34 682 Nationale Omgevingsvisie

Nr. 2 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 5 september 2017

De vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Infrastructuur en Milieu over de brief van 17 februari 2017 inzake de Startnota «De opgaven voor de Nationale Omgevingsvisie» (Kamerstuk 34 682, nr. 1).

De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 4 september 2017. Vragen en antwoorden, voorzien van een inleiding, zijn hierna afgedrukt.

De fungerend voorzitter van de commissie, Van Veldhoven

De adjunct-griffier van de commissie, Jansma

Inleiding

Het doet mij goed dat uw Kamer zoveel vragen heeft over de startnota «De opgaven voor de Nationale Omgevingsvisie» (NOVI). Ik vat dat op als blijk van uw belangstelling voor deze belangrijke eerste stap naar de NOVI, zoals ook uw uitnodiging voor een technische briefing die plaats had op 21 juni 2017. Met deze brief beantwoord ik de vragen die u 28 juni 2017 aan mij heeft gestuurd.

Voordat ik de afzonderlijke vragen beantwoord, maak ik graag van de gelegenheid gebruik om enige toelichting te geven op de betekenis van de startnota voor de inhoud van de NOVI en op het verdere proces naar de NOVI. Veel van de door uw Kamer gestelde vragen hadden hierop betrekking.

De startnota in relatie tot de Nationale Omgevingsvisie

De startnota is de opmaat naar de NOVI, die het Rijk met het oog op de Omgevingswet opstelt. In de startnota worden nog geen keuzes gemaakt. In de startnota worden alleen de trends en ontwikkelingen op het gebied van de fysieke leefomgeving, de sectorale opgaven en de vier strategische opgaven geagendeerd. De in de startnota beschreven strategische opgaven zijn voortgekomen uit een brede inventarisatie van ontwikkelingen en opgaven in de fysieke leefomgeving, waarover in de aanloop naar de startnota met veel verschillende partijen is gesproken. Een aantal sectorale opgaven, die staan beschreven in hoofdstuk 3 van de startnota, zijn gebaat bij een integrale aanpak over sectoren heen, omdat sprake is van transities die met urgentie moeten worden opgepakt en omdat een integrale aanpak ons in staat stelt belangen af te wegen en kansen voor duurzame groei te benutten. Naast de aanpak van de sectorale opgaven vragen de vier strategische opgaven te midden van alle ontwikkelingen en opgaven in het bijzonder aandacht omdat juist daar de grootste uitdagingen liggen en een samenhangende aanpak meerwaarde heeft. De strategische opgaven zijn:

  • 1. Naar een duurzame en concurrerende economie

  • 2. Naar een klimaatbestendige en klimaatneutrale samenleving

  • 3. Naar een toekomstbestendige en bereikbare woon- en werkomgeving

  • 4. Naar een waardevolle leefomgeving.

Met de startnota geef ik richting aan discussie over de toekomst van de leefomgeving en de beleidskeuzen die daarvoor gemaakt moeten worden.

We staan voor urgente opgaven. Deze opgaven spelen dwars door schaalniveaus, beleidsterreinen en landsgrenzen heen. Het is belangrijk dat we hierin gezamenlijk koers bepalen en sneller afwegingen maken, met meer oog voor de samenhang van aspecten als economie, milieu, leefbaarheid en duurzaamheid. De Nationale Omgevingsvisie biedt hiervoor het platform. Daarbij beseft het kabinet dat streven naar meer samenhang niet moet verzanden in een alomvattende strategie of visie waarin alles met alles verbonden is. Pragmatiek en realisme zijn belangrijk. Zodat op een aantal te selecteren grote onderwerpen echte stappen kunnen worden gezet. Waarmee we de benoemde grote opgaven daadwerkelijk aanpakken. Behalve van de te maken keuzes zal veel afhangen van de werkwijze die we vervolgens kiezen om deze keuzes tot resultaten te laten leiden.

De NOVI maakt het mogelijk om te bouwen aan:

  • noodzakelijke en gewenste vernieuwingen in de fysieke leefomgeving: door voor de lange termijn in de NOVI doelen te stellen, en die ook binnen bereik te brengen door ze te vertalen naar de kortere termijn van programma’s, concrete acties, plannen en projecten. Dit vraagt om selectieve keuzes binnen de volle breedte van de fysieke leefomgeving: waar zijn veranderingen nodig voor bereikbaarheid, cultuur en erfgoed, defensie en nationale veiligheid, economische ontwikkeling, energievoorziening, gebouwde omgeving, gezondheid en veiligheid, natuur en landschap, natuurlijke hulpbronnen, voedsel en landbouw en water?

  • de integrale en samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving: door gerichte inzet op een aantal onderwerpen waarop een gezamenlijke, geïntegreerde ambitie en aanpak wordt geformuleerd. Selectiviteit en integraliteit gaan zo hand in hand.

  • een gezamenlijke koers voor het aangaan van de uitdagingen waar ons land voor staat: Door dit samen te doen met mijn collega bewindslieden, door af te stemmen met de andere overheden, door het maatschappelijk draagvlak en de daadkracht die hierbij nodig is op te zoeken, en door het organiseren van brede betrokkenheid, zorgvuldige belangenafweging, investeringskracht en samenwerking. De Omgevingsvisie kan daarbij alleen volwaardig richting geven en houvast bieden bij de verschillende transities als de keuzes die in de NOVI worden gemaakt worden ondersteund met uitvoeringsinstrumenten als normen, regels en financiële instrumenten. Daarbij moeten de NOVI en de daaraan gekoppelde programma’s en instrumenten niet statisch zijn, maar cyclisch. Zodat we ons in de loop van de tijd kunnen aanpassen aan de grote ontwikkelingen en uitdagingen.

De NOVI wordt de langetermijnvisie over de noodzakelijke en de gewenste ontwikkeling naar een duurzame fysieke leefomgeving. Een Nederland dat veilig en gezond is, een goede omgevingskwaliteit biedt en waarin tegelijkertijd ruimte is voor maatschappelijke en economische functies nu en in de toekomst.

De Nationale Omgevingsvisie is zelfbindend voor het Rijk. Deze juridische werkelijkheid vraagt echter ook een pragmatische benadering. Het integrale en nationale karakter van de NOVI vraagt namelijk om directe betrokkenheid van en interactie met vele partijen. De opgaven waar we in Nederland voor staan kunnen niet door één partij worden aangepakt. Ze vragen om coalities van overheden, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en burgers.

De Nationale Omgevingsvisie wordt pas echt effectief als hij inspireert, verbindt en aanzet tot gerichte, gezamenlijke actie in onze samenleving.

Het proces van startnota naar Nationale Omgevingsvisie

In 2017 ligt de focus op de verdieping van de vier strategische opgaven uit de startnota en de uitwerking van beleidsopties. Hiertoe worden vier verdiepingsrapporten opgesteld. Hierbij is ook een participatieproces ingericht.

De verdiepingsrapporten worden daarna met elkaar in verband gebracht om de onderlinge relaties tussen de beleidsopties inzichtelijk te maken. Vervolgens worden keuzes gemaakt. Bij de overgang van Fase 2 naar Fase 3 informeer ik de Kamer over de resultaten van de verdiepingsfase en de richting waarin de NOVI verder wordt uitgewerkt.

Ik streef ernaar om eind 2018 de concept NOVI gereed te hebben, waarna ik deze aan de Kamer toestuur. De Nationale Omgevingsvisie kan dan in 2019 worden vastgesteld.

Ik ga nu over tot de beantwoording van uw vragen.

Vraag 1:

Wat is de bedoeling en de status van de voorliggende startnota «Opgaven voor de Nationale Omgevingsvisie»?

Antwoord 1:

De startnota is de opmaat naar de NOVI, die het Rijk volgens artikel 3.1 van de Omgevingswet zal moeten vaststellen. In de startnota worden nog geen keuzes gemaakt. In de startnota worden de trends en ontwikkelingen op het gebied van de fysieke leefomgeving, de sectorale opgaven en de vier strategische opgaven geagendeerd:

  • 1. Naar een duurzame en concurrerende economie

  • 2. Naar een klimaatbestendige en klimaatneutrale samenleving

  • 3. Naar een toekomstbestendige en bereikbare woon- en werkomgeving

  • 4. Naar een waardevolle leefomgeving

Met de startnota geef ik richting aan discussie over de toekomst van de leefomgeving en de beleidskeuzen die daarvoor gemaakt moeten worden.

Vraag 2:

Op welke wijze wordt de rechtszekerheid van de inwoners van Nederland in deze Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geborgd?

Antwoord 2:

Transparantie en rechtszekerheid waar het gaat om het beleid inzake de leefomgeving acht ik van groot belang. De NOVI speelt daarin een centrale rol, ook al heeft de NOVI zelf geen directe rechtsgevolgen voor burgers en kan rechtszekerheid niet met het instrument van de Omgevingsvisie alleen worden geborgd. Als de NOVI in werking is getreden, moet het Rijk in beginsel overeenkomstig de visie handelen. Daarmee biedt de NOVI de inwoners van Nederland duidelijkheid, wat bijdraagt aan de rechtszekerheid. De NOVI zal aanleiding zijn tot de inzet van andere instrumenten die wel directe rechtsgevolgen hebben, zoals algemene regels, projectbesluiten en de omgevingsvergunning. De desbetreffende wet- en regelgeving voorziet dan in bescherming van de belangen van burgers.

Vraag 3:

Op welke wijze wordt de NOVI bindend en voor wie? Op welk moment? Wat prevaleert er op welke wijze boven de NOVI?

Antwoord 3:

De Omgevingswet maakt onderscheid tussen visie en norm, en biedt instrumenten voor beide (Kamerstuk 33 962). De NOVI is de nationale strategische visie op de leefomgeving. Onder de Omgevingswet kan het Rijk via algemene regels (instructieregels in AMvB’s) eisen stellen aan onder meer verordeningen van provincies en waterschappen en omgevingsplannen van gemeenten. De visie en de daaraan gekoppelde programma’s maken de inzet van deze bindende instrumenten voorspelbaar. Het Rijk zal in beginsel overeenkomstig de NOVI moeten handelen. Derden mogen daarvan uit gaan. Het Rijk kan alleen afwijken van de NOVI als het dat goed kan motiveren.

De Omgevingswet voorziet niet in juridische doorwerking van de NOVI naar omgevingsvisies van andere overheden. Andere overheden, burgers en bedrijven, zijn dan ook niet aan de visie in de NOVI gebonden, maar wel aan de daaruit volgende regels en normen. Het is wel belangrijk dat de omgevingsvisies van Rijk, provincies en gemeenten waar nodig op elkaar aansluiten. Provincies en (samenwerkende) gemeenten zullen in hun eigen omgevingsvisies uiting geven aan hun verantwoordelijkheid en keuzes in de fysieke leefomgeving. Goed bestuur betekent dat zij rekening houden met de NOVI, net als het Rijk bij het vaststellen van de NOVI rekening zal houden met het lopende beleid van andere overheden.

Omdat internationale verdragen leidend zijn voor nationale regelgeving is beleid dat in strijd met deze verdragen is, niet uitvoerbaar. Daarmee prevaleren internationale verdragen boven de NOVI.

Zie ook de antwoorden op vraag 4 en vraag 162.

Vraag 4:

Hoe wordt de afstemming en consistentie met regionale omgevingsvisies geborgd, aangezien de NOVI alleen bindend is voor het Rijk?

Antwoord 4:

Artikel 2.2 van de Omgevingswet bevat algemene bepalingen over de afstemming en samenwerking tussen bestuursorganen. Informele en formele consultatie van andere bestuursorganen is daarom van groot belang. In het Omgevingsbesluit is voor omgevingsvisies een motiveringsplicht voor vroegtijdige participatie opgenomen. Onder participatie wordt in de Omgevingswet ook overleg en afstemming van overheden onderling verstaan.

Andere overheden zijn in lijn hiermee, en in lijn met de bredere ontwikkeling van interbestuurlijke, opgavegerichte samenwerking betrokken bij de opstelling van de startnota, in de nu lopende verdiepingsfase, en zij zullen ook daarna intensief betrokken worden bij de opstelling van de NOVI. Zie ook het antwoord op vraag 162.

Vraag 5:

Hoe wordt de randvoorwaardelijkheid van de drinkwatervoorziening voor ruimtelijk- economische ontwikkelingen in het kustgebied opgenomen in de NOVI?

Antwoord 5:

Of en hoe de drinkwatervoorziening in de NOVI zijn beslag krijgt komt aan de orde in het verdere proces van het opstellen van de NOVI. Daarbij zijn de huidige wettelijke en bestuurlijke kaders het startpunt.

Vraag 6:

Welke nota’s met rijksbeleid gaan niet op in de NOVI? Waarom niet en op welke termijn worden ze wel opgenomen?

Antwoord 6:

De NOVI wordt op rijksniveau de integrale strategische visie op de fysieke leefomgeving en vormt daarmee het toekomstige kader voor het omgevingsbeleid. Sectorale beleidsnota’s die niet gericht zijn op de fysieke leefomgeving kunnen daarnaast blijven bestaan.

De precieze bepaling door het kabinet welke nota’s of delen daarvan opgaan in de NOVI, en daaraan gekoppelde programma’s,is onderdeel van het verdere proces van de NOVI.

Vraag 7:

Kunt u aangeven of, en zo ja, op welke manier, u bestuurlijke afspraken (zoals het Kustpact of Green Deals) die reeds gemaakt zijn en/of gemaakt worden met decentrale overheden en die betrekking hebben op de fysieke ruimte, maar niet of slechts gedeeltelijk terugkomen in «harde» wet- en regelgeving, gaat opnemen in de NOVI?

Antwoord 7:

De NOVI zal, net als het beleid in voorgaande beleidsnota’s als de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), worden ondersteund met instrumenten als wet- en regelgeving, bestuurlijke afspraken en financiële instrumenten. Bestaande afspraken die in lijn zijn met de NOVI kunnen worden voortgezet, in de NOVI kan worden benoemd voor welke afspraken dit geldt en welke afspraken in het licht van de nieuwe visie aanpassing behoeven.

Vraag 8:

Hoe gaat u precies invulling geven aan de aangenomen motie-Stienen (Kamerstuk 33 118, Z) waarin de regering wordt verzocht heldere en richtinggevende kaders voor de korte en de lange termijn vast te leggen waarbinnen transities van nationaal belang (op het gebied van energie en klimaat en op het gebied van mobiliteit en woningbouwopgave) vorm moeten krijgen?

Antwoord 8:

Deze motie heb ik verwelkomd als ondersteuning van beleid. De uitvoering ervan zal vorm krijgen met de opstelling van de NOVI. De startnota laat zien dat we voor grote en complexe opgaven staan. Het Rijk zal in de NOVI nationale belangen bepalen en positie kiezen. Het aangaan van de uitdagingen waar ons land voor staat vraagt om een gezamenlijke koers, de NOVI zal die uitzetten. De omgevingsvisie kan alleen volwaardig richting geven en houvast bieden bij de verschillende transities als de strategische lange termijnkeuzen die in de NOVI worden gemaakt worden ondersteund met uitvoeringsinstrumenten als wet- en regelgeving, programma’s en financiële instrumenten.

Vraag 9:

Hoe gaat u er precies zorg voor dragen dat op elk van de door u geïdentificeerde opgaven vlekkeloze monitoring plaats zal vinden? Hoe gaat u dit samen met decentrale overheden precies bewerkstelligen?

Antwoord 9:

Het Planbureau voor de Leefomgeving is verzocht om aan te geven op welke wijze de monitoring van de Nationale Omgevingsvisie het beste vormgegeven kan worden. De uitwerking van deze monitor zal in samenspraak met decentrale overheden plaatsvinden.

Vraag 10:

Wat is het tijdpad voor de NOVI qua uitwerking en besluitvorming? Kunt u meer gedetailleerd en per fase, inclusief een tijdspad, aangeven hoe de Eerste en Tweede Kamer verder betrokken worden bij de totstandkoming van alle ontwerpNOVI's en de uiteindelijke NOVI? Kunt u voorts aangeven dat u geen onomkeerbare stappen zult zetten zonder de Kamer eerst uitgebreid te consulteren?

Antwoord 10:

In 2017 ligt de focus op de verdieping van de vier strategische opgaven uit de startnota en de uitwerking naar beleidsopties. Hiertoe wordt een viertal verdiepingsrapporten opgesteld. Hierbij is ook een participatieproces ingericht.

De verdiepingsrapporten worden daarna met elkaar in verband gebracht om de onderlinge verbanden tussen de beleidsopties inzichtelijk te maken. Vervolgens worden keuzes gemaakt. Bij de overgang van Fase 2 naar Fase 3 informeer ik de Kamer over de resultaten van de verdiepingsfase en de richting waarin de NOVI verder wordt uitgewerkt.

Ik streef ernaar om eind 2018 de concept NOVI gereed te hebben, waarna ik deze aan de Kamer toestuur. De Nationale Omgevingsvisie kan dan in 2019 worden vastgesteld.

Ik bespreek graag met uw Kamer hoe de Kamer bij de totstandkoming van de NOVI betrokken wil worden.

Vraag 11:

Hoe zijn de vier strategische opgaven bepaald? Met andere woorden, hoe bent u tot deze vier opgaven gekomen?

Antwoord 11:

De in de startnota beschreven strategische opgaven zijn voortgekomen uit een brede inventarisatie van ontwikkelingen en opgaven in de fysieke leefomgeving, waarover in de aanloop naar de startnota met veel verschillende partijen is gesproken. Een aantal sectorale opgaven, die staan beschreven in hoofdstuk 3 van de startnota, zijn gebaat bij een integrale aanpak over sectoren heen, omdat sprake is van transities die met urgentie moeten worden opgepakt en omdat een integrale aanpak ons in staat stelt belangen af te wegen en kansen voor duurzame groei te benutten.

De vier strategische opgaven vragen te midden van alle ontwikkelingen en sectorale opgaven in het bijzonder aandacht omdat juist daar de grootste uitdagingen liggen en een samenhangende aanpak meerwaarde heeft.

Vraag 12:

Waarom wordt Brainport Eindhoven niet bij de mainports genoemd?

Antwoord 12:

In het voorwoord van de startnota is verwezen naar de mainports Rotterdamse haven en Schiphol, die als fysieke toegangspoorten naar de wereld gezien kunnen worden. In paragraaf 4.1, «naar een duurzame en concurrerende economie», wordt de Brainport Eindhoven als economisch kerngebied genoemd met de andere (main)ports. In het najaar van 2016 is tijdens de begrotingsbehandelingen van EZ en IenM het belang van Brainport Eindhoven voor de economische ontwikkeling en concurrentiekracht van Nederland nog eens onderschreven (Handelingen II 2016/17, nr. 15, item 10 en Handelingen II 2016/17, nr. 18, items 4 en 7). Bij brief van 6 december 2016 (Kamerstuk 34 550 XIII, nr. 121), heeft de Minister van EZ namens het kabinet laten weten uitvoering te geven aan de moties Ziengs, Mulder/Verhoeven en Mei Li Vos langs de lijnen van de Actieagenda Brainport en de Uitvoeringsagenda Ruimtelijk Economische Ontwikkelstrategie (REOS). Daarmee erkent en behandelt het kabinet Brainport Eindhoven als economisch kerngebied van nationale betekenis, net zoals de grootstedelijke regio’s rond de mainports Rotterdamse haven en Schiphol ook economische kerngebieden van nationale betekenis zijn.

Vraag 13:

Waarom kiest u direct in de inleiding van de NOVI duidelijk voor een economische invalshoek terwijl het uitgangspunt de kwaliteit van de leefomgeving is? Hoe verhouden beide invalshoeken zich tot elkaar?

Antwoord 13:

De startnota is vanuit een integrale invalshoek geschreven, zoals uiteengezet in paragraaf 1.3 van de startnota.

Als instrument van de Omgevingswet is de NOVI gericht op het in onderlinge samenhang bereiken en in stand houden van aan de ene kant een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en aan de andere kant het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van deze fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies. Deze twee maatschappelijke doelen gaan niet altijd zonder spanning samen. In de startnota zijn dit soort spanningen zichtbaar gemaakt, in de huidige verdiepingsfase worden deze uitgewerkt. Het gaat er dan om daarna, zorgvuldige afwegingen te maken. De NOVI moet daarin helpen.

Vraag 14:

Hoe zeker is het dat de Omgevingswet per 2019 in werking treedt?

Antwoord 14:

Deze stelselherziening van het omgevingsrecht is een van de omvangrijkste wetgevingsoperaties van de afgelopen decennia.

Om deze operatie in goede banen te leiden, is de stelselherziening onderverdeeld in drie sporen. In het hoofdspoor bevindt zich de inmiddels aangenomen Omgevingswet, met bijbehorende uitvoeringsregelgeving. Via het invoeringsspoor wordt de overgang van het bestaande naar het nieuwe wetgevingsstelsel geregeld: dit omvat de Invoeringswet met onderliggende invoeringsregelgeving. Tot slot kent de stelselherziening een aantal aanvullingssporen. Via de aanvullingssporen worden beleidsontwikkelingen en een aantal lopende wetgevingsprocessen opgenomen in de Omgevingswet. Daarbij kunt u denken aan de nieuwe Natuurbeschermingswet, die vorig jaar in Uw Kamer is aangenomen, maar ook aan de wet over Vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). De bedoeling is dat de wetgevingsproducten uit de aanvullingssporen bij inwerkingtreding integraal onderdeel vormen van de omgevingswetgeving.

We moeten ervoor zorgen dat bij de inwerkingtreding van een nieuw stelsel alle wetgevingsproducten samen zorgen voor voldoende bescherming van de kwetsbare waarden, zonder daarbij onnodige belemmeringen voor ontwikkeling op te werpen. Dat kan alleen als alle producten samen een consistent stelsel voor het omgevingsrecht vormen. En daarbij zit het venijn meestal in de staart en in de details. Daarom heb ik in het debat met de Eerste Kamer van 30 mei jl. (Handelingen I 2016/17, nr. 29, item 7) aangegeven dat ik nog eens goed naar de planning van de stelselherziening wil kijken. Meer informatie over de voortgang van de stelselherziening kunt u vinden in mijn brief van 5 juli jl. (Kamerstuk 33 118, nr. 95). Ik zal het parlement hierover na de zomer nader informeren.

Vraag 15:

Wat wordt bedoeld met een waardevolle leefomgeving?

Antwoord 15:

In paragraaf 4.4 van de startnota wordt hierop ingegaan. Het gaat om de balans tussen een veilige en gezonde natuurlijke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit aan de ene kant, en doelmatig beheren, beschermen, gebruiken en ontwikkelen van deze leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies aan de andere kant.

Vraag 16:

Is de opsomming van de vier strategische opgaven willekeurig of prioritair? Hoe wordt gegarandeerd dat een duurzame en concurrerende economie niet de boventoon gaat voeren ten opzichte van de ander drie opgaven?

Antwoord 16:

Er is a priori geen rangorde tussen de vier strategische opgaven. Het is uiteraard mogelijk dat het kabinet door nog te maken beleidskeuzen uiteindelijk in de NOVI wel verschillende gewichten aan verschillende doelen verbindt. Dit is nu nog niet aan de orde.

Vraag 17:

De veelheid van lagen in de illustratie maakt duidelijk dat een integrale visie moeilijk is: hoe zal de NOVI borgen dat iedere laag voldoende gewicht krijgt?

Antwoord 17:

Door brede samenwerking en betrokkenheid van vele stakeholders krijgen alle belangen aandacht. Acht departementen ontwikkelen samen de NOVI, ieder met verantwoordelijkheid voor één of meer aspecten van de fysieke leefomgeving. Andere overheden, wetenschappers, maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven en andere belanghebbenden worden betrokken bij het ontwikkelen van de NOVI. De samenhang tussen de lagen en mogelijkheden voor synergie tussen opgaven krijg in opmaat naar de NOVI zo voldoende aandacht.

Vraag 18:

Wat betekent het begrip duurzame groei voor de opgaven in de NOVI? Hoe wordt dit geconcretiseerd en wat is de achtergrond van deze keuze? Hoe zijn de uitgangspunten tot stand gekomen?

Antwoord 18:

In de Omgevingswet is duurzame ontwikkeling «een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van het heden zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen« (de zogenoemde Brundtland definitie, WCED, 1987). Voor de NOVI is binnen dit kader ontkoppeling een voor de hand liggend doel: economische groei en tegelijk een afname van de schadelijke effecten van economische activiteiten op de mens, natuur en milieu. Ten behoeve van het ontwikkelen van de NOVI worden beleidsopties uitgewerkt voor de vier strategische opgaven die bijdragen aan een duurzame economische groei.

Vraag 19:

Kunt u een uitgebreide toelichting geven op het begrip duurzaamheid?

Antwoord 19:

Zie ook het antwoord op vraag 18.

In mondiaal verband is afgesproken om te streven naar het realiseren van de doelen voor duurzame ontwikkeling, de sustainable development goals (Kamerstuk 33 625, nr.213). In het rapport «meten van SDGs: een eerste beeld voor Nederland» uit november vorig jaar geeft het CBS aan hoe de voortgang op deze doelen kan worden gemeten, waarmee het begrip duurzaamheid verder operationeel is gemaakt.

Vraag 20:

Hoe kan de Rijksverantwoordelijkheid voor het beleid en beheer van het werelderfgoed Waddenzee in de NOVI worden geborgd, aangezien de Omgevingswet geen mogelijkheid meer kent voor Rijksinpassingsplannen of provinciale inpassingsplannen, zoals de huidige Wet ruimtelijke ordening (Wro) die wel kent, bezien in de context dat het Rijksprojectbesluit of provinciale projectbesluit volgens de Omgevingswet nog het meest in de buurt van deze inpassingsplannen komt, maar door het projectgerichte karakter onvoldoende toegesneden lijkt op gebiedsgerichte vraagstukken zoals die spelen in het Waddengebied?

Antwoord 20:

De Rijksverantwoordelijkheid voor Waddenzee kan voor een belangrijk deel worden geborgd door het stellen van gebiedsgerichte instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving aan omgevingsplannen, omgevingsverordeningen en projectbesluiten. Voor een nadere toelichting op het gehele instrumentarium waarmee het Rijk uitvoering kan geven aan het beleid en beheer van de Waddenzee, wordt verwezen naar het antwoord op de vragen 21 en 22.

Rijksinpassingsplannen en provinciale inpassingsplannen worden in de huidige praktijk vooral gebruikt voor de realisatie van grootschalige (gemeente- en provinciegrenzen overschrijdende) projecten. Inpassingsplannen zijn bijvoorbeeld toegepast voor de aanleg van windparken aan de randen van het wad en voor de aanleg van kabels en buisleidingen door de Waddenzee. Voor de realisatie van dergelijke projecten of andere concrete ontwikkelingen zal de Omgevingswet het instrument van het projectbesluit bieden.

Vraag 21:

Welke instrumenten heeft het Rijk om het Waddenbeleid, zoals dat te zijner tijd in de NOVI zal worden omschreven, ook daadwerkelijk tot uitvoering te brengen en zo nodig in bindende regels om te zetten?

Antwoord 21:

Het Rijk heeft de huidige instructieregels ter bescherming van de Waddenzee in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening omgezet naar instructieregels over omgevingsplannen in het ontwerpBesluit kwaliteit leefomgeving. Met instructieregels kan het Rijk aan gemeenten bijvoorbeeld beperkingen opleggen over ontwikkelingen die in een omgevingsplan mogelijk gemaakt kunnen worden. Instructieregels zijn bindend voor gemeenten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt voor de voorgenomen instructieregels over omgevingsplannen die betrekking hebben op de Waddenzee en het waddengebied al een paragraaf gereserveerd. Ter bescherming van cultureel erfgoed in de Waddenzee biedt de Erfgoedwet daarnaast de mogelijkheid om rijksmonumenten aan te wijzen. Deze worden vervolgens beschermd met een vergunningplicht en algemene regels krachtens de Omgevingswet.

Tot slot zal de Omgevingswet ook de mogelijkheid bieden tot het vaststellen van een programma, als uitwerking van de NOVI, om gestalte te geven aan integrale gebiedsopgaven.

Vraag 22:

Welke instrumenten hebben de samenwerkende beheerders om het Waddenbeleid, zoals dat te zijner tijd in de NOVI zal worden omschreven, ook daadwerkelijk tot uitvoering te brengen en zo nodig in bindende regels om te zetten?

Antwoord 22:

Voor de samenwerkende beheerders geldt dat zij de afspraken die zij in het gebiedsproces met elkaar maken in uitvoering zullen brengen met hun eigen instrumentarium.

Zo kunnen ook provincies bij omgevingsverordening instructieregels stellen over omgevingsplannen als dat nodig is voor de bescherming van provinciale belangen. Ter bescherming van het landschap en de natuur kunnen provincies daarnaast gebieden aanwijzen als bijzondere provinciale natuurgebieden en provinciale landschappen, voor zover die gebieden niet al zijn aangewezen als Natura 2000-gebied of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Provincies kunnen ook gebieden aanwijzen als stiltegebied. Gemeenten kunnen in het omgevingsplan regels stellen om activiteiten in de Waddenzee en het waddengebied te reguleren. Te denken valt aan regels over kitesurfen of andere activiteiten.

Vraag 23:

Welke van de instrumenten die onder de Omgevingswet vallen, zoals de NOVI, zijn bruikbaar om de samenwerking in het kader van de Samenwerkingsagenda Beheer Waddenzee, waar momenteel hard gewerkt wordt aan «samenwerken als ware het één beheerder» in 2018, vast te leggen, mede gelet op het feit dat de Rekenkamer in 2013 signaleerde dat er problemen zijn rond het beheer van de Waddenzee?

Antwoord 23:

Een programma als uitwerking van de NOVI kan een bruikbaar instrument zijn om het gezamenlijk beeld voor het beheer van de Waddenzee en de doelen van het Waddenzeebeleid in vast te leggen. Een programma heeft een uitvoeringsgericht karakter en biedt de mogelijkheid om gebiedsgericht samenhang aan te brengen in de verschillende beheerdoelen voor het waddengebied en daar afspraken over te maken. Of het wenselijk is om de samenwerking voor het beheer van de Waddenzee vast te leggen in een programma, zal in het kader van de Nationale Omgevingsvisie en de Gebiedsagenda Wadden 2050 beoordeeld moeten worden na de eindevaluatie van de Samenwerkingsagenda beheer Waddenzee 2016–2018.

Vraag 24:

Kunt u uitputtend beschrijven op welke wijze en voor wie de investeringsbeslissingen met gebruik van de NOVI genomen worden? Op welke wijze kan hier bezwaar tegen gemaakt worden?

Antwoord 24:

Tegen de achtergrond van de NOVI en de daaraan gekoppelde programma’s kunnen straks, ter uitvoering van het beleid, binnen de daarvoor geldende kaders en instrumenten investeringsbeslissingen genomen worden. Wat voor en hoeveel investeringen dat zullen kunnen zijn, en op welke wijze daarover beslissingen genomen zullen kunnen worden is in deze fase van de NOVI nog niet aan de orde.

Voor het tweede deel van deze vraag zie ook het antwoord op vraag 2.

Vraag 25:

Wat is de juridische status van de NOVI? Welke rechten kan men aan de NOVI ontlenen?

Antwoord 25:

De Omgevingswet bepaalt de juridische status van de NOVI, zie verder het antwoord op vraag 3.

Vraag 26:

In de NOVI wordt waar nodig de relatie gelegd met beleid dat niet direct op de leefomgeving is gericht, maar daar wel invloed op heeft: kan hier een voorbeeld van gegeven worden? Hoe ver reikt dit?

Antwoord 26:

Het kabinetsbeleid kent meer doelstellingen dan omgevingsdoelstellingen alleen. Eventuele betekenende effecten van niet omgevingsbeleid op de fysieke leefomgeving en vice versa moeten tegen elkaar afgewogen worden.

Hierbij kan aan veel relaties worden gedacht, bijvoorbeeld met beleid inzake fiscaliteit, immigratie en integratie, onderwijs, wapenaankopen of volksgezondheid. Deze relaties kunnen in verschillende mate belangrijk zijn voor het leefomgevingsbeleid.

Vraag 27:

Wat betekent het in juridisch verband dat de NOVI zich niet alleen tot Nederland beperkt? In hoeverre kunnen andere lidstaten op grond hiervan op hun verantwoordelijkheden worden aangesproken?

Antwoord 27:

De Omgevingswet, en daarmee de NOVI, geldt alleen in Nederland. De NOVI kan geen beleid formuleren voor andere lidstaten.

Er zijn bestaande overeenkomsten met de buurlanden om elkaar over en weer te informeren over plannen en maatregelen die in ruimtelijke opzicht van belang zijn. En om deze vooral in de grensgebieden op elkaar af te stemmen. De NOVI is een dergelijk plan en Nederland zal daarover in overleg treden met de buurlanden en waar nodig met de EU of andere lidstaten.

Vraag 28:

Welke status krijgt de NOVI ten opzichte van reeds vastgestelde structuurvisies of beleidsplannen, zoals de maritieme strategie, het Beleidsplan Noordzee et cetera? Worden deze vervangen of wordt hierop voortgebouwd? Wat is dan de juridische status van deze documenten als er beleidswijzigingen worden voorgesteld in de NOVI?

Antwoord 28:

Bestaande verplichte beleidsplannen, zoals de Nederlandse maritieme strategie en het Nationaal Waterplan (de Beleidsnota Noordzee is een onderdeel van het NWP) zullen wat de strategische delen betreft opgaan in de NOVI en voor het overige gecontinueerd worden als programma onder de Omgevingswet. Deze programma´s zijn een verdere invulling van de NOVI op specifieke terreinen.

Bestaande structuurvisies van het Rijk verliezen hun wettelijke status op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt. Deze worden geheel of gedeeltelijk opgenomen in de NOVI, of in een programma.

In bepaalde uitzonderingsgevallen kan hiervoor in het Invoeringsbesluit een overgangsrechtelijke regeling worden opgenomen.

Niet wettelijk verplichte beleidsplannen blijven na inwerkingtreding van de NOVI van kracht, tenzij in de NOVI anders wordt bepaald.

Vraag 29:

Op welke manier wordt het belang van de bodem in relatie tot duurzaam bodembeheer inhoud gegeven? Op welke manier worden, soms tegenstrijdige, belangen afgewogen?

Antwoord 29:

Hoofdstuk 3 van de Structuurvisie Ondergrond bevat een visie met een reeks aan uitgangspunten om belangen met betrekking tot bodem en ondergrond goed te betrekken bij het maken van afwegingen en het nemen van (ruimtelijke) besluiten. Met als doel om te komen tot duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond waarbij benutten en beschermen in balans zijn.

In de tweede fase van de totstandkoming van de NOVI worden dilemma’s verder in beeld gebracht om keuzes te kunnen maken.

Vraag 30:

In hoeverre is de NOVI leidend in het maken van keuzes als het gaat om economie, maatschappij, natuur et cetera?

Antwoord 30:

De bedoeling van het instrument omgevingsvisie is om zorgvuldige afwegingen te bevorderen tussen verschillende doelen en belangen, ten gunste van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving als geheel. De NOVI zal voor zulke afwegingen op nationaal strategisch niveau het enige kader zijn. De in de NOVI vastgelegde keuzes zullen leidend zijn voor het handelen van de rijksoverheid, binnen de kaders van bijvoorbeeld in EU-regels of internationale verdragen. Keuzes in de NOVI op strategisch niveau zullen nadere invulling krijgen in concrete situaties, programma’s of projecten.

Vraag 31:

In hoeverre worden de economische belangen meegewogen en krijgen die een plek in de NOVI?

Antwoord 31:

De NOVI wordt de integrale visie op de fysieke leefomgeving en vormt daarmee het toekomstige kader voor het omgevingsbeleid. De economische belangen kunnen niet los gezien worden van het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Het is van belang om hiertussen de juiste balans te vinden.

De economische aspecten krijgen bij de verdieping van de strategische opgaven en meer specifiek in de opgave «Naar een duurzame en concurrerende economie» aandacht. Centraal in deze strategische opgave staat het behoud en het versterken van de economische toppositie die Nederland heeft.

Het verder versterken van een aantrekkelijk vestigingsklimaat en het optimaliseren van de (internationale) bereikbaarheid zijn daarvoor van groot belang. Tegelijk is het streven een economie te ontwikkelen die CO2-neutraal is, en steeds minder afhankelijk is van nieuw te winnen grondstoffen en volledig circulair is in 2050. In de verdiepingsfase van de NOVI wordt in beeld gebracht welke mogelijkheden er zijn om de ruimtelijk-economische concurrentiekracht van Nederland te versterken en tegelijk een circulaire economie te realiseren.

Vraag 32:

Welke plek krijgen de nationale belangen in de NOVI? Welke rol krijgen zij in de afweging op nationaal, maar ook op provinciaal en gemeentelijk niveau? Wie bepaalt op welke manier de afweging wordt gemaakt en hoe prioriteiten worden gesteld?

Antwoord 32:

De nog te bepalen nationale belangen zullen richting geven aan het rijkshandelen bij het tegemoet treden van de opgaven in de leefomgeving. De NOVI zal aan de Kamer worden voorgelegd. Zie ook de antwoorden op vragen 8 en 163.

Vraag 33:

Hoe verhouden de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) en de Rijkscoördinatieregeling (RCR) zich tot de NOVI?

Antwoord 33:

De planfiguur «nationale structuurvisie» in de Wro, waarin het nationale strategische ruimtelijke beleid staat, en het «nationaal verkeer en vervoerplan» in de Planwet verkeer en vervoer, waarin het nationale strategische beleid op gebied van verkeer en vervoer staat, worden in het nieuwe stelsel van de Omgevingswet vervangen door de planfiguur «nationale omgevingsvisie». Dat betekent dat het geldende nationale ruimtelijke en mobiliteitsbeleid, dat op dit moment in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staat, na inwerkingtreding van de Omgevingswet in de NOVI zal staan, in samenhang met het nationale strategische beleid op andere onderdelen van de leefomgeving, waaronder energie, water en natuur.

De Rijkscoördinatieregeling is onder de huidige wetgeving een instrument ter realisatie van het beleid in onder meer de nationale structuurvisies, en het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport is een voorbeeld van een uitvoeringsprogramma waarin maatregelen ter realisatie van beleid worden gebundeld.

De maatregelen en instrumenten ter realisatie van het beleid in de NOVI kunnen worden opgenomen in programma’s.

Vraag 34:

Wat is de relatie precies tussen de NOVI en het MIRT? Welke uitgangspunten worden in de NOVI vastgesteld die moeten worden uitgewerkt in het MIRT?

Antwoord 34:

Zie het antwoord op vraag 33.

Vraag 35:

Op welke wijze wordt de aansluiting van de structuurvisies van het Rijk, de provincies en de gemeenten geborgd, zeker daar waar sprake kan zijn van tegengestelde belangen? Hoe wordt omgegaan met de nationale belangen in dat verband?

Antwoord 35:

Voor de onderlinge aansluiting van de verschillende visies zie het antwoord op vraag 162, voor de betekenis van nationale belangen zie het antwoord op vraag 8.

Vraag 36:

Worden de «City Deals» en Green Deals voortgezet onder de Omgevingswet? Zo, ja, krijgen deze instrumenten een plek in de NOVI?

Antwoord 36:

Zie het antwoord op vraag 7.

Vraag 37:

Op welke wijze is de landbouwsector als een van de grotere beheerders van de openbare ruimte betrokken in de eerste fase van het proces om tot de NOVI te komen?

Antwoord 37:

De landbouwsector speelt een belangrijke rol waar het gaat om de leefomgeving in Nederland. Internationaal heeft deze sector een vooraanstaande positie. Bij de totstandkoming van de startnota zijn vertegenwoordigers van diverse landbouwsectororganisaties, waterschappen, boeren en voedselproducenten uitgenodigd voor (regionale) werkplaatsen over voedsel, landschap, energietransitie.

Daarnaast zijn diverse landbouwsectororganisaties uitgenodigd voor het overleg van het OIM (Overlegorgaan Infrastructuur en Milieu) op 29 maart 2016.

Vraag 38:

  • Hoe wordt in de toekomst geborgd dat de dialoog met de samenleving ook in de vervolgstappen wordt voortgezet?

  • Hoe wordt geborgd dat dit ook lokaal het geval zal zijn als lokale omgevingsvisies worden opgesteld?

  • Kan geleerd worden van het inmiddels opgetuigde Programma sociaal domein?

Antwoord 38:

  • Bij elke fase wordt de dialoog met de samenleving voortgezet. Per fase wordt bepaald welke aanpak hierbij het meest aansluit. Er wordt onder meer gebruik gemaakt van het het OIM (Overlegorgaan Infrastructuur en Milieu).

  • De NOVI is inhoudelijk inspirerend en richtinggevend voor de omgevingsvisies van provincies en gemeenten, waarbij er overigens geen hiërarchie of volgtijdelijkheid is tussen de verschillende omgevingsvisies. In het ontwerpOmgevingsbesluit1 is geregeld dat bij omgevingsvisies het bestuursorgaan moet aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en medeoverheden bij de omgevingsvisie zijn betrokken en wat er met de uitkomsten van participatie is gedaan. Dit geldt dus ook voor lokale omgevingsvisies.

    Het rapport Pionieren met de Omgevingswet laat tussentijdse resultaten zien van pilots die vooruitlopen op de Omgevingswet. In deze pilots is ervaring opgedaan met omgevingsvisies en participatie (Kamerstuk 33 118, nr. 46). De uitkomsten van de pilots zijn positief. Zo blijkt dat participatie bij deze omgevingsvisies meerwaarde heeft en leidt tot meer kwaliteit en groter draagvlak. De lessen uit deze pilots worden ook gebruikt bij het betrekken van derde partijen bij de NOVI.

  • Het programma sociaal domein is een voorbeeld waarbij Rijk en gemeenten zich gezamenlijk inzetten voor grote maatschappelijke opgaven.

    Het programma beschrijft een heldere governancestructuur en instrumenten om samenwerking met verschillende partijen vorm te geven, zoals regietafels en een kennisplatform. De kern van het programma – gezamenlijk werken aan vraagstukken in de uitvoeringspraktijk – is ook relevant voor de NOVI. Voor de ontwikkeling van een goede leefomgevingskwaliteit is het van belang om het sociale en het fysieke domein bij elkaar te brengen. De leerpunten worden daarom bij de ontwikkeling van de NOVI meegenomen.

Vraag 39:

Op welke manier hebben de uitkomsten van de maatschappelijke dialoog de startnota NOVI beïnvloed?

Antwoord 39:

Bij de totstandkoming van de startnota zijn vele stakeholders betrokken, waaronder interbestuurlijke, wetenschappelijke en maatschappelijke partijen (inclusief bedrijfsleven). Ze zijn betrokken geweest bij (regionale) werkplaatsen en het overleg van het OIM (Overlegorgaan Infrastructuur en Milieu) op 29 maart 2016. De uitkomsten hiervan zijn gebruikt bij het opstellen van de startnota en de daarin benoemde strategische opgaven.

Vraag 40:

Op welk moment wordt ook het bedrijfsleven betrokken in de dialoog, bijvoorbeeld om een beeld te krijgen bij de verwachte snelheid van innovaties?

Antwoord 40:

Al in fase 1 is het gesprek gevoerd met het bedrijfsleven en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, waaronder VNO – NCW. In fase 2 wordt ten behoeve van de verdieping van de strategische opgaven onder andere gebruik van de uitkomsten van verschillende maatschappelijke dialogen, zoals de energiedialoog of wordt aangesloten bij initiatieven vanuit het bedrijfsleven, zoals NL Next Level van VNO NCW, MKB Nederland en LTO Nederland.

Vraag 41:

Wat is de onderbouwing van de stelling in paragraaf 2.1 dat de verschillen toenemen?

Antwoord 41:

De gevraagde onderbouwing is terug te vinden in de bronnen die zijn genoemd in de voetnoten bij paragraaf 2.1 en de verwijzingen aan het eind van hoofdstuk 2 van de startnota. Dit betreft rapporten van de Verenigde Naties, CBS, PBL, CPB, SCP, RIVM en de NSOB.

Vraag 42:

Waar is de stelling «de schaalvergroting in economie, landbouw, bedrijfsleven en in de onderzoekswereld zet door, mede onder invloed van mondiale concurrentie» op gebaseerd? Hoe wenselijk is deze schaalvergroting? Op welke wijze is dit onderzocht?

Antwoord 42:

Deze zinsnede is gebaseerd op de Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving, de Horizonscan door PBL en CPB uit 2013. De horizonscan biedt een overzicht van wat andere studies eerder hebben gepubliceerd. Deze studie vormde de opmaat voor de latere scenarioverkenning uit 2015.

De startnota beschrijft trends en ontwikkelingen en neemt geen stelling over de vraag hoe wenselijk schaalvergroting is.

Vraag 43:

Is de NOVI gebaseerd op de aanname van schaalvergroting? Kunt u uw antwoord toelichten?

Antwoord 43:

Zie vraag 42.

Vraag 44:

Wat is de geprognosticeerde groei van de Nederlandse bevolking, gelet op de verwachting dat de welvaart in Nederland met 1 à 2 procent per jaar toeneemt?

Antwoord 44:

Het CPB en PBL schetsen aan de hand van de Welvaart- en Leefomgevingsscenario’s mogelijke toekomstbeelden: de scenario’s Hoog en Laag. De mate van economische groei in deze scenario’s heeft effect op de bevolkingsgroei omdat het geboorten, levensverwachting en immigratie beïnvloedt. In het scenario Hoog kent Nederland een relatief sterke economische groei van 2 procent per jaar en een geschatte bevolking van 19,2 miljoen mensen in 2050. In het scenario Laag kent Nederland een lagere economische groei van 1 procent per jaar en een bevolking van 16,4 miljoen in 2050. In het scenario Laag krimpt de bevolking na 2030.

Vraag 45:

Op welke wijze ziet u digitalisering en innovatie helpen bij het afwegen van belangen tussen economie en milieu?

Antwoord 45:

De economie en het milieu kunnen baat hebben bij digitalisering en innovatie en kunnen daardoor ook beter in onderlinge samenhang worden aangepakt. Digitalisering kan helpen om efficiënter en flexibeler tegemoet te komen aan de wensen van de klant. Hierbij kan worden gedacht aan meer maatwerk en duurzamer produceren waardoor het gebruik van grondstoffen geoptimaliseerd kan worden en overproductie kan worden voorkomen. De kwaliteit van producten wordt verbeterd, door het gebruik van nieuwe methoden van productie en transport, mogelijk gemaakt door nieuwe technologieën. In de landbouw bijvoorbeeld zorgen nieuwe «high-tech» gewasbeschermingsmiddelen voor een hogere opbrengst en een (sterke) beperking van vervuiling van grond- en oppervlaktewater.

Vraag 46:

Wat wordt bedoeld met «de vraag naar vluchten in Nederland past niet binnen de huidige kaders»? Op welke kaders wordt in deze context gedoeld? Welke oplossingen worden hiervoor vanuit de NOVI aangedragen? Wat zijn de uitgangspunten?

Antwoord 46:

Het aantal vliegbewegingen op Schiphol loopt eerder dan voorzien tegen de afgesproken grenzen aan. De luchtvaartsector moet in Nederland de ruimte krijgen om te groeien op een innovatieve, duurzame en veilige manier. De startnota benoemt geen uitgangspunten of oplossingen. Mogelijke beleidsopties worden in de huidige verdiepingsfase in kaart gebracht, keuzen zullen daarna worden gemaakt door het kabinet, die uiteindelijk zullen worden verankerd in de NOVI en de daarbij horende uitvoeringsinstrumenten.

Vraag 47:

Op welke wijze is geborgd dat er in de Randstad voldoende ruimte blijft voor infrastructuur (hetzij spoor, hetzij weg)? Wat wordt bedoeld met de mobiliteit in deze regio «zo duurzaam mogelijk de ruimte geven vraagt om keuzes»? Aan welke keuzes wordt hier gerefereerd en wat is het toetsingskader hiervoor?

Antwoord 47:

In de startnota zijn opties en spanningen beschreven waar doelstellingen op het gebied van onder meer ruimtelijke ordening, bereikbaarheid, duurzaamheid en leefbaarheid samenkomen. Hoe deze zich tot elkaar verhouden, hoe omgegaan wordt met de ruimte, welke keuzes worden gemaakt en welk toetsingskader hiervoor zal worden gebruikt, zal in de uiteindelijke NOVI geadresseerd worden.

Vraag 48:

Welke plek krijgen de main-, brain- en greenports in de NOVI? Hoe wordt concreet invulling gegeven aan het belang van deze clusters voor Nederland in de NOVI?

Antwoord 48:

De main-, brain- en greenports en stedelijke regio’s zijn van groot belang voor Nederland. Ze leveren een essentiële bijdrage aan het internationale concurrentievermogen van de Nederlandse economie. Daarbij speelt (inter)nationale bereikbaarheid van mensen en goederen op deze locaties een grote rol van betekenis. Ook in de toekomst moet er ruimte bestaan om de main-, brain- en greenports in balans met hun omgeving verder te ontwikkelen. Het Rijk heeft oog voor de meervoudige ruimtelijke claims en belangen rondom deze gebieden met betrekking tot wonen, werken, mobiliteit en duurzaamheid. In verdere uitwerking van de NOVI zal worden geadresseerd waar dit (deels) samen kan gaan door bijvoorbeeld innovaties en slimme oplossingen, maar ook waar er scherpe keuzes gemaakt moeten worden. De gemaakte keuzes worden benoemd in de NOVI of daaraan gekoppelde programma’s.

Vraag 49:

Waren de winters in Nederland de afgelopen vijf jaar natter en de lentes en zomers droger?

Antwoord 49:

De gevalideerde gegevens in de vorm van tijdreeksen van metingen, grafieken, kaarten en overzichten op www.knmi.nl bieden onder meer maand-, seizoen- en jaaroverzichten van het weer. Daar is terug te vinden dat

  • van de laatste vijf winters die van 2015 natter was dan gemiddeld, de winters van 2017 en 2014 waren droger, de winters van 2016 en 2013 weken in dit opzicht niet sterk af van het gemiddelde;

  • van de laatste vijf lentes er vier droger waren dan gemiddeld, de lente van 2016 was gemiddeld droog;

  • de zomers van 2012, 2014 en 2015 natter waren dan gemiddeld, die van 2016 gemiddeld en die van 2013 zeer veel droger.

Vraag 50:

Zijn de ambities zoals die in de startnota NOVI staan om tot mitigatie van klimaatverandering te komen voldoende om de Waddenzee in zijn huidige vorm te laten voortbestaan? Is er een adaptatieplan voor de Waddenzee voor het geval de zeespiegel plotseling sneller stijgt dan verwacht?

Antwoord 50:

De ambities voor de Waddenzee worden verder uitgewerkt. Eerst in de Gebiedsagenda Wadden 2050 en vervolgens in de NOVI. Die uitwerking vindt plaats binnen de hoofddoelstelling voor de Waddenzee (het behouden van de natuurlijke dynamiek van de Waddenzee). De Gebiedsagenda Wadden 2050 zal een adaptief karakter kennen, juist om in te spelen op toekomstige ontwikkelingen waaronder klimaatverandering.

Vraag 51:

Waarop baseren het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Centraal Planbureau (CPB) de conclusie dat de uitstoot van broeikasgassen in Nederland in 2050 met 45 á 65 procent zal zijn gedaald ten opzichte van 1990? Wat zou het niet behalen van deze afname voor de NOVI betekenen?

Antwoord 51:

De conclusie van PBL en CPB dat de uitstoot van broeikasgassen in 2050 met 45 á 65% gedaald zullen zijn, is gebaseerd op de berekening van een lineaire lijn op basis van de huidige activiteiten en maatregelen. In de aanloop naar het Parijs-akkoord heeft Nederland ingestemd met een hogere EU ambitie, die neer zou komen op een afname van 80 – 95% ten opzichte van 1990. In het Klimaatakkoord van Parijs is afgesproken de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder twee graden Celsius, met het streven deze tot anderhalve graad te beperken. Dit streven betekent waarschijnlijk dat de navenante ambitie ten aanzien van CO2-reductie voor de Europese Unie zich aan de bovenkant van de huidige ambitie van 80 tot 95% CO2-reductie in 2050 zal bevinden. In de Energieagenda geeft het kabinet aan dat Nederland economisch belang heeft bij een tempoversnelling in van de klimaat- en energietransitie en momenteel wordt gewerkt aan transitiepaden richting 2030 en 2050. De NOVI zal hierop aansluiten en de samenhang met, en keuzes in het overige beleid voor de leefomgeving schetsen. Besluitvorming over beleid voor de afname van uitstoot van broeikasgassen, anders dan de ruimtelijke ordening en kwaliteit van leefomgeving, zal dan ook plaats vinden in de desbetreffende beleidsvelden.

In de periode tot 2050 zal de voortgang van de afname van broeikasgassen worden gemonitord, en zullen waar nodig beleid en maatregelen worden bijgesteld, onder meer in de NOVI en aanpalende programma’s.

Vraag 52:

Hoe verhoudt de aanname van de daling van de uitstoot van broeikasgassen zich tot de uitspraken over de groei van steden en verkeer, en vervolgens de aanname over de toename van woningen met een hogere milieubelasting?

Antwoord 52:

De aanname van de daling van de uitstoot van broeikasgassen is gebaseerd op het totaal van ontwikkelingen. De transitie naar schonere technieken en grondstoffen met een lagere uitstoot of zonder uitstoot, en het geheel van besparingsactiviteiten in industrie, land- en tuinbouw en de gebouwde omgeving zorgen ervoor dat er naar verwachting een afname zal ontstaan ondanks de aannames voor verwachte groei van steden en verkeer.

Vraag 53:

Waarom wordt ervan uitgegaan dat de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater op veel plaatsen niet aan de Europese normen zal voldoen? Op welke informatie is dat gebaseerd?

Antwoord 53:

In de startnota is aangegeven dat het een stevige uitdaging is om de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in Nederland aan de normen van de Europese Kaderrichtlijn Water te laten voldoen in het streefjaar 2027.

Dit is gebaseerd op de stroomgebiedbeheerplannen die eind 2015 door het kabinet zijn vastgesteld en als onderdeel van de implementatie van de Kaderrichtlijn Water aan de Europese Commissie zijn gerapporteerd (Kamerstuk 31710, nr. 45).

De verwachting is gebaseerd op de inschatting van waterbeheerders, mede gebaseerd op meetgegevens, en op de uitkomsten van modelstudies, zoals die van het PBL.

Vraag 54:

Gaat de NOVI uit van het feit dat de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater op veel plaatsen niet aan de Europese normen voldoet of zal de NOVI ook handvatten bieden om dit te verbeteren?

Antwoord 54:

De waterkwaliteit is de afgelopen tijd duidelijk verbeterd. Om de doelen van de Europese Kaderrichtlijn Water te behalen ligt er echter nog een omvangrijke opgave. Daarom werk ik met alle partners aan een impuls voor de waterkwaliteit met de Delta-aanpak Waterkwaliteit en Zoetwater. De NOVI wordt de integrale visie op de fysieke leefomgeving en vormt daarmee ook het toekomstige kader voor het waterkwaliteitsbeleid. Of deze integrale kijk op de fysieke leefomgeving en de opgaven die zich daarin voordoen noodzaakt tot het aanpassen van bestaand beleid op dit onderwerp is aan het kabinet.

Vraag 55:

Op welke risico’s wordt gedoeld en kunt u deze wetenschappelijk onderbouwen? Welke risico’s zijn te kwantificeren uit de veehouderij en welke van andere sectoren?

Antwoord 55:

Het rapport Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO), dat aan uw Kamer is verzonden op 7 juli 2016 (Kamerstuk 28 973, nr. 181), beschrijft onder andere dat mensen die rondom pluimveehouderijen wonen een grotere kans hebben op het oplopen van een longontsteking. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door fijnstof en endotoxinen. In de aanvullende studies op het VGO-onderzoek (op 16 juni 2017 aan uw Kamer verzonden, Kamerstuk 28 973, nr. 192) is onder meer een nadere analyse van deze gegevens gemaakt. Deze bevestigen de conclusie uit het hoofdrapport uit 2016. Daarnaast zien we dat ook rondom geitenhouderijen mensen een grotere kans hebben om een longontsteking op te lopen. Wat deze toename veroorzaakt, is nog onduidelijk. Daarom zal op dit punt vervolgonderzoek worden uitgevoerd; het RIVM is bezig met de uitwerking hiervan.

Daarnaast is de Gezondheidsraad gevraagd om dit jaar het advies over gezondheidsrisico’s rond veehouderijen uit 2012 te actualiseren. Beantwoording van de vraag of en zo ja in welke gevallen er sprake is van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten en een advies over wetenschappelijk vervolgonderzoek dat nodig is, vormen een onderdeel van deze actualisatie.

In een dichtbevolkt land met een hoge veedichtheid is het zaak om goed voorbereid te zijn op en aandacht te houden voor zoönosen (zie Kamerstuk 28 286, nr. 505 van 18 mei 2011).

Vraag 56:

Welke ontwikkelingen ziet u in de versnippering van de natuur en wat is daar de oorzaak van?

Antwoord 56:

De natuur in Nederland is versnipperd als gevolg van bebouwing, infrastructuur en ander landgebruik. De versnippering wordt tegengegaan door de realisatie van robuuste natuurgebieden en natuurlijke verbindingen in het Natuurnetwerk Nederland en door het treffen van maatregelen in het kader van het Meerjarenplan Ontsnippering, waarmee concrete knelpunten worden opgelost. Ook is er een Green Deal Infranatuur gesloten waarmee een vergroening van de infrastructuur wordt nagestreefd.

Vraag 57:

Welke claims op het landschap worden bedoeld bij energietransitie, schaalvergroting en transitie van de landbouw, recreatie en verstedelijking? Kunt u per onderdeel een aantal voorbeelden geven?

Antwoord 57:

De komende jaren krijgen we mogelijk meer te maken met nieuwe en intensieve activiteiten die een impact kunnen hebben op het landschap. Er valt bijvoorbeeld te denken aan de ontwikkeling van windmolenparken, velden met zonnepanelen, bebouwing voor verwerking van landbouwreststromen, transformatie van landbouwgebied om meer koolstof in de bodem vast te houden en behoefte aan extra ruimte voor recreatie en wonen. Het is nu de opgave om na te gaan of en op welke wijze deze activiteiten een plaats krijgen in het huidige landschap. De samenhangende aanpak in het kader van de NOVI biedt hierbij meerwaarde.

Vraag 58:

Welke rol en welke verantwoordelijkheid dicht u zichzelf en het Rijk toe in het realiseren van de (nationale) doelstellingen die zullen worden opgenomen in de NOVI? Hoe ziet het instrumentarium van het Rijk er in dat kader uit, aangezien de NOVI slechts bindend zal zijn voor het Rijk?

Antwoord 58:

Zie het antwoord op de vragen 8 en 162.

Vraag 59:

Waarom is er in deze startnotitie voor gekozen om toch vooral een situatieschets te geven van de bestaande situatie in plaats van een visie met concrete en haalbare doelen?

Antwoord 59:

De startnota schetst de trends en ontwikkelingen die resulteren in opgaven in de fysieke leefomgeving, als eerste stap in opmaat naar de nog te op te stellen visie, die concrete en haalbare doelen zal omvatten. Het kabinet zal die doelen kunnen stellen op basis van goed zicht op de opgaven, dat mede door de inmiddels in gang gezette verdieping van de in de startnota benoemde strategische opgaven zal worden verkregen.

Vraag 60:

Bent u bereid om in het verdere proces van de totstandkoming van de NOVI per paragraaf in hoofdstuk 3 aan te geven wat precies de keuzes en consequenties daarvan zijn, voorzien van een normatief oordeel over de te kiezen richting, zodat duidelijk wordt wat nu eigenlijk de richting is die u kiest voor het Rijksbeleid binnen deze opgaven?

Antwoord 60:

In de verdere uitwerking van de NOVI zullen de vele belangen in de leefomgeving in samenhang worden beschouwd en zullen keuzes worden gemaakt over de ontwikkeling, bescherming en beheer van het grondgebied. De aspecten die in hoofdstuk 3 van de startnota benoemd zijn geven de veelheid aan belangen weer, zonder uitputtend te zijn of nu al stelling te nemen. De meerwaarde van de NOVI is dat over de grenzen van deze deelaspecten heen kan worden gekeken en een samenhangend ontwikkelingsbeeld kan worden bepaald. Dit heeft consequenties voor het Rijksbeleid voor deze deelaspecten.

Vraag 61:

Kunt u aangeven waarom u ervoor kiest om onder de opgave «bereikbaarheid» sterk richting te geven, gezien het feit dat deze passages vol met politieke aannames en politiek richtinggevende uitspraken staan, terwijl dit onderwerpen zijn waarover zeer verschillend wordt gedacht en de discussie nog niet beslecht is?

Antwoord 61:

In de startnota worden geen keuzes gemaakt. In hoofdstuk drie wordt ingegaan op de huidige ambities, op kansen, problemen en spanningen die de trends opleveren en welke opgaven daaruit voortvloeien. De passages zijn gebaseerd op ambities die zijn vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, de actieagenda Schiphol, het Toekomstbeeld Openbaar Vervoer en Meer Bereiken.

Vraag 62:

Bent u van mening dat de rol van het Rijk bij bereikbaarheidsopgaven vooral ligt in het netwerk tussen de steden en dat de lokale overheden een verantwoordelijkheid hebben bij de bereikbaarheid in de steden? De grote steden maken op dit moment fundamenteel andere mobiliteitskeuzes dan het Rijk (minder auto, meer lopen fietsen en meer openbaar vervoer): hoe worden die keuzes op elkaar afgestemd? Moeten de steden niet zelf leidend zijn in de keuze hoe de bereikbaarheidsopgaven worden ingevuld?

Antwoord 62:

Hoe bereikbaarheidskeuzes op strategisch niveau op elkaar afgestemd kunnen worden zal in de verdere uitwerking van de NOVI worden uitgewerkt. Hierbij wordt afgestemd met de andere overheden. Verplaatsingen spelen zich grotendeels af binnen het zogenaamde daily urban system, het gebied waarbinnen mensen bijna al hun (dagelijkse) verplaatsingen afleggen. Het daily urban system van een stad omvat een groter gebied dan het stedelijk gebied zelf. Deze gebieden lopen in de Nederlandse context in elkaar over. Het daily urban system wordt bediend door vele modaliteiten. Het is te groot voor alleen lopen en fietsen en in grote delen zijn de dichtheden te laag voor bepaalde vormen van OV, waardoor de auto nog steeds een grote rol speelt in het vervoersysteem. De Nationale Markt en Capaciteitsanalyse (NMCA) laat zien dat er opgaven ontstaan zowel in, om als tussen de steden. Vanwege deze verwevenheid worden afspraken tussen steden, regio’s en het Rijk hierover gemaakt in de jaarlijkse Bestuurlijke Overleggen MIRT.

Vraag 63:

Op welke wijze wordt meegenomen dat goede snelle verbindingen van krimpregio’s een antwoord kunnen zijn op de krimpproblematiek?

Antwoord 63:

De bereikbaarheid van voorzieningen als ziekenhuizen, scholen en winkels, leveren ook in krimpregio’s een belangrijke bijdrage aan het behoud van leefbaarheid en economische veerkracht. Digitale bereikbaarheid speelt hierin een rol maar adequate vervoersmogelijkheden blijven eveneens belangrijk.

In het Toekomstbeeld OV (Kamerstuk 23 645, nr. 640) wordt onderstreept dat gebieden waar de vervoersvraag afneemt, vragen om betaalbare, vraaggestuurde en innovatieve bereikbaarheidsoplossingen. Het openbaar vervoer zal er op den duur anders uitzien dan we nu gewend zijn. Dat kan leiden tot snellere verbindingen, maar dat is niet de enige factor van betekenis. Uiteindelijk is het van belang dat regio’s goed te bereiken zijn. Daarnaast is de bereikbaarheid binnen de regio’s van belang: dat de inwoners betaalbaar en comfortabel van deur tot deur kunnen reizen. Deze ontwikkelingen worden meegenomen bij de verdere uitwerking van de NOVI.

Vraag 64:

Wat wordt concreet bedoeld met meer en andere samenwerking tussen andere overheden, bedrijfsleven, kennis- en onderzoeksinstellingen en maatschappelijke organisaties?

Antwoord 64:

De maatschappelijke en technologische ontwikkelingen vragen om andere samenwerking tussen overheden en het bedrijfsleven. De overheid is niet altijd de (enige) leidende partij in de ontwikkeling. Dit is te zien op het brede terrein van ruimtelijke ordening en mobiliteit.

Bijvoorbeeld bij smart mobility waar we zien dat internationale partijen, zoals automotive partijen, navigatiebedrijven, internet- en telecomsector grote invloed hebben op technologische ontwikkelingen en de toepassing ervan. Hierin zullen overheden, kennisinstellingen en het bedrijfsleven op nieuwe manieren met elkaar moeten samenwerken om te komen tot maatschappelijke keuzes en rendement. Concrete voorbeelden waarin momenteel nieuwe vormen van samenwerking zijn ingericht en worden beproefd zijn: Talking Traffic waarin enkele tientallen overheden intensief en gestructureerd samenwerking met het bedrijfsleven in de vorm van een Innovatiepartnership2, SmartwayZ3 waar meerdere Brabantse steden, provincie, RWS, I&M en bedrijfsleven samenwerken aan een MIRT project o.a. in een gezamenlijk ITS Bureau. Deze ontwikkelingen worden meegenomen bij de verdere uitwerking van de NOVI.

Vraag 65:

Wat zijn de komende jaren de belangrijkste opgaven in het kader van de ketenmobiliteit? Zijn dat goede verbindingen van verschillende mobiliteitsnetwerken? Wat zijn de uitdagingen waar eventueel nu al op kan worden geanticipeerd?

Antwoord 65:

Het is aan het kabinet om prioriteiten te stellen voor de komende jaren. De NOVI kan daarvoor keuzes bevatten. Het huidige beleid is om gebieden goed bereikbaar te houden en de reiziger en vervoerder of verlader zo goed mogelijk te bedienen in zijn reis van deur tot deur. Omdat dit vaak een ketenreis is, waarbij sprake is van verschillende modaliteiten of mobiliteitsaanbieders, moeten de systemen goed op elkaar zijn aangesloten. Naast het verbeteren van de multimodale knooppunten is het van belang om de potentie die technologische ontwikkeling en digitalisering bieden optimaal te benutten. Voor het personenvervoer kan dat bijvoorbeeld met het beter voorzien van reizigers met up-to-date reisinformatie en het faciliteren van de ontwikkeling van nieuwe mobiliteitsconcepten, zodat reizigers een optimale keuze kunnen maken. Met onder andere het huidige programma Beter Benutten wordt hier samen met regio’s en vervoerders aan gewerkt.

Voor het goederenvervoer biedt een betere beschikbaarheid en uitwisseling van (logistieke) data in de gehele keten kansen om de voorspelbaarheid, betrouwbaarheid en flexibiliteit van het vervoer te verbeteren. Daarnaast is een efficiënt gebruik van multimodale vervoersystemen een opgave.

Vraag 66:

Waar is de conclusie op gebaseerd dat benuttingsmaatregelen ook manieren zijn om bereikbaarheidsdoelstellingen te realiseren? Wat betekent dit voor de verdere uitwerking van het voorliggende document?

Antwoord 66:

Benuttingsmaatregelen dragen bij aan betere benutting van de capaciteit van de mobiliteitsnetwerken. Een belangrijk element hierin is dat weg- en spoorgebruikers worden gestimuleerd om op andere tijden of via andere modaliteiten gebruik te maken van de netwerken. Hierdoor worden de netwerken beter benut en kan (een deel van de) mobiliteitsgroei opgevangen worden. Beter Benutten heeft laten zien dat deze aanpak effectief is, zie mijn brief van brief van 2 juni 2016 (Kamerstuk 34 300, A nr. 66). Het eerste Beter Benutten programma heeft geleid tot 19% minder vertraging in de spits op de drukste trajecten. Gemiddeld zijn er per werkdag 48.000 auto’s of vrachtauto’s minder in de spits. Met enkel benuttingsmaatregelen kunnen we echter niet de verwachte mobiliteitsgroei opvangen. Bij het verdiepen van onder andere de strategische opgave «Naar een toekomstbestendige en bereikbare woon- en werkomgeving» wordt naar dergelijke maatregelen gekeken.

Vraag 67:

In hoeverre is het juist dat een adequate afstemming van ruimtelijke ordening en mobiliteit bijdraagt aan een efficiënter mobiliteitssysteem voor heel Nederland? Waar liggen de (mogelijke) regionale verschillen? Verschilt de definitie van een efficiënter mobiliteitssysteem nog per mobiliteitsvorm? Zo ja, hoe ziet deze eruit voor een autobezitter, treinreiziger en fietser?

Antwoord 67:

Hoeveel mensen gebruik maken van een mobiliteitssysteem bepaalt voor een belangrijk deel de mate van efficiëntie. Als er te veel gebruik wordt gemaakt van een mobiliteitssysteem, resulterend in bijvoorbeeld congestie, of juist te weinig, kan dat beide leiden tot inefficiëntie. Zo leiden congestie en te volle treinen, trams of bussen tot negatieve maatschappelijke effecten zoals tijdverlies, overmatige slijtage en onnodige uitstoot. Anderzijds geldt dat bij een te beperkt gebruikt de gedane investeringen niet goed renderen.

De invulling van de ruimtelijke ordening, onder andere woningbouw, kantoren en sociale voorzieningen, bepaalt in belangrijke mate het gebruik en de wensen die reizigers stellen aan het mobiliteitssysteem. In en tussen locaties met een hoge dichtheid, zoals drukke binnensteden, geldt dat collectieve mobiliteitsvoorzieningen, zoals bussen, trams en treinen, vaak efficiënter zijn omdat zij grote groepen mensen kunnen vervoeren. Anderzijds geldt dat in veel gebieden de mobiliteitsvraag efficiënter kan worden gefaciliteerd met de auto. De inrichting van een zo efficiënt mogelijk mobiliteitsnetwerk vraagt om maatwerk en is sterk afhankelijk van de regionale context. Dit vraagt om een goede afstemming tussen (toekomstige) ruimtelijke ordeningsbeslissingen en investeringen in het mobiliteitsnetwerk. De NOVI wordt de integrale visie op de fysieke leefomgeving en maakt het mogelijk om dergelijke afwegingen beter te maken.

Vraag 68:

Wordt met achterlandverbinding ook gedoeld op bereikbaarheid voor een werknemer woonachtig in Gelderland en werkend op de Zuidas?

Antwoord 68:

In de SVIR wordt achterlandverbindingen gedefinieerd als de internationale verbindingen voor personen en goederen van de main-, brain- en greenports met het achterland (België, Duitsland en de rest van Europa) en wordt hier in eerste instantie dus niet gedoeld op binnenlandse bereikbaarheid.

Zoals in het antwoord op vraag 48 beschreven staat, is de huidige ambitie om de economische toppositie van stedelijke regio’s, main-, brain- en greenports uit te bouwen en te versterken door middel van uitstekende bereikbaarheid via de nationale netwerken. Dit is onder andere uitgewerkt in het OV-Toekomstbeeld waar wordt gekozen voor snelle verbindingen tussen economische kerngebieden binnen en buiten de Randstad. Dat geldt dan bijvoorbeeld voor de regio Arnhem–Nijmegen en Amsterdam, deze zijn beide gedefinieerd als kerngebied.

Vraag 69:

Is de «deur-tot-deurambitie» letterlijk bedoeld, bijvoorbeeld van Utrechtse voordeur tot Rotterdamse haven?

Antwoord 69:

Nee, de ambitie is niet letterlijk bedoeld maar wel richtinggevend. Deze huidige ambitie die voortkomt uit het Toekomstbeeld OV is gedefinieerd als ambitie tussen de vier grote steden. In een nadere uitwerking van het Toekomstbeeld OV zullen de ambities worden gepreciseerd. Er zal bij de uitwerking en prioritering onder andere rekening gehouden worden met de vervoersspanning op verschillende verbindingen en in hoeverre openbaar vervoer daar de meest efficiënte oplossing is. In hoeverre de (gehele) Rotterdamse haven daar onderdeel van is, zal daarin ook worden beschouwd.

Vraag 70:

Welke mogelijkheden heeft u als decentrale overheden met hun beleidskeuzes de ambitie frustreren om in de Randstad binnen een uur van deur tot deur te reizen en bent u van plan om deze mogelijkheden te benutten?

Antwoord 70:

Bereikbaarheid en ruimtelijke ordening zijn een verantwoordelijkheid van verschillende partijen. Zo hebben decentrale overheden bijvoorbeeld noodzakelijke kennis en verantwoordelijkheden met betrekking tot onder andere de invulling van ruimtelijke ordening en het regionale openbaar vervoer. Het Rijk is daarentegen verantwoordelijk voor investeringen in het hoofdwegen- en spoornet. Alleen door nauwe afstemming, coördinatie en samenwerking kunnen ambities zoals binnen een uur van deur-tot-deur reizen in de Randstad worden gerealiseerd.

Het gezamenlijk onderschrijven van de ambitie is een belangrijke conditie bij het realiseren ervan. De ambities die in het Toekomstbeeld OV zijn dan ook samen met de decentrale overheden en vervoerders opgesteld.

In het verlengde van de NOVI kunnen als dat nodig is bindende instrumenten worden ingezet. Dit zal aandacht krijgen bij de opstelling van de NOVI. Zie ook het antwoord op vraag 3.

Vraag 71:

In hoeverre bent u van plan om door middel van prijsprikkels andere keuzes af te dwingen als het gaat om stedelijke bereikbaarheid?

Antwoord 71:

De startnota benoemt verschillende beleidsinstrumenten die afhankelijk van de concrete uitwerking een bijdrage kunnen leveren aan bereikbaarheid, duurzame mobiliteit of het doorbelasten van externe kosten (waaronder congestie en vervuiling). Het toepassen van prijsprikkels, zoals gedifferentieerde parkeer- en OV-tarieven en/of een vorm van wegbeprijzing, is daarbij één van de opties.

Dit kabinet zet, zoals in het huidige regeerakkoord is opgenomen, geen stappen om een kilometerheffing in te voeren. In plaats daarvan is onder andere het programma Beter Benutten doorgezet en ruim 700 kilometer extra asfalt opengesteld. Daarmee is een forse bijdrage geleverd aan het verminderen van de congestie. Om de uitstoot van het wagenpark te beperken, zet dit kabinet in op strenge maar haalbare Europese uitstootnormen (bronbeleid) en het stimuleren van emissievrij rijden.

Vraag 72:

Hoe wordt de term «landschap» gedefinieerd en hoe wordt deze definitie gebruikt, aangezien cultuurlandschappen (onder paragraaf 3.2) in de startnota soms «culturele voorzieningen» genoemd worden, elders (onder paragraaf 3.5) wordt gesproken over «energielandschappen» en de term landschap (onder paragraaf 3.8) weer gelijkgeschakeld wordt met natuur?

Antwoord 72:

Het begrip landschap heeft een meerduidige betekenis. Zoals eerder verwoord in de Landschapsbrief van de Staatssecretaris van Economische Zaken (Kamerstuk 33 576, nr. 89) kan landschap in generieke zin enerzijds worden gezien als de resultante van al het menselijke handelen dat een ruimtelijke weerslag heeft. Anderzijds is het landschap juist een onderlegger en basis voor ruimtelijke ontwikkeling. In de Omgevingswet is het begrip «landschappen» gedefinieerd als gebieden zoals die door mensen worden waargenomen, waarvan het karakter wordt bepaald door natuurlijke of menselijke factoren en de interactie daartussen. Landschap is dus zowel de resultante van (sectorale) ruimtelijke ontwikkelingen als het vertrekpunt voor die ontwikkelingen, en de visuele verschijningsvorm van de fysieke leefomgeving.

In de startnota worden onder paragraaf 3.2 cultuurlandschappen naast culturele voorzieningen geplaatst. In paragraaf 3.8 gaat het over natuur en landschap.

Vraag 73:

Op welke wijze vormt de energietransitie mogelijk een bedreiging voor onze cultuur en erfgoed?

Antwoord 73:

Energie is al eeuwenlang onderdeel van het landschap en de uitingen daarvan zoals molens, veenontginningsplassen, legakkers, mijnschachten en jaknikkers zijn vaak cultuurhistorisch waardevol.

Bij inpassing van nieuwe energievormen moet worden gekeken in hoeverre dit in het bestaande landschap past of op historische structuren aansluit. Een zorgvuldig ontwerpproces kan leiden tot een toekomstbestendig en cultureel waardevol landschap, waarbij de energietransitie een vormende factor kan zijn. Een goede afweging is daarbij belangrijk en kan ervoor zorgen dat de energietransitie geen bedreiging vormt voor cultureel erfgoed. Deze afweging kan in de NOVI worden gemaakt.

Vraag 74:

Waarom overweegt u om erfgoed op te offeren ten faveure van verduurzaming en kunt u daar een aantal concrete voorbeelden van geven?

Antwoord 74:

In de startnota worden nog geen keuzes gemaakt, zeker ook niet om erfgoed op te offeren ten faveure van verduurzaming. De ambitie is dat de NOVI doelen met elkaar verbindt en leidt tot integrale verbetering van de leefomgeving. Onderlinge spanningen, zoals de startnota die ook tussen erfgoed en verduurzaming signaleert, zullen zich desondanks voordoen. De huidige verdiepingsfase van de NOVI richt zich juist op dit soort spanningen en de beleidsopties om daarmee om te gaan.

Vraag 75:

Kunnen de windbiotopen van historische molens op een met de beschermde dorps- en stadsgezichten vergelijkbare wijze behandeld worden?

Antwoord 75:

Ja dat kan. Het omgevingsplan geeft de gemeente de mogelijkheid om via het toedelen van functie locaties (die van de molen en de locaties daaromheen) te bewerkstelligen dat de windvang van de molen wordt geborgd. Daarvoor is het overigens niet nodig er een beschermd stads- of dorpsgezicht van te maken. Als het fysieke behoud van de molen van belang is, ligt de toedeling van de functie van «gemeentelijk monument» voor de hand (als de molen niet al rijksmonument is), welke bescherming dan kan worden aangevuld met het toedelen van functies aan omliggende locaties om de vrije windvang te borgen (dus geen hoge beplanting of bebouwing).

Vraag 76:

Kunt u aangeven hoe u van plan bent op de vele open vragen die in de startnota gesteld worden, zoals die op regelnummer 659: «[...] zal op slimme wijze moeten worden omgegaan met de noodzakelijke verduurzaming ervan.», antwoorden denkt te formuleren, op welke manier en welke termijn deze antwoorden tot stand zullen komen en waarom u er klaarblijkelijk doelbewust voor heeft gekozen nog zoveel vragen open te laten?

Antwoord 76:

De startnota beschrijft de opgaven, in de NOVI worden de daarvoor noodzakelijke keuzes benoemd. In mijn antwoord op vraag 10 is aangegeven hoe en wanneer de keuzes worden gemaakt.

Vraag 77:

Van welke vermindering van uitstoot van broeikasgassen gaat de NOVI in 2050 ten opzichte van 1990 uit? Van de daling met 45 á 65 procent van pagina 21 of die van 80 tot 95% van pagina 31? Vanuit welk uitgangspunt is de NOVI vervolgens geschreven?

Antwoord 77:

De NOVI zal uitgaan van de op het moment van verschijning actuele nationale klimaatdoelstelling. De genoemde daling van 45 à 65% ten opzichte van 1990 is gebaseerd op de berekening van een lineaire lijn op basis van de huidige activiteiten en maatregelen. Momenteel is het streven een reductie van 80 tot 95% in Europees verband in 2050 ten opzichte van 1990. In het besluit bij het Akkoord van Parijs is het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) verzocht zich te buigen over de effecten van het streven naar 1,5 graad Celsius opwarming en de daaraan gerelateerde mondiale emissiepaden en hierover in 2018 een rapport uit te brengen. De uitkomst van deze analyse zal dienen als input voor de «faciliterende dialoog» die datzelfde jaar zal plaatsvinden tussen partijen (waaronder de EU) over de klimaatbijdragen, waarmee dit ook een moment is om naar de eigen inzet van de EU te kijken.

Zie ook het antwoord op vraag 51.

Vraag 78:

Welke rol ziet het Rijk voor zich in de NOVI weggelegd om onderlinge nabijheid te creëren van activiteiten en functies door verdichting rond multimodale knooppunten?

Antwoord 78:

Het creëren van onderlinge nabijheid en het versterken van de agglomeratiekracht van stedelijke gebieden is een belangrijk element in onze gesprekken met andere overheden onder andere in het kader van Ruimtelijk Economische Ontwikkelstrategie (REOS) en de gebiedsgerichte bereikbaarheidsprogramma’s Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT). De functiemenging en (verdere) concentratie van wonen, werken en vervoer kan immers bijdragen aan economische ontwikkeling en de internationale concurrentiekracht.

Bouwen en (her)ontwikkeling in de nabijheid van knooppunten past bij een strategie van verdere verdichting van het stedelijk gebied. De verschillende, mogelijke ruimtelijke ordeningsstrategieën en keuzes daarin maken onderdeel uit van de verdere uitwerking van de NOVI.

Vraag 79:

Hoe staat het met de plannen van de EU om met EU-gelden miljarden te investeren in het aanleggen van hoogwaardige digitale infrastructuur in lidstaten die dit tot dusverre hebben nagelaten? In hoeverre financiert Nederland hiermee zijn eigen concurrentie?

Antwoord 79:

Nederland heeft een hoogwaardige digitale infrastructuur met meerdere vaste telecomnetwerken (koper, kabel, glasvezel) en vier mobiele netwerkaanbieders.

De beschikbaarheid van zowel vast als mobiel snel internet is in Nederland groot. De mobiele netwerken in Nederland bieden vrijwel volledige 4G-dekking en maar liefst 97% van de huishoudens en 91% van de bedrijven heeft toegang tot vast snel internet. Door inspanningen van bewonersinitiatieven, overheden en marktpartijen wordt het resterende deel zonder vast snel internet steeds kleiner. Voor kleinschalige projecten zoals die in Nederland kan het aankomende Europese breedbandinvesteringsfonds interessant zijn. De Commissie is in gesprek met investeerders die het fonds moeten vullen en draagt zelf EUR100 miljoen bij via de zogenoemde Connecting Europe Facility. Zij streeft naar een fonds van in totaal EUR500 miljoen. Het Europese breedbandinvesteringsfonds moet gezien worden als een investeringsplatform onder het grotere Europese Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI). Het EFSI richt zich voornamelijk op projecten met een grote financiële omvang. Het Europese breedbandinvesteringsfonds moet hier verandering in brengen en EU-fondsen ook toegankelijk maken voor kleinschalige projecten. Het kabinet steunt dit en houdt de ontwikkelingen hieromtrent in de gaten. Zodra bekend wordt wanneer het fonds operationeel wordt, zal het Ministerie van Economische Zaken dit onder de aandacht brengen bij belanghebbenden. Overigens is de aanleg van infrastructuur in andere lidstaten voordelig voor Nederland. Aansluiting van Europese burgers en bedrijven op het internet heeft positieve externe effecten; niet alleen de afnemers van internetdiensten in de desbetreffende lidstaat, ook de burgers en bedrijven in andere lidstaten die met die afnemers willen communiceren of handel drijven profiteren ervan.

Vraag 80:

Welke mogelijkheden ziet u om, als andere lidstaten subsidies krijgen om digitale infrastructuur aan te leggen, financiële compensatie bij de EU te claimen voor de hoogwaardige infrastructuur die Nederland zelf al heeft aangelegd?

Antwoord 80:

Er zijn geen mogelijkheden voor financiële compensatie.

Vraag 81:

Waarom is hier de ontwikkeling die de landbouw de afgelopen jaren heeft laten zien niet opgenomen als een van de voorbeelden die voor andere sectoren zou kunnen worden genoemd, aangezien in het kader van de energievoorziening wordt gesteld dat vermindering van de uitstoot van broeikasgassen een urgent vraagstuk is?

Antwoord 81:

In hoofdstuk 3 van de startnota zijn de diverse sectorale opgaven in de leefomgeving zeer beknopt beschreven. De ontwikkeling en ervaring in de Nederlandse landbouw, die als sector internationaal in veel opzichten vooroploopt, kan inderdaad als voorbeeld worden benut voor andere sectoren. Dit wordt meegenomen bij de verdieping van de strategische opgaven.

Vraag 82:

Is bij hoofdstuk 3.5 «energievoorziening» uitgegaan van 80 tot 95% vermindering van de uitstoot van broeikasgassen in 2050 ten opzichte van 1990? Is hierbij alleen uitgegaan van het rapport van McKinsey of zijn er ook andere rapporten gebruikt? Zo ja, welke? Waarom staan deze niet op pagina 32 en 33 in een voetnoot gemeld?

Antwoord 82:

Er is bij hoofdstuk 3.5 uitgegaan van de huidige ambitie van 80 tot 95% vermindering van de uitstoot van broeikasgassen in 2050 ten opzichte van 1990. Het rapport van McKinsey is aangehaald omdat het de sprekende vergelijking bevat dat deze opgave tot 2050 drie keer de jaarlijkse reductie vergt ten opzichte van de sinds 1990 gerealiseerde emissiereductie. Zie ook het antwoord op de vragen 51 en 77.

Vraag 83:

Hoe bindend is het uitgangspunt van een volledige duurzame energievoorziening in internationaal verband in 2050 voor de NOVI? Waarom is hierbij het regeerakkoord van de VVD en de PvdA van 2012 genoemd en niet het Energieakkoord?

Antwoord 83:

Het uitgangspunt van een volledig duurzame energievoorziening in 2050 is bestaand beleid. Dit uitgangspunt is verder uitgewerkt in de Energieagenda die eind 2016 door het Rijk is uitgebracht. Het Energieakkoord is een akkoord tussen overheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties dat gericht was op een versnelling van de energietransitie in de periode 2013–2023.

De Energieagenda is het vigerende beleidsdocument voor de energievoorziening in Nederland op de middellange en lange termijn. Het strategische beleid voor energievoorziening zal voor het zover betrekking heeft op de ontwikkeling van de leefomgeving een plaats krijgen in de NOVI.

Vraag 84:

Wat wordt bedoeld met het inzetten van prijsprikkels om klimaat- en energiedoelstellingen te halen?

Antwoord 84:

Met het inzetten van prijsprikkels wordt beoogd maatschappelijke kosten van klimaatverandering of maatschappelijke wenselijkheid van ontwikkelingen door te laten werken in prijzen, waardoor actoren hier in hun afwegingen automatisch rekening mee houden. De verwachting is dat actoren door die prijsprikkels eerder zullen kiezen voor een klimaatvriendelijk alternatief, waardoor een bijdrage wordt geleverd aan de klimaat- en energiedoelstellingen. Voorbeelden van bestaande prijsprikkels zijn de energiebelasting voor gas en elektriciteit en subsidies voor de aanschaf van energiezuinige apparaten. Ook bij klimaatadaptatie kan sprake zijn van prijsprikkels. Zo loopt er een pilot over differentiatie van de zuiveringsheffing van waterschappen in het kader van het deltaprogramma ruimtelijke adaptatie.

Bij de uitwerking van het klimaat- en energiebeleid zal concreet worden gemaakt wat aanvullend aan het bestaande instrumentarium zal worden ingezet.

Vraag 85:

Wat is de onderbouwing van de stelling dat flexibilisering van de arbeidsmarkt en een toename van eenpersoonshuishoudens daarnaast zorgen voor een veranderende woonbehoefte? Waarom wordt deze stelling één op één verbonden aan een verhoogde vraag naar vrije sector huurwoningen?

Antwoord 85:

In de startnota worden flexibilisering van de arbeidsmarkt en de toename van de eenpersoonshuishoudens genoemd als voorbeelden van trends die bijdragen aan een veranderende woonbehoefte. Bij alleenstaanden is er maar één kostwinner, terwijl bij samenwonenden vaak beide partners een inkomen genereren. Dat leidt ertoe dat het gemiddeld huishoudinkomen van alleenstaanden duidelijk lager ligt dan van samenwonenden. In samenhang daarmee wonen alleenstaanden (met een lager inkomen) vaker in huurwoningen.

Een belangrijke arbeidsmarktontwikkeling voor de woningmarkt is de afname van het aantal werknemers met een vast arbeidscontract. Voor sommige zelfstandigen en werknemers met een tijdelijk contract kan het moeilijker of minder verstandig zijn om een hypotheek krijgen dan voor werknemers in vaste dienst, omdat extra voorwaarden worden gesteld, zoals inzage in de inkomsten van de laatste drie jaar (Kamerstuk 32 847, nr. 282). Daarnaast is sprake van een toenemende mobiliteit op de arbeidsmarkt, waardoor er ook meer behoefte kan bestaan aan een flexibele woonsituatie.

Als voorbeeld van veranderende woonbehoefte wordt de verhoogde vraag naar vrije sector huurwoningen genoemd. De voorbeelden zijn niet bedoeld om een uitsluitende één op één relatie aan te geven.

Vraag 86:

Wat wordt precies bedoeld met «prijsprikkels kunnen eveneens worden ingezet om klimaat- en energiedoelstellingen te realiseren»? Waar wordt precies aan gedacht en welke uitgangspunten en kaders worden gehanteerd?

Antwoord 86:

Zie het antwoord op vraag 84.

Vraag 87:

Op welke manier ziet u geothermie als duurzame bron van energie naast wind- en zonne-energie

Antwoord 87:

In navolging van de ambitie om tot 80–95% reductie van broeikasgassen te komen, wordt gewerkt aan de ontwikkeling van bronnen voor energie (warmte en elektriciteit) die niet op fossiele brandstoffen gebaseerd zijn.

Daar waar windmolens en zonnecellen op duurzame (niet-fossiele) wijze elektriciteit opwekken, is geothermie een duurzame bron van warmte die voor de benodigde warmte in de gebouwde omgeving, de glastuinbouw of de industrie kan zorgen.

Vraag 88:

Neemt de behoefte aan kantoorvolume absoluut of relatief af?

Antwoord 88:

Zowel absoluut als relatief gezien neemt de behoefte aan kantoorvolume af tot 2050.

Het Planbureau voor de Leefomgeving en het Centraal Planbureau hebben de toekomstige kantoorbehoefte onderzocht in de studie «De toekomst van kantoren»4.

Wanneer uitgegaan wordt van een scenario met een sterke economische groei, bedraagt de kantoorbehoefte in 2050 ongeveer 48 miljoen vierkante meter. Dat is 95 procent van de omvang van de huidige kantorenvoorraad. Dat hoge scenario gaat gepaard met een terugkeer van het aandeel kantoorbanen naar pre-recessieniveau en een lichte daling van het aantal kantoormeters per baan in 2050.

In het lage groeiscenario daalt het totale aantal banen én het aandeel kantoorbanen, door minder groei in de zakelijke dienstverlening. Hierdoor daalt de kantoorbehoefte naar een oppervlak van minder dan 30 miljoen vierkante meter. In 2030 komt dat neer op 67 procent van de huidige voorraad, en in 2050 op 54 procent.

Vraag 89:

Met welk beleid wordt er concreet op aangestuurd om lege plekken te creëren in de Rotterdamse haven?

Antwoord 89:

De startnota geeft aan dat door het verdwijnen van fossiele energiebronnen mogelijk ruimte kan ontstaan op plekken waar nu fossiele brandstoffen worden opgeslagen of gebruikt. Er wordt vanuit het Rijk geen beleid gevoerd om lege plekken te creëren in de Rotterdamse haven. Het Havenbedrijf Rotterdam is verantwoordelijk voor de exploitatie van het havenindustrieel complex. Het Havenbedrijf wil de haven van Rotterdam ontwikkelen tot de plaats waar de energietransitie vorm krijgt. De transitie naar duurzame bronnen zal in de haven veel ruimte in beslag nemen. In het havengebied staan veel bedrijven die fossiele grondstoffen gebruiken om brandstoffen en chemische producten te maken. De bedrijven stoten CO2 uit maar hebben ook kennis van energie, energie-intensieve productieprocessen en CO2-reductie. Dat biedt kansen voor het ontwikkelen en toepassen van technieken om CO2-uitstoot van de industrie terug te brengen.

Vraag 90:

Hoeveel procent van de totale nieuwbouwopgave wordt naar verwachting veroorzaakt door vluchtelingen, allochtonen en de autochtone Nederlandse bevolking?

Antwoord 90:

De geraamde nieuwbouwbehoefte volgt uit een berekening van de verwachte toename van het aantal huishoudens en de provinciale bouw, sloop- en transformatieplannen. De geraamde behoefte aan nieuwbouw is gebaseerd op de geraamde ontwikkeling van de bevolking. Hierbij wordt de verwachte bezetting van deze nieuwbouw niet uitgesplitst.

In de totale geraamde groei van de bevolking voor de komende tien jaar is 57% toe te wijzen aan verschillende vormen van migratie en 43% aan natuurlijke aanwas (verschil tussen geboorte en sterfte) (Primos prognose, 2016). Deze prognose is omgeven met grote onzekerheden omdat migratiestromen afhankelijk zijn van internationale economische en politieke ontwikkelingen.

Vraag 91:

In hoeverre waren de 48.000 gerealiseerde woningen afdoende om aan de vraag te voldoen? Wordt bij de benodigde 70.000 woningen eenzelfde verhouding gehanteerd tussen vraag en opgave?

Antwoord 91:

Het aantal nieuw opgeleverde woningen van gemiddeld 48.000 in de afgelopen jaren was niet gelijk aan de berekende vraag naar woningen.

De nieuwbouwopgave wordt bepaald door de (groei van de) vraag naar woningen en het aantal te slopen woningen. In de ramingen zit een groei van de vraag naar woningen tussen 2015 en 2025 van 610 duizend. Tegelijk wordt in de ramingen rekening gehouden met nieuwbouw van circa 706 duizend woningen (zo´n 70 duizend per jaar) en de sloop van ongeveer 133 duizend woningen. Dat resulteert in een toename van de woningvoorraad met 573 duizend woningen tussen 2015 en 2025 (Kamerstuk 32 847, nr. 295). Conclusie is dat het aanbod achterloopt bij de toegenomen vraag. Het Rijk is in gesprek met de verschillende woningmarktregio’s over de woningbehoefte, woningproductie, (plan)capaciteit, investeringen in woningbouw en woningverbetering en de rol van de verschillende partijen (medeoverheden, rijksoverheid, corporaties en marktpartijen) hierbij. Daarnaast is woningbouw, en waar en hoe deze te realiseren, een opgave die in de NOVI aan de orde komt.

Vraag 92:

Welke praktische, financiële of juridische belemmeringen zijn er om het leegstaande commerciële vastgoed om te bouwen en te gebruiken voor de groeiende woningbehoefte?

Antwoord 92:

Transformatie speelt vooral in op de vraag naar binnenstedelijke appartementen. Niet alle gebouwen zijn geschikt (bijvoorbeeld door locatie of plattegrond van het gebouw) om te transformeren naar appartementen.

Een financiële belemmering is onder andere onzekerheid over rendement, wat beleggers kan tegenhouden te investeren. Een andere financiële belemmering kan zijn dat vastgoedeigenaren vasthouden aan een hoge waarde voor leegstaande gebouwen. Verder zijn er vaak (voor)investeringen nodig, bijvoorbeeld voor de aanpassing van de openbare ruimte.

Soms kunnen lokale regels zoals een hoge parkeernorm transformatie bemoeilijken. In de Omgevingswet wordt een aantal juridische belemmeringen weggenomen of verminderd, zoals met betrekking tot geluidsbelasting. Het transformeren van vastgoed naar woningen vergt veel kennis bij alle betrokken partijen. Vanuit het Rijk is er een Expertteam Transformatie beschikbaar om hierbij te helpen.

In de praktijk blijkt een gemeentelijke visie op (gebieden met) leegstaand vastgoed goed te werken. Een gemeentelijke visie geeft eigenaren en gebruikers een perspectief op waar wel en waar niet te investeren in transformaties naar bijvoorbeeld woningen.

Vraag 93:

Bent u van mening dat een regierol van het Rijk gewenst is ten aanzien van het vitaal en aantrekkelijk houden van de binnensteden, stedelijke transformatie en stedelijke groei? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 93:

Lokale overheden zijn verantwoordelijk voor stedelijke ontwikkelingen en bepalen de woningbouw op basis van de lokale (kennis van de) behoefte. Het Rijk levert een bijdrage om het inzicht in vraag en aanbod te vergroten door de (landelijke) woningbehoefte-cijfers beschikbaar te stellen. Daarnaast draagt het Rijk bij aan kennisontwikkeling en -deling over stedelijke ontwikkeling via City Deals en expertteams. Het gaat bijvoorbeeld om de City Deal «Binnenstedelijk bouwen en transformatie», het Expertteam Versnellen en het Expertteam Transformatie. Daarnaast is voor de vitale binnensteden via de Retailagenda ingezet op ondersteuning door o.a. Retaildeals. Tijdens de tweede fase van de NOVI zullen opties voor de verdeling van verantwoordelijkheden en rollen, met de inhoudelijke opgaven als vertrekpunt, aan de orde komen.

Vraag 94:

Is er een hiërarchie aan belangen aan te geven tussen bijvoorbeeld economie en ecologie, of particuliere, lokale of nationale belangen? Is schoon drinkwater of gezonde lucht bijvoorbeeld altijd een nationaal belang? Is energiewinning altijd een nationaal belang?

Antwoord 94:

Welke nationale belangen de NOVI zal benoemen en hoe die zich onderling zullen verhouden is nog niet bepaald. Zie ook het antwoord op de vragen 32 en 163.

Vraag 95:

Welke afwegingskaders worden bij activiteiten en de gevolgen voor gezondheid en veiligheid bij de NOVI beschreven en/of bepaald?

Antwoord 95:

Voor vraagstukken rond veiligheid en gezondheid is het vigerende afwegingskader «Bewust Omgaan met Veiligheid», dat in 2014 aan de Kamer is aangeboden. In dit afwegingskader wordt benoemd dat ten aanzien van het risico- en veiligheidsdomein onder andere maatschappelijke organisaties, handhavers en andere overheden betrokken moeten worden bij het beleidsvormingsproces om vroegtijdig nieuwe risico’s te signaleren. Dit is in lijn met de Omgevingswet waar onder andere omgevingsdiensten, GGD’en, gemeenten, provincies en veiligheidsregio’s in brede samenwerking de kaders bepalen voor een veilige omgeving. Specifiek voor gezondheidsgerelateerde vraagstukken heeft het Beoordelingskader Gezondheid en Milieu van het RIVM uit 2003 zich bewezen als geschikt hulpmiddel om gezondheidsrisico’s van milieufactoren inhoudelijk te beoordelen en de voor- en nadelen van mogelijke maatregelen te bespreken met belanghebbenden. Er zijn inmiddels diverse online hulpmiddelen voor het afwegen van gezondheid. De Gelderse Gezondheidswijzer, de Zeelandscan, de Omgevingswijzer van Rijkswaterstaat en de Gezond Ontwerp Wijzer in de Atlas Leefomgeving zijn slechts enkele mooie voorbeelden die breed worden toegepast. De ervaringen die zijn opgedaan met deze gezondheidswijzers worden samengebracht met de ervaringen van de Inspiratiegids Participatie van «Aan de Slag met de Omgevingswet» in de Gids Gezonde Leefomgeving-1.0 (www.gidsgezondeleefomgeving.nl). Afwegingen inzake gezondheid en veiligheid worden meegenomen in de verdere ontwikkeling van de NOVI.

Vraag 96:

Van welke terugdringing van welke specifieke emissies en van welke permanente verbetering van de luchtkwaliteit gaat de NOVI uit?

Antwoord 96:

In de startnota is uitgegaan van de bestaande ambitie: een permanente verbetering van de luchtkwaliteit waarbij toegewerkt wordt naar de streefwaarden van de WHO. De WHO-waarden zijn streefwaarden en geen wettelijke normen. Voor fijn stof zijn dit de streefwaarden 10 ug/m3 voor PM2,5 en 20 ug/m3 voor PM10. De streefwaarden zijn haalbaar voor Nederland tussen 2030 en 2050. Voor NO2 hanteert de WHO de waarde die ook geldt als wettelijke norm (Europese grenswaarde). Deze waarde wordt bijna overal in Nederland gehaald. Er resteert nog een beperkt aantal binnenstedelijke NO2-knelpunten. Met het Actieplan Luchtkwaliteit (Kamerstuk 30 175, nr.223) wordt een breed maatregelenpakket ingezet om de luchtkwaliteit in samenwerking met de steden verder te verbeteren. De streefwaarde van de WHO voor SO2 is 20 ug/m3 daggemiddelde. Deze concentratie wordt alleen nog incidenteel in industriegebieden overschreden. Voor ozon geldt dat de 8-uurgemiddelde niet hoger zou mogen zijn dan 100 ug/m3. In 2012 werd hier op 95% van de dagen in de zomer aan voldaan.

Vraag 97:

Op welke termijn wordt een permanente verbetering van de luchtkwaliteit, waarbij de streefwaarde van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) eindpunt is, behaald?

Antwoord 97:

De WHO hanteert jaargemiddelde streefwaarden voor verschillende stoffen, waar landen op termijn naar toe kunnen werken. De WHO heeft geen termijnen genoemd waarop deze streefwaarden behaald moeten zijn. De termijn waarop deze waarden kunnen worden gerealiseerd in Nederland, is onder andere afhankelijk van de mate waarin voer- en vaartuigen in de praktijk daadwerkelijk schoner worden en van de ammoniakreductie.

Vraag 98:

Op basis van welke normen worden gezondheid en veiligheid meegenomen in de context van de leefomgeving? Wat wordt verstaan onder de doelstelling dat burgers de leefomgeving als veilig en gezond ervaren? Wanneer is hier sprake van en aan welke eisen moet dan zijn voldaan?

Antwoord 98:

In de context van de leefomgeving zijn diverse normen gesteld om een gezonde en veilige leefomgeving te bevorderen. Het RIVM heeft in 2014 een overzicht opgesteld in opdracht van het Ministerie van IenM (Gezondheid en veiligheid in de Omgevingswet: Doelen, normen en afwegingen bij de kwaliteit van de leefomgeving, RIVM Rapport 2014-0138). De in wet- en regelgeving vastgelegde normen zijn operationele doelen die helpen om het algemene richtinggevende doel te bereiken, namelijk een leefomgeving die gezond en veilig is, en ook zo wordt ervaren. De beleving van gezondheid en veiligheid is medebepalend voor de psychische en fysieke gezondheid: stress, onrust en onzekerheid, gevoelens van onveiligheid kunnen naast fysieke bedreigingen ook leiden tot verminderde gezondheid. Het is daarom niet altijd afdoende om de fysieke bedreigingen/risico’s vanuit de leefomgeving weg te nemen. Daarom is ook inzet nodig op het gesprek over, en maatregelen gericht op, perceptie van gezondheid en veiligheid in de leefomgeving. De lange termijn ambitie is dat iedereen de leefomgeving als gezond en veilig ervaart. In de uiteindelijke NOVI zal dit verder ingevuld worden.

Vraag 99:

Wanneer en door wie is de recent bepaalde ambitie voor wat betreft de permanente verbetering van luchtkwaliteit vastgesteld? Welke streefwaarden moeten wanneer zijn gehaald? Welke rol speelt Europees bronbeleid hierbij? In hoeverre wordt kosteneffectiviteit meegenomen in de afweging? Hoe wordt een methodiek ingebouwd waardoor de effectiviteit van dergelijke maatregelen gemeten wordt?

Antwoord 99:

Zie ook het antwoord op de vragen 96 en 97. De ambitie om toe te werken naar de streefwaarden van de WHO is met uw Kamer gewisseld tijdens het AO leefomgeving van 11 februari 2016 en is daarnaast verwoord in de brieven van de Staatssecretaris van IenM van 5 juli 2016 (Kamerstuk 30 175, nr. 242) en 10 oktober 2016 (Kamerstuk 34 550 XII, nr. 7). Voor het verder verbeteren van de luchtkwaliteit is Europees bronbeleid voor voer- en vaartuigen van groot belang.

Daarnaast worden ook nationale en lokale maatregelen getroffen ter stimulering van schoon vervoer en het ontmoedigen van vervuilend vervoer. Daarnaast is de Gezondheidsraad gevraagd te adviseren over hoe gezondheid meer centraal kan worden gesteld in het luchtkwaliteitsbeleid. De verwachting is dat de Gezondheidsraad adviseert op welke stoffen en op welke sectoren het luchtbeleid zich zou moeten richten voor het realiseren van gezondheidswinst. Dit advies kan als basis dienen om met uw Kamer het ambitieniveau van het luchtkwaliteitsbeleid te bepalen en dit nader te concretiseren. Zoals ook verzocht met motie van Veldhoven c.s. (Kamerstuk 34 550 XII, nr. 46) zal het kabinet in 2017 en 2018 hiertoe een nieuw luchtkwaliteitsplan opstellen in overleg met onder andere decentrale overheden en belangenorganisaties. De (kosten)effectiviteit van maatregelen zal hierin aan bod komen.

Vraag 100:

Wat is de onderbouwing voor de zin «de milieuveiligheid, voor mens en maatschappelijke activiteit, neemt nationaal gezien langzaam toe door beleidsmatige ingrepen»?

Antwoord 100:

Het Planbureau voor de Leefomgeving stelt in de Balans van de Leefomgeving van 14 september 2016: «Afgaande op behaalde beleidsdoelen kan het leefomgevingsbeleid als redelijk succesvol worden beschouwd. Vooral in relatie tot de doelen die van direct belang zijn voor de gezondheid, zoals schoon drinkwater, schone bodems en schone lucht, zijn goede resultaten behaald.» Dit neemt niet weg dat er nog steeds hardnekkige vraagstukken zijn waarop onverminderd beleid moet worden ingezet (onder andere luchtkwaliteit, milieudruk vanuit de landbouw).

Uit de Staat van de Veiligheid die op 6 juli 2017 aan de Kamer is aangeboden, blijkt dat het aantal ernstige overtredingen duidelijk is afgenomen in geval van BRZO-bedrijven (er zijn geen situaties gemeld waar sprake is van een langdurig onbeheerste veiligheidssituatie met verhoogd risico voor werknemers en de omgeving).

Vraag 101:

Hoe gaat u decentrale overheden motiveren dat zij zich inzetten voor de Nationale klimaatadaptatiestrategie en de negatieve effecten maar ook kansen ten gevolge van de klimaatverandering in bredere zin onderkennen?

Antwoord 101:

Een klimaatbestendig Nederland is een gezamenlijke opgave, van overheden, bedrijven, organisaties en burgers.

De opgaven en kansen van de klimaatverandering worden onderkend in de Nationale adaptatiestrategie en het Deltaprogramma.

Een groot deel van de adaptatieopgave – de dreigingen als gevolg van wateroverlast, hitte, droogte en de gevolgen van eventuele overstromingen – maakt deel uit van de deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie van het Deltaprogramma. In dit kader hebben de verschillende overheden afgesproken om de opgaven met meer urgentie op te pakken, wat heeft geresulteerd in een Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie, wat in september 2017 als onderdeel van het Deltaprogramma 2018 zal worden gepubliceerd. Het Ministerie van IenM zal de doelstellingen voor «klimaatadaptief handelen» voortzetten met o.a het beschikbaar stellen van kennis en expertise, een digitale werkomgeving en het organiseren van dialogen. Klimaatadaptatie is tevens een belangrijk onderwerp in de verdere uitwerking van de NOVI.

Vraag 102:

Gaat de NOVI op termijn uit van landschapsbescherming? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 102:

Het Nederlandse landschap is ontstaan uit een samenspel van natuurlijke ontwikkelingen en menselijke ingrepen. Dit heeft tot waardevolle landschappen geleid die voortdurend aan verandering onderhevig kunnen zijn. Bescherming en ontwikkeling van ons landschap zijn bouwstenen voor een waardevolle leefomgeving. De wijze waarop is onderdeel van de verdere uitwerking van de NOVI.

Vraag 103:

Hoe zullen het Nederlandse (cultuur)landschap, ecologische hoofdstructuur en biodiversiteit in de NOVI op zijn minst worden beschermd en indien mogelijk zo sterk mogelijk verbeterd? Bent u voornemens hierop één of meerdere visies vast te stellen? Hoe krijgt dit vervolgens beslag in het voorschrijvende en kaderstellende karakter van de NOVI?

Antwoord 103:

Het Nederlandse (cultuur)landschap, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) en de biodiversiteit zijn bepalende elementen voor een waardevolle leefomgeving. Deze zijn onderdeel van de uitwerking van de NOVI. Ik kan echter niet vooruitlopen op de wijze waarop dit zal gebeuren.

Vraag 104:

Wat is de stand van zaken van de in de Landschapsbrief (Kamerstuk 33 576, nr. 89) genoemde uitwerking ten aanzien van de NOVI? Hoe hebben de provincies dit bod uitgewerkt of hoe werken zij dit uit?

Antwoord 104:

De provincies hebben een proces in gang gezet om te komen tot een voorstel voor hun input voor de NOVI. Daarbij is extra aandacht voor de energietransitie en de relatie daarvan met het landschap.

Vraag 105:

Op welke wijze maakt de Structuurvisie Ondergrond (STRONG) (integraal) onderdeel uit van de NOVI?

Antwoord 105:

Zie ook het antwoord op vraag 33. De Structuurvisie Ondergrond is net als de SVIR een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening.

Vraag 106:

Hoe worden in Nederland «veerkrachtige ecosystemen en ecosysteemdiensten» gedefinieerd? Wat gaat u concreet doen om dit in 2020 zeker te stellen?

Antwoord 106:

In de Rijksnatuurvisie 2014 wordt ingegaan op het begrip veerkrachtige natuur en veerkrachtige ecosystemen en welke acties in gang zijn gezet om dit te versterken. (Kamerstuk 33 576, nr 14). Het gaat daarbij onder meer om sturen op goede natuurlijke omstandigheden waar natuurlijke processen, meer dan we nu gewend zijn, hun gang kunnen gaan.

Vraag 107:

Welke mogelijkheden zijn er om innovaties op korte termijn toe te staan (nationaal en internationaal) die bijdragen aan het efficiënter omgaan met en recycling van schaarse grondstoffen zoals fosfaat, aangezien de ontwikkelingen er zijn maar wetgeving in de EU en in Nederland niet wordt toegestaan?

Antwoord 107:

Innovatie en investeringen in het hergebruik van (schaarse) grondstoffen zijn van belang voor de transitie naar circulaire economie. De wet- en regelgeving rond afvalstoffenbeheer bieden al veel ruimte om innovaties toe te staan. Ik streef ernaar dat die ruimte optimaal wordt benut, mits de belangen voor milieu en gezondheid gewaarborgd blijven. De mogelijkheden om innovatie toe te staan, hangen sterk af van de omstandigheden van het specifieke geval. Instrumenten, zoals het programma Ruimte in Regels van de ministeries van EZ en IenM (www.ruimteinregels.nl) en de green deal-aanpak, bieden bedrijven en overheid de mogelijkheid om concrete belemmeringen te identificeren en aan te pakken. In het kader van het rijksbrede programma Nederland Circulair in 2050 en de Transitieagenda’s die nu in het kader van het Grondstoffenakkoord worden ontwikkeld geef ik tevens aandacht aan de wijze waarop wettelijke kaders innovatie kunnen stimuleren, zoals experimenteerruimte, certificering en circulaire productnormen.

Vraag 108:

Op welke manier krijgen de Nationale Parken een plek in de NOVI?

Antwoord 108:

De Nationale Parken vormen een belangrijke bouwsteen voor de kwaliteit van de leefomgeving. Op welke manier de Nationale Parken een plek krijgen in de NOVI is onderdeel van de verdere uitwerking.

Vraag 109:

Waarom wordt bij de vier opgaven voor natuurlijke hulpbronnen en behoud van welvaart het bronbeleid niet genoemd?

Antwoord 109:

De vraagstukken rond natuurlijke hulpbronnen zijn groot en kennen veel relaties met andere onderwerpen. In de paragraaf over natuurlijk hulpbronnen zijn het werk aan de circulaire economie en op het terrein van natuurlijk kapitaal gecombineerd.

Daarom zijn de drie strategische doelen van het rijksbrede programma circulaire economie (Kamerstuk 32 852, nr. 33) opgenomen als opgaven en aangevuld met de opgave om te zorgen dat de omgeving de beschikbaarheid van natuurlijke hulpbronnen mogelijk kan blijven maken. Uiteraard is het daarbij zaak te zorgen dat bij elk van die opgaven rekening wordt gehouden met de effecten die de winning en het gebruik van hulpbronnen kunnen veroorzaken. Vanwege het beknopte karakter van de paragrafen in hoofdstuk 3 is dit daar niet expliciet benoemd.

Vraag 110:

Hoe ziet u de deeleconomie, als voorbeeld van een nieuwe manier van produceren en consumeren die minder grondstoffen vergen, in het licht van de keuzevrijheid van het individu op het gebied van vervoer? Hoe wilt u een deeleconomie bewerkstelligen zonder inbreuk te maken op deze keuzevrijheid?

Antwoord 110:

In een deeleconomie worden producten gedeeld, waardoor producten en voorzieningen beter benut worden en er slimmer omgegaan wordt met grondstoffen. Dit vergroot de keuzevrijheid van consumenten.

Het kabinet creëert experimenteerruimte om circulaire initiatieven, waaronder initiatieven in de deeleconomie, te ondersteunen in hun ontwikkeling. Zowel in fysieke zin (bijvoorbeeld ruimtelijk of in testfaciliteiten) als in de toepassing in regelgeving (denk daarbij aan de Crisis- en Herstelwet).

Daarnaast is bestaande wet- en regelgeving niet altijd toegesneden op nieuwe verhoudingen tussen aanbieders en vragers van producten en diensten in een deeleconomie. In het kader van programma Ruimte in Regels wordt bezien of aanpassing van regelgeving nodig en gewenst is. Hierbij staat juist het vergroten van de keuzevrijheid voor de burger, tussen traditionele consumptie en consumptie via de deeleconomie, hoog in het vaandel.

Vraag 111:

Is de bescherming van (grote) unieke nationale landschappen en omgevingswaarden, zoals bijvoorbeeld de kust, een nationaal belang of kan dit worden overgelaten aan lokale overheden en particuliere belangenbehartigers?

Antwoord 111:

Welke nationale belangen de NOVI zal benoemen en hoe die zich onderling verhouden is nog niet bepaald. Zie ook de antwoorden op vragen 32 en 163.

Vraag 112:

Bent u van mening dat er binnen de NOVI geen toekomst is voor mijnbouwactiviteiten, aangezien extractie van gas, olie, kolen en zout uit de bodem per definitie niet duurzaam is en dus niet past bij de gewenste transities?

Antwoord 112:

De NOVI richt zich op de ruimtelijke ordening en kwaliteit van de leefomgeving die op dit moment realistisch en wenselijk is.

Onze huidige maatschappelijke energievraag kan op dit moment niet ingevuld worden zonder aardgas, aangezien we nog niet beschikken over voldoende direct inzetbare duurzame alternatieven. Daarnaast zullen in de toekomst de mijnbouwactiviteiten geothermie en CCS naar verwachting een grotere rol gaan spelen. In de komende transitiefase tot 2050 zal mijns inziens ruimte moeten blijven voor mijnbouwactiviteiten, ook in de NOVI. Het is wel de bedoeling dat de rol van aardgas afgebouwd wordt, maar het tempo en de wijze waarop hangt sterk af van onze energiebehoefte (en besparing daarop) en de ontwikkeling van alternatieve technieken voor de opwekking van energie (warmte en elektriciteit).

Nadere keuzes zullen, in relatie tot de transitiepaden, onderdeel zijn van het proces van totstandkoming van de NOVI.

Vraag 113:

Is het de bedoeling dat de NOVI ook een visie bevat over de vraag hoe Nederland het behoud en herstel van de biodiversiteit wil realiseren, gelet op het gegeven dat uit rapporten van het PBL blijkt dat het slecht is gesteld met de biodiversiteit in Nederland en veel habitats en soorten zich in een ongunstige staat van instandhouding bevinden? Zo ja, worden hier de kernboodschap en richtinggevende noties voor natuur uit het advies van het Overleg Infrastructuur en Milieu (OIM) bij betrokken?

Antwoord 113:

De biodiversiteit in Nederland is een belangrijk onderdeel van de kwaliteit van de leefomgeving en een bouwsteen voor een duurzame economie. In die zin zal er in de NOVI aandacht zijn voor de biodiversiteit. In hoeverre daarbij ingegaan zal worden op de bevindingen van het PBL en het OIM is onderdeel van de verdere uitwerking van de NOVI.

Vraag 114:

Kunt u aangeven wat de trends zijn in de emissies van ammoniak, fosfaat, nitraat en gewasbeschermingsmiddelen?

Antwoord 114:

De trends voor emissies van ammoniak naar lucht en nitraat en fosfaat naar water kunt u raadplegen op de website http://www.emissieregistratie.nl/erpubliek/erpub/default.nl.aspx en op de site van het Planbureau voor de Leefomgeving/Balans voor de Leefomgeving: http://themasites.pbl.nl/balansvandeleefomgeving/jaargang-2016.

Voor de emissie van gewasbeschermingsmiddelen is er niet één omvattende bron van trendinformatie beschikbaar. Daarom wordt hier beschreven wat er op dit gebied gebeurt.

De afzet van gewasbeschermingsmiddelen is in het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw fors gedaald. Sinds 2000 is de afzet min of meer stabiel en schommelt tussen de 9 en 12 miljoen kilogram werkzame stof (http://www.clo.nl/indicatoren/nl0015-afzet-gewasbeschermingsmiddelen-in-de-land--en-tuinbouw).

In circa de helft van de meetpunten in kleine oppervlaktewateren komen overschrijdingen voor, wblijkt uit de Atlas Bestrijdingsmiddelen in Oppervlaktewater. Voor drinkwater geldt dat in 80% van de oppervlaktewaterwinningen (inclusief oevergrondwater-winningen) de normen voor een of meer gewasbeschermingsmiddelen worden overschreden en in de overige 20% wordt de norm benaderd. Voor grondwaterwinningen geldt dat ca. 50 winningen een (dreigend) probleem kennen, waarbij bij 25 grondwaterwinningen normen in de winputten worden overschreden en bij ongeveer 25 grondwaterwinningen waarden worden gemeten van meer dan 75% van de norm (Kamerstuk 27 625, nr. 352).

In 2019 wordt gerapporteerd over de tussenevaluatie van de nota «Gezonde groei, duurzame oogst». Deze tussenevaluatie wordt halverwege de looptijd uitgevoerd om te bezien of de maatregelen voldoende doeltreffend zijn. Daarvoor is speciaal voor het meten van gewasbeschermingsmiddelen in oppervlaktewater sinds 2015 een landelijk meetnet land- en tuinbouw operationeel. Voor gewasbeschermingsmiddelen in grondwater is recent de grondwateratlas gepubliceerd. Het meetnet en de grondwateratlas bevatten nu nog te weinig meetjaren om inzicht te kunnen geven in trends.

Het toedienen van gewasbeschermingsmiddelen (categorie overige bronnen uit de landbouw) is één van de bronnen van fijnstofemissie. De fijnstofemissie uit overige bronnen uit de landbouw is in de periode 1990–2015 vrijwel constant (http://www.agrimatie.nl/ThemaResultaat.aspx?subpubID=2232&themaID=2274).

Vraag 115:

Op welke manier zijn in de opgave van de NOVI de effecten meegenomen van al ingezet beleid? Op welke manier worden resultaten verwerkt die in de komende (vijf) jaren worden bereikt?

Antwoord 115:

Bij de beschrijving van de ontwikkelingen en opgaven in de startnota zijn de effecten van bestaand beleid inbegrepen. Ook bij nieuwe beleidskeuzen en de uitvoering daarvan zal rekening worden gehouden met de bereikte en voorziene resultaten van bestaand beleid.

Vraag 116:

Wordt kwalitatief goed en betaalbaar voedsel gezien als een van de maatschappelijke doelen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 116:

De beschikbaarheid van kwalitatief goed en betaalbaar voedsel is inderdaad een belangrijk maatschappelijk doel voor de landbouw en ook van beleid. Het voedsel voor de Nederlandse markt wordt voor een deel in Nederland geproduceerd en is daarmee verbonden aan de ruimtelijke opgaven die in de NOVI aan de orde zullen zijn.

Vraag 117:

Hoe werkt het feit dat de openbare drinkwatervoorziening is aangemerkt als nationaal belang door naar de omgevingsvisies van decentrale overheden, evenals vigerende wet- en regelgeving? Hoe gaat u invulling geven aan waterkwaliteit als basisvoorwaarde?

Antwoord 117:

Voor het eerste deel van deze vraag zie het antwoord op vraag 121.

Het Rijk en de decentrale overheden hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van grondwater en oppervlaktewater. Het Rijk reguleert in het nieuwe stelsel van het omgevingsrecht de grootste gevolgen van milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten met algemene regels en vergunningplichten in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Ook via het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt de duurzame veiligstelling van de drinkwatervoorziening geborgd. Op grond van de Kaderrichtlijn water moet ook gestreefd worden naar verbetering van de kwaliteit zodat de zuiveringsinspanning voor drinkwaterbedrijven niet toeneemt.

De decentrale overheden hebben op grond van de huidige wetgeving en in de Omgevingswet specifieke taken gekregen ter bescherming van de openbare drinkwatervoorziening.

Ook in de NOVI zal aandacht worden besteed aan de drinkwatervoorziening.

Vraag 118:

Kunt u aangeven op welke wijze geothermie en het opslaan van CO2 de kwaliteit van het grondwater verslechteren?

Antwoord 118:

Hoewel de risico’s op verontreiniging van het grondwater gering zijn door de technieken, preventieve maatregelen en voorzieningen die worden toegepast, is 100% garantie dat zich geen verontreiniging zal voordoen nooit te geven. In het planMER van de Structuurvisie Ondergrond zijn de verschillende risico’s benoemd en onderzocht.

Vraag 119:

Op welke wijze gaat de kwaliteit van het grondwater achteruit door energiewinning?

Antwoord 119:

Er zijn twee typen bodemenergiesystemen, waarbij de potentiële risico’s verschillen: open systemen of warmte-koudeopslagsystemen (WKO-systemen) of gesloten systemen, ook wel bodemwarmtewisselaars genoemd.

De open bodemenergiesystemen worden al enkele decennia toegepast. Er is een zeer klein risico bij het doorboren van afsluitende lagen boven watervoerende pakketten, vergelijkbaar met de risico’s bij mijnbouwinstallaties. De regelgeving is gericht op volledige afsluiting van boorgaten.

De gesloten systemen zijn de laatste vijftien jaar sterk in aantal toegenomen.

Deze bestaan uit gesloten bodemlussen met een circulatievloeistof erin. Ook bij deze systemen is er een potentieel risico bij het doorboren van afsluitende lagen boven watervoerende pakketten. Het risico is iets groter dan bij de open systemen, omdat er meer bodemlussen worden geplaatst en er dus meer boringen nodig zijn. Er is een zeer kleine kans dat een bodemlus lek raakt en dat de circulatievloeistof in het grondwater terecht komt.

Vraag 120:

Hoe wordt in de NOVI gewaarborgd dat Nederland tweede voedselexporteur ter wereld blijft?

Antwoord 120:

In de brief «Toekomstbestendige Agrofood Export» van 23 september 2016 (Kamerstuk 33 625, nr. 227) heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken mede namens de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking zijn visie gedeeld hoe we de kracht van de Nederlandse agrofoodsector en de export kunnen behouden en benutten voor toekomstige groei. De verschillende belangen die hierbij aan de orde zijn worden in de NOVI gewogen, uitgaande van autonome ontwikkelingen en gewenste transities.

Vraag 121:

Hoe zal het feit dat de openbare drinkwatervoorziening benoemd is als nationaal belang, en derhalve nationale bescherming behoeft, doorwerken naar de omgevingsvisies van gemeenten en provincies?

Antwoord 121:

Uit de zorgplicht van de Drinkwaterwet volgt ook dat gemeenten en provincies bij het opstellen van hun omgevingsvisies de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening moeten betrekken. Het Rijk zal voor de invulling van de systeemverantwoordelijkheid nog een aantal acties uitvoeren – zoals beschreven in de Beleidsnota Drinkwater. Op dit moment maak ik een handreiking voor de verschillende bestuursorganen om te duiden hoe zij de zorgplicht voor de veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening zouden kunnen invullen. Deze handreiking zal bij het verder uitwerken van de NOVI worden betrokken.

Vraag 122:

Op welke wijze is omgegaan met het advies van de Adviescommissie Water dat de drinkwatervoorziening, waterkwaliteit en zoetwatervoorziening nationale belangen zijn die in de NOVI geborgd moeten worden?

Antwoord 122:

Deze onderwerpen zullen aandacht krijgen bij de verdere uitwerking van de NOVI.

Vraag 123:

Hoe worden de afspraken uit STRONG en de afspraken tussen het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de vereniging van drinkwaterbedrijven Vewin, over de aanvullende voorraden voor de drinkwatervoorziening en de ruimtelijke inpassing daarvan, opgenomen in de NOVI?

Antwoord 123:

Zie het antwoord op de vragen 33 en 105.

Vraag 124:

Op welke wijze wordt meer eenheid in beleid gerealiseerd tussen het waterkwaliteitsbeleid van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en het meststoffenbeleid en gewasbeschermingsbeleid?

Antwoord 124:

De Europese Commissie stelt dat uiteindelijk aan de doelen van alle richtlijnen moet worden voldaan. Ik licht graag toe hoe we nationaal eenheid in beleid nastreven voor achtereenvolgens (1) meststoffen en (2) gewasbeschermingsmiddelen. Eerder is het kabinet hierop ingegaan in de brief met Kamerstuk 27 858, nr. 326.

  • 1. Meststoffen komen in het water met name via waterzuiveringsinstallaties en door af- en uitspoeling van agrarische gronden. Er worden gemiddeld meer meststoffen uit afvalwater gehaald dan verplicht op grond van de Richtlijn behandeling van stedelijk afvalwater, om te kunnen voldoen aan doelen die via de KRW zijn gesteld aan het oppervlaktewater. En er wordt bij het 6e actieprogramma Nitraatrichtlijn ook rekening gehouden met de doelen van de KRW, waaronder die voor drinkwater. Dat is vooral belangrijk voor de gebieden waar landbouw de dominante bron is.

  • 2. Bij gewasbeschermingsmiddelen is er een Europees geharmoniseerd toelatingsbeleid met een Europees geharmoniseerde toelatingsnorm. Er kunnen zich dus situaties voordoen, waarbij de waterkwaliteitsnormen strenger zijn dan de toelatingsnorm. Daarom staan er in de nota «Gezonde groei, duurzame oogst» verschillende maatregelen om de waterkwaliteitsnormen van de KRW te realiseren. In 2019 wordt gerapporteerd over de tussenevaluatie die halverwege de looptijd van deze nota wordt uitgevoerd om te bezien of de maatregelen voldoende doeltreffend zijn.

Vraag 125:

In hoeverre zijn ook andere bronnen geraadpleegd dan het PBL voor wat betreft de waterkwaliteit? Is er inzicht in de bronnen die de waterkwaliteit van nature beïnvloeden? Zo ja, waarom worden deze er dan niet bij betrokken?

Antwoord 125:

Bij de beoordeling van de waterkwaliteit is uitgegaan van de stroomgebiedbeheerplannen, zie het antwoord op vraag 53. Daarin is ook aangegeven op grond van welke bronnen wordt gesteld dat bepaalde doelen niet worden gehaald. In Kamerstuk 27 625, nr. 379, ben ik nader ingegaan op de bronnen.

Vraag 126:

Welke verantwoordelijkheid zal in de NOVI genomen worden met betrekking tot de keuzes bij verschillende gebruiksopties die gemaakt moeten gaan worden bij bodemdaling en samenhangend grondwaterpeilbeheer in veengebieden?

Antwoord 126:

Uitgangspunt rond de problematiek van bodemdaling is thans dat decentrale overheden verantwoordelijk zijn voor het maken van ruimtelijke keuzes bij verschillende gebruiksopties, waarbij zij rekening houden met bodemdaling. Decentrale overheden hebben aangegeven vooral behoefte te hebben aan informatie en kennis. Decentrale overheden en het Rijk werken gezamenlijk aan informatieverbetering en de kennisinfrastructuur rond bodemdaling, waarbij het Rijk een faciliterende en ondersteunende rol heeft. De startnota bevat geen keuzes, die worden gemaakt bij de verdere uitwerking en vaststelling van de NOVI.

Vraag 127:

Wat betekent de stelling van het PBL dat decentrale overheden én het Rijk een rol hebben in het omgaan met de problematiek van bodemdaling in het licht van deze startnota en de vervolgstappen om tot de uiteindelijke NOVI te komen?

Antwoord 127:

Zie het antwoord op vraag 126.

Vraag 128:

Door wie zal de op termijn voorspelde «expliciete keuze» gemaakt worden wanneer het versterken van het ene doel ten koste gaat van een ander belang?

Antwoord 128:

Op strategisch niveau zullen zulke keuzen worden gemaakt door het kabinet. Waar dat nuttig en nodig is, kunnen ten behoeve van het bereiken van doelen of het borgen van belangen verschillende wettelijke en bestuurlijke instrumenten worden ingezet. De ambitie is, dat de NOVI doelen met elkaar verbindt en leidt tot integrale verbetering van de leefomgeving. Onderlinge spanningen zullen desondanks soms noodzaken tot het (ten dele) stellen van het ene doel boven een ander.

Vraag 129:

Wie zal de daadwerkelijke keuzes maken tussen de in totaal 19 verschillende «schuiven» die in dit hoofdstuk staan afgebeeld? Hoe expliciet gaat u deze keuzes maken richting de maatschappij in den brede en specifiek richting decentrale overheden wanneer een of meerdere keuzes door het kabinet gemaakt worden?

Vraag 129:

Zie het antwoord op vraag 10.

Vraag 130:

Op welke wijze worden in de volgende fase keuzes gemaakt in oplossingsrichtingen? Hoe ziet dat proces eruit? Op welke wijze wordt de Kamer daarbij betrokken?

Antwoord 130:

Zie het antwoord op vraag 10.

Vraag 131:

Wat wordt verstaan onder regulering via prijsbeleid en via normering?

Antwoord 131:

Zie het antwoord op vraag 71.

Vraag 132:

Wat wordt verstaan onder het inzetten op de meest duurzame vervoersmiddelen passend bij het doel van de reis? Wie stelt dit vast?

Antwoord 132:

De klimaatopgave die we als Nederland internationaal hebben afgesproken (o.a. in Parijs in 2015) wordt op dit moment vertaald naar nationale doelen, waaronder doelen voor de verduurzaming van ons mobiliteitssysteem. Dit regelen we onder andere in de Nationale Energieagenda. Maar ook sectoren die momenteel niet worden uitgewerkt in de Nationale Energieagenda (zoals luchtvaart en zeevaart) hebben doelen die bijdragen aan de verduurzaming van onze mobiliteit.

Het gaat dan niet alleen om een betere bereikbaarheid, maar ook om een betere leefomgeving. Hiervoor zijn besluiten nodig op verschillende niveaus. In aanvulling op internationale regelgeving, dragen zowel Rijk als decentrale overheden een belangrijke verantwoordelijkheid bij het formuleren van het beleid dat erop gericht is de manier waarop we ons in Nederland verplaatsen te verduurzamen. Bij de verdieping van de strategische opgaven voor de NOVI zal dit aandacht krijgen.

Vraag 133:

Kunt u toelichten op welke concrete nieuwe maatregelen wordt gedoeld, en of de consequenties zijn doorberekend voor de gebruikers, met de zinsnede «gebruikers worden gestimuleerd om op andere tijden, via andere modaliteiten of geen gebruik te maken van bestaande netwerken»? Zo ja, hoe?

Antwoord 133:

In de startnota worden geen concrete nieuwe maatregelen voorgesteld. Daarvoor was de startnota ook niet bedoeld. (Nieuwe) keuzes komen pas in de volgende fasen van de NOVI aan de orde. In het huidige programma Beter Benutten is wel ervaring opgedaan met maatregelen die ervoor zorgen dat de netwerken beter benut worden. Hieruit blijkt dat de aanpak effectief is. Het eerste Beter Benutten programma heeft geleid tot 19% minder vertraging in de spits op de drukste trajecten. Gemiddeld zijn er per werkdag 48.000 auto’s of vrachtauto’s minder in de spits.

Vraag 134:

Welke gedragseffecten worden als uitgangspunt genomen om middels prijsprikkels externe kosten/gevolgen (congestie, vervuiling et cetera) door te berekenen in de prijs voor het gebruik van respectievelijk de auto, bus, trein, tram, taxi en fiets?

Antwoord 134:

Zie het antwoord op vraag 71.

Vraag 135:

Kunt u aangeven wanneer u de bestaande weginfrastructuur optimaal gaat benutten en wanneer u alle spitsstroken vervangt door volwaardige rijbanen?

Antwoord 135:

Met het programma Beter Benutten wordt reeds ingezet op het beter benutten van het wegennet. Deze aanpak is effectief gebleken, zie vraag 66. Voor de helft van de bestaande spitsstroken is een ombouw gepland naar reguliere rijstroken voor 2030. Dit betreft bijvoorbeeld de A28 Leusden- KP Hoevelaken, de A2 ’t Vonderen-Kerensheide en de A1 Apeldoorn-Deventer. Voor de andere helft is ombouw niet voorzien. Spitsstroken zijn aangelegd omdat het een doelmatige manier is om tegen (relatief) beperkte kosten de doorstroming sterk te verbeteren. Bij het ombouwen naar een reguliere rijstrook zal in het algemeen de doorstroming verder verbeteren. Het effect hiervan is afhankelijk van het desbetreffende traject. Deze ombouw is echter niet altijd een doelmatige investering. Het doorstromingseffect hiervan is soms beperkt en de kosten hoog. Het gevolg van deze ombouw is wel dat de effecten van incidenten in het algemeen beperkter zijn. De wenselijkheid van de ombouw van de spitsstroken tot reguliere rijstroken, waar dit nog niet gepland is, zal mee worden genomen bij de keuze van beleidsprioriteiten na 2030. Dit zal aandacht krijgen bij de verdieping van de strategische opgaven voor de NOVI.

Vraag 136:

Klopt het dat instrumenten als gedragsbeïnvloeding en prijsbeleid om gebruikers op andere tijdstippen gebruik te laten maken van onze fysieke infrastructuur een negatief effect hebben op onze scores in de internationale lijstjes bijvoorbeeld op het gebied van vestigingsklimaat?

Antwoord 136:

Met het programma Beter Benutten wordt ingezet op gedragsbeïnvloeding voor betere benutting van het wegennet door mensen te stimuleren op een andere manier, via een andere route of niet te reizen. Dit zorgt voor minder congestie en een betere bereikbaarheid. Het is op dit moment niet aan te geven welke concrete uitwerking prijsbeleid of gedragsbeïnvloeding zal hebben op de internationale lijsten.

Vraag 137:

Zullen waarden (en/of baten) zoals minder schade, minder gezondheidszorgkosten een eerlijker onderdeel uitmaken van doorrekeningen van het CPB en het PBL, vooruitlopend op een nadere uitwerking van de NOVI? Kunt u uw antwoord toelichten?

Antwoord 137:

Na afronding van de startnota is gestart met een fase waarin de opgaven uitgewerkt, verdiept en van verschillende beleidsopties voorzien worden. Hierbij worden de effecten van de verschillende opties in beeld gebracht. Aspecten zoals duurzaamheid en gezondheid maken daar integraal onderdeel van uit.

Vraag 138:

Wie en of wat bepaalt op welke moment uiteindelijk de richting die wordt gekozen in de genoemde vraagstukken?

Antwoord 138:

Zie het antwoord op vraag 10.

Vraag 139:

Hoeveel heeft Nederland tot dusverre uitgegeven aan klimaatbeleid en hoeveel dit concreet heeft bijgedragen aan het tegengaan van klimaatverandering?

Antwoord 139:

De Nederlandse overheid heeft zowel binnen als buiten Nederland geïnvesteerd in klimaatmaatregelen.

In de afgelopen jaren werden inspanningen om klimaatverandering binnen Nederland tegen te gaan of ons hieraan aan te passen veelal gekoppeld aan andere beleidsdoelstellingen. Zo dienen investeringen in een efficiënter vervoerssysteem, duurzame energie of energiezuinige huizen meerdere doelen. De rijksbegroting differentieert in die gevallen niet naar beleidsdoel. In het parlementair onderzoek Kosten en effecten klimaat- en energiebeleid (Kamerstuk 33 193, nr. 2) heeft uw Kamer wel getracht de kosten en effecten op een rij te zetten.

Internationaal rapporteert Nederland op basis van de bereikte resultaten. Deze rapportages zijn te vinden op de UNFCCC-website. Sinds 2010 rapporteert Nederland over de beschikbaar gestelde klimaatfinanciering, de investeringen om ontwikkelingslanden te ondersteunen bij het tegengaan van klimaatverandering en de gevolgen daarvan. Tussen 2010 en 2015 is hier via de begroting van BHOS EUR 1,39 miljard aan besteed. Naast de doelen uit het raamverdrag worden andere doelen gediend, zoals armoedebestrijding, vermindering van de gevolgen van rampen en internationale samenwerking met het Nederlandse bedrijfsleven. In de resultatenrapportage van BHOS wordt gerapporteerd over de resultaten van de afgelopen jaren. Een van die resultaten is dat ruim 15 miljoen mensen door Nederlandse steun toegang kregen tot schone energie.

Vraag 140:

Kunt u toelichten wat de strategie met betrekking tot ruimtelijke adaptatie is die ontwikkeld wordt om wateroverlast en hittestress te bestrijden? Bent u van mening dat hittestress een lokaal probleem is? Zo ja, is het dan voornamelijk aan de gemeenten om de opwarming in hun stad te bestrijden? Hoe kunnen gemeenten hierin gefaciliteerd worden?

Antwoord 140:

September 2017 wordt het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie aan uw Kamer aangeboden. Dit plan omvat de aanpak op het gebied van ruimtelijke adaptatie voor wateroverlast, hittestress, droogte en overstromingen.

Hittestress is een probleem dat zowel een lokale, regionale als nationale component heeft.

U kunt daarbij denken aan de hitte-eilanden in steden, maar ook aan hittegolven die zowel regionaal als nationaal kunnen optreden, waarvoor onder meer het Nationale Hitteplan kan worden ingezet. Naast de steden ondervindt ook het landelijk gebied de gevolgen van hittestress. Hittestress is daarom een belangrijk thema binnen zowel het genoemde Deltaplan als in de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS), waar ook andere maatregelen aan de orde zijn zoals op het gebied van gedrag. Eind 2017 zal het Uitvoeringsprogramma van de NAS gereedkomen. Naar aanleiding van een verzoek vanuit uw Kamer ontvangt u in de maand augustus een brief waarin mijn collega Dijksma, mede namens collega Plasterk, nader ingaat op de aanpak van hittestress.

Vraag 141:

Kunt u een toelichting geven op de keuze bij klimaatadaptatie voor aanpassing van het hele systeem? Wat houdt dit precies in?

Antwoord 141:

Bij het zoeken naar klimaatbestendige en waterrobuuste oplossingen kan de inrichting van de hele fysieke leefomgeving als één integraal systeem beschouwd worden. Oplossingen beperken zich niet tot aanpassingen van de riolering of het watersysteem. In stedelijk gebied kunnen bijvoorbeeld bovengrondse berging, groenvoorzieningen en de inrichting van particuliere tuinen ook onderdelen van de oplossing zijn.

Vraag 142:

Wat zijn nu precies de criteria voor meekoppelkansen? Wat is nu precies het toetsingskader?

Antwoord 142:

Tijdens het VAO Water op 27 juni jl. (Handelingen II 2016/17, nr. 92, item 22) heb ik met uw Kamer over meekoppelkansen gesproken, onder andere naar aanleiding van de motie van het lid Dik-Faber waarin de regering wordt verzocht om aan de primaire doelstellingen van het Deltaprogramma waar mogelijk maatschappelijke opgaven te koppelen en de verschillende budgetten in samenhang te beschouwen (Kamerstuk 27 625, nr. 402). Doel van het Deltafonds is primair de financiering en bekostiging van maatregelen en voorzieningen voor waterveiligheid, waterkwaliteit, de zoetwatervoorziening en de bestrijding van wateroverlast. De middelen in het Deltafonds voor deze wateropgaven zijn niet aan te wenden voor andere beleidsopgaven op het vlak van bijvoorbeeld economie, natuurherstel en -ontwikkeling, landschap, recreatie, etc. Bij investeringen ten behoeve van deze wateropgaven kan wel altijd worden bezien of ze kunnen werken als vliegwiel voor het realiseren van doelen rond andere opgaven, door bij die projecten te bezien of er «werk met werk kan worden gemaakt». Dit is wat wordt verstaan onder meekoppelen. Hierbij worden de kosten die samenhangen met deze andere opgaven gedekt door bijdragen van andere partijen: andere ministeries, provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties of bedrijven. Omdat doelen en opgaven overal verschillen en de mogelijkheden in ieder gebied anders zijn, is er bij meekoppelen geen sprake van standaard criteria of een generiek toetsingskader.

Ook bij maatregelen voor de aanpak van ruimtelijke adaptatie kunnen grote voordelen verbonden zijn door mee te koppelen met andere ontwikkelingen en regulier beheer & onderhoud. Ik sta volledig achter de aanpak van meekoppelen. Deze aanpak is de afgelopen jaren meer en meer de standaard werkwijze geworden binnen het Deltaprogramma en het Hoogwaterbeschermingsprogramma. De recent door uw Kamer aangenomen (gewijzigde) motie van het lid Dik-Faber (Kamerstuk 27 625, nr. 402) interpreteer ik dan ook als ondersteuning van het bestaande meekoppelbeleid.

Vraag 143:

Hoe vaak per jaar is kwetsbare en vitale infrastructuur zoals de energievoorziening, IT, telecom, drinkwatervoorziening en transportnetwerken de afgelopen vijf jaar verstoord geweest door hevige regenbuien in combinatie met windstoten, onweer en bliksem?

Antwoord 143:

In toenemende mate komen weersextremen voor, niet omdat er meer buien vallen maar omdat de intensiteit door opwarming van de aarde toeneemt (KNMI, juli 2017). Dagelijks worden er in Nederland files gemeld. Regelmatig zijn er vertragingen in het treinverkeer (verstoringen in het transportnetwerk). Bekend is dat files en vertragingen in intensiteit toenemen bij slechte weersomstandigheden. Dagelijks worden verstoringen in het elektriciteitsnetwerk gerapporteerd (zie bijv. www.gasenstroom.nl). Deze verstoringen worden deels veroorzaakt door slechte weersomstandigheden. Het exacte aantal verstoringen door extreem weer is echter niet bekend. Ik ben bezig met het programma aanpak van nationale vitale en kwetsbare functies bij overstromingen en wateroverlast, waarin meer inzicht in dit soort vraagstukken en oplossingen ervoor ontstaan. Dit is belangrijk onderdeel van het Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie, dat met Prinsjesdag verschijnt.

Vraag 144:

Waarom wordt gelijkstroom niet als mogelijke techniek genoemd als mogelijke basis van klimaatneutrale energieopwekking of bij mogelijke verandering van netwerken?

Antwoord 144:

Momenteel lopen er diverse onderzoeken naar de toekomstige mogelijkheden voor gelijkstroom bij het toepassen van klimaatneutrale technieken. Op dit moment lijkt de ruimtelijke inpassing van gelijkstroom en wisselspanning vergelijkbaar. Aparte behandeling van de gelijkstroom in de NOVI lijkt daarom vooralsnog niet aan de orde.

Vraag 145:

Wat wordt bedoeld met de voortzetting van relatief centraal georganiseerde en specifiek gerichte overheidssturing in het kader van een klimaatbestendige en klimaatneutrale samenleving?

Antwoord 145:

De bedoelde sturing is in de tekst gekoppeld aan de mogelijke grootschalige toepassing van technieken voor energieopwekking. Daar waar het Rijk nodig is om de regelgeving, vergunningverlening en/of financieringsmogelijkheden voor grootschalige toepassing van duurzame technieken mogelijk te maken, wordt gesproken van een relatief centraal georganiseerde en specifiek gerichte overheidssturing.

Vraag 146:

Aan welke strengere normering voor vervoer wordt gedacht en aan welk prijsbeleid voor vervoer? Wat betekent dit voor de afweging in de NOVI en de status van dit document?

Antwoord 146:

Zie het antwoord op vraag 71.

Vraag 147:

Welke verbeteringen vinden op dit moment plaats en hoe worden deze gemeten? Hoe worden verdere efficiencyverbeteringen meegenomen in de uitgangspunten van dit rapport?

Antwoord 147:

Het betreft verbeteringen van de energie-efficiency, maar ook op andere terreinen zoals precisiebemesting en aanpassing van het veevoer. De tussenrapportage Energie en klimaat in de agrosectoren uit 2014 (Kamerstuk 32 813, nr.90) geeft een overzichtelijk beeld van de soorten verbeteringen die in het kader van het nog tot 2020 lopende Convenant Schone en Zuinige Agrosectoren plaatsvinden. De rapportage biedt ook inzicht in de verschillende bronnen van de metingen. Verdere efficiencyverbeteringen zijn onderwerp van de uitwerking van de Energieagenda en de Voedselagenda en worden, in wisselwerking daarmee, ook bezien in de verdiepingsfase van de NOVI. Nader strategisch beleid dat hieruit voortvloeit, zal voor zover het betrekking heeft op de ontwikkeling van de leefomgeving een plaats krijgen in de NOVI.

Vraag 148:

Wat is de meerwaarde van de enorme investeringen in dure verouderde technieken die ons landschap verpesten en op veel weerstand stuiten onder de bevolking als er in de nabije toekomst veel efficiëntere en voordelige technieken voorhanden zijn die op veel minder weerstand stuiten, zoals u zelf stelt?

Antwoord 148:

Om de benodigde reductie van broeikasgassen van 80–95% in 2050 te kunnen realiseren en de Nederlandse samenleving toch te kunnen blijven voorzien in haar energiebehoefte, zal een stevige versnelling van de energietransitie nodig zijn. Aangezien er op dit moment geen zicht is op innovaties die op korte termijn tegen lage maatschappelijke kosten ingezet kunnen worden, zal moeten worden gewerkt met de beschikbare technieken. De ontwikkeling van eventuele nieuwe innovaties kan jaren duren, en die tijd hebben we nodig om tot een geleidelijke transitie te komen richting 2050.

Als we ervoor kiezen dat niet te doen, zullen de maatschappelijke kosten alleen maar hoger worden door de versnelling die we dan later alsnog in moeten zetten.

De technieken voor zonne-energie en windenergie zijn de meest kostenefficiënte technieken die op dit moment beschikbaar zijn. De keuzes voor toepassing van deze en andere beschikbare technieken worden zal altijd in goed overleg gemaakt, waarbij gestreefd wordt naar zo optimaal mogelijke inpassing in het landschap en een zo breed mogelijk draagvlak. Hetzelfde geldt voor technieken die in de toekomst nog ontwikkeld en toegepast zullen worden.

Vraag 149:

Wie en of wat bepaalt op welke moment uiteindelijk de richting die wordt gekozen in de genoemde vraagstukken?

Antwoord 149:

Zie antwoord op vraag 10.

Vraag 150:

Wat zijn de gemiddelde meerkosten per woning voor inbreiding?

Antwoord 150:

Inbreiding brengt extra kosten met zich mee als het gaat om woningbouw op complexe transformatielocaties zoals oude industrie- en bedrijfsterreinen en havengebieden (zogenaamde brownfields). Zulke extra kosten hebben te maken met onder meer milieumaatregelen in het kader van bodem en geluid en uitplaatsing van bedrijven. Deze extra kosten slaan vooral neer bij gemeenten en kunnen leiden tot een onrendabele top in de gebiedsexploitatie. In het kader van de City Deal Binnenstedelijk Bouwen en Transformatie is hier onderzoek naar gedaan door Rebel en Fakton. Uit beide onderzoeken blijkt dat – ook nadat plannen zijn geoptimaliseerd (bijvoorbeeld door lagere parkeernormen en een hoger aandeel dure koopwoningen) – sprake kan zijn van een onrendabele top van gemiddeld € 15.000 per woning. Deze «onrendabele top» zit dus niet op de te bouwen woningen maar betreft kosten van het bouwrijp maken van de grond.

Bouwen buiten het bestaande stedelijke gebied is niet per definitie maatschappelijk voordeliger dan binnenstedelijk bouwen. Buitenstedelijk bouwen lijkt op het eerste gezicht financieel vaak voordeliger, doordat in veel gevallen de kosten voor (rijks)infrastructuur, zoals de aanleg van een spoor en/of weginfrastructuur, niet worden meegenomen in de gebiedsexploitatie.

Vraag 151:

Op welke wijze kan een groeiende vraag naar woningen, en de daarmee samenhangende prijsontwikkeling, segregatie vergroten? Welke oplossing zal de NOVI daarbij aanreiken?

Antwoord 151:

In gebieden met hoge druk op de woningmarkt stijgen de woningprijzen sneller dan in gebieden met lage druk.

Een (groter) deel van de woningvoorraad kan daardoor onbereikbaar worden voor een deel van de inkomens. Als dat deel van de woningvoorraad ruimtelijk is geconcentreerd (bijvoorbeeld in een bepaalde wijk), kan dat deel van de stad onbereikbaar worden voor die inkomens. Dat kan bijdragen aan segregatie. Op lokaal en regionaal niveau kunnen de verschillen worden verkleind met een gedifferentieerd nieuwbouwaanbod en via een gerichte toepassing van de woonruimteverdeling. Dit vraagstuk wordt meegenomen in de verdere uitwerking van de NOVI.

Vraag 152:

Wat is de doelstelling als het gaat om een acceptabele omvang van sociale verschillen in stad en ommeland? Wat betekent dit voor de afwegingen?

Antwoord 152:

In fase 2 van de NOVI worden de opgaven – waar mogelijk – gekwantificeerd. Dan worden ook de verschillende beleidsopties en doelstellingen in beeld gebracht. Dat geldt ook voor het vraagstuk van sociale verschillen in stad en ommeland.

Vraag 153:

Wat is de huidige gemiddelde benuttingsgraad van Park & Ride-locaties en in hoeverre is het rendabel om daarin te investeren?

Antwoord 153:

De huidige gemiddelde bezettingsgraad van de 260 Park & Ride-locaties die door de NS worden geëxploiteerd is 65 procent. Voor overige Park & Ride-locaties zijn op dit moment geen cijfers voorhanden. Investeren in nieuwe Park & Ride-locaties kan rendabel zijn vanwege financiële inkomsten als er sprake is van betaald parkeren maar ook vanwege maatschappelijke rendement. Aantrekkelijke Park & Ride-locaties kunnen reizigers doen besluiten een deel van de reis per trein af te leggen waardoor, in vergelijking met een volledige autorit, onder andere Co2-uitstoot worden gereduceerd en congestie op de weg wordt verminderd. De oplopende bezettingsgraad, het toenemend aantal reizigers en het belang van goed kunnen overstappen, maar ook de wens om Park & Ride-locaties bijvoorbeeld uit te rusten met voorzieningen voor elektrische auto’s, kunnen redenen zijn om in de toekomst te investeren in zulke voorzieningen.

Vraag 154:

Wie en of wat bepaalt op welke moment uiteindelijk de richting die wordt gekozen in de genoemde vraagstukken?

Antwoord 154:

Zie het antwoord op vraag 10.

Vraag 155:

Op welke wijze zullen opgaven en ontwikkelingen benut worden om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren?

Antwoord 155:

Dit maakt onderdeel uit van de verdere uitwerking van de NOVI.

Vraag 156:

Wat betekent het begrip «»landschap»» binnen het omgevingsrecht, in de Omgevingswet en in de NOVI?

Antwoord 156:

Zie het antwoord op vraag 72.

Vraag 157:

Hoe krijgt een integrale landschapsvisie zijn beslag in de NOVI, zoals aangekondigd in de Landschapsbrief (Kamerstuk 33 576, nr. 89)?

Antwoord 157:

Dit maakt onderdeel uit van de verdere uitwerking van de NOVI.

Vraag 158:

Bent u bereid om de uitgangspunten van de Rijksnatuurvisie, waarbij is ingezet op functiecombinaties als drinkwatervoorziening en natuur en het creëren van robuuste gebieden, over te nemen in de NOVI?

Antwoord 158:

Een besluit over welke uitgangspunten van de Rijksnatuurvisie worden overgenomen in de NOVI is onderdeel van de verdere uitwerking.

Vraag 159:

Hoe kan er onder het kopje «landschap als uitgangspunt/uitkomst van ontwikkelingen» nog sprake zijn van visie op de leefomgeving als het een beleidsoptie is om landschap uitsluitend te zien als resultante van andere ontwikkelingen?

Antwoord 159:

In het startdocument is een bandbreedte aangegeven waarbinnen beleidsopties kunnen worden uitgewerkt. Landschap uitsluitend als resultante van andere ontwikkelingen, is daarbij een van de uitersten. Het andere uiterste is landschap uitsluitend als uitgangspunt. Keuzes worden pas gemaakt in de uiteindelijke NOVI.

Vraag 160:

Wie en of wat bepaalt op welke moment uiteindelijk de richting die wordt gekozen in de genoemde vraagstukken?

Antwoord 160:

Zie het antwoord op vraag 10.

Vraag 161:

Wat betekent «richtinggevend» precies en in hoeverre moet dit geïnterpreteerd worden als dat er sprake zal zijn van een bepaalde doorzettingsmacht wanneer u aangeeft dat met deze startnota voor de NOVI de eerste stap is gezet naar een volwaardige omgevingsvisie op nationaal niveau en dat daarin het rijksbeleid voor de leefomgeving in samenhang en richtinggevend wordt gepresenteerd?

Antwoord 161:

Zie het antwoord op vraag 3.

Vraag 162:

Hoe wordt precies vastgelegd dat nationale beleidskeuzes inderdaad directief zijn voor omgevingsvisies van decentrale overheden evenals voor de uitvoeringsregelgeving, wanneer u aangeeft dat in de NOVI beleidskeuzes zullen worden gemaakt die daarna in de uitvoering tot uiting worden gebracht (zoals investeringsbeslissingen, programma’s en regelgeving)?

Antwoord 162:

De Omgevingswet voorziet niet in juridische doorwerking van de Nationale Omgevingsvisie naar omgevingsvisies van andere overheden. Andere formele of informele instrumenten kunnen worden ingezet om nationale belangen te borgen in het beleid van andere overheden. Waarvoor welke instrumenten worden ingezet maakt onderdeel uit van de verdere uitwerking van de NOVI. Voor het antwoord op vraag over de relatie met andere overheden verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.

Vraag 163:

Hoe gaat u ervoor zorgen dat straks heel helder uit de NOVI blijkt wat precies wordt aangemerkt als nationaal belang, en daarmee samenhangend waar de rijksoverheid dus ook leidend, kaderstellend en/of doorslaggevend is in de keuzes die daarmee gepaard gaan voor de fysieke leefomgeving, daarbij in acht nemend dat er sprake kan zijn van gedeelde verantwoordelijkheden?

Antwoord 163:

Artikel 2.3 van de Omgevingswet geeft het kader aan voor de verdeling van taken en bevoegdheden van de overheidszorg voor de fysieke leefomgeving. Als een belang in de NOVI wordt aangemerkt als nationaal belang moet het Rijk dat bij de opstelling van de NOVI motiveren waarbij de criteria uit artikel 2.3 in acht moeten worden genomen.

Dat iets een nationaal belang is, wil inderdaad niet per definitie zeggen dat het Rijk daarvoor als enige verantwoordelijk is, of dat het de rijksoverheid is die alle daarmee samenhangende keuzes bepaalt. Een nationaal belang kan tegelijkertijd ook een provinciaal of gemeentelijk belang zijn. Waar sprake is van gedeelde verantwoordelijkheden gaat het erom, de nationale belangen voldoende te borgen en de vrijheid en eigen verantwoordelijkheid van andere overheden en partijen niet onnodig te beperken. Dit maakt onderdeel uit van de verdere uitwerking van de NOVI. Zie ook het antwoord op vraag 8.

Vraag 164:

Waarom worden er mogelijk ook zaken in de NOVI opgenomen die niet of slechts zijdelings als nationaal belang worden aangemerkt, aangezien het per slot van rekening gaat over de nationale kijk op de fysieke leefomgeving en de consequenties van de keuzes die de rijksoverheid daarin maakt, en niet over zaken die eigenlijk gewoon aan decentrale overheden kunnen worden overgelaten?

Antwoord 164:

De NOVI wordt een integrale lange termijnvisie, die zich om reden van dat integrale karakter niet zal beperken tot alleen datgene dat wordt aangemerkt als nationaal belang. Dit is noodzakelijk aangezien belangen, taken en verantwoordelijkheden op nationale, regionale en lokale schaal in veel gevallen overlappen, elkaar raken of beïnvloeden. Het is van belang om ervoor te zorgen dat overheden elkaar in en met hun beleid kunnen versterken en aanvullen en daarmee recht doen aan de meerschaligheid van opgaven.

Vraag 165:

Welke nationale belangen bent u voornemens in de NOVI aan te wijzen? Hoe verhouden deze zich tot de enorme opgave waar Nederland zich voor gesteld ziet als het gaat over duurzaamheid, milieu, natuur, klimaat en de Energieagenda?

Antwoord 165:

De in de vraag genoemde opgaven zijn naast andere en met hun onderlinge relaties terug te vinden in de vier strategische opgaven in de startnota. Welke nationale belangen in de NOVI zullen worden benoemd in relatie met de opgaven krijgt vorm in het verdere traject van het opstellen en vaststellen van de NOVI.

Vraag 166:

Hoe wordt de afstemming en consistentie met de regionale omgevingsvisies geborgd?

Antwoord 166:

Zie het antwoord op de vragen 4 en 162.

Vraag 167:

Hoe werken de verschillende aspecten die zijn benoemd als nationaal belang, en daarom nationale bescherming behoeven, door naar de omgevingsvisies van provincies en gemeenten?

Antwoord 167:

Zie het antwoord op de vragen 4 en 162.

Vraag 168:

Hoe gaat u om met de grote verschillen in de ruimtelijke, sociale en economische structuur van steden en stedelijke regio’s? Hoeveel ruimte komt er om af te wijken van landelijk beleid voor bijvoorbeeld krimpregio’s?

Antwoord 168:

Dat er verschillen zijn, maakt Nederland met zijn diverse regio’s uniek. Elke regio heeft zijn eigen gebiedskenmerken. Onder meer in de Ruimtelijk Economische Ontwikkelstrategie (REOS) en de grensoverschrijdende samenwerking (GROS) is aandacht voor verschillen tussen (en binnen) de diverse gebieden en is er ruimte voor maatwerk op ruimtelijk, sociaal en economisch terrein. Zo wordt in REOS het onderscheidend vermogen van Nederland als vestigingsplaats benut. In GROS wordt met de buurlanden samengewerkt op het gebied van economie en arbeid om zo de economische vitaliteit in de grensstreek te versterken. Ook het landelijk beleid voor krimpregio’s kent maatwerk, bijvoorbeeld de samenwerkingsafspraken per regio in de samenwerkingsafspraken in het Actieplan Bevolkingsdaling 2016. Tevens wordt er door PBL en SCP een gezamenlijk onderzoek gedaan naar de ruimtelijke economische verschillen en de verschillen in welzijn op gemeenteniveau. Inzichten uit dit onderzoek en de beleidsprogramma’s worden meegenomen in de verdere uitwerking van de NOVI.

Vraag 169:

Heeft u nu al een idee hoe het samenspel tussen Rijk en decentrale overheden, vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, zal verlopen bij de besluitvorming omtrent ruimtelijke ontwikkelingen? Hoe wordt daarbij geborgd dat het Rijk zich alleen bemoeit met echte rijksbelangen?

Antwoord 169:

Zie de antwoorden op de vragen 4, 8 en 162.

Vraag 170:

Hoe wordt met (groot)stedelijk beleid versus «dorpsbeleid» omgegaan? Welke rol hebben steden en dorpen in het bereiken van economische-, sociale- en duurzaamheidsdoelstellingen? Hoe worden de ruimtelijke voorwaarden voor het bereiken van deze doelstellingen meegenomen? Hoe wordt daarbij de integraliteit gerealiseerd? Hoe wordt daarbij met de specifieke stad-land relatie omgegaan?

Antwoord 170:

Provincies en gemeenten hebben elk hun eigen rol en eigen bevoegdheden voor wat betreft de regionale en lokale ontwikkeling. Bij de uitwerking van de opgaven en beleidsopties in fase twee van de NOVI worden de economische-, sociale- en duurzaamheidsaspecten in relatie tot de leefomgeving verder verkend. Het gaat daarbij onder andere om handelingsperspectieven en de keuze tussen een generieke of juist gebiedsgerichte aanpak.

Vraag 171:

Hoe wordt met de sociale vraagstukken in steden, dorpen en stedelijke regio’s omgegaan op regionaal-, stedelijk- en wijkniveau en op het niveau van dorpen?

Antwoord 171:

Het sociale aspect is in de startnota van de NOVI geagendeerd. In de tweede fase van de NOVI zullen de sociale vraagstukken in stad en ommeland en regio’s met bevolkingsdaling worden meegenomen in de verdieping. Daarbij worden verschillende schaalniveaus in ogenschouw genomen.


X Noot
1

Het ontwerp-Omgevingsbesluit ligt sinds begin juli 2017 voor advies bij de Afdeling Advisering van de Raad van State.

X Noot
2

Verdere informatie is te vinden op www.beterbenutten.nl/talking-traffic

X Noot
3

Verdere informatie is te vinden op www.smartwayz.nl

Naar boven