Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201832827 nr. 131

32 827 Toekomst mediabeleid

Nr. 131 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 29 augustus 2018

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media over een aantal brieven inzake media (Kamerstuk 32 827, nrs. 123, 125, 128, 129 en 130; Kamerstuk 24 095, nr. 435; Kamerstuk 32 820, nr. 222 en Kamerstuk 21 501-34, nr. 294) en een aantal brieven inzake journalistiek (Kamerstuk 32 827, nrs. 124, 126 en 127).

De vragen en opmerkingen zijn op 5 juli 2018 aan de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media voorgelegd. Bij brief van 27 augustus 2018 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Tellegen

De adjunct-griffier van de commissie, Bošnjaković

Inhoud

blz.

       

I

Vragen en opmerkingen uit de fracties

2

 

1.

Algemeen

2

 

2.

Een aantal brieven over media en journalistiek

2

II

Reactie Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media

21

 

1.

Algemeen

21

 

2.

Een aantal brieven over media en journalistiek

23

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

1. Algemeen

De leden van de fracties van de VVD, CDA, D66, GroenLinks, SP, PvdA, ChristenUnie, 50PLUS en DENK hebben kennisgenomen van een aantal brieven over media en journalistiek. Zij hebben hierover de volgende vragen en opmerkingen.

2. Een aantal brieven over media en journalistiek

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie zien dat de wereld om ons heen en ons kijkgedrag in hoog tempo verandert, met onder andere een structurele daling van de STER1-inkomsten tot gevolg. Het medialandschap moet zich in dat tempo aanpassen en dat is uitdagend. De leden steunen de Minister in zijn voorstel om het budget voor de landelijke publieke omroep met ingang van 2019 te verlagen. De NPO2 en de omroepen bevinden zich op een cruciaal punt. Wat de leden betreft, biedt dit kansen voor de publieke omroep om zich voor te bereiden op de toekomst. Dat betekent een toekomstbestendig NPO, met een focus op de kerntaken, en een duidelijk onderscheidend vermogen. Dat is wat de leden betreft de kracht van de NPO. Ook zal de NPO een transparanter beeld moeten presenteren van de kosten die zij maken. Het recente bericht in de media dat de top van de NPO de NSOB3 nadrukkelijk heeft gevraagd haar onderzoek genaamd «De waarde van de NPO in een veranderend medialandschap» niet openbaar te maken, draagt niet bij aan het beeld van een transparante NPO. Kan de Minister bevestigen dat het volledige onderzoeksrapport inmiddels toch openbaar is gemaakt?

Bij vorige debatten hebben de leden al twijfels geuit bij initiatieven als NPO Start Plus, terwijl er bijvoorbeeld door andere mediaspelers ook gewerkt wordt aan videoplatform NLZIET. Waarom zou je als NPO een applicatie ontwikkelen waarvoor je extra moet betalen, maar die qua kwaliteit en aanbod nooit kan concurreren met applicaties van commerciële bedrijven? De Raad voor Cultuur adviseert nadrukkelijk om de focus te leggen op NLZIET. Hoe kijkt de Minister naar dit advies en is hij bereid dit advies actief te betrekken bij de gesprekken met de NPO? Daarnaast zou de NPO mooie producten kunnen maken en verkopen aan een grote partij. De leden vragen de Minister om in de gesprekken die hij voert met de sector te bezien in hoeverre de publieke omroep kan samenwerken met commerciële zenders. Zijn hier aanpassingen voor de mediawet voor nodig?

Hoe kijkt de Minister naar het plan van aanpak dat de NPO heeft opgesteld om het tekort van circa € 62 miljoen door de teruglopende STER-inkomsten op te vangen? Wat de leden betreft was dit een mooie kans voor de NPO om nader in te gaan op de analyse waarom de STER-inkomsten gedaald zijn, hoe hier wel of niet tijdig op geanticipeerd is, een toelichting te geven op hoe de NPO de toekomst ziet en hoe men van plan is om een toekomstbestendig publieke omroep neer te zetten. Helaas ontbreekt deze context. Mist de Minister deze context ook? Is de Minister van plan om hierover het gesprek aan te gaan met de NPO?

De leden vinden dat meer transparantie over de uitgaven door de NPO kan bijdragen aan het publieke debat omtrent de diverse opties. Hoe kijkt de Minister hier naar? Is hij bereid het belang van voldoende transparantie over te brengen aan de NPO zodat draagvlak kan worden gevonden voor het te nemen besluit? In het plan van aanpak wordt gesproken over het verhogen van de STER-inkomsten. In hoeverre acht de Minister dit realistisch gezien het rapport van Ernst & Young dat concludeert dat de daling van structurele aard is? In verschillende media lezen de leden dat de NPO zou overwegen haar inkomsten te vergroten door programma’s achter een online betaalmuur te zetten of telecomaanbieders aanzienlijk meer te laten betalen voor de wettelijk verplichte doorgifte van NPO-kanalen via hun netwerken. Klopt het dat de belastingbetaler in dat geval drie keer voor de publieke omroep zou betalen; via de belasting, om programma’s online te bekijken en via een duurder televisieabonnement? Wat vindt de Minister hiervan?

Kan de Minister reflecteren op het plan dat NTR4-directeur Paul Römer heeft gepresenteerd om de publieke omroep toekomstbestendig te maken? De leden lijkt dit plan, waarin omroepen niet langer gegarandeerd zijn van zendtijd op tv maar als productiehuizen verdergaan, op het eerste oog interessant. Wordt hierover gesproken? Is het mogelijk binnen dit plan de pluriformiteit te garanderen? In het verlengde van een toekomstbestendig stelsel willen de leden de Minister verzoeken om op korte termijn met de drie aspirant-omroepen in gesprek te gaan over hoe zij aankijken tegen hun rol en positie in de nieuwe concessieperiode. Is de Minister bereid dit gesprek op korte termijn te organiseren en de Kamer hierover te informeren tijdens het eerste algemeen overleg na het zomerreces?

De leden lezen in de brief van 25 juni jl. betreffende de «stand van zaken frictiekostenregeling regionale omroepen en vensterprogrammering»5 dat KPN op dit moment niet mee kan doen aan het pilotproject vensterprogrammering, maar dat er wel gesprekken bezig zijn om alternatieven voor deze vorm van vensterprogrammering te onderzoeken. Kan de Minister aangeven hoe deze gesprekken verlopen en of het alternatief meegenomen kan worden in de pilot? Op welke termijn verwacht de Minister met de pilot te kunnen starten en wanneer verwacht hij de eerste resultaten met de Kamer te kunnen delen? De leden steunen de ambitie van dit kabinet om de regionale journalistiek te versterken. Regionale omroepen vervullen een belangrijke rol in de lokale democratie.

De leden hechten veel belang aan de vrije pers. Vrije journalistiek is de waakhond van de democratie en journalisten moeten daarom veilig hun werk kunnen doen. Helaas zien de leden steeds vaker voorbeelden waarbij dit bemoeilijkt wordt. Wat is er gebeurd met de uitkomsten van de indringende gesprekken die we hadden tijdens de ronde tafel over bedreiging en bescherming van journalisten?

Ten slotte hebben de leden een vraag over de evenementenlijst. Deze lijst komt voort uit een Europese televisierichtlijn om te voorkomen dat steeds meer belangrijke evenementen achter een decoder zouden verdwijnen. Het is de leden niet inzichtelijk hoe de samenstelling van deze lijst tot stand komt. Er lijkt een disbalans te zijn, bijvoorbeeld bij vrouwenvoetbal. De leden hebben kennisgenomen van het feit dat het niet op de evenementenlijst staat, terwijl het de snelst groeiende sport in de wereld is. Nog geen jaar geleden is ons elftal nog in eigen land Europees kampioen geworden, onze linksbuiten Lieke Martens werd uitgeroepen tot FIFA-wereldvoetbalster van het jaar en coach Sarina Wiegman FIFA-wereldcoach van het jaar. Volgend jaar vindt het WK voetbal vrouwen plaats in Frankrijk, waarvoor het Nederlands elftal zich waarschijnlijk komende september zal plaatsen. Men zou denken dat voor mindere prestaties plek is op de evenementenlijst. Kan de Minister aangeven hoe deze lijst tot stand komt en of de Minister van mening is dat het tijd is voor een, reële, actualisatie, zo vragen de leden.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie merken op dat de Minister heeft voorgesteld het budget voor de landelijke publieke omroep met ingang van 2019 met € 62 miljoen te verlagen. De Minister wil hierbij betrokken worden bij de keuzes van de NPO en wil de reserves van de omroepen aan laten spreken om de programmering te ontzien. Reserves inzetten om tekorten aan te vullen, is volgens de leden geen solide financieel beleid. Volgens deze leden vraagt een structureel financieel probleem om een structurele financiële oplossing. Kan de Minister aangeven bij welke (leden-)omroepen deze reserves aanwezig zijn? Op basis waarvan is de Minister van mening dat hij de inzet van reserves aan de omroepen kan opleggen? Kan een reserve bij één omroep aan het geheel ter beschikking worden gesteld? De Minister schrijft in de Kamerbrief inzake de financiering van de (landelijke) publieke omroep6 dat er einde 2017 circa € 35 miljoen aan mediareserves beschikbaar is, waarvan de inschatting is dat er in 2019 zo een € 24 miljoen beschikbaar is. Kan de Minister aangeven hoe hij tot deze € 24 miljoen is gekomen? Is de € 24 miljoen een gevalideerd bedrag? De Minister geeft verder in deze Kamerbrief aan dat nieuwe tegenvallers moeten worden opgevangen binnen de mediabegroting door andere uitgaven te verlagen en/of door af te zien van geplande toekomstige uitgaves uit de AMR7. Kan de Minister aangeven wat dit specifiek inhoudt en kan hij de Kamer scenario’s schetsen op basis van een prognose van de ontwikkeling van de reclame-inkomsten? De voorzitter van College van Omroepen stelt verder voor, in een brief van 2 juli 2018 aan de vaste Kamercommissie van OCW, dat zij bereid zijn als omroepen én NPO-organisatie er voor zorg te dragen dat de AMR weer wordt aangevuld tot het niveau dat nodig is om het doel waarvoor deze is reserve is ingesteld te kunnen realiseren. Hoe kijkt de Minister aan tegen dit voorstel?

De leden hebben moeite om begrip op te brengen voor programmatische keuzes bij de NPO, die deze leden via de pers moeten vernemen. Dieptepunten zijn hierbij het bericht dat EenVandaag zal worden vervangen door een soap, een feuilleton zoals de NPO dat pleegt te noemen, en dat er fors zal worden gekort op het budget voor journalistieke programma’s zoals Andere Tijden en levensbeschouwelijke programma’s. De leden constateren dat de NPO wat betreft deze keuzes van diverse zijden al heel wat over zich heen heeft gekregen. Deze leden vinden dat we ook kritisch moeten zijn op de politieke keuzes in de aansturing van de NPO. Via prestatie-overeenkomsten worden marktaandelen afgedwongen en opeenvolgende bewindspersonen hebben de NPO gevraagd zelf meer geld in het laadje te brengen. Volgens deze leden is Den Haag de publieke omroep gaan behandelen als een commerciële omroep. De leden vinden het belangrijk dat de NPO de diversiteit van Nederland weergeeft en deze leden kiezen daarom voor behoud van een pluriforme publieke omroep. Kan de Minister aangeven hoe hij tegen zulke ontwikkelingen aankijkt? Verder vinden momenteel de zelfevaluaties plaats bij de omroepen, met het oog op de nieuwe concessieperiode van de publieke omroep. De publieke omroep kent momenteel drie aspirant-omroepen, elke met de opdracht bij te dragen aan de pluriformiteit in het publieke bestel. Deze leden zijn van mening dat diverse aspirant-omroepen daarin lijken te zijn geslaagd. Er komen signalen van de aspirant-omroepen dat de harde grens van het benodigd aantal leden, voor definitieve toelating tot het bestel onder de huidige maatschappelijke omstandigheden, onhaalbaar zou zijn. Wat is de visie van de Minister op de huidige manier waarop hierover besloten wordt en de criteria daarbij om omroepen definitief toe te laten? Wat zijn de financiële consequenties van de definitieve toelating van aspirant-omroepen?

De leden constateren een snelle trend in het medialandschap, namelijk de afname van lineair televisiekijken. Deze leden constateren dat grote internationale content-reuzen, zoals Netflix, Facebook en Youtube momenteel flink investeren in eigen content. Deze leden verwachten dat op termijn hier nog meer platforms bij zullen komen van bijvoorbeeld Apple, Amazon en Disney. Om op platformgebied een vuist te kunnen maken tegen deze content-reuzen lijkt, volgens deze leden, samenwerking onvermijdelijk om een goed alternatief met content van de Nederlandse bodem te kunnen aanbieden. In lijn met het advies van de Raad voor Cultuur lijkt het deze leden goed als commerciële en publieke omroepen samen volop inzetten op de ontwikkeling van een hoogwaardig ondemand-kanaal, zoals NLZIET, om zo de toegankelijkheid van Nederlandse audiovisuele content te waarborgen. Kan de Minister aangeven hoe hij hier tegenaan kijkt en of en op welke wijze de Minister wil gaan bevorderen dat de Nederlandse commerciële en publieke partijen hier serieus over gaan spreken? Hoe beoordeelt de Minister de kwalificatie van NLZIET als «dreiging» in het door De Telegraaf en NRC gepubliceerde concept videoplan van de NPO? En hoe beoordeelt de Minister de huidige gang van zaken rond NLNIET beschreven in hoofdstuk 5 van het onderzoek «Ben ik (nog) in beeld, de waarde van de NPO in een veranderend medialandschap?» waaruit blijkt dat veel spelers de meerwaarde van NLZIET erkennen, maar dat dit door tegengestelde belangen en botsende waarden het nog niet van de grond lijkt te komen? Verder lezen deze leden dat de Ministers in de kabinetsbrief over de eerste reactie van het kabinet op het sectoradvies van de Raad voor Cultuur8 de Netflix-serie 13 Reasons Why een internationale topserie noemen, dit is een serie die gaat over een meisje dat zelfmoord pleegt. Volgens Ad Kerkhof, hoogleraar klinische psychologie en suïcidepreventie, romantiseert de populaire serie suïcide. Was dit nu de handigste serie om als voorbeeld te noemen, zo vragen deze leden.

De leden lijkt het qua online activiteiten goed dat wordt gekeken naar afspraken zoals deze in Duitsland zijn gemaakt waarbij publieke omroepen en commerciële aanbieders van journalistiek afspraken hebben gemaakt over elkaars werkwijze in verband met het risico op verdringing. De leden hebben dit pleidooi ook al eens gehouden wat betreft nieuws van regionale omroepen dat door de NOS met wederzijdse instemming wordt overgenomen. Ziet de Minister dergelijke afspraken in de Nederlandse context ook zitten, zo vragen deze leden. De leden lazen verder op 3 juli 2018 op de website spreekbuis.nl dat de NPO eerder dit jaar een onderzoek door het NSOB heeft laten uitvoeren op de toekomst van de NPO. Het rapport is inmiddels openbaar. Klopt het dat de NPO de NSOB in eerste instantie nadrukkelijk heeft verzocht om het onderzoek «De Waarde van de NPO in een veranderd medialandschap» alleen gedeeltelijk openbaar te maken, zo ja waarom?

De leden constateren dat het WK voetbal voor mannen in volle gang is, maar dat het Nederlands elftal er helaas niet bij is. Het Nederland vrouwenvoetbalelftal presteert, volgens deze leden, de laatste jaren beter met het winnen van het EK voetbal 2017 en volgens deze leden is de kans ook groot dat zij zich ook gaan plaatsen voor het WK in 2019. De leden vinden het raar dat op dit moment het nationale mannenvoetbalelftal wel de garantie heeft om door vrijwel iedereen gezien te kunnen worden en het nationale vrouwenvoetbalelftal niet. Is de Minister bereid de evenementlijst in het Mediabesluit 2008 aan te passen zodat de garantie er is dat het Nederlandse vrouwenvoetbalelftal voor iedereen te volgen is via het open kanaal? Zo ja, op welke wijze wil de Minister de evenementenlijst gaan aanpassen/aanvullen? De leden constateren verder dat op de evenementlijst is opgenomen dat de Paralympische zomer- en winterspelen verslaggeving moet worden gedaan van minimum van 10 minuten per dag. Deze leden constateren dat dit voor de Olympische Spelen zes uur per dag is. Deze leden vinden dit niet in verhouding. Kan de Minister aangeven of hij dit eens is met de leden? Zo ja, wat wil de Minister hier aan doen? Kan de Minister daarnaast aangeven of het mediabesluit sowieso niet aan vervanging toe is?

De leden vinden het goed om in Kamerbrief9 te lezen dat de € 17 miljoen die op de plank lag voor regiojournalistiek eindelijk in beweging komt. Begrijpen deze leden echter goed dat de werkelijke beweging van de € 17 miljoen afhangt van de STER-inkomsten in 2019? Kan het pilotproject Vensterprogrammering hierdoor alsnog op losse schroeven komen te staan? De leden zien juist graag dat over de precieze financiering van de pilot binnenkort duidelijkheid komt zodat de pilot 1 januari 2019 kan starten en niet pas in september 2019. Om de pilot vensterprogrammering in januari 2019 te kunnen starten hebben deze leden begrepen dat het nodig is dat de RPO10 en NPO medio juli zekerheid hebben over de beschikking van tenminste € 1 miljoen van de € 1,5 miljoen die voor de gehele pilot nodig is. Kan de Minister toezeggen hierover snel zekerheid te verschaffen? Zo ja op welke termijn?

De Minister geeft in de Kamerbrief11 aan actie te gaan ondernemen omdat slechts 79% van de gemeente voldoet aan de richtsnoer voor de hoogte van het bedrag waarmee een gemeente de lokale publieke omroep bekostigt. Welke actie zit de Minister aan te denken, zo vragen deze leden. De leden vragen of de Minister op de hoogte is van de financiële problematiek, ook bij omroepen die de Minister zelf beschrijft als goede voorbeelden. Hoe gaat de Minister hiermee om? Deze leden vinden het van belang dat de streekomroepen gaan slagen. Welke mogelijkheden ziet de Minister om positief bij te dragen aan het voortbestaan van de goede voorbeelden die de Minister in zijn brief noemt? Verder is in het regeerakkoord opgenomen dat, omdat streekomroepen bijdragen aan de professionalisering, het kabinet zich beraadt op de wijze van organisatie en financiering van de lokale omroepen. Zou de Minister een tijdslijn kunnen geven van de uitvoering van het regeerakkoord op dit punt? Tot slot hebben deze leden het signaal bereikt dat lokale publieke omroepen soms transportkosten aan distributeurs moeten betalen van het transport van de Media Gateway naar het regionale punt, terwijl dit niet het geval is bij regionale en nationale publieke omroepen en er een must carry verplichting is voor distribiteurs. Mag dit, zo vragen deze leden. Zo niet, hoe kan dit worden gehandhaafd?

Tijdens het recente schriftelijk overleg over de geannoteerde OCJS-raad12 vroegen de leden aandacht voor de regels omrent sluikreclame. Deze leden constateren dat er inderdaad een verbod is op sluikreclame in zowel de Europese richtlijnen als de Nederlandse wet, wel merken zij op dat tussen de twee definities van sluikreclame een verschil zit. In de Europese Richtlijn kan geen sprake zijn van sluikreclame als iets niet misleidend is, terwijl ditzelfde onder de Nederlandse wetgeving tot sluikreclame leidt en dus verboden is, ook al is het niet misleidend. Is de Minister van mening dat Nederlandse mediabedrijven hierdoor in een ongelijk speelveld komen ten opzichte van aanbieders die vanuit bijvoorbeeld Luxemburg, andere EU-lidstaten of de VS in Nederland actief zijn? Zo ja, is de Minister bereid om de definities in Nederlandse sluikreclameverbod in lijn te brengen met de EU-richtlijn?

De leden zijn voorstander om de lokale en regionale media te versterken. Volgens deze leden is het bijvoorbeeld een risico voor onze democratie indien in gemeenten niemand meer verslaggeving doet over de besluiten van de gemeenteraad. Deze leden vinden het goed om in de kabinetsbrief13 te lezen dat het kabinet structureel € 5 miljoen ter beschikking stelt voor de bevordering van regionale en lokale onderzoeksjournalistiek. Kan de Minister duidelijkheid scheppen over de randvoorwaarden waaraan aanvragen voor de € 5 miljoen stimuleringsgeld moeten voldoen? Kan de Minister uitsluiten dat lokale omroepen zal worden gevraagd aanvragen financieel te co-financieren? Voor deze leden lijkt dit gezien de kwetsbare financiële positie van lokale omroepen een op voorhand onbegaanbare weg. Verder viel de leden op dat in de Kamerbrief in 2017 van toenmalig Staatssecretaris Dekker14 over het onderzoek naar de toekomst van de onafhankelijke journalistiek in Nederland wordt gesproken over een bedrijfseconomisch onderzoek naar mogelijke businessmodellen voor een duurzame nieuwsvoorziening, tegen de achtergrond van de toenemende invloed van wereldwijde platforms (p.5). Kan de Minister aangeven of dit toekomstgerichte onderzoek per abuis in het geheel van onderzoeken ontbreekt, zo vragen de leden.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief van 25 juni 201815 waarin de Minister zijn reactie geeft op de bij hem – per brief van 5 juni 2018 – ingediende voorstellen van de NPO om de tegenvallende STER-inkomsten op te vangen. Het vorige debat met de Minister over dit onderwerp was in november 2017. Derhalve kunnen de aan woord zijnde leden de datering van zijn brief d.d. 23 februari waar de NPO naar verwijst niet goed plaatsen. Zeker in het licht van de termijn die sindsdien verstreken is sinds genoemd debat hadden zij hogere verwachtingen van dit voorstel als het gaat om een inhoudelijke en cijfermatige onderbouwing van de analyse erachter, duiding van de gevolgen alsook de mate van detail.

Deze leden zouden daarom graag van de Minister toegelicht zien wat de verschillende stappen zijn geweest die de Minister in de tussentijd heeft gezet om met de NPO tot een plan te komen. Kan de Minister deze leden daarnaast inzicht geven in de argumentatie achter de voorstellen? Is hem bekend welke kijkcijfer- of doelgroepenonderzoeken of financiële analyses hieraan ten grondslag liggen? Zo vragen zij of het onderzoek «Ben ik (nog) in beeld?» bij hem bekend was.

Wat de leden betreft moet de politiek ervoor waken dat ze niet óp de stoel van de NPO en de omroepen plaatsneemt. Zij zien echter wel een duidelijke publieke mediataak, zoals ook omschreven in de Mediawet. Die taak is primair gericht op nieuws, informatie, cultuur en educatie. Andere taken zijn daaraan ondersteunend. Zo lezen zij ook artikel 2.1 van de Mediawet. Deelt de Minister die interpretatie? Zo nee, wat is zijn interpretatie?

Deze taken lijken deze leden dan ook leidend voor de invulling van de bezuiniging. Tegen die achtergrond verontrust het deze leden dat zij via verschillende (extra-parlementaire) kanalen uitsluitend over concrete ingrepen horen op programma’s die de kerntaak van de publieke omroep raken, zoals Andere Tijden, Tegenlicht, Brandpunt, maar ook EenVandaag en Goedemorgen Nederland. Waarbij die laatste programma’s thans juist een brede doorsnede van de Nederlandse samenleving bereiken. Is dat ook waarom de Minister aan de NPO heeft gevraagd om hem te betrekken bij keuzes die de afspraken in de prestatie-overeenkomst kunnen raken? Of dienen de leden van deze fractie daar een andere bedoeling in te lezen? Hoewel deze leden de wens om te blijven vernieuwen begrijpen en steunen, wringt de communicatie over deze ingrepen des te meer omdat hen geen duidelijke berichten bereiken over andere bezuinigingen of genres. Zij missen dan ook een totaalbeeld van de beoogde bezuinigingen, waarbij bijvoorbeeld verschillende scenario’s zijn uitgewerkt. Deze leden vragen zich tevens af hoe de ingrepen op juist deze programma’s te rijmen zijn met de invulling van de kerntaak van de NPO. Zou de Minister hierop een toelichting kunnen geven? Graag horen zij daarbij ook hoe hij de planning van gesprekken met de NPO en informatievoorziening aan de Kamer voor zich ziet. Ook ontvangen zij graag een reactie van hem op het voorstel van het College van Omroepen dat zij mochten ontvangen.

Aan de inkomstenkant van het onlangs met de Kamer gedeelde plan zien de leden een voornemen om de opgebouwde reserves aan te spreken (bij de Minister) en het genereren van extra STER-inkomsten (bij de NPO). Ten aanzien van de reserves, vragen zij bij welke omroepen deze reserves zitten. Dragen in het voorstel de verschillende omroepen allen evenveel af? Worden deze aangesproken met een bepaalde verdeelsleutel in het achterhoofd? Of wordt juist bij omroepen die een grotere reserve hebben opgebouwd meer van deze reserve aangesproken? Daarnaast zijn deze leden benieuwd of vrijelijk kan worden beschikt over deze reserves of dat hier bepaalde (wettelijke?) voorwaarden aan verbonden zijn. Deze leden zijn voorts van mening dat het aanspreken van reserves per definitie slechts een tijdelijke maatregel kan zijn en vragen zij zich af hoe de Minister de verhouding tot een toekomstbestendigere oplossing ziet. Ten aanzien van de extra STER-inkomsten horen zij graag precies op welk nieuw beleid gedoeld wordt. Ook zijn zij benieuwd welke financiële gevolgen van het afschaffen van het stelsel van «sur commission» gehad heeft.

Het valt deze leden, ten slotte, op dat in het plan niets terug te lezen is over de stand van zaken met betrekking tot de onderhandelingen met de kabelmaatschappijen. De ambtsvoorganger van de Minister heeft in het verleden wel geopperd dat de NPO scherper zou kunnen onderhandelen en op die manier meer inkomsten zou kunnen genereren. Is dat naar de opvatting van de Minister nog steeds het geval? Ook zijn deze leden benieuwd wat de verwachte opbrengsten zijn van de samenwerking met Netflix, KPN en Videoland, zoals in recente Kamervragen van het lid Van der Molen ook genoemd. Worden nog andere opties overwogen voor extra inkomsten of mogen deze leden uit de brieven van de Minister en NPO concluderen dat deze opties de afgelopen maanden zijn overwogen maar afgevallen. Graag ontvangen zij in dat geval meer inzicht in die afweging.

Voorts zijn de leden benieuwd hoe de Minister het traject, en specifiek zijn rol daarin, ziet in de discussie over de volgende concessieperioden. Idealiter immers passen de maatregelen die als gevolg van de tegenvallende STER-inkomsten worden genomen bij die lange termijn. Overweegt hij bijvoorbeeld om een hoofdlijnennotitie hierover met de Kamer te delen, zodat hier tijdig het debat over gevoerd kan worden. Is de Minister hiertoe bereid?

Daarbij zouden deze leden ook de aandacht van de Minister willen vragen voor het onderzoek dat de WRR16 onlangs heeft gedaan naar de actualiteitswaarde van hun advies Focus op functies uit 2005. Is de Minister bereid om de WRR te verzoeken om een actuele policy brief te schrijven op basis van dat advies?

Er wordt minder lineair televisie gekeken, en steeds meer on demand. Deze on demand-markt wordt gedomineerd door een paar grote, internationale spelers zoals Netflix en Amazon. Tegelijkertijd constateert de Raad voor Cultuur ook dat mensen maar ruimte hebben voor een beperkt aantal abonnementen. De leden zijn van mening dat het van grote toegevoegde waarde zou zijn om in te zetten op één hoogwaardig platform voor de Nederlandse content, om de concurrentie op de on demand-markt het hoofd te kunnen bieden. Het platform NLZiet is hierin een veelbelovend platform dat, indien het platform doorontwikkeld wordt qua functionaliteiten en aanbod en de juiste juridische handvatten krijgt, aan zou kunnen sluiten op onze visie op een toekomstbestendige Nederlandse audiovisuele on demand-markt. De Minister schrijft in zijn brief over dat onderwerp dat hij met partijen uit de sector in gesprek gaat om een bredere en meer integrale visie op de toekomst van de mediasector te formuleren. Zij vinden dit een erg goed initiatief, aangezien er een behoorlijk aantal samenhangende vraagstukken ligt. Wanneer de Minister tijdens deze gesprekken met de publieke en commerciële omroepen aan tafel zit, is de Minister dan bereid om te bekijken of deze omroepen zich willen inzetten om hun krachten te bundelen en één overkoepelend platform te ondersteunen?

Wat zal de verdere inzet zijn van de Minister in deze gesprekken over de toekomst van de mediasector? Wat is het doel en het tijdpad dat hij voor ogen heeft, en op welke momenten is de Minister voornemens de Kamer hierover te informeren? Is het zijn bedoeling tot een soort media-akkoord te komen? Hoe gaat hij zorgen dat er daadwerkelijk resultaten uit deze gesprekken komen?

De leden hebben verheugd kennisgenomen van de extra middelen die besteed zullen worden ter ondersteuning van onderzoeksjournalistiek. Deze vorm van journalistiek is bij uitstek onmisbaar in onze democratie. Desalniettemin wijzen deze leden op het onverminderd verruwende klimaat voor journalisten, en dat het aantal en de ernst van bedreigingen is toegenomen. Ook worden vaak juridische middelen ingezet tegen journalisten om hen het werk te bemoeilijken. Tegelijkertijd kunnen veel journalisten door de hoge mate van flexibilisering in de sector minder aanspraak maken op beschermende maatregelen van hun werkgever. Deze leden zijn daarom benieuwd of het mogelijk is om een deel van de extra middelen beschikbaar te stellen voor het bevorderen van de persvrijheid in deze zin.

De leden vinden het ook op lokaal niveau essentieel dat journalisten hun controlerende functie naar behoren uit kunnen voeren. Zeker met de toename van de verantwoordelijkheden van de lokale besturen is het meer dan ooit belangrijk dat een professionele en slagvaardige journalistieke verslaggeving plaats kan vinden. Daarom delen deze leden de mening van de Minister dat het onwenselijk is dat een deel van de gemeenten een bedrag lager dan het richtsnoerbedrag daadwerkelijk uitgeeft aan lokale omroepen. Deze leden zijn benieuwd naar de uitkomsten van de gesprekken die de Minister aangeeft te gaan voeren. Zij vragen zich echter wel af of er in dit stelsel niet sprake is van een fundamentelere weeffout. De gemeentebesturen hebben via de financiering en de licentie-voordracht invloed op wie hen controleert. Deze leden zien hier een ongewenste verstrengeling. Wat is de visie van de Minister hierop? Is de Minister bereid om te onderzoeken wat de voor- en nadelen zijn van het instellen van een landelijke regeling en hierover de Kamer te informeren?

Daarnaast is de afgelopen jaren, vanuit het overkoepelende orgaan van de lokale publieke omroepen, ingezet op het vormen van streekomroepen. Dit is een ontwikkeling die deze leden ondersteunen, aangezien een dergelijke professionaliseringsslag zeer waarschijnlijk zal leiden tot een toename in de kwaliteit van de lokale nieuwsvoorziening. Daarom betreuren deze leden het dat de regelgeving in sommige gevallen niet lijkt aan te sluiten op de werkwijze die een streekomroep beoogt. Wanneer een streekomroep in verschillende gemeenten opereert, moet deze streekomroep van elke gemeente afzonderlijk financiering veilig stellen. In veel gevallen kan het dwarsliggen van één gemeente er al toe leiden dat de streekomroep in de problemen raakt. Is de Minister bereid om met de verschillende streekomroepen in gesprek te gaan, om te kijken welke juridische, financiële en organisatorische barrières de streekomroepen tegenkomen, en te onderzoeken of het mogelijk dan wel wenselijk is om deze barrières weg te nemen, en hierover de Kamer te informeren? Is de Minister daarnaast bereid om een uitgebreidere visie te schrijven over de positie van de overheid in de ondersteuning en begeleiding van de vorming van streekomroepen?

Daarnaast is de financiële basis van verscheidene reeds gevormde streekomroepen wankel. De nood is voor een aantal zelfs zeer acuut. Welke mogelijkheden ziet de Minister om hier iets aan te doen? Is hij bereid de nieuwe invulling van de frictiekostenregeling voor regionale omroepen daarbij te betrekken? Wat zal de inzet zijn van de Minister in de gesprekken die hij gaat voeren met de streekomroepen, zo vragen de leden.

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie

De leden van de GroenLinks-fractie wensen allereerst de Minister veel beterschap. Ze hebben een aantal vragen en opmerkingen nu het algemeen overleg media en journalistiek niet door kan gaan. De leden zouden graag met de Minister in gesprek willen over de vraag hoe hij in bredere zin de toekomst ziet van het publieke mediabestel c.q. de NPO. Ze vragen of hij deze visie op papier kan zetten ten behoeve van het later te houden algemeen overleg en of hij onderstaande vragen hierin wil meenemen.

De leden dat de reclame-inkomsten van de NPO met € 62 miljoen zullen dalen, maar dat de Minister daar nog geen zekerheid over geeft en verwijst naar de miljoenennota die pas in het najaar verschijnt. De voornoemde leden staan voor een sterke publieke omroep. Goed functionerende media zijn van groot belang voor een open democratische samenleving en de publieke omroep is daarin onmisbaar. Hoe ziet de Minister dit? Hoe verhoudt deze visie zich tot de toekomstige bezuinigingen bij de NPO? Kan de NPO nog voldoen aan de verwachtingen en taken met het huidige budget?

Deze leden constateren daarnaast dat de dalende reclame-inkomsten zich niet tot één jaar beperken maar een trend zijn van meerdere jaren. Onder Rutte 1 en Rutte 2 is er al flink bezuinigd op de publieke omroep. De leden zijn van mening dat er daarom structureel naar oplossingen moet worden gekeken. Hoe ziet de Minister dit? Is het huidige stelsel volgens hem houdbaar of heeft hij andere plannen? Wil de Minister kijken naar de lange termijn, dus ook na 2020?

De leden zien een reclame-paradox. De NPO wil de dalende inkomsten vooral opvangen door bezuinigingen in de genres cultuur en informatie (NPO2-programmering) en juist de programmering van populair amusement op NPO1 ontzien. Daardoor lijken (afnemende) reclame inkomsten bepalend te zijn voor programmatische keuzes tussen genres. Hoe kijkt de Minister hier tegenaan in het kader van de publieke mediaopdracht die juist cultuur, informatie en educatie voorop zet? De leden zijn dan ook benieuwd naar de mogelijkheden om de publieke omroep reclamevrij of reclame-arm te maken om de hierboven gesignaleerde reclame-paradox te doorbreken. De noodzaak voor reclame wordt steeds minder als de reclame-inkomsten almaar dalen. Kan de Minister bij het komen tot structurele oplossingen voor de dalende reclame-inkomsten ook dit scenario nader uitwerken? Is de Minister bereid om een scenario te maken waarin er geen reclame is rondom kinderprogramma’s?

De leden lezen dat de Minister voor 2019 en 2020 nieuwe tegenvallers van de STER-inkomsten niet wil verrekenen met het budget voor de landelijke publieke omroep. Wil de Minister deze middelen binnen de OCW-begroting vinden? Kan het bijvoorbeeld ten koste gaan van het onderwijsbudget?

De leden hebben kennisgenomen van de plannen van Paul Römer, waarbij er maar één omroep overblijft: een fusie van de NPO en de taakomroepen NOS en NTR. De overige omroepen zouden dan verder gaan als productiehuizen. De voornoemde leden zijn geïnteresseerd in nadere uitwerking van dit plan. Hoe beoordeelt de Minister dit plan? Ziet de Minister hier maatschappelijk draagvlak voor? Wat betekent dit plan voor de baanzekerheid van de mensen binnen de huidige omroepen en de arbeidsmarktpositie van de makers in dit nieuwe plan? Kan dit door versterkte concurrentie onder druk komen te staan? Welke kansen biedt dit plan voor onafhankelijke producenten, zo vragen deze leden.

Volgens het plan zou de publieke omroep € 100 miljoen goedkoper kunnen zonder dat de kijker hier zelfs iets van merkt. Hoe beoordeelt de Minister dit? Kan dit gehele bedrag worden bespaard door het verdwijnen van bestuurslagen? Of wordt de bestuurslaag van de «oude» omroepen vervangen door een bestuur van productiehuizen? Waar denkt de Minister dat de daling van de reclame-inkomsten bij dit plan zullen neerslaan, zo vragen deze leden.

De leden vragen of de Minister bereid is gevolgen van het voorstel van Römer onafhankelijk te laten onderzoeken en daarbij ook te kijken naar mogelijke uitwerking of alternatieven.

De leden vragen tevens wat de visie van de Minister is op online-activiteiten. Is hij van mening dat online activiteiten vrij van reclame moeten zijn, zo vragen deze leden.

Kan de Minister reageren op het rapport Ben ik (nog) in beeld van NSOB? Hoe beoordeelt hij de conclusies?

Voorts zijn de leden van mening dat de Wet Normering Topinkomens ook van kracht zou moeten zijn bij de publieke omroep. Zij horen graag van de Minister hoe hij dat ziet. Is de Minister bereid om afspraken te maken over het normeren van topsalarissen. De leden constateren dat de motie van de leden Kwint, Westerveld, Van den Hul over bij de publieke omroep niet meer verdienen dan een Minister17 bij het wetgevingsoverleg niet is aangenomen. Deze motie vraagt om de uitzonderingsmogelijkheid voor personeel dat via een productiemaatschappij kan worden ingehuurd, waardoor er vele malen meer kan worden verdiend dan de WNT-norm, af te schaffen. Hoe ziet de Minister dit in het licht van de bezuinigingsopdracht van de publieke omroep? Vindt de Minister dat het uit te leggen is dat een omroep moet bezuinigen op goedlopende programma’s en een enkeling een flink topsalaris verdient?

De leden constateren tevens dat lokale media steeds meer onder druk staan, terwijl met de decentralisaties gemeenten steeds meer belangrijke taken krijgen. Voor goede controle op de lokale politiek is juist deze vorm van media van belang. Lokale omroepen moeten een belangrijk onderdeel vormen van deze lokale media. Echter, veel lokale omroepen ontvangen niet meer dan € 50.000 per jaar. Is de Minister het met deze leden eens dat met een dergelijke bijdrage het lastig is om een professionele omroep te runnen. Kan de Minister aangeven of hij mogelijkheden ziet om de vorming van streekomroepen met een breder draagvlak en meer armslag verder te stimuleren? Welke visie heeft de Minister hierover, zo vragen deze leden.

De Minister geeft aan dat hij gaat verkennen op welke wijze gemeenten kunnen voldoen aan het richtsnoerbedrag en hoe er invulling kan worden gegeven aan het lokaal toereikend media-aanbod. Is hij het met de leden eens dat hierbij niet alleen moet worden gekeken naar hoeveel gemeenten voldoen aan het richtsnoerbedrag, maar ook hoe het is opgebouwd? Is de Minister bereid om ook te kijken naar vaste voet in de bekostiging van de lokale omroepen, zodat ook in de kleinere (samenwerkende) gemeenten er professionele (streek)omroepen kunnen functioneren. Is hij bereid bij deze verkenning als uitgangspunt mee te nemen dat de lokale omroepen en streekomroepen een professionele organisatie kunnen runnen, zo vragen deze leden.

Voorts merken de leden op dat goede onderzoekjournalistiek onmisbaar is in een democratische rechtstaat. Deze leden zijn daarom positief dat het kabinet € 5 miljoen investeert in onderzoekjournalistiek. Wel vragen deze leden of dit echt voldoende is om de gewenste impuls te bereiken.

Terecht wijst de Minister erop dat steeds meer (onderzoeks)journalisten werken als zzp’er en hun arbeidsmarktpositie vaak zorgwekkend is. De Minister stelt dan ook middelen beschikbaar om deze arbeidsmarktpositie te verbeteren. Maar hoe wil hij dit concreet gaan doen? Welke actie zal worden ondernomen om deze arbeidsmarktpositie verbeteren, zo vragen deze leden.

De leden hebben tevens al een aantal keer het belang van mediawijsheid benadrukt. Ook het Rathenau Instituut, de Raad voor Cultuur, het SCP18, Clingendael en het Commissariaat voor de Media benadrukken het belang ervan. In de plannen van de overheid is wel aandacht voor de bestrijding van nepnieuws, maar weinig voor het belang van mediawijsheid. De leden zien daarom graag een bredere visie van de overheid als het gaat om digitalisering en mediawijsheid. Wil de Minister bij de verdere uitwerking van Nederland Digitaal het belang en de rol van mediawijsheid meenemen? Wil de Minister ook aangeven of, en zo ja hoe hij de rol van de overheid ziet als het gaat om het tegengaan van nepnieuws. Ziet hij een rol voor mediawijsheid in deze discussie?

In korte tijd heeft het Openbaar Ministerie twee keer journalisten ten onrechte afgeluisterd. Als antwoord op mondelinge vragen van het lid Westerveld over het afluisteren van een journalist van het Brabants Dagblad19 gaf Minister Grapperhaus aan dat het OM maatregelen treft om zijn eigen bedrijfsregels aan te scherpen, zodat dergelijke situaties in de toekomst niet meer zullen voorkomen. Verder zal met de nieuwe wet over bronbescherming een toets door de rechter-commissaris plaatsvinden, waardoor er in ieder geval altijd een rechter aan te pas komt om te bekijken of het onder de gegeven omstandigheden een situatie is die ernstig genoeg is. Hoe kon het dan toch een tweede keer gebeuren? Zijn er extra maatregelen nodig? Zijn er meer voorbeelden bekend waarbij journalisten in Nederland worden afgeluisterd, zo vragen deze leden.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie vragen de Minister hoe hij nu aankijkt tegen de zware bezuinigingen op de publieke omroep. Ware het niet beter geweest als de informatie over de teruglopende reclame-inkomsten, en de daarmee gepaard gaande bezuiniging voor de publieke omroep, al beschikbaar was geweest tijdens de formatie? Tevens vragen zij welke invloed de individuele omroepen volgens het kabinet hebben op de teruglopende STER-inkomsten. Hoe staat de Minister tegenover de suggestie van het College van Omroepen, waarin gevraagd wordt tweemaal de terugloop in STER-inkomsten te compenseren, waarna de omroepen zelf de verantwoordelijkheid nemen om de mediareserve weer op orde te brengen? Zeker in het licht van de in dat voorstel gedane toezegging dat de bezuiniging op de programmering dan niet nodig is. De leden merken hierbij op dat waar bezuinigd moet worden, programma’s gaan verdwijnen, zoals het tv-programma Andere Tijden. Of ze dreigen om onbegrijpelijke redenen ineens van plek te moeten verschuiven, zoals EenVandaag. De NPO en de omroepen zijn met elkaar aan het ruziën. Opnieuw komt weer de discussie naar boven of het systeem van omroepen nog wel houdbaar is. De voornoemde leden vragen of de Minister het met deze leden eens is dat dit zeer onwenselijk is. Wat vindt de Minister van het dreigende verdwijnen van een programma als Brandpunt+, dat juist wel op innovatieve wijze bezig is. In hoeverre acht het kabinet zichzelf verantwoordelijk voor de personele consequenties die dit besluit zal hebben? Na jaren van onrust, reorganisaties, bezuinigingen en ontslagen wordt nu voor het zoveelste jaar op rij op het Mediapark gesproken over bezuinigingen. Hoeveel mensen kunnen er, volgens het kabinet, weg, voordat de kerntaak van de publieke omroep in het geding komt? Deelt de Minister de mening van de leden dat een oproep tot samenwerking weinig effect zal sorteren als de diverse partijen op het Mediapark onder druk van de bezuinigingen nu primair bezig zijn met het bevechten van hun eigen overleven en eigen ruimte op de zender?

De Minister geeft aan dat de publieke omroepen een deel van de tegenvaller van de verdwenen rapporten van Dekker kunnen opvangen vanuit de eigen reserves. Klopt het dat de inschatting van de omvang van deze reserves gebaseerd is op een inschatting van 31 december 2017? Weet de Minister wat nu de omvang van deze reserves is? Tevens vragen de voornoemde leden of het kabinet kan aangeven in hoeverre men het verstandige bedrijfsvoering acht, om de reserves van omroepen te plunderen op een moment dat er op het Mediapark gesproken wordt over mogelijke ontslagen, en er een reëel risico is dat er sociale plannen gesloten moeten gaan worden, inclusief forse financiële consequenties?

Het concessiebeleidsplan voor de publieke omroep loopt tot 2020. Kan de Minister een beeld schetsen van hoe volgens dit kabinet de publieke omroep er na die periode uit moet zien? Gaat hij dan nog uit van de ledenomroepen zoals ze nu bestaan, of stuurt hij meer aan op een grotere rol van de NPO en met de omroepen als productiehuizen, zoals in de media reeds door enkelen is geopperd? Hoe ziet hij het publieke bestel na 2020 voor zich, zo vragen de voornoemde leden.

De leden merken tevens op dat in de regio het lang niet altijd beter gaat. Wist de Minister dat de enige lokale omroep die hij in zijn brief noemt – 1Twente – op dit moment nog altijd niet weet of ze volgend jaar nog doorkunnen? Dat zou toch onbestaanbaar zijn? Nu wordt gevraagd of de gemeente wil bijspringen, maar dat is ook nog maar de vraag. Het tekent de staat van de regionale media, dat zelfs de initiatieven die de Minister prijst, nauwelijks kunnen overleven. Erkent de Minister, zo vragen de leden, dat lokale en regionale journalistiek momenteel meer nodig heeft dan een eenmalige stimuleringsregeling, maar dat de controle op de lokale democratie gebaat is bij een sterkere structurele ondersteuning. Ook de regionale omroep ZuidWest geeft aan dat de landelijke overheid een centralere rol moet nemen in het ondersteunen van media in de regio. Hoe verhouden deze brandbrief – en vele andere zorgwekkende signalen – zich tot de ambities van dit kabinet om juist op lokaal en regionaal niveau een professionalisering mogelijk te maken?

De leden zien dat de verdiensten in de mediasector niet eerlijk verdeeld zijn. Zo verdient de eigenaar van de Persgroep tientallen miljoenen, terwijl freelancers in de journalistiek op een houtje bijten. De tarieven kelderen al jaren en er zijn plekken die vooral op stagiairs draaien. Is de Minister het met genoemde leden eens dat dit een zeer onwenselijke situatie is, die de journalistiek niet sterker maakt, maar alleen maar verzwakt? De voornoemde leden vragen welke initiatieven de Minister voornemens is te ontplooien om ervoor te zorgen dat meer geld bij de makers van journalistieke producties terecht komt, en minder geld in de zakken van aandeelhouders verdwijnt. Het is overigens soms ook gemeenten te verwijten, die wel het geld krijgen, maar ervoor kiezen niet het afgesproken percentage in media te investeren. Om hoeveel gemeenten gaat dit nu? Wat gaat de Minister eraan doen als hij na de zomer met de gemeenten in gesprek gaat, om die ervan te overtuigen wel de nodige investeringen te doen, zo vragen de eerder genoemde leden.

Nu is er in de cultuursector na jarenlange kaalslag een zogenaamde fair practice code afgesproken met afspraken voor makers. De makers van journalistiek zijn de journalisten. Deze zijn ook onderdeel van de code. Wat voor stappen is het kabinet bereid te nemen om journalisten hierin te ondersteunen? Zij vragen of het kabinet net als de leden dan bijvoorbeeld denkt aan afspraken over bodemtarieven en vaste dienstverbanden.

In de strijd tegen grote Amerikaanse mediaconcerns stelt de Minister voor dat de publieke omroep samen met de commerciëlen nu een vuist moet gaan maken tegen Amerika. Ziet de Minister ook dat deze strijd te eenzijdig is? Want ook Nederlandse ondernemers zijn immers op zoek naar winstmaximalisatie. Is de Minister het met genoemde leden eens dat ook de Nederlandse commerciële partijen winst willen maken en het altijd onwenselijk is wanneer er een monopolie positie ontstaat, ook wanneer het gaat om Nederlandse mediabedrijven? Zeker nu de Nederlandse mediabedrijven zijn overgenomen en er samenwerkingen zijn aangekondigd tussen de grootste Nederlandse mediabedrijven. Zij vragen of de Minister erkent dat bijvoorbeeld in een samenwerking als NLZiet deze potentieel tegenstrijdige belangen tot uiting zouden kunnen komen en dit een gezamenlijke aanpak bemoeilijkt.

Welk plan ontwikkelt het kabinet om in Europa alsnog een bredere coalitie te smeden tegen het Europees nepnieuwsbureautje EU vs Disinfo? Was er – zoals de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties eerder beweerde – werkelijk waar geen enkel land te vinden dat de mening van Nederland deelde, dat dit geen overheidstaak is?

Ten slotte vragen de leden hoe de Minister zich in gaat zetten om persvrijheid zoveel mogelijk te beschermen, nu deze niet alleen onder druk staat door marktbelangen, de nieuwe wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten maar ook door bedreigingen van journalisten. De genoemde leden kunnen niet genoeg het belang van (onderzoeks-)journalistiek en journalisten benadrukken en zal zich de komende jaren ook voor hen blijven inzetten.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling maar vooral ook met teleurstelling en onvrede kennisgenomen van de voorliggende brief van de Minister inzake de financiering van de landelijke publieke omroep.

De leden stellen vast dat de brief vooral een bestendiging is van de door het kabinet en de verantwoordelijk Minister reeds gekozen lijn om de structurele daling van de reclame-inkomsten met € 62 miljoen niet op te vangen in het budget voor 2019 en daarmee een zeer forse bezuinigingsopdracht op de publieke omroep los te laten. Hiermee komt niet alleen waardevolle en zeer gewaardeerde programmering in gevaar maar verkeren ook veel medewerkers in onzekerheid over hun baan als maker van zorgvuldig geproduceerd televisieproduct voor alle groepen in onze samenleving.

Daarnaast stellen de leden vast dat de Minister hiermee een stap zet met grote gevolgen voor de financiering en daarmee de maatschappelijke positie van de publieke omroep in de komende jaren, wanneer de reclame-inkomsten blijven dalen en daarmee de programmering en de rol van de publieke omroep verder in de verdrukking komen in een complex en zich internationaal snel ontwikkelend mediaveld. De leden merken op dat de Minister op die manier zelf een onverantwoorde bijdrage levert aan de verzwakking van ons publieke bestel, een van de laatste onafhankelijke, nationaal geborgde mediaorganisaties in ons land. Het belang daarvan moet niet worden onderschat in tijden van grote internationale media-veranderingen, «fake news», de invloed en impact van social media zoals Facebook en daarmee de noodzaak tot pluriform media-aanbod met een verbindende werking in onze samenleving. Hoe kijkt de Minister hier tegenaan, zeker in het licht van de noodzaak van een sterke publieke omroep? Hoe beziet de Minister de positie van onze publieke omroep, zeker wanneer dat internationaal vergeleken wordt en de Nederlandse publieke omroep een budget in de laagste categorieën? Is de Minister het met de leden eens dat de ondergrens met betrekking tot de balans tussen de hoogte van de financiering en de vereiste kwaliteit van een dergelijke belangrijke publieke voorziening bereikt is?

Hoe beziet de Minister de maatschappelijke relevantie van de publieke omroep, gekoppeld aan het dalende budget en de gedwongen keuzes die dit zal hebben voor programma’s die juist die maatschappelijke relevantie helpen bepalen? Kan de Minister aangeven waarom hij in zijn brief terecht wijst op de invloed van bepaalde keuzes voor de maatschappelijke relevantie van de publieke omroep maar waarbij de Minister hierbij geen reflectie toont op het zijn eigen keuze om de publieke omroep te korten op haar budget vanaf 2019? Is de Minister het met de leden eens dat die keuze van de Minister van grote negatieve invloed is op de maatschappelijke relevantie van de publieke omroep en daarmee dus onverantwoord is, gelet op de gevolgen voor programmering en makers van deze programma’s?

Kan de Minister aangeven hoe hij aankijkt tegen de vicieuze cirkel waarin dit kabinet de NPO en de omroepen duwt en vooral vast laat zitten. Minder reclame-inkomsten betekent immers minder budget wanneer dat niet gecompenseerd wordt en daarmee zoals nu dus snijden in de programmering die ook adverteerders aantrekt. Hoe wil de Minister de publieke omroep helpen om niet in deze vicieuze cirkel te geraken of blijven?

De Minister stelt voorts dat de mediareserves in te zetten om de vermindering in budget op te vangen maar deze reserves zijn na 2019 zodanig uitgeput dat dit geen structurele oplossing biedt? Hoe kan de Minister op basis van de inzet van deze middelen redeneren dat de programmering hiermee kan worden overzien als het bedrag het tekort niet afdekt en ook niet structureel is, zo vragen zij.

Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie

De leden van de ChristenUnie-fractie hechten aan een onafhankelijke publieke omroep die waarden als pluriformiteit en een brede verankering in de samenleving borgt, en waar ruimte is voor kwalitatieve, onafhankelijke nieuwsvoorziening.

Het belang hiervan neemt alleen maar toe in een samenleving waarin verschillen tussen mensen juist worden vergroot en de verdraagzaamheid onder druk staat. De publieke omroep vertegenwoordigt daarin de hele samenleving.

De leden constateren dat er de afgelopen tijd veel onrust is ontstaan over de gevolgen van de terugvallende reclame-inkomsten bij de publieke omroep. Er zijn diverse plannen van de NPO naar buiten gebracht over journalistieke en levensbeschouwelijke programma’s die mogelijk moeten verdwijnen. De leden vragen bevestiging van de Minister dat het tot nu toe om conceptplannen gaat en dat er nog geen concrete besluiten voorliggen.

De leden vinden het goed dat de Minister heeft aangegeven dat hij betrokken wil worden bij de verdere keuzes die de NPO maakt. Omdat de keuzes van de NPO kunnen van grote invloed zijn op de maatschappelijke relevantie van de publieke omroep. De leden vragen de Minister welke mogelijkheden hij ziet om invloed uit te oefenen op de keuzes die de NPO gaat maken. En hoe hij kan borgen dat er daadwerkelijk een pluriform en kwalitatief hoogwaardig aanbod blijft bestaan, dat past bij de kerntaken van de publieke omroep.

De leden vragen aandacht voor levensbeschouwing als een belangrijk onderdeel van de publieke waarde. In het concessiebeleidsplan van de NPO staat dat de weerspiegeling van levensbeschouwing in het media-aanbod vanzelfsprekend onderdeel van de opdracht van de publieke omroep is en blijft. Deelt de Minister de mening van de leden dat levensbeschouwing een onmisbaar onderdeel van de publieke omroep is? Hoe kan hij bewaken dat de NPO zich houdt aan de afspraken in het concessiebeleidsplan en dat bepaalde omroeporganisaties niet disproportioneel geraakt worden door de bezuinigingen?

De leden roepen in herinnering dat er dankzij de motie van het lid Bikker c.s. (Kamerstuk 34 264, M) geoormerkt budget is voor het type programmering dat de opgeheven oude kleine levensbeschouwelijke omroepen verzorgden, de zogenaamde 2.42-omroepen. De leden vragen bevestiging dat het geoormerkte budget van € 12 miljoen onaangetast blijft. De betreffende motie verzocht echter ook om daarnaast ruimte en budget vrij te blijven maken voor brede levensbeschouwelijke programmering en dit vast te leggen in de prestatieovereenkomst met de NPO. De leden vragen de Minister of hij op deze motie kan reflecteren in het licht van de huidige discussie en hoe hij kan zorgen dat deze belangrijke pijler van de publieke omroep bewaakt wordt.

Voorts lezen de leden in de brief van de Minister dat hij wil dat de omroepen in het komende jaar hun eigen mediareserves aanspreken. Het is positief als daardoor de programmering kan worden ontzien, maar de leden vragen de Minister wel wat de consequenties hiervan zijn. Heeft de Minister een beeld van het verschil in reserves tussen de omroeporganisaties? Kan dit tot gevolg hebben dat bepaalde omroepverenigingen veel harder getroffen worden door de budgetkorting dan andere omroepverenigingen? Deelt de Minister de mening dat het vanuit het oogpunt van goede bedrijfsvoering en risicobeheersing belangrijk is dat omroeporganisaties reserves blijven aanhouden? Wat zijn dan de gevolgen van het inzetten van deze reserves?

Tevens zijn de leden van mening dat het vraagstuk over de financiering van de publieke omroep aan een breder vraagstuk raakt: hoe moet ons mediabestel er in de toekomst uitzien? Deze leden vragen hierover de mening van de Minister.

De trend dat de reclame-inkomsten dalen is al jarenlang zichtbaar en zal hoogstwaarschijnlijk doorzetten. De discussies over het NPO-budget zullen dus blijven terugkeren. De leden vragen de Minister of hij bereid is scenario’s in kaart te brengen voor de lopende concessieperiode hoe om te gaan met het vraagstuk van de terugvallende reclame-inkomsten.

De leden constateren dat niet alleen de publieke omroep onder druk staat, maar de hele audiovisuele sector. Het kijkgedrag van Nederlandse consumenten is sterk aan het veranderen. De Raad voor Cultuur schetst in haar advies de sterke toename aan internationaal aanbod dat wordt gedistribueerd en vertoond door internationale spelers zoals Netflix. Deze ontwikkelingen zorgen, volgens de Raad, voor een ongelijk speelveld. Het leidt tot vragen over de financiering van content van eigen bodem, maar ook over de toegankelijkheid en zichtbaarheid van dat aanbod. De leden maken zich hier zorgen over. Wat hen betreft is er een brede en integrale visie nodig op de toekomst van het mediabestel. Daarbij moet het gaan over de organisatievorm van de publieke omroep en de plek van de omroeporganisaties daarbinnen, over de samenwerking tussen commerciële en publieke omroepen, over het financieringssysteem van de audiovisuele sector, over de toegankelijkheid van content van eigen bodem, over de regels voor internationale aanbieders, enzovoort. De leden vragen hierover de mening van de Minister.

De leden constateren dat de Minister een breed overleg met alle betrokken partijen heeft geïnitieerd over de toekomst van het medialandschap. Zij vragen de Minister hoe hij dit verder wil aanpakken en welk tijdpad hij daarbij voor ogen heeft.

Voorts zijn de leden blij met de forse investering in de onderzoeksjournalistiek, die in het regeerakkoord is afgesproken en die nu door de Minister is uitgewerkt. Kwalitatief goede onderzoeksjournalistiek is van cruciaal belang voor het goed functioneren van onze democratische rechtsstaat. In Nederland hebben we de persvrijheid hoog in het vaandel en niet voor niets. De macht moet gecontroleerd en waar nodig gecorrigeerd kunnen worden door onafhankelijke journalisten en betrouwbare journalistiek. Dit geldt niet alleen voor landelijke, maar zeker ook voor regionale en lokale media. Daarom zijn de leden verheugd dat de investering van € 5 miljoen juist ook naar de versterking en innovatie van lokale en regionale media gaat.

Tevens waarderen de leden het dat er stappen worden gezet om regionale content via de kanalen van de NPO uit te zenden, de zogenaamde vensterprogrammering. De leden waarderen het dat de Minister een manier heeft gevonden om het budget hiervoor los te maken. De leden vragen of de Minister bereid is dit geld spoedig beschikbaar te stellen zodat nog in januari 2019 kan worden gestart met de pilot. De leden vinden het van belang om te benadrukken dat dit echt snel van de grond moet komen en vragen om een reactie van de Minister op dit punt.

De leden zijn voorts van mening dat ook de lokale omroepen een belangrijke rol vervullen in het medialandschap en in onze democratie. Het is van belang dat zij kunnen beschikken over adequate financiering. Daarom is het goed dat er met de brancheorganisatie en met de VNG20 een richtsnoerbedrag is afgesproken voor het bedrag per huishouden waarmee gemeenten de lokale publieke omroep bekostigen. De leden waarderen het dat de Minister hierover opnieuw in gesprek gaat, omdat op dit moment nog maar 79% van de gemeenten voldoet aan het richtsnoerbedrag. Deze leden roepen de Minister op om te bezien hoe dit richtsnoerbedrag verplicht kan worden gesteld voor gemeenten en vragen de Minister om een reactie op dit punt.

Tot slot willen de leden aandacht vragen voor de kosten van kranten. De krantensector heeft het al behoorlijk zwaar, vanwege teruglopende aantallen abonnees en de teruglopende advertentie-inkomsten. Nu dreigt door de btw-verhoging de prijs van kranten nog verder opgedreven te worden. Daarnaast kunnen de zzp-plannen van het kabinet ertoe leiden dat alle 20.000 krantenbezorgers in ons land een dienstverband moeten krijgen, omdat ze onder het voorgenomen minimumtarief vallen. Ze mogen dan niet meer werken met een zogenaamde «overeenkomst van opdracht», terwijl ze dat al decennialang doen. Dit zou forse gevolgen hebben voor de branche en het zou de prijs van kranten flink hoger maken. De leden vragen of de Minister binnen het kabinet aandacht kan vragen voor deze punten en of hij kan bezien hoe onbedoelde negatieve effecten van de kabinetsplannen voorkomen kunnen worden.

Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie

De leden van de 50PLUS-fractie constateren dat het kabinet fors wil bezuinigen op de publieke omroep. Het budget van de publieke omroep wordt voor een deel bekostigd uit de reclame-inkomsten van de STER. Die inkomsten dalen en die trend zal zich doorzetten, zo is de verwachting. Daarom, zo redeneert het kabinet, moet het mes in het budget van de NPO. Deze leden van zijn mordicus tegen deze bezuiniging.

Voor volgend jaar is een bezuiniging van € 62 miljoen voorzien. Het budget gaat, na diverse eerdere kortingen, terug naar € 740 miljoen. De leden van deze fractie menen dat dat merkbaar zal worden in de vorm van een ernstige verschraling van het programma-aanbod. Zeker overdag wanneer ouderen – die van dit kabinet steeds langer thuis moeten blijven wonen – juist nog wat verstrooiing vinden bij interessante dagprogramma’s.

Goede, waardevolle programma’s zoals het geschiedenisprogramma Andere Tijden, zo merken deze leden op, dreigen gehalveerd te worden. Ook het actualiteitenprogramma Brandpunt+ staat op de tocht. Onderzoeksjournalistieke programma’s als Tegenlicht en Argos van de VPRO moeten vrezen voor een inkrimping van het budget, zo melden meerdere media. Klopt deze berichtgeving, zo vragen deze leden. Een ander gevolg is waarschijnlijk dat er gekort gaat worden op het budget voor Nederlandse dramaproducties. De Minister stelt voor relatief dure eigen producties te verruilen voor relatief goedkope buitenlandse producties en series. De leden benadrukken dat het hier gaat over programma’s die nauw verbonden zijn met onze eigen identiteit en met onze eigen geschiedenis. Deze leden zijn van mening dat Nederlandse dramaseries een grote rol hebben gespeeld in de succesvolle homo-emancipatie in dit land.

Door slim te lobbyen bij producenten en drama-auteurs kon in de jaren tachtig bijvoorbeeld door de huidige fractievoorzitter van 50PLUS bewerkstelligd worden dat er in veel van die series gewone, normale mensen die toevallig ook nog eens homoseksueel waren, figureerden.

Dat heeft, zo menen deze leden, bijgedragen tot positieve beeldvorming. Een schril contrast met het beeld dat er destijds vaak in buitenlandse series zoals Are you being served werd geschetst, waarin typetjes als Mr. Humpfries alle oude vooroordelen rondom homoseksuelen bevestigden. Die voorbeeldfunctie voor onze normen en waarden op diverse terreinen is nog steeds hard nodig volgens de leden. Deelt de Minister die mening?

De leden van deze fractie wijzen er op dat wij een publieke omroep hebben om trots op te zijn. Een publieke omroep die zorgt voor een fantastisch diepgaand en gevarieerd programma-aanbod en dat tegen een prijs per hoofd van de bevolking die veel lager is dan in de meeste buurlanden. Kan de Minister hiervan een overzicht geven? Natuurlijk wordt er ook wel eens gemopperd dat de publieke omroep politiek te gekleurd zou zijn. Soms is men geneigd te denken dat dat klopt. Uit cijfers van omroep WNL blijkt dat een deel van de bevolking zich niet vertegenwoordigd voelt in de «kleur» die ze bij de «oude» omroepen bespeuren. Kent de Minister deze cijfers? Wat wil hij gaan doen om dit recht te trekken?

De leden zijn tegen de onnodig harde bezuinigingen op de publieke omroep die nu op tafel liggen. Een budgetverhoging zou, volgens deze leden, eerder op zijn plaats zijn. Deze leden zijn van mening, dat een kaalslag moet worden voorkomen op het gebied van drama, waardevolle geschiedenisprogramma’s en een verdere verzwakking van de journalistieke taak van de NPO. Er moet, volgens deze leden, minder bezuinigd worden. Alleen bezuinigen indien noodzakelijk en waar het op verantwoorde wijze kan, maar niet ten koste van waardevolle programma’s zoals Nieuwsuur, Zembla, De Monitor en Andere Tijden. Andere Tijden is een programma waar ouderen erg graag naar kijken, maar dat ook voor jongeren zeer nuttig is. Als we historisch besef bij de jeugd willen stimuleren, is een dergelijk programma goud waard, zo menen deze leden. Waarom is een prima en populair programma zoals Goedemorgen Nederland alléén in de winter te zien en niet het hele jaar door? Volgens de leden duurt, door de bezuinigingen uit het verleden, de zomerprogrammering überhaupt al veel te lang.

Het is volgens deze leden begrijpelijk dat de publieke omroep voortdurend zoekt naar mogelijkheden om een jonger publiek te bedienen. Jongeren kijken immers steeds minder tv en als ze het al doen, dan is het vaak «on demand». De pogingen om een jonger publiek te trekken, lijken nu ten koste te gaan van de harde kern van het publiek dat nog wel veel televisie kijkt, dat overwegend ouderen zijn. Ouderen kijken graag en veel naar nieuwsprogramma’s en programma’s als Andere Tijden. Als deze doelgroep straks slechter bediend wordt, spant de NPO het paard achter de wagen. Het is bovendien maar zeer de vraag of het meer jongere kijkers oplevert, zo menen deze leden.

De leden vragen aanvullend nog of de Minister kan bevorderen dat NPO Politiek op alle Nederlandse kabelnetten gratis te ontvangen is en niet, zoals nu vaak het geval is, achter de decoder zit.

Voorts merken deze leden op dat het voor de pluriformiteit – nu de ledenaantallen bij alle omroepen drastisch slinken – ook een goede zaak is dat kleine zendgemachtigden zoals WNL, PowNed en Human blijven bestaan. Ze zijn, zo menen deze leden, een waardevolle aanvulling van het systeem. Kan de Minister een regeling treffen om hen te behouden?

Ten slotte willen de leden nog een suggestie doen als het gaat om de frequenties van Radio 3 en Radio 5. Radio 3 heeft een probleem omdat jongeren steeds minder naar radiozenders luisteren. Ze gebruiken Spotify of andere kanalen voor het luisteren naar muziek. Radio 5 daarentegen is erg populair onder ouderen. De voornoemde leden stellen voor om de frequenties van die twee zenders om te wisselen, zodat ouderen via FM naar Radio 5 kunnen luisteren, thuis en in de auto. Jongeren ondervinden hier nauwelijks nadeel van en ouderen worden er mee geholpen. De eerder genoemde leden vragen wat de Minister van dit idee vindt.

Vragen en opmerkingen van de leden van de DENK-fractie

De leden van de DENK-fractie zijn tegen de bezuinigingen op de NPO. Maar zij vinden dat de NPO dan wel iets terug moet doen. Meer diversiteit in de redacties. Minder eenzijdige berichtgeving over moslims, imams, moskeeën en de islam. Een evenredig bereik onder mensen met een niet-westerse migratieachtergrond.

Ook staan de leden van de genoemde fractie positief tegenover het gewaagde plan van Paul Römer om omroepbobo’s weg te snoeien zodat er meer ruimte voor programma’s komt, om omroepen als een soort productiebedrijven een ideeënstrijd aan te laten gaan, met in eerste instantie een bevoorrechte positie ten opzichte van andere partijen maar met wel de opgave om die bevoorrechte positie keer op keer te verdedigen en waar te maken. De leden juichen gewaagde plannen altijd toe. Een dergelijk alternatief idee moet je in ieder geval onderzoeken dan kun je later besluiten om het wel of niet te doen, zo menen deze leden. Zo doet DENK dat zelf ook. Is de Minister bereid het alternatieve stelsel van Paul Römer constructief-kritisch te bezien en de voordelen en nadelen in kaart te brengen? Iemand die zijn nek uitsteekt, moet immers niet in een bureaula verdwijnen, die moet gehoord worden.

De leden snappen dat er een lobby op gang komt van programma’s waarop bezuinigd dreigt te worden. Zij hebben sympathie voor die lobby, want wie in nood is, slaakt natuurlijk een noodkreet, al moet niet het principe gelden dat alleen de luidruchtigste programma’s worden gered. Welke programma’s hebben de Minister allemaal een brief gestuurd? Klopt de opmerking van Brandpunt dat de bijdrage van NPO1 aan de bezuinigingen onevenredig klein is? En als dat zo is, vindt de Minister het dan niet teleurstellend dat er relatief weinig op entertainment wordt bezuinigd en relatief veel op journalistieke, historische en culturele programma’s? Kan de Minister hier iets aan doen? Wil de Minister hier iets aan doen?

Wat vindt de Minister van de suggestie van Brandpunt om de € 20 miljoen die omroepen in verband met een prijsindexatie extra krijgen, gericht in te zetten ter versterking van (onderzoeks-) journalistiek op tv? Wat vindt de Minister van de oproep het programma Andere Tijden om het (toch al wat povere) Nederlandse historische besef niet te halveren maar het programma wekelijks te laten voortbestaan? Wat kan hij doen om tegemoet te komen aan de noodkreet van Hans Goedkoop, Abdelkader Benali, Noraly Beyer, Taco Dibbets, Wierd Duk, Karwan Fatah-Black, Yvonne van Genugten, Hanneke Groenteman, Murat Isak, Lotte Jensen, Stine Jensen, Nynke de Jong, Ranomi Kromowidjojo, Annemarie Laven, Jan Marijnissen, Dorrit Matena, Eppo van Nispen tot Sevenaer, Frits van Oostrom, Peter den Oudsten, Maarten Prak, Robert Jan Stips, Jan Terlouw, Diederik van Vleuten, Simone van der Vlugt, Marja Vuijsje, Hans Wiegel en Bernard Wientjes? En nu we het toch over geschiedenis hebben, is de Minister bereid om een historisch gebaar te maken en excuses te maken voor het Nederlandse slavernijverleden, zo vragen deze leden.

De leden vragen of de Minister weet in hoeverre mensen met een niet-westerse migratieachtergrond naar de NPO kijken? Als hij dat niet weet, is hij bereid om dat te onderzoeken? Deze groep van 2,2 miljoen Nederlanders (ruim 12% van de bevolking) zou idealiter ook 12% van het kijkerspubliek moeten zijn. Is de Minister dat met deze leden eens? Heeft de Minister ook het gevoel dat deze groep net als jongeren relatief weinig naar de NPO kijkt? Is de Minister bereid om net als bij de jongeren ook initiatieven aan te jagen om de NPO aantrekkelijker te maken voor mensen met een niet-westerse migratieachtergrond? De publieke omroep is toch van en voor ons allemaal, zo vragen de leden.

Deze leden merken op dat we in Nederland de SKO21 hebben. Deze stichting werkt met een panel waarvan zij zeggen dat het een representatieve steekproef van de bevolking is: een representatief aantal jongeren, vrouwen en hoger opgeleiden, lezen deze leden op hun website. Kan de Minister uitzoeken of ze een representatief aantal mensen met een migratieachtergrond in hun panel hebben? Als dat niet zo is, kan hij de SKO dan vragen om deze groep wel representatief in het panel op te nemen?

De leden vinden dat er meer diversiteit bij de mediaredacties moet komen, en ook meer diversiteit bij besluitvormers in de top. Dat betekent ook meer mensen met een niet-westerse migratieachtergrond. De leden merken dat dat dan niet alleen de mensen, die hun religie hebben afgezworen, betreft maar ook meer traditionele en gelovige mensen, mensen die weten wat er in bepaalde bevolkingsgroepen leeft en speelt, hoe er gedacht wordt. Wat kan de Minister doen om de diversiteit op de redacties en in de top te verbeteren? Is hij bereid alle omroepen aan te moedigen het Charter Diversiteit te ondertekenen? Is hij bereid om dit een voorwaarde voor subsidieverlening te maken, omdat het toch ongepast zou zijn als omroepen weigeren het Charter Diversiteit te ondertekenen?

De leden horen de media vaak zeggen: «Wij controleren de macht. Wij controleren de politiek.» Dat is natuurlijk heel goed. Maar de leden vragen zich dan wel af: wie controleert de media? Want de macht van de media is groot, we leven in een mediamaatschappij. Ze kunnen mensen maken en breken. Soms is dat terecht, maar soms is dat ook niet terecht. In dat laatste geval sta je als burger en als politicus machteloos. Naar wie kun je toe als je door de media onterecht wordt besmeurd? Je kunt naar de Raad voor Journalistiek, maar dat kan niet altijd. Soms hebben media een ombudsman, maar omdat die van de media zelf is, is deze niet onafhankelijk. Je kunt ook naar de rechter, maar dat is een dure en tijdrovende zaak voor alle betrokkenen. Daarom willen deze leden een voorstel doen. We hebben in Nederland een Nationale ombudsman en een Kinderombudsman. Laten we ook een Media Ombudsman optuigen. Een volstrekt onafhankelijke media ombudsman, niet iemand vanuit de media of vanuit de politiek zelf. Wat vindt de Minister van dit idee?

De leden hebben eerder voor een «journalistieke eed» gepleit, vergelijkbaar met de eed van artsen en de eed van bankiers. De voorganger van de Minister, Staatssecretaris Dekker, heeft destijds toegezegd dat hij dit punt aan de orde zou stellen bij een bijeenkomst met de Nederlandse Vereniging van Journalisten over de kwaliteit van de journalistiek. Kan de Minister aangeven wat er met deze toezegging is gebeurd? Waren de journalisten razend enthousiast over een journalistieke eed of wilden ze hun pennen en tongen hier liever niet aan branden? Kan de Minister de Kamer een verslag van de bijeenkomst doen toekomen?

De leden willen van de Minister graag de verdeling weten tussen de subsidies voor landelijke en regionale omroepen. Hoeveel procent van het geld gaat naar landelijke omroepen en hoeveel procent naar regionale omroepen? Vindt de Minister deze verhouding in balans? Zou er niet relatief meer geld naar de regionale omroepen moeten gaan? Hoe kan de samenwerking tussen landelijke en regionale omroepen worden versterkt?

Voorts vragen deze leden wat de Minister vindt van de klacht van onder meer nu.nl dat de NPO websites oneigenlijke concurrentie voor hen zijn. Wat vindt de Minister van de oproep van onder meer nu.nl om het subsidiegeld voor NPO websites te beperken en om beelden van de NPO na uitzending vrij te geven voor gebruik door derden, zoals uitgevers?

De leden sluiten af met: Nederland is van ons allemaal. De publieke omroep is van ons allemaal. Is de Minister dat met de leden eens, zo vragen zij.

II Reactie Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media

1. Algemeen

Ik dank de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor de schriftelijke inbreng van de fracties over een aantal brieven over media en journalistiek. De leden van de verschillende fracties hebben met belangstelling kennisgenomen van de brieven. Hieronder zal ik antwoorden op de vele verschillende vragen die de leden stellen. Maar voordat ik dat doe wil ik ter inleiding een paar algemene opmerkingen maken.

In mijn mediabegrotingsbrief 2018 (Kamerstuk 34 775 VIII, nr. 31) heb ik de essentiële rol van de publieke omroep voor onze samenleving benadrukt. De publieke omroep borgt publieke waarden: de veelkleurigheid, de onafhankelijkheid en de toegankelijkheid van het publieke media-aanbod met een variatie aan programma’s zijn niet alleen een bron van informatie, cultuur en educatie, maar ook een samenbindende factor.

We zien daarnaast een ontwikkeling waarbij consumenten kunnen kiezen uit een onbegrensd aanbod van informatie en entertainment van over de hele wereld. Grote, wereldwijd opererende bedrijven drukken hun stempel op het media-aanbod. En nieuws en informatie komen niet meer alleen van gerenommeerde en gezaghebbende journalistieke organisaties tot ons. Informatie is overal en komt van alle kanten en de bron is vaak niet duidelijk.

Het is gelet op die ontwikkelingen belangrijk om een publieke omroep te hebben die een herkenbare, betrouwbare en voor iedereen veilige bron van informatie is. Op landelijk, regionaal en lokaal niveau. Het is van essentieel belang om een goed journalistiek klimaat te hebben, waarin betrouwbare en onafhankelijke nieuwsgaring, nieuwsduiding en onderzoeksjournalistiek kunnen gedijen. Het is ten slotte zaak dat we werken aan versterking van de hele Nederlandse mediasector, zodat blijvend geïnvesteerd kan worden in de productie van unieke Nederlandse content. Dit zijn drie forse uitdagingen, niet alleen voor het kabinet, maar voor de hele Nederlandse media- en journalistieke sector.

Gelet op de financiële situatie van de mediabegroting zijn er echter grote zorgen die ook in de vragen van de leden van de verschillende fracties doorklinken. Ik constateer dat de leden van alle fracties veel vragen stellen over de dalende Ster-inkomsten en de budgettaire gevolgen daarvan voor de publieke omroep. Veel leden benoemen de aangekondigde budgetverlaging als een bezuiniging van dit kabinet. Ik begrijp die associatie. In het regeerakkoord, in de diverse brieven die ik aan uw Kamer heb gestuurd noch in het mondelinge debat over de mediabegroting eind vorig jaar zult u echter het woord «bezuiniging» aantreffen. Wat uw Kamer wel aantreft, is de ambitie van dit kabinet om een sterke publieke omroep, op alle niveaus, te handhaven. Dat is een mooie opdracht, maar stelt mij ook voor een zware opgave, of dilemma zo u wilt. Ik zie mij namelijk geconfronteerd met een tegenvallende financiële situatie die onverwacht snel is gekomen. Die situatie dwingt mij om de inkomsten en de uitgaven van de mediabegroting in balans te brengen. In de afgelopen jaren kon de algemene mediareserve nog gebruikt worden, maar dat lukt niet meer. Bij de huidige stand zal dat onvermijdelijk negatieve gevolgen voor het budget van de publieke omroep hebben. Dat is geen bewuste beleidskeuze van het kabinet om te bezuinigen, maar een feitelijke noodzaak. Feit is namelijk dat de mediabegroting gevoed wordt met Ster-inkomsten. Als die inkomsten dalen en er is geen bron om dat te compenseren, dan is er voor de publieke omroep minder geld beschikbaar.

Het is nuttig, zoals de leden van enkele fracties ook vragen, om terug te kijken hoe dat zo is gekomen en of er alert genoeg gereageerd is. Maar het is belangrijker om vooruit te kijken. Ik wil namelijk voorkomen dat de ontwikkelingen over ons heen rollen en ondertussen de publieke omroep aan relevantie verliest, de journalistieke sector kwetsbaarder wordt en het Nederlandse medialandschap en -aanbod verschraalt.

Ik zet mij daar als volgt voor in:

  • Wat betreft de publieke omroep zullen er keuzes gemaakt moeten worden, zowel in programmering als in organisatie. Daarvoor heb ik de NPO om een plan gevraagd. Ik heb de raad van bestuur van de NPO uitgenodigd om het plan met mij te bespreken om een beter beeld te krijgen van de invulling en (financiële) gevolgen van het plan. Ik teken hier wel bij aan dat het – conform haar wettelijke taak – aan de NPO is om de programmatische keuzes te maken.

  • Ik heb de publieke omroep geïnformeerd dat volgend jaar de aanwezige en inzetbare mediareserves benut moeten worden. Dat verlicht de financiële opgave voor 2019. Ik ga er van uit dat hierdoor de programmering kan worden ontzien, en dat dat enige tijd biedt om te kijken naar een goede invulling van het budget in de jaren daarna.

  • Ik zal met de NPO nader spreken over de benutting van mogelijkheden om de eigen inkomsten te vergroten.

  • Met het oog op de lange termijn ga ik de tijd tot aan de nieuwe erkenningsperiode benutten om te werken aan een visie op de publieke omroep voor de langere termijn, met als doel een sterke pluriforme publieke omroep te behouden met een kwalitatief, pluriform, inclusief media-aanbod.

  • Ik wil daarnaast met betrokken publieke en private partijen werken aan versterking van de mediasector. Ik ben inmiddels gesprekken gestart met een breed scala aan partijen in de mediasector over een strategische agenda voor de toekomst voor de media in Nederland.

  • Ter bevordering van de regionale en lokale informatievoorziening zal ik ervoor zorgen dat het extra structurele budget van € 5 mln. dat in het regeerakkoord is vrijgemaakt voor onderzoeksjournalistiek vooral op regionaal en lokaal niveau terechtkomt.

Ik zie dat er bij alle fracties zorg bestaat over de positie van de publieke omroep en de publieke programmering. Enkele fracties zeggen expliciet te staan voor behoud van een sterke publieke omroep. Dat waardeer ik en beschouw ik als een belangrijke steun voor mijn beleid. Hieronder ga ik in op de vragen die door de leden van de verschillende fracties zijn gesteld. Ik volg daarbij de indeling van het verslag van de commissie.

2. Een aantal brieven over media en journalistiek

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

Volgens de leden van de VVD-fractie draagt het recente bericht in de media dat de top van de NPO de NSOB nadrukkelijk heeft gevraagd haar onderzoek genaamd «De waarde van de NPO in een veranderend medialandschap» niet openbaar te maken niet bij aan het beeld van een transparante NPO. Zij vragen of de Minister kan bevestigen dat het volledige onderzoeksrapport inmiddels toch openbaar is gemaakt.

Ja. Dit onderzoek is inmiddels openbaar en door iedereen op te vragen bij de NSOB.

Bij vorige debatten hebben de leden van de VVD-fractie al twijfels geuit bij initiatieven als NPO Start Plus, terwijl er bijvoorbeeld door andere mediaspelers ook gewerkt wordt aan videoplatform NLZIET en vragen waarom je als NPO een applicatie zou ontwikkelen waarvoor je extra moet betalen, maar die qua kwaliteit en aanbod nooit kan concurreren met applicaties van commerciële bedrijven?

De publieke omroep moet het publiek kunnen bereiken via alle geschikte en beschikbare verspreidingstechnieken die aansluiten bij het mediagebruik van het publiek en heeft daarin ook een wettelijke innoverende taak. Dus ook via het internet en alle andere mogelijke vormen van online en mobiele diensten. Om ook via het internet het publiek te kunnen bedienen, is door de NPO de gratis beschikbare NPO Start-website en app ontwikkeld en de betaalde versie NPO Start Plus. Behalve als onderdeel van NLZiet biedt de NPO de dienst NPO Start Plus ook aan als eigen stand alone-dienst, net als overigens andere deelnemers in NLZiet doen. Voor NPO Start Plus als stand alone-dienst is door mijn ambtsvoorganger instemming verleend. Overwegingen daarbij waren dat de NPO voor het aanbieden van online diensten niet volledig afhankelijk wil zijn van platforms van derden en dat de toegankelijkheid en keuzemogelijkheden voor het publiek worden vergroot. Het publiek kan zo kiezen voor het afnemen en betalen voor één gezamenlijke dienst, of voor slechts één of twee afzonderlijke diensten. Instemming met NPO Start Plus was ook noodzakelijk om de samenwerking in NLZiet te kunnen voortzetten.

De leden van de VVD-fractie merken op dat de Raad voor Cultuur nadrukkelijk adviseert om de focus te leggen op NLZIET en vragen hoe de Minister kijkt naar dit advies en of hij bereid is dit advies actief te betrekken bij de gesprekken met de NPO.

De aanbeveling van de Raad voor Cultuur neem ik mee in de gesprekken die ik ben gestart over de bredere strategische agenda voor de toekomst van de mediasector in Nederland.

De leden van de VVD-fractie vragen de Minister in de gesprekken die hij voert met de sector te bezien in hoeverre de publieke omroep kan samenwerken met commerciële zenders. Zijn hier aanpassingen van de Mediawet 2008 voor nodig zo vragen zij.

Samenwerkingen tussen publieke en private organisaties zijn altijd gebonden aan de kaders van de Europese staatssteunregels en de toepassing daarvan zoals vastgelegd in de Europese Omroepmededeling uit 2009. Er is een mogelijkheid dat de gesprekken leiden tot een plan waarvoor een aanpassing van de Mediawet 2008 nodig is. Ik wil daar niet op vooruit lopen.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de Minister kijkt naar het plan van aanpak dat de NPO heeft opgesteld om het tekort van circa € 62 miljoen door de teruglopende STER-inkomsten op te vangen. Wat deze leden betreft was dit een mooie kans voor de NPO om nader in te gaan op de analyse waarom de STER-inkomsten gedaald zijn, hoe hier wel of niet tijdig op geanticipeerd is, een toelichting te geven op hoe de NPO de toekomst ziet en hoe men van plan is om een toekomstbestendig publieke omroep neer te zetten. Helaas ontbreekt deze context. Mist de Minister deze context ook en is de Minister van plan om hierover het gesprek aan te gaan met de NPO zo vragen deze leden.

De acute financiële situatie van de mediabegroting en de gevolgen daarvan voor het budget van de publieke omroep vragen om urgente maatregelen. Daarom heb ik de NPO om een plan gevraagd. Het plan beschrijft op hoofdlijnen hoe de NPO wil inspelen op de voorgenomen verlaging van de financiële bijdrage van OCW aan de landelijke publieke omroep met ingang van 2019. Ik heb de raad van bestuur van de NPO uitgenodigd om het plan met mij te bespreken om een beter beeld te krijgen van de invulling en (financiële) gevolgen van het plan. Het is – conform haar wettelijke taak – aan de NPO om de programmatische keuzes te maken. Ik kan daar met de NPO over spreken, maar gelet op de (grond)wettelijke onafhankelijkheid van de publieke omroep zijn mijn beïnvloedingsmogelijkheden begrensd. Ik zal uw Kamer in mijn mediabegrotingsbrief voor 2019 informeren over de resultaten, ook tegen het beeld van de geraamde Ster-inkomsten.

In mijn antwoord op de vragen van de leden van de VVD-fractie hierna of de verhoging van de Ster-inkomsten in het plan van de NPO realistisch is, ga ik in op de analyse van de dalende Ster-inkomsten.

De leden van de VVD-fractie vinden dat meer transparantie over de uitgaven door de NPO kan bijdragen aan het publieke debat omtrent de diverse opties. Deze leden vragen hoe de Minister hier naar kijkt en of hij bereid is het belang van voldoende transparantie over te brengen aan de NPO zodat draagvlak kan worden gevonden voor het te nemen besluit.

Over transparantie van de kosten van de landelijke publieke omroep zijn voorschriften opgenomen in een ministeriële regeling die betrekking heeft op de jaarverslaggeving van de NPO, de Ster en de omroepen. Hierin zijn onder andere voorschriften opgenomen die voorzien in transparantie van kosten op genreniveau. Momenteel ben ik bezig om deze regeling te herzien. Ik zal daarbij kijken in hoeverre meer transparantie kan worden gecreëerd.

In het plan van aanpak wordt gesproken over het verhogen van de STER-inkomsten. De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre de Minister dit realistisch acht gezien het rapport van EY dat concludeert dat de daling van structurele aard is.

Ten aanzien van de Ster-inkomsten heeft EY in kaart gebracht in hoeverre die kunnen worden verhoogd door aanpassing van het huidige reclamebeleid van de NPO. EY concludeert op basis van dit onderzoek dat de online Ster-inkomsten significant kunnen worden verhoogd, maar signaleert daarbij wel twee aandachtspunten. Het eerste aandachtspunt houdt verband met de privacywet- en regelgeving. In reclame spelen persoonsgegevens namelijk steeds vaker een rol. Dit zorgt ervoor dat de naleving van privacywet- en regelgeving complex is. Het tweede aandachtspunt is dat de realisatie van online reclame-opties afhankelijk is van nauwe samenwerking tussen Ster, NPO en omroepen. Deze samenwerking heeft EY ook in zijn eerste onderzoek als aandachtspunt geïdentificeerd. EY heeft in dit verband geconstateerd dat de mogelijkheden van het toenmalige online reclamebeleid van de NPO niet werden benut.

Het plan van aanpak van de NPO gaat uit van een stijging van de online reclame-inkomsten van de Ster. Dit is volgens de NPO mogelijk omdat ze haar beleid voor Ster-reclame op internet heeft aangepast. Gelet op de voorgenoemde twee aandachtspunten ben ik echter vooralsnog niet van plan om deze aanname van de NPO over te nemen in de raming van de reclame-inkomsten in de rijksbegroting. De huidige ontwikkeling van de online reclame-inkomsten van de Ster geeft hier vooralsnog ook geen aanleiding toe.

In verschillende media lezen de leden van de VVD-fractie dat de NPO zou overwegen haar inkomsten te vergroten door programma’s achter een online betaalmuur te zetten of telecomaanbieders aanzienlijk meer te laten betalen voor de wettelijk verplichte doorgifte van NPO-kanalen via hun netwerken. Klopt het dat de belastingbetaler in dat geval drie keer voor de publieke omroep zou betalen; via de belasting, om programma's online te bekijken en via een duurder televisieabonnement en wat vindt de Minister hiervan zo vragen zij.

De enige dienst waarvoor de NPO op dit moment betaling vraagt is NPO Start Plus. Ik heb geen aanvragen ontvangen voor nieuwe aanbodkanalen of wijzigingen op bestaande aanbodkanalen waarvoor de publieke omroep betaling van het publiek vraagt. Behalve via de ether is de publieke omroep voor de distributie van het media-aanbod aangewezen op distributeurs en pakketaanbieders en is ook het publiek voor de ontvangst aangewezen op de diensten van distributeurs, internetproviders en pakketaanbieders. Het publiek betaalt daarvoor een abonnement. Het publiek betaalt in dat geval niet specifiek voor de programma’s van de publieke omroep, maar voor een groter pakket aan zenders en diensten. Distributeurs en pakketaanbieders verdienen aan de doorgifte van onder andere de publieke zenders. Dan is het ook redelijk dat de publieke omroep daar een vergoeding voor krijgt.

De leden van de VVD-fractie vragen of de Minister kan reflecteren op het plan dat NTR -directeur Paul Römer heeft gepresenteerd om de publieke omroep toekomstbestendig te maken. Wordt hierover gesproken en is het mogelijk binnen dit plan de pluriformiteit te garanderen, zo vragen deze leden.

Mijn inzet is om de meerwaarde van de publieke omroep en de pluriformiteit voor de toekomst overeind te houden. Aan de discussie over hoe dat het beste kan gebeuren, kan iedereen zijn bijdrage leveren. In dat licht heb ik kennis genomen van de ideeën van de heer Römer en waardeer zijn bijdrage aan het debat. Ik zal die betrekken bij het werken aan mijn langetermijnvisie voor de publieke omroep.

De leden van de VVD-fractie willen de Minister verzoeken om op korte termijn met de drie aspirant-omroepen in gesprek te gaan over hoe zij aankijken tegen hun rol en positie in de nieuwe concessieperiode en de Kamer hierover te informeren tijdens het eerste algemeen overleg na het zomerreces.

De huidige aspirant-omroepen hebben bij de laatste erkenningverlening al bij wijze van tweede kans de mogelijkheid gekregen om een extra termijn van vijf jaar hun bijzondere positie in het bestel te behouden. Op initiatief van de aspirant-omroepen zijn er op ambtelijk niveau informatieve gesprekken geweest over de komende erkenningperiode. Daarbij hebben de aspirant-omroepen ideeën naar voren gebracht over het behoud van hun rol en plaats binnen het bestel en te kennen gegeven dat zij die ook aan de fracties van uw Kamer zouden overbrengen. Aspirant-omroep Human heeft het ministerie schriftelijk in kennis gesteld van zijn visie. De aspirant-omroepen zijn in de gesprekken geïnformeerd over hun wettelijke positie om voor een nieuwe erkenning in aanmerking te komen.

De leden van de VVD-fractie lezen in de brief van 25 juni jl. betreffende de «stand van zaken frictiekostenregeling regionale omroepen en vensterprogrammering» dat KPN op dit moment niet mee kan doen aan het pilotproject vensterprogrammering, maar dat er wel gesprekken bezig zijn om alternatieven voor deze vorm van vensterprogrammering te onderzoeken. Kan de Minister aangeven hoe deze gesprekken (KPN) verlopen en of het alternatief meegenomen kan worden in de pilot zo vragen zij.

De voorgenomen opzet van de pilot is als volgt: de pilot betreft een vijf minuten durend nieuwsvenster op NPO2 op werkdagen na het NOS-journaal van 18.00 uur, voor de kabelnetwerken van distributeurs VodafoneZiggo, Kabelnoord en CAI Harderwijk. Deze opzet is door de specifieke inrichting van de kopernetwerken niet geschikt voor distributeurs zoals KPN. KPN en RPO zijn daarom met elkaar in gesprek over een alternatieve oplossing voor het distributienetwerk van KPN. Deze gesprekken verlopen naar ik begrijp constructief. Beide partijen streven er naar om deze alternatieve oplossing mee te nemen in de pilot die de RPO en NPO uitvoeren met kabeldistributeurs.

De leden van de VVD-fractie vragen op welke termijn de Minister verwacht met de pilot te kunnen starten en wanneer hij verwacht de eerste resultaten met de Kamer te kunnen delen.

Het streven van de betrokken partijen is om de pilot per 1 januari 2019 te starten. Indien dat het geval is, zullen de eerste resultaten medio 2019 aan uw Kamer gestuurd kunnen worden.

De leden van de VVD-fractie vragen wat er gebeurd is met de uitkomsten van de indringende gesprekken die we hadden tijdens de ronde tafel over bedreiging en bescherming van journalisten.

De Nederlandse Vereniging voor Journalisten (hierna: NVJ) heeft de samenwerking opgezocht met het Genootschap van hoofdredacteuren (hierna: GvH), het Openbaar Ministerie (hierna: OM) en de Commissaris van Politie (hierna: Politie). In de vorm van een stuurgroep werken zij al enige maanden samen om over knelpunten die in de praktijk worden ervaren afspraken te maken. Inmiddels is de stuurgroep tot een akkoord gekomen. Daarin zijn afspraken gemaakt op het terrein van preventie. Deze afspraken betreffen onder meer het vaststellen van een collectieve norm voor onacceptabel gedrag, vergroten van kennis over melding en aangifte via een app, en opleidingen en cursussen voor journalisten. Daarnaast zijn afspraken gemaakt die liggen op het terrein van opsporing en vervolging door politie en OM. Het gaat dan bijvoorbeeld om het prioriteren van agressie en geweld tegen journalisten, een eenduidige registratie van meldingen en aangiftes en het vorderen van hogere strafeisen door OM. De Minister van Justitie en Veiligheid en ik steunen dit akkoord van harte.

De leden van de VVD-fractie vragen of de Minister kan aangeven hoe de evenementenlijst tot stand komt en of hij van mening is dat het tijd is voor een, reële, actualisatie.

Om op de evenementenlijst22 geplaatst te kunnen worden moet een evenement aan een aantal voorwaarden voldoen. Allereerst dient het te gaan om een evenement dat van tevoren wordt georganiseerd door een organisator die de juridische mogelijkheid heeft om de uitzendrechten voor dat evenement te verkopen. Daarnaast moet het evenement op grond van artikel 5.1, tweede lid Mediawet 2008 in ieder geval voldoen aan twee van de volgende voorwaarden:

  • a) het evenement is van algemeen belang voor de Nederlandse samenleving;

  • b) het evenement is van bijzondere culturele betekenis;

  • c) het evenement werd in het verleden ook al op een open televisieprogrammakanaal uitgezonden en kon rekenen op een grote kijkdichtheid; en

  • d) het gaat om een groot internationaal sportevenement waaraan een nationaal team deelneemt.

De evenementenlijst is gewijzigd bij besluit van 30 september 2015 houdende wijziging van het Mediabesluit 2008 in verband met aanpassing van de evenementenlijst.23 Die wijzigingen vloeiden voort uit het verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de evenementenlijst.24 Naar aanleiding van dit overleg zijn een aantal voorwaarden nader uitgewerkt.25

Behalve de leden van de VVD-fractie vragen ook de leden van de CDA-fractie naar een actualisatie. Ik maak uit de vragen op dat deze wens breder gedeeld wordt. Daarom ben ik bereid aan deze wens gevolg te geven.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

Reserves inzetten om tekorten aan te vullen, is volgens de leden van de CDA-fractie geen solide financieel beleid. Volgens deze leden vraagt een structureel financieel probleem om een structurele financiële oplossing. De leden van de CDA-fractie stellen enkele vragen over de inzet van reserves. Zo vragen zij of de Minister kan aangeven bij welke (leden-)omroepen deze reserves aanwezig zijn, op basis waarvan de Minister van mening is dat hij de inzet van reserves aan de omroepen kan opleggen en of een reserve bij één omroep aan het geheel ter beschikking kan worden gesteld.

De inzet van reserves is ook in mijn visie geen structurele financiële oplossing. De omroepen beschikken echter over reserves en die kunnen in 2019 en 2020 worden ingezet om de impact van een budgetverlaging voor deze jaren op te vangen. Dit sluit aan op de functie van reserves. Met het oog op een toekomstbestendige oplossing heb ik de NPO gevraagd om een plan op te stellen. Ik heb de raad van bestuur van de NPO uitgenodigd om het plan met mij te bespreken om een beter beeld te krijgen van de invulling en gevolgen van het plan. Zoals gezegd ga ik met het oog op de lange termijn de komende tijd tot aan de nieuwe erkenningsperiode benutten om te werken aan een visie op de publieke omroep voor de langere termijn.

Ten aanzien van de reserves van omroepen kan onderscheid worden gemaakt in algemene reserves en mediareserves. De mediareserves bestaan uit reserves media-aanbod en overgedragen reserves media-aanbod. De overgedragen reserves media-aanbod staan als verplichting op de balans van de omroepen. Alle omroepen beschikten volgens hun jaarrekeningen ultimo 2017 over algemene reserves en reserves media-aanbod. AVROTROS, KRO-NCRV, VPRO en Human beschikten ultimo 2017 ook over overgedragen reserves media-aanbod.

Op grond van artikel 2.176 Mediawet 2008 dienen gelden die gereserveerd zijn voor de verzorging van media-aanbod in het volgende kalenderjaar te worden besteed aan de doelen waarvoor zij oorspronkelijk bestemd zijn, tenzij ik daar per jaar specifiek ontheffing voor verleen. Het gaat hierbij om reserves media-aanbod en overgedragen reserves media-aanbod. De algemene reserves vallen buiten de reikwijdte van het voorgenoemde wetsartikel.

Algemene reserves staan ter beschikking van de betreffende omroep en dienen voor het opvangen van bedrijfsvoeringsrisico’s. Artikel 2.176 Mediawet 2008, dat de verplichte inzet van reserves in het volgende jaar regelt, ziet op de reserves die zijn gevormd uit de gelden die bestemd zijn voor de programmering en is niet van toepassing op algemene reserves. De wettelijke verplichting geldt voor reserves media-aanbod en overgedragen reserves media-aanbod. Deze reserves zijn bestemd voor de verzorging van media-aanbod en worden tezamen met de reguliere middelen voor de verzorging van media-aanbod ingezet volgens de coördinatieregels die de NPO daarvoor heeft vastgesteld. Dat betekent dat ook de gereserveerde gelden via de geld-op-schema systematiek ingezet worden voor de totale programmering.

De Minister schrijft in de Kamerbrief inzake de financiering van de (landelijke) publieke omroep dat er einde 2017 circa € 35 miljoen aan mediareserves beschikbaar is, waarvan de inschatting is dat er in 2019 zo een € 24 miljoen beschikbaar is. De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister kan aangeven hoe hij tot deze € 24 miljoen is gekomen en of de € 24 miljoen een gevalideerd bedrag is.

De berekening van het bedrag van € 24 mln. is gebaseerd op de jaarrekeningen van de omroepen over 2017. Deze jaarrekeningen zijn gecontroleerd door de accountants van de omroepen. Bij de berekening van het bedrag van € 24 mln. is gekeken naar de reserves media-aanbod en de overgedragen reserves media-aanbod, omdat beide vallen onder de reikwijdte van artikel 2.176 Mediawet 2008.

De toegepaste berekeningswijze houdt rekening met de vlottende en de financiële vaste activa van de omroepen. Daarbij is de veronderstelling gehanteerd dat daarmee het totale vreemd vermogen van de omroepen moet kunnen worden bekostigd. Het gaat hierbij om schulden en voorzieningen. Deze zijn daarom in mindering gebracht op de totale waarde van de vlottende en financiële vaste activa van de omroepen.

Bij de berekening van de financiële vaste activa is uitsluitend rekening gehouden met beleggingen en niet met deelnemingen van omroepen in andere bedrijven. Hierbij is verondersteld dat de deelnemingen vanuit strategische overwegingen zijn aangegaan en dat het daarom ongewenst is om deze belangen te verkopen. Bij de berekening is voor KRO-NCRV ook rekening gehouden met aanwezige liquiditeit bij de achterliggende verenigingen KRO en NCRV. Verder is bij de berekening geen rekening gehouden met de vaste activa van de omroepen, omdat het uitgangspunt is dat de inzet van mediareserves er niet toe mag leiden dat omroepen gedwongen worden om hun vaste activa te verkopen.

De Minister geeft verder in deze Kamerbrief aan dat nieuwe tegenvallers moeten worden opgevangen binnen de mediabegroting door andere uitgaven te verlagen en/of door af te zien van geplande toekomstige uitgaves uit de AMR26. De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister kan aangeven wat dit specifiek inhoudt en of hij de Kamer scenario’s kan schetsen op basis van een prognose van de ontwikkeling van de reclame-inkomsten.

Ik kan hierover met betrekking tot het volgende begrotingsjaar nog geen duidelijkheid geven. Ik ben namelijk nog in afwachting van de nieuwe meerjarenraming die de Ster opstelt. Deze meerjarenraming geeft inzicht in de verwachte ontwikkeling van de Ster-inkomsten gedurende de komende jaren. Op basis daarvan kan ik een inschatting maken van de kans dat zich volgend jaar nieuwe tegenvallers gaan voordoen en de omvang ervan. Aan de hand hiervan kan ik gericht op zoek gaan naar maatregelen die voorzien in het opvangen van eventuele nieuwe tegenvallers. Ik zal uw Kamer hierover informeren in mijn mediabegrotingsbrief voor 2019.

De leden van de CDA-fractie merken op dat de voorzitter van het College van Omroepen in een brief van 2 juli 2018 aan de vaste Kamercommissie van OCW voorstelt dat zij bereid zijn als omroepen én NPO-organisatie er voor zorg te dragen dat de AMR weer wordt aangevuld tot het niveau dat nodig is om het doel waarvoor deze is reserve is ingesteld te kunnen realiseren. Deze leden vragen hoe de Minister aankijkt tegen dit voorstel.

Ik beschouw het voorstel als een aanbod om in gezamenlijk overleg te onderzoeken hoe de maatschappelijke relevantie van de landelijke publieke omroep kan worden geborgd en om relatieve rust te creëren om gedurende de resterende erkenningsperiode gezamenlijk na te denken over de bekostiging van de landelijke publieke omroep op de lange termijn. Ik waardeer dit aanbod en zal het College van Omroepen uitnodigen om hun ideeën hierover te bespreken. Ik zal hierbij ook de NPO en de Ster betrekken, omdat het College van Omroepen in zijn brief ook verwijst naar de rol van de NPO en de Ster. Ik zal uw Kamer informeren over de uitkomsten hiervan in mijn mediabegrotingsbrief voor 2019.

De leden van de CDA-fractie hebben moeite om begrip op te brengen voor programmatische keuzes bij de NPO en constateren dat de NPO wat betreft deze keuzes van diverse zijden al heel wat over zich heen heeft gekregen. Deze leden vinden dat we ook kritisch moeten zijn op de politieke keuzes in de aansturing van de NPO. Via prestatie-overeenkomsten worden marktaandelen afgedwongen en opeenvolgende bewindspersonen hebben de NPO gevraagd zelf meer geld in het laadje te brengen. De leden vinden het belangrijk dat de NPO de diversiteit van Nederland weergeeft en deze leden kiezen daarom voor behoud van een pluriforme publieke omroep. Kan de Minister aangeven hoe hij tegen zulke ontwikkelingen aankijkt zo vragen zij.

Net als de leden van de CDA-fractie vind ik dat de publieke omroep de diversiteit in de samenleving moet weerspiegelen en dat zijn media-aanbod pluriform en gevarieerd moet zijn, zowel naar vorm en inhoud als naar doelgroepen. Dit behoort tot de wettelijke taak van de publieke omroep. De financiële situatie noodzaakt tot het maken van keuzes en het nemen van maatregelen, juist om die diversiteit en pluriformiteit te kunnen behouden. Ik heb daarvoor een plan van de NPO gevraagd.27 Ik onderken de zorg over bepaalde programma’s en programmagenres. Ik heb de raad van bestuur van de NPO uitgenodigd om het plan met mij te bespreken om een beter beeld te krijgen van de invulling en (financiële) gevolgen van het plan. Het is – conform haar wettelijke taak – aan de NPO om de programmatische keuzes te maken. Er zijn door de NPO nog geen definitieve besluiten genomen, dus ik kan nu niet speculeren en uitspraken doen over welke programma’s en programmagenres mogelijk geraakt worden. Welke keuzes de NPO ook maakt, deze zullen uitlegbaar moeten zijn in het licht van de wettelijke opdracht van de publieke omroep. Ik kan daar met de NPO over spreken, maar gelet op de onafhankelijkheid van de publieke omroep zijn mijn beïnvloedingsmogelijkheden begrensd.

Wat betreft het verhogen van de eigen inkomsten merk ik het volgende op. Uitgaande van een duaal gefinancierd model, waarin eigen inkomsten een belangrijke bijdrage aan de financiering van de publieke omroep leveren, is het logisch ook te kijken naar de mogelijkheden op dat vlak. Ik ben het met de leden van de CDA-fractie eens dat hierbij het publieke karakter van de publieke omroep scherp in het oog moet worden gehouden.

Er komen signalen van de aspirant-omroepen dat de harde grens van het benodigd aantal leden, voor definitieve toelating tot het bestel onder de huidige maatschappelijke omstandigheden, onhaalbaar zou zijn. De leden van de CDA-fractie vragen wat de visie van de Minister is op de huidige manier waarop hierover besloten wordt en de criteria daarbij om omroepen definitief toe te laten.

De openheid van het bestel is bedoeld om vernieuwing en meer pluriformiteit te brengen. Aspirant-omroepen komen dan ook alleen in aanmerking voor een definitieve erkenning als zij hun toegevoegde waarde voor het bestel hebben aangetoond. Ledentallen zijn een goede en objectieve graadmeter voor de maatschappelijke legitimatie van publieke omroepen. Of de huidige drie aspirant-omroepen aan de eisen voldoen, kan ik nu niet beoordelen. Wanneer zij een aanvraag voor een erkenning indienen, zullen het Commissariaat voor de Media (hierna: Commissariaat) en de Raad voor Cultuur daarover adviseren. Ook de onafhankelijke visitatiecommissie die door de NPO wordt ingesteld zal over de vernieuwende bijdragen van de aspirant-omroepen rapporteren. Ik wijs er op dat de huidige aspirant-omroepen bij de laatste erkenningverlening al bij wijze van tweede kans de mogelijkheid hebben gekregen om een extra termijn van vijf jaar hun bijzondere positie in het bestel te behouden.

De leden van de CDA-fractie vragen wat de financiële consequenties zijn van de definitieve toelating van aspirant-omroepen.

Aspirant-omroepen die definitief worden toegelaten, krijgen net als de andere erkende omroepen recht op een garantiebudget. Dat betekent dat het totale beschikbare budget voor de erkende omroepen verdeeld wordt over meer partijen.

Op dit moment is de budgetverdeling als volgt. Het totale budget voor aspiranten is € 10,2 mln. PowNed, WNL en Human krijgen elk € 3,4 mln. Het totale budget voor de andere omroepen is € 205 mln.28 Dat is als volgt verdeeld: de stand alone omroepen MAX, EO en VPRO hebben elk € 22,75 mln., de samenwerkingsomroep BNNVARA, KRO-NCRV, AVROTROS hebben elk € 45,5 mln.

Worden PowNed, WNL en Human definitief toegelaten als volwaardige omroep, dan vervalt het afzonderlijke totaalbudget voor aspiranten (die zijn er immers niet meer, tenzij zich nieuwkomers aandienen en toegelaten worden). Stel dat het huidige aspirantenbudget dan opgeteld wordt bij het huidige totaalbudget voor de gewone omroepen, dan is het totaalbudget € 215,2 mln. Alle omroepen, dus ook PowNed, WNL en Human, delen daarin. Dat budget wordt gedeeld door 12. Dat is het totale aantal omroepverenigingen, zowel de stand alone verenigingen als de verenigingen waaruit samenwerkingsomroepen zijn ontstaan vanaf een bepaalde datum.29 Dat zou betekenen dat elk € 17,9 mln. krijgt. Samenwerkingsomroepen die ontstaan zijn uit twee of meer omroepverenigingen, krijgen dus twee of meerdere keren € 17,9 mln.

In lijn met het advies van de Raad voor Cultuur lijkt het de leden van de CDA-fractie goed als commerciële en publieke omroepen samen volop inzetten op de ontwikkeling van een hoogwaardig on demand-kanaal, zoals NLZIET, om zo de toegankelijkheid van Nederlandse audiovisuele content te waarborgen. Deze leden vragen of de Minister kan aangeven hoe hij hier tegenaan kijkt en of en op welke wijze hij wil gaan bevorderen dat de Nederlandse commerciële en publieke partijen hier serieus over gaan spreken.

NLZiet biedt kansen om de toegankelijkheid van Nederlandse audiovisuele content te waarborgen. Over de geschetste ontwikkelingen, waaronder ook NLZiet, ben ik met de sector in gesprek om te komen tot een strategische agenda voor de toekomst van de Nederlandse mediasector. Belangrijk aspect daarbij zal zeker zijn hoe productie en toegankelijkheid van Nederlandse content gewaarborgd kunnen worden. Daarbij hoop ik vooral ook dat de sector hier zelf het gesprek over zal voeren.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de Minister de kwalificatie van NLZIET beoordeelt als «dreiging» in het door De Telegraaf en NRC gepubliceerde concept videoplan van de NPO. Voorts vragen deze leden hoe de Minister de huidige gang van zaken rond NLZIET beoordeelt zoals beschreven in hoofdstuk 5 van het onderzoek «Ben ik (nog) in beeld, de waarde van de NPO in een veranderend medialandschap?» waaruit blijkt dat veel spelers de meerwaarde van NLZIET erkennen, maar dat dit door tegengestelde belangen en botsende waarden het nog niet van de grond lijkt te komen.

Bij publiek-private samenwerking tussen omroepen kan sprake zijn van tegengestelde belangen en botsende waarden vanwege het verschillende karakter van de betrokken organisaties. Hierbij speelt ook mee dat er aan de kant van de publieke omroep nationale en Europese wettelijke kaders gelden voor samenwerking met commerciële partijen. Dit hoeft echter het succes van een samenwerking zoals NLZiet niet in de weg te staan. Dit kan men bijvoorbeeld ondervangen door met elkaar het gesprek hierover aan te gaan, verschillende mogelijkheden van partners juist ten positieve te benutten en goede onderlinge afspraken te maken. Onderdeel van de ministeriële instemming met NPO Start Plus is dat de NPO blijft investeren in NLZiet. Ik constateer dat er wel degelijk ontwikkeling bij NLZiet te zien is, maar dat er tegelijkertijd nog ruimte voor verbetering is.

Verder lezen de leden van de CDA-fractie dat de Ministers in de kabinetsbrief over de eerste reactie van het kabinet op het sectoradvies van de Raad voor Cultuur de Netflix-serie 13 Reasons Why een internationale topserie noemen, een serie die gaat over een meisje dat zelfmoord pleegt. Volgens Ad Kerkhof, hoogleraar klinische psychologie en suïcidepreventie, romantiseert de populaire serie suïcide. Was dit nu de handigste serie om als voorbeeld te noemen, zo vragen deze leden.

De keuze om juist deze serie te noemen als voorbeeld is een welbewuste: het is bij uitstek een veelbesproken serie (op Twitter de meest besproken tv-serie van 2017) die onder een brede leeftijdsgroep wordt bekeken. De wijze waarop de serie uiteenlopende genrekenmerken gebruikt en het verhaal op een bijzondere en innovatieve manier vertelt, is een van de redenen waarom het door veel mensen bekeken en gewaardeerd wordt. Maar bovenal is de serie veelbesproken vanwege de gevoelige thema’s die ze aansnijdt: depressie, pestgedrag, seksueel grensoverschrijdend gedrag alsook zelfmoord. De serie «13 Reasons Why» biedt een opening om dergelijke gevoelige thema’s bespreekbaar te maken. De serie stuurt daar ook actief op aan door een begeleidende clip vooraf te laten gaan aan de afleveringen. De clip geeft een kijkwijzer en verwijst naar een online omgeving waar meer informatie te krijgen is en contactgegevens te vinden zijn van de belangrijkste hulplijnen, ook voor Nederland.

De leden van de CDA-fractie lijkt het qua online activiteiten goed dat wordt gekeken naar afspraken zoals deze in Duitsland zijn gemaakt waarbij publieke omroepen en commerciële aanbieders van journalistiek afspraken hebben gemaakt over elkaars werkwijze in verband met het risico op verdringing. Deze leden hebben dit pleidooi ook al eens gehouden wat betreft nieuws van regionale omroepen dat door de NOS met wederzijdse instemming wordt overgenomen en vragen of de Minister dergelijke afspraken in de Nederlandse context ook ziet zitten.

Het Duitse Media-akkoord tussen de publieke en private mediapartijen is mij bekend. Ik ben er voorstander van als partijen onderlinge conflicten over het speelveld daar waar mogelijk in onderling overleg oplossen. Ik ben met de Nederlandse partijen in gesprek over dit onderwerp.

Ik hecht eraan te benadrukken dat de NOS op grond van de Mediawet een eigenstandige taak heeft die behoort tot de wettelijke kerntaken van de publieke omroep: de actuele nieuwsverslaggeving. Daarbij heeft de NOS de opdracht om een breed publiek te bereiken. De NOS zet daarvoor diverse aanbodkanalen en platforms in om verschillende doelgroepen te bereiken, zoals NOS.nl en de NOS Nieuws-app. Uit de Mediamonitor van 2018 van het Commissariaat blijkt dat de NOS door Nederlanders wordt gezien als de meest betrouwbare nieuwsbron en dat die positie niet met zich meebrengt dat andere partijen de mogelijkheid ontnomen wordt ook een sterk marktaandeel te hebben.30

De leden van de CDA-fractie vragen of het klopt dat de NPO de NSOB in eerste instantie nadrukkelijk heeft verzocht om het onderzoek «De Waarde van de NPO in een veranderd medialandschap» alleen gedeeltelijk openbaar te maken en zo ja, waarom.

Ja, dit heb ik ook vernomen via de media. De NPO heeft hierover het volgende gezegd: «Als publieke instelling vinden we het belangrijk om waar mogelijk mee te werken aan verzoeken van opleidingsinstituten en hun studenten. Bij dit onderzoek hadden we een concreet – vooral juridisch getint – vraagstuk voor ogen over publiek-private samenwerking. In de uitwerking zien wij dit niet terug. We zijn gedurende het onderzoek ook niet gekend in de uitwerking en hebben geen mogelijkheid gehad om op de bevindingen te reageren. Omdat het onderzoek geen relatie meer heeft met de oorspronkelijke opdracht heeft de NPO, toen wij voor het eerst inzage kregen in het rapport, de NSOB laten weten niet te willen en te kunnen worden aangemerkt als opdrachtgever van dit onderzoek. Met NSOB is inmiddels afgesproken dat iedereen die kennis wil nemen van het rapport, bij de NSOB een kopie kan krijgen.»

De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister bereid is de evenementlijst in het Mediabesluit 2008 aan te passen zodat de garantie er is dat het Nederlandse vrouwenvoetbalelftal voor iedereen te volgen is via het open kanaal en zo ja, op welke wijze. Deze leden constateren verder dat volgens de evenementlijst de Paralympische zomer- en winterspelen het moeten doen met een minimum van 10 minutenverslaggeving per dag en de Olympische Spelen zes uur per dag. Deze leden vinden dit niet in verhouding en vragen of de Minister dit met hen eens is en zo ja, wat de Minister hier aan wil doen. Tot slot vragen deze leden of de Minister daarnaast kan aangeven of het mediabesluit sowieso niet aan vervanging toe is.

Plaatsing van een evenement op de lijst betekent niet dat er een verplichting bestaat om het evenement uit te zenden. Dat is uitdrukkelijk niet het geval. De evenementenlijst bepaalt dus niet welke sport- en culturele evenementen al dan niet op televisie te zien zijn. Wel betekent de lijst dat áls een op de lijst geplaatst evenement wordt uitgezonden, dit op een open net moet geschieden. Dat kan zowel een publiek als een commercieel open net zijn.

Behalve de leden van de CDA-fractie vragen ook de leden van de VVD-fractie naar een actualisatie. Ik maak uit de vragen op dat deze wens breder gedeeld wordt. Daarom ben ik bereid aan deze wens gevolg te geven. Hierbij zal ik de vraag van de leden van de CDA-fractie over de verslaggeving van de Paralympics betrekken.

De leden van de CDA-fractie vinden het goed om in Kamerbrief31 te lezen dat de € 17 miljoen die op de plank lag voor regiojournalistiek eindelijk in beweging komt. Begrijpen deze leden echter goed dat de werkelijke beweging van de € 17 miljoen afhangt van de STER-inkomsten in 2019, zo vragen zij. Voorts vragen zij of het pilotproject Vensterprogrammering hierdoor alsnog op losse schroeven kan komen te staan en of de Minister kan toezeggen hierover snel zekerheid te verschaffen en zo ja op welke termijn.

Ik beschrijf in mijn brief van 28 juni 2018 dat ik een alternatieve manier heb gevonden om de projecten van de RPO en de regionale publieke omroepen te bekostigen.32 Ik heb daarbij wel een voorbehoud moeten maken ten aanzien van de financiële ruimte die ik hiervoor in 2019 heb.

Deze financiële ruimte is afhankelijk van de Ster-inkomsten volgend jaar. Ik verwacht niet dat hierdoor de pilot vensterprogrammering op losse schroeven komt te staan. Ik verwacht daar in september meer duidelijkheid over te kunnen geven, als er meer duidelijkheid is over de verwachte Ster-inkomsten. Het streven is om de pilot per 1 januari 2019 te kunnen starten.

De leden van de CDA-fractie merken op dat de Minister in de Kamerbrief aangeeft actie te gaan ondernemen omdat slechts 79% van de gemeente voldoet aan de richtsnoer voor de hoogte van het bedrag waarmee een gemeente de lokale publieke omroep bekostigt. Aan welke actie zit de Minister te denken, zo vragen deze leden

Ik ga samen met de Minister van BZK33 in gesprek met de NLPO en de verantwoordelijke VNG-commissie over (onder andere) de werking van het richtsnoerbedrag, de wijze waarop gemeentes invulling geven aan het richtsnoerbedrag en hoe gemeentes omgaan met de vorming van streekomroepen. Ik verwijs hierbij ook naar de Kamerbrief van 5 juli jl. over de versterking van de lokale democratie van de Minister van BZK.34 Ik informeer uw Kamer vóór het mediabegrotingsdebat over de uitkomst van deze gesprekken.

De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister op de hoogte is van de financiële problematiek, ook bij omroepen die de Minister zelf beschrijft als goede voorbeelden en hoe hij hiermee omgaat. Deze leden vinden het van belang dat de streekomroepen gaan slagen en vragen welke mogelijkheden de Minister ziet om positief bij te dragen aan het voortbestaan van de goede voorbeelden die de Minister in zijn brief noemt.

Het onderzoek Evaluatie Bekostiging Lokale Omroepen uit 2016 van het Commissariaat laat zien dat ongeveer 30% van de lokale publieke omroepen een zorgelijke financiële gezondheid kent.35 Er bereiken mij signalen van lokale omroepen en streekomroepen dat hun financiële situatie precair is. Dat betreur ik en ik ben mij bewust van de inspanningen van lokale omroepen om de transitie naar streekomroep te maken.

Ik acht het van belang te benadrukken dat op grond van de Mediawet gemeenten verantwoordelijk zijn voor de bekostiging van lokale publieke omroepen. De keuze voor de hoogte van het bekostigingsbedrag is aan de desbetreffende gemeente. Ik hecht eraan om als rijksoverheid niet in die gemeentelijke verantwoordelijkheid te treden.

Niettemin is goede publieke informatievoorziening op lokaal- en regionaal niveau een zaak waar dit kabinet ook zelf aan wil werken. Daarom zorg ik ervoor dat de structureel beschikbare € 5 mln. voor onderzoeksjournalistiek in 2018 voor een belangrijk deel ten goede komt aan onderzoeksjournalistiek op regionaal en lokaal niveau.36 Verder stel ik jaarlijks geld beschikbaar voor de uitvoering van de activiteiten van de NLPO. In 2018 is dit ruim € 1.5 mln. En zoals gezegd ga ik samen met de Minister van BZK37 in gesprek met de NLPO en de verantwoordelijke VNG-commissie. Tot slot biedt mijn voorstel voor een alternatieve bekostigingswijze voor de projecten van de RPO binnen de zogenoemde «frictiekostenregeling B» ruimte om samenwerkingsprojecten tussen regionale en lokale publieke omroepen (onder coördinatie van de RPO) te bekostigen.38

De leden van de CDA-fractie merken verder op dat in het regeerakkoord is opgenomen dat, omdat streekomroepen bijdragen aan de professionalisering, het kabinet zich beraadt op de wijze van organisatie en financiering van de lokale omroepen. Zou de Minister een tijdslijn kunnen geven van de uitvoering van het regeerakkoord op dit punt zo vragen deze leden.

De afgelopen maanden sprak ik met meerdere regionale en lokale publieke en private media-instellingen, op allerlei plaatsen in het land en met verscheidene makers, journalisten en bestuurders. Deze bezoeken en gesprekken leveren belangrijke informatie op voor de uitvoering van dit onderdeel van het regeerakkoord.

Mede op basis van wat ik de afgelopen maanden heb gezien en gehoord ga ik samen met de Minister van BZK39 gesprekken voeren met de NLPO, VNG en streekomroepen. Over de uitkomst daarvan en het verdere tijdpad informeer ik u vóór de Kamerbehandeling van de mediabegroting 2019.

Tot slot heeft de leden van het CDA het signaal bereikt dat lokale publieke omroepen soms transportkosten aan distributeurs moeten betalen van het transport van de Media Gateway naar het regionale punt, terwijl dit niet het geval is bij regionale en nationale publieke omroepen en er een must carry verplichting is voor distribiteurs. Deze ledenvragen of dit mag en zo nee, hoe dit kan worden gehandhaafd.

Het Commissariaat is belast met de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de Mediawet 2008. Het is dan ook aan het Commissariaat om te bepalen of de door deze leden gesignaleerde praktijk is toegestaan. Bij twijfel hierover is mogelijk dat de NLPO deze zaak ter beoordeling aan het Commissariaat voorlegt.

De leden van de CDA-fractie constateren een verschil in definitie van sluikreclame in de Mediawet en de Europese Richtlijn. Op grond van die laatste kan volgens deze leden geen sprake zijn van sluikreclame als iets niet misleidend is, terwijl ditzelfde onder de Nederlandse wetgeving tot sluikreclame leidt en dus verboden is, ook al is het niet misleidend. Zij vragen of de Minister van mening is dat Nederlandse mediabedrijven hierdoor in een ongelijk speelveld komen ten opzichte van aanbieders die vanuit bijvoorbeeld Luxemburg, andere EU-lidstaten of de VS in Nederland actief zijn en zo ja of hij bereid is om de definities in Nederlandse sluikreclameverbod in lijn te brengen met de EU-richtlijn.

De Mediawet 2008 stelt strikte voorwaarden aan reclame-uitingen, zodat voor het publiek duidelijk kenbaar is dat het om reclame-uitingen gaat en het publiek niet misleid wordt. Als een reclame-uiting niet aan de regels voldoet, dan is er volgens de wet per definitie sprake van misleiding van het publiek. Het is in die gevallen immers niet duidelijk dát er reclame gemaakt wordt. De beoordeling of er sprake is van misleiding, zit dus in de toets of een uiting aan de regels voldoet. Dat is objectief vast te stellen en biedt zo meer rechtszekerheid dan in het geval per uiting gekeken moet worden of die in de beleving van het publiek misleidend is. Deze toepassing is conform de Europese Richtlijn en leidt niet tot een oneerlijk speelveld ten opzichte van aanbieders uit andere EU-landen. Aanbieders van buiten de EU blijven geheel buiten dit verhaal. Nederland handelt conform de Europese regels die gelden voor het EU-gebied.

De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister duidelijkheid kan scheppen over de randvoorwaarden waaraan aanvragen voor de € 5 miljoen stimuleringsgeld moeten voldoen en of de Minister kan uitsluiten dat lokale omroepen zal worden gevraagd aanvragen financieel te co-financieren.

Het doel van de middelen is simpel: meer onderzoeksjournalistiek. Dat probeer ik op drie manieren te bereiken: meer financiële ruimte maken voor onderzoeksjournalistieke projecten, het stimuleren van samenwerking en innovatie in de sector en het opleiden van een nieuwe generatie onderzoeksjournalisten door talentontwikkeling en professionalisering. Ik heb ervoor gekozen de middelen voor journalistieke projecten en de middelen voor samenwerking en innovatie te laten verdelen door twee fondsen, het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek en het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. Deze fondsen beschikken over ruime ervaring en expertise. Voor de middelen voor talentontwikkeling (€ 1 mln.) geldt dat ik nog in overleg ben met een aantal partijen om het best passende instrument te kiezen.

In alle gevallen is het de bedoeling dat het grootste deel van de middelen neerslaat bij de regionale en lokale onderzoeksjournalistiek, omdat daar de noodzaak het hoogst is. Dat is dus een belangrijke randvoorwaarde. Tegelijk laat dit zich maar ten dele sturen, omdat de fondsen afhankelijk zijn van de aanvragen die zij krijgen. De fondsen doen er zowel in communicatie als in randvoorwaarden echter alles aan om ervoor te zorgen dat er zoveel mogelijk goede aanvragen voor regionale en lokale onderzoeksjournalistiek komen. Ook zijn zij zich bewust van de financiële positie van lokale omroepen, evenals andere lokale en regionale partijen. De fondsen zullen hier rekening mee houden in hun regelingen. Voor de precieze randvoorwaarden per regeling verwijs ik de leden naar de websites van de fondsen. De regelingen worden opgesteld in afstemming met de sector zelf, waaronder de NLPO.

Het viel de leden van de CDA-fractie op dat in de Kamerbrief in 2017 van toenmalig Staatssecretaris Dekker over het onderzoek naar de toekomst van de onafhankelijke journalistiek in Nederland wordt gesproken over een bedrijfseconomisch onderzoek naar mogelijke businessmodellen voor een duurzame nieuwsvoorziening, tegen de achtergrond van de toenemende invloed van wereldwijde platforms (p.5). Zij vragen of de Minister kan aangeven of dit toekomstgerichte onderzoek per abuis in het geheel van onderzoeken ontbreekt.

Het rapport Ontwikkelingen journalistieke infrastructuur 2000–2018, uitgevoerd door SEO Economisch Onderzoek, geeft een inventarisatie en analyse van de belangrijkste technologische en organisatorische veranderingen, waaronder de toenemende invloed van platforms, en de impact daarvan op de bedrijfsvoering en de verdienmodellen van de journalistiek. Het rapport laat de breedte zien van de mogelijke verdienmodellen in de journalistiek. Met het rapport wordt uitvoering gegeven aan de toezegging.40

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief van 25 juni 2018 waarin de Minister zijn reactie geeft op de bij hem – per brief van 5 juni 2018 – ingediende voorstellen van de NPO om de tegenvallende STER-inkomsten op te vangen. Het vorige debat met de Minister over dit onderwerp was in november 2017. Derhalve kunnen de aan woord zijnde leden de datering van zijn brief d.d. 23 februari waar de NPO naar verwijst niet goed plaatsen. Zeker in het licht van de termijn die sindsdien verstreken is sinds genoemd debat hadden zij hogere verwachtingen van dit voorstel als het gaat om een inhoudelijke en cijfermatige onderbouwing van de analyse erachter, duiding van de gevolgen alsook de mate van detail. Deze leden zouden daarom graag van de Minister toegelicht zien wat de verschillende stappen zijn geweest die de Minister in de tussentijd heeft gezet om met de NPO tot een plan te komen. Zij vragen of de Minister deze leden daarnaast inzicht kan geven in de argumentatie achter de voorstellen en of hem bekend is welke kijkcijfer- of doelgroepenonderzoeken of financiële analyses hieraan ten grondslag liggen.

Als logisch gevolg op mijn mediabegrotingsbrief van 17 november 201741 heb ik bij brief van 23 februari 2018 de NPO gevraagd in overleg met de Ster en met de omroepen tot een plan van aanpak te komen dat bezuinigingsopties in kaart brengt en voorziet in een integrale en slagvaardige aanpak van de verdienmogelijkheden met het oog op de voorbereiding van de mediabegroting voor 2019. Dat plan heb ik 5 juni 2018 ontvangen.42 In de tussenliggende periode is er meermalen met de NPO gesproken over de urgentie en het belang van een goed plan.

Het plan van de NPO is een plan op hoofdlijnen. Daar liggen geen kijkcijfer-, doelgroepenonderzoeken of financiële analyses onder. Die zijn pas aan de orde bij de concrete uitwerking. Ik heb de raad van bestuur van de NPO uitgenodigd om het plan met mij te bespreken om een beter beeld te krijgen van de invulling en (financiële) gevolgen van het plan.

De leden van de D66-fractie vragen of het onderzoek «Ben ik (nog) in beeld?» bij de Minister bekend was.

Het onderzoek is mij bekend sinds de resultaten openbaar zijn geworden.

De leden van de D66-fractie menen dat de kerntaken van de publieke omroep zoals beschreven in artikel 2.1 van de Mediawet 2008 zijn: nieuws, informatie, cultuur en educatie en dat alle andere taken daaraan ondergeschikt zijn. Zij vragen of de Minister deze interpretatie deelt. De leden van de D66-fractie zijn verontrust over de berichten over de programmatische keuzes om de bezuinigingen in te vullen, waarbij programma’s geraakt worden die de kerntaak van de publieke omroep vormen. Zij vragen of dat ook de reden is dat de Minister aan de NPO heeft gevraagd om hem te betrekken bij keuzes die de afspraken in de prestatie-overeenkomst kunnen raken. Door het ontbreken van duidelijke berichten missen de leden van de D66-fractie een totaalbeeld van de beoogde bezuinigingen, waarbij bijvoorbeeld verschillende scenario’s zijn uitgewerkt. Deze leden vragen of de Minister een toelichting kan geven, horen graag ook hoe hij de planning van gesprekken met de NPO en informatievoorziening aan de Kamer voor zich ziet en ontvangen graag een reactie van hem op het voorstel van het College van Omroepen dat zij mochten ontvangen

Inderdaad volgt uit artikel 2.1 van de Mediawet 2008 dat de wettelijke opdracht voor de publieke omroep in de kern gaat over informatie, cultuur en educatie. Ik onderken de zorg over bepaalde programma’s en programmagenres. Ik heb de raad van bestuur van de NPO uitgenodigd om het plan met mij te bespreken om een beter beeld te krijgen van de invulling en (financiële) gevolgen van het plan. Het is – conform haar wettelijke taak – aan de NPO om de programmatische keuzes te maken. Er zijn door de NPO nog geen definitieve besluiten genomen, dus ik kan nu niet speculeren en uitspraken doen over welke programma’s en programmagenres mogelijk geraakt worden. Welke keuzes de NPO ook maakt, deze zullen uitlegbaar moeten zijn in het licht van de wettelijke opdracht van de publieke omroep. Ik kan daar met de NPO over spreken, maar gelet op de onafhankelijkheid van de publieke omroep zijn mijn beïnvloedingsmogelijkheden begrensd. Ik zal uw Kamer in mijn mediabegrotingsbrief voor 2019 informeren over de resultaten.

Ik beschouw het voorstel van het College van Omroepen als een aanbod om in gezamenlijk overleg te onderzoeken hoe de maatschappelijke relevantie van de landelijke publieke omroep kan worden geborgd en relatieve rust te creëren om gedurende de resterende erkenningsperiode gezamenlijk na te denken over de bekostiging van de landelijke publieke omroep op de lange termijn. Ik waardeer dit aanbod en zal het College van Omroepen uitnodigen om hun ideeën hierover te bespreken. Ik zal hierbij ook de NPO en de Ster betrekken, omdat het College van Omroepen in zijn brief ook verwijst naar de rol van de NPO en de Ster. Ik zal uw Kamer informeren over de uitkomsten hiervan in mijn mediabegrotingsbrief voor 2019.

De leden van de D66-fractie vragen bij welke omroepen de reserves zitten. Deze leden vragen voorts of in het voorstel de verschillende omroepen allen evenveel afdragen, of dat deze aangesproken worden met een bepaalde verdeelsleutel in het achterhoofd of dat juist bij omroepen die een grotere reserve hebben opgebouwd meer van deze reserve wordt aangesproken. Daarnaast zijn deze leden benieuwd of vrijelijk kan worden beschikt over deze reserves of dat hier bepaalde (wettelijke?) voorwaarden aan verbonden zijn.

Ten aanzien van de reserves van omroepen kan onderscheid worden gemaakt in algemene reserves en mediareserves. Algemene reserves staan ter beschikking van de betreffende omroep en dienen voor het opvangen van bedrijfsvoeringsrisico’s. De mediareserves zijn gevormd uit de gelden die bestemd zijn voor de programmering. De mediareserves bestaan uit reserves media-aanbod en overgedragen reserves media-aanbod. De reserves media-aanbod betreffen dat deel van de reserves dat in enig jaar blijft binnen het voor de desbetreffende omroepen geldende maximum voor reserves. De geldende maxima zijn vastgesteld door de raad van bestuur van de NPO. De overgedragen reserves media-aanbod betreft het deel dat boven dat maximum uitkomt en aan de raad van bestuur moet worden overgedragen. De overgedragen reserves media-aanbod staan als verplichting op de balans van de omroepen.

Alle omroepen beschikten volgens hun jaarrekeningen ultimo 2017 over algemene reserves en reserves media-aanbod. AVROTROS, KRO-NCRV, VPRO en Human beschikten ultimo 2017 ook over overgedragen reserves media-aanbod.

Op grond van artikel 2.176 Mediawet 2008 ga ik ervan uit dat de mediareserves volgend jaar zoveel mogelijk worden ingezet voor de bekostiging van programmering. Ik heb uw Kamer in mijn brief van 25 juni 2018 geïnformeerd dat ik in dit verband bereid ben om ontheffing van deze verplichting te verlenen voor zover aantoonbaar is dat reserves niet tijdig liquide gemaakt kunnen worden.43 Ten aanzien van het gedeelte van de reserves waarvoor ik geen ontheffing verleen, geldt de wettelijke verplichting dat die volgend jaar moet worden ingezet voor de bekostiging van programmering. De gereserveerde gelden zijn bestemd voor de verzorging van media-aanbod en worden tezamen met de reguliere middelen voor de verzorging van media-aanbod ingezet volgens de coördinatieregels die de NPO daarvoor heeft vastgesteld. Dat betekent dat ook de gereserveerde gelden via de geld-op-schema systematiek ingezet worden voor de totale programmering.

De leden van de D66-fractie zijn voorts van mening dat het aanspreken van reserves per definitie slechts een tijdelijke maatregel kan zijn en vragen zich af hoe de Minister de verhouding tot een toekomstbestendigere oplossing ziet.

De inzet van reserves is ook in mijn visie geen structurele financiële oplossing. De omroepen beschikken echter over reserves en ik vind dat die ingezet moeten worden om in 2019 en 2020 de impact van een budgetverlaging met ingang van 2019 op te vangen. Dit sluit aan op de functie van reserves.

Met het oog op een toekomstbestendige oplossing heb ik de NPO gevraagd om een plan op te stellen. Ik heb de raad van bestuur van de NPO uitgenodigd om het plan met mij te bespreken om een beter beeld te krijgen van de invulling en (financiële) gevolgen van het plan. Zoals gezegd ga ik de komende tijd tot aan de nieuwe erkenningsperiode benutten om te werken aan een visie op de publieke omroep voor de langere termijn met als doel om een sterke pluriforme publieke omroep te behouden met een kwalitatief, pluriform, inclusief media-aanbod.44

Ten aanzien van de extra STER-inkomsten horen de leden van de D66-fractie graag precies op welk nieuw beleid gedoeld wordt.

De NPO heeft op 28 november 2017 zijn beleid voor Ster-reclame op internet aangepast. Dit beleid heeft de raad van bestuur vastgelegd in een regeling op grond van artikel 2.10, tweede lid, onderdeel c, van de Mediawet 2008. Deze regeling is op grond van artikel 2.60, eerste lid, van de Mediawet 2008 bindend voor de omroepen en fungeert als set van beleidsregels waaraan de Ster zich dient te houden. De aanpassing heeft geresulteerd in een verruiming van de mogelijkheden voor de Ster om reclame te exploiteren op websites en apps van de NPO en de omroepen.

De leden van de D66-fractie zijn ook benieuwd welke financiële gevolgen van het afschaffen van het stelsel van «sur commission» gehad heeft.

De Ster ervaart dat een aantal adverteerders momenteel minder of geen reclameruimte inkoopt via mediabureaus. EY heeft bij de raming van de verwachte Ster-inkomsten voor dit jaar rekening gehouden met dit effect. Aan de andere kant is er een toename van bestedingen van kleinere adverteerders. Pas na afloop van het kalenderjaar kunnen financiële effecten worden vastgesteld. Of die effecten toegerekend kunnen worden aan het afschaffen van de sur commission kan zonder nader onderzoek naar de motieven van adverteerders niet worden vastgesteld.

De leden van de D66-fractie merken op dat in het plan niets terug te lezen is over de stand van zaken met betrekking tot de onderhandelingen met de kabelmaatschappijen en dat de ambtsvoorganger van de Minister in het verleden wel geopperd heeft dat de NPO scherper zou kunnen onderhandelen en op die manier meer inkomsten zou kunnen genereren. Zij vragen of dat naar de opvatting van de Minister nog steeds het geval is.

EY heeft vorig jaar in opdracht van mijn ambtsvoorganger onderzocht in hoeverre de inkomsten van de landelijke publieke omroep kunnen worden vergroot. EY heeft hierbij ook gekeken naar de vergoeding die de NPO ontvangt van distributeurs. EY is hierbij tot de conclusie gekomen dat er vanuit economische invalshoek ruimte is om de distributie-inkomsten significant te vergroten. Details hierover kan ik niet met uw Kamer delen, omdat die de onderhandelingspositie van de NPO ten aanzien van de distributeurs kan schaden.

De leden van de D66-fractie zijn benieuwd wat de verwachte opbrengsten zijn van de samenwerking met Netflix, KPN en Videoland, zoals in recente Kamervragen van het lid Van der Molen ook genoemd.

Het gaat hier om exploitatie van rechten door middel van licentieverlening voor bepaalde tijd aan genoemde video-on-demand-diensten. Exploitatie van rechten is als mogelijke optie genoemd in het kader van het vergroten van de eigen inkomsten van de publieke omroep, zowel in het BCG-onderzoek van 2013 als het recente onderzoek van EY van 17 november 2017.45 Volgens de NPO is er vooralsnog geen reden om de schatting van EY voor wat betreft de opbrengsten uit verkoop van content (€ 0,2 mln.–€ 1,7 mln.) aan te passen.

De leden van de D66-fractie vragen of nog andere opties worden overwogen voor extra inkomsten of dat zij uit de brieven van de Minister en NPO mogen concluderen dat deze opties de afgelopen maanden zijn overwogen maar afgevallen. Deze leden ontvangen in dat geval meer inzicht in die afweging.

EY heeft vorig jaar in opdracht van mijn ambtsvoorganger onderzocht in hoeverre de inkomsten van de landelijke publieke omroep kunnen worden vergroot, inclusief het vergroten van de Ster-inkomsten door wijziging van het reclamebeleid van de NPO. Ik heb uw Kamer hierover geïnformeerd in mijn mediabegrotingsbrief van 17 november 2017.46 Het plan van de NPO van 5 juni 2018 gaat niet concreet in op de opties die EY heeft becijferd, met uitzondering van de verwachting dat de online reclame-inkomsten met ingang van 2019 met circa € 5.5 mln. kunnen worden vergroot. Ik wil graag een beter beeld krijgen van de wijze waarop de NPO naar de opties kijkt die EY heeft geïdentificeerd. Ik heb de raad van bestuur van de NPO in mijn brief van 25 juni 2018 geïnformeerd dat ik dit onderwerp graag wil bespreken.47

De leden van de D66-fractie vragen hoe de Minister het traject, en specifiek zijn rol daarin, ziet in de discussie over de volgende concessieperioden. Idealiter immers passen volgens deze leden de maatregelen die als gevolg van de tegenvallende STER-inkomsten worden genomen bij die lange termijn. Zij vragen of de Minister bijvoorbeeld bereid is een hoofdlijnennotitie hierover met de Kamer te delen, zodat hier tijdig het debat over gevoerd kan worden.

Hier ben ik toe bereid. Ik ga de komende tijd tot aan de nieuwe erkenningsperiode benutten om te werken aan een visie op de publieke omroep voor de langere termijn met als doel om een sterke pluriforme publieke omroep te behouden met een kwalitatief, pluriform, inclusief media-aanbod.

De leden van de D66-fractie willen de aandacht van de Minister vragen voor het onderzoek dat de WRR48 onlangs heeft gedaan naar de actualiteitswaarde van hun advies Focus op functies uit 2005 en vragen of de Minister bereid is om de WRR te verzoeken om een actuele policy brief te schrijven op basis van dat advies.

Het rapport Focus op functies is een mooi advies, dat naar mijn inzicht nog steeds bruikbaar is in deze tijd, ondanks de veranderingen in de mediasector. Uiteraard moet het beleid meebewegen met de technologische en maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom ben ik met de partijen uit de mediasector in gesprek over de toekomst. Ik sluit niet uit dat op termijn nieuw onderzoek of een nieuw advies daar een vervolgstap in zou kunnen zijn.

De leden van de D66-fractie zijn van mening dat het van grote toegevoegde waarde zou zijn om in te zetten op één hoogwaardig platform voor de Nederlandse content, om de concurrentie op de on demand-markt het hoofd te kunnen bieden. Volgens hen kan het platform NLZiet hierin een veelbelovend platform zijn. Zij merken op dat de Minister in zijn brief over dat onderwerp schrijft dat hij met partijen uit de sector in gesprek gaat om een bredere en meer integrale visie op de toekomst van de mediasector te formuleren. Zij vinden dit een erg goed initiatief, aangezien er een behoorlijk aantal samenhangende vraagstukken ligt. Wanneer de Minister tijdens deze gesprekken met de publieke en commerciële omroepen aan tafel zit, is de Minister dan bereid om te bekijken of deze omroepen zich willen inzetten om hun krachten te bundelen en één overkoepelend platform te ondersteunen zo vragen de leden van de D66-fractie.

Ik verwacht inderdaad dat dit onderwerp ter tafel zal komen, maar hoop vooral ook dat de sector hier zelf het gesprek over zal voeren.

De leden van de D66-fractie vragen voorts wat de verdere inzet zal zijn van de Minister in deze gesprekken over de toekomst van de mediasector, wat het doel en het tijdpad is dat hij voor ogen heeft en op welke momenten de Minister voornemens is de Kamer hierover te informeren. Is het zijn bedoeling tot een soort media-akkoord te komen en hoe gaat hij zorgen dat er daadwerkelijk resultaten uit deze gesprekken komen, zo vragen zij.

Ik ben inmiddels gesprekken gestart met een breed scala aan partijen in de mediasector over een strategische agenda voor de toekomst voor de media in Nederland.49 Daarin zullen de vragen van de partijen zelf leidend zijn. Wat mij betreft is de inzet van de gesprekken om er voor te zorgen dat de Nederlandse samenleving over tien jaar nog steeds beschikking heeft over mooie Nederlandse journalistieke en audiovisuele producties, die gemaakt en aangeboden worden door een gezonde mediasector.

Ik wil dit gesprek met nadruk samen met de sector voeren. Mochten de gesprekken leiden tot een proces met een duidelijk tijdpad, dan zal ik uw Kamer hierover informeren. Ik verwacht dat dit in het najaar zal gebeuren.

Ik wil niet te veel op de gesprekken vooruit lopen. Het zou mooi zijn als de partijen samen komen tot een plan voor het toekomstbestending maken van de Nederlandse mediasector. Vooralsnog ga ik er vanuit dat er voldoende te bespreken is en dat alle partijen intrinsiek gemotiveerd zijn om resultaten te bereiken.

De leden van de D66-fractie hebben verheugd kennisgenomen van de extra middelen die besteed zullen worden ter ondersteuning van onderzoeksjournalistiek. Zij achten deze vorm van journalistiek bij uitstek onmisbaar in onze democratie. Deze leden wijzen desalniettemin op het onverminderd verruwende klimaat voor journalisten, de toename in aantal en ernst van bedreigingen, de inzet van juridische middelen om journalisten het werk te bemoeilijken alsmede de hoge mate van flexibilisering in de sector waardoor journalisten minder aanspraak maken op beschermende maatregelen van hun werkgever. Deze leden zijn daarom benieuwd of het mogelijk is om een deel van de extra middelen beschikbaar te stellen voor het bevorderen van de persvrijheid in deze zin.

In mijn brief van 22 juni 2018 schrijf ik dat ik de toenemende bedreiging van journalisten geen goede ontwikkeling vind en dat ik onderzoek of het nodig is financiering vrij te maken om deze ontwikkeling tegen te gaan.50 Ik ben hierover in gesprek met de Nederlandse Vereniging voor Journalisten en het Persvrijheidsfonds, ook naar aanleiding van het akkoord in de «Stuurgroep Agressie en geweld tegen journalisten» (NVJ, GvH, OM en Politie). Ik wacht een voorstel van hun kant af. Voor de inzet van juridische middelen om het werk van journalisten te bemoeilijken geldt dat ik heb toegezegd de aard en omvang van dit probleem nader te onderzoeken.51 Indien dat onderzoek aanleiding geeft voor maatregelen, zal ik dat kenbaar maken aan de Minister van Justitie en Veiligheid.

Freelancejournalisten, zowel schrijvende journalisten als beeldjournalisten, hebben in dit alles een bijzondere positie. Alle journalisten hebben natuurlijk hetzelfde recht op bescherming tegen geweld, maar hebben geen institutionele of organisatorische basis (zoals van een groot medium) achter zich wanneer zij te maken hebben met bedreigingen. Het is voor een freelance journalist ook lastiger dan voor een werknemer in dienst om zich goed te informeren over zijn rechten en mogelijkheden. Het Persvrijheidsfonds onderzoekt of een juridisch loket, waar (freelance) journalisten terecht kunnen met vragen en voor juridische bijstand, in dit geval een oplossing biedt.

De leden van de D66-fractie vinden het ook op lokaal niveau essentieel dat journalisten hun controlerende functie naar behoren uit kunnen voeren en dat zeker met de toename van de verantwoordelijkheden van de lokale besturen het meer dan ooit belangrijk is dat een professionele en slagvaardige journalistieke verslaggeving plaats kan vinden. Daarom delen deze leden de mening van de Minister dat het onwenselijk is dat een deel van de gemeenten een bedrag lager dan het richtsnoerbedrag daadwerkelijk uitgeeft aan lokale omroepen. Zij vragen zich echter wel af of er in dit stelsel niet sprake is van een fundamentelere weeffout nu de gemeentebesturen via de financiering en de licentie-voordracht invloed hebben op wie hen controleert. Wat is de visie van de Minister hierop en is de Minister bereid om te onderzoeken wat de voor- en nadelen zijn van het instellen van een landelijke regeling en hierover de Kamer te informeren zo vragen zij.

Onafhankelijkheid is een belangrijke publieke waarde van het publieke mediabestel. Zowel op landelijk, regionaal als lokaal niveau. Die onafhankelijkheid is, naast de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting, nadrukkelijk vastgelegd in de Mediawet 2008 als onderdeel van de publieke taakopdracht en de eigen verantwoordelijkheid van publieke omroepen voor vorm en inhoud van hun media-aanbod.52 Daarom regelt de Mediawet 2008 dat gemeenten bij de bekostiging van lokale omroepen geen voorwaarden mogen stellen die ingrijpen in de redactionele vrijheid van de media-instelling.53

Uit het eerder genoemde onderzoek van het Commissariaat blijkt dat gemeenten de redactionele en journalistieke onafhankelijkheid van lokale omroepen respecteren.54 Er worden niet of nauwelijks voorschriften verbonden aan de bekostiging die in strijd zijn met de Mediawet 2008. Ik zie dan ook geen reden om de bekostigingsverantwoordelijkheid van gemeentes voor lokale publieke omroepen ergens anders te beleggen. De onafhankelijkheid van lokale publieke omroepen ten opzichte van overheidsinvloeden is in de Mediawet voldoende gewaarborgd.

De leden van de D66-fractie vragen of de Minister bereid is om met de verschillende streekomroepen in gesprek te gaan, om te kijken welke juridische, financiële en organisatorische barrières de streekomroepen tegenkomen en te onderzoeken of het mogelijk dan wel wenselijk is om deze barrières weg te nemen en hierover de Kamer te informeren. Is de Minister daarnaast bereid om een uitgebreidere visie te schrijven over de positie van de overheid in de ondersteuning en begeleiding van de vorming van streekomroepen zo vragen deze leden.

De afgelopen maanden sprak ik met meerdere regionale en lokale publieke omroepen (waaronder streekomroepen) en private media-instellingen. Die gespreken leverden nuttige informatie en ervaringen op. Mede op basis hiervan ga ik samen met de Minister van BZK55 gesprekken voeren met de NLPO, VNG en lokale omroepen en streekomroepen. Een belangrijk onderwerp van deze gesprekken is de vorming van streekomroepen en de vraag in hoeverre dit versterkt kan worden. Ik informeer uw Kamer vóór het mediabegrotingsdebat aan het einde van dit jaar over de uitkomst van deze gesprekken. Ik zal in deze brief tevens ingaan op de positie van de rijksoverheid bij de vorming van streekomroepen.

Daarnaast is volgens de leden van de D66-fractie de financiële basis van verscheidene reeds gevormde streekomroepen wankel en is de nood voor een aantal zelfs zeer acuut. Welke mogelijkheden ziet de Minister om hier iets aan te doen en is hij bereid de nieuwe invulling van de frictiekostenregeling voor regionale omroepen daarbij te betrekken zo vragen deze leden.

De financiële situatie van enkele streekomroepen is inderdaad zorgelijk. Dat betreur ik, ook omdat ik de inspanningen van lokale omroepen om de transitie naar streekomroep te maken ten zeerste waardeer. Ik acht het van belang te benadrukken dat op grond van de Mediawet gemeentes verantwoordelijk zijn voor de bekostiging van lokale publieke omroepen. De keuze voor de hoogte van het bedrag waarmee gemeenten de lokale (streek)omroep bekostigen is aan de desbetreffende gemeenten.

Niettemin is goede publieke informatievoorziening op lokaal- en regionaal niveau een zaak waar dit kabinet ook zelf aan wil werken. Daarom zorg ik ervoor dat de structureel beschikbare € 5 mln. voor onderzoeksjournalistiek in 2018 voor een belangrijk deel ten goede komt aan onderzoeksjournalistiek op regionaal en lokaal niveau.56 Verder stel ik jaarlijks geld beschikbaar voor de uitvoering van de activiteiten van de NLPO. In 2018 is dit ruim € 1.5 mln. En zoals gezegd ga ik samen met de Minister van BZK57 in gesprek met de NLPO en de verantwoordelijke VNG-commissie. Tot slot biedt mijn voorstel voor een alternatieve bekostigingswijze voor de projecten van de RPO binnen de zogenoemde «frictiekostenregeling B» ruimte om samenwerkingsprojecten tussen regionale en lokale publieke omroepen (onder coördinatie van de RPO) te bekostigen.58

De leden van de D66-fractie vragen wat de inzet zal zijn van de Minister in de gesprekken die hij gaat voeren met de streekomroepen.

Ik ga samen met de Minister van BZK59 gesprekken voeren met onder andere de VNG, NLPO en streekomroepen. De gezamenlijke inzet bij deze gesprekken is de vorming van streekomroepen en het bespreken in hoeverre deze beweging versterkt kan worden. Ik verwijs hierbij ook naar de Kamerbrief van 5 juli jl. over de versterking van de lokale democratie van de Minister van BZK.60

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie

De leden van de GroenLinks-fractie zouden graag met de Minister in gesprek willen over de vraag hoe hij in bredere zin de toekomst ziet van het publieke mediabestel c.q. de NPO en vragen of hij deze visie op papier kan zetten ten behoeve van het later te houden algemeen overleg en of hij onderstaande vragen hierin wil meenemen. Deze leden staan voor een sterke publieke omroep. Goed functionerende media zijn van groot belang voor een open democratische samenleving en de publieke omroep is daarin onmisbaar. Zij vragen hoe de Minister dit ziet, hoe zich deze visie verhoudt tot de toekomstige bezuinigingen bij de NPO en of de NPO nog kan voldoen aan de verwachtingen en taken met het huidige budget.

Ik deel de visie dat goed functionerende media van belang zijn voor een open democratische samenleving. De publieke omroep kan hierin een belangrijke rol spelen. De invulling van deze rol is afhankelijk van de financiële middelen die hiervoor beschikbaar zijn. Wanneer de dalende Ster-inkomsten op de lineaire televisie- en radiokanalen van de landelijke publieke omroep niet kunnen worden opgevangen door extra online reclame-inkomsten en/of andere inkomsten, zoals de vergoeding van distributeurs, zal een verlaging van het budget van de landelijke publieke omroep het gevolg zijn. Dit noopt de landelijke publieke omroep om scherpe keuzes te maken om zijn maatschappelijke relevantie te behouden.

Over de vraag of de NPO nog kan voldoen aan de verwachtingen en taken met het huidige budget kan ik nog geen conclusie trekken. Dit is afhankelijk van de keuzes die de NPO maakt. Het plan dat de raad van bestuur van de NPO op 5 juni 2018 met mij heeft gedeeld, beschrijft deze keuzes op hoofdlijnen.61 Ik heb de raad van bestuur van de NPO uitgenodigd om het plan met mij te bespreken om een beter beeld te krijgen van de invulling en (financiële) gevolgen van het plan. Het is echter – conform haar wettelijke taak – aan de NPO om de programmatische keuzes te maken. Welke keuzes de NPO ook maakt, deze zullen uitlegbaar moeten zijn in het licht van de wettelijke opdracht van de publieke omroep. Gelet op de onafhankelijkheid van de publieke omroep zijn mijn beïnvloedingsmogelijkheden daarbij begrensd.

Ik ga de komende tijd tot aan de nieuwe erkenningsperiode benutten om te werken aan een visie op de publieke omroep voor de langere termijn, met als doel om een sterke pluriforme publieke omroep te behouden met een kwalitatief, pluriform, inclusief media-aanbod.

De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat de dalende reclame-inkomsten zich niet tot één jaar beperken maar een trend zijn van meerdere jaren en menen dat er daarom structureel naar oplossingen moet worden gekeken. Zij vragen hoe de Minister dit ziet, of het huidige stelsel volgens hem nog houdbaar is of dat hij andere plannen heeft en of hij wil kijken naar de lange termijn, dus ook na 2020.

De situatie van de mediabegroting als het gaat om de dalende Ster-inkomsten lijkt een structurele trend die inderdaad om structurele oplossingen vraagt. Met het oog op een toekomstbestendige oplossing heb ik de NPO gevraagd om een plan op te stellen. Ik heb de raad van bestuur van de NPO uitgenodigd om het plan met mij te bespreken om een beter beeld te krijgen van de invulling en (financiële) gevolgen van het plan. Zoals gezegd ga ik met het oog op de lange termijn de komende tijd tot aan de nieuwe erkenningsperiode benutten om te werken aan een visie op de publieke omroep voor de langere termijn met als doel om een sterke pluriforme publieke omroep te behouden met een kwalitatief, pluriform, inclusief media-aanbod.

De leden van de GroenLinks-fractie zien een reclame-paradox nu de NPO de dalende inkomsten vooral wil opvangen door bezuinigingen in de genres cultuur en informatie (NPO2-programmering) en juist de programmering van populair amusement op NPO1 ontzien. Volgens deze leden lijken (afnemende) reclame inkomsten bepalend te zijn voor programmatische keuzes tussen genres en vragen hoe de Minister hier tegenaan kijkt in het kader van de publieke mediaopdracht die juist cultuur, informatie en educatie voorop zet.

Terecht merken de leden van de GroenLinks-fractie op dat de media-opdracht voor de publieke omroep in de kern gaat over informatie, cultuur en educatie. Ik onderken de zorg over bepaalde programma’s en programmagenres. Ik heb de raad van bestuur van de NPO uitgenodigd om het plan met mij te bespreken om een beter beeld te krijgen van de invulling en (financiële) gevolgen van het plan. Het is – conform haar wettelijke taak – aan de NPO om de programmatische keuzes te maken. Er zijn door de NPO nog geen definitieve besluiten genomen, dus ik kan nu niet speculeren en uitspraken doen over welke programma’s en programmagenres mogelijk geraakt worden. Welke keuzes de NPO ook maakt, deze zullen uitlegbaar moeten zijn in het licht van de wettelijke opdracht van de publieke omroep. Gelet op de onafhankelijkheid van de publieke omroep zijn mijn beïnvloedingsmogelijkheden begrensd.

De leden van de GroenLinks-fractie zijn dan ook benieuwd naar de mogelijkheden om de publieke omroep reclamevrij of reclame-arm te maken om de hierboven gesignaleerde reclame-paradox te doorbreken. De noodzaak voor reclame wordt volgens deze leden steeds minder als de reclame-inkomsten almaar dalen en vragen of de Minister bij het komen tot structurele oplossingen voor de dalende reclame-inkomsten ook dit scenario nader kan uitwerken. Deze leden vragen voorts of de Minister bereid is om een scenario te maken waarin er geen reclame is rondom kinderprogramma's.

Een geheel of gedeeltelijk reclamevrije publieke omroep kan een mogelijkheid zijn om de media-begroting en daarmee de financiering van de publieke omroep minder afhankelijk te maken van reclame-inkomsten. Ik zal dergelijke scenario’s meenemen in het kader van de te ontwikkelen langetermijnvisie op de publieke omroep.

De leden van de GroenLinks-fractie lezen dat de Minister voor 2019 en 2020 nieuwe tegenvallers van de STER-inkomsten niet wil verrekenen met het budget voor de landelijke publieke omroep. Zij vragen of de Minister deze middelen binnen de OCW-begroting wil vinden en of het bijvoorbeeld ten koste kan gaan van het onderwijsbudget.

Ik heb uw Kamer in mijn brief van 25 juni 2018 geïnformeerd dat ik de intentie heb om gedurende de resterende erkenningsperiode (2019–2020) nieuwe tegenvallers van de Ster-inkomsten niet te verrekenen met het budget voor de landelijke publieke omroep.62 Ik heb uw Kamer in dit verband geïnformeerd dat ik eventuele nieuwe tegenvallers moet opvangen binnen de mediabegroting door andere uitgaven te verlagen en/of door af te zien van geplande toekomstige uitgaven uit de Algemene Mediareserve. Ik ben dus niet van plan om eventuele nieuwe tegenvallers op te vangen vanuit het onderwijsbudget.

De leden van de GroenLinks-fractie stellen enkele vragen naar aanleiding van het plan van Paul Römer. Deze leden vragen hoe de Minister de consequenties daarvan voor de baanzekerheid van omroepmedewerkers, arbeidsmarktpositie van makers, onafhankelijke producenten en het effect voor de besparingen beoordeelt. Zij vragen of de Minister bereid is de gevolgen van het voorstel van Römer onafhankelijk te laten onderzoeken en daarbij ook te kijken naar mogelijke uitwerking of alternatieven.

Ik heb kennis genomen van de ideeën van de heer Römer en waardeer zijn bijdrage aan het debat over hoe een toekomstbestendige publieke omroep er uit zou kunnen zien. Het is een van de vele mogelijke alternatieven die nadere beschouwing en eventueel nadere uitwerking behoeven. Daarom kan ik nu geen antwoord geven op de vragen van de GroenLinks-fractie naar de wenselijkheid, haalbaarheid en consequenties. Ik zal de visie van Römer betrekken bij het opstellen van mijn eerder genoemde langetermijnvisie.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen tevens wat de visie van de Minister is op online-activiteiten en of hij van mening is dat online activiteiten vrij van reclame moeten zijn.

Het is de wettelijke taak van de landelijke publieke omroep om media-aanbod aan te bieden dat tot doel heeft een breed en divers publiek te voorzien van informatie, cultuur en educatie. De publieke omroep moet het publiek kunnen bereiken via alle geschikte en beschikbare verspreidingstechnieken die aansluiten bij het mediagebruik van het publiek en heeft daarin ook een wettelijke innoverende taak. Dus ook via het internet en alle andere mogelijke vormen van online en mobiele diensten. Het is aan de NPO zelf om daar een strategie in te kiezen.

Een geheel of gedeeltelijk reclamevrije publieke omroep kan een mogelijkheid zijn om de media-begroting en daarmee de financiering van de publieke omroep minder afhankelijk te maken van onzekere reclame-inkomsten. Ik zal dergelijke scenario’s meenemen in de nog op te stellen langetermijnvisie op de publieke omroep.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de Minister kan reageren op het rapport Ben ik (nog) in beeld van NSOB en hoe hij de conclusies beoordeelt.

Ik vind het niet aan mij om daar een oordeel over te geven. Via de prestatieovereenkomst maak ik afspraken met de NPO over de koers van de NPO. Zoals eerder aangegeven heb ik daarnaast aan de NPO gevraagd om de plannen voor de budgetverlaging met mij te bespreken.63

De leden van de GroenLinks-fractie zijn van mening dat de Wet Normering Topinkomens ook van kracht zou moeten zijn bij de publieke omroep. Zij horen graag van de Minister hoe hij dat ziet. en of hij bereid is om afspraken te maken over het normeren van topsalarissen. De leden constateren dat de motie van de leden Kwint, Westerveld, Van den Hul over bij de publieke omroep niet meer verdienen dan een Minister64 bij het wetgevingsoverleg niet is aangenomen. Deze motie vraagt om de uitzonderingsmogelijkheid voor personeel dat via een productiemaatschappij kan worden ingehuurd, waardoor er vele malen meer kan worden verdiend dan de WNT-norm, af te schaffen. Zij vragen hoe de Minister dit ziet in het licht van de bezuinigingsopdracht van de publieke omroep en of hij vindt dat het uit te leggen is dat een omroep moet bezuinigen op goedlopende programma's en een enkeling een flink topsalaris verdient.

Het kabinet staat voor een sober beloningsbeleid voor topfunctionarissen in de (semi)publieke sector. Geld voor publieke voorzieningen moet niet besteed worden aan bovenmatige beloningen. De Wet normering topinkomens (WNT) maximeert daarom de bezoldiging van topfunctionarissen, ook bij de publieke omroep. De WNT zorgt daarnaast voor transparantie over de bezoldiging van zowel topfunctionarissen als niet-topfunctionarissen, zoals presentatoren.

De regelgeving over beloningsbeleid bij de publieke omroep gaat verder dan de WNT. Op grond van de Mediawet 2008 is namelijk ook de bezoldiging van presentatoren gemaximeerd. Dit is uitgewerkt in het Beloningskader Presentatoren in de Publieke Omroep (BPPO). Bij brief van 12 oktober 2017 bent u geïnformeerd over het aangescherpte BPPO.65 Daarmee werd de berekeningssystematiek van de WNT ook van toepassing verklaard op presentatoren bij de publieke omroep en worden vanaf juni 2017 geen uitzonderingen meer toegestaan om overeenkomsten te sluiten tot bezoldiging boven het WNT-maximum. Het BPPO bepaalt dat naast de arbeidsovereenkomst ook opdrachtovereenkomsten onder de regeling vallen. Daarnaast wordt de omroepen dringend gevraagd om ook bij productieovereenkomsten zo veel mogelijk in lijn met het BPPO te handelen.

Tabel: Functionarissen bij de landelijke publieke omroep boven het WNT-maximum
 

Topfunctionarissen

Niet-topfunctionarissen

2015

25

23

2016

16

191

2017

15

18

X Noot
1

In de brief van 12 oktober 2017 (Kamerstuk 32 827, nr. 121) is over 2016 het aantal van 14 vermeld (i.p.v. 19), doordat in het overzicht vijf presentatoren van KRONCRV abusievelijk niet zijn opgenomen.

Door de WNT en het BPPO zal de daling – zoals in bovenstaande tabel te zien – de komende jaren verder doorzetten. Het is aan de NPO en omroepen, gegeven de beschikbare middelen, invulling te geven aan de programmering en de hoogte van de bezoldiging van de medewerkers. Hiervoor geldt de omroep-cao. In een enkel geval kan daar bovenop, op grond van de systematiek van het BPPO, een markttoeslag worden toegekend, waarmee het WNT-maximum echter niet mag worden overschreden.

De leden van de GroenLinks-fractie constateren dat lokale media steeds meer onder druk staan, terwijl met de decentralisaties gemeenten steeds meer belangrijke taken krijgen. Voor goede controle op de lokale politiek is juist deze vorm van media van belang. Lokale omroepen moeten een belangrijk onderdeel vormen van deze lokale media. Echter, zij constateren dat veel lokale omroepen niet meer dan € 50.000 per jaar ontvangen en vragen of de Minister het met deze leden eens is dat met een dergelijke bijdrage het lastig is om een professionele omroep te runnen.

Volgens de Mediawet moet bekostiging door de gemeente op zodanige wijze geschieden dat op lokaal niveau in een lokaal toereikend media-aanbod (hierna: LTMA) kan worden voorzien.67 Welk bekostigingsbedrag er nodig is om in dat niveau te voorzien verschilt van geval tot geval. Publieke omroepen dienen in hun bekostigingsaanvraag adequaat te onderbouwen welke gemeentelijke bijdrage nodig is om in LTMA te voorzien. Indien het gemeentebestuur besluit om een lagere bijdrage toe te kennen, dan is het van belang dat de gemeente kan onderbouwen dat dit bedrag afdoende is voor het verzorgen van LTMA.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de Minister kan aangeven of hij mogelijkheden ziet om de vorming van streekomroepen met een breder draagvlak en meer armslag verder te stimuleren. Welke visie heeft de Minister hierover, zo vragen deze leden.

Ik sta achter de beweging die door de NLPO is ingezet om door middel van fusies en samenwerkingsverbanden tot meer streekomroepen te komen. Professionalisering, schaalvergroting en samenwerking door streekomroepen dragen bij aan de financiële gezondheid van de sector en haar vermogen om de democratische controlefunctie op lokaal niveau uit te blijven oefenen. Ik geloof ook dat er nog grote kansen liggen in samenwerking tussen regionale en lokale publieke (streek)omroepen.

Goede publieke informatievoorziening op lokaal- en regionaal niveau is een zaak waar dit kabinet ook zelf aan werkt. Daarom zorg ik ervoor dat de structureel beschikbare € 5 mln. voor onderzoeksjournalistiek in 2018 voor een belangrijk deel ten goede komt aan onderzoeksjournalistiek op regionaal en lokaal niveau.68 Verder stel ik jaarlijks geld beschikbaar voor de uitvoering van de activiteiten van de NLPO. In 2018 is dit ruim € 1.5 mln. En zoals gezegd ga ik samen met de Minister van BZK69 in gesprek met de NLPO en de verantwoordelijke VNG-commissie. Tot slot biedt mijn voorstel voor een alternatieve bekostigingswijze voor de projecten van de RPO binnen de zogenoemde «frictiekostenregeling B» ruimte om samenwerkingsprojecten tussen regionale en lokale publieke omroepen (onder coördinatie van de RPO) te bekostigen.70

Ik ga tevens samen met de Minister van BZK71 in gesprek met de VNG, NLPO en streekomroepen. Onderwerp van gesprek hierbij is de vorming van streekomroepen en in hoeverre deze beweging versterkt kan worden. Ik verwijs hierbij ook naar de Kamerbrief van 5 juli jl. over de versterking van de lokale democratie van de Minister van BZK.72

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de Minister het met de leden eens is dat niet alleen moet worden gekeken naar hoeveel gemeenten voldoen aan het richtsnoerbedrag, maar ook hoe het is opgebouwd. Zij vragen of de Minister bereid is om ook te kijken naar vaste voet in de bekostiging van de lokale omroepen, zodat ook in de kleinere (samenwerkende) gemeenten er professionele (streek)omroepen kunnen functioneren. en bij deze verkenning als uitgangspunt mee te nemen dat de lokale omroepen en streekomroepen een professionele organisatie kunnen runnen.

Ik ga samen met de Minister van BZK73 in gesprek met onder andere de VNG, NLPO en streekomroepen. De wijze waarop invulling wordt gegeven aan het richtsnoerbedrag door gemeenten, de financiële gezondheid van de lokale publieke mediasector en de mogelijkheden om streekvorming en samenwerking te versterken zullen daarbij zeker aan bod komen. Ik kan niet vooruit lopen op de uitkomst van die gesprekken. Ik informeer uw Kamer vóór het Mediabegrotingsdebat dit jaar over de voortgang.

De leden van de GroenLinks-fractie merken op dat goede onderzoekjournalistiek onmisbaar is in een democratische rechtstaat en zijn daarom positief dat het kabinet € 5 miljoen investeert in onderzoekjournalistiek. Wel vragen deze leden of dit echt voldoende is om de gewenste impuls te bereiken.

De journalistiek werkt zelfstandig en grotendeels zonder steun van de overheid. Het is goed dat de journalistiek onafhankelijk opereert, omdat juist de overheid vaak onderwerp van journalistiek onderzoek is. Het past de overheid dan ook om een bescheiden rol aan te nemen. Toch is een goed journalistiek klimaat niet vanzelfsprekend. Via de middelen uit het regeerakkoord kan het kabinet een goede impuls geven aan onderzoeksjournalistiek. De middelen zijn een ruime verdubbeling van het budget dat voorheen beschikbaar was voor het stimuleren van journalistiek. De besteding van de middelen zal de komende jaren zorgvuldig worden gemonitord en geëvalueerd.

Volgens de leden van de GroenLinks-fractie wijst de Minister er terecht op dat steeds meer (onderzoeks)journalisten werken als zzp’er en hun arbeidsmarktpositie vaak zorgwekkend is. De Minister stelt dan ook middelen beschikbaar om deze arbeidsmarktpositie te verbeteren. Deze leden vragen hoe hij dit concreet wil gaan doen en welke actie zal worden ondernomen om deze arbeidsmarktpositie verbeteren.

Ik wil dat de middelen die in het regeerakkoord beschikbaar zijn gesteld voor onderzoeksjournalistiek ook goed toegankelijk zijn voor zzp’ers. Er zijn veel zzp’ers werkzaam in deze sector. Daarom heb ik in mijn brief van 22 juni 2018 aangekondigd dat ik nader zal onderzoeken of voor zzp’ers nog een andere aanpak nodig is dan de nu gekozen instrumenten.74

In diezelfde brief heb ik ook mijn zorgen geuit over de arbeidsmarktpositie van zzp’ers in de journalistiek. In de antwoorden op de Kamervragen van de leden Kwint en Van Kent (beiden SP) van 13 juni 2018 zijn de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en ik daar al verder op ingegaan. Vergelijkbaar met andere creatieve beroepen zijn journalisten vaak bereid om, vanuit hun passie, voor lage tarieven te werken en hebben zij een zwakke onderhandelingspositie. Ik vind dat een zorgelijke ontwikkeling. Niet iedereen kan journalist zijn. Maar degenen die het vak professioneel beoefenen, moeten daar natuurlijk fatsoenlijk voor betaald worden. Het is echter niet aan mij om vast te stellen wat een fatsoenlijke vergoeding is. De journalisten en hun werkgevers of opdrachtgevers zullen samen moeten vaststellen wat fatsoenlijk is. Door alle ontwikkelingen in de sector, die ook beschreven zijn in de onderzoeken die ik uw Kamer op 22 juni 2018 heb toegestuurd, zal wellicht opnieuw bepaald moeten worden wat «fatsoenlijk» is.75

Ik zie voor mezelf wel een rol weggelegd om de partijen waar nodig te faciliteren in het maken van afspraken en er op aan te blijven dringen dat de dialoog tussen de partijen wordt gevoerd. In dat kader vind ik de arbeidsmarktagenda, die op verzoek van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is opgesteld door de culturele en creatieve sectoren, een goede ontwikkeling. Ook de journalisten zijn hier via de beroepsvereniging NVJ op aangesloten. De agenda is er onder andere op gericht om in afstemming tussen werkgevers/opdrachtgevers en werknemers/opdrachtnemers vast te stellen wat een eerlijke werkpraktijk («fair practice») is. Daarnaast beoogt de agenda de onderhandelingspositie van creatieve beroepen te verbeteren. Voor het verbeteren van de onderhandelingspositie geldt voor zzp’ers dat collectieve onderhandeling mogelijk een uitkomst biedt. Dit is nu niet mogelijk vanwege wettelijke belemmeringen. Ook voor journalisten is dat een zeer interessante ontwikkeling. Momenteel verkennen de Ministers van SZW, J&V, EZK en OCW of en hoe het mogelijk is om experimenteerruimte te creëren zodat zzp’ers werkzaam in de culturele en creatieve sector collectief kunnen onderhandelen. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan de motie van de leden Ellemeet en Asscher van 13 november 2018.76 Ik zet mij er voor in dat (beeld)journalisten onderdeel worden van dit experiment.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben al een aantal keer het belang van mediawijsheid benadrukt en wijzen er op dat ook het Rathenau Instituut, de Raad voor Cultuur, het SCP77, Clingendael en het Commissariaat voor de Media het belang ervan benadrukken. Deze leden merken op dat in de plannen van de overheid wel aandacht is voor de bestrijding van nepnieuws, maar weinig voor het belang van mediawijsheid. Zij zien daarom graag een bredere visie van de overheid als het gaat om digitalisering en mediawijsheid en vragen of de Minister bij de verdere uitwerking van Nederland Digitaal het belang en de rol van mediawijsheid wil meenemen en wil aangeven of, en zo ja hoe hij de rol van de overheid ziet als het gaat om het tegengaan van nepnieuws en of hij een rol ziet voor mediawijsheid in deze discussie.

Ik zal het belang en de rol van mediawijsheid bij de verdere uitwerking van Nederland Digitaal meenemen. Digitalisering kan niet los worden gezien van mediawijsheid en digitale vaardigheden. De ontwikkeling, het gebruik, de toepassing van én inzicht in digitale technologieën gaan immers hand in hand. Juist daarom zijn mediawijsheid en digitale vaardigheden opgenomen in de kabinetsbrede digitaliseringsstrategie, Nederland Digitaal78, die op 15 juni 2018 naar de Tweede Kamer is gestuurd. Daarin worden de huidige inspanningen op het gebied van mediawijsheid beschreven, onder andere in het primair en voortgezet onderwijs en via het expertisecentrum Mediawijzer.net. Daarnaast zal ik u mede naar aanleiding van een recente evaluatie van Mediawijzer.net, die op 22 augustus 2018 naar de Kamer is verstuurd79, in het najaar van 2018 informeren over de aanpak op het gebied van mediawijsheid en eventuele vervolgacties.

Over de rol van de overheid en mediawijsheid in het tegengaan van nepnieuws merk ik het volgende op. Zoals blijkt uit de inventarisatie van methodes om desinformatie tegen te gaan, die ik op 22 juni 2018 aan de Tweede Kamer heb gestuurd, kunnen verschillende partijen in de samenleving, waaronder journalisten, onderzoekers en online platforms een bijdrage leveren aan het tegengaan van desinformatie.80 Tegelijkertijd is er nog weinig bekend over de effectiviteit van deze methodes en de toepasselijkheid ervan in Nederland. Het kabinet heeft in het afgelopen half jaar het gesprek met deze partijen geopend en hecht eraan om tegen de achtergrond van de door de Europese Commissie gepresenteerde Europese aanpak met deze partijen in gesprek te kunnen gaan over de beste aanpak voor de Nederlandse context. Mediawijsheid speelt zeker een rol in deze discussie. Het is belangrijk dat burgers online en offline in staat zijn zelf nieuws en informatie in het algemeen op waarde te schatten.

De leden van de GroenLinks-fractie beschrijven dat het Openbaar Ministerie in korte tijd twee keer journalisten ten onrechte afgeluisterd. Als antwoord op mondelinge vragen van het lid Westerveld over het afluisteren van een journalist van het Brabants Dagblad81 gaf Minister Grapperhaus aan dat het OM maatregelen treft om zijn eigen bedrijfsregels aan te scherpen, zodat dergelijke situaties in de toekomst niet meer zullen voorkomen. Verder zal met de nieuwe wet over bronbescherming een toets door de rechter-commissaris plaatsvinden, waardoor er in ieder geval altijd een rechter aan te pas komt om te bekijken of het onder de gegeven omstandigheden een situatie is die ernstig genoeg is. Hoe kon het dan toch een tweede keer gebeuren, zo vragen deze leden. Voorts vragen ze of er extra maatregelen nodig zijn. Zijn er meer voorbeelden bekend waarbij journalisten in Nederland worden afgeluisterd, zo vragen deze leden ten slotte.

Minister Grapperhaus heeft op 12 juni jl. aan uw Kamer mondeling toegezegd dat hij de Kamer zal informeren over de laatste stand van zaken omtrent deze en andere kwesties aangaande de Aanwijzing toepassing dwangmiddelen bij journalisten door het OM. Daarnaast beantwoordt Minister Grapperhaus op korte termijn ook Kamervragen over dit onderwerp82. Gelet op dit feit, en het feit dat het OM nog bezig is met onderzoek naar de kwestie, wil ik hier niet op vooruitlopen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie vragen de Minister hoe hij nu aankijkt tegen de zware bezuinigingen op de publieke omroep en of het niet beter ware geweest als de informatie over de teruglopende reclame-inkomsten, en de daarmee gepaard gaande bezuiniging voor de publieke omroep, al beschikbaar was geweest tijdens de formatie.

Ik wil benadrukken dat er geen sprake is van een beleidskeuze van het kabinet om budgetten te korten, maar van feitelijke noodzaak. Feit is namelijk dat de mediabegroting gevoed wordt met Ster-inkomsten. Als die inkomsten dalen en er is geen bron om dat te compenseren, dan is er voor de publieke omroep minder geld beschikbaar. Voor het antwoord op de vraag van de leden van de SP-fractie naar de formatie verwijs ik naar mijn antwoorden, mede namens de Minister-President, van 5 december 2017 op de schriftelijke vragen van het lid Kwint over Ster-inkomsten83 en mijn brief van 20 december 2017 inzake het verslag van een schriftelijk overleg over de antwoorden op de vragen van het lid Kwint over de Ster-inkomsten.84

De leden van de SP-fractie vragen welke invloed de individuele omroepen volgens het kabinet hebben op de teruglopende STER-inkomsten.

EY concludeert in zijn rapport dat rekening moet worden gehouden met een structurele afname van de Ster-inkomsten op de lineaire TV- en radiokanalen van de NPO. Dit houdt volgens EY verband met de ontwikkeling van de lineaire TV- en radiomarkt. Deze ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van de individuele omroepen.

Dit ligt anders voor de exploitatie van de online reclame-inkomsten door de Ster. EY benoemt hierbij de samenwerking tussen Ster, NPO en omroepen als aandachtspunt. De Ster is voor de exploitatie van online reclame afhankelijk van de medewerking van de NPO en de omroepen, omdat de uitzending van online reclame op hun websites en apps plaatsvindt en dus door hen moet worden gefaciliteerd. In zijn onderzoek heeft EY geconstateerd dat verschillende mogelijkheden in het reclamebeleid van de NPO voor online reclame niet worden benut doordat onvoldoende online reclameruimte beschikbaar wordt gesteld.

De leden van de SP-fractie vragen hoe de Minister staat tegenover de suggestie van het College van Omroepen, waarin gevraagd wordt tweemaal de terugloop in STER-inkomsten te compenseren, waarna de omroepen zelf de verantwoordelijkheid nemen om de mediareserve weer op orde te brengen.

Ik beschouw het voorstel van het College van Omroepen als een aanbod om in gezamenlijk overleg te onderzoeken hoe de maatschappelijke relevantie van de landelijke publieke omroep kan worden geborgd en hoe relatieve rust gecreëerd kan worden om gedurende de resterende erkenningsperiode gezamenlijk na te denken over de bekostiging van de landelijke publieke omroep op de lange termijn. Ik waardeer dit aanbod en zal het College van Omroepen uitnodigen om hun ideeën hierover te bespreken. Ik zal hierbij ook de NPO en de Ster betrekken, omdat het College van Omroepen in zijn brief ook verwijst naar de rol van de NPO en de Ster. Ik zal uw Kamer informeren over de uitkomsten hiervan in mijn mediabegrotingsbrief voor 2019. Ik wil wel duidelijk zijn over het feit dat ik niet binnen de OCW-begroting ga zoeken naar middelen om in 2019 en 2020 de terugloop in de Ster-inkomsten te compenseren.

De leden van de SP-fractie merken op dat waar bezuinigd moet worden, programma’s gaan verdwijnen, zoals het tv-programma Andere Tijden of dreigen om onbegrijpelijke redenen ineens van plek te moeten verschuiven, zoals EenVandaag. De leden van de SP-fractie wijzen op het geruzie tussen NPO en omroepen waardoor opnieuw de discussie naar boven komt of het systeem van omroepen nog wel houdbaar is. Deze leden vragen of de Minister de mening van hen deelt dat dit zeer onwenselijk is en dat een oproep tot samenwerking weinig effect zal sorteren als de diverse partijen op het Mediapark onder druk van de bezuinigingen nu primair bezig zijn met het bevechten van hun eigen overleven en eigen ruimte op de zender.

Ik ben het eens met de leden van de SP-fractie dat dat onwenselijk is. Hoewel ik best begrijp dat elke omroep staat voor zijn programma’s zouden alle partijen gericht moeten zijn op het gezamenlijke belang om een publieke omroep in stand te houden die ook in de toekomst zijn relevantie voor de samenleving kan behouden. Visies daarover kunnen verschillen, maar die moeten nuttig aangewend worden om tot gezamenlijke oplossingen te komen. Het gaat nu om behoud van een maatschappelijk relevante publieke omroep in zijn geheel, niet om handhaving van individuele posities en belangen.

De leden van de SP-fractie vragen wat de Minister vindt van het dreigende verdwijnen van een programma als Brandpunt+, dat juist wel op innovatieve wijze bezig is. In hoeverre acht het kabinet zichzelf verantwoordelijk voor de personele consequenties die dit besluit zal hebben zo vragen zij. Volgens deze leden wordt na jaren van onrust, reorganisaties, bezuinigingen en ontslagen nu voor het zoveelste jaar op rij op het Mediapark gesproken over bezuinigingen. Hoeveel mensen kunnen er, volgens het kabinet, weg, voordat de kerntaak van de publieke omroep in het geding komt zo vragen zij.

Bij de publieke omroep zullen keuzes gemaakt moeten worden zowel in programmering als in organisatie. Daarvoor heb ik de NPO om een plan gevraagd. Ik onderken de zorg over bepaalde programma’s en programmagenres. Ik heb de raad van bestuur van de NPO uitgenodigd om het plan met mij te bespreken om een beter beeld te krijgen van de invulling en (financiële) gevolgen van het plan. Het is – conform haar wettelijke taak – aan de NPO om de programmatische keuzes te maken. Er zijn door de NPO nog geen definitieve besluiten genomen, dus ik kan nu niet speculeren en uitspraken doen over welke programma’s en programmagenres mogelijk geraakt worden. Welke keuzes de NPO ook maakt, deze zullen uitlegbaar moeten zijn in het licht van de wettelijke opdracht van de publieke omroep. Gelet op de onafhankelijkheid van de publieke omroep zijn mijn beïnvloedingsmogelijkheden daarbij begrensd.

De leden van de SP-fractie merken op dat de Minister aangeeft dat de publieke omroepen een deel van de tegenvaller van de verdwenen rapporten van Dekker kunnen opvangen vanuit de eigen reserves. Zij vragen of het klopt dat de inschatting van de omvang van deze reserves gebaseerd is op een inschatting van 31 december 2017en of de Minister nu weet wat de omvang van deze reserves is.

De inschatting van de omvang van de reserves is gebaseerd op de jaarrekeningen van de omroepen over 2017, waarbij is uitgegaan van de omvang van de reserves per 31 december 2017. Om deze reden heb ik voor volgend jaar een inschatting gemaakt waarbij ik ben uitgegaan van gelijkblijvende omstandigheden. Ik heb dit toegelicht in mijn brief van 25 juni 2018 aan uw Kamer.85 Wat de omvang op dit moment is, is mij niet bekend.

De leden van de SP-fractie vragen of het kabinet kan aangeven in hoeverre men het verstandige bedrijfsvoering acht, om de reserves van omroepen te plunderen op een moment dat er op het Mediapark gesproken wordt over mogelijke ontslagen, en er een reëel risico is dat er sociale plannen gesloten moeten gaan worden, inclusief forse financiële consequenties.

De inzet van reserves is in mijn visie geen structurele financiële oplossing. De omroepen beschikken echter over reserves en die kunnen in 2019 en 2020 worden ingezet om de impact van een budgetverlaging met ingang van 2019 op te vangen. Dit sluit aan op de functie van reserves.

Ten aanzien van de reserves van omroepen moet onderscheid worden gemaakt in algemene reserves en mediareserves. Algemene reserves staan ter beschikking van de betreffende omroep en dienen voor het opvangen van bedrijfsvoeringsrisico’s. De mediareserves zijn gevormd uit de gelden die bestemd zijn voor de programmering.

In mijn brief van 25 juni 2018 verwijs ik naar artikel 2.176 Mediawet 2018 dat verplicht stelt dat mediareserves in het eerstvolgende kalenderjaar worden besteed aan de doelen waarvoor zij oorspronkelijk bestemd zijn, tenzij ik daarvoor ontheffing verleen.86 Ten aanzien van deze reserves heb ik uw Kamer geïnformeerd dat ik niet van plan ben om voor 2019 en 2020 ontheffing te verlenen, tenzij deze aantoonbaar niet in voorgenoemde jaren liquide gemaakt kunnen worden. Deze mediareserves mogen op grond van de Mediawet 2018 niet worden ingezet voor de bekostiging van sociale plannen.

Voor de bekostiging van sociale plannen kunnen omroepen hun algemene reserves inzetten. Deze zijn immers bedoeld om bedrijfsvoeringsrisico’s op te vangen. Omroepen kunnen vrij beschikken over hun algemene reserves. Op grond van de Mediawet 2018 geldt niet de verplichting dat die worden ingezet voor de verzorging van media-aanbod.

De leden van de SP-fractie merken op dat het concessiebeleidsplan voor de publieke omroep loopt tot 2020. Zij vragen of de Minister een beeld kan schetsen van hoe volgens dit kabinet de publieke omroep er na die periode uit moet zien. Gaat hij dan nog uit van de ledenomroepen zoals ze nu bestaan, of stuurt hij meer aan op een grotere rol van de NPO en met de omroepen als productiehuizen, zoals in de media reeds door enkelen is geopperd, zo vragen deze leden.

Dit kabinet staat voor behoud van een stevige, maatschappelijk relevante en pluriforme publieke omroep. Het is geen gemakkelijke opgave om als publieke omroep een sterke positie te houden in het overvolle medialandschap. Gelet op de financiële mogelijkheden van de mediabegroting de komende jaren ligt daar een uitdaging. Ik ga de komende tijd tot aan de nieuwe erkenningsperiode benutten om te werken aan een visie op de publieke omroep voor de langere termijn met als doel om een sterke pluriforme publieke omroep te behouden met een kwalitatief, pluriform, inclusief media-aanbod.

De leden van de SP-fractie merken op dat in de regio het lang niet altijd beter gaat. Zij vragen of de Minister wist dat de enige lokale omroep die hij in zijn brief noemt – 1Twente – op dit moment nog altijd niet weet of ze volgend jaar nog doorkunnen, hetgeen volgens hen onbestaanbaar zou zijn. Deze leden vragen of de Minister erkent dat lokale en regionale journalistiek momenteel meer nodig heeft dan een eenmalige stimuleringsregeling, maar dat de controle op de lokale democratie gebaat is bij een sterkere structurele ondersteuning. Deze leden wijzen er op dat de regionale omroep ZuidWest aangeeft dat de landelijke overheid een centralere rol moet nemen in het ondersteunen van media in de regio en vragen hoe deze brandbrief – en vele andere zorgwekkende signalen – zich verhouden tot de ambities van dit kabinet om juist op lokaal en regionaal niveau een professionalisering mogelijk te maken.

Onderzoek bevestigt de zorgen over de lokale en regionale journalistiek in sommige regio’s.87 En juist op regionaal niveau is het belang van een kritische tegenmacht groot, gezien de decentralisatie van overheidstaken. Evenals de leden van de SP-fractie ben ik op de hoogte van de precaire financiële situatie waarin sommige lokale omroepen zich bevinden, waaronder 1Twente en Omroepstichting ZuidWest. Laatstgenoemde heeft mij per brief op de hoogte gesteld van hun zorgelijke financiële situatie. Zoals hierboven ook beschreven, acht ik het van belang te onderstrepen dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de bekostiging van lokale publieke omroepen. Het is aan hen om de hoogte van de bekostiging voor lokale omroepen te bepalen.

Dat betekent niet dat er vanuit het Rijk geen actie wordt ondernomen. Ik zorg ervoor dat de beschikbare € 5 mln. voor onderzoeksjournalistiek in 2018 voor een belangrijk deel ten goede komt aan onderzoeksjournalistiek op regionaal en lokaal niveau. En ik ben met de leden eens dat regionale en lokale journalistiek behoefte heeft aan structurele ondersteuning, dus ik ben voornemens deze middelen vanaf 2019 structureel met dezelfde focus op regionale en lokale onderzoeksjournalistiek in te zetten.88 Overigens hecht ik eraan te benadrukken dat het ook van belang is dat mediaorganisaties in de journalistieke sector zelf hun verantwoordelijkheid voelen en nemen. Tevens ga ik, samen met de Minister van BZK89, het gesprek aan met de NLPO en de verantwoordelijke VNG-commissie over de mogelijkheden om professionalisering van lokale publieke omroepen te bevorderen.

Ik geloof daarnaast in de kansen die samenwerking tussen de regionale en lokale publieke omroepen biedt. Daarom biedt mijn voorstel voor een alternatieve bekostigingswijze voor de projecten van de RPO binnen de zogenoemde «frictiekostenregeling B» ruimte om samenwerkingsprojecten tussen regionale en lokale publieke omroepen (onder coördinatie van de RPO) te bekostigen.90

De leden van de SP-fractie zien dat de verdiensten in de mediasector niet eerlijk verdeeld zijn. Zo verdient de eigenaar van de Persgroep tientallen miljoenen, terwijl freelancers in de journalistiek op een houtje bijten. De tarieven kelderen al jaren en er zijn plekken die vooral op stagiairs draaien. Zij vragen of de Minister het met deze leden eens is dat dit een zeer onwenselijke situatie is, die de journalistiek niet sterker maakt, maar alleen maar verzwakt en welke initiatieven de Minister voornemens is te ontplooien om ervoor te zorgen dat meer geld bij de makers van journalistieke producties terecht komt, en minder geld in de zakken van aandeelhouders verdwijnt.

In mijn brief van 22 juni 2018 heb ik uiteen gezet hoe de middelen voor onderzoeksjournalistiek uit het regeerakkoord besteed worden.91 Daarbij heb ik mijn zorgen over de arbeidsmarktpositie van zzp’ers geuit. Als gevolg van technologische ontwikkelingen, dalende advertentie-inkomsten en de opkomst van nieuwe spelers zijn er allerlei veranderingen in de bedrijfsvoering van journalistieke bedrijven doorgevoerd.92 Een groeiend aantal zzp’ers is daar één van. Veel journalisten kiezen daar overigens bewust voor.93 Mij bereiken ook de schrijnende verhalen van journalisten die alleen hun vak uit kunnen oefenen als zij dit met financiële ondersteuning van bijvoorbeeld hun partner doen. Maar ik hecht eraan te benadrukken dat er veel beelden, maar weinig feiten rondgaan over de betaling van zzp’ers in deze markt. Het zou beide kanten van de discussie goed doen zich te beroepen op onderzoekscijfers. Overigens is in de cao voor het uitgeverijbedrijf vastgelegd dat een paritaire studiecommissie onderzoek doet naar onder meer tarieven voor zzp’ers in het kader van goed opdrachtgeverschap.94 Dat juich ik toe. Daarnaast is de NVJ ook aangesloten bij de arbeidsmarktagenda van de culturele en creatieve sectoren. Ik zie uit dat initiatief ook goede ontwikkelingen voortkomen op dit gebied.

Volgens de leden van de SP-fractie is de oneerlijke verdeling van verdiensten overigens soms ook gemeenten te verwijten, die wel het geld krijgen, maar ervoor kiezen niet het afgesproken percentage in media te investeren. Deze leden vragen om hoeveel gemeenten het nu gaat en wat de Minister eraan gaat doen als hij na de zomer met de gemeenten in gesprek gaat, om die ervan te overtuigen wel de nodige investeringen te doen.

Op dit moment geldt een richtsnoerbedrag van € 1,14 per huishouden. Uit onderzoek van het Commissariaat blijkt dat 79% van de gemeenten voldoet aan het richtsnoerbedrag.95

Ik ga samen met de Minister van BZK96 in gesprek met onder andere de VNG, NLPO en streekomroepen. De wijze waarop invulling wordt gegeven aan het richtsnoerbedrag door gemeenten staat daarbij op de agenda. Ik kan niet vooruit te lopen op de uitkomst van die gesprekken. Ik informeer uw Kamer vóór het Mediabegrotingsdebat dit jaar over de voortgang.

Volgens de leden van de SP-fractie is er in de cultuursector na jarenlange kaalslag een zogenaamde fair practice code afgesproken met afspraken voor makers. De makers van journalistiek zijn de journalisten. Deze zijn ook onderdeel van de code. Deze leden vragen wat voor stappen het kabinet bereid is te nemen om journalisten hierin te ondersteunen en of het kabinet net als deze leden dan bijvoorbeeld denkt aan afspraken over bodemtarieven en vaste dienstverbanden.

De afspraken in een «fair practice code» zijn afspraken tussen de partijen onderling, dus tussen werkgevers of opdrachtgevers en werknemers of opdrachtnemers. Dat geldt ook in de cultuursector. Ik juich het opstellen van een «fair practice code» tussen journalistieke media en journalisten toe en zie ook van beide kanten bereidheid om afspraken te maken over wat een eerlijke werkpraktijk is. Maar ik zie ook dat er nog een weg te gaan is tot zij hierover een akkoord bereiken. Ik blijf daarover met de partijen in gesprek om ze aan te moedigen dergelijke afspraken te maken, maar uiteindelijk is het aan de partijen zelf.

De leden van de SP-fractie merken op dat in de strijd tegen grote Amerikaanse mediaconcerns de Minister voorstelt dat de publieke omroep samen met de commerciëlen nu een vuist moet gaan maken tegen Amerika. Ziet de Minister ook dat deze strijd (tegen Amerikaanse bedrijven) te eenzijdig is en is de Minister het met deze leden eens dat ook de Nederlandse commerciële partijen winst willen maken en het altijd onwenselijk is wanneer er een monopolie positie ontstaat, ook wanneer het gaat om Nederlandse mediabedrijven, zo vragen deze leden.

Het is te eenzijdig om alle partijen over één kam te scheren. Het is dan ook niet mijn intentie om een strijd te voeren tegen de grote Amerikaanse mediaconcerns.

De leden van de SP-fractie vragen of de Minister erkent dat bijvoorbeeld in een samenwerking als NLZiet deze potentieel tegenstrijdige belangen tot uiting zouden kunnen komen en dit een gezamenlijke aanpak bemoeilijkt.

Bij publiek-private samenwerking tussen omroepen is vaak sprake van tegenstrijdige belangen vanwege het verschillende karakter van de betrokken organisaties. Hierbij speelt ook mee dat er aan de kant van de publieke omroep nationale en Europese wettelijke kaders gelden voor samenwerking met commerciële partijen. Dit hoeft echter het succes van een samenwerking zoals NLZiet niet in de weg te staan. Dit kan men bijvoorbeeld ondervangen door met elkaar het gesprek hierover aan te gaan en goede onderlinge afspraken te maken. Ik constateer dat er wel degelijk ontwikkeling bij NLZiet te zien is, maar dat er tegelijkertijd nog ruimte voor verbetering is.

De leden van de SP-fractie vragen welk plan het kabinet ontwikkelt om in Europa alsnog een bredere coalitie te smeden tegen het Europees nepnieuwsbureautje EU vs Disinfo. Was er – zoals de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties eerder beweerde – werkelijk waar geen enkel land te vinden dat de mening van Nederland deelde, dat dit geen overheidstaak is, zo vragen zij.

Nederland hecht waarde aan een gecoördineerde aanpak van desinformatie waarbij uitgangspunt het respecteren van de onafhankelijkheid van journalistiek is. Het standpunt van de Kamer, zoals uiteengezet in de motie Kwint/Yesilgöz-Zegerius97, is in verscheidene EU-gremia uitgedragen, en is in contacten met andere lidstaten en specifiek in gesprekken met EDEO aan de orde gesteld, om steun te krijgen voor het standpunt. Zoals door mijn collega van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het dertigledendebat van 19 juni jongstleden werd vermeld, blijft het kabinet de motie Kwint/Yesilgöz-Zegerius uitdragen in de verscheidene relevante gremia in Brussel en zal uw Kamer later in het jaar hierover worden geïnformeerd.

Voor het kabinet is een EU-institutionele rol of overheidsrol bij het monitoren van desinformatie of het verifiëren van nieuwsberichten niet aanvaardbaar. Uit contacten met andere EU-lidstaten is gebleken dat het werk van de East StratCom Task Force, waaronder ook de website EU vs. Disinfo valt, als nuttig wordt ervaren. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in het eerder genoemde debat aangegeven dat hoewel er lidstaten zijn die de zorgen van Nederland delen, deze lidstaten niet zo ver zijn dat ze EU vs. Disinfo niet meer willen, maar dat zij kiezen voor een verdere professionaliseringsslag van de werkwijze van de Task Force.

De leden van de SP-fractie vragen hoe de Minister zich in gaat zetten om persvrijheid zoveel mogelijk te beschermen, nu deze niet alleen onder druk staat door marktbelangen, de nieuwe wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten maar ook door bedreigingen van journalisten.

Persvrijheid is een grondrecht en het is dan ook van democratisch belang dit recht te beschermen. In Nederland zijn er veel waarborgen die de persvrijheid beschermen. Niet voor niets staat Nederland op de derde plek in de Wereldwijde Index Persvrijheid 2018.98

Op 3 juli 2018 is daar nog een belangrijke waarborg bijgekomen met de instemming van de Eerste Kamer met een wijziging van het Wetboek van Strafvordering. Daarmee is het recht van journalisten om hun bron te beschermen nu wettelijk vastgelegd. Maar er zijn incidenten die de persvrijheid in het geding brengen. Bedreigingen van journalisten hebben mijn bijzondere aandacht. De acties die door de NVJ, het Genootschap van Hoofdredacteuren, het OM en de politie worden ondernomen binnen de «Stuurgroep Agressie en geweld tegen journalisten» juich ik toe en ondersteun ik waar mogelijk. Verder ben ik in gesprek met de NVJ en het Persvrijheidsfonds om van hen te horen aan welke ondersteuning behoefte is.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie

De leden van de PvdA-fractie merken op dat door de tegenvallende reclame-inkomsten niet te compenseren de Minister zelf een onverantwoorde bijdrage levert aan de verzwakking van ons publieke bestel, een van de laatste onafhankelijke, nationaal geborgde mediaorganisaties in ons land. Het belang daarvan moet volgens deze leden niet worden onderschat in tijden van grote internationale media-veranderingen, «fake news», de invloed en impact van social media zoals Facebook en daarmee de noodzaak tot pluriform media-aanbod met een verbindende werking in onze samenleving. Hoe kijkt de Minister hier tegenaan, zeker in het licht van de noodzaak van een sterke publieke omroep, zo vragen deze leden.

Ik ben het geheel eens met de leden van de PvdA-fractie dat behoud van een sterke, pluriforme publieke omroep van groot belang is voor onze samenleving. In mijn mediabegrotingsbrief van 17 november 2017 heb ik dat belang en de rol van onze publieke omroep geplaatst in het kader van het snel veranderende medialandschap.99 Dit kabinet staat voor behoud van een stevige, maatschappelijk relevante en pluriforme publieke omroep. Het is geen gemakkelijke opgave om als publieke omroep een sterke positie te houden in het overvolle medialandschap. Een medialandschap waarin informatie op veel verschillende manieren en niet meer alleen door erkende journalistieke instituten wordt verspreid en dat meer en meer gedomineerd lijkt te worden door grote internationale spelers. Gelet op de financiële mogelijkheden van de mediabegroting de komende jaren ligt daar een uitdaging. Ik ga de komende tijd tot aan de nieuwe erkenningsperiode benutten om te werken aan een visie op de publieke omroep voor de langere termijn met als doel om een sterke pluriforme publieke omroep te behouden met een kwalitatief, pluriform, inclusief media-aanbod. Daarnaast wil ik met betrokken partijen werken aan versterking van de mediasector. Ik ben inmiddels gesprekken gestart met een breed scala aan partijen in de mediasector over een strategische agenda voor de toekomst voor de media in Nederland.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de Minister de positie van onze publieke omroep beziet, zeker wanneer dat internationaal vergeleken wordt en de Nederlandse publieke omroep een budget in de laagste categorieën?

Ik vind het lastig om de positie van onze landelijke publieke omroep te vergelijken met die in andere landen. Elk land kent namelijk zijn eigen specifieke context waardoor het risico ontstaat dat appels met peren worden vergeleken. Ik heb bijvoorbeeld begrepen dat de kosten van de Zwitserse publieke omroep per Zwitserse inwoner relatief hoog zijn, omdat die uitzendt in meerdere talen. Daarnaast kan een vergelijking op verschillende manieren worden uitgevoerd. Er kan bijvoorbeeld worden gekeken naar de kosten van de publieke omroep per inwoner, maar er kan ook worden gekeken naar de verhouding waarin de publieke omroep kosten maakt voor enerzijds programma’s (zijn primaire activiteit) en anderzijds voor zijn ondersteunende en bestuursactiviteiten. Kortom, het is lastig om hierover een eenduidige uitspraak te doen.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de Minister het met deze leden eens is dat de ondergrens met betrekking tot de balans tussen de hoogte van de financiering en de vereiste kwaliteit van een dergelijke belangrijke publieke voorziening bereikt is.

Bij de publieke omroep zullen keuzes gemaakt moeten worden zowel in programmering als in organisatie. Daarvoor heb ik de NPO om een plan gevraagd. Ik heb de raad van bestuur van de NPO uitgenodigd om het plan met mij te bespreken om een beter beeld te krijgen van de invulling en (financiële) gevolgen van het plan. Het is – conform haar wettelijke taak – aan de NPO om de programmatische keuzes te maken. Welke keuzes de NPO ook maakt, deze zullen uitlegbaar moeten zijn in het licht van de wettelijke opdracht van de publieke omroep. Gelet op de onafhankelijkheid van de publieke omroep zijn mijn beïnvloedingsmogelijkheden daarbij begrensd.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de Minister de maatschappelijke relevantie van de publieke omroep beziet, gekoppeld aan het dalende budget en de gedwongen keuzes die dit zal hebben voor programma's die juist die maatschappelijke relevantie helpen bepalen.

Ik vind het belangrijk dat de publieke omroep maatschappelijk relevant blijft. Om deze reden wil ik graag met de raad van bestuur van de NPO nadenken over de keuzes die hij wil maken met het oog op de aangekondigde budgetverlaging. Om dezelfde reden wil ik ook betrokken worden bij keuzes die afspraken in de Prestatieovereenkomst met de NPO kunnen raken. Ik heb de NPO hierover geïnformeerd in mijn brief van 25 juni 2018 die ik op deze datum met uw Kamer heb gedeeld.100

De leden van de PvdA-fractie vragen of de Minister kan aangeven waarom hij in zijn brief terecht wijst op de invloed van bepaalde keuzes voor de maatschappelijke relevantie van de publieke omroep maar waarbij de Minister hierbij geen reflectie toont op het zijn eigen keuze om de publieke omroep te korten op haar budget vanaf 2019.

Ik zie mij genoodzaakt om de financiële bijdrage aan de landelijke publieke omroep met ingang van 2019 te verlagen, omdat ik nieuwe Ster-tegenvallers niet meer kan opvangen vanuit de Algemene Mediareserve en voor volgend jaar een tekort dreigt in de Algemene Mediareserve. Dit wil ik vermijden, omdat ik in een dergelijke situatie binnen de OCW-begroting moet zoeken naar middelen om het tekort te vermijden.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de Minister het met deze leden eens is dat de keuze van de Minister om de publieke omroep te korten op haar budget vanaf 2019 van grote negatieve invloed is op de maatschappelijke relevantie van de publieke omroep en daarmee dus onverantwoord is, gelet op de gevolgen voor programmering en makers van deze programma’s.

Allereerst benadruk ik nogmaals dat het geen beleidskeuze van dit kabinet is om budgetten te korten. Dit kabinet staat voor behoud van een stevige, maatschappelijk relevante en pluriforme publieke omroep op alle niveaus. Ik zie mij echter geconfronteerd met een tegenvallende financiële situatie. Met het oog op een toekomstbestendige oplossing heb ik de NPO gevraagd om een plan op te stellen. Ik heb de raad van bestuur van de NPO uitgenodigd om het plan met mij te bespreken om een beter beeld te krijgen van de invulling en (financiële) gevolgen van het plan. Het is echter – conform haar wettelijke taak – aan de NPO om de programmatische keuzes te maken. Welke keuzes de NPO ook maakt, deze zullen uitlegbaar moeten zijn in het licht van de wettelijke opdracht van de publieke omroep. Ik kan daar met de NPO over spreken, maar gelet op de onafhankelijkheid van de publieke omroep zijn mijn beïnvloedingsmogelijkheden begrensd.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de Minister kan aangeven hoe hij aankijkt tegen de vicieuze cirkel waarin dit kabinet de NPO en de omroepen duwt en vooral vast laat zitten. Minder reclame-inkomsten betekent volgens deze leden immers minder budget wanneer dat niet gecompenseerd wordt en daarmee zoals nu dus snijden in de programmering die ook adverteerders aantrekt. Hoe wil de Minister de publieke omroep helpen om niet in deze vicieuze cirkel te geraken of blijven, zo vragen zij.

Ik zie het risico dat de verlaging van de financiële bijdrage aan de landelijke publieke omroep kan leiden tot een vicieuze cirkel, in de zin dat die kan leiden tot lagere Ster-inkomsten. Ik heb uw Kamer in mijn brief van 25 juni 2018 geïnformeerd dat ik de intentie heb om gedurende de resterende erkenningsperiode (2019–2020) eventuele nieuwe tegenvallers van de Ster-inkomsten niet te verrekenen met het budget voor de landelijke publieke omroep.101 Ik hoop daarmee een vicieuze cirkel voor de landelijke publieke omroep gedurende de resterende erkenningsperiode te vermijden.

Bij het bepalen van het minimumbudget voor de volgende erkenningsperiode (2021–2025) zal ik uitgaan van een conservatieve inschatting van de ontwikkeling van de reclame-inkomsten met als doel om gedurende deze periode een stabiele en voorspelbare ontwikkeling van de jaarlijkse financiële bijdrage aan de landelijke publieke omroep te borgen. Op deze manier hoop ik nieuwe tussentijdse budgetverlagingen te vermijden en daarmee ook voor de langere termijn een vicieuze cirkel te voorkomen.

Bij het opstellen van de mediabegrotingsbrief voor 2019 zal ik gebruik kunnen maken van een nieuwe meerjarenraming van de Ster, waarover ik u dan zal informeren.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat de Minister stelt de mediareserves in te zetten om de vermindering in budget op te vangen, maar deze reserves zijn na 2019 zodanig uitgeput dat dit geen structurele oplossing biedt. Hoe kan de Minister op basis van de inzet van deze middelen redeneren dat de programmering hiermee kan worden overzien als het bedrag het tekort niet afdekt en ook niet structureel is, zo vragen zij.

De inzet van reserves is ook in mijn visie geen structurele financiële oplossing. De omroepen beschikken echter over reserves en die kunnen in 2019 en 2020 worden ingezet om de impact van een budgetverlaging met ingang van 2019 op te vangen. Dit sluit aan op de functie van reserves. Ik ga ervan uit dat een deel van de mediareserves nog niet in 2019 liquide gemaakt kunnen worden voor de bekostiging van programmering. Ik hoop dat deze zoveel mogelijk in 2020 ingezet kunnen worden voor de bekostiging van programmering.

Voor een structurele oplossing op de langere termijn kijk ik naar de volgende erkenningsperiode (2021–2025). Bij het bepalen van het minimumbudget voor deze erkenningsperiode zal ik uitgaan van een conservatieve inschatting van de ontwikkeling van de reclame-inkomsten met als doel om gedurende deze periode een stabiele en voorspelbare ontwikkeling van de jaarlijkse financiële bijdrage aan de landelijke publieke omroep te waarborgen. Op deze manier hoop ik nieuwe tussentijdse budgetverlagingen te vermijden.

De inzet van de mediareserves dient op grond van artikel 2.176 Mediawet 2018 te worden gebruikt voor de verzorging van media-aanbod. Hierdoor kan de impact van de budgetverlaging op de programmering worden verkleind. Dit laat onverlet dat de budgetverlaging van invloed kan zijn op de programmering van de landelijke publieke omroep. Dat is afhankelijk van de keuzes die de NPO maakt.

Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat er de afgelopen tijd veel onrust is ontstaan over de gevolgen van de terugvallende reclame-inkomsten bij de publieke omroep en dat er diverse plannen van de NPO naar buiten gebracht over journalistieke en levensbeschouwelijke programma’s die mogelijk moeten verdwijnen. Deze leden vragen bevestiging van de Minister dat het tot nu toe om conceptplannen gaat en dat er nog geen concrete besluiten voorliggen.

Ik heb uw Kamer op 25 juni 2018 schriftelijk geïnformeerd over het plan van aanpak dat ik op 5 juni 2018 van de raad van bestuur van de NPO heb ontvangen.102 Ik heb de raad van bestuur van de NPO uitgenodigd om het plan met mij te bespreken om een beter beeld te krijgen van de invulling en (financiële) gevolgen van het plan. Het is – conform haar wettelijke taak – aan de NPO om de programmatische keuzes te maken. Er zijn door de NPO nog geen definitieve besluiten genomen, dus ik kan nu niet speculeren en uitspraken doen over welke programma’s en programmagenres mogelijk geraakt worden.

De leden van de ChristenUnie-fractie vinden het goed dat de Minister heeft aangegeven dat hij betrokken wil worden bij de verdere keuzes die de NPO maakt omdat de keuzes van de NPO kunnen van grote invloed zijn op de maatschappelijke relevantie van de publieke omroep. Deze leden vragen de Minister welke mogelijkheden hij ziet om invloed uit te oefenen op de keuzes die de NPO gaat maken en hoe hij kan borgen dat er daadwerkelijk een pluriform en kwalitatief hoogwaardig aanbod blijft bestaan, dat past bij de kerntaken van de publieke omroep.

Ik heb de NPO om een plan van aanpak gevraagd. Het plan beschrijft op hoofdlijnen hoe de NPO wil inspelen op de voorgenomen verlaging van de financiële bijdrage van OCW aan de landelijke publieke omroep met ingang van 2019.103 Ik heb de raad van bestuur van de NPO uitgenodigd om het plan met mij te bespreken om een beter beeld te krijgen van de invulling en (financiële) gevolgen van het plan. Het is – conform haar wettelijke taak – aan de NPO om de programmatische keuzes te maken. Welke keuzes de NPO ook maakt, deze zullen uitlegbaar moeten zijn in het licht van de wettelijke opdracht van de publieke omroep. Gelet op de onafhankelijkheid van de publieke omroep zijn mijn beïnvloedingsmogelijkheden daarbij begrensd.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de Minister de mening van deze leden deelt dat levensbeschouwing een onmisbaar onderdeel van de publieke omroep is en hoe hij kan bewaken dat de NPO zich houdt aan de afspraken in het concessiebeleidsplan en dat bepaalde omroeporganisaties niet disproportioneel geraakt worden door de bezuinigingen. Deze leden wijzen op de motie-Bikker c.s. over geoormerkt budget levensbeschouwelijke programmering en ruimte en budget voor brede levensbeschouwelijke programmering. Zij vragen bevestiging dat het geoormerkte budget van € 12 miljoen onaangetast blijft, of de Minister op de motie kan reflecteren in het licht van de huidige discussie en hoe hij kan zorgen dat deze belangrijke pijler van de publieke omroep bewaakt wordt.

Ik deel de mening van de leden van de ChristenUnie-fractie. De weerspiegeling van religie en levensbeschouwing in het media-aanbod behoort tot de algemene mediaopdracht van de publieke omroep en verdient een goede plaats in de programmering. Op basis van de wettelijke taakopdracht dient religieus en levensbeschouwelijk aanbod dan ook gewaarborgd te zijn binnen de publieke omroep. Daarover zijn ook afspraken gemaakt in de Prestatieovereenkomst. Er wordt door de NPO jaarlijks tenminste € 12 miljoen bestemd voor levensbeschouwelijke programmering verdeeld over de hoofdstromingen. Daarnaast zal de NPO ruimte en budget vrijmaken voor brede levensbeschouwelijke programmering en afspraken maken met de omroepen over gegarandeerd budget en zendtijd daarvoor. Ik hecht eraan dat deze afspraken gerealiseerd (kunnen) worden en wil daarom betrokken worden bij keuzes die gemaakt gaan worden die de afspraken in de Prestatieovereenkomst kunnen raken.

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de brief van de Minister dat hij wil dat de omroepen in het komende jaar hun eigen mediareserves aanspreken. Het is positief als daardoor de programmering kan worden ontzien, maar deze leden vragen de Minister wel wat de consequenties hiervan zijn.

De inzet van mediareserves voor de bekostiging van programmering leidt tot verlaging ervan. Dit is niet van invloed op de mate waarin omroepen hun bedrijfsvoeringsrisico’s kunnen opvangen. Hiervoor kunnen omroepen een beroep doen op hun algemene reserves. Op grond van de Mediawet 2018 mogen mediareserves overigens uitsluitend worden gebruikt voor de verzorging van media-aanbod.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de Minister een beeld heeft van het verschil in reserves tussen de omroeporganisaties en of dit tot gevolg kan hebben dat bepaalde omroepverenigingen veel harder getroffen worden door de budgetkorting dan andere omroepverenigingen.

De omvang van de algemene reserves en de mediareserves verschilt per omroep. Op grond van artikel 2.176 Mediawet 2018 dienen mediareserves in het eerstvolgende kalenderjaar te worden besteed aan de doelen waarvoor zij oorspronkelijk waren bestemd, tenzij ik daarvoor ontheffing verleen. Ik heb uw Kamer in mijn brief van 25 juni 2018 geïnformeerd dat ik bereid ben om ontheffing te verlenen voor zover aantoonbaar is dat reserves niet tijdig liquide gemaakt kunnen worden.104 Ten aanzien van het gedeelte van de reserves waarvoor ik geen ontheffing verleen, geldt de wettelijke verplichting dat dit gedeelte volgend jaar moet worden ingezet voor de bekostiging van programmering. De raad van bestuur van de NPO kan vanuit zijn coördinerende taak op grond van artikel 2.10, tweede lid sub c, Mediawet 2008 voorschriften verbinden aan de wijze waarop deze mediareserves worden ingezet. Ik zal de NPO vragen om in zijn eerstvolgende meerjarenbegroting inzicht te geven in de wijze waarop de mediareserves worden ingezet en hoe deze inzet wordt verdeeld over de omroepen. Deze meerjarenbegroting zal ik met mijn mediabegrotingsbrief in het najaar naar uw Kamer sturen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de Minister de mening deelt dat het vanuit het oogpunt van goede bedrijfsvoering en risicobeheersing belangrijk is dat omroeporganisaties reserves blijven aanhouden en wat dan de gevolgen zijn van het inzetten van deze reserves.

Ik deel de mening dat het vanuit het oogpunt van goede bedrijfsvoering en risicobeheersing belangrijk is dat omroeporganisaties reserves kunnen aanhouden. Algemene reserves kunnen worden gebruikt voor het opvangen van bedrijfsvoeringsrisico’s. De omroepen kunnen hierover vrij beschikken. Mediareserves kunnen op grond van de Mediawet 2018 uitsluitend worden gebruikt voor de verzorging van media-aanbod.

De leden van de ChristeUnie-fractie zijn van mening dat het vraagstuk over de financiering van de publieke omroep aan een breder vraagstuk raakt: hoe moet ons mediabestel er in de toekomst uitzien? Deze leden vragen hierover de mening van de Minister.

Het is duidelijk dat de snel dalende Ster-inkomsten en andere ontwikkelingen in de mediasector vragen om een gesprek over het behoud van een sterke publieke omroep. Dit kabinet staat voor behoud van een stevige, maatschappelijk relevante en pluriforme publieke omroep. Het is geen gemakkelijke opgave om als publieke omroep een sterke positie te houden in het overvolle medialandschap waarin informatie op veel verschillende manieren en allang niet meer alleen door erkende journalistieke instituten wordt verspreid en dat meer en meer gedomineerd lijkt te worden door grote internationale spelers. Gelet op de financiële mogelijkheden van de mediabegroting de komende jaren ligt daar een uitdaging. Ik ga de komende tijd tot aan de nieuwe erkenningsperiode benutten om te werken aan een visie op de publieke omroep voor de langere termijn met als doel om een sterke pluriforme publieke omroep te behouden met een kwalitatief, pluriform, inclusief media-aanbod.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister of hij bereid is scenario's in kaart te brengen voor de lopende concessieperiode hoe om te gaan met het vraagstuk van de terugvallende reclame-inkomsten.

Bij het opstellen van de mediabegrotingsbrief voor 2019 zal ik gebruik kunnen maken van een nieuwe meerjarenraming van de Ster, waarover ik u dan zal informeren. Op basis daarvan kan ik bepalen of en in welke mate voor de lopende concessieperiode rekening moet worden gehouden met nieuwe tegenvallers. In dat geval zal ik uw Kamer informeren over de wijze waarop die kunnen worden opgevangen.

De leden van de ChristenUnie merken op dat de Raad voor Cultuur in haar advies de sterke toename aan internationaal aanbod schetst dat wordt gedistribueerd en vertoond door internationale spelers zoals Netflix. Deze ontwikkelingen zorgen, volgens de Raad, voor een ongelijk speelveld. Het leidt tot vragen over de financiering van content van eigen bodem, maar ook over de toegankelijkheid en zichtbaarheid van dat aanbod. Deze leden maken zich hier zorgen over en wat hen betreft is er een brede en integrale visie nodig op de toekomst van het mediabestel. Daarbij moet het gaan over de organisatievorm van de publieke omroep en de plek van de omroeporganisaties daarbinnen, over de samenwerking tussen commerciële en publieke omroepen, over het financieringssysteem van de audiovisuele sector, over de toegankelijkheid van content van eigen bodem, over de regels voor internationale aanbieders, enzovoort. Zij vragen hierover de mening van de Minister en hoe hij dit verder wil aanpakken en welk tijdpad hij daarbij voor ogen heeft.

Ik ga de komende tijd tot aan de nieuwe erkenningsperiode benutten om te werken aan een visie op de publieke omroep voor de langere termijn met als doel om een sterke pluriforme publieke omroep te behouden met een kwalitatief, pluriform, inclusief media-aanbod. Daarnaast wil ik met betrokken partijen werken aan versterking van de mediasector. Ik ben inmiddels gesprekken gestart met een breed scala aan partijen in de mediasector over een strategische agenda voor de toekomst voor de media in Nederland. De door de Raad voor Cultuur geagendeerde onderwerpen en aanbevelingen over de financiering van het Nederlands audiovisueel product en de toegankelijkheid en zichtbaarheid ervan neem ik mee in de gesprekken. Zoals in de brief aan uw Kamer over het sectoradvies Audiovisueel van de Raad voor Cultuur is gesteld, houden deze onderwerpen echter zowel verband met het cultuurbeleid waarvoor de Minister van OCW verantwoordelijk is, als met het mediabeleid.105 Ook vanuit het cultuurbeleid is het doel een sterke positie van waardevolle cultuuruitingen in de toekomst te waarborgen.

Ik wil dit gesprek met nadruk samen met de sector voeren. Mochten de gesprekken leiden tot een proces met een duidelijk tijdpad, dan zal ik uw Kamer hierover informeren. Ik verwacht dat dit in het najaar zal gebeuren.

De leden van de ChristenUnie-fractie zijn blij met de forse investering in de onderzoeksjournalistiek, die in het regeerakkoord is afgesproken en die nu door de Minister is uitgewerkt en zijn verheugd dat de investering van € 5 miljoen juist ook naar de versterking en innovatie van lokale en regionale media gaat. Zij waarderen het dat er stappen worden gezet om regionale content via de kanalen van de NPO uit te zenden, de zogenaamde vensterprogrammering en dat de Minister een manier heeft gevonden om het budget hiervoor los te maken. Deze leden vragen of de Minister bereid is dit geld spoedig beschikbaar te stellen zodat nog in januari 2019 kan worden gestart met de pilot en vinden het van belang om te benadrukken dat dit echt snel van de grond moet komen en vragen om een reactie van de Minister op dit punt.

In mijn brief van 25 juni 2018 heb ik aangegeven dat ik voor 2019 een alternatieve manier heb gevonden om de voorgenoemde projecten van de RPO en de regionale publieke omroepen te bekostigen.106 Ik heb daarbij wel een voorbehoud moeten maken ten aanzien van de financiële ruimte die ik hiervoor in 2019 heb. Deze financiële ruimte is afhankelijk van de Ster-inkomsten volgend jaar. Ik verwacht niet dat hierdoor de pilot vensterprogrammering op losse schroeven komt te staan. Ik verwacht daar in september meer duidelijkheid over te kunnen geven, als er meer duidelijkheid is over de verwachte Ster-inkomsten. Het streven is om de pilot per 1 januari 2019 te kunnen starten.

De leden van de ChristenUnie-fractie zijn van mening dat ook de lokale omroepen een belangrijke rol vervullen in het medialandschap en in onze democratie en dat het van belang is dat zij kunnen beschikken over adequate financiering. Daarom is het goed dat er met de brancheorganisatie en met de VNG107 een richtsnoerbedrag is afgesproken voor het bedrag per huishouden waarmee gemeenten de lokale publieke omroep bekostigen. De leden waarderen het dat de Minister hierover opnieuw in gesprek gaat, omdat op dit moment nog maar 79% van de gemeenten voldoet aan het richtsnoerbedrag. Zij roepen de Minister op om te bezien hoe dit richtsnoerbedrag verplicht kan worden gesteld voor gemeenten en vragen de Minister om een reactie op dit punt.

De wijze waarop invulling wordt gegeven aan het richtsnoerbedrag door gemeenten en in hoeverre dit aanpassing behoeft is onderwerp van de gesprekken die ik samen met de Minister van BZK108 ga voeren met onder andere de VNG. Ik kan niet vooruit lopen op de uitkomst van die gesprekken. U ontvangt van mij vóór het Mediabegrotingsdebat per brief informatie over de voortgang van die gesprekken.

De leden van de ChristenUnie-fractie willen de leden aandacht vragen voor de kosten van kranten. De krantensector heeft het al behoorlijk zwaar, vanwege teruglopende aantallen abonnees en de teruglopende advertentie-inkomsten. Nu dreigt door de btw-verhoging de prijs van kranten nog verder opgedreven te worden. Daarnaast kunnen de zzp-plannen van het kabinet ertoe leiden dat alle 20.000 krantenbezorgers in ons land een dienstverband moeten krijgen, omdat ze onder het voorgenomen minimumtarief vallen. Ze mogen dan niet meer werken met een zogenaamde «overeenkomst van opdracht», terwijl ze dat al decennialang doen. Dit zou forse gevolgen hebben voor de branche en het zou de prijs van kranten flink hoger maken. Deze leden vragen of de Minister binnen het kabinet aandacht kan vragen voor deze punten en of hij kan bezien hoe onbedoelde negatieve effecten van de kabinetsplannen voorkomen kunnen worden.

Voor de verhoging van het verlaagde btw-tarief geldt dat het een generieke maatregel betreft. Het is niet mogelijk een uitzondering te maken voor de krantensector. Daarbij wil ik benadrukken dat de verhoging van het verlaagde btw-tarief niet los kan worden gezien van de andere maatregelen die volgen uit het regeerakkoord. Tegenover de btw-verhoging staat namelijk een verlaging van de belasting op inkomsten. Dit betekent dat mensen ook meer te besteden hebben. Voor de problematiek met de krantenbezorgers geldt dat mijn collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) hiervan op de hoogte is. Het is echter prematuur om over uitzonderingen te praten. De wetgeving met maatregelen voor werken als zelfstandige die de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties vervangt, moet immers, nog uitgewerkt worden. De Minister van SZW en de Staatssecretaris van Financiën hebben op 22 juni 2018 een brief gestuurd aan uw Kamer over de stand van zaken en vervolgstappen van die maatregelen.109

Vragen en opmerkingen van de leden van de 50Plus-fractie

De leden van de 50PLUS-fractie merken op dat goede, waardevolle programma’s zoals het geschiedenisprogramma Andere Tijden gehalveerd dreigen te worden, dat ook het actualiteitenprogramma Brandpunt+ op de tocht staat en dat volgens de media onderzoeksjournalistieke programma’s als Tegenlicht en Argos van de VPRO moeten vrezen voor een inkrimping van het budget. Klopt deze berichtgeving, zo vragen deze leden.

De financiële situatie noodzaakt tot het maken van keuzes en het nemen van maatregelen. Ik heb daarvoor een plan van de NPO gevraagd. Ik onderken de zorg over bepaalde programma’s en programmagenres. Ik heb de raad van bestuur van de NPO uitgenodigd om het plan met mij te bespreken om een beter beeld te krijgen van de invulling en (financiële) gevolgen van het plan. Het is – conform haar wettelijke taak – aan de NPO om de programmatische keuzes te maken. Er zijn door de NPO nog geen definitieve besluiten genomen, dus ik kan nu niet speculeren en uitspraken doen over welke programma’s en programmagenres mogelijk geraakt worden. Welke keuzes de NPO ook maakt, deze zullen uitlegbaar moeten zijn in het licht van de wettelijke opdracht van de publieke omroep. Gelet op de onafhankelijkheid van de publieke omroep zijn mijn beïnvloedingsmogelijkheden daarbij begrensd.

De leden van de 50PLUS_fractie merken op dat door slim te lobbyen bij producenten en drama-auteurs in de jaren tachtig bijvoorbeeld door de huidige fractievoorzitter van 50PLUS bijvoorbeeld bewerkstelligd kon worden dat er in veel van die series gewone, normale mensen die toevallig ook nog eens homoseksueel waren, figureerden. Dat heeft, zo menen deze leden, bijgedragen tot positieve beeldvorming en die voorbeeldfunctie voor onze normen en waarden op diverse terreinen is nog steeds hard nodig volgens de leden. Deelt de Minister die mening, zo vragen zij.

Media hebben een belangrijke impact op hoe we als kijker en luisteraar naar de wereld, naar onszelf en naar anderen in de samenleving kijken en erover oordelen. Daarmee zijn de media een belangrijke bepalende factor in de beeldvorming over wat we als normaal of afwijkend dan wel positief of negatief duiden. Dit kan stereotyperende beeldvorming in de hand werken en daarmee onterechte vooroordelen over groepen in de samenleving in stand houden. Ik vind het daarom van belang dat media zoveel mogelijk proberen te zorgen voor een evenwichtige representatie van doelgroepen in de samenleving. Mensen en initiatieven die zich inzetten om mediamakers hiervan bewust te maken juich ik dan ook toe.

De leden van de 50PLUS-fractie wijzen er dat we een publieke omroep hebben waar we trots op kunnen zijn, die zorgt voor een fantastisch diepgaand en gevarieerd programma-aanbod en dat tegen een prijs per hoofd van de bevolking die veel lager is dan in de meeste buurlanden. Kan de Minister hiervan een overzicht geven, zo vragen deze leden.

Het is lastig om de positie van onze landelijke publieke omroep te vergelijken met die in andere landen. Elk land kent namelijk zijn eigen specifieke context waardoor het risico ontstaat dat appels met peren worden vergeleken. Ik heb bijvoorbeeld begrepen dat de kosten van de Zwitserse publieke omroep per Zwitserse inwoner relatief hoog zijn, omdat die uitzendt in meerdere talen. Daarnaast kan een vergelijking op verschillende manieren worden uitgevoerd. Er kan bijvoorbeeld worden gekeken naar de kosten van de publieke omroep per inwoner, maar er kan ook worden gekeken naar de verhouding waarin de publieke omroep kosten maakt voor enerzijds programma’s (zijn primaire activiteit) en anderzijds voor zijn ondersteunende en bestuursactiviteiten. Kortom, het is lastig om hierover een eenduidige uitspraak te doen en lijstjes zeggen in dat verband niet veel.

Volgens de leden van de 50PLUS-fractie blijkt uit cijfers van omroep WNL dat een deel van de bevolking zich niet vertegenwoordigd voelt in de «kleur» die ze bij de «oude» omroepen bespeuren. Zij vragen of de Minister deze cijfers kent en wat hij wil gaan doen om dit recht te trekken.

Deze cijfers zijn mij niet bekend. Ik constateer wel dat de publieke omroep niet alle groepen in de samenleving even goed bereikt. Er zijn prestatieafspraken gemaakt met de NPO om zich in te zetten deze doelgroepen beter te bereiken. In de nieuwe prestatieovereenkomst zal ik ook weer dergelijke afspraken met de NPO maken.

De leden van de 50PLUS-fractie vragen waarom een prima en populair programma zoals Goedemorgen Nederland alléén in de winter is te zien en niet het hele jaar door.

De publieke omroep voert zijn publieke taak op onafhankelijke wijze uit. Het is aan de NPO om afwegingen maken over de programmering van de publieke omroep.

De leden van de 50PLUS-fractie vragen of de Minister kan bevorderen dat NPO Politiek op alle Nederlandse kabelnetten gratis te ontvangen is en niet, zoals nu vaak het geval is, achter de decoder zit.

Ik ben er geen voorstander van dat het kanaal NPO Politiek aan de zogenoemde must carry-kanalen110 wordt toegevoegd. De must carry-verplichting geldt namelijk alleen voor de algemene programmakanalen van de publieke omroep. De gedachte achter de must carry is dat de algemene publieke kanalen voor iedereen toegankelijk moeten zijn om de publieke taak effectief uit te kunnen voeren en om financiering uit belastingmiddelen te rechtvaardigen. NPO Politiek is geen algemeen televisieprogrammakanaal, maar een digitaal themakanaal dat zich richt op een bepaald thema en/of een bepaalde doelgroep. Ik zie geen reden om de must carry-kanalen met een digitaal themakanaal uit te breiden, te meer niet omdat de themakanalen van de NPO, waaronder NPO Politiek, gratis en live te zien zijn op NPO Start, op npo.nl en via de NPO-app.

De leden van de 50PLUS-fractie merken op dat het voor de pluriformiteit – nu de ledenaantallen bij alle omroepen drastisch slinken – ook een goede zaak is dat kleine zendgemachtigden zoals WNL, PowNed en Human blijven bestaan. Zij vragen of de Minister een regeling kan treffen om hen (aspirant omroepen) te behouden.

De openheid van het bestel is bedoeld om vernieuwing en meer pluriformiteit te brengen. Aspirant-omroepen komen dan ook alleen in aanmerking voor een definitieve erkenning als zij hun toegevoegde waarde voor het bestel hebben aangetoond. Of de huidige drie aspirant-omroepen aan de eisen voldoen, kan ik nu niet beoordelen. Wanneer zij een aanvraag voor een erkenning indienen, zullen het Commissariaat en de Raad voor Cultuur daarover adviseren. Ook de visitatiecommissie zal over de vernieuwende bijdragen van de aspirant-omroepen rapporteren. Ledentallen zijn nog steeds een goede en objectieve graadmeter voor de maatschappelijke legitimatie van publieke omroepen. Ik wijs er op dat de huidige aspirant-omroepen bij de laatste erkenningverlening al bij wijze van tweede kans de mogelijkheid hebben gekregen om een extra termijn van vijf jaar hun bijzondere positie in het bestel te behouden.

De leden van de 50PUS-fractie doen nog een suggestie als het gaat om de frequenties van Radio 3 en Radio 5 en stellen voor om de frequenties van die twee zenders om te wisselen, zodat ouderen via FM naar Radio 5 kunnen luisteren, thuis en in de auto. Jongeren ondervinden hier nauwelijks nadeel omdat zij Spotify of andere kanalen gebruiken voor het luisteren naar muziek van en ouderen worden er mee geholpen. Deze leden vragen wat de Minister van dit idee vindt.

Het is aan de NPO om de afweging te maken op welke wijze het media-aanbod beschikbaar wordt gesteld via de verschillende distributieplatforms. Dat betreft ook een inhoudelijke beslissing, waarin ik mij niet wil mengen. Er geldt alleen een verplichting om in ieder geval vijf algemene radiokanalen via omroepzenders uit te zenden. Aan die verplichting wordt voldaan.

Vragen en opmerkingen van de leden van de DENK-fractie

De leden van de DENK-fractie staan positief tegenover het gewaagde plan van Paul Römer en vragen of de Minister bereid is het alternatieve stelsel van Paul Römer constructief-kritisch te bezien en de voordelen en nadelen in kaart te brengen.

Mijn inzet is om de meerwaarde van de publieke omroep en de pluriformiteit voor de toekomst overeind te houden. Aan de discussie over hoe dat het beste kan gebeuren, kan iedereen zijn bijdrage leveren. In dat licht heb ik kennis genomen van de ideeën van de heer Römer en waardeer zijn bijdrage aan het debat. Ik zal die betrekken bij het opstellen van mijn langetermijnvisie.

De leden van de DENK-fractie snappen dat er een lobby op gang komt van programma’s waarop bezuinigd dreigt te worden. In dat verband vragen deze leden welke programma's de Minister allemaal een brief hebben gestuurd.

Andere Tijden heeft mij benaderd met een brief. Er zijn geen andere individuele programma’s die mij benaderd hebben.

De leden van de Denk-fractie vragen of de opmerking van Brandpunt klopt dat de bijdrage van NPO1 aan de bezuinigingen onevenredig klein is. En als dat zo is, vindt de Minister het dan niet teleurstellend dat er relatief weinig op entertainment wordt bezuinigd en relatief veel op journalistieke, historische en culturele programma’s en kan en wil hij hier iets aan doen, zo vragen zij.

Ik heb uw Kamer op 25 juni 2018 schriftelijk geïnformeerd over het plan van aanpak dat ik op 5 juni 2018 van de raad van bestuur van de NPO heb ontvangen.111 Dit plan geeft geen inzicht in de bijdrage van NPO1 aan de budgetverlaging die ik heb aangekondigd voor 2019. Dit geldt ook voor de mate waarin de NPO wil bezuinigen op de verschillende programmagenres. Ik onderken de zorg over bepaalde programma’s en programmagenres. Ik heb de raad van bestuur van de NPO uitgenodigd om het plan met mij te bespreken om een beter beeld te krijgen van de invulling en (financiële) gevolgen van het plan. Het is – conform haar wettelijke taak – aan de NPO om de programmatische keuzes te maken. Er zijn door de NPO nog geen definitieve besluiten genomen, dus ik kan nu niet speculeren en uitspraken doen over welke programma’s en programmagenres mogelijk geraakt worden. Welke keuzes de NPO ook maakt, deze zullen uitlegbaar moeten zijn in het licht van de wettelijke opdracht van de publieke omroep. Gelet op de onafhankelijkheid van de publieke omroep zijn mijn beïnvloedingsmogelijkheden daarbij begrensd.

De leden van de DENK-fractie vragen wat de Minister vindt van de suggestie van Brandpunt om de € 20 miljoen die omroepen in verband met een prijsindexatie extra krijgen, gericht in te zetten ter versterking van (onderzoeks-) journalistiek op tv.

Op grond van de Mediawet 2018 kan ik geen voorschriften verbinden aan de wijze waarop de rijksmediabijdrage wordt aangewend door de landelijke publieke omroep. Hierdoor wordt de onafhankelijkheid van de landelijke publieke omroep gewaarborgd. Het is aan de NPO om in overleg met de omroepen te bepalen op welke wijze de consumentenprijsindexvergoeding wordt ingezet.

De leden van de DENK-fractie vragen wat de Minister vindt van de oproep het programma Andere Tijden om het (toch al wat povere) Nederlandse historische besef niet te halveren maar het programma wekelijks te laten voortbestaan, en wat hij kan doen om tegemoet te komen aan de noodkreet van diverse bekende Nederlanders.

Het is aan de NPO om afwegingen maken over de inhoud van de publieke omroep. De NPO heeft een publieke taakopdracht, waarin staat de omroepen een evenwichtig, pluriform, gevarieerd en kwalitatief hoogstaand media-aanbod maken, dat zich kenmerkt door een grote verscheidenheid naar vorm en inhoud, en dat bovendien een evenwichtig beeld van de samenleving geeft. De publieke omroep voert zijn publieke taak op onafhankelijke wijze uit. Het is aan de NPO om afwegingen maken over de programmering van de publieke omroep.

De leden van de DENK-fractie vragen of de Minister bereid is om een historisch gebaar te maken en excuses te maken voor het Nederlandse slavernijverleden.

De vraag van de leden van de DENK-fractie is buiten de orde van dit schriftelijk overleg. Bovendien is het is niet aan mij om daarover uitspraken te doen.

De leden van de DENK-fractie vragen of de Minister weet in hoeverre mensen met een niet-westerse migratieachtergrond naar de NPO kijken en zo nee of hij bereid is dat te onderzoeken. Deze leden merken voorts op dat deze groep van 2,2 miljoen Nederlanders (ruim 12% van de bevolking) idealiter ook 12% van het kijkerspubliek zou moeten zijn en vragen of de Minister dat met deze leden eens en of hij niet ook vindt dat deze groep net als jongeren relatief weinig naar de NPO kijkt.

De NPO laat sinds 2007 periodiek aanvullend onderzoek doen naar het mediabereik onder kijkers en luisteraars met een migratieachtergrond. Dit is nodig omdat regulier kijkonderzoek door de SKO niet voldoende representatief is voor Nederlanders met een niet-westerse migratieachtergrond. Het laatste aanvullende onderzoek waarover de NPO beschikt is uitgevoerd in 2016. Hieruit blijkt onder meer dat de zenders NPO1, 2 en 3 een weekbereik behaalden van 39%, 29% respectievelijk 29% onder de doelgroep kijkers met een migratieachtergrond.112

Uit onderzoek van de NPO blijkt dat Nederlanders met een niet-westerse migratieachtergrond minder frequent televisie kijken in vergelijking met Nederlanders zonder migratieachtergrond. Het weekbereik van de televisie onder Turkse en Surinaamse Nederlanders in Nederland is vrijwel gelijk aan het bereik onder autochtonen. Het lage bereik van de televisie geldt vooral voor Marokkaanse en Antilliaanse Nederlanders. Ik vind het dan ook belangrijk dat de publieke omroep blijft zoeken naar mogelijkheden om het bereik onder deze doelgroepen en de waardering voor het publieke media-aanbod te vergroten.

De leden van de DENK-fractie vragen of de Minister bereid is om net als bij de jongeren ook initiatieven aan te jagen om de NPO aantrekkelijker te maken voor mensen met een niet-westerse migratieachtergrond.

Ik ben het eens met de leden dat de publieke omroep van en voor alle mensen is die deel uitmaken van de Nederlandse samenleving. Op grond van de Mediawet 2008 heeft de NPO dan ook de taak om media-aanbod te verzorgen dat erop is gericht om een relevant bereik te hebben onder zowel een breed en algemeen publiek, als bevolkings- en leeftijdsgroepen van verschillende omvang en samenstelling. Het is aan de publieke omroep om aan deze taak invulling en vorm te geven.

Ik constateer ook dat de publieke omroep zich hiertoe inzet. In haar Concessiebeleidsplan 2016–2020 heeft de NPO de ambitie opgenomen ervoor te zorgen dat haar media-aanbod een betere afspiegeling wordt van bevolkingsgroepen in de samenleving. De NTR heeft in de eerste plaats op dit thema een expliciete taak. De NPO-organisatie en de omroepen hebben het afgelopen jaar trainingen georganiseerd om het bewustzijn te vergroten rond diversiteit bij programmamakers en omroepmedewerkers. Om culturele diversiteit verder te bevorderen, wordt bij de beoordeling van nieuwe programmavoorstellen de aandacht voor deze thematiek meegewogen. Naast diversiteit in onderwerpen en gastenkeuze, worden omroepen daarnaast door de NPO gestimuleerd om – in het kader van talentontwikkeling – op zoek te gaan naar meer makers en presentatoren van niet-westerse afkomst en naar meer vrouwelijke makers en presentatoren.

De leden van de DENK-fractie vragen of de Minister kan uitzoeken of SKO een representatief aantal mensen met een migratieachtergrond in het panel heeft en als dat niet zo is, of hij de SKO dan kan vragen om deze groep wel representatief in het panel op te nemen.

De SKO houdt bij de werving van huishoudens voor zijn panel rekening met migratieachtergrond. Voor het aantal huishouders van Nederlanders met een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Antilliaanse achtergrond geldt een minimum. Daarmee benadert de verhouding van het panel de verhouding van de Nederlandse bevolking voor deze migratieachtergronden.

Bij de werving van deze huishoudens wordt rekening gehouden met regionale spreiding maar bijvoorbeeld niet met leeftijd, geslacht en opleiding. Hierdoor kan niet gesproken worden van een volledig representatieve steekproef.

De leden van de DENK-fractie vinden dat er meer diversiteit bij de mediaredacties moet komen, en ook meer diversiteit bij besluitvormers in de top. Zij vragen wat de Minister kan doen om de diversiteit op de redacties en in de top te verbeteren en of hij bereid is alle omroepen aan te moedigen het Charter Diversiteit te ondertekenen en om dit een voorwaarde voor subsidieverlening te maken.

Binnen de mediaorganisaties spelen redacties een fundamentele rol in de wijze waarop media-aanbod tot stand komt en de duiding die daaraan gegeven wordt. Diversiteit binnen redacties kan daarom in belangrijke mate bijdragen aan een meer divers media-aanbod en het tegengaan van eenzijdige berichtgeving. Dit laat onverlet dat media-instellingen programmatische autonomie genieten. De wijze waarop redacties gevormd worden en hun werk doen is dan ook geen zaak waarin de overheid zich mengt. Overigens constateer ik dat de NPO en de omroepen initiatieven inzetten om de bewustwording over diversiteit te bevorderen onder hun programmamakers en omroepmedewerkers. Het Charter Diversiteit is een mooi instrument dat ondersteuning biedt aan werkgevers die zich willen inzetten voor meer diversiteit en inclusie binnen hun bedrijf. Ik ben bereid om de NPO en het College van Omroepen op dit charter te wijzen.

Op grond van de Mediawet 2008 is in de publieke mediaopdracht gewaarborgd dat de publieke omroep een evenwichtig en pluriform media-aanbod dient te verzorgen waarmee zowel een breed en algemeen publiek wordt bereikt als specifieke doelgroepen in de samenleving. Indien omroepen ervoor kiezen om aanvullend op en ter ondersteuning van hun publieke mediaopdracht het Charter te ondertekenen, juich ik dat uiteraard toe.

De leden van de DENK-fractie vragen om het instellen van een onafhankelijk Media Ombudsman, naar voorbeeld van de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman, en vragen wat de Minister van dit idee vindt.

Er is al een Ombudsman voor de media. Sinds 2017 heeft de NPO een Ombudsman voor de journalistiek, die onafhankelijk onderzoek doet naar het naleven van de journalistieke code van de publieke omroep.

De leden van de DENK-fractie hebben eerder voor een «journalistieke eed» gepleit, vergelijkbaar met de eed van artsen en de eed van bankiers en wijzen er op dat de voorganger van de Minister, Staatssecretaris Dekker, destijds heeft toegezegd dat hij dit punt aan de orde zou stellen bij een bijeenkomst met de Nederlandse Vereniging van Journalisten over de kwaliteit van de journalistiek. Zij vragen of de Minister kan aangeven wat er met deze toezegging is gebeurd en of hij de Kamer een verslag van de bijeenkomst kan doen toekomen.

Mijn ambtsvoorganger heeft de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ), zoals toegezegd, gevraagd of zij voor zichzelf een rol zien in het debat onder vakgenoten over de eigen kwaliteitsstandaarden. De NVJ heeft laten weten zich continu hard te maken voor het debat over journalistieke kwaliteit, integriteit en onafhankelijkheid en daar via bijvoorbeeld de organisatie van debatten en evenementen en via hun communicatie en magazine een actieve bijdrage aan te leveren. Daarnaast onderschrijft een ieder die lid wordt van de NVJ de Code van Bordeaux, een internationale verklaring die als leidraad dient voor beroepsgedrag door journalisten.

De leden van de DENK-fractie willen graag de verdeling weten tussen de subsidies voor landelijke en regionale omroepen. Zij vragen hoeveel procent van het geld naar landelijke omroepen en hoeveel procent naar regionale omroepen gaat, of de Minister deze verhouding in balans vindt en of er niet meer geld naar de regionale omroepen moet gaan.

Met 81% van de media-uitgaven zijn de landelijke publieke omroepen en met 14% van de media-uitgaven zijn de regionale publieke omroepen bekostigd.113 Met het overige deel (5%) zijn de overige media-uitgaven bekostigd (waaronder het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid en het Commissariaat). Met deze verhouding kunnen de wettelijke taken van zowel de landelijke als de regionale publieke omroepen in het jaar 2018 bekostigd worden.

De leden van de DENK-fractie vragen hoe de samenwerking tussen landelijke en regionale omroepen kan worden versterkt.

Samenwerking tussen landelijke en regionale publieke omroepen kan en mag al binnen de kaders van de Mediawet 2008. Het biedt mijns inziens vele kansen. Ik waardeer het dan ook dat deze vorm van samenwerking steeds vanzelfsprekender wordt. Ik zie bijvoorbeeld dat de samenwerking tussen de regionale omroepen en de NOS in Bureau Regio een succes is. Er werden via Bureau Regio bijna 2.500 radio- en televisiebijdrages uitgewisseld tussen NOS en de regionale publieke media-instellingen. Regionaal nieuws bereikt vele mensen via de app van de NOS. Dat zijn betekenisvolle resultaten.

In samenwerking met het Commissariaat stimuleer ik deze samenwerkingen. Zo is er de uitgave «Samenwerking van publieke omroepen met andere partijen» van het Commissariaat. Deze publicatie verduidelijkt samenwerkingsvormen, de bijbehorende spelregels en geeft antwoord op vragen. Bovendien biedt mijn voorstel voor een alternatieve bekostigingswijze voor de projecten van de RPO binnen de zogenoemde «frictiekostenregeling B» ruimte om samenwerkingsprojecten tussen publieke omroepen te bekostigen.114

De leden van de DENK-fractie vragen wat de Minister vindt van de klacht van onder meer nu.nl dat de NPO websites oneigenlijke concurrentie voor hen zijn.

De publieke omroep heeft als taak een breed publiek te bereiken, ook online. Het lijkt me niet reëel om de publieke omroep te verbieden websites te maken. In de Mediawet 2008 is vastgelegd wat de reikwijdte is van de publieke taakopdracht. Het is mij niet bekend dat de omroepen buiten de grenzen van de taakopdracht treden. Het zou een politieke keuze zijn om die taakopdracht te versmallen.

De leden van de DENK-fractie vragen wat de Minister vindt van de oproep van onder meer nu.nl om het subsidiegeld voor NPO websites te beperken en om beelden van de NPO na uitzending vrij te geven voor gebruik door derden, zoals uitgevers.

In het verleden zijn er soortgelijke experimenten geweest met een nieuwsfragmentenkanaal van de NPO. Dat experiment is afgebroken wegens kritiek vanuit de sector zelf, omdat zij het niet eens waren met de voorwaarden die de NOS op basis van de Mediawet 2008 diende te stellen aan het gebruik van het materiaal. De Mediawet 2008 bepaalt namelijk dat de publieke omroep zich niet dienstbaar mag maken aan het maken van een meer dan normale winst door derden. Daardoor leiden dergelijke experimenten al snel tot verschil van inzicht tussen publieke en private partijen.

Volgens de leden van de DENK-fractie is Nederland is van ons allemaal en is de publieke omroep van ons allemaal. Is de Minister dat met de leden eens, zo vragen zij.

Daar ben ik het volmondig mee eens.


X Noot
1

STER: Stichting Etherreclame.

X Noot
2

NPO: Nederlandse Publieke Omroep.

X Noot
3

NSOB: Nederlandse School voor het Openbaar Bestuur.

X Noot
4

NTR: is een Nederlandse publieke omroep, die in 2010 is ontstaan uit een fusie van NPS, Teleac en RVU.

X Noot
5

Kamerstuk 32 827, nr. 128.

X Noot
6

Kamerstuk 32 827, nr. 129.

X Noot
7

AMR: Algemene Mediareserve.

X Noot
8

Kamerstuk 32 820, nr. 249.

X Noot
9

Kamerstuk 32 827, nr.128.

X Noot
10

RPO: Regionale Publieke Omroep.

X Noot
11

Kamerstuk 32 827, nr. 130.

X Noot
12

Kamerstuk 21 501-34, nr. 298.

X Noot
13

Kamerstuk 32 827, nr. 126.

X Noot
14

Kamerstuk 32 827, nr. 116.

X Noot
15

Kamerstuk 32 827, nr. 129.

X Noot
16

WRR: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

X Noot
17

Kamerstuk 34 775 VIII, nr. 42.

X Noot
18

SCP: Sociaal en Cultureel Planbureau.

X Noot
19

Het mondelinge vragenuur, 12 juni 2018, Handelingen II 2017/18, nr. 92, item 3.

X Noot
20

VNG: Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

X Noot
21

SKO: Stichting Kijkcijfer Onderzoek.

X Noot
22

De evenementenlijst heeft betrekking op sport- en culturele evenementen die van aanzienlijk belang voor de samenleving zijn. De doelstelling van de lijst is het waarborgen van een adequate toegang van het publiek, tegen een betaalbare prijs, tot verslaggeving over voornoemde evenementen. Dit onderwerp is geregeld in de artikelen 5.1 tot en met 5.3 van de Mediawet 2008 en de artikelen 18 tot en met 21 van het Mediabesluit 2008. De evenementenlijst zelf is opgenomen in de bijlage behorende bij het Mediabesluit 2008.

X Noot
23

Stb. 2015, 375; in werking getreden met ingang van 1 januari 2016.

X Noot
24

Kamerstuk 32 033, nr. 14.

X Noot
25

Kamerstuk 32 033, nr. 14, bijlage 2.

X Noot
26

AMR: Algemene Mediareserve.

X Noot
27

Kamerstuk 32 827, nr. 129.

X Noot
28

Op grond van de wet wordt voor aspiranten een afzonderlijk totaalbudget vastgesteld. Het totaalbudget wordt over de aspiranten zodanig verdeeld dat zij elk een budget krijgen van 15 procent van het budget van een stand alone omroep. Zie artikelen 2.149–2.152a Mediawet 2008.

X Noot
29

Op grond van de wet wordt het budget bepaald aan de hand van het aantal stand alone omroepverenigingen plus het aantal omroepverenigingen waaruit samenwerkingsomroepen zijn ontstaan, gerekend vanaf 1 januari 2014. Zie artikelen 2.149–2.152a Mediawet en artikel 13 Mediaregeling 2008.

X Noot
31

Kamerstuk 32 827, nr.128.

X Noot
32

Kamerstuk 32 827, nr. 128.

X Noot
33

In het kader van de versterking van de lokale democratie, zoals verwoord in de Kamerbrief van 5 juli jl. over de versterking van de lokale democratie van de Minister van BZK (Kamerstuk 34 775 VII, nr. 69).

X Noot
34

In het kader van de versterking van de lokale democratie, zoals verwoord in de Kamerbrief van 5 juli jl. over de versterking van de lokale democratie van de Minister van BZK (Kamerstuk 34 775 VII, nr. 69).

X Noot
36

Kamerstuk 32 827, nr. 126.

X Noot
37

In het kader van de versterking van de lokale democratie, zoals verwoord in de Kamerbrief van 5 juli jl. over de versterking van de lokale democratie van de Minister van BZK (Kamerstuk 34 775 VII, nr. 69).

X Noot
38

Kamerstuk 32 827, nr. 128.

X Noot
39

In het kader van de versterking van de lokale democratie, zoals verwoord in de Kamerbrief van 5 juli jl. over de versterking van de lokale democratie van de Minister van BZK (Kamerstuk 34 775 VII, nr. 69).

X Noot
40

Kamerstuk 32 827, nr. 127.

X Noot
41

Kamerstuk 34 775 VIII, nr. 31.

X Noot
42

Kamerstuk 32 827, nr. 129.

X Noot
43

Kamerstuk 32 827, nr. 129.

X Noot
44

Kamerstuk 32 827, nr. 129.

X Noot
45

Onderzoek naar mogelijkheden voor verhogen inkomsten van de Landelijke Publieke Omroep – Boston Consulting Group, 2013; Onderzoek Inkomstenopties 2017–2022 Landelijke Publieke Omroep (LPO), Ernst&Young, 17 november 2017.

X Noot
46

Kamerstuk 34 775 VII, nr. 31.

X Noot
47

Kamerstuk 32 827, nr. 129.

X Noot
48

WRR: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

X Noot
49

Kamerstuk 32 827, nr. 125.

X Noot
50

Kamerstuk 32 827, nr. 126.

X Noot
51

Kamerstuk 28 684, nr. 524.

X Noot
52

Mediawet 2008, artikelen 2.1, tweede lid, onderdeel d, en 2.88, eerste lid.

X Noot
53

Mediawet 2008, artikel 2.170b, vierde lid.

X Noot
55

In het kader van de versterking van de lokale democratie, zoals verwoord in de Kamerbrief van 5 juli jl. over de versterking van de lokale democratie van de Minister van BZK (Kamerstuk 34 775 VII, nr. 69).

X Noot
56

Kamerstuk 32 827, nr. 126.

X Noot
57

In het kader van de versterking van de lokale democratie, zoals verwoord in de Kamerbrief van 5 juli jl. over de versterking van de lokale democratie van de Minister van BZK (Kamerstuk 34 775 VII, nr. 69).

X Noot
58

Kamerstuk 32 827, nr. 128.

X Noot
59

In het kader van de versterking van de lokale democratie, zoals verwoord in de Kamerbrief van 5 juli jl. over de versterking van de lokale democratie van de Minister van BZK (Kamerstuk 34 775 VII, nr. 69).

X Noot
60

Kamerstuk 34 775 VII, nr. 69.

X Noot
61

Kamerstuk 32 827, nr. 129.

X Noot
62

Kamerstuk 32 827, nr. 129.

X Noot
63

Kamerstuk 32 827, nr. 129.

X Noot
64

Kamerstuk 34 775 VIII, nr. 42.

X Noot
65

Kamerstuk 32 827, nr. 121.

X Noot
67

Mediawet 2008, artikel 2.170b, tweede lid.

X Noot
68

Kamerstuk 32 827, nr. 126.

X Noot
69

In het kader van de versterking van de lokale democratie, zoals verwoord in de Kamerbrief van 5 juli jl. over de versterking van de lokale democratie van de Minister van BZK (Kamerstuk 34 775 VII, nr. 69).

X Noot
70

Kamerstuk 32 827, nr. 128.

X Noot
71

In het kader van de versterking van de lokale democratie, zoals verwoord in de Kamerbrief van 5 juli jl. over de versterking van de lokale democratie van de Minister van BZK (Kamerstuk 34 775 VII, nr. 69).

X Noot
72

Kamerstuk 34 775 VII, nr. 69.

X Noot
73

In het kader van de versterking van de lokale democratie, zoals verwoord in de Kamerbrief van 5 juli jl. over de versterking van de lokale democratie van de Minister van BZK (Kamerstuk 34 775 VII, nr. 69).

X Noot
74

Kamerstuk 32 827, nr. 126.

X Noot
75

Kamerstuk 32 827, nr. 129.

X Noot
76

Kamerstuk 34 775 VIII, nr. 19.

X Noot
77

SCP: Sociaal en Cultureel Planbureau.

X Noot
78

Bijlage bij Kamerstuk 26 643, nr. 541.

X Noot
79

Kamerstuk 31 434, nr. 8.

X Noot
80

Kamerstuk 32 827, nr. 127.

X Noot
81

Het mondelinge vragenuur, 12 juni 2018.

X Noot
82

Zie ook de brief die Minister Grapperhaus op 19 juli jl. naar de Tweede Kamer stuurde («Uitstelbericht Kamervragen inzake het bericht «Openbaar Ministerie» luistert journalist af in moordzaak broer kroongetuige» en over de bronbescherming van journalisten»).

X Noot
83

Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nrs. 639 en 697.

X Noot
84

Kamerstuk 34 775 VII, nr. 117.

X Noot
85

Kamerstuk 32 827, nr. 129.

X Noot
86

Kamerstuk 32 827, nr. 129.

X Noot
87

Kamerstuk 32 827, nr. 127.

X Noot
88

Kamerstuk 32 827, nr. 126.

X Noot
89

In het kader van de versterking van de lokale democratie, zoals verwoord in de Kamerbrief van 5 juli jl. over de versterking van de lokale democratie van de Minister van BZK (Kamerstuk 34 775 VII, nr. 69).

X Noot
90

Kamerstuk 32 827, nr. 128.

X Noot
91

Kamerstuk 32 827, nr. 126.

X Noot
92

SEO Economisch Onderzoek, 2018. Ontwikkelingen journalistieke infrastructuur 2000–2018; Kamerstuk 32 827, nr. 127.

X Noot
93

Henk Vinken (i.o.v. NVJ, NVF, Dupho, Auteursbond-sectie Freelance Journalisten, BNO, Lira en Pictoright), 2017 Monitor freelancers en media 2016.

X Noot
96

In het kader van de versterking van de lokale democratie, zoals verwoord in de Kamerbrief van 5 juli jl. over de versterking van de lokale democratie van de Minister van BZK (Kamerstuk 34 775 VII, nr. 69).

X Noot
97

Kamerstuk 21 501-34, nr. 290.

X Noot
98

Reporters Without Borders 2018. World Press Freedom Index 2018. Zie: https: //rsf. org/en/ranking.

X Noot
99

Kamerstuk 34 775 VIII, nr. 31.

X Noot
100

Kamerstuk 32 827, nr. 129.

X Noot
101

Kamerstuk 32 827, nr. 129.

X Noot
102

Kamerstuk 32 827, nr. 129.

X Noot
103

Kamerstuk 32 827, nr. 129.

X Noot
104

Kamerstuk 32 827, nr. 129.

X Noot
105

Kamerstuk 32 820, nr. 249.

X Noot
106

Kamerstuk 32 827, nr. 128.

X Noot
107

VNG: Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

X Noot
108

In het kader van de versterking van de lokale democratie, zoals verwoord in de Kamerbrief van 5 juli jl. over de versterking van de lokale democratie van de Minister van BZK (Kamerstuk 34 775 VII, nr. 69).

X Noot
109

Kamerstuk 31 311, nr. 207.

X Noot
110

In artikel 6.13 van de Mediawet 2008 is de zogenoemde doorgifteverplichting voor pakketaanbieders opgenomen. Wat televisie betreft moet een pakketaanbieder die een of meer digitale pakketten aan zijn abonnees verspreidt in elk geval een digitaal standaardpakket van 30 televisiekanalen doorgeven. Een deel van dat standaardpakket is al door de Mediawet 2008 zelf ingevuld (de zogenoemde «must carry kanalen»). Daarbij gaat het om de algemene televisieprogrammakanalen van de Nederlandse landelijke, regionale en lokale publieke omroepen en van de Vlaamse publieke omroepen.

X Noot
111

Kamerstuk 32 827, nr. 129.

X Noot
112

In dit onderzoek worden Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders aangemerkt als mensen met een niet-westerse migratieachtergrond (zogeheten TMSA-doelgroep).

X Noot
113

Kamerstuk 34 775 VIII, nr. 31.

X Noot
114

Kamerstuk 32 827, nr. 128.