Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201627858 nr. 326

27 858 Gewasbeschermingsbeleid

27 625 Waterbeleid

Nr. 326 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 oktober 2015

In deze brief ga ik, mede namens de Minister van Infrastructuur en Milieu en de Staatssecretaris van Economische Zaken, in op de samenhang tussen het toelatingsbeleid voor gewasbeschermingsmiddelen en de Kaderrichtlijn Water (KRW), en de samenhang tussen de KRW en de Nitraatrichtlijn. Tevens informeer ik u over de uitvoering van diverse moties op het dossier gewasbeschermingsmiddelen.

Samenhang tussen het toelatingsbeleid en de KRW

In het plenaire debat van 28 mei 2015 over gewasbeschermingsmiddelen is u een nadere uitleg toegezegd over de verschillen in normering tussen de KRW (Richtlijn 2000/60/EC) en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen volgens Verordening (EG)1107/2009. Tijdens dit debat werd de suggestie gedaan om de waterkwaliteitsnormen te betrekken bij de toelatingsbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen.

De wens om de KRW-normen nadrukkelijk in de toelating te betrekken, is zeer begrijpelijk. Het is immers moeilijk uit te leggen dat een toegelaten gewasbeschermingsmiddel bij gebruik volgens de voorschriften in de praktijk kan leiden tot een overschrijding van de KRW-normen. Het is echter niet eenvoudig om beide kaders in elkaar te schuiven, omdat beide kaders zijn vastgelegd op Europees niveau. In deze brief wordt achtereenvolgens ingegaan op het huidige stelsel van verschillende kaders, de wijze waarop daar momenteel mee wordt omgegaan en perspectieven om beide kaders in de toekomst beter op elkaar af te stemmen.

Het huidige stelsel van het toelatingsbeleid en de KRW

Het toelatingsbeleid voor gewasbeschermingsmiddelen is vastgelegd in de Verordening die het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen in Europa harmoniseert. De ruimte voor nationale afwegingen, ook op het vlak van de gehanteerde normering, is daarmee zeer beperkt. Bij toelatingen geldt een wettelijke toelatingsprocedure, waarbij wordt gewerkt met een Europees geharmoniseerde toelatingsnorm. Voor de inwerkingtreding van de Verordening werd wel vooraf getoetst aan KRW-normen, de zogenoemde preregistratie. Bij de behandeling van de wetgeving ter implementatie van de Verordening in 2010 heeft de Kamer de motie Snijder-Hazelhoff/Koopmans (Kamerstuk 32 372, nr. 42) aangenomen met het verzoek deze preregistratietoets te schrappen, omdat deze niet aansloot bij de Verordening en als nationale kop op Europese regelgeving werd gezien. De regering heeft de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden daarop aangepast.

Omgaan met verschillende kaders

In de situatie dat waterkwaliteitsnormen strenger zijn dan de toelatingsnormen hoeft in de praktijk nog geen sprake te zijn van het overschrijden van waterkwaliteitsnormen. Dit hangt namelijk in belangrijke mate af van de wijze van het gebruik van de betreffende gewasbeschermingsmiddelen. Naast de middelspecifieke voorschriften die bij de toelating kunnen worden vastgelegd om emissies te beperken, zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer generieke emissiebeperkende maatregelen vastgelegd, zoals het aanhouden van een teeltvrije zone naast het oppervlaktewater en het gebruik van bepaalde spuitapparatuur die het verwaaien beperkt. In veel gevallen zijn deze maatregelen toereikend om overschrijding van de waterkwaliteitsnormen te voorkomen.

Als op grond van monitoringsgegevens toch blijkt dat niet aan de waterkwaliteitsnormen wordt voldaan, wordt dit aangepakt via emissiereductieplannen. Jaarlijks wordt met de producenten van gewasbeschermingsmiddelen afgesproken voor welke normoverschrijdende gewasbeschermingsmiddelen een emissiereductieplan wordt opgesteld en uitgevoerd. Afhankelijk van de uitkomsten van de analyse kan het noodzakelijk zijn maatregelen te treffen. Eén van de mogelijke uitkomsten kan zijn dat het nodig blijkt dat de toelating door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) moet worden aangescherpt of dat de naleving van de voorschriften moet worden verbeterd.

Perspectieven voor harmonisatie tussen toelatingsbeleid en KRW

De regering zal bij de toekomstige evaluatie van de Gewasbeschermingsverordening de samenhang daarvan met de KRW ook op Europees niveau onder de aandacht brengen, om te bezien of daar nog mogelijkheid tot verdere optimalisering van die samenhang wordt gezien.

In 2011 heeft Wageningen UR in opdracht van de Ministeries van Economische Zaken en Infrastructuur en Milieu onderzoek uitgevoerd om de methodiek van de normen die worden gehanteerd bij de toelating en in de KRW zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. Hieruit bleek dat de verschillen kunnen worden verkleind als wordt uitgegaan van dezelfde set aan gegevens. In de nieuwe handleiding over de normstelling voor aquatische organismen die de Europese Voedselautoriteit heeft uitgebracht (EFSA, 2013) is rekening gehouden met het Nederlandse onderzoek. Met deze verdere harmonisatie van beide normenkaders is al een eerste stap gemaakt om verschillen tussen beide kaders te verkleinen.

Samenhang tussen de Nitraatrichtlijn en de KRW

Tijdens het AO Water van 24 juni 2015 (Kamerstuk 31 710, nr. 43) heeft het lid Smaling (SP) de Minister van Infrastructuur en Milieu verzocht om in deze brief ook de samenhang tussen de KRW en de Nitraatrichtlijn te behandelen.

De Nitraatrichtlijn (van 12 december 1991) richt zich op de bescherming van water (waaronder aquatische ecosystemen) tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen. Vanwege het risico op verontreiniging van grondwater met nitraten en vanwege het risico op eutrofiëring van zoet oppervlaktewater en kust- en overgangswateren is geheel Nederland in het kader van de Nitraatrichtlijn als kwetsbare zone aangewezen. De KRW (van 23 oktober 2000) richt zich op voorkoming van achteruitgang van de toestand van alle oppervlakte- en grondwaterlichamen en op de bescherming, de verbetering en het herstel van al die waterlichamen teneinde uiterlijk eind 2027 een goede toestand te bereiken. Waar de Nitraatrichtlijn zich dus specifiek richt op het voorkomen en verminderen van waterverontreiniging door vermindering van emissies van nitraten (en fosfaten) uit agrarische bronnen, richt de KRW zich nadrukkelijk ook op de vermindering van verontreinigingen uit andere bronnen en op inrichting- en beheermaatregelen van het watersysteem.

De evaluatie van de mestwetgeving, die conform de Meststoffenwet eens in de vijf jaar moet worden uitgevoerd, is gestart en wordt in dialoog met belanghebbenden in 2016 afgerond met een syntheserapport van het Planbureau voor de Leefomgeving. Naast doelen van de Nitraatrichtlijn worden ook de doelen van de KRW, waaronder die voor drinkwaterwinningen, betrokken in deze evaluatie. Hierin wordt ook de uitwisseling tussen grond- en oppervlaktewater meegenomen. De uitkomsten worden betrokken bij het opstellen van het 6e Actieprogramma Nitraatrichtlijn, waarover uiterlijk voor 1 januari 2018 overeenstemming met de Europese Commissie moet worden bereikt.

Motie Schouw/Jacobi betreffende voor- en nadelen emissiereductieplan (Kamerstuk 27 858, nr. 206)

De motie Schouw/Jacobi heeft de regering verzocht de voor- en nadelen te inventariseren van het verplichten van een emissiereductieplan in de situatie dat de waterkwaliteitsnormen strenger zijn dan de toelatingsnormen.

Zoals hiervoor is beschreven, hoeft in de bedoelde situatie nog geen sprake te zijn van normoverschrijdingen. Of dit gebeurt, hangt in belangrijke mate af van het gebruik in de praktijk van het gewasbeschermingsmiddel en maatregelen die in generieke voorschriften zijn of worden opgenomen ter bescherming van de waterkwaliteit.

Zoals ook hiervoor is beschreven, zijn emissiereductieplannen er geheel op gericht om gebleken normoverschrijdingen te analyseren en na te gaan waardoor deze precies worden veroorzaakt. Een belangrijk nadeel van het verplichten van een emissiereductieplan in de situatie dat de waterkwaliteitsnormen strenger zijn dan de toelatingsnormen is dus dat dit instrument niet geschikt is voor situaties waarin zich nog geen normoverschrijdingen hebben voorgedaan. Daarnaast zou het ook niet doelmatig zijn om emissiereductieplannen in te zetten als in de praktijk geen normoverschrijdingen optreden.

Motie Dik-Faber betreffende green deal recreatieterreinen (Kamerstuk 27 858, nr. 253)

De motie Dik-Faber verzoekt de regering zich ervoor in te spannen dat op korte termijn een green deal voor recreatieterreinen wordt gesloten die gelijk op gaat lopen met de green deal voor sportterreinen. Recreatie- en sportterreinen worden vooralsnog uitgezonderd van het verbod om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken in overig groen buiten de landbouw, dat volgens de planning in november 2017 in werking treedt. De green deals hebben als doel het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op deze terreinen af te bouwen, zodat in 2020 nagenoeg geen gewasbeschermingsmiddelen meer worden gebruikt.

Beide green deals verkeren in een vergevorderd stadium en worden naar verwachting dit najaar ondertekend.

Motie Van Gerven betreffende uitzonderingen verbod glyfosaat (Kamerstuk 27 858, nr. 241)

De motie Van Gerven verzoekt de regering om de uitzonderingen op het verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen met daarin de werkzame stof glyfosaat voor niet-commerciële doeleinden zo beperkt mogelijk te houden. Ik heb u toegezegd dat voor het onkruidbestrijdingsseizoen van 2016 regelgeving in werking zal treden waarmee het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op verhardingen niet meer is toegestaan. Daarbij worden uitzonderingen geformuleerd die noodzakelijk zijn voor een veilige exploitatie, voor de bescherming van de gezondheid van mens, dier of milieu zoals de bestrijding van invasieve exoten of op specifieke terreinen voor recreatieve doeleinden of het beoefenen van sport die vanwege hun aard of omvang redelijkerwijs niet op een andere wijze kunnen worden onderhouden. De uitzonderingen worden aan de hand van deze criteria zo beperkt mogelijk ingevuld.

U heeft op 8 juni 2015 een ontwerp ontvangen van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden met daarin het verbod op het gebruik op verhardingen.

Motie Van Tongeren betreffende barometer duurzaam terreinbeheer (Kamerstuk 27 858, nr. 239)

De motie Van Tongeren verzoekt de regering om alleen uitzonderingen op het verbod op het gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen buiten de landbouw toe te staan die voldoen aan de criteria goud en zilver van de Barometer Duurzaam Terreinbeheer van de Stichting Milieukeur. Zoals hiervoor is aangegeven bij de motie Van Gerven over het zo beperkt mogelijk houden van uitzonderingen, zal een aantal criteria worden gehanteerd om deze uitzonderingen in te vullen. De criteria in het conceptbesluit dat u op 8 juni 2015 heeft ontvangen, komen grotendeels overeen met de situaties waarin het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen volgens de Barometer Duurzaam Terreinbeheer niveau Zilver is toegestaan.

Bij de uitwerking van de uitzonderingen in de Ministeriële Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden moet rekening worden gehouden met de handhaafbaarheid, haalbaarheid en betaalbaarheid. Dit kan met zich meebrengen dat de uitkomst anders is dan voor het private certificeringsysteem waar terreinbeheerders zich vrijwillig aan committeren en zelf het ambitieniveau kunnen kiezen. Een ander verschil is dat de Barometer enkele specifieke middelen omschrijft die niet mogen worden gebruikt, terwijl in de regelgeving geen onderscheid kan en zal worden gemaakt in specifieke middelen.

Gelet op de strekking van de motie, waarbij in de overwegingen de bescherming van het oppervlaktewater een belangrijke rol speelt, is gekeken of daartoe voorwaarden uit de Barometer kunnen worden overgenomen. Gebleken is dat deze voorwaarden worden afgedekt met de nieuwe regelgeving, of inmiddels zijn afgedekt in bestaande regelgeving of in de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen.

Motie Geurts betreffende juridische basis aangekondigd verbod op alle middelen buiten de landbouw (Kamerstuk 27 858, nr. 285)

De motie Geurts verzoekt de regering de Kamer voor 1 maart 2015 te informeren over de criteria die de juridische basis zouden moeten zijn van het aangekondigde verbod op alle middelen die gebruikt worden buiten de landbouw. In de brief van 19 maart 2015 (Kamerstuk 27 858, nr. 301) is uw Kamer toegezegd dat in de Nota van toelichting bij het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden de criteria voor het verbod uiteen worden gezet. Het conceptbesluit heeft u op 8 juni 2015 ontvangen.

Ik beschouw genoemde moties hiermee als uitgevoerd.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld