Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en MilieubeheerStaatsblad 2001, 161AMvB

Besluit van 19 maart 2001, houdende regels inzake het beperken van de emissie van vluchtige organische stoffen bij het gebruik van organische oplosmiddelen (Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 3 juli 2000, nr. MJZ2000075276, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Gelet op Richtlijn nr. 1999/13/EG van de Raad van de Europese Unie van 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties (PbEG L 85) en op artikel 8.44 van de Wet milieubeheer;

De Raad van State gehoord (advies van 28 september 2000, nr. W08.00.0268/V);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 maart 2001, nr. MJZ2001027745, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1 Begripsbepalingen en toepassingsgebied

Artikel 1

  • 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    a. richtlijn: richtlijn nr. 1999/13/EG van de Raad van de Europese Unie van 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties (PbEG L 85), naar de tekst zoals deze bij die richtlijn is vastgesteld;

    b. wet: Wet milieubeheer;

    c. installatie: vaste technische eenheid waarbinnen een of meer van de activiteiten, genoemd in bijlage I, plaatsvinden en alle andere daar rechtstreeks mee samenhangende activiteiten die technisch verband houden met de binnen die eenheid verrichte activiteiten en van invloed kunnen zijn op emissies;

    d. bestaande installatie: een installatie in bedrijf binnen een inrichting waarvoor vóór de inwerkingtreding van dit besluit vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de wet, is verleend of die is gemeld overeenkomstig artikel 8.41 van de wet of waarvoor naar het oordeel van het bevoegd gezag een volledige aanvraag om een vergunning is ingediend, mits de installatie uiterlijk een jaar na de inwerkingtreding van dit besluit in gebruik wordt genomen;

    e. kleine installatie: een installatie met de laagste drempelwaarde van de punten 1, 3, 4, 5, 8, 10, 13, 16 of 17 van bijlage IIa of, voor de andere activiteiten van bijlage IIa, die minder dan 10 ton oplosmiddel per jaar verbruikt;

    f. belangrijke wijziging:

    1°. voor een kleine installatie: een verandering van de nominale capaciteit die leidt tot een toename van de emissies van vluchtige organische stoffen met meer dan 25%, alsmede elke verandering die naar de mening van het bevoegd gezag aanzienlijke negatieve gevolgen voor de menselijke gezondheid of het milieu kan hebben;

    2°. voor alle andere installaties: een verandering van de nominale capaciteit die leidt tot een toename van de emissies van vluchtige organische stoffen met meer dan 10%, alsmede elke verandering die naar de mening van het bevoegd gezag aanzienlijke negatieve gevolgen voor de menselijke gezondheid of het milieu kan hebben;

    g. vergunning: vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de wet;

    h. bevoegd gezag: het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning voor de betrokken inrichting te verlenen;

    i. emissie: uitstoot van vluchtige organische stoffen uit een installatie in het milieu;

    j. diffuse emissies: emissies, in een andere vorm dan van afgassen, van vluchtige organische stoffen in lucht, bodem of water alsmede, tenzij anders vermeld in bijlage IIa, oplosmiddelen die zich in enig product bevinden, waaronder begrepen de niet opgevangen emissies die via ramen, deuren, ventilatiekanalen, ontluchtingen en soortgelijke openingen in het milieu terechtkomen;

    k. afgassen: de uiteindelijke uitworp in de lucht van gassen met vluchtige organische stoffen of andere verontreinigende stoffen uit een afgaskanaal of uit nabehandelingsapparatuur, waarbij het volumetrisch debiet wordt uitgedrukt in kubieke meters per uur bij normale omstandigheden;

    l. totale emissie: de som van diffuse emissies en emissies van afgassen;

    m. emissiegrenswaarde: de massa van de vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als bepaalde specifieke parameters, concentratie, percentage of niveau van een emissie, berekend in normale omstandigheden (N) die gedurende een of meer periodes niet overschreden mogen worden;

    n. stof: chemisch element en zijn verbindingen, die in de natuur voorkomen of door de industrie worden geproduceerd, in vaste of vloeibare of gasvorm;

    o. preparaat: mengsel of oplossing, bestaande uit twee of meer stoffen;

    p. organische verbinding: verbinding die ten minste het element koolstof bevat en daarnaast een of meer van de volgende elementen: waterstof, halogenen, zuurstof, zwavel, fosfor, silicium of stikstof, met uitzondering van koolstofoxiden, anorganische carbonaten en bicarbonaten;

    q. vluchtige organische stof (VOS): organische verbinding die bij 293,15 K een dampspanning van 0,01 kPa of meer heeft of onder de specifieke gebruiksomstandigheden een vergelijkbare vluchtigheid heeft, waarbij voor de toepassing van dit besluit de fractie creosoot die deze dampspanning overschrijdt bij 293,15 K, als een VOS geldt;

    r. organisch oplosmiddel: vluchtige organische verbinding die alleen of in combinatie met andere stoffen en zonder een chemische verandering te ondergaan wordt gebruikt om grondstoffen, producten of afvalmaterialen op te lossen of als schoonmaakmiddel om verontreinigingen op te lossen, dan wel als verdunner, als dispergeermiddel, om de viscositeit aan te passen, om de oppervlaktespanning aan te passen, als weekmaker of als conserveermiddel;

    s. gehalogeneerd organisch oplosmiddel: organisch oplosmiddel dat ten minste één broom-, chloor-, fluor-, of iodiumatoom per molecule bevat;

    t. coating: preparaat, met inbegrip van alle voor een juist gebruik benodigde organische oplosmiddelen of preparaten, die organische oplosmiddelen bevatten, dat wordt gebruikt om op een oppervlak voor een decoratief, beschermend of ander functioneel effect te zorgen;

    u. kleefstof: preparaat, met inbegrip van alle voor een juist gebruik benodigde organische oplosmiddelen of preparaten, die organische oplosmiddelen bevatten, dat wordt gebruikt om afzonderlijke delen van een product samen te kleven;

    v. inkt: preparaat, met inbegrip van alle voor een juist gebruik benodigde organische oplosmiddelen of preparaten, die organische oplosmiddelen bevatten, dat bij een drukactiviteit wordt gebruikt om een tekst of afbeelding op een oppervlak af te drukken;

    w. lak: een doorzichtige coating;

    x. verbruik: de totale input van organische oplosmiddelen per twaalf maanden in een installatie, verminderd met eventuele VOS die voor hergebruik wordt teruggewonnen;

    y. input: de hoeveelheid organische oplosmiddelen en de hoeveelheid daarvan in preparaten die tijdens het uitoefenen van een activiteit worden gebruikt, met inbegrip van de gerecycleerde oplosmiddelen, binnen en buiten de installatie, die telkens worden meegerekend wanneer zij worden gebruikt om de activiteit uit te oefenen;

    z. hergebruik van organische oplosmiddelen: het gebruik van uit een installatie teruggewonnen organische oplosmiddelen voor elk technisch of commercieel doel, met inbegrip van het gebruik als brandstof maar met uitzondering van een definitieve verwijdering van deze teruggewonnen organische oplosmiddelen als afval;

    aa. massastroom: hoeveelheid vrijgekomen VOS, uitgedrukt in de eenheid van massa per uur;

    ab. nominale capaciteit: massa van de organische oplosmiddelen die een installatie gemiddeld over één dag maximaal als input gebruikt, als de installatie onder normale bedrijfsomstandigheden bij de ontwerpoutput functioneert;

    ac. normaal bedrijf: alle perioden waarin een installatie of een activiteit in bedrijf is, met uitzondering van het opstarten, stilleggen en het onderhoud van apparatuur;

    ad. normale omstandigheden: een temperatuur van 273,15 K en een druk van 101,3 kPa;

    ae. gemiddelde over 24 uur: rekenkundig gemiddelde van alle valide waarden die gedurende een periode van 24 uur bij normaal bedrijf zijn geregistreerd;

    af. opstarten en stilleggen: activiteiten die worden uitgevoerd wanneer een activiteit, een deel van de installatie of een reservoir in of buiten bedrijf wordt gesteld of in of uit de onbelaste toestand wordt gebracht, waarbij regelmatig oscillerende activiteitenfasen niet als opstarten of stilleggen gelden;

    ag. risicozinnen: de bijzondere, aan het gebruik van een stof, die behoort tot een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen, verbonden gevaren als bedoeld in artikel 2 van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten.

  • 2. Onder een bestaande installatie als bedoeld in het eerste lid, onder d, wordt mede verstaan het deel van de installatie, dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan, of na een belangrijke wijziging voor het eerst onder dit besluit valt, mits de totale emissies van de gehele installatie niet hoger zijn dan is toegestaan, indien dat deel een nieuwe installatie zou zijn.

Artikel 2

Dit besluit is van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen die behoren tot een of meer van de categorieën van inrichtingen, die zijn genoemd in bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, voor zover zich in de inrichting een installatie, een bestaande installatie of een kleine installatie bevindt.

§ 2 Vereisten voor installaties

Artikel 3

  • 1. Degene die een inrichting drijft, draagt er zorg voor dat de installatie die zich in die inrichting bevindt, ten minste voldoet aan:

    a. de in bijlage IIa bepaalde emissiegrenswaarden voor afgassen en diffuse-emissiegrenswaarden of aan de totale emissiegrenswaarden en overige voorschriften, of

    b. aan de eisen van het in bijlage IIb beschreven reductieprogramma.

  • 2. Voor diffuse emissies gelden diffuse-emissiegrenswaarden voor installaties als emissiegrenswaarde.

  • 3. Indien degene die een inrichting drijft, ten genoegen van het bevoegd gezag aantoont dat de grenswaarde, bedoeld in het tweede lid, technisch en economisch niet haalbaar is, kan dat gezag voor de installatie een afwijkende grenswaarde vaststellen, mits er geen aanmerkelijke gevaren voor de menselijke gezondheid of het milieu zijn te verwachten en er ten genoegen van het bevoegd gezag wordt aangetoond dat er gebruik wordt gemaakt van de beste beschikbare techniek. Wanneer het bevoegd gezag van deze bevoegdheid gebruik maakt, zendt het een afschrift van het desbetreffende besluit aan Onze Minister.

  • 4. Voor activiteiten waarbij de vrijkomende VOS niet beheerst kan worden afgevangen en uitgestoten, kan worden afgeweken van de emissiegrenswaarden van bijlage IIa, voor zover deze mogelijkheid uitdrukkelijk in die bijlage is genoemd. In dat geval wordt het reductieprogramma van bijlage IIb gevolgd.

  • 5. Indien degene die een inrichting drijft, in een geval als bedoeld in het vierde lid, ten genoegen van het bevoegd gezag aantoont dat het volgen van het reductieprogramma technisch en economisch niet haalbaar is, kan dat gezag voor de installatie afwijken van het reductieprogramma. In dat geval wordt ten genoegen van het bevoegd gezag aangetoond dat gebruik wordt gemaakt van de beste beschikbare techniek. Wanneer het bevoegd gezag van deze bevoegdheid gebruik maakt, zendt het een afschrift van het desbetreffende besluit aan Onze Minister.

  • 6. Voor een installatie die het reductieprogramma niet volgt, voldoet alle emissieverminderende apparatuur die na de datum van inwerkingtreding van dit besluit wordt aangebracht, aan bijlage IIa.

Artikel 4

  • 1. Degene die een inrichting drijft, draagt er zorg voor dat de installatie waarin twee of meer activiteiten worden verricht die elk de drempelwaarden van bijlage IIa overschrijden, voldoet:

    a. ten aanzien van de stoffen, genoemd in het tweede tot en met het vierde lid, voor elke activiteit afzonderlijk aan de in die leden vermelde eisen, en

    b. ten aanzien van de andere stoffen:

    1°. voor elke activiteit afzonderlijk aan artikel 3, eerste lid, of

    2°. aan een waarde voor de totale emissies, die niet hoger is dan bij toepassing van het onder 1° gestelde het geval zou zijn.

  • 2. Stoffen of preparaten, waaraan een of meer van de risicozinnen R45, R46, R49, R60 en R61 is of zijn toegekend of die behoren te zijn voorzien van deze zinnen wegens hun gehalte aan VOS die krachtens artikel 2 van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting zijn ingedeeld, worden, voor zover mogelijk en rekening houdend met door de Europese Commissie krachtens artikel 7, eerste lid, van de richtlijn gepubliceerde richtsnoeren met betrekking tot het gebruik van vluchtige organische stoffen en mogelijke vervangingsproducten daarvoor, binnen zo kort mogelijke tijd vervangen door minder schadelijke stoffen of preparaten.

  • 3. Voor de uitstoot van de VOS, bedoeld in het tweede lid, waarbij de massastroom van de stoffen waarvoor de in dat lid bedoelde etikettering verplicht is, in totaal 10 g/uur of meer bedraagt, wordt een emissiegrenswaarde van 2 mg/Nm3 in acht genomen. De emissiegrenswaarde geldt voor de totale massa van de betrokken stoffen.

  • 4. Voor de uitstoot van gehalogeneerde VOS, waaraan de risicozin R40 is toegekend, waarbij de massastroom van de stoffen waarvoor de vermelding van R40 verplicht is, in totaal 100 g/uur of meer bedraagt, wordt een emissiegrenswaarde van 20 mg/Nm3 in acht genomen. De emissiegrenswaarde geldt voor de totale massa van de betrokken stoffen.

  • 5. De uitstoot van VOS, bedoeld in het tweede of vierde lid, wordt beheerst afgevangen en uitgestoten, voor zover dit technisch en economisch haalbaar is, om de volksgezondheid en het milieu te beschermen.

  • 6. Bij uitstoot van VOS waaraan na de inwerkingtreding van dit besluit een van de risicozinnen, genoemd in het tweede of vierde lid, wordt toegekend of die van deze zinnen behoren te zijn voorzien, worden de emissiegrenswaarden, genoemd in onderscheidenlijk het derde en vierde lid, zo snel mogelijk in acht genomen.

Artikel 5

Degene die een inrichting drijft waarin zich een bestaande installatie bevindt, draagt zorg voor:

a. het voldoen van die installatie uiterlijk op 31 oktober 2007 aan de artikelen 3 en 4;

b. het aanmelden van de inrichting bij het bevoegd gezag uiterlijk op 31 oktober 2005, indien hij gebruik wil maken van het reductieprogramma van bijlage IIb.

Artikel 6

  • 1. Degene die een inrichting drijft, neemt alle passende voorzorgsmaatregelen om de emissies van VOS bij het starten en stilleggen van de installatie tot een minimum te beperken.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op degene die een inrichting drijft waarin zich een bestaande installatie bevindt, met ingang van de dag waarop die installatie voldoet aan de artikelen 3 en 4, doch uiterlijk op 31 oktober 2007.

Artikel 7

Een bestaande installatie die werkt met nabehandelingsapparatuur en voldoet aan de emissiegrenswaarden van:

a. 50 mg C/Nm3, bij verbranding, of

b. 150 mg C/Nm3, bij elke andere nabehandelingsapparatuur, is vrijgesteld van de emissiegrenswaarden voor afgassen, genoemd in de tabel van bijlage IIa, tot 1 april 2013, mits de totale emissies van de gehele installatie niet groter zijn dan het geval zou zijn indien aan de eisen van die tabel zou zijn voldaan.

Artikel 8

  • 1. Het reductieprogramma, bedoeld in bijlage IIb, ontslaat degene die een inrichting drijft, die stoffen als bedoeld in artikel 4, tweede tot en met vierde lid, uitwerpt, niet van de plicht dat een installatie aan de eisen van die leden voldoet.

  • 2. Het reductieprogramma, bedoeld in bijlage IIb, noch artikel 7 ontslaat degene die een inrichting drijft waarin zich een bestaande installatie bevindt, die stoffen als bedoeld in artikel 4, tweede tot en met vierde lid, uitwerpt, van de plicht dat die installatie aan de eisen van die leden voldoet met ingang van de dag waarop het reductieprogramma en artikel 7 op die installatie van toepassing is, doch uiterlijk op 31 oktober 2007.

Artikel 9

  • 1. Ter voldoening aan de artikelen 4 tot en met 8, kan het bevoegd gezag bij nadere eis stellen dat een installatie voldoet aan voorschriften van de Nederlandse emissierichtlijn.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften gegeven omtrent de van toepassing zijnde Nederlandse emissierichtlijn.

§ 3 Metingen en controles

Artikel 10

  • 1. Degene die een inrichting drijft, is verplicht een afgaskanaal waarop nabehandelingsapparatuur is aangesloten en dat aan de uitlaatzijde gemiddeld in totaal meer dan 10 kilogram organische koolstof per uur uitwerpt, doorlopend te controleren of aan de emissiegrenswaarden wordt voldaan.

  • 2. In andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid, is degene die een inrichting drijft, verplicht periodiek metingen uit te voeren, waarbij gedurende elke meting ten minste drie meetresultaten worden geregistreerd.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften gegeven omtrent het meten en de beoordeling van meetresultaten.

  • 4. Metingen ter controle op de naleving van de emissiegrenswaarden zijn niet vereist indien nabehandelingsapparatuur niet noodzakelijk is om te voldoen aan dit besluit.

  • 5. Bij doorlopende metingen is aan de emissiegrenswaarden voldaan indien:

    a. geen van de gemiddelden onder normale omstandigheden gedurende 24 uur normaal bedrijf hoger is dan de emissiegrenswaarden, en

    b. geen van de uurgemiddelden onder normale omstandigheden hoger is dan 1,5 maal de emissiegrenswaarden.

  • 6. Bij periodieke metingen is aan de emissiegrenswaarden voldaan indien bij die meting:

    a. het gemiddelde van alle meetresultaten onder normale omstandigheden niet hoger is dan de emissiegrenswaarden, en

    b. geen van de uurgemiddelden onder normale omstandigheden hoger is dan 1,5 maal de emissiegrenswaarden.

  • 7. Of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 4, derde of vierde lid, wordt voldaan, wordt gecontroleerd op basis van de som van de massaconcentraties van de verschillende betrokken VOS. In alle andere gevallen wordt, indien in bijlage IIa niet anders is bepaald, gecontroleerd op basis van de totale massa organische koolstof die wordt uitgestoten.

  • 8. Het eerste tot en met het zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing op een bestaande installatie met ingang van de dag waarop die installatie voldoet aan de artikelen 3 en 4, doch uiterlijk op 31 oktober 2007.

§ 4 Oplosmiddelenboekhouding

Artikel 11

  • 1. Degene die een inrichting drijft, voert een oplosmiddelenboekhouding aan de hand waarvan ten genoegen van het bevoegd gezag wordt aangetoond dat is voldaan aan:

    a. de emissiegrenswaarden voor afgassen, de diffuse- en totale emissie- grenswaarden,

    b. de eisen van het reductieprogramma krachtens bijlage IIb, of

    c. artikel 3, vierde lid.

    Gasvolumes mogen worden toegevoegd om de afgassen af te koelen of te verdunnen indien dit technisch gerechtvaardigd is, maar worden niet meegeteld bij het vaststellen van de massaconcentratie van de verontreinigende stof in het afgas.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de inrichting van de oplosmiddelenboekhouding.

  • 3. Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een bestaande installatie met ingang van de dag waarop die installatie aan de artikelen 3 en 4 voldoet, doch uiterlijk op 31 oktober 2007.

§ 5 Informatieverstrekking

Artikel 12

Degene die een inrichting drijft, is verplicht na een belangrijke wijziging ten genoegen van het bevoegd gezag aan te tonen dat aan de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt voldaan.

Artikel 13

  • 1. Indien uit metingen of controles blijkt dat de installatie niet meer voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften, stelt degene die de inrichting drijft het bevoegd gezag daarvan terstond op de hoogte en neemt terstond maatregelen om ervoor te zorgen dat op een zo kort mogelijke termijn weer aan die voorschriften wordt voldaan.

  • 2. Indien het eerste lid van toepassing is en er sprake is van een direct gevaar voor de menselijke gezondheid en zolang niet gewaarborgd kan worden dat overeenkomstig het eerste lid weer aan de eisen wordt voldaan, schort degene die de inrichting drijft verdere uitoefening van de activiteit op.

Artikel 14

  • 1. Degene die een inrichting drijft, verstrekt op verzoek van het bevoegd gezag de gegevens die het nodig heeft om na te gaan of aan dit besluit wordt voldaan. Tot die gegevens behoren in elk geval de resultaten van de controles en metingen, bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op degene die een inrichting drijft, indien hij de in dat lid bedoelde gegevens reeds verstrekt in het milieuverslag, bedoeld in artikel 12.4 van de wet.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent het verstrekken van gegevens die het bevoegd gezag nodig heeft om na te gaan of aan dit besluit wordt voldaan.

Artikel 15

Het bevoegd gezag verstrekt de gegevens, bedoeld in de artikelen 13 en 14, op diens verzoek aan Onze Minister.

§ 6 Slotbepalingen

Artikel 16

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2001.

Artikel 17

Dit besluit wordt aangehaald als: Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-Richtlijn milieubeheer.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 19 maart 2001

Beatrix

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. P. Pronk

Uitgegeven de dertigste maart 2001

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

BIJLAGE I, behorende bij het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer

TOEPASSINGSGEBIED

Deze bijlage bevat de categorieën industriële activiteiten, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het besluit. Bij overschrijding van de in bijlage IIA genoemde productiedrempels vallen deze categorieën van industriële activiteiten binnen het toepassingsgebied van dit besluit. In elk geval omvatten de activiteiten de reiniging van de procesapparatuur, maar niet de reiniging van de werkstukken, tenzij andersluidende vermeldingen zijn opgenomen.

Aanbrengen van lijmlagen

– Activiteiten waarbij een kleefstof op een oppervlak wordt aangebracht, met uitzondering van het aanbrengen van lijmlagen en lamineren samenhangend met drukprocessen.

Coatingwerkzaamheden

– Alle activiteiten waarbij een of meer ononderbroken lagen van een coating worden aangebracht op:

de volgende voertuigen:

– nieuwe auto's die in Richtlijn 70/156/EEG1worden gedefinieerd als voertuigen van categorie M1 en, voor zover de coating plaatsvindt in dezelfde installatie als voertuigen van M1, van categorie N1;

– vrachtwagencabines, gedefinieerd als de behuizing voor de chauffeur en de daarmee geïntegreerde behuizing voor de technische apparatuur van voertuigen die in Richtlijn 70/156/EEG als voertuigen van de categorieën N2 en N3 worden gedefinieerd;

– bestelwagens en vrachtwagens, in Richtlijn 70/156/EEG gedefinieerd als voertuigen van de categorieën N1, N2 en N3, met uitzondering van vrachtwagencabines;

– bussen, in Richtlijn 70/156/EEG gedefinieerd als voertuigen van de categorieën M2 en M3;

– aanhangwagens, gedefinieerd in de categorieën O1, O2, O3 en O4 in Richtlijn 70/156/EEG;

– metalen en kunststofoppervlakken, met inbegrip van oppervlakken van vliegtuigen, schepen, treinen enz;

– houten oppervlakken;

– textiel, stoffen, film en papieroppervlakken;

– leder.

Hieronder valt niet de coating van substraten met metalen met behulp van elektroforese en chemische spuittechnieken. Als de coatingactiviteit ook een stap omvat waarbij hetzelfde artikel wordt bedrukt, ongeacht de daarbij gebruikte techniek, wordt deze stap als onderdeel van de coatingactiviteit beschouwd.

Drukactiviteiten die als afzonderlijke activiteiten plaatsvinden, vallen echter niet binnen deze categorie, maar kunnen onder dit besluit vallen indien de drukactiviteit binnen het toepassingsgebied daarvan valt.

Bandlakken

– Elke activiteit waarbij een band van staal, roestvrij staal, bekleed staal, koperlegeringen of aluminiumband in een continu procédé wordt bekleed met een filmvormende of laminaatcoating.

Chemisch reinigen

– Alle industriële of commerciële activiteiten waarbij VOS worden gebruikt in een installatie voor het schoonmaken van kleren, meubelstoffen en soortgelijke consumptiegoederen, met uitzondering van het handmatig verwijderen van vlekken in de textiel- en de kledingindustrie.

Fabricage van schoeisel

– Elke activiteit met betrekking tot de fabricage van volledig schoeisel of delen daarvan.

Vervaardiging van coatingpreparaten, lak, inkt en kleefstoffen

– De vervaardiging van bovengenoemde eindproducten en, wanneer dit in dezelfde installatie gebeurt, van halffabrikaten door het mengen van pigmenten, hars en kleefstoffen met organische oplosmiddelen of andere draagstoffen, waaronder dispergeren en predispergeren, aanpassen van de viscositeit en de kleur en bewerkingen om de verpakking te vullen met het eindproduct.

Vervaardiging van geneesmiddelen

– De chemische synthese, fermentatie, extractie, formulering en afwerking van geneesmiddelen en de vervaardiging van halffabrikaten, voorzover deze op dezelfde plaats gebeurt.

Drukken

– Een activiteit waarbij tekst of afbeeldingen worden gereproduceerd door met behulp van een beelddrager inkt op ongeacht welk soort oppervlak aan te brengen. Hieronder vallen ook daarmee samenhangende lak-, coating- en lamineertechnieken. Onder dit besluit vallen alleen de volgende deelprocessen:

flexografie: een drukactiviteit waarbij gebruik wordt gemaakt van een beelddrager van rubber of elastische fotopolymeren, waarop de drukkende delen zich boven de niet-drukkende delen bevinden, en van vloeibare inkt die door verdamping droogt.

heatsetrotatie-offset: een rotatiedrukactiviteit waarbij gebruik wordt gemaakt van een beelddrager waarop de drukkende delen en de niet-drukkende delen in hetzelfde vlak liggen, waarbij rotatie inhoudt dat het te bedrukken materiaal niet als aparte vellen maar van een rol in de machine wordt gevoerd. Het niet-drukkende deel wordt zodanig behandeld dat het water aantrekt en derhalve de inkt afstoot. Het drukkende deel wordt zodanig behandeld dat het inkt opneemt en overbrengt op het te bedrukken oppervlak. De verdamping vindt plaats in een oven, waar het bedrukte materiaal met warme lucht wordt verwarmd.

lamineren samenhangend met een drukproces: de samenhechting van twee of meer flexibele materialen tot een laminaat.

illustratiediepdruk: rotatiediepdrukactiviteit waarbij papier voor tijdschriften, brochures, catalogi of soortgelijke producten met inkt op basis van tolueen wordt bedrukt.

rotatiediepdruk: een drukactiviteit waarbij gebruik wordt gemaakt van een cilindrische beelddrager, waarop de drukkende delen (napjes) lager liggen dan de niet-drukkende delen, en vloeibare inkt die door verdamping droogt. De napjes worden met inkt gevuld en het overschot wordt van de niet-drukkende delen verwijderd voordat het te bedrukken oppervlak contact met de cilinder maakt en de inkt uit de napjes trekt.

rotatiezeefdruk: een rotatiedrukactiviteit waarbij de inkt door een poreuze beelddrager wordt geperst, waarbij de drukkende delen open zijn en het niet-drukkende deel wordt afgedekt, en zo op het te bedrukken oppervlak wordt gebracht en gebruik wordt gemaakt van vloeibare inkt die uitsluitend door verdamping droogt. Bij een rotatief drukproces wordt het te bedrukken materiaal niet als aparte vellen maar van een rol in de machine gebracht.

lakken: een proces waarbij een lak of een kleefstof om later het verpakkingsmateriaal af te sluiten op een flexibel materiaal wordt aangebracht.

Bewerking van natuurlijk of synthetisch rubber

– Elke activiteit met betrekking tot het mengen, malen, vermengen, kalanderen, extruderen en vulkaniseren van natuurlijk of synthetisch rubber en alle nevenbewerkingen om natuurlijk of synthetisch rubber te bewerken tot eindproduct.

Oppervlaktereiniging

– Alle activiteiten, met uitzondering van chemisch reinigen, waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt om verontreiniging van het oppervlak van materialen te verwijderen, met inbegrip van ontvetting.

Een uit meer dan één stap bestaande reinigingsactiviteit die niet wordt onderbroken door een andere stap, wordt als één oppervlaktereinigingsactiviteit beschouwd. Deze activiteit betreft niet het reinigen van apparatuur maar het reinigen van het oppervlak van producten.

Extractie van plantaardige oliën en dierlijke vetten en raffinage van plantaardige oliën

– Alle activiteiten waarbij plantaardige olie uit zaden en ander plantaardig materiaal wordt geëxtraheerd, droge residuen tot diervoeder worden verwerkt, of vetten en plantaardige olie uit zaden, plantaardig materiaal en/of dierlijk materiaal worden geraffineerd.

Overspuiten van voertuigen

– Alle industriële of commerciële activiteiten en daarmee verband houdende ontvettingsactiviteiten waaronder:

– het aanbrengen van een laklaag op wegvoertuigen, zoals gedefineerd in Richtlijn 70/156/EEG, of een deel daarvan, als onderdeel van de reparatie, de bescherming of de decoratie van voertuigen buiten de fabriek, of

– het aanbrengen van de oorspronkelijke laklaag op wegvoertuigen, zoals gedefineerd in Richtlijn 70/156/EEG of een deel daarvan, met voor het overspuiten gebruikelijke lakken op een andere plaats dan de oorspronkelijke fabricagelijn, of

– het aanbrengen van een laklaag op aanhangwagens (met inbegrip van opleggers) (categorie O).

Coating van wikkeldraad

– Elke coatingsactiviteit van metalen geleiders die worden gebruikt om spoelen voor transformatoren, motoren enz. mee te wikkelen.

Impregneren van houten oppervlakken

– Elke activiteit waarbij een houtverduurzamingsmiddel in het hout wordt gebracht.

Lamineren van hout en kunststof

– Elke activiteit met het oog op het aaneenhechten van hout en/of kunststof voor de vervaardiging van laminaten.

BIJLAGE IIA, behorende bij het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer

DREMPELWAARDEN EN EMISSIEBEPERKING

 Activiteit (drempelwaarde voor verbruik oplosmiddel in ton/jaar)Drempel-waarde (verbruik oplosmiddelen in ton/jaar)Emissie-grenswaarde in afgassen (mg C/nm3)Diffusie-emissie-grenswaarde (percentage oplosmiddelen- input):Totale emissiegrenswaardeBijzondere bepalingen
    NieuwBestaandNieuwBestaand 
1Heatsetrotatie-offsetdruk (> 15)15–25 > 25100 2030 (1) 30 (1)   (1) Resten oplosmiddelen in eindproduct worden niet als onderdeel van de diffuse emissie beschouwd
         
2Illustratiediepdruk (> 25) 751015   
         
3Andere rotatiediepdruk, flexografie, rotatiezeefdruk, lamineer- of lakeenheden, (> 15) rotatiezeefdruk of textiel/karton (> 30)15–25 > 25 > 30 (1)100 100 10025 20 20   (1) Drempel voor rotatie zeefdruk
         
4Oppervlaktereiniging (1) (> 1)1–5 > 520 (2) 20 (2)15 10   (1) Met de in artikel 2, tweede en vierde lid, vermelde stoffen. (2) Grenswaarde in massa van de verbindingen in mg/nm3 en niet in totale massa koolstof.
         
5Overige oppervlaktereiniging (> 2)2–10 > 1075 (1) 75 (1)20 (1) 15 (1)   (1) Wanneer aan de bevoegde instantie wordt aangetoond dat het gemiddelde gehalte aan organische oplosmiddelen van al het in een installatie gebruikte reinigingsmateriaal niet hoger ligt dan 30 gewichts- procenten, gelden deze waarde niet voor die installatie.
         
6Coating voertuigen (< 15) en overspuiten voertuigen> 0,550 (1)25   (1) Naleving overeenkomstig artikel 9, lid 4, moet worden aangetoond op basis van metingen om de 15 minuten.
         
7Bandlakken (> 25) 50 (1)510  (1) Voor installaties die technieken gebruiken waarbij hergebruik van terug gewonnen oplosmiddelen mogelijk is, geldt een emissiegrenswaarde van 150.
 
    NieuwBestaandNieuwBestaand 
8Andere coatingprocessen, waaronder metaal-, kunstof-, textiel-(5), film- en papiercoating (> 5)5–15 > 15100 (1) (4) 50/75 (2) (3)(4)20 (4) 20 (4)   (1) Deze emissiegrenswaarde geldt voor coating- en droogprocessen waarbij de vrijkomende VOS beheerst wordt afgevangen en uitgestoten. (2) De eerste emissiegrens waarde geldt voor droogprocessen en de tweede voor coatingprocessen. (3) Voor installaties die genitrogeneerde oplosmiddelen gebruiken met technieken waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, geldt een gecombineerde grenswaarde voor coating- en droogproces van 150. (4) Voor coatingwerk waarbij de vrijkomende VOS niet beheerst kunnen worden afgevangen en afgestoten (zoals in de scheepbouw, schilderen van vliegtuigrompen) kan overeenkomstig artikel 2, vierde en vijfde lid, van deze waarden worden afgeweken. (5) Rotatiezeefdruk op textiel valt onder sector 3.
         
9Coating van wikkeldraad (> 5)    10 g/kg (1) 5 g/kg (2) (1) Geldt voor installaties met een gemiddelde draaddiameter = 0,1 mm. (2) Geldt voor alle andere installaties.
         
10Coating van hout (> 15)15–25 > 25100 (1) 50/75 (2)25 20   (1) Deze emissiegrenswaarde geldt voor coating- en droogprocessen waarbij de vrijkomende VOS niet beheerst kunnen worden afgevangen en uitgestoten. (2) De eerste waarde geldt voor droogprocessen en de tweede voor coatingprocessen.
         
11Chemisch reinigen    20 g/kg (1) (2) (1) Uitgedrukt in massa uitge- stoten oplosmiddel per kilogram gereinigd en gedroogd product. (2) De in artikel 2, vierde lid, vermelde emissiegrenswaarde geldt niet voor deze sector.
         
12Impregneren van hout (> 25) 100 (1)45 11 kg/m3 (1) Geldt niet voor impregneren met creosoot.
         
13Coating van leer (> 10)10–25 > 25   85 g/m2 75 g/m2 De emissiegrenswaarden zijn uitgedrukt in gram uitgestoten oplosmiddel per vierkante meter vervaardigd product.
  > 10 (1)   150 g/m2 (1) Voor coating van leer voor meubelen en bepaalde lederen goederen, die worden gebruikt als kleine consumptiegoederen zoals tassen, riemen, portefeuilles enz.
         
14Fabricage van schoeisel (> 5)    25 g per paar De totale emissiegrenswaarden zijn uitgedrukt in gram uitgestoten oplosmiddel per vervaardigd paar compleet schoeisel.
         
15Lamineren van hout en kunststof (> 5)    30 g/m2  
         
16Het aanbrengen van een lijmlaag (> 5)5–15 >1550 (1) 50 (1)25 20   (1) Als technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, geldt een emissiewaarde voor afgassen van 150.
         
17Vervaardigen van coatingpreparaten, lak, inkt en kleefstoffen (> 100)100–1000 > 1000150 1505 3 5% van de oplosmiddeleninput 3% van de oplosmiddeleninputOnder de diffuse-emissiegrenswaarde vallen niet de oplosmiddelen die als bestanddeel van een preparaat in een gesloten container worden verkocht.
         
18Bewerking van rubber (> 15) 2025 (2) 25% van de oplosmiddeleninput(1) Als technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, geldt voor afgassen een emissiegrenswaarde van 150. (2) Onder de diffuse-emissiegrenswaarde vallen niet de oplosmiddelen die als bestanddeel van een preparaat in een gesloten container worden verkocht.
         
19Extractie van plantaardige oliën en van dierlijke vetten en raffinage van plantaardige oliën (> 10)    Dierlijk vet: 1,5 kg/ton Ricinus: 3,0 kg/ton Raapzaad: 1,0 kg/ton Zonnebloemzaad: 1,0 kg/ton Sojabonen (normale maling): 0,8 kg/ton Sojabonen (witte vlokken): 1,2 kg/ton Overige zaden en ander plantaardig materiaal: – 3 kg/ton (1) – 1,5 kg/ton (2) – 4 kg/ton (3)(1) De totale emissiegrenswaarden voor installaties voor de verwerking van losse partijen zaden en ander plantaardig materiaal moeten door de bevoegde autoriteit per geval worden vastgesteld, met toepassing van de beste beschikbare technieken. (2) Geldt voor alle fractioneringsprocessen met uitzondering van ontgommen (het verwijderen van gom uit de olie). (3) Geldt voor ontgommen.
         
20Vervaardigen van geneesmiddelen (> 50) 20 (1)5 (2)15(2)5% van de oplosmidde- leninput15% van de oplosmidde- leninput(1) Als technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, geldt voor afgassen een emissiegrenswaarde van 150. (2) Onder de diffuse-emissiegrenswaarde vallen niet de oplosmiddelen die als bestanddeel van een preparaat in een gesloten container worden verkocht.

II. DE VOERTUIGCOATINGINDUSTRIE

De totale emissiegrenswaarden zijn uitgedrukt in gram uitgestoten oplosmiddel per m2 vervaardigd product en in kilogram uitgestoten oplosmiddel per carrosserie.

Het oppervlak van de in de onderstaande tabel vermelde producten wordt als volgt gedefinieerd:

– het berekende oppervlak van het totale elektroforetisch coatingvlak en het oppervlak van delen die eventueel in latere fasen van het coatingproces worden toegevoegd en met dezelfde coating worden bekleed als voor het desbetreffende product wordt gebruikt, of het totale oppervlak van het in de installatie gecoate product.

Het oppervlak van het elektroforetisch coatingvlak wordt berekend met de volgende formule:

2 maal gewicht product zonder coating

gemiddelde dikte metaalplaat x dichtheid metaalplaat

Deze methode wordt ook gebruikt voor andere gecoate onderdelen van metaalplaat.

Voor de berekening van het oppervlak van de andere toegevoegde delen of het totale in de installatie gecoate oppervlak wordt gebruik gemaakt van CAD (computergesteund ontwerp) of andere gelijkwaardige methoden.

De totale emissiegrenswaarde in onderstaande tabel heeft betrekking op alle procesfasen die in dezelfde installatie worden uitgevoerd vanaf elektroforetische coating of een ander soort coatingproces tot en met het uiteindelijke in de was zetten en polijsten van de toplaag, alsmede de oplosmiddelen die bij het reinigen van procesapparatuur worden gebruikt, met inbegrip van spuitcabines en andere vaste apparatuur, zowel tijdens als buiten de productiefase. De grenswaarde wordt uitgedrukt als de totale massa organische verbindingen per m2 oppervlak van het gecoate product en als de totale massa organische verbindingen per autocarrosserie.

Activiteit (drempelwaarde voorverbruik oplosmiddelen in ton/jaar)Drempelwaarde productie (geldt voor de jaarlijkse productie van gecoat materiaal)Totale emissiegrenswaarde
  Nieuwe activiteitBestaande activiteit
Coating nieuwe auto's (> 15)> 500045 g/m2 of 1,3 kg/auto + 33 g/m260 g/m2 of 1,9 kg/auto + 41 g/m2
    
 ≤ 5000 zelfdragend of > 3500 met chassis90 g/m2 of 1,5 kg/auto + 70 g/m290 g/m2 of 1,5 kg/auto + 70 g/m2
Activiteit (drempelwaarde voor verbruik oplosmiddelen in ton/jaar)Drempelwaarde productie (geldt voor de jaarlijkse productie van gecoat materiaal)Totale emissiegrenswaarde
  Nieuwe activiteitBestaande ativiteit
  Totale emissiegrenswaarde (g/m2)
    
(Coating van nieuwe vrachtwagencabines > 15)≤ 5000 > 5000 65 55 85 75
    
Coating van nieuwe bestelwagens en vrachtwagens (> 15)≤ 2500 > 2500 90 70120 90
    
Coating van nieuwe bussen (> 15)≤ 2000 > 2000210 150290 225

Installaties voor de coating van voertuigen beneden de in bovenstaande tabel vermelde drempelwaarden voor het oplosmiddelenverbruik voldoen aan de in bijlage IIA vermelde eisen voor de sector overspuiten van voertuigen.

BIJLAGE IIB, behorende bij het Oplosmiddelenbesluit implementatie EG-VOS-richtlijn milieubeheer

REDUCTIEPROGRAMMA

1. Beginselen

Het reductieprogramma is bedoeld om de exploitant de mogelijkheid te bieden de emissie op een andere manier in dezelfde mate te beperken als door de toepassing van emissiegrenswaarden zou gebeuren. Daartoe mag de exploitant ieder speciaal voor zijn installatie ontworpen reductieprogramma gebruiken, mits uiteindelijk dezelfde emissiebeperking wordt bereikt.

2. Praktische uitvoering

Bij het aanbrengen van coating, lak, kleefstof of inkt kan het volgende programma worden gebruikt. Wanneer deze methode niet bruikbaar is, kan het bevoegd gezag een exploitant toestaan een andere ontheffingsregeling toe te passen die naar zijn overtuiging aan de hier geschetste beginselen voldoet. Bij de opzet van het programma wordt rekening gehouden met de volgende gegevens:

i. wanneer de vervangingsproducten met weinig of geen oplosmiddelen nog in ontwikkeling zijn, wordt de exploitant extra tijd gegeven om zijn reductieprogramma uit te voeren;

ii. het referentiepunt voor de emissiebeperking komt zo goed mogelijk overeen met de emissie die het resultaat zou zijn als er geen beperkende maatregelen zouden worden genomen.

De volgende regeling geldt voor installaties waar voor het product een constant gehalte aan vaste stof kan worden aangenomen en voor de bepaling van het referentiepunt voor de emissiebeperking kan worden gebruikt.

i. De exploitant dient een reductieprogramma in waarin met name de daling van het gemiddelde gehalte aan oplosmiddelen van de totale input of de verhoging van het rendement bij het gebruik van vaste stoffen wordt vermeld die leidt tot een beperking van de totale emissie van de installatie tot een bepaald percentage van de jaarlijkse referentie-emissie, de zogenoemde beoogde emissie. Dit gebeurt volgens het volgende tijdschema:

Periode in jaren Maximaal toegelaten totale emissie per jaar
Nieuwe installatiesBestaande installaties 
   
Uiterlijk 31.10.2001Uiterlijk 31.10.2005Beoogde emissie x 1,5
   
Uiterlijk 31.10.2004Uiterlijk 31.10.2007Beoogde emissie

ii. De jaarlijkse referentie-emissie wordt als volgt berekend:

a. Eerst wordt de totale massa bepaald aan vaste stof in de hoeveelheid coating of inkt of lak of kleefstof die per jaar wordt gebruikt. Vaste stof is elk materiaal in coating, inkt, lak en kleefstof dat vast wordt wanneer het water of de vluchtige organische stoffen zijn verdampt.

b. De jaarlijkse referentie-emissie wordt berekend door de volgens punt a. bepaalde massa te vermenigvuldigen met de in onderstaande tabel vermelde factor. Het bevoegd gezag kan deze factoren voor individuele inrichtingen aanpassen om rekening te houden met een aangetoonde stijging van het rendement bij het gebruik van vaste stoffen.

AcitiviteitVoor punt ii), onder b) te gebruiken vermenigvuldigingsfactor
Rotatiediepdruk; flexografie; lamineren samenhangend met een drukactiviteit; lakken samenhangend met een drukactiviteit; coating van hout; coating van textiel, vezel, film of papier; het aanbrengen van een lijmlaag4
  
Bandlakken, overspuiten van voertuigen3
  
Coating in contact met levensmiddelen; coating in lucht- en ruimtevaart2,33
  
Overige coating en rotatiezeefdruk1,5

c. De beoogde emissie wordt berekend door de jaarlijkse referentie-emissie te vermenigvuldigen met een percentage dat gelijk is aan:

– (de diffuse-emissiegrenswaarde plus 15) voor installaties die onder punt 6 en binnen het laagste drempelwaarde-interval van de punten 8 en 10 van bijlage IIA vallen;

– (de diffuse-emissiegrenswaarde plus 5) voor alle andere installaties.

d. Aan de eisen wordt voldaan als de feitelijke emissie van oplosmiddelen, bepaald aan de hand van de oplosmiddelenboekhouding, kleiner is dan of gelijk is aan de beoogde emissie.

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

1.1 Algemeen

Het onderhavige besluit strekt tot omzetting in de Nederlandse wet- en regelgeving van richtlijn nr. 99/13/EG van de Raad van 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties (PbEG L 85), hierna de EG-VOS-richtlijn. Deze richtlijn heeft als doel het voorkomen dan wel verminderen van de emissie van vluchtige organische stoffen (VOS) door het vaststellen van maatregelen en procedures. Onder invloed van zonlicht gaan VOS een reactie aan met stikstofoxiden met onder meer ozon als reactieproduct. Wanneer met name in de zomer hoge concentraties ozon ontstaan op leefniveau, kunnen deze piekconcentraties aanleiding geven tot effecten op de ademhalingswegen. Hoge concentraties ozon kunnen ook leiden tot schade aan gewassen en materialen. Daarnaast geeft de uitstoot van sommige VOS aanleiding tot lokale geurhinder.

Bovendien kunnen specifieke VOS (in bepaalde concentraties en onder bepaalde omstandigheden) vooral op de werkplek direct schadelijk zijn voor de gezondheid.

1.2 Totstandkoming EG-VOS-richtlijn

Over de totstandkoming van deze richtlijn is in Europees verband sinds het begin van de negentiger jaren onderhandeld. De noodzaak van een dergelijke regeling was ingegeven door het feit dat de toenmalige Europese Gemeenschap het protocol, behorende bij de Conventie inzake de grensoverschrijdende luchtverontreiniging van de Economische Commissie voor Europa te Genève, had ondertekend. In dat protocol is een vermindering van de emissie van VOS van ten minste dertig procent overeengekomen.

Communautaire wetgeving was de aangewezen weg om deze doelstelling te realiseren.

In 1996 zond de Europese Commissie de ontwerprichtlijn aan het Europees Parlement en aan de Raad van Europese milieuministers. Tijdens het Nederlandse voorzitterschap raakten de werkzaamheden rond de voorbereiding van deze richtlijn in een stroomversnelling toen Nederland besloot dit dossier met voorrang te behandelen. Op 20 juni 1997 bereikte de Raad in Luxemburg een politiek akkoord. Hierna stelde het Europees Parlement zijn advies vast, en op 11 maart 1999 werd de richtlijn formeel vastgesteld.

2. Inhoud van het Besluit

Het onderhavige besluit is van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen die behoren tot een of meer van de categorieën van inrichtingen, die zijn genoemd in bijlage I van het Inrichtingenen vergunningenbesluit milieubeheer, voor zover zich in de inrichting een installatie bevindt, die vluchtige organische stoffen uitstoot naar het milieu bij bepaalde activiteiten, genoemd in bijlage I, behorende bij dit besluit. Het besluit is niet van toepassing op niet-vergunningplichtige inrichtingen. In dit verband dienen met name het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer, het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer en het Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer te worden genoemd. In die besluiten, die zijn gebaseerd op artikel 8.40 van de Wet milieubeheer, zijn afzonderlijke voorschriften opgenomen met het oog op het beperken van de uitstoot van VOS naar het milieu.

Ook binnen de inrichtingen, die aan de voor de desbetreffende categorie bij deze besluiten gegeven algemene regels moeten voldoen, kunnen namelijk activiteiten worden verricht die leiden tot de emissie van VOS.

Op grond van genoemde besluiten moeten die inrichtingen ook een oplosmiddelenboekhouding bijhouden.

In het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer, waarvan de ondergrens van de EG-VOS-richtlijn de werkingssfeer beheerst, wordt bepaald dat indien in een inrichting jaarlijks meer dan vijftienduizend kg organische oplosmiddelen worden gebruikt, dat besluit niet van toepassing is. Hieruit volgt dat in het geval van overschrijding van die grens de betreffende inrichting vergunningplichtig wordt en het onderhavige besluit geldt. In het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer, zijn voorschriften gegeven die strekken tot invulling van het reductieprogramma door de betreffende inrichtingen. In het derde besluit, het nog tot stand te brengen Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer, zijn eveneens de relevante voorschriften uit de EG-VOS-richtlijn geïmplementeerd, door middel van het opnemen van gelijksoortige voorschriften als in het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer is gedaan.

Het Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer vervangt het Besluit chemische wasserijen milieubeheer. Naar verwachting zal het Besluit textielinrichtingen milieubeheer dit voorjaar in werking treden. Ten aanzien van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer en het voorziene besluit inzake voorzieningen en installaties is de EG-VOS-richtlijn niet relevant.

De installaties waarop de EG-VOS-richtlijn betrekking heeft, maken in ons land deel uit van een inrichting als hiervoor bedoeld.

In het onderhavige besluit zijn per activiteit emissiegrenswaarden opgenomen die degene die een inrichting drijft, waarin zich een installatie als bedoeld in dit besluit bevindt, in acht dient te nemen, tenzij hij gebruik kan maken van de mogelijkheid om een reductieprogramma in te dienen. Dit laatste houdt in dat degene die een inrichting als bedoeld in dit besluit drijft, een speciaal voor zijn inrichting ontworpen reductieprogramma mag gebruiken, mits daardoor dezelfde emissiebeperking wordt bereikt als wanneer hij zich gehouden zou hebben aan de emissiegrenswaarden. Indien binnen een inrichting in een installatie verschillende activiteiten plaatsvinden die zijn genoemd in bijlage I, moet het reductieprogramma voor de installatie dezelfde totale emissiebeperking opleveren als bereikt zou worden bij hantering van de emissiegrenswaarden voor de afzonderlijke activiteiten.

Het besluit maakt een onderscheid tussen nieuwe en bestaande installaties.

Nieuwe installaties dienen vanaf de inwerkingtreding van dit besluit aan de voor de desbetreffende installatie geldende voorschriften van dit besluit te voldoen. Een deel van een bestaande installatie, dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan, of dat na een dergelijke wijziging voor het eerst onder het regime van het besluit valt, wordt als een bestaande installatie aangemerkt wanneer de totale emissie van de gehele installatie niet hoger is dan wanneer dit nieuwe of gewijzigde onderdeel, wat de emissies betreft, als een nieuwe installatie zou zijn behandeld. In dat laatste geval moet de gehele installatie voldoen aan de eisen voor bestaande installaties.

Bestaande installaties moeten uiterlijk op 31 oktober 2007 voldoen aan de emissiegrenswaarden die in de artikelen 3 en 4 van het besluit zijn genoemd. Indien degene die de inrichting drijft, kiest voor het toepassen van het reductieprogramma van bijlage IIb, dan dient hij de inrichting uiterlijk op 31 oktober 2005 bij het bevoegd gezag aan te melden.

Bestaande installaties waarin, bijvoorbeeld op basis van het Project koolwaterstoffen 2000 (KWS 2000), reeds nageschakelde technieken zijn geïnstalleerd, hoeven tot 1 april 2013 niet aan de emissiegrenswaarden van het besluit te voldoen, mits aan de in artikel 7 genoemde emissiegrenswaarden wordt voldaan en de totale emissie van de gehele installatie niet groter is dan wanneer aan alle eisen voor de emissiegrenswaarden in bijlage IIa van het besluit zou zijn voldaan.

3. Verhouding tot andere Nederlandse wetgeving

In het Besluit implementatie EEG-verbodsrichtlijn Wms, in welk besluit richtlijn nr. 96/55/EG van de Commissie van 4 september 1996 is omgezet, zijn met het oog op de bescherming van het milieu voorschriften gegeven met betrekking tot gechloreerde koolwaterstoffen. Genoemd besluit beperkt zich tot een specifiek aangeduide groep van stoffen, die niet onder de werkingssfeer van het onderhavige besluit valt.

Ook het Besluit vluchtige organische stoffen Wms vertoont enige samenloop met het onderhavige besluit. Dit besluit strekt tot het doelmatiger omgaan met lak of verf bij het bedrijfsmatig spuiten van verf en lak. Met het oog hierop zijn regels gesteld met betrekking tot de deskundigheid van personen die beroepsmatig verf of lak spuiten en aan de overdracht – dat wil zeggen hoeveel procent van de verspoten lak of verf op het object terechtkomt – van hoogrendement luchtspuitapparatuur waarmee verf of lak wordt verspoten. Een en ander om de uitworp van VOS te beperken.

Voorts bestaat er enige samenloop tussen het onderhavige besluit en het Besluit tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit. In dit wijzigingsbesluit is onder meer een algemene vervangingsplicht voor VOS opgenomen ter preventie van het Organisch Psychosyndroom (OPS). OPS is een ernstige aandoening van het zenuwstelsel die kan worden veroorzaakt door beroepsmatige blootstelling aan te hoge concentraties VOS, waarvan er vele worden toegepast als oplosmiddel. Op basis van dit wijzigingsbesluit zal het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid door middel van ministeriële regelingen sectoren en werkzaamheden aanwijzen waarvoor de vervangingsplicht gaat gelden. Er zijn (ontwerp-) ministeriële regelingen gemaakt voor de bouw (schilders), de branche van tapijt- en vloerleggers, de grafische industrie en autospuiterijen. Voor een aantal andere sectoren, zoals de scheepsbouw, de metaalnijverheid, de hout-, meubel- en timmerindustrie en de leer- en lederwarenindustrie, wordt bekeken of een vervangingsplicht voor VOS voor bepaalde werkzaamheden mogelijk is.

4. Bedrijfs- en milieueffecten

4.1 Bedrijfseffecten

Het onderhavige besluit heeft gevolgen voor de in onderstaande tabel aangegeven inrichtingen.

CatActiviteitTotaal per categorie
1Heatsetrotatie-offsetdruk23
2Illustratiediepdruk3
3Andere rotatiediepdruk, flexografie, (Verpakkingsdruk), Rotatiezeefdruk, lamineer- of lakeenheden80
 Rotatiezeefdruk op textiel/karton 
4Oppervlaktereiniging met stoffen waar één of meer van de R-zinnen R40, R45, R46, R49, R60 en R61 aan zijn toegekend800
5Overige oppervlaktereinigingEnkele
6Coating voertuigen (<15 ton) en overspuiten voertuigen, Auto's, vrachtwagens (nieuw), autobusfabrieken2 500
7Bandlakken3
8Andere coatingprocessen, waaronder metaal-, kunststof-, textiel-, film- en papiercoating150
9Coating van wikkeldraad2
10Coating van hout120
11Chemisch reinigen600
12Impregneren van hout30
13Coating van leer30
14Fabricage van schoeisel2
15Lamineren van hout en kunststofGeen
16Het aanbrengen van een lijmlaag2
17Vervaardiging van coating-preparaten, lak, inkt en kleefstoffen100
18Bewerking van rubber50
19Extractie van plantaardige oliën en van dierlijke vetten en raffinage van plantaardige oliën4
20Vervaardiging van geneesmiddelen5

Bij veel activiteiten, die onder het besluit vallen, gaat het om grote inrichtingen. In een aantal gevallen is de drempelwaarde van het oplosmiddelenverbruik, zoals genoemd in bijlage IIa, zodanig dat ook kleine inrichtingen onder het besluit zullen vallen. Om aan te kunnen tonen dat kleine inrichtingen, wat het oplosmiddelenverbruik betreft, onder deze drempelwaarden blijven, kunnen deze inrichtingen volstaan met een eenvoudige oplosmiddelenboekhouding.

Gegeven het feit dat het onderhavige besluit strekt tot omzetting van de richtlijn, welke richtlijn voor alle lidstaten van de Europese Unie geldt, zal in de lidstaten eenzelfde regime gaan gelden. Het onderhavige besluit kent een strikte omzetting van de richtlijn, waardoor in ons land geen strengere eisen zullen gelden dan die de richtlijn oplegt.

Ervan uitgaande dat de richtlijn ook in de andere lidstaten van de Europese Unie strikt zal worden omgezet, zullen de bedrijven binnen de Europese Unie, die onder de richtlijn vallen, op gelijke wijze worden belast. Er zijn dan ook niet of nauwelijks gevolgen te verwachten voor de concurrentiepositie van die bedrijven binnen de Europese Unie.

4.2 Milieueffecten

Verwacht wordt dat de richtlijn, nadat deze is omgezet, in de lidstaten een gemiddelde reductie van VOS van circa zevenenzestig % voor de betrokken bedrijven zal teweegbrengen. Aangezien de uit de richtlijn in het onderhavige besluit overgenomen grenswaarden leiden tot maatregelen die grotendeels gedekt worden door het project KWS 2000, dat sinds 1989 in Nederland van kracht is, zal de extra reductie van VOS als direct gevolg van de omzetting van de richtlijn in het onderhavige besluit in ons land gering zijn.

5. Uitvoering en handhaving

De voorschriften van dit besluit werken rechtstreeks. Dit betekent dat degene die een inrichting drijft, waarin zich een installatie als bedoeld in dit besluit bevindt, zelf verantwoordelijk is voor het – zo nodig – aanpassen van die installatie opdat aan de voorgeschreven emissiegrenswaarde wordt voldaan. Het voldoen aan de voorschriften van dit besluit is derhalve niet eerst aan de orde nadat de milieuvergunning is aangepast. Voorschriften van een milieuvergunning, die in strijd zijn met de voorschriften van dit besluit, blijven dan ook buiten toepassing, omdat laatstbedoelde voorschriften van hogere orde zijn.

Nu de verantwoordelijkheid voor het nakomen van de voorschriften van dit besluit berust bij degene die de inrichting drijft, waarin zich een installatie als bedoeld in dit besluit bevindt, zal het bevoegde gezag in het kader van het toezicht op de naleving van dit besluit dienen na te gaan of zo'n installatie aan de voorgeschreven emissiegrenswaarde voldoet. Uit een globale inventarisatie is gebleken, dat de technische voorschriften in de vergunningen van, naar schatting, enkele tientallen inrichtingen buiten toepassing zullen blijven. De rechtstreekse werking van de voorschriften van dit besluit laat onverlet de wenselijkheid om de vergunningen, waarvan voorschriften buiten toepassing blijven, zodanig te wijzigen dat de vergunningvoorschriften in overeenstemming zijn met de voorschriften van dit besluit.

Om het bevoegd gezag te ondersteunen bij de uitvoering van de taken voortvloeiend uit dit besluit en om de verschillende bedrijfstakken op maat te informeren over de consequenties van dit besluit zullen voor de verschillende activiteiten informatiebladen worden opgesteld. In deze informatiebladen zullen aspecten als werkingssfeer (welke activiteiten, welke drempelwaarde), emissie-eisen, toepassing reductieprogramma, oplosmiddelenboekhouding en meet-, controle- en registratieverplichtingen nader worden uitgewerkt. Naast de activiteit-specifieke informatiebladen zullen over een aantal algemene onderwerpen activiteit-overstijgende informatiebladen worden samengesteld. InfoMil, het Informatiecentrum Milieuvergunningen, zal deze informatiebladen in samenwerking met vertegenwoordigers van het bevoegd gezag en het bedrijfsleven opstellen. Naast het uitbrengen van schriftelijke informatie bestaat het voornemen inrichtingen en bevoegde gezagen door middel van regionale bijeenkomsten te informeren over dit besluit.

Met het oog op de handhaving van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften is degene die een inrichting als bedoeld in dit besluit drijft, verplicht (periodiek) metingen of controles uit te voeren. Ten aanzien van deze verplichting zullen bij ministeriële regeling nadere voorschriften worden gegeven. Die nadere voorschriften zullen aansluiten bij het daaromtrent gestelde in de NeR.

Van belang is voorts dat het bevoegd gezag een actieve houding inneemt ten aanzien van de vervanging van de in artikel 4, tweede lid, bedoelde risicovolle organische oplosmiddelen door minder schadelijke stoffen.

Om aan te tonen dat een inrichting aan de emissiegrenswaarden, het reductieprogramma of aan krachtens het besluit toegestane uitzondering voldoet, moet een inrichting een zogeheten oplosmiddelenboekhouding bijhouden. Omtrent de inrichting van deze boekhouding zullen bij ministeriële regeling nadere voorschriften worden gegeven. Bij het opstellen van die nadere voorschriften zullen de richtsnoeren voor een oplosmiddelenboekhouding, opgenomen in bijlage III, behorende bij de EG-VOS-richtlijn, worden betrokken. Bovendien zal bij die nadere voorschriften rekening worden gehouden met het soort inrichting, waarop die voorschriften betrekking hebben.

Het bevoegd gezag moet de uit de boekhouding voortvloeiende gegevens beoordelen op de vraag of aan de eisen van het besluit wordt voldaan. Daarnaast moet het bevoegd gezag de gegevens aanbieden aan de Inspectie Milieuhygiëne die deze na aggregatie omzet in een verslag over de uitvoering van de richtlijn in Nederland. Zie hierover verder in paragraaf 6.

Van beide, hierboven bedoelde ministeriële regelingen, zullen de administratieve lasten die de regelingen met zich brengen in beeld gebracht worden. Pas in die fase is duidelijk wat de administratieve lasten zijn. Hierbij moet worden bedacht dat deze lasten rechtstreeks voortvloeien uit de richtlijn, maar bij het maken van de regelingen zal – om administratieve lasten voor inrichtingen zoveel mogelijk te beperken – waar mogelijk worden aangesloten bij bestaande systemen.

Nu het besluit is gestoeld op de Wm, gelden in het kader van de handhaving van het besluit de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke voorschriften van hoofdstuk 18 van die wet en in het verlengde daarvan de relevante artikelen van de Wet op de economische delicten. Dit houdt in dat het bestuursrechtelijke of strafrechtelijke spoor wordt gevolgd in geval van overtreding van de voorschriften van het besluit. Bij een direct gevaar voor de volksgezondheid moet de activiteit worden opgeschort en moet de Inspecteur worden geïnformeerd.

6. Verslaglegging

Op grond van artikel 11 van de richtlijn zijn de lidstaten verplicht eenmaal per drie jaar aan de Europese Commissie verslag uit te brengen over de uitvoering van de richtlijn in de desbetreffende lidstaat. De Commissie zal een vragenlijst opstellen of een schema uitwerken op basis waarvan het verslag kan worden gemaakt. Deze vragenlijst of dit schema zal zes maanden voor het begin van de verslagperiode aan de lidstaten worden toegezonden. Het verslag moet vervolgens binnen negen maanden na de periode van drie jaar, waarop het betrekking heeft, aan de Commissie worden aangeboden. De lidstaten moeten het verslag daarnaast publiceren op het tijdstip dat dit aan de Commissie wordt aangeboden.

Het eerste verslag zal gaan over de periode april 2001–april 2004.

Ten einde aan deze verplichting te kunnen voldoen, is in het besluit voorzien in de verplichting dat degene die een inrichting als bedoeld in dit besluit, drijft een aantal essentiële gegevens verstrekt. De informatie die op basis daarvan in de nationale verslagen is opgenomen, moet voldoende representatieve gegevens bevatten om aan te tonen dat de artikelen 5 en 6 van de richtlijn in de lidstaten op afdoende wijze zijn omgezet. Het Ministerie van VROM verzamelt daartoe de door het bevoegd gezag gevalideerde gegevens en aggregeert deze op een wijze die afhankelijk is van de aard van de vragenlijst of het schema, zoals dat door de Commissie zal worden uitgewerkt.

7. Voorpublicatie

Op grond van artikel 1:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het ontwerpbesluit niet in de Staatscourant bekendgemaakt. In dat artikellid is bepaald dat, indien door een bestuursorgaan ingevolge enig wettelijk voorschrift van het ontwerp van een besluit kennis moet worden gegeven alvorens een zodanig besluit kan worden genomen, dat voorschrift niet geldt indien het voorgenomen besluit uitsluitend strekt tot uitvoering van een bindend besluit van de Raad of de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Van een zodanig bindend besluit is in het onderhavige geval sprake. Het achterwege mogen blijven van de voorpublicatie geldt onder meer niet voor die situatie dat een zodanig bindend besluit wordt omgezet bij ministeriële regeling als bedoeld in onder meer artikel 21.6, zesde lid, van de Wm.

II. Artikelsgewijs

Artikel 1

Eerste lid

Onderdeel c

De definitie van installatie is gelijk aan de definitie van richtlijn nr. 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEG L 257), de zogeheten IPPC-richtlijn die naar nationaal recht is omgezet in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Dit betekent dat alle activiteiten, zoals genoemd in bijlage IIa, die binnen één inrichting plaatsvinden als één installatie worden beschouwd.

Artikel 4 van het onderhavige besluit bevat bijzondere bepalingen voor het geval twee of meer activiteiten die onder dit besluit vallen binnen dezelfde inrichting worden uitgevoerd.

Onderdeel d en tweede lid

Een bestaande installatie is een installatie die vóór de inwerkingtreding van dit besluit

– over een vergunning in het kader van de Wm beschikt,

– die is gemeld overeenkomstig artikel 8.41 van de Wm, of

– waarvoor naar de mening van het bevoegd gezag een volledige aanvraag om vergunning ingevolge de Wm is ingediend,

en tenminste binnen een jaar na inwerkingtreding van dit besluit in gebruik is genomen. Ook hier gaat het om installaties die behoren tot een inrichting in de zin van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.

In het tweede lid, wordt het begrip «bestaande installatie» uitgebreid. Indien een installatie een belangrijke wijziging heeft ondergaan, wordt het deel van de installatie dat de belangrijke wijziging ondergaat, aangemerkt als bestaande installatie, mits de totale emissies van de gehele installatie niet hoger zijn dan is toegestaan, indien dat deel een nieuwe installatie zou zijn.

Onderdeel e

Het begrip «kleine installatie» is alleen geïntroduceerd als hulpmiddel bij het beoordelen of een wijziging binnen een installatie moet worden beschouwd als belangrijke wijziging.

Voor de activiteiten 1 en 3 (grafische industrie), 4 en 5 (oppervlaktereiniging), 8, 10, 13 en 16 (coatingprocessen) en 17 (vervaardiging van coatings, lakken, inkten en kleefstoffen betekent dit een installatie waarvan het oplosmiddelenverbruik in de laagste bandbreedte voor de drempelwaarde valt (zie bijlage IIa).

Bijvoorbeeld: een installatie waar hout gecoat wordt, is een kleine installatie als het oplosmiddelenverbruik tussen de vijftien en twintig ton per jaar ligt.

Voor de overige activiteiten wordt een installatie als klein beschouwd wanneer het oplosmiddelenverbruik lager is dan tien ton per jaar.

Onderdeel f

De definitie van «belangrijke wijziging» geeft aan wanneer er sprake is van een belangrijke wijziging. In dit verband wordt voor een installatie die onder de IPPC-richtlijn valt, verwezen naar de definitie van «een belangrijke wijziging» van de IPPC-richtlijn. De IPPC-richtlijn is naar nationaal recht omgezet in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Er zijn installaties die onder zowel het onderhavige besluit vallen als de IPPC-richtlijn. Dat zijn installaties voor de oppervlaktebehandeling van stoffen, voorwerpen of producten (appreteren, bedrukken, coaten, ontvetten, vochtdicht maken, lijmen, verven, reinigen of impregneren) met een verbruikscapaciteit van meer dan honderdenvijftig kilogram oplosmiddel per uur of meer dan tweehonderd ton per jaar (Categorie 6.7, Bijlage 1 van de IPPC-richtlijn).

Voor deze installaties is een belangrijke wijziging een wijziging in de exploitatie, die volgens de bevoegde autoriteit negatieve en significante effecten kan hebben op mens en milieu (artikel 2 van de IPPC-richtlijn).

Onderdeel j

Onder diffuse emissies worden alle emissies verstaan die niet via een afgaskanaal worden afgevoerd. Het gaat hierbij om emissies via ramen, deuren en ontluchtingen, emissies naar bodem en water en ook de resten oplosmiddel die zich in het product bevinden. Oplosmiddelen die een wezenlijk onderdeel van het product vormen, zoals bij verven (zie ook bijlage IIa), oplosmiddelen die in een waterzuivering worden afgebroken en oplosmiddelen in ingezameld afval worden niet tot de diffuse emissie gerekend.

Onderdeel l

De totale emissie komt overeen met de emissie in afgassen (gekanaliseerde emissies) tezamen met de diffusie emissies.

Onderdeel m

In het besluit zijn emissiegrenswaarden uitgedrukt als:

– totale jaarlijkse (diffuse) emissie, uitgedrukt als percentage van de oplos-middeleninput in ton per jaar,

– maximale afgasconcentratie, uitgedrukt in milligram oplosmiddel per standaard kubieke meter (voor stoffen zoals genoemd in artikel 4, tweede tot en met vierde lid, de zogenaamde R-zin-stoffen) of in milligram C per standaard kubieke meter voor overige stoffen), en

– maximale emissie per hoeveelheid product (bijvoorbeeld voor het impregneren van hout: in kilogram oplosmiddel per kubieke meter behandeld hout).

Onderdeel q

Organische stoffen worden als vluchtig beschouwd als deze bij een temperatuur van 293,15 K (=20°C) een dampspanning van 0,01 kPa of hoger hebben, of als deze stoffen tijdens het proces (bijvoorbeeld door verwarming) een dergelijke dampspanning hebben. Het gaat in het onderhavige besluit om stoffen die door hun specifieke eigenschappen of door de manier waarop ze gebruikt worden tijdens het proces in de atmosfeer terechtkomen.

Onderdeel r

Vluchtige organische stoffen die tijdens het proces een reactie ondergaan, zijn geen oplosmiddel. Dit is ook de reden dat bijvoorbeeld de chemische procesindustrie buiten het toepassingsgebied van de richtlijn en daarmee van dit besluit valt.

Onderdeel x

Het verbruik van organische oplosmiddelen kan worden vastgesteld door uit te gaan van de jaarlijkse ingekochte hoeveelheid oplosmiddelen, die in het proces wordt ingezet. Teruggewonnen oplosmiddelen die opnieuw in het proces worden ingezet, hebben geen invloed op het verbruik, zij het dat teruggewonnen oplosmiddelen die niet opnieuw in het proces worden ingezet maar bijvoorbeeld worden verkocht, in mindering moeten worden gebracht op de jaarlijks ingekochte hoeveelheid om het verbruik te bepalen.

De drempelwaarden die als ondergrens voor de werkingssfeer van dit besluit zijn vastgesteld, worden uitgedrukt in oplosmiddelenverbruik per jaar.

Voor nieuwe installaties moet het verbruik geraamd worden aan de hand van het nominale vermogen, waaruit blijkt met welke omvang de installatie is ontworpen.

Onderdeel y

De jaarlijkse input van oplosmiddelen is gelijk aan de jaarlijks ingekochte hoeveelheid oplosmiddelen, die in het proces wordt ingezet, vermeerderd met de jaarlijkse hoeveelheid teruggewonnen hoeveelheid oplosmiddelen, die opnieuw in het proces wordt gebruikt.

Het begrip input geeft een indicatie van de omvang van een proces (hoeveel oplosmiddelen gaat er om in het proces) en is de basis voor de diffuse emissiegrenswaarden en sommige totale emissiegrenswaarden.

Onderdeel z

Er wordt onderscheid gemaakt tussen:

a. De jaarlijkse hoeveelheid teruggewonnen oplosmiddel, die in het proces wordt hergebruikt, en

b. de jaarlijkse hoeveelheid voor hergebruik teruggewonnen oplosmiddelen, die niet in het proces wordt gebruikt, maar bijvoorbeeld verkocht wordt.

De verwijdering van teruggewonnen oplosmiddel als afval wordt niet als hergebruik beschouwd.

Artikel 2

Dit artikel geeft het toepassingsgebied aan van het onderhavige besluit. Dit besluit geldt voor vergunningplichtige inrichtingen, waarop de Wm betrekking heeft, waarbinnen zich een installatie als bedoeld in artikel 1, onderdelen c, d, en e, van dit besluit bevindt. Uitgezonderd zijn niet-vergunningplichtige inrichtingen voor welke inrichtingen algemene maatregelen van bestuur als bedoeld in artikel 8.40 Wm, gelden.

De voorschriften van het onderhavige besluit werken rechtstreeks. Dit betekent dat degene die een inrichting drijft, waarin zich een installatie als bedoeld in dit besluit bevindt, zelf verantwoordelijk is voor het voldoen aan dit besluit, alsmede aan de vergunningvoorschriften. Vergunningvoorschriften die in strijd zijn met dit besluit blijven dan ook automatisch buiten toepassing.

Artikelen 3 en 4

In deze artikelen zijn de eisen opgenomen waar nieuwe installaties aan moeten voldoen. Voor bestaande installaties treden deze artikelen met ingang van 31 oktober 2007 in werking. Deze eisen zijn onder meer afhankelijk van de aard en omvang van de verrichte activiteit(en).

Er zijn drie typen emissie-eisen:

a. emissiegrenswaarden (concentratie-eis);

b. grenswaarden voor diffuse emissie (percentage van oplosmiddelenverbruik), en

c. de totale emissiegrenswaarden (percentage van oplosmiddelenverbruik of productiegerelateerde emissie-eis).

Een installatie moet voldoen aan of de totale emissiegrenswaarde of de emissiegrenswaarde en de diffuse emissiegrenswaarde. Aan de emissiegrenswaarde kan in veel gevallen slechts worden voldaan door nabehandelingsapparatuur toe te passen. Omdat de voorkeur uitgaat naar zo'n brongerichte aanpak, is daarnaast in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, de mogelijkheid opgenomen om een reductieprogramma te volgen. Dat programma moet de emissie in dezelfde mate beperken als door toepassing van de emissiegrenswaarden zou gebeuren. Een dergelijk reductieprogramma moet degene die een inrichting als bedoeld in dit besluit drijft, speciaal voor zijn inrichting ontwerpen. Als gebruik gemaakt wordt van een reductieprogramma moet uit de oplosmiddelenboekhouding blijken dat aan de eisen wordt voldaan. In bijlage IIb is het reductieprogramma nader toegelicht. Uitgangspunt is, dat de ontwikkeling en de toepassing van VOS-arme producten niet mag worden gefrustreerd door eisen met betrekking tot afgassen. Milieuhygiënisch gezien heeft het voorkomen van emissies de voorkeur boven het bestrijden van emissies en hebben procesgeïntegreerde maatregelen de voorkeur boven nageschakelde technieken.

Het volgen van een reductieprogramma heeft een aantal voordelen boven het door het toepassen van nageschakelde technieken voldoen aan de eisen van dit besluit, te weten:

– op termijn zijn de kosten voor het vervangen van oplosmiddelrijke producten door oplosmiddelarme alternatieven vaak lager dan de kosten bij het toepassen van nageschakelde technieken (afschrijving en onderhoud van de bestrijdingsapparatuur, energiekosten, kosten van metingen);

– als geen nabehandelingsapparatuur wordt toegepast, dan kan op basis van een oplosmiddelenboekhouding getoetst worden of aan de eisen wordt voldaan;

– veel inrichtingen hebben al een start gemaakt met het uitvoeren van een reductieprogramma.

Voor het volgen van een reductieprogramma is het noodzakelijk dat er oplosmiddelarme alternatieven beschikbaar zijn of dat er mogelijkheden zijn om emissiearme applicatietechnieken dan wel goede huisvaderschapsmaatregelen toe te passen.

In het vierde en het vijfde lid van artikel 3 zijn bepalingen opgenomen voor die activiteiten, waar de vrijkomende VOS niet beheerst kunnen worden afgevangen en uitgestoten. Bij situaties waarin het onmogelijk is om de vrijkomende VOS bij de bron af te zuigen (in dat geval is er dus geen gekanaliseerde emissie waaraan emissiegrenswaarden kunnen worden gesteld) kan worden afgeweken van de emissiegrenswaarden van bijlage IIA. In deze gevallen moet het reductie- programma worden gevolgd. Dit betekent dat met brongerichte maatregelen, zoals het gebruik van VOS-arme producten, een emissiereductie moet worden bereikt.

In artikel 4 zijn onder andere eisen opgenomen voor activiteiten waar gebruik wordt gemaakt van stoffen waaraan een of meer van de genoemde risicozinnen is of zijn toegekend. Deze toekenning geschiedt op basis van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten. In artikel 2 van deze nadere regels wordt bepaald dat de verwijzing naar de bijzondere aan het gebruik van een bepaalde stof verbonden gevaren dient te worden vastgesteld overeenkomstig het terzake bepaalde in de stoffenrichtlijn (richtlijn 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en de kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196)). Voor stoffen of preparaten, die zijn aangeduid met R45 (kan kanker veroorzaken), R46 (kan erfelijke genetische schade veroorzaken), R49 (kan kanker veroorzaken bij inademing), R60 (kan de vruchtbaarheid schaden) of R61 (kan het ongeboren kind schaden) geldt, dat deze op zo kort mogelijke termijn moeten worden vervangen door minder schadelijke stoffen of preparaten. Daarnaast geldt op grond van het derde lid een aparte emissie-eis voor deze stoffen, die verder gaat dan de emissie-eisen uit bijlage IIa. Voor gehalogeneerde VOS, waar de risicozin R40 (onherstelbare effecten zijn niet uitgesloten) aan is toegekend, gelden op grond van het vierde lid van artikel 4 aparte emissie-eisen. Deze emissie-eisen moeten in acht worden genomen, ook wanneer gebruik wordt gemaakt van een reductieprogramma.

Daarnaast is in het vijfde lid van dit artikel bepaald, dat de emissie van VOS in deze gevallen beheerst moet worden afgevangen en uitgestoten, tenzij dat technisch of economisch niet mogelijk is. Deze bepaling komt erop neer, dat deze stoffen niet als diffuse emissie mogen vrijkomen, voor zover dit technisch en economisch haalbaar is. Het bevoegd gezag zal in deze gevallen moeten afwegen welke maatregelen redelijkerwijs kunnen worden getroffen.

Artikel 5

Dit artikel heeft betrekking op bestaande installaties. Blijkens artikel 1, onderdeel d, wordt onder een bestaande installatie verstaan: een installatie in bedrijf binnen een inrichting waarvoor vóór de inwerkingtreding van dit besluit vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wm, is verleend of die gemeld is overeenkomstig artikel 8.41 van de wet of waarvoor naar het oordeel van het bevoegd gezag een volledige aanvraag om een vergunning is ingediend, mits de installatie uiterlijk een jaar na de inwerkingtreding van het onderhavige besluit in gebruik wordt genomen. Tevens is van belang artikel 1, tweede lid, waarin een uitbreiding van het begrip «bestaande installatie» wordt gegeven. Indien een installatie een belangrijke wijziging heeft ondergaan, wordt het deel van de installatie dat de belangrijke wijziging ondergaat, aangemerkt als bestaande installatie, mits aan een bepaalde, in dat onderdeel opgenomen, emissie-eis wordt voldaan. Deze installaties en daarmee de inrichtingen waarbinnen die installaties zich bevinden, moeten uiterlijk op 31 oktober 2007 aan de eisen die voor een nieuwe installatie gelden (artikelen 3 en 4), voldoen. Heeft degene die de inrichting drijft voor het reductieprogramma gekozen, dan zal hij de inrichting vóór 31 oktober 2005 moeten aanmelden bij het bevoegd gezag. Daarbij zullen ook de voorschriften van het Inrichtingenen vergunningenbesluit milieubeheer, meer in het bijzonder artikel 5, in acht moeten worden genomen. In die voorschriften is ook richtlijn nr. 96/61/EEG, de zogeheten IPPC-richtlijn, naar nationaal recht omgezet.

Artikel 7

Dit artikel geeft voor bestaande installaties, die zijn voorzien van nabehandelingsapparatuur, een vrijstellingsregeling van de voorgeschreven emissiegrenswaarden. Er moet dan wel sprake zijn van een uitstoot van VOS die niet hoger is dan is aangegeven in dit artikel.

Artikel 9

De richtlijn biedt elke lidstaat de mogelijkheid om, naast het overnemen van de eisen uit de richtlijn, nationale voorschriften vast te stellen die leiden tot het realiseren van het doel van de richtlijn. Van deze mogelijkheid is in dit artikel gebruik gemaakt met de verwijzing naar de NeR. De NeR bevat VOS-maatregelen, die voorheen onderdeel uitmaakten van de in het kader van het project KWS 2000 gemaakte afspraken met het bedrijfsleven. In het project KWS 2000, is de voorkeur gegeven aan een brongerichte aanpak bij het behalen van een emissiereductie. De VOS-maatregelen in de NeR vormen deels een mogelijke invulling van een deel van het reductieprogramma. De verplichting om aan te tonen in hoeverre met de VOS-maatregelen aan de vereisten van dit besluit kan worden voldaan, blijft. In de informatiebladen, zoals genoemd in paragraaf 6, is hierop nader ingegaan.

Op grond van in de NeR genoemde maatregelen kan worden voldaan aan onder meer de voorgeschreven emissiegrenswaarden. Het eerste lid kent het bevoegd gezag de bevoegdheid toe om zodanige maatregelen op te leggen indien het van oordeel is dat de door degene die een inrichting als bedoeld in dit besluit drijft of de aanvrager van de vergunning, genomen onderscheidenlijk gekozen maatregelen niet leiden tot het voldoen aan de voorgeschreven emissiegrenswaarden.

In het kader van de nadere voorschriften, bedoeld in het tweede lid, zal in elk geval worden aangegeven om welke uitgave van de NeR het gaat dan wel om welke voorschriften van die NeR het gaat die het bevoegd gezag kan opleggen. Op deze manier kan snel worden ingespeeld op eventuele wijzigingen van de NeR zonder dat sprake is van een dynamische verwijzing naar de NeR.

Artikel 10

In dit artikel is neergelegd in welke gevallen degene die een inrichting als bedoeld in dit besluit drijft, verplicht is continue controles dan wel periodieke metingen uit te voeren ten einde vast te stellen dat de voorgeschreven emissiegrenswaarden niet worden overschreden. Onder periodieke metingen wordt ook verstaan het meten van één of meer emissierelevante parameters waarmee kan worden aangetoond dat aan de emissiegrenswaarden wordt voldaan. Bij ministeriële regeling zullen terzake nadere voorschriften worden gegeven. Deze nadere voorschriften zullen aansluiten op de regels die daaromtrent zijn neergelegd in de NeR.

Artikel 11

De in bijlage III van de richtlijn opgenomen richtsnoeren voor het voeren van een oplosmiddelenboekhouding zijn algemeen geformuleerd. Hierdoor moeten de precieze vereisten aan een oplosmiddelenboekhouding per activiteit nader worden uitgewerkt. Bij ministeriële regeling zullen nadere voorschriften over deze oplosmiddelenboekhouding worden opgenomen. Daarbij zullen de eisen die aan een dergelijke boekhouding worden gesteld, worden afgestemd op de aard en de omvang van de verschillende activiteiten. In de informatiebladen, zoals genoemd in paragraaf 5, is in zowel algemene zin als per activiteit op dit instrument ingegaan.

Ten aanzien van de openbaarheid van de oplosmiddelenboekhouding gelden de voorschriften van hoofdstuk 19 van de Wm. Dit betekent dat de oplosmiddelenboekhouding toegankelijk is voor het publiek met inachtneming van beperkingen die bij of krachtens wet zijn gegeven ten aanzien van de redenen op grond waarvan de overheid kan weigeren informatie te verstrekken, waaronder de vertrouwelijkheid van bedrijfs- en handelsgegevens.

Artikel 13

Zodra degene die een inrichting als bedoeld in dit besluit, drijft op basis van een controle of meting constateert dat niet meer aan de eisen van het onderhavige besluit wordt voldaan, zal hij direct maatregelen moeten nemen om die overtreding op te heffen. Mocht er sprake zijn van gevaar voor de menselijke gezondheid bij zodanige overtreding, dan zal de uitvoering van de desbetreffende activiteit in de installatie moeten worden opgeschort. De verantwoordelijkheid daartoe ligt in eerste instantie bij degene die een inrichting als bedoeld in dit besluit, drijft. Daarnaast kan het bevoegd gezag op grond van de Wm in zodanig geval de opschorting van die activiteit opleggen.

Artikel 14

Het eerste lid regelt de verplichting van degene die een inrichting als bedoeld in dit besluit, drijft om bepaalde gegevens te verstrekken aan het bevoegd gezag, opdat dat gezag kan vaststellen dat aan de eisen van dit besluit wordt voldaan.

Deze verplichting geldt niet voor de houders van inrichtingen die reeds op grond van 12.4 van de wet verplicht zijn deze gegevens op te nemen in het milieuverslag ten behoeve van het bevoegd gezag. Het Besluit milieuverslaglegging geeft aan om welke categorieën van inrichtingen het gaat alsmede welke gegevens in het milieuverslag moeten worden opgenomen.

De bij ministeriële regeling aan te geven gegevens die degene die een inrichting als bedoeld in dit besluit drijft, moet verstrekken aan het bevoegd gezag, waarop het tweede lid betrekking heeft, zullen met name zijn gericht op de aan de Europese Commissie te verstrekken informatie, zoals beschreven in paragraaf 6 van deze toelichting.

Artikel 15

Dit artikel regelt de doorgeleiding van, door degene die een inrichting als bedoeld in dit besluit drijft, verstrekte gegevens die nodig zijn om te kunnen voldoen aan de verplichting om aan de Europese Commissie verslag uit te brengen over de werking van het onderhavige besluit. Het bevoegd gezag kan enkel verplicht worden tot het doorzenden van gegevens die het reeds in bezit heeft. Artikel 8.44 Wm biedt geen basis voor het verzamelen van gegevens.

De gegevens die op grond van dit artikel door het bevoegd gezag met het oog op de verslaglegging aan de Europese Commissie moeten worden verstrekt aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer met het oog op diens verslaglegging aan de Europese Commissie, zijn ingevolge hoofdstuk 19 van de Wm toegankelijk voor het publiek met inachtneming van beperkingen die bij of krachtens wet zijn gegeven ten aanzien van de redenen op grond waarvan de overheid kan weigeren informatie te verstrekken, waaronder de vertrouwelijkheid van bedrijfs- en handelsgegevens.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. P. Pronk

BIJLAGE, behorende bij de nota van toelichting bij het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer

Transponeringstabel

RichtlijnOplosmiddelenbesluit
ArtikelLidArtikelLid
1
211c
221d
231e
241f
251
262
271g
283
291i
2101j
2111k
2121l
2131m
2141n
2151o
2161p
2171q
2181r
2191s
2201t
2211u
2221v
2231w
2241x
2251y
2261z
2271aa
2281ab
2291ac
2303 44 5
2311ad
2321ae
2331af
31
32
41 5 10 112 – 7 3
51
52331
53a32/3
53b34/5
5436
5541
5642/5
5743
5844/5
5946
51061
5117
51281 + 2
513
6
7
81141
82101
83102
84104
85
91111 + 2
9212
93105
94106
95107
10131 + 2
11115
112142
113
1212
1222
1232
13
14
15116
152
16
17

1 Zie definitie in Wet milieubeheer.

2 Zie Wet milieubeheer in samenhang met Algemene wet bestuursrecht.

3 Onderdeel b is tevens geïmplementeerd in: Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer; Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer; Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer.


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 10 april 2001, nr. 71.

XNoot
1

PB L 42 van 23.2.1970, blz. 1.

Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/27/EG (PB L 233 van 25.8.1997, blz. 1).