Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201433750-XVIII nr. 2

33 750 XVIII Vaststelling van de begrotingsstaten van Wonen en Rijksdienst (XVIII) voor het jaar 2014

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

   

blz.

     

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

3

     

B.

DE BEGROTINGSTOELICHTING

4

     

1.

Leeswijzer

4

     

2.

De beleidsagenda

5

 

Tabel belangrijkste mutaties

14

 

Tabel beleidsdoorlichtingen

16

     

3.

De beleidsartikelen

17

 

1. Woningmarkt

17

 

2. Woonomgeving en bouw

25

 

3. Kwaliteit Rijksdienst

32

 

4. Uitvoering Rijkshuisvesting (vervalt wordt artikel 6)

35

 

5. Beheer materiële vaste activa (vervalt wordt artikel 6)

36

 

6. Uitvoering rijksvastgoedbeleid

37

     

4.

Begroting agentschappen

42

 

4.1 Logius

42

 

4.2 P-Direkt

48

 

4.3 De Werkmaatschappij (DWM)

55

 

4.4 FMHaaglanden (FMH)

59

 

4.5 Shared Service Centrum-ICT (SSC-ICT)

63

 

4.6 Rijksgebouwendienst (RGD)

67

 

4.7 Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB)

75

 

4.8 Dienst van de Huurcommissie (DHC)

80

     

5.

Bijlagen

85

 

5.1 ZBO’s en RWT’s

85

 

5.2 Verdiepingsbijlage

87

 

5.3 Moties en toezeggingen

94

 

5.4 Subsidiebijlage

113

 

5.5 Evaluatie- en overig onderzoek

116

 

5.6 Extra-comptabel overzicht stedenbeleid 2014

118

 

5.7 Taakstelling op Rijksoverheid (incl. zbo’s)

120

 

5.8 Afkortingen

121

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. Begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten, en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen baten-lastenagentschappen Logius, P-Direkt, De Werkmaatschappij, FMHaaglanden, Shared Service Centrum-ICT, Rijksgebouwendienst, Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf, Dienst van de Huurcommissie, voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de baten-lastenagentschappen.

Wetsartikel 4

Dit wetsvoorstel geeft uitvoering aan artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van de Comptabiliteitswet 2001.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk

De Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. LEESWIJZER

Nieuwe begrotingsindeling beleidsartikelen

Sinds de herverkaveling heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties naast begrotingshoofdstuk VII (BZK) een begrotingshoofdstuk XVIII (Wonen en Rijksdienst) gekregen. Bij de ontwerpbegroting van 2014 worden deze voor het eerst als twee aparte begrotingen gepresenteerd. Dit heeft ook gevolgen voor de presentatie van de beleidsartikelen. De begroting Wonen en Rijksdienst (XVIII) beschrijft de artikelen: Woningmarkt, Woonomgeving en bouw, Kwaliteit Rijksdienst en Uitvoering Rijksvastgoedbeleid.

De apparaatsuitgaven zijn opgenomen onder het centraal apparaatartikel van de begroting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII).

Diensten die een baten-lastenstelsel voeren

De begroting Wonen en Rijksdienst kent vanaf 2014 acht baten-lastenagentschappen, te weten Logius, P-Direkt, De Werkmaatschappij, FMHaaglanden, Shared Service Centrum-ICT, Rijksgebouwendienst, Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf en de Dienst van de Huurcommissie.

Budgetflexibiliteit

In de begroting is de informatie over de budgetflexibiliteit opgenomen in de tabellen betreffende de budgettaire gevolgen van beleid. Van uitgaven wordt vermeld – in percentages – welk deel daarvan juridisch is verplicht voor het jaar 2014. Vanaf de ontwerpbegroting 2014 wordt ook per instrument aangegeven welke percentages juridich verplicht zijn. Deze worden onder de budgettaire gevolgen van beleid toegelicht.

Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Europese Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma’s een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. In de beleidsagenda wordt ingegaan op de uitwerking van de aanbeveling.

2. BELEIDSAGENDA

De vastgelopen woningmarkt, zowel in de koop- als de huursector, weer in beweging krijgen. De rijksoverheid kleiner maken en tegelijk zorgen dat de dienstverlening verbetert. Dat zijn de twee voornaamste opdrachten op het beleidsterrein Wonen en Rijksdienst. De uitwerking daarvan krijgt zijn beslag in respectievelijk het zogeheten Woonakkoord en de Hervormingsagenda Rijksdienst.

Het kabinet wil met een samenhangend pakket aan hervormingen en maatregelen perspectief bieden op een beter werkende, toekomstbestendige en flexibele woningmarkt, met meer keuzevrijheid voor consumenten en investeringsmogelijkheden voor aanbieders in de verschillende marktsegmenten. Hiermee biedt het kabinet duidelijkheid en vertrouwen aan kopers, huurders, verhuurders en de partijen in de bouwsector.

Daarnaast zet het kabinet zich in voor een kleine, efficiënte en doelmatige rijksoverheid, die met een minimum aan geld het maximale doet voor de samenleving. Daarom wordt de rijksdienst de komende jaren hervormd.

2.1 Wonen

Met het Regeerakkoord voor de kabinetsperiode 2013–2017 en het Woonakkoord zet het kabinet belangrijke stappen om de stagnatie op de woningmarkt te doorbreken. Duidelijkheid over de hervormingen en daadkracht in de uitvoering van de maatregelen zijn de belangrijkste voorwaarden voor herstel. Het kabinet zet in op een houdbare en toegankelijke koopmarkt, een beter werkende huurmarkt met ondersteuning voor wie dat nodig hebben, een duurzame positionering van de woningcorporaties, en goede voorwaarden voor investeringen op de woningmarkt.

De stagnatie op de woningmarkt komt voort uit zowel structurele problemen in het woningmarktstelsel als uit de effecten van de crisis. Op de koopmarkt zijn de verkopen sterk gedaald als gevolg van het afgenomen vertrouwen, de economische stagnatie en de financiële crisis. De achterliggende oorzaken (naast de internationale financiële crisis) voor de stagnatie op de woningmarkt zijn onder meer gelegen in de hoge private schuldposities. De laatste decennia is door een combinatie van factoren (zoals inkomensstijging, toegenomen arbeidsdeelname, versoepeling kredietverlening en hypotheekrenteaftrek) de eigenwoningschuld sterk toegenomen. Huiseigenaren met hoge eigenwoningschulden bleken erg kwetsbaar voor prijsdalingen. Onder zittende huiseigenaren nemen de (potentiële) restschulden toe. Door een dalend aantal transacties is ook de woningbouw sterk teruggevallen. Consumenten en aanbieders, lokale overheden en investeerders zijn te veel afhankelijk geworden van ruimhartige vastgoed- en hypotheekfinanciering. Ook blijkt dat het aanpassingsvermogen in de bouwsector een steun in de rug kan gebruiken.

De huurmarkt kent onvoldoende keuzemogelijkheden voor lagere en middeninkomens. Er is sprake van scheefwonen. Bewoners van wie de inkomenspositie aanzienlijk is verbeterd, blijven wonen in sociale huurwoningen. Tegelijkertijd zijn er wachttijden voor de doelgroep. Dit wordt in de hand gewerkt omdat er op de huurmarkt onvoldoende relatie is tussen prijs en gewildheid van een woning. Aan de andere kant hebben middeninkomens een beperkte keuze op de huurmarkt, door het beperkte aanbod in het vrije huursegment. Voor private investeerders is dit segment onvoldoende aantrekkelijk geweest als gevolg van de dominante positie van de corporaties, de huurregulering en de, inmiddels verminderde, fiscale subsidiëring in de koopsector.

Om het functioneren van de woningmarkt te verbeteren, zet het kabinet in op:

  • beheersbare schulden en risicoreductie op de koopmarkt;

  • een goed werkende hypotheekmarkt;

  • een beter werkende huurmarkt waar minder wordt scheefgewoond en met ondersteuning voor diegenen die het nodig hebben;

  • meer ruimte voor het middensegment in de huursector;

  • woningcorporaties: heldere taken, scherp toezicht;

  • vraaggerichte investeringen;

  • energiebesparing in de gebouwde omgeving;

  • de consument centraal.

De richting die wordt ingeslagen is in lijn met aanbevelingen van onder meer de Europese Commissie, het Internationaal Monetair Fonds en De Nederlandsche Bank. Bij het tempo van de hervormingen heeft het kabinet rekening gehouden met wat onder de huidige economische omstandigheden verantwoord wordt geacht.

Een beter werkende huurmarkt, dienstbare corporaties

Het kabinetsbeleid is erop gericht dat zowel huishoudens met lagere als midden- en hogere inkomens voldoende keuzemogelijkheden hebben om een huurwoning te vinden die bij hen past. Daartoe moeten er voldoende sociale huurwoningen beschikbaar zijn voor de inkomens die daarvoor in aanmerking komen. Daarvoor is het nodig dat scheefwonen in de sociale sector wordt bestreden. Daarnaast is een ruimer aanbod aan vrije huurwoningen nodig voor midden- en hogere inkomens. Daarom moet het vrije huursegment aantrekkelijker worden voor private investeerders.

De huren in de gereguleerde sector dienen een betere afspiegeling te worden van de gewildheid van de woning, zodat de doorstroming wordt bevorderd, er meer woningen vrijkomen voor lagere inkomens en er ruimte is voor investeringen.

Hiertoe worden de volgende maatregelen genomen:

  • ook in 2014 wordt de mogelijkheid geboden de huren boveninflatoir te verhogen. Voor hogere inkomens kunnen de huren sneller stijgen, zodat scheefwonen wordt bestreden;

  • om verhuurders voldoende flexibiliteit te bieden, zal voor het einde van 2014 een voorstel worden gedaan voor de invoering van een huursombenadering;

  • het woningwaarderingstelsel wordt vereenvoudigd door de WOZ1-waarde beter op te nemen in het woningwaarderingsstelsel (WWS).

De aantrekkelijkheid van het vrije huursegment voor private investeerders wordt vergroot doordat de huurregulering en de fiscale subsidiering van de eigen woning worden beperkt. Daarnaast wordt de rol van de corporaties gericht op het aanbieden van sociale huurwoningen, hetgeen bijdraagt aan een level playing field in het vrije huursegment, met meer kansen voor private investeerders.

Verhuurders betalen vanaf 2013 een verhuurderheffing; hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de budgettaire opgaven van het land. Verhuurders kunnen de heffing betalen door middel van de huurverhoging, verkoop van onroerend goed en door efficiencyverbeteringen in de bedrijfsvoering. Binnen de heffing komt ruimte voor een investeringsimpuls ten behoeve van Rotterdam-Zuid, de aanpak van de sloopopgave in krimpgebieden en de transformatie van kantoren naar woningen.

In 2014 is inwerkingtreding voorzien van de herzieningswet toegelaten instellingen, die meer duidelijkheid schept over taken, schaal, aansturing en toezicht in de corporatiesector. De corporaties gaan zich richten op hun kerntaak: het aanbieden van betaalbare woningen aan daarvoor in aanmerking komende inkomens- en aandachtsgroepen. De activiteiten ten behoeve van de leefbaarheid van buurten worden gerelateerd aan het sociaal bezit. De schaal van de corporatie moet zo veel mogelijk in overeenstemming zijn met de regionale woningmarkt en hun maatschappelijke kerntaken. De rol van de gemeenten richting corporaties wordt versterkt. De regels voor verkoop van bezit worden versoepeld. Tevens wordt in 2014 het toezicht op de corporatiesector direct onder de minister geplaatst.

Het kabinet wil dat corporaties hun belangrijke bijdrage aan het wonen kunnen blijven waarmaken. Daarom heeft het kabinet afspraken gemaakt met Aedes, vereniging van woningcorporaties, met als doel investeringen in de woningbouw op gang te brengen en tegelijkertijd vorm te geven aan de afspraken in het Regeerakkoord en het Woonakkoord. De afspraken met Aedes zijn gericht op continuering van investeringen in de woningbouw (waarvoor het kabinet extra middelen vrijmaakt), de bijdrage van de corporaties aan de budgettaire opgave van het land, de vormgeving van de scheiding tussen DAEB1- en niet-DAEB-activiteiten en de rol van het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) bij saneringen.

Het kabinet hervormt het stelsel van toeslagen en wil komen tot één huishoudentoeslag. Beoogd wordt hierin op termijn ook de Huurtoeslag op te nemen.

Beheersbare schulden en risicoreductie op de koopmarkt

Het kabinet wil de risico’s van hoge schulden voor (toekomstige) huizenbezitters beperken. Ook de belemmeringen voor de financiële sector als gevolg van hoge hypotheekschulden moeten worden beperkt. Daarom is sinds 1 januari 2013 het recht op hypotheekrenteaftrek gekoppeld aan het volledig en tenminste annuïtair aflossen van de hypotheek. Ook wordt vanaf 2013 de verhouding tussen de hoogte van de lening en de waarde van de woning (loan-to-value) jaarlijks met 1 procentpunt teruggebracht, totdat in 2018 het niveau van 100% is bereikt. Om niet-noodzakelijke marktverstoringen tegen te gaan en de risico’s voor de overheidsfinanciën beheersbaar te houden, wordt de Nationale Hypotheek Garantie (NHG) volgens het reeds afgesproken traject per 1 juli 2014 verlaagd tot het niveau van voor de tijdelijke verhoging (265.000 euro) en vervolgens tot en met 1 juli 2016 jaarlijks stapsgewijs verder verlaagd. Vanaf 1 juli 2016 zal de Nationale Hypotheek Garantie (NHG) gelden voor hypotheken tot 225.000 euro. Daarna is het uitgangspunt de Nationale Hypotheek Garantie (NHG) te koppelen aan de gemiddelde woningprijs. Tegelijkertijd moeten de mogelijkheden voor consumenten om verantwoord een eigen woning te kunnen financieren zo veel mogelijk op peil blijven. Er is 50 miljoen euro vrijgemaakt voor startersleningen. Daarnaast worden maatregelen genomen om het functioneren van de hypotheekmarkt te verbeteren, zodat een gezonde hypotheekverstrekking geborgd is. Tevens heeft het kabinet maatregelen genomen voor zittende eigenaren die kampen met restschulden. Sinds 2013 is de rente over restschulden voor maximaal 10 jaar aftrekbaar. Ook zal het op korte termijn mogelijk worden om, onder voorwaarden, restschulden mee te financieren onder de Nationale Hypotheek Garantie (NHG).

In 2014 worden de volgende maatregelen genomen:

  • in lijn met de stapsgewijze verlaging van de loan-to-value zal deze in 2014 met 1% worden verlaagd naar 104%;

  • het maximale tarief waartegen de hypotheekrente kan worden afgetrokken, wordt vanaf 2014 jaarlijks met 0,5% verminderd; dit wordt geheel teruggesluisd. Dit beperkt de schuldvorming en vermindert tegelijkertijd de belasting op arbeid;

  • de (eenmalige) vrijstelling voor de eigen woning in de schenkbelasting wordt tijdelijk (van 1 oktober 2013 tot 1 januari 2015) verhoogd naar 100.000 euro. Daarbij vervalt de beperking tot schenkingen van ouder aan kind. Hierdoor wordt het makkelijker om eigen vermogen in te zetten voor de financiering van de eigen woning;

  • aanbevelingen van de Commissie-Kroes over de mogelijkheid van het betrekken van institutionele beleggers bij de herfinanciering van hypotheken;

  • per 1 juli 2014 wordt de Nationale Hypotheek Garantie (NHG) verlaagd naar hypotheken tot 265.000 euro. Met het Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) vindt nader overleg plaats over de voorwaarden en uitwerking.

Vraaggerichte investeringen

Hoewel het aantal woningtransacties door de crisis is gedaald, is er structureel sprake van een investeringsbehoefte. Enerzijds is er in bepaalde regio’s en marktsegmenten behoefte aan uitbreiding, maar anderzijds is er in toenemende mate behoefte aan onderhoud, aanpassing en herontwikkeling van de bestaande voorraad als gevolg van vergrijzing, krimp en de noodzaak tot energiebesparing. De behoefte verschilt sterk per regio. Deze investeringen zijn primair een zaak van marktpartijen. Het Rijk schept de randvoorwaarden waarbinnen zij kunnen investeren. Dat gebeurt in de eerste plaats door de hervorming van de huur- en koopmarkt. Daarmee wordt de basis gelegd voor duurzaam vertrouwens- en vraagherstel in de woningmarkt. Daarnaast neemt het Rijk belemmeringen voor investeringen weg door regels en procedures te schrappen of aan te passen en ondersteunt het Rijk de bouw met een aantal tijdelijke impulsen:

  • In 2014 is implementatie voorzien van de voorstellen voor vernieuwing van de bouwregelgeving, mede naar aanleiding van de Commissie Fundamentele Verkenning Bouw (Commissie-Dekker), die in het najaar van 2013 aan de Kamer zullen worden gestuurd. Hierin wordt ook aandacht geschonken aan de positie van de consument;

  • In 2014 is eveneens de indiening bij het parlement voorzien van de Omgevingswet waarin veel vereenvoudiging van wet- en regelgeving zijn beslag krijgt;

  • Op een aantal terreinen is sprake van een specifieke impuls. Het Rijk ondersteunt de transformatie van leegstaande kantoren sinds 2012 door de uitvoering van het convenant kantorenleegstand en met een expertteam kantoortransformatie;

  • De integratieheffing BTW wordt met ingang van 2014 afgeschaft. De regeling wordt veelal als knelpunt ervaren bij bijvoorbeeld de ombouw van kantoren naar woningen of bij de verhuur van op verkoop wachtende nieuwbouwwoningen;

  • Om de werkgelegenheid in de bouw te ondersteunen, geldt tot maart 2014 het lage BTW-tarief voor verbouwingen en renovatie van woningen.

Er wordt de komende jaren extra geïnvesteerd in energiebesparing in de gebouwde omgeving. Het Energieakkoord voor duurzame groei, dat onder regie van de Sociaal-economische Raad (SER) tot stand is gekomen, bevat een flinke impuls voor de koop- en huursector en de vastgoedsector. Hiermee wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan de Europese energiebesparingsdoelstellingen en wordt de werkgelegenheid in de bouw- en installatiebranche bevorderd;

  • In 2013 wordt 50 miljoen euro en in 2014 nog eens 135 miljoen euro uitgetrokken voor de implementatie van een revolverend fonds voor energiebesparing, onder voorwaarde van co-financiering vanuit de markt zodat de totale investering uitkomt op 740 miljoen euro;

  • In het kader van de uitvoering van het Convenant Energiebesparing Huursector wordt 400 miljoen euro beschikbaar gesteld voor verhuurders in de sociale sector, ten behoeve van investeringen in energiebesparing voor de periode 2014-2017. Doelstelling van de convenantspartijen is onder meer dat in 2020 de woningen van corporaties gemiddeld een energielabel B hebben en dat 80% van de huurwoningen in particulier bezit minimaal label C heeft;

  • Woningcorporaties en bouwers zullen 111.000 sociale huurwoningen zodanig renoveren, dat deze uiterlijk in 2020 energienotaloos worden. Dit leidt tot een aanzienlijke verduurzaming van de woningvoorraad en tegelijk worden de energielasten van de bewoners omlaag gebracht;

  • Wiens woning nog geen energielabel heeft, krijgt ter bewustwording een indicatief energielabel, op basis van een landelijke uniforme methodiek. Het Rijk en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) zullen een overeenkomst sluiten over actieve ondersteuning van gemeenten bij lokale en regionale energiebesparing en -opwekking. Voor het indicatieve energielabel en de ondersteuning door gemeenten is in totaal 30 miljoen euro beschikbaar.

Krimpgebieden en bepaalde stedelijke gebieden krijgen nadere aandacht met het oog op de leefbaarheid. Rijk, Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) voeren samen het Actieplan Bevolkingsdaling uit. Daarbij ligt de primaire verantwoordelijkheid bij de gemeenten en de provincies. Het Rijk ondersteunt de krimpregio’s in het uitvoeren van hun ambities op het terrein van wonen, voorzieningen en economische vitaliteit, zoals die zijn opgenomen in convenanten. Het kabinet biedt gemeenten handvatten om meer grip te krijgen op de leefbaarheidssituatie in wijken. In 2014 wordt de implementatie verwacht van aanpassingen van de Rotterdamwet en van de Woningwet. Daarmee kunnen gemeenten de samenstelling van wijken verbeteren en huisjesmelkers aanpakken.

De ervaringen met gebiedsgericht werken kunnen van waarde zijn bij de decentralisaties in het sociale domein; goede voorbeelden worden verspreid. Verder zet het Rijk zich in bij de ondersteuning van Rotterdam-Zuid.

De consument centraal

Het kabinet wil de positie van de consument versterken, door de vraagsturing in het woningaanbod te vergroten. Het kabinet juicht particulier opdrachtgeverschap – in de vorm van nieuwbouw en kluswoningen – toe en ondersteunt dit met een expertteam. Samenwerkingsverbanden kunnen het zelforganiserend vermogen onder burgers vergroten en het makkelijker maken een eigen woning te bouwen of het beheer van de woonomgeving in eigen hand te nemen. Gemeenten en corporaties kunnen dergelijke verbanden ondersteunen, bijvoorbeeld met kennis en expertise over ontwikkeling en beheer. Het Rijk heeft specifieke aandacht voor de huisvesting van ouderen en studenten. De uitvoering van het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting wordt in 2014 voortgezet. Daarnaast zal het kabinet de totstandkoming van huisvesting voor ouderen stimuleren via ondersteuning van een kennis- en experimentenprogramma wonen en zorg. Ook zal worden bezien welke stappen wenselijk zijn naar aanleiding van het advies van de Raad voor Leefomgeving en Infrastructuur over de effecten van de hervormingen in de langdurige zorg op de woningmarkt. Dit betreft het terrein van de woningmarkt, het ruimtelijk beleid en de governance van betrokken partijen.

2.2 Rijksdienst

Hervorming rijksdienst: dienstverlenend, slagvaardig, kostenbewust

De rijksdienst staat de komende jaren voor de opgave om een forse taakstelling te combineren met een vergroting van slagvaardigheid en verbetering van dienstverlening. Dit vraagt veel van het vermogen van de rijksdienst te hervormen, efficiënter te worden en te innoveren. De uitgangspositie is daarbij gelukkig goed. De prestaties van de Nederlandse rijksdienst behoren internationaal tot de top en Nederland beschikt over een hooggekwalificeerd ambtelijk apparaat. Maar om tot die top te kunnen blijven behoren in een stormachtig veranderende wereld, is een flexibele rijksdienst nodig die zich kan aanpassen aan de maatschappelijke en politieke dynamiek.

Geld besparen en tegelijk kwaliteitswinst boeken vraagt de bereidheid echt anders te gaan werken. Dat gebeurt door toezicht, uitvoerende werkzaamheden en bedrijfsvoering voor ministeries gezamenlijk te doen, door te digitaliseren, door verantwoordelijkheden anders te beleggen en door te investeren in de kwaliteit en de mobiliteit van het personeel. De Hervormingsagenda Rijksdienst (Kamerstukken II, 31 490, nr. 119) bevat hiervoor een groot aantal initiatieven die de komende jaren worden uitgevoerd. Daarbij gaat het zowel om rijksbrede als departementale verandertrajecten.

Rijksbrede verandertrajecten

De rijksbrede verandertrajecten hebben betrekking op de verschillende functies binnen de organisatie van de rijksdienst: beleid, uitvoering, toezicht, bedrijfsvoering en personeelsbeleid. Binnen het meerjarige programma van de hervormingsagenda worden daarbij voor 2014 de volgende concrete resultaten beoogd:

  • Adviesstelsel

    In 2014 wordt verder vormgegeven aan de vermindering van het aantal adviescolleges (vaste en tijdelijke) en wordt – onder voorbehoud van parlementaire behandeling – de Kaderwet adviescolleges gewijzigd. Verder heeft het kabinet enkele rijksbrede thema’s benoemd die hun doorwerking moeten krijgen in de advisering door de adviescolleges in 2014 e.v.

  • Uitvoering

    In 2014 zullen onder verantwoordelijkheid van de minister van Veiligheid en Justitie de eerste organisaties aansluiten bij het Centraal Justitieel Incasso Bureau voor het deurwaarderstraject. Ook zal in 2014 een aantal projecten starten in het kader van een intensievere inzet van de basisregistraties en het Rijk Digitaal 2017. Verder wordt beoogd in de loop van 2014 te starten met het gebundelde Rijksvastgoedbedrijf (fusie Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf, de Rijksgebouwendienst en de Dienst Vastgoed Defensie).

  • Toezicht

    De rijksinspecties, samenwerkend in de Inspectieraad, zullen in 2014 verder werken aan versterking van de samenwerking binnen een aantal domeinen waar meerdere inspecties actief zijn en in samenwerking nog echt iets te winnen valt. Verder zal de samenwerking in de bedrijfsvoering worden uitgebouwd en wordt er gewerkt aan harmonisatie van het inspectie-instrumentarium.

  • Rijksbrede bedrijfsvoering

    De realisatie van de rijksbrede infrastructuur voor de bedrijfsvoering gaat in 2014 onverminderd verder. Dit betekent dat in 2014 verschillende departementen zullen aansluiten op rijksbrede shared services organisaties: de ministeries van Algemene Zaken (AZ), Buitenlandse Zaken (BZ) en Economische Zaken (EZ) bij SSC-ICT; de ministeries van AZ, EZ en Financiën (FIN) bij FM Haaglanden; Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, inclusief Caribisch team, (BZK) bij SSO 3W (WereldWijd Werken); en BZ bij P-Direkt. Om de kwaliteit van organisatie en dienstverlening te waarborgen, worden in 2014 ook uitvoering gegeven aan de overkoepelende «kwaliteitsagenda SSO’s» waartoe in 2013 is besloten. Daarnaast gaan de Inkoopuitvoeringscentra en enkele overheidsdatacenters aan de slag en wordt uitvoering gegeven aan de masterplannen huisvesting.

Naast deze acties op de specifieke bedrijfsvoeringsterreinen is in 2013 een begin gemaakt met het Programma Herinrichting Governance Bedrijfsvoering. In het kader van dit programma wordt in 2014 begonnen met drie deelprojecten. Daarbij wordt onderzocht of het opdrachtgeverschap van shared service-organisaties kan worden vereenvoudigd en of er kan worden gewerkt met centrale bekostiging.

Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO’s)

Wat betreft de ZBO’s worden in 2014 de volgende activiteiten uitgevoerd:

  • Implementatie van de door het kabinet bevestigde voorstellen voor verminderen en herpositionering van ZBO’s en aanpassing van de governance; deze implementatie zal de komende jaren in beslag nemen.

  • Een aantal voorstellen tot aanpassing van de Kaderwet ZBO’s zal worden ingediend. Die moeten er toe leiden dat ZBO’s op gelijke voet met andere uitvoeringsorganisaties kunnen deelnemen aan de rijksbrede bedrijfsvoeringinfrastructuur.

  • Daarnaast zal het besluit om de Algemene Bestuursdienst in te schakelen bij benoemingen van ZBO-bestuurders worden ingevoerd.

  • Verder gaan op initiatief van een aantal grote ZBO’s verschillende uitvoeringsorganisaties samenwerken op onderdelen van de bedrijfsvoering, hiertoe geïnspireerd door het programma Compacte Rijksdienst.

Personeelsbeleid

In 2014 wordt onder andere uitvoering gegeven aan afspraken met de bonden over het sociaal flankerend beleid, het van-werk-naar-werk beleid en de harmonisatie van arbeidsvoorwaardelijke regelingen. Daarnaast wordt uitvoering gegeven aan de doelstellingen voor verschillende doelgroepen, zoals arbeidsgehandicapten, jongeren, vrouwen (managementfuncties) en medewerkers op lage loonschalen. Zo worden vanaf 2014 jaarlijks ruim 100 trainees aangenomen en worden 4.000 stageplekken aangeboden.

Invulling taakstelling rijksdienst bij departementen

In het regeerakkoord is een taakstelling rijksdienst opgenomen van 1,1 miljard euro (structureel vanaf 2018). Naar aanleiding van de toezegging bij het Verantwoordingsdebat hebben de ministers van Financiën en voor Wonen en Rijksdienst tevens voorgeschreven dat op elke begroting duidelijk inzicht wordt geboden in de invulling van de taakstelling. Het integraal overzicht van de invulling van de taakstelling per departement is terug te vinden in bijlage bij deze begroting.

2.3 Algemene Bestuursdienst

De minister voor Wonen en Rijksdienst investeert vanuit zijn systeemverantwoordelijkheid in de ontwikkeling van het management(talent) van het Rijk. Bureau ABD verzorgt de werving, selectie en loopbaanbegeleiding en organiseert kennisontwikkeling en -uitwisseling tussen managers in de top van de rijksdienst. In de context van een krimpende overheid en de bevordering van de kwaliteit van de rijksdienst, wordt (externe) mobiliteit en flexibiliteit gestimuleerd.

De departementen worden door bureau ABD ondersteund bij de kabinetsopdracht om in 2017 ten minste 30% vrouwen vertegenwoordigd te hebben binnen de ABD. Daarnaast worden er diensten aan nieuwe groepen binnen de ABD verleend, zoals ZBO’s en gemeenten (G4). De Dienst Buitenlandse Zaken gaat vallen onder de Algemene Bestuursdienst. In opdracht van de ministers voor Wonen en Rijksdienst en van Buitenlandse Zaken wordt bekeken op welke wijze uitvoering kan worden gegeven aan deze passage van het regeerakkoord.

De Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) bepaalt dat mensen met een topfunctie in de (semi)publieke sector vanaf 1 januari 2013 niet meer mogen verdienen dan 130 procent van het salaris van een minister. Onderzocht wordt hoe verder invulling gegeven kan worden aan het voornemen in het regeerakkoord om de maximumnorm in de WNT verder te verlagen.

2.4 Rijksvastgoedbedrijf in oprichting

Om het rendement van het vastgoed van de rijksdienst te verhogen en besparingen te realiseren, is de samenvoeging in voorbereiding van de Rijksgebouwendienst, het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf, de directie Rijksvastgoed en de Dienst Vastgoed Defensie/vastgoed Defensie tot het Rijksvastgoedbedrijf (RVB).

De rijksbrede vastgoedportefeuillestrategie wordt door het Rijksvastgoedbedrijf opgesteld in nauwe samenwerking met de Interdepartementale Commissie RijksVastgoed (ICRV) en de Raad voor het Vastgoed Rijksoverheid (RVR). Daarnaast beheert en exploiteert het Rijksvastgoedbedrijf op strategisch, tactisch en operationeel niveau de eigen vastgoedportefeuille.

Een goede samenwerking met medeoverheden is van belang op vele aspecten van het werkterrein van het Rijksvastgoedbedrijf, zoals gebiedsontwikkeling, herbestemming en vergunningverlening. In deze samenwerking worden de beleidsdoelen en -wensen van de collega-beleidsmakers meegenomen en wordt er intensief met hen samengewerkt. In de relatie met medeoverheden staat integriteit, transparantie, efficiency en aansluiting bij rijksdoelen dan ook voorop.

Beoogd wordt vernieuwing en versterking van de markt te bevorderen en de markt de kans geven haar innovatiekracht in te zetten voor het rijksvastgoed. Innovatiekracht gericht op kwaliteit, levertijd en kostenreductie met een reductie van de faalkosten. In de aanbestedingen naar de bouwmarkt zullen te leveren prestaties scherp worden geformuleerd en er zal toezicht worden gehouden op het nakomen van de leveringsafspraken die zijn gemaakt. In de aanbestedingen van het Rijksvastgoedbedrijf zal ruimte worden gemaakt voor qua omvang verschillende marktpartijen.

In de jaarlijkse RVB-vastgoedstrategie worden de plannen voor de vastgoedportefeuille (gronden, specials en kantoren) uitgewerkt. Voor het realiseren van de financiële opdracht wordt ingezet op het efficiënter gebruik van vastgoed, het vermeerderen van rendement, het maximaal inzetten op het realiseren van de omvangrijke afstootopdracht (portefeuille) van vastgoed, waardevermeerdering door bestemmingswijzigingen van vastgoed, het genereren van meer opbrengsten en nieuwe op.brengsten uit onder meer (tijdelijk) beheer, verhuur aan derden en de exploitatie van gebouwen, gronden en monumenten, het verminderen van de kosten voor beheer en onderhoud en het verlagen van de apparaatskosten. Duurzaamheid van het vastgoed speelt daarbij een rol.

Belangrijkste beleidsmatige mutaties t.o.v. vorig jaar (ontvangsten, uitgaven en niet-belastingsontvangsten)

Bedragen x € 1.000

Opbouw uitgaven (x € 1.000)
 

art. nr.

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

0

0

0

0

0

 
               

Mutaties Nota van Wijziging

 

3.085.949

3.283.510

3.430.428

3.638.048

3.893.461

 

Mutaties 1e suppletoire begroting

 

84.798

– 48.710

– 82.031

– 73.232

– 93.236

 
               

Nieuwe mutaties:

             
               

a. Herallocatie E&GO

2

– 3.000

– 1.000

1.500

1.500

500

 

b. Uitvoering RFE

2

– 1.200

1.200

       

c. Herallocatie WenL

2

– 1.000

– 1.500

1.500

1.000

   

d. Accomoderen hogere uitgaven huurtoeslag

1

 

111.400

111.400

111.400

111.400

 

e. Revolverend fonds

2

 

35.000

       

f. Nationaal Energieakkoord

2

 

15.000

10.000

5.000

   

g. Fraude bestrijding Huurtoeslag

1

– 3.000

– 16.500

– 16.500

– 16.500

– 16.500

 
               

Overige mutaties

 

– 403

– 7.618

– 7.718

– 9.692

– 31.541

4.263.666

Stand ontwerpbegroting 2014

3.162.144

3.370.782

3.448.579

3.657.524

3.864.084

4.263.666

Opbouw ontvangsten (x € 1.000)
 

art. nr.

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

 

0

0

0

0

0

 

Mutaties Nota van Wijziging

 

754.329

760.112

754.998

751.182

769.482

 

Mutaties 1e suppletoire begroting

– 128.741

– 136.000

– 124.800

– 119.900

– 99.200

– 102.800

               

Nieuwe mutaties:

             

Overige mutaties

 

0

– 35.700

– 35.700

– 35.700

– 54.500

719.082

Stand ontwerpbegroting 2014

 

625.588

588.412

594.498

595.582

615.782

616.282

Toelichting

a. Herallocatie Energie & Gebouwde Omgeving (E&GO)

In de zomer van 2013 is het Energieakkoord voor duurzame groei dat onder regie van de SER tot stand gekomen. Tezamen met andere ontwikkelingen zoals het voldoen aan de Europese richtlijnen EPBD en EED en de in 2013 te verwachten resultaten van Blok-voor-Blok en Energiesprong, heeft dit geleid tot een actualisatie van het nu nog vigerende Plan van aanpak E&GO uit 2011. Hierdoor vindt er actualisatie van de raming plaats. Over de meerjarenperiode heen is sprake van een budgettaire neutrale mutatie.

b.Uitvoering Revolverend Fonds Energiebesparing (RFE)

Een deel van het budget voor de opstart van het RFE wordt getemporiseerd in samenhang met de latere invoering van het RFE bestemd voor de verhuurders. Het betreft in een eerder stadium gereserveerde opstartkosten. In 2013 wordt van startgegaan met een fondsdeel voor eigenaars-bewoners. Het fondsdeel voor verhuurders vergt meer voorbereiding en wordt later in 2014 ingevoerd. Ook de besteding van de opstartmiddelen wordt daardoor deels vertraagd.

c. Herallocatie Woon en Leefomgeving (WenL)

Bij het budget voor Woon en Leefomgeving vindt een over de jaren heen budgettair neutrale herschikking plaats, waarmee tevens in latere jaren van deze kabinetsperiode voldoende budget wordt gereserveerd om ad hoc in te kunnen springen op problematiek. De verwachting is dat door de effecten van de crisis in 2015 en 2016 deze middelen extra nodig zijn voor kwetsbare gebieden waar de leefbaarheid onder druk staat (aandachtswijken, krimpregio’s).

d. Accomoderen hogere uitgaven huurtoeslag

In het voorjaar heeft de ministerraad ter dekking van tegenvallers besloten tot een structurele bezuiniging op de huurtoeslag van 111 mln. per jaar, ingaande per 2014. Daarbij is afgesproken dat in augustus zou worden bezien of de tegenvaller geheel of gedeeltelijk kan worden gecompenseerd uit de koopkrachtenveloppe. Uitkomst van de augustusbesluitvorming is dat de tegenvallers in de huurtoeslag volledig uit de beschikbare koopkrachtenveloppe worden gedekt.

e. Revolverend fonds

Aanvullende bijdrage aan het Revolverend Fonds Energiebesparing ter hoogte van € 35 mln. in 2014. Dit betreft een uitwerking van het Energieakkoord voor duurzame groei.

f. Nationaal Energieakkoord/ Energielabel en Ondersteuning gemeenten

Alle woningeigenaren en (ver)huurders die nog geen energielabel hebben, krijgen in 2014 en 2015 een indicatief energielabel van hun woning. Daarnaast wordt ingezet op actieve ondersteuning van gemeenten bij lokale energiebesparing.

Dit betreft een uitwerking van het Energieakkoord voor duurzame groei.

g. Fraude bestrijding huurtoeslag

De raming van de huurtoeslag wordt verlaagd op basis van een door de belastingdienst opgestelde business case om fraude bij het toekennen van de toeslagen te bestrijden.

Beleidsdoorlichtingen

Planning beleidsdoorlichting

Agendering beleidsdoorlichtingen

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Artikel/operationele doelstelling

(realisatie)

(planning)

Artikel 1. Woningmarkt

             

1.1 Betaalbaarheid

     

     

1.2 Onderzoek en kennisoverdracht1

             

Artikel 2. Woonomgeving en bouw

             

2.1 Energie en bouwkwaliteit

   

       

2.2 Woningbouw

       

   

2.3 Kwaliteit woonomgeving

   

       

Artikel 3. Kwaliteit Rijksdienst

   

       

Artikel 6. Uitvoering rijksvastgoedbeleid2

             

6.1 Doelmatige uitvoeringspraktijk van de Rijkshuisvesting1

             

6.2 Bijdrage materieel activa2

           

X Noot
1

Het artikelonderdeel 1.2 en 6.1 lenen zich niet voor onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid. Op deze onderdelen vindt geen doorlichting plaats.

X Noot
2

Inmiddels is besloten dat ook de Dienst Vastgoed Defensie aansluit bij het samengaan van RVOB, Rgd en directie Rijksvastgoed tot één Rijksvastgoedbedrijf. Tegen die achtergrond zal worden gekeken naar een eventuele aanpassing van kaders en randvoorwaarden voor het omgaan met rijksvastgoed. Dit betekent dat de nieuwe kaders en randvoorwaarden mogelijk later geïmplementeerd zullen worden dan initieel werd voorzien en bijgevolg dat een doorlichting op zijn beurt ook pas later opgestart kan worden. Niettemin is het streven er thans op gericht de doorlichting te starten in 2016 en de resultaten ervan uiterlijk in 2018 op te leveren.

De artikelonderdelen waarbij een vinkje staat, worden in het desbetreffende jaar integraal doorgelicht.

3. DE BELEIDSARTIKELEN

Artikel 1. Woningmarkt

A Algemene doelstelling

Een vrij toegankelijke, vraaggerichte woningmarkt met steun voor degenen die dat nodig hebben.

B Rol en verantwoordelijkheid

De minister voert de regie ten aanzien van de zorg voor een heldere verdeling van rollen en verantwoordelijkheden van de verschillende partijen op het terrein van wonen.

De minister voert de regie ten aanzien van het scheppen van voorwaarden voor de beschikbaarheid van voldoende betaalbare woningen, onder meer door huurprijsregulering en maatregelen ten aanzien van de koopwoningenmarkt.

De minister voert via regelgeving de regie ten aanzien van het bevorderen van een evenwichtige verdeling van de woningvoorraad op grond van de Huisvestingswet. De minister voert de regie ten aanzien van het ontwikkelen van kaders om onrechtmatige bewoning tegen te gaan op grond van de Woningwet.

De minister stimuleert in beleidsmatige zin de huisvesting van bijzondere aandachtsgroepen.

De minister voert de regie ten aanzien van de zorg voor de betaalbaarheid van het wonen in het bijzonder voor de lagere inkomensgroepen onder andere op grond van de Wet op de Huurtoeslag.

De minister is verantwoordelijk voor het beleidsmatig vormgeven van het instrument huurtoeslag en het budgettair beheer hiervan op grond van de Wet op de Huurtoeslag. De uitvoering van de huurtoeslag is, op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR), onder verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën, belegd bij de Belastingdienst/Toeslagen. Deze dienst is ook verantwoordelijk voor de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de toeslag.

De minister is verantwoordelijk voor de Verhuurderheffing.

De minister is verantwoordelijk voor een adequate werking van de sociale huurwoningenmarkt. Het betreft het beleidsmatig vormgeven van het toezicht op woningcorporaties en de kwaliteit hiervan, het uitoefenen van dit toezicht op grond van de Herzieningswet en de daarop gebaseerde algemene maatregel van bestuur en de verantwoording hierover. In de uitvoering spelen woningcorporaties daarbij een belangrijke rol, waarbij het huisvesten van huishoudens met een inkomen tot € 34.229 (inkomensgrens 2013) tot hun kerntaak behoort.

De minister draagt zorg voor een adequate uitvoering van een laagdrempelige beslechting van huurgeschillen. In het Burgerlijk Wetboek (art. 7.249 t/m 7.261) is vastgelegd dat huurders en verhuurders een beroep kunnen doen op de Huurcommissie. De organisatie en werkwijze van de Huurcommissie, evenals de administratieve ondersteuning door de Dienst van de Huurcommissie (DHC), is vastgelegd in de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (Uhw).

C Beleidswijzigingen

De in 2012 bij de Eerste Kamer ingediende voorstellen voor een herziening van de Woningwet en de daarop volgende in 2013 bij de Tweede Kamer ingediende novelle zullen naar verwachting in 2014 leiden tot nieuwe wet- en regelgeving die is gericht op het versterken van het interne en externe toezicht. Zoals in de kabinetsreactie op de eindrapportage van de Commissie Kaderstelling en Toezicht Woningcorporaties (Commissie Hoekstra) is aangegeven, is daarin opgenomen het externe financieel toezicht niet meer door het Centraal Fonds Volkshuisvesting te laten uitvoeren, maar onder te brengen in een onafhankelijk van het beleid opererende dienst onder ministeriële verantwoordelijkheid. Dit ligt ook in lijn met het voornemen in het Regeerakkoord om de positie van zelfstandige bestuursorganen te heroverwegen.

Ook beoogt de nieuwe wetgeving de positie van gemeenten richting corporaties te versterken. Daarbij heeft de regering ook het advies van de in opdracht van de VNG ingestelde Commissie Dekker betrokken (Gemeenten en corporaties, de vrijblijvendheid voorbij; Wederkerig en verplichtend). Een woonvisie van de gemeente vormt daarbij een richtsnoer voor de activiteiten van de corporatie(s). Corporaties worden geacht jaarlijks aan te geven welke bijdrage aan het gemeentelijke volkshuisvestingsbeleid kan worden geleverd. Bij voorkeur mondt dit uit in prestatieafspraken.

Zoals in de beleidsagenda aangegeven leiden de voorstellen verder tot meer waarborgen, zodat corporaties als maatschappelijke ondernemingen goed functioneren. Daarnaast wordt met de wetgeving invulling gegeven aan het vrijstellingsbesluit voor diensten van algemeen economisch belang zoals vastgesteld door de Europese Commissie.

Aan het tegengaan van onrechtmatige bewoning wordt in 2014 verder vorm gegeven door de ontwikkeling van aanvullend instrumentarium om malafide pandeigenaren aan te pakken af te ronden. Een wetsvoorstel hiertoe zal aan de Staten-Generaal worden aangeboden. Voorgesteld wordt om een bestuurlijke boete en een vorm van een verhuurverbod in de Woningwet op te nemen. Ook zal de beheerovername van panden worden gewijzigd, zodat gemeenten dit instrument eenvoudiger kunnen toepassen. Na implementatie van dit wetsvoorstel zullen gemeenten vanuit het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden gefaciliteerd bij de mogelijkheden van het inzetten van het beschikbaar wettelijk instrumentarium.

Sinds 2013 is na een periode van inflatievolgend huurbeleid (2007–2012) weer een boveninflatoire huurverhoging toegestaan (inflatie + 1,5%). Om de doorstroming van huishoudens met een midden- of hoger inkomen in de gereguleerde huursector te bevorderen, is een inkomensafhankelijke extra huurverhoging toegestaan (inflatie + 2% voor middeninkomens, inflatie + 4% voor hogere inkomens).

In de beleidsagenda is aangegeven dat verhuurders vanaf 2013 een verhuurderheffing betalen. De Wet verhuurderheffing zal vanaf 2014 in werking treden. Een voorstel daartoe wordt gelijktijdig met deze begroting aan de Kamer aangeboden.

Zoals in de beleidsagenda is aangegeven, zal het woningwaarderingstelsel worden vereenvoudigd door een combinatie van de waardering onroerende zaken (WOZ) en het woningwaarderingsstelsel (WWS). De Tweede Kamer ontvangt hiervoor een voorstel op Prinsjesdag.

In het kader van de modernisering en vereenvoudiging van de werkwijze van de Huurcommissie zal Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte worden gewijzigd. Dit leidt per januari 2014 tot een efficiëntere uitvoering van de beslechting van geschillen over de huurprijs door de huurcommissie. Het gaat om de vereenvoudiging van de legesregeling, de toetsing indien een zogenaamde all-in prijs is overeengekomen, de beoordeling van de servicekosten, de beoordeling van onderhoudsgebreken en de zogenaamde rappelprocedure betreffende de huurverhoging.

Op de koopwoningmarkt worden diverse maatregelen getroffen die de woningmarkt weer op gang zullen brengen. De maatregelen zijn te lezen in de beleidsagenda.

In de beleidsagenda is aangegeven, dat de bijdrage van het Rijk aan de SVn-startersleningen in 2013 naar aanleiding van het Woonakkoord wordt verhoogd van € 20 mln. naar € 50 mln. SVn zet de rijksbijdrage in voor de dekking van maximaal 50% van de rente- en beheerkosten op startersleningen. Het resterende deel wordt gefinancierd door deelnemende gemeenten en provincies. Door een beleidsbesluit is er voor gezorgd, dat in 2013 de starterslening aangemerkt kan worden als bestaande eigenwoningschuld. In de Wet verhuurheffing 2014 en fiscale maatregelen eigen woning wordt deze oplossing meerjarig (tot 1 januari 2017) vastgelegd.

In het kader van de geleidelijke afbouw van de tijdelijk verhoogde NHG-kostengrens (Kamerstukken II, 32 847, nr. 7) zal per 1 juli 2014 de kostengrens van de Nationale Hypotheek Garantie worden teruggebracht naar de oorspronkelijke grens van € 265.000.

Zoals is aangegeven in de beleidsagenda is medio 2013 een kennis- en experimentenprogramma Wonen en Zorg gestart. Hierin wordt ondermeer door Platform 31, Movisie en Kenniscentrum Wonen en Zorg van Aedes/Actiz een programma gestart, dat samen met het Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport wordt vormgegeven. Dit is gericht op ondersteuning van lokale spelers.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 1.1 Woningmarkt

(x € 1.000)

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

0

2.971.709

3.101.815

3.283.574

3.457.293

3.674.634

3.876.182

                 

Uitgaven:

0

2.901.265

3.031.676

3.241.582

3.457.293

3.674.634

3.876.182

 

Waarvan juridisch verplicht

(percentage)

   

100%

       
                 

1.1

Betaalbaarheid

0

2.894.935

3.024.498

3.236.183

3.452.194

3.669.535

3.871.083

 

Subsidies

0

65.373

29.958

20.344

17.452

17.283

17.283

 

Beleidsprogramma betaalbaarheid

0

193

29

29

29

29

29

 

Bevordering eigen woningbezit

0

63.914

27.323

18.026

15.134

14.965

14.965

 

Eigen woningenregelingen

0

0

1.365

1.068

1.068

1.068

1.068

 

Woonconsumentenorganisaties

0

1.266

1.241

1.221

1.221

1.221

1.221

 

Opdrachten

0

1.600

1.076

96

96

96

96

 

Beleidsprogramma betaalbaarheid

0

1.177

1.076

96

96

96

96

 

Inkomensoverdracht

0

2.813.943

2.980.244

3.203.844

3.424.253

3.642.300

3.844.500

 

Huurtoeslag

0

2.813.943

2.980.244

3.203.844

3.424.253

3.642.300

3.844.500

 

Bijdragen aan baten-lastendiensten

0

0

1.797

1.822

1.722

1.891

1.621

 

Beleidsprogramma betaalbaarheid (Agentschap NL)

0

0

1.797

1.822

1.722

1.891

1.621

 

Bijdragen aan ZBO's / RWT's

0

13.300

10.440

9.270

8.265

7.559

7.177

 

Huurcommissie

0

13.300

10.125

8.955

7.950

7.244

6.862

 

Overige uitvoeringsinstanties

0

0

315

315

315

315

315

 

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

0

719

983

807

406

406

406

 

Overige uitvoeringsinstanties

0

719

983

807

406

406

406

                 

1.2

Onderzoek en kennisoverdracht

0

6.330

7.178

5.399

5.099

5.099

5.099

 

Subsidies

0

2.069

1.811

1.733

1.733

1.733

1.733

 

Samenwerkende kennisinstellingen e.a.

0

2.069

1.811

1.733

1.733

1.733

1.733

 

Opdrachten

0

4.261

5.367

3.666

3.366

3.366

3.366

 

Onderzoek en kennisoverdracht

0

4.261

5.367

3.666

3.366

3.366

3.366

                 
 

Ontvangsten

0

472.245

471.230

475.416

478.100

478.700

479.200

D2 Budgetflexibiliteit

Het uitgavenbudget 2014 is nagenoeg volledig juridisch verplicht. Jaarlijks wordt een verplichting aangegaan voor het gehele huurtoeslagbudget voor het begrotingsjaar. De subsidies betreffen de kasuitgaven als gevolg van in het verleden aangegane verplichtingen. Voor een deel van de uitgaven voor onderzoek en kennisoverdracht zijn nog geen verplichtingen aangegaan. Deze middelen worden gedurende het jaar aangewend en zijn deels alternatief aanwendbaar, voor zover niet benodigd voor de uitfinanciering van tot en met 2013 aangegane verplichtingen.

E Toelichting op de instrumenten
1.1 Betaalbaarheid

Subsidies

Bevorderen Eigen Woningbezit (BEW)

Zoals gemeld aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 32 123 XVIII, nr. 74), is voor nieuwe toekenningen op grond van de Wet Bevordering Eigen Woningbezit geen budget meer beschikbaar. De meerjarig beschikbare middelen dienen uitsluitend tot betaling van in het verleden aangegane verplichtingen.

Eigen woningenregelingen

De meerjarig beschikbare middelen dienen uitsluitend tot betaling van in het verleden aangegane verplichtingen.

Om eigen woningbezit te bevorderen is het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties achtervang voor het Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) die de uitvoering verzorgt van de Nationale Hypotheek Garantie (NHG).

Woonconsumentenorganisaties

De Woonbond en de Stichting VACpunt Wonen ontvangen financiële bijdragen voor de uitvoering van een met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties overeen gekomen programma van activiteiten op het gebied van kennisoverdracht, voorlichting en scholing. Doel is de positie van de woonconsument te versterken om recht te doen aan zijn positie op de woningmarkt.

Opdrachten

Beleidsprogramma betaalbaarheid

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voert in het kader van het programma Betaalbaarheid verschillende activiteiten uit, voor de huurtoeslag, maar ook voor het monitoren en stimuleren van geschikte huisvesting voor ouderen. Een ander belangrijk onderdeel van het programma is het in beeld brengen en helpen voorkomen van risico's van eigenwoningbezit en toezicht op woningbouwcorporaties.

Voor deze werkzaamheden verstrekt het ministerie, samen met huurders, verhuurorganisaties en andere partijen voor woningmarktontwikkeling, opdrachten aan diverse partijen.

Inkomensoverdracht

Huurtoeslag

In de raming huurtoeslag is over de hele begrotingsperiode sprake van tekorten. De problematiek wordt vooral veroorzaakt doordat de gevolgen van de economische crisis een grotere impact hebben, dan was geraamd. De realisatiecijfers 2012 laten een hoger volume zien (meer instroom) dan verwacht, hetgeen doorwerkt in de latere jaren. Daarnaast bleken de inkomens van de aanvragers lager dan verwacht. In de eerste suppletoire begroting is aangegeven dat de definitieve vormgeving van de dekking van het tekort op de huurtoeslag zou worden betrokken bij augustusbesluitvorming. In dit kader is besloten de dekking van het tekort niet binnen de huurtoeslag te zoeken, maar een deel van de voor koopkrachtreparatie beschikbare middelen hiervoor in te zetten. Hiermee blijft de anders noodzakelijke beperking van de huurtoeslag achterwege. Als gevolg hiervan blijven de huurquotes zoals in de grafieken 1 en 2 gepresenteerd vrijwel ongewijzigd tussen 2013 en 2014.

De grafieken 1 en 2 geven de ontwikkeling van de netto-huurquote weer voor huurtoeslagontvangers (het percentage van het belastbaar inkomen dat wordt besteed aan huur). Hierbij zijn acht huishoudcategorieën onderscheiden. Voor elke in de huurtoeslag aangemerkte huishoudcategorie zijn de cijfers berekend voor een huishouden met een minimuminkomen en een huishouden met een inkomen in het inkomensafhankelijke traject. Bij de berekening van de netto huurquote voor de gepresenteerde huishoudens is gerekend met de gemiddelde huur voor de betreffende groep. De huurquotes zijn berekend door het aandeel van de netto huurlasten (huur gesaldeerd met huurtoeslag) in het belastbaar inkomen te berekenen.

Grafiek 1. Huurquote jonger dan 65 jaar

Grafiek 1. Huurquote jonger dan 65 jaar

Grafiek 2. Huurquote 65 jaar en ouder

Grafiek 2. Huurquote 65 jaar en ouder

Bijdragen aan baten-lastendiensten

Beleidsprogramma betaalbaarheid (Agentschap NL)

De bijdrage dient ter bekostiging van Agentschap NL voor de uitvoering van het beleidsprogramma betaalbaarheid.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Huurcommissie

Het werkterrein van de Huurcommissie wordt gevormd door het gereguleerde deel van de markt voor huurwoonruimte. Als huurders en verhuurders een geschil hebben en er onderling niet uitkomen, doet de Huurcommissie op verzoek uitspraken in geschillen over de hoogte van huurprijzen en servicekosten. Met ingang van 2012 beslecht de Huurcommissie ook geschillen in het kader van de Wet op het overleg huurders verhuurder (WOHV).

De Huurcommissie werkt als opdrachtnemer van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Voor 2014 worden de onderstaande aantallen verondersteld en maximale behandeltermijnen nagestreefd.

Tabel 1.2 Kengetallen

Procedure

Aantallen 2014

Behandeltermijn 2014

Beslechting huurprijsgeschillen

8.990

90% afgerond binnen 4 maanden

Beslechting servicekostengeschillen

2.800

90% afgerond binnen 4 maanden

Beslechting van WOHV-geschillen

10

90% afgerond binnen 13 weken

Verklaringen over de redelijkheid van de huurprijs in het kader van behandeling van huurtoeslagaanvragen door Belastingdienst

300

90% afgerond binnen 14 weken

Totaal

12.100

 

Bron: Huurcommissie

Voor de doorlooptijden van huurgeschilbeslechting staat in de Uitvoeringswet Huurprijzen woonruimte een termijn van maximaal vier maanden. De wet kent de mogelijkheid een langere doorlooptijd te hanteren. Vandaar dat de norm van vier maanden gesteld is voor 90% van de geschillen. In de afgelopen jaren is geïnvesteerd in de ICT-ondersteuning van het behandelingsproces om deze termijn vanaf 2013 te kunnen realiseren. Ook de in 2012 doorgevoerde reorganisatie moet daaraan gaan bijdragen.

Voor de geschilbeslechting op basis van de Wet op het overleg huurders verhuurder (WOHV) geldt een wettelijke termijn van acht weken, met eveneens de mogelijkheid om gemotiveerd een langere doorlooptijd te hanteren. De ervaringen met de WOHV-geschillen leren dat partijen hechten aan overleg onder auspiciën van de Huurcommissie, als gevolg waarvan de termijn van acht weken niet gehaald wordt zonder dat dit op bezwaren van betrokkenen stuit. Om deze reden is als streeftermijn voor 90% van de WOHV-geschillen 13 weken geformuleerd.

Voor nadere informatie over de Huurcommissie wordt verwezen naar agentschapsparagraaf 4.8.

Overige uitvoeringsinstanties

De bijdragen dienen ter bekostiging van een aantal uitvoeringsorganisaties waaronder de Commissie Gelijke Behandeling en het Centraal Fonds Volkshuisvesting,

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Overige uitvoeringsinstanties

De bijdragen dienen ter bekostiging van een aantal uitvoeringsorganisaties waaronder de belastingdienst voor verstrekking van inkomensgegevens, noodzakelijk voor de uitvoering van de inkomensafhankelijke huurstijging.

1.2 Onderzoek en kennisoverdracht

Subsidies

Nationaal kennisinstituut voor stedelijke en regionale ontwikkelingen en overig onderzoek

In afstemming met de eigen activiteiten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt een gedeelte van het beschikbare budget ingezet voor activiteiten van het nationaal kennisinstituut voor stedelijke en regionale ontwikkeling, Platform 31.

Overig onderzoek is noodzakelijk voor het onderbouwen van beleid, het verrichten van strategische verkenningen en het bieden van instrumenten aan andere partijen om hun rol en verantwoordelijkheden waar te maken.

Opdrachten

Onderzoek en kennisoverdracht

De activiteiten voor (basis)onderzoek en kennisoverdracht hebben vooral betrekking op het terrein van Wonen en Bouwen. Het budget wordt besteed aan onder meer verkenningen, monitoring en onderbouwen van beleid, dataverzamelingen en ramingmodellen.

Artikel 2. Woonomgeving en bouw

A Algemene doelstelling

Het stimuleren van burgers, decentrale overheden, instellingen en bedrijven tot het realiseren van een goede kwaliteit van woningen, gebouwen en andere bouwwerken om daarmee onder meer energie te besparen en woonlasten te beperken. Het bevorderen van de woningbouw waarbij aanbod en diversiteit zoveel mogelijk aansluit bij de woningbehoefte van Nederland. Het stimuleren van burgers en andere partijen om de leefbaarheid in steden en dorpen te bevorderen.

B Rol en verantwoordelijkheid

Op basis van de Grondwet, artikel 22 lid 2 en de Woningwet (hoofdstuk 5) is de minister verantwoordelijk voor woningbouw, hetgeen de zorg omvat voor voldoende omvang, kwaliteit en differentiatie van de woningvoorraad. Het kabinet wil de sector stimuleren door investeringscondities te verbeteren, onnodige belemmeringen weg te nemen en waar mogelijk de mededinging te versterken, waardoor meer ruimte ontstaat voor kleinschalige, natuurlijke groei, het voorzien in eigen woningbehoefte, (collectief) particulier opdrachtgeverschap (CPO) en meegroei-, mantel- en meergeneratiewoningen.

Op basis van de Woningwet (artikel 120), de Wet milieubeheer (hoofdstuk 4) en de Kadasterwet is de minister verantwoordelijk voor het stimuleren van energiebesparing en reductie van CO2-uitstoot binnen de sector gebouwde omgeving.

Op basis van de Woningwet (artikel 2) is de minister verantwoordelijk voor het opstellen en het beheer van de bouwregelgeving en is hij stelselverantwoordelijk om hiermee de bouwkwaliteit te verbeteren (regisseren en doen uitvoeren).

Op basis van de Woningwet (artikel 80a) heeft de minister een regisserende en stimulerende rol in het leefbaar maken en houden van steden en dorpen, bijvoorbeeld aandachtswijken en krimpregio’s. Belangrijke maatregelen zijn: het aanpassen van belemmerende wet- en regelgeving, advisering, kennisoverdracht, monitoring van resultaten en het aanspreken van medeverantwoordelijke departementen, met het oog op een integrale (gebiedsgerichte) aanpak. De primaire verantwoordelijkheid ligt bij de gemeenten en vervolgens bij de provincie.

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (Kamerstukken II, 32 660, nr. 17) is opgenomen dat de nieuwbouwprogrammering grotendeels wordt overgelaten aan provincies en gemeenten. In de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad worden de bestaande verstedelijkingsafspraken onderdeel van de integrale aanpak voor deze gebieden. In de andere regio’s is er geen directe betrokkenheid meer van het Rijk bij de programmering van nieuwbouwwoningen.

C Beleidswijzigingen

In 2014 wordt energiebesparing in de gebouwde omgeving nader gestimuleerd door middel van een revolverend fonds (EGO). Dit fonds is ingesteld als onderdeel van de investeringsimpuls voor de woningmarkt en de bouw uit het Woonakkoord (Kamerstukken II, 32 847, nr. 42).

Daarnaast wordt in 2014 invulling gegeven aan de afspraken uit het Nationaal Energieakkoord dat in 2013 is gesloten onder regie van de Sociaal-Economische Raad (SER). Onderdeel van het SER-akkoord is een doorrekening van de effecten, waardoor inzicht ontstaat in de effectiviteit van de in het SER akkoord genoemde instrumenten. In 2014 worden hiernaast de herziene richtlijn Energieprestatie van gebouwen (Energy Performance of Buildings Directive, EPBD) en de richtlijn energie-efficiëntie (Energy Efficiency Directive, EED) geïmplementeerd.

Het bevorderen van de leefbaarheid in de woonomgeving wordt in 2014 verder gestimuleerd door uitbreiding van het wettelijke instrumentarium. Een wetsvoorstel tot wijziging van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (Wbmgp) zal hiertoe aan de Staten-Generaal worden aangeboden. Voorgesteld wordt om gemeenten de mogelijkheid te bieden woningzoekenden te weren in verband met criminaliteit en overlastgevend gedrag bij het aanvragen van een huisvestingsvergunning voor bepaalde aangewezen wijken, wordt de mogelijkheid gegeven aan gemeenten om een vergunning tot woningvorming in te stellen, en wordt voorgesteld om de mogelijkheden uit te breiden voor de verlenging van de termijn waarin toelatingseisen kunnen worden gesteld aan woningzoekenden in een wijk waar problemen zich concentreren. De maatregelen zijn complementair aan de voorgenomen wijziging van de Woningwet om malafide pandeigenaren steviger aan te pakken door versterking van het handhavingsinstrumentarium (zie artikel 1) en in overleg met de betrokken gemeenten ontwikkeld in kader van de evaluatie en wijziging van de Wbmgp (Kamerstukken II, 2011–2012, 33 340, nr. 1 en bijlagen). Gemeenten zullen rond de implementatie zorgvuldig worden geïnformeerd en geadviseerd.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 2.1 Woonomgeving en bouw

(x € 1.000)

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

0

87.985

176.364

45.155

39.649

32.571

231.521

                 

Uitgaven:

0

88.475

176.384

45.155

39.649

32.571

231.521

 

Waarvan juridisch verplicht

(percentage)

   

45%

       
                 

2.1

Energie en bouwkwaliteit

0

70.379

162.975

24.369

19.364

13.267

212.947

 

Subsidies

0

61.348

136.500

400

400

400

200.400

 

Beleidsprogramma bouwregelgeving

0

1.000

0

400

400

400

400

 

Innovatieregelingen gebouwde omgeving

0

10.248

1.000

0

0

0

0

 

Revolverend fonds EGO

0

50.000

135.000

0

0

0

0

 

Energiebesparing verhuurders

0

0

0

0

0

0

200.000

 

Tijdelijke regeling blok voor blok

0

0

500

0

0

0

0

 

Opdrachten

0

8.331

26.475

23.969

18.964

12.867

12.547

 

Beleidsprogramma Energiebesparing

0

5.989

24.339

21.839

16.834

10.737

10.417

 

Beleidsprogramma bouwregelgeving

0

2.342

2.136

2.130

2.130

2.130

2.130

                 

2.2

Woningbouwproductie

0

13.445

9.635

7.067

7.066

7.085

6.355

 

Opdrachten

0

1.304

863

863

863

863

863

 

Beleidsprogramma woningbouwproductie

0

1.304

863

863

863

863

863

 

Bijdragen aan baten-lastendiensten

0

12.091

8.747

6.204

6.203

6.222

5.492

 

Beleidsprogramma woningbouwproductie (Agentschap NL)

0

12.091

8.747

6.204

6.203

6.222

5.492

                 

2.3

Kwaliteit woonomgeving

0

4.651

3.774

13.719

13.219

12.219

12.219

 

Opdrachten

0

4.651

3.754

13.719

13.219

12.219

12.219

 

Beleidsprogramma woonomgeving e.a.

0

4.651

3.754

3.719

3.219

2.219

2.219

 

Wijkverpleegkundigen

0

0

0

10.000

10.000

10.000

10.000

                 
 

Ontvangsten

0

1.307

91

91

91

91

91

D2 Budgetflexibiliteit

De subsidies op het gebied van energiebesparing zijn deels juridisch verplicht dan wel bestuurlijk gebonden. Het Revolverend Fonds Energiebesparing is voor 100% juridisch verplicht. Het merendeel van de budgetten (opdrachten) voor de beleidsprogramma’s Energiebesparing Gebouwde Omgeving, Bouwregelgeving en Woningproductie is juridisch verplicht.

Voor de subsidies en opdrachten bij het beleidsprogramma Woonomgeving zijn er voor een deel verplichtingen aangegaan, waaronder de subsidie voor het LSA, de integrale aanpak op de BES-eilanden en doorlopende beschikkingen en opdrachten uit eerdere jaren.

E Toelichting op de instrumenten
2.1 Energie en bouwkwaliteit

Subsidies

Revolverend fonds energiebesparing (EGO)

Het Rijk zet (in 2013 € 50 mln.) in 2014 € 135 mln. in voor het revolverend fonds voor energiebesparing in de gebouwde omgeving (Kamerstukken II, 33 566, nr. 1). Het fonds wordt aangevuld met middelen uit de markt tot minimaal € 740 mln. in totaal.

Innovatieregelingen gebouwde omgeving

Met het programma Energiesprong wordt beoogd de markt voor te bereiden op het realiseren van energieneutrale nieuwbouw en zeer zuinig energiegebruik als gevolg van renovatie in woning- en utiliteitsbouw. Binnen dit programma wordt kennis overgedragen en worden experimenten uitgevoerd in energiezuinige en innovatieve bouw. In 2014 wordt het programma afgerond en worden kennis en ervaringen actief overgedragen naar alle betrokken partijen. Het programma wordt uitgevoerd door Platform 31. Naast Energiesprong lopen de kennis- en leertrajecten door van het programma Gebieden Energieneutraal en de Excellente Gebieden.

Tijdelijke regeling Blok voor blok (en Green Deals)

Het kabinet zet door middel van een kennis- en leertraject in op bevordering van grootschalige energiebesparing in bestaande woningen onder de naam Blok voor blok. Het betreft 14 projecten verspreid over het hele land uitgevoerd door lokale en regionale partijen. In 2014 wordt de in 2011 gestarte Blok voor blok aanpak geëvalueerd en wordt een voorstel gedaan met betrekking tot de landelijke uitrol van deze aanpak. Hierover zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd.

Opdrachten

Beleidsprogramma Energiebesparing

De basis voor de activiteiten in 2014 zijn de afspraken voor energiebesparing in de gebouwde omgeving, zoals gemaakt in het Nationaal Energieakkoord dat onder regie van de Sociaal-economische Raad (SER) tot stand is gekomen. Het Nationaal Energieakkoord is een belangrijke aanvulling op het Plan van Aanpak Energiebesparing Gebouwde Omgeving van 2011. Dit geeft mede invulling aan de toezegging tijdens de behandeling van de begroting van Wonen en Rijksdienst voor 2013 (Kamerstukken II, 33 400 XVIII).

Beleidsprogramma bouwregelgeving

De minister is verantwoordelijkheid voor een goed functionerend stelsel van bouwregelgeving op grond van de Woningwet, in afstemming met de Europese regelgeving en normen. Dit stelsel wordt onder andere ondersteund met een aantal vaste jaarlijkse bijdragen aan NEN (Nederlands Normalisatie Instituut), Stichting Bouwkwaliteit (SBK), Helpdesk bouwregelgeving en de Adviescommissie toepassing brandveiligheidsvoorschriften.

In 2014 zal de uitvoering van de kerntaak «het wettelijk waarborgen van een maatschappelijk noodzakelijk minimum kwaliteitsniveau van bouwwerken» worden voortgezet op basis van een herzien Bouwbesluit 2012 dat per 1 april 2012 in werking is getreden. Er wordt verder gewerkt aan diverse zaken met betrekking tot de bouwregelgeving zoals aanpassing van de Regeling Bouwbesluit, herziening van het omgevingsrecht en verbetering van de gemeentelijke toezichtinstrumenten.

Voorts wordt gewerkt aan het verder in procedure brengen van een wetsvoorstel waarmee private instrumenten voor kwaliteitsborging een rol kunnen krijgen in het publieke stelsel in plaats van de gemeentelijke preventieve bouwplantoets en toezicht tijdens de bouw. Daarnaast wordt onder andere naar aanleiding van de aanbevelingen van de Commissie Fundamentele Verkenning Bouw (Commissie Dekker) in 2014 gewerkt aan het, daar waar mogelijk, geven van meer verantwoordelijkheid aan private partijen. Versterking van de vraaggerichtheid in de bouwsector en van de positie van de bouwconsument is hierbij een noodzakelijk voorwaarde.

2.2 Woningbouw

Opdrachten

Beleidsprogramma woningbouw

Ook in 2014 zal er inzet zijn om door kennisoverdracht, andere vormen van ondersteuning en facilitering de woningproductie te stimuleren en waar mogelijk knelpunten in de relevante wet- en regelgeving weg te nemen, onder andere in het kader van het projectplan: «korte termijn aanpak knelpunten omgevingsrecht». Daarnaast is er bij de uitvoering door de bouwsector van de actieagenda Bouw (voortkomend uit de «Investerings- en Innovatieagenda voor de woning- en utiliteitsbouw (Kamerstukken II, 32 847, nr. 23)» bij enkele van deze acties ook betrokkenheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Eigenbouw (particulier opdrachtgeverschap of zelfbouw) is een factor van toenemend belang. Eigenbouw valt goed te combineren met kleinschaligheid, omdat er geen grote voorinvesteringen hoeven te worden gedaan. Dit wordt door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties nadrukkelijk ondersteund door middel van het Expertteam Eigenbouw, dat gemeenten helpt bij het starten van projecten voor particulier opdrachtgeverschap in de woningbouw. Het streven is er op gericht ook in 2014 een groot aantal gemeenten van advies te dienen.

Om kantorenleegstand tegen te gaan door de ombouw naar permanente of tijdelijke woonruimte te bevorderen is in 2012 -samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG)- het Expertteam Kantoortransformatie opgericht.

Het Expertteam ondersteunt ook in 2014 gemeenten, eigenaren en overige betrokkenen bij het concreet in gang zetten van transformatie van leegstaande kantoren in woonruimte.

In het kader van stedelijke vernieuwing zal het Rijk bijdragen om de voorwaarden te scheppen die nodig zijn voor lokale actoren – de gemeenten voorop – om de fysieke ingrepen, zoals verbeteringen van woningen en openbare ruimte, te realiseren die binnen de lokale context nodig zijn om de leefbaarheid bevorderen. Specifieke aandacht gaat daarbij uit naar de (goedkopere) particuliere woningvoorraad, in het bijzonder de Vereniging van Eigenaren (VvE’s).

Samen met het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) is een tiental pilots stedelijke herverkaveling ingesteld. Stedelijke herverkaveling betreft het slim ruilen van grondbezit tussen private partijen om woningbouw in stedelijk gebied mogelijk te maken. De resultaten van de pilots zullen worden betrokken bij de afweging of het wenselijk is vanaf 2014 een wettelijke regeling over stedelijke herverkaveling aan de nieuwe Omgevingswet toe te voegen.

Bijdragen aan baten-lastendiensten

Beleidsprogramma woningbouw

(Agentschap NL)

De op dit instrument opgenomen middelen zijn bestemd voor de uitvoeringsprogramma’s die Agentschap NL in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelateis uitvoert op het gebied van voornamelijk energiebesparing in de gebouwde omgeving, alsmede woningbouw en kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Het betreft onder meer de implementatie van de herziene EPBD- en de EED-richtlijnen, de Blok-voor-Blok aanpak, de uitvoering van de energiebesparingsconvenanten, de implementatie van het SER-akkoord, de expertteams particulier opdrachtgeverschap en kantorentransformatie, en de uitvoering van het programma bevolkingsdaling.

2.3 Kwaliteit woon- en leefomgeving

Opdrachten

Beleidsprogramma woonomgeving

In algemene zin maakt het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het mogelijk dat bewoners de ruimte krijgen om initiatieven te kunnen ondernemen die de leefbaarheid in wijken en regio’s bevorderen. Voor wet- en regelgeving die de initiatieven belemmeren, wordt naar oplossingen gezocht.

Het Landelijke Samenwerkingsverband Aandachtswijken (LSA) ontvangt in 2014 een subsidie voor het bevorderen van bewonersparticipatie in wijken. Daarnaast ontvangt het LSA in 2014 subsidie om te experimenteren met het opzetten van wijkondernemingen in verschillende gemeenten. Deze ondernemingen voor en door bewoners richten zich op dienstverlening in de wijk of de regio.

Huisvesting EU-arbeidsmigranten

In het Regeerakkoord is vastgelegd dat het project EU-arbeidsmigranten met kracht wordt voortgezet. Door een tekort aan huisvesting is een uitbreiding van het aanbod van tijdelijke huisvesting dat voldoet aan wet- en regelgeving. Met negen gemeenten worden hiertoe afspraken gemaakt die in 2014 zullen worden gerealiseerd. Samen met de partijen van de Nationale Verklaring tijdelijke huisvesting EU-arbeidsmigranten wordt de voortgang gevolgd.

Achter de voordeur/multiprobleemgezinnen (frontlijnaanpak)

De opdracht uit het regeerakkoord is te komen tot een werkwijze van 1 gezin, 1 plan, 1 regisseur. Sinds 2007 experimenteert het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koin het kader van de wijkenaanpak met gemeenten om een dergelijke werkwijze te ontwikkelen. De experimenten zijn afgerond en de opgedane kennis en instrumenten worden in 2014 verder verspreid en geborgd. De kennis en ervaringen worden voorts ingebracht bij de vormgeving en implementatie van de decentralisaties in het sociale domein.

Krachtige steden

Om inzicht te hebben in de ontwikkeling van de steden wordt meerjarig een aantal doelstellingen gevolgd (op het terrein van veiligheid, kwaliteit fysieke leefomgeving, sociale kwaliteit samenleving, binden midden/hogere inkomens, en economische kracht). Door het verschuivende stedelijke krachtenveld zijn burgers niet alleen meer gebruikers van de stad, maar nemen zij steeds meer een actieve rol in. Dit is een omslag die om een andere manier van denken vraagt van de overheid, ondernemers, burgers en het maatschappelijk middenveld. Er ontstaan nieuwe manieren van werken, met nieuwe rollen, andere vormen van eigenaarschap en alternatieve verdienmodellen. De Minister voor Wonen en Rijksdienst stimuleert deze nieuwe ontwikkeling door de kennis over perspectiefvolle innovaties en nieuwe modellen naar steden te verspreiden, en koplopers met elkaar in verbinding te brengen. Hierbij wordt ook nadrukkelijk aansluiting gezocht bij de internationale context.

Aandachtswijken

In 2013 wordt de inzet van het Rijk voor de laatste 4 jaar van het in 2007 overeengekomen 10-jarige partnerschap in overleg met de 17 gemeenten met een aandachtswijk in kaart gebracht. De Minister voor Wonen en Rijksdienst zal zorg dragen voor de borging van beproefde werkwijzen, en bewezen innovaties.

Kwaliteitssprong Rotterdam-Zuid

Een gebied dat bijzondere aandacht krijgt bij het wegwerken van achterstanden is Rotterdam Zuid. In een voor twintig jaar afgesloten programma ligt de focus op scholing, werk en woningbouw. Rotterdam en partners zijn verantwoordelijk, het Rijk ondersteunt en faciliteert. In 2014 ondersteunt het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties door verdere uitwerking van voorziene aanpassingen in wet- en regelgeving op het gebied van huisjesmelkers, woonoverlast en de instroom van kansarmen

Programma Bevolkingsdaling.

Gemeenten, provincies, maatschappelijke organisaties en burgers zijn primair verantwoordelijk voor het oplossen van knelpunten als gevolg van bevolkingsdaling, vergrijzing en ontgroening. In 2014 ondersteunt het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de krimp- en anticipeerregio’s bij het uitvoeren van de lokale actieplannen en zet een mix aan ontwikkelde instrumenten in zoals maatschappelijke kosten-batenanalyses, de transitieatlas, experimenten en de Demowijzer. Experimenten helpen daarbij ook met het inventariseren en aanpakken van mogelijke knelpunten in wet- en regelgeving.

Wijkverpleegkundigen

Ten behoeve van meer inzet van wijkverpleegkundigen in de aandachtswijken is in 2009 ter uitvoering van de motie Hamer (Kamerstukken II, 2008–2009, 31 700, nr. 15) structureel € 10 mln. per jaar beschikbaar gesteld. In 2013 en 2014 worden de middelen via de decentralisatie uitkering Zichtbare Schakel beschikbaar gesteld aan gemeenten. Dit geeft gemeenten de regie bij het continueren en versterken van de inzet van wijkverpleegkundigen in hun stad en geeft hen de mogelijkheid voor het leggen van verbinding tussen preventie en zorg.

Artikel 3. Kwaliteit Rijksdienst

A Algemene doelstelling

Een goed presterende rijksoverheid op het gebied van bedrijfsvoering en het bevorderen van de kwaliteit van het management van de Rijksdienst.

B Rol en verantwoordelijkheid

Voor een optimale beleidsvoorbereiding en -uitvoering moet de interne beheersing en sturing van de bedrijfsprocessen in rijksbreed verband op orde zijn. Deze bedrijfsprocessen moeten naast dienstbaar aan het beleid, ook effectief en doelmatig zijn. Daarvoor zijn heldere kaders nodig. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bepaalt in samenwerking met de andere ministeries deze kaders en brengt daarin meer samenhang, met als doel een beter bestuurbare en meer efficiënte bedrijfsvoering binnen de Rijksdienst.

De Minister voor Wonen en Rijksdienst is systeemverantwoordelijk voor het rijksbrede beleid en de rijksbrede kaders op terreinen als personeel, informatie- en communicatietechnologie (ICT), organisatie, huisvesting, inkoop, facilitaire dienstverlening en beveiliging. Tevens is de minister verantwoordelijk voor de primaire arbeidsvoorwaarden van het Rijk.

De Minister voor Wonen en Rijksdienst investeert vanuit zijn systeemverantwoordelijkheid in de ontwikkeling van het management(talent) van het Rijk. Bureau Algemene Bestuursdienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bevordert en waarborgt de kwaliteit van de ambtelijke leiding op de departementen en de nationale politie. Het bureau verzorgt werving en selectie, loopbaanbegeleiding en organiseert kennisontwikkeling en -uitwisseling voor managers in de top van de rijksdienst.

Bureau Algemene Bestuursdienst (ABD) ondersteunt de departementen bij de kabinetsopdracht om in 2017 ten minste 30% vrouwen vertegenwoordigd te hebben binnen de ABD. Daarnaast verleent het bureau diensten aan nieuwe groepen binnen de ABD, zoals ZBO’s en gemeenten (G4).

In de context van een krimpende overheid en de bevordering van de kwaliteit van de rijksdienst, stimuleert Bureau ABD mobiliteit en flexibiliteit. Het gaat daarbij om interdepartementale arbeidsmobiliteit en externe mobiliteit – een loopbaanstap naar een functie buiten de rijksdienst.

Bovendien is de Minister voor Wonen en Rijksdienst werkgever voor de ongeveer 70 managers binnen de topmanagementgroep, daar waar het gaat om benoemingen, arbeidsvoorwaarden en ontslag.

C Beleidswijzigingen

Op 22 mei 2013 is de Hervormingsagenda Rijksdienst aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 31 490 nr. 119). In de beleidsagenda zijn de belangrijkste punten uit de Hervormingsagenda Rijksdienst opgenomen.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 3.1 Kwaliteit Rijksdienst

(x € 1.000)

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

0

21.515

17.896

17.696

17.355

17.070

16.828

 

Waarvan garantieverplichtingen

             
                 

Uitgaven:

0

21.515

17.896

17.696

17.355

17.070

16.828

 

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

57

       
                 

3.1

Kwaliteit Rijksdienst

0

21.515

17.896

17.696

17.355

17.070

16.828

 

Subsidies

0

3.400

3.400

3.400

3.400

3.400

3.400

 

Subsidie A&O-fonds

0

3.400

3.400

3.400

3.400

3.400

3.400

 

Opdrachten

0

12.339

8.920

8.920

8.837

8.902

8.789

 

Bedrijfsvoering Rijk

0

12.339

8.920

8.920

8.837

8.902

8.789

 

Bijdragen aan baten-lastendiensten

0

5.776

5.576

5.376

5.118

4.768

4.639

 

Arbeidsmarkt Communicatie

0

5.776

5.576

5.376

5.118

4.768

4.639

                 
 

Ontvangsten

0

593

250

250

250

250

250

D2 Budgetflexibiliteit

Het merendeel van de uitgaven is juridisch dan wel bestuurlijk verplicht. Onder meer de subsidie aan het A&O fonds en de bijdrage voor Arbeidsmarkt Communicatie. Nog niet verplichte uitgaven bij de opdrachten bedrijfsvoering Rijk zijn beleidsmatig bestemd voor de rijksbrede bedrijfsvoering en de Hervormingsagenda Rijksdienst in het bijzonder en worden gedurende het jaar hiervoor aangewend

E Toelichting op de instrumenten
3.1 Kwaliteit Rijksdienst

Subsidies

Arbeidsmarkt- en opleidingenfonds (A&O-fonds)

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verstrekt in 2014 een subsidie aan het A&O-fonds Rijk. Deze subsidie is onderdeel van de CAO-afspraken. Het fonds zet de subsidie in voor arbeidsmarktprojecten (zoals het project gezondheid en inzetbaarheid) binnen het Rijk die het bestuur van het A&O-fonds goedkeurt. Jaarlijks wordt hiervoor een beleidsplan gemaakt.

Opdrachten

Bedrijfsvoering Rijk

Om de kwaliteit van de Rijksdienst te verbeteren wordt in 2014 op het terrein van organisatie en het personeel verder gewerkt aan het realiseren van in-, door- en uitstroom van rijksambtenaren.

Het Van Werk Naar Werk (VWNW) beleid (uit het akkoord afgesloten door Minister voor Wonen en Rijksdienst en vakbonden van rijksambtenaren) vormt hierbij een belangrijke factor. Het platform Mobiliteit (bestaande uit de vier mobiliteitsorganisaties bij het Rijk) werkt enkele punten uit het akkoord uit. Ook begeleiden de medewerkers van de mobiliteitsorganisaties van werk naar werk met behulp van diverse instrumenten, zoals het extern detacheren, de arbeidsmarktpositie meter, de (inter) departementale carrousels en de employability scan.

Op het gebied van ICT wordt verder gewerkt aan de ambities uit de I-strategie Rijk (Kamerstukken II, 26 643, nr. 216), te weten een meer samenhangende I-infrastructuur, een platform voor tijd-, plaats- en apparaatonafhankelijk werken en de beheersing van grote ICT-projecten. Verder wordt de gesloten rijkscloud uitgewerkt en gerealiseerd. Er zal, naast de aansluiting van de verschillende rijksonderdelen op de vastgestelde generieke voorzieningen, aandacht worden besteed aan de invoering van de Baseline Informatiebeveiliging Rijk. Het DWR Archief, de Digitale Werkomgeving voor de Rijksdienst, wordt doorontwikkeld. Met vijf ministeries (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Financiën, Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Economische Zaken en Onderwijs Cultuur en Wetenschap) worden in 2014 pilotprojecten gestart. Het DWR Archief wordt als generieke dienst vastgesteld. De Enterprise Architectuur Rijk zal worden doorontwikkeld om uiteindelijk tot definitieve besluitvorming te komen in 2014. Daarnaast wordt de architectuurkennisbank opgeleverd en de Standaardenlijst Rijk doorontwikkeld.

In 2014 wordt de realisatie van de (Rijks)Overheidsdatacenters afgerond en start de exploitatie ervan. De migratie en sluiting van de oude datacenters naar deze nieuwe (Rijks)Overheidsdatacenters wordt verder uitgevoerd. De ingezette vermindering van het aantal ICT-organisaties wordt voorgezet.

In 2014 zijn alle Inkooporganisaties (IUC’s) ingericht en hebben deze een kwaliteitstraject, gericht op de verdere professionalisering van de inkoop, doorlopen. Alle 47 categorieën voor de generieke inkoop zijn operationeel. Randvoorwaarde voor een efficiënt inkoop- en aanbestedingsproces is verder gaande digitalisering. In 2014 zullen alle departementen dan ook zijn aangesloten op digiInkoop. Voor wat betreft de inkoopbeleiddoelen zullen milieucriteria, sociale voorwaarden, social return en de focus op zo innovatief mogelijk inkopen een integraal onderdeel uitmaken van de rijksbrede inkooppraktijk.

De rijksbrede kengetallen over de bedrijfsvoering staan vermeld in de jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk2.

Bijdragen aan agentschappen

Arbeidsmarkt Communicatie

Het Expertisecentrum Organisatie & Personeel (EC O&P) van de Werkmaatschappij voert de rijksbrede arbeidsmarktcommunicatie uit, levert het functioneel beheer van de carrièresites overheid (CSO platform) en heeft de regie over het technisch en applicatiebeheer en wijzigingen van het platform.

Artikel 4. Uitvoering Rijkshuisvesting (VERVALT wordt artikel 6)

Tabel 4.1 Uitvoering Rijkshuisvesting

(x € 1.000)

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

0

61.707

0

0

0

0

0

                 

Uitgaven:

0

61.707

0

0

0

0

0

 

Waarvan juridisch verplicht

(percentage)

             
                 

4.1

Een doelmatige uitvoeringspraktijk van de rijkshuisvesting

0

61.707

0

0

0

0

0

                 
 

Bijdragen aan baten-lastendiensten

0

61.707

0

0

0

0

0

 

Bijdrage aan Rgd voor huisv Koninklijk Huis, HoCoSta's en AZ

0

37.936

0

0

0

0

0

 

Bijdrage aan Rgd voor monumenten

0

10.744

0

0

0

0

0

 

Bijdrage aan Rgd voor rijkshuisvesting

0

13.027

0

0

0

0

0

                 
 

Ontvangsten

0

657

0

0

0

0

0

Artikel 5. Beheer materiële activa (VERVALT wordt artikel 6)

Tabel 5.1 Beheer materiele activa

(x € 1.000)

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

0

89.182

0

0

0

0

0

                 

Uitgaven:

0

89.182

0

0

0

0

0

 

Waarvan juridisch verplicht

(percentage)

             
                 

5.1

Beheer onroerend goed

0

56.415

0

0

0

0

0

 

Bekostiging

0

56.415

0

0

0

0

0

 

Zakelijke lasten

0

56.415

0

0

0

0

0

                 

5.2

Bijdrage aan RVOB

0

21.888

0

0

0

0

0

 

Bijdragen aan baten-lastendiensten

0

21.888

0

0

0

0

0

 

Bijdrage RVOB

0

21.888

0

0

0

0

0

                 

5.3

Beheer en plankosten

0

10.879

0

0

0

0

0

 

Opdrachten

0

10.879

0

0

0

0

0

 

Beheer en plankosten

0

10.879

0

0

0

0

0

                 
 

Ontvangsten

0

150.786

0

0

0

0

0

Artikel 6. Uitvoering rijksvastgoedbeleid (WAS artikel 4 en artikel 5)

A Algemene doelstelling

Uitvoering geven aan rijksvastgoedbeleid door:

  • het verzorgen van de rijkshuisvesting van Hoge Colleges van Staat en het Koninklijk Huis, het beheren van monumenten die, naar hun aard, niet geschikt zijn voor rijkshuisvesting en het uitvoeren van het rijkshuisvestingsbeleid.

  • het realiseren van een optimaal financieel resultaat bij het verwerven, beheren, ontwikkelen en vervreemden van materiële activa (onroerend goed) van/voor het Rijk voor de realisatie van rijksdoelstellingen.

B Rol en verantwoordelijkheid

De Minister voor Wonen en Rijksdienst is op basis van het Besluit Rijksgebouwendienst 1999 (KB), als opdrachtgever en uitvoerder verantwoordelijk voor:

  • de huisvesting van de Hoge Colleges van Staat en het Ministerie van Algemene Zaken.

  • de huisvesting van het Koninklijk Huis, voor zover vallend onder de verantwoordelijkheid van de Staat.

  • het beheer en onderhoud van de monumenten die aan de Rijksgebouwendienst zijn toevertrouwd en die naar hun aard niet geschikt zijn voor de huisvesting van rijksdiensten.

  • de doelmatige uitvoeringspraktijk van de rijkshuisvesting binnen de wettelijke en afgesproken kaders.

Daarnaast is de Minister voor Wonen en Rijksdienst op het terrein van rijksvastgoed verantwoordelijk voor:

  • de uitvoering van het (privaatrechtelijk) beheer van onroerende zaken die aan de Staat toebehoren dan wel zijn toevertrouwd, een en ander voor zover de verantwoordelijkheid voor dat beheer niet bij of krachtens de wet bij een of meer andere ministers is gelegd.

  • de coördinatie van de samenwerking en afstemming tussen de diensten die onderdeel vormen van het rijksvastgoedstelsel, zowel in de regio als landelijk (regiefunctie). Ter bevordering van de samenwerking en afstemming tussen de diensten fungeert de Raad voor Vastgoed Rijksoverheid (RVR). Ter bevordering van de samenwerking en afstemming tussen de departementen ten aanzien van rijksvastgoed fungeert de Interdepartementale Commissie Rijksvastgoed (ICRV). De minister draagt zorg voor de ondersteuning van de RVR en de ICRV en is verantwoordelijk voor de totstandkoming van de rijks(brede) vastgoedportefeuillestrategie, die de ministerraad jaarlijks vaststelt.

  • de vertegenwoordiging namens het Rijk bij gebiedsontwikkelingsprojecten waarbij meervoudige rijksdoelstellingen aanwezig zijn. Ook hierbij wordt gestreefd naar een optimale inzet van (overtollige) rijksactiva en/of financiële bijdragen van het Rijk.

Middelenafspraken

De Minister voor Wonen en Rijksdienst verzorgt de ingebruikgeving en vervreemding van (overtollige) onroerende zaken van andere ministers. Voor zover er op basis van de begrotingsregels van het kabinet sprake is van een middelenafspraak met een minister, wordt de opbrengst uit ingebruikgeving en/of vervreemding door deze minister begroot en verantwoord op de eigen begroting.

C Beleidwijzigingen

Gelet op de overname van de verantwoordelijkheid voor rijksvastgoed van de Minister van Financiën door de Minister voor Wonen en Rijksdienst zijn met ingang van 2014 de begrotingen van Rijksgebouwendienst (voorheen: begroting VII Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, artikel «Uitvoering rijkshuisvesting») en van het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (voorheen: begroting IX-B Ministerie van Financiën, artikel «Beheer materiële activa») ondergebracht in één artikel. Het budget van de derde partij, directie Rijksvastgoed, bestaat alleen uit apparaatskosten en die staan op het centrale artikel apparaatskosten.

D1 Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 6.1 Uitvoering rijksvastgoedbeleid

(x € 1.000)

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

0

0

144.826

144.146

143.227

139.809

139.135

                 

Uitgaven:

0

0

144.826

144.146

143.227

139.809

139.135

 

Waarvan juridisch verplicht

(percentage)

   

95%

       
                 

6.1

Doelmatige uitvoeringspraktijk van de Rijkshuisvesting

0

0

57.753

57.716

57.823

55.694

55.566

 

Bijdragen aan baten-lastendiensten

0

0

57.753

57.716

57.823

55.694

55.566

 

Bijdrage aan Rgd voor huisv Koninklijk Huis, HoCoSta's en AZ

0

0

37.905

37.861

37.396

37.299

37.171

                 
 

Bijdrage aan Rgd voor monumenten

0

0

10.195

10.196

10.196

10.196

10.196

 

Bijdrage aan Rgd voor rijkshuisvesting

0

0

9.653

9.659

10.231

8.199

8.199

                 

6.2

Beheer materieel activa

0

0

87.073

86.430

85.404

84.115

83.569

 

Opdrachten

0

0

9.679

9.679

9.679

9.679

9.679

 

Beheer en plankosten

0

0

9.679

9.679

9.679

9.679

9.679

 

Bekostiging

0

0

56.415

56.415

56.415

56.415

56.415

 

Zakelijke lasten

0

0

56.415

56.415

56.415

56.415

56.415

 

Bijdragen aan baten-lastendiensten

0

0

20.979

20.336

19.310

18.021

17.475

 

Bijdrage RVOB

0

0

20.979

20.336

19.310

18.021

17.475

                 
 

Ontvangsten

0

0

116.841

118.741

117.141

136.741

136.741

D2 Budgetflexibiliteit

De middelen voor het huisvesten van het Koninklijk huis, de Hoge Colleges van Staat en het Ministerie van Algemene Zaken zijn grotendeels belegd met vergoedingen voor lopende projecten waarover met de gebruikers afspraken zijn gemaakt. Het restant wordt als beleidsmatig gebonden beschouwd, omdat hiermee kleinere investeringen in de huisvesting mee worden gerealiseerd.

De middelen voor monumenten worden, voor zover ze niet juridisch zijn verplicht als beleidsmatig gebonden beschouwd, gezien de zorg die de Rijksgebouwendienst heeft voor deze monumenten. De middelen voor rijkshuisvesting worden, voor zover ze niet juridisch zijn verplicht, als beleidsmatig gebonden beschouwd. Dit is met name van belang voor de middelen voor de uitvoering van het programma FCIB (Functioneel Controleren, Inregelen en Beproeven), die door de betrokken departementen zijn overgeboekt naar dit artikel.

E Toelichting op de instrumenten
6.1 Doelmatige uitvoeringspraktijk van de Rijkshuisvesting

Bijdage aan baten-lastendiensten

Bijdrage aan Rgd voor huisvesting Koninklijk Huis, HoCoSta’s en AZ

Deze bijdragen zijn bedoeld voor betalingen aan de Rijksgebouwendienst om de kosten te dekken van huisvesting van de Hoge Colleges van Staat en het Ministerie van Algemene Zaken. Voor het Koninklijk Huis betreft het de drie staatspaleizen: Paleis Noordeinde, Paleis Huis ten Bosch en het Koninklijk Paleis Amsterdam. Bovenstaande rijkshuisvesting valt buiten het huur-verhuurstelsel van het Rijk. Daarom worden de uitgaven niet op de begroting van de organisaties zelf, maar op de begroting van Wonen en Rijksdienst verantwoord.

Bijdrage aan Rgd voor monumenten

Er wordt bijgedragen aan de Rijksgebouwendienst voor het beheer en onderhoud van monumenten in bezit van de dienst. Dit betreft monumenten die naar hun aard niet geschikt zijn voor huisvesting van rijksdiensten. De Rijksgebouwendienst zet zich in voor het bevorderen van de gebruiksmogelijkheden en verhuurbaarheid van de monumenten.

Beoogde prestaties voor 2014 zijn:

Tabel Gebruiksgraad monumenten

Prestatie-indicator

Basiswaarde

Peildatum

Streefwaarde

Periode

Gebruiksgraad monumenten zonder huisvestingsfunctie per jaarultimo

95%

2009

95%

2014

Bron: W&R/Rgd administraties: monumentencatalogus en contractadministratie.

Toelichting op de tabel: Een deel van de monumenten zonder huisvestingsfunctie is naar hun aard niet geschikt voor gebruik, zoals gedenknaalden of grafmonumenten. Deze objecten zijn buiten de berekening van de gebruiksgraad gehouden.

Bijdrage aan Rgd voor rijkshuisvesting

De Rijksgebouwendienst draagt bij aan de realisatie van rijksdoelstellingen door te werken aan energiebesparing in de rijkshuisvesting; de duurzaamheid van de gebouwenvoorraad van het Rijk te verbeteren; de doelmatige werking van het rijkshuisvestingstelsel te bevorderen. En ook door bij te dragen aan de totstandkoming van de rijkswerkplek en uitvoering te geven aan professioneel publiek opdrachtgeverschap in de bouw. Dit gebeurt door middel van zorgvuldig en transparant aanbesteden, de coördinatie van publieke aanbestedende diensten en afstemming met de markt. En ook door werkzaamheden van de Rijksbouwmeester voor de bevordering en bewaking van de kwaliteit van de architectuur, voor de stedenbouwkundige inpassing en van de beeldende kunst. Dit komt tot uiting bij het tot stand brengen, het wijzigen en het beheren van gebouwen, werken en terreinen waarover de zorg van de Rijksgebouwendienst zich uitstrekt.

In 2014 worden de maatregelen voor Energiebesparing in het kader van FCIB (het Functioneel Controleren, Inregelen en Beproeven van klimaatinstallaties) voor tranche 1 (met name objecten met een 24-uursfunctie) afgerond. Met FCIB worden klimaatinstallaties in gebouwen zodanig ingeregeld, dat een optimaal thermisch comfort wordt bereikt bij een minimale verstoring van het bedrijfsproces en een zo laag mogelijk energiegebruik.

6.2 Beheer materiële activa

Opdrachten

Beheer en plankosten

Het gaat hierbij om uitgaven voor onderhoud en beheer van de onroerende zaken. Beheerkosten zijn (externe) kosten in verband met ingebruikgeving en vervreemding, bijvoorbeeld taxatiekosten.

Bekostiging

Zakelijke lasten

Het gaat hier om de betaling van door gemeenten en waterschappen opgelegde belastingen en heffingen op onroerende zaken in eigendom bij de Staat. Gedacht moet worden aan de onroerendezaakbelasting, waterschapsheffingen en rioolheffingen bij de onroerende zaken van de Staat. De uitgaven bestaan voor 80% uit gemeentelasten en voor 20% uit waterschapslasten.

Bijdragen aan baten-lastendiensten

Bijdrage RVOB

Het betreft de bijdrage aan het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf voor de uitvoering van het (privaatrechtelijk) beheer van onroerende zaken die de Staat toebehoren en het vertegenwoordigen van het Rijk bij bepaalde gebiedsontwikkelingsprojecten. De uitvoering van het (privaatrechtelijk) beheer houdt hoofdzakelijk in: het verwerven, beheren, ontwikkelen en vervreemden van onroerende zaken. De diverse taakstellingen van Rutte II zijn in de bijdragen verwerkt.

Ontvangsten

Zakelijke lasten

Het merendeel van de ontvangsten betreft de vergoeding die het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf ontvangt vanuit de gebruiksvergoeding in het rijkshuisvestingsstelsel voor het door hem betaalde eigenarendeel van de onroerendezaakbelasting. Daarnaast gaat het om terugbetalingen door de huurders van door het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf betaalde gebruikerslasten.

Ingebruikgevingen

Het gaat hierbij om de ingebruikgeving (verhuring) van de onroerende zaken van de Staat voor zover er voor de opbrengst uit ingebruikgeving geen middelenafspraak bestaat.

Het gaat hierbij om inkomsten uit verpachting, huur, huurrechten benzinestations langs rijkswegen en verhuur jachtgenot.

Verkoop bodemmaterialen

Hieronder vallen de ontvangsten uit de verkoop van bodemmaterialen, zoals zand.

Vervreemding

Het gaat hierbij om de vervreemding van de onroerende zaken van de Staat, voor zover voor de opbrengst uit vervreemding geen middelenafspraak bestaat.

Het betreft de inkomsten uit met name vervreemding van agrarische onroerende zaken en om vervreemding van overige onroerende zaken.

Veiling huurrechten benzinestations

Het betreft de ontvangsten uit de veiling van huurrechten van benzinestations langs rijkswegen.

4. DE BATEN-LASTENAGENTSCHAPPEN

4.1 Logius

Inleiding

Logius is opgericht als gemeenschappelijke beheerorganisatie voor overheidsbrede ICT-oplossingen. Logius is onderdeel van het directoraat-generaal Organisatie en Bedrijfsvoering Rijk (DGOBR). De missie van Logius luidt: «Logius, de dienst digitale overheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, biedt publieke dienstverleners een samenhangende ICT-infrastructuur, zodat burgers en bedrijven betrouwbaar, snel, groen en gemakkelijk elektronisch zaken met hen kunnen doen».

Logius heeft 4 taken:

  • 1) beheer en exploitatie van bestaande producten;

  • 2) inbeheername van nieuwe producten;

  • 3) doorontwikkeling;

  • 4) stimuleren van veilig gebruik.

1) Beheer en exploitatie van bestaande producten

Logius verzorgt het beheer en de exploitatie van overheidsbrede ICT-producten en -standaarden. Beheer en exploitatie hebben betrekking op het stabiel draaiend houden van een product en het (daadwerkelijk) beschikbaar stellen daarvan aan klanten. Vooraf vastgestelde dienstverleningsafspraken geven klanten inzicht in wat zij kunnen verwachten van de producten die Logius in beheer heeft.

2) Inbeheername van nieuwe producten

Bij de inbeheername van een nieuw product toetst Logius in hoeverre dit product voldoet aan de eisen om in beheer te worden genomen. Uitgangspunt is dat nieuwe producten passen in de missie van Logius en derhalve betrekking hebben op infrastructurele producten met een generiek karakter.

3) Doorontwikkeling

Logius is een beheerorganisatie; doorontwikkeling vindt daarom zo veel mogelijk buiten Logius plaats. Om in een vroeg stadium te kunnen sturen op gewenste functionaliteiten die nodig zijn voor optimaal beheer, verzorgt Logius veelal de tactische aansturing van doorontwikkelactiviteiten. Indien klanten een nieuwe functionaliteit op een bestaand product wensen en er is een beleidsopdrachtgever bereid zorg te dragen voor de financiering ervan, dan is er sprake van doorontwikkeling.

4) Stimuleren van veilig gebruik

De winst van een gemeenschappelijke beheerorganisatie als Logius komt pas echt van de grond als steeds meer overheidorganisaties gebruik maken van de producten van Logius. Logius onderhoudt daartoe contacten met (potentiële) klanten, inventariseert klantwensen, geeft voorlichting over (nieuwe) producten en zorgt voor de uitwisseling van best practices. Logius ondersteunt klanten in het stimuleren van het veilig gebruik door eindgebruikers (burgers en bedrijven). Een goede elektronische dienstverlening aan burgers en bedrijven is gebaat bij een brede inzet van de producten van Logius, niet alleen in aantal aansluitingen, maar ook in aantal processen en in het daadwerkelijk gebruik door klanten.

Ontwikkelingen 2014 en verder

In het regeerakkoord is de doelstelling opgenomen dat de dienstverlening door overheden beter moet. Bedrijven en burgers kunnen uiterlijk 2017 zaken die ze met de overheid doen – zoals het aanvragen van een vergunning – digitaal afhandelen.»

In de Hervormingagenda is het streven opgenomen dat in 2017 de rijksdienst volledig digitaal werkt, zowel in dienstverlening naar burgers als qua organisatie. Logius zit met een groot aantal van zijn (basis)voorzieningen in de kern van deze ontwikkeling. De activiteiten van de werkgroep SGO-3 «Versnelde effectieve inzet van basisregistraties» en de SGO-9 raken daarbij diep in de organisatie Logius. De financiële gevolgen van deze ontwikkelingen zijn nog niet concreet uitgewerkt in businesscases en daarom ook nog niet meegenomen in deze begroting en meerjarenraming.

Daarnaast is informatiebeveiliging een zeer actueel en groeiend vraagstuk. Aanvallen en inbreuken op het ongestoord digitaal functioneren van Nederland, worden steeds complexer en ingenieuzer. Het beleid is erop gericht om de kwaliteit van informatiebeveiliging een impuls te geven. Een groot deel van de producten van Logius maken een integraal onderdeel uit van het primaire proces van de klanten.

Als laatste neemt het gebruik van de producten en voorzieningen die Logius levert, komende jaren fors toe. De overheid gaat het digitale kanaal als primaire kanaal richting de burger en het bedrijfsleven inzetten. Dit veroorzaakt een toename van aansluitingen, authenticaties en berichtenverkeer.

Exploitatie

Baten-lastenagentschap Logius
Begroting van baten en lasten voor het jaar 2014 (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Baten

             

Omzet moederdepartement

42.755

31.810

34.977

30.677

29.130

27.173

26.442

Omzet overige departementen

34.755

52.116

45.408

46.585

47.174

46.887

47.828

Omzet derden

4.490

2.452

10.885

12.133

12.145

12.670

13.357

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

82.000

86.378

91.270

89.394

88.450

86.730

87.627

               

Lasten

             

Apparaatskosten

74.943

83.412

91.064

112.894

109.401

112.444

109.869

– personele kosten

23.322

23.068

28.230

34.997

33.914

34.858

34.059

– wv eigen personeel

 

13.675

15.527

19.248

18.653

19.172

18.732

– wv externe inhuur

 

9.393

12.704

15.749

15.261

15.686

15.327

– materiële kosten

51.621

60.344

62.834

77.897

75.487

77.586

75.810

– wv apparaat ICT

 

35.044

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

– wv bijdrage SSO's

 

1.440

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

Rentelasten

13

275

25

25

25

25

25

Afschrijvingskosten

1.027

1.469

1.381

1.381

1.381

1.381

1.381

– materieel

1.027

1.469

1.381

1.381

1.381

1.381

1.381

– wv apparaat ICT

 

1.469

1.381

1.381

1.381

1.381

1.381

– immaterieel

0

0

0

0

0

0

0

Overige lasten

116

0

0

0

0

0

0

– dotaties voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

– bijzondere lasten

116

0

0

0

0

0

0

               

Totaal lasten

76.099

85.156

92.470

114.300

110.807

113.850

111.275

               

Saldo van baten en lasten

5.901

1.222

– 1.200

– 24.905

– 22.357

– 27.120

– 23.648

Toelichting

Uitgangspunt voor de begroting van baten en lasten van Logius is een kostendekkende exploitatie. De lasten bedragen in 2014 € 92 mln. Het betreft voornamelijk de kosten die worden gemaakt voor de taken beheer en exploitatie € 87,5 mln.. Bij de authenticatie en autorisatievoorzieningen, zoals DigiD en DigiD Machtigen, heeft Logius een verantwoordelijkheid om de veiligheid en de betrouwbaarheid te bewaken.Voor deze voorzieningen is een totaalbedrag van € 19,6 mln geraamd. De basiskosten van DigiD zijn afgenomen tot € 11,9 mln, wat leidt tot een versobering van de dienstverlening in 2014. Verder is er een toename van gebruik op een hoger beveiligingniveau € 2,1 mln en zijn er kosten voor veiligheidsmaatregelen € 2 mln en voor het monitoren van een deel van de beveiligingsassessments 2013 € 0,7 mln. Voor DigiD Machtigen is € 2,9 mln. beschikbaar. De kosten voor de digipoort OTP € 8,6 mln zijn door groei in gebruik alsmede vanwege doorontwikkelingen toegenomen.Ook hier zijn geen kosten voor doorontwikkeling beschikbaar.Daarnaast is er een forse groei in het gebruik van Keten informatieservice (KIS) en Managed services, circa € 20 mln., door de programma’s Standard Business Reporting (SBR), DigiInkoop en MijnOverheid (berichtenbox). De overige beheerkosten voor deze programma’s zijn € 18 mln. Ditzelfde geldt voor de stelselproducten € 6,5 mln. Daarnaast is eHerkenning € 4 mln in beheer genomen en zijn de kosten van de overige producten circa € 12 mln. (onder andere Haagsche Ring, PKI, Rijkdiensten en Supd@x).

Daarnaast zijn er kosten geraamd voor doorontwikkeling € 1 mln. Inbeheernames € 1 mln. Stimulering van Veilig gebruik € 1 mln. en Werk in opdracht € 1,5 mln

De materiële lasten bestaan uit de kosten die worden gemaakt voor het in stand houden van de netwerken, waaronder de contracten met leveranciers en uitbesteding. De personele lasten bedragen € 34 mln., waarvan € 15 mln. externe inhuur.

Het uitgangspunt is dat het exploitatiesaldo 2013 en 2014 met elkaar verrekend worden via het Eigen Vermogen van Logius. Vanaf het jaar 2015 is er een negatief saldo van baten en lasten. De stijging van de kosten wordt veroorzaakt door een voorziene toename van het gebruik van de voorzieningen en de hogere eisen die worden gesteld aan kwaliteit en veiligheid. De omvang en het structurele karakter van dit budgettaire knelpunt is onderwerp van gesprek tussen opdrachtnemer (Logius) en opdrachtgevers.

Kasstroomoverzicht 2014

Baten-lastenagentschap Logius
(bedragen x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

1.

Rekening-courant RHB 1 januari 2013

20.687

0

0

       

2.

Totaal operationele kasstroom

29.988

1.469

1.381

1.381

1.381

1.381

1.381

 

Totaal investeringen (-/-)

– 6.031

– 370

– 5.000

       
 

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

0

           

3.

Totaal investeringskasstroom

– 6.031

– 370

– 5.000

0

0

0

0

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

0

0

0

       
 

Eenmalige storting door het moederdepartement (+)

2.192

0

0

       
 

Aflossingen op leningen (-/-)

– 246

– 1.469

– 1.381

– 1.381

– 1.381

– 1.381

– 1.381

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

6.880

370

5.000

       

4.

Totaal financieringskasstroom

8.826

– 1.099

3.619

– 1.381

– 1.381

1.381

– 1.381

5.

Rekening-courant RHB 31 december 2013 (=1+2+3+4)

53.470

0

0

0

0

0

0

Operationele kasstroom

Het operationele kasstroomoverzicht toont de meerjarige ontwikkeling van de rekening courant. De kasstroom wordt bepaald door het jaarlijkse bedrijfsresultaat, de investeringen, aflossingen op leningen en overige financiële transacties.

Investeringskasstroom

Voor 2014 wordt de omvang van de investeringen geraamd op € 5 mln. Het grootste deel van de investeringen betreft investeringen ten behoeve van MijnOverheid, eHerkenning en DigiInkoop. Desinvesteringen worden niet verwacht.

Aflossingen op leningen

Deze bedragen betreffen de aflossingen van de aangegane leningen om investeringen te financieren.

Beroep op leenfaciliteit

Het beroep op leenfaciliteit omvat de door Logius bij het Ministerie van Financiën geleende bedragen. Het beroep op de leenfaciliteit wordt gedaan ter financiering van investeringen.

Doelmatigheid

Doelmatigheidsindicatoren
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Omschrijving Generiek Deel

             

Verloop kostprijs (basisjaar 2011 = 100

73

65

63

62

62

62

62

Verloop tarieven (basisjaar 2011 = 100)

100

99

97

96

96

96

96

Totale omzet per product(groep) of dienst

118

119

91

113

109

112

110

% FTE primair proces

78

78

78

78

78

78

78

% FTE Overhead

22

22

22

22

22

22

22

FTE-totaal, excl. externe inhuur

136

166

171

171

171

171

171

Saldo van baten en lasten (%) 1

5,70%

1,40%

– 1,30%

0%

0%

0%

0%

Klanttevredenheid (KTO)

7

7

7

7

7

7

7

Medewerkerstevredenheid (MTO)

7

7

7

7

7

7

7

Betrouwbaarheid/TPM

ja

ja

ja

ja

ja

ja

ja

Periodieke Benchmark producten Logius

uitgevoerd

uitgevoerd

uitgevoerd

uitgevoerd

uitgevoerd

uitgevoerd

uitgevoerd

Omschrijving Specifiek Deel

             

Omzet per productgroep (in %)

. Beheer & exploitatie

51%

82%

94%

84%

86%

82%

86%

. Inbeheername projecten

1%

0%

1%

1%

1%

1%

1%

. Doorontwikkeling

8%

12%

1%

11%

9%

13%

10%

. Stimulering gebruik

2%

2%

2%

2%

2%

2%

2%

. Projecten

38%

4%

2%

2%

2%

2%

2%

Kostprijs DigiD

88

66

75

75

75

75

75

Kostprijs OTP

94

64

82

76

76

76

76

DigiD

. Aantal nieuw aangesloten overheidsorganisaties

20

0

22

22

22

22

22

. Aantal burgers met DigiD

9,9 mln.

9,2 mln.

. Aantal DigiD authenticaties

75,5 mln.

70 mln.

200 mln.

350 mln.

520 mln.

640 mln

800 mln.

PKI-Overheid

. Aantal nieuwe certificaatverstrekkers

0

2

0

0

0

0

0

Digipoort (OTP)

. Aantal aangesloten bedrijven

244

1.500

1.200

1.300

1.400

1.500

1.600

. Aantal berichten via Digipoort

70,8 mln.

70 mln.

80 mln.

85 mln.

90 mln.

95 mln.

100 mln.

Vragen/klachten

. Aantal vragen/klachten

2

2

2

2

2

2

2

. Snelheid van afhandeling

15 dagen

15 dagen

15 dagen

15 dagen

15 dagen

15 dagen

15 dagen

Tijd tussen verzoek klant en realisatie

. Doorlooptijd

100

100

100

100

100

100

100

Contract- en leveranciersmanagement

. Prijsbenchmark

afgerond

afgerond

afgerond

afgerond

afgerond

afgerond

afgerond

X Noot
1

Vanaf 2015 is het saldo van baten en lasten in de exploitietabel negatief. Omdat dit niet aansluit bij de reguliere bedrijfsvoering van Logius en nog onderwerp is van afstemming met opdrachtgevers, is bij de berekeing van het saldo van baten en lasten (%) hier geen rekening mee gehouden.

Toelichting

  • Indexcijfer verloop kostprijs is gebaseerd op het gemiddelde verloop van de volwassen producten, te weten DigiD en de Digipoort OTP.

  • Het streven is de tarieven te verlagen door externe inhuur om te zetten in ambtelijk personeel. De doelstelling daarbij is het sturingspercentage terug te brengen naar 35%. Een eerste verambtelijking is in 2012 ingevoerd, een tweede in 2013 en mogelijk een derde in 2014. Voor de totale omzet per product(groep) of dienst is de totale omzet genomen waarbij 2011 = 100.

  • Benchmark: elke 2 jaar wordt een van de producten van Logius getoetst op marktconformiteit. Hierbij gaat het om producten die minimaal 2 jaar in beheer zijn. Ook in 2013 zal een benchmark voor DigiD worden uitgevoerd.

  • Klanttevredenheid: jaarlijks organiseert Logius een onderzoek naar klanttevredenheid met betrekking tot de dienstverleningsprestaties. De doelstelling is jaarlijks een score van minimaal een 7 te behalen. Dit is vergelijkbaar met de klanttevredenheid zoals deze in de markt is.

  • De stijging van het aantal DigiD authenticaties is het gevolg van een toename in het gebruik DigiD. Hierbij is ook rekening gehouden met de mogelijk verdere stijging in de toekomst door gebruik via mijnoverheid.nl

  • PKI Overheid: dit programma zorgt voor een betrouwbare elektronische communicatie binnen en met de Nederlandse overheid. Met behulp van PKI Overheid-certificaten wordt de informatie beveiligd. Verstrekkers van certificaten moeten voldoen aan wettelijke eisen.

  • Betrouwbaarheid: jaarlijks laat Logius, ten behoeve van het aantonen van kwaliteit, producten die twee jaar of langer in beheer zijn door een onafhankelijke partij certificeren.

4.2 P-Direkt

Inleiding

P-Direkt levert efficiënte en kwalitatief hoogwaardige salaris- en personeelsdiensten. De diensten die P-Direkt beschikbaar stelt zijn daartoe op een moderne wijze ingericht en gebaseerd op principes die passen bij deze tijd, zoals zelfverantwoordelijkheid, vertrouwen en zelfbediening.

P-Direkt wil een kenmerk zijn van hoe de «nieuwe Rijksdienst» zich wil profileren: compact, betrouwbaar, efficiënt en innovatief.

P-Direkt Dienstverlening

De dienstverlening van P-Direkt is een gevarieerd pakket van hrm-services die vooral via het P-Direktportaal geleverd worden, het contactcenter ondersteunt de gebruikers daarbij, en de salarisbetaling en informatievoorziening zijn daarbij belangrijke eindproducten. P-Direkt verzorgt de totale personeels- en salarisadministratie voor alle rijksambtenaren (met uitzondering van Defensie), in totaal zo'n 122.000 medewerkers.

Meerjarenbeleid

P-Direkt heeft haar kabinetsopdracht gerealiseerd. De dienstverlening is opgebouwd, de ministeries zijn aangesloten en jaarlijks realiseerd P-Direct met de departementen rijksbreed € 51 mln euro aan besparingen.

Om als professionele dienstverlener te kunnen doorgroeien, moet P-Direkt zich richten op zowel borging van stabiliteit, betrouwbaarheid en continuïteit van de afgesproken dienstverlening als op verdere verbetering in de kwaliteit en efficiency van de totale dienstverleningsketen. Met als uiteindelijk doel als HR-shared service center qua klanttevredenheid te behoren tot de beste 25% in Nederland, een score op gebruikerstevredenheid van minimaal een 7 realiseren en P-Direkt te positioneren als vanzelfsprekende partner voor nieuwe (HRM-)diensten en nieuwe klanten.

Deze doorontwikkeling vraagt om visie (een gedeeld beeld voor de middellange termijn), sturing en planning. Hiervoor is een Meerjarenplan 2012–2015 ontwikkeld.

Visie en pijlers

Missie, kernwaarden en dienstverleningsmodel vertaald in een concrete visie leiden tot vier speerpunten:

P-Direkt streeft naar Operational Excellence met een sterke gerichtheid op gebruiksgemak. Operational excellence betekent betrouwbare kwaliteit, geen fouten, aantrekkelijke prijs en een tevreden gebruiker.

Begrijpelijkheid en goede werking van de hele HR-keten is noodzakelijk voor efficiënte en kwalitatief goede dienstverlening.

P-Direkt wordt meer en meer dé expert die eindgebruiker en klant goed en begrijpelijk moet kunnen bedienen. Vereenvoudiging van de output en gevraagde input is daarbij sleutel tot succes.

P-Direkt biedt een unieke basis voor verdere uitbreiding van de dienstverlening en als bijdrager aan de compacte rijksdienst: rijksbrede infrastructuur, belangrijke data- en informatiebron.

Deze visie steunt op twee pijlers: doelmatigheid en gebruikerstevredenheid. Ter realisatie van doelmatigheid wordt als methodiek P-Lien – variant van Lean Six Sigma – gehanteerd en standaarden uit de organisatietheorie: van standaardiseren, beheersen en stabiliseren naar innoveren en flexibiliseren. Bij alle activiteiten staat de gebruiker centraal.

De realisatie van de Visie vraagt om structuur, prioriteitstelling en fasering. Daarbij is gekozen voor een plateaubenadering: eerst moet worden gezorgd dat het fundament voor verdere uitbouw van de dienstverlening stevig genoeg is. Deze aanpak leidt tot 4 plateaus: Plateau 1, intern sterk (> 2013), Plateau 2, ketenoptimalisatie (> 2014), Plateau 3, nieuwe dienstverlening (> 2015), Plateau 4, nieuwe klanten (>2016).

Plateau 1 is het fundament voor elke verdere uitbouw van P-Direkt en daarmee het plateau dat als eerste aandacht verdient. Operational excellence – zowel in termen van doelmatigheid als gebruikerstevredenheid – moet gerealiseerd worden voordat ketenoptimalisatie kan slagen. Dit omdat ketenoptimalisatie voor P-Direkt een verbreding van het takenpakket gaat betekenen die anders niet gaat slagen.

Ketenoptimalisatie is nodig om P-Direkt in staat te stellen om nieuwe klanten te bedienen of nieuwe dienstverlening aan te bieden.

De volgorde van plateau 3 en 4 vloeit voort uit:

  • doelmatigheidswinst kan makkelijker en sneller worden gerealiseerd met nieuwe dienstverlening dan met nieuwe toetreders;

  • De complexiteit die het aansluiten van nieuwe toetreders met zich mee kan brengen, zeker waar het gaat om toetreders met afwijkende wet- en regelgeving en arbeidsvoorwaarden.

De doelstellingen voor 2014 zijn:

1 Realiseren van de ketenoptimalisatie

Het doel hierbij is het realiseren van het onbenutte besparingspotentieel uit de uitgevoerde kosten-batenanalyse (€ 10 mln. extra aan jaarlijkse besparingen op de personeelskosten) en verdere kwaliteitswinst in de gehele dienstverleningsketen. Voor het bereiken van dit doel wordt het programma Optimaal Verbinden samen met de ministeries uitgevoerd in de periode 2013 – 2015.

In dit traject ligt de nadruk op de verbeteringen in de gehele dienstverleningsketen en de doelmatigheidswinst die in die keten kan worden behaald. Feitelijk gaat het om business process redesign op grote schaal met als doel de gebruikerstevredenheid verder te doen toenemen (bv. door betere ondersteuning van de manager en een duidelijk loket) en per saldo 200 fte bij de ministeries op de HR-O populatie te bezuinigen. Hierbij wordt voortgebouwd op de lopende pilots van de stuurgroep verkenningen. De besparingen moeten voortvloeien uit het verschuiven van de knip in de HR-keten, waarvan de belangrijkste de procesmatige integratie van HR-ondersteuner en HR-verwerkerstaken is.

2 Kwaliteitsverbetering

Ook in 2014 blijft P-Direkt verder werken aan het continu verbeteren van de kwaliteit van de dienstverlening. Medio 2013 scoort de overall beoordeling van de dienstverlening bij de eindgebruikers een 6,4 en de ambitie is om naar een 7 te groeien. Hiervoor heeft P-Direkt middels het programma «Gebruiker Centraal» samen met de ministeries volop geïnvesteerd in haar personeel, in slimmere werkwijzen en systeemoptimalisatie. Ook door de ministeries worden investeringen en verbeteracties uitgevoerd om de gebruiker optimaal toe te rusten om de dienstverlening goed te kunnen gebruiken. De gebruikers worden inmiddels veel meer en directer betrokken bij het verder verbeteren van de P-Direkt-systemen. In 2014 zal de methode van P-Lean zijn verankerd in de organisatie en zal hiermee een continu proces van toename van gebruikerstevredenheid en efficiency worden nagestreefd.

3 Efficiencyverbetering

P-Direkt heeft voor 2014 en verder een aantal bezuinigingstaakstellingen verwerkt. Het betreft de efficiency verbetering die al eerder is afgesproken met de Eigenaar en de bezuinigingsmaatregelen van het Kabinet.

De eigen efficiency doelstelling

De eigenaar heeft met P-Direkt tot en met 2014 een jaarlijkse efficiencytaakstelling afgesproken. Voor 2014 bedraagt die 3% hetgeen resulteert in een korting op het iar-tarief van € 17,4.

Bezuinigingstaakstelling Rutte I

De bezuinigingstaakstelling is door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties doorvertaald naar P-Direkt voor een bedrag van € 1,573 mln. in 2014 jaarlijks oplopend naar € 2,071 mln. structureel in 2016.

Deze bezuiniging wordt ingeboekt bij de departementen ten laste van de dienstverleningsbudgetten P-Direkt en P-Direkt heeft haar tarieven hiermee naar beneden bijgesteld.

In het gesprek dat P-Direkt met de departementen heeft gevoerd over het niveau van de dienstverlening is het volgende afgesproken.

P-Direkt continueert tot en met 2016 de afgesproken dienstverlening en lost de financiële problematiek zelf op met uitzondering van 2013 waarin het budgettaire gat bij P-Direkt mede is gedicht door doorbelasting van het meerwerk en een additionele tariefopslag.

Voor 2014 en verdere jaren ziet P-Direkt derhalve door efficiëntere werkwijze mogelijkheid kortingen op het tarief toe te passen van € 4,1 per individuele arbeidsrelatie (2014), € 2,6 per individuele arbeidsrelatie (2015) en € 1,7 per individuele arbeidsrelatie (2016). P-Direkt doet dat in samenhang met de bezuinigingstaakstelling Rutte II die per 2016 ingaat.

Bezuinigingstaakstelling Rutte II

De bezuinigingstaakstelling die ingaat per 2016 is bij de ministeries in de begrotingen verwerkt en vanuit de ministeries is de vraag gesteld hoe hier vanuit P-Direkt de komende jaren op ingespeeld zou kunnen worden.

Daarbij moet opgemerkt worden dat P-Direkt inmiddels vanaf 2008 alweer zo’n 6 jaar lang elk jaar 2 a 3 % efficiënter werkt en dat zet een behoorlijke druk op de organisatie.

P-Direkt zal desalniettemin met een versterkte inzet van het interne LEAN-programma een verdere efficiencytaakstelling van maximaal 1,5% (analoog aan de taakstelling Rutte I) op jaarbasis voor de jaren 2015 tot en met 2018 kunnen realiseren: dit betekent dat de P-Direkt tarieven met € 8,5 op jaarbasis naar beneden worden bijgesteld.

P-Direkt start dus een jaar eerder met deze 1,5% efficiencytaakstelling maar neemt daarin dan wel de Rutte I-korting (€ 2,6 in 2015 en € 1,7 in 2016) in mee.

Exploitatie

Baten-lastenagentschap P-Direkt
Begroting van baten en lasten voor het jaar 2014 (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Baten

             

Omzet moederdepartement

7.035

4.143

4.558

4.553

4.487

4.421

4.344

Omzet overige departementen

67.766

68.804

69.295

69.221

67.718

66.228

64.521

Omzet derden

12

0

0

0

0

0

0

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

74.813

72.947

73.853

73.774

72.205

70.649

68.865

               

Lasten

             

Apparaatskosten

55.169

61.210

58.145

56.184

55.127

54.080

53.044

– personele kosten

33.839

37.065

34.304

33.514

32.727

31.944

31.165

– wv eigen personeel

24.925

25.148

24.493

23.891

23.290

22.688

22.086

– wv externe inhuur

8.914

11.917

9.811

9.622

9.438

9.257

9.079

– materiële kosten

21.330

24.145

23.841

22.670

22.400

22.136

21.879

– wv apparaat ICT

 

12.418

12.197

11.982

11.774

11.572

11.376

– wv bijdrage SSO's

 

9.228

9.228

8.335

8.335

8.335

8.335

Rentelasten

3.422

3.100

3.100

2.560

2.020

1.480

1.030

Afschrijvingskosten

11.833

11.850

13.350

14.850

14.850

14.850

14.850

– materieel

88

86

86

81

76

71

66

– wv apparaat ICT

81

81

81

76

71

66

61

– immaterieel

11.745

11.764

13.264

14.769

14.774

14.779

14.784

Overige lasten

0

0

0

0

0

0

0

– dotaties voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

– bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

70.424

76.160

74.595

73.594

71.997

70.410

68.924

               

Saldo van baten en lasten

4.389

– 3.213

– 742

180

208

239

– 59

Saldo van baten en lasten

P-Direkt stuurt op een meerjarig neutraal resultaat en een vermogensbuffer van maximaal 5% van de gemiddelde omzet over de laatste drie jaar. P-Direkt prognosticeert voor eind 2013 een eigen vermogen dat boven het toegestane maximum uitkomt. Om ultimo 2014 op het toegestane percentage uit te komen stuurt P-Direkt voor het jaar 2014 op een resultaat van – € 0,742 mln. De extra kosten worden gemaakt ter verbetering van de informatievoorzieningen en verhoging van de klanttevredenheid.

Doorbelasting van de dienstverlening aan de departementen

Het tarief 2014 van de doorbelasting per individuele arbeidsrelatie (IAR) aan de deelnemers van de totale dienstverlening komt op € 570 ten opzichte van € 580 in 2013.

Apparaatskosten

De personeelskosten omvatten alle personele uitgaven van de ambtenaren in dienst en de gedetacheerde ambtenaren inclusief de kosten van uitzendkrachten en inhuur van externen.

De materiële kosten omvatten de directe inkoopkosten van de dienstverlening (cRMA, HRM-portaal, P-Direktportaal, SAP HR, Licenties en Contactcenter) en de uitgaven voor overige personele lasten, de normale huisvesting, communicatie, automatisering, kantoorkosten, verkoopkosten, adviesopdrachten en overige kosten ten behoeve van het apparaat.

Rentelasten

De rentelasten hebben betrekking op de financieringslasten voor de bij het Ministerie van Financiën aangegane leningen ten behoeve van de aanschaf van de licenties en de bouw van de dienstverlening.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten bestaan uit afschrijvingen van de investeringen in de immateriële en materiële vaste activa.

Kasstroomoverzicht 2014

Baten-lastenagentschap P-Direkt
(bedragen x € 1.000)
   

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

1.

Rekening-courant RHB 1 januari 2014

18.736

21.927

18.714

12.820

11.970

11.620

11.670

2.

Totaal operationele kasstroom

14.828

8.587

7.456

14.000

14.500

14.900

14.900

Totaal investeringen (-/-)

– 405

– 15.000

– 10.000

0

0

0

0

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

0

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

– 405

– 15.000

– 10.000

0

0

0

0

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

0

0

0

0

0

0

0

Eenmalige storting door het moederdepartement (+)

0

0

0

0

0

0

0

Aflossingen op leningen (-/-)

– 11.232

– 11.800

– 13.350

– 14.850

– 14.850

– 14.850

– 14.850

Beroep op leenfaciliteit (+)

0

15.000

10.000

0

0

0

0

4.

Totaal financieringskasstroom

– 11.232

3.200

– 4.850

– 14.850

– 14.850

– 14.850

– 14.850

5.

Rekening-courant RHB 31 december 2014 (=1+2+3+4)

21.927

18.714

12.820

11.970

11.620

11.670

11.720

Voor 2014 is een beroep gedaan op de leenfaciliteit voor de projecten in het kader van de verkenningen nieuwe dienstverlening. Deze lening wordt vanaf 2015 in vijf jaar afgelost.

In 2014 en verder is sprake van een sluitende exploitatie waarin kasbetalingen worden gematched door de kasinkomsten.

Doelmatigheid

P-Direkt verbetert de doelmatigheid in de HR-kolom van de Rijksoverheid en levert een bijdrage aan een slagvaardige rijksdienst. Naast deze «macro«- doelmatigheid streeft P-Direkt naar doelmatigheid van de eigen bedrijfsvoering. Om de bestaande dienstverlening doelmatiger uit te voeren worden de processen onder de loep genomen en geschoond van dubbels en onnodige stappen. Ook worden tijdsintensieve repeterende taken zo veel mogelijk geautomatiseerd.

Deze doelmatigheidswinsten zijn noodzakelijk om de afgesproken efficiencyverbeteringen (zie paragraaf 4.2) te kunnen realiseren.

Dienstverlening

Jaarlijks spreekt P-Direkt met de opdrachtgevers af wat de (ontwikkeling in de) dienstverlening is. Deze wordt vastgelegd in het Jaarplan en de daaraan gekoppelde producten- en dienstengids. Ook worden met hen afspraken gemaakt over de servicelevels op die dienstverlening in het Servicecharter.

Optimaal beheer bedrijfsvoering

P-Direkt geeft uitvoering aan de doelmatigheidseis door bij een kwalitatief goede dienstverlening:

  • te sturen op een optimaal contractmanagement binnen de dienstverlening met leveranciers en afnemers. Onder andere door bij leveranciers afspraken te maken om de dienstverlening jaarlijks goedkoper af te nemen;

  • te sturen op het niveau van kostprijzen om inzichtelijkheid te bieden in het kostenverloop en de resultaten van de dienstverlening.

Kengetallen

P-Direkt werkt met een Producten en Diensten Gids (PDG) en servicelevels die zijn vastgesteld in overleg met de opdrachtgevers. De servicelevels zijn geen doel op zich, maar dienen als minimaal te realiseren normen. De opdrachtgevers mogen er op vertrouwen dat P-Direkt in de dienstverlening streeft naar een zo hoog mogelijke score. De opdrachtgevers worden maandelijks geïnformeerd over de gerealiseerde servicelevels. Samen met hen stelt P-Direkt vast of eventuele tekortkomingen hierin hebben geleid tot onoverkomelijke problemen. Op basis hiervan maakt P-Direkt afspraken voor de servicelevels in de volgende maand(en). Indien noodzakelijk zal P-Direkt de werkzaamheden (her)prioriteren en aanvullende verbetermaatregelen nemen. De invulling van de taakstellingen hebben geen invloed gehad op de het niveau van de servicelevels.

De score op de servicelevels wordt uitgedrukt in percentages of de score op een schaal van 1 – 10.

Doelmatigheidsindicatoren

Omschrijving Generiek Deel

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verloop kostprijzen

584,6

580

570

567

564

561

555

Verloop tarieven (basisjaar 2011 = 100)

102

101

99

99

98

98

97

Aantal individuele arbeidsrelaties (IAR)

125.959

123.670

121.430

119.430

117.430

115.430

113.430

Totale omzet basisdienstverlening (x 1.000)

70.318

68.474

67.688

66.197

64.719

63.253

61.466

Totale omzet overige + projecten (x 1.000)

4.495

4.473

6.165

7.575

7.485

7.395

7.395

FTE-totaal (excl. externe inhuur)

425

425

407

397

387

377

367

Saldo van baten en lasten (%)

5,95%

– 4,40%

– 0,98%

0,24%

0,29%

0,34%

– 0,09%

Medewerkerstevredenheid

7

7

7

7

7

7

7

Omschrijving Specifiek Deel

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

ICT Diensten

Contactcenter gebruikerstevredenheid

6

7

7

7

7

7

7

Tijdige afhandeling mutaties:

             

– opdracht verwerkt voor afgesproken salarisbetaling

90,0%

95,0%

95,0%

95,0%

95,0%

95,0%

95,0%

– kritische mutatieopdrachten (aanstelling, ontslag, overplaatsing) binnen 5 werkdagen afgehandeld.

nvt

95,0%

95,0%

95,0%

95,0%

95,0%

95,0%

Vraagafhandeling Contactcenter

             

– ingediende vragen per telefoon/ e-mail/ post worden binnen 5 werkdagen afgehandeld

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

– per mail in gediende vragen worden in een keer goed afgehandeld

nvt

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

Klachtbehandeling: P-Direkt reageert op klachten ingediend volgens klachtenprocedure binnen 5 werkdagen

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

90,0%

Responsetijden Contactcenter: gemiddelde responstijd voor het opnemen van de telefoon is gemiddeld minder dan 30 seconden na keuzemenu

35,5 sec

30 sec

30 sec

30 sec

30 sec

30 sec

30 sec

Beschikbaarheid systeem

98,0%

98,0%

98,0%

98,0%

98,0%

98,0%

98,0%

Wet- en regelgeving up to date

98,0%

98,0%

98,0%

98,0%

98,0%

98,0%

98,0%

Betrouwbaarheid: P-Direkt draagt zorg voor tijdige en juiste gegevenslevering (interfaces, rapportages)

98,0%

98,0%

98,0%

98,0%

98,0%

98,0%

98,0%

Doorlichting gepland

   

2014

       

De specifieke kwaliteitsindicatoren zijn hieronder kort toegelicht.

  • Beschikbaarheid systeem: de P-Direktsystemen (P-Direktportaal, Rijksportaal Personeel en het P-Dossier) zijn 7x24 uur beschikbaar. Het service-window voor de systemen is van 8.30 uur – 17.00 uur, gedurende deze tijden is de beschikbaarheidnorm van toepassing.

  • Wet- en regelgeving up to date: Wijzigingen met betrekking tot de wet- en regelgeving zijn binnen 2 weken na publicatie in de Staatscourant op het Rijksportaal Personeel raadpleegbaar.

  • Gebruikerstevredenheid: P-Direkt houdt maandelijks een enquête onder medewerkers (gebruikers) op de ministeries. Willekeurige gebruikers ontvangen een e-mail met een uitnodiging om vragen over de dienstverlening van P-Direkt te beantwoorden. Op deze wijze wordt inzicht verkregen in de tevredenheid over het P-Direktportaal, het Contactcenter, het Rijksportaal Personeel en de salarisverwerking.

4.3 De Werkmaatschappij

Inleiding

De Werkmaatschappij is een baten-lastenagentschap onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en per 1 januari 2008 officieel ingesteld. Bij het opstellen van de begroting 2014 is uitgegaan van de bestaande samenstelling van De Werkmaatschappij in 2013. Per 1 januari 2014 bestaat de organisatie uit een Houdster, stafafdeling Financiën & Control en 12 bedrijfseenheden.

De bedrijfseenheden van De Werkmaatschappij leveren een breed scala aan producten en diensten op het terrein van de bedrijfsvoering aan onderdelen van de rijksoverheid. Of het nu gaat om HRM dienstverlening, om grafische dienstverlening of het bieden van coaching of post- en koeriersdiensten. Het speerpunt voor De Werkmaatschappij is het optimaliseren van de bedrijfsvoering van het Rijk zodat de kosten hiervoor kunnen dalen.

Bij het opstellen van de begroting 2014 is uitgegaan van de 2013 tarieven waarbij rekening is gehouden met de generieke taakstellingen. Ingeval van grote structurele stijgingen van toeleveranciers zal De Werkmaatschappij dit doorberekenen in de betreffende tarieven.

Ontwikkelingen

De activiteiten van de Werkmaatschappij worden bekostigd uit de omzet gebaseerd op aan afnemers geleverde producten en diensten tegen jaarlijks vastgestelde tarieven (PxQ). Eventuele gevolgen vanuit het kabinetsbeleid omtrent lage loonschalen en de Hervormingsagenda Rijk voor De Werkmaatschappij zijn nog niet meegenomen in de ontwerpbegroting.

Exploitatie

Baten-lastenagentschap De Werkmaatschappij
Begroting van baten en lasten voor het jaar 2014 (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Baten

             

Omzet moederdepartement

31.817

35.273

32.838

32.455

32.447

32.503

32.503

Omzet overige departementen

77.743

62.546

67.205

68.892

70.609

72.367

72.367

Omzet derden

2.705

5.576

7.602

7.605

7.607

7.619

7.619

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

629

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

806

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

113.700

103.395

107.645

108.952

110.663

112.488

112.488

               

Lasten

             

Apparaatskosten

113.859

102.227

106.805

108.496

110.211

112.019

112.019

– personele kosten

76.344

70.632

79.534

81.021

82.517

84.146

84.146

– wv eigen personeel

63.886

65.687

73.874

75.635

77.416

79.234

79.234

– wv externe inhuur

12.458

5.711

5.660

5.386

5.101

4.912

4.912

– materiële kosten

37.515

31.595

27.271

27.475

27.694

27.873

27.873

– wv apparaat ICT

9.379

7.940

6.818

6.869

6.923

6.968

6.968

– wv bijdrage SSO's

 

8.182

9.282

9.371

9.460

9.551

9.551

Rentelasten

91

0

35

35

35

35

35

Afschrijvingskosten

1.450

868

410

420

417

434

434

– materieel

1.035

371

410

420

417

434

434

– wv apparaat ICT

0

0

0

0

0

0

0

– immaterieel

415

497

0

0

0

0

0

Overige lasten

3.780

40

0

0

0

0

0

– dotaties voorzieningen

859

40

0

0

0

0

0

– bijzondere lasten

2.921

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

119.180

103.135

107.251

108.952

110.663

112.488

112.488

               

Saldo van baten en lasten

– 5.480

260

394

0

0

0

0

* 2012 betreffen realisatie cijfers, 2013 eerste suppletoire begroting en 2014 de ontwerpbegroting

Toelichting

Uitgangspunt voor de begroting van baten en lasten van De Werkmaatschappij is een kostendekkende exploitatie.

Baten

De eenheden die de grootste bijdrage in 2014 leveren aan de omzet en kosten bij De Werkmaatschappij zijn het EC O&P voor ca. € 40 mln., Interim Rijk voor ca. € 19 mln en Vijfkeerblauw voor ca. € 11 mln. De meerjarenontwikkeling van de omzet is een resultante van de verwachte toename van de reguliere productieafzet bij meerdere bedrijfseenheden als gevolg van uitbreiding van de interdepartementale klantenkring en/of aanpassing van het producten en dienstenaanbod op de vraag.

Voor de bezuinigingstaakstelling Rutte II zal De Werkmaatschappij in samenspraak met haar klanten komen tot afspraken voor de invulling van de taakstelling. In de begroting gaat De Werkmaatschappij ervan uit dat de vraaguitval uit hoofde van de additionele taakstelling zal worden gecompenseerd door de aansluiting van (onderdelen van) departementen die nog geen producten en diensten afnemen bij De Werkmaatschappij.

Lasten

De generieke en additionele taakstellingen vragen van De Werkmaatschappij, door het verlagen van de tarieven, ook een verlaging van de kosten. Door de verwachte organische groei en door besparende maatregelen te treffen, houdt De Werkmaatschappij haar kostenniveau de komende jaren ongeveer op hetzelfde niveau. Besparingsmaatregelen zijn onder andere het verhogen van declarabiliteit en terugdringen van externe inhuur.

Kasstroomoverzicht 2014

Baten-lastenagentschap DWM
(bedragen x € 1.000)
   

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

1.

Rekening-courant RHB 1 januari 2014

19.898

20.240

19.773

20.279

20.299

20.117

19.750

2.

Totaal operationele kasstroom

– 9.165

1.128

804

420

418

434

434

 

Totaal investeringen (-/-)

– 1.135

– 1.000

– 1.000

– 1.000

– 1.000

– 1.000

– 1.000

 

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

504

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

– 631

– 1.000

– 1.000

– 1.000

– 1.000

– 1.000

– 1.000

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

0

0

0

0

0

0

0

 

Eenmalige storting door het moederdepartement (+)

9.945

0

0

0

0

0

0

 

Aflossingen op leningen (-/-)

– 597

– 1.595

– 298

– 400

– 600

– 800

– 1.000

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

0

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

4.

Totaal financieringskasstroom

9.348

– 595

702

600

400

200

0

5.

Rekening-courant RHB 31 december 2014 (=1+2+3+4)

19.450

19.773

20.279

20.299

20.117

19.751

19.184

Het hoge Rekening-courantsaldo ultimo 2014 wordt verklaard door omvangrijk geldverkeer bij enkele bedrijfseenheden. De ontwikkeling in het saldo van de rekening courant is een resultante van de ontwikkeling van de operationele kasstroom en de verwachte investeringen.

De Werkmaatschappij streeft ernaar bij een omvangrijke rekening-courantstand een beperkt beroep te doen op de leenfaciliteit. De opgenomen lening betreft dan ook alleen investeringen boven € 0,5 mln.

Doelmatigheid

De Werkmaatschappij levert als Shared Service Organisatie vele producten en diensten. Door de diversiteit van producten en diensten en de tarieven is gekozen voor een tweetal overall indicatoren voor de integrale kostprijzen en de verkooptarieven. Beide zijn door indexcijfers weergegeven (2011 = 100).

Doelmatigheidsindicatoren

Omschrijving Generiek Deel

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Kostprijzen per product (groep) (indexcijfer)

100,8

98,5

99

98,5

98

98

98

Tarieven/uur (indexcijfer)

98

98,5

99

98,5

98

98

98

Omzet per FTE

147.329

133.413

125.612

126.971

128.762

130.746

130.746

               

FTE-totaal (excl. externe inhuur)

762

775

857

860

861

862

862

               

Saldo van baten en lasten (%)

– 4,90%

0,20%

0,37%

0,28%

0,24%

0,20%

0,20%

               

Kwaliteitsindicator 1 – KTO

6,2

7,1

7,1

7,1

7,1

7,1

7,1

Kwaliteitsindicator 2 – MTO

7,5

7,5

7,5

7,5

7,5

7,5

7,5

Doorlichting gepland

   

2014

       

* T.o.v. 2013 eerste suppletoire begroting zijn de indexcijfers van de kostprijzen en tarieven aangepast.

Toelichting

Vanwege de taakstelling op basis van de tarieven van 2011 verlaagt De Werkmaatschappij in de periode 2012 t/m 2016 haar tarieven jaarlijks. De generieke taakstelling is vertaald in jaarlijkse taakstellingsbedragen. De Werkmaatschappij heeft de generieke taakstelling verwerkt door een verlaging van haar tarieven toe te passen. De verlagingen zijn berekend door de taakstellingsbedragen af te zetten in percentages van de omzet van 2011. De BTW verhoging van 2012 is verwerkt in de tarieven van 2013.

De stijging in 2014 van de indexcijfers (zowel tarief als kosten) wordt veroorzaakt door een doorberekende stijging van ICT kosten. De tarieven van De Werkmaatschappij ontwikkelen zich volgens de trend van de bovenstaande indexcijfers. Om een nul resultaat te behalen, moeten de integrale kostprijzen dezelfde trend volgen als de tarieven.

Groei van De Werkmaatschappij is geen doel op zich, maar zal organisch groeien als gevolg van het vollediger aansluiten van departementen. Hierdoor hoeven de departementen minder in eigen beheer uit te voeren dan wel uit te besteden in de markt. Met deze organische groei hangt ook de groei in FTE’s samen.

4.4 FMHaaglanden

Inleiding

FMHaaglanden is een baten-lastenagentschap en valt onder het Directoraat-generaal Organisatie en Bedrijfsvoering Rijk (DGOBR).

FMHaaglanden verzorgt de facilitaire dienstverlening voor de departementen Buitenlandse Zaken (BZ), Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), Infrastructuur en Milieu (IenM), Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), Veiligheid en Justitie (VenJ), Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).

Per 1 januari 2014 sluit het departement Economische Zaken (EZ) aan. Daarna zullen Financiën (FIN) en Algemene Zaken (AZ) nog aansluiten.

FMHaaglanden levert producten en diensten op het gebied van gebouwbeheer, exploitatie, consumptieve diensten, risicobeheersing, schoonmaak, verhuizen, post en reprografie, verstrekken van inrichting, voorzieningen, vervoer, facility management en overige diensten.

FMHaaglanden wil de professionele dienstverlener zijn voor rijksorganisaties in de regio Haaglanden, die gefaciliteerde rijkswerkplekken levert waardoor klanten comfortabel kunnen werken.

De volgende hoofddoelstellingen worden onderscheiden:

  • Het faciliteren van alle rijkorganisaties, uitgezonderd Defensie, binnen het verzorgingsgebied van de regio Haaglanden.

  • Het leveren van rijksbrede producten en diensten met eenduidige normen en uniforme doorbelasting.

  • Tevreden klanten en opdrachtgevers.

Ontwikkelingen

De komende jaren staan voor FMH in het teken van nieuwe aansluitingen, het masterplan huisvesting, de samenwerking met facilitaire concerndienstverleners en de governance en sourcing van de Rijksbrede bedrijfsvoering (project SGO-5).

De realisatie van het masterplan huisvesting leidt tot veel mutaties in het verzorgingsgebied. Dit zal in de komende jaren gepaard gaan met relatief veel verhuisbewegingen tussen de diverse panden.

FMHaaglanden, Belastingdienst (BD), Dienst Justitiële inrichtingen (DJI) en Rijkswaterstaat (RWS) werken gezamenlijk toe naar een rijksbreed netwerk van facilitaire concerndienstverleners (ambitie 2020). Hiervoor is het samenwerkingsverband Landelijk Facilitair Management Overleg (LFMO) opgericht. De concerndienstverleners streven naar een gestandaardiseerd basispakket aan dienstverlening, één kostprijsmodel en een gelijke klantbenadering door de vier facilitaire concerndienstverleners in 2015.

In het regeerakkoord is vanaf 2016 een nieuwe taakstelling voor de Rijksdienst opgenomen. Eén van de projecten die door het SGO is geïnitieerd om bij te dragen aan de toekomstige organisatie en sturing van de bedrijfsvoering bij het concern Rijk is het SGO-project 5 «Governance en sourcing binnen de bedrijfsvoering». Om het eindbeeld in 2016 te implementeren wordt mogelijk in 2014 gestart met een aantal pilot departementen die samen met de SSO’s, waaronder FMHaaglanden, volgens het nieuwe governancemodel gaan werken.

Exploitatie

Baten-lastenagentschap FMH
Begroting van baten en lasten voor het jaar 2014 (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Baten

             

Omzet moederdepartement

32.067

12.567

15.143

14.952

14.765

14.580

14.398

Omzet overige departementen

72.331

82.724

88.882

84.799

83.747

82.711

81.690

Omzet derden

512

0

0

0

0

0

0

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

18

0

20

20

20

20

20

Bijzondere baten

37

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

104.965

95.291

104.045

99.771

98.532

97.311

96.108

               

Lasten

             

Apparaatskosten

96.737

88.365

97.224

93.210

92.053

90.912

89.789

– personele kosten

25.663

23.523

28.777

27.641

27.297

26.957

26.623

– wv eigen personeel

 

21.171

25.899

24.877

24.567

24.262

23.961

– wv externe inhuur

 

2.352

2.878

2.764

2.730

2.696

2.662

– materiële kosten

71.074

64.842

68.447

65.569

64.756

63.955

63.166

– wv apparaat ICT

 

2.523

2.128

2.096

2.064

2.033

2.003

– wv bijdrage SSO's

 

6.115

7.458

7.344

7.234

7.125

7.019

Rentelasten

264

898

424

403

398

393

389

Afschrijvingskosten

4.777

6.028

6.376

6.137

6.061

5.985

5.910

– materieel

4.777

5.828

6.376

6.137

6.061

5.985

5.910

– wv apparaat ICT

0

25

0

0

0

0

0

– immaterieel

0

200

0

0

0

0

0

Overige lasten

37

0

20

20

20

20

20

– dotaties voorzieningen

0

0

20

20

20

20

20

– bijzondere lasten

37

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

101.814

95.291

104.045

99.771

98.532

97.311

96.108

               

Saldo van baten en lasten

3.151

0

0

0

0

0

0

Toelichting op baten en lasten

Uitgangspunt voor de begroting van baten en lasten van FMHaaglanden is een kostendekkende exploitatie. Een eventueel batig saldo zal aan het eigen vermogen worden toegevoegd om toekomstige tegenvallers te kunnen opvangen dan wel in de vorm van een prijsverlaging aan de opdrachtgevers wordt teruggegeven.

In de ontwerpbegroting is geen rekening gehouden met de PPS constructie van de panden Korte Voorhout 7 en Rijnstraat 8 (met uitzondering van de dienst Vervoer). Daarnaast is de aansluiting AZ niet meegenomen in de exploitatie. Voor beide zaken is onvoldoende informatie beschikbaar om de financiële impact te kunnen bepalen. Om diezelfde reden is de impact van demarcatie RGD niet meegenomen in de begroting. Tot slot is er geen indexering toegepast vanaf 2014.

De toename van de omzet van de overige departementen in 2014 is het gevolg van de aansluitingen van Economische Zaken en een klein deel Financiën (FIN).

De generieke taakstelling Rutte I van 6% (4x 1,5%) op het eigen apparaat is zowel verwerkt in de baten als lasten. Dit is niet direct zichtbaar door wijzigingen in het verzorgingsgebied en de dienstverlening.

De bezuinigingstaakstelling Rutte II ligt bij de departementen en wordt ingevuld met een vermindering van taken dan wel versoberingen. FMHaaglanden werkt samen met de opdrachtgevers aan een versobering van het dienstverleningspakket. Doordat DgOBR heeft besloten een deel van Rutte II in te vullen als efficiency taakstelling is de taakstelling Rutte I ad 1,5% per jaar doorgetrokken over de jaren.

Omzet verdeeld per productgroep

Totale omzet per product(groep) of dienst

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Basis

78.943

74.870

86.453

82.632

81.392

80.172

78.969

Basis+

6.428

7.138

7.474

7.406

7.406

7.406

7.406

Maatwerk

11.100

5.157

3.190

3.160

3.160

3.160

3.160

Werkelijk

7.584

7.335

6.619

6.264

6.264

6.264

6.264

Overige opbrengsten

855

791

289

289

289

289

289

Totaal

104.910

95.291

104.025

99.751

98.511

97.291

96.088

Productgroepen

  • Basis: het afgesproken pakket van producten en diensten dat de opdrachtgever afneemt van de opdrachtnemer en waarvoor de opdrachtgever een vaste prijs betaalt per vaste verrekeneenheid. De prijs (p) en de hoeveelheid (q) staan in principe gedurende het jaar vast. Bij substantiële wijzigingen in de dienstverlening zijn aanpassingen gedurende het jaar mogelijk. Het af te nemen volume (q) wordt in het jaar t-1 door de opdrachtgever bepaald.

  • Basis plus: producten en diensten waarvoor de opdrachtgever, afhankelijk van de hoeveelheid afgenomen producten en diensten, een prijs per artikel/product/dienst betaalt. De prijs (p) staat gedurende het jaar vast, de hoeveelheid (q) is afhankelijk van de vraag van artikelen/producten/diensten door de klant/opdrachtgever in het betreffende jaar.

  • Maatwerk: producten en diensten waarover tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer aparte afspraken worden gemaakt en waarvoor opdrachtnemer eerst een offerte uitbrengt aan opdrachtgever. Zowel de prijs (p) als de hoeveelheid (q) zijn dan ook vraag dan wel afname gestuurd.

  • Werkelijke kosten: producten die tegen de werkelijke gemaakte kosten bij de opdrachtgever in rekening worden gebracht. Zowel de prijs (p) en de hoeveelheid (q) zijn dan ook vraag dan wel afname gestuurd.

  • Overig: producten en diensten die buiten de productendienstencatalogus vallen van FMHaaglanden en zijn opgenomen in de specifieke dienstverleningsafspraken (DVA’s) met de opdrachtgever.

Personele kosten

De personele kosten omvatten alle personele uitgaven van de ambtenaren in dienst, gedetacheerde ambtenaren en kosten van uitzendkrachten en inhuur van externen.

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan voor een belangrijk deel uit de directe inkoopkosten van de dienstverlening. Daarnaast vallen de kosten voor huisvesting, ICT en de servicekosten BZK onder deze post.

Afschrijvingskosten

De overgenomen activa van de departementen is geactiveerd en worden conform de betreffende regelgeving afgeschreven. Voor nieuwe investeringen is dit eveneens van toepassing.

Rentelasten

Onder deze post zijn alle rentelasten opgenomen die verband houden met de financiering van materiële en immateriële vaste activa vanuit het Ministerie van Financiën.

Kasstroomoverzicht 2014

Baten-lastenagentschap FMH
(bedragen x € 1.000)
   

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

1.

Rekening-courant RHB 1 januari 2014

16.387

11.235

11.235

11.235

11.235

11.235

11.235

2.

Totaal operationele kasstroom

9.821

6.028

4.981

5.128

5.217

5.287

5.023

 

Totaal investeringen (-/-)

– 18.167

– 6.510

– 8.400

– 4.000

– 4.000

– 4.000

– 4.000

 

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

933

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

– 17.234

– 6.510

– 8.400

– 4.000

– 4.000

– 4.000

– 4.000

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

0

0

0

0

0

0

0

 

Eenmalige storting door het moederdepartement (+)

0

0

0

0

0

0

0

 

Aflossingen op leningen (-/-)

– 4.122

– 6.028

– 4.981

– 5.128

– 5.217

– 5.287

– 5.023

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

18.000

6.510

8.400

4.000

4.000

4.000

4.000

4.

Totaal financieringskasstroom

13.878

482

3.419

– 1.128

– 1.217

– 1.287

– 1.023

5.

Rekening-courant RHB 31 december 2014 (=1+2+3+4)

22.853

11.235

11.235

11.235

11.235

11.235

11.235

Toelichting bij het kasstroomoverzicht

In 2014 is naast de aansluiting ELI en vervangingsinvesteringen rekening gehouden met de investering in een nieuw facilitair management informatie systeem (FMIS). Vanaf 2015 is het uitgangspunt dat er een gelijkmatig investeringsniveau is. Hierdoor blijft het beroep op de leenfaciliteit gelijk.

Doelmatigheid

Doelmatigheidsindicatoren

Omschrijving Generiek Deel

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verloop tarieven basisdienstverlening

96

108

119

117

115

113

111

(norm 2011)

             

Omzet per productgroep (pxq)

             

– Basis

78.943

74.870

86.453

82.632

81.392

80.172

78.969

– Basis+

6.428

7.138

7.474

7.406

7.406

7.406

7.406

– Maatwerk

11.100

5.157

3.190

3.160

3.160

3.160

3.160

– Werkelijk

7.584

7.335

6.619

6.264

6.264

6.264

6.264

– Overige opbrengsten

855

791

289

289

289

289

289

               

FTE-totaal (excl. externe inhuur)

350,7

380

451

437

433

429

424

               

Saldo van baten en lasten (%)

3%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

               

Klanttevredenheid (KTO)

Tevreden

Tevreden

Tevreden

Tevreden

Tevreden

Tevreden

Tevreden

Medewerkerstevredenheid (MTO)

Tevreden

Tevreden

Tevreden

Tevreden

Tevreden

Tevreden

Tevreden

Doorlichting afgerond

2012

           

Toelichting op doelmatigheidsindicatoren

Als gevolg van het nieuwe werken wordt dezelfde werkplek intensiever gebruikt. Een gevolg hiervan is dat ook de invulling van de dienstverlening wijzigt. De kosten voor de dienstverlening dalen niet door het intensiever gebruik van de werkplek.

4.5 Shared Service Centrum-ICT

Inleiding

SSC-ICT Den Haag is de rijksbrede shared service organisatie die de Compacte Rijksdienst ontzorgt met generieke en gemeenschappelijk ICT oplossingen en functioneert met ingang van 1 januari 2013 als baten-lastenagentschap onder BZK/DGOBR.

SSC-ICT is in het kader van project 4 van de Compacte Rijkdienst aangewezen als dienstverlener voor het Overheids Data Center (ODC) voor de Haagse km2. De hiermee verband houdende omzet en kosten is onderdeel van deze begroting. De migratie van de departementale datacenters naar het nieuwe Overheids DataCenter voor de Haagse vierkante kilometer (ODC DH KM2) betekent voor SSC-ICT DH een stijging van de baten en lasten

SSC-ICT Den Haag levert generieke Rijksbrede toepassingen als Rijksportaal en de Samenwerkingsruimte. Daarnaast verzorgt SSC-ICT voor de aangesloten departementen de telecommunicatie, hosting van bedrijfspecifieke applicaties en op de Digitale Werkplekomgeving Rijk (DWR) gebaseerde kantoorautomatisering. In 2014 betreft dit de departementen van BZK, IenM, VWS en SZW.

Naar verwachting wordt conform project 7 van de Compacte Rijksdienst de dienstverlening per 1 oktober 2013 uitgebreid met FIN en medio 2014 met ELI. De financiële verwerking hiervan zal na definitieve besluitvorming plaatsvinden in de eerstvolgende begroting. Eveneens conform project 7 van de Compacte Rijksdienst zal het baten-lastenagentschap GDI, de ICT organisatie van VenJ per 1 januari 2014 overkomen naar BZK. Het streven is GDI per 1 januari 2015 te integreren in SSC-ICT Den Haag.

Exploitatie

Baten-lastenagentschap SSC-ICT
Begroting van baten en lasten voor het jaar 2014 (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Baten

             

Omzet moederdepartement

 

25.507

28.400

28.700

28.200

27.600

27.100

Omzet overige departementen

 

89.679

88.800

90.900

93.500

95.200

96.900

Omzet derden

 

0

0

0

0

0

0

Rentebaten

 

0

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

 

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

 

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

 

115.186

117.200

119.600

121.700

122.800

124.000

               

Lasten

             

Apparaatskosten

 

98.231

99.300

101.100

102.500

103.400

104.600

– personele kosten

 

44.582

45.400

44.700

44.000

43.300

42.700

– wv eigen personeel

 

21.183

22.000

22.000

22.000

22.000

22.000

– wv externe inhuur

 

23.399

23.300

22.600

22.000

21.300

20.700

– materiële kosten

 

53.649

53.900

56.400

58.500

60.100

61.900

– wv apparaat ICT

 

40.598

47.200

49.900

52.200

53.900

55.900

– wv bijdrage SSO's

 

2.811

2.800

2.700

2.600

2.600

2.500

Rentelasten

 

1.365

1.400

1.600

1.700

1.700

1.700

Afschrijvingskosten

 

15.590

16.500

16.900

17.500

17.700

17.700

– materieel

 

15.590

16.500

16.900

17.500

17.700

17.700

– wv apparaat ICT

 

15.579

16.500

16.900

17.500

17.700

17.700

– immaterieel

 

0

0

0

0

0

0

Overige lasten

 

0

0

0

0

0

0

– dotaties voorzieningen

 

0

0

0

0

0

0

– bijzondere lasten

 

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

 

115.186

117.200

119.600

121.700

122.800

124.000

               

Saldo van baten en lasten

0

0

0

0

0

0

Baten en lasten van de dienstverlening

SSC-ICT Den Haag werkt op basis van een kostendekkende op output gebaseerde baten-lastenexploitatie.

Personele kosten

De personele kosten omvatten alle personele uitgaven van de ambtenaren in dienst, gedetacheerde ambtenaren en kosten van uitzendkrachten en inhuur van externen.

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan voor een belangrijk deel uit de directe inkoopkosten van de dienstverlening, zoals kosten voor de (reguliere) ICT-werkplek en hostingskosten voor applicaties. Daarnaast vallen de kosten voor huisvesting, ICT en de servicekosten Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onder deze post.

Rentelasten

De rentelasten hebben betrekking op de financieringslasten voor de bij Financiën aangegane leningen voor de aanschaf van de voor de dienstverlening benodigde materiële vaste activa. Vanaf 2014 betreft dit ook de investeringen in het nieuwe ODC DH Km2. De rente is bepaald met een rekenrente van 4% en wordt verrekend conform de door Financiën bij het aangaan van de leningen gehanteerd tarieven.

Afschrijvingskosten en specifieke ICT middelen

De afschrijvingen bestaan uit afschrijvingen van de investeringen in materiële vaste activa. De voor de generieke en gemeenschappelijke basis- en basisplusdienstverlening benodigde materiële vaste activa zijn in eigendom bij SSC-ICT Den Haag.

Voorzieningen die met projectgebonden rijksgelden, bijvoorbeeld Vernieuwing Rijksdienst, zijn gefinancierd worden niet geactiveerd. Specifieke ICT middelen zijn eigendom van de opdrachtgever.

Kasstroomoverzicht 2014

Baten-lastenagentschap SSC-ICT
(bedragen x € 1.000)
   

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

1.

Rekening-courant RHB 1 januari 2014 (=1+2+3+4)

 

0

4.980

5.000

5.000

5.000

5.000

2.

Totaal operationele kasstroom

 

14.467

16.520

16.900

17.500

17.700

17.700

 

Totaal investeringen (-/-)

 

– 66.654

– 18.800

– 22.600

– 21.100

– 16.300

– 16.800

 

Totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

 

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

 

– 66.654

– 18.800

– 22.600

– 21.100

– 16.300

– 16.800

 

Eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

 

0

0

0

0

0

0

 

Eenmalige storting door het moederdepartement (+)

 

2.869

0

0

0

0

0

 

Eenmalige storting door De Werkmaatschappij (+)

 

5.100

0

0

0

0

0

 

Aflossingen op leningen (-/-)

 

– 17.456

– 16.500

– 16.900

– 17.500

– 17.700

– 17.700

 

Beroep op leenfaciliteit (+)

 

66.654

18.800

22.600

21.100

16.300

16.800

4.

Totaal financieringskasstroom

 

57.167

2.300

5.700

3.600

– 1.400

– 900

5.

Rekening-courant RHB 31 december 2014 (=1+2+3+4)

4.980

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

In het kasstroomoverzicht worden 3 geldstromen onderscheiden:

Als het totaal operationele kasstroom is het saldo van van ontvangsten van afnemers en betalingen aan personeel en crediteuren.

Bij het totaal investeringskasstroom zijn de uitgaven verantwoord die verband houden met de investeringen in materiële vaste activa.

Onder totaal financieringskasstroom is het saldo weergegeven van de ontvangen gelden van de bij Financiën voor investeringen in materiële vaste activa op te nemen leningen, en de aflossingen daarop, alsmede eenmalige uitkeringen van of stortingen aan het moederdepartement Binnenlandse Zaken en Konkrijksrelaties.

Het saldo van al deze geldstromen wordt geregistreerd op de bij de Rijkshoofdboekhouding aangehouden Rekening Courant. Dagelijks wordt hierop tevens het saldo bij- of afgeschreven van de mutaties op de bankrekening van SSC-ICT.

Doelmatigheid

SSC-ICT heeft de taakstellende opdracht haar tarieven in de periode tot en met 2015 jaarlijks met 1,5% te laten dalen. Voor de taakstelling onder Rutte II wordt deze aanpak vanaf 2016 voortgezet.

SSC-ICT Den Haag realiseert de hiervoor benodigde kostenreductie door bij uitbreiding van de dienstverlening efficiency slagen te maken, beperken van de externe inhuur, efficiëntere inzet van materiaal alsmede het scherper inkopen hiervan.

Aanvullend heeft SSC-ICT voorstellen gedaan waarmee de aangesloten departementen hun ICT uitgaven bij SSC-ICT met 10% kunnen verminderen. Het is aan de departementen in hun opdrachtgevende rol hier verder invulling aan te geven.

Ook de migratie van de departementale datacenters naar het nieuwe ODC DH KM2 zal bij de deelnemende departementen een bijdrage leveren aan het terugdringen van de ICT uitgaven.

Doelmatigheid

Omschrijving Generiek Deel

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

taakstellende tariefverlaging

 

– 1,50%

– 1,50%

– 1,50%

– 1,50%

– 1,50%

– 1,50%

Kostprijs voor beheertaken (werkplektarief, exclusief datacenter)

 

1.875

1.840

1.810

1.785

1.760

1.735

               

Totale omzet per product of dienst

 

115.186

117.200

119.600

121.700

122.800

124.000

– wv generiek (infrastructuur, rijksportaal en samenwerkfunctionaliteit en vanaf 2014 ODC DH km2

 

13.642

14.100

14.600

17.700

19.800

22.000

– wv gemeenschappelijk (basis kantoorautomatisering + hosting

 

70.226

71.100

70.000

69.000

68.000

67.000

– wv specifiek (plusdiensten en maatwerk)

 

31.318

32.000

35.000

35.000

35.000

35.000

               

FTE-totaal (excl. externe inhuur)

 

339 fte

342 fte

342 fte

342 fte

342 fte

342 fte

               

Saldo van baten en lasten (%)

 

0%

0%

0%

0%

0%

0%

               

Kwaliteitsindicator 1 – Klanttevredenheid (KTO)

 

7

7

7

7

7

7

Kwaliteitsindicator 2 – Medewerkerteverdenheid (MTO)

 

7

7

7

7

7

7

Omschrijving Specifiek Deel

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

ICT Diensten

             

Beschikbaarheid (betrouwbaarheid) basisfunctionaliteit

 

98%

98%

98%

98%

98%

98%

Geleverd binnen gestelde termijn

 

90%

90%

90%

90%

90%

90%

Incidenten hersteld binnen afgesproken tijd

 

90%

90%

90%

90%

90%

90%

Kwaliteit beantwoorden vragen

             

beantwoorden helpdeskvragen binnen afgesproken tijd

 

95%

95%

95%

95%

95%

95%

direct beantwoorden helpdeskvragen

 

80%

80%

80%

80%

80%

80%

Doorlichting gepland

             

4.6 Rijksgebouwendienst

Inleiding

De Minister voor Wonen en Rijksdienst is verantwoordelijk voor de uitvoering van de rijkshuisvesting door de Rijksgebouwendienst en voor de kaderstelling voor het rijksbrede beleid op het terrein van de rijkshuisvesting, die vanuit het directoraat generaal Organisatie en Bedrijfsvoering Rijk (DGOBR) wordt vormgegeven.

De Rijksgebouwendienst:

  • draagt bij aan het succesvol functioneren van zijn gebruikers door het bieden van efficiënte en effectieve huisvestingsoplossingen.

  • verzorgt voor de Minister voor Wonen en Rijksdienst de huisvesting van de Hoge Colleges van Staat en het Ministerie van Algemene Zaken, de huisvesting van het Koninklijk Huis voor zover vallend onder de verantwoordelijkheid van de Staat en de instandhouding van de monumenten in beheer van de dienst.

  • draagt bij aan de studies en activiteiten van de Rijksbouwmeester zoals advisering over architectuur(beleid), stedenbouw, monumentenzorg en beeldende kunst.

  • is naast Rijkshuisvester, als Corporate Real Estate Manager, ook beheerder over het in de rijkshuisvesting geïnvesteerde vermogen en heeft een verantwoordelijkheid voor het in stand houden van het culturele erfgoed in de vorm van ruim 400 monumenten3. Als Corporate Real Estate Manager adviseert de Rijksgebouwendienst over het aankopen, plannen en afstoten van rijkshuisvesting met als doel een bijdrage te leveren aan het primaire proces en het algemene resultaat van de rijksoverheid.

Exploitatie

Baten-lastenagentschap Rijksgebouwendienst
Begroting van baten en lasten voor het jaar 2014 (x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Baten

             

Leveren producten /diensten

             

Omzet moederdepartement

24.044

21.271

19.848

19.855

20.427

18.395

18.395

Omzet overige de