Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal1999-2000nr. 43, pagina 3280-3284

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van de wet tot wijziging van de Huisvestingswet (doorwerking ruimtelijk beleid) (26471).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Rietkerk (CDA):

Mevrouw de voorzitter! Voor ons ligt de wijziging van de Huisvestingswet, die doorwerkt naar de ruimtelijke ordening. In zijn boek "Hoe God verdween uit Jorwerd" beschrijft Geert Mak de ontwikkelingen op het Friese platteland. Het is het verhaal waarin alles anders werd. Van de beschreven historische omwenteling zijn pas nu de omvang en de gevolgen duidelijk geworden. De bibliotheek, het postkantoor, de schoenmaker en de bakker verdwenen, net zoals het huiskamercafé, het timmerbedrijf en de vrijwillige brandweer. De kerk werd overgedragen aan Monumentenzorg. De sociale samenhang en de leefbaarheid van kleine stadjes, dorpen en kernen staat nu nog steeds onder druk. Ik kom daar zo op terug.

De wijziging van de Huisvestingswet schiet als instrument op onderdelen ook tekort. Er is namelijk wel plaats voor rijke rustzoekers in restrictieve beleidsgebieden, maar starters uit de regio komen onvoldoende aan bod. Dit geldt met name voor jongeren en jonge gezinnen, maar ook voor ouderen die steeds meer zelfstandig willen blijven wonen in het gebied waarin zij geworteld zijn. Dat komt omdat de woningprijzen de pan uit rijzen, maar er zijn ook andere redenen. Juist de mensen uit de eigen regio waarborgen de leefbaarheid en de sociale samenhang in dorpen en kernen.

Het uitgangspunt van de wet die nu voorligt, is de vrije vestiging. De mate van beperking van bindingseisen bij de woonruimteverdeling en de kaveluitgifte deelt de CDA-fractie niet volledig. De gemeenten hebben bindingseisen nodig ter bescherming van de leefbaarheid in het landelijk gebied en ter beperking van de mobiliteit met betrekking tot woon-werkverkeer. In de gewijzigde Huisvestingswet staat dat niet meer dan 50% van de koopwoningen in een restrictief beleidsgebied aan specifieke groepen woningzoekenden kan worden toegewezen via lokale bindingseisen. De restrictieve gebieden betreffen het Groene Hart, de Utrechtse Heuvelrug, een deel van de Veluwe en door de provincie in het streekplan aan te wijzen gebieden. Ik wijs overigens op het belang van de binding van de burger aan een wijk, dorp of kern. Dat mag niet worden onderschat. Daarnaast geven veel mensen aan dat zij graag in de regio, niet ver van de familie, willen blijven wonen. De CDA-fractie hecht aan deze sociale samenhang en deze familie- en gezinswens.

De nog op te stellen AMvB zou hier nadrukkelijk op in moeten gaan. Die is nu niet aan de orde, maar ik hoor graag van de staatssecretaris of de AMvB daarop ingaat.

Mevrouw Verbugt (VVD):

De heer Rietkerk praat in kritische bewoordingen over die 50%. Dat percentage is destijds tot stand gekomen dankzij een motie die ook door het CDA is gesteund. Wijkt zijn opvatting in dit debat af van de opvatting die hij eerder in twee debatten in de Kamer heeft verwoord?

De heer Rietkerk (CDA):

Ik heb bewust verwezen naar de 50% voor de restrictieve gebieden. Ik heb gevraagd om nog eens goed te kijken naar de problematiek van de sociale samenhang en de lokale bindingseisen in de AMvB. Ik kom daar straks nog op terug, omdat ik op dat punt regionaal maatwerk vraag. Ik wijk dus niet af van het eerder ingenomen standpunt, maar ik vraag bij de verdere uitwerking wel of, gelet op de huidige situatie en de situatie voor de komende jaren, wellicht maatwerk geleverd moet worden via de AMvB.

Mevrouw Verbugt (VVD):

Betekent dat dat u nog steeds vasthoudt aan de motie die u toen samen met ons en anderen heeft ingediend?

De heer Rietkerk (CDA):

U zult aan mijn bijdrage merken dat ik ruimte op onderdelen vraag als het gaat om die 50%. Wij willen dat niet als een absolute grens zien, maar gelet op lokale en regionale omstandigheden vragen wij aan de staatssecretaris of hij daar oog voor heeft en of hij denkt dat dat via de nog op te stellen AMvB uitgewerkt kan worden.

Voorzitter! De CDA-fractie vindt het voorgestelde regime, gelet op een aantal reacties uit de desbetreffende gebieden, te rigide. Ik verwijs naar brieven van gemeenten uit het Groene Hart en van jongeren uit Tubbergen, de provincie Overijssel, de Waddeneilanden enzovoort. Dat regime heeft tot gevolg dat een aantal kleinere gemeenten in die restrictieve gebieden het beperkt aantal woningen dat zij mag bouwen, onvoldoende mag bestemmen voor de eigen inwoners. De ruimte voor het lokale volkshuisvestingsbeleid wordt daardoor als te zeer beperkt gezien. De CDA-fractie is ervoor dat provincies en gemeenten wat meer maatwerk kunnen leveren. De woningmarkt was de afgelopen jaren krap. De prijzen zijn in ontwikkeling. Onze vraag is of bij de nog op te stellen AMvB rekening gehouden kan worden met die aspecten. Het beleid, zoals uit onderzoek en de situatie ter plekke blijkt, heeft tot gevolg dat jonge gezinnen en starters, maar ook ouderen die langer zelfstandig willen blijven wonen – een beleid waar wij van harte achterstaan – een woning willen hebben in het gebied waar zij geworteld zijn. We zien nu dat die jongeren en ouderen in sommige situaties zich verplicht voelen of verplicht worden naar regionale opvangcentra of Vinex-locaties te verhuizen. Ik verwijs wat dat betreft naar de motie van de SGP, die een Kamermeerderheid heeft behaald, over een adequaat woningaanbod voor starters. Hoe staat het met de uitvoering van deze motie? Wanneer kan de Kamer hierover worden geïnformeerd? In die vraagstelling ligt ook het verzoek besloten om spoed te betrachten. Dat onderzoek is niet alleen nodig in het kader van de discussie over de AMvB die nog komt, maar ook in het kader van de vijfde nota en de discussie die daarover later gevoerd zal worden.

Een ander specifiek probleem is de afbakening van de regio waarbinnen bindingseisen gesteld kunnen worden en de definitie van restrictieve gebieden. Ik heb er al een aantal genoemd. Ik vraag aan de staatssecretaris of hij signalen heeft gekregen of gemeenten het goede huisvestingsbeleid kunnen voeren aan de hand van de wet zoals die nu voorligt. Of is er bij de AMvB een nadere uitwerking nodig om dat regionale maatwerk te leveren? Is de staatssecretaris al bezig met de AMvB? Zo ja, wanneer kan de Kamer die AMvB tegemoetzien? De CDA-fractie heeft in ieder geval de behoefte om hier over die punten in dat kader nadrukkelijker verder te spreken.

Een laatste punt betreft het feit dat er in de Huisvestingswet een prijsgrens wordt aangegeven van ƒ 300.000. Die grens is gedateerd en gebaseerd op woningbouwmarktonderzoek uit 1993 of 1994. In de gebieden waar de woningbouwmarkt krap is en in de restrictieve gebieden, zoals het Groene Hart, de Utrechtse Heuvelrug, de Veluwe en de in streekplannen aangewezen restrictieve gebieden, zijn de prijzen fors gestegen. Daardoor zijn of worden voor vele jonge mensen en gezinnen die huizen onbereikbaar. Wij pleiten ervoor om die prijsgrens te indexeren.

Mevrouw Kortram (PvdA):

Wat u zegt is uiteraard zeer boeiend, maar ik vraag me af of u procedureel op de juiste manier bezig bent. Ik heb begrepen dat dit een technisch overleg is, waar wij met elkaar zouden vaststellen of wij het al dan niet eens zijn met de wijzigingen die zijn voorgesteld voor de Huisvestingswet. U herhaalt nu het debat.

De heer Rietkerk (CDA):

Ik heb in het verslag namens de CDA-fractie een aantal vragen gesteld. Dat waren er meer dan ik nu behandel. Op twee onderdelen, de lokale bindingseisen en de prijsgrens in de Huisvestingswet, heb ik onvoldoende antwoord gekregen. Vanwege het belang dat de CDA-fractie daaraan hecht, vraag ik nadrukkelijk of de staatssecretaris kan aangeven of hij deze punten met ons deelt en of deze bij de AMvB uitwerking krijgen. Daarbij is regionaal maatwerk wat ons betreft een voorwaarde. Wij kunnen op dat moment het debat hervatten.

Mevrouw Kortram (PvdA):

Die punten zouden aan de orde komen binnen de AMvB die nog aan de Kamer gestuurd moet worden.

De voorzitter:

Wat vandaag aan de orde is, is de novelle. Ik heb de indruk dat u zich nu enigszins buiten de inhoud van die novelle begeeft.

De heer Rietkerk (CDA):

Ik houd mij aan de lijn van de inbreng in het verslag, dat onderdeel is van het proces in de Kamer. Ik zet nu, in de lijn van die schriftelijke inbreng, het debat voort op twee punten die van belang zijn en waar de staatssecretaris op een prima manier mee om kan gaan, zodat ik weer wat rustiger kan uitkijken naar de AMvB.

De voorzitter:

En die de inhoud van de novelle moeten zijn. Daar hebben wij het vandaag over.

De heer Rietkerk (CDA):

De novelle betreft eigenlijk alleen puur technische zaken.

De voorzitter:

Dan moet ik toch zeggen dat mevrouw Verbugt en mevrouw Kortram wel enigszins gelijk hebben. Het is niet uit tijdgebrek dat ik hier even op inga, maar omdat wij ons moeten houden aan de onderwerpen die wij agenderen.

De heer Rietkerk (CDA):

Dat is duidelijk, voorzitter.

Ik rond, waar het de prijsgrens betreft, af met de vraag of de staatssecretaris kan toezeggen dat deze grens geïndexeerd wordt. Ik noem dat, omdat in het regeerakkoord klip en klaar staat – wij staan daar achter – dat de regering zich sterk zal maken voor een leefbaar platteland en voor sociale cohesie. Ik hoop dat de AMvB ook ruimte zal geven voor regionaal maatwerk. Dan zie ik de positieve uitwerking wel tegemoet.

Laten wij er ten slotte voor zorgen dat wij er vanuit onze verantwoordelijkheid alles aan hebben gedaan om de sociale samenhang en de leefbaarheid zoveel mogelijk te versterken. Als Geert Mak over tien jaar een nieuw boek schrijft, mag daaruit niet blijken dat Haagse regelgeving die natuurlijk veel breder is dan alleen deze novelle, ervoor heeft gezorgd dat de sociale samenhang en de leefbaarheid van kleine stadjes, dorpen en kernen onderuit is gegaan.

De heer Van der Staaij (SGP):

Voorzitter! De technische correcties die aanvankelijk in het onderhavige wetsvoorstel waren voorgesteld, gaven mijn fractie weinig aanleiding tot het maken van kritische kanttekeningen. Inmiddels hebben wij echter een nota van wijziging ontvangen waarin op vier andere punten aanpassingen worden aangebracht. Ik vraag de staatssecretaris om een toelichting op die voorgestelde wijzigingen. Was het niet wenselijk geweest om daaraan voorafgaand advisering door de Raad van State te vragen? Of acht hij deze punten zodanig technisch dat er geen enkele beleidswijziging aan de orde is?

Juist het feit dat met deze nota van wijziging ook andere onderwerpen in deze novelle zijn gebracht, geeft mij de vrijmoedigheid om aansluitend op hetgeen door collega Rietkerk naar voren is gebracht, nadrukkelijk aandacht te vragen voor de brieven die wij van gemeenten hebben ontvangen naar aanleiding van de novelle. Daarin zetten ze op een heldere manier uiteen dat ze van twee kanten in het nauw worden gebracht. Enerzijds hebben ze te maken met een toenemende sturing van bovenaf waar het het ruimtelijk beleid betreft, wat ertoe leidt dat de bouwmogelijkheden voor gemeenten sterk afnemen. Anderzijds lopen ze op tegen het op liberalisatie gerichte volkshuisvestingsbeleid dat als doel heeft de woningmarkt maximaal toegankelijk te maken, en daardoor plaatsgebondenen een zekere bescherming ontzegt. De vraag van de SGP-fractie is, wat de staatssecretaris doet met deze signalen en welke gevolgen het zal hebben voor de uitvoeringsregels in het kader van deze wet. Wat is de mening van de staatssecretaris hierover?

Ik zal, ook omdat al is aangegeven dat dit onderwerp op het randje van de orde is, hier niet verder op ingaan, maar leg wel de vraag voor hoe het staat met de eerder door de Kamer aangenomen motie van mijn hand, waarin de regering is verzocht om te onderzoeken op welke wijze kan worden bevorderd dat in de gebieden waar een restrictief beleid geldt, een adequaat woningaanbod kan worden gewaarborgd, met name voor starters op de woningmarkt die niet over een hoog inkomen beschikken. Graag ook daarover meer duidelijkheid.

De voorzitter:

Ik wil zelf nog een vraag aan de staatssecretaris stellen. Zou de staatssecretaris in zijn beantwoording inzake de nota van wijziging op stuk nr. 8, waarover de heer Van der Staaij sprak, kunnen meenemen dat daar nogal wat dingen in veranderd worden? Ik ben erg nieuwsgierig naar de motivering van zijn keus om dat in het kader van de nota van wijziging op deze novelle te doen. Hij had daar ook een afzonderlijk wetsvoorstel van kunnen maken.

Staatssecretaris Remkes:

Voorzitter! Ik kreeg bij beide sprekers een wat ongemakkelijk gevoel, omdat ik dacht dat de discussie voor een deel is gevoerd bij de behandeling van de ontwerp-Huisvestingswet zelf. Voor een ander deel zal de discussie gevoerd moeten worden bij de algemene maatregel van bestuur als die bij de Kamer voorligt in het kader van de voorhangprocedure. Voor nog een ander deel, met name waar het gaat om de wat langere termijn en de principes, behoort de discussie gevoerd te worden bij de behandeling van de PKB vijfde nota, die in de loop van dit jaar zal verschijnen. Ik heb eerlijk gezegd niet de behoefte om nu die discussies weer over te doen of vooruit te lopen op discussies die nog volop zullen worden gehouden.

Tegen de heer Rietkerk en de heer Van der Staaij kan ik overigens zeggen dat in de algemene maatregel van bestuur vanzelfsprekend zal worden ingegaan op een aantal aspecten die door de Kamer naar voren zijn gebracht. Daarbij gaat het om de bedragen en de motie-Verbugt, die ook met steun van het CDA door de Kamer is aangenomen. Deze motie heeft nogal wat technische complicaties opgeleverd, en dat is een van de redenen waarom de algemene maatregel van bestuur op dit moment nog steeds in voorbereiding is, maar wel in een vergevorderd stadium. Als de voorbereiding is afgerond, zal de normale procedure via de Raad van State, de voorhangprocedure bij de Kamer, enzovoort worden gevolgd.

Ook is gevraagd hoe het zit met de uitvoering van de motie van de heer Van der Staaij over starters op de woningmarkt, naar ik meen ingediend bij de behandeling van de VROM-begroting. Vanzelfsprekend zal die motie worden uitgevoerd. In de nota Wonen zal ook op die problematiek worden ingegaan.

Gebiedsspecifiek maatwerk is mogelijk als daar aanleiding voor is. Ik wil één mogelijke aanleiding noemen waar serieus naar wordt gekeken, omdat mij natuurlijk ook een aantal brieven is opgevallen. Voor een deel gaan die brieven overigens uit van dezelfde misvatting, namelijk dat de Huisvestingswet vandaag nog eens ten principale aan de orde zou zijn. Dat is dus niet het geval. Ik noem de problematiek van de Waddeneilanden. Daar is duidelijk sprake van gescheiden woningmarkten. De mensen hebben niet de vrijheid te kiezen voor een grensgemeente. Zij zijn sociaal-economisch afhankelijk van de woonkeuzemoge- lijkheid per specifiek eiland. Ik kan de heer Rietkerk wel zeggen dat deze staatssecretaris vanzelfsprekend niet met de rug naar die werkelijkheid op de woningmarkt gaat staan. Dat betekent dat nauwgezet zal worden bekeken welk uitzonderingsregime daar wenselijk is om aan de problemen tegemoet te komen, zonder dat dit regime het risico in zich draagt van precedentwerking richting andere delen van het land. Dat risico moet natuurlijk per se worden voorkomen. Er wordt zeer serieus gekeken naar de mogelijkheid om daadwerkelijk soelaas te bieden voor die problematiek.

De voorzitter heeft zich eigenlijk aangesloten bij de vraag van de heer Van der Staaij waarom deze procedure is gekozen en wat daarvan de betekenis is. De novelle en de eerste nota van wijziging betreffen technische punten, maar ik ben geneigd te zeggen dat ook de tweede nota van wijziging in belangrijke mate over techniek gaat en mede samenhangt met wetgeving die elders is gewijzigd. Wellicht kan in die benoeming een uitzondering worden gemaakt voor de verlenging van de overgangsperiode. Dat is bij ons aangekaart door IPO en VNG. Het leek mij wenselijk, met name waar het gaat om de bestuurlijke zekerheden bij provincies en gemeenten, om dat maar in een keer te regelen. Ik heb mij uiteraard gerealiseerd dat ook een andere weg mogelijk zou zijn geweest, maar omdat ik inschatte dat deze verlenging niet zodanige discussies zou oproepen dat de conclusie moest worden getrokken dat er een aparte procedure voor zou moeten worden gevolgd – dat is mij uit de inbreng van de sprekers ook niet gebleken – heb ik dus maar gekozen voor de weg van de eenvoud.

Mevrouw Verbugt (VVD):

Voorzitter! Ik stel vast dat die provincies en gemeenten ook al bij de wetsbehandeling bij de Kamer aan de bel hebben getrokken, hetgeen heeft geresulteerd in een amendement om de termijn te verlengen tot een jaar. De staatssecretaris zegt dat er redenen kunnen zijn om daarvan af te wijken. Kan hij dan nog aangeven wat de belangrijkste overwegingen zijn geweest om af te wijken van de verlengde termijn waarvoor de Kamer heeft gekozen?

Staatssecretaris Remkes:

Omdat mij is gebleken dat sommige provincies bij de wijziging van het streekplan dat in een keer wat integraler willen doen, dus los van de wijziging van artikel 13a, b en c, waar het gaat over de bindingseisen. Ik weet uit eigen ervaring dat als je zo'n streekplanwijziging in procedure brengt, dat inderdaad vrij veel tijd kost, vaak meer dan een jaar. Op verzoek van provincies kan dan wat mij betreft, maar dan wel gekoppeld aan die criteria, daaraan tegemoet worden gekomen.

Mevrouw de voorzitter! De heer Rietkerk begon zijn betoog met een beschrijving van het voortreffelijke boek van Geert Mak "Hoe God verdween uit Jorwerd". Ik vond het voortreffelijk, maar ik vond het waar het gaat om de toekomst van het platteland veel te somber en voorbijgaan aan de dynamiek, bijvoorbeeld in technologisch opzicht, die ook op het platteland aanwezig is en die in veel opzichten zeer kan bijdragen aan de leefbaarheid van het platteland. De heer Rietkerk heeft, door het op deze manier hier aan de orde te stellen, natuurlijk ook een beetje de suggestie opgeroepen alsof de processen die in dat boek beschreven worden ook veroorzaakt worden door de ruimtelijke ordening en zaken die verband houden met de Huisvestingswet. Eerlijk gezegd geloof ik daar niet in. De processen die in het boek van Mak beschreven worden, zijn processen die primair voortvloeien uit een aantal maatschappelijke ontwikkelingen die zich in belangrijke mate los van de ruimtelijke ordening voltrekken. Ik kan de heer Rietkerk overigens zeggen dat Mak inmiddels nog een ander voortreffelijk boek heeft geschreven en dat wij dus geen tien jaar hoeven te wachten. In dat boek wordt ook een aantal processen beschreven, zij het niet van een plattelandsgemeente maar van een stad. In een aantal opzichten zie je dan overigens vergelijkbare processen, dus voortvloeiende uit de maatschappelijke ontwikkeling. Ook dat boek kan ik hem dus zeer aanbevelen.

De heer Rietkerk (CDA):

Voorzitter! Ik heb dat boek gelezen en vond het ook heel boeiend. Ik heb ook in mijn laatste woorden die weer verwezen naar Geert Mak, gesteld dat er naast de Huisvestingswet natuurlijk ook andere instrumenten en andere processen zijn die tot bepaalde ontwikkelingen leiden. Ik vraag de aandacht van de staatssecretaris voor het probleem dat kan ontstaan door de wijziging van de Huisvestingswet, namelijk dat bijvoorbeeld op de Waddeneilanden – en ik ben blij dat de staatssecretaris daar niet met zijn rug naar toe staat, maar er zijn meer regio's – de rijke rustzoeker jonge gezinnen wegdrukt uit de gebieden waar zij werken en geworteld zijn met alle gevolgen voor de mobiliteit van dien.

Staatssecretaris Remkes:

Dit heeft vanzelfsprekend de aandacht. Ik heb geprobeerd dit ook in mijn betoog te laten doorklinken. Ik waarschuw echter voor de suggestie dat gemeentebesturen als gevolg van de Huisvestingswet totaal geen bindingseisen meer kunnen stellen. Dat is dus niet aan de orde. Iedere suggestie die uit de woorden van de heer Rietkerk zou kunnen worden afgeleid, wil ik bij dezen uit de wereld helpen.

De heer Rietkerk (CDA):

De staatssecretaris heeft gezegd dat de motie-Van der Staaij wellicht in de nota Wonen wordt uitgewerkt. Is de staatssecretaris bereid om bij de bespreking van de algemene maatregel van bestuur ook de resultaten van die motie te betrekken?

Staatssecretaris Remkes:

Ik denk dat dit debat dan wel kan worden gevoerd. Ik kan die samenhang in de tijd gezien niet helemaal aangeven, maar ik vind het vanzelfsprekend dat bij de bespreking van de algemene maatregel van bestuur ook de positie van starters op de woningmarkt aan de orde kan worden gesteld.

De heer Van der Staaij (SGP):

Zou het niet verstandig zijn afzonderlijk in te gaan op de problematiek van deze notitie en niet alleen in het kader van de nota Wonen? Dit probleem reikt verder dan alleen het terrein van de volkshuisvesting.

Staatssecretaris Remkes:

Daartoe ben ik zeker bereid.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik stel voor, op een nader te bepalen tijdstip te stemmen.

Daartoe wordt besloten.

De vergadering wordt van 16.58 uur tot 18.30 uur geschorst.

Voorzitter: Terpstra