Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201233197 nr. 3

33 197 Wijziging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer en enkele andere wetten ten behoeve van de implementatie van richtlijn nr. 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging; herschikking; PbEU L 334)

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN DEEL

§ 1. Inleiding

Dit wetsvoorstel houdt verband met de implementatie van richtlijn nr. 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PbEU L 334, hierna: richtlijn industriële emissies). De richtlijn industriële emissies beoogt de integratie van richtlijn nr. 2008/1/EG betreffende de geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna kortweg: IPPC-richtlijn1) en een zestal sectorrichtlijnen op het terrein van industriële emissies, te weten:

  • de drie Titaandioxiderichtlijnen2,

  • de Oplosmiddelenrichtlijn of EG-VOS-richtlijn3,

  • de Afvalverbrandingsrichtlijn4, en

  • de Richtlijn grote stookinstallaties of LCP-richtlijn5.

Doel van de richtlijn industriële emissies is een herziening en samenvoeging van deze zeven richtlijnen met het oog op het bereiken van Europese milieudoelen voor met name luchtkwaliteit en bodembescherming en een vereenvoudiging van het juridische raamwerk. De richtlijn bevat een aantal inhoudelijke wijzigingen ten opzichte van de genoemde zeven richtlijnen, maar bestaat merendeels uit ongewijzigde bepalingen uit die richtlijnen. Deze zeven richtlijnen worden ingetrokken.

De hoofdstukken I, II en VII van de richtlijn industriële emissies komen goeddeels overeen met de inhoud van de IPPC-richtlijn. De IPPC-richtlijn was oorspronkelijk geïmplementeerd in (hoofdstuk 8 van) de Wet milieubeheer (hierna: Wm) en onderliggende regelgeving. Met het in werking treden van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is die implementatieregelgeving goeddeels «verhuisd» naar de Wabo en het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor). Implementatie van de hoofdstukken I en II van de richtlijn industriële emissies vergt vooral een wijziging van het Bor en heeft weinig consequenties voor de tekst van de Wabo en de Wm.

De zes met de IPPC-richtlijn geïntegreerde sectorrichtlijnen waren geïmplementeerd in een viertal afzonderlijke algemene maatregelen van bestuur (en onderliggende ministeriële regelingen):

  • het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A (BEES A),

  • het Besluit verbranden afvalstoffen (Bva),

  • het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer, en

  • het Besluit emissie-eisen titaandioxide inrichtingen.

Implementatie van de hoofdstukken III en volgende van de richtlijn industriële emissies, waarin deze sectorrichtlijnen zijn opgenomen, vindt derhalve niet op wetsniveau plaats, maar op het niveau van de amvb en de ministeriële regeling. Daarbij is de keuze gemaakt om deze hoofdstukken uit de richtlijn industriële emissies niet in de genoemde, afzonderlijke amvb’s te implementeren, maar om deze hoofdstukken op te nemen in het Activiteitenbesluit. Deze keuze wordt nader toegelicht in de nota van toelichting bij de implementatie-amvb. De genoemde amvb’s waarin de in de richtlijn industriële emissies geïntegreerde richtlijnen oorspronkelijk waren geïmplementeerd, zullen worden ingetrokken.

Gelet op de geringe omvang van dit wetsvoorstel wordt volstaan met een globale toelichting op de richtlijn industriële emissies. Een uitgebreide toelichting wordt gegeven in de nota van toelichting bij de implementatie-amvb (een aanvulling en wijziging van het Activiteitenbesluit en het Bor).

Inhoudelijk voorziet dit wetsvoorstel in de implementatie van:

  • artikel 7 en artikel 8 van de richtlijn industriële emissies over maatregelen en meldingen in geval van een incident of niet-naleving in titel 17.1 Wm (artikel III, onderdelen B, D en E). Naar aanleiding daarvan wordt ook de Wet op de economische delicten (Wed) gewijzigd (artikel V).

  • artikel 21, vijfde lid, van de richtlijn over de actualiseringsplicht in artikel 2.30 Wabo (artikel I, onderdeel C);

  • artikel 24 van de richtlijn over toegang tot milieu-informatie in hoofdstuk 19 Wm (artikel III, onderdeel F);

  • de artikelen 51, 59 en 72 van de richtlijn sies over verslaglegging door de lidstaten in artikel 21.2a Wm (artikel III, onderdeel G).

Overigens wordt een begripsbepaling gewijzigd in de Wabo (artikel I, onderdeel A), een wijziging die doorwerkt in een aantal andere bepalingen in de Wabo en in de Wet ammoniak en veehouderij en de Waterwet (artikelen I, II en IV).

De implementatie van een aantal gewijzigde bepalingen in de richtlijn industriële emissies ten opzichte van de IPPC-richtlijn, met name de artikelen 4, 5, 7, 8 en 21, wordt in dit algemeen deel van de memorie van toelichting toegelicht. De overige, louter wetstechnische, wijzigingen worden alleen toegelicht in het artikelsgewijze deel van deze memorie van toelichting. Een complete transponeringstabel is opgenomen na het artikelsgewijze deel van deze toelichting.

§ 2. Hoofdlijnen van de richtlijn industriële emissies

De richtlijn industriële emissies geeft milieueisen voor de meest milieubelastende installaties in de Europese Unie. In Nederland gaat het om circa 4 000 installaties6, waaronder energiecentrales, chemische bedrijven, grote intensieve veehouderijen en afvalverwerkende bedrijven. Het belangrijkste instrument van de richtlijn is de vergunning. Om een vergunning te krijgen, moeten in een IPPC-installatie de beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast om emissies te voorkomen dan wel om deze emissies zo veel mogelijk te reduceren. Bij het bepalen van wat de beste beschikbare technieken zijn, houden vergunningverleners (gemeenten, provincies, waterschappen en Rijkswaterstaat) rekening met Europese referentiedocumenten voor beste beschikbare technieken (afgekort BREF-documenten). Deze documenten geven een overzicht van de beschikbare milieutechnieken en wijzen de technieken aan die de beste milieuprestaties leveren en tevens economisch en technisch haalbaar zijn (de zogenaamde BBT-conclusies).

De belangrijkste wijzigingen die de richtlijn industriële emissies doorvoert zijn de volgende:

  • 1. De sectorrichtlijnen voor stookinstallaties, afvalverbranding, oplosmiddeleninstallaties en titaandioxideproductie zijn omgewerkt tot een aangescherpt en vereenvoudigd milieuvangnet. Dit vangnet stelt voor deze sectoren een harde grens voor vergunningen en algemene regels.7

  • 2. Een concretisering van de eisen aan de doorwerking van de BREF’s in vergunningen en voor het actualiseren van vergunningen;

  • 3. De introductie van programmatisch toezicht en niet-routinematige milieu-inspecties op IPPC-installaties;

  • 4. Een uitbreiding van het aantal IPPC-installaties.

Deze vier genoemde belangrijkste wijzigingen worden om de volgende vier redenen niet of nauwelijks zichtbaar in dit wetsvoorstel:

  • ad 1) De aangescherpte emissiegrenswaarden zullen worden geïmplementeerd in het Activiteitenbesluit. De richtlijn biedt ruimte voor implementatie via algemene bindende voorschriften (zie de artikelen 6 en 17 van de richtlijn).

    In artikel 3, achtste lid, van de richtlijn worden algemene bindende voorschriften gedefinieerd als «emissiegrenswaarden of andere voorwaarden, op sectorieel of hoger niveau, die zijn goedgekeurd met het doel om rechtstreeks te worden gebruikt bij het vaststellen van vergunningvoorwaarden». Algemene bindende voorschriften gelden direct voor bedrijven als ware het vergunningvoorwaarden en moeten dus een gelijkwaardig niveau van milieubescherming bieden als vergunningvoorwaarden (artikel 17, eerste lid) en daarom gebaseerd zijn op de BBT-conclusies. Artikel 8.40 van de Wet milieubeheer garandeert dat uitgangspunt.

    Het bevoegd gezag motiveert de keuze voor bepaalde emissiegrenswaarden in het kader van vergunningverlening en ziet, als verzekerd is dat de algemeen bindende voorschriften de beste beschikbare technieken weerspiegelen, af van het stellen van vergunningvoorwaarden en volstaat alsdan met een verwijzing naar die voorschriften (artikel 6 van de richtlijn, artikel 2.22, vijfde lid, van de Wabo).

  • ad 2) De regeling in artikel 21 van de richtlijn industriële emissies voor de doorwerking van de BREF-documenten bij het actualiseren van vergunningsvoorschriften is al grotendeels voorzien in de artikelen 2.30 en 2.31 van de Wabo en met name in het nieuwe artikel 2.31a van de Wabo.8

    Deze nieuwe bepaling ondervangt eerder in de uitvoeringspraktijk door het bevoegde gezag ondervonden juridische belemmeringen bij het actualiseren van voorschriften uit de vergunning, omdat door de gewenste actualisering sprake zou zijn van het verlaten van de grondslag van de oorspronkelijke vergunningsaanvraag. Nieuw ten opzichte van de IPPC-richtlijn is dat de vaststelling van nieuwe of herziene BBT-conclusies in de richtlijn industriële emissies expliciet als startpunt voor toetsing van vergunningvoorwaarden wordt aangewezen. Voor het toetsen en zo nodig aanpassen van de vergunning aan die nieuwe of herziene BBT-conclusies wordt een termijn van vier jaar gesteld. Om dit te implementeren wordt de grondslag om regels te stellen aan het toetsen en zo nodig aanscherpen van voorschriften geconcretiseerd (Artikel I, onderdeel C). Artikel 21 wordt overigens inhoudelijk geïmplementeerd door artikel 5.10 van het Bor te actualiseren.

    Die actualiseringsplicht geldt uiteraard ook de wetgever voor wat betreft het tijdig actualiseren van het Activiteitenbesluit. Artikel 8.40 van de Wet milieubeheer garandeert de doorwerking van deze actualiseringsplicht.

  • ad 3) De richtlijn introduceert in artikel 23 programmatisch toezicht, zoals we dat in Nederland al kennen. Het programmatisch toezicht wordt geregeld in het Bor en de onderliggende ministeriële regeling (Mor), dit in aansluiting op de huidige artikelen 7.2 (Handhavingsbeleid) en 7.3 (Uitvoeringsprogramma) van het Bor. Nieuw is de verplichte minimale frequentie van controlebezoeken tussen een keer per jaar en een keer per drie jaar (artikel 23, vierde lid). Artikel 23, vijfde lid, over niet-routinematige milieu-inspecties in bijzondere situaties is ook nieuw ten opzichte van de IPPC-richtlijn, maar praktijk in Nederland. Niet-routinematige milieu-inspecties worden toegevoegd aan de regeling in artikel 10.3 Mor.

    Daarnaast wordt de verplichting voor het bevoegd geïntroduceerd van elke inspectie een verslag te maken (artikel 23, zesde lid). De regeling voor kwaliteitseisen voor handhaving in het Bor en Mor kent zo’n specifieke eis niet maar alleen algemene monitoringsbepalingen (7.6 Bor en 10.6 Mor). Deze nieuwe verplichting ten opzichte van de IPPC-richtlijn sluit wel aan de praktijk. Ook deze bepaling zal worden geïmplementeerd in artikel 10.3 Mor.

  • ad 4) De uitbreiding van het aantal IPPC-installaties omvat een kleine 200 bedrijven extra ten opzichte van huidige circa 4 000. Driekwart van deze circa 5%-toename betreft afvalverwerkende bedrijven, de rest bedrijven die brandstoffen vergassen of vloeibaar maken, diervoeder produceren en doen aan houtconservering. De uitbreiding wordt geïmplementeerd via de dynamische verwijzing naar bijlage I bij de richtlijn industriële emissies in artikel 1.1 van de Wabo (artikel I, onderdeel A).

    Grote stookinstallaties, zoals energiecentrales, en installaties voor de productie van titaandioxideproductie (in Nederland één bedrijf) die vallen onder respectievelijk de LCP-richtlijn en de titaandioxiderichtlijnen, zijn en blijven IPPC-installaties. Ook bijna alle bedrijven die vallen onder de Afvalverbrandingsrichtlijn zijn en blijven IPPC-installaties. Afval(mee)verbrandingsinstallaties die 3 ton uur of minder ongevaarlijk afval, dan wel 10 ton per dag of minder gevaarlijk afval verbranden, vallen niet onder bijlage I. Het zijn dus geen IPPC-installaties. Deze kleine zelfstandig geëxploiteerde afvalverbrandingsinstallaties komen in Nederland overigens weinig voor.

    Daarnaast vallen circa 800 bedrijven onder (hoofdstuk V van) de richtlijn industriële emissies, omdat ze organische oplosmiddelen gebruiken. Dit zijn dezelfde bedrijven die onder de Oplosmiddelenrichtlijn vallen, met als belangrijkste categorie de chemische wasserijen. Op enkele tientallen grote bedrijven na zijn de activiteiten en installaties waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt geen IPPC-installaties: deze installaties vallen dus niet onder één van de categorieën van bijlage I. Het gebruik van deze installaties wordt gereguleerd door (hoofdstuk V) de richtlijn industriële emissies; deze installaties vallen dus niet onder het IPPC-regiem. Het cruciale verschil is dat artikel 4 van de richtlijn geen vergunningplicht eist voor deze installaties. In de implementatieregelgeving wordt dit verschil in regiem ondermeer zichtbaar gemaakt door uitdrukkelijk te spreken van oplosmiddeleninstallaties (in plaats van IPPC-installaties). In onderstaand schema wordt – met globale, afgeronde aantallen – aangegeven voor welke installaties welk hoofdstuk van de richtlijn industriële emissies relevant is.

Hoofdstuk richtlijn

Toepassingsbereik

Aantal installaties in NL (bij benadering)

Waarvan installaties bijlage I (IPPC-installaties)

I

Alle installaties onder de richtlijn

4 000

3 000 IPPC-richtlijn plus 200 extra

II

Installaties bijlage I (IPPC-installaties)

3 200

3 000 IPPC-richtlijn plus 200 extra

III

Grote stookinstallaties

200

200

IV

Afvalverbrandingsinstallaties

20

>151

 

Afvalmeeverbrandingssintallaties

20

>152

V

Installaties bijlage VII

800

60

VI

Installaties die titaandioxide produceren

1

1

VII

Alle installaties onder de richtlijn

4 000

3 000 IPPC-richtlijn plus 200 extra

X Noot
1

Afvalverbrandingsinstallaties met een capaciteit van meer dan 3 ton per uur voor ongevaarlijke afvalstoffen of meer dan 10 ton per dag voor gevaarlijke afvalstoffen.

X Noot
2

Afvalmeeverbrandingsinstallaties met een capaciteit van meer dan 3 ton per uur voor ongevaarlijke afvalstoffen of meer dan 10 ton per dag voor gevaarlijke afvalstoffen.

Zichtbaar in dit wetsvoorstel wordt, zoals hiervoor al is aangegeven, eigenlijk alleen de implementatie van een aantal losse (onderdelen van) artikelen van de richtlijn industriële emissies. Dit betreft artikelen van de richtlijn waarvan de inhoud gewijzigd is ten opzichte van vergelijkbare artikelen uit de IPPC-richtlijn. Deze wijzigingen in de richtlijntekst worden uitdrukkelijk toegelicht in de volgende paragrafen, ook wanneer deze niet resulteren in een wijziging van de nationale implementatiewetgeving.

§ 3. Opbouw van de richtlijn

De richtlijn industriële emissies bestaat uit 84 artikelen verdeeld over zeven hoofdstukken, en tien bijlagen.

Hoofdstuk I

Artikelen 1–9

Gemeenschappelijke bepalingen

Hoofdstuk II

Artikelen 10–27

Bijzondere bepalingen voor de in bijlage I genoemde activiteiten

Hoofdstuk III

Artikelen 28–41

Bijzondere bepalingen betreffende grote stookinstallaties

Hoofdstuk IV

Artikelen 42–55

Bijzondere bepalingen betreffende afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties

Hoofdstuk V

Artikelen 56–65

Bijzondere bepalingen voor installaties waarin en activiteiten waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt

Hoofdstuk VI

Artikelen 66–70

Bijzondere bepalingen voor installaties die titaandioxide produceren

Hoofdstuk VII

Artikelen 71–84

Comité, overgangsbepalingen en slotbepalingen

Bijlage I

De in artikel 10 bedoelde activiteiten (IPPC-installaties)

Bijlage II

Lijst van verontreinigende stoffen (waarvoor conform artikel 14 in de vergunning emissiegrenswaarden dienen te worden overwogen)

Bijlage III

Criteria voor de bepaling van de beste beschikbare technieken

Bijlage IV

Publieke inspraak in de besluitvorming

Bijlage V

Technische bepalingen inzake stookinstallaties

Bijlage VI

Technische bepalingen inzake afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties

Bijlage VII

Technische bepalingen voor installaties en activiteiten waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt

Bijlage VIII

Technische bepalingen voor installaties die titaandioxide produceren

Bijlage IX

Ingetrokken richtlijnen en opeenvolgende wijzigingen / lijst van termijnen voor omzetting in nationaal recht (bedoeld in artikel 81).

Bijlage X

Transponeringstabel (van artikelen uit de nieuwe richtlijn en uit de diverse oude – door de richtlijn industriële emissies ingetrokken – richtlijnen)

§ 4. Implementatie artikel 4 (vergunningplicht)

Artikel 4 van de richtlijn industriële emissies over de vergunningplicht bevat een aantal oude en nieuwe elementen ten opzichte van de IPPC-richtlijn. In de IPPC-richtlijn was al bepaald dat een vergunning betrekking kon hebben «op een of meer installaties die zich op dezelfde locatie bevinden en die door dezelfde exploitant worden geëxploiteerd» (artikel 2, onderdeel 9). In de Wabo is met het oog op die bepaling het tweede lid toegevoegd aan artikel 2.7, waarin is bepaald dat een aanvraag slechts betrekking mag hebben op één inrichting waartoe een gpbv- (ofwel IPPC-) installatie behoort.9 De betreffende bepaling uit de IPPC-richtlijn keert woordelijk terug in artikel 4, tweede lid, eerste volzin, van de richtlijn industriële emissies. De twee beperkende criteria die de richtlijn stelt aan één vergunning voor meerdere IPPC-installaties, namelijk dat sprake moet zijn van «één exploitant» en van «dezelfde locatie», zijn al geïmplementeerd in artikel 2.7, tweede lid. Beide criteria zijn immers vervat in het begrip «inrichting», zoals dat wordt uitgelegd in (de jurisprudentie met betrekking tot) artikel 1.1, vierde lid, Wm. Daarin wordt gesproken van tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling organisatorische bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.10

Ten overvloede zij opgemerkt dat in het kader van het Programma Slimmere regels, Minder lasten en Betere uitvoering11 wordt gewerkt aan vereenvoudiging en bundeling van regelgeving voor activiteiten binnen- en buiten inrichtingen. In dat kader wordt het begrip «inrichting» in relatie tot de in richtlijnen gangbare terminologie (installatie, activiteit) geëvalueerd.

Het tweede lid van artikel 4 bepaalt verder dat wanneer een vergunning betrekking heeft op twee of meer installaties, de vergunning voorwaarden dient te bevatten om te waarborgen dat elke installatie aan de eisen van deze richtlijn voldoet. Artikel 2.22, tweede lid, Wabo regelt dat aan de omgevingsvergunning de voorschriften worden verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven. Artikel 2.14, eerste lid, sub c, Wabo bepaalt dat de inrichting aan de best beschikbare technieken en aan geldende grenswaarden moet voldoen en geeft nog een aantal andere voorwaarden voor de vergunning. Bedoelde eisen – gebaseerd op BREF’s en uitgedrukt in voorschriften in vergunningen en algemene regels – gelden voor alle onderdelen van de betreffende inrichtingen. Deze bepalingen waarborgen dat bij vergunning wordt geregeld dat door een inrichting aan de richtlijneisen wordt voldaan, ook wanneer tot die inrichting meer IPPC-installaties behoren.

Opgemerkt zij voorts dat artikel 4, derde lid, aanvullend op het tweede lid de mogelijkheid biedt om één vergunning te verstrekken voor meerdere delen van een door verschillende exploitanten geëxploiteerde inrichting. In dergelijke gevallen dient in de vergunning wel de eigen specifieke verantwoordelijkheden van elke exploitant afzonderlijk te worden vermeld. Deze optionele bepaling wordt niet geïmplementeerd, aangezien één vergunning voor meerdere exploitanten – ondanks de in zo’n vergunning uitdrukkelijk toegeschreven verantwoordelijkheden per exploitant – belemmerend kan werken voor het toezicht op de naleving en de handhaving van voor die inrichting geldende voorschriften. In de uitvoeringspraktijk wordt in een aantal gevallen gewerkt met één vergunning verleend aan één exploitant voor meerdere industriële activiteiten, zoals bijvoorbeeld bij het Chemelotterrein. De praktijk biedt dus al de mogelijkheid om aan een overkoepelende, gezamenlijke stichting voor één bedrijvencomplex of -terrein, waarin meerdere bedrijven participeren, één vergunning af te geven. In zo’n situatie spreekt die ene stichting als exploitant en vergunninghouder de deelexploitanten (participanten) contractueel aan op de naleving van de vergunning, wanneer toezicht of handhaving door het bevoegd gezag daartoe aanleiding geven.

Artikel 4 van de richtlijn geeft, gelet op bovenstaande, derhalve geen aanleiding tot wijziging van de genoemde artikelen uit de Wabo of de Wm.

§ 5. Implementatie artikel 5 (verlening van vergunningen)

In artikel 5, eerste lid, ontbreekt de zinsnede over het weigeren van de vergunning, wanneer niet gegarandeerd is dat de inrichting aan de eisen uit de richtlijn voldoet – een zinsnede die wel voorkomt in artikel 8 van de huidige IPPC-richtlijn. Die weigeringsgrond was geïmplementeerd in artikel 8.10 Wm. Het huidige artikel 2.14, derde lid, Wabo bevat enkel de algemene weigeringsgrond «in het belang van de bescherming van het milieu». Overigens heeft de in de richtlijn vervallen zinsnede over de weigeringsgrond geen inhoudelijke betekenis, aangezien deze weigeringsgrond enkel de keerzijde van de medaille bevatte van de enige grond voor verlening van een vergunning, namelijk dat de inrichting voldoet of kan voldoen aan de richtlijneisen. Het vervallen van deze zinsnede in de tekst van de richtlijn heeft dan ook geen consequenties voor de tekst van de Wabo.

In het derde lid van artikel 5 is in het rijtje artikelen uit de mer-richtlijn, waaraan wordt gerefereerd, ten opzichte van de tekst van artikel 9, tweede lid, van de IPPC-richtlijn toegevoegd «artikel 9» en worden de termen «onderzocht en benut» gebruikt in plaats van «in aanmerking genomen». Met het toevoegen van deze bepaling (artikel 9) wordt kennelijk beoogd dat informatie verkregen uit inspraak naar aanleiding van de openbare kennisgeving van de aanvraag voor een vergunning en het bijbehorende milieueffectrapport daadwerkelijk wordt meegenomen bij de beslissing op de aanvraag. De terminologie «onderzocht en benut» lijkt een aanscherping van het meer vrijblijvend klinkende «in aanmerking genomen». In hoofdstuk 7 Wm is geregeld dat openbare kennisgeving wordt gedaan van het milieueffectrapport en dat gelegenheid is tot het indienen van een zienswijze (artikel 7.27 jo. 7.20 Wm). Voorts bepaalt artikel 7.35 Wm dat het bevoegd gezag bij het nemen van het besluit rekening houdt met alle gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben; hieronder zijn dus ook begrepen de mogelijke gevolgen die in het kader van de inspraak aan het bevoegd gezag zijn gemeld. In de motivering van het besluit op de aanvraag dient uitdrukkelijk te worden «overwogen omtrent» de naar voren gebrachte zienswijzen en uitgebrachte adviezen (artikel 7.37, eerste lid, onder c, Wm). Met dit samenstel van bepalingen uit hoofdstuk 7 Wm, die dienen ter implementatie van de oude richtlijntekst, wordt ook voldaan aan de iets uitgebreide en aangescherpte nieuwe richtlijntekst. Tot een wetswijziging geeft dit verschil in redactie derhalve geen aanleiding.

§ 6. Implementatie artikelen 7 en 8 (incidenten, ongevallen, niet-naleving)

Artikel 7 van de richtlijn industriële emissies strekt ertoe dat «in geval van incidenten of ongevallen die het milieu significant beïnvloeden»:

  • a) de «exploitant» het bevoegd gezag onmiddellijk op de hoogte stelt,

  • b) de «exploitant» onmiddellijk maatregelen treft, en

  • c) het bevoegd gezag de «exploitant» ertoe verplicht alle passende aanvullende maatregelen te nemen.

Doel van deze meldings- en maatregelplicht is om de (dreigende) gevolgen van een ongewoon voorval voor het milieu te beperken en om verdere mogelijke ongevallen en incidenten te voorkomen. De primaire verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de «exploitant», dat is «degene die de inrichting drijft».

De genoemde verplichtingen voor de «exploitant» – het onmiddellijk melden van een incident en het onmiddellijk treffen van maatregelen – komen goeddeels overeen met de regeling van hoofdstuk 17 van de Wet milieubeheer (Wm), titel 17.1 (Maatregelen bij een ongewoon voorval). De beide maatregelen- en meldingenregiems zijn evenwel niet volledig identiek. Zo geldt de maatregelen- en meldingsplicht ingevolge titel 17.1 Wm vanouds voor alle inrichtingen, niet alleen de inrichtingen waarop de IPPC- of de Sevesorichtlijn12 van toepassing zijn. Ook is het toepassingsbereik ruimer vanwege een klein verschil in redactie: de maatregel- en meldingsplicht in de Wm geldt bij een ongewoon voorval wanneer nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, de maatregel- en meldingsplicht in de richtlijn geldt bij een incident of ongeval, waardoor het milieu significant wordt beïnvloed.

De artikelen 17.1 en 17.2, eerste lid, Wm zijn overigens van nationale herkomst13, hetgeen het verschil in redactie verklaart, en zijn altijd tevens beschouwd14 als toereikend ter implementatie van artikel 3, eerste lid, onder e, van de IPPC-richtlijn15, van artikel 14, onderdeel b, van de IPPC-richtlijn16 en als implementatie van de Seveso-richtlijn. Aangezien de nationale regeling op dit punt een ruimer toepassingsbereik kent dan de richtlijn industriële emissies, kunnen de genoemde bepalingen uit titel 17.1 Wm ook worden beschouwd als implementatie voor de onderdelen a en b van artikel 7 van deze richtlijn.

Niet als reeds geïmplementeerd beschouwd kan worden artikel 7, onderdeel c, van de richtlijn industriële emissies, een bepaling die nieuw is ten opzichte van de IPPC-richtlijn. De daarin opgelegde verplichting aan het bevoegd gezag ontbreekt immers in de regeling van titel 17.1 Wm.17 Ook de in hoofdstuk 18 Wm en hoofdstuk 5 Wabo neergelegde handhavingstaak en -bevoegdheden kennen een dergelijke, uitdrukkelijke verplichting tot het opleggen van maatregelen niet. Hoewel het bevoegd gezag natuurlijk wel met toepassing van de in die regelingen gegeven handhavingsmiddelen (last onder bestuursdwang of dwangsom) aan deze verplichting uitvoering kan geven, vergt deze richtlijnbepaling vanwege de verplichtende redactie een uitdrukkelijke implementatieregeling.

Voorgesteld wordt dit onderdeel c van artikel 7 van de richtlijn te implementeren in artikel 17.3 Wm, een bepaling waarin reeds andere verplichtingen voor het bevoegde bestuursorgaan zijn opgenomen, die ontstaan nadat een ongewoon voorval is gemeld (het onderzoeken van de oorzaken van het voorval en het voorkomen van herhaling daarvan). De verplichting geldt zowel met betrekking tot vergunningplichtige inrichtingen als met betrekking tot inrichtingen die onder het Activiteitenbesluit vallen, dit overeenkomstig de reikwijdte van deze titel, aangegeven in artikel 17.1. Tegen deze ruime toepassing van de bepaling bestaat geen bezwaar, aangezien het hier een opdracht aan het bevoegd gezag betreft en niet een verplichting voor degene die de inrichting drijft. Bovendien wordt een aanzienlijk deel van de richtlijn industriële emissies geïmplementeerd in het Activiteitenbesluit.

Het uitvoeren van deze door de richtlijn expliciet genoemde verplichting sluit aan bij de reeds bestaande bestuurlijke zorgplicht tot handhaving. Indien degene die de inrichting drijft zelf alle nodige maatregelen treft, bestaat er voor het bevoegd gezag geen aanleiding hem te verplichten nog aanvullende maatregelen te treffen. Bestaat die aanleiding wel, dan dient het bevoegd gezag dergelijke maatregelen voor te schrijven om verdere nadelige gevolgen voor het milieu of herhaling van het voorval te voorkomen.

De wijziging van artikel 17.3 Wm (artikel III, onderdeel D) wordt verder toegelicht in het artikelsgewijze deel van deze memorie van toelichting.

Ook wordt voor één onderdeel van artikel 8 van de richtlijn uitdrukkelijk plaats ingeruimd in titel 17.1 Wm (artikel III, onderdeel B). De slotalinea van artikel 8 bevat een bepaling die nauw aansluit bij de maatregelplicht van artikel 17.1. Om die reden wordt voorgesteld deze slotalinea op te nemen als tweede lid van dat artikel en dus dit deel van artikel 8 geïntegreerd met artikel 7 te implementeren. Artikel 17.1 Wm bevat na deze redactionele aanvulling alle onmiddellijk geldende maatregel- en meldverplichtingen voor de «exploitant» in geval van een «ongewoon voorval». Alle verplichtingen die voor «exploitant» en het bevoegde bestuursorgaan daarop volgen, zijn chronologisch en overzichtelijk opgenomen in afzonderlijke bepalingen:

Artikel

Normadressaat

Verplichting

17.1, eerste lid

Exploitant inrichting

Onmiddellijk maatregelen treffen

17.1, tweede lid

Exploitant inrichting

Zo nodig aanvullend: stilleggen installatie of gehele inrichting

17.2, eerste lid

Exploitant inrichting

Onmiddellijk voorval melden

17.2, tweede lid

Exploitant inrichting

Aanvullende informatie melden

17.2, derde lid

Bevoegde bestuursorgaan

Doormelden voorval aan andere instanties

17.2, vierde lid

Exploitant in overleg met het bevoegde bestuursorgaan

Niet onmiddellijk te melden of te registreren voorvallen

17.2, vijfde lid

Bevoegde bestuursorgaan

Geen doormeldingsverplichting voor de voorvallen, bedoeld in het vorige lid

17.2, zesde lid

Bevoegde bestuursorgaan

Wel een doormeldingsverplichting aan de inspecteur

17.3, eerste lid

Bevoegde bestuursorgaan

Aanvullende maatregelen opleggen

17.3, tweede lid

Bevoegde bestuursorgaan

Analyseren oorzaken voorval

17.3, derde lid

Bevoegde bestuursorgaan

Herhaling voorkomen door aanscherping regels

17.3, vierde lid

Bevoegde bestuursorgaan

Procedureel voorschrift

Met betrekking tot artikel 8 van de richtlijn wordt voorgesteld om de implementatie zoveel mogelijk te integreren met de implementatie van artikel 7 van de richtlijn in titel 17.1 (Maatregelen bij een ongewoon voorval). De integratie van de artikelen 7 en 8 wordt bereikt door:

  • de laatste alinea van artikel 8 op te nemen als het nieuwe tweede lid van artikel 17.1 Wm (Artikel III, onderdeel B);

  • de met het nieuw geformuleerde artikel 17.3 Wm verrijkte titel 17.1 (Artikel III, onderdeel D) volledig van overeenkomstige toepassing te verklaren op een geval van niet-naleving ofwel inbreuk (Artikel III, onderdeel E). Deze keuze wordt onderstaand toegelicht.18

Ter illustratie van de samenhang en overlap van de artikelen 7 en 8 van de richtlijn wordt de tekst van beide bepalingen in onderstaande tabel naast elkaar geplaatst:

Tabel nevenschikking artikelen 7 en 8 van de richtlijn Industriële emissies

Artikel 7 Incidenten en ongevallen

Artikel 8 Niet-naleving

[Onverminderd Richtlijn 2004/35/EG (etc.)]

treffen de lidstaten in geval van incidenten of ongevallen die het milieu significant beïnvloeden, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat:

1. De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de vergunningsvoorwaarden worden nageleefd.

a) de exploitant de bevoegde autoriteit onmiddellijk op de hoogte stelt;

a) de exploitant de bevoegde autoriteit onmiddellijk op de hoogte stelt;

b) de exploitant onmiddellijk maatregelen treft om de gevolgen voor het milieu te beperken en om verdere mogelijke ongevallen en incidenten te voorkomen;

b) de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat op een zo kort mogelijke termijn weer aan de voorwaarden wordt voldaan;

c) de bevoegde autoriteit de exploitant ertoe verplicht alle passende aanvullende maatregelen te nemen die volgens de bevoegde autoriteit nodig zijn om de gevolgen voor het milieu te beperken en om verdere mogelijke ongevallen en incidenten te voorkomen

c) de bevoegde autoriteit de exploitant verplicht alle passende aanvullende maatregelen te nemen die volgens de bevoegde autoriteit nodig zijn om

ervoor te zorgen dat weer aan de voorwaarden wordt voldaan.

 

Indien de inbreuk op de vergunningsvoorwaarden een direct gevaar voor de menselijke gezondheid oplevert of onmiddellijke en significante nadelige gevolgen voor het milieu dreigt te hebben, en zolang niet gewaarborgd kan worden dat overeenkomstig de punten b) en c) van de eerste alinea weer aan de voorwaarden wordt voldaan, wordt de exploitatie van de installatie, stookinstallatie, afvalverbrandingsinstallatie, afvalmeeverbrandingsinstallatie of het respectieve betrokken deel ervan opgeschort.

Uit deze tabel blijkt in een oogopslag de samenhang tussen beide bepalingen en daarmee de logica van de voorgestelde integratie: de verplichtingen voor zowel «exploitant» (a en b) als voor «de bevoegde autoriteit» (c) zijn vrijwel identiek geformuleerd.

Net als artikel 7 bevat ook artikel 8, dat afkomstig is uit (artikel 10 van) de EG-VOS-richtlijn19 en (artikel 11, zeventiende lid, van de) Afvalverbrandingsrichtlijn20, een maatregel- en meldingsplicht voor de «exploitant», wanneer er in de inrichting iets fout gaat of loos is, en een verplichting tot het opleggen van aanvullende maatregelen voor het bevoegde bestuursorgaan om te garanderen dat de fout hersteld wordt.

Beide goeddeels identiek geformuleerde maatregel- en meldingsplichten zijn in de richtlijn industriële emissies in twee afzonderlijke bepalingen, dus nevengeschikt, opgenomen.

Een belangrijk argument om beide artikelen geïntegreerd te implementeren in titel 17.1 Wm is erin gelegen dat in vrijwel alle gevallen een incident of ongeval tevens een inbreuk op de naleving met zich brengen en vice versa. De artikelen 7 en 8 van de richtlijn overlappen elkaar qua reikwijdte en strekking, bij gebrek aan een duidelijk onderscheid tussen de situaties die vallen onder het criterium «incidenten en ongevallen» of het criterium «niet-naleving».

Tenslotte sluit een geïntegreerde implementatie in titel 17.1 Wm goed aan op de strekking van een recente wijziging van titel 17.1, waar het parlement unaniem mee heeft ingestemd.21

Door integratie in titel 17.1 Wm ontstaat een verbeterde maatregel- en meldingsystematiek voor situaties, waarbij er binnen een inrichting iets aan de hand is of lijkt, dat mogelijk of daadwerkelijk gevolgen voor de omgeving heeft en tot gevolg heeft dat de voor die inrichting geldende voorschriften niet (kunnen) worden nageleefd.

Aanvullend op deze regeling in titel 17.1 Wm wordt voorzien in een regeling in titel 17.1B, voor die situaties waarbij een geval van «niet-naleving» of «inbreuk» (als bedoeld in artikel 8 van de richtlijn) niet wordt veroorzaakt door of samenhangt of samenvalt met een «ongewoon voorval» (als bedoeld in artikel 7 van de richtlijn). Die aanvullende regeling beperkt zich ertoe voor die situaties titel 17.1 Wm van overeenkomstige toepassing te verklaren, waarmee enerzijds wordt bereikt dat de uniforme maatregel- en meldingsystematiek niet wordt doorbroken met afwijkende voorschriften en anderzijds zeker wordt gesteld dat heel artikel 8 van de richtlijn is geïmplementeerd, aangezien de situaties van artikel 7 en artikel 8 elkaar (wel goeddeels, maar) niet volledig dekken.

Titel 17.1B is dus een aanvulling ten opzichte van titel 17.1; toepassing van de ene titel sluit de andere titel automatisch uit; beide titels voorzien in de implementatie van artikel 8. In elk voorkomend geval zal kunnen worden volstaan met één melding, hetzij een melding van een «ongewoon voorval», hetzij een melding van een geval van «niet-naleving» dat niet als ongewoon voorval kan worden aangemerkt. In de praktijk zal dat veelal situaties betreffen, waarbij door omstandigheden (een emissie-eis22 in) de vergunning of het Activiteitenbesluit niet volledig kan worden nageleefd zonder dat sprake is van of gevreesd hoeft te worden voor merkbare gevolgen voor de omgeving of het milieu. Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld het morsen van een chemische vloeistof of brandstof op een vloeistofdichte vloer binnen de inrichting. Voor dergelijke incidenten of gevallen van niet-naleving voorziet artikel 17.2, vierde lid, (juncto artikel 17.5e nieuw) in de mogelijkheid om bij vergunning of maatwerkvoorschrift te voorzien in een regiem van periodieke melding aan het bevoegd gezag. Het op deze wijze (periodiek) informeren van het bevoegde gezag omtrent de naleving sluit aan bij artikel 14, eerste lid, onder d, van de richtlijn.

§ 7. Integrale afweging regelgeving industriële emissies

Sinds 2006 loopt het Europese traject om de Europese milieuregelgeving over industriële emissies te evalueren en te herzien. Nederland heeft conform het integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving23 in een vroeg stadium, nog voor het uitkomen van voorstel van de Europese Commissie, een probleemanalyse gemaakt, de instrumentkeuze geëvalueerd en gevolgenbeoordelingen uitgevoerd. Op basis hiervan heeft Nederland steeds ingezet op Europese regelgeving ter beperking van industriële emissies die innovatie bevordert, zodat milieudoelen (emissieplafonds, luchtkwaliteitseisen, etc.) kunnen worden gehaald en gehandhaafd en tevens ruimte voor economische en ruimtelijke ontwikkeling blijft bestaan. Nederland heeft ook ingezet op aansluiting bij de principes van «Better Regulation», een Europees programma gericht op vermindering van regeldruk.De tekst van de richtlijn industriële emissies De compromistekst bevat veel van de door Nederland ingebrachte voorstellen.24

§ 7.1. Administratieve en bestuurlijke lasten en bedrijfseffecten

Als het voorstel van de Europese Commissie voor de richtlijn industriële emissies ongewijzigd was vastgesteld, zouden de merkbare administratieve en bestuurlijke lasten voor de betrokken bedrijven en overheden respectievelijk met een kleine € 4 miljoen en ruim € 2,5 miljoen per jaar zijn gestegen, met name door nieuwe monitoring- en rapportageverplichtingen. Nederland heeft zich samen met andere lidstaten ingezet voor verlaging van de lasten. Nederland heeft daarbij een positief onderhandelingsresultaat bereikt: de administratieve en bestuurlijke lasten lasten blijven ongeveer gelijk.25De inhoudelijke verplichtingen van de richtlijn industriële emissies sluiten aan bij de IPPC-richtlijn en de Nederlandse uitvoeringspraktijk van die richtlijn. Beste beschikbare technieken blijven de norm en BREF’s blijven de referentie voor voorschriften in vergunningen en algemene regels. Bedrijfseffecten zijn daarom beperkt tot verduidelijking van de regelgeving en Europese harmonisatie. De richtlijn heeft geen effect op de nalevingskosten. Drie onderdelen van dit wetsvoorstel zijn relevant voor de lasten:

  • 1) Het aantal bedrijven onder reikwijdte

    In tegenstelling tot het oorspronkelijke voorstel verandert de definitieve richtlijn industriële emissies weinig aan de aantallen installaties die eronder vallen. Er zijn afhankelijk van de sector kleine toe- en afnamen. Netto neemt het aantal installaties met zo’n 6%, een kleine 200 installaties, toe ten opzichte van de IPPC-richtlijn, voor het overgrote deel in de afvalsector. Omdat de betreffende installaties op grond van het Bor al vergunningplichtig zijn en beste beschikbare technieken reeds toepassen, heeft deze uitbreiding geen effect op de merkbare lasten.

  • 2) Melding afwijking van de voorschriften

    De verplichting tot melden stond al in de Oplosmiddelenrichtlijn (artikel 10, geïmplementeerd in artikel 13 Oplosmiddelenbesluit) en de Afvalverbrandingsrichtlijn (artikel 11, zeventiende lid, geïmplementeerd in voorschrift 1.8 in de bijlage van het Besluit verbranden afvalstoffen) en is nu verbreed naar alle bedrijven onder richtlijn industriële emissies. Omdat het model van administratieve lasten uitgaat van 100% naleving zijn aan deze verplichting geen lasten verbonden. De verplichting sluit aan bij de bestaande meldingplicht voor ongewone voorvallen uit de Wet milieubeheer. Het wetsvoorstel creëert geen nieuwe meldingsplicht, zodat er ook in de praktijk van een lastentoename geen sprake zal zijn.

  • 3) Vergunningen via internet openbaar maken

    Voor de bestuurlijke lasten is de verplichting voor het bevoegd gezag vergunningen via internet beschikbaar te stellen relevant. Dit is een invulling van bestaande verplichtingen uit onder meer het Verdrag van Aarhus om milieu-informatie actief aan burgers ter beschikking te stellen, in Nederland geïmplementeerd in de Algemene wet bestuursrecht (afdeling 3.4) en hoofdstuk 19 Wet milieubeheer. Bekendmakingen via internet is reeds praktijk bij een deel van de overheden.26 Aan deze verplichting zijn geen extra bestuurlijke lasten toegerekend.

Alternatieven voor de richtlijn industriële emissies zijn enerzijds ongewijzigde voortzetting van de zeven richtlijnen die ten grondslag liggen aan de richtlijn industriële emissies en anderzijds het oorspronkelijke voorstel van de Europese Commissie. Handhaving van de status quo bood onvoldoende mogelijkheden voor betere uitvoerbaarheid, vermindering van regeldruk en belemmerde het halen van Europese milieudoelen. Nederland heeft daarom in de evaluatiefase gepleit voor herziening van de Europese regelgeving over industriële emissies.27 Zoals hierboven toegelicht had overname van het oorspronkelijke voorstel van de Europese Commissie geleid tot een toename van de lasten. De richtlijn industriële emissies is daarom het beste alternatief. Bij de implementatie geeft de richtlijn een beperkte ruimte om te kiezen voor meer of minder belastende alternatieven. Waar een keuzeruimte werd geboden, is gekozen voor het minst belastende alternatief. In nota van toelichting bij de implementatie-amvb worden de lasten en alternatieven nader toegelicht.

§ 7.2 Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Overheden en bedrijven ervaren de zeven richtlijnen die ten grondslag liggen aan de richtlijn industriële emissies en de Nederlandse regelgeving ter implementatie daarvan als complex.28 De ingebrekestelling van Nederland door de Europese Commissie wegens onvoldoende uitvoering van de IPPC-richtlijn is daarvan helaas de beste illustratie.29 Een andere illustratie van de ervaren complexiteit vormen de circa 200 uitspraken die de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State sinds 2003 heeft moeten doen over vergunningen op grond van de IPPC-richtlijn. Betere uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid vereist zowel verbetering van de Europese regelgeving, vereenvoudiging van de Nederlandse regelgeving als verbetering van de organisatie van de uitvoering.

Nederland heeft binnen het Europese handhavingsnetwerk IMPEL30 het initiatief genomen om gezamenlijk de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid te verbeteren en de fraudegevoeligheid te verminderen (HUF-toets). Zestien lidstaten hebben zich bij Nederland aangesloten. Dit heeft mede de inzet bepaald van de deelnemende lidstaten bij de onderhandelingen in de Milieuraad. Het resultaat is een richtlijn die de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de Europese regelgeving voor industriële emissies verbetert:

  • de eisen aan milieuvergunningen zijn verduidelijkt, in het bijzonder de wijze waarop en termijn waarbinnen BREF’s moeten worden gebruikt;

  • de procedure voor totstandkoming en de hoofdlijnen van de inhoud van BREF’s zijn in de richtlijn opgenomen, een groter deel van de BREF’s wordt in alle gemeenschapstalen vertaald;

  • de IPPC-richtlijn is afgestemd en geïntegreerd met andere richtlijnen over industriële emissies;

  • de eisen aan inspectie en handhaving zijn ingevuld, verduidelijkt en afgestemd aan de hand van de Europese aanbeveling minimumcriteria milieu-inspecties.31 De richtlijn verplicht tot programmatisch toezicht en eist voor IPPC-installaties een minimale inspectiefrequentie tussen één keer per jaar en één keer per drie jaar. Dit is vergelijkbaar met de Nederlandse kwaliteitseisen voor handhaving van het omgevingsrecht, maar is vanuit Europees perspectief bekeken een impuls voor intensivering van toezicht en handhaving.

Ook bij de implementatie van de richtlijn in de Nederlandse wet- en regelgeving is gepoogd de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid te verbeteren. Bij implementatie is zoveel mogelijk gekozen voor direct werkende algemene regels.32

De implementatieregelgeving wordt gestroomlijnd en gebundeld in het Activiteitenbesluit en daarmee meer geïntegreerd met andere, aan de richtlijn industriële emissies gerelateerde nationale milieuregelgeving voor bedrijven.

Relevant voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de richtlijn industriële emissies is bovendien dat gemeenten en provincies de organisatie van de uitvoering continu verbeteren. Capaciteit en expertise voor uitvoering van de richtlijn wordt, voor zover dit nog niet het geval was, gebundeld in regionale uitvoeringsdiensten (RUD’s) die het bevoegd gezag ondersteunen.33

Ook de rijksoverheid blijft het bevoegd gezag ondersteunen. De basisondersteuning via internet en de helpdesk blijft bestaan en wordt geactualiseerd. De algemene regels worden toegankelijk gemaakt via de Activiteitenbesluit Internetmodule en het Omgevingsloket Online.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

ARTIKEL I Wijziging in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Onderdelen A en B

Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om de term «gpbv-installatie» te vervangen door een term «IPPC-installatie». Het acroniem «gpbv» is een vertaling van het Engelstalige acroniem «IPPC». Met beide acroniemen wordt een installatie aangeduid als bedoeld in bijlage 1 van de EG-richtlijn geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (Integrated Pollution Prevention and Control), thans bijlage 1 van de richtlijn industriële emissies. Destijds is bewust gekozen voor het Nederlandstalige acroniem, gelet op Aanwijzing voor de regelgeving 57. Deze aanwijzing bepaalt als hoofdregel dat vreemde woorden of daarvan afgeleide woorden, worden vermeden. Dezelfde aanwijzing bevat ook de uitzondering op de hoofdregel, namelijk wanneer het vreemde woord of een afgeleide daarvan heeft ingang gevonden in de Nederlandse taal. Reeds in de toelichting bij de introductie van de term «gpbv-installatie» werd onderkend dat het Engelstalige acroniem eigenlijk al was ingeburgerd in het gangbare taalgebruik.34 Introductie van de vervangende Nederlandstalige term door de wetgever heeft het tij niet kunnen keren. Zo meldt bijvoorbeeld Infomil op de website dat gpbv-installaties veelal meer bekend zijn als IPPC-installaties . Reeds de enkele omstandigheid dat een dergelijke, het bedrijfsleven en publiek informerende, website onmiddellijk naast de officiële term voor alle duidelijkheid het gangbaarder Engelse acroniem meent te moeten vermelden, is voldoende aanleiding ook in de wetgeving te kiezen voor het spraakgebruik. Het Engelse acroniem «IPPC» spreekt ook makkelijker uit dan het Nederlandse equivalent «gpbv».

De implementatie van de richtlijn industriële emissies is een geschikt moment om dit Nederlandse acroniem gpbv te heroverwegen. De nieuwe richtlijn handhaaft uitdrukkelijk de oorspronkelijke aanduiding «Integrated Pollution Prevention and Control» (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) in het opschrift als ondertitel, zodat naar verwachting het ingeburgerde acroniem IPPC in de uitvoeringspraktijk gangbaar en herkenbaar zal blijven.

Overigens is het gebruik van een Engelstalig acroniem niet nieuw in de nationale milieuwetgeving. In de Wet milieubeheer wordt reeds gebruik gemaakt van de term «PRTR» (titel 12.3), een acroniem voor «Pollutant Release and Transfer Register», hoewel een goede Nederlandse vertaling voor handen is: register inzake de emissie en overbrenging van verontreinigende stoffen.

De vervanging van het Nederlandstalige acroniem door het Engelstalige acroniem werkt ook door in een aantal andere bepalingen van de Wabo (Artikel I, onderdeel B), in de Wet ammoniak en veehouderij (Artikel II) en in de Waterwet (Artikel IV).

Voorts wordt artikel 1.1, vierde lid, van de Wabo geactualiseerd aan de nieuwe richtlijn: de (dynamische) verwijzing naar bijlage I van de richtlijn van de IPPC-richtlijn (nr. 2008/1/EG) wordt gewijzigd in een verwijzing naar bijlage I van de richtlijn Industriële emissies (nr. 2010/75/EU). De inhoud van deze bijlage, waarin de categorieën van IPPC-installaties worden benoemd, is enigszins gewijzigd ten opzichte van de huidige bijlage. Deze uitbreiding is toegelicht in § 2, onder ad 4.

Opgemerkt zij overigens dat in de richtlijn industriële emissies de definitie voor «installatie» ook geldt voor installaties waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt (deel 1 van bijlage VII). In dit wetsvoorstel is deze bredere definitie niet overgenomen. Nederland maakt gebruik van de mogelijkheid voor deze installaties te volstaan met een meldingsplicht in plaats van een vergunningplicht (artikel 4, eerste lid, van de richtlijn). De omschrijvingen en voorschriften voor activiteiten waarbij oplosmiddelen worden gebruikt, worden opgenomen in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit). De richtlijn wijzigt de milieueisen voor deze activiteiten overigens niet.

Onderdeel C

Artikel 2.30 wordt aangevuld ter implementatie van artikel 21, vijfde lid, van de richtlijn industriële emissies: de actualiseringsplicht van vergunningsvoorschriften aan nieuwe of herziene BBT-conclusies. Zie ook § 2, onderdeel 2, van het algemeen deel. Artikel 2.30 voorzag al in een actualiseringsplicht – het bezien of de in een vergunning gestelde voorschriften nog toereikend zijn – met het oog op «ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu». Deze algemene formulering is met het oog op de implementatie van artikel 21, vijfde lid, voornoemd geconcretiseerd. In samenhang met de voorgestelde wijziging van artikel 2.30 Wabo wordt artikel 5.10 van het Besluit omgevingsrecht (ondermeer) aangevuld met de navolgende bepaling:

Binnen vier jaar na de publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie van, voor de hoofdactiviteit van de betreffende IPPC-installatie, relevante BBT-conclusies:

  • a. toetst het bevoegd gezag of de vergunningvoorschriften voldoen aan deze nieuwe BBT-conclusies, aan overige relevante BBT-conclusies en aan bij ministeriële regeling aangewezen informatiedocumenten over beste beschikbare technieken, die sinds het verlenen van de vergunning of de laatste toetsing zijn vastgesteld of herzien;

  • b. actualiseert het bevoegd gezag, indien noodzakelijk, de vergunningvoorschriften, en

  • c. controleert het bevoegd gezag dat de inrichting na actualisatie van de vergunningvoorschriften aan die voorschriften voldoet.

ARTIKEL III Wijzigingen in de Wet milieubeheer (Wm)

Onderdeel A

Wegens de intrekking van de IPPC-richtlijn kan in de Wm deze begripsbepaling komen te vervallen. De begripsbepaling wordt niet geactualiseerd door het opnemen van een nieuwe begripsbepaling met betrekking tot de richtlijn industriële emissies, aangezien de richtlijn industriële emissies slechts tweemaal in de Wm ter sprake komt (in het nieuwe artikel 17.5e en in artikel 21.2a, zie de onderdelen E en G van Artikel III), nu voorgesteld wordt artikel 22.1a te laten vervallen (zie onderdeel H van artikel III).

Onderdeel B

Ter implementatie van artikel 8, tweede lid, laatste alinea of volzin, van de richtlijn industriële emissies wordt voorgesteld een lid toe te voegen aan de huidige tekst van artikel 17.1 Wm. Aanvullend op de huidige, reeds in artikel 17.1 Wm, vervatte verplichting om onmiddellijk maatregelen te treffen, dwingt deze nieuwe bepaling bij «direct gevaar voor de menselijke gezondheid» of «onmiddellijke en significante gevolgen voor het milieu» tot het opschorten van de exploitatie.

Voorgesteld wordt de term «opschorten» uit de richtlijn in de implementatiebepaling te «vertalen» met de term «stilleggen». Elders in de milieuwetgeving wordt gebruik gemaakt van de in mate van ingrijpendheid of zwaarte van de sanctie opklimmende trits «stilleggen, (gedeeltelijk) buiten werking stellen of verzegelen van de inrichting»; de eerstgenoemde sanctie lijkt toereikend voor de omzetting van de richtlijnterm «opschorten». Deze verantwoordelijkheid tot «stilleggen» ligt overigens primair bij degene die de inrichting drijft. Doet degene die de inrichting drijft dit niet (tijdig) eigener beweging, dan is het bevoegd gezag gehouden doortastend op te treden. Dit kan met gebruikmaking van de nieuwe bevoegdheid in artikel 17.3, eerste lid. Verder maakt artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht het mogelijk dat in spoedeisende gevallen bestuursdwang wordt uitgeoefend zonder dat eerst een (schriftelijke) last wordt opgelegd. Het bevoegd gezag kan in geval van zo’n dreigende situatie dus ook met gebruikmaking van de bestuursdwangbevoegdheid een last tot stilleggen opleggen, mits sprake is van een ongewoon voorval dat tevens is aan te merken als een geval van niet-naleving.35 Mocht stilleggen niet toereikend zijn, dan kan het bevoegd gezag bij wijze van toepassing van bestuursdwang zo nodig een verplichting tot het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de betreffende installatie opleggen.

Aanvullend wordt in de tekst van artikel 17.1 Wm een redactionele aanpassing voorgesteld. De term «gebeurtenis» wordt vervangen door de term «voorval», aangezien die laatste term in de overige bepalingen van titel 17.1 consequent gehanteerd wordt en de eerste term alleen in artikel 17.1 voorkomt. Voorts wordt toegevoegd aan het voorkomen van «de gevolgen» van het voorval de «herhaling» van het voorval. Deze aanvulling dient ter implementatie van artikel 7, onderdeel b, de zinsnede: «en om verdere mogelijke ongevallen en incidenten te voorkomen».

Wellicht ten overvloede zij opgemerkt dat de uitdrukkelijke verwijzing in de aanhef van artikel 7 naar de richtlijn milieuaansprakelijkheid (2004/35/EG)36 geen implementatie behoeft, aangezien beide regelingen in de Wm – ongewone voorvallen en milieuaansprakelijkheid – naast elkaar zijn opgenomen in hoofdstuk 17 Wm. De «onverminderd»-constructie uit de richtlijntekst wordt niet overgenomen overeenkomstig de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar 85). Beide titels (17.1 en 17.2) werken ook zonder zo’n uitdrukkelijke bepaling zelfstandig van elkaar en kunnen zo nodig tegelijkertijd door «degene die de inrichting drijft» worden nageleefd respectievelijk door het bevoegd gezag worden toegepast.37

Onderdeel C

Voorgesteld wordt een kleine redactionele aanvulling van de tekst van onderdeel e van artikel 17.2, tweede lid. Met de aanvulling «zijn genomen of» sluit deze tekst beter aan op de in artikel I, onderdeel B, voorgestelde aanvulling van artikel 17.1, eerste lid, en tevens op de tekst van onderdeel d van artikel 17.2, tweede lid.

Onderdeel D

Artikel 17.3 wordt aangevuld met de implementatie van artikel 7, onderdeel c, van de richtlijn industriële emissies. Ook bij dit tekstvoorstel is gekozen voor de term «herhaling» ter implementatie van de zinsnede «om verdere mogelijke ongevallen en incidenten te voorkomen». Deze keuze sluit aan bij de huidige tekst van artikel 17.3, tweede volzin.

Volledigheidshalve is ook het criterium uit artikel 8, tweede lid, onderdeel c, van de richtlijn opgenomen: ervoor zorgen dat weer aan de geldende voorschriften wordt voldaan.

Onderdeel E

Hoofdstuk 17 Wm wordt ter implementatie van artikel 8 van de richtlijn, voor zover titel 17.1 daarin niet voorziet, aangevuld met titel 17.1B. Titel 17.1B verklaart titel 17.1 van overeenkomstige toepassing voor die situaties van «niet-naleving» van de krachtens een vergunning of het Activiteitenbesluit geldende voorschriften, die niet tevens zijn aan te merken als een «ongewoon voorval». Dit betreft de situaties dat een inbreuk (het niet naleven van de voor de betreffende installatie geldende voorschriften) niet wordt veroorzaakt door of volledig samenvalt met een «ongewoon voorval». Titel 17.1B is dus complementair aan titel 17.1; of de ene of de andere titel is van toepassing. Een voorval binnen de inrichting dat zowel valt aan te merken als «ongewoon» als bedoeld in titel 17.1 en dat tevens het niet naleven van de geldende voorschriften met zich brengt, behoeft dus niet dubbel te worden gemeld: bij samenloop kan worden volstaan met het melden van het (ongewone) voorval.

Als leeswijzer bij deze van overeenkomstige toepassing verklaarde artikelen is verduidelijkt dat voor deze situaties bij toepassing van artikel 17.1, eerste lid, het criterium van artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van de richtlijn van toepassing is (in plaats van het criterium van artikel 7, tweede lid, onderdeel b, van de richtlijn). Wellicht ten overvloede is ook verduidelijkt dat overal waar in titel 17.1 gesproken wordt van «voorval» gelezen moet worden: inbreuk.

Onderdeel F

In hoofdstuk 19 van de Wet milieubeheer (Openbaarheid van milieu-informatie) wordt ter implementatie van artikel 24, tweede lid, van de richtlijn industriële emissies een nieuw artikellid ingevoegd in artikel 19.1b. Ten opzichte van artikel 15, eerste lid, van de huidige IPPC-richtlijn bevat het tweede lid van artikel 24 van de richtlijn industriële emissies een aantal nieuwe elementen. Dit betreft allereerst het ter beschikking stellen van de inhoud van een besluit tot verlening of wijziging van een vergunning «onder meer» via het internet. Dit «onder meer» is al geregeld in de huidige tekst van artikel 19.1b, dat ziet op (passieve) openbaarmaking van beschikkingen als bedoeld in artikel 13.1, waartoe ook behoort een beschikking tot verlening van een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, met betrekking tot een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort.

Aanvullend op deze bepaling wordt in een nieuw artikellid het (actief) ter beschikking stellen via internet van de tekst van deze vergunningen geregeld. Dit gebeurt in een afzonderlijk lid, omdat het hier een beperktere categorie betreft dan «de beschikkingen als bedoeld in artikel 13.1», waarop (het eerste lid van) artikel 19.1b betrekking heeft. Door deze nieuwe bepaling inzake het verstrekken van informatie via internet wordt meteen uitvoering gegeven aan het vierde lid van artikel 24 van de richtlijn industriële emissies, voor zover dit terugverwijst naar de hier geïmplementeerde onderdelen van het tweede lid van die bepaling. Dit vierde lid verklaart artikel 4 van de richtlijn nr. 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PbEG L 41) van toepassing. Deze regeling inzake geheimhouding van bedrijfsgeheimen en beveiligingsgegevens is via artikel 19.3 en volgende ook van toepassing op de via internet aan het publiek ter beschikking gestelde teksten van vergunningen en de wijzigingen daarvan.

Deze nieuwe, actieve publicatieplicht via internet geldt uiteraard voor beschikkingen die na de implementatiedatum genomen worden. Zoals in het algemene deel van deze toelichting al is genoemd, is het bij een aantal bestuursorganen reeds gebruik om door hen verleende vergunningen via internet aan het publiek ter beschikking te stellen.

Tenslotte wordt opgemerkt dat de overige nieuwe elementen in deze richtlijnbepaling ten opzichte van de huidige tekst van de IPPC-richtlijn – artikel 24, tweede lid, van de richtlijn industriële emissies – betrekking hebben op het bij verlenen of wijziging van een vergunning voor een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort, ter beschikking stellen van de volgende informatie:

  • a) de titels van BBT-referentiedocumenten die voor de betrokken IPPC-installatie relevant zijn (onderdeel d),

  • b) de manier waarop de vergunningsvoorwaarden, waaronder de emissiegrenswaarden, zijn vastgesteld in verhouding tot de beste beschikbare technieken en de daarmee samenhangende emissieniveaus (onderdeel e), en

  • c) indien artikel 15, vierde lid, van de richtlijn industriële emissies wordt toegepast, de redenen voor die toepassing (onderdeel f).

Ad a) Een vermelding van de relevante BBT-referentiedocumenten zal plaatsvinden in de tekst van de vergunning of als bijlage daarbij. Dit zal worden voorgeschreven in artikel 5.4 van het Bor. Artikel 5.4, tweede lid, onder a, Bor schrijft voor dat het bevoegd gezag bij de bepaling van de BTT rekening houdt met de bij ministeriële regeling aangewezen BBT-referentiedocumenten. De kennisgeving aan het publiek vindt dus plaats via het voorschrift van artikel 19.1b.

Ad b en c) Deze andere twee bepalingen vallen – hoewel nieuw ten opzichte van de huidige IPPC-richtlijn – onder de reeds bestaande motiveringsvoorschriften: artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 2.14, eerste lid, onder 5°, vierde en zesde lid, van de Wabo. Het publiek kan ook hiervan dus kennisnemen door inzage van de verleende of gewijzigde vergunning (artikel 19.1b van de Wm).

Onderdeel G

Artikel 21.2a Wm bevat een informatieverplichting voor bestuursorganen van de desbetreffende decentrale overheden aan de Minister van Infrastructuur en Milieu, opdat deze Minister kan voldoen aan de informatieverplichting uit de IPPC-richtlijn van Nederland als lidstaat aan de Europese Commissie. De bepaling richt zich zowel tot bestuursorganen die de Wet milieubeheer als de Waterwet uitvoeren.

De informatieplicht van artikel 17 van de IPPC-richtlijn had betrekking op het uitwisselen van informatie door de lidstaten via een driejaarlijks, door de Commissie op te stellen, communautair verslag over de uitvoering van de IPPC-richtlijn binnen de Europese Unie. Een vergelijkbare informatieplicht is opgenomen in artikel 11 van de EG-VOS-richtlijn en geïntegreerd in artikel 72, eerste lid, van de richtlijn industriële emissies.

Vanwege de integratie met andere richtlijnen bevat de richtlijn industriële emissies nog een aantal andere informatieverplichtingen jegens de Europese Commissie. Deze verplichtingen zijn nu ter implementatie van die andere richtlijnen opgenomen in bijvoorbeeld het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer (artikel 15). Voorgesteld wordt om een verwijzing naar al dergelijke verplichtingen (artikelen 51, 55, 59, 72, derde en vierde lid) op te nemen in artikel 21.2a Wm.

Artikel 21.2a kent (reeds) de mogelijkheid om nadere regels bij ministeriële regeling te stellen omtrent de informatieplicht van bestuursorganen aan de Minister van Infrastructuur en Milieu met het oog op deze informatieverplichtingen richting de Europese Commissie. Een dergelijke regeling is tot op heden nog niet opgesteld. Voor de uitvoering van de informatieverplichting uit de IPPC-richtlijn wordt sinds 2005 gewerkt met een internetapplicatie: de IPPC-database. Dit betreft een module van het elektronisch milieujaarverslag (e-MJV). Dit jaarverslag strekt mede ter uitvoering van de EG-verordening PRTR.38 Deze IPPC-database zal worden aangepast ten behoeve van de implementatie van de Richtlijn industriële emissies.

Onderdeel H

Artikel 22.1a kan komen te vervallen, aangezien deze bepaling is uitgewerkt. De horizon van die bepaling was 31 oktober 2007.

ARTIKEL V

Overtreding van artikel 17.1 Wm is in de Wet op de economische delicten (hierna: Wed) strafbaar gesteld in artikel 1a, onderdeel 2°. In aansluiting op de wijziging, voorgesteld in artikel III, de onderdelen B en D, wordt voorgesteld in de strafbaarstelling van artikel 17.1 en artikel 17.3, eerste lid, onder te brengen in onderdeel 1° van artikel 1a. Dit betreft de verplichting onmiddellijk maatregelen te treffen, de verplichting om door het bevoegde bestuursorgaan opgelegde aanvullende maatregelen te treffen en tenslotte de verplichting om de installatie zo nodig buiten werking te stellen, indien al die maatregelen onvoldoende blijken om gevaarzetting te voorkomen. Dit voorstel betekent dat de strafbaarstelling van overtreding van de huidige maatregelplicht van artikel 17.1 verhuist naar een zwaardere categorie.

Deze nieuwe categorisering is in overeenstemming met de rubricering van overige vergelijkbare verplichtingen uit hoofdstuk 17 Wm in artikel 1a Wed: de verplichting tot het onmiddellijk treffen van maatregelen is steevast ondergebracht in artikel 1a, onderdeel 1°; de verplichting tot het onmiddellijk melden in artikel 1a, onderdeel 2°.

Er is afgezien van een strafbaarstelling van overtreding van het nieuwe artikel 17.5e. De reden hiervoor is gelegen in een mogelijke spanning met het «nemo tenetur-beginsel». Artikel 8 van de richtlijn spreekt immers zonder enige restrictie van «het onmiddellijk op de hoogte stellen» van «een inbreuk op de vergunningsvoorwaarden». Het verplichten van het melden van elke overtreding van voor de inrichting geldende voorschriften, kan op gespannen voet komen te staan met het beginsel «not to incriminate oneself», gelet op de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens39 met betrekking tot de reikwijdte van dit beginsel.40 Ook elders in de ordeningswetgeving wordt deze lijn gevolgd. Een voorbeeld hiervan is de bepaling van artikel 16.12, eerste lid, onder b, 3°, Wm, waarin een rapportageplicht is opgenomen met betrekking tot «afwijkingen» van het monitoringsplan – afwijkingen, die beboet kunnen worden als overtreding van de vergunning. Het niet naleven van die meldingsplicht is ook daar niet strafbaar gesteld in de Wet op de economische delicten. Deze lijn wordt in dit wetsvoorstel gecontinueerd.

Tegen niet-naleving van de meldingsplicht in artikel 17.5e juncto artikel 17.2, eerste lid, Wm kan overigens wel met bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen worden opgetreden. Deze lijn past overigens ook binnen het regiem van de richtlijn milieustrafrecht41, waarin de verplichting tot strafbaarstelling zich niet uitstrekt tot meldingsplichten.

Ten overvloede zij opgemerkt dat het niet (tijdig) melden van een «ongewoon voorval» wel strafbaar is gesteld via de Wed, aangezien daarbij het voornoemde beginsel geen rol speelt en het van groot belang is dat het bevoegde gezag tijdig geïnformeerd wordt omtrent een voorval, waarbij nadelige gevolgen voor het milieu dreigen te of reeds zijn ontstaan.

ARTIKEL VI

De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 januari 2013, in plaats van de uiterste implementatiedatum van 7 januari 2013, genoemd in artikel 80 van de richtlijn industriële emissies. Met de vervroegde datum wordt aangesloten bij de zogenaamde «vaste verandermomenten».

De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, J. J. Atsma

Transponeringstabel Richtlijn Industriële Emissies 2010/7542

  • Ab = Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer)

  • Bor = Besluit omgevingsrecht

  • Mor = Regeling omgevingsrecht

  • Wabo = Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

  • Wed = Wet economische delicten

  • Wm = Wet milieubeheer

  • Wob = Wet openbaarheid bestuur

Artikel, -lid of -onderdeel EU-regeling

Bepaling in implementatie-regeling of in bestaande regelgeving

Keuze bij de invulling van beleidsruimte

Toelichting

Hoofdstuk I Gemeenschappelijke bepalingen

 

Artikel 1

Onderwerp

2.14 Wabo

   
       

Artikel 2

Toepassingsgebied

Eerste lid

1.1 Wabo

2.1, eerste lid, Bor

   

Tweede lid (uitzondering)

Behoeft geen implementatie

 

Onderzoeks- of ontwikkelingsactiviteiten worden wel gereguleerd door de Wabo of het Ab.

       

Artikel 3

Definities

     

Artikel 3, onderdeel 1

Stof

1.1 Wm

   

Artikel 3, onderdeel 2

Verontreiniging

1.1, tweede en derde lid, Wm

   

Artikel 3, onderdeel 3

Installatie

Behoeft geen implementatie

 

In de Nederlandse milieuwetgeving wordt gebruik gemaakt van de begrippen «IPPC-installatie» en «inrichting».

Artikel 3, onderdeel 4

Emissie

1.1 Wm

   

Artikel 3, onderdeel 5

Emissiegrenswaarde

1.1 Wm

   

Artikel 3, onderdeel 6

Milieukwaliteitsnorm

Hoofdstuk 5 Wm

 

Hoofdstuk 5 dateert van voor de IPPC-richtlijn, maar wordt wel aangemerkt als IPPC-implementatie.

Artikel 3, onderdeel 7

Vergunning

2.1 Wabo j° 1:3 Awb

   

Artikel 3, onderdeel 8

Algemeen verbindende voorschriften

8.40 Wm

   

Artikel 3, onderdeel 9

Belangrijke wijziging

2.1, 3.7, tweede lid, en 3.10, derde lid, Wabo

   

Artikel 3, onderdeel 10

Beste beschikbare technieken

1.1 Wabo

   

Artikel 3, onderdeel 11

BBT-referentiedocument

Behoeft geen implementatie

 

Alle artikelen waarin deze term staat, zijn tot de Commissie zijn gericht.

Artikel 3, onderdeel 12

BBT-conclusies

1.1 Bor

   

Artikel 3, onderdeel 13

Met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus

5.5, achtste lid, Bor

   

Artikel 3, onderdeel 14

Techniek in opkomst

5.9, tweede lid, Bor

   

Artikel 3, onderdeel 15

Exploitant

Behoeft geen implementatie

 

In de Nederlandse milieuwetgeving wordt gewerkt met de begrippen: aanvrager, degene die de inrichting drijft, vergunninghouder en degene die de activiteit verricht. Nieuw t.o.v. richtlijn 2008/1 is het element «of controle daarover heeft»; de Nederlandse regelgeving en jurisprudentie dekken dit element.

Artikel 3, onderdeel 16

Publiek

Behoeft geen implementatie

 

In de Nederlandse wetgeving wordt gewerkt met het begrip «eenieder».

Artikel 3, onderdeel 17

Betrokken publiek

Behoeft geen implementatie

 

De Algemene Wet Bestuursrecht (artikel 1:2) gebruikt het begrip «belanghebbende».

Artikel 3, onderdeel 18

Gevaarlijke stoffen

3 Verordening (EG) nr. 1272/2008 (EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels)

 

De richtlijn verwijst naar de verordening; deze werkt rechtstreeks.

Artikel 3, onderdeel 19

Situatierapport

2.11, eerste en derde lid, Ab

4.3 Mor

   

Artikel 3, onderdeel 20 Grondwater

1.1 Waterwet

   

Artikel 3, onderdeel 21

Bodem

1.1 Ab

   

Artikel 3, onderdeel 22

Milieu-inspectie

Behoeft geen implementatie

 

Toezicht door het bevoegd gezag is geregeld in artikel 5.2, eerste lid, onderdeel a en b, Wabo.

Artikel 3, onderdeel 23

Pluimvee

Behoeft geen implementatie

 

Begrip komt alleen voor in Bijlage I (6.6) via een dynamische verwijzing in de definitie IPPC-installatie. (Artikel 1.1 Wabo).

Artikel 3, onderdeel 24

Brandstof

1.1, eerste lid, Ab

   

Artikel 3, onderdeel 25

Stookinstallatie

1.1, eerste lid, Ab

   

Artikel 3, onderdeel 26

Schoorsteen

1.1, eerste lid, Ab

   

Artikel 3, onderdeel 27

Bedrijfsuren

5.8, tweede lid, Ab

   

Artikel 3, onderdeel 28

Ontzwavelingspercentage

Behoeft geen implementatie

 

De opties in de artikelen 31 en 40 worden in Nederland niet gebruikt.

Artikel 3, onderdeel 29

Inheemse vaste brandstof

Behoeft geen implementatie

 

Wordt in Nederland niet gebruikt.

Artikel 3, onderdeel 30

Bepalende brandstof

Behoeft geen implementatie

 

Zie artikel 40 richtlijn.

Artikel 3, onderdeel 31

Biomassa

1.1, eerste lid, Ab

   

Artikel 3, onderdeel 32

Gemengde stookinstallatie

Behoeft geen implementatie

 

In 1.1 Ab is geen aparte definitie opgenomen, maar het begrip is in artikel 5.9 Ab omschreven.

Artikel 3, onderdeel 33

Gasturbine

1.1, eerste lid, Ab

   

Artikel 3, onderdeel 34

Gasmotor

1.1, eerste lid, Ab

   

Artikel 3, onderdeel 35

Dieselmotor

1.1 eerste lid, Ab

   

Artikel 3, onderdeel 36

Klein geïsoleerd systeem

Behoeft geen implementatie

 

Zie artikel 34 richtlijn.

Artikel 3, onderdeel 37

Afval

1.1 Wm

   

Artikel 3, onderdeel 38

Gevaarlijke afvalstoffen

1.1 Wm j° Regeling Europese afvalstoffenlijst

   

Artikel 3, onderdeel 39

Ongesorteerd stedelijk afval

1.1 Wm j° Regeling Europese afvalstoffenlijst

 

Definitie wordt niet gebruikt in Nederland.

Artikel 3, onderdeel 40 Afvalverbrandingsinstallatie

1.1, eerste lid, Ab

   

Artikel 3, onderdeel 41

Afvalmeeverbrandings-installatie

1.1, eerste lid, Ab

   

Artikel 3, onderdeel 42

Nominale capaciteit

Regeling

   

Artikel 3, onderdeel 43

Dioxinen en furanen

1.1, eerste lid, Ab

   

Artikel 3, onderdeel 44

Organische verbinding

Behoeft geen implementatie

 

Term komt alleen voor in definitie organisch oplosmiddel; zie artikelsgewijze toelichting bij artikel 3 (46).

Artikel 3, onderdeel 45

Vluchtige organische stof

1.1, eerste lid, Ab

   

Artikel 3, onderdeel 46

Organisch oplosmiddel

1.1, eerste lid, Ab

   

Artikel 3, onderdeel 47

Coating

1.1, eerste lid, Ab

   
       

Artikel 4

Vergunningsplicht

     

Artikel 4, eerste lid

Vergunningsplicht

1e zin (vergunning nodig voor exploitatie installatie)

2e zin (registratie volstaat voor installaties/ activiteiten waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt)

3e zin (registratieprocedure)

1e zin: 1.1, derde lid, Wabo

2.1, tweede lid, Bor

2e zin: 8.41 Wm j° 1.10 Ab

3e zin: registratie volgens 8.41 Wm procedure j° 1.10 Ab

Bij oplosmiddelen-installaties bestaat geen vergunning-plicht, melding volstaat.

 

Artikel 4, tweede lid [nieuw t.o.v. richtlijn 2008/1] Vergunning op meerdere installaties van dezelfde exploitant

1e zin

2e zin

1e zin 1.1 Wm (het begrip inrichting)

2e zin 2.14 Wabo (milieubelang)

Het Nederlandse begrip inrichting kan al meerdere installaties bevatten.

 

Artikel 4, derde lid [nieuw t.o.v. richtlijn 2008/1]

Vergunning op meerdere delen van een installatie in werking bij exploitanten

2.25 Wabo

Nederland maakt geen gebruik van deze facultatieve mogelijkheid.

Cf. systeem Wabo: één vergunninghouder per vergunning.

       

Artikel 5

Verlening van vergunningen

     

Artikel 5, eerste lid

Verlening van vergunningen

2.14 Wabo (inhoudelijke eis) 2.22 Wabo

   

Artikel 5, tweede lid

Coördinatie vergunningprocedures

3.16 Wabo

6.27 tot en met 6.29 Waterwet

   

Artikel 5, derde lid

art. 4 richtlijn. 85/337/EEG, MER

7.35 j° 7.27 Wm

   
       

Artikel 6

Algemene bindende voorschriften

8.40, eerste lid, Wm

2.22, derde lid, Wabo

6.6 en 6.7 Waterwet

Cf. status quo en minst belastende alternatief implementatie voorschriften stookinstallaties, afvalverbranding, oplosmiddelen-installaties en titaandioxide-productie met algemene regels die direct voor de bedrijven gelden naast of in plaats van vergunning-voorschriften.

In het Nederlandse systeem wordt in vergunningen niet verwezen naar algemene regels; algemene regels werken al uit zichzelf.

       

Artikel 7

Incidenten en ongevallen

17.1, 17.2 en 17.3 Wm

   
       

Artikel 8

Niet-naleving

17.1, 17.2 en 17.3 Wm j° titel 17.1B (nieuw)

   
       

Artikel 9

Emissies van broeikasgassen

2.22, derde lid, onderdeel e, Wabo

5.12 Bor

   
       

Hoofdstuk II Bijzondere bepalingen voor de in bijlage I genoemde activiteiten

 

Artikel 10

Toepassingsgebied

1.1, eerste lid, Wabo

 

Het begrip IPPC-installatie bevat een dynamische verwijzing naar bijlage I van de richtlijn.

       

Artikel 11

Algemene beginselen van de fundamentele verplichtingen van de exploitant

2.14, eerste lid, en 2.22, derde lid, Wabo

5.4 en 5.7 Bor

   
       

Artikel 12

Aanvraag van een vergunning

2.8 eerste lid, Wabo;

4.4 Bor grondslag voorindieningsvereisten in het Mor

   

Artikel 12, eerste lid

onderdeel a

onderdeel b

onderdeel c

onderdeel d

onderdeel e

onderdeel f

onderdeel g

onderdeel h

onderdeel i

onderdeel j

onderdeel k

a. 4.1 eerste lid, onderdeel a en c, Mor

b. 4.1, eerste lid, onderdeel b, Mor

c. 4.1 eerste lid, onderdeel a en c, Mor

d. 4.3 Mor

e. 4.3 Mor

f. 4.1, eerste lid, onderdeel e, Mor

g. 4.1, eerste lid, onderdeel g, Mor

h. 4.1, eerste lid, onderdeel f

i. 4.1, eerste lid, onderdeel g, Mor

j. 4.1, eerste lid, onderdeel h, Mor

k. 4.1, eerste lid, onderdeel j, Mor

 

Zie artikel 22 richtlijn.

e. gewijzigde formulering t.o.v. richtlijn 2008/1: «in voorkomend geval».

h. gewijzigde formulering t.o.v. richtlijn 2008/1.

k. gewijzigde formulering t.o.v. richtlijn 2008/1.

Eerste lid, tweede zin

niet-technische samenvatting

4.1, tweede lid, Mor

   

Artikel 12, tweede lid

MER en BRZO

7.28, eerste lid, onderdeel a, Wm en 4.13 Mor

   
       

Artikel 13

BBT-referentiedocumenten en uitwisseling van informatie

Behoeft geen implementatie

 

Gericht tot de Commissie.

Artikel 13, eerste, tweede, derde, vierde en zesde lid

Behoeft geen implementatie

 

Gericht tot de Commissie

Artikel 13, vijfde en zevende lid

1.1 Bor

   
       

Artikel 14

Vergunningsvoorwaarden

     

Artikel 14, eerste lid

onderdeel a

onderdeel b

onderdeel c

onderdeel c ii

onderdeel d

onderdeel d ii

onderdeel e

onderdeel f

onderdeel g

onderdeel h

a. 1.1, derde lid, en 5.5, tweede lid, Bor

b. 5.7 eerste lid, onderdeel b en c, en tweede lid, onderdeel a, Bor

c. 5.5, vierde lid, Bor

c ii: Mor

d. 5.5, vierde lid, Bor, onderdeel b «regelmatig en tenminste jaarlijks»

d ii. Mor

e. toevoeging aan 5.7, onderdeel b, Bor

f. 5.7, tweede lid, onderdeel f, Bor

g. 5.7, eerste lid, onderdeel e, Bor

h. 5.7, eerste lid, onderdeel i, Bor

   

Artikel 14, tweede lid

Emissiegrenswaarden gelijkwaardige parameters en technische maatregelen

5.6, eerste en tweede lid, Bor

   

Artikel 14, derde lid

IJkpunt vergunningverlening

5.4, eerste lid, Bor

   

Artikel 14, vierde lid

Strenger dan BBT-conclusies mag

8.40 Wm

5.4, eerste lid, Bor

   

Artikel 14, vijfde lid

Uitzonderingen

Mor

   

Artikel 14, zesde lid (terugvaloptie op beginselen)

5.4, tweede en derde lid, Bor

Afdeling 3.4 Awb

   

Artikel 14, zevende lid [nieuwe bepaling]

Dierenwelzijn regelgeving is onverminderd van toepassing voor installaties onder punt 6.6. van bijlage I bij de richtlijn

8.3, tweede lid, Wabo

 

Art. 8.3 Wabo regelt afstemming met andere wetten waaronder Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Die lex specialis gaat vóór de Wabo.

       

Artikel 15

Emissiegrenswaarden, gelijkwaardige parameters en technische maatregelen

     

Artikel 15, eerste lid

Emissiegrenswaarden voor verontreinigende stoffen

5.5, derde lid, Bor

   

Artikel 15, tweede lid

Emissiegrenswaarden, gelijkwaardige parameters, technische maatregelen en BBT

5.6, zesde lid, Bor

   

Artikel 15, derde lid

Emissiegrenswaarden en BBT, normale bedrijfsomstandigheden

5.5, zesde lid, Bor

Mor

   

Artikel 15, vierde lid

Uitzonderingen op lid 3

1e alinea

2e alinea

3e alinea

4e alinea

5e alinea

6e alinea

1e alinea :5.5, zevende lid, Bor

2e alinea: 2.14, derde lid, Wabo

3e alinea: 2.22, vijfde lid, Wabo

4e alinea: 2.14 Wabo, eerste lid, Wabo

5e alinea: Behoeft geen implementatie

6e alinea: 2.30, eerste lid, Wabo

 

5e alinea betreft bevoegdheid van de Commissie.

Artikel 15, vijfde lid

5.9, eerste lid, onderdeel d, Bor

   
       

Artikel 16

Eisen inzake monitoring

     

Artikel 16, eerste lid

5.5, vierde lid, onderdeel a, Bor

   

Artikel 16, tweede lid

Periodieke monitoring

5.7, eerste lid, onderdeel b, Bor

   
       

Artikel 17

Algemene bindende voorschriften voor de in bijlage I opgesomde activiteiten

8.40 Wm

Art. 2.22, derde lid, Wabo

6.6 en 6.7 Waterwet

Cf. status quo en minst belastende alternatief implementatie-voorschriften stookinstallaties, afvalverbranding, oplosmiddelen-installaties en titaandioxide-productie met algemene regels die direct voor de bedrijven gelden naast of in plaats van vergunning-voorschriften

 
       

Artikel 18

Milieukwaliteits-normen

5.1 en 5.6 Wm

2.14, eerste lid, onderdeel c, sub 2, Wabo

 

In de Nederlandse wetgeving wordt het begrip «grenswaarden» gebruikt.

       

Artikel 19

Ontwikkelingen op het gebied van beste beschikbare technieken

5.4, eerste lid, Bor

 

Dit artikel wordt tevens door middel van feitelijk handelen geïmplementeerd: Informatie over ontwikkelingen in technieken en emissieniveaus op www.infomil.nl.

       

Artikel 20

Wijzigingen van installaties door de exploitanten

2.1, onderdeel e, sub 2, Wabo

3.10, derde lid, Wabo

   
       

Artikel 21 Toetsing en bijstelling van de vergunnings-voorwaarden door de bevoegde autoriteit

     

Artikel 21, eerste lid

2.30 en 2.31, eerste lid, onderdeel b, Wabo

   

Artikel 21, tweede lid

Verstrekken gegevens

5.7, tweede lid, onderdeel a, b en c, Bor

   

Artikel 21, derde lid

Aanpassing vergunning n.a.v. nieuwe BREF

5.10 Bor

2.30 en 2.31, eerste lid, onderdeel b, Wabo

6.22, eerste lid, Waterwet

6.26, eerste lid, Waterwet

6.2, tweede lid, Waterbesluit

   

Artikel 21, vierde lid

Toetsing en bijstelling in geval van nieuwe BBT (niet vastgelegd in een BREF)

2.30 en 2.31, eerste lid, onderdeel b, Wabo

5.10, tweede lid, onderdeel b, Bor

   

Artikel 21, vijfde lid

Redenen voor herziening van vergunning-voorschriften

5.10, tweede lid, onderdeel c, Bor

   
       

Artikel 22

Sluiting van terreinen

     

Artikel 22, eerste lid

Beginsel 12 punt 8

2.9 en 2.11 Ab

   

Artikel 22, tweede lid

Opstellen situatierapport

2.11, eerste en tweede lid, Ab

4.3, tweede lid, Mor

4.17, tweede lid, Mor

   

Artikel 22, derde lid

Saneren naar uitgangstoestand

2.11, derde en vijfde lid, Ab

   

Artikel 22, vierde lid

Saneren andere gevallen

2.11, vijfde lid, Ab

   
       

Artikel 23

Milieu-inspecties

     

Artikel 23, eerste lid

Systeem voor milieu-inspecties

1e alinea

2e alinea

1e alinea: 5.3 Wabo j°

7.2 Bor

2e alinea: 5.16, 5.17 en 5.20 Awb

   

Artikel 23, tweede lid

Milieu-inspectieplan

7.2 en 7.3 Bor

   

Artikel 23, derde lid

Elementen milieu-inspectieplan

onderdeel a

onderdeel b

onderdeel c

onderdeel d

onderdeel e

onderdeel f

onderdeel a: 7.2, tweede lid, Bor

onderdeel b: zie artikel 71

onderdeel c: 19.1b Wm

onderdeel d: 7.3 Bor

onderdeel e: 10.3 Mor

onderdeel f: 5.4 Wabo, 7.2, eerste en vijde lid, Bor

 

onderdeel b: geografische ligging volgt uit aanwijzing bevoegd gezag

Artikel 23, vierde lid

Programma’s voor routinematige milieu-inspecties

10.3, eerste lid, en 10.4 Mor

Aan criteria systematische evaluatie milieurisico milieuzorg-systeem cf. ISO 14 001 toegevoegd.

 

Artikel 23, vijfde lid

Niet-routinematige inspecties

10.3 Mor

   

Artikel 23, zesde lid

Verslaglegging

1e zin

2e zin

3e zin

1e zin: 10.6 Mor

2e zin: 10.3 Mor

3e zin: 7.2, vierde lid, onderdeel b, Bor

   
       

Artikel 24

Toegang tot informatie en deelneming van het publiek aan de vergunningsprocedure

     

Artikel 24, eerste lid

Inspraak van het betrokken publiek bij bepaalde procedures

3.10 Wabo j° afd. 3.4 Awb

   

Artikel 24, tweede lid

Informatie verstrekking

onderdeel a

onderdeel b

onderdeel c

onderdeel d en e

onderdeel f

a. 3.42, eerste lid, en 3.43 Awb j° 19.1c Wm

b. 3.46 Awb en 2.14, vierde lid, Wabo j° 19.1c Wm

c. 2.14, eerste lid, a, sub 4, Wabo

d en e. 2.14, vierde lid, Wabo

f. 2.14, vierde lid, Wabo j° 19.1c Wm

 

Artikel 19.1c Wm heeft betrekking op het via internet ter beschikking stellen van de informatie.

Artikel 24, derde lid

onderdeel a

onderdeel b

a. 19.1b Wm

b. 12.12 Wm en Wob

 

Voor zover het algemene regels over definitieve stopzetting van de activiteiten betreft: feitelijk handelen: www.wetten.nl

Het actief openbaar maken van het verslag op: www.emissie-registratie.nl .

Artikel 24, vierde lid

Richtlijn 2003/4/EG

Wob

Hoofdstuk 19 Wm

   
       

Artikel 25

Toegang tot de rechter

1:2 en 3:45 en hoofdstuk 6 en 8 Awb

   
       

Artikel 26

Grensoverschrijdende Effecten

Eerste lid Informatievoorziening aan andere lidstaat

6.11, eerste lid, Bor

   

Tweede lid Toegankelijkheid vergunningaanvraag voor publiek

6.11, eerste lid, Bor

   

Derde lid Resultaten van overleg betrekken bij besluit

3.10 Wabo j° afd. 3.4 Awb

   

Vierde lid Informeren over besluit over de aanvraag

3.10 Wabo j° afd. 3.4 Awb

   
       

Artikel 27

Technieken in opkomst

     

Artikel 27, eerste lid

Stimuleren, waar passend

Behoeft geen implementatie

 

Feitelijk handelen: stimuleringsregelingen, fiscale regelingen en

innovatiebeleid.

Artikel 27, tweede lid

Richtsnoeren stimuleren technieken in opkomst

Behoeft geen implementatie

 

Gericht tot de Commissie.

       

Hoofdstuk III Bijzondere bepalingen betreffende stookinstallaties (§ 5.1 Ab)

 

Artikel 28

Toepassingsgebied

5.1, eerste lid, Ab

   
       

Artikel 29

Samentellingsregels

     

Artikel 29, eerste lid

Samentellingsregels

5.1, tweede lid, Ab

   

Artikel 29, tweede lid

drempel 15MW

5.1, tweede lid, Ab

   

Artikel 29, derde lid

Berekening totale nominaal thermisch vermogen

5.1, tweede lid, Ab

   
       

Artikel 30

Emissiegrenswaarden

     

Artikel 30, eerste lid

Schoorsteen

5.2 Ab

   

Artikel 30, tweede lid

Bestaande stookinstallaties

5.4 tot en met 5.7 Ab

   

Artikel 30, derde lid

Nieuwe stookinstallaties

5.4 tot en met 5.7 Ab

   

Artikel 30, vierde lid

Berekening emissiegrenswaarden

5.3, eerste lid, Ab

   

Artikel 30, vijfde lid

Afwijken van emissiegrenswaarden

5.10 Ab

   

Artikel 30, zesde lid

Afwijken van emissiegrenswaarden

5.11 Ab

   

Artikel 30, zevende lid

Uitbreiding capaciteit

5.3, derde lid, Ab

   

Artikel 30, achtste lid

Dieselmotoren, pulpproductie

Behoeft geen implementatie

 

Gericht tot de Commissie.

De Commissie neemt uiterlijk 31 december 2013 een besluit over de vaststelling van emissiegrenswaarden voor deze stookinstallaties. Deze installaties komen in Nederland niet voor.

Artikel 30, negende lid

Raffinaderijen

Behoeft geen implementatie

 

Gericht tot de Commissie.

De Commissie neemt uiterlijk 31 december 2013 een besluit over de toetsing en herziening van de emissiegrenswaarden voor raffinaderijen.

       

Artikel 31

Ontzwavelingspercentage

Behoeft geen implementatie

 

Dit artikel is niet van toepassing in Nederland.

       

Artikel 32

Nationaal plan voor de overgangsfase

Behoeft geen implementatie

 

Nederland voldoet niet aan de voorwaarden.

       

Artikel 33

Afwijking wegens beperkte levensduur

Behoeft geen implementatie

 

Nederland voldoet niet aan de voorwaarden.

       

Artikel 34

Kleine geïsoleerde systemen

Behoeft geen implementatie

 

Nederland voldoet niet aan de voorwaarden.

       

Artikel 35

Stadsverwarmings-installaties

Behoeft geen implementatie

 

Nederland voldoet niet aan de voorwaarden.

       

Artikel 36

Geologische opslag van kooldioxide

5.14 en 5.15 Ab

 

Dit artikel wordt meegenomen bij de implementatie van Richtlijn 2009/31/EG over geologische opslag van kooldioxide.

       

Artikel 37

Storingen of uitvallen van de afgasreinigings-

apparatuur

     

Artikel 37, eerste lid

5.12 Ab

   

Artikel 37, tweede lid,

eerste zin

tweede zin

derde zin

vierde zin, onderdeel a en b

eerste zin: 5.12, eerste lid, Ab

tweede zin:5.12, vierde lid, Ab

derde zin:5.12, tweede lid, Ab

vierde zin, onderdeel a en b: 5.12, derde lid, Ab

   
       

Artikel 38

Monitoring van de emissies in de lucht

     

Artikel 38, eerste lid

Monitoring conform deel 3 van Bijlage V

5.13 Ab

§ 5.1 Activiteitenregeling

 

Bepaling uit Ab vormt grondslag voor Regeling

Zie bijlage V, deel 3, richtlijn.

Artikel 38, tweede lid

Controle en verificatie conform deel 3 van bijlage V

§ 5.1 Activiteitenregeling

 

Zie bijlage V, deel 3, richtlijn.

Artikel 38, derde lid

Bevoegd gezag bepaalt meetpunten

§ 5.1 Activiteitenregeling

   

Artikel 38, vierde lid

Registratie en rapportage

§ 5.1 Activiteitenregeling

 

Bepaling uit Ab vormt grondslag voor Regeling.

       

Artikel 39

Naleving van de emissiegrenswaarden

5.13 Ab

§ 5.1 Activiteitenregeling

 

Bepaling vormt grondslag voor Regeling. Zie bijlage V, deel 4, richtlijn.

       

Artikel 40

Gemengde stookinstallaties

     

Artikel 40, eerste lid

Gemengde stookinstallaties

5.9, eerste en tweede lid, Ab

   

Artikel 40

Raffinaderijen

eerste lid

tweede lid

derde lid

eerste lid: 5.9 , eerste en tweede lid , Ab

tweede lid: Behoeft geen implementatie

derde lid: 5.9, derde lid, Ab

Bij implementatie is gekozen voor optie artikel 40, derde lid: vooraf vastgestelde gemiddelde emissiegrens-waarden.

 
       

Artikel 41

Uitvoeringsvoorschriften

Behoeft geen implementatie

 

Gericht tot de Commissie.

       

Hoofdstuk IV Bijzondere bepalingen betreffende afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties (§ 5.2 Ab)

 

Artikel 42

Toepassingsgebied

     

Artikel 42, eerste lid

eerste alinea

tweede alinea

derde alinea

vierde alinea

vijfde alinea

1. 5.17, eerste lid, Ab

2. 5.17, tweede lid, Ab

3. 5.17, derde lid, Ab

4. 5.17, vierde lid, Ab

5. Behoeft geen implementatie

 

Vijfde alinea: Volgt uit de definities van afval-en afvalmee-verbrandings-installatie (in 1.1 Ab).

Artikel 42, tweede lid

onderdeel a, i

Biomassa

5.17, tweede lid, onderdeel a, 1e punt Ab

   

onderdeel a, ii

Radioactief afval

5.17, tweede lid, onderdeel a, 2e punt Ab

   

onderdeel a, iii

Karkassen van dieren

8.3, tweede lid, Wabo

 

Art. 8.3 Wabo regelt afstemming met andere wetten waaronder Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Die lex specialis gaat vóór de Wabo.

onderdeel a, iv

Afvalstoffen olie- en gaswinning

5.17, tweede lid, onderdeel a, 3e punt, Ab

   

onderdeel b

Experimentele installaties voor onderzoek, etc.

5.17, tweede lid, onderdeel b, Ab

   
       

Artikel 43

Definitie van residu

1.1 Ab

   
       

Artikel 44

Aanvraag van een vergunning

onderdeel a, b en c

onderdeel d

a, b en c: Mor

d. Behoeft geen implementatie

 

Zie voor onderdelen a, b en c: resp. bij implementatie 46, eerste lid, 50, vijfde lid en 53 richtlijn.

       

Artikel 45

Vergunningsvoorwaarden

     

Artikel 45, eerste lid,

onderdeel a

onderdeel b

a. 4.7, onderdeel a, en 4.11, onderdeel b, Mor

b. 4.1, onderdeel c, en 4.7, onderdeel a, Mor

   

Artikel 45, eerste lid, onderdeel c

Grenswaarden voor emissies in de lucht en in water

5.21, 5.22 tot en met 5.24 en 5.29 Ab

   

Artikel 45, eerste lid, onderdeel d

Eisen m.b.t. pH, temperatuur en debiet van geloosd afvalwater

5.29, derde lid, Ab

6.18 en 6.21, onder b, Waterregeling

   

Artikel 45, eerste lid, onderdeel e

Bemonsterings- en meetprocedures en frequenties m.b.t. monitoring emissies

5.31 Ab

 

Zie 48 richtlijn.

Artikel 45, eerste lid, onderdeel f

Toelaatbare duur stilleggingen

5.28, eerste lid, Ab

 

Zie 46, zesde lid, richtlijn.

Artikel 45, tweede lid

onderdelen a en b

4.11b Mor

   

Artikel 45, derde lid

Behoeft geen implementatie

 

Het betreft een mogelijkheid voor de lidstaten. Nederland maakt daarvan geen gebruik.

Artikel 45, vierde lid

2.30 en 2.31 Wabo

 

Betreft omgevingsvergunning en lozingsvergunning.

       

Artikel 46

Controle van de emissies

     

Artikel 46, eerste lid

5.18 Ab

   

Artikel 46, tweede lid, eerste alinea

5.21, 5.22 tot en met 5.24 Ab

   

Artikel 46, tweede lid, tweede alinea

5.21 Ab

   

Artikel 46, derde lid

5.29 Ab (incl. tabel)

   

Artikel 46, vierde lid, eerste alinea

§ 5.2 Activiteitenregeling

 

Zie bijlage VI, deel 6, onder 3.2, richtlijn.

Artikel 46, vierde lid, tweede alinea

§ 5.2 Activiteitenregeling

   

Artikel 46, vierde lid, derde alinea

5.30 Ab

   

Artikel 46, vijfde lid

§ 5.2 Activiteitenregeling

   

Artikel 46, zesde lid

5.28, eerste tot en met derde lid, Ab

   
       

Artikel 47

Uitvallen

5.28, vierde lid, Ab

   
       

Artikel 48

Monitoring van emissies

     

Artikel 48, eerste lid

5.31 Ab

§ 5.2 Activiteitenregeling

Onder voorwaarden continue monitoring vervangen door periodieke of afzien van metingen.

Bijlage VI, deel 6, (emissiemonitoring) en deel 7, (formule voor berekening emissieconcentratie) richtlijn.

Specifieke wijzigingen in monitoringseisen volgen bij bespreking bijlage VI richtlijn.

Artikel 48, tweede lid

5.31 Ab

 

Zie Bijlage VI, deel 6, punt 1 (jaarlijkse verificatietest) richtlijn.

Artikel 48, derde lid

5.31 Ab

§ 5.2 Activiteitenregeling

 

Zie bijlage VI, deel 6, punt 1.1

Artikel 48, vierde lid

5.31 Ab

§ 5.2 Activiteitenregeling

   

Artikel 48, vijfde lid

Behoeft geen implementatie

 

Gericht tot de Commissie.

Via comitologie;

vaststelling door de Commissie van ingangsdatum voor verplichte continu-metingen van de emissies in de lucht van dioxinen en zware metalen.

       

Artikel 49

Naleving van de emissiegrenswaarden

5.31 Ab

§ 5.2 Activiteitenregeling

Gekozen voor optie alleen 100% halfuur-gemiddelden te implementeren.

ZieBijlage VI, deel 8, (beoordeling van de naleving van de emissiegrenswaarden) richtlijn.

       

Artikel 50

Exploitatievoorwaarden

     

Artikel 50, eerste lid

§ 5.2 Activiteitenregeling

   

Artikel 50, tweede lid

§ 5.2 Activiteitenregeling

   

Artikel 50, derde lid

§ 5.2 Activiteitenregeling

   

Artikel 50, vierde lid

§ 5.2 Activiteitenregeling

   

Artikel 50, vijfde lid

5.20 Ab

   

Artikel 50, zesde lid

§ 5.2 Activiteitenregeling

   

Artikel 50, zevende lid

§ 5.2 Activiteitenregeling

   
       

Artikel 51

Toestemming voor wijziging van de exploitatievoorwaarden

     

Artikel 51, eerste lid

Zie art. 50, eerste t/m derde lid

Andere maatregelen toegestaan, mits gelijkwaardig (eisen totale hoeveelheid organisch koolstof, temperatuur en hulpbrander).

 

Artikel 51, tweede lid

§ 5.2 Activiteitenregeling

   

Artikel 51, derde lid, eerste alinea

§ 5.2 Activiteitenregeling

   

Artikel 51, derde lid, tweede alinea

Behoeft geen implementatie

 

De betreffende installaties komen in Nederland niet voor.

Artikel 51, vierde lid

In kennis stellen van alle toegestane exploitatievoorwaarden

21.2a Wm

   
       

Artikel 52

Aflevering en inontvangstneming van afval

     

Artikel 52, eerste lid

5.19 Ab

   

Artikel 52, tweede lid

5.19 eerste lid, onderdeel a, Ab

   

Artikel 52, derde lid

5.19 eerste lid, onderdeel b en c, Ab

   

Artikel 52, vierde lid

5.19, tweede lid,Ab

5.19, eerste lid, onderdeel c, aanhef en onder punt 1

   

Artikel 52, vijfde lid

5.19, vierde lid, Ab

   
       

Artikel 53 Residuen

     

Artikel 53, eerste lid

5.20, tweede lid, Ab

   

Artikel 53, tweede lid

§ 5.2 Activiteitenregeling

   

Artikel 53, derde lid

§ 5.2 Activiteitenregeling

   
       

Artikel 54

Belangrijke wijziging

2.1, eerste lid, onderdeel e, punt 2, Wabo

   
       

Artikel 55

Verslaglegging en publieksvoorlichting over afvalverbrandings-installaties en afvalmeeverbrandings-installaties

     

Artikel 55, eerste lid

3.10, eerste lid, onderdeel e, Wabo j° afdeling 3.4 Awb

   

Artikel 55, tweede lid

21.2a Wm

Regeling PRTR en PRTR-protocol

   

Artikel 55, derde lid

21.2a Wm

Art. 9.1a Mor

 

Zinsnede vanaf «en stelt deze ter beschikking van het publiek»: feitelijk handelen, door publicatie op internet (www.infomil.nl).

       

Hoofdstuk V Bijzondere bepalingen voor installaties waarin en activiteiten waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt (Afdeling 2.11 Ab)

 

Artikel 56

Toepassingsgebied

2.28 Ab

   
       

Artikel 57

Definities

     

Artikel 57, eerste lid

Bestaande installatie

2.29, eerste lid, Ab

Noot bij tabel 2.28a en 2.28b Ab

 

De definitie is verduidelijkt en geactualiseerd, onder meer door datum (1 april 2001). Artikel 1d Oplosmiddelenbesluit volstaat.

Artikel 57, tweede lid

Afgassen

Behoeft geen implementatie

 

In de Nederlandse regelgeving wordt het begrip «emissie» gebruikt.

Artikel 57 , derde lid

Diffuse emissie

1.1, eerste lid, Ab

   

Artikel 57, vierde lid

Totale emissie

1.1 Activiteitenregeling

 

Hangt samen met oplosmiddelen-boekhouding

Artikel 57, vijfde lid

Mengsel

1.1 Wm

 

Per 1 juni 2015 wordt in de Wet milieubeheer «preparaat» vervangen door «mengsel» met dezelfde definitie (Uitvoeringswet EG-verordening 1272/2008, Stb. 2009, 440). Omdat het Oplosmiddelenbesluit en het Ab zijn gebaseerd op de Wet milieubeheer is definitie dan niet meer nodig.

Artikel 57, zesde lid

Kleefstof

1.1, eerste lid, Ab

   

Artikel 57, zevende lid

Inkt

1.1, eerste lid, Ab

   

Artikel 57, achtste lid

Lak

1.1, eerste lid, Ab

 

Zie ook artikel 3 (46) van de richtlijn.

Artikel 57, negende lid

Verbruik

1.1, eerste lid, Ab

 

Als»oplosmiddelen-verbruik» opgenomen.

Artikel 57, tiende lid

Input

1.1, eerste lid, Ab

 

Als «oplosmiddelen-input» opgenomen.

Artikel 57, elfde lid

Hergebruik

1.1, eerste lid, Ab

 

Als «oplosmiddelen-hergebruik» opgenomen.

Artikel 57, twaalfde lid

Gesloten systeem

2.29, vijfde lid, Ab

 

De term wordt verwerkt in het enige artikel waarin de term voorkomt.

Artikel 57, dertiende lid

Opstarten en stilleggen

Behoeft geen implementatie

 

In afwachting van Europese uitvoerings-voorschriften over het synoniem inwerkingstelling en stillegging (art. 41) wordt de term alleen in de toelichting opgenomen bij artikel 2.31 Ab.

       

Artikel 58

Vervanging van gevaarlijke stoffen

2.30, eerste lid, Ab

   
       

Artikel 59

Controle van de emissies

     

Artikel 59, eerste lid

Eisen installaties

2.29, eerste lid, Ab

   

Artikel 59, tweede lid

2.29, derde lid, Ab

   

Artikel 59, derde lid

2.29, vijfde lid, Ab

   

Artikel 59, vierde lid

verslaglegging uitzonderingen

21.2a Wm

   

Artikel 59, vijfde lid, incl. bijlage VII, deel 2

2.30, tweede lid, en tabel 2.30 Ab

   

Artikel 59, zesde lid

2.30, derde lid, Ab

   

Artikel 59, zevende lid

2.31 Ab

   
       

Artikel 60

Monitoring van emissies

2.32 Ab en Afdeling 2.4 Activiteitenregeling

 

Zie bijlage VII, deel 6, (emissie monitoring) richtlijn.

       

Artikel 61

Inachtneming van de emissiegrenswaarden

2.32 Ab

en Afdeling 2.4 Activiteitenregeling

 

Zie bijlage VII, deel 8, (beoordeling van conformiteit) richtlijn.

       

Artikel 62

Verslaglegging over de naleving van de voorwaarden

2.32 Ab en Afdeling 2.4 Activiteitenregeling

 

Bijlage VII, deel 7, richtlijn.

       

Artikel 63

Belangrijke wijziging van bestaande installaties

Eerste lid

Tweede lid

Derde lid

Eerste lid:

1.10 Ab

2.1, eerste lid, onderdeel e, Wabo

Tweede lid: 2.29, derde lid, Ab

Derde lid:

1.10 Ab

2.1, eerste lid, onderdeel e, Wabo

 

Eerste en derde lid: In samenhang met:

3.7, tweede lid en

3.10, derde lid, Wabo.

       

Artikel 64

Uitwisseling van informatie over de vervanging van organische oplosmiddelen

Behoeft geen implementatie

 

Gericht tot de Commissie.

       

Artikel 65

Toegang tot informatie

Eerste lid, eerste zin

Eerste lid, tweede zin

Tweede lid

Derde lid

eerste zin: H. 19 Wm

tweede zin: feitelijk handelen d.m.v publiceren van de algemene regels (incl. tabel 2.28a Ab)

Tweede lid: 12.12 Wm en Wob

Derde lid: H. 19 Wm.

 

Publiceren op www.emissie-registratie.nl

www.wetten.nl

       

Hoofdstuk VI Bijzondere bepalingen voor installaties die titaandioxide produceren (§ 5.3 Ab)

 

Artikel 66

Toepassingsgebied

5.33 Ab

   
       

Artikel 67

Verbod op de lozing van afvalstoffen

5.34 Ab

 

De nulgrenswaarden worden conform de richtlijn vervangen door lozingverboden op grond van artikel 6.6 en 6.7 Waterwet.

       

Artikel 68

Controle van emissies in het water

5.35 en 5.36 Ab

   
       

Artikel 69

Preventie en controle van emissies in de lucht

     

Artikel 69, eerste lid

Zuurdruppels

5.37 Ab

   
       

Artikel 69, tweede lid

Emissiegrenswaarden

5.38 en 5.39 Ab

   
       

Artikel 70

Monitoring van emissies

     

Artikel 70

Emissies in water

5.40 Ab en § 5.3 Activiteitenregeling

 

Zie bijlage VIII, deel 3, richtlijn.

       

Hoofdstuk VII Comité, overgangsbepalingen en slotbepalingen

 

Artikel 71

Bevoegde autoriteiten

2.4, eerste en tweede lid, Wabo,

3.3, eerste lid, Bor

3.1, eerste lid, en 6.2, eerste lid, Waterwet

3.1 Waterbesluit

   
       

Artikel 72

Verslaglegging door de lidstaten

     

Artikel 72, eerste lid

21.2a Wm en hoofdstuk 9 Mor

   

Artikel 72, tweede lid

Behoeft geen implementatie

 

Gericht tot de Commissie.

Artikel 72, derde en vierde lid

Regeling PRTR en PRTR-protocol

   
       

Artikel 73

Evaluatie

Behoeft geen implementatie

   
       

Artikel 74

Wijzigingen van de bijlagen

Behoeft geen implementatie

 

Gericht tot de Commissie.

       

Artikel 75

Comitéprocedure

Behoeft geen implementatie

 

Gericht tot de Commissie.

       

Artikel 76

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

Behoeft geen implementatie

 

Gericht tot de Commissie.

       

Artikel 77

Intrekking van de bevoegdheidsdelegatie

Behoeft geen implementatie

 

Gericht tot de Raad en het Europees Parlement.

       

Artikel 78

Bezwaar tegen gedelegeerde handelingen

Behoeft geen implementatie

 

Gericht tot de Raad en het Europees Parlement.

       

Artikel 79

Sancties

1a WED

Afdelingen 5.3.1 en 5.3.2 Awb (bestuursdwang en dwangsom)

Titel 5.4.Awb (bestuurlijke boete)

 

3e zin: betreft feitelijk handelen.

       

Artikel 80

Omzetting

Implementatieregelgeving

Gekozen is voor 1 januari, overeen-komstig de vaste verander-momenten voor inwerking-treding van nieuwe regelgeving.

 
       

Artikel 81

Intrekking

Behoeft geen implementatie

 

Implementatieregelgeving van de ingetrokken richtlijnen vervalt, zie artikel VIII Implementatie-AMvB.

       

Artikel 82

Overgangsbepalingen

     

Artikel 82, eerste en tweede lid

Behoeft geen implementatie

 

Nederland voldoet al, geen extra overgangstermijn nodig.

Artikel 82, derde en vierde lid

5.16 Ab

VIII en IX Implementatie-AMvB

   

Artikel 82, vijfde en zesde lid

Behoeft geen implementatie

 

Nederland voldoet al, geen extra overgangstermijn nodig.

Artikel 82, zevende, achtste en negende lid

2.30, eerste tot en met derde lid, Ab

 

Zie artikelsgewijze toelichting 2.30 Ab.

       

Artikel 83

Inwerkingtreding

IX Implementatie-AMvB

 

Datum van belang voor implementatiedatum (twee jaar na datum van inwerkingtreding); zie artikel 80, eerste lid richtlijn.

       

Artikel 84

Adressaten

Behoeft geen implementatie

   

BIJLAGEN

Bijlage I

De in artikel 10

bedoelde categorieën

van activiteiten

1.1, eerste lid, Wabo

 

Via artikel 10 richtlijn.

       

Bijlage II

Lijst van verontreinigende stoffen

5.5, tweede lid, Bor

 

Via artikel 14, eerste lid, onder a, richtlijn.

       

Bijlage III

Criteria voor de bepaling van de beste beschikbare technieken

5.4 Bor

 

Via artikel 3 (11) en 14, vijfde en zesde lid richtlijn.

       

Bijlage IV

Publieke inspraak in de besluitvorming

Hoofdstuk 3 Wabo

Afdeling 3.4 Awb

 

Zie artikel 24, eerste lid richtlijn.

       

Bijlage V

Technische bepalingen inzake stookinstallaties

     
       

Bijlage V, deel 1

Emissiegrenswaarden voor de in artikel 30, lid 2, bedoelde stookinstallaties

     

Bijlage V, deel 1, punt 1

Referentiecondities

5.3, tweede lid, Ab

 

Temperatuur en druk volgen uit eenheid Nm3 (Normaal kubieke meter).

Bijlage V, deel 1, punt 2

Emissiegrenswaarden zwaveldioxide vaste en vloeibare brandstoffen

5.4 (incl. tabel) Ab

   

Bijlage V, deel 1, punt 3

Emissiegrenswaarden zwaveldioxide gasvormige brandstoffen

5.4 (incl. tabel) Ab

   

Bijlage V, deel 1, punt 4

Emissiegrenswaarden stikstofoxiden vaste en vloeibare brandstoffen

5.5 (incl. tabel) Ab

   

Bijlage V, deel 1, punt 5

Emissiegrenswaarden stikstofoxiden en koolmonoxide gasturbines vloeibare brandstoffen

5.5 (incl. tabel) Ab

5.6 (incl. tabel) Ab

5.8 Ab

   

Bijlage V, deel 1, punt 6

Emissiegrenswaarden stikstofoxiden en koolmonoxide gasgestookte installaties

5.5 (incl. tabel), 5.6 (incl. tabel) en 5.8 Ab

   

Bijlage V, deel 1, punt 7

Emissiegrenswaarden stof vaste en vloeibare brandstoffen

5.7 (incl. tabel) Ab

   

Bijlage V, deel 1, punt 8

Emissiegrenswaarden stof gasvormige brandstoffen

5.7 (incl. tabel) Ab

   
       

Bijlage V, deel 2

Emissiegrenswaarden voor de in artikel 30, lid 3, bedoelde stookinstallaties

     

Bijlage V, deel 2, punt 1

Referentiecondities

5.3, tweede lid, Ab

 

Temperatuur en druk volgen uit eenheid Nm3 (Normaal kubieke meter).

Bijlage V, deel 2, punt 2

Emissiegrenswaarden zwaveldioxide vaste en vloeibare brandstoffen

5.4 (incl. tabel) Ab

   

Bijlage V, deel 2, punt 3

Emissiegrenswaarden zwaveldioxide gasvormige brandstoffen

5.4 (incl. tabel) Ab

   

Bijlage V, deel 2, punt 4

Emissiegrenswaarden stikstofoxiden vaste en vloeibare brandstoffen

5.5 (incl. tabel) Ab

   

Bijlage V, deel 2, punt 5

Emissiegrenswaarden stikstofoxiden en koolmonoxide gasturbines vloeibare brandstoffen

5.5 (incl. tabel) Ab

5.6 (incl. tabel) Ab

5.8 Ab

   

Bijlage V, deel 2, punt 6

Emissiegrenswaarden stikstofoxiden en koolmonoxide gasgestookte installaties

5.5 (incl. tabel), 5.6 en 5.8 Ab

   

Bijlage V, deel 2, punt 7

Emissiegrenswaarden stof vaste en vloeibare brandstoffen

5.7 (incl. tabel) Ab

   

Bijlage V, deel 2, punt 8

Emissiegrenswaarden stof gasvormige brandstoffen

5.7 (incl. tabel) Ab

   
       

Bijlage V, deel 3

Monitoring van emissies

§ 5.1 Activiteitenregeling

   
       

Bijlage V, deel 4

Beoordeling van de naleving van de emissiegrenswaarden

§ 5.1 Activiteitenregeling

   
       

Bijlage V, deel 5 en 6

Minimaal ontzwavelingspercentages en naleving van het ontzwavelingspercentage

Behoeft geen implementatie

 

Zie artikel 31 van de richtlijn.

       

Bijlage V, deel 7

Gemiddelde emissiegrenswaarden voor gemengde stookinstallaties

5.9, derde lid, Ab

   
       

Bijlage VI

Technische bepalingen inzake afvalverbrandings-installaties en afvalmeeverbrandings-installaties

     
       

Bijlage VI, deel 1

Definities

Behoeft geen implementatie

Nederland maakt geen onderscheid in leeftijd van installaties

 
       

Bijlage VI, deel 2

Equivalentiefactoren voor dibenzo-p-dioxinen en dibenzofuranen

1.1 Ab

§ 5.2 Activiteitenregeling

   
       

Bijlage VI, deel 3

Grenswaarden voor emissies naar de lucht voor afvalverbrandings-installaties

     

Bijlage VI, deel 3, punt 1

5.21 (incl. tabel) Ab

   

Bijlage VI, deel 3, punt 2

5.21 (incl. tabel) Ab

   

Bijlage VI, deel 3, punt 3

Behoeft geen implementatie

Beleidsruimte om nadere regels te stellen, wordt niet gebruikt.

 
       

Bijlage VI, deel 4

Bepaling van de grenswaarden voor emissies naar de lucht in geval van meeverbranding van afval

     

Bijlage VI, deel 4, punt 1

5.25 Ab

   

Bijlage VI, deel 4, punt 2

5.24 (incl. tabel) Ab

   

Bijlage VI, deel 4, punt 3

5.22 (incl. tabel) en 5.23 Ab

   

Bijlage VI, deel 4, punt 4

5.22 (incl. tabel) en 5.23 Ab

   
       

Bijlage VI, deel 5

Emissiegrenswaarden voor lozingen van afvalwater van de reiniging van rookgassen

5.29 (incl. tabel) Ab

   
       

Bijlage VI, deel 6

Emissiemonitoring

1.2 en § 5.2 Activiteitenregeling

 

Zie artikel 48, eerste lid, richtlijn

       

Bijlage VI, deel 7

Formule voor de berekening van de emissieconcentratie bij genormaliseerd zuurstofgehalte

§ 5.2 Activiteitenregeling

   
       

Bijlage VI, deel 8

Beoordeling van de naleving van de emissiegrenswaarden

punt 1.1

5.21, 5.22 en 5.24 Ab

 

Zie artikel 49 richtlijn

Bijlage VI, deel 8

punt 1.2 en 1.3

§ 5.2 Activiteitenregeling

   

Bijlage VI, deel 8

punt 2

§ 5.2 Activiteitenregeling

   
       

Bijlage VII

Technische bepalingen voor installaties en activiteiten waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt

     
       

Bijlage VII, deel 1

Activiteiten

1.1 Ab

 

Met dynamische verwijzing via de definitie van oplosmiddelen-installatie.

       

Bijlage VII, deel 2

Drempelwaarden en emissiegrenswaarden

2.29 en tabel 2.28a Ab

   
       

Bijlage VII, deel 3

Emissiegrenswaarden voor installaties in de voertuigcoatingindustrie

2.29 en tabel 2.28b Ab

   
       

Bijlage VII, deel 4

Emisssiegrenswaarden voor vluchtige organische stoffen met bijzondere risicozinnen

     

Bijlage VII, deel 4, punt 1

2.30, tweede lid (incl. tabel)

2.31 Ab

   

Bijlage VII, deel 4, punt 2

2.30 , derde lid, en tabel 2.30 Ab

   
       

Bijlage VII, deel 5

Reductieprogramma

§ 2.4 Activiteitenregeling

   
       

Bijlage VII, deel 6

Emissiemonitoring

§ 2.4 Activiteitenregeling

   
       

Bijlage VII, deel 7

Oplosmiddelen-boekhouding

§ 2.4 Activiteitenregeling

   
       

Bijlage VII, deel 8

Beoordeling van de conformiteit met de emissiegrenswaarden in afgassen

§ 2.4 Activiteitenregeling

   
       

Bijlage VIII

Bijzondere bepalingen voor installaties die titaandioxide produceren

     
       

Bijlage VIII, deel 1

Emissiegrenswaarden voor emissies in water

     

Bijlage VIII, deel 1, punt 1

Emissiegrenswaarde sulfaat

5.35 Ab

 

Zie toelichting bij artikel 68 richtlijn.

Bijlage VIII, deel 1, punt 2 en 3 Emissiegrenswaarden chloride

5.36 Ab

   
       

Bijlage VIII, deel 2

Emissiegrenswaarden voor lucht

     

Bijlage VIII, deel 2, punt 1

Definitie Nm3

Behoeft geen implementatie

 

Volgt uit eenheid Nm3 (Normaal kubieke meter).

Bijlage VIII, deel 2, punt 2

Emissiegrenswaarde stof

5.38 (incl. tabel) Ab

   

Bijlage VIII, deel 2, punt 3

Emissiegrenswaarde zwaveldioxide

5.38 (incl. tabel) Ab

   

Bijlage VIII, deel 2, punt 4

Emissiegrenswaarde chloride

5.39 (incl. tabel) Ab

   
       

Bijlage VIII, deel 3

Emissiemonitoring

§ 5.3 Activiteitenregeling

   
       

Bijlage IX

Deel A

Ingetrokken richtlijnen en opeenvolgende wijzigingen

Behoeft geen implementatie

   
       

Bijlage IX

Deel B

Lijst van termijnen voor omzetting in nationaal recht

Behoeft geen implementatie

 

Het betreft een hulpmiddel bij de richtlijntekst.

       

Bijlage X

Transponeringstabel

Behoeft geen implementatie

 

Het betreft een hulpmiddel bij de richtlijntekst.


X Noot
1

Het (Engelse) acroniem IPPC staat voor «integrated pollution prevention and control». Richtlijn nr. 2008/1/EG is de gecodificeerde versie van de oorspronkelijke IPPC-richtlijn nr. 96/61/EG met een viertal latere wijzigingen.

X Noot
2

Dit betreft de volgende richtlijnen:

  • Richtlijn nr. 78/176/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 februari 1978 betreffende de afvalstoffen afkomstig van de titaandioxyde-industrie (PbEU L 58);

  • Richtlijn nr. 82/883/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1982 betreffende de voorschriften voor het toezicht op en de controle van de milieus die betrokken zijn bij lozingen van de titaandioxyde-industrie (PbEU L 378);

  • Richtlijn nr. 92/112/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 december 1992 tot vaststelling van de procedure voor de harmonisatie van de programma's tot vermindering en uiteindelijke algehele opheffing van de verontreiniging door afval van de titaandioxide-industrie (PbEU L 409).

X Noot
3

Richtlijn nr. 1999/13/EG van de Raad inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties (PbEU L 5).

X Noot
4

Richtlijn nr. 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval (PbEU L 332).

X Noot
5

Richtlijn nr. 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties (PbEU L 309).

X Noot
6

Circa 3000 bedrijven vallen onder de huidige IPPC-richtlijn; circa 200 extra onder hoofdstuk II van de richtlijn industriële emissies. Circa 800 bedrijven vallen onder de EG-VOS-richtlijn, die is opgenomen in hoofdstuk V van de richtlijn industriële emissies.

X Noot
7

Artikel 15, derde lid, van de richtlijn industriële emissies.

X Noot
8

Wijziging van de Crisis- en herstelwet en diverse andere wetten in verband met het permanent maken van de Crisis- en herstelwet en het aanbrengen van enkele verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht; Kamerstukken II 2011/12, 33 135, nr. 2, blz. 15.

X Noot
9

TK 2007/08, 30 844, D, blz. 37; TK 2008/09, 31 953, nr. 3, blz. 45.

X Noot
10

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State , 22 augustus 2001, nr. 199901087/1 met noot V.M.Y. van ’t Lam.

X Noot
11

Kamerstukken II 2008/09, 29 383, nr. 117.

X Noot
12

Richtlijn 96/82/EG van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (PbEG 1997, L 10)

X Noot
13

Kamerstukken II 1989/90, 21 087, nr. 7, blz. 7, 8 en 24.

X Noot
14

Zie de transponeringstabel in Stb. 1997, 418, blz. 5.

X Noot
15

Een bepaling die overeenkomt met artikel 7, onderdeel b, van de richtlijn industriële emissies.

X Noot
16

Een bepaling die overeenkomt met artikel 7, onderdeel a, van de richtlijn industriële emissies.

X Noot
17

De enigszins vergelijkbare bepaling in artikel 17.4 Wm beperkt zich immers tot afvalstoffen.

X Noot
18

Zie ook uitgebreid §3 van het nader rapport.

X Noot
19

De tekst van dit artikel 10 (Niet-naleving) uit de EG-VOS-richtlijn is geïmplementeerd in artikel 13 van het Oplosmiddelenbesluit (Stb. 2001, 161). In de oorspronkelijke richtlijn zag de bepaling alleen op niet naleving van de eisen gesteld in specifiek de EG-VOS-richtlijn. Door overheveling naar hoofdstuk I van de richtlijn industriële emissies is de reikwijdte van deze bepaling veel groter.

X Noot
20

De transponeringstabel in Bijlage X van de richtlijn industriële emissies verwijst naar artikel 4, negende lid, van de Afvalverbrandings-richtlijn.

X Noot
22

Artikel 8 spreekt herhaaldelijk van de «nodige maatregelen» en in de laatste alinea van de overtreffende trap daarvan. Uit de tekst van de bepaling blijkt dus dat het hier situaties van niet-naleving betreft, die enige impact (kunnen) hebben en dus meer om het lijf hebben dan «papieren» overtredingen of andere bagatellen!

X Noot
23

Tweede Kamerstukken 2009/10, 31 731, nr. 6.

X Noot
24

Tweede Kamerstukken 2007/08, 22 112, nr. 608, 2008/09, 21 501-08, nr. 298, 303, 311 en 315.

X Noot
25

Tweede Kamerstukken 2008/09, 22 112, nr. 766 en Administratieve en bestuurlijke lasten Richtlijn industriële emissies tweede tranche: definitieve richtlijn. SIRA Consulting, Nieuwegein, 18 maart 2011.

X Noot
26

Volgens overheid.nl doen bijna 188 gemeenten, 9 provincies en 26 waterschappen hun bekendmakingen via internet en stellen 71 gemeenten, 7 provincies en 4 waterschappen geldende vergunningen beschikbaar via internet.

X Noot
27

Zie bijvoorbeeld Kamerstukken 2007/08, 22 112, nr. 608.

X Noot
28

Zie bijvoorbeeld:

  • F.H. Oosterhuis, M.G.W.M. Peeters en R. Uylenburg: Het beoordelingskader van de IPPC richtlijn; Implementatie, interpretatie en toepassing. Structurele Evaluatie Milieuwetgeving, STEM publicatie 2007/1, www.evaluatiemilieuwetgeving.nl.

  • P.C. Roos, Inhaalslag implementatie IPPC-richtlijn, MenR, 2007 p. 341.

X Noot
29

Kamerstukken II 2006/07, 30 654, nr. 109, 2008/09, 22 343, nr. 207 en 2009/10, 22 343, nr. 239.

X Noot
30

Kamerstukken II 2007/08, 22 112, nr. 699.

X Noot
31

Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de lidstaten (2001/331/EG) (PBEU 2001 L 118).

X Noot
32

De implementatie is onder meer met de volgende onderzoeken voorbereid: (vindplaats: www.evaluatiemilieuwetgeving.nl)

  • V.M.Y. van ’t Lam en R. Uylenburg, Europese grenzen aan de regulering van milieugevolgen van bedrijven door algemene regels, Structurele Evaluatie Milieuwetgeving, STEM publicatie 2007/4,

  • M.N. Boeve, M.G.W.M. Peeters, M.A. Poortinga en R. Uylenburg, Ambtshalve wijziging van de milieuvergunning; Het richtlijnvoorstel industriële emissies en de actualisatie van milieuvergunningen, Structurele Evaluatie Milieuwetgeving, STEM publicatie 2008/3,

  • Rapport Legal impact assessment IPPC richtlijnvoorstel, april 2009, www.infomil.nl.

X Noot
33

Zie onder meer Kamerstukken, 2008/09, 29 383, nrs. 130 en 132 en 2009/10, 29 383, nrs. 137, 143 en 144.

X Noot
34

TK 2004/05, 29 711, nr. 6, blz. 5–6, en nr. 7

X Noot
35

Zo is destijds aangegeven in de nota van toelichting bij de implementatie van artikel 10 van de EG-VOS-richtlijn, Stb. 2001, 161, pag. 33.

X Noot
36

Richtlijn nr. 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van Milieuschade (PbEG L 143).

X Noot
37

Kamerstukken II 2006/07, 30 920, nr. 3, blz. 21–22.

X Noot
38

Verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de Richtlijnen 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad (PbEU L 33).

X Noot
39

De arresten in de zaak Funke v. Frankrijk (EHRM 25 februari 1993, NJ 1993, 485), de zaak John Murray v. VK (EHRM 8 februari 1996, NJ 1996, 725), de zaak Saunders v. VK (EHRM 17 december 1996, NJ 1996, 699) en de zaak J.B. v. Zwitserland (EHRM 3 mei 2001, NJ 2003, 354). Deze jurisprudentie wordt uitgebreid besproken in de conclusie van advocaat-generaal Knigge bij het arrest van de Hoge Raad van 19 september 2006, AB 2007, 2. Zie verder over dit beginsel TK 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 94 e.v. en  het meer recente arrest van de Hoge Raad van 21 december 2010, no. 08/04281 B, LJN BL0666.

X Noot
40

Het recht op bescherming tegen zelfincriminatie, gebaseerd op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens. Dit beginsel – beperkt tot het concrete zwijgrecht van een verdachte – was opgenomen in artikel 18.16f Wm en is met ingang van 1 september 2009 (Aanpassingswet vierde tranche Awb) opgenomen in artikel 5.10a van de Algemene wet bestuursrecht.

X Noot
41

Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (PbEU L 328).

X Noot
42

De tekst van deze tabel is voorlopig, gebaseerd op een ambtelijk concept van de implementatie-amvb en -regeling. In de toelichting bij de implementatie-amvb, die wordt gepubliceerd in het Staatsblad, wordt een (zo nodig geactualiseerde en) definitieve implementatietabel opgenomen.