Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-200922112 nr. 766

22 112
Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

nr. 766
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 januari 2009

Tijdens het Algemeen Overleg op 2 december jl. over de milieuraad heb ik u informatie toegezegd over de gevolgen van het voorstel voor herziening van de IPPC-richtlijn (22 112 nr. 608, fiche nr. 6) voor kleinere bedrijven. Met deze brief wil ik aan mijn toezegging voldoen. Ik zal in het bijzonder ingaan op de categorieën bedrijven die bij ongewijzigde vaststelling van het voorstel onder de richtlijn gaan vallen en de administratieve lasten van het voorstel voor het totaal aantal bedrijven.

Om de effecten voor Nederland van het voorstel voor herziening van de IPPC-richtlijn inzichtelijk te maken, heb ik drie studies laten uitvoeren. De eerste studie heeft de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid beoordeeld. In de tweede studie zijn de administratieve en bestuurlijke lasten geanalyseerd. De derde studie, waarvan binnenkort het eindrapport verschijnt, onderzoekt de consequenties voor de Nederlandse regelgeving. Per brief van 9 september 2008 (22 112 nr. 699) heb ik u over de resultaten van de studies geïnformeerd en de wijze waarop deze zijn betrokken bij de Nederlandse inzet. Hieronder zal ik het effect op de administratieve lasten nader toelichten.

Effecten voor kleinere bedrijven en betrokken categorieën bedrijven

Onder de huidige IPPC-richtlijn vallen ongeveer 2 500 bedrijven. Als het voorstel voor herziening van de IPPC-richtlijn ongewijzigd wordt vastgesteld, neemt het aantal bedrijven dat onder de richtlijn valt met 35% tot 70% toe. Onderstaande tabel illustreert dit. De nieuwe bedrijven zijn veelal kleinere bedrijven in de sectoren intensieve veehouderij, glastuinbouw (als gevolg van het onder de richtlijn brengen van kleinere stook-/verbrandingsinstallaties) en de afvalsector. Precieze aantallen zijn niet te geven, omdat informatie hierover beperkt beschikbaar is en omdat de tekst van het voorstel niet volledig duidelijk is.

Door de toename van het aantal bedrijven stijgen de administratieve lasten die toe te schrijven zijn aan de IPPC-richtlijn. De voor bedrijven merkbare stijging is echter beperkt, omdat veel van de verplichtingen uit de IPPC-richtlijn ook al gelden op grond van de Wet milieubeheer. Al deze bedrijven zijn namelijk reeds milieuvergunningplichtig en worden geacht beste beschikbare technieken toe te passen.

Neveneffect van de mogelijke uitbreiding van de reikwijdte is dat de betreffende bedrijven ook in de toekomst vergunningplichtig moeten blijven. De IPPC-richtlijn staat uitzondering van de vergunningplicht, zoals Nederland dat bijvoorbeeld kent bij het Activiteitenbesluit, niet toe.

Activiteiten onder de IPPC-richtlijn Nieuwe activiteit/type installatieHuidige situatie Minimale toenameMaximale toename
1.1 Energie industrie en glastuinbouwStookinstallaties 20–50 MW 72 (totaal energie industrie)200 400
1.4 Energie industrie Vergassen en vloeibaar maken van andere brandstoffen dan steenkool  1 2
2. Metaal industrie Gieten van non-ferro metalen 121 00
3. Minerale industrie  54 0 0
4. Zware chemische industrie  75 0 0
4. Lichte chemische industrie Fabricage van chemische producten voor gebruik als brandstof of smeermiddel 81 5 10
5.1 AfvalbeheerVerwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijk afval160(totaal afvalbeheer) 25 50
5.3c AfvalbeheerVoorbehandeling van ongevaarlijk afval voor meeverbranding 100 250
5.3d Afvalbeheer Behandeling van slakken en as  5 10
5.3e Afvalbeheer Behandeling van schroot 25 75
6.1 Papier- en kartonindustrie  29 00
6.2 Textiel- en kledingindustrie  10 0 0
6.4b Voeding- en genotmiddelenindustrie Verwerking en bewerking van een mengsel van dierlijke en plantaardige grondstoffen95 50 50
6.4c Zuivelindustrie  34 0 0
6.6. Intensieve veehouderij Intensieve pluimveehouderij1 689 (totaal intensieve veehouderij) 150 450
6.6 Intensieve veehouderij Intensieve gemengde veehouderijen («optelregel»)  300 400
6.9 Houtverwerkende industrieConservering van hout en houtproducten  15 15
Overige activiteiten  23 0 0
Totaal 2 4438761 712

Administratieve lasten voor het totaal aantal bedrijven

Als het voorstel ongewijzigd wordt vastgesteld nemen de administratieve lasten voor de bedrijven die onder richtlijn vallen met ongeveer 10% toe. Gemiddeld nemen de lasten per bedrijf met ongeveer €1 200 per jaar toe tot gemiddeld €13 700 per bedrijf per jaar (zie tabel).

Het overgrote deel (>90%) van de toename van de lasten wordt veroorzaakt door monitoring- en rapportageverplichtingen die Nederland nu niet kent. Het gaat in de eerste plaats om het eens per zeven jaar beoordelen van mogelijke bodem- en grondwaterverontreiniging (artikel 15.1d van het voorstel). In de tweede plaats gaat het om de voorgestelde jaarlijkse rapportage over naleving (artikel 8) en een jaarlijkse vergelijking van de prestaties van het bedrijf met de BREF’s (artikel 24).

De relatieve toename is het grootst bij de activiteiten met beperkte milieurisico’s, zoals houtverwerking, voedings- en genotmiddelenindustrie en minerale industrie (bijvoorbeeld keramische producten). Dit zijn veelal de kleinere bedrijven. Grote en complexe bedrijven, zoals chemische industrie en energiebedrijven, kennen nu al hoge eisen aan onder meer monitoring en rapportage. Voor deze bedrijven voegt het voorstel weinig nieuws toe.

Activiteiten onder de IPPC-richtlijn Lasten per bedrijf per jaar Toename per bedrijf per jaar
 HuidigVoorstel Absoluut %
Energie industrie € 60 800€ 63 700 € 2 900 5%
Metaal industrie€ 40 700 € 43 900 € 3 200 8%
Minerale industrie € 11 200 € 14 200 € 2 900 26%
Zware chemische industrie € 123 000 € 129 900€ 6 900 6%
Lichte chemische industrie € 51 100€ 55 300 € 4 200 8%
Afvalbeheer€ 22 900 € 25 800 € 2 900 13%
Papier- en kartonindustrie € 12 500 € 15 200 € 2 70022%
Textiel en kledingindustrie € 15 300€ 18 300 € 3 000 20%
Voeding- en genotmiddelenindustrie € 10 500 € 13 300€ 2 700 26%
Zuivelindustrie € 13 300€ 16 000 € 2 700 20%
Intensieve veehouderij€ 900 € 1 100 € 100 11%
Houtverwerkende industrie € 8 200 € 11 200 € 3 000 37%
Overige activiteiten € 6 500 € 9 000€ 2 400 37%
Gemiddeld€ 12 500€ 13 700 € 1 200 10%

Nederlandse inzet

In mijn brief van 9 september 2008 gaf ik u aan dat Nederland kritisch is over het onder de richtlijn brengen van nieuwe bedrijven. Ik verwacht daarvan voor Nederland weinig milieuverbeteringen, omdat voor deze bedrijven al andere nationale milieueisen (denk aan Wet milieubeheer) en Europese milieuregels (zoals afvalrichtlijnen en emissieplafonds) gelden. Bovendien beperkt het de mogelijkheden voor Lidstaten om via andere instrumenten milieuresultaten te boeken, bijvoorbeeld algemene regels en NOx-emissiehandel. De richtlijn zou zich moeten concentreren op bedrijven met de grootste milieudruk. Voor die bedrijven is de IPPC-richtlijn een doeltreffend instrument om emissiereducties te bereiken. Deze inzet deelt Nederland met veel andere Lidstaten.

In bovengenoemde brief meldde ik ook dat Nederland kritisch is over de uitbreiding van monitoring- en rapportageverplichtingen. Deze nieuwe verplichtingen leiden tot een onevenredige toename van lasten, terwijl de milieuvoordelen niet overtuigend zijn. Bestaande verplichtingen zijn voldoende, bijvoorbeeld de jaarlijkse milieujaarverslagen die grote bedrijven op grond van de Europese E-PRTR Verordening maken of reeds vereiste vergunningvoorwaarden om bodem- of grondwatervervuiling te voorkomen of bij incidenten te onderzoeken. Nederland wordt in het streven naar vereenvoudiging van de monitoring- en rapportageverplichtingen gesteund door vele Lidstaten. Het Franse voorzitterschap heeft inmiddels voorstellen gedaan om de rapportageverplichtingen te vereenvoudigen. Hierover wordt nog onderhandeld.

Het Europees Parlement lijkt vooralsnog minder kritisch over uitbreiding van de reikwijdte en monitoring- en rapportageverplichtingen. Na de stemming eind januari 2009 in de milieucommissie ontstaat meer duidelijkheid over de positie van het Europees Parlement. Naar verwachting wordt in de eerste helft van 2009 onder Tsjechisch voorzitterschap de eerste lezing afgerond. De Tsjechen zoeken de samenwerking met het Europees Parlement om te bezien of een Politiek Akkoord in eerste lezing haalbaar is.

Ik vertrouw erop dat ik u met bovenstaande voldoende heb geïnformeerd.

De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. M. Cramer