Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-200921501-08 nr. 311

21 501-08
Milieuraad

nr. 311
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 juni 2009

Hierbij doe ik u mede namens de Staatssecretaris voor Europese Zaken, de heer Timmermans, de geannoteerde agenda toekomen van de Milieuraad van 25 juni a.s. Deze geannoteerde agenda is gebaseerd op de voorlopige agenda van het Tsjechisch Voorzitterschap.

Daarnaast treft u in de bijlage een geactualiseerd voortgangsoverzicht van Europese wetgevingsinitiatieven op het terrein van milieu aan.1

De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. M. Cramer

Geannoteerde agenda Milieuraad d.d. 25 juni 2009

1. Voorbereiding Kopenhagen

2. Witboek Klimaatadaptatie

3. Integrated Pollution Prevention and Control («IPPC»)

4. Kaderrichtlijn Bodem

5. Groenboek Bioafval

6. Invasieve soorten en Biodiversiteit actieplan

7. Diversen:

a) Uitkomsten 17de VN CSD

b) Uitkomsten Stockholm conventie en Chemicaliën management («ICCM2»)

c) «Environment for Europe»

d) «Wilderness conferentie»

e) Uitkomsten Aarhus conferentie

f) Genetisch Gemodificeerde Organismen («GMO’s»)

1. Voorbereiding Kopenhagen

In de maand juni wordt de voorbereiding van de klimaatconferentie in Kopenhagen in verschillende Raadsformaties besproken. De Raadsconclusies van maart 2009 (Milieuraad 3 maart, Ecofin 10 maart, Razeb 16 maart en Voorjaarsraad 19–20 maart) zijn daarbij leidend. Door daarop voort te bouwen zullen nieuwe stappen in de EU-positiebepaling worden genomen, gericht op realisering van een samenhangend, alomvattend, efficiënt en effectief pakket van afspraken in Kopenhagen.

De Milieuraad volgt op de Ecofin van 9 juni en de Europese Raad van 18–19 juni, waar gesproken zal worden over de inzet van de Unie ten aanzien van de financiering van klimaatacties in ontwikkelingslanden. Ruim vóór Kopenhagen bepaalt de EU haar positie hierover, alsook over de nadere invulling van de EU-bijdrage en de principes voor de lastenverdeling tussen de Lidstaten.

Het Tsjechisch Voorzitterschap is voornemens om tijdens de Milieuraad Raadsconclusies aan te nemen over de voorbereiding van Kopenhagen. Deze conclusies zullen zich naar verwachting richten op het Kopenhagenpakket als geheel, waarin naast financiering ook afspraken over mitigatie, adaptatie en technologie samen zullen komen. De Milieuraad zal een half jaar na Poznan de balans opmaken en vooruit kijken naar de onderhandelingen die tussen nu en Kopenhagen plaats zullen vinden.

In die onderhandelingen zet Nederland in op een balans tussen (1) bindende en eerlijk verdeelde emissiereductiedoelen («comparable efforts») voor ontwikkelde landen, (2) adequate mitigatieacties van ontwikkelingslanden en (3) financiering, capaciteitsopbouw en technologieontwikkeling en overdracht door ontwikkelde landen ten behoeve van mitigatie en adaptatie in ontwikkelingslanden.

Nederland is – in lijn met de EU – bereid een eerlijk aandeel (naar vermogen en verantwoordelijkheid) te leveren aan een Kopenhagenakkoord, zowel ten aanzien van de doelstelling om uitstoot te verminderen, als van de financiering, capaciteitsopbouw en technologieoverdracht. De EU moet andere ontwikkelde landen oproepen om nu een vergelijkbare bereidheid uit te spreken opdat de mondiale temperatuurstijging tot onder de 2-graden Celsius kan worden beperkt. Ook moeten de ontwikkelde landen, waaronder de EU, zich in het kader van een Kopenhagenakkoord verplichten tot het opstellen van lange termijn emissiereductiestrategieën.

Nederland vindt dat nationale mitigatiestrategieën, oftewel «low carbon development strategies» (LCDS), een centrale rol moeten krijgen in het klimaatbeleid van ontwikkelingslanden. Verder vindt Nederland dat de EU haar bereidheid moet uitspreken om vooraf financiële en technische steun te leveren teneinde ontwikkelingslanden in staat te stellen dergelijke strategieën op te stellen.

Daarnaast zet Nederland in op het zo snel mogelijk ontwikkelen van een mondiale koolstofmarkt om te zorgen voor een kosteneffectieve aanpak van het klimaatprobleem.

2. Witboek Klimaatadaptatie

De Europese Commissie (EC) heeft op 1 april 2009 het Witboek «Adapting to Climate Change: towards a European Framework for Action» gepresenteerd. Op de komende Milieuraad zijn Raadsconclusies over dit onderwerp voorzien. Het Witboek is een vervolg op het Groenboek over adaptatie dat de EC in juli 2007 heeft opgesteld, en de kabinetsreactie hierop is ter bestudering naar de Eerste en Tweede Kamer gezonden. Tijdens de Informele Milieuraad van 14 en 15 april heeft een eerste informele discussie plaatsgevonden tussen de lidstaten over het Witboek.

Volgens het Witboek is de EC voornemens adaptatie fasegewijs aan te pakken:

1. Fase 1: (2009–2012) Opstellen van een samenhangende adaptatiestrategie:

a. Kennisopbouw;

b. integratie van adaptatie in EU-beleid;

c. aanwenden van instrumenten (markt, handreikingen, publiek private samenwerking);

d. versterken internationale samenwerking.

2. Fase 2: (2012 e.v.) Implementatie.

Een «impact assessment» (kwetsbaarheidsanalyse) maakt deel uit van het Witboek. Hierin wordt, preciezer dan tot nu toe is gedaan, beschreven welke sectoren en gebieden binnen de EU kwetsbaar zijn voor de gevolgen van klimaatverandering. De Commissie hecht zwaar aan deze bewijsvoering, omdat deze noodzakelijk is voor het bedenken van de juiste maatregelen én voor het in gang zetten en houden van adaptatie binnen de eigen beleidssectoren en Lidstaten.

De kernpunten van de concept-Raadsconclusies zijn als volgt:

– de noodzaak voor alle landen om zich aan te passen aan klimaatverandering;

– klimaatverandering beïnvloedt vele sectoren en vergt een «cross-sectorale» en geïntegreerde aanpak op alle schaalniveau’s;

– steunt voor de voorgestelde gefaseerde aanpak, kennisuitwisseling door middel van een zogenaamd «Clearing House Mechanism»;

– klimaatadaptatie moet worden geïntegreerd in alle sectoren, van belang is dat EU investeringen in grootschalige infrastructuur klimaatbestendig wordt;

– herbevestiging van de noodzaak voor internationale samenwerking (buurlanden en ontwikkelingslanden).

Voor wat betreft financiering van adaptatie in ontwikkelingslanden wordt aangesloten bij de Raadsconclusies die zijn vastgesteld door de Milieuraad op 3 maart «Contribution to the Spring European Council (19 and 20 March 2009): Further development of the EU position on a comprehensive post-2012 climate agreement.»

De concept-Raadsconclusies sluiten goed aan op de voornemens van het kabinet met betrekking tot het EU Witboek, want Nederland vindt dat de EU moet inzetten op het integreren van adaptatie in de verschillende beleidsterreinen («mainstreamen») en financiële stromen (structuur- en cohesiefondsen, Gemeenschappelijk Landbouwbeleid). De EU moet daarbij oog hebben voor het karakter van adaptatie, namelijk een ruimtelijke vraagstuk waar maatwerk en een integrale aanpak een belangrijke rol spelen. De afstemming tussen ruimtelijke inrichting en het waterbeheer vervult daarbij een sleutelrol. De EU-activiteiten moeten er derhalve op gericht zijn dergelijk maatwerk mogelijk te maken. Verder moet de EU zich richten op het entameren van de discussie rondom adaptatie. Daarmee zal ook de bewustwording binnen de Lidstaten worden vergroot. Tenslotte heeft de EU een belangrijke taak op het gebied van kennisontwikkeling en -uitwisseling («best practices» en proefprojecten).

3. Integrated Pollution Prevention and Control («IPPC»)

Het Tsjechisch Voorzitterschap heeft de herziening van de IPPC-Richtlijn (Richtlijn industriële emissies) geagendeerd voor een politiek akkoord. De richtlijn is gebaseerd op artikel 175 van het EG-Verdrag. Besluitvorming in het EP vindt plaats met gekwalificeerde meerderheid, via de co-decisie procedure (artikel 251 EG-Verdrag). Plenaire stemming in het EP (eerste lezing) vond 11 maart 2009 plaats.

De IPPC-Richtlijn die in 1996 werd gepubliceerd en nu wordt herzien, heeft als doel milieuverontreiniging door industriële activiteiten en intensieve veehouderij te voorkomen en te bestrijden. Het belangrijkste instrument van de richtlijn is de milieuvergunning. Om een milieuvergunning te krijgen, moet een bedrijf de beste beschikbare technieken toepassen om emissies te voorkomen dan wel zo ver mogelijk te reduceren. Om te bepalen wat de beste beschikbare technieken zijn, maken vergunningverleners en bedrijven onder meer gebruik van Europese referentiedocumenten/handreikingen voor beste beschikbare technieken («BREF’s»).

De compromistekst van het Tsjechisch Voorzitterschap bevat de volgende elementen:

1. De eisen aan het gebruik van «BREF’s» in milieuvergunningen zijn verbeterd in lijn met de Nederlandse praktijk. Minder strenge eisen dan «BREF’s» zijn alleen met een goede motivering toegestaan.

2. De kwaliteit en toegankelijkheid van «BREF’s» zijn beter gewaarborgd.

3. Een aantal «sectorrichtlijnen» over specifieke industriële activiteiten is aangescherpt en geïntegreerd in de Richtlijn Industriële Emissies als minimumeisen. Afwijken van «BREF’s» kan niet verder dan deze minimumeisen. De belangrijkste is de richtlijn grote stookinstallaties. Echter, voor grote stookinstallaties is een aantal uitzonderingen geformuleerd, waardoor oudere installaties met relatief hoge emissies langer in gebruik mogen blijven. Voor Nederlandse bedrijven heeft dit geen effect omdat deze al aan de eisen voldoen. Voor het «level playing field» en de inzet om in Europa de luchtkwaliteitsdoelen te halen is het wel nadelig.

4. Informatieverplichtingen zijn gestroomlijnd en administratieve lasten zijn op een aantal punten verminderd. De mogelijkheid om vergunningen te vereenvoudigen door ze deels te vervangen door algemene regels is behouden. De voorstellen van de EC om meer bedrijven onder de richtlijn te brengen zijn grotendeels ongedaan gemaakt. De door de EC voorgestelde nieuwe monitoring- en rapportageverplichtingen zijn vervallen. Gezien het oorspronkelijke voorstel van de EC is dit een positief onderhandelingsresultaat.

5. Emissiehandel blijft binnen het kader van de richtlijn wel mogelijk, maar nog niet op de voor Nederland gewenste wijze.

De mogelijkheid om zonodig verdergaande emissiereducties te eisen is op Nederlands verzoek expliciet opgenomen in de compromistekst. Dit helpt te garanderen dat de uitvoering van verplichtingen van de Richtlijn Industriële Emissies en verplichtingen uit de Richtlijn Nationale Emissieplafonds op elkaar worden afgestemd, een inzet die overigens ook door het EP wordt bepleit.

Nederland heeft zich ingezet om innovatie verder te stimuleren door het wegnemen van barrières voor NOx-emissiehandel. Hoewel de huidige richtlijn de gelegenheid biedt voor nationale emissiehandel, is hierin niet expliciet in de richtlijn voorzien. Dit heeft te maken met gebrek aan steun bij andere Lidstaten en EP. In de onderhandelingen wordt nog gepoogd een tekst in de richtlijn op te nemen.

Kern van de Nederlandse inzet is te komen tot een ambitieuze richtlijn die eco-innovaties via milieuvergunningverlening stimuleert, zodat de milieudoelen kunnen worden gehaald (bv. emissieplafonds op grond van de NEC-Richtlijn). De huidige compromistekst past grotendeels bij deze inzet en bevat veel van de door Nederland ingebrachte voorstellen. Nederland steunt het politiek akkoord, maar zal zich in de Milieuraad blijven inzetten om flexibilisering van de bepalingen voor grote stookinstallaties te beperken en emissiehandel meer aandacht te geven in de richtlijn.

4. Kaderrichtlijn Bodem

Op dit moment is nog niet duidelijk op welke manier de Bodemrichtlijn behandeld zal worden in de Milieuraad. Naar verluidt zal het Voorzitterschap nog een laatste poging doen om een politiek akkoord te bereiken. Mocht er geen akkoord op de Milieuraad mogelijk worden geacht, dan zal het Voorzitterschap een voortgangsrapport agenderen. Kern daarvan zal zijn dat er ondanks de inzet van het Voorzitterschap geen akkoord mogelijk is over de tekst, dat er wel een ruime meerderheid van Lidstaten een richtlijn wil en dat daarom volgende Voorzitterschappen verder aan de richtlijn moeten werken. Het Spaans Voorzitterschap zal in de eerste helft van 2010 het voorstel dan zeker weer oppakken.

De positie van Nederland is sinds de behandeling van het Portugese voorstel in de Milieuraad van december 2007 niet gewijzigd. Nederland is geen voorstander van een richtlijn op dit gebied en zal dit dan ook niet steunen in de Raad.

5. Groenboek Bioafval

Het Tsjechisch Voorzitterschap is voornemens op de Milieuraad van juni Raadsconclusies met betrekking tot het Groenboek Bioafval aan te nemen.

Eind 2008 is de herziening van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen vastgesteld. In deze richtlijn wordt de EC opgeroepen het beheer van bioafval te beoordelen. Als eerste stap hiertoe heeft de EC in december 2008 een Groenboek opgesteld. Het Groenboek bekijkt of Europese beleidsmaatregelen nodig zijn en stelt de vraag aan de orde of verbeteringen van het bioafvalbeheer mogelijk zijn overeenkomstig de afvalhiërarchie en de potentiële economische, sociale en milieubaten.

De EC stelt in het Groenboek dat het beheer van bioafval in de lidstaten grote verschillen kent. Tevens geeft de EC aan dat voor het beheer van bioafval dat niet wordt gestort (composteren, vergisten, verbranden met energieterugwinning) op dit moment geen voorkeursoptie is aan te wijzen. De EC stelt bovendien vast dat strategieën voor het beheer van bioafval op een juiste schaal moeten worden vastgesteld en dat voorkeursopties hiervoor sterk bepaald worden door nationale of lokale omstandigheden.

In april 2009 is de Nederlandse kabinetsreactie op het Groenboek verzonden aan de EC. Op grond van constateringen van de EC (waaronder het op de juiste schaal vaststellen van beheer) en de ruime Nederlandse ervaringen met het beheer van bioafval en de gescheiden inzameling bij huishoudens, is Nederland van mening dat een sterke sturing op het beheer van bioafval door de EU niet gewenst is. Daarbij heeft Nederland aangegeven wel open te staan voor eventuele behoeften van andere lidstaten.

Op dit moment is een deel van de lidstaten voorstander van EU-regelgeving voor het beheer van bioafval, een ander deel van de lidstaten wil zich nu nog niet expliciet uitspreken over de noodzaak voor regelgeving, waaronder Nederland. In de visie van deze laatste groep lidstaten dient eerst het impact assessment van de EC te worden afgewacht, opdat meer inzicht is in wat de eerste behoeften vanuit milieuoogpunt zijn. In de laatste versie van de concept Raadsconclusies (van 27 mei 2009) is neergelegd dat de Raad de EC aanmoedigt om door te gaan met het impact assessment en, indien gepast, een wetgevingstraject start in 2010. Daar kan Nederland zich in vinden.

6. Invasieve soorten en biodiversiteit actieplan

De Raad zal spreken over de zgn. «mid-term review» van het biodiversiteitactieplan enerzijds en de strategie m.b.t. invasieve exotische soorten anderzijds. Tijdens de Raadsvergadering van december 2006 heeft de Raad beaamd dat de biodiversiteitverlies voor 2010 tot staan moest worden gebracht, en dat hiertoe een strategie ten aanzien van invasieve exoten prioriteit zou moeten krijgen.

Nederland kan zich op hoofdlijnen vinden in de lijn die in de Raadsconclusies wordt gekozen t.a.v. invasieve exoten. Er wordt aangedrongen op een strategie waarbij verdere verspreiding van invasieve exoten wordt tegengegaan met gebruik van bestaand beleid (bijvoorbeeld de zgn. «Ballast Water Convention»), kennisdeling en bewustwording, en integratie van maatregelen tegen invasieve exoten in andere beleidsvelden.

Op het moment van schrijven wordt nog gewerkt aan een document ten aanzien van de «mid-term review» van het biodiversiteitactieplan. Hierbij is geconcludeerd dat het doel om de biodiversiteitverlies in 2010 tot staan te brengen niet zal worden gehaald. Er wordt aangedrongen op een intensivering in dit dossier op het vlak van concrete beleidsmaatregelen (bijvoorbeeld door integratie van ecosysteembenadering in beleid op andere vlakken) zowel als kennisontwikkeling (bijvoorbeeld de koppeling tussen klimaat en biodiversiteit) en financiering.

7a) AOB: Uitkomsten 17de VN CSD

Het Voorzitterschap zal de Milieuraad informeren over de uitkomst van de 17e vergadering van de VN-Commissie voor Duurzame Ontwikkeling.

Van 4 tot 15 mei werd in New York de 17e zitting gehouden van de VN-Commissie voor Duurzame Ontwikkeling onder voorzitterschap van minister Verburg. Deze functionele VN-Commissie komt jaarlijks bijeen om de voortgang te bespreken van de uitvoering van de in 1992 tijdens de Rio Conferentie inzake Milieu en Ontwikkeling aangenomen Agenda-21 en de afspraken gemaakt tijdens de wereldtop over duurzame ontwikkeling in 2002 in Johannesburg. De thema’s van Agenda-21 en het «Johannesburg Plan of Implementation» zijn vertaald in een werkprogramma dat de verschillende onderwerpen verdeelt over tweejaarlijkse cycli. Het eerste jaar van elke cyclus wordt besteed aan een «review», het tweede jaar aan de formulering van beleidsaanbevelingen.

Na twee weken onderhandelen stelde de vergadering concrete beleidsaanbevelingen op voor de clusters landbouw, land, plattelandsontwikkeling, verwoestijning, droogte, Afrika en de iedere cyclus terugkerende «crosscutting issues and means of implementation».

Het is positief dat Minister Verburg als voorzitter van CSD17 erin geslaagd is de moeizame onderhandelingen tot een goed eind te brengen. Zij zal u over de uitkomsten van deze bijeenkomst nog nader informeren.

7b) AOB: Uitkomsten Stockholm conferentie en Chemicaliën management (ICCM2)

Tijdens de Milieuraad zal een terugkoppeling plaatsvinden van CoP4 van de Stockholm conferentie over persistente organische vervuilers (POP’s) (4 tot en met 8 mei) en van de tweede internationale conferentie over Chemicaliën management (ICCM 2) (11 tot en met 15 mei).

Tijdens de CoP4 hebben de partijen besloten negen nieuwe chemicaliën toe te voegen aan de al bestaande lijst van twaalf POP’s. De EU heeft jarenlang erop aangedrongen om de negen stoffen, met name pesticiden en brandvertragers, op de lijst te krijgen, waardoor de produktie en het gebruik van deze POP’s wordt verboden. Daarom is Nederland ook zeer tevreden met deze uitkomst. Wel is een aantal uitzonderingen toegestaan voor drie van de negen stoffen. Verder is besloten de recycling en het hergebruik van produkten die deze chemicaliën bevatten toe te staan tot 2030. Daarnaast is een plan aangenomen om het DDT gebruik te verminderen en meer inspanning te plegen om PCB gebruik uit te faseren. De Partijen konden het wederom niet eens worden over een compliance mechanisme. Een belangrijke stap is dat CoP4 als laatste van de drie verdragen akkoord is gegaan een synergietraject in te zetten om te komen tot meer samenwerking met twee andere UNEP verdragen, het Baselverdrag (grensoverschrijdend vervoer van gevaarlijke afvalstoffen) en het Rotterdamverdrag (prior inform consent). De weg is nu vrij naar de extra COP in februari 2010 die voorafgaand aan de UNEP Governing Council zal worden gehouden. Tijdens deze extra COP zullen afspraken worden gemaakt over hoe de samenwerking in de praktijk gestalte kan krijgen.

De twee belangrijkste besluiten van de ICCM2 zijn dat er een werkprogramma voor de komende drie jaar is afgesproken op het gebied van nieuwe opkomende thema’s zoals voor lood in verf, perfluorkoolstof-verbindingen nanotechnologie, e-waste en chemicaliën in produkten, en dat er een reglement van orde is vastgesteld. In het kader van de financiering is besloten het Quick Start Programme niet te verlengen maar in te zetten op versterking van de mogelijkheden binnen het GEF.

7c) AOB: «Environment for Europe»

Tijdens de Milieuraad zal het Tsjechisch Voorzitterschap een toelichting geven op het hervormingsplan van het programma «Environment for Europe» van de VN-ECE. Het zgn. «Executive Committee» van de VN-ECE heeft dit plan afgelopen maart aangenomen. Het Environment for Europe programma is een intergouvernementeel proces dat tot doel heeft een Pan-Europese samenwerking op gebied van milieubeleid te bevorderen. Het programma loopt sinds 1991, en sinds de aanvang zijn zes ministeriële conferenties gehouden. De nadruk van het programma ligt de laatste jaren in toenemende mate op uitvoering (VN-ECE milieuverdragen enprotocollen, programma’s voor monitoring, educatie e.a.) en niet op ontwikkeling van nieuw juridisch instrumentarium.

Het hervormingsplan is het resultaat van de inzet van het Voorzitterschap in de onderhandelingen tussen de EU, de VS en Rusland. Het plan komt tegemoet aan een verzoek dat is gedaan tijdens de laatste Ministeriele Conferentie «Environment for Europe» in Belgrado (2007). Hierbij is aangedrongen op een verbetering van de kosteneffectiviteit en efficiëntie van het programma, teneinde ervoor te zorgen dat dit aangesloten blijft bij de noden en behoeften van de VN-ECE regio. Deze noden en behoeften zijn onderhevig aan verandering naar aanleiding van verschuivingen op economisch en politiek vlak. Tegelijk vormt het plan een opmars naar de volgende Ministeriele Conferentie in 2011 (te Astana), en gaat uit van een grotere betrokkenheid («ownership») van de Oost-Europese landen. Nederland kan zich vinden in de inhoud van het hervormingsplan.

7d) AOB: «Wilderness» conferentie

Op 27 en 28 mei hebben het Voorzitterschap en de EC gezamenlijk de zgn. «Wilderness» Conferentie gehouden. Hierbij zijn experts van circa 40 landen (waaronder Nederland) uitgenodigd om te discussiëren met het doel:

• een definitie voor wilde en bijna-wilde gebieden overeen te komen;

• de potentiële contributie van dergelijke gebieden aan het voorkomen van biodiversiteitverlies en aan de ondersteuning van Natura 2000 doelen te bepalen;

• na te gaan welke mogelijkheden er zijn om binnen bestaande beleidskaders dergelijke gebieden beter te beschermen;

• in kaart brengen welke kansen er zijn voor herstel van uitgestrekte natuurgebieden;

• na te gaan welke mogelijkheden er zijn om de effectiviteit van dit herstel te verbeteren, en welke bronnen van financiering er zijn;

• «best management practices» vaststellen.

Tijdens de Milieuraad zal het Voorzitterschap terugkoppelen over de voortgang die tijdens de conferentie is geboekt.

7e) AOB: Uitkomsten Aarhus conferentie

Onder dit agendapunt zal het Voorzitterschap een terugkoppeling geven over een seminar inzake toegang tot de rechter, dat 16 en 17 april in Brno (Tsjechië) is gehouden. De deelnemers aan dit seminar – in hoofdzaak rechters van de Hoge Raden uit de lidstaten – hebben besproken hoe de bepalingen over toegang tot de rechter met betrekking tot de implementatie van het verdrag van Aarhus op dit moment tot uiting komen in EU wetgeving en hebben hierover voorstellen geformuleerd.

7f) (Evt.) AOB: Genetisch Gemodificeerde Organismen («GMO’s»)

Op verzoek van Oostenrijk zal de regulering voor «gmo’s» als diversenpunt op de agenda van de Milieuraad staan. Oostenrijk zal een oproep doen aan de EC om met spoed aan de herziening van de wetgeving inzake teelt van «gmo’s» te werken. In de notitie die aan de Raad gestuurd zal worden verwijst Oostenrijk ook naar de stemverklaring die Nederland in de Milieuraad en de Landbouwraad heeft afgelegd, over de bevoegdheden van lidstaten als het gaat om teelt van op EU niveau toegelaten «gmo’s» op hun eigen grondgebied.

De huidige regelgeving voorziet alleen in een mogelijkheid om, na toelating op EU niveau, de teelt en import nationaal tijdelijk te verbieden. Dit kan echter alleen als er reden is om te vrezen voor risico’s. Deze vrijwaringsclausule zou kunnen worden uitgebreid met een ruimere mogelijkheid voor lidstaten om te kiezen voor een «opt out», dus een nationaal verbod op teelt van in de EU toegelaten «gmo’s».

De strekking van het Oostenrijkse voorstel sluit nauw aan bij de wens die Nederland heeft uitgesproken in eerdere Landbouw- en Milieuraden. Steun aan de oproep van Oostenrijk is bovendien in lijn met de toezegging die ik uw Kamer gedaan heb om nieuwe wetgeving op ggo-terrein tot stand te brengen. Ik zal dan ook van deze gelegenheid gebruik maken om wederom de EC te vragen snel met voorstellen tot aanpassing van de regelgeving te komen.


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.