Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201534000-IX nr. 5

34 000 IX Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Financiën (IXB) en de begrotingsstaat van Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 2015

Nr. 5 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 september 2014

In relatie met uw Kamer zijn er diverse openstaande moties en toezeggingen op mijn beleidsterrein. Met deze brief geef ik graag aan hoe verschillende moties zijn uitgevoerd en geef ik gevolg aan diverse toezeggingen van mijzelf en mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris Weekers. Daarnaast geef ik in deze brief een planning van de moties en toezeggingen die naar verwachting het komende halfjaar worden afgedaan.

I Afgedane moties en toezeggingen

De onderstaande moties en toezeggingen beschouw ik als afgehandeld.

Verklaring Arbeidsrelaties (VAR)

Deze maand ontvangt uw Kamer het wetsvoorstel Wet invoering Beschikking geen loonheffingen (BGL), waarmee de motie Van Weyenberg c.s. wordt uitgevoerd.1 Het arbeidsmarkteffectenonderzoek naar de gevolgen van de invoering van de medeverantwoordelijkheid wordt gelijktijdig met dat wetsvoorstel naar uw Kamer gestuurd. Dit is conform de door mij gedane toezegging in de toezeggingenbrief van 25 april 2014. Ik acht de motie Vos c.s. daarmee afgedaan.2

In de motie Vos/Neppérus3 wordt gevraagd om het interdepartementale beleidsonderzoek (IBO) naar zzp’ers zo breed mogelijk in te steken en onder meer te kijken naar de relatie tot de fiscale en sociale wet- en regelgeving. Uit de op 21 mei 2014 door de Minister van Financiën aan uw Kamer verstrekte taakopdracht van het IBO blijkt mijns inziens dat dit het geval is. De motie vraagt tevens om, in het kader van de hervorming van de VAR, te streven naar meer helderheid en transparantie over het verschil tussen typen arbeidsrelaties. Met de altijd raadpleegbare webmodule is precies dat ook mijn streven. Daarnaast wordt in publicaties van de Belastingdienst aangegeven hoe de Belastingdienst arbeidsrelaties fiscaal beoordeelt. Ook tracht de Belastingdienst door middel van convenanten duidelijkheid te bieden over soorten arbeidsrelaties in bepaalde sectoren of van bepaalde werkgevers en opdrachtgevers. Dit neemt niet weg dat het bij de beoordeling van arbeidsrelaties altijd aankomt op de weging van alle feiten en omstandigheden van die arbeidsrelatie in onderlinge samenhang bezien.

Tevens heb ik toegezegd dat de Belastingdienst met ZZP-Nederland in overleg zou treden.4 Enkele vertegenwoordigers van ZZP-Nederland zijn op 15 mei 2014 op het Ministerie van Financiën ontvangen, waar zij de gelegenheid hebben gekregen om een toelichting op hun idee te geven. Vervolgens is aan ZZP-Nederland gevraagd om het voorstel verder uit te werken en is ZZP-Nederland in contact gebracht met de belastinginspecteur die landelijk de casuïstiek in de zorg coördineert. ZZP-Nederland heeft nog geen overeenkomsten of contracten overgelegd waarover een fiscaal oordeel gegeven kan worden. De coördinerende inspecteur heeft inmiddels wel met een andere organisatie een gesprek gevoerd; een organisatie die volgens een vergelijkbaar concept opereert. Deze organisatie heeft de inspecteur alle van belang zijnde contracten en overeenkomsten overgelegd en een toelichting daarop gegeven. Deze organisatie heeft inmiddels de reactie van de inspecteur ontvangen dat als feitelijk volgens de beoordeelde contracten wordt gewerkt er geen dienstbetrekking is tussen het bemiddelingsbureau en de opdrachtnemer.

In de motie Vos c.s.5 wordt de regering verzocht om voor 30 juni 2014 voor zowel opdrachtgevers als zelfstandigen duidelijke en eenduidige informatie ter beschikking te stellen over de wijze waarop zelfstandigen in de zorg als zzp’er aan het werk kunnen. Bovendien wordt de regering verzocht om in het najaar aan de Kamer te rapporteren hoeveel van de 1200 mensen die nu een VAR-loon hebben gekregen met een VAR-wuo deelnemen aan de zorgpilot. Op 21 mei 2014 heeft de Belastingdienst 1008 brieven verzonden over deelname aan de pilot. Tevens is eind juni 2014 op de site van de Belastingdienst informatie gepubliceerd waarin op de fiscale en sociaalrechtelijke aspecten van het werken in de zorg wordt ingegaan. De gepubliceerde informatie bevat verschillende hyperlinks waarmee verschillende onderwerpen kunnen worden geraadpleegd. Er zijn 370 VAR-wuo’s afgegeven op aanvragen waarbij in de omschrijving van de werkzaamheden is vermeld: AWBZ-zorg op basis van deelname aan de zorgpilot. Dit is de voorgeschreven tekst om in ieder geval een VAR-wuo voor de zorgpilot te krijgen. Uit de landelijke registratie blijkt dat ongeveer 800 zzp’ers zich hebben aangemeld voor de pilot. Vervolgens hebben ongeveer 150 zzp’ers, om uiteenlopende redenen, afgezien van deelname aan de pilot. Per saldo hebben de zorgkantoren met ongeveer 650 zzp’ers contracten afgesloten voor de pilot. Dat betekent dat zich ook zorgverleners hebben ingeschreven die al over een VAR-wuo beschikten, zonder door de Belastingdienst te zijn benaderd. Tot slot heb ik toegezegd om op de casus «Buurtzuster», die de heer Omtzigt zou aanreiken, te reageren.6 Deze casus is echter niet aangereikt.

Douane

Op 5 maart 2014 heeft een algemeen overleg met uw Kamer plaatsgevonden over fiches betreffende douane. Tijdens dat overleg is gesproken over de kritische houding van Nederland met betrekking tot de voorstellen van de Europese Commissie over wederzijdse douanebijstand en douaneovertredingen en sancties. Naar aanleiding van de vragen van de leden Népperus, Nijboer en Van Dijck wat ik zou ondernemen om deze voorstellen tegen te houden, heb ik toegezegd een brief te sturen naar de collega-bewindspersonen van grote lidstaten om er op aan te dringen dat zij hun kritische houding met betrekking tot de fiches behouden en niet later in het proces hun positie afzwakken, zoals in de praktijk vaak gebeurt. Nederland heeft zijn bondgenoten weten te overtuigen een gezamenlijke brief te sturen aan de Griekse Minister van Financiën in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Raad. In deze brief zijn zorgen geuit over het richtlijnvoorstel over douaneovertredingen7 en sancties en het voorstel voor een wijziging van verordening 515/97 over wederzijdse bijstand in douanezaken.8 Door coalitievorming met andere lidstaten tracht Nederland zoveel mogelijk invloed uit te oefenen op de onderhandelingen. Met betrekking tot douaneovertredingen en sancties zijn de volgende punten in de brief expliciet naar voren gebracht:

  • de juridische basis is niet toereikend;

  • het is onduidelijk wat de gevolgen zijn van dit voorstel voor de verhouding tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties in de lidstaten;

  • de lidstaten hebben moeite met de structuur van het voorstel, namelijk indeling in een schalenstructuur waarbij de op te leggen sanctie varieert naar gelang er sprake van objectieve aansprakelijkheid, nalatigheid of opzet;

  • de voorstellen getuigen van een gebrek aan flexibiliteit en proportionaliteit.

Met betrekking tot wederzijdse douanebijstand worden de volgende punten in de brief expliciet naar voren gebracht:

  • de lidstaten zijn niet overtuigd dat ongelimiteerde uitwisseling van informatie de enige aanpak is om inbreuken op douanewetgeving tegen te gaan;

  • de lidstaten hebben moeite met het creëren van databanken en hebben bezwaren vanuit perspectief van gegevensbescherming;

  • de lidstaten zijn tegen de verplichting van het bedrijfsleven om rechtstreeks gegevens door te geven aan de Europese Commissie;

  • de lidstaten zijn tegen de verhoging van administratieve lasten voor het bedrijfsleven en bestuurlijke lasten voor douaneautoriteiten.

Tot slot is het voorzitterschap vriendelijk doch dringend verzocht bij het schrijven van een compromistekst rekening te houden met de input die de lidstaten geleverd hebben.

Tijdens datzelfde algemeen overleg heb ik ook toegezegd om te inventariseren wat Nederland kan leren van andere lidstaten op het gebied van douaneovertredingen en -sancties. Hoe lidstaten omgaan met douaneovertredingen blijkt uit de uitgebreide effectbeoordeling9 met bijlagen10 die het commissievoorstel voor een richtlijn van het Europees parlement en de Raad betreffende het rechtskader van de Unie inzake douaneovertredingen en sancties begeleidde. Als bijlage bij deze effectbeoordeling is het rapport opgenomen van een werkgroep van lidstaten en de Europese Commissie. Dit rapport betreft een kwantitatieve opsomming van de details van de strafrechtelijke stelsels in de lidstaten. Uit het rapport blijkt dat de andere lidstaten ook het handhavingspalet hebben zoals we dat in Nederland kennen; waarschuwingen, geldelijke boetes en gevangenisstraf behoren overal tot de mogelijkheden. Daarnaast kennen veel lidstaten – net als Nederland – de mogelijkheid tot bestuursrechtelijke maatregelen zoals het intrekken van een vergunning. Dit wordt over het algemeen gezien als een gevolg van het niet-compliante gedrag van de marktdeelnemer en niet als een strafrechtelijk sanctie.

Aan de hand van een zevental veel voorkomende feitencomplexen:

  • onregelmatige invoer;

  • onttrekking aan douanetoezicht;

  • het niet voldoen aan vergunningvoorwaarden;

  • het niet verstrekken van bescheiden of informatie aan de Douane;

  • het doen van een onjuiste aangifte;

  • het buiten het douanegebied brengen van goederen zonder dat een aangifte is gedaan; en

  • het doen van een uitvoeraangifte op een andere plaats dan waar de goederen de douanebestemming uitvoer krijgen,

beschrijft het rapport hoe deze gesanctioneerd worden. De verschillen tussen wat mogelijk is en de werkelijke sanctionering zijn groot. Het rapport van de werkgroep is dermate geanonimiseerd en geredigeerd dat de individuele lidstaten niet herleidbaar zijn. Nederland wil niet uit de pas lopen met de andere lidstaten van de EU en houdt daarom scherp zijn omgeving in de gaten. Uit onderzoek bleek dat we uit de pas liepen bij de sanctionering van overtredingen van de aangifteplicht van liquide middelen.11 Daarop zijn de bedragen die opgelegd worden als fiscale strafbeschikking voor het niet, niet juist of niet tijdig voldoen aan de aangifteverplichting naar boven bijgesteld. De algemeen directeur Douane heeft dit gedaan door het besluit te nemen om het Handboek VGEM (veiligheid, gezondheid, economie en milieu) – waarin de bedragen voor een fiscale strafbeschikking zijn opgenomen – aan te passen. De bedragen die opgelegd kunnen worden door middel van een fiscale strafbeschikking zijn – op één na – afhankelijk geworden van het bedrag aan liquide middelen dat aangetroffen wordt. Deze manier van bestraffen is ook gebruikelijk in de ons omringende landen. De wijzigingen zijn 7 juli 2014 ingegaan.

Vennootschapsbelastingplicht overheidsondernemingen

In het kader van de modernisering van de vennootschapsbelastingplicht (Vpb-plicht) voor overheidsondernemingen is de regering in de motie Van Vliet12 verzocht maatregelen te nemen om agressieve belastingplanning door overheden in de nieuwe situatie te voorkomen opdat niet via constructies alsnog oneerlijke concurrentie gaat plaatsvinden, bijvoorbeeld door het niet afzonderen van concurrerende activiteiten. De motie is aangenomen nadat het kabinet zijn voorkeur kenbaar had gemaakt voor de zogenoemde indirecte ondernemingsvariant. De indirecte ondernemingsvariant zou tot gevolg hebben dat publiekrechtelijke rechtspersonen ondernemingsactiviteiten zouden moeten afsplitsen in een afzonderlijk privaatrechtelijk lichaam. Het kabinet heeft zijn voorkeur voor de indirecte ondernemingsvariant, zoals blijkt uit de beantwoording op de Kamervragen van de leden De Vries en Groot (PvdA) over een gelijk Europees speelveld voor de Nederlandse havens13, naar aanleiding van inventarisatiegesprekken met verschillende belanghebbenden begin dit jaar herroepen. Het kabinet heeft daarom in het op Prinsjesdag aan uw Kamer aangeboden wetsvoorstel gekozen voor een rechtsvormneutrale uitwerking van de modernisering van de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen. Het maakt voor de Vpb-plicht daarom niet uit of een activiteit van een publiekrechtelijke rechtspersoon wordt afgezonderd in een privaatrechtelijk lichaam of niet. Op die manier is naar mijn mening de directe aanleiding aan de motie Van Vliet komen te vervallen. Het voorgaande neemt echter niet weg dat ik de vinger aan de pols zal houden om te bezien of, en zo ja op welke schaal, het op Prinsjesdag aan uw Kamer aangeboden wetsvoorstel aanleiding zal geven tot de uitholling van de belastinggrondslag door overheidsondernemingen. Desalniettemin mag van medeoverheden op dit punt terughoudendheid worden verwacht. Indien dergelijke terughoudendheid toch niet aan de dag wordt gelegd, zal het kabinet zich genoodzaakt zien alsnog passende maatregelen te treffen.

Daarnaast heeft mijn ambtsvoorganger tijdens het algemene overleg over diverse fiscale onderwerpen op 25 juni 2013 toegezegd om met belanghebbenden, waaronder de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Unie van Waterschappen (UvW), in contact te blijven over de voorgenomen modernisering van de Vpb-plicht voor overheidsondernemingen.14 Voorafgaand aan de indiening van dit wetsvoorstel is op 19 mei 2014 en 10 september 2014 over dit onderwerp gesproken tijdens het Bestuurlijke overleg financiële verhoudingen tussen bestuurders van de VNG, het IPO en de UvW enerzijds en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en mijzelf anderzijds. Daarnaast is de modernisering van de Vpb-plicht voor overheidsondernemingen tijdens een bestuurlijk overleg op 27 augustus 2014 met bestuurders van de VNG aan de orde geweest. Tot slot zijn op ambtelijk niveau met diverse belanghebbenden, waaronder de VNG, het IPO en de UvW, verscheidene inventarisatie en -consultatiegesprekken gehouden. Tijdens die consultatiegesprekken is met die belanghebbenden in het bijzonder gesproken over het conceptwetsvoorstel waarover in de periode van 14 april 2014 tot 12 mei 2014 een openbare consultatie heeft plaatsgevonden door middel van een internetconsultatie. Ik beschouw deze toezegging hiermee als afgehandeld. Dat wil niet zeggen dat daarmee het contact met de VNG, het IPO en de UvW geen nut meer zou hebben. Integendeel: het contact met deze belanghebbenden blijft naar mijn mening van vitaal belang voor een zo goed mogelijke implementatie van het wetsvoorstel. De gesprekken zullen dan ook worden voortgezet.

Corporate tiebreaker

Tijdens de plenaire behandeling van het belastingverdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk (hierna: VK) heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd een terugkoppeling te geven van de ervaringen met de zogenaamde corporate tiebreaker-bepaling, zoals deze opgenomen is in artikel 4, vierde lid, van het desbetreffende verdrag.15 Deze corporate tiebreaker-bepaling stelt de woonplaats voor verdragstoepassing vast van lichamen met een dubbele vestigingsplaats. Een dubbele vestigingsplaats doet zich bijvoorbeeld voor bij lichamen die zijn opgericht naar het recht van het ene land, maar feitelijk gevestigd zijn in het andere land. In de corporate tiebreaker-bepaling met het VK is overeengekomen dat de competente autoriteiten in onderling overleg zullen trachten de woonplaats van een dergelijk lichaam te bepalen. Deze werkwijze werd door beide landen opportuun geacht, gezien diverse ervaringen uit de praktijk. Uit deze ervaringen ontstond onder andere de wens op te kunnen treden tegen misbruiksituaties. Het woonplaatsartikel uit het nieuwe verdrag wijkt wel af van het woonplaatsartikel uit het oude verdrag met het VK en het woonplaatsartikel zoals dat doorgaans is opgenomen in andere belastingverdragen. In de meer gebruikelijke woonplaatsartikelen worden dergelijke lichamen geacht inwoner te zijn van het land waar de effectieve leiding van het lichaam wordt uitgeoefend, zonder dat de verdragslanden hierover vooraf in overleg treden. Daarbij past overigens de kanttekening dat ook bij een dergelijke bepaling overleg dient plaats te vinden tussen beide bevoegde autoriteiten indien een verschil van inzicht bestaat over de vraag in welke land de werkelijke leiding wordt uitgeoefend.

Sinds het van toepassing zijn van het verdrag op 1 januari 2011 zijn zestien verzoeken om toepassing van het tiebreaker-artikel ontvangen.16

Tabel 1: Aantal ontvangen verzoeken toepassing tiebreaker

Jaar

Aantal ontvangen verzoeken

2011

0

2012

2

2013

8

2014

6 (4 nog in behandeling)

Totaal

16

Hierbij verzochten dertien rechtspersonen de vestigingsplaats in het VK vast te stellen en drie rechtspersonen om die in Nederland vast te stellen. Deze verzoeken zijn in goed overleg met het VK beoordeeld aan de hand van de criteria genoemd in de memorie van toelichting bij het verdrag.17 In twee gevallen is de vestigingsplaats niet vastgesteld conform het verzoek van de belastingplichtige in verband met zorgen over belastingontwijking. De praktijk leert wat dat betreft dat de corporate tiebreaker een geschikt anti-misbruikinstrument is. Dit sluit aan bij actuele ontwikkelingen binnen de OESO, waar eenzelfde bepaling wordt overwogen als maatregel in het kader van het BEPS project.

In de memorie van toelichting bij het verdrag is aangegeven dat ernaar wordt gestreefd corporate tiebreaker-verzoeken in zes maanden af te handelen. Dit blijkt een adequate inschatting. De gemiddelde behandeltijd bedroeg vier maanden. Dankzij de goede bilaterale contacten met het VK kan aldus binnen een redelijke termijn zekerheid worden verschaft aan belastingplichtigen. De eerste ervaringen met de corporate tiebreaker leren dus dat de bepaling zowel tegemoetkomt aan de wens misbruik te bestrijden, als aan de intentie belastingplichtigen binnen redelijke termijn zekerheid te geven. Het aantal verzoeken is hanteerbaar voor de competente autoriteiten in het Nederland en het VK.

Gedragscode salarissen bestuurders ANBI’s en advies Commissie De Jong

Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer toegezegd om de gedragscode van de Samenwerkende Brancheorganisaties Filantropie (SBF) waarin ook normen zijn opgenomen met betrekking tot salarissen van bestuurders van algemene nut beogende instellingen (ANBI's) naar uw Kamer te sturen zodra deze beschikbaar is.18 Bovendien is een reactie toegezegd op het advies van de Commissie De Jong inzake het validatiestelsel voor ANBI’s zodra dat mogelijk is.19 Dat advies ziet in het bijzonder op de wijze waarop het validatiestelsel verplicht kan worden gemaakt voor alle charitatieve ANBI’s en op de wijze waarop het beheer van het validatiestelsel belegd kan worden. Zoals ik uw Kamer heb gemeld in de toezeggingenbrief van 25 april 2014, was overleg met de SBF daarover nog gaande. Inmiddels verkeert dit overleg in de afrondende fase en is de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie voornemens, mede namens mij, uw Kamer op korte termijn een brief te doen toekomen waarin hij zal ingaan op het advies van de Commissie De Jong betreffende het validatiestelsel en het verdere proces daarbij. Daarmee beschouw ik beide toezeggingen als afgedaan.

Motie Voedselbanken

Naar aanleiding van de motie Dik-Faber waarin wordt gevraagd om supermarkten en voedselbanken duidelijkheid te verschaffen over het fiscaal aantrekkelijk doneren van voedsel20 en de Kamervragen van het lid Dik-Faber over voedselbanken21 zijn de voedselbanken en de koepel van de supermarkten, het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel uitgenodigd voor een gesprek op het Ministerie van Financiën om de fiscale onduidelijkheden weg te nemen. Dit gesprek heeft inmiddels plaatsgevonden. Bij dat gesprek waren verder ook de Federatie Nederlandse Levensmiddelenindustrie en het Ministerie van Economische Zaken vertegenwoordigd. Tijdens het gesprek is toegelicht hoe in de praktijk de fiscale behandeling van voedseldonatie verloopt. In de praktijk komt de voedseldonatie vaak als kostenpost in mindering op de winst. Ook is aangegeven dat bij een concrete casus contact kan worden opgenomen met de inspecteur. Verder is ook gesproken over de juistheid van de stelling dat het vernietigen van niet langer verkoopbare voedingsmiddelen door de toepassing van het zogenoemde Besluit Uitsluiting Aftrek omzetbelasting (BUA) voor de btw voordeliger is dan het doneren van deze voedingsmiddelen aan voedselbanken. Op dit punt ben ik van mening dat een juiste uitleg van het BUA met zich meebrengt dat geen uitsluiting van eerder in aftrek gebrachte btw op voedingsmiddelen plaatsvindt als een ondernemer voedingsmiddelen, die niet langer verkoopbaar zijn doneert aan een voedselbank of een daarmee vergelijkbare instelling, zonder dat daar een prestatie van die voedselbank tegenover staat. Wanneer de goederen op het moment dat deze worden gedoneerd zijn afgeschreven door de ondernemer omdat deze onverkoopbaar zijn, is de grondslag voor de aftrekuitsluiting nihil (vergelijk HR 20 januari 1999, nr. 34.256). In andere gevallen is een aftrekuitsluiting pas aan de orde wanneer het drempelbedrag van € 227 per jaar per begunstigde wordt overschreden. De bespreking heeft ertoe geleid dat meer duidelijkheid is ontstaan bij betrokken partijen over de fiscale behandeling van voedseldonatie aan voedselbanken.

De turboverdeling in de inkomstenbelasting

De leden van de fractie van het CDA hebben in het verslag inzake de Fiscale verzamelwet 201422 een aantal vragen gesteld over het artikel «De turboverdeling in de inkomstenbelasting» uit het Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie (WPNR).23 In de nota naar aanleiding van het verslag heb ik toegezegd deze vragen te beantwoorden in de onderhavige verzameltoezeggingenbrief.24

In de eerste plaats vragen deze leden of het kabinet de mening deelt dat de turboverdeling geen belastingconstructie is, maar het praktische doel dient dat alle bezittingen en schulden van de goederengemeenschap volledig onder het vruchtgebruik gebracht worden. Het is inderdaad zo dat bij de invoering van de defiscalisering van krachtens erfrecht verkregen vorderingen en schulden het praktische nut voorop heeft gestaan. De defiscalisering in box 3 van de bezittingen en schulden die verkregen zijn krachtens een verdeling volgens het wettelijk erfrecht is ingevoerd om tegemoet te komen aan de wens om de heffing van belasting zo praktisch mogelijk te laten aansluiten bij de invoering van het nieuwe ab-intestaat erfrecht en daarbij aan te sluiten bij de beleving van de erfgenamen. De langstlevende die alle goederen uit de nalatenschap krijgt (en de kinderen een vordering), wordt voor die goederen betrokken in box 3. De oorspronkelijke bepaling voor defiscalisering van de vorderingen en schulden die ontstaan zijn uit de (wettelijke) verdeling van de nalatenschap is in 2012 verder uitgebreid zodat de defiscalisering ook ziet op situaties die het gevolg zijn van de klassieke vruchtgebruiktestamenten. De turboverdeling gaat nog een stap verder. De bezittingen uit de huwelijksgoederengemeenschap die niet tot de nalatenschap behoren worden aan de nalatenschap toebedeeld in ruil voor een vordering in volle eigendom op de nalatenschap en voorts er wordt een vruchtgebruik ten behoeve van de langstlevende gevestigd op die nalatenschap. Als argument voor deze turboverdeling wordt aangevoerd dat dit meer begrijpelijk zou zijn voor de gerechtigden tot de nalatenschap. Afgezien van het bereiken van dit veronderstelde praktische doel kan ook de wens tot belastingbesparing (in de toekomst) een rol spelen. De vraag of de turboverdeling geen belastingconstructie is, kan daarom niet zonder meer in zijn algemeenheid bevestigend worden beantwoord, zoals de schrijvers van het artikel ook zelf opmerken.

Met betrekking tot de vragen over de eigenwoningregeling merk ik het volgende op: bij een klassiek vruchtgebruiktestament krijgt de langstlevende het vruchtgebruik van de nalatenschap en krijgen de kinderen de blote eigendom. Bij een eigen woning die tot de goederengemeenschap van de overledene en de langstlevende behoorde (had en) houdt de langstlevende de ene helft van de woning in volle eigendom en krijgt de langstlevende het vruchtgebruik van de andere helft van de woning terwijl de kinderen de blote eigendom van die helft van de woning verkrijgen. Deze verdeling (van de goederengemeenschap en van de nalatenschap) sluit aan bij de economische gerechtigdheid zoals deze tijdens het leven bestond. Het deel van de woning waarvan de langstlevende het vruchtgebruik verkrijgt, behoorde toe aan de overledene en op grond van het testament wordt daarop een vruchtgebruik gevestigd. Dit deel van de woning wordt daarom voor de eigenwoningregeling krachtens erfrecht verkregen.25 In dit geval is de gehele woning aan te merken als eigen woning voor de langstlevende op grond van artikel 3.111, eerste lid, onderdelen a (deel in volle eigendom) en b (het recht van vruchtgebruik krachtens erfrecht op het andere deel van de woning), van de Wet IB 2001. De volledige rente is daarom in beginsel26 aftrekbaar bij de langstlevende op grond van de wet (deel dat ziet op de volle eigendom) en het besluit van 21 februari 2014 (deel dat ziet op het vruchtgebruik).27

In geval van een zogenoemde «turboverdeling» heeft de erflater een vruchtgebruiktestament, maar besluiten de erfgenamen om hen moverende redenen om bij de verdeling van de goederengemeenschap van de economische gerechtigdheid af te wijken en de nalatenschap te overbedelen door daar niet de helft, maar de gehele woning aan toe te delen. De kinderen krijgen vervolgens de blote eigendom van de gehele nalatenschap (en dus ook van de gehele woning) op grond van het testament, en de langstlevende krijgt het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap. De langstlevende krijgt een onderbedelingsvordering op de nalatenschap ter grootte van de helft van de waarde van de woning minus een daarop betrekking hebbende schuld.28 In dit geval geldt voor de helft van de woning die vóór het overlijden in economische zin tot het vermogen van de erflater behoorde hetzelfde als hierboven beschreven.29 Voor de andere helft van de woning geldt dat deze in economische zin toebehoorde aan de langstlevende. Voor de eigenwoningregeling is het verkrijgen van een vruchtgebruik van deze helft van de woning niet aan te merken als een verkrijging krachtens erfrecht, omdat voor de eigenwoningregeling deze helft van de woning immers niet aan de erflater toebehoorde.30 De beslissing van de erfgenamen om bij de verdeling van de goederen van die economisch gerechtigdheid af te wijken door ook deze helft van de woning aan de nalatenschap toe te delen leidt er dus toe dat dit deel van de woning geen eigen woning meer is voor de langstlevende en de hypotheekrente in zoverre dus ook niet aftrekbaar is.

De leden van de fractie van het CDA vroegen in vervolg daarop of bij de turboverdeling een eigenwoningreserve ontstaat en of een «bestaande eigenwoningschuld» als zodanig blijft aan te merken. Een eigenwoningreserve ontstaat bij de vervreemding van een eigen woning. De overgang van een woning krachtens erfrecht tussen partners wordt niet aangemerkt als vervreemding van een eigen woning. De zinsnede «krachtens erfrecht» wordt binnen de eigenwoningregeling steeds hetzelfde uitgelegd. Daarom gaan bij een klassiek vruchtgebruiktestament de (helft van de) eigen woning en de (helft van de) eigenwoningschuld fiscaal geruisloos over naar de langstlevende partner, dus zonder dat daarbij een eigenwoningreserve ontstaat en zonder dat de schuld het predicaat «bestaande eigenwoningschuld» verliest. Voor het deel dat voor de eigenwoningregeling niet krachtens erfrecht overgaat, zoals dat bij een turboverdeling het geval is, is wel sprake van een vervreemding van de eigen woning door de langstlevende, omdat de woning voor de langstlevende niet langer als eigen woning kwalificeert. Het daarop betrekking hebbende deel van de schuld is door de vervreemding niet langer aan te merken als (bestaande) eigenwoningschuld en er kan dan een eigenwoningreserve ontstaan.

De leden van de fractie van het CDA vroegen ook of het kabinet het rechtvaardig acht dat in geval van een turboverdeling van een aanmerkelijk belang dat bestaat uit beleggingsvermogen wegens de vervreemding aan de nalatenschap door de langstlevende, moet worden afgerekend over het verschil tussen de verkrijgingsprijs en de waarde in het economische verkeer. De overdracht aan de nalatenschap (die aan het kind toekomt) van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen bij de turboverdeling geldt als een vervreemding. Bij een vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen in een beleggingsvennootschap moet worden afgerekend. Daar is bewust voor gekozen omdat er bij beleggingsvermogen voldoende liquiditeiten worden verondersteld aanwezig te zijn om de aanmerkelijkbelangbelasting te kunnen betalen.

Tevens vroegen de leden van de fractie van het CDA of het kabinet het rechtvaardig acht dat wanneer de langstlevende vervolgens meer dan een jaar na de erflater overlijdt, het verlies dat is ontstaan door dit laatste overlijden niet verrekenbaar is. Iedere belastingplichtige die overlijdt, geen partner heeft en een nog te verrekenen aanmerkelijkbelangverlies heeft, kan dit verlies uitsluitend verrekenen met positief aanmerkelijkbelanginkomen uit het kalenderjaar zelf en het voorafgaande kalenderjaar. Dit is bij een langstlevende die overlijdt na een turboverdeling niet anders. Dat in geval van een turboverdeling vrijwel altijd een verlies bij de langstlevende ontstaat, is een gevolg van het vruchtgebruiktestament en de keuze van de erfgenamen voor deze wijze van verdeling. Zonder de keuze voor vruchtgebruik met overbedeling is de kans op een aanmerkelijkbelangverlies bij de langstlevende niet groter dan bij een andere vervreemding.31

Verder vroegen genoemde leden of de rente die de langstlevende verschuldigd is over de overbedelingsschuld voor zover deze toerekenbaar is aan een aanmerkelijk belang aftrekbaar is in box 2. Voor zover een overbedelingsschuld toerekenbaar is aan een aanmerkelijk belang, is de rente die hierover verschuldigd is in beginsel aftrekbaar in box 2. In het geval van een turboverdeling heeft de langstlevende het vruchtgebruik gekregen van het aanmerkelijkbelangpakket. Op grond van artikel 3:220, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek worden gewone lasten door de vruchtgebruiker gedragen. Dit houdt in dat de langstlevende de rentelast draagt op de (overbedelings)schuld die samenhangt met de verkrijging van het aanmerkelijk belang door de kinderen. Daartegenover staat bij de langstlevende (de volle eigendom van) de onderbedelingsvordering op het kind. Aangezien de langstlevende de rente over de overbedelingsschuld van het kind moet betalen, vallen de renteschuld en de rentevordering fiscaalrechtelijk in hetzelfde vermogen (bij de langstlevende). Fiscaalrechtelijk wordt dit gezien als verrekening en dus als een genietingsmoment.32 Daarom komt de verrekende (betaalde) rente over de overbedelingsschuld bij de langstlevende in beginsel in aftrek in box 2. De waarde van de onderbedelingsvordering behoort overigens tot de rendementsgrondslag van box 3. Het voorgaande kan zowel voordelig als nadelig uitwerken voor de langstlevende, afhankelijk van de specifieke omstandigheden, zoals de hoogte van de rente die wordt vastgesteld op de overbedelingsschuld. Uiteraard zal de Belastingdienst blijven ingrijpen in situaties van boxarbitrage waarbij gebruik wordt gemaakt van gekunstelde constructies.

Kansspelbelasting

Mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris De Jager, heeft toegezegd om uw Kamer nader te informeren over voornemens tot een eventuele stelselwijziging van de kansspelbelasting (heffen over de inleg in plaats van heffen over de prijs).33 Ook heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd om in de overwegingen voor een dergelijke stelselwijziging de (verminderde) relevantie van het buitenkansbeginsel te betrekken.34 Aan deze toezeggingen is uitvoering gegeven in het nader rapport35 bij het wetsvoorstel Kansspelen op afstand36.

Fiscaal verdragsbeleid

Mijn ambtsvoorganger heeft toegezegd scherp te blijven op lacunes in de Notitie fiscaal verdragsbeleid 2011. Deze notitie is in beide Kamers aan de orde geweest en in de praktijk is gebleken dat deze notitie een bruikbaar instrument vormt. Het kabinet zal er alert op zijn dat dit zo blijft.

In de motie Van Vliet37 wordt de regering verzocht om alert te zijn op fiscale ontwikkelingen in andere landen en waar mogelijk fiscale innovatie als uitgangspunt te hanteren bij fiscaal beleid om Nederland aantrekkelijk te laten blijven als vestigingsland. Voorts wordt de regering in de motie Van Vliet verzocht bij eventuele heronderhandeling over belastingverdragen met derde staten het behoud van de Nederlandse fiscale positie als uitgangspunt te hanteren. Deze beide moties worden beschouwd als een ondersteuning van het kabinetsbeleid. Het kabinet zet zich actief in om het fiscale vestigingsklimaat van Nederland positief over het voetlicht te brengen. Bij (her)onderhandelingen over belastingverdragen is het de inzet om de internationale activiteiten van Nederlandse ondernemingen én investeringen van buitenlandse ondernemingen in Nederland te bevorderen. Een belastingverdrag heeft ook als doel om Nederlandse heffingsrechten veilig te stellen.

Digitale leermiddelen

In de motie Duisenberg/Jadnanansing38 wordt de regering verzocht mogelijkheden te verkennen voor een Nederlandse oplossing voor het ongelijk btw-speelveld voor digitale leermiddelen, en deze ook te betrekken bij haar overwegingen over een nieuw belastingstelsel. Parallel hieraan wordt de regering verzocht, conform de motie Peters uit 201239, dit ongelijk btw-speelveld ook in EU-verband te blijven agenderen en een oplossing te vinden. De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zal mede namens mij op de motie reageren wanneer hij in het derde kwartaal een analyse van de knelpunten van digitalisering in het onderwijs met uw Kamer deelt waarbij concrete doelen en te zetten stappen om een schaalsprong te maken worden benoemd.40 Overigens kan deze discussie niet los worden gezien van de meer algemene gedachtevorming over een verschuiving van de lasten naar de btw in het kader van de stelselherziening.

Verlaagd btw-tarief energiebesparende isolatiewerkzaamheden

Tijdens het algemeen overleg over energiebesparing op 1 juli 2014 heeft de Minister voor Wonen en Rijksdienst toegezegd het in 2009 aangenomen amendement met de strekking energiebesparende isolatiewerkzaamheden onder het verlaagde btw-tarief te brengen41 nader te beschouwen, en daarbij ook de financiering daarvan te bekijken.42 Aangezien btw-onderwerpen tot mijn beleidsterrein behoren informeer ik uw Kamer dienaangaande, mede namens de Minister voor Wonen en Rijksdienst. Het betreffende amendement is ingediend in het kader van het Fiscaal stimuleringspakket en overige fiscale maatregelen. Het amendement strekte ertoe het verrichten van op energiebesparing gerichte isolatiewerkzaamheden (met uitzondering van materialen die een beduidend deel vertegenwoordigen van de waarde van de verstrekte diensten) aan woningen ouder dan twee jaar na de eerste ingebruikneming, onder het verlaagde btw-tarief te brengen. De budgettaire derving van deze maatregel is indertijd geraamd op € 25 miljoen. Deze budgettaire derving is met ingang van 1 januari 2010 structureel gefinancierd uit een verhoging van de energiebelasting op aardgas.

Met ingang van 1 januari 2014 is, als gevolg van de Fiscale verzamelwet 2013, de toepassing van het verlaagde btw-tarief voor het aanbrengen van op energiebesparing gericht isolatiemateriaal beperkt tot de component arbeid. Materialen die bij de isolatiewerkzaamheden aan woningen (ouder dan twee jaar) gebruikt worden vallen met ingang van die datum niet langer onder het verlaagde btw-tarief. Daartegenover staat dat de arbeidscomponent voor het aanbrengen van glas vanaf 1 januari 2014 wel onder dit verlaagde btw-tarief valt.43

Naast de bovengenoemde aanpassing van de btw heeft het kabinet een aantal andere maatregelen getroffen die energiebesparing en de bouwsector een stevige financiële steun in de rug bieden, zoals de tijdelijke verlaging van de btw voor renovatiewerkzaamheden (die in het Belastingplan 2015 wordt verlengd tot 1 juli 2015), het inrichten van revolverende fondsen voor energiebesparing (met een budget vanuit het rijk van € 185 miljoen) en een subsidie van € 400 miljoen voor energiebesparing door verhuurders.

Autobelastingen

In de motie Van Vliet44 wordt de regering verzocht om fraude bij de toepassing van taxatierapporten te bestrijden door taxatie bij de import van gebruikte auto’s alleen toe te staan door gecertificeerde taxateurs, dan wel andere maatregelen te nemen ter voorkoming of beperking van misbruik. Aan deze motie is uitvoering gegeven door de in het wetsvoorstel Belastingplan 2015 opgenomen maatregel met betrekking tot de inperking van de mogelijkheid om een taxatierapport te gebruiken voor de waardebepaling van een geïmporteerde auto.

Verlaagde tarief in de energiebelasting

Tijdens het wetgevingsoverleg inzake het Belastingplan 201445 en tijdens de plenaire behandeling in uw Kamer van het Belastingplan 201446 heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd om nader onderzoek te doen naar de mogelijkheden om ook kleine ondernemers aan de kortingsregeling voor lokaal duurzaam opgewekte energie te laten deelnemen en uw Kamer erover te informeren of dit op basis van Europese regelgeving mogelijk is. Dit onderzoek is afgerond en heeft – in lijn met Europese regels – tot een voorstel tot aanpassing van de Wet belastingen op milieugrondslag geleid, die in het wetsvoorstel Belastingplan 2015 is opgenomen.

Verder heeft mijn ambtsvoorganger met betrekking tot het verlaagde tarief in de energiebelasting voor kleinschalig duurzaam opgewekte elektriciteit tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2014 toegezegd om in het nader onderzoek naar de bepaling ook de vraag mee te nemen met betrekking tot huur of operational lease.47 Met betrekking tot de deelname in een coöperatie die kleinschalig duurzaam elektriciteit opwekt en waarvan de leden in aanmerking komen voor het verlaagde tarief is voor huurders geen bijzondere bepaling nodig, want zij kunnen al participeren in zo’n coöperatie. Voor zover het gaat om het fiscale voordeel uit salderen ingeval van zelfopwekking van elektriciteit wordt in het wetsvoorstel Belastingplan 2015 een uitbreiding van de genoemde regeling voorgesteld voor verhuursituaties. Daarbij kunnen verhuurders zonnepanelen plaatsen en kunnen de huurders profiteren van het voordeel dat geen belastingheffing plaatsvindt over de zelf opgewekte en direct zelf verbruikte elektriciteit. Deze oplossing is afgestemd met de partijen die bij het SER-Energieakkoord voor duurzame groei betrokken waren. Deze toezeggingen van mijn ambtsvoorganger met betrekking tot het verlaagde tarief worden met het wetsvoorstel Belastingplan 2015 volledig afgedaan.

Bezwaarschriften WOZ

Door mijn ambtsvoorganger is toegezegd de Waarderingskamer te vragen om het punt van overschrijding van de jaargrens bij de afhandeling van bezwaarschriften nader te onderzoeken, en uw Kamer over de uitkomst van dat onderzoek nader te berichten.48 De brief met de uitkomst van dit onderzoek is vorige week naar uw Kamer verzonden.49

Brief «keuzes voor een beter belastingstelsel»

In de brief «keuzes voor een beter belastingstelsel», die op Prinsjesdag naar uw Kamer is gestuurd, zijn de hierna genoemde moties en toezeggingen geadresseerd.

  • Toezegging om ook alternatieven van de Kamer door het CBP te laten doorrekenen op werkgelegenheidseffecten.50

  • Toezegging om het belang van meer stabiele belastinginkomsten door conjunctuurgevoeligheid te betrekken.51

  • Diverse toezeggingen om de brief aan uw Kamer te doen toekomen.52

Hierbij merk ik op dat die brief een richting presenteert en dat de inzet van het kabinet is om draagvlak te verwerven voor een brede stelselherziening. Dit laat dan ook alle opties open om op specifieke onderwerpen nader terug te komen tijdens de behandeling en nadere uitwerking van die brief. Zoals aangegeven in de brief van de Minister van Financiën van 24 april 201453 zijn de onderwerpen uit de vragen van het schriftelijk overleg in de brief «keuzes voor een beter belastingstelsel» meegenomen. Mochten er desondanks nog vragen openstaan, dan kunnen die uiteraard betrokken worden bij de nadere behandeling van die brief.

Bouwstenen Successiewet 1956

Tijdens de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2014 bleek in beide Kamers behoefte te bestaan aan inzicht in de budgettaire gevolgen diverse in de Kamers levende wensen in de tariefsfeer in de schenk- en erfbelasting. Daarop heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd om te schetsen wat mogelijke bouwstenen in de schenk- en erfbelasting zouden kunnen zijn, zonder hierbij beleidsmatige keuzes te maken.54 Een notitie met deze bouwstenen – in de vorm van een spoorboekje met parameters – is als bijlage 155 bij deze brief opgenomen. Deze bouwstenen worden ook toegezonden aan de Eerste Kamer.

Fiscale vergroening

De Minister van Financiën heeft in het debat over de voorjaarsnota toegezegd nader in te gaan op fiscale vergroening. In de brief «keuzes voor een beter belastingstelsel» wordt bij keuze 7 ingegaan op fiscale vergroening. Daarnaast is toegezegd om de beleidsbrief van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) hierbij te betrekken.56 Deze recente beleidsbrief van PBL «Fiscale vergroening: uitdagingen voor de belastingen op energie» bevat een grondige analyse van mogelijke aanpassingen van het belastingstelsel vanuit milieuperspectief op lange termijn.57 In bijlage 258 ga ik in op deze beleidsbrief. Hiermee kom ik tevens de toezegging na.

Indexatie

Mijn ambtsvoorganger heeft toegezegd uw Kamer een inventarisatie te sturen van de indexeringen in de fiscale wetgeving.59 Deze inventarisatie is opgenomen in bijlage 360.

II Planning te behandelen moties en toezeggingen

In het kader van mijn streven om het aantal openstaande moties en toezeggingen beperkt te houden, geef ik hierna een planning voor de moties en toezeggingen die naar verwachting in het komende half jaar zullen worden afgedaan. Dit kan zijn in een brief specifiek over het betreffende onderwerp, of anders uiterlijk in de volgende verzameltoezeggingenbrief die op Prinsjesdag 2014 aan uw Kamer wordt gestuurd.

Overzicht toekomstige wetswijzigingen

Tijdens het algemeen overleg inzake de aanpassing van het eigenwoningforfait op 16 januari 2014 heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd om een overzicht te verstrekken van toekomstige wetswijzigingen in fiscale wetten die volgen uit wetsvoorstellen die al door beide Kamers der Staten-Generaal zijn aangenomen.61 Dit overzicht is in voorbereiding en zal aan uw Kamer worden verstrekt voor aanvang van de schriftelijke behandeling van het Belastingplan 2015.

Verklaring Arbeidsrelaties (VAR)

In de motie Van Weyenberg62 wordt de regering verzocht om de handhaving in het onderwijs niet te wijzigen voordat de Kamer is geïnformeerd over de uitkomsten van het overleg tussen Belastingdienst en onderwijssector. In dat kader heb ik toegezegd om, zodra een convenant voor zzp’ers met de onderwijssector beschikbaar is, dit met uw Kamer te delen.63 De Belastingdienst is al geruime tijd met de onderwijssector in overleg om uiteindelijk te komen tot een (vorm van) convenant waarin geabstraheerde, uit de branche opgekomen casus fiscaal worden geduid. De verwachting is dat ik uw Kamer in het vierde kwartaal van dit jaar kan informeren over de uitkomst van het overleg en het convenant.

Toeslagen

In de motie Neppérus/Nijboer64 wordt de regering verzocht om in de nadere uitwerking en wettelijke verankering van het nieuwe toeslagenstelsel ervoor te zorgen dat het stelsel meer waarborgen biedt ter voorkoming van fraude dan het huidige stelsel.65 Voorts heeft de Minister van Financiën tijdens de Algemene financiële beschouwingen in 2013 aan uw Kamer toegezegd dat het kabinet op een later moment in zou gaan op het toetsinkomen voor de toeslagen en de vraag wat het effect zou zijn als voor toeslagen het brutoinkomen gehanteerd zou worden.66 Deze toezeggingen vergen nog wat meer tijd om uit te werken. Uw Kamer zal bij een volgende gelegenheid, maar uiterlijk bij de volgende toezeggingenbrief die uw Kamer ontvangt in het voorjaar van 2015, hierover worden geïnformeerd.

Opbrengst vennootschapsbelasting

In de motie Klaver67 wordt de regering verzocht in kaart te brengen hoe de sterke daling van overheidsinkomsten uit de vennootschapsbelasting wordt veroorzaakt. Voorts heeft mijn ambtsvoorganger tijdens het voortgezet algemeen overleg over het SEO-onderzoek en de aanpak van belastingparadijzen op 18 december 2013 toegezegd een brief aan uw Kamer te sturen over de vraag wat de sterke daling van overheidsinkomsten uit de vennootschapsbelasting veroorzaakt.68 Uw Kamer wordt na afronding van deze analyse, naar verwachting in het najaar van 2014, over de resultaten daarvan geïnformeerd.

Herziening fiscale regeling aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten

In de brief over fiscale moties en toezeggingen die ik op 25 april 2014 naar uw Kamer heb gestuurd, heb ik uw Kamer geïnformeerd over de door mijn ambtsvoorganger toegezegde herziening van de fiscale regeling specifieke zorgkosten. Ik heb uw Kamer gemeld dat 2015 te vroeg is voor een herziening. Om onderbouwde voorstellen voor een herziening te kunnen doen, heb ik besloten een (extern) evaluatieonderzoek in te laten stellen naar het gebruik van de huidige fiscale regeling. Ik zal, vanwege de doelgroep van deze fiscale regeling, het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport hierbij betrekken. Ik verwacht uw Kamer in de loop van 2015 te kunnen informeren over de resultaten van dit onderzoek. Ik ga ervan uit dat het onderzoek bouwstenen oplevert voor het beter richten van de regeling op de doelgroep van chronisch zieken en gehandicapten en het verbeteren van de handhaafbaarheid van de regeling, ook met het oog op de Brede agenda voor de Belastingdienst. Voornoemde bouwstenen kunnen dan dienen als basis voor de toegezegde herziening van de fiscale regeling specifieke zorgkosten waarover ik het debat met uw Kamer dan wil aangaan.

Investeringen in Nederland

Mijn ambtsvoorganger heeft toegezegd te onderzoeken hoeveel investeringen door Nederland worden gedaan in ontwikkelingslanden en daarbij, waar mogelijk, onderscheid te maken tussen investeringen door Nederlandse bedrijven en bedrijven die via Nederland investeren. Voor het einde van het jaar zal ik uw Kamer hierover informeren.

Evaluatie pilot uitbesteding incasso kleine vorderingen

Tijdens het algemeen overleg van 20 november 2013 heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd de rapportage van de evaluatie aan uw Kamer te sturen.69 De planning hiervoor was het einde van dit jaar. De pilot neemt meer tijd in beslag dan gedacht. Mijn verwachting is dat ik uw Kamer in de halfjaarsrapportage van maart 2015 kan informeren over de uitkomsten van de pilot.

Stroomlijning toeslagen en belastingen

Mijn ambtsvoorganger heeft toegezegd om bij stroomlijning van de invorderingsregelgeving voor toeslagen en belastingen, ook de onderlinge verrekening van toeslagen en belastingen mee te nemen.70 Mijn streven is om nog dit jaar een visie over stroomlijning aan uw Kamer te sturen, en daarbij ook in te gaan op dit punt van onderlinge verrekening.

Evaluatie Wet belastingheffing excessieve beloningsbestanddelen

Mijn ambtsvoorganger, Staatssecretaris De Jager, heeft toegezegd uw Kamer in te lichten over eventuele knelpunten in de uitvoering van de Wet belastingheffing excessieve beloningsbestanddelen, en het beleid aan te passen als de uitvoering tot grote problemen leidt.71 Deze toezegging wordt meegenomen in de evaluatie van deze wet, die is aangekondigd voor 2014.72 Voor het einde van het jaar zal ik deze evaluatie naar uw Kamer sturen.

Ik hoop met deze brief diverse moties en toezeggingen naar tevredenheid van uw Kamer te hebben uitgevoerd en te zijn nagekomen. Vanzelfsprekend ben ik graag bereid om – indien uw Kamer dit wenst – van gedachten te wisselen over de inhoud van deze brief.

De Staatssecretaris van Financiën, E.D. Wiebes


X Noot
1

Kamerstuk 31 311, nr. 112.

X Noot
2

Kamerstuk 31 213, nr. 19.

X Noot
3

Kamerstuk 31 311, nr. 115.

X Noot
4

Kamerstuk 31 311, nr. 129, blz. 20.

X Noot
5

Kamerstuk 31 311, nr. 114.

X Noot
6

Handelingen II 2013/14, nr. 85, item 5, blz. 4.

X Noot
7

Voorstel voor een richtlijn van het Europees parlement en de Raad betreffend het rechtskader van de Unie inzake douaneovertredingen en sancties, COM(2013) 884 van 13 december 2013.

X Noot
8

Verordening van het Europees parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften, COM(2013) 796 van 25 november 2013.

X Noot
11

Bij het vervoer van bedragen van meer dan € 10.000 moet aangifte gedaan worden aan de grens.

X Noot
12

Kamerstuk 31 213, nr. 10.

X Noot
13

Aanhangsel Handelingen II 2013/14, nr. 1357.

X Noot
14

Kamerstuk 31 213, nr. 23, blz. 12.

X Noot
15

Handelingen II 2010/11, nr. 17, blz. 49. Zie ook mijn brief van 4 november 2013, Kamerstuk, 32 145, nr. 7.

X Noot
16

Peildatum: 1 augustus 2014.

X Noot
17

Kamerstuk 32 145, nr. 3, blz. 9.

X Noot
18

Kamerstuk 33 402, nr. 46, blz. 69.

X Noot
19

Kamerstuk 31 213, nr. 21, blz. 22.

X Noot
20

Kamerstuk 31 532, nr. 127. Aangenomen 11 maart 2014.

X Noot
21

Aanhangsel Handelingen II 2013/14, nr. 2365.

X Noot
22

Kamerstuk 33 950, nr. 5, blz. 2 en 3.

X Noot
23

I.J.F.A. van Vijfeijken en H.F. van der Weerd-van Jolingen, «De turboverdeling in de inkomstenbelasting», WPNR 2014/7015, blz. 373–380

X Noot
24

Kamerstuk 33 950, nr. 6, blz. 3 en 4.

X Noot
25

Besluit van 3 december 2009, nr. CPP2009/2342M, Stcrt. 2009, 18386, onderdeel 2.2.

X Noot
26

Mits ook aan de andere voorwaarden voor aftrekbaarheid wordt voldaan.

X Noot
27

Besluit van 21 februari 2014, nr. BLKB 2014/342M, Stcrt. 2014, 6641.

X Noot
28

Ervan uitgaande dat deze de toedeling van de woning volgt.

X Noot
29

Deze helft van de woning is aan te merken als eigen woning voor de langstlevende op grond van artikel 3.111, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 (vruchtgebruik krachtens erfrecht). De rente die hierop ziet is in beginsel aftrekbaar op grond van het in voetnoot 6 genoemde besluit.

X Noot
30

De gerechtigdheid moet immers op grond van het in voetnoot 4 genoemde besluit betrekking hebben op de woning die behoorde tot het vermogen van de erflater.

X Noot
31

Er rust dan immers geen vruchtgebruik op het aandeel in het AB-pakket waartoe de langstlevende zelf gerechtigd was.

X Noot
32

Hoge Raad 16 mei 2008, nr. 43 771, LJN: BC0631.

X Noot
33

Handelingen II 2006/07, nr. 83, blz. 4549.

X Noot
34

Handelingen II 2006/07, nr. 83, blz. 4550.

X Noot
35

Kamerstuk 33 996, nr. 4, blz. 39 en 40.

X Noot
36

Wetsvoorstel Wet tot wijziging van de Wet op de kansspelen, de Wet op de kansspelbelasting en enkele andere wetten in verband met het organiseren van kansspelen op afstand, Kamerstukken 33 996.

X Noot
37

Kamerstuk 25 087, nr. 69.

X Noot
38

Kamerstuk 26 643, nr. 318.

X Noot
39

Kamerstuk 32 827, nr. 36.

X Noot
40

Kamerstuk 32 034, nr. 4, blz. 28.

X Noot
41

Kamerstuk 31 301, nr. 19.

X Noot
42

Kamerstuk 30 196, nr. 254, blz. 13.

X Noot
43

Kamerstuk 33 637, nr. 3.

X Noot
44

Kamerstuk 31 213, nr. 13.

X Noot
45

Kamerstuk 33 752, nr. 78, blz. 35.

X Noot
46

Handelingen II, 2013/14, nr. 23, item 8, blz. 8.

X Noot
47

Handelingen II, 2013/14, nr. 23, item 8, blz. 8.

X Noot
48

Kamerstuk 33 462, nr. 9, blz. 27.

X Noot
49

Kamerstuk 33 462, nr. 10.

X Noot
50

Handelingen II 2013/14, nr. 23, item 8, blz. 14.

X Noot
51

Handelingen II 2013/14, nr. 39, item 14, blz. 15.

X Noot
52

Onder meer Kamerstuk 33 447, nr. 4.

X Noot
53

Schriftelijk overleg naar aanleiding van het bericht «Dijsselbloem: minder belasting op arbeid».

X Noot
54

Kamerstuk 33 752, nr. 78, blz. 76.

X Noot
55

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
56

Handelingen II 2013/14, nr. 101, item 7, blz. 18.

X Noot
57

Fiscale vergroening: uitdagingen voor de belastingen op energie, PBL (2014)

X Noot
58

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
59

Kamerstuk 33 750 IX, nr. 21, blz. 20.

X Noot
60

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
61

Kamerstuk 33 750 IX, nr. 21, blz. 20.

X Noot
62

Kamerstuk 31 311, nr. 113.

X Noot
63

Handelingen II 2013/14, nr. 85, item 5, blz. 5.

X Noot
64

Kamerstuk 17 050, nr. 451.

X Noot
65

Zie ook de toezegging van mijn ambtsvoorganger hierover: Handelingen II 2013/14, nr. 41, item 6, blz. 27.

X Noot
66

Handelingen II 2013/14, nr. 15, item 4, blz. 7.

X Noot
67

Kamerstuk 25 087, nr. 73.

X Noot
68

Handelingen II 2013/14, nr. 38, item 7, blz. 26.

X Noot
69

Kamerstuk 31 066, nr. 188, blz. 13.

X Noot
70

Kamerstuk 33 752, nr. 78, blz. 55.

X Noot
71

Handelingen II 2007/08, nr. 107, blz. 7875.

X Noot
72

Kamerstuk 33 402, nr. 52.