Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal1999-2000nr. 43, pagina 3257-3263

Aan de orde is het mondelinge vragenuur, overeenkomstig artikel 136 van het Reglement van orde.

Vragen van het lid Rosenmöller aan de minister-president, over de mogelijke regeringsdeelname van de FPÖ in Oostenrijk.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

Voorzitter! Met zorg, verontrusting en afschuw zien wij dat Oostenrijk lijkt af te koersen op een kabinet met de extreem-rechtse FPÖ van Jörg Haider, een partij waar het aanwakkeren van vreemdelingenhaat en het bevorderen van extreem-nationalisme hand in hand gaan, een partij met een leider die spreekt over de successen van het nationaal-socialisme. De bedoelingen van zo'n partij mogen niet worden genegeerd, niet worden onderschat, zeker niet door de Europese Unie. De Europese Unie vindt haar grondslag in het waarborgen van vrede en veiligheid, van democratie en mensenrechten in Europa.

Een kabinet in Oostenrijk met Haider vertegenwoordigt waarden die daar direct dan wel indirect haaks op staan. Zo wordt er in Oostenrijk momenteel over een volledige immigratiestop gesproken. Dat is niet tolerant, maar intolerant, niet menswaardig, maar mensonwaardig. Kinderbijslag voor alleen autochtone Oostenrijkers en niet voor de daar aanwezige migranten is niet democratisch, maar discriminerend. Wij zeggen vaak dat de waarden waarvoor wij in Europa staan niet vanzelf komen en dat die er ook niet als vanzelf zullen blijven. Wij moeten voor die waarden vechten. Als er een moment is in Europa om die woorden in daden om te zetten, dan is dat in ieder geval dit moment. Daarom is het in onze ogen volstrekt legitiem, maar wij zijn daar zeker niet de enigen in, om stevig druk uit te oefenen op Oostenrijk, opdat die coalitie er niet komt. Nederland beroept zich vaak, en terecht, op zijn tolerante traditie. Daarom moet ons land daar een actieve rol in spelen. Helaas was dat tot vorige week vrijdag niet het geval. Het waren de Belgen en de Fransen die de Europese kar trokken. Gelukkig zei de minister-president afgelopen vrijdag wel dat ondubbelzinnig zorg namens de Nederlandse regering moet worden uitgesproken. Gelukkig was er gisteravond dat krachtige signaal van de Europese Unie.

De fractie van GroenLinks vindt het ook van groot belang dat vraagstuk in dit parlement met de Nederlandse regering te bespreken. Ik wil dat doen door het stellen van vijf vragen aan de minister-president.

1. Tot vorige week vrijdag stelde de Nederlandse regering: "Wij bemoeien ons niet met regeringsonderhandelingen in het buitenland. Die gaan ons niets aan. Wij zouden het ook niet prettig vinden als een ander land dat bij ons deed." Deelt de minister-president de opvatting dat hier sprake is van een inschattingsfout? Hoe heeft Nederland zich daarna, in de afgelopen dagen, opgesteld in de aanloop naar de krachtige verklaring van de Europese Unie?

2. Wat houden de maatregelen die de Europese Unie gisteren heeft genomen, exact in? Wanneer treden die maatregelen in werking?

3. Vindt er al overleg plaats in de Europese Unie over eventuele verdergaande maatregelen als die coalitie er onverhoopt wel komt? Wat is de reactie van de minister-president op de afwijzing van de druk vanuit Europa door de christen-democratische voorman van de ÖVP, de heer Schüssel? Hij zegt: "Wij hebben geen behoefte aan een lesje democratie uit Europa."

4. Nu al wordt in de kranten gediscussieerd over de skivakantie van de Koningin in Oostenrijk. Wij stellen het op prijs als voor deze vakantie een andere bestemming wordt gekozen. De RVD heeft nog niet definitief bevestigd dat die vakantie doorgaat, maar omdat aan deze discussie altijd een politiek tintje zit, vragen wij de reactie van de minister-president.

5. Is de minister-president, gezien het belang van deze zaak en gezien zijn invloed en aanzien in Europa, het eerste aanspreekpunt in het kabinet voor het Nederlandse parlement?

De voorzitter:

Ik had het op prijs gesteld als u zich aan uw spreektijd van twee minuten had gehouden. Ik heb u niet willen onderbreken, maar ik zeg nu tegen de Kamer dat wij op deze manier niet het vragenuur kunnen afwerken op dinsdagmiddag.

Minister Kok:

Mevrouw de voorzitter! De regering volgt nauwgezet en met grote bezorgdheid de ontwikkelingen in Oostenrijk. Ik heb hier afgelopen vrijdag na afloop van de ministerraad mededeling van gedaan. Wij hebben nauw contact met de andere EU-lidstaten. De minister van Buitenlandse Zaken heeft gisteravond de zorgen van het Nederlandse kabinet overgebracht aan de Oostenrijkse minister van buitenlandse zaken, de heer Schüssel. De veertien regeringsleiders van de Europese Unie hebben gisteren, maandag 31 januari, juist vanwege hun grote zorgen over de mogelijke effecten van de vorming van een regering met daarin de FPÖ, bij monde van de voorzitter van de Unie een verklaring aan Oostenrijk gezonden. Hierover is in het afgelopen weekeinde het nodige overleg gevoerd.

De heer Rosenmöller vroeg hoe de meningsvorming in het kabinet tot en met vrijdag is verlopen. Hij sprak over een eventuele inschattingsfout. Als voorzitter van de ministerraad is mij slechts bekend dat het onderwerp Oostenrijk op vrijdagmorgen zeer bijtijds aan de orde is geweest, op het gebruikelijke moment, namelijk dat waarop de minister van Buitenlandse Zaken zijn punten inbrengt. Hij heeft toen voorgesteld dat wij ervoor zouden kiezen bezorgdheid en verontrusting tot uitdrukking te brengen en die overbrengen aan Oostenrijk en dat wij in nauw contact met de leden van de EU zouden nagaan hoe wij te werk moeten gaan, ook in de aanloop naar een eventuele onverhoopte vorming van zo'n kabinet met de FPÖ. Ik kan de opmerkingen die de minister voor afgelopen vrijdag heeft gemaakt, dan ook niet anders zien dan als een uiting van voorzichtigheid. Hij wilde dat het kabinet daar eerst over zou spreken. Dat is nu ook gebeurd.

De heer Rosenmöller heeft verder gevraagd wat de EU-maatregelen inhouden. Ik kan slechts citeren wat de minister-president van Portugal, mede namens Nederland, heeft gezegd: geen bilaterale, officiële contacten op politiek niveau met een eventuele regering met de FPÖ, geen steun aan Oostenrijkse internationale kandidaturen vanuit de Unie en Oostenrijkse ambassadeurs zullen uitsluitend op technisch niveau worden ontvangen. Dit uiteraard allemaal met ingang van dat eventuele moment waarop zo'n kabinet, met de FPÖ, zou zijn gevormd.

Wordt er ook gedacht over verdergaande maatregelen als zo'n kabinet eventueel zou zijn gevormd? Het lijkt mij verstandig ervan te blijven uitgaan dat politieke partijen in een land, in het licht van de geldende verhoudingen, zelf verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop een verkiezingsuitslag zijn vertaling krijgt in de regeringsvorming. De Europese Unie, althans de veertien, heeft het nodig gevonden om reeds op dit moment en op deze wijze tot uitdrukking te brengen hoezeer dit voor haar een aangelegen kwestie is, gelet op de normen en waarden die tot het gezamenlijk EU-gedachtegoed behoren en het feit dat het gedachtegoed van de partij van de heer Haider daar haaks op staat. Verder is het aan de democratische instellingen in Oostenrijk om op enig moment de eigen verantwoordelijkheid te nemen. Het lijkt me dat we nu niet vooruit moeten lopen op het eventuele moment van regeringsvorming daar. Ik vind het van groot belang te weten hoe dan het programma luidt. Dat is iets anders dan reageren op tussentijdse speculaties. Verder is het ook van belang hoe de daden en het beleid van de eventuele nieuwe Oostenrijkse regering zullen zijn. Het behoeft geen betoog dat die daden en het beleid op de aangelegen punten door de partners in de Europese Unie met de grootst mogelijke alertheid zullen worden beoordeeld.

Is de minister-president bij dit onderwerp het eerste aanspreekpunt voor het parlement? Dat hangt in de eerste plaats af van de keuzes die het parlement maakt. De heer Rosenmöller heeft mij vandaag gevraagd om dit vragenuur bij te wonen. Op dit moment ben ik dus voor het parlement het eerste aanspreekpunt. Ik zou het echter prettig vinden als het parlement de staatsrechtelijke plaats die de minister van Buitenlandse Zaken ook op dit aangelegen onderwerp heeft, blijft respecteren.

De heer Rosenmöller zei dat hij geen behoefte heeft aan discussie over de skivakantie van een staatshoofd. Ik waardeer dat zeer. Het lijkt mij verstandig dat onze Koningin haar vakantie houdt op de plaats en de wijze die haar met haar familie goeddunkt. Ik zie de plaats waar zij volgende week haar skivakantie heeft absoluut niet als een uiting waarbij zij in politieke zin en officieel namens Nederland aanwezig is.

De heer Rosenmöller (GroenLinks):

Voorzitter! De minister-president zegt dat de Oostenrijkers zelf de bevoegdheid hebben om hun politici te kiezen en hun kabinet samen te stellen. Hij heeft wat dat betreft het grootste gelijk van de wereld. Op het moment echter dat vanuit die coalitievorming een situatie dreigt die zeer negatief zou kunnen uitpakken voor het Europese beleid en het democratische karakter van Europa, heeft Europa ook het grootste gelijk van de wereld om druk op Oostenrijk uit te oefenen om ervoor te zorgen dat de democratische krachten daar aan de winnende hand zijn en blijven. In die zin zie je je altijd geplaatst voor een dilemma, namelijk of het productief is om die druk uit te oefenen. Mijn stelling is dat je, als je het niet doet, extreem rechts in de andere landen in de kaart speelt en een duw in de rug geeft om zich te ontwikkelen zoals het in Oostenrijk is gegaan.

De lijn is nu geworden dat die druk wel wordt uitgeoefend. Ik vind het niet helemaal recht doen aan de werkelijkheid als de minister-president zegt dat hij en ook de minister van Buitenlandse Zaken zich tot vrijdag heeft geuit, zoals dat is gebeurd, en dat hij wilde wachten tot de vergadering van de ministerraad. Er is wel degelijk een lijn gekozen. Die lijn is vrijdag veranderd. Dat zou hij ruiterlijk moeten toegeven, al telt uiteindelijk het resultaat. Ik ben met de lijn die vrijdag is gekozen, tevreden. Als die lijn op de korte termijn in Oostenrijk niet het gewenste succes heeft, zul je moeten doorgaan met het ontwikkelen van drukmiddelen. Ik kan mij niet voorstellen dat een land als Oostenrijk, gelegen midden in Europa, zich op de lange termijn een positie kan permitteren om daar geïsoleerd op te treden en politiek te bedrijven. Ik heb daarom het vertrouwen dat wij hopelijk op korte termijn het resultaat zullen boeken waarover de minister-president spreekt en anders, als dat onverhoopt niet lukt, op de lange termijn dat effect mogen verwachten. Ik vind daarom dat de minister-president nu moet zeggen dat er, als het onverhoopt op de korte termijn niet lukt met de coalitievorming, wat hem betreft een discussie gevoerd gaat worden in Europa over de geldstroom richting Oostenrijk, over de stemmen die Oostenrijk heeft in te brengen in de Europese Unie en over de vraag of dit een vakantieland is waar wij ons prettig voelen. Ik wil die discussie op dat moment graag met de regering en andere partijen voeren. Ik ontvang daar graag een reactie op van de minister-president.

Minister Kok:

Mevrouw de voorzitter! In de eerste plaats mag uit mijn reactie van zojuist en uit de uitspraken die ik de afgelopen dagen heb gedaan, zijn gebleken dat ik niet van mening verschil met de heer Rosenmöller over de vraag of de EU en de EU-landen hier recht van spreken hebben. Zij hebben zeer wel recht van spreken en ook het recht om de woorden daarbij te kiezen en de momenten te kiezen die zij wensen, juist in het belang van de oprechtheid waarmee zij hun waarden en normen verdedigen en in hun vaandel dragen. Dit is dus verder geen punt van discussie. Natuurlijk is de afgelopen dagen afgewogen, in de eerste plaats door het Portugese voorzitterschap, of het wenselijk zou zijn om nu reeds, aan het begin van deze nieuwe week, tot uitdrukking te brengen richting Oostenrijk wat de beleidslijn van de veertien lidstaten zal zijn indien het zou komen tot de vorming van een kabinet met daarin de FPÖ. Dat zo zijnde, moet nu niet weer een nieuw pakket worden opgesteld, bestaande uit maatregelen die daar bovenop komen. De vraag is geweest: wat zijn drie vergaande maatregelen en wanneer maken wij die bekend? Het moment van bekendmaking was gisteren. Wanneer er eventueel, onverhoopt, een dergelijke regering in Wenen zou komen – volledig respecterend de beslissingen die men daar uiteindelijk in het Oostenrijkse democratische bestel neemt – is het moment aangebroken om met ijzeren precisie, buitengewoon alert en met inachtneming van de normen en beginselen die wij met elkaar in de EU delen en ook in andere internationale verdragen hebben neergelegd, Oostenrijk te beoordelen op program, inhoud en beleid, en dan niet anders dan op technisch en werkniveau, dus niet op officieel niveau. Wij moeten dan de werkzaamheden in de Unie voortzetten, in de hoop dat daarvan een werking zal uitgaan, zoals wij hopen dat ook thans een werking zal uitgaan van de houding die wij aannemen.

Wat het onderwerp Oostenrijk vakantieland betreft, ben ik, afgezien van de specifieke aanleiding die de heer Rosenmöller aangaf en waar ik een reactie op heb gegeven, van mening dat het in het algemeen niet de beste reactie is om mensen in een land te isoleren. Een kritische dialoog, een samenspraak en elkaar leren begrijpen en beïnvloeden vormen een betere methode dan het dichtdoen van de grenzen en de uitspraak dat wij nu, als consument of als toerist, even met dit land of de mensen in dit land niets van doen willen hebben. Zo'n gedragslijn zal in het algemeen eerder versterkend voor de door ons zo bekritiseerde krachten leiden dan andersom.

De heer Weisglas (VVD):

Voorzitter! Er is helemaal geen lang betoog voor nodig om te zeggen dat ook de VVD-fractie natuurlijk zeer bezorgd is over hetgeen in Oostenrijk zou kunnen gaan gebeuren, namelijk deelname van Haiders FPÖ aan de regering. Tegelijkertijd moeten wij erkennen dat, indien dit onverhoopt zou gebeuren, dit dan plaats zou vinden in het kader van een democratisch proces in een democratisch land. Het is dan ook van groot belang om, zoals de minister-president al zei, vanaf dat moment dat hopelijk toch niet zal komen, de regering van Oostenrijk vanuit de EU – en dus ook vanuit Nederland – zeer scherp waar te nemen op het naleven van de EU-verdragen, de mensenrechtenverdragen en afspraken over gelijke behandeling. Mochten die niet worden nageleefd, dan is het moment daar om vanuit de EU maatregelen, zo nodig harde maatregelen, te nemen. Ik meen dat dit de benadering van de minister-president was en ik zou hem willen vragen of ik dat goed heb begrepen.

Mijn laatste korte zin, voorzitter. Wat betreft Oostenrijk vakantieland, zoals de minister-president het noemde, is de VVD-fractie het geheel eens met de benadering van de Nederlandse regering.

De voorzitter:

Er hebben zich nog vijf of zes mensen gemeld voor dit onderwerp. Als iedereen zoveel tijd neemt als tot nu toe het geval is geweest, dan weten wij allen hoe het gaat met de mondelinge vragen die ook nog vandaag aan de orde zouden moeten komen.

Minister Kok:

Voorzitter! Ik meen dat ik voldoende duidelijk heb gemaakt dat de maatregelen die nu reeds door de veertien zijn genoemd, ingaande op het moment van het eventuele tot stand komen van zo'n regering, heel duidelijk en ook heel vergaand zijn. Wij zullen die in alle scherpte toepassen en het beleid van zo'n eventuele Oostenrijkse regering inhoudelijk kritisch volgen en beoordelen en geen ruimte laten voor het binnensluipen van een aantasting van de waarden en normen waaraan wij juist in onze Europese Unie zo hechten. In die zin meen ik in belangrijke mate aan te sluiten bij wat de heer Weisglas in zijn woorden zei.

De heer Van Middelkoop (GPV):

Mevrouw de voorzitter! Ik denk dat het Europa van de veertien snel en adequaat heeft gereageerd. Ik wil daarvoor mijn waardering uitspreken. De minister-president heeft een drietal maatregelen genoemd die genomen worden. Hij heeft eraan toegevoegd dat in het geval dat de partij van de heer Haider in de regering komt, Oostenrijk zal worden beoordeeld op daden en beleid. Ik denk dat het ook moeilijk anders kan. Maar betekent dit dat als er in Oostenrijk een proces van fatsoenering plaatsvindt, die maatregelen te zijner tijd ook weer worden ingetrokken? Is het denkbaar dat als de partij van de heer Haider in de regering komt, Oostenrijk op een gegeven moment voorzitter wordt van de Europese Unie? Die mogelijkheid doet zich gelukkig nog niet volgend jaar voor, maar dat moment kan wel komen.

Ten slotte, mevrouw de voorzitter, wil ik nog een vraag stellen aan de heer De Graaf. In de kranten heb ik gelezen – hij moet zelf maar aangeven of dat goed is weergegeven – dat naar zijn oordeel de diplomatieke contacten met Oostenrijk zouden moeten worden verbroken, als er sprake zou zijn van schending van mensenrechten. Als zijn woorden juist zijn weergegeven, waarom heeft zijn fractie dan niet al eerder de verbreking bepleit van dat soort banden met China, Turkije en al die andere landen op de lijst van Amnesty International?

Minister Kok:

Mevrouw de voorzitter! Ik zie niet zo snel dat, nu de veertien partners van de Europese Unie op deze wijze A hebben gezegd, B straks achterwege zal blijven. De heer Van Middelkoop zegt: stel dat er een fatsoenering optreedt. Maar het gedachtegoed van de partij van de heer Haider blijft wel aanwezig. Het is geformuleerd en het is gepresenteerd. Als dat op deze wijze in een regeringscoalitie wordt ingebracht, is daarmee een feit neergezet dat duidelijk genoeg is en voor ons aanleiding moet zijn om de lijn te handhaven die in het weekend is geformuleerd.

Het voorzitterschap van de Unie vloeit uit de verdragsbepalingen voort. Ik denk dat daaraan niet zo makkelijk zal kunnen worden getornd, maar het zal wel een bijzondere druk op Oostenrijk leggen en blijven leggen om een antwoord te geven op de vraag of die politieke situatie in het zicht van een naderend voorzitterschap kan voortduren. Maar dat is, zoals de heer Van Middelkoop zelf al aangaf, natuurlijk van later orde.

De heer De Graaf (D66):

Voorzitter! Ik dank de heer Van Middelkoop voor de mogelijkheid om een correctie aan te brengen. Natuurlijk is het door hem geciteerde nooit door mij gezegd en nooit door mij bedoeld. In de persverklaring die de fractie van D66 vorige week reeds heeft uitgegeven, staat dat indien het in Oostenrijk zou komen tot een regering met de FPÖ, dit gevolgen kan hebben, zowel nationaal als Europees, voor de diplomatieke betrekkingen. Dat is natuurlijk heel wat anders dan de conclusie dat de diplomatieke betrekkingen dan maar moeten worden verbroken.

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Mevrouw de voorzitter! De CDA-fractie kan in grote lijnen de analyse onderschrijven die de minister-president, de regering, geeft van de maatregelen die zijn genomen. Ook wij waren meer tevreden met de reactie van de minister-president vrijdag dan met de eerdere reactie van de minister van Buitenlandse Zaken, maar dat terzijde. Mijn vraag aan de minister-president is deze. Is er precies dezelfde houding te bespeuren bij de maatregelen die de Raad heeft afgekondigd en datgene wat wij lezen in de verklaring van de Commissie? Met andere woorden: volgt de Commissie vanuit haar eigen verantwoordelijkheid de maatregelen die de Raad aan de lidstaten heeft opgelegd?

Voorzitter! Ik heb afgelopen vrijdag gesproken over een donkere grens die in Oostenrijk genaderd wordt als de FPÖ mee gaat regeren. Dat heeft ook alles te maken met die waardegemeenschap en met een partij die geleid wordt door een man die ieder uur weer er blijk van geeft die waardegemeenschap niet te delen. Dat is natuurlijk de ernst; het is een partij, maar ook de leider van zo'n partij die zich op een bepaald moment uit. Ik wil wel zeggen dat binnen mijn internationale Europese politieke familie, de EVP, er alles aan wordt gedaan om ook deze stelling uit te dragen. Ik weet dat ik mij op de grens bevind, maar ik mag er toch van uitgaan – ik zou dat mijn collega Melkert willen vragen – dat ook binnen de sociaal-democratische familie er alles aan wordt gedaan om als het nog kan deze coalitie in Oostenrijk te voorkomen? Ik vind dat niet alleen de ÖVP maar ook de Oostenrijkse sociaal-democratische partij een verantwoordelijkheid draagt voor het niet tot stand komen van een coalitie die zodanig anders zou zijn dat wij hier niet hadden hoeven te staan. Als er nog oproepen gedaan kunnen worden, dan doe ik die bij dezen!

Minister Kok:

Voorzitter! De laatste vraag was weliswaar aan de heer Melkert gericht, maar op diezelfde grens balancerend tussen staatsrechtelijke verantwoordelijkheid en politieke betrokkenheid bij de gebeurtenissen in Oostenrijk zou ik de vraag van de heer De Hoop Scheffer toch wel in positieve zin willen beantwoorden.

Wat de Europese Commissie betreft, zie ik haar verklaring zo dat zij daarin de zorg van de regeringsleiders onderschrijft, aangeeft hoe zij haar verantwoordelijkheid ziet, zoals neergelegd in het EU-verdrag en in het bijzonder waar het gaat om de implementatie van de artikelen 6 en 7, erop wijst dat het functioneren van de Europese instellingen als zodanig thans niet is aangetast, opmerkt dat ze de ontwikkelingen nauwgezet zal blijven volgen en zij daarbij haar werkrelatie met Oostenrijk zal voortzetten. Dat lijkt mij een verklaring die, met inachtneming van de verschillen die natuurlijk bestaan tussen de Europese Commissie als institutie en de verantwoordelijkheid van de regeringsleiders, toch in het verlengde van de verklaring van de regeringsleiders ligt. De werkrelatie is natuurlijk ook door de uitspraak van de veertien niet in het geding gebracht. Ik lees hier en daar al eens beschouwingen over een eventueel isolement, maar dat is niet aan de orde. Het gaat om een werkrelatie die de aard van de relatie, de contacten, tot het minimum terugbrengt tot dat wat noodzakelijk is om de Unie te kunnen laten functioneren en tegelijkertijd niet meer, ook om niet de verkeerde indruk te wekken, als zou na de vorming van een dergelijk kabinet de relatie met Oostenrijk business as usual zijn, wat die uiteraard in geen enkel opzicht is.

De heer Melkert (PvdA):

Voorzitter! Ik begrijp de vraag, maar aarzel toch een beetje om erop in te gaan, omdat wij hier toch ervoor moeten uitkijken om alle afwegingen die in Oostenrijk aan de orde zijn tot de onze te maken. Wij staan inderdaad in direct contact met de SPÖ en begrijpen daaruit ook een duidelijke, resolute houding van de SPÖ, die zij overigens ook al voor de verkiezingen had, en wel geen samenwerking met de FPÖ van Haider. Zoals ik de situatie in Oostenrijk waarneem, denk ik dat het feit dat in de besprekingen tussen SPÖ en ÖVP, de sociaal- en de christen-democraten, door de christen-democraten toch steeds een kleine kier open is gehouden om eventueel besprekingen met de FPÖ te voeren, een rol heeft gespeeld in het er niet uit kunnen komen tussen beide partijen. Ik voeg eraan toe dat wij de overwegingen die spelen in de besprekingen tussen die twee partijen niet tot de onze te maken. Wel staat als een paal boven water dat de SPÖ niet met de FPÖ van Haider samen wil.

De voorzitter:

Wellicht kunt u nu direct uw eigen vraag stellen!

De heer Melkert (PvdA):

Ik zou graag waardering willen uitspreken aan het adres van de regering en met name voor het feit dat samen met de andere dertien lidstaten van de EU zo krachtig gezamenlijk wordt opgetreden. Het is namelijk uniek in de geschiedenis van ons deel van Europa dat waarden en normen door zoveel landen tegelijkertijd zo duidelijk worden gerepresenteerd. Die lijn moet worden voortgezet. Er is ook in de vragen gesproken over de situatie die zou kunnen ontstaan, maar er is in feite al iets ontstaan. Naar het zich laat aanzien is immers in een voorlopig akkoord of een deelakkoord tussen de onderhandelende partijen al afgesproken dat er een immigratiestop komt. Heeft onze minister van Buitenlandse Zaken dit gisteren aan de orde gesteld in zijn contact met zijn Oostenrijkse collega? Heeft hij daarbij verwezen naar de uitgangspunten van de Europese Unie die naar mijn mening zo'n immigratiestop in enig land van de Europese Unie niet toestaan?

Mevrouw de voorzitter! Ten slotte onderstreep ik van harte dat wij ons niet richten tegen de Oostenrijkers. De minister-president heeft dit op zijn manier ook gezegd. Heeft hij dit al overgebracht of is hij bereid dit over te brengen aan de nog in functie zijnde bondskanselier?

Minister Kok:

Voorzitter! Dit laatste heb ik zeker overgebracht aan bondskanselier Klima toen ik hem vorige week sprak op een internationale bijeenkomst. Ik denk dat het meer in het algemeen heel belangrijk is – ook na de verklaring van gisteren – dat wij in onze politieke en andersoortige uitingen over de risico's die thans in Wenen dreigen en de redengeving daarvan, geen houding of beeldvorming laten insluipen die de Oostenrijkse oester nog verder doet sluiten. Dit brengt immers het risico met zich mee dat buitenlandervijandigheid en dat soort fenomenen nog meer terrein zouden kunnen winnen. In de manier waarop wij ons uitdrukken – ook na de eerste politieke verklaringen – kunnen wij daaraan veel doen. Ik zeg dit tegen onszelf – als regering – maar ook tegen anderen in en buiten de politiek.

Het punt dat de heer Melkert naar voren brengt over een eventuele immigratiestop, is naar mijn beste weten zeker ook in het contact tussen de minister van Buitenlandse Zaken en zijn ambtgenoot in Wenen aan de orde geweest. Overigens heb ik de indruk dat er de afgelopen dagen van verschillende kanten de nodige uitleg is gegeven over wat nu precies terzake in Oostenrijk zou zijn afgesproken. Vandaar dat ik ook het liefste wacht op de eventuele uitkomsten en de beleidsprogram- ma's en -daden in plaats van daarop reeds nu te anticiperen, maar dat heeft de heer Melkert ook niet gevraagd.

De heer De Graaf (D66):

Voorzitter! Ik ben blij met het standpunt dat de Nederlandse regering sinds afgelopen vrijdag heeft ingenomen. Het moet mij wel van het hart dat dit standpunt – dat ik van harte ondersteun – zeer afwijkt van de eerste reactie die namens de minister van Buitenlandse Zaken werd gegeven. Het is opmerkelijk dat de minister-president op vragen van collega Rosenmöller daarvan geen kwalificatie heeft gegeven. Ik wil de minister-president vragen of hij met mij van mening is dat die eerste reactie dat wij ons niet hebben te bemoeien met de Oostenrijkse kabinetsformatie, op zijn minst ongelukkig en misplaatst was.

Een tweede vraag betreft de concrete voornemens van de nieuwe Oostenrijkse regering met de FPÖ daarin. De maatregelen die de landen van de Europese Unie zich hebben voorgenomen, zien niet op de concrete beleidsvoornemens of een concreet regeringsprogramma. Indien in dit regeringsprogramma iets staat over een immigratiestop of een kinderbijslag alleen voor autochtone Oostenrijkse kinderen, deelt de minister-president dan mijn mening dat de Europese Unie zich verder moet beraden op verdergaande stappen dan hetgeen nu reeds is afgesproken over het überhaupt tot stand komen van zo'n coalitie?

Mijn derde vraag is of de minister-president van mening is dat – indien die coalitie tot stand komt – de Nederlandse regering het parlement regelmatig en zeer frequent zou moeten rapporteren over de politieke situatie in Oostenrijk en over de situatie rond de mensenrechten.

Minister Kok:

Mevrouw de voorzitter! Ik begrijp dat de heer De Graaf een spanning voelt tussen de wijze waarop de minister van Buitenlandse Zaken zich voor vrijdag in de Kamer heeft uitgelaten en het standpunt van het kabinet. Ik kan niet anders reageren dan ik zojuist heb gedaan. Er is mij niet gebleken dat in de ministerraad sprake is van enig verschil van inzicht. De minister van Buitenlandse Zaken heeft zelf het voorstel gedaan dat ik 's avonds heb verwoord. Ik denk dat de opstelling van de minister van Buitenlandse Zaken is ingegeven door voorzichtigheid op weg naar de ministerraad. Ik zie geen reden om er een andere kwalificatie aan te geven.

Bij de beoordeling van het regeringsprogram zal een duidelijk onderscheid moeten worden gemaakt tussen het regeringsprogram zelf en de wijze waarop het neerslaat in beleid dat in de EU wordt besloten en bepaald. Ik ben van mening dat wij nog niet zover kunnen gaan dat wij over de grenzen heen een beoordeling kunnen geven van de regeringsprogramma's van de verschillende lidstaten. Wij moeten ons richten op programmaonderdelen en meer in het bijzonder op de beginselen, de waarden en de normen die aan beleidskeuzes ten grondslag liggen en die hun impact direct en indirect hebben op het EU-beleid. Ik denk daarbij vooral aan het asielbeleid, de houding ten opzichte van de instroom, immigratie enzovoort. Dat bedoelde ik ook met mijn woorden over het kritisch volgen en het beoordelen van het beleid en de uitvoering ervan. Deze beoordeling kan onmiddellijk van invloed zijn op het debat en de oordeelsvorming in de EU. De regering zal het parlement bij de behandeling van specifieke onderwerpen informeren, zodat de Kamer over alle informatie en het oordeel van het kabinet terzake beschikt.

De heer Marijnissen (SP):

Mevrouw de voorzitter! In Nederland zijn wij in staat gebleken extreem rechts uit het parlement te verdrijven. In Oostenrijk wordt de situatie echter gekenmerkt door een steeds verdere opmars van de FPÖ, zoals blijkt uit het feit dat Haider op dit moment president van Karinthië is. Kan de minister-president zijn licht laten schijnen over de oorzaken van het crescendo van de bruinhemden in dit land en van het feit dat zij nu zelfs een potentiële regeringskandidaat zijn? Is verder uitsluiting van het lidmaatschap niet het enige antwoord van de EU op een Oostenrijkse regering met daarin de FPÖ, een rechts-extreme, halffascistoïde organisatie met zeer bedenkelijke opvattingen?

Tot slot stel ik een vraag aan de heer De Hoop Scheffer. Iedereen spreekt zijn verontwaardiging uit over de FPÖ. Deze partij onderhandelt momenteel met de christen-democraten in Oostenrijk. De sociaal-democraten hebben al aangeven niet met deze partij te willen samenwerken. Is een veroordeling van de christen-democratische partij in Oostenrijk niet evenzeer op zijn plaats? Vindt hij verder ook niet dat er maatregelen moeten worden getroffen tegen deze christen-democratische partij als zij een regering vormt met de FPÖ? Ik denk daarbij aan uitstoting uit de fractie van het Europees Parlement.

Minister Kok:

Het is verleidelijk, maar ik zal toch de verleiding proberen te weerstaan, een geïmproviseerde beschouwing te geven van de achtergronden van de Oostenrijkse binnenlands politieke situatie en het verschijnsel FPÖ. Hierover valt veel te zeggen, maar ik denk niet dat mij dit zal lukken binnen het mij toegemeten tijdsbestek. Zelfs als ik over meer tijd zou beschikken, zijn er risico's verbonden aan een dergelijke improvisatie.

Uitsluiting van Oostenrijk is thans absoluut niet aan de orde. In de artikelen 6 en 7 van het Verdrag van Amsterdam zijn heel kostbare beginselen neergelegd. De EU is gegrondvest op de beginselen vrijheid, democratie, eerbiediging van de rechten en de fundamentele vrijheden van de mens en de rechtsstaat die de lidstaten gemeen hebben. Elke regering van een lidstaat van de EU weet dat zij op het waarborgen en naleven van die rechten moet worden beoordeeld. Op het moment dat Oostenrijk op dit punt de bocht uit vliegt, is het moment van de waarheid aangebroken en komt de vraag aan de orde of een en ander nog wel kan worden toegestaan. Voor dat moment is die vraag niet aan de orde. Juist het feit dat onder omstandigheden kan worden ingegrepen, is een ernstige waarschuwing om het niet zover te laten komen aan al diegenen die in dat zo gewaardeerde land verantwoordelijkheid dragen.

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Met dezelfde restrictie als die van de minister-president en van de heer Melkert wil ik graag de vraag van de heer Marijnissen beantwoorden. De EVP, waarvan het CDA en ook de ÖVP lid zijn, kent het "Atheens program van uitgangspunten" dat is gebaseerd op dezelfde waarden als die in ons parlement worden beleden. Hieraan wordt iedere lidpartij getoetst. Tot op heden heb ik noch van de ÖVP noch van de heer Schüssl de indruk gekregen dat zij met die waarden een loopje zullen nemen en ik ga ervan uit dat dit niet zal gebeuren.

De heer Dijkstal (VVD):

Voorzitter! Het kost mij weinig moeite om mijn grootste bezorgdheid uit te spreken bij de beoordeling van de FPÖ, haar leider en haar denkbeelden. Dit zal niemand die zich herinnert dat de Nederlandse liberalen hebben bewerkstelligd dat de FPÖ uit de liberale internationale moest treden, verbazen. Eigenlijk heb ik er ook niet veel moeite mee om te erkennen dat wat Oostenrijk met de uitslag van de verkiezingen doet en hoe het tot een regering komt, een zaak van Oostenrijk zelf is. Wel spelen hierbij een aantal problemen, zoals de vraag hoe je op de FPÖ moet reageren, wetende dat een te scherpe reactie het risico met zich brengt dat de positie van die partij juist wordt versterkt in plaats van verzwakt.

Het tweede probleem herkende ik in de woorden van de minister-president: hoe moet je reageren op de mogelijke effecten van een verkeerde regering? Eigenlijk zou je moeten wachten totdat deze regering een feit is, zodat je passend op acties kunt reageren. Maar met de heer Rosenmöller ben ik van mening dat je er verstandig aan doet om nu al te laten weten hoe zwaar je aan deze kwestie hecht en welke onderdelen voor Nederland of voor de Europese Unie onaanvaardbaar zullen zijn. Het gaat om het vinden van een balans en een voortdurende inschatting van de effecten van het internationale optreden. De Unie had natuurlijk vorige week al gezamenlijk kunnen reageren, maar ook hierbij is sprake geweest van een proces. Gisteren kwam er een onmiskenbaar politieke verklaring. Ik ga ervan uit dat het kabinet de juiste toon zal weten te vinden voor een maximaal effect.