vervolgvraag voor mevrouw Peters.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Er liggen twee amendementen voor waaronder ook mijn naam staat. Eentje gaat over een instemmingsvereiste. Ik besef dat de staatssecretaris daarin een sanctie kan lezen. Het tweede amendement gaat over een behandelingsvoorbehoud. Met alle goede wil van de wereld kan ik dan ook de lezing van de staatssecretaris niet begrijpen. Dat vraagt bij mijn weten om hetzelfde als in het Finse model, namelijk een recht voor het parlement om een voorstel in behandeling te nemen en daartoe alle benodigde informatie te vragen. Het blokkeert geenszins de mogelijkheid van de regering om voort te blijven onderhandelen in Brussel.

De voorzitter:

Uw punt is gemaakt.

Staatssecretaris Timmermans:

Misschien schiet mijn kennis van het Nederlands tekort, maar in artikel 1a, lid 2 van amendement nummer 10 staat toch "Zolang een Kamer de behandeling van het voorstel niet heeft afgerond, kan de vertegenwoordiger van het Koninkrijk geen medewerking verlenen aan de vaststelling van die wetgevingshandeling". Wat is dit anders dan een sanctie? Mevrouw Peters moet mij eens uitleggen wat dit anders is dat het feit dat wij niet kunnen meewerken aan afronding van een wetsvoorstel als de Kamer de behandeling niet heeft afgerond.

De voorzitter:

De conclusie van mevrouw Peters, met daarbij inbegrepen dat de staatssecretaris er nog eens echt naar gaat kijken als u elkaar niet begrijpt, want dan komt u er hier niet zo uit.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Zo-even werd een zin van mij onderbroken. Ik vind het jammer want als ik hem had kunnen afmaken was misschien een deel van deze vraag van de staatssecretaris niet nodig geweest. Het amendement met het behandelingsvoorbehoud kent twee vormen. Het eerste geeft aan wanneer de regering haar handtekening mag zetten onder het finale akkoord. Het tweede geeft aan tot hoe ver de regering vrij mag blijven doorhandelen. Dat laatste laat het amendement compleet vrij. Niet vrij is het plaatsen van de handtekening zonder dat een behandeling in het parlement heeft kunnen plaatsvinden.

Staatssecretaris Timmermans:

Is mevrouw Peters nu zo naïef of doet zij alleen maar zo? Hoe denkt zij dat het werkt in Europa? Als mijn collega's weten dat ik niet mag afronden, ben ik niet aan het onderhandelen. Waarom zouden zij met iemand een deal sluiten die niet mag afronden? Zo werkt het echt hoor. Misschien moet zij dat maar eens vragen bij haar collega's in andere parlementen. Als mijn collega's weten dat het parlement hier heeft gezegd dat ik mijn handtekening niet mag zetten, wat wil zeggen dat ik niet kan instemmen met een richtlijn of een ander wetgevingsinstrument in de Raad, dan ben ik geen gesprekspartner voor hen. Want waarom zouden zij met mij onderhandelen als ik toch niet mag instemmen. Wat is het dan voor onzin om te zeggen: u mag wel doorpraten, maar u mag niet instemmen?

De voorzitter:

Dank u wel. U herhaalt uzelf nu ook. Ik verzoek mevrouw Peters haar vraag te stellen.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Ik wil nog een afrondende opmerking maken. Ten eerste mag de staatssecretaris wat mij betreft nooit in zo'n positie belanden. Dat is de geest niet van het amendement. Dan is het een kwestie van in het amendement ook de verplichtingen van het parlement goed regelen, evenals de verplichting van de regering dat zij het parlement inzicht geeft in het tijdpad, zodat die behandeling afgerond kan zijn voordat de staatssecretaris in zo'n onmogelijke positie belandt. Ten tweede is dit amendement mede gemodelleerd naar het Duitse model. Dat ken ik toevallig letterlijk, dat heb ik gezien. Daar geldt wel degelijk zo'n zelfde regeling. Toch zegt de staatssecretaris niet dat de Duitse regering daarmee een ongeloofwaardige onderhandelingspartner in Brussel is geworden.

Staatssecretaris Timmermans:

Ik kan niet anders dan herhalen. Hier staat letterlijk dat wij niet een akkoord mogen bereiken met onze collega's zolang er een parlementair voorbehoud ligt. Nu gaan wij uit van een parlement dat filibustert, dat bewust niet handelt om te voorkomen dat wij een akkoord bereiken. Dat betekent dat wij dus niet namens Nederland een voor Nederland gunstiger positie kunnen uitonderhandelen. Ik noem het Oostenrijkse voorbeeld nog een keer. Want waarom zou men met ons onderhandelen als wij toch geen onderdeel van het akkoord zijn.

De voorzitter:

U hebt dit allemaal een keer gezegd. Ik snap uw probleem, maar maak het beknopter.

Staatssecretaris Timmermans:

Dan zal men alleen een gekwalificeerde meerderheid zonder ons proberen te halen. Dit werkt alleen bij unanimiteit, want dan kun je iets tegenhouden in de Europese wetgeving.

De voorzitter:

Het woord is aan mijnheer Ten Broeke.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Ik heb specifiek het Duitse voorbeeld genoemd, waarnaar dit amendement is genoemd. Ik zou daarop graag een reactie krijgen.

De voorzitter:

Dit is echt klaar. Dit was uw vierde vraag. Dan hebt u uw vierde interruptie gehad. Dat vind ik ook best.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

Nee, dat vind ik niet.

De voorzitter:

Maar ik wel. Mijnheer Ten Broeke heeft nu het woord.

De heer Ten Broeke (VVD):

Nu wij aan de juiste lezing van de amendementen toekomen, neem ik de staatssecretaris graag even mee. In de toelichting staat: "De Kamers kunnen binnen drie maanden na indiening besluiten dat ten aanzien van een bepaald voorstel behoefte bestaat aan behandeling in overleg." Dus het beperkt zich tot behandeling in overleg. Iets verderop staat: "Zolang de betreffende Kamer van de Staten-Generaal de behandeling van het voorstel niet heeft afgerond, kan de regering wel meewerken aan de onderhandelingen over het voorstel voor de wetgevingsbehandeling, zij het onder aantekenen van een parlementair voorbehoud." Er is dus geen sanctie, geen blokkade, geen hakken in het zand of in het beton. "Zij kan echter niet meewerken aan de uiteindelijke vaststelling van de wetgevingsbehandeling voordat de betreffende Kamer de behandeling en het overleg ter zake heeft afgerond." Dus het gaat alleen om de behandeling en het overleg moet zijn afgerond. Nu zegt de staatssecretaris – de premier zei dat ook al – wat nu als er iemand gaat filibusteren, wat nu als de Kamer zich niet behoorlijk gedraagt. Ik heb al gezegd: prima, dan nemen wij daarover iets op, desnoods redelijke termijnen of wat dan ook, dat zou kunnen. Het Finse systeem waarop de staatssecretaris zo verliefd is, kent wel degelijk een mandateringssysteem, minder zwaar dan het Deense, maar het is een mandateringssysteem. Het kent wel degelijk een scrutiny reserve, het ken zelfs de ongeschreven regel dat parlementen niet voor een fait accompli gezet mogen worden. Wij kunnen het ook ongeschreven doen, maar als de staatssecretaris het liever geschreven heeft, heb ik dat al aangeboden. Bovendien kent het Finse systeem een grondwettelijke regeling, grondwettelijk!, die bepaalt dat het Finse parlement wordt ingelicht. Dat wil de staatssecretaris volgens mij helemaal niet.

Staatssecretaris Timmermans:

Alles wat de Finnen doen, kunnen wij ook doen. Dat is mijn punt! Wij kunnen het doen, maar wij zijn Finland niet. Wij hebben geen Grand Committee, wij hebben niet die grondwet, maar materieel kunnen wij precies hetzelfde doen als zij. Laten wij dan proberen om het samen uit te dokteren. Daarvoor hebben wij dit amendement niet nodig. Wij zijn toch ook aan onszelf verplicht om wij tot zorgvuldige wetgeving te komen. Ik kan artikel 1a, sub 2 toch niet anders lezen dan dat dit uiteindelijk betekent dat wij niet kunnen meewerken aan een besluit zonder dat dit voorbehoud is weggenomen door de Kamer. Dit betekent een vetorecht van de Kamer op meerderheidsbesluitvorming. Dan ga je recht in tegen de geest van degenen die in het Verdrag van Maastricht op basis van de pijlerstructuur het onderscheid tussen intergouvernementeel en communautair hebben aangebracht.

Ik begrijp de wens en ik deel die ook om te komen tot een grotere parlementaire betrokkenheid. Die betrokkenheid is naar mijn mening al flink toegenomen. Een groot compliment aan deze Kamer die hieraan veel heeft gedaan. Ik heb ook begrip voor de frustratie dat het nog onvoldoende is. Die frustratie heb ik ook als ik zie dat wij weer te laat zijn met bepaalde dingen. Daarvoor volgen wij een verbeteringstraject. Laten wij dat uitbouwen en beter maken in plaats van het te zoeken in een vetorecht van de Kamers dat in strijd is met de aard van het wetgevingsproces.

De heer Ten Broeke (VVD):

Het is geen vetorecht. Dat heb ik al meermalen gezegd en het staat ook niet in het amendement. De staatssecretaris maakt dat ervan. Ik heb gezegd: de behandeling, dus het gesprek moet afgerond zijn. Ik heb zelfs gezegd: de regering kan instemmen, zij kan zelfs van mening blijven verschillen met de Kamer. Dan is het wel haar eigen verantwoordelijkheid wat er na afloop gebeurt. Dit is ook bij de Finnen en een aantal andere landen het geval. Een instemmingsrecht is iets anders. Dit is geen instemmingsrecht, dit is een voorbehoud om te handelen.

Staatssecretaris Timmermans:

Ik vrees dat wij in herhalingen vallen. Ik kan de tekst niet anders maken dan hij is. Ik zeg het nog een keer. Die tekst betekent: geen medewerking verlenen aan de vaststelling van die wetgevingshandeling. Wat is dat anders dan een veto op de mogelijkheid van het kabinet om ergens mee in te stemmen?

De heer Van der Staaij (SGP):

Is niet het verschil dat er juist niet in staat: zo lang de Kamer niet heeft ingestemd met een voorstel. Er staat alleen en dat is meer procedureel: zo lang de behandeling niet is afgerond.

Staatssecretaris Timmermans:

De heer Van der Staaij is een jurist die ik zeer waardeer. Wat is materieel het verschil tussen "niet instemmen" en "de behandeling niet afgerond" voor mijn positie als lid van de Raad bij het afronden van een bij meerderheid vast te stellen besluit?

De heer Van der Staaij (SGP):

Materieel is het verschil dat de staatssecretaris naar voren kan brengen dat de Nederlandse regering vrij is om in de Raad tot een bepaald standpunt te komen, ook al denkt het parlement er anders over. Hij moet dan wel een goed verhaal hebben bij het parlement, maar hij kan wel tegen de collega's zeggen – dit lijkt mij toch niet zo bijzonder – wij vinden het in Nederland normaal dat het parlement zijn zegje heeft kunnen doen over iets dat uiteindelijk de Nederlandse burger raakt voordat wij in de Raad een conclusie trekken.

Staatssecretaris Timmermans:

Dit valt mij een beetje tegen van de heer Van der Staaij, want hij heeft het over twee verschillende dingen. Ik wil van alles afspreken over "het parlement zijn zegje doen", maar hier staat iets meer. Ik mag geen medewerking verlenen aan een wetgevingshandeling. Dat staat er toch letterlijk. Ik lees dat toch niet verkeerd. Dat betekent toch maar een ding.

De voorzitter:

Een conclusie van de heer Van der Staaij.

De heer Van der Staaij (SGP):

U mag voluit deelnemen aan de beraadslaging, maar niet aan de uiteindelijke vaststelling. De indieners gaan ervan uit dat er normaal gesproken tijd zal zijn om daarover met het parlement te beraadslagen. Dat willen wij toch zeker allemaal, zeker gezien het feit dat het parlement maar al te vaak heeft gehoord dat het te vroeg of te laat is en dat het maar lastig is om het parlement op tijd mee te laten praten. Daar proberen wij wel een oplossing voor te vinden.

Staatssecretaris Timmermans:

De cruciale woorden in uw interruptie zijn: normaal gesproken. Bij wetgeving houd je niet alleen rekening met wat normaal gesproken gebeurt, maar met alle omstandigheden. Ook u kunt niet uitsluiten dat een minister in een finale onderhandelingsfase in Brussel of Luxemburg moet zeggen: ik kan geen akkoord sluiten, want dat mag niet van mijn parlement. Dat is misschien niet de normale situatie, maar het is wel een situatie die zich kan voordoen. Een amendement maakt deel uit van de wet en als ik meewerk aan een Europees besluit, kan ik, als dit amendement wordt aangenomen, dus wel degelijk in strijd met de wet handelen. Dat kan natuurlijk niet.

De voorzitter:

Ik sluit dit punt af. Hierover is nu echt alles gezegd. Bovendien hebt u mogelijk nog een tweede termijn.

De staatssecretaris vervolgt met een nieuw punt zijn betoog.

Staatssecretaris Timmermans:

Voorzitter. Ik wil toch melden dat Duitsland geen automatisch voorbehoud heeft en ook geen JBZ-achtige uitzonderingen. Dat is mij zojuist uit Berlijn gerapporteerd.

Voorzitter. De leden Ten Broeke en Van Bommel hebben vragen gesteld over de relatie tussen sport en de interne markt, de 6 plus 5-regel en de "home grown"-regel. De heer Van Bommel verwijt de regering met twee maten te meten, omdat wij wel een uitzondering maken voor sport, maar niet voor schoolboeken.

Als je je op de schoolboekenmarkt begeeft, moet je je houden aan de regels van die markt. Bij die regels hoort openbare aanbesteding. Je hoeft schoolboeken niet op de markt te brengen en als je daarvoor kiest, gelden ook de marktregels niet. Dat zijn de twee smaken die er zijn. Dat geldt overigens ook voor de behandeling van woningbouwcorporaties. Als corporaties winst maken met hun commerciële activiteiten en die winst terugsluizen naar hun sociale activiteiten, bestaat daartegen geen bezwaar als zij maar een onderscheid maken tussen hun sociale en commerciële activiteiten.

Als zij hun speciale status gebruiken om projectontwikkelaars vals te beconcurreren, moeten ze natuurlijk worden aangepakt. Ook zij moeten binnen de wettelijke grenzen opereren. Corporaties zijn al 100 jaar een hybride systeem met publieke en private elementen. Het is dan ook nodig dat hiervoor in het protocol over de diensten van algemeen economisch belang krijtlijnen worden getrokken.

De logica achter de Europese economische samenwerking is dat schaalvergroting, het creëren van één markt en vrij verkeer van personen, kapitaal, goederen en diensten leiden tot economische vooruitgang. Dat werkt ook al heel lang ontzettend goed. Sport kent echter een piramidale structuur en is op nationale basis geschoeid. Nationale competities zorgen immers voor een piramide die vervolgens opgaat in Europese structuren. De logica achter het weghalen van grenzen is dan ook niet toepasbaar op de sport. PSV kan niet naar de Bundesliga overstappen, want alle competities zijn nationaal georganiseerd.

Als je het fundament onder de sport wilt handhaven, moet je ervoor zorgen dat de Europese regels dat fundament niet ondermijnen. De simpele gedachte dat sport ook één markt moet worden, betekent immers dat je afscheid moet nemen van de piramidale structuur en dat de bonden niet langer de vrijheid hebben om regels te stellen. Uiteindelijk ondermijn je hiermee dan ook de nationale competities. Dat is de reden dat wij met de UEFA proberen om de specifieke maatschappelijke rol van sport zo te vertalen dat je de nationale structuren kunt handhaven. Daar zijn maatregelen voor nodig. Wij zijn daarmee sinds een jaar hard aan de slag en de Fransen steunen ons daarbij. Ik meen dat wij op dit terrein iets kunnen bereiken, mede gelet op de internationale discussie die zich thans ontwikkelt. Ik acht dit een goede zaak voor de sport. Samen met collega Bussemaker wil ik er graag hard aan trekken. Overigens groeit de steun hiervoor binnen de Europese Unie.

Drie leden, de heer Ten Broeke, mevrouw Wiegman en de heer Van Bommel, hebben vragen gesteld over de nauwere samenwerking. Hoe kan in het kader van nauwere samenwerking worden voorkomen dat groepjes ontstaan? Gaat Nederland zich actief opstellen om nauwere samenwerkingen aan te gaan? Tot op dit moment is nooit gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot het aangaan van nauwere samenwerking. Het is moeilijk te voorspellen of het zal gaan gebeuren. Het kan altijd. Het feit dat deze mogelijkheid bestaat, vormt een stimulans om tot bredere consensus te komen. In het verdrag is duidelijk vastgelegd dat nauwere samenwerking alleen kan worden aangegaan als de Raad constateert dat met nauwere samenwerking nagestreefde doelstellingen niet binnen een redelijke termijn door de Unie in zijn geheel kunnen worden verwezenlijkt. Bovendien moeten alle lidstaten instemmen met de start van de nauwere samenwerking. De invulling kan vervolgens door een beperkte groep lidstaten plaatsvinden. Wij hebben op dit moment geen intenties om namens Nederland voorstellen voor nauwere samenwerking voor te bereiden of ervan gebruik te maken. Er dient zich op dit moment niets aan de horizon aan waarop wij moeten letten. Iedere lidstaat kan dus de start van een nauwere samenwerking blokkeren. Vanzelfsprekend krijt iedere lidstaat tevens de mogelijkheid om naderhand tot de nauwere samenwerking toe te treden. Op deze wijze moet het gaan werken.

De heer Ten Broeke en de heer Pechtold hebben gevraagd naar de visie van de regering op de verdere toekomst van de Europese Unie. Ik herhaal graag wat wij daarover eerder hebben afgesproken. Als dit verdrag is geratificeerd en de Gonzalezgroep aan de slag is, zullen wij deze visie met de Kamer delen. De voorzitter en de twee vicevoorzitters zijn door de Europese Raad benoemd. De overige leden dienen nog te worden benoemd. Dat zal onder het Franse voorzitterschap gebeuren. De groep moet bij de Europese Raad in 2010 zijn verslag aanbieden.

De heer Ten Broeke vroeg of je een lidstaat uit de Europese Unie kunt zetten. Dat kan niet. Een lidstaat kan zich wel terugtrekken. Dat is nieuw in dit verdrag. De Europese Raad kan besluiten om bepaalde rechten die aan het lidmaatschap zijn verbonden, bijvoorbeeld te stemrecht, op te schorten wanneer sprake is van ernstige en voortdurende schending van de waarden zoals vastgelegd in het EU-verdrag.

Kunnen de Nederlandse Antillen en Aruba de goedkeuring van het verdrag tegenhouden? Het antwoord op deze vraag luidt: neen. Leidt goedkeuring van het verdrag door het Nederlands parlement noodzakelijkerwijs tot wijziging van het statuut? Neen, dit leidt niet noodzakelijkerwijs tot wijziging van het statuut. Alle opties worden echter open gehouden. Wij hebben dat in Brussel uitonderhandeld. De andere delen van het Koninkrijk kunnen, op een moment dat dit aan de orde zou zijn, kiezen of zij alsnog voor een UPG-status willen gaan, het LGO-besluit willen blijven volgen of een nieuw LGO-besluit moet worden genomen. In het verdrag hebben wij alle opties open gehouden.

Mevrouw Wiegman heeft gevraagd naar het verschil tussen de gewone en de bijzondere wetgevingsprocedure. Bij een bijzondere wetgevingsprocedure moet het expliciet in de rechtsgrondslag zijn vermeld. Het betreft de vraag of de Raad dan wel het Europees Parlement het besluit vaststelt, op welke wijze dit gebeurt en op welke manier de andere instelling hierbij is betrokken. Besluitvorming geschiedt altijd in codecisie tussen beide instellingen. Het is de vraag of het laatste woord bij de Raad of bij het Europees Parlement ligt. Het verschilt per onderwerp. In de bijzondere procedure kan het voorkomen dat de Raad als laatste het voorstel vaststelt.

Over het instemmingsrecht heb ik uitvoerig gesproken.

De heer Ormel (CDA):

De staatssecretaris stelt dat hij het uitvoerig over het instemmingsrecht heeft gehad. Hij heeft het uitvoerig gehad over de amendementen-Ten Broeke. Er ligt ook nog een amendement-Ormel/Blom. De minister-president heeft reeds aangekondigd dat de staatssecretaris daarvan een nadere appreciatie zou geven.

Staatssecretaris Timmermans:

Ik meende dat te hebben gedaan. Misschien was het niet expliciet genoeg. Ik heb gezegd dat er, naar de mening van het kabinet, geen aanleiding bestaat om speciale regelingen te treffen. Vanuit de logica die gevolgd is vanaf het Verdrag van Maastricht met de drie pijlers, kun je er echter niet omheen dat er onderscheid wordt gemaakt tussen wat intergouvernementeel en wat communautair is. Met andere woorden, als een mogelijk onderscheid langs die lijnen zou lopen, waarbij intergouvernementeel dus "unanimiteit" betekent en communautair "meerderheidsbesluitvorming", dan wil ik dat nog eens goed bezien. Maar dan moet het wel heel strikt langs die twee lijnen verlopen. Ik denk namelijk dat het een misvatting is om dit wetgevingsinstrument – want dat is het uiteindelijk – alleen maar te gebruiken om de politieke controle van het parlement te vergroten. Dat gebruik je een instrument voor iets anders dan waarvoor het oorspronkelijk is bedoeld.

De heer Ormel (CDA):

Ik hoor de staatssecretaris goed. Zijn laatste suggestie is niet die van de indieners. Onze suggestie is nadrukkelijk om wat wij zien als de enig overgebleven deficiëntie in het amendement te borgen.

Staatssecretaris Timmermans:

Wij zullen dat bezien. Wat ons betreft, is dit niet op voorhand een aangewezen route om te volgen, mede naar aanleiding van het doorlopen traject en het advies van de Raad van State. Ik wil er wel zorgvuldig naar kijken. Het lijkt ons niet nodig, maar ik wil het zorgvuldig bestuderen. Ik zie namelijk ook wel in dat op het moment dat ik tegen de heer Ten Broeke zeg dat wij zuiver moeten blijven en dat er een fundamenteel onderscheid is tussen intergouvernementeel en communautair, ik deze begrippen zelf ook precies moet hanteren.

De voorzitter:

Mag ik vragen, voor mijn eigen kennis, wanneer wij dat horen?

Staatssecretaris Timmermans:

Wij zullen dat precies moeten bestuderen. Uiterlijk morgen krijgt de Kamer ons standpunt.

De voorzitter:

Dat is goed. U weet dat wij proberen donderdag hierover te stemmen. Voor die tijd moet alles bekend zijn.

Staatssecretaris Timmermans:

Ja, zeker.

Wij zijn van oordeel dat het een goede zaak is dat er een bepaling over het Europees openbaar ministerie in het verdrag staat. Tegelijkertijd vinden wij het van belang dat er gestreefd wordt naar een optimaal gebruik van de bevoegdheden die Eurojust heeft. Op die manier kan duidelijk worden op welke wijze het OM meerwaarde kan bieden. Deze meerwaarde moet wel worden aangetoond.

Een vraag uit de Kamer is of de harmonisatie van het strafrecht kan leiden tot afschaffing van het Nederlandse drugsbeleid. Het antwoord hierop is al vaak gegeven, maar ik zal het nog een keer doen: nee.

De heer Ten Broeke (VVD):

De staatssecretaris deed zojuist de toezegging aan de heer Ormel om terug te komen op het amendement dat door de heren Ormel en Blom is ingediend, ook al gaat het tegen zijn filosofie in. Het amendement dat wij hebben ingediend over het instemmingsrecht gaat verder omdat het meer gebieden aanwijst waarop die unanimiteitsvereiste weer terugkomt. Dit zijn de noodremmen. De staatssecretaris weet dat je dit weer voor unanimiteit kunt aanmelden.

De voorzitter:

De vraag ontgaat mij.

De heer Ten Broeke (VVD):

Zou de staatssecretaris ook daarop willen reageren?

Staatssecretaris Timmermans:

De logica van hoe de heer Ten Broeke met de noodrem omgaat, ontgaat mij ten enen male. Het idee van een noodrem is dat je nog een keer naar de Europese Raad gaat om te bepalen of er sprake is van een fundamentele schending van de rechtsorde of iets in die termen. Ik zeg het wellicht niet helemaal precies, daar kom ik zo op terug. Dat is iets heel anders dan unanimiteit. Ik weet niet hoe de heer Ten Broeke erbij komt dat dit hetzelfde zou zijn.

De heer Ten Broeke (VVD):

Zoals ik het heb gelezen, kan één van de leden van de Raad iets dat normaal bij meerderheidsbesluitvorming tot stand komt aanmelden. Daarvoor is zelfs voorzien in een procedure. Op het moment dat wordt teruggaan naar de Raad zal de besluitvorming die daarna plaatsvindt bij unanimiteit plaatsvinden. Dat is de noodrem.

Staatssecretaris Timmermans:

Tenzij ik mij sterk vergis, maar dan laat ik mij wel bijpraten, gaat het om het volgende. Als je dit aanmeldt – ik wijs op de artikelen 82, 83 en 87 – houdt de procedure in dat, als een lidstaat van oordeel is dat de voorgestelde maatregel afbreuk doet aan fundamentele aspecten van zijn strafstelsel, dit wordt voorgelegd aan de Europese Raad. Dat leidt tot schorsing van de gewone wetgevingsprocedure. De Europese Raad bespreekt het ontwerp en de bezwaren van de betrokken lidstaat binnen vier maanden. Dit kan leiden tot intrekking, wijziging of handhaving van het voorstel. Bij wijziging en handhaving gaat het voorstel terug naar de Raad en wordt de wetgevingsprocedure voortgezet. Met andere woorden, dan blijven wij met die meerderheidsbesluitvorming zitten, want je gaat terug naar de normale wetgevingsprocedure.

De voorzitter:

Er is nog een tweede termijn. Dan kan de heer Ten Broeke er met een fris hoofd weer tegenaan.

Staatssecretaris Timmermans:

Volgens mij kan hierover geen misverstand bestaan.

De discussie over het handvest hebben wij al vaker gevoerd. Ook wat dit betreft zijn wij in het verdrag een stuk preciezer dan wij in het verleden waren, ook bij het grondwettelijk verdrag. De rechten die in het handvest grondrechten staan, zijn van de burger en onvervreemdbaar, voor zover het gaat om handelingen van de Unie of agenten van de Unie. In het algemeen heeft een en ander betrekking op de instellingen van de Unie en allen die namens die instellingen handelingen ten opzichte van de burger verrichten. Dat is nodig, gelet op de discussie die wij eerder hebben gehad over de uitbreiding van de bevoegdheden van de Unie. Dit maakt, even terug naar waar wij het zojuist over hadden, het communautariseren van alles wat met Justitie en Binnenlandse Zaken te maken heeft ten opzichte van de burger helderder. De burger heeft dus onvervreemdbare rechten gekregen, ook ten opzichte van de Unie-instellingen. Dit grijpt echter niet in in wat nationaal is geregeld. Ik heb de discussie daarover vooral met mevrouw Wiegman vaak gevoerd. De heer Van Bommel schildert het nu af als iets dat onnodig over ons heen komt, maar ik zou denken dat iemand met een socialistische instelling blij zou zijn als burgers meer rechten krijgen ten opzichte van de Unie-instellingen. Als de Unie-instellingen zich niet goed gedragen, wat in de visie van de heer Van Bommel vaak het geval is, kan de burger naar het Europese Hof van Justitie. Dat Hof kan dan namens de burger oordelen of de rechten van die burger door de Europese instelling zijn geschonden. De bescherming van grondrechten in Europa gaat daarmee vooruit. Dat zou door deze Kamer hopelijk als positief kunnen worden beoordeeld.

De heer Van Bommel heeft nog een vraag gesteld over het generaal pardon. Is het met de invoering van het Verdrag van Lissabon nog mogelijk voor lidstaten om een nationaal generaal pardon af te kondigen? Ja, dat kan, maar lidstaten zijn wel gehouden elkaar te informeren over de maatregelen die zij van plan zijn te nemen. Uiteraard is de Unie daarnaast bevoegd om ook tot gemeenschappelijk beleid te komen. Ik denk dat het belangrijk is dat de Unie daarnaar toe werkt. De mensonterende situaties in Zuid-Europa van mensen die met gammele bootjes de Middellandse Zee oversteken, moeten ons allemaal aan het hart gaan, ook als men niet meteen of helemaal niet naar Nederland komt. Dat kun je alleen maar aanpakken door een geïntegreerd Europees beleid dat de grenzen goed bewaakt, dat zorgt voor humane asielprocedures, maar dat ook de ontwikkeling stimuleert in die landen waar mensen zich geroepen voelen vandaan te vluchten. Daarom is het kabinet sterk voorstander van één Europees asiel- en migratiebeleid.

De heer Van Bommel (SP):

In dit verband is in de discussie op Europees niveau vaak gezegd dat kwesties als een generaal pardon juist strijdig zijn met een geharmoniseerd Europees beleid ten aanzien van asiel, omdat zulke kwesties inhouden dat door een maatregel van één land – noem Spanje of Nederland of Italië – het hele Europese beleid, voor zover dat er is, wordt doorkruist. Kan de staatssecretaris garanderen dat Nederland ook na aanname van het Verdrag van Lissabon het recht zal houden om een generaal pardon af te kondigen als wij denken dat dit in het nationale belang is?

Staatssecretaris Timmermans:

Dat kan, omdat iedere lidstaat bevoegd blijft om te bepalen welke mensen uit derde landen hij wil toelaten. Tegelijkertijd willen wij natuurlijk heel graag dat wij de procedures en criteria harmoniseren, zodat er geen onevenwichtigheden binnen de EU ontstaan. Uiteindelijk houdt iedere lidstaat echter het recht om mensen al dan niet een permanente verblijfsvergunning te geven.

De heer Van Bommel (SP):

Het gaat niet om de algemene toelatingscriteria; dat geef ik de staatssecretaris graag toe. Op dat punt zal ieder land zijn eigen discretionaire bevoegdheden behouden. Mij gaat het om het specifieke instrument voor het oplossen van een nationaal probleem zoals dat gehanteerd is in de verschillende lidstaten die ik heb genoemd, waarvoor wij een eigen beleidsruimte creëren in de vorm van een generaal pardon. Ik wil de garantie dat het generaal pardon niet geblokkeerd kan worden door Europese besluitvorming.

Staatssecretaris Timmermans:

Een generaal pardon houdt toch niets anders in dan dat je mensen een verblijfstitel geeft? Wat is het anders dan dat? Die beleidsvrijheid houden lidstaten. Een generaal pardon blijft dus mogelijk. Als de heer Van Bommel dat zo wil horen: ja, een generaal pardon blijft mogelijk.

De heer Van Bommel (SP):

Met het laatste antwoord ben ik iets meer tevreden. Toch heb ik nog een nadere vraag op dit punt. Het gaat mij in eerste instantie natuurlijk niet om de persoonlijke, individuele beslissingen die genomen worden over de vraag of iemand al dan niet asiel krijgt. Het gaat mij om een nationale bevoegdheid die alleen aan lidstaten toekomt omdat zij de last moeten dragen, de nationale bevoegdheid om te besluiten om een probleem dat uit het verleden voortvloeit, in één keer op te lossen door ervoor te zorgen dat er een generaal pardon komt. De staatssecretaris zegt dat deze mogelijkheid niet geblokkeerd kan worden. Daarvan neem ik goede nota. Ik zal de staatssecretaris daarmee hinderlijk blijven achtervolgen.

Staatssecretaris Timmermans:

Oké.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik neem aan dat de staatssecretaris nog zal ingaan op de vragen die ik heb gesteld. Ik hoorde hem zojuist zeggen dat wij ook aandacht zouden moeten hebben voor de gronden die bestaan voor migratie, waardoor mensen uit Afrika in gammele bootjes naar Europa komen. Zojuist vertelde ik wat de uitwerkingen zijn van het Europees landbouwbeleid; zie bijvoorbeeld de dumpingpraktijken van vlees in Afrika. Ook het visserijbeleid is funest. Daarnaar zou gekeken moeten worden als wij de oorzaken van migratie bij de bron willen aanpakken. Wat is de reactie van de staatssecretaris daarop?

Staatssecretaris Timmermans:

Het probleem is dat het Europees landbouwbeleid voor sommige landen slecht uitpakt, maar voor de minst ontwikkelde landen juist goed, want die hebben volledige markttoegang tot de EU zonder tarieven. Daarop is dus niet één antwoord te geven. Gelet op de wereldwijde voedselcrisis op dit moment staat de hele voedselvoorziening van de wereld ter discussie en zullen wij hierover ook bij de Europese Raad een heel fundamentele discussie moeten voeren. Dat wij nog een hele strijd te voeren hebben om ervoor te zorgen dat de Europese Unie niet met de ene hand dit doet en met de andere hand iets wat daartegen ingaat, ben ik meteen met mevrouw Ouwehand eens. Wij moeten ervoor zorgen dat wij, mede in het kader van onze morele en politieke verplichting om de millennium development goals te realiseren, met ons landbouwbeleid, met ons handelsbeleid of met ander beleid niet ingaan tegen de noodzaak om de armsten in de wereld zich beter te laten ontwikkelen. Mevrouw Ouwehand heeft gelijk dat aan het landbouwbeleid in dit opzicht ook nadelen kleven, nadelen die door de Nederlandse regering consistent worden bestreden. Wij behoren in de EU tot degenen die samen met Commissaris Mandelson en Commissaris Michel zoeken naar mogelijkheden om voor de armste landen een verbetering van hun landbouwsituatie, visserijsituatie en markttoegang te realiseren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dank u wel voor de beantwoording. Ik neem aan dat u later in uw betoog nog komt op de specifieke vragen die ik heb gesteld over het landbouwbeleid. Anders zou u ze van mij ook nu mogen beantwoorden.

Staatssecretaris Timmermans:

Zoals u weet is er een "health check" gemaakt van het landbouwbeleid. Misschien zou je het een anamnese moeten noemen. Er wordt gekeken naar de veranderingen die nodig zullen zijn. Ik moet u wel zeggen dat in het licht van de voedselcrisis die zich nu heel acuut aandient en waarvan wij niet mogen verwachten dat deze alleen maar incidenteel is – er zitten ook structurele kanten aan – de Europese Raad zich moet buigen over de vraag hoe wij hiermee in het vervolg omgaan en welke maatregelen misschien nodig zijn. De Europese Raad van deze maand zal dit onderwerp nadrukkelijk onder de loep nemen. Dan komen wij ook met de Kamer te spreken over de Nederlandse inzet bij de Europese Raad.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik wacht het vervolg van het betoog af voor eventuele vervolgvragen.

Staatssecretaris Timmermans:

De heer Van Bommel heeft gevraagd of het EU-Hof straks kan beoordelen of lidstaten EU-regelgeving op het terrein van de ruimte voor veiligheid en recht goed hebben omgezet. Dat is inderdaad mogelijk. Door de overheveling van de JBZ-bepaling naar de eerste pijler krijgt het Hof volledige rechtsmacht over dat beleid. Het huidige, beperkte rechtsmachtregime op dat terrein wordt verlaten. Ook kan de Commissie inbreukprocedures starten, bijvoorbeeld wanneer lidstaten instrumenten op het terrein niet juist of niet op tijd omzetten. Daarmee wordt het dus ook gecommunautariseerd en kunnen wij ervoor zorgen dat de rechtsmacht volledig is en burgers wat betreft hun rechten niet tussen wal en schip komen.

De heer Van Bommel heeft ook gevraagd of een Europees paspoort kan worden ingevoerd, ter vervanging van nationale paspoorten. Het uitgeven van reisdocumenten blijft een nationale bevoegdheid. Wel kan de Unie eisen stellen aan reisdocumenten, zoals gegevens die op de reisdocumenten zichtbaar moeten zijn. Deze bepalingen zijn al mogelijk op basis van de huidige verdragen. Daaraan verandert niets met het nieuwe verdrag.

De heer Ormel heeft nog gevraagd of wij ons actief gaan inzetten voor toetreding tot het EVRM. Dat is het geval. Wij doen dit op verschillende fronten, zowel in de Europese Unie als in de Raad van Europa. Daar speelt zoals u weet op dit moment het grootste probleem, namelijk dat protocol 14 nog steeds niet geratificeerd is. Wij hebben dit hiervoor nodig, maar ook voor de enorme achterstanden die bij het Hof zijn ontstaan. Wij laten geen gelegenheid onbenut om Rusland te wijzen op de zeer grote wenselijkheid van de ratificatie van protocol 14.

De heer Ormel en de heer Pechtold hebben iets gevraagd over de communicatie over Europa. Ik heb al vaker gezegd dat wij niet moeten denken dat een verdrag de mensen dichter bij Europa zal brengen. Dat weten de Kamerleden ook. Tegelijkertijd moeten wij er samen voor zorgen dat dit verdrag bij de Nederlandse bevolking bekender wordt en dat er een brochure en een korte samenvatting van het verdrag komen. Ook moet er een publieksvriendelijke en toegankelijke versie van het verdrag komen. Daarvoor heb ik voorbereidend werk verricht. Wel acht ik het ook tegenover de Kamer wel zo netjes om te wachten totdat zij is uitgesproken over het verdrag en ik weer met haar kom te spreken over de precieze invulling van de brochure en van de publieksvriendelijke versie. Dit is zeker niet vergeten. Wij gaan er dus zeker mee door.

Tegelijkertijd omvat de communicatie over Europa meer. Binnenkort gaan wij van start met een nieuwe website. Ik probeer zo veel mogelijk zaken te koppelen aan het thema Europa, ook op gelegenheden waar mensen je niet zo gauw zouden verwachten. Ik moet u zeggen dat dit mij in toenemende mate bevalt. Ik doe heel veel in het onderwijs. In het onderwijs bestaat een ontzettende behoefte aan informatie en debat. Het is ongelooflijk stimulerend hoe dit werkt. Wij proberen ook vaart te maken met meer lesprogramma's dan wij hebben gedaan. Deze lesprogramma's vertellen niet hoe Europa in elkaar zit, maar integreren het thema Europa in andere onderwerpen. Ook het koppelen van evenementen waar heel veel mensen bij elkaar komen, werkt goed. Bij bevrijdingsfestivals, grote muziekevenementen, grote sportevenementen. Natuurlijk hebben wij voor voorstellen nog het Europafonds ter beschikking.

De heer Van Bommel (SP):

Voorzitter. Weer een website, weer het Europafonds, weer het onderwijs: waarom niet de Nederlandse bevolking gedurende het proces en voorafgaand aan deze debatten en de besluitvorming geïnformeerd over het Verdrag van Lissabon? Waarom heeft de staatssecretaris de mensen in Nederland niet willen zeggen waar dit verdrag over gaat?

Staatssecretaris Timmermans:

Als ik het mij goed herinner, hadden wij een afspraak, mijnheer Van Bommel. Waar was u eigenlijk? Wij hadden de afspraak dat deze Kamer met mij in overleg zou treden. Ik heb aangeboden om met haar in overleg te treden, maar ik heb deze Kamer niet meer gehoord. Dat moet u toch eerlijk toegeven.

De heer Van Bommel (SP):

Nee, ik heb u meermalen gevraagd om de bevolking via een publieksversie te informeren over het Verdrag van Lissabon. Dat verzoek staat zelfs op schrift. Nogmaals, daarom heb ik meermalen verzocht. De regering heeft ook meermalen die publieksversie beloofd. Ik noem de Dag van Europa. Via Postbus 51 zou de informatie beschikbaar komen, maar ook op allerlei andere manieren. U bent echter in gebreke gebleven. Verwijt u mij dan niet dat ik u er niet om gevraagd heb. Ik heb erom gevraagd en de Kamer heeft erom gevraagd, maar u hebt niet geleverd.

Staatssecretaris Timmermans:

Mijnheer Van Bommel, u kunt toeteren wat u wilt, maar wij hebben afgesproken dat wij hierover samen zouden spreken. Ik heb de Kamer er niet meer over gehoord. Net zeg ik nog tegen u: ik wacht keurig af totdat de Kamer het verdrag heeft behandeld. Ik ken u namelijk. Als ik vorige week of op 9 mei een brochure had uitgebracht, had u geschreeuwd: schandalig, u loopt de Kamer voor de voeten, u zegt iets over het verdrag voordat wij het laatste woord hebben gehad. Ik ken mijn pappenheimers, mevrouw de voorzitter. Daarom wacht ik keurig totdat de Kamer is uitgesproken en daarna plegen wij verder met haar overleg over de brochure, over de publiekvriendelijke versie en over andere zaken. Ik hoop dat de Kamer bereid is om het initiatief te nemen om samen met mij te denken over de vraag hoe wij de bevolking het beste over Europa kunnen inlichten.

De heer Van Bommel (SP):

Voorzitter. Ik wens door deze staatssecretaris niet opgevoerd te worden als een pappenheimer. Verder wijs ik erop dat deze staatssecretaris en de regering wel degelijk niet alleen de Kamer, maar ook de Nederlandse bevolking een belofte hebben gedaan. De regering heeft gewoon in het openbaar verklaard dat er op 9 mei en op andere data allerlei versies zouden komen. Er is niet conform die belofte geleverd. Daarom moet u mij niet verwijten, staatssecretaris, dat ik vraag om iets wat u niet kunt leveren omdat u kritiek zou krijgen van de kant van de Kamer.

Staatssecretaris Timmermans:

Maar mijnheer Van Bommel...

De heer Van Bommel (SP):

Nee, nee, nee, nu ben ik aan het woord. U hebt niet geleverd. U bent niet bereid geweest om voorafgaande aan de besluitvorming in de Kamer of via het kabinet de Nederlandse bevolking te informeren over a. de Nederlandse inzet en b. het resultaat. Dat valt u te verwijten.

Staatssecretaris Timmermans:

Mijnheer Van Bommel, de Nederlandse inzet en het verloop van de onderhandelingen staan vermeld op alle websites die wij kunnen verzinnen.

De heer Van Bommel (SP):

Websites, hou toch op man! Voorzitter. Ik zei dat laatste niet in de microfoon. Het was een cri de coeur. Maar, staatssecretaris, begin met mij niet over websites. Alstublieft, het gaat erom dat u de Nederlandse bevolking op een deugdelijke manier informeert. Toen u kwam met het voornemen om iets te doen via Postbus 51, heb ik u serieus genomen. Voorzitter, de kern van de zaak is...

De voorzitter:

Wij hebben al zoveel kernen gehad? Is het misschien de essentie, of de crux?

De heer Van Bommel (SP):

De embryo, net wat u wilt. Maar waar gaat het om, voorzitter? Dat is dat de Nederlandse bevolking op een deugdelijke manier wordt geïnformeerd. Dat is door de regering op verschillende manieren meermalen beloofd, maar niet waargemaakt.

Staatssecretaris Timmermans:

Het deugt niet of het is niet goed: dat zijn wij gewend. U schermt met allerlei data. Ik weet niets van die data. Ja, ik heb een verplichting. Ja, ik zal mijn plicht nakomen. Ja, wij zullen zeer binnenkort met een brochure komen. Daar kunt u op rekenen.

De heer Pechtold (D66):

Ik snap dat interview van zaterdag steeds beter.

Staatssecretaris Timmermans:

Het was geen interview.

De heer Pechtold (D66):

Het was uw bijdrage. U moet mij nu dus netjes antwoorden.

Staatssecretaris Timmermans:

Dat hangt af van de vraag.

De heer Pechtold (D66):

Ik begrijp dat u voor uzelf een soort behandelingsvoorbehoud hebt gemaakt: eerst hier de behandeling en dan met een communicatieverhaal komen. Dat waardeer ik, maar tegelijk had ik liever gezien dat u uw tijd goed benut had. Ik hoor u vooral redeneren vanuit uw positie. In eerdere debatten heb ik al gezegd: met u zit het wel goed. U zult op de scholen een bevlogen verhaal houden, even als u vanavond doet. Mij gaat het een beetje om uw 26 collega's. Ik heb een brede portefeuille. Ik neem deel aan al die AO'tjes en in die AO'tjes is Europa heel erg ondervertegenwoordigd. Daartegen helpt geen website. Op dat punt steun ik de heer Van Bommel. Ik wil in de komende vier weken, dus tot het reces, met u nagaan wat dat plan inhoudt en hoe u de collega's als het ware bij de lurven pakt.

Staatssecretaris Timmermans:

In de afgelopen tijd zie ik mijn collega's in toenemende mate belangstelling voor het onderwerp krijgen. Zij voeren er ook politieke discussies over. Ik kan de Kamer verzekeren dat het er in de ministerraad iedere week tot in detail over gaat. Het is niet in de trant van: het is mijn toko en daar blijft iedereen van af. Nee, ik zie dat mijn collega's in toenemende mate op Europese schaal actief zijn. Maar ik ben het er als eerste mee eens dat wij er nog lang niet zijn. Ik denk dat ik daar met de Kamer een partnerschap in heb. Wij hebben alle twee een probleem. Ik ben graag altijd bereid om met de Kamer te bekijken hoe wij dit kunnen verbeteren. Ik zal het in het kabinet blijven doen. De ervaringen met de gesprekken met onverwachte mensen op onverwachte plekken over Europa zijn steeds positiever. Het is een maatschappelijke ontwikkeling. Het CPB heeft geanalyseerd dat de mensen in Nederland positiever over Europa denken dan sinds 1994 gebruikelijk was.

De heer Pechtold (D66):

Prima, wij komen er later op terug. Waar ligt het zwaartepunt in de communicatie: de uitleg van Lissabon of "op naar 2030"? Ik hoop dat het gaat om het meenemen van de mensen in dat denken over de toekomst.

Staatssecretaris Timmermans:

Wij hebben afgesproken dat wij de bevolking gaan informeren over het nieuwe verdrag. Tegelijkertijd is het duidelijk dat het verdrag geen harten zal winnen. Dat is nu eenmaal zo met spelregels. Niemand is geïnteresseerd in het spelregelboekje van de UEFA, maar wij zijn wel allemaal geïnteresseerd in het Europees kampioenschap dat dadelijk gespeeld gaat worden. Het gaat erom wat Europa moet gaan presteren, welke visie wij hebben op de toekomst van Europa, welke kracht Nederland heeft om van Europa en van zichzelf een succes te maken. Daar moet de communicatie over gaan.

De heer Ormel heeft een vraag gesteld over grensoverschrijdende samenwerking. Dit kabinet heeft dit met volle kracht opgepakt. Minister Ter Horst en ik gaan later deze maand weer met de regio's praten over een verdere invulling. Belemmeringen moeten worden weggenomen. Grensoverschrijdende samenwerking moet worden gestimuleerd. De burgers in de grensregio's moeten de grenzen steeds verder zien verdwijnen. Dat is echt de harde inzet van het kabinet. De heer Ormel kan daarop rekenen.

De heer Ormel had al Kamervragen gesteld over de individuele Commissarissen die activiteiten op nationaal niveau ontplooien. Ik verwijs hem graag naar de antwoorden die ik op die vragen heb gegeven. Als mensen nationaal actief zijn, kan dat goed zijn voor de lidstaat en voor de Europese Unie. Natuurlijk moeten wij er altijd voor zorgen dat de activiteiten de onafhankelijke uitoefening van het ambt niet in de weg staan. Ik ben de eerste om te erkennen dat het de laatste tijd wel erg duiventilachtig aan het worden is. Dat heeft te maken met verkiezingen et cetera. Daar is niet altijd wat aan te doen. Het is belangrijk dat de Commissie als college blijft opereren. Dat is de kracht van de Commissie. De voorzitter ervan heeft duidelijke afspraken gemaakt met de Commissarissen om wie het ging.

Op het gevaar af dat de heer Van Bommel weer boos wordt, verwijs ik de heer Ormel naar een website van de Europese Commissie waarop precies staat hoe de comitologiecomités zijn ingedeeld. Bij het comitologieregister zijn documenten op te vragen. Bovendien kan de actuele lijst van comités worden gedownload.

De heren Van Bommel en Pechtold hebben een vraag gesteld naar aanleiding van de uitlatingen van professor Besselink over de vraag of het Verdrag van Lissabon in strijd is met de artikelen 93, 94 en 120 van de Grondwet. Zou goedkeuring van dit verdrag daarom met een gekwalificeerde Kamermeerderheid moeten geschieden? De artikelen 93 en 94 van de Grondwet gaan over de doorwerking van internationaal recht in de Nederlandse rechtsorde. Besselink betoogt dat het beginsel van voorrang van gemeenschapsrecht in strijd is met die artikelen. De regering heeft al eerder aangegeven dat doorwerking van Europees recht niet afhankelijk is van het systeem van beide artikelen. Dat komt door de geheel eigen aard van het Europese recht zoals deze ook door het Europese Hof van Justitie is vastgesteld. Ook in de wetenschap heerst vrijwel zonder uitzondering de opvatting dat de doorwerking van het Europese recht niet afhankelijk is van beide artikelen. De heer Besselink is kennelijk de regel die de uitzondering bevestigt. Er is dus in onze visie geen strijd met die artikelen.

Over artikel 120 van de Grondwet betoogt Besselink dat de Nederlandse rechters enerzijds een toetsingsverbod hebben over ongeschreven internationale en Europese normen en anderzijds hiertoe verplicht kunnen worden op grond van Europees recht. Die constatering is correct, maar dat heeft nog nooit tot problematische situaties geleid. De situatie wordt namelijk in belangrijke mate ondervangen door artikel 6 van het verdrag, waarin wordt bepaald dat de EU de grondrechten beschermt zoals neergelegd in het EVRM en de grondrechten die voortvloeien uit de constitutionele tradities van de lidstaten. Dat is ook een constant element in de jurisprudentie van zowel het Hof van Luxemburg als dat van Straatsburg als van nationale rechters.

Mevrouw Peters vroeg of het klopt dat het Hof buitenspel staat als het om terrorisme gaat. Conform de jurisprudentie van het Hof van Justitie valt wetgeving over persoonsgegevens van passagiers, want daar ging het om, PNR, onder de derde pijler. Aangezien deze pijler naar het werkingsverdrag verhuist en het Hof van Justitie daar volledige rechtsmacht heeft, staat het Hof daarbij niet buitenspel.

Er is een vraag gesteld over de personele unie van de voorzitter van de Commissie en de voorzitter van de Europese Raad. Waarom wordt dat niet door één persoon gedaan? Je moet wel de onderscheiden rol bekijken. De Europese Commissie doet de voorstellen en is een college. De Europese Raad is medewetgever, zeker nu het een volledige instelling is van de Europese Unie. Je zou toch ook niet de minister-president in Nederland voorzitter van de senaat willen maken, om maar eens een parallel te gebruiken. Hoewel ik zie dat sommigen van u daar wel iets in zien.

De voorzitter:

Dat is het uur van de dag, denk ik. Dat kan niet serieus zijn.

Staatssecretaris Timmermans:

Mevrouw Ouwehand heeft gevraagd hoe het zit met de openbaarheid van de Raad op niet-wetgevende terreinen. In de intergouvernementele conferentie is op aandringen van Nederland besloten de vergaderingen van de Raad openbaar te maken zodra gesproken wordt over handelingen van wetgeving. Er bestond geen draagvlak onder de lidstaten voor nog verdergaande openbaarheid van de Raad. De regering kan goed leven met de openbaarmaking van in elk geval wetgevingshandelingen omdat die wetgeving de rechtssfeer van burgers kan raken.

Mevrouw Ouwehand heeft nog gevraagd of de regering zich sterk wil maken voor meer duurzaamheid centraal, het gemeenschappelijk landbouwbeleid en dierenwelzijn. Natuurlijk maken wij ons daar sterk voor. Dat hebben wij ook gedaan bij de health check, daarover heb ik al gesproken. Het kabinet heeft de contouren van wat wij willen doen neergelegd in de reactie op de internetconsultatie van de Europese Commissie. Die kent de Kamer. Wij hebben daarover trouwens ook op 20 mei met de Kamer gesproken. Na de zomer zullen wij de visie op de toekomst van het GLB meer concreet invullen en vervolgens met de Kamer delen, zodat wij daarover het debat kunnen voeren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

In de health check staat alleen de interne markt centraal. Ik heb die debatten gevoerd met de minister van LNV, maar geen enkele vorm van duurzaamheid vormt een thema. In het GLB handhaven wij nog steeds die oude bepaling uit de jaren vijftig, toen het misschien nog zin had om uitsluitend de vergroting van de productiviteit centraal te stellen. Is het kabinet bereid in de verdragen een integraal duurzaamheidscriterium op te nemen, en de oude doelstelling te verlaten?

Staatssecretaris Timmermans:

Duurzaamheid is een hoofdpunt van de Nederlandse inbreng. Verder staat in het Verdrag van Rome niet alleen verhoging van de productie centraal. Heel belangrijk is de voedselzekerheid: Europa moest voor zichzelf kunnen zorgen. Zo'n artikel waarvan men lang heeft gedacht dat het achterhaald was, is in de huidige situatie weer actueel. Dat het landbouwbeleid meer doelstellingen heeft dan alleen maar duurzaamheid, staat als een paal boven water.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Het gevaar van deze benadering is dat je verschillende waarden makkelijk tegen elkaar kunt uitruilen. Je kunt voedselzekerheid op zichzelf als doel formuleren, maar zolang je daaraan geen duurzaamheidscriteria hangt, kun je als beleid hebben dat wij hier goed te eten hebben, ten koste van de voedselzekerheid van mensen in de arme landen. Daaraan wil ik een einde maken. Binnen de gesprekken over het GLB is daarvoor geen ruimte, omdat de landbouwministers alleen de eigen markt voor ogen hebben. Ik wil dat graag zien gewijzigd in de verdragen. Ik vraag mij af of u bereid bent zich daarvoor in te spannen.

Staatssecretaris Timmermans:

Wat de Europese landbouwministers doen, is gemandateerd door een meerderheid van hun nationale parlementen, net zo goed als de Nederlandse visie op de ontwikkeling van het landbouwbeleid is gemandateerd door een meerderheid van deze Kamer. Die meerderheid zoekt een balans tussen de noodzaak van meer duurzaamheid en de noodzaak van high tech landbouw, zoals wij die in Nederland hebben, en aan de noodzaak van voedselzekerheid, hoge kwaliteit, verantwoord natuurbeleid enzovoorts.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Het vertrouwen van burgers in Europa is erbij gebaat als op een van de belangrijkste terreinen waarover zij zich zorgen maken, namelijk milieu en dierenwelzijn, duurzaamheidsdoelstellingen in verdragen worden opgenomen, waarmee je het niet overlaat aan exportbelangen en interne marktwerking, want daar hebben mensen genoeg van.

Staatssecretaris Timmermans:

Inmiddels zijn in de landbouw veel meer elementen aan de orde, ook van duurzaamheid en dierenwelzijn. Dat is inderdaad nog onvoldoende, maar wij behoren in Nederland bij degenen die een voorbeeld zijn voor de rest.

Ik dank deze Kamer voor de zeer intensieve en uitvoerige manier waarop wij niet alleen vandaag en gisteren, maar ook in de afgelopen maanden dit proces hebben meegemaakt. Ik denk dat er geen enkel parlement in de EU is dat zo intensief en precies is betrokken geweest bij dit proces. Dat is omdat deze Kamer dat wenst, aan welke wens wij graag tegemoet zijn gekomen.

De heer Van Bommel (SP):

Namens mijn Ierse vrienden moet ik hiertegen protesteren. Het parlement van Ierland is meer betrokken bij dit en het vorige verdrag dan Nederland, en niet na afloop, maar vóór ratificatie. Men heeft daar het National Forum on Europe georganiseerd. Ik moet het toch even melden...

De voorzitter:

Ziet u het als een persoonlijk feit? Zo ja, dan loop ik de hele procedure af.

De heer Van Bommel (SP):

Eigenlijk wel.

De voorzitter:

Dan moeten wij dit terugnemen!

Staatssecretaris Timmermans:

Ik had gehoopt op een klein Oranjemomentje aan het slot van dit debat...

De voorzitter:

Dat kan ook met Ierland, geen punt!

Staatssecretaris Timmermans:

...maar ons zonnetje in huis, de heer Van Bommel, gunt ons dat niet vanavond. Ik houd staande dat in het hele proces dat heeft geleid tot het verdrag en daarna, er geen enkel parlement in de hele EU is dat zo intensief en precies bij het geheel is betrokken als dit parlement. Er is ook geen enkele regering die zo vroeg heel precies heeft aangegeven wat haar inzet was. Gelukkig stelt de grote meerderheid van de Kamer vast dat de uitkomst heel dicht bij die inzet is gebleven.

De heer Van Bommel (SP):

Wij zitten pas in de eerste termijn van dit debat.

De voorzitter:

U bent nu nog niet trots.

De heer Van Bommel (SP):

Er kan dus nog heel veel gebeuren. Ik betreur het dat wij vanavond de tweede termijn niet kunnen houden.

De voorzitter:

Dit is uitlokking!

De heer Van Bommel (SP):

Nee, ik heb met menigeen in het gebouw gesproken en de ruimte laat dat gewoon niet toe, wat ik begrijp en waar ik mij bij neerleg...

De voorzitter:

Tegenstribbelend.

De heer Van Bommel (SP):

...zonder mij daartegen overigens ernstig te verzetten! Er is alle ruimte om ook de SP-fractie in tweede termijn tegemoet te komen en om het samen eens te worden. Ik verwacht dat echter niet, omdat er in eerste termijn door het kabinet standpunten zijn ingenomen die op hoofdpunten zeer ernstig zijn. Ik betreur het dat de regering tot het standpunt komt dat het Nederlandse parlement het meest over dit verdrag heeft gediscussieerd. Ik begrijp dat de staatssecretaris dat niet terug wil nemen. Ik bestrijd dat, ik bestrijd dat en ik bestrijd dat.

De voorzitter:

Dit komt allemaal in het verslag.

De heer Van de Staaij (SGP):

Een klein amendement. Volgens mij is er in ieder geval geen parlement dat om vijf over half twee 's nachts nog over het Verdrag van Lissabon spreekt.

De voorzitter:

Wij spreken hier al over sinds vanmiddag half vijf. Wij kunnen onszelf dus complimenteren met het voeren van een uitvoerig debat.

Ik wens iedereen een goede reis, een goede nacht en gezond weer op!

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

Sluiting 01.35 uur