Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132145 nr. 7

32 145 Goedkeuring van het op 26 september 2008 te Londen totstandgekomen Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittanië en Noord-Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten, met Protocol en Onderlinge Overeenkomst (Trb. 2008, 201 en Trb. 2009, 123)

Nr. 7 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 november 2010

Tijdens de plenaire behandeling op 3 november 2010 van het wetsvoorstel tot goedkeuring van het op 26 september 2008 totstandgekomen Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten, met Protocol en Onderlinge Overeenkomst (Trb. 2008, 201 en Trb. 2009, 123)1 (hierna «het Verdrag») heb ik toegezegd op enkele vragen schriftelijk terug te komen.

Corporate tie breaker

Overlegprocedure

Gedurende de eerste termijn van het debat heeft de heer Omtzigt gevraagd hoe het Verdrag werkt in de periode dat het overleg tussen de Britse en Nederlandse bevoegde autoriteiten over de verdragswoonplaats van een zogenoemde «dual resident» nog niet is afgerond. Tijdens het debat ben ik reeds op deze vraag ingegaan, maar ik heb tevens toegezegd hieraan schriftelijk aandacht te besteden in deze brief. Derhalve zal ik mijn eerder gegeven antwoord hier herhalen, daarbij tevens refererend aan de toelichting in de parlementaire stukken2. Een lichaam dat een onderlinge overlegprocedure ter vaststelling van zijn woonplaats heeft aangevraagd, kan in de tussenliggende periode van de onderlinge overlegprocedure nog geen beroep doen op de voordelen van het Verdrag. Zodra de bevoegde autoriteiten de woonplaats voor toepassing van het Verdrag hebben vastgesteld, zal het Verdrag met terugwerkende kracht alsnog toegepast worden. Uiteraard zal dit gebeuren langs de lijn van de uitkomst van het onderlinge overleg. Aangezien de intentie van Nederland en het Verenigd Koninkrijk is dat dergelijke onderlinge overlegprocedures binnen een half jaar worden voltooid, zal deze tussenliggende periode waarin (nog) geen beroep op het Verdrag kan worden gedaan derhalve tijdelijk zijn en van relatief korte duur.

Overgangsrecht

In antwoord op de vraag van de heer Bashir waarom geen overgangsbepaling bij de nieuwe corporate tie-breaker is overeengekomen, maak ik graag twee opmerkingen. Ten eerste zijn beide landen wel overeengekomen dat de verdragwoonplaats van bestaande dual residents in beginsel wordt gerespecteerd, zolang de feiten en omstandigheden niet materieel wijzigen. In de parlementaire stukken heb ik hierover opgemerkt dat indien een vennootschap vóór inwerkingtreding van het nieuwe belastingverdrag volgens de nationale wet van de verdragstaten inwoner was van zowel Nederland als het Verenigd Koninkrijk en de vestigingsplaats van deze vennootschap destijds is bepaald door middel van de «tie breaker» uit artikel 4, derde lid, van het Verdrag uit 1980, de verdragstaten er niet naar zullen streven de vestigingsplaats van deze vennootschap opnieuw te beoordelen, mits de feiten en omstandigheden ongewijzigd blijven3. Daarbij geldt ook nog dat wanneer de verdragstaten na inwerkingtreding van het nu voorliggende Verdrag vaststellen dat de woonplaats van een dual resident is gewijzigd, doordat de feiten en omstandigheden zijn veranderd, danwel dat de vennootschap niet langer inwoner is voor toepassing van het Verdrag, deze nieuwe vestigingsplaats enkel van toepassing is op inkomsten en vermogenswinsten die opkomen nadat die nieuwe vestigingsplaats (of het ontbreken daarvan) is bepaald4. Deze benadering kan materieel wel als overgangsrecht worden beschouwd.

Ten tweede merk ik op dat belastingverdragen via het Tractatenblad openbaar worden gemaakt ruim voordat zij in werking treden. Kort na ondertekening van een verdrag wordt het immers in het Tractatenblad gepubliceerd. Dit geldt ook voor het voorliggende Verdrag (Trb. 2008, 201). Na publicatie moet een verdrag in beide landen nog worden geratificeerd. De periode tussen publicatie en ratificatie duurt veelal enige tijd en vormt daarmee in feite ook een overgangstermijn waarin belastingplichtigen zich op eventuele wijzigingen in de verdragsregels kunnen voorbereiden.

Evaluatie

In antwoord op het verzoek van Mevrouw Neppérus en de heer Omtzigt herhaal ik graag mijn toezegging om over drie jaar aan uw Kamer vanuit een kwalitatieve invalshoek een terugkoppeling te geven van de ervaringen die dan zijn opgedaan met toepassing van de nieuwe corporate tie breaker.

Dual listed companies

De heer Omtzigt heeft gevraagd wat moet worden verstaan onder «niet direct» en «binnen een redelijke termijn», bij de vervanging van bestuurders, om te kunnen blijven voldoen aan de voorwaarde van een identieke of nagenoeg identieke raad van beheer. Deze vraag houdt verband met de opmerking in de Memorie van Toelichting dat de bepaling inzake de zogenoemde dual listed companies (artikel 4, vijfde lid) niet direct toepassing mist als bij één van beide vennootschappen een bestuurder terugtreedt5. Voorwaarde daarbij is dat de ongelijkheid tussen de raden van beheer binnen een redelijke termijn wordt hersteld. Hier is om praktische redenen gekozen voor een open norm, door de termen «niet direct» en «binnen een redelijke termijn» te hanteren. Dit is ingegeven door het streven om een balans te vinden tussen enerzijds voldoende duidelijkheid en zekerheid en anderzijds een zekere mate van flexibiliteit en ruime toepasbaarheid. Niet elk detail kan in een verdrag worden vastgelegd, omdat een verdrag toepasbaar moet zijn op een groot aantal belastingplichtigen in verschillende omstandigheden. Een precieze kwantificering van deze begrippen zou dan ook een grote mate van willekeurigheid krijgen en tot onnodige verstarring leiden. Desalniettemin kan ik wel opmerken dat de ongelijkheid tussen de twee raden van beheer niet binnen een week of een maand hoeft te zijn opgeheven.

Verdragsonderhandelingen Duitsland

Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel tot goedkeuring van het Verdrag heeft de heer Omtzigt geïnformeerd naar de stand van zaken van de verdragsonderhandelingen met Duitsland. In het bijzonder heeft hij gevraagd welke verwachtingen ik heb over of, en zo ja hoe snel, een nieuw belastingverdrag met Duitsland tot stand kan komen. Daarnaast vroeg de heer Omtzigt mij specifiek aandacht te geven aan de mogelijkheid om hypotheekrenteaftrek te effectueren voor «grensarbeiders» die in Nederland wonen en in Duitsland werken. Ik heb hem toegezegd uiterlijk rondom het aanbieden van de aangekondigde Nota over het verdragsbeleid op deze vragen terug te komen. Ik doe dat echter graag nu al.

Mijn ambtsvoorganger heeft ter beantwoording van kamervragen op 31 augustus 2009 gesteld door de heer Omtzigt en mevrouw Aasted-Madsen van Stiphout opgemerkt6:

De onderhandelingen met Duitsland over de herziening van het belastingverdrag van 16 juni 1959 duren al circa 25 jaar. Een volgende ronde van onderhandelingen is gepland in november 2009. Daarbij is er tevens regelmatig ambtelijk contact met Duitsland. Voor Nederland is een belangrijk punt in het geheel van die verdragsonderhandelingen de fiscale behandeling van grensarbeiders. De Nederlandse inzet voor wat betreft de grensarbeiders is daarbij onveranderd, namelijk om, zoals is aangegeven, te komen tot een (zoveel mogelijk) «gelijke behandeling op de werkvloer» alsmede een «gelijke behandeling met de buurman».Tot nu toe heeft Duitsland zich op het standpunt gesteld dat, in het licht van de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie – met name het arrest in de zaak Schumacker (zaak C-279/93) – en de aanpassing van het Duitse Einkommensteuergesetz (§ 1a) naar aanleiding van dat arrest, er voldoende is gedaan wat de fiscale behandeling van grensarbeiders betreft. Ik wijs er daarom op dat gewaakt moet worden voor te hoog gespannen verwachtingen, te meer omdat tussen Duitsland en Nederland nog een groot aantal andere thema’s onderwerp van bespreking is in het kader van de verdragsonderhandelingen. Onderhandelingen over een belastingverdrag zijn doorgaans zeer complex. Dat geldt in het bijzonder voor een belastingverdrag met een buurland waarmee omvangrijke economische betrekkingen bestaan.

Deze stand van zaken is in diverse opzichten nog steeds actueel. In november 2009 en mei 2010 hebben onderhandelingsrondes met Duitsland plaatsgevonden. Ook buiten de onderhandelingsrondes vindt er regelmatig communicatie plaats tussen Duitsland en Nederland. Het dossier heeft mijn bijzondere aandacht en het is mijn wens dat met voortvarendheid een nieuw verdrag met Duitsland wordt gesloten. Uiteraard zijn voor een goed, evenwichtig en passend gemoderniseerd verdrag twee partijen nodig. Ik hoop en verwacht in de eerstkomende periode voortgang te boeken. Alsdan verwacht ik ook binnen mijn ambtstermijn een evenwichtig verdrag te kunnen sluiten – met vanzelfsprekend voor- en nadelen ten opzichte van het huidige verdrag met Duitsland – en in werking te kunnen laten treden.

Overzeese gebieden van het Verenigd Koninkrijk

De heer Bashir heeft gevraagd naar een overzicht van de afspraken die zijn gemaakt over de uitwisseling van informatie in belastingzaken met de overzeese gebieden die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittanië en Noord-Ierland (hierna: het Verenigd Koninkrijk) vallen, maar geen deel uitmaken van het Verenigd Koninkrijk zelf. De heer Bashir heeft tevens gevraagd hoe beoordeeld wordt welke landen en gebieden worden benaderd om een dergelijk verdrag of overeenkomst te sluiten.

Laat ik voorop stellen dat Nederland in beginsel met ieder land of gebied ter wereld informatie over belastingzaken wenst te kunnen uitwisselen. Het moge echter duidelijk zijn dat in een aantal gevallen de inzet die vereist is om een dergelijke overeenkomst tot stand te brengen niet opweegt tegen het daarvan te verwachten nut van die informatie voor de Nederlandse belastingheffing. Tot op heden is bij het benaderen van landen en gebieden voor het sluiten van een informatie-uitwisselingsovereenkomst (TIEA) vanzelfsprekend prioriteit gegeven aan die landen en gebieden waar het materiële belang het grootst is (de zogenoemde «ex-belastingparadijzen»). De regelmatig door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) aangepaste lijsten van landen en gebieden die zich hebben gecommitteerd aan de huidige internationale standaard voor informatie-uitwisseling in belastingzaken zijn gebruikt voor de selectie van landen en gebieden die door Nederland worden benaderd. Voorts wordt, indien landen en gebieden Nederland benaderen om een TIEA te sluiten, op dergelijke verzoeken in beginsel positief gereageerd.

Nederland heeft inmiddels met de volgende Britse overzeese gebieden een TIEA tot stand gebracht: Anguilla, Bermuda, British Virgin Islands, Cayman Islands, Gibraltar, Montserrat en Turks- and Caicos Islands7. Voor de volledigheid wijs ik erop dat in veel gevallen dergelijke overeenkomsten langs schriftelijke weg tot stand komen. Tevens merk ik op dat ook TIEA’s zijn gesloten met Guernsey, Jersey en het Isle of Man. Dat zijn echter geen Britse overzeese gebieden, maar zogenoemde «Crown dependencies».

Met de volgende gebieden bestaat een dergelijke overeenkomst nog niet: British Antarctic Territory, British Indian Ocean Territory, British Sovereign Base areas on Cyprus, Falkland Islands, Pitcairn, St. Helena and her Dependencies (Ascension and Tristan da Cunha), South Georgia and the South Sandwich Islands. Deze gebieden zijn vaak nauwelijks bewoond of spelen in verhouding tot Nederland geen economische rol van enige betekenis. Voorshands heb ik daarom geen voornemen deze gebieden actief te benaderen voor het sluiten van een TIEA.

Voorgenomen verdragsonderhandelingen

Tot slot heeft de heer Bashir verzocht om een jaarlijks overzicht te verstrekken van de landen waarmee ik voornemens ben in onderhandeling te treden over een belastingverdrag. Een dergelijk overzicht is reeds beschikbaar, daar het Ministerie van Financiën regelmatig nieuwsberichten doet uitgaan waarin een overzicht wordt gegeven van voorgenomen onderhandelingen. In het meest recente bericht, d.d. 1 juli 2010, is aangekondigd dat Nederland gesprekken aangaat met Australië, België, Costa Rica, Duitsland, Indonesië, Kenia, Nieuw-Zeeland en Panama en (hernieuwd) contact zal leggen met Angola, Brazilië, Chili, China, Colombia, India, Polen en Singapore. Ook zijn er in verband met de staatkundige hervormingen gesprekken met Aruba, Curaçao en St. Maarten over een belastingregeling voor het Koninkrijk. Een volgend nieuwsbericht zal in het voorjaar van 2011 worden uitgegeven. Wel wijs ik erop dat een dergelijk overzicht een momentopname is, dat in de loop van een jaar kan veranderen. De contacten die Nederland heeft met landen die niet in het overzicht zijn genoemd, kunnen, al dan niet op korte termijn, ook tot onderhandelingen leiden. Daarnaast kan een reeds geplande onderhandeling wegens omstandigheden waar Nederland soms geen invloed op heeft, worden uitgesteld of afgezegd.

De staatssecretaris van Financiën,

F. H. H. Weekers


XNoot
1

Kamerstukken II 2009/10, 32 145, nr. 2.

XNoot
2

Kamerstukken II 2009/10, 32 145, nr. 6, blz. 7.

XNoot
3

Kamerstukken II 2009/10, 32 145, nr. 3, blz. 10.

XNoot
4

Kamerstukken II 2009/10, 32 145, nr. 6, blz. 6.

XNoot
5

Kamerstukken II 2009/10, 32 145, nr. 3, blz. 11.

XNoot
6

Aanhangsel Handelingen II 2008/09, nr. 3653.

XNoot
7

De landen waarmee Nederland – naast de genoemde gebieden – een TIEA heeft gesloten luidt als volgt: Andorra, Antigua & Barbuda, Bahama's, Belize, Cook Islands, Dominica, Gibraltar, Grenada, Liberia, Liechtenstein, Marshall Islands, Monaco, Saint Kitts and Nevis, Samoa, San Marino, Seychellen, Saint Lucia en Saint Vincent and the Grenadines. Daarnaast is een wijzigingsprotocol overeengekomen met een moderne informatiebepaling (conform artikel 26 van het OESO Modelverdrag 2008) met Barbados, België, Luxemburg, Maleisië, Oostenrijk en Singapore.