Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201932623 nr. 229

32 623 Actuele situatie in Noord-Afrika en het Midden-Oosten

Nr. 229 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 28 september 2018

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Buitenlandse Zaken over de brief van 7 september 2018 over het IOB-onderzoek naar stabilisatieprogramma’s in Syrië (Kamerstuk 32 623, nr. 224) en over de brief van 14 september 2018 inzake steun aan de Syrische oppositie (Kamerstuk 32 623, nr. 226).

De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 26 september 2018. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt1.

De voorzitter van de commissie, Pia Dijkstra

De griffier van de commissie, Van Toor

1

Erkent het kabinet het regime van Bashar al-Assad als de rechtmatige vertegenwoordiger van het Syrische volk en daarmee als de rechtmatige regering van de Arabische Republiek Syrië? Zo ja, hoe verhoudt dit gegeven zich in volkenrechtelijke zin tot de uitspraken van het kabinet hieromtrent in 2012?

Het regime van Assad is de formele vertegenwoordiger van de Syrische staat, maar het kabinet erkent het regime niet als de vertegenwoordiger van het Syrische volk. Het grove geweld dat Assad tegen de eigen bevolking heeft ingezet, heeft hiertoe geleid. In 2012 verbrak Nederland de diplomatieke banden met het regime en is de Nederlandse ambassade uit Damascus vertrokken. Nederland heeft in 2012 de Syrian National Council (SNC) erkend als een legitieme vertegenwoordiging van het Syrische volk.

2

Is het kabinet bekend met berichten over vermeende mensenrechtenschendingen door de Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF)?

Ja. De SDF wordt gedomineerd door de Koerdische strijdgroep PYD/YPG. Er zijn verschillende rapporten verschenen over mensenrechtenschendingen gepleegd door de YPG. Bovendien is de YPG gelieerd aan de PKK, een organisatie die op de Europese terrorismelijst staat.

3

Is het kabinet eerder opgeroepen tot lethale en/of non-lethale steun ten behoeve van de Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF)?

Het kabinet is door de leden Voordewind, Knops en Van der Staaij in 2015 per motie (Kamerstuk 27 925, nr. 555) opgeroepen de Koerden in Syrië te steunen. De motie werd niet aangenomen.

4

Kunt u zich herinneren dat het vorige kabinet in 2016 bij monde van de toenmalige Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking de Kamer informeerde over berichten over mensenrechtenschendingen door de Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF), waaronder gedwongen rekrutering van kindsoldaten? Ziet het huidige kabinet aanleiding om deze zorgen in te trekken? (Kamerstuk 32 623, nr. 167)

De tekst zoals weergegeven in Kamerstuk 32 623, nr. 167 is nog altijd correct. Het kabinet ziet geen aanleiding de appreciatie van de SDF te wijzigen.

5

Bent u bekend met de berichten over Israëlische steun aan rebellengroepen in Syrië? (https://foreignpolicy.com/2018/09/06/in-secret-program-israel-armed-and-funded-rebel-groups-in-southern-syria/3/) Zo ja, hoe beoordeelt u deze?

Ja, het kabinet is bekend met dit bericht. Het kabinet doet echter geen uitspraken over de inhoud van het bericht. Wel is het een gegeven dat bepaalde gematigde groepen in Zuid-Syrië een bijdrage leverden aan stabiliteit aan de grenzen met Israël en Jordanië.

6

Welke groeperingen behoren of hebben behoord tot de SDF?

Volgens beschikbare bronnen bestond de Syrische Democratische Strijdkrachten (Syrian Democratic Forces – SDF) als een militaire coalitie die met steun van de VS tegen de Islamitische Staat (IS) in Syrië vocht, uit de volgende groepen:

  • Volksbeschermingseenheden (YPG) – Koerdisch seculier.

  • Vrouwelijke Volksbeschermingseenheden (YPJ) – Koerdisch seculier.

  • De Syriac Military Council – Assyrisch/Syrisch.

  • Liwaa Thuwar al-Raqqa (Raqqa Revolutionaire Front) – Arabisch, soennitisch.

  • Jaysh al-Thuwar (Leger van de Revolutionairen) – multi-etnische groep (Koerden, Turkmenen en Arabieren)

  • Jaysh al-Sanadid – Arabische groep opgericht door de Arabische stam Shammar

7

Ging het kabinet ten tijde van de besluitvorming over het Non-Lethal Assistance (NLA)-programma en de informatievoorziening hierover uit van steun van de Tweede Kamer?

Ja. Er was bij aanvang van het Non Lethal Assistance (NLA) programma brede steun in de Tweede Kamer voor het ondersteunen van de gematigde gewapende oppositie in de strijd tegen het regime Assad en extremistische groepen. Het NLA-programma was onderdeel van het brede Syrië-beleid van het kabinet, dat zich richtte op vijf, elkaar versterkende sporen: politiek, militair, humanitair, stabilisatie en accountability. In verschillende debatten, onder andere over artikel 100-brieven (getekend door de Ministers van BZ, Defensie, BHOS en JenV) aangaande de Nederlandse inzet in de strijd tegen ISIS, is de brede inzet van het kabinet in Syrië met de Tweede Kamer besproken (Kamerstuk 27 925, nr. 570, Kamerstuk 27 925, nr. 597, Kamerstuk 27 925, nr. 612).

8

Van wie kwam het initiatief om het NLA-programma op te zetten?

Tijdens het Algemeen Overleg over de situatie in Kobani op 9 oktober 2014, werd met de Tweede Kamer gesproken over de mogelijkheden van het leveren van steun aan de gematigde oppositie (Kamerstuk 27 925, nr. 524). In de brief van 15 december 2014 aangaande de reactie over de Nederlandse inzet in de strijd tegen ISIS en voortgangsrapportage militaire bijdrage, is met de Tweede Kamer gesproken over de Fact Finding Mission (FFM). De FFM, waaraan ambtenaren van BZ en van Defensie deelnamen, had als doel de wenselijkheid, kansen en risico’s van het leveren van NLA steun te onderzoeken. De conclusie van FFM was dat mogelijkheden tot het geven van NLA aan de gematigde gewapende oppositie zouden worden onderzocht. De Kamer is over deze conclusie geïnformeerd in de voortgangsrapportage van de Ministers van BZ, BHOS, Defensie (en mede namens de Minister van JenV) over de Nederlandse inzet in de strijd tegen ISIS op 15 december 2014 (Kamerstuk 27 925 nr. 526).

9

Hoeveel volkenrechtelijk deskundigen heeft het departement (al dan niet in die hoedanigheid) in dienst?

Het departement heeft op dit moment een twintigtal volkenrechtelijke deskundigen met elk hun eigen expertise. Deze deskundigen, die adviseren over alle deelgebieden van het internationaal recht, zijn voornamelijk werkzaam zijn bij de afdeling internationaal recht van de Directie Juridische Zaken (DJZ). Voor het hoofd en plaatsvervangend hoofd van deze afdeling is ter uitvoering van de aanbeveling van de Commissie Davids een directe volkenrechtelijke advieslijn naar de Minister gecreëerd.

10

Klopt het dat uit openbare bronnen bekend is dat een aantal westerse landen, waaronder de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, soortgelijke vormen van steun gaven? Kunt u dit lijstje nog uitbreiden met andere landen van wie uit openbare bronnen bekend is dat ze soortgelijke vormen van steun gaven?

Openbare bronnen melden dat de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland en Turkije NLA hebben gegeven.

11

Kunt u de definiëring aangeven van jihadistische, terroristische en andere strijdgroepen die actief zijn of waren in de strijd in Syrië? Kunt u daarbij specifiek ingaan op het verschil tussen deze soorten groepen?

Er is geen internationaal erkende definitie van gewelddadig jihadisme of terrorisme.

In Nederland wordt vanuit verschillende kaders naar strijdende groeperingen gekeken en beoordeeld of een groepering als terroristisch dient te worden aangemerkt. Binnen de nationale CT strategie 2016–2020 en de NCTV worden de volgende definities gehanteerd:

Jihadisme: een extreme politieke ideologie die streeft te voldoen aan de als goddelijk ervaren plicht om de islam over de wereld te verspreiden. Dit moet worden bereikt door het voeren van een «heilige oorlog» tegen alle ongelovigen: alles dat vanuit het perspectief van jihadisten afwijkt van de «zuivere leer» moet naar hun mening met geweld bestreden worden.

Terrorisme: het uit ideologische motieven dreigen met, voorbereiden of plegen van op mensen gericht ernstig geweld, dan wel daden gericht op het aanrichten van maatschappij ontwrichtende zaakschade, met als doel maatschappelijke veranderingen te bewerkstelligen, de bevolking ernstige vrees aan te jagen of politieke besluitvorming te beïnvloeden.

Dit zijn «werkdefinities» die in Nederland worden gebruikt voor terrorisme vanuit beleidsmatig en strategisch perspectief. Voor de juridische definitie van een terroristisch misdrijf, zie artikel 83 juncto 83a van het Wetboek van Strafrecht.

12

Betekent de operationele samenwerking van Syrische gematigde strijdgroepen – die in het kader van het NLA-programma worden gesteund – met meer radicale groepen per definitie dat het humanitair recht en mensenrechten worden overtreden? Kunt u dit uitleggen in de context van dit programma?

Nee. In de complexe conflictsituatie zoals die in Syrië bestaat, met honderden gewapende groepen, werden door de Syrische gematigde strijdgroepen voor bepaalde offensieven en op specifieke locaties, allianties aangegaan met extremistische groepen. Deze samenwerking heeft een pragmatisch en incidenteel karakter; door coördinatie van de aanvallen kon een offensief van ISIS of het regime beter het hoofd worden geboden. Dit betekent niet dat extremistisch gedachtengoed door de gematigde groepen werd overgenomen.

13

Heeft u de Kamer in algemene zin geïnformeerd over mogelijke risico’s en hoe belangrijk was dat in de besluitvorming? Kunt u aangeven op welke wijze u dat gedaan heeft?

De wenselijkheid, kansen en risico’s van het NLA programma zijn nauwkeuring gewogen alvorens werd besloten over te gaan tot het leveren van deze steun aan de oppositie. De Kamer is door de Ministers van BZ, Defensie en BHOS, geïnformeerd over de risico’s en de wijze waarop deze door het kabinet werden gemitigeerd. Op 7 april 2015 schreef het kabinet: «Het leveren van steun in een complexe conflictsituatie als Syrië brengt onvermijdelijk risico’s met zich mee. Het kabinet is zich hiervan bewust en doet alles om deze risico’s zoveel mogelijk te beperken. Een van de risico’s van het steunen van de gewapende groepen is dat deze steun in ongewenste handen valt. Dit risico wordt gemitigeerd door alleen zorgvuldig doorgelichte groepen in aanmerking te laten komen voor steun. Om te beginnen neemt het kabinet groepen in overweging die door partners – aan de hand van een zogenoemde vetting-procedure – als voldoende betrouwbaar zijn beoordeeld. In aanvulling op deze voorselectie hanteert het kabinet een eigen vetting-procedure, die erin voorziet groepen te toetsen aan een aantal criteria. Het betreft onder andere criteria om uit te sluiten dat operationele samenwerking met extremistische groepen aan de orde is, om zeker te stellen dat deze groepen een inclusieve politieke oplossing nastreven en om te garanderen dat groepen gecommitteerd zijn aan de nalevering van het humanitair oorlogsrecht.

Aan het leveren van steun zijn tevens andere risico’s verbonden, die van belang zijn voor de afweging van het kabinet. Het risico op fraude wordt geadresseerd door professionele monitoring en door het gebruik van overdrachtsbewijzen van goederen. Daarbij kan door toenemende instabiliteit in de toekomst sprake zijn van verminderde uitvoerbaarheid in de grensregio’s. En niet in de laatste plaats lopen de medewerkers van de uitvoerende organisatie – in het bijzonder degenen die naar Syrië reizen – persoonlijke risico’s bij het leveren van steun aan gewapende groepen. Dit risico wordt gemitigeerd door te werken met een ervaren organisatie die, op basis van eerdere werkzaamheden bij andere donoren, een goede reputatie heeft. De uitvoerende organisatie werkt vanuit Turkije en Jordanië. De betreffende autoriteiten zijn inmiddels ingelicht. (Kamerstuk 27 925, nr. 534, d.d. 7 april 2015).

14

Op welke momenten heeft de Tweede Kamer zowel direct als indirect ingestemd met steun via het NLA-programma aan Syrische groeperingen?

Het NLA programma is onderdeel geweest van het brede Syrië beleid van de Nederlandse regering. Dit beleid richtte zich op vijf verschillende sporen: militair, politiek, humanitair, stabilisatie en accountability. Het NLA programma was onderdeel van artikel 100 brieven van de Ministers van BZ, Defensie en BHOS, over de Nederlandse inzet in de strijd tegen ISIS (Kamerstuk 27 925, nr. 570 van 3 februari 2016, Kamerstuk 27 925, nr. 597 van 14 september 2016, Kamerstuk 27 925, nr. 612 van 11 september 2017).

15

Wat hield de steun via het NLA-programma precies in ten tijde van de ingediende motie van het lid Voordewind over afzien van de steun aan het Vrije Syrische Leger (Kamerstuk 32 605, nr. 161) in april 2015?

De steun hield in de levering van voedselpakketten, medicijnen en (winter)kleding. Die levering vond plaats in juli 2015.

16

Wordt het door u aangekondigde onderzoek naar de recente berichtgeving in Nieuwsuur en Trouw onafhankelijk uitgevoerd? Zo ja, door wie? Zo nee, waarom niet?

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft samen met andere departementen de berichtgeving van Nieuwsuur en Trouw tegen het licht gehouden en gelegd naast de beschikbare informatie. De uitkomsten zijn meegenomen in de (deels vertrouwelijke) beantwoording van de feitelijke vragen. Dit staat los van de eerder uitgevoerde doorlichting door IOB inzake de monitoring van de programma’s AJACS, White Helmets en NLA, en de externe evaluatie naar het NLA programma, alsmede de lopende financiële doorlichting van de Audit Dienst Rijk.

17

Wanneer kan de Kamer de uitkomsten van het door u aangekondigde onderzoek naar de recente berichtgeving in Nieuwsuur en Trouw verwachten? Bent u bereid dit voor het aankomende herfstreces aan de Kamer te doen toekomen?

Zie antwoord op vraag 16.

18

Betekent het feit dat u de recente berichtgeving in Nieuwsuur en Trouw gaat onderzoeken, dat u niet kunt uitsluiten dat de Nederlandse NLA-steun is ingezet voor hulp aan groepen in Syrië die zich schuldig hebben gemaakt aan oorlogsmisdaden, mensenrechtenschendingen en/of de rekrutering van kindsoldaten?

De Tweede Kamer wordt vertrouwelijk geïnformeerd over de bevindingen van Nieuwsuur en Trouw wat betreft specifieke informatie over de groepen. Hoewel er de volledige duur van het programma werd gemonitord, zowel door de uitvoerders, onze bondgenoten, als Nederland zelf, is het niet mogelijk – bijvoorbeeld vanwege een onveilige situatie in de gebieden waar de gematigde oppositie actief was – een monitoringssysteem op te zetten dat alle risico’s zoals beschreven uitsluit.

19

Kunt u de bevindingen van Nieuwsuur en Trouw vooralsnog bevestigen dan wel ontkennen?

Het kabinet neemt de berichtgeving van Nieuwsuur en Trouw zeer serieus. In een moeilijke context is getracht het programma zo goed als mogelijk uit te voeren. Veel zaken zijn gelopen zoals ze bedoeld en voorzien waren. Zoals ook geconstateerd in het IOB-rapport zijn risico’s echter nooit helemaal uit te sluiten. De bredere beeldvorming dat Nederland terroristische organisaties gesteund zou hebben is echter onjuist. In de beantwoording van deze vragen, ook in het vertrouwelijke deel, worden de bevindingen van Nieuwsuur en Trouw in meer detail behandeld.

20

Wie was verantwoordelijk voor de selectie van groeperingen die in aanmerking kwamen voor Nederlandse steun via het NLA-programma?

De VS heeft in Syrië tenminste 70 groepen doorgelicht die in aanmerking kwamen voor steun. Van de door VS gescreende groepen heeft Nederland aan 22 groepen steun verleend. Een deel van de groepen in het noorden van Syrië werd direct door Nederland geselecteerd. Een ander deel werd voorgedragen door de projectuitvoerder (meer informatie over de projectuitvoerder is te lezen in het vertrouwelijke deel van de beantwoording). In het zuiden werden de groepen aangedragen door het Verenigd Koninkrijk, de bondgenoot waarmee werd samengewerkt. Voor alle groepen golden de criteria dat zij geen samenwerking aangingen met extremistische groepen, een inclusieve politieke oplossing nastreefden en zich committeerden aan het humanitair oorlogsrecht. Aanvullend werd gekeken naar de relevantie van de groepen in het veld, vertegenwoordiging in het politieke proces, en de behoeften van de groepen in relatie tot hetgeen zij van andere landen ontvingen. Alle groepen ontvingen ook steun van andere naaste bondgenoten.

21

Werd het toestaan van Nederlandse steun via het NLA-programma aan Syrische groeperingen afgetekend door de Minister van Buitenlandse Zaken?

De besluitvorming over de aanwending van de middelen werden voorgelegd aan zowel de Minister van Buitenlandse Zaken als de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. De besluitvormingsmemoranda worden vertrouwelijk met uw kamer gedeeld. De besluitvorming vond ook zijn weerslag in de voortgangsrapportages en artikel 100 brieven.

22

Op basis van welke criteria werden Syrische groeperingen geselecteerd voor Nederlandse steun via het NLA-programma?

Belangrijkste criteria voor het geven van NLA-steun aan een gematigde gewapende groep waren committering van de groep aan het humanitair oorlogsrecht, het nastreven van een inclusieve politieke oplossing en afzien van samenwerking met extremistische groeperingen (Kamerstuk 27 925, nr. 534, d.d. 7 april 2015). Daarnaast werd meegewogen hoe relevant de groep op de grond was, of de groep onderdeel was van een overkoepelende organisatie- en overlegstructuur en of zij een rol voor zichzelf zag in een toekomstig inclusief Syrisch bestuur, bijvoorbeeld via de politieke besprekingen in Genève.

23

Onder welke voorwaarden werden gesprekspartners in Syrië benaderd voor onderhandelingen over het ontvangen van Nederlandse steun via het NLA-programma steun via het NLA-programma?

De VS heeft in Syrië tenminste 70 groepen doorgelicht die in aanmerking kwamen voor steun. Van de door VS gescreende groepen heeft Nederland aan 22 groepen steun verleend. De selectie van deze 22 groepen werd gedaan door het Syrië-team in Istanbul. Belangrijke criteria voor deze selectie waren committering van de groepen aan het humanitair oorlogsrecht, geen samenwerking met extremistische groepen en streven naar een inclusieve, politieke oplossing. Zie ook antwoord op vraag 20.

24

Voldeden alle Syrische groeperingen die Nederlandse steun via het NLA-programma hebben ontvangen aan de vastgestelde criteria om in aanmerking te komen voor deze steun?

De geselecteerde gematigde gewapende groepen zijn getoetst aan de door Nederland en naaste bondgenoten gestelde criteria voor het geven van NLA-steun.

25

Was de opzet van het NLA-programma in overeenstemming met het internationaal recht en het principe van non-interventie?

De opzet van het NLA programma hield rekening met het non-interventiebeginsel en was gericht op civiele steun teneinde schending van het internationaal recht te voorkomen.

26

Werd het NLA-programma volledig gefinancierd vanuit het Stabiliteitsfonds op de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken?

De Nederlandse bijdrages aan de uitvoerende organisaties van het NLA-programma werden volledig gefinancierd vanuit het non-ODA gedeelte van het Stabiliteitsfonds.

27

Welke andere landen boden soortgelijke NLA-steun aan groeperingen in Syrië?

Openbare bronnen melden dat de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk en Turkije NLA leverden aan groepen in Syrië.

28

Hoe duidt u de discrepantie tussen het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Justitie & Veiligheid, bij monde van het OM, over de kwalificatie van bepaalde Syrische groepen als terroristische groeperingen?

Zoals op 14 september jl. met uw Kamer gedeeld, wordt vanuit verschillende kaders naar strijdende groeperingen gekeken en beoordeeld of een groepering als terroristisch dient te worden aangemerkt. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken kijkt primair naar internationale terrorismelijsten (VN en EU) voor de beoordeling van organisaties. Bij de beoordeling of iemand kan worden vervolgd voor deelneming aan een terroristische organisatie (art. 140a Wetboek van Strafrecht) geldt een ander kader. Het Openbaar Ministerie legt gedragingen ten laste, in een omschreven periode en omschreven plaats. Van belang is voorts tot welke organisatie een verdachte behoorde. Als is vastgesteld tot welk onderdeel een verdachte behoorde, wordt aan de hand van de inhoud van het dossier en open bronnen getoetst of dát onderdeel van dié strijdende partij in dié periode was aan te merken als een organisatie met een terroristisch oogmerk. Het OM doet geen algemene uitspraken over strijdende groeperingen, ook omdat in het jihadistisch strijdgebied de samenstelling van groepen snel veranderde en verandert. Welke organisaties door de VN, de EU of Nederland op een sanctielijst geplaatst zijn speelt bij de beoordeling door het Openbaar Ministerie geen rol.

29

Hoe duidt u de bewering van Officier van Justitie Van Veghel, dat ook het sturen van hulpgoederen strafbaar kan zijn en dat de Nederlandse overheid met het NLA-programma mogelijk strafrechtelijke verantwoordelijkheid treft?

Het interview met de officier van justitie betrof geen interview over het NLA-programma, maar was een interview in algemene zin over de aanpak van terrorisme.

Aan de officier van justitie zijn in dit interview ook geen onderdelen van het NLA-programma voorgelegd. De officier van justitie heeft dan ook geen uitspraken gedaan in relatie tot het NLA-programma en daarover ook geen oordeel gegeven.

De stelling van de officier van justitie «als je op enigerlei wijze een rol speelt in die strijd, hetzij actief als strijder, hetzij minder actief maar wel dusdanig dat je een ander in staat stelt om die strijd te voeren, dan treft jou strafrechtelijke verantwoordelijkheid» had betrekking op het oordeel van een rechtbank in een strafzaak uit het verleden en zag op geen enkele wijze op het NLA-programma.

30

Heeft het Ministerie van Defensie scherfvesten geleverd aan Syrische groeperingen als onderdeel van het NLA-programma?

Het Ministerie van Defensie heeft geen scherfvesten geleverd.

31

Bent u, of uw voorganger, ministerieel verantwoordelijk voor het NLA-programma?

Ministeriële verantwoordelijkheid rust op de schouders van de Minister die op het moment dat die verantwoordelijkheid geactiveerd wordt in functie is. De ministeriële verantwoordelijkheid strekt zich ook uit tot het doen of nalaten van een ambtsvoorganger.

32

Welke risico’s zijn in het memo betreffende het NLA-programma dat heeft voorgelegen aan de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken geëxpliciteerd als acceptabel om steun te verlenen aan Syrische groeperingen?

De risico’s van het NLA programma waren dat de hulp in de verkeerde handen zou kunnen vallen, mogelijke fraude, persoonlijke risico’s voor de uitvoerders die naar het gebied reisden om spullen af te leveren, en ontwikkelingen op de grond die uitvoerbaarheid van het programma zouden bemoeilijken (Kamerstuk 27 925, nr. 534). De risico’s werden gemitigeerd door vetting-procedures, inclusief die van naaste bondgenoten, monitoring en samenwerking met uitvoerders en partners die de situatie in het veld goed kenden alsmede het regionaal opererende Syrië-team. Enerzijds, heeft de complexe (veiligheids)situatie op de grond en het verlies van grondgebied door de gematigde oppositiegroepen geleid tot de beëindiging van het NLA programma. Anderzijds, is het programma beëindigd vanwege de informatie als weergegeven in de vertrouwelijke brief van 23 januari jl. (Kamerstuk 32 623, nr. 184). Hierdoor kwamen de oorspronkelijke doelen van het NLA-programma steeds meer onder druk te staan.

33

Vanaf welk moment is de monitoring van het NLA-programma in Syrië niet meer afdoende geacht om tot de recente beslissing te komen om de steun stop te zetten?

Enerzijds, heeft de complexe (veiligheids)situatie op de grond en het verlies van grondgebied door de gematigde oppositiegroepen geleid tot de beëindiging van het NLA programma. Anderzijds, is het programma beëindigd vanwege de informatie als weergegeven in de vertrouwelijke brief van 23 januari jl. (Kamerstuk 32 623, nr. 184). Hierdoor kwamen de oorspronkelijke doelen van het NLA-programma steeds meer onder druk te staan (Kamerstuk 32 623, nr. 200, Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 2725).

34

Op welk moment was de zienswijze van de extern volkenrechtelijk adviseur betreffende militaire dan wel non-militaire steun aan Syrische groeperingen bekend?

Met het verschijnen van zijn advies uit 2013 over «Wapenleveranties Syrië» was bij het Kabinet de bredere visie van de EVA op (gewapende)steun aan de Syrische oppositie, waaronder in relatie tot het non-interventie beginsel, bekend.

35

Op welke wijze is de zienswijze van de extern volkenrechtelijk adviseur betreffende militaire dan wel non-militaire steun aan Syrische groeperingen meegenomen in de besluitvorming van het toenmalige kabinet betreffende het NLA-programma?

De zienswijze van de EVA is, naast tal van andere volkenrechtelijke relevante bronnen, meegenomen in de interne juridische advisering. De interne advisering ging ook in op het door de EVA genoemde non-interventiebeginsel. Met de interne volkenrechtelijke advisering is terdege rekening gehouden in de politieke besluitvorming over het NLA programma.

36

Bent u bereid de interne volkenrechtelijke adviezen aangaande het NLA programma per ommegaande en in het openbaar met de Tweede Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?

De interne volkenrechtelijke adviezen zijn opgenomen in de besluitvormingsmemoranda over het NLA-programma. Het kabinet hecht er zeer aan dat ambtenaren onbevangen en in vertrouwen kunnen adviseren en verstrekt interne adviezen dan ook in de regel niet. In dit geval worden bij uitzondering de besluitvormingsmemoranda vertrouwelijk aan de Kamer ter inzage te geven.

37

Was de toenmalige regering op de hoogte van de Syrische groeperingen genoemd in rapporten van de VN-Mensenrechtenraad, die zich volgens deze rapportages schuldig maakten aan mensenrechtenschendingen?

Ja, het kabinet was op de hoogte van de rapporten van de VN-mensenrechtenraad.

38

Waren de rapportages van de VN-Mensenrechtenraad over mensenrechtenschendingen door groeperingen in Syrië aanleiding om steun via het NLA-programma aan deze groeperingen te stoppen? Waarom wel of waarom niet?

Uit veiligheidsoverwegingen doet het kabinet geen uitspraken over de groepen die NLA-steun hebben ontvangen van Nederland. Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

39

Kunt u uitsluiten dan wel bevestigen dat Syrische groeperingen die steun via het NLA-programma ontvingen betrokken waren bij de strijd in de regio Afrin ten tijde van de Turkse inval aldaar?

De Kamer is hierover in januari 2018 middels een vertrouwelijk brief geïnformeerd (Kamerstuk 32 623, nr. 184).

40

Welke internationaal rechtelijke basis lag ten grondslag aan het voorstel van het Kamerlid Buma in september 2015, om Nederlandse grondtroepen onder de vlag van de VN in te zetten in Syrië en het inrichten van safe havens in Syrië, Libië en Irak? Op basis van welke internationaal rechtelijke voorwaarden is besloten dit niet te doen?

Het kabinet kan niet voor de heer van Haersma Buma spreken. In antwoord op eerdere Kamervragen over het creëren van safe havens in Irak en Syrië heeft het kabinet geantwoord dat dit bijzonder complex lag en niet in de laatste plaats omdat de benodigde volkenrechtelijk rechtsgrondslag ontbrak. Daarnaast speelden andere afwegingen een rol, waaronder het groot aantal benodigde grondtroepen ter handhaving van de safe havens. Het was niet duidelijk wie deze grondtroepen zou moeten leveren. Organisaties als Jabhat al-Nusra gaven bovendien te kennen dergelijke safe zones te zullen aanvallen. Een belangrijke vraag was dan ook of een safe zone in het oorlogsgebied in Noord-Syrië daadwerkelijk veiligheid zou kunnen bieden aan ontheemden en vluchtelingen. Het zou een doelwit kunnen zijn voor terroristen. Tot slot bestond het risico van confrontatie met mogelijke Russische lucht(afweer)activiteiten in het nabij gelegen Alawitische hartland (Beantwoording vragen Begrotingsbehandeling, 19 november 2015; Handelingen II 2015/16, nr. 27, item 8).

41

Hebben Koerdische groeperingen in Syrië, zoals genoemd in de motie-Voordewind c.s. (27 925, nr. 555), zich schuldig gemaakt aan oorlogsmisdaden, mensenrechtenschendingen en/of de rekrutering van kindsoldaten?

Volgens Amnesty International maakt de YPG zich schuldig aan mensenrechtenschendingen waaronder gedwongen verplaatsing van mensen en vernielingen en in beslagnemen van eigendom. In rapporten van Human Rights Watch wordt de YPG beschuldigd van gedwongen rekrutering van kindsoldaten. De YPG onderhoudt contacten met het Assad-regime en is gelieerd aan de PKK.

42

Is Nederlandse NLA-steun geleverd aan Jabhat al-Shamiya? Kunt u uitsluiten dan wel bevestigen dat deze groep zich schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdaden, mensenrechtenschendingen en/of de inzet van kindsoldaten?

Het kabinet doet in het openbaar geen uitspraken over de groepen die al-dan-niet NLA-steun hebben ontvangen van Nederland. Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

43

Is Nederlandse NLA-steun geleverd aan Shohada al-Yarmouk? Kunt u uitsluiten dan wel bevestigen dat deze groep zich schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdaden, mensenrechtenschendingen en/of de inzet van kindsoldaten?

Het kabinet doet in het openbaar geen uitspraken over de groepen die al-dan-niet NLA-steun hebben ontvangen van Nederland. Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

44

Is Nederlandse NLA-steun geleverd aan Ahrar al-Sham? Kunt u uitsluiten dan wel bevestigen dat deze groep zich schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdaden, mensenrechtenschendingen en/of de inzet van kindsoldaten?

Het kabinet doet in het openbaar geen uitspraken over de groepen die al-dan-niet NLA-steun hebben ontvangen van Nederland. Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

45

Is Nederlandse NLA-steun geleverd aan de Sultan Murad Brigade? Kunt u uitsluiten dan wel bevestigen dat deze groep zich schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdaden, mensenrechtenschendingen en/of de inzet van kindsoldaten?

Het kabinet doet in het openbaar geen uitspraken over de groepen die al-dan-niet NLA-steun hebben ontvangen van Nederland. Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

46

Is Nederlandse NLA-steun geleverd aan de Suleyman Shah Brigade? Kunt u uitsluiten dan wel bevestigen dat deze groep zich schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdaden, mensenrechtenschendingen en/of de inzet van kindsoldaten?

Het kabinet doet in het openbaar geen uitspraken over de groepen die al-dan-niet NLA-steun hebben ontvangen van Nederland. Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

47

Is Nederlandse NLA-steun geleverd aan Suqour al Jabl? Kunt u uitsluiten dan wel bevestigen dat deze groep zich schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdaden, mensenrechtenschendingen en/of de inzet van kindsoldaten?

Het kabinet doet in het openbaar geen uitspraken over de groepen die al-dan-niet NLA-steun hebben ontvangen van Nederland. Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

48

Is Nederlandse NLA-steun geleverd aan Divisie 13 van het Vrije Idlib Leger? Kunt u uitsluiten dan wel bevestigen dat deze groep zich schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdaden, mensenrechtenschendingen en/of de inzet van kindsoldaten?

Het kabinet doet in het openbaar geen uitspraken over de groepen die al-dan-niet NLA-steun hebben ontvangen van Nederland. Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

49

Is Nederlandse NLA-steun geleverd aan Brigade 51 van het Vrije Syrische Leger? Kunt u uitsluiten dan wel bevestigen dat deze groep zich schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdaden, mensenrechtenschendingen en/of de inzet van kindsoldaten?

Het kabinet doet in het openbaar geen uitspraken over de groepen die al-dan-niet NLA-steun hebben ontvangen van Nederland. Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

50

Is Nederlandse NLA-steun geleverd aan Asifat al-Shamal? Kunt u uitsluiten dan wel bevestigen dat deze groep zich schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdaden, mensenrechtenschendingen en/of de inzet van kindsoldaten?

Het kabinet doet in het openbaar geen uitspraken over de groepen die al-dan-niet NLA-steun hebben ontvangen van Nederland. Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

51

Is de levering van NLA aan Syrische rebellen in strijd met het volkenrecht en het advies van de volkenrechtelijk adviseur die in 2013 in zijn advies schreef: Ïk merk op dat strikt genomen het non-interventiebeginsel niet alleen wapenleveranties verbiedt, maar ook andere vormen van steun»?

Of het handelen van een staat in een andere staat rechtmatig is, hangt af van de internationale verplichtingen die gelden tussen de betreffende staten. In het internationaal recht ziet het non-interventiebeginsel primair op de vraag naar de rechtmatigheid van inmenging door de ene staat in een andere staat. Het internationaal recht kent uitzonderingen op het non-interventiebeginsel. Het leveren van strikt humanitaire hulp aan personen of groepen in een ander land is niet in strijd met het non-interventiebeginsel. Dit is door het Internationaal Gerechtshof bevestigd. De opzet van het NLA programma hield rekening met het non-interventiebeginsel en was gericht op civiele steun teneinde schending van dat beginsel te voorkomen.

52

Heeft de Nederlandse regering het NLA programma uitgevoerd in lijn met het internationaal recht?

De inzet bij de uitvoering van het NLA programma was om het internationaal recht te respecteren, door het stellen van voorwaarden aan de aard van de goederen en de te steunen groepen.

53

«Het kabinet neemt de berichtgeving in Nieuwsuur en Trouw zeer serieus. De bevindingen worden door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, in samenwerking met het Ministerie van Defensie en het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de komende periode grondig onderzocht.»

Wat onderzoekt het kabinet en wanneer is dit onderzoek afgerond en kan het aan de Kamer gestuurd worden?

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft samen met andere departementen de berichtgeving van Nieuwsuur en Trouw tegen het licht gehouden en gelegd naast de beschikbare informatie. De uitkomsten zijn meegenomen in de (deels vertrouwelijke) beantwoording van de feitelijke vragen. Dit staat los van de eerder uitgevoerde doorlichting door IOB en externe evaluatie naar het NLA programma, alsmede de lopende financiële doorlichting van de Audit Dienst Rijk.

54

Herinnert u zich het ongevraagde advies van de extern volkenrechtelijk adviseur over steun aan de Syrische oppositie, en waarin hij schreef dat deze steun «begrijpelijk» kan zijn? Hoe duidt u juridisch de kwalificatie «begrijpelijk»?

Ja. Het kabinet kan echter niet voor de Extern Volkenrechtelijk Adviseur (EVA) spreken. De duiding van termen gebruikt door de Extern Volkenrechtelijk Adviseur (EVA) is aan de EVA zelf. Het kabinet acht de passage van het advies waarin de EVA het woord «begrijpelijk» gebruikt als een uiting van begrip voor het zoeken naar mogelijkheden om een minder strikte toepassing van het non-interventiebeginsel te onderbouwen, indachtig de complexe realiteit van de situatie in Syrië destijds.

55

Hoeveel andere NAVO-bondgenoten gaven steun aan de White Helmets en het Access to Justice and Community Security (AJACS)-programma?

De Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Denemarken, en Canada waren de NAVO bondgenoten die aan zowel de White Helmets als het AJACS-programma steun verleenden.

56

Indien Nederlandse grondtroepen in Syrië zouden zijn ingezet teneinde daar orde op zake te stellen en/of de lokale bevolking te beschermen, zou er dan een volkenrechtelijk mandaat zijn geweest voor een dergelijke gewapende interventie?

Het internationaalrechtelijke kader voor geweldgebruik is uiteengezet in een brief aan uw Kamer van 22 juni 2007 (Kamerstuk 29 521, nr. 41). Daar waar een staat geen toestemming geeft voor geweldgebruik op zijn grondgebied geldt in beginsel het geweldverbod zoals verankerd in artikel 2 lid 4 van het Handvest van de Verenigde Naties. Het Handvest kent twee uitzonderingen op het geweldverbod, te weten het inherente recht op zelfverdediging zoals vastgelegd in artikel 51, en een autorisatie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op basis van Hoofdstuk VII van het Handvest. De in de vraag genoemde doeleinden vielen niet onder een van deze uitzonderingen.

57

Welke rol speelden de door Nederland gesteunde groeperingen in Syrië bij het bestrijden van ISIS? Hebben zij een belangrijke rol gespeeld bij het verdrijven van ISIS in West-Syrië?

De door Nederland (en bondgenoten) gesteunde groepen hebben een belangrijke rol gespeeld in de strijd tegen ISIS en andere extremistische groepen. Een meer gedetailleerd antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

58

Hoe belangrijk waren de groeperingen in het zuiden van Syrië voor de stabiliteit aan de grenzen met Jordanië en Israël?

Het NLA-programma in Zuid-Syrië heeft de ontvangende partij in staat gesteld effectiever bij te dragen aan stabiliteit van grensgebied van Jordanië en Israël door smokkel en illegale oversteek van ISIS-strijders aan de grens tegen te houden. Gedurende de looptijd van het project zijn bijvoorbeeld vele illegale wapens en munitie in beslag genomen, evenals honderden infiltraties voorkomen. Daarbij zijn ISIS-strijders gearresteerd en is de ISIS-pocket aan de grens met Jordanië en Israël (Jaish Khaled Ibn al-Waleed) ingedamd. Tot slot zijn de grensbewakers getraind en geëquipeerd in de ontmanteling van bermbommen, die veelal door ISIS waren geplaatst.

59

Hoe waardeert u de inschatting van diverse Syrië-deskundigen die ontkennen dat Jabhat Al Shamiya een jihadistische organisatie is?

De mening van Syrië-deskundigen over het huidige niet-jihadistische karakter van al-Jabha al-Shamiya strookt met de informatie waar het kabinet over beschikt.

60

Is het juist dat Jabhat al Shamiya niet staat op de terrorismelijsten van de VS, Israël, EU en VN?

Dat is juist, waarbij de kanttekening moet worden geplaatst dat slechts de EU- en VN-lijsten van terroristische organisaties bindend zijn voor Nederland. Die van de VS en van Israël zijn dat niet.

61

In hoeverre zou er een volkenrechtelijk mandaat zijn geweest voor het bewapenen van de Syrian Democratic Forces (SDF), zoals meermaals bepleit door verschillende partijen in de Tweede Kamer? Zouden dergelijke leveranties minder risico’s met zich mee hebben gebracht dan NLA-steun, zoals Nederland die daadwerkelijk heeft geleverd?

Voor het bewapenen van een oppositiegroepering is een volkenrechtelijke rechtsgrond nodig. Het is niet mogelijk om in het algemeen een uitspraak te doen of een dergelijke rechtsgrond aanwezig was voor het bewapenen van de SDF, omdat dit mede afhankelijk is van het doel waarvoor deze wapens zouden worden gebruikt. Als de wapens alleen waren bedoeld en ingezet voor gebruik tegen ISIS, had de collectieve zelfverdediging van Irak tegen gewapende ISIS aanvallen vanuit Syrië hiervoor een rechtsgrond kunnen vormen. Er bestonden voor het kabinet los van een volkenrechtelijke rechtsgrond, redenen om geen steun aan de SDF te overwegen, zoals gerapporteerde schendingen van mensenrechten, de contacten van de YPG – de binnen SDF dominante strijdgroep – met het regime, en het feit dat de YPG gelieerd is aan de PKK.

62

Beschikte Nederland over eigenstandige informatie om de gesteunde groepen te beoordelen? En in welke mate waren de inlichtingen- en veiligheidsdiensten betrokken bij het NLA-programma?

De MIVD heeft op basis van zijn wettelijke taak en op verzoek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken regelmatig gerapporteerd over ontwikkelingen rond relevante strijdgroepen in Noord- en Zuid-Syrië. In deze rapportages is op verzoek van Buitenlandse Zaken een duiding gegeven van de signatuur van verschillende – reeds door anderen «gevette» – strijdgroepen. De AIVD heeft op basis van zijn wettelijke taak en op verzoek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in brede zin gerapporteerd over ontwikkelingen in Zuid-Syrië. In een aantal van deze rapportages is duiding gegeven van de signatuur van verschillende groeperingen. In het openbaar worden verder geen mededelingen gedaan over eventuele activiteiten van inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

63

Kunt u zich herinneren dat de Kamer in het najaar van 2016 werd geïnformeerd dat een voedselpakket van het NLA-programma tijdelijk in verkeerde handen was gevallen? Hoeveel van de door VN of DRA geleverde goederen is in verkeerde handen gevallen?

De hulp die in het kader van het Non Lethal Assistance programma is gegeven is stabilisatiehulp, geen humanitaire hulp. Nederland geeft ieder jaar een ongeoormerkte financiële bijdrage aan professionele hulporganisaties, zoals het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC), de humanitaire VN-organisaties en de Dutch Relief Alliance. De Nederlandse bijdragen versterken de responscapaciteit van deze organisaties, en stellen hen in staat om flexibel en adequaat te kunnen reageren in noodsituaties. Het ongeoormerkte karakter van deze bijdragen betekent ook dat Nederland de projecten die worden gefinancierd zelf niet beheert en zodoende ook de monitoring aan partnerorganisaties overlaat. De humanitaire operaties die worden uitgevoerd zijn complex, zo ook de context waarin dergelijke operaties worden uitgevoerd. Levensreddende hulp wordt geleverd op plaatsen waar de humanitaire noden hoog zijn; deze plaatsen zijn doorgaans instabiel. Dit maakt dat humanitaire organisaties nooit geheel zonder risico kunnen opereren. Zo bestaat er de kans dat hulpgoederen in verkeerde handen terecht. Wanneer er vermoedens van malversaties bestaan rapporteert BZ hierover in het jaarverslag.

64

Hoe verhouden de vermeende mensenrechtenschendingen van door Nederland gesteunde groepen in Syrië zich tot andere door Nederland gesteunde groepen/entiteiten elders?

Bij de steun die Nederland geeft in het kader van capaciteitsopbouw is het tegengaan van mensenrechtenschendingen voor Nederland van prioritair belang, alhoewel dit nooit kan worden uitgesloten. Nederland vraagt hier zowel bilateraal als in EU, NAVO of VN- verband aandacht voor en zal dat ook in de toekomst blijven doen. Deze vormen van steun hebben doorgaans tot doel om de veiligheidsdiensten in de desbetreffende landen te versterken zodat zij op termijn in staat zijn de veiligheid in hun eigen land op legitieme wijze te waarborgen. Nederland ondersteunt initiatieven hiertoe zowel bilateraal als ook via de EU, NAVO of VN.

65

Welke rol heeft het NLA-programma gespeeld bij het vergaren van informatie over de dreiging van terroristische aanvallen tegen Nederland en bondgenoten?

Het NLA-programma had als doel de gematigde gewapende oppositie te ondersteunen. Informatie verkregen van de groepen was evenwel relevant voor het veiligheidsbeleid van Nederland en van onze bondgenoten. Een belangrijk resultaat van het NLA-programma was dat het gematigde groeperingen in staat stelde te voorkomen dat strijders overliepen naar jihadistische of extremistische groeperingen.

66

Kunt u de totale kosten van de Nederlandse militaire inzet in de strijd tegen ISIS in de periode 2015–2018 afzetten tegen de Nederlandse bijdragen heeft geleverd aan NLA, White Helmets en AJACS?

De totale kosten voor de Nederlandse militaire inzet in de strijd tegen ISIS in de periode 2015–2017 bedragen EUR 276,5 mln. De geraamde kosten voor 2018 zijn EUR 97 miljoen. De totale bijdrage aan de drie programma’s in de periode 2015–2018 was EUR 54.503.812; het NLA-programma was gesteund voor EUR 27.685.671, White Helmets voor EUR 12.537.926, en het AJACS-programma voor EUR 14.850.000.

Op 17 mei jl. is uw Kamer geïnformeerd dat de kosten sinds de start van dit programma in 2015 lagen op EUR 25,6 miljoen (Kamerstuk 32 623, nr. 219), bestaande uit de levering van goederen en de trainings- en uitvoeringskosten. Bij nadere doorlichting is afgelopen week gebleken dat de daadwerkelijke kosten tot op heden EUR 27.685.671,– bedragen. Het hogere bedrag is vooral toe te schijven aan het feit dat de eerste projectbijdrage aan het NLA-programma in 2015 (van EUR 2.761.545,–) niet bleek meegenomen in de gemelde totale bijdrage van EUR 25,6 miljoen. Dat is gebeurd doordat het Ministerie van Buitenlandse Zaken een nieuw financieel managementsysteem heeft ingevoerd. Daarnaast blijkt een aantal andere projectbijdragen lager uit te vallen (in totaal EUR 643.335).

Zoals in juli jl. gemeld aan uw Kamer is de Audit Dienst Rijk (ADR) reeds in een eerder stadium gevraagd te onderzoeken of de betalingen in het kader van het NLA-programma hebben plaatsgevonden conform de daarvoor geldende richtlijnen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

67

In hoeverre hebben de Nederlandse investeringen in stabilisatie in Syrië – waaronder die in NLA, White Helmets en AJACS – bijgedragen aan toegang van Nederland tot invloedrijke fora, zoals de VN-Veiligheidsraad, de anti-ISIS-coalitie en de International Syria Support Group?

De brede Nederlandse inzet in Syrië (op het gebied van politiek, humanitair, stabilisatie en militair) heeft bijgedragen aan de geloofwaardigheid en het internationale profiel dat Nederland heeft op het Syrië-dossier. Ook heeft deze inzet geleid tot een betere informatiepositie van Nederland over ontwikkelingen in Syrië die Nederland rechtstreeks raken. Met de informatie uit het NLA-programma leverde Nederland ook toegevoegde waarde aan besluitvorming over Syrië in internationale fora.

68

Op welke wijze heeft de NL regering de eigen vetting procedure uitgevoerd, zoals toegezegd in 2015? («Om te beginnen neemt het kabinet groepen in overweging die door partners – aan de hand van een zogenoemde vetting-procedure – als voldoende betrouwbaar zijn beoordeeld. In aanvulling op deze voorselectie hanteert het kabinet een eigen vetting-procedure, die erin voorziet groepen te toetsen aan een aantal voor het kabinet doorslaggevende criteria. Het betreft onder andere criteria om uit te sluiten dat operationele samenwerking met extremistische groepen aan de orde is, om zeker te stellen dat deze groepen een inclusieve politieke oplossing nastreven en om te garanderen dat groepen gecommitteerd zijn aan de naleving van het humanitair oorlogsrecht.»)

De VS heeft in Syrië tenminste 70 groepen doorgelicht die in aanmerking kwamen voor steun. Van de door VS gescreende groepen heeft Nederland aan 22 groepen steun verleend. Een deel van de groepen in het noorden van Syrië werd direct door Nederland geselecteerd. Een ander deel werd voorgedragen door de projectuitvoerder (meer informatie over de projectuitvoerder is te lezen in het vertrouwelijke deel van de beantwoording). In het zuiden werden de groepen aangedragen door het Verenigd Koninkrijk, de bondgenoot waarmee werd samengewerkt. Voor alle groepen golden de criteria dat zij geen samenwerking aangingen met extremistische groepen, een inclusieve politieke oplossing nastreefden en zich committeerden aan het humanitair oorlogsrecht. Aanvullend werd gekeken naar de relevantie van de groepen in het veld, vertegenwoordiging in het politieke proces, en de behoeften van de groepen in relatie tot hetgeen zij van andere landen ontvingen. Alle groepen ontvingen ook steun van andere naaste bondgenoten.

69

Beschouwt u de Nour al din al-Zinki groep die in 2015 een jongen onthoofde en waar internationaal veel bekend voor kwam omdat zij het zelf gefilmd hadden (https://www.reuters.com/article/US-Mideast-Crisis-Beheading-idUSKCN1000TZ) als een extremistische groep?

Hoewel ideologie voor Nour al-Din al-Zinki geen grote rol lijkt te spelen, getuige hun snel wisselende loyaliteiten en verbanden met andere groeperingen, duiden incidenten zoals de onthoofding in 2016 op overduidelijk extremistische elementen. Door de wisselende houding van de groep, in combinatie met de diffuse context, is het echter lastig om een ideologisch label op de gehele groep te plakken gedurende zijn volledige geschiedenis.

70

Waarom gaat u in uw brief aan de Kamer niet in op de kritiek van de Directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) dat er geen centrale plaats is binnen het Ministerie van Buitenlandse Zaken waar alle projectdocumenten beschikbaar zijn en gearchiveerd worden, dat er niet duidelijk is wie er verantwoordelijk is voor de archivering van projectdocumentatie? Welke maatregelen gaat u nemen?

Er zal meer aandacht worden besteed aan het verbeteren van de procedures en het archiveren van projectdocumenten. Voor de projecten als beschreven in het IOB-rapport is daar inmiddels mee begonnen en er zal gekeken worden naar mogelijkheden voor verdere verbetering van de procedures.

71

Hebben elementen of onderdelen van Jabhat al Shamiya ooit deel uitgemaakt van of samengewerkt met de SDF of een andere door de internationale coalitie tegen ISIS gesteunde groep van lokale strijders?

Voor zover bekend bij het kabinet hebben er geen onderdelen van Jabhat al-Shamiya deel uitgemaakt van of samengewerkt met de SDF of een andere door de internationale coalitie tegen ISIS gesteunde groep van lokale strijders. Wel heeft al-Jabha al-Shamiya veelvuldig samengewerkt met andere door het Westen gesteunde FSA-groepen in hun strijd tegen ISIS in Aleppo, zoals in het najaar van 2015 langs de zogeheten Mara-linie ten noorden van Aleppo.

72

Waarom gaat u in uw brief aan de Kamer zeer eufemistisch in op de snoeiharde kritiek van het IOB op de steun aan de White Helmets («Bij de White Helmets is het meest ruimte voor verbetering»), zoals het toezicht dat beneden niveau was en het risico dat geld in handen viel van extremistische groeperingen? Bent u bereid uitgebreider op de kritiek in te gaan?

Monitoring van en toezicht op de uitvoering van programma’s in conflictgebieden is complex en risicovol. De IOB is gevraagd om voor de drie programma’s in Syrië te onderzoeken of de monitoring en het toezicht adequaat is. Volgens de IOB is het monitorsysteem voor NLA en AJACS adequaat en dat van het White Helmets-programma onvoldoende. Met de betrokken uitvoerder en andere donoren wordt gesproken hoe de bevindingen het beste kunnen worden opgevolgd. De nadruk ligt op de verbetering van de monitoring and evaluation- instrumenten en de donorcoördinatie. Ook is gesproken over de onafhankelijke veldmonitoring. Uit de IOB bevindingen wordt lering getrokken om toekomstige monitoringsprocessen van projecten te verbeteren en efficiënter te maken.

73

Met welke internationale partner werkte u samen aan het tegengaan van extremistische invloeden aan de Syrische Zuidgrens?

Het Verenigd Koninkrijk. Het NLA programma in het Zuiden werd afgestemd met Jordanië en Verenigde Staten.

74

Binnen welk internationaal kader en met welke internationale partners is het NLA programma uitgevoerd?

Nederland baseerde zich voor de vetting op lijsten van de VS en het VK. Gelet op grenscontroles stonden de uitvoerders van het programma in contact met Turkije over NLA-leveringen. In het Zuiden werd samengewerkt met het VK, waarbij afstemming plaatsvond met Jordanië en de Verenigde Staten.

75

Op welk moment is op basis van welke informatie door wie besloten dat nieuwe NLA projecten uitgesloten waren?

Enerzijds, heeft de complexe (veiligheids)situatie op de grond en het verlies van grondgebied door de gematigde oppositiegroepen geleid tot de beëindiging van het NLA programma. Anderzijds, is het programma beëindigd vanwege de informatie als weergegeven in de vertrouwelijke brief van 23 januari jl. (Kamerstuk 32 623, nr. 184). Hierdoor kwamen de oorspronkelijke doelen van het NLA-programma steeds meer onder druk te staan. De ruimte waar Nederland in kon opereren bij het geven van stabilisatiesteun in gematigd oppositiegebied werd te beperkt om het NLA programma voort te zetten. Het programma in Noord-Syrië is in het voorjaar van dit jaar beëindigd. In het zuiden van Syrië was toen nog sprake van relatieve rust en leek voortzetting een mogelijkheid. Toen in juli het regime-offensief een feit was, een onderhandelde oplossing voor het zuiden definitief van tafel en ook VS hun steun ook introkken, was daarmee een nieuwe bijdrage definitief uitgesloten. De Kamer is op verschillende momenten geïnformeerd over de beëindiging van het NLA programma (Kamerstuk 32 623, nr. 184, Kamerstuk 32 623, nr. 200, Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 2725).

76

Door wie zijn op basis van welke informatie, op welke wijze de organisaties geselecteerd voor NLA? Met welke risico’s is rekening gehouden, welke risico’s zijn voor lief genomen, welke gemeden?

De gesteunde groepen zijn geselecteerd op basis van een aantal criteria. Belangrijkste criteria voor het geven van NLA-steun aan een gematigde gewapende groep waren committering van de groep tot het naleven van humanitair oorlogsrecht en het nastreven van een inclusieve politieke oplossing, ook was operationele samenwerking met extremistische groeperingen uitgesloten. Daarnaast werd meegewogen hoe relevant de groep op de grond was, of de groep onderdeel was van een overkoepelende organisatie- en overlegstructuur en of zij een rol voor zichzelf zag in een toekomstig inclusief Syrisch bestuur. De risico’s van het NLA-programma waren dat de hulp in de verkeerde handen zou vallen, mogelijke fraude, persoonlijke risico’s voor de uitvoerders die naar het gebied reisden om spullen af te leveren, en ontwikkelingen op de grond die uitvoerbaarheid van het programma zouden bemoeilijken (Kamerstuk 27 925, nr. 534). De risico’s werden gemitigeerd door vetting-procedures, monitoring en samenwerking met uitvoerder en partners met een goede kennis van de situatie in het veld.

77

Waarom bent u, nu volgens uw visie de strijd in Syrië is gestreden, nog altijd niet bereid om de namen en door Nederland verstrekte NLA steun van de organisaties openbaar te maken? Zijn er geheimhoudingsverklaringen getekend? Zo ja door wie?

Het is nog altijd noodzakelijk informatie over de identiteit van de groepen niet publiekelijk te delen uit veiligheidsoverwegingen. Aanwijzingen dat bepaalde groepen Westerse steun hebben ontvangen maakt ze een belangrijker doelwit voor ISIS, het Assad-regime of voor andere extremistische groepen. Dit risico wil het kabinet niet nemen. Uitspraken van groepen over het al-dan-niet ontvangen van steun van Nederland zijn voor hun rekening, evenals de mogelijke consequenties daarvan.

78

Wat was de samenstelling van het Syrië-team in Istanbul, met welke landen en partners vond overleg plaats, welke informatie werd verzameld en aan wie werd gerapporteerd?

Het Syrië-team in Istanbul bestond in de periode 2015–2018 uit een Speciaal Gezant Syrië (achtereenvolgens Marcel Kurpershoek, Koos van Dam en Gerard Steeghs), een team van 3 -5 medewerkers van verschillende departementen, en een halve fte voor administratieve ondersteuning.

Overleg vond plaats met de landen en partijen in de regio die bij het conflict betrokken waren/zijn: Libanon, Jordanië, KSA, Qatar, Egypte, Iran, Irak, KAR, VAE, Israël en uiteraard Turkije. Daarnaast werd voortdurend contact gehouden met een groep van gelijkgezinde landen waaronder de VS, VK, Frankrijk, Duitsland, Zweden, Noorwegen, Italië, Denemarken, België, Canada. Incidenteel werd ook gesproken met grootmachten Rusland en China.

Er werd contact onderhouden met vertegenwoordigers van de Syrische oppositie in de regio, waaronder de High Negotiating Committee, de Syrian Opposition Coalition en andere individuele oppositie vertegenwoordigers. Er vond geregeld overleg plaats met in de regio aanwezige uitvoerders van door Nederland gefinancierde programma’s, alsmede met vertegenwoordigers van de organisaties die in het veld opereerden.

In al deze contacten werd zowel politieke informatie verzameld, als ook informatie die een beeld gaf van de wijze waarop door Nederland gefinancierde programma’s werden uitgevoerd. Deze informatie werd gedeeld met de relevante ministeries in Den Haag door middel van frequente rapportages.

79

Zijn er behalve in december 2014 andere fact finding-missies verricht?

De fact finding missie uit 2014, met ambtenaren van het Ministerie van BZ en het Ministerie van Defensie, was een missie die informatie verzamelde aangaande de mogelijkheden en risico’s betreffende het leveren van NLA. Dit verslag gaat uw Kamer vertrouwelijk toe2. Er zijn geen soortgelijke fact finding missies uitgevoerd. Wel was sprake van regelmatige en doorlopende monitoring door het Syrië-team in Istanbul en de uitvoerder van het NLA-programma. Daarnaast hebben ambtenaren tussen 2015 en 2017 een aantal keren – in wisselende samenstellingen en in aanwezigheid van leden van het Syrië-team in Istanbul – in het kader van NLA gesproken met gematigde groepen en de uitvoerders van het programma in zowel Turkije als Jordanië.

80

Waaruit bestaat de vetting procedure? Hoe verhoudt deze procedure zich tot de additionele eigen screening en criteria?

De VS heeft in Syrië tenminste 70 groepen doorgelicht die in aanmerking kwamen voor steun. Van de door VS gescreende groepen heeft Nederland aan 22 groepen steun verleend. Een deel van de groepen in het noorden van Syrië werd direct door Nederland geselecteerd (zie ook antwoord vraag 23). Een ander deel werd voorgedragen door de projectuitvoerder (meer informatie over de projectuitvoerder is te lezen in het vertrouwelijke deel van de beantwoording). In het zuiden werden de groepen aangedragen door het Verenigd Koninkrijk, de bondgenoot waarmee werd samengewerkt. Voor alle groepen golden, naast de vetting, de criteria dat zij geen samenwerking met extremistische groepen aangingen, een inclusieve politieke oplossing nastreefden en gecommitteerd waren aan het humanitair oorlogsrecht. Aanvullend werd gekeken naar de relevantie van de groepen in het veld, vertegenwoordiging in het politieke proces, en de behoeften van de groepen in relatie tot hetgeen zij van andere landen ontvingen. Alle groepen ontvingen ook steun van andere naaste bondgenoten.

81

Welke verzoeken kreeg Nederland vanaf 2014 voor letale en non-letale steun van welke landen?

Zie antwoord op vraag 323.

82

Welke door u gestelde doelen zijn met het NLA-programma gerealiseerd?

De door Nederland gesteunde gematigde groepen hebben er voor gezorgd dat in de gebieden die zij controleerden verschillende stabilisatieprojecten konden worden uitgevoerd en een zekere mate van openbare orde en bestuur zich kon ontwikkelen. Helaas zijn op veel plaatsen in voormalig oppositiegebied de resultaten vanwege gebiedsverovering door het regime, niet duurzaam geweest. Het merendeel van de gesteunde groepen heeft daarnaast een belangrijke bijdrage geleverd aan de bestrijding en/of verdrijving van ISIS uit verschillende delen van Syrië. De geleverde goederen hebben bijgedragen aan de effectiviteit van de gematigde groepen in deze strijd.

Het programma in Zuid-Syrië heeft bijgedragen aan stabiliteit van Jordanië en Israël die beiden baat hebben bij een stabiel grensgebied. Zo hebben de door Nederland gesteunde grensbewakers smokkel en illegale oversteek van ISIS-strijders tegengehouden en de pocket aan de grens met Jordanië en Israël die in handen was van een ISIS-tak (Jaish Khaled Ibn al-Waleed) ingedamd. Specifieke voorbeelden van acties mogelijk gemaakt door dit project zijn de ontmanteling van door IS geplaatste bermbommen en arrestaties van IS-strijders.

83

Klopt het dat de VS de informatie over gesteunde groepen wel openbaren?

De Verenigde Staten heeft niet openbaar gemaakt welke oppositiegroepen het heeft gesteund. De informatie waaruit de identiteit of locatie van betrokken partijen kan worden afgeleid, wordt uit veiligheidsoverwegingen door de Verenigde Staten niet publiek gemaakt.

84

Hoeveel van de 22 gesteunde groepen bestaan niet meer?

Geen van de gesteunde groepen is opgehouden te bestaan terwijl zij NLA ontvingen. Het kabinet heeft na beëindiging van steun het voortbestaan van groepen niet gemonitord.

85

Van wanneer tot wanneer duurde de NLA-steun precies?

De leveringen van goederen hebben plaatsgevonden tussen 28 juli 2015 (eerste) en 7 april 2018 (laatste).

86

Hoeveel voertuigen zijn geleverd?

In totaal zijn 313 voertuigen geleverd (58 ambulances, 45 mini-bussen (2e-hands), 142 pick-ups (nieuw), 50 pick-ups (2e-hands), 6 pick-ups (nieuw, counter-IED), 6 trucks (1,5 ton, water, dumper), 4 tractor/tractor-trailer en 2 skid-steer loader).

87

Welke afspraken zijn er met rebellen gemaakt over het gebruik van voertuigen?

Met de gewapende groepen die buiten het grensbewakingsprogramma vielen en voertuigen hebben ontvangen is afgesproken dat er geen wapens op gemonteerd werden. Er werd gecontroleerd of groepen zich aan de afspraken hielden middels het afleggen van veldbezoeken door monitoringsteams van de uitvoerder. Het gebruik van de voertuigen werd niet op basis van nummerborden, maar chassisnummers gecontroleerd. De gemiddelde levensduur van een geleverd voertuig dat in het conflict werd ingezet was naar schatting 6–8 maanden.

88

Is afgesproken met rebellen dat voertuigen niet ingezet mogen worden in de gewapende strijd?

Zie antwoord op vraag 87.

89

Hoeveel non lethal assistance (welke producten voor welk bedrag) is aan Koerdische strijders geleverd?

Er is in Syrië geen NLA-steun geleverd aan Koerdische strijdgroepen. Onder de NLA-ontvangende groepen bevonden zich wel Koerdische strijders, maar het is niet mogelijk om aan te geven welke goederen specifiek door deze strijders gebruikt zijn.

90

Hoe hebben de VS die 70 groepen gescreend?

De details van de Amerikaanse vetting-procedure zijn niet openbaar. Wel is bekend dat het Amerikaanse State Department potentiële ontvangers van steun controleert op terroristische daden en mensenrechtenschendingen. Het betrof een screening van de belangrijkste leidinggevenden en sleutelfiguren.

91

Is in het verleden vastgesteld dat door Nederland gesteunde rebellengroepen niet voldeden aan de gestelde criteria, waaronder het uitsluiten van operationele samenwerking met extremistische groepen, het nastreven van een inclusieve politieke oplossing en de naleving van het humanitair oorlogsrecht? Zo ja, hoe vaak en wat is met die constatering(en) gedaan?

Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

92

Is hulp aan groepen gestaakt omdat niet aan criteria werd voldaan? Zo ja, hoe vaak?

Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

93

Zijn er aanwijzingen dat door Nederland gesteunde strijders overgelopen zijn naar jihadistische groepen? Zo ja, welke aanwijzingen precies?

Nederland beschikt niet over aanwijzingen dat door Nederland gesteunde strijders zijn overgelopen naar jihadistische groeperingen. Of er individuen zijn overgelopen valt niet volledig uit te sluiten, maar een belangrijk resultaat van het NLA-programma is dat het gematigde groeperingen in staat heeft gesteld te voorkomen dat strijders overliepen naar jihadistische of extremistische groepen

94

Waarom noopt het in vervolgprogrammering in conflictgebieden tot nog stringentere afspraken over monitoring van de risico’s terwijl uit uw eigen screening blijkt dat bijna niets verkeerd is gegaan?

De IOB concludeert dat de monitoring van de programma’s, met uitzondering van die van de White Helmets, adequaat was. Het uitvoeren van programma’s in conflictgebieden brengt altijd risico’s met zich mee en waterdichte monitoring is niet mogelijk, concludeert ook het IOB. Het kabinet zal in de toekomst maatregelen nemen om de monitoring verder te verbeteren, mede op basis van de aanbevelingen gedaan door de IOB. Als het programma nog bestaan zou hebben zou er bijvoorbeeld het contact met het VK over NLA-Zuid verder geïntensiveerd zijn.

95

Kunt u toelichten waarom voor enig uitzicht op duurzame vrede in Syrië een gematigd alternatief voor Assad gesteund moest worden? Is dat omdat vrede met Assad niet voorspelbaar was?

Nederland gaf NLA-steun aan gematigde gewapende groepen in Syrië om te voorkomen dat gematigde strijders of hun achterban bij gebrek aan middelen en alternatieven in het gedrang zouden komen tussen terroristische groepen enerzijds en het Assad-regime anderzijds. Hiermee droeg Nederland bij aan versterking van de gematigde groepen op de grond en de positie van oppositie in het politieke proces onder leiding van de VN. Een inclusieve, politieke oplossing blijft de enige weg naar duurzame vrede in Syrië.

96

Hoeveel andere landen leverden non lethal steun?

Voor zover het kabinet bekend hebben de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland en Turkije non lethal assistance geleverd aan groepen in Syrië.

97

Zijn ook na de start nog onderdelen van het NLA-programma tot staatsgeheim gemaakt? Zo ja, welke onderdelen, wanneer en waarom?

Nee. De onderdelen van het NLA-programma waaruit de identiteit of locatie van betrokken partijen kon blijken, zijn sinds de start van het programma als staatsgeheim gekwalificeerd omdat 1. mensenlevens op het spel stonden, 2. bondgenootschappelijke verplichtingen ons dat opleggen en 3. inlichtingendiensten betrokken waren.

98

Hoe vaak is intern volkenrechtelijk geadviseerd over het NLA-programma?

Over dit programma is volkenrechtelijke regelmatig, zowel mondeling en schriftelijk, geadviseerd. Deze advisering valt niet in specifieke aantallen uit te drukken. In dit bijzondere geval is het kabinet bij uitzondering bereid de besluitvormingsmemoranda vertrouwelijk aan de Kamer ter inzage te geven.

99

Wat is intern volkenrechtelijk geadviseerd over het NLA-programma?

Interne volkenrechtelijke deskundigen hebben risico’s geschetst die samenhingen met de verlening van steun aan gematigde gewapende oppositiegroepen in Syrië. Daarbij is aangegeven dat de civiele aard van de steun het risico op strijdigheid met het internationaal recht kan beperken.

100

Kunt u de intern volkenrechtelijke adviezen anoniem maken en met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?

De interne volkenrechtelijke adviezen zijn opgenomen in de besluitvormingsmemoranda over het NLA-programma. Het kabinet hecht er zeer aan dat ambtenaren onbevangen en in vertrouwen kunnen adviseren en verstrekt interne adviezen dan ook in de regel niet. In dit bijzondere geval ben ik bij uitzondering bereid de besluitvormingsmemoranda vertrouwelijk aan de Kamer ter inzage te geven.

101

Wat is naar uw opvatting de zienswijze van de Extern Volkenrechtelijk Adviseur (EVA) m.b.t. het NLA-programma?

Het kabinet kan niet voor de Extern Volkenrechtelijk Adviseur (EVA) spreken.

102

Is de zienswijze van de EVA dat het non-interventiebeginsel niet alleen wapenleveranties verbiedt, maar ook andere vormen van steun, zeker als de kans aanwezig is of zelfs relatief groot is dat dit ingezet wordt in de gewapende strijd tegen Assad?

Het kabinet kan niet voor de Extern Volkenrechtelijk Adviseur (EVA) spreken.

103

Betwist u de kaders waarmee het OM bepaalt of een groep terroristisch is? Zo ja, waarom?

Nee. Het OM doet geen algemene uitspraken over strijdende groeperingen. Het OM legt gedragingen ten laste, in een omschreven periode en omschreven plaats. Van belang is voorts tot welke organisatie een verdachte behoorde. Als is vastgesteld tot welk onderdeel een verdachte behoorde, wordt aan de hand van de inhoud van het dossier en open bronnen getoetst of dát onderdeel van dié strijdende partij in dié periode was aan te merken als een organisatie met een terroristisch oogmerk. Het OM doet geen algemene uitspraken over strijdende groeperingen, ook omdat in het jihadistisch strijdgebied de samenstelling van groepen snel veranderde en verandert. Welke organisaties door de VN, de EU of Nederland op een sanctielijst geplaatst zijn speelt bij de beoordeling door het Openbaar Ministerie geen rol.

104

Vindt u dat het OM strijdgroep Jabhat al-Shamiya ten onrechte kwalificeert als een criminele organisatie met terroristisch oogmerk? Zo ja, waarom?

Zie het antwoord op vraag 103.

105

Worden op dit moment alle gegevens die door onderzoekswerk van Nieuwsuur en Trouw naar boven zijn gekomen door het ministerie onderzocht en gecheckt op feitelijkheid?

Ja. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft samen met andere departementen de berichtgeving van Nieuwsuur en Trouw tegen het licht gehouden en gelegd naast de beschikbare informatie. Uw Kamer wordt in de antwoorden op de feitelijke vragen (deels vertrouwelijk) en middels inzage in vertrouwelijke stukken, hierover geïnformeerd.

106

Klopt het dat de leden van het kabinet pas na publicatie door Nieuwsuur en Trouw hoorden dat Nederlandse hulp aan Syrische groepen mogelijk bij terroristische groeperingen terecht is gekomen?

Geen van de door Nederland gesteunde gewapende groepen stond op de lijst terroristische organisaties van de EU of de VN. Het was echter nooit 100% uit te sluiten dat middelen onbedoeld in verkeerde handen konden vallen. Zo is de Kamer geïnformeerd dat Nederlandse voedselpakketten na een overval geconfisqueerd waren door al-Nusra in herfst 2015. Minister Ploumen wees op 8 april (tijdens een Algemeen Overleg over Noodhulp; Kamerstuk 32 605, nr. 165) ook op de risico’s. «Ik doe niet net alsof er geen risico’s aan kleven; die zijn er altijd. Achterover leunen, levert echter zelden iets op. De risico’s die wij nemen, zijn gecalculeerd en wij hebben uitdrukkelijk contact gezocht met organisaties ter plaatse om na te gaan wie het waard is gesteund te worden, gegeven onze uitgangspunten».

107

Waarom is het NLA-programma gestopt?

Enerzijds, heeft de complexe (veiligheids)situatie op de grond en het verlies van grondgebied door de gematigde oppositiegroepen geleid tot de beëindiging van het NLA programma. Anderzijds, is het programma beëindigd vanwege de informatie als weergegeven in de vertrouwelijke brief van 23 januari jl. (Kamerstuk 32 623, nr. 184). De ruimte waar Nederland in kon opereren bij het geven van stabilisatiesteun in gematigd oppositiegebied werd daardoor te beperkt om het NLA-programma voort te zetten (Kamerstuk 32 623, nr 200, Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 2725).

108

Wat zijn de resultaten van steun aan «gematigde» groepen in Syrië?

De door Nederland gesteunde gematigde groepen hebben er voor gezorgd dat in de gebieden die zij controleerden verschillende stabilisatieprojecten konden worden uitgevoerd en zekere mate van openbare orde en bestuur zich konden ontwikkelen. Helaas zijn op veel plaatsen in voormalig oppositiegebied de resultaten vanwege gebiedsverovering door het regime, niet duurzaam geweest. Het merendeel van de gesteunde groepen heeft daarnaast een belangrijke bijdrage geleverd aan de bestrijding en/of verdrijving van ISIS uit verschillende delen van Syrië. De geleverde goederen hebben bijgedragen aan de effectiviteit van de gematigde groepen in deze strijd.

Het programma in Zuid-Syrië heeft bijgedragen aan stabiliteit van Jordanië en Israël die beiden baat hebben bij een stabiel grensgebied. Zo hebben de door Nederland gesteunde grensbewakers smokkel en illegale oversteek van ISIS-strijders tegengehouden en de pocket aan de grens met Jordanië en Israël die in handen was van een ISIS-tak (Jaish Khaled Ibn al-Waleed) ingedamd. Specifieke voorbeelden van acties mogelijk gemaakt door dit project zijn de ontmanteling van door IS geplaatste bermbommen en arrestaties van IS-strijders.

109

Is er nu een gematigd alternatief voor Assad?

Het regime van Assad en zijn bondgenoten hebben de afgelopen periode grote delen van het Syrisch grondgebied heroverd op de oppositie. Een offensief boven Idlib, de laatste provincie in handen van de oppositie, blijft ondanks de recente afspraken tussen Turkije en Rusland een reële mogelijkheid. Hoewel Assad militair veel grondgebied heeft heroverd, is de verwachting niet dat hij zal kunnen zorgen voor duurzame stabiliteit en vrede. Nederland blijft voorstander voor een politieke oplossing langs lijnen van VNVR-resolutie 2254.

110

Heeft steun aan «gematigde» rebellen vrede in Syrië dichterbij gebracht? Zo ja, hoe?

Toen het regime Assad, in reactie op vreedzame demonstraties, zeer grof geweld begon te gebruiken tegen de eigen bevolking, werd nationaal en internationaal de noodzaak gevoeld om de oppositie te ondersteunen in haar strijd tegen het regime en extremistische groepen als ISIS. Nederland besloot, evenals een aantal internationale bondgenoten, te proberen het lijden van de Syrische bevolking te verlichten, de oppositie te versterken en de bevolking een alternatief voor het Assad-regime enerzijds en extremisme anderzijds te bieden. Terwijl ISIS grotendeels is verslagen blijft extremisme van bijvoorbeeld Hayat Tahrir al-Sham een probleem en ook is de verwachting dat Assad niet voor duurzame stabiliteit zal kunnen zorgen in Syrië. De hoop is dat de gematigde oppositie toch een rol zal kunnen spelen in het broodnodige inclusieve politiek proces.

111

Is de Nederlandse NLA-steun stopgezet toen Nieuwsuur en Trouw reeds onderzoek deden hiernaar?

Het is het kabinet niet bekend wanneer Nieuwsuur en Trouw met hun onderzoek startten. De Nederlandse steun aan het NLA programma is niet beëindigd vanwege onderzoek van Nieuwsuur en Trouw of een aanstaande televisie-uitzending. Uw Kamer is geïnformeerd over de redenen voor de beëindiging van het NLA programma (Kamerstuk 32 623, nr. 184, Kamerstuk 32 623, nr. 200, Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 275).

112

Welke onderdelen van het NLA-programma waren bij aanvang reeds staatsgeheim en wat werd later staatsgeheim? Waarom werden later nog een of meerdere onderdelen staatsgeheim en wanneer was dit?

Alle informatie waaruit de identiteit of locatie van de door Nederland gesteunde gematigde groepen kan worden afgeleid, is vanaf de aanvang van het programma in 2015 geclassificeerd als staatsgeheim omdat 1. mensenlevens op het spel stonden, 2. bondgenootschappelijke verplichtingen ons dat opleggen en 3. inlichtingendiensten betrokken waren. Informatie over de uitvoerder en details over de geleverde producten zijn eveneens uit veiligheidsoverwegingen niet publiek gemaakt. Er zijn geen andere onderdelen van het programma staatsgeheim verklaard gedurende de loop van het programma.

113

Was de inzet van steun aan «gematigde» rebellen om Assad weg te krijgen?

De inzet van NLA steun aan gematigde gewapende groepen was hen een sterkere onderhandelingspositie te geven in het politieke proces onder leiding van Speciaal VN gezant Staffan de Mistura. Daarnaast beoogde de steun aan de gematigde gewapende oppositie gunstigere voorwaarden voor gematigd bestuur en stabilisatieprojecten in Syrië te creëren, zodat de bevolking een alternatief had voor aansluiting bij extremistische groepen.

114

Kan steun aan «gematigde» rebellen gezien worden als aanmoediging om de strijd tegen Assad en IS aan te gaan / voort te zetten?

Zie antwoord op vraag 113.

115

Zijn door Nederland gesteunde groepen met elkaar slaags geraakt? Zo ja, op welke schaal?

Er is voor zover bekend één incident geweest waarbij groepen slaags raakten. Een meer gedetailleerd antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

116

Erkent u dat alle partijen in het conflict in Syrië zich schuldig maakten aan oorlogsmisdaden, zoals onderzoeker Del Ponte stelde? Zo nee, waarom niet?

De Independent international Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic, waar mevrouw Del Ponte lid van was, schreef zeer regelmatige rapporten over de mensenrechtensituatie en schending van internationaal humanitair recht door de verschillende strijdende partijen in Syrië. De rapporten zijn openbaar. Nederland hecht zeer aan het tegengaan van straffeloosheid en heeft actief bijgedragen aan de oprichting van het International Impartial and Independent Mechanism dat misdrijven van alle partijen betrokken bij het conflict documenteert met oog op mogelijke vervolging in een later stadium.

117

Klopt het dat VN-rapporten schreven over schendingen van het internationaal recht door groepen waar Nederland steun aan verleende maar die steun desondanks niet werd gestaakt?

Nederland is bekend met de VN-rapporten over schendingen. Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

118

Klopt het dat Nederland medeplichtig kan zijn aan het plegen van oorlogsmisdaden, zoals onderzoeker Del Ponte stelt? Zo nee, waarom niet?

Medeplichtigheid is een term die doorgaans (alleen) wordt gebruikt in het strafrecht. Er bestaat onder het internationaal recht geen strafrechtelijke aansprakelijkheid van staten.

119

Welke schendingen van het internationaal recht zijn gerapporteerd over de Sultan Murad Brigade ten tijde van het NLA-programma?

De Sultan Murad Brigade wordt in rapporten van Amnesty International en de Commission of Inquiry beschuldigd van schendingen waaronder de inzet van kindsoldaten. In het rapport van de Commission of Inquiry van 11 augustus 2016wordt in eenzelfde zin geschreven dat Nour al-Din al-Zinki en de Sultan Murad Brigade jongens «zo jong als 14 rekruteert». Het kabinet beschikt niet over informatie dat er op wijst dat Sultan Murad Brigade kinderen heeft ingezet in de strijd. Ook wordt Sultan Murad Brigade vanwege hun betrokkenheid bij Fateh Haleb in verband gebracht met de beschietingen op Sheikh Maqsoud waarbij tientallen slachtoffers vielen. Uit openbare bronnen blijkt dat andere groepen binnen Fateh Haleb verantwoordelijk waren voor de beschietingen. Schendingen die worden toegeschreven aan één groep van een los samenhangend verband, kunnen niet zonder meer aan alle afzonderlijke leden worden toegeschreven. Ten tijde van het offensief in Afrin is Sultan Murade Brigade meerdere keren in verband gebracht met mensenrechtenschendingen en/of het niet naleven van het oorlogsrecht. Het betrof hier plunderingen en gedwongen verplaatsing van bevolkingsgroepen. Amnesty International heeft hierover gerapporteerd in een rapport gepubliceerd op 2 augustus 2018.

120

Kon uitgesloten worden dat door Nederland geleverde pick-up trucks in de gewapende strijd ingezet zouden worden, bijvoorbeeld voor het vervoer van strijders of om wapens op te monteren? Zo ja, hoe?

Met de gewapende groepen die buiten het grensbewakingsprogramma vielen en voertuigen hebben ontvangen is afgesproken dat er geen wapens op gemonteerd werden. Er werd gecontroleerd of groepen zich aan de afspraken hielden middels het afleggen van veldbezoeken door monitoringsteams van de uitvoerder. Dit controlemechanisme was uiteraard niet waterdicht gelet op de complexe veiligheidssituatie. Er kon dus niet «uitgesloten worden» dat civiele voertuigen ook werden ingezet in de strijd. Het gebruik van de voertuigen werd niet op basis van nummerborden, maar chassisnummers gecontroleerd. De gemiddelde levensduur van een geleverd voertuig dat in het conflict werd ingezet was naar schatting 6–8 maanden.

121

Heeft Nederland Oostenrijk ervan proberen te overtuigen het EU-wapenembargo tegen Syrië op te heffen?

Nederland heeft zich in aanloop naar de Raad Buitenlandse Zaken van mei 2013 samen met andere lidstaten (w.o. Duitsland) ingespannen om een compromis te bereiken zodat niet het gehele sanctiepakket (waar het wapenembargo deel van uitmaakte) tegen Syrië zou vervallen. Nederland heeft tegelijkertijd aangegeven geen voorstander te zijn van nog meer wapenleveranties aan de regio.

122

Waren de levering van de NLA-goederen (juridisch) mogelijk geweest als het wapenembargo tegen Syrië nog zou hebben gegolden in de periode 2015–2018?

Nederland heeft geen wapens geleverd aan de Syrische oppositie, alleen niet-lethale goederen. Nederland heeft sinds de inwerkingtreding van de Sanctieregeling Syrië in 2011 geen vergunningsaanvragen ingediend. Het vergunningenoverzicht van Nederland is sinds 2004 openbaar: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/exportcontrole-strategische-goederen/documenten/rapporten/2016/10/01/overzicht-uitvoer-militaire-goederen

123

Onder welke voorwaarden staat het internationaal recht toe dat een staat zich mengt in de interne aangelegenheden van een andere (soevereine) staat?

In het internationaal recht ziet het non-interventiebeginsel primair op de vraag naar de rechtmatigheid van inmenging door de ene staat in een andere staat. Of het handelen van een staat in een andere staat rechtmatig is, hangt af van de internationale verplichtingen die gelden tussen de betreffende staten.

124

Staat Nederland achter het non-interventie beginsel?

Ja.

125

Acht u steun aan een groep rebellen die een kalifaat willen stichten (onder omstandigheden) geoorloofd? Zo ja, onder welke omstandigheden?

Nee. Eén van de zaken die door Nederland werden meegewogen alvorens over te gaan tot het leveren van steun aan de gewapende gematigde oppositie, was het streven naar een politieke oplossing voor het conflict in Syrië door de groep, met behoud van eenheid van de staat.

126

Klopt het dat Nederland steun heeft gegeven aan een groep die het OM als terroristisch/jihadistisch beschouwt?

Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

127

Hoe beoordeelt u dat het OM stelt dat strijdende groeperingen, waaronder een door Nederland gesteunde groep, die erop uit zijn om een kalifaat te stichten en daarmee de huidige fundamentele politieke structuur te vernietigen, zijn aan te merken als een criminele organisatie met een terroristisch oogmerk?

Er bestaan verschillende kaders van waaruit naar strijdende groeperingen wordt gekeken en beoordeeld wordt of een groepering als terroristisch dient te worden aangemerkt. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken kijkt primair naar internationale terrorismelijsten (VN en EU) voor de beoordeling van organisaties. Bij de beoordeling of iemand kan worden vervolgd voor deelneming aan een terroristische organisatie (art. 140a Wetboek van Strafrecht) geldt een ander kader. Het Openbaar Ministerie legt gedragingen ten laste, in een omschreven periode en omschreven plaats. Van belang is voorts tot welke organisatie een verdachte behoorde. Als is vastgesteld tot welk onderdeel een verdachte behoorde, wordt aan de hand van de inhoud van het dossier en open bronnen getoetst of dát onderdeel van dié strijdende partij in dié periode was aan te merken als een organisatie met een terroristisch oogmerk. Het Openbaar Ministerie doet geen algemene uitspraken over strijdende groeperingen, ook omdat in het jihadistisch strijdgebied de samenstelling van de groepen snel veranderde en verandert. Welke organisaties door de VN, de EU of Nederland op een sanctielijst geplaatst zijn speelt bij de beoordeling door het Openbaar Ministerie geen rol.

128

Was het verstrekken van NLA een operatie van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD)?

Over al-dan-niet activiteiten van de inlichtingendiensten doet het kabinet geen mededelingen.

129

Werd bij het verstrekken van NLA samengewerkt met Turkije? Zo ja, hoe?

Gelet op grenscontroles stonden de uitvoerders van het programma in contact met Turkije over NLA-leveringen.

130

Wanneer wordt de EVA wel en wanneer niet geraadpleegd? Welke afspraken zijn daarover gemaakt?

Op basis van zijn huidige contract levert de EVA, op verzoek van de Minister van Buitenlandse Zaken, onafhankelijk volkenrechtelijk advies aan deze Minister over actuele aspecten van het buitenlands beleid waar belangrijke volkenrechtelijke vraagstukken in het geding zijn. Overeengekomen is tevens dat het volkenrechtelijk advies:

  • de meest actuele stand van het internationaal recht weergeeft,

  • in voorkomend geval, in hoofdlijnen de verschillende heersende opvattingen beschrijft

  • juridische knelpunten signaleert en zo mogelijk alternatieven aan geeft,

  • de juridisch gewenste richting aangeeft.

Ook is overeengekomen dat de volkenrechtelijk adviseur op zijn verzoek toegang krijgt tot de adviezen van de juridische adviseurs van het ministerie.

Het advies is in beginsel vertrouwelijk, tenzij de Minister anders besluit. De Minister van Buitenlandse Zaken kan besluiten het advies ter beschikking te stellen aan andere bewindslieden, Kabinet en/of de Tweede (en Eerste) Kamer.

De volkenrechtelijk adviseur kiest zijn eigen werkwijze en kan een beroep doen op beschikbare expertise van de Directie Juridische Zaken. Hij krijgt desgevraagd toegang tot alle benodigde documenten.

131

Kunt u een totaaloverzicht geven van het aantal en type voertuigen dat binnen het NLA-programma aan de gewapende Syrische oppositiegroepen is geleverd?

In totaal zijn 313 voertuigen geleverd (58 ambulances, 45 mini-bussen (2e-hands), 142 pick-ups (nieuw), 50 pick-ups (2e-hands), 6 pick-ups (nieuw, counter-IED), 6 trucks (1,5 ton, water, dumper), 4 tractor/tractor-trailer en 2 skid-steer loaders.

132

Hoe is het NLA-programma ontstaan en wie hebben het NLA-programma gestart?

Zie antwoord op vraag 8.

133

Welke door Nederland geleverde NLA is door rebellengroepen ingezet in de gewapende strijd?

Nederland leverde non-lethal assistance als voedsel, communicatiemiddelen, medicijnen, dekens, voertuigen en uniformen aan een aantal geselecteerde gematigde gewapende oppositiegroepen. Deze groepen verdedigden het grondgebied van de oppositie tegen aanvallen van Assad en extremistische groepen zoals ISIS.

134

Welke onderzoeken zijn er allemaal gedaan en worden nog gedaan naar het Nederlandse NLA-programma?

Een onafhankelijke externe partij heeft tussen november 2016 en januari 2017 een onderzoek naar het NLA programma uitgevoerd. Het onderzoeksrapport heeft de Tweede Kamer ter vertrouwelijke inzage ontvangen. Eveneens heeft IOB een doorlichting van de monitoringsmechanismen van het NLA-programma uitgevoerd, de resultaten van dit onderzoek zijn op 7 september jl. met de Tweede Kamer gedeeld. De Auditdienst Rijk doet momenteel een financiële doorlichting van het NLA programma. De uitkomsten van dit onderzoek worden in oktober verwacht en zullen eveneens vertrouwelijk met de Kamer worden gedeeld.

135

Klopt de bewering van Abu Ali al-Sejjou, kopstuk van Jabhat al-Shamiya, dat Nederland in de tweede helft van 2017 nog goederen (waaronder pick-up trucks) heeft geleverd aan zijn strijdgroep?

Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

136

Klopt het dat Jabhat al-Shamiya deelnam aan de Turkse operatie om de Syrisch-Koerdische strijdgroep YPG uit de regio Afrin te verdrijven?

Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

137

Kunt u bevestigen of zijn er aanwijzingen dat Jabhat al-Shamiya zich schuldig heeft gemaakt aan martelpraktijken, corruptie, wapensmokkel, afpersing, willekeurige beschietingen van burgerdoelen en etnische zuivering?

Het kabinet is bekend met de mensenrechtenrapportages waarin al-Jabha al-Shamiya wordt genoemd.

138

Per wanneer heeft de regering een bijdrage geleverd aan het NLA-programma en welke bewindspersonen waren in die tijd politiek eindverantwoordelijk?

Zie antwoord op vraag 14.

139

Kunt u specifiek aangeven op welke data het NLA-programma binnen de ministerraad is besproken en of, alvorens tot besluitvorming over de Nederlandse steun over te gaan, de ministerraad inzage heeft gekregen in de lijst met gewapende Syrische strijdgroepen die door Nederland zouden worden gesteund?

Artikel 26 van het Reglement van Orde voor de ministerraad waarborgt de vertrouwelijkheid van de beraadslagingen van de vergaderingen van de ministerraad. Zij begrenst in dezen de informatievoorziening aan uw Kamer (Kamerstukken II 2001/2, 28 362, nr. 2 en aanhangsel van de Handelingen 2011–2012 nr 2140).

140

Is uitgesloten dat vervolging van Syriëgangers gestaakt moet worden als de organisatie waar een Syriëganger lid van was steun van Nederland ontving?

De Officier van Justitie maakt een eigenstandige afweging over de vervolging van uitreizigers naar jihadistisch strijdgebied of het seponeren daarvan. Deze afweging wordt niet beïnvloed door steun van de regering aan van strijdende groeperingen. Het uiteindelijke oordeel over de strafbaarheid is aan de rechter. Zie ook het antwoord op vraag 28.

141

Hoeveel door Nederland gesteunde Syrische gewapende groepen streden met Turkije tegen Koerdische strijders in het noorden van Syrië?

De Kamer is hierover in januari 2018 middels een vertrouwelijk brief geïnformeerd (Kamerstuk 32 623, nr. 184).

142

Is steun aan gewapende groepen stopgezet omdat zij met Turkije meevochten in het noorden van Syrië?

De Kamer is hierover in januari 2018 middels een vertrouwelijk brief geïnformeerd (Kamerstuk 32 623, nr. 184).

143

Wat is u bekend over mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden door de Sultan Murad Brigade in de periode dat Nederland NLA verleende?

De Sultan Murad Brigade wordt in rapporten van Amnesty International en de Commission of Inquiry beschuldigd van schendingen waaronder de inzet van kindsoldaten. In het rapport van de Commission of Inquiry van 11 augustus 2016wordt in eenzelfde zin geschreven dat Nour al-Din al-Zinki en de Sultan Murad Brigade jongens «zo jong als 14 rekruteert». Het kabinet beschikt niet over informatie dat er op wijst dat Sultan Murad Brigade kinderen heeft ingezet in de strijd. Ook wordt Sultan Murad Brigade vanwege hun betrokkenheid bij Fateh Haleb in verband gebracht met de beschietingen op Sheikh Maqsoud waarbij tientallen slachtoffers vielen. Uit openbare bronnen blijkt dat andere groepen binnen Fateh Haleb verantwoordelijk waren voor de beschietingen. Schendingen die worden toegeschreven aan één groep van een los samenhangend verband, kunnen niet zonder meer aan alle afzonderlijke leden worden toegeschreven. Ten tijde van het offensief in Afrin is Sultan Murade Brigade meerdere keren in verband gebracht met mensenrechtenschendingen en/of het niet naleven van het oorlogsrecht. Het betrof hier plunderingen en gedwongen verplaatsing van bevolkingsgroepen. Amnesty International heeft hierover gerapporteerd in een rapport gepubliceerd op 2 augustus 2018. Voor meer gedetailleerde informatie over Sultan Murad Brigade verwijs ik u door naar het vertrouwelijke gedeelte van de beantwoording.

144

Was Nederland niet op de hoogte van mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden door groepen waaraan NLA werd gegeven? Zo ja, hoe is dit mogelijk?

Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

145

Heeft Nederland direct steun verleend aan Ahrar al-Sham?

Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

146

Klopt het dat steun is gegeven aan groepen die samenwerkten met jihadisten, waaronder Al Qaida?

Een meer gedetailleerd antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

147

Kunt u bevestigen dat de Sultan Murad Brigade deel uitmaakte van Ansar al-Sharia, een koepelorganisatie die in juli 2015 werd opgericht door onder andere Al-Qaida?

Een deel van de Sultan Murad Brigade maakte deel uit van Ansar al-Sharia. Voor zover bekend heeft Ansar al-Sharia maar kort bestaan en heeft het geen significante rol gehad. Ook was het net zoals veel andere allianties een los samenhangend verband. Een aanvulling op dit antwoord is te lezen in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

148

Klopt het dat Divisie 13 en Suqour al-Jabl van Nederland steun kregen en onderdeel uitmaakten van de Fatah Halab-koepel, waar ook Ahrar al-Sham en de aan de Moslimbroederschap gelieerde Faylaq al-Sham toe behoorden?

Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

149

Kan uitgesloten worden dat het jihadistische Ahrar al-Sham (indirect) heeft geprofiteerd van Nederlandse steun?

Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

150

Klopt het dat het Vrije Idlib Leger steun van Nederland kreeg en in ieder geval een deel van deze organisatie samenwerkte met Al Qaida?

Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

151

Is het juist dat de groepen die de Riyadh-verklaring hebben ondertekend als gematigd werden beschouwd?

Eén van de criteria op basis waarvan werd gewogen of een groep gematigd was of niet, was de mate waarin de groep een rol voor zichzelf zag in een toekomstig inclusief Syrisch bestuur. Dat laatste kon zich onder andere manifesteren door het onderschrijven van de zogenaamde Riyadh-verklaring uit 2015, die de oppositiegroepen committeert aan een civiele Syrische rechtstaat.

152

Is tijdens het verlenen van NLA-steun door Nederland geconstateerd dat groepen die deze steun ontvingen dit (ook) voor militaire doeleinden inzetten?

Hoewel ervoor is gekozen om alleen civiele goederen te leveren, valt daarmee, afhankelijk van de interpretatie, niet uit te sluiten dat deze goederen ook voor militaire doeleinden zijn ingezet, zoals bijvoorbeeld een pick-up truck.

153

Hebben ook nog andere, niet door Nieuwsuur en Trouw genoemde jihadistische / terroristische / radicale groepen steun van Nederland ontvangen?

Nederland heeft de gematigde oppositie groepen zorgvuldig geselecteerd. Het kabinet heeft geen indicaties dat er andere dan gematigde oppositie groepen zijn gesteund.

154

Kunt u toelichten op welke wijze er onvoldoende toezicht is geweest op het NLA-programma?

Monitoring van- en toezicht op de uitvoering van programma’s in conflictgebieden is complex en risicovol. De monitoring van de programma’s was doorlopend en intensief, het is echter in conflictgebieden onmogelijk constant te monitoren, bijvoorbeeld vanwege de uitbraak van gevechten. Volgens de IOB was het monitorsysteem voor NLA en AJACS adequaat en dat van het White Helmets-programma onvoldoende. Met de betrokken uitvoerder en andere donoren wordt reeds gesproken hoe de bevindingen het beste kunnen worden opgevolgd. De nadruk ligt op de verbetering van de M&E instrumenten en de donorcoördinatie. Ook is gesproken over de onafhankelijke veldmonitoring. Uit de IOB bevindingen wordt lering getrokken om toekomstige monitoringsprocessen van projecten te verbeteren en efficiënter te maken.

155

Wanneer is de steun aan de gematigde gewapende Syrische oppositie precies stopgezet? Welke dag werd daartoe besloten?

Het gehele programma in Noord-Syrië is in het voorjaar van dit jaar beëindigd. In het zuiden van Syrië was toen nog sprake van relatieve rust en leek voortzetting een mogelijkheid. Toen in juli het regime-offensief een feit was een onderhandelde oplossing voor het zuiden definitief van tafel en ook VS hun steun ook introkken, was daarmee een nieuwe bijdrage definitief uitgesloten. De laatste levering in maart 2018 was daarmee het de facto einde van het NLA Zuid.

156

Met welke landen stemde Nederland het verstrekken van NLA-steun af?

Nederland baseerde zich voor de vetting op lijsten van de VS en het VK. Gelet op grenscontroles stonden de uitvoerders van het programma in contact met Turkije over NLA-leveringen. In het Zuiden werd samengewerkt met het VK, waarbij afstemming plaatsvond met Jordanië en de Verenigde Staten.

157

Acht u NLA aan gewapende groepen in een in burgeroorlog verwikkeld land in lijn met het internationaal recht? Zo ja, hoe?

De vraag of NLA aan gewapende groepen in een in burgeroorlog verwikkeld land in lijn is met het internationaal recht, kan niet in zijn algemeenheid worden beantwoord. Zie ook het antwoord op vraag 123.

158

Onder welke omstandigheden acht u het wenselijk of acceptabel om gewapende groepen die deelnemen aan een burgeroorlog van materieel te voorzien dat ingezet kan worden in de gewapende strijd?

Gezien de complexiteit van conflictsituaties kan niet in algemene zin worden gesteld wanneer het wenselijk of acceptabel is om gewapende groepen van materieel te voorzien. Per situatie wordt een afweging gemaakt of dit wenselijk of acceptabel is. In Syrië werd door Nederland en bondgenoten het steunen van gematigde gewapende oppositie wenselijk geacht om te voorkomen dat gematigde strijders of hun achterban zich bij gebrek aan middelen of alternatieven zouden aansluiten bij extremistische groeperingen en om deze groepen te handhaven als gesprekspartner voor een politiek onderhandelde oplossing voor het conflict en de bescherming van burgers in het gebied.

159

Heeft Nederlandse steun aan gewapende groepen bijgedragen aan voortzetting van de oorlog in Syrië? Zo nee, waarom niet?

Zie antwoord vraag 110.

160

Wat klopt naar uw opvatting niet van alle claims die Nieuwsuur en Trouw op basis van hun onderzoekswerk doen over door Nederland gesteunde gewapende groepen in Syrië waaruit blijkt dat op allerlei manieren niet is voldaan aan gestelde criteria?

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft samen met andere departementen de berichtgeving van Nieuwsuur en Trouw tegen het licht gehouden en gelegd naast de beschikbare informatie. De uitkomsten zijn meegenomen in de (deels vertrouwelijke) beantwoording van de feitelijke vragen. Dit staat los van de eerder uitgevoerde doorlichting door IOB en externe evaluatie naar het NLA programma, alsmede de lopende financiële doorlichting van de Audit Dienst Rijk.

161

Welke schendingen van het internationaal recht zijn, onder andere door de VN en mensenrechtenorganisaties als Amnesty International en Human Rights Watch, gerapporteerd over de groepen die Nederland van NLA-steun voorzag?

Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

162

Door wie is de regering gevraagd om een bijdrage aan het NLA-programma te leveren?

Zie antwoord op vraag 8.

163

Heeft Nederland rebellengroeperingen gesteund die de sharia willen invoeren in Syrië? Zo ja, waarom?

Nederland steunde groepen die een inclusieve politieke oplossing voor Syrie nastreefden.

164

Wat waren de redenen voor de regering om mee te doen met het NLA-programma?

De belangrijkste doelen van het programma waren het bieden van een alternatief voor extremistische groeperingen en te voorkomen dat de gematigde oppositie in verdrukking zou raken tussen het Assad-regime en extremistische groeperingen. Hiermee werd zorg gedragen voor enige voet aan de grond voor de oppositie ter ondersteuning van het politiek proces onder leiding van speciaal VN-gezant Staffan de Mistura. Daarnaast beoogde steun aan de gematigde gewapende oppositie gunstigere voorwaarden voor gematigd bestuur en stabilisatie-projecten in Syrië te creëren.

165

Welke internationale partners waren doorslaggevend in het besluit van de regering om mee te doen met het NLA-programma?

Zie antwoord op vraag 156.

166

Waarom heeft de regering de volkenrechtelijk adviseur niet om advies gevraagd over deelname aan het NLA-programma?

De extern volkenrechtelijk adviseur (EVA) heeft op 17 juni 2013 op eigen initiatief advies heeft uitgebracht over «Wapenleveranties Syrië», waarin de EVA in bredere zin zijn volkenrechtelijke visie gaf op steun aan de Syrische oppositie, waaronder in relatie tot het non-interventie beginsel. De zienswijze van de EVA op dit punt was derhalve reeds bekend bij het ministerie.

167

Heeft Nederland rebellengroeperingen gesteund die een kalifaat in Syrië willen vestigen? Zo ja, waarom? (Brief Steun Syrische oppositie)

Eén van de zaken die door Nederland werden meegewogen alvorens over te gaan tot het leveren van steun aan de gewapende gematigde oppositie, was het streven naar een politieke oplossing voor het conflict in Syrië door de groep, met behoud van eenheid van de staat.

168

Hoe is bepaald welke groepen steun kregen van het NLA-programma en wie waren de besluitvormers?

De VS heeft in Syrië tenminste 70 groepen doorgelicht die in aanmerking kwamen voor steun. Van de door VS gescreende groepen heeft Nederland aan 22 groepen steun verleend. Een deel van de groepen in het noorden van Syrië werd direct door Nederland geselecteerd. Een ander deel werd voorgedragen door de projectuitvoerder (meer informatie over de projectuitvoerder is te lezen in het vertrouwelijke deel van de beantwoording). In het zuiden werden de groepen aangedragen door het Verenigd Koninkrijk, de bondgenoot waarmee werd samengewerkt. Voor alle groepen golden de criteria dat zij geen samenwerking aangingen met extremistische groepen, een inclusieve politieke oplossing nastreefden en zich committeerden aan het humanitair oorlogsrecht. Aanvullend werd gekeken naar de relevantie van de groepen in het veld, vertegenwoordiging in het politieke proces, en de behoeften van de groepen in relatie tot hetgeen zij van andere landen ontvingen. Alle groepen ontvingen ook steun van andere naaste bondgenoten.

169

Was het voor de regering mogelijk om binnen het NLA-programma zelfstandig een groep te kiezen waaraan ze non-letale steun wilde verlenen, heeft de regering zo’n zelfstandige keuze ook gemaakt en om welke groepen ging het daarbij?

Zie antwoord op vraag 168.

170

Kunt u een compleet overzicht geven van de financiële huishouding van het NLA programma?

Het kabinet heeft de Auditdienst Rijk gevraagd de financiële huishouding van het NLA programma door te lichten. De uitkomsten van dit onderzoek worden in oktober verwacht en zullen vertrouwelijk met de Tweede Kamer worden gedeeld.

171

Welke groepen hebben op welk moment welke steun gekregen in het NLA-programma?

Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

172

Welk type goederen zijn nog dit voorjaar door Nederland aan de gewapende Syrische strijdgroepen geleverd?

Een aantal gebruikte mini-bussen, pick-ups, motorfietsen en reservedelen, alsmede voedselpakketten, meel, uniformen, matrassen, camera’s, laptops en printers en, tenslotte, een tweetal pre-fab containers.

173

Heeft Nederland salafistische en/of islamistische rebellengroeperingen gesteund? Zo ja, waarom?

Nederland steunde groepen die een inclusieve politieke oplossing nastreefden.

174

Kunt u een lijst geven van goederen die tijdens het kabinet Rutte III aan gewapende Syrische strijdgroepen zijn geleverd, de waarde die deze goederen vertegenwoordigen en daarbij tevens vermelden aan welke strijdgroepen deze goederen zijn geleverd?

Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

175

Op welke gronden is het advies van volkenrechtelijk adviseur NollKaemper van 17 juni 2013 waarin hij stelt dat het non-interventiebeginsel niet alleen wapenleveranties, maar ook andere vormen van steun verbiedt, niet opgevolgd?

De zienswijze van de EVA is, naast andere volkenrechtelijk relevante bronnen, meegenomen in de interne juridische advisering. De interne advisering ging ook in op het door de EVA genoemde non-interventiebeginsel. Met de interne volkenrechtelijke advisering is terdege rekening gehouden in de politieke besluitvorming over het NLA-programma.

176

Kunt u nader uiteenzetten welke selectiecriteria zijn toepast en hoe deze exact tot stand zijn gekomen?

Belangrijkste criteria voor het geven van NLA-steun aan een gematigde gewapende groep waren committering van de groep tot het naleven van humanitair oorlogsrecht en het nastreven van een inclusieve politieke oplossing, ook was operationele samenwerking met extremistische groeperingen uitgesloten. Daarnaast werd meegewogen of de groep onderdeel was van een overkoepelende organisatie- en overlegstructuur en of zij een rol voor zichzelf zag in een toekomstig inclusief Syrisch bestuur.

177

Klopt het dat Nederland steun heeft geleverd aan Jabhat al-Shamiya, een groep die al vanaf 2014 gevangenen publiekelijk executeerde en sharia-rechtbanken runt? Ja of Nee?

Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

178

Kunt u uitleggen waarom strijdgroepen die de sharia toepassen, sharia rechtbanken runnen of gedogen, door de «strenge» selectiecriteria zijn gekomen?

De omgang met op sharia gebaseerde wetgeving is geen onderdeel geweest van de selectiecriteria, wel of groepen streefden naar een inclusieve politieke oplossing. Onder andere omdat enkel het label «sharia» weinig zegt over de mate van radicalisering.

179

Heeft Nederland de steun ingetrokken aan enkele Syrische strijdgroepen op basis van waarnemingen/feiten die een conflict opleverden met de selectiecriteria die Nederland hanteerde, of werd de steun ingetrokken wegens de afnemende invloed van de strijdgroepen op het strijdtoneel?

Enerzijds, heeft de complexe (veiligheids-)situatie op de grond en het verlies van grondgebied door de gematigde oppositiegroepen geleid tot de beëindiging van het NLA-programma. Anderzijds, is het programma beëindigd vanwege de informatie als weergegeven in de vertrouwelijke brief van 23 januari jl. (Kamerstuk 32 623, nr. 184). Hierdoor kwamen de oorspronkelijke doelen van het NLA-programma steeds meer onder druk te staan.

180

Aan welke gewapende Syrische strijdgroepen heeft Nederland gedurende het NLA-programma de steun ingetrokken?

De Tweede Kamer is vertrouwelijk geïnformeerd over de redenen waarom de steun aan een aantal groepen werd beëindigd in januari jl. Kamerstuk 32 623 nr. 184). Een meer gedetailleerd antwoord op deze vraag is te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

181

Hoeveel Syriëgangers uit Nederland zijn bekend bij de regering, het OM en de inlichtingendiensten die actief waren of zijn in Syrische rebellengroeperingen die door Nederland gesteund zijn?

Er zijn nog ongeveer 140 Nederlandse uitreizigers aanwezig in het strijdgebied in Syrië en Irak. Op iedere onderkende uitreiziger naar jihadistisch strijdgebied loopt een strafrechtelijk onderzoek. Over (lopende) strafrechtelijke onderzoeken doet het kabinet geen mededelingen.

182

Heeft u voorbeelden van positieve resultaten die er naar uw eigen zeggen als gevolg van de Nederlandse steun aan de gewapende oppositiegroepen «ontegenzeggelijk» waren?

De door Nederland gesteund gematigde groepen hebben er voor gezorgd dat in de gebieden die zij controleerden, stabilisatieprojecten konden worden uitgevoerd, en een zekere mate van openbare orde en bestuur zich konden ontwikkelen. Helaas zijn deze resultaten door gebiedsverovering door het regime, niet duurzaam geweest. Het merendeel van de gesteunde groepen heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de bestrijding en/of verdrijving van ISIS uit verschillende delen van Syrië. De geleverde goederen hebben bijgedragen aan hun effectiviteit in deze strijd. Het programma in Zuid-Syrië heeft bovendien bijgedragen aan stabiliteit van Jordanië en Israël die beiden baat hebben bij een stabiel grensgebied. Zo hebben groepen aan de grens smokkel en illegale oversteek van ISIS-strijders tegengehouden.

183

Wat verstaat u onder een «gematigd bestuur» in Syrië? Valt het toepassen en uitvoeren van shariarecht onder een dergelijk bestuur?

De kenmerken van een gematigd bestuur zijn onder andere het nastreven van een inclusief Syrisch bestuur, een politieke oplossing als uiteindelijke weg uit het conflict en respect voor internationaal recht.

184

Zijn de Ministeries van Defensie, J&V en in het bijzonder de inlichtingendiensten op enigerlei wijze betrokken geweest bij de proces waarin bepaald werd welke rebellengroeperingen gesteund zouden gaan worden door Nederland? Zo nee, waarom niet?

De MIVD heeft op basis van zijn wettelijke taak en op verzoek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken regelmatig gerapporteerd over ontwikkelingen rond relevante strijdgroepen in Noord- en Zuid-Syrië. In deze rapportages is op verzoek van Buitenlandse Zaken een duiding gegeven van de signatuur van verschillende – reeds door anderen «gevette» – strijdgroepen. De AIVD heeft op basis van zijn wettelijke taak en op verzoek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in brede zin gerapporteerd over ontwikkelingen in Zuid-Syrië. In een aantal van deze rapportages is duiding gegeven van de signatuur van verschillende groeperingen. Er worden verder zoals gebruikelijk geen mededelingen gedaan over eventuele specifieke activiteiten van Inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid was niet betrokken bij dit proces.

185

Heeft Nederland naast materiële steun op enig moment ook financiële steun verleend aan gewapende oppositiegroepen in Syrië?

Er is geen grootschalige financiële steun gegeven aan de gewapende gematigde oppositiegroepen. Er zijn bijvoorbeeld nooit salarissen betaald. In enkele gevallen zijn bedragen contact geld overhandigd aan de groepen voor goederen waarvan de aanschafkosten vele malen lager waren in Syrië dan daarbuiten. Deze aankopen zijn gemonitord en gedocumenteerd door de uitvoerder. Het gaat bijvoorbeeld om de aanschaf van suiker, uniformen en geld voor de opslag van goederen die niet direct aan de strijders van groepen geleverd konden worden.

186

Behoort Turkije tot de groep gelijkgezinde donoren?

Het kabinet kwalificeert Turkije niet zondermeer als «gelijkgezinde donor». Wel is Turkije een NAVO-bondgenoot en net als Nederland lid van de anti-ISIS coalitie. Wat betreft Syrië heeft Nederland echter ook zorgen over het Turkse optreden in Afrin en de gevolgen daarvan voor de strijd tegen ISIS. Deze zorgen heeft Nederland in NAVO- en EU-verband geuit.

187

Op welke wijze zijn de Turkse autoriteiten betrokken geweest bij de vetting-procedure van de door Nederland gesteunde gewapende Syrische strijdgroepen?

De Turkse autoriteiten zijn niet betrokken geweest bij de vetting-procedure van de door Nederland gesteunde gematigde gewapende groepen.

188

Zijn de Ministeries van Defensie, J&V en in het bijzonder de inlichtingendiensten op enigerlei wijze betrokken geweest bij de monitoring van de door Nederland gesteunde rebellengroeperingen? Zo nee, waarom niet?

Zie antwoord op vraag 184.

189

Kunt u in aanvulling op schriftelijke vragen van de leden De Roon en Wilders over het bericht dat Nederland nepverkiezingen in Syrisch rebellengebied financierde, exact aangeven welke Syrische gewapende strijdgroepen de controle hadden over het rebellengebied in Oost-Ghouta waar Nederland lokale verkiezingen financierde?

Nederland heeft via het Local Development and Small Projects Support (LDSPS) programma lokale verkiezingen in verschillende plaatsen in Oost-Ghouta in 2017 ondersteund. In die periode hadden de gewapende oppositiegroeperingen Jaysh El-Islam en Faylaq El-Rahman de militaire controle in die delen van Oost-Ghouta waar de verkiezingen zijn gehouden. De representativiteit en legitimiteit van lokale raden werd door de lokale verkiezingen versterkt en juist door het gekozen civiel bestuur is de lokale invloed van extremistische groeperingen verminderd. Een aanvulling op dit antwoord is te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

190

Welke exacte criteria hanteerde de regering voor groepen die geld kregen middels het NLA-programma?

Zie antwoord op vraag 185. De criteria voor het geven van NLA-steun aan een gematigde gewapende groep zijn onder andere in het antwoord op vraag 22 benoemd.

191

Herinnert u zich het standpunt van het kabinet in 2013 dat «het sturen van meer wapens naar de regio een politieke oplossing niet dichterbij brengt» (Kamerbrief 4 juni 2013, Kamerstukken II, TK 2012–2013, 21 501-02, nr. 1263)? Waarom zou het sturen van uniformen, voertuigen, communicatiemiddelen en dergelijke naar Syrische rebellen nadien wél een politieke oplossing dichterbij brengen? Vindt u achteraf dat dit doel bereikt is met het NLA-programma?

Eén van de doelen van het NLA programma was het versterken van de positie van de gematigde gewapende oppositie, zodat de onderhandelingspositie van de oppositie tijdens de onderhandelingen in Genève werd versterkt. Door versterking van de groepen konden zij langer standhouden tegen extremistische groepen en het regime, waardoor stabilisatie een kans kon krijgen en mensen een alternatief voor aansluiting bij extremistische groepen kregen. Dankzij steun van Rusland kon het regime Assad militair overwicht verkrijgen, waardoor het vooralsnog niet serieus heeft onderhandeld over een politieke oplossing voor het conflict.

192

Waarom heeft de regering altijd geweigerd steun te geven aan de Syrian Democratic Forces, nota bene een partner in de strijd tegen ISIS, vanwege vermeende mensenrechtenschendingen, maar wel steun gegeven heeft aan rebellengroeperingen die zich schuldig hebben gemaakt aan ernstige mensenrechtenschendingen of zelfs door het OM als terroristisch beschouwd worden?

De SDF heeft een belangrijke rol gespeeld in de strijd tegen ISIS en wordt gedomineerd door de Koerdische strijdgroep PYD/YPG. Er zijn verschillende rapporten verschenen over mensenrechtenschendingen gepleegd door de YPG. De YPG is gelieerd aan de PKK, een organisatie die op de Europese terrorismelijst staat.

193

Wat waren de criteria voor «gematigde groep»? Heeft u een lijst van de criteria? Heeft u een lijst van de gematigde groepen?

Zie onder andere antwoord op vraag 22 over de criteria, en antwoord op vraag 286 over de lijst gematigde groepen.

194

Wat waren de criteria voor «inclusiviteit»? En betekende «inclusiviteit» ook inclusief de regering van Assad?

Inclusief betekent zonder uitsluiting van bepaalde bevolkingsgroepen vanwege hun afkomst, etnische achtergrond of religie.

195

Wat heeft de regering gedaan om te toetsen of de groeperingen die steun ontvingen van het NLA-programma voldeden aan de criteria (zoals: humanitair oorlogsrecht naleven en niet samenwerken met extremisten)?

De naleving van de criteria werd getoetst door middel van directe contacten tussen de uitvoerende partij, de ontvangende groepen en het regionaal opererende Syrië-team, bestaande uit medewerkers van verschillende departementen. De monitoring was volgens het IOB-rapport adequaat, alhoewel risico’s niet konden worden uitgesloten.

196

Zijn er signalen bij de regering binnengekomen dat de groepen die steun ontvingen van het NLA-programma mogelijk niet zouden voldoen aan de criteria, wanneer zijn die signalen binnengekomen en wat is er toen met de signalen gebeurd?

Enkele NLA-ontvangers zijn beschuldigd van het overtreden van regels van het humanitair oorlogsrecht. Het regionaal opererende Syrië-team heeft dergelijke signalen opgenomen met de groepen wanneer die signalen binnenkwamen. Verschillende aantijgingen bleken niet altijd makkelijk verifieerbaar. Met de groepen werd gesproken over mensenrechten en enkele commandanten hebben mensenrechtentrainingen gevolgd. Dat kan excessen niet voorkomen. Wel is gepoogd met de groepen een pad in te slaan, samen met partners als het VK. Een meer gedetailleerd antwoord is opgenomen in de vertrouwelijke beantwoording.

197

Waarom steunde Nederland de Sultan Murat Brigade?

Het kabinet doet in het openbaar geen uitspraken over de groepen die al-dan-niet NLA-steun hebben ontvangen van Nederland. Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

198

Kende de regering de rapporten van mensenrechtenorganisaties over de situatie in Syrië?

Het kabinet is bekend met veel rapporten van mensenrechtenorganisaties over Syrie.

199

Klopt het dat de Sultan Murat Brigade banden met Al-Qaeda heeft?

Het kabinet beschikt niet over aanwijzingen dat de Sultan Murad Brigade momenteel banden met Al-Qaeda heeft. Het feit dat de aan Al-Qaeda gelieerde groepen zich in een ander gedeelte van Syrië bevinden dan de Sultan Murad Brigade en dat veel open bronnen van vijandigheid tussen Al-Qaeda en de Sultan Murad Brigade sinds de start van het Astana-proces spreken, zou erop kunnen wijzen dat er geen banden bestaan.

200

Klopt het dat de Sultan Murat Brigade kindsoldaten heeft ingezet in de strijd?

Het kabinet beschikt niet over bewijs dat de Sultan Murad Brigade kindsoldaten heeft ingezet bij gevechten. De Human Rights Council spreekt niet over de inzet in gewapende strijd, maar over rekrutering. Een meer gedetailleerd antwoord is opgenomen in de vertrouwelijke beantwoording.

201

Had de regering al voor het onderzoek van Nieuwsuur vermoedens dat de Sultan Murat Brigade banden met terroristische groeperingen had?

Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

202

Hoe kan het dat de regering in het kader van het NLA-programma steun verleende aan Jabhat al-Shamiya, terwijl het OM iemand vervolgt die heeft deelgenomen aan Jabhat al-Shamiya waarbij het OM zegt dat de groep «niet anders te kwalificeren valt dan een criminele organisatie met terroristisch oogmerk» en is de Minister van Buitenlandse Zaken dan niet medeplichtig aan het plegen van strafbare feiten?

Over het al-dan-niet steunen van groepen worden in het openbaar geen uitspraken gedaan. In algemene zin, en zoals op 14 september jl. met uw Kamer gedeeld, wordt vanuit verschillende kaders naar strijdende groeperingen gekeken en beoordeeld of een groepering als terroristisch dient te worden aangemerkt. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken kijkt primair naar internationale terrorismelijsten (VN en EU) voor de beoordeling van organisaties. Bij de beoordeling of iemand kan worden vervolgd voor deelneming aan een terroristische organisatie (artikel 140a Wetboek van Strafrecht) geldt een ander kader. Het Openbaar Ministerie legt gedragingen ten laste, in een omschreven periode en omschreven plaats. Van belang is voorts tot welke organisatie een verdachte behoorde. Als is vastgesteld tot welk onderdeel een verdachte behoorde, wordt aan de hand van de inhoud van het dossier en open bronnen getoetst of dát onderdeel van dié strijdende partij in dié periode was aan te merken als een organisatie met een terroristisch oogmerk. Het Openbaar Ministerie doet geen algemene uitspraken over strijdende groeperingen, ook omdat in het jihadistisch strijdgebied de samenstelling van de groepen snel veranderde en verandert. Welke organisaties door de VN, de EU of Nederland op een sanctielijst geplaatst zijn speelt bij de beoordeling door het Openbaar Ministerie geen rol.

203

Hoe verhoudt de «niet letale steun» aan Syrische rebellen zich met het EU Gemeenschappelijk standpunt inzake wapenleveranties? Heeft een dergelijke strikte toets aan de hand van de acht criteria plaatsgevonden door Buitenlandse Zaken? Zo ja, wat was de uitkomst? Zo nee, waarom niet? Kunt u daarbij ook ingaan op het «dual use» karakter van veel van de geleverde spullen, die civiel waren, maar tevens geschikt voor militair gebruik en daadwerkelijk militair gebruikt zijn?

Het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport heeft betrekking op de uitvoer van militaire goederen door EU-lidstaten en strekt zich ook uit tot dual-use goederen met militair eindgebruik. Nederland heeft geen goederen geleverd – militair dan wel dual-use – die bij de uitvoer onder een vergunningplicht vallen. In Zuid-Syrië droeg Nederland financieel bij aan een NLA-programma van een bondgenoot, het VK, die ook heeft aangegeven dat er geen goederen zijn geleverd die onder een vergunningplicht vallen. Niet alle goederen met een dual-use karakter die militair worden gebruikt, vallen onder vergunningplicht in het exportcontrolestelsel. Zie ook het antwoord op de vragen 216 en 378.

204

Gaat het OM nu de Minister van Buitenlandse Zaken vervolgen omdat hij steun heeft gegeven aan Jabhat al-Shamiya, dat volgens het OM «niet anders te kwalificeren valt dan als een criminele organisatie met terroristisch oogmerk»? Zo nee, waarom niet?

Over het al-dan-niet steunen van groepen worden in het openbaar geen uitspraken gedaan. Voor zover hier gedoeld wordt op de mogelijkheid een Minister te vervolgen wegens een eventueel ambtsmisdrijf, bepalen artikel 119 van de Grondwet en artikel 4 van de Wet ministeriële verantwoordelijkheid dat de opdracht tot vervolging alleen kan worden gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer. Een dergelijke beslissing is dus niet aan het OM.

Zoals reeds gesteld heeft het OM zich nooit in algemene zin uitgelaten over de strijdgroep Jabhat Al-Shamiya.

205

Wat zijn de (politieke en/of juridische) consequenties voor Nederland als blijkt dat Nederland steun heeft gegeven aan een terroristische groepering?

Een van de hoofddoelstellingen van het NLA-programma was tegenwicht te bieden tegen extremistische groeperingen. Geen van de door Nederland gesteunde gewapende groepen is terroristisch.

206

Heeft de steun van Nederland aan Jabhat al-Shamiya juridische gevolgen voor de mensen die door het OM worden/zijn vervolgd in verband met hun betrokkenheid bij aan Jabhat al-Shamiya? Zullen hun zaken herzien worden? Kan de regering de Tweede Kamer op de hoogte houden hierover?

Over het al-dan-niet steunen van groepen worden in het openbaar geen uitspraken gedaan. De Officier van Justitie maakt een eigenstandige afweging over de vervolging van uitreizigers naar jihadistisch strijdgebied of het seponeren daarvan. Deze afweging wordt niet beïnvloed door de steun van de regering aan strijdende groeperingen. Het uiteindelijke oordeel over de strafbaarheid is aan de rechter. Zie ook antwoord op vraag 28. Het kabinet kan de Kamer over het vervolg van deze zaak informeren na de uitspraak.

207

Op basis waarvan is het OM tot de conclusie gekomen dat Jabhat al-Shamiya «niet anders te kwalificeren valt dan een criminele organisatie met terroristisch oogmerk»

Zoals reeds gemeld in antwoord op vraag 104 is het van belang om op te merken dat het OM zich nooit in algemene zin heeft uitgelaten over de strijdgroep Jabhat Al-Shamiya. Het OM legt gedragingen ten laste, in een omschreven periode en omschreven plaats. Van belang is voorts tot welke organisatie een verdachte behoorde. Als is vastgesteld tot welk onderdeel een verdachte behoorde, wordt aan de hand van de inhoud van het dossier en open bronnen getoetst of dát onderdeel van dié strijdende partij in dié periode was aan te merken als een organisatie met een terroristisch oogmerk. Het OM doet geen algemene uitspraken over strijdende groeperingen, ook omdat in het jihadistisch strijdgebied de samenstelling van groepen snel veranderde en verandert. Welke organisaties door de VN, de EU of Nederland op een sanctielijst geplaatst zijn speelt bij de beoordeling door het Openbaar Ministerie geen rol.

208

Deelt u de mening dat het OM ook zou moeten vallen onder de «eenheid van Kabinetbeleid», en dat Nederlandse steun aan een groepering die het OM als terroristisch beoordeelt, in strijd met de eenheid van Kabinetsbeleid is?

Er bestaan verschillende kaders van waaruit naar strijdende groeperingen wordt gekeken en beoordeeld wordt of een groepering als terroristisch dient te worden aangemerkt. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken kijkt primair naar internationale terrorismelijsten (VN en EU) voor de beoordeling van organisaties. Bij de beoordeling of iemand kan worden vervolgd voor deelneming aan een terroristische organisatie (art. 140a Wetboek van Strafrecht) geldt een ander kader. Het Openbaar Ministerie legt gedragingen ten laste, in een omschreven periode en omschreven plaats. Van belang is voorts tot welke organisatie een verdachte behoorde. Als is vastgesteld tot welk onderdeel een verdachte behoorde, wordt aan de hand van de inhoud van het dossier en open bronnen getoetst of dát onderdeel van dié strijdende partij in dié periode was aan te merken als een organisatie met een terroristisch oogmerk. Het Openbaar Ministerie doet geen algemene uitspraken over strijdende groeperingen, ook omdat in het jihadistisch strijdgebied de samenstelling van de groepen snel veranderde en verandert. Welke organisaties door de VN, de EU of Nederland op een sanctielijst geplaatst zijn speelt bij de beoordeling door het Openbaar Ministerie geen rol.

209

Op welke manier kan de regering de steun aan organisaties die achteraf gezien niet aan de criteria voldeden, (financieel) terugvragen?

Nederland heeft niet-letale goederen geleverd aan de gewapende gematigde oppositie en de levering van deze goederen gemonitord. De spullen zijn ingezet in conflictgebied. Het kabinet kan deze goederen niet terugvorderen uit conflictgebied.

210

Heeft de regering naar aanleiding van het onderzoek van Nieuwsuur nog eens alle groeperingen aan wie middels het NLA-programma steun is verleend aan een screening onderworpen en is daaruit gebleken dat ook andere groeperingen dan de in de media genoemde banden met terroristen hadden of op andere wijzen niet aan de criteria voor steun voldeden, en zo ja om welke organisaties gaat het dan?

Op het moment dat Nieuwsuur zijn onderzoek publiceerde was het NLA-programma al enkele maanden geëindigd. De groeperingen zijn toen niet nog eens aan een screening onderworpen.

211

Welke definitie hanteert de regering voor «gematigde groeperingen in Syrië»?

De mate waarin een groep als gematigd werd gekwalificeerd werd onder meer bepaald door middel van toetsing aan de eerder genoemde criteria die golden voor het geven van NLA-steun aan bepaalde gematigde gewapende groepen. Zie ook het antwoord op vraag 22.

212

Welke specifieke apparatuur is er geleverd aan de gematigde rebellen en welk materieel is ook in de daadwerkelijke strijd gebruikt?

Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

213

Is het materieel dat Nederland aan de gematigde rebellen leverde, gebruikt tijdens het plegen van oorlogsmisdaden?

Het is niet mogelijk om een waterdicht monitoringssysteem in een conflictgebied op te zetten. Het is daarom niet volledig uit te sluiten dat bepaalde middelen, zoals voertuigen of communicatieapparatuur, door de gematigde gewapende groepen tijdens gevechten zijn ingezet. Middelen zoals brandblussers, voedselpakketten en medicijnen, kunnen niet offensief worden ingezet. Wel sterkten deze middelen de gematigde gewapende groepen, waardoor ze tegenwicht konden bieden tegen extremistische groepen en het regime.

214

Wat is de rol van Nederlandse diplomaten geweest bij de steun aan groepen via het NLA-programma en welke contacten hebben ze exact met de groeperingen gehad?

Nederlandse ambtenaren uit het Syrië-team, afkomstig van verschillende departementen, zijn betrokken geweest bij het onderhouden van contacten met de commandanten van gematigde groepen die NLA van Nederland ontvingen. Die contacten werden gebruikt om de commandanten te bevragen over de wijze waarop ze zich hielden aan de Nederlandse richtlijnen. Ook werd bij zulke gelegenheden vastgesteld welke behoefte aan steun er bestond.

215

Wat is de rol van Defensie geweest bij de steun aan groepen via het NLA-programma en welke contacten hebben ze exact met de groeperingen gehad?

De MIVD heeft op basis van zijn wettelijke taak en op verzoek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken regelmatig gerapporteerd over ontwikkelingen rond relevante strijdgroepen in Noord- en Zuid-Syrië. In deze rapportages is op verzoek van Buitenlandse Zaken een duiding gegeven van de signatuur van verschillende – reeds door anderen «gevette» – strijdgroepen. Er worden verder zoals gebruikelijk geen mededelingen gedaan over eventuele specifieke activiteiten van inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

216

Is voor de dual use goederen, zoals voertuigen, uniformen en communicatiemiddelen, die Nederland geleverd heeft aan de Syrische rebellen en daadwerkelijk militair gebruikt zijn, een wapenexportvergunning aangevraagd? Zo nee, waarom niet en had dit wel moeten gebeuren?

Nee. Nederland heeft geen goederen geleverd – militair dan wel dual-use – die bij de uitvoer onder een vergunningplicht vallen. In Zuid-Syrië droeg Nederland financieel bij aan een NLA-programma van een bondgenoot, het VK, die ook heeft aangegeven dat er geen goederen zijn geleverd die onder een vergunningplicht vallen.

217

Bent u bereid bij het grondige onderzoek naar de berichtgeving in Nieuwsuur en Trouw ook de (inter)departementale samenwerking te betrekken, alsmede de rol van de premier? Zo nee, waarom niet? (Brief Steun Syrische oppositie).

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft samen met andere departementen de berichtgeving van Nieuwsuur en Trouw tegen het licht gehouden en gelegd naast de beschikbare informatie. De uitkomsten zijn meegenomen in de (deels vertrouwelijke) beantwoording van de feitelijke vragen.

218

Wat is de rol van de veiligheidsdiensten geweest bij de steun aan groepen via het NLA-programma en welke contacten hebben ze exact met de groeperingen gehad?

Zie het antwoord op vraag 62.

219

Is de premier en/of de ministerraad betrokken geweest bij de besluitvorming over de niet letale steun aan Syrische rebellengroeperingen (Kamerstuk 27 925, nr. 534)? Zo nee, waarom niet?

Is de premier en/of de ministerraad betrokken geweest bij de besluitvorming om de niet letale steun aan Syrische rebellengroeperingen te intensiveren, zoals beschreven in het verslag aan van de Raad Buitenlandse Zaken van 16 november 2015 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1555)? Zo nee, waarom niet?

Naar aanleiding van de Fact Finding Missie naar de mogelijkheden om NLA in Syrië te leveren is op voorspraak van de toenmalig Minister van Buitenlandse Zaken in december 2014 in een overleg tussen de toenmalig premier, Vice-Minister-President en de Minister van Defensie besloten om NLA te gaan leveren. Bij besluitvorming van het kabinet inzake artikel 100-brieven over de strijd tegen ISIS, waarin telkens ook over NLA is geschreven, is de ministerraad betrokken. Zoals beschreven in het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van 16 november 2015 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1555), betrof het intensiveren van de niet-letale steun aan Syrische groeperingen ook een kabinetsbesluit.

220

Deelt Nederland verantwoordelijkheid, ook als Nederland zelf niet actief vecht, maar wel een ander in staat stelt om actief te vechten? Wat voor juridische verantwoordelijkheid is dat dan precies?

Het een ander in staat stellen te vechten leidt niet automatisch tot het delen van verantwoordelijkheid door Nederland voor door die ander gepleegde handelingen. Onder het staatsaansprakelijkheidsrecht, dat deel uitmaakt van het internationaal recht, kan een staat onder bepaalde strikte voorwaarden aansprakelijk zijn voor het steunen van een internationaalrechtelijk-onrechtmatige daad van een andere staat.

221

Is het niet merkwaardig dat Nederlandse diplomaten in de reportage van Nieuwsuur informeel met Syrische oppositiegroepen aan het «wheelen en dealen» zijn?

Voor de uitvoering van het NLA-programma heeft het Syrië-team in Istanbul nauw contact gehouden met de uitvoerders en met de commandanten van de groepen.

222

Wanneer heeft de regering exact besloten om met de steun aan de Syrische oppositiegroepen te stoppen en waarom heeft ze dat toen besloten?

Enerzijds, heeft de complexe (veiligheids)situatie op de grond en het verlies van grondgebied door de gematigde oppositiegroepen geleid tot de beëindiging van het NLA programma. Anderzijds, is het programma beëindigd vanwege de informatie als weergegeven in de vertrouwelijke brief van 23 januari jl. Kamerstuk 32 623, nr. 184). Hierdoor kwamen de oorspronkelijke doelen van het NLA-programma steeds meer onder druk te staan.

223

Was het onderzoek van Nieuwsuur en Trouw dat ter wederhoor aan de regering is voorgelegd, aanleiding om met de steun aan Syrische oppositiegroepen te stoppen of was die beslissing al eerder genomen?

De beslissing om het NLA programma te beëindigen was reeds genomen. Zie antwoord op vraag 111.

224

Waarom is ook besloten om de steun aan de Witte Helmen te stoppen?

De Nederlandse bijdrage aan de White Helmets loopt in ieder geval tot eind 2018. Gelet op de ontwikkelingen in Syrië en mogelijkheden voor de White Helmets om hun werk te blijven uitvoeren, en het belang dat de monitoringsmechanismen dienen te verbeteren is ligt er momenteel geen besluit voor vervolgfinanciering voor.

225

Was het onderzoek van Nieuwsuur en Trouw dat ter wederhoor aan de regering is voorgelegd, aanleiding om versneld een Kamerbrief te sturen waarin werd gemeld dat de steun aan Syrische oppositiegroepen wordt beëindigd?

Zie antwoord op vraag 223 en 111.

226

Wordt behalve in Syrië ook in andere landen door Nederland (non-letale) steun gegeven aan groeperingen die geweld gebruiken, zo ja welke landen zijn dat en hoe ziet de steun eruit?

Nederland geeft in een aantal landen steun aan reguliere strijdkrachten en veiligheidsdiensten. Deze steun vindt plaats op verzoek van en in overleg met de betreffende overheden. Deze programma’s beogen door capaciteitsopbouw bij te dragen aan een versterking en verzelfstandiging van het veiligheidsapparaat zodat het betreffende land ook op de lange termijn in staat is de veiligheid zelf te handhaven.

De Nederlandse steun aan veiligheidstroepen in Irak is hier een voorbeeld van. Deze steun maakt onderdeel uit van het train and equip programma van de Nederlandse trainers als onderdeel van de anti-ISIS coalitie in Irak. Deze steun vindt plaats op verzoek van en in overleg met de Iraakse overheid, ook waar het steun aan de Peshmerga betreft. Uw Kamer is hierover geïnformeerd via de art. 100 brief van 29 januari 2016 (Kamerstuk 279 25 nr. 570). In Afghanistan geeft Nederland jaarlijks een financiële bijdrage aan trustfunds (Afghanistan National Army Trustfund en Law and Order Trustfund Afghanistan) ter ondersteuning van het Afghaanse leger en politie. Uw Kamer is hierover geïnformeerd via de art. 100 brief van 15 juni jl. (Kamerstuk 279 25 nr. 630). In Afrika voorziet Nederland in een financiële bijdrage via de EU aan de G5-troepenmacht in de Sahel. Dit is op verzoek van de G5 en internationale partners zoals de VN en de EU. Uw Kamer is hierover geïnformeerd via het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van 11 december 2017 (Kamerstuk 21501 -02 nr. 1813 dd. 8 januari 2018). Tevens draagt Nederland bij aan het Amerikaanse African Contingency Operations Training & Assistance programma, onder meer in Niger, Burkina Faso en Oeganda. Uw Kamer is hierover onder andere geïnformeerd via de Kamerbrief over de evaluatie Nederlandse bijdrage aan missies en operaties in 2017 (Kamerstuk 29 521, nr. 361). Daarnaast draagt Nederland middels een bijdrage aan het Europese Ontwikkelingsfonds (EOF) ook bij aan de EU African Peace Facility, onder andere ten behoeve van het ondersteunen van vredesoperaties en capaciteitsopbouw in Afrikaanse landen. Zie ook antwoord op vraag 64 en 234.

227

Hoe is de relatie van de regering met de Syrisch-Koerdische YPG?

Het kabinet onderhoudt sporadisch contact op (laag) ambtelijk niveau met de Benelux vertegenwoordiging van de PYD/YPG. Er heeft tweemaal op (laag) ambtelijke niveau een overleg plaatsgevonden op het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Diplomaten in de regio hebben eveneens soms contact met de SDF in de regio.

228

Staat YPG op één of meerdere van de (internationale) terrorismelijsten, zo ja op welke en zo nee waarom niet?

De YPG staat niet op een terrorismelijst, omdat er geen internationale overeenstemming is over toevoeging van de YPG. De aan de YPG gelieerde PKK staat op de Europese terrorismelijst.

229

Is er door de regering (non-letale) steun geleverd aan de YPG?

Nee. Zie ook antwoord op vraag 2.

230

In hoeverre hebben door Nederland gesteunde Syrische rebellengroeperingen daadwerkelijk gevochten tegen ISIS?

Zowel in het Zuidwesten als in het Noordwesten van Syrië hebben de door Nederland gesteunde groepen een belangrijke rol gespeeld bij het bestrijden van ISIS. Een aantal groepen was betrokken bij het verdrijven van ISIS uit Idlib en West-Aleppo in 2014 en 2015 en een deel speelde een belangrijke rol bij de verdrijving van ISIS uit het noorden van de provincie Aleppo. De groepen die NLA ontvingen in het zuiden hebben vooral de lokale ISIS-tak Jaish Khaled Ibn al-Waleed (voorheen bekend onder de naam Shuhada al-Yarmouk) bestreden.

231

Staat de PKK op één of meerdere van de (internationale) terrorismelijsten, zo ja op welke en zo nee waarom niet?

De PKK staat op de EU lijst van terroristische organisaties.

232

Is er door de regering (non-letale) steun geleverd aan de PKK?

Nee.

233

Erkent de regering dat de YPG gelieerd is met de PKK, dat door Nederland zowel politiek als militair als een terroristische beweging wordt gezien?

Ja.

234

In welke landen heeft Nederland na het jaar 2000 (non-letale) steun gegeven aan groeperingen die geweld gebruiken?

Nederland heeft tussen 2000 en 2018 NLA-type steun gegeven in verschillende landen. Deze inzet was met name gericht op reguliere strijdkrachten en veiligheidsdiensten, zoals bijdragen in Afghanistan (Afghaanse leger en politie), Irak (Iraakse veiligheidsdiensten) en Libanon (Libanese leger).

Daarnaast heeft Nederland via financiële bijdragen aan bredere programma’s als de EU African Peace Facility en het Amerikaanse African Contingency Operations Training & Assistance programma ook voorzien in NLA-type steun, o.m. in Niger, Burkina Faso en Oeganda.

Zie ook antwoord op vraag 64 en 226.

235

Waarom heeft de regering de groepen die via het NLA-programma steun krijgen nooit bij naam willen noemen, en is – met de kennis van nu – het voor de democratische en media controle niet raadzaam om de groepen voortaan juist wel bij naam te noemen?

Het kabinet heeft er sinds de aanvang van het NLA programma in 2015 voor gekozen om de namen van de door Nederland gesteunde groepen en informatie over hun locaties, als staatsgeheim te kwalificeren omdat 1. mensenlevens op het spel stonden, 2. bondgenootschappelijke verplichtingen ons dat opleggen en 3. inlichtingendiensten betrokken waren. Ook nu het programma is beëindigd wordt informatie over namen en locaties van de groepen niet publiekelijk gedeeld. Waar bepaalde groepen zelf zeggen al-dan-niet steun te ontvangen te hebben van Nederland zijn die uitspraken voor hun eigen rekening.

236

In hoeverre hebben door Nederland gesteunde Syrische rebellengroeperingen daadwerkelijk gevochten tegen Jabhat al Nusra / HTS?

Alle door Nederland gesteunde groepen hebben gedurende de periode dat zij NLA ontvingen een slechte verstandhouding gehad met Jabhat al-Nusra/HTS. In sommige gevallen heeft dat tot gewapende confrontaties geleid. Een aanvulling op dit antwoord is te lezen in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

237

Wat is het beleid van Nederland op het gebied van «regime change»: is het legitiem om een leider van een ander land (soevereine staat) proberen af te zetten en in welke landen heeft Nederland sinds het jaar 2000 (non-letaal) meegeholpen om het regime weg te krijgen?

Het NLA-programma was niet gericht op «regime change» in Syrië, maar op het instandhouden van gematigde krachten die zich konden verweren tegen aanvallen van extremisten en het regime. Het kabinet is van mening dat uiteindelijk democratische verkiezingen tot het bestuur van een land moet leiden.

238

Schuilt achter eufemismen als «stabilisatieprogramma’s», «non-letale steun» en «gematigde groeperingen» niet een huiveringwekkende wereld van geweld, en is het eigenlijk wel te rechtvaardigen om in dit soort verkapte termen over oorlogsgeweld te praten?

Met het NLA-programma had het kabinet tot doel om een alternatief te bieden voor extremistische groeperingen en te voorkomen dat de gematigde oppositie in verdrukking zou raken tussen extremistische groeperingen en het Assad-regime. Hiermee werd zorg gedragen voor enige voet aan de grond voor de oppositie ter ondersteuning van het politiek proces. Daarnaast beoogde steun aan de gematigde gewapende oppositie gunstigere voorwaarden voor gematigd bestuur en stabiliteit in Syrië te creëren. Deze doelen zijn gedurende het NLA programma overeind gebleven.

239

Wanneer is iets staatsgeheim, wie bepaalt dat en is er een onafhankelijke instantie die kan controleren of iets terecht of onterecht als staatsgeheim wordt gekwalificeerd?

De regelgeving omtrent het rubriceren van bijzondere informatie is vastgelegd in het Besluit Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie 2013 (VIRBI 2013).

Het kabinet heeft er sinds de aanvang van het NLA programma in 2015 voor gekozen om de namen van de door Nederland gesteunde groepen en informatie over hun locaties, als staatsgeheim te kwalificeren omdat: 1. mensenlevens op het spel stonden, 2. bondgenootschappelijke verplichtingen ons dat oplossen en 3. inlichtingendiensten betrokken waren.

240

Deelt de regering de meningen van oud-Syriëgezant Nikolaos van Dam, dat je «beter niets kan doen, dan het verkeerde» en dat je «beter iets kan doen dan niets»?

De heer van Dam heeft zijn uitspraken op persoonlijke titel gedaan.

241

Deelt de regering de mening van oud-Syriëgezant Nikolaos van Dam dat er veel doden in Syrië voorkomen hadden kunnen worden (hij had het over 30.000 doden in plaats van 500.000 doden) en wat zijn daar dan de politieke en/of juridische consequenties van voor Nederland?

Het kabinet is van mening dat dergelijke «als-dan» inschattingen vooral geschikt zijn voor academisch debat.

242

Waarom heeft de heer Nikolaos van Dam gezegd dat er niet 500.000 maar 30.000 doden waren gevallen als de rebellen niet waren gesteund?

De heer Van Dam heeft zijn uitspraken op persoonlijke titel gedaan.

243

Spreekt en handelt Syriëgezant Nikolaos van Dam namens het Ministerie van Buitenlandse Zaken? Of spreekt Nikolaos van Dam namens zichzelf? Op welke momenten is wat het geval?

De heer Van Dam heeft in de mediaoptredens die hij heeft gedaan sinds de beëindiging van zijn functie louter op persoonlijke titel gesproken.

244

Hoe kan het dat Nikolaos van Dam steeds pleit voor een oplossing mét Assad maar tegelijkertijd wel groeperingen steunt die Assad willen uitschakelen? Op welk moment vertegenwoordigt hij hierin het Kabinet?

De heer Van Dam spreekt op persoonlijke titel. Het betreft hier dan ook een persoonlijke mening. De heer Van Dam vertegenwoordigt sinds de beëindiging van zijn dienstverband bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken niet langer dit departement. Zie antwoord op vraag 237.

245

Hoe gaat de regering voortaan verantwoording aan het parlement afleggen over speciale en geheime missies/operaties en hoe gaat ze daarbij het in maart 2018 door de Minister van Defensie uitgesproken voornemen gestand doen om «meer verantwoording af te leggen aan het parlement over speciale en geheime operaties»?

Zoals aan uw Kamer geïnformeerd in de brief van de Minister van Defensie van 27 maart 2018 gaan speciale operaties» over de inzet van daartoe specifiek aangewezen onderdelen van de krijgsmacht in complexe situaties en «geheime operaties» over het inzetten van personeel in het kader van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (WIV). Het NLA-programma valt hier niet onder. Over de verantwoording aan het parlement over speciale en geheime missies is uw Kamer in de hierboven genoemde brief geïnformeerd.

246

In de hoorzitting van de vaste commissie voor Defensie (13 september 2018) over Speciale Missies bracht de heer Bijkerk het fundamentele punt naar voren: «Waar eindigt de politieke sturing en waar begint de militaire expertise?» Kan de regering ingaan op hoe dit fundamentele punt speelt in de onderhavige situatie van de steun aan de gematigde krachten in Syrië?

Dit punt speelt niet in de onderhavige situatie. Het Ministerie van Defensie heeft aan geen enkele groepering in Syrië NLA geleverd. Het NLA-programma betreft geen speciale missie.

247

Klopt het dat de VS transparanter zijn dan Nederland over welke rebellengroeperingen zijn gesteund hebben? Waarom bent u niet bereid tot meer transparantie?

De VS heeft niet openbaar gemaakt welke oppositiegroepen werden gesteund. De informatie waaruit de identiteit of locatie van betrokken partijen kan worden afgeleid, wordt uit veiligheidsoverwegingen door de VS niet bekend gesteld.

248

Loopt de politieke besluitvorming niet per definitie achter bij oorlogssituaties of conflictsituaties die razendsnel kunnen veranderen en hoe kan dit in de toekomst beter gedaan worden?

Nederlandse bijdragen aan internationale crisisbeheersingsoperaties vinden bij voorkeur plaats in VN, EU, NAVO of coalitieverband. Elk verzoek hiertoe aan Nederland wordt door het kabinet op zijn eigen merites beoordeeld. De Kamer wordt over een besluit tot inzet, conform de artikel 100-procedure en op grond van het Toetsingskader, geïnformeerd. Deze procedure kan, indien de internationale context dit vereist, binnen zeer korte termijn worden doorlopen. Het kabinet hecht belang aan de notie dat de voorgenomen militaire inzet op breed draagvlak kan rekenen in de Tweede Kamer. Gedurende de uitvoering van een operatie vindt een constante monitoring en weging plaats. De Kamer wordt regelmatig geïnformeerd over de voortgang en de ontwikkelingen, bijvoorbeeld door voortgangsrapportages en de jaarlijkse tussentijdse evaluatie van lopende operaties. Ook bij verlenging of verkorting van de missieduur, wijziging van het mandaat of uitbreiding van het gebied waar Nederlandse eenheden actief zijn, wordt de Kamer geïnformeerd. Inzet van militaire of civiele middelen is overigens onderdeel van een breder instrumentarium waarvan Nederland zich kan bedienen in de politieke besluitvorming bij oorlogs- of conflictsituaties (bijvoorbeeld agendering in EU- of VN-kader of inzet van sancties).

249

Hoe verhoudt de informatieplicht aan het parlement zich tot de geheimhouding bij geheime militaire missies en operaties?

Uw Kamer is hierover geïnformeerd in de brief van de Minister van Defensie van 27 maart 2018 (BS2018005505).

250

Wanneer en hoe wordt bepaald of iets wel of niet een geheime operatie is?

Het als «geheim» aanmerken van een operatie is afhankelijk van de noodzaak om, in het kader van de staatsveiligheid, (elementen van) de operatie geheim te houden. De criteria voor het aanmerken van informatie als staatsgeheim staan onder andere genoemd in het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst – Bijzondere Informatie (VIR-BI). Aangezien het in redelijkheid al bij voorbaat valt in te schatten of er sprake zal zijn van een noodzaak tot geheimhouding, wordt normaliter al tijdens de planning bepaald of de operatie een geheime operatie is.

Het kabinet heeft er sinds de aanvang van het NLA programma in 2015 voor gekozen om de namen van de door Nederland gesteunde groepen en informatie over hun locaties, als staatsgeheim te kwalificeren omdat: 1. mensenlevens op het spel stonden, 2. bondgenootschappelijke verplichtingen ons dat oplegden en 3. inlichtingendiensten betrokken waren.

251

Waarom doet Nederland überhaupt mee aan speciale operaties? Zit daar een soort bewijsdrang achter (meespelen in de Champions League van het geweld)?

De term «speciale operaties» gaan over de inzet van daartoe specifiek aangewezen onderdelen van de krijgsmacht in complexe situaties. NLA was geen «speciale operatie».

252

Verlies je als politiek niet volledig de greep als je in zee gaat met lokale mensen, lokale milities, lokale bondgenoten en hun grotendeels jouw oorlog laat voeren?

Het NLA-programma was onderdeel van het brede Syrië-beleid van het kabinet met als doel de situatie in Syrië en de regio te de-escaleren en een politieke oplossing voor de Syrische burgeroorlog te bevorderen. Het uitvoeren van grote stabilisatieprogramma’s in conflictgebied is per definitie risicovol. Dit geldt in het bijzonder voor Syrië vanwege de complexe en fluïde situatie. Juist daarom zijn de risico’s voor de activiteiten in Syrië van tevoren in kaart gebracht en zorgvuldig afgewogen.

253

Hoe verhoudt de Nederlandse bijdrage aan de oorlogen in Afghanistan, Irak en nu Syrië zich tot ons imago als land van vrede en veiligheid?

Zoals vermeld in de Kamerbrief «Toekomstige Inspanningen in Missies en Operaties» die uw Kamer op 15 juni jl. (Kamerstukken 33 694, nr. 363) toeging, hecht het kabinet aan de rol van Nederland als betrouwbare partner en de Nederlandse fair share als het gaat om inzet van de krijgsmacht in militaire missies. In dat kader streeft Nederland naar een meer proportionele bijdrage aan de internationale inspanningen om dreigingen voor Europa en Nederland tegen te gaan en de internationale rechtsorde te versterken. Ook internationale partners doen dit beroep op Nederland. De ambitie om de internationale rechtsorde te versterken is tevens vastgelegd in artikel 90 van onze Grondwet en de Nederlandse inspanningen op dit vlak vloeien hier dan ook uit voort.

In de Geïntegreerde Buitenland- en Veiligheidstrategie (GBVS), de Defensienota en de beleidsnota Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, schetst het kabinet de strategische kaders van de internationale inzet voor de veiligheid van Nederland en de wereld. De inzet blijft zich primair richten op instabiele regio’s rondom Europa en met name daar waar Nederlandse veiligheid en belangen in het geding zijn. Waar mogelijk vindt de inzet plaats als onderdeel van een geïntegreerde inzet, waar ook een inclusief politiek proces en de aanpak van grondoorzaken van instabiliteit en conflict deel van uitmaken.

254

Is het woord «eigenstandig» een Nederlands woord dat in het woordenboek terug te vinden is?

Nee, niet in de woordenboeken die door BZ zijn geconsulteerd.

255

Waarom kan de voormalig Speciaal Gezant voor Syrië Van Dam wel enige openheid betrachten en uitleg geven in de media, ook over steun aan specifieke steun aan rebellengroeperingen, maar blijft de regering dit weigeren met een beroep op staatsgeheimen? Heeft de heer Van Dam staatsgeheimen onthuld?

De heer Van Dam spreekt op persoonlijke titel. Het betreft hier dan ook een persoonlijke mening. De heer Van Dam vertegenwoordigt sinds de beëindiging van zijn dienstverband bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken niet langer dit departement. Zie antwoord op vraag 237 en 244.

256

Is de Nederlandse steun aan Syrische oppositiegroepen afgestemd met bondgenoten als de VS en het VK?

Ja.

257

Kan Nederland aansprakelijk worden gesteld voor mensenrechtenschendingen door Syrische rebellengroeperingen die door Nederland gesteund werden? In hoeverre is Nederland volkenrechtelijk medeverantwoordelijk?

Onder het staatsaansprakelijkheidsrecht, dat deel uitmaakt van het internationaal recht, kan een staat onder bepaalde strikte voorwaarden aansprakelijk zijn voor het steunen van een internationaalrechtelijk-onrechtmatige daad van een andere staat. Het volkenrecht kent geen duidelijke regel die leidt tot medeplichtigheid van staten aan schendingen van internationaal recht door niet-statelijke actoren.

258

Klopt het dat een door Nederland gesteunde strijdgroep in de rapporten van de VN-onderzoekscommissie naar oorlogsmisdaden in Syrië is omschreven als een van de mensenrechtenschenders? Is het waar dat de Nederlandse VN-ambassadeur «precies» op de hoogte is geweest van deze rapporten, hierover twitterde, terwijl diezelfde strijdgroep op dat moment steun kreeg van Nederland? Zo ja, hoe beoordeelt u dit? («Nederland wist waar die goederen voor werden gebruikt», Trouw, 13 september 2018).

Het kabinet doet geen openbare uitspraken over groepen die al-dan-niet NLA-steun hebben ontvangen van Nederland. Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

259

In hoeverre was er afstemming en informatie-uitwisseling tussen de Nederlandse vertegenwoordiging bij de VN, het departement en het Syrië-team in Istanbul dat verantwoordelijk was voor de steunverlening aan de Syrische rebellen? Werden VN-rapporten waarin mensenrechtenschendingen door «gematigde» Syrische rebellen gemeld werden, gedeeld? Werden hier op enig moment conclusies aan verbonden, zoals verscherpte monitoring, opschorting of stopzetting van steun? Zo nee, waarom niet?

Het kabinet was verantwoordelijk voor het besluit het NLA programma op te zetten en uit te voeren op de wijze waarop dit is gebeurd. Er is brede informatie-uitwisseling tussen de Nederlandse vertegenwoordiging bij de VN, het departement en het Syrië-team in Istanbul via onder andere mailcontacten en het BZ-berichtenverkeer. Berichten over mogelijke schendingen van het humanitair oorlogsrecht of mensenrechten maakten deel uit van de vetting en van contacten met de groepen. Hier zijn in voorkomende gevallen inderdaad conclusies aan verbonden, zie ook TK 32 623, nr 184.

260

Is er op enigerlei moment afstemming of informatie-uitwisseling geweest tussen Buitenlandse Zaken en andere departementen, alsmede inlichtingendiensten en het Openbaar Ministerie over de door de Nederland gesteunde rebellengroepering Jabhat al-Shamiya?

Er is op 22 juni 2018 per e-mail door Parket Den Haag aan Buitenlandse Zaken verzocht om achtergrondinformatie in een strafzaak over een aantal Syrische oppositie/terreurgroepen, waaronder LEV. Dit verzoek kwam ruim na de periode dat het OM Jabat al-Shamiya in de dagvaarding had gezet. Daarop vond op 16 augustus jl. een informeel achtergrondgesprek plaats.

Zie ook antwoord vraag 62.

261

Heeft Buitenlandse Zaken eerder dan de onthullingen van Nieuwsuur en Trouw berichten gekregen over mensenrechtenschendingen door de door Nederland gesteunde rebellengroepering Jabhat al-Shamiya? Zo ja, wat is hiermee gebeurd? Zo nee, waarom niet?

Er worden in het openbaar geen uitspraken gedaan of groepen al-dan-niet steun van Nederland hebben ontvangen. Meer informatie naar aanleiding van deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

262

Hoe beoordeelt u de uitspraak van voormalig Special Gezant voor Syrië Koos van Dam dat hij contact had met de rebellengroepering Sultan Murad, terwijl de regering steun aan deze groepering als staatsgeheim beschouwd (https://www.bnr.nl/podcast/de-wereld/10354192/hoe-kregen-rebellengroepen-in-syrie-hulp-van-nederland)? Bent u bereid hierover alsnog openheid van zaken te geven?

Vanaf het begin van het programma in 2015 is informatie die herleidbaar is naar de ontvangers en locaties van NLA-steun aangemerkt als staatsgeheim. De heer van Dam sprak over zijn contacten met verschillende groepen in zijn positie als Syrië-gezant, niet over welke groepen NLA-steun ontvingen van Nederland.

263

Is er contact geweest tussen het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Openbaar Ministerie en/of de NCTV over het NLA-programma en de mogelijke gevolgen voor de vervolging van verdachten van en de bestrijding van terrorisme? Zo nee, waarom niet?

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft geen contact gezocht met het OM of de NCTV over het NLA-programma en de mogelijke gevolgen voor de vervolging van verdachten van en de bestrijding van terrorisme. Het OM heeft op 7 augustus jl. contact gezocht met het Ministerie van Buitenlandse Zaken over de vraag of bepaalde groepen behoorden tot de 22 groepen die steun ontvingen onder het NLA-programma, omdat het OM in een strafzaak werd geconfronteerd met de door de raadsman van de verdediging aangevoerde stelling dat het opmerkelijk was dat het Openbaar Ministerie zijn cliënt vervolgde voor deelneming aan een terroristische organisatie, terwijl deze zelfde organisatie mogelijk gesteund werd op grond van het NLA-programma. Daarom vroeg het OM na bij BZ of die organisatie tot die lijst behoorde.

264

Hoe beoordeelt de regering de opvatting van het Openbaar Ministerie dat de Syrische rebellengroepering Jabhat al-Shamiya «salafistisch en jihadistisch» is, «streeft naar de oprichting van een kalifaat» en «niet anders te kwalificeren» valt dan als een «criminele organisatie met terroristisch oogmerk» (https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2249806-nederland-steunde-terreurbeweging-in-syrie.html)? Klopt het dat het bovendien een strafzaak betreft tegen een Syriëganger betreffende de periode 2015? In hoeverre kan deze groepering als «gematigd» worden beschouwd, ook in de jaren daarna?

Zoals reeds gemeld in antwoord op de vragen 104 en 207 is het van belang om op te merken dat het OM zich nooit in algemene zin heeft uitgelaten over de strijdgroep Jabhat Al-Shamiya. Alleen in een concrete strafzaak – waar na de uitspraak hoger beroep is ingesteld – heeft het OM ter zitting een standpunt ingenomen over deze strijdgroep. Dit standpunt had betrekking op die specifieke strafzaak aan de hand van de specifieke omstandigheden in die zaak en met betrekking tot de periode eind 2014–midden 2015. Het past mij niet om uitspraken te doen over lopende strafzaken

265

Klopt het dat de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken op 29 januari 2016 stelde dat de rebellengroepering Ahrar al-Sham «geen radicale organisatie is, maar slechts een groepering met een sterk religieus karakter» («Hoe Nederland een terreurbeweging faciliteerde», Trouw, 11 september 2018)? Zo ja, waar was dit standpunt op gebaseerd en hoe verhoudt zich dit tot:

  • Het feit dat de beweging mede is opgericht door een prominent Al Qaeda lid

  • De beweging zelfmoordaanslagen pleegde

  • De jihadistische Taliban als voorbeeld beschouwt

  • Mensenrechten schond volgens mensenrechtenorganisaties

  • Het standpunt van het OM dat de Ahrar al-Sham een terreurorganisatie is

  • De vervolging van Nederlandse Syriëgangers wegens deelname aan deze organisatie?

Op 29 januari 2016 heeft de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken gezegd dat de kwalificatie radicaal jihadistisch niet op gaat voor de groepen die in Riyad aanwezig waren, maar dat van Ahrar al-Sham gesteld kan worden dat het een sterk religieus karakter heeft. Ahrar al Sham heeft een duidelijke jihadistische en salafistische achtergrond, en wordt ook gezien als een voormalig samenwerkingspartner van terroristische en jihadistische groepen als al-Nusra. Tegelijkertijd heeft Ahrar al Sham zich in 2015 gecommitteerd aan de zogenaamde Riyadh-verklaring, waarmee de gematigde oppositiekoepel van het High Negotiating Committee (HNC) werd opgericht. In de slotverklaring van Riyadh wordt duidelijk aangegeven dat de aanwezigen zich verplichten tot het streven naar een civiele Syrische staat, respect voor mensenrechten en democratische beginselen.

Het OM doet geen algemene uitspraken over strijdende groeperingen, ook omdat in het jihadistisch strijdgebied de samenstelling van de groepen snel veranderde en verandert. Het OM kijkt in elke strafzaak naar de specifieke omstandigheden van die zaak en de specifieke periode waarin die zaak gespeeld heeft. In algemene zin is het daarom – uitzonderingen als bijvoorbeeld IS en Al-Qaeda daargelaten – onmogelijk om iets te zeggen over strijdende groeperingen. Van belang is tot welk onderdeel een verdachte behoorde en in welke periode.

266

Op welk moment is de lijst van 22 te ondersteunen groepen tot stand gekomen? Zijn er groepen in de loopbaan de tijd toegevoegd of afgevallen? Wanneer is dit gebeurd?

De lijst van 22 groepen is gedurende de loop van het programma tot stand gekomen en de samenstelling van de lijst veranderde. Eén van de redenen voor wijzigingen in de lijst was bijvoorbeeld het verlies van relevantie van één van de gematigde gewapende groepen. Intensivering van het programma in 2016 (artikel 100 brief) heeft geleid tot uitbreiding van de lijst. Uit veiligheidsoverwegingen doet het kabinet geen uitspraken over de groepen die NLA hebben ontvangen van Nederland. Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

267

Wanneer was uw ministerie bekend met het Rapport van Amnesty International «Torture was my punishment» (Uitgegeven op 7 maart 2016)? Wat heeft uw ministerie met dit rapport gedaan? Is er in het ministerie overwogen om naar aanleiding van dit rapport steun aan rebellen te stoppen? Waarom niet?

Het rapport was bekend. Het kabinet doet in het openbaar geen uitspraken over de groepen die NLA-steun hebben ontvangen van Nederland. Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

268

Is uw ministerie bekend met het Rapport van Amnesty International «Syria: Armed oppsition groups committing warcrimes in Aleppo» (Uitgegeven op 13 mei 2016)? Wat heeft u ministerie met dit rapport gedaan? Is er in het ministerie overwogen om naar aanleiding van dit rapport steun aan rebellen te stoppen? Waarom niet?

Het rapport was bekend. Het kabinet doet in het openbaar geen uitspraken over de groepen die NLA-steun hebben ontvangen van Nederland. Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

269

Nederland heeft zich ingezet in de VN Mensenrechtenraad. Wat is de doelstelling van de VN Mensenrechtenraad?

De VN Mensenrechtenraad is een intergouvernementeel orgaan binnen de Verenigde Naties en heeft als doelstelling de bevordering en bescherming van mensenrechten wereldwijd. In de VN Mensenrechtenraad worden mensenrechtenschendingen aan de orde gesteld en worden mandaten ingesteld voor het rapporteren over mensenrechtensituaties in landen en over thematische onderwerpen. In de Mensenrechtenraad worden tevens aanbevelingen gedaan over de wijze waarop mensenrechten in een land kunnen worden verbeterd.

270

Staat het ministerie nog steeds achter de uitspraak van de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken van 26 oktober 2014 over het toetreden tot de Mensenrechtenraad: «Dit onderstreept het belang dat Nederland hecht aan mensenrechten, overal ter wereld.»?

Ja.

271

Hield Nederland zich bezig met Mensenrechtenschendingen in Syrie als lid van de Mensenrechtenraad?

Ja. Nederland heeft onderhandeld over de resoluties met betrekking tot mensenrechtensituatie in Syrië. Daarnaast heeft Nederland de situatie in Syrië in verklaringen onder de aandacht gebracht. Nederland deed dit op zowel nationale titel als in EU-verband, onder het agendapunt 4 en in interactieve dialogen met de Commission of Inquiry onder agendapunt 10. Ook heeft Nederland zich ingezet voor de oprichting van het International Impartial and Independent Mechanism dat straffeloosheid moet tegengaan.

272

Ligt het in de rede dat het ministerie als lid van de VN Mensenrechtenraad ook kennis had van de VN Rapporten over mensenrechtenschendingen in Syrië?

Ja.

273

Hebben alle mensen die de externe evaluatie uitgevoerd hebben een geheimhoudingsverklaring getekend voordat zij inzage kregen in staatsgeheimen?

Ja, dit is het geval.

274

Zijn bij de grondige en voortdurende «vetting» en monitoring procedures nooit signalen van mensenrechtenschendingen door de door Nederland gesteunde groeperingen naar voren gekomen?

Bij de vetting werd gekeken naar banden met terrorisme en mensenrechtenschendingen. Enkele NLA-ontvangers zijn, nadat zij steun ontvingen, beschuldigd van het overtreden van regels van het humanitair oorlogsrecht. Het Syrië-team heeft dergelijke signalen opgenomen met de groepen wanneer die signalen binnenkwamen. Verschillende aantijgingen bleken niet altijd makkelijk verifieerbaar. Met de groepen werd gesproken over mensenrechten en enkele commandanten hebben mensenrechtentrainingen gevolgd. Dat kan excessen niet voorkomen. Wel is gepoogd met de groepen een pad in te slaan, samen met partners als het VK. Een meer gedetailleerd antwoord is opgenomen in de vertrouwelijke beantwoording.

275

Was het rapport van de independent International Commission of Inquieries on the Syrian Arab Republic (IICIS) van 11 augustus 2016 (A/HRC/33/5) bekend bij het ministerie? In hoeverre is dit rapport van invloed geweest op de afweging van de toenmalige Minister van Buitenlandse Zakenminster om de rebellen te steunen? Zijn naar aanleiding van dit rapport groepen op de lijst van 22 gezet of er vanaf gehaald? Om welke groepen gaat het in dat geval?

Ja. Het rapport is, net als andere rapporten van bijvoorbeeld Amnesty International, meegewogen in de besluitvorming. Meer informatie over de gesteunde gematigde gewapende groepen is te lezen in het vertrouwelijk deel van de beantwoording.

276

Was het rapport van de IICIS gedistribueerd op 2 februari 2017 (A/HRC/34/64)bekend bij het ministerie? In hoeverre is dit rapport van invloed geweest op de afweging van de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken om de rebellen te steunen? Zijn naar aanleiding van dit rapport groepen op de lijst van 22 gezet of er vanaf gehaald? Om welke groepen gaat het in dat geval?

Ja. Het rapport is, net als andere rapporten van bijvoorbeeld Amnesty International, meegewogen in de besluitvorming. Zie ook antwoord 281. Meer informatie over de gesteunde gematigde gewapende groepen is te lezen in het vertrouwelijk deel van de beantwoording.

277

Was het rapport van IICIS 12 februari 2014 (A/HRC/25/65) bekend bij het ministerie? In hoeverre is dit rapport van invloed geweest op de afweging van de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken om de rebellen te steunen? Zijn naar aanleiding van dit rapport groepen op de lijst van 22 gezet of er vanaf gehaald? Om welke groepen gaat het in dat geval?

Ja. Het rapport is, net als andere rapporten van bijvoorbeeld Amnesty International, meegewogen in de besluitvorming. Meer informatie over de gesteunde gematigde gewapende groepen is te lezen in het vertrouwelijk deel van de beantwoording.

278

Klopt het dat Amnesty heeft gerapporteerd dat de Sultan Murad Brigade en andere rebellen groepen bij aanvallen 83 burgers onder wie 30 kinderen hebben gedood? Was dit bekend bij het ministerie? Welke gevolgen zijn daar aan gegeven?

Het klopt dat Amnesty een aanval heeft gemeld waarbij burgers en kinderen om het leven zijn gekomen en dat daarbij meerdere rebellengroepen betrokken waren. Aanvallen die worden toegeschreven aan één groep van een los samenhangend verband, zoals destijds Fateh Halep, kunnen echter niet zonder meer aan alle afzonderlijke leden worden toegeschreven. Uit bronnen is gebleken dat andere groepen verantwoordelijk waren voor beschietingen op Aleppo (Sheikh Maqsood), waarbij tientallen slachtoffers vielen. De vermeende daders zouden door andere leden van Fateh Halep hierop aangesproken zijn. Over welke groepen NLA ontvingen doet het kabinet in het openbaar geen uitspraken.

279

Kunt u het verslag van de fact finding-missie uit december 2014 aan de Kamer doen toekomen en aangeven welke de wenselijkheid, mogelijkheid en randvoorwaarden waren die ik kaart gebracht zijn?

De terugkoppeling van de fact finding-missie, met deelname van ambtenaren van BZ en Defensie, uit december 2014 is vertrouwelijk met de Kamer gedeeld.

280

Kwalificeert u een strijdgroep die de bewegingsvrijheid van burgers beperkt, gebruik maakt van menselijke schilden, civiele gebouwen gebruikt voor militaire doeleinden, en burgers constante angst voor vergelding aanjaagt als een strijdgroep die mensenrechten schendt, danwel het humanitair oorlogsrecht overtreedt?

Ja.

281

Klopt het dat ook de VN-Mensenrechtenraad verontrustend rapporteert over de Sultan Murad Brigade? Op welke manier heeft deze informatie een weg gevonden in het «vetting» en monitoring proces?

Het klopt dat Commission of Inquiry in twee rapporten over de Sultan Murad Brigade heeft gerapporteerd. Aanvallen die worden toegeschreven aan één groep van een los samenhangend verband, zoals destijds Fateh Halep, kunnen echter niet zonder meer aan alle afzonderlijke leden worden toegeschreven. Uit bronnen is gebleken dat andere groepen verantwoordelijk waren voor beschietingen op Aleppo (Sheikh Maqsood), waarbij tientallen slachtoffers vielen. De vermeende daders zouden door andere leden van Fateh Halep hierop aangesproken zijn. Over welke groepen NLA ontvingen doet het kabinet in het openbaar geen uitspraken.

282

Wat verstaat het kabinet onder het naleven van het humanitair oorlogsrecht? Valt het inzetten van kindsoldaten in conflictgebieden onder het schenden van het humanitair oorlogsrecht, danwel het schenden van mensenrechten? Valt het standrechtelijk executeren van gevangen zonder proces onder het schenden van het humanitair oorlogsrecht, danwel het schenden van mensenrechten? Valt ongericht bestoken van woonwijken met mortieren onder het schenden van het humanitair oorlogsrecht, danwel het schenden van mensenrechten?

Bovengenoemde zaken betreffen schendingen van het humanitair oorlogsrecht. Eén van de criteria voor het verlenen van NLA aan een specifieke groep was dat deze gecommitteerd was aan de naleving van het humanitair oorlogsrecht. Een dergelijke committering kan niet zonder meer voorkomen dat leden van een groep schendingen van het humanitair oorlogsrecht begaan. Meldingen van schendingen van het humanitair oorlogsrecht door leden van de door Nederland gesteunde groepen zijn opgevolgd in gesprekken met commandanten van de betreffende gematigde gewapende groepen.

283

Herinnert u zich de uitspraak van de toenmalig Minister van Buitenlandse Zaken op 7 juli 2016: «Terecht dat Amnesty daar nu aandacht voor vraagt, want je kunt altijd wel zeggen dat het nu even niet handig uitkomt. Mensenrechtenschendingen zijn mensenrechtenschendingen.» Staat u nog achter die uitspraak? Hoe kunt u de uitspraak van toenmalig Minister van Buitenlandse Zaken op 7 juli 2016 rijmen met zijn steun aan de gewapende rebellen? Hoe rijmt u dit met een Minister die zitting had in de Mensenrechtenraad, waar de rapporten behandeld werden, waarin stond dat de rebellen (ook een aantal van de 22) mensenrechtenschendingen pleegden?

De gewapende gematigde groepen waaraan Nederland NLA waren vooraf gevet en leveringen en het gebruik van de goederen werd gemonitord. Over de identiteit van de door Nederland gesteunde groepen worden in het openbaar geen uitspraken gedaan. Meer informatie over de groepen is te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

284

Typeert u Ahrar Al Sham als een gematigde groepering. Is het een extremistische groepering?

Ahrar al Sham heeft een duidelijke jihadistische en salafistische achtergrond, en wordt ook gezien als een voormalig samenwerkingspartner van terroristische en jihadistische groepen als al-Nusra. Tegelijkertijd heeft Ahrar al Sham zich in 2015 gecommitteerd aan de zogenaamde Riyadh-verklaring, waarmee de gematigde oppositiekoepel van het High Negotiating Committee (HNC) werd opgericht. In de slotverklaring van Riyadh wordt duidelijk aangegeven dat de aanwezigen zich verplichten tot het streven naar een civiele Syrische staat, respect voor mensenrechten en democratische beginselen. Zie ook antwoord op vraag 265.

285

Kunt u (al dan niet geanonimiseerd) op basis van het voortdurende monitoring proces aangeven per groepering hoe de geleverde steun is ingezet door de betreffende groepering?

De IOB concludeert in het recent uitgevoerde onderzoek «Review of the monitoring systems of three projects in Syria» (augustus 2018) dat de monitoring van het NLA programma adequaat was. Er is gedurende de gehele duur van het project gemonitord, maar volledige, constante monitoring is in een oorlogsgebied niet mogelijk, onder andere vanwege gevechten in de gebieden waar de groepen actief waren. De monitoringsrapporten van de uitvoerder zijn vertrouwelijk met de Tweede Kamer gedeeld.

Meer informatie over de groepen is te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

286

Kunt u een lijst geven van alle gematigde rebellengroepen in Syrië?

Er zijn honderden rebellengroepen actief in Syrië. Het kabinet beschikt niet over een lijst met al deze groepen en heeft dan ook geen lijst van alle groepen die als gematigd te kwalificeren zijn.

287

Zijn er voertuigen geleverd door Nederland of andere «non-lethal assistance» door Nederland gebruikt bij de aanval op Afrin?

Het kabinet kan niet uitsluiten dat door Nederland of bondgenoten geleverde «non lethal assistance» is ingezet in Afrin.

288

Wat is de definitie van een «gematigde gewapende strijdgroep»? Geldt een strijdgroep die shariarechtbanken runt, en waar de doodstraf staat op afvalligheid, als gematigd?

De mate waarin een groep als gematigd werd gekwalificeerd werd onder meer bepaald door middel van toetsing aan de eerder genoemde criteria. Zie ook het antwoord op vraag 22.

289

Kent u de Sultan Murad-brigade? Is dit een gematigde groep? Wanneer vond uw ministerie deze groep gematigd en wanneer niet?

De Sultan Murad Brigade heeft voor zover bekend een inclusieve politieke oplossing nagestreefd. De groep werd vertegenwoordigd in Geneve-besprekingen en het Astana-proces. Ook heeft de groep een aanzienlijk aandeel in de strijd tegen ISIS geleverd. Ten tijde van deelname aan het Afrin-offensief die in januari 2018 aanving, is Sultan Murad Brigade beschuldigd van serieuze mensenrechtenschendingen. Zie ook het antwoord op vragen 278 en 281.

290

Kunt u zeggen welke groepen onder de militaire koepel Fatah Halab vallen?

Volgens de informatie waar het kabinet over beschikt vervult Fatah Halab momenteel geen relevante rol. Het is onduidelijk hoe actief de koepel nog is en welke groepen momenteel onder de koepel vallen.

291

Kunt u zeggen welke groepen onder Ansar Al Sharia vallen? Kunt u via uw monitoringssysteem aangeven op welke moment welke groepen onder deze koepel vielen?

Voor zover bekend bij het Kabinet is Ansar al-Sharia begin 2016 opgehouden te bestaan.

Een aanvulling op dit antwoord is te lezen in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

292

Is er overleg en/of contact geweest met het Openbaar Ministerie over welke groepen het Nederlandse OM als terroristisch beschouwt?

Zie het antwoord op vraag 263. Het OM heeft op 7 augustus jl. contact gezocht met het Ministerie van Buitenlandse Zaken over de vraag of bepaalde groepen behoorden tot de 22 groepen die steun ontvingen onder het NLA-programma, omdat het OM in een strafzaak werd geconfronteerd met de door de raadsman van de verdediging aangevoerde stelling dat het opmerkelijk was dat het Openbaar Ministerie zijn cliënt vervolgde voor deelneming aan een terroristische organisatie, terwijl deze zelfde organisatie mogelijk gesteund werd op grond van het NLA-programma. Daarom vroeg het OM na bij BZ of die organisatie tot die lijst behoorde.

293

Hoe vaak is er contact geweest tussen President Obama en Premier Rutte over Nederlandse steun aan Syrische rebellen?

Er is geen contact geweest tussen President Obama en Premier Rutte over dit onderwerp.

294

Indien het Nederlandse OM een groep als terroristisch beschouwt, is dat dan voldoende aanleiding om hulp aan die groep stop te zetten?

Het OM doet geen algemene uitspraken over strijdende groeperingen. Alleen al daarom kan een beslissing om hulp aan die groep stop te zetten daar niet op gebaseerd worden.

Er bestaan verschillende kaders van waaruit naar strijdende groeperingen wordt gekeken en beoordeeld wordt of een groepering als terroristisch dient te worden aangemerkt. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken kijkt primair naar internationale terrorismelijsten (VN en EU) voor de beoordeling van organisaties. Bij de beoordeling of iemand kan worden vervolgd voor deelneming aan een terroristische organisatie geldt een ander kader.

295

Heeft de Minister zich bij de voortdurende beoordeling van de gesteunde groeperingen alleen op de eigen Nederlandse monitoring gebaseerd of ook op informatie van bijvoorbeeld Amnesty en de VN-Mensenrechtenraad?

Bij de monitoring zijn veel bronnen gebruikt, zowel door de uitvoerders als door Nederland zelf. Daarbij werd ook informatie van Amnesty en de VN-Mensenrechtenraad betrokken.

296

Hoe vaak is er contact geweest tussen het Amerikaanse Witte Huis en het Nederlandse Ministerie van Algemene Zaken over Nederlandse steun aan rebellen in Syrië?

Er is geen contact geweest tussen het Amerikaanse Witte Huis en het Nederlandse Ministerie van Algemene Zaken over dit onderwerp.

297

Is er, nadat een groep op de lijst kwam, ook continu gemonitord op basis van publiek beschikbare informatie (zoals rapporten van Amnesty, HRW en anderen) of groepen geen oorlogsmisdaden begingen?

Publieke informatie, zoals rapporten van mensenrechtenorganisaties, is meegenomen bij de monitoring van de gewapende gematigde groepen.

298

Wanneer vernam Premier Rutte voor het eerst van de wens tot Nederlandse steun aan Syrische rebellen?

Naar aanleiding van de Fact Finding Missie naar de mogelijkheden om NLA in Syrië te leveren is, op voorspraak van de toenmalig Minister van Buitenlandse Zaken, in december 2014 in een overleg tussen de toenmalig premier, Vice-Minister-President en de Minister van Defensie gesproken over het leveren van NLA. Bij besluitvorming van het kabinet inzake artikel 100-brieven over de strijd tegen ISIS is de ministerraad betrokken. Zoals beschreven in het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van 16 november 2015 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1555), betrof het intensiveren van de niet-letale steun aan Syrische groeperingen ook een kabinetsbesluit.

299

Is de steun aan Syrische rebellen een ambitie vanuit Algemene Zaken geweest die is uitgezet via Buitenlandse Zaken?

Nee.

300

Op welk momenten zijn er overleggen geweest met de Minister President over het NLA programma?

Naar aanleiding van de Fact Finding Missie naar de mogelijkheden om NLA in Syrië te leveren is op voorspraak van de toenmalig Minister van Buitenlandse Zaken in december 2014 in een overleg tussen de toenmalig premier, Vice-Minister-President en de Minister van Defensie gesproken over het leveren van NLA. Bij besluitvorming van het kabinet inzake artikel 100-brieven over de strijd tegen ISIS is de ministerraad betrokken. Zoals beschreven in het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van 16 november 2015 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1555), betrof het intensiveren van de niet-letale steun aan Syrische groeperingen ook een kabinetsbesluit.

301

Is de steun aan Syrische rebellen een ambitie geweest van Buitenlandse Zaken? Wanneer heeft BuZa deze ambitie gedeeld met Algemene Zaken?

De mogelijkheid om NLA-steun aan de Syrische gematigde gewapende oppositie te geven kwam aan de orde tijdens het algemeen overleg over Kobane van 9 oktober 2014. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft toen aangegeven bereid te zijn de mogelijkheden hiertoe via fact finding te onderzoeken. In de brief van 15 december 2014 (reactie over Nederlandse inzet in de strijd tegen ISIS en voortgangsrapportage militaire bijdrage) heeft het kabinet voor het eerst aangegeven dat Nederland opties zal uitwerken voor het leveren van een bijdrage, niet zijnde wapens, aan groepen die onder de banier van het Vrije Syrische Leger vallen. Zie ook antwoord op vraag 303.

302

Is het kabinet geïnformeerd over het advies van de volkenrechtelijk adviseur uit 2013, toen het besloot om in te stemmen met het NLA-programma?

Het kabinet was bekend met het EVA advies «Wapenleveranties Syrië» bij het verschijnen hiervan in 2013.

303

Op welke momenten is de Nederlandse steun aan Syrische rebellen in het kabinet besproken?

Naar aanleiding van de Fact Finding Missie naar de mogelijkheden om NLA in Syrië te leveren is op voorspraak van de toenmalig Minister van Buitenlandse Zaken in december 2014 in een overleg tussen de toenmalig premier, Vice-Minister-President en de Minister van Defensie gesproken over het leveren van NLA. Bij besluitvorming van het kabinet inzake artikel 100-brieven over de strijd tegen ISIS is de ministerraad betrokken. Zoals beschreven in het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van 16 november 2015 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1555), betrof het intensiveren van de niet-letale steun aan Syrische groeperingen ook een kabinetsbesluit.

304

Op welke datum heeft de laatste leverantie onder het NLA-programma plaatsgevonden?

7 april 2018.

305

Was de door Nieuwsuur en Trouw gemelde samenwerking tussen door Nederland gesteunde groeperingen en extremistische groepen niet bekend bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken?

Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

306

Heeft Nederland Syrische rebellengroeperingen gesteund die gelieerd zijn aan Turkije? Zo ja, waarom?

Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

307

Tot welk moment is er NLA steun verleend in de provincie Idlib?

De laatste levering voor Idlib is uitgevoerd op 31 januari 2018.

308

Welke anderen landen hebben volgens uw informatie of openbare bronnen soortgelijke programma's ontplooid? Kunt u daarbij differentiëren in schaal en aard (lethaal/non-lethaal)?

Voor zover het kabinet bekend hebben de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland en Turkije non lethal assistance geleverd aan groepen in Syrië.

309

Welke plaats nam stabiliteitshulp in de geïntegreerde 3D benadering? In hoeverre hielp de NLA de relatieve veiligheid van burgers, de toegang tot humanitaire hulp, en het in standhouden van een pril politiek proces; kunt u op elk van deze punten uitweiden en waar mogelijk resultaten benoemen?

Nederland voerde een breed Syrië-beleid op vijf sporen: militair, politiek, humanitair, stabilisatie en accountability. De activiteiten op deze vijf sporen vormde het geïntegreerde Syrië-beleid van het kabinet. In artikel 100-brieven is de Tweede Kamer over dit brede, geïntegreerde beleid geïnformeerd (Kamerstuk 27 925, nr. 570, Kamerstuk 27 925, nr. 597, Kamerstuk 27 925, nr. 612). De resultaten van het NLA-programma zijn terug te lezen in de antwoorden op onder anderen de vragen 58, 82, 108, 110 en 182.

310

Hadden deze resultaten ooit geboekt kunnen worden zonder (politieke) risico’s? Kunt u dit nader aangeven in het licht van de huidige discussie over eventueel weglekken van deze steun?

Het uitvoeren van grote stabilisatieprojecten in conflictgebied is per definitie risicovol. Dit geldt in het bijzonder voor Syrië vanwege de complexe en fluïde situatie. Juist daarom zijn de risico’s voor de activiteiten in Syrië van tevoren in kaart gebracht en afgewogen. Om deze risico’s zoveel als mogelijk in te perken werd samengewerkt met bondgenoten en organisaties die een zo goed mogelijk beeld hadden van de situatie in het veld.

311

Waarom was het kabinet tegen een humanitaire interventie zoals ook is voorgesteld door Tweede Kamerlid Buma? Welke risico’s waren daar dan aan verbonden? Met welke groepen had dan op de grond moeten worden samengewerkt?

In het debat over de artikel 100 brief deelneming aan de internationale strijd tegen ISIS op 2 oktober 2014, dat plaatsvond tijdens de strijd om Kobani, heeft het Kamerlid Van Haersma Buma een motie ingediend waarin werd verwezen naar de Responsibility to Protect. In deze motie werd de regering verzocht politieke steun uit te spreken voor de bestrijding van ISIS in Syrië en de bereidheid te tonen daaraan ook militair bij te dragen (Kamerstuk 27 925, nr. 509). In hetzelfde debat verwees hetzelfde Kamerlid naar het begrip humanitaire interventie, en stelde hij dat aan de voorwaarden daarvoor was voldaan en dat Nederland daaraan mee zou moeten doen (Handelingen II 2014/15, nr. 9, item 9)

De Minister-President gaf in reactie hierop aan dat voor Nederland een volkenrechtelijke grondslag noodzakelijk was voor militair ingrijpen. De positie van het kabinet over een mogelijke humanitaire interventie in Kobani is onder anderen toegelicht in de kamerbrief van 8 oktober 2014 (Kamerstuk 27 925, nr. 521).

In Syrië woedt een complex conflict. Het sturen van grondtroepen door buitenlandse mogendheden naar Syrië droeg het risico in zich dat de regionale en internationale spanningen verder zouden toenemen. Confrontatie tussen buitenlandse mogendheden kon leiden tot verdere escalatie. Daarnaast was de situatie op de grond fluïde met een veelheid aan lokale actoren.

312

Wat waren de risico’s van lethale hulp aan de YPG zoals die in de Tweede Kamer door sommige leden werd voorgesteld? Waarom is in het kader van NLA gekozen voor non-lethale hulp?

Er zijn verschillende rapporten verschenen over mensenrechtenschendingen gepleegd door de YPG. Bovendien is de YPG gelieerd aan de PKK, een organisatie die op de Europese terrorismelijst staat. Tevens onderhoudt de YPG banden met het regime en vecht tegen gematigde groepen om het streven naar een autonoom gebied te verwezenlijken. In algemene zin is gekozen voor het leveren van non-lethal assistance vanwege internationaal juridische kaders, bijvoorbeeld het non-interventiebeginsel.

Toenmalig Minister Koenders zei op 10 februari 2016 in de Kamer: «Wel kleeft er een aantal bezwaren aan eventuele levering van steun aan de Syrian Democratic Forces. Zoals de Kamer weet is de dominante partij binnen de Syrian Democratic Forces de PYD en haar militie, de YPG. Die heeft een afwijkende politieke agenda, met name gericht op autonomie, onderhoudt banden met de PKK en het regime Assad, en maakt zich volgens Amnesty International schuldig aan mensenrechtenschendingen tegen soennitisch-Arabische en Turkmeense bevolkingsgroepen. Ik hoef de Kamer ook niet uit te leggen dat er veel haken en ogen zitten aan het direct dan wel indirect steunen van aan de PKK gelieerde groepen. Daardoor is het nog maar de vraag of zo’n steun effectief is om het doel te bereiken dat wij willen bereiken».

313

Hoe past het NLA in een samenhangend pakket van maatregelen in het kader van het kabinetsbeleid ten aanzien van Syrië? Op welke wijze is dit ook tot uiting gekomen in art.100 brieven van het kabinet?

Zie antwoord op vraag 309.

314

Hoe waardeert u de respectievelijke kansen en risico’s van de diverse sporen van het Syrië beleid met betrekking tot weglekken of collateral damage (F16 acties, humanitaire hulp, stabiliteitshulp)? Wat zijn de risico’s van actie respectievelijk non actie?

De bestrijding van terrorisme en bevordering van de internationale rechtsorde zijn prioriteiten van Nederland. Daarom heeft Nederland zich de afgelopen jaren met geïntegreerd Syrië beleid actief ingezet in Syrië. Het opereren in een conflictsituatie als die in Syrië brengt risico’s met zich mee. Deze risico’s worden middels verschillende maatregelen zoveel mogelijk gemitigeerd en afgewogen tegen de potentiële resultaten. Voor het leveren van humanitaire hulp hanteren uitvoerende organisaties bijvoordeeld fraudemechanismen en hebben zij een meldplicht aan donoren. Aangaande de stabilisatieprogramma’s zijn er monitoringsmechanismen en vetting-procedures. Op militair gebied wordt door de internationale coalitie tegen IS continu gestreefd naar zo min mogelijk collateral damage.

315

Kunt u zo volledig mogelijk een overzicht geven van uitlatingen en beleidsuitvoering van bondgenoten van Nederland met betrekking tot de noodzaak de relatief gematigde oppositie politiek en materieel te steunen en hoe belangrijk dit was? Is er in die landen controverse over deze steun? Waarom (niet)?

Voor zover het kabinet bekend hebben de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland en Turkije non lethal assistance geleverd aan groepen in Syrië. Over beleiduitvoering van bondgenoten doet Nederland geen uitspraken.

316

Kunt u nader en uitgebreid ingaan op de gezamenlijke samenwerking van de bondgenoten in het NLA proces en de noodzaak en het belang gezamenlijk tot inschattingen en kansen/ risico’s te komen?

Nederland baseerde zich voor de vetting op lijsten van de VS en het VK. Gelet op grenscontroles stonden de uitvoerders van het programma in contact met Turkije over NLA-leveringen. In het Zuiden werd samengewerkt met het VK, waarbij afstemming plaatsvond met Jordanië en de Verenigde Staten. Zie ook antwoord op vraag 345 en 349.

317

Hoe dramatisch was de situatie humanitair voor de bevolking en de vluchtelingen in de door de relatief gematigde oppositie beheerste gebieden en welke risico’s werden er precies gelopen door de aanvallen van het Assad Regime en de ISIS en Nusra extremisten?

In vergelijking met de toegang in overheidsgebied was de toegang voor humanitaire partners die hulp leveren aan mensen in nood in (deels toenmalig) oppositiegebied beter. Zo blijkt uit cijfers van OCHA dat in de eerste maanden van 2018 in overheidsgebied slechts 22% van de mensen werd bereikt wiens noden het hoogst waren, ten opzichte van 42% in oppositiegebied. Het overige deel van de hulp is, door gebrek aan toegang, geleverd aan burgers in gebieden waar de noden relatief minder hoog waren. Daarnaast is de capaciteit van de cross-conflict-line respons vanuit Damascus zeer beperkt omdat de Syrische overheid de humanitaire respons bemoeilijkt, o.a. door het weigeren van toegang voor neutrale hulporganisaties, en door het opwerpen van bureaucratische barrières.

318

Kon de NLA althans tijdelijk helpen de situatie te verbeteren en te voorkomen dat deze gebieden werden overlopen door extremistischer groepen? Wat waren de risico’s als dit niet was gebeurd?

Dankzij de niet-letale steun waren de gematigde groeperingen in staat om bepaalde gebieden in Syrië te beheersen en in deze gebieden een relatieve stabiele situatie te creëren. De steun versterkte de positie van gematigde groeperingen ten opzichte van extremistische groeperingen. Zonder deze steun was de kans groter dat extremistische groepering de controle over deze gebieden zouden overnemen met alle gevolgen van dien, zoals mensenrechtenschendingen, toename van migratiestromen en meer instabiliteit. Daarnaast is het NLA-project in het zuiden grenssmokkel en illegale oversteek van ISIS-strijders tegengegaan.

319

Hoe beoordeelde de Speciale Vertegenwoordiger van de Secretaris Generaal van de VN het engagement van Nederland en andere landen met de gematigde oppositie en welke rol kon NLA spelen omdat proces kracht te geven?

De Speciale Vertegenwoordiger Staffan de Mistura heeft zich regelmatig positief uitgelaten over de Nederlandse steun aan de politieke Syrische oppositie. Ook prijst hij de Nederlandse inzet op het gebied van vrouwenvertegenwoordiging, bijvoorbeeld via de steun aan de Syrische Vrouwenadviesraad. Daarnaast heeft Nederland zich mede door het NLA-programma kunnen manifesteren als een land dat bovengemiddeld betrokken is bij het vredesproces. Hierdoor kon Nederland deelnemen aan de International Syria Support Group (ISSG), waar de meest betrokken landen wekelijks de humanitaire en militaire aspecten van het conflict bespreken en dat diende om het onderhandelingen over een inclusieve politieke oplossing te bevorderen.

320

Hoe werd in dat kader ook internationaal aangekeken tegen het de expertise van de Nederlandse Speciale Gezanten in het algemeen en mede gezien het NLA programma?

De Nederlandse Speciale Gezanten staan bekend als ter zake kundig en effectief in het internationale diplomatieke verkeer. De directe contacten met commandanten van gematigde strijdgroepen in het kader van het NLA-programma vergrootte de informatiepositie van Gezanten in internationale context, waarin getracht werd een politieke oplossing voor het conflict te bevorderen.

321

Welke rol speelde de International Syria Support Group (ISSG) daarbij? Wanneer is Nederland lid geworden? En wat betekende dit in eerste instantie voor de Nederlandse mogelijkheden ter beïnvloeding van de humanitaire toegang en het prille politieke proces?

De ISSG is opgericht met als doel om bij te dragen aan de verbetering van de humanitaire- en veiligheidssituatie in Syrië. Hierdoor zou tevens een gunstig klimaat moeten worden gecreëerd voor VN Speciaal Gezant de Mistura om voortgang te boeken op het politiek proces. De ISSG is een uniek forum, waarin invloedrijke landen (waaronder Iran en Rusland) en organisaties zijn vertegenwoordigd. Nederland is begin 2016 lid geworden van de ISSG.

De ISSG biedt een platform aan de VN om specifieke hulpverzoeken op tafel te leggen. Bijvoorbeeld over het faciliteren van humanitaire toegang tot belegerde- en moeilijk toegankelijke gebieden of over het overdragen van boodschappen ten aanzien van naleving van het humanitair oorlogsrecht. Nederlandse contacten met commandanten van gematigde strijdgroepen in het kader van het NLA-programma boden kans deze boodschappen over te brengen en de dialoog met deze groepen aan te gaan over het politieke proces en een toekomstige transitie. Daarnaast gebruikt Nederland de ISSG als platform om richting de andere landen aan tafel prioriteiten uit te dragen over onder andere het belang van humanitaire principes en bescherming van burgers.

322

Is het juist dat het Assad Regime, Iran en Rusland vooral de gematigde oppositie (heeft) bestookt en dat dit actie van landen vereiste om zowel humanitaire redenen als redenen van vluchtelingenpolitiek en politiek proces? Kunt U dit adstrueren?

Het Assad-regime heeft inderdaad met hulp van Rusland en Iran meer de gematigde oppositie aangevallen dan ISIS. Bombardementen hebben geleid tot een humanitaire ramp, met veel burgerslachtoffers en grootschalige verwoesting van civiele infrastructuur. Het Assad-regime weigert tot op de dag van vandaag met grote regelmaat humanitaire toegang tot hulpbehoevenden.

323

«Dit pakket vormde het antwoord op een formeel verzoek van Frankrijk en de VS naar aanleiding van de aanslagen in Parijs in november 2015.» Welk formeel verzoek deden de VS en Frankrijk aan Nederland? En wanneer deden zij dit verzoek?

Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 23 november 2015 deed Frankrijk een beroep op artikel 42.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de EU bijstandsclausule. Op basis van dit artikel vroeg Frankrijk de EU-lidstaten om de strijd tegen ISIS in Irak en Syrië te intensiveren. Op 2 december 2015 ontving het kabinet een verzoek van de Verenigde Staten om de Nederlandse militaire bijdrage aan de strijd tegen ISIS in Irak en Syrië te intensiveren.

324

«Dit pakket vormde het antwoord op een formeel verzoek van Frankrijk en de VS naar aanleiding van de aanslagen in Parijs in november 2015.» Wanneer is de Kamer op de hoogte gesteld van dit verzoek?

De Tweede Kamer is op 11 december 2015 via een brief van de Ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie op de hoogte gesteld van dit verzoek (Kamerstuk 27 925, nr. 566).

325

«Dit pakket vormde het antwoord op een formeel verzoek van Frankrijk en de VS naar aanleiding van de aanslagen in Parijs in november 2015.» Waarmee is het programma naar aanleiding van dit verzoek uitgebreid en hoe is de Kamer daarover geïnformeerd?

Over de intensivering van de Nederlandse bijdrage aan de strijd tegen ISIS werd uw Kamer geïnformeerd via de artikel 100-brief van 29 januari 2016 (Kamerstuk 27 925, nr. 570). De intensivering bestond uit een breed pakket aan maatregelen op politiek, militair en stabilisatievlak. Aangaande stabilisatie ging het om:

  • Additionele steun ter waarde van 10 miljoen euro aan gematigde gewapende Syrische oppositiegroepen (niet-lethale steun) en de Free Syrian Police in het kader van het Access to Justice and Community Security Programme (AJACS). Deze steun kwam bovenop eerder bekend gemaakte steun van 10 miljoen euro ten behoeve van additionele civiele middelen;

  • Steun ter waarde van 5 miljoen euro voor de medische capaciteiten van gematigde Syrische gewapende oppositiegroepen en hun vermogen om (mensen)smokkel en de invloed van extremisten tegen te gaan;

  • Additionele bijdrage ter waarde van 5 miljoen euro voor herstel van publieke diensten (ziekenhuizen, scholen, nutsvoorzieningen en infrastructuur) ter stabilisatie van de gebieden die onder controle stonden van gematigde oppositiegroeperingen, via het bestaande Syrian Recovery Trust Fund;

  • Versterkte aandacht voor Syrië in de Addressing Root Causes for Conflict tender, waarvoor NGO’s voorstellen konden indienen voor wederopbouw en bestrijding van onderliggende oorzaken van conflict en migratie.

326

Wanneer is er een intern volkenrechtelijk advies opgesteld over het NLA programma? Is dat meerdere keren gebeurd, bijvoorbeeld ook nav de uitbreiding? Hoe luidden de dicta van elk van deze adviezen?

De Directie Juridische Zaken (DJZ) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft vanaf het begin van het NLA-programma volkenrechtelijk geadviseerd ten behoeve van de besluitvorming hierover. DJZ heeft daarbij de volkenrechtelijke risico’s geschetst die samenhingen met de verlening van steun aan gematigde gewapende oppositiegroepen in Syrië. Daarbij is aangegeven dat de civiele aard van de steun het risico op strijdigheid met het internationaal recht beperkte.

327

Hoeveel andere NAVO-bondgenoten gaven steun aan de gewapende oppositie?

Vijf andere NAVO-bondgenoten gaven steun aan de gewapende oppositie.

328

In hoeverre was het NLA-programma verbonden aan onze bijdrage aan de strijd tegen ISIS?

Het NLA-programma en de Nederlandse bijdrage aan de internationale strijd tegen ISIS waren onderdeel van het brede Nederlandse beleid voor Syrië dat zich richtte op vijf, elkaar versterkende sporen: politiek, militair, humanitair, stabilisatie en accountability. De bijdrage aan het NLA programma werd onder andere besproken in artikel 100 brieven over de Nederlandse bijdrage aan de strijd tegen ISIS.

329

Op welke wijze deden de Franse en Amerikaanse regering een verzoek aan de Nederlandse regering? Wie ontving dat verzoek?

Zie het antwoord op vraag 232. De verzoeken werden door het Ministerie van Buitenlandse Zaken in ontvangst genomen.

330

Wat waren de risico's van een militaire interventie met grondtroepen in Syrië zoals door Tweede Kamerleden is voorgesteld?

Zie antwoord op vraag 311.

331

Wanneer is Nederland begonnen met het leveren van voertuigen aan de gewapende Syrische oppositiegroepen?

In de zomer van 2016, nadat dit aan uw Kamer is gecommuniceerd in de voortgangsrapportage van de Ministers van BZ, Defensie en BHOS over de Nederlandse inzet in de strijd tegen ISIS van 29 april 2016 (Kamerstuk 27 925, nr. 590).

332

Welke andere landen zijn ook benaderd door Frankrijk en de VS om steun uit te breiden? Welke landen hebben hier vervolgens gehoor aan gegeven?

Zie het antwoord op vraag 323. Het verzoek van Frankrijk was aan alle EU-lidstaten. Het VS-verzoek werd gedaan in het verband van de internationale anti-ISIS coalitie. Zoals aan uw Kamer gemeld in de artikel 100-brief van 29 januari 2016 (Kamerstuk 27 925, nr. 570), hebben andere Europese partners, zoals Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Italië, Denemarken en België hun bijdrage aan de strijd tegen ISIS eveneens geïntensiveerd, mede naar aanleiding van de Franse en Amerikaanse verzoeken. Sindsdien hebben leden van de coalitie hun inzet, net zoals Nederland, aangepast naar gelang de voortgang in de strijd tegen ISIS en de behoefte aan internationale steun.

333

Welke programma’s in Syrië hebben financiële steun ontvangen?

Er wordt hiervoor verwezen naar het projectenoverzicht Syrië dat op 23 januari jl. als bijlage bij Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 953 met uw Kamer is gedeeld. In dit overzicht worden alle Syrië-specifieke programma’s die sinds 2011 financiële steun hebben ontvangen genoemd.

334

Hoe kan het dat Nieuwsuur & Trouw informatie boven water kregen die de Minister kennelijk niet had?

Het antwoord op deze vraag is terug te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

335

Wanneer is het grondige onderzoek naar de berichtgeving in Nieuwsuur en Trouw afgerond en de Kamer de uitkomsten ervan tegemoet zien?

Het kabinet neemt de berichtgeving van Nieuwsuur en Trouw zeer serieus. In een moeilijke context is getracht het programma zo goed als mogelijk uit te voeren. Veel zaken zijn gelopen zoals ze bedoeld en voorzien waren. Zoals ook geconstateerd in het IOB-rapport zijn risico’s echter nooit helemaal uit te sluiten. De bredere beeldvorming dat Nederland terroristische organisaties gesteund zou hebben is echter onjuist. In de beantwoording van deze vragen, ook in het vertrouwelijke deel, worden de bevindingen van Nieuwsuur en Trouw in meer detail behandeld.

336

Kunt u op een rij zetten welke eisen – zoals het onderschrijven van democratische waarden – aan de gesteunde groepen werden gesteld? Hoe werd dit gemonitord en beoordeeld? In hoeverre heeft u een risico ingecalculeerd dat er op enig moment door enige groep hier niet aan voldaan zou worden?

Belangrijkste criteria voor het geven van NLA-steun aan een gematigde gewapende groep waren committering van de groep tot het naleven van humanitair oorlogsrecht en het nastreven van een inclusieve politieke oplossing, ook was operationele samenwerking met extremistische groeperingen uitgesloten. Daarnaast werd meegewogen hoe relevant de groep op de grond was, of de groep onderdeel was van een overkoepelende organisatie- en overlegstructuur en of zij een rol voor zichzelf zag in een toekomstig inclusief Syrisch bestuur. Het risico dat steun in verkeerde handen viel of voor verkeerde doeleinden zou worden besteed werd meegewogen en gemitigeerd door monitoring. De monitoring die de initiële criteria toetste werd uitgevoerd door het Syrië-team en de respectievelijke uitvoerders die in wekelijkse updates verslag deden over de gesteunde groepen, de gebieden waarin zij actief waren en hun activiteiten. Alle uitvoerende partijen hadden uitgebreide monitoringscapaciteit die bestond uit teams in Jordanië, Turkije en Syrisch oppositiegebied. De medewerkers «in het veld» voerden bezoeken uit aan opslagplaatsen van de ontvangende groepen, monitorden leveringen en interviewden strijders, commandanten en burgers om de effectiviteit van de steun te evalueren.

337

Vochten de gesteunde groepen in kwestie allen tegen Assad? En zijn ze daar op geselecteerd?

De groepen werden gesteund zodat er een gematigd alternatief stand kon houden tussen extremistische groepen en het regime. Er moest gevochten worden tegen beiden.

338

Wat was de rol van respectievelijk de NCTV, de MIVD en mogelijkerwijs de AIVD in de uitvoering van de NLA, waren zij zowel betrokken in den Haag als in Istanbul en hoe functioneerden zij daar op basis van de diverse Ministeriele verantwoordelijkheden? Kunt u dit zo specifiek en uitgebreid mogelijk aangeven?

Zie het antwoord op vraag 62.

339

Kunt u nogmaals, in een tijdlijn, schetsen op welke momenten de Tweede Kamer is geïnformeerd over steun aan de Syrische gematigde oppositie? Kunt u daarbij ook aangeven op welke wijze er aandacht is geschonken aan de mogelijke risico's die vastzaten aan de steun aan de gematigde Syrische oppositie?

Tijdens het Algemeen Overleg over de situatie in Kobani op 9 oktober 2014, werd met de Tweede Kamer gesproken over de mogelijkheden van het leveren van steun aan de gematigde oppositie (Kamerstuk 27 925, nr. 524). In de brief van 15 december 2014 aangaande de reactie over de Nederlandse inzet in de strijd tegen ISIS en voortgangsrapportage militaire bijdrage, is met de Tweede Kamer gesproken over de Fact Finding Mission (FFM). De FFM, waaraan ambtenaren van BZ en van Defensie deelnamen, had als doel de wenselijkheid, kansen en risico’s van het leveren van NLA steun te onderzoeken. De conclusie van FFM was dat mogelijkheden tot het geven van NLA aan de gematigde gewapende oppositie zouden worden onderzocht. De Kamer is over deze conclusie geïnformeerd in de voortgangsrapportage van de Ministers van BZ, BHOS, Defensie (en mede namens de Minister van JenV) over de Nederlandse inzet in de strijd tegen ISIS op 15 december 2014 (Kamerstuk 27 925 nr. 526).

Tweede Kamer is geïnformeerd over de voorziene NLA-steun aan gematigde gewapende groepen in de voortgangsrapportage over de strijd tegen ISIS op 7 april 2015 (Kamerstuk 27 925, nr. 534), waarbij de risico’s en de daarbij behorende mitigerende maatregelen uiteen zijn gezet. Het kabinet heeft de Kamer op de hoogte gehouden over het NLA-programma middels verschillende Kamerbrieven, zoals de aanvullende artikel 100-brief van 29 januari 2016 (Kamerstuk 27 925, nr. 570), de voortgangsrapportage Nederlandse bijdrage aan de strijd tegen ISIS van 29 april 2016 (Kamerstuk 27 925, nr. 590), de artikel 100-brief van 9 september 2016 (Kamerstuk 27 925, nr. 597), de voortgangsrapportage strijd Nederlandse bijdrage aan de strijd tegen ISIS van 4 april 2017 (Kamerstuk 27 925, nr. 607), de artikel 100-brief van 11 september 2017 (Kamerstuk 27 925, nr. 612), een vertrouwelijke Kamerbrief op 23 januari 2018 (Kamerstuk 32 623, nr. 184) en een Kamerbrief inzake Nederlandse inzet in Syrië op 14 maart 2018 (Kamerstuk 32 623, nr. 200).

340

Beschikte de MIVD over voldoende capaciteit om de groepen in kwestie te «vetten»?

De MIVD heeft op basis van zijn wettelijke taak en op verzoek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken regelmatig gerapporteerd over ontwikkelingen rond relevante strijdgroepen in Noord- en Zuid-Syrië. In deze rapportages is op verzoek van Buitenlandse Zaken een duiding gegeven van de signatuur van verschillende – reeds door anderen «gevette» – strijdgroepen. In het openbaar worden verder geen mededelingen gedaan over eventuele activiteiten van inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

341

Hoe verhouden de bevindingen van de IOB over de programma’s in Syrië zich tot andere IOB-evaluaties in vergelijkbare landensituaties?

Afgezien van het IOB onderzoek naar de programma’s in Syrië, heeft IOB geen evaluaties uitgevoerd die specifiek zijn gericht op monitoringssystemen in vergelijkbare landensituaties. Om te bepalen hoe de monitoringssystemen van de onderzochte programma’s zich verhouden tot verwante programma’s in conflictsituaties, verwijst IOB naar achtergrondstudie uit van Clingendael («Between a Rock and a Hard Place», online beschikbaar op www.iob-evaluatie.nl).

342

Wat waren het mandaat en de doelomschrijving van het NLA-programma?

Steun aan de gewapende gematigde oppositie met NLA was de afgelopen jaren onderdeel van een geïntegreerd Nederlands beleid op Syrië. De belangrijkste doelen van het programma waren het bieden van een alternatief voor extremistische groeperingen en te voorkomen dat de gematigde oppositie in verdrukking zou raken tussen extremistische groeperingen en het Assad-regime. Hiermee werd zorg gedragen voor enige voet aan de grond voor de oppositie ter ondersteuning van het politiek proces onder leiding van speciaal VN-gezant Staffan de Mistura. Daarnaast beoogde steun aan de gematigde gewapende oppositie gunstigere voorwaarden voor gematigd bestuur en stabilisatie-projecten in Syrië te creëren.

343

Zijn door Nederland ook gewapende Syrische oppositiegroepen gesteund die niet door alle geraadpleegde partners als voldoende betrouwbaar werden beoordeeld?

Nee.

344

Met welke bondgenoten en organisaties die een zo goed mogelijk beeld hadden van de situatie in het veld is samengewerkt?

Nederland heeft samengewerkt met de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk bij de uitvoering van het NLA programma. Nederland heeft tevens NLA leveringen afgestemd met Jordanië. Informatie over de uitvoerders waarmee Nederland heeft samengewerkt is en die een goed beeld hadden van de ontwikkelingen in het veld, op verzoek van deze organisaties, vertrouwelijk.

345

Hoe zag deze vetting-procedure eruit voor Syrië?

De VS heeft in Syrië tenminste 70 groepen doorgelicht die in aanmerking kwamen voor steun. Van de door VS gescreende groepen heeft Nederland aan 22 groepen steun verleend. Een deel van de groepen in het noorden van Syrië werd direct door Nederland geselecteerd. Een ander deel werd voorgedragen door de projectuitvoerder (meer informatie over de projectuitvoerder is te lezen in het vertrouwelijke deel van de beantwoording). In het zuiden werden de groepen aangedragen door het Verenigd Koninkrijk, de bondgenoot waarmee werd samengewerkt. Voor alle groepen golden de criteria dat zij geen samenwerking aangingen met extremistische groepen, een inclusieve politieke oplossing nastreefden en zich committeerden aan het humanitair oorlogsrecht. Aanvullend werd gekeken naar de relevantie van de groepen in het veld, vertegenwoordiging in het politieke proces, en de behoeften van de groepen in relatie tot hetgeen zij van andere landen ontvingen. Alle groepen ontvingen ook steun van andere naaste bondgenoten.

346

Op welke omstandigheden waarin het NLA-programma werden uitgevoerd doelt de Minister precies?

In de complexe conflictsituatie zoals die in Syrië bestaat, met honderden gewapende groepen, werden door de Syrische gematigde strijdgroepen gedurende bepaalde periodes en op specifieke locaties, allianties aangegaan met meer extremistische groepen. Dit gebeurde vanuit militair pragmatisch oogpunt; door coördinatie van de aanvallen kon een offensief van ISIS of het regime beter het hoofd worden geboden. Dit betekent niet dat het extremistisch gedachtengoed door de gematigde groepen werd overgenomen.

347

Waarom zijn de volkenrechtelijke adviezen over het NLA-programma niet openbaar gemaakt?

De interne volkenrechtelijke adviezen zijn opgenomen in de besluitvormingsmemoranda over het NLA-programma. Het kabinet hecht er zeer aan dat ambtenaren onbevangen en in vertrouwen kunnen adviseren en verstrekt interne adviezen dan ook in de regel niet. In dit geval worden de besluitvormingsmemoranda door het kabinet vertrouwelijk aan de Kamer ter inzage te geven

348

Op welke wijze zijn deze adviezen meegewogen in de politieke besluitvorming? Kunnen deze adviezen alsnog naar uw Kamer worden toegezonden?

De in de juridische advisering geschetste risico’s en mogelijkheden om deze te beperken zijn meegewogen in de besluitvorming over de uitvoering van dit programma. In dit bijzondere geval is het kabinet bij uitzondering bereid de Kamer desgewenst vertrouwelijk inzage te geven in de besluitvormingsmemoranda over het NLA-programma.

349

Wat houdt de «vetting procedure» van Syrische oppositiegroepen die voor steun in aanmerking zouden komen exact in?

Zie onder andere antwoord op vraag 345.

350

Hebben Frankrijk en de VS formeel of informeel Nederland verzocht om uitbreiding van de steun van het NLA-programma, naar aanleiding van de aanslagen in Parijs in november 2015? Of was het een eigenstandige Nederlandse beslissing, waar geen verzoek van andere landen of organisaties aan ten grondslag lag?

Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 23 november 2015 deed Frankrijk een beroep op artikel 42.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de EU bijstandsclausule. Op basis van dit artikel vroeg Frankrijk de EU-lidstaten om de strijd tegen ISIS in Irak en Syrië te intensiveren. Op 2 december 2015 ontving het kabinet een verzoek van de Verenigde Staten om de Nederlandse militaire bijdrage aan de strijd tegen ISIS in Irak en Syrië te intensiveren. Zie ook het antwoord op vraag 323.

351

Wat is het mandaat van de extern volkenrechtelijk adviseur?

Op basis van zijn huidige contract levert de EVA, op verzoek van de Minister van Buitenlandse Zaken, onafhankelijk volkenrechtelijk advies aan de Minister over actuele aspecten van het buitenlands beleid waar belangrijke volkenrechtelijke vraagstukken in het geding zijn. Zie ook het antwoord op vraag 130.

352

Had de extern volkenrechtelijk adviseur volgens een bestaande regel moeten worden geconsulteerd voorafgaand aan de besluitvorming over het NLA-programma? Zo ja, kunt u toelichten op basis van welke wet of welke interne regel dat had moeten gebeuren?

Nee, het inschakelen van de EVA is geen verplichting. De EVA had ook kunnen besluiten op eigen initiatief een advies in te dienen, net als hij deed in 2013 inzake «gewapende steun» (zie ook vraag 356).

353

Welke verplichtingen of normen zijn er rondom het consulteren van het Openbaar Ministerie bij handelingen als deze (en eventueel andersom)?

Er bestaan verschillende kaders van waaruit naar strijdende groeperingen wordt gekeken en beoordeeld wordt of een groepering als terroristisch dient te worden aangemerkt. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken kijkt primair naar internationale terrorismelijsten (VN en EU) voor de beoordeling van organisaties. Bij de beoordeling of iemand kan worden vervolgd voor deelneming aan een terroristische organisatie (art. 140a Wetboek van Strafrecht) geldt een ander kader. Het Openbaar Ministerie legt gedragingen ten laste, in een omschreven periode en omschreven plaats. Van belang is voorts tot welke organisatie een verdachte behoorde. Als is vastgesteld tot welk onderdeel een verdachte behoorde, wordt aan de hand van de inhoud van het dossier en open bronnen getoetst of dát onderdeel van dié strijdende partij in dié periode was aan te merken als een organisatie met een terroristisch oogmerk. Het Openbaar Ministerie doet geen algemene uitspraken over strijdende groeperingen, ook omdat in het jihadistisch strijdgebied de samenstelling van de groepen snel veranderde en verandert. Welke organisaties door de VN, de EU of Nederland op een sanctielijst geplaatst zijn speelt bij de beoordeling door het Openbaar Ministerie geen rol.

354

Is het juist dat de Extern Volkenrechtelijk Adviseur (EVA) altijd op eigen initiatief, dus ongevraagd, advies kan uitbrengen? Kunt u bevestigen dat dit ook het geval is bij het advies van 17 juni 2013 over de volkenrechtelijke visie op de steun aan de Syrische oppositie? Kunt u bevestigen dat alle adviezen van de EVA worden doorgeleid naar de Tweede Kamer?

Tot mei 2015 kon de EVA zowel gevraagd als ongevraagd adviseren. Bij de verlenging van zijn contract in mei 2015 is in onderling overleg besloten om vanaf dat moment alleen op verzoek van de Minister van Buitenlandse Zaken te adviseren. Het advies over Wapenleveranties Syrië uit 2013 heeft de EVA op eigen initiatief uitgebracht. Inmiddels is het gebruikelijk om EVA adviezen te delen met de Tweede Kamer en alle EVA adviezen zijn dan ook doorgeleid naar de Tweede Kamer, met inbegrip van het advies van 17 juni 2013.

355

Kunt u bevestigen dat de Tweede Kamer indien gewenst ook de Extern Volkenrechtelijk Adviseur om advies kan vragen over volkenrechtelijke aspecten?

Het zelf advies vragen door de Kamer aan de EVA past niet binnen het contract dat is gesloten tussen de EVA en de Minister van Buitenlandse Zaken. Daarin is opgenomen dat de EVA alleen advies levert aan de Minister van Buitenlandse Zaken.

Het staat de Tweede Kamer vrij gebruik te maken van de eigen bevoegdheden volkenrechtelijk advies in te winnen, bijvoorbeeld bij de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken (CAVV) of bij de uitnodiging van een of meer volkenrechtelijke deskundigen voor een hoorzitting. De Tweede Kamer kan ook professor Nollkaemper op persoonlijke titel uitnodigen. Het is dan aan de Tweede Kamer en professor Nollkaemper om te beoordelen of een dergelijke uitnodiging respectievelijk de aanvaarding daarvan verenigbaar is met de functie van EVA.

356

Had de extern volkenrechtelijk adviseur, na ontvangst van de voortgangsrapportage over de strijd tegen ISIS van 7 april 2015 (waarin het besluit inzake het NLA-programma werd aangekondigd), ook ongevraagd advies kunnen geven aan de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken, zoals hij dat ook heeft gedaan in 2013?

Ja, de EVA had in april 2015 op eigen initiatief advies kunnen uitbrengen over het toen bekend gemaakte NLA-programma.

357

Welke bronnen heeft het Openbaar Ministerie gebruikt om te bepalen dat Jabhat Al-Shamiya een groepering met een «terroristisch oogmerk» is?

Het OM doet geen algemene uitspraken over strijdende groeperingen. Het OM legt gedragingen ten laste, in een omschreven periode en omschreven plaats. Van belang is voorts tot welke organisatie een verdachte behoorde. Als is vastgesteld tot welk onderdeel een verdachte behoorde, wordt aan de hand van de inhoud van het dossier en open bronnen getoetst of dát onderdeel van dié strijdende partij in dié periode was aan te merken als een organisatie met een terroristisch oogmerk. Het OM doet geen algemene uitspraken over strijdende groeperingen, ook omdat in het jihadistisch strijdgebied de samenstelling van groepen snel veranderde en verandert. Welke organisaties door de VN, de EU of Nederland op een sanctielijst geplaatst zijn speelt bij de beoordeling door het Openbaar Ministerie geen rol.

358

Is het juist dat Nederland steun gaf aan Jabhat al Shamiya in een periode ver na de onderzoeksperiode van het OM (2014–2015)?

Het antwoord op deze vraag is te vinden in het vertrouwelijke deel van de beantwoording.

359

Kwam het OM tot zijn oordeel over Jabhat al Shamiya op basis van algemene criteria, of op basis van een individuele zaak in een in tijd afgebakende periode?

Zie het antwoord op vraag 357.

360

Hoe beoordeelt u de kwalificatie «terroristisch» die het OM aan Jabhat al Shamiya heeft gegeven?

Zoals op 14 september jl. met uw Kamer gedeeld wordt vanuit verschillende kaders naar strijdende groeperingen gekeken en beoordeeld of een groepering als terroristisch dient te worden aangemerkt. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken kijkt primair naar internationale terrorismelijsten (VN en EU) voor de beoordeling van organisaties. Bij de beoordeling of iemand kan worden vervolgd voor deelneming aan een terroristische organisatie (art. 140a Wetboek van Strafrecht) geldt een ander kader. Het Openbaar Ministerie legt gedragingen ten laste, in een omschreven periode en omschreven plaats. Van belang is voorts tot welke organisatie een verdachte behoorde. Als is vastgesteld tot welk onderdeel een verdachte behoorde, wordt aan de hand van de inhoud van het dossier en open bronnen getoetst of dát onderdeel van dié strijdende partij in dié periode was aan te merken als een organisatie met een terroristisch oogmerk. Het Openbaar Ministerie doet geen algemene uitspraken over strijdende groeperingen, ook omdat in het jihadistisch strijdgebied de samenstelling van de groepen snel veranderde en verandert. Welke organisaties door de VN, de EU of Nederland op een sanctielijst geplaatst zijn speelt bij de beoordeling door het Openbaar Ministerie geen rol.

361

Kunnen de strenge selectiecriteria en externe monitoring waaraan het NLA-programma is onderworpen worden verhelderd?

Belangrijkste criteria voor het geven van NLA-steun aan een gematigde gewapende groep waren committering van de groep tot het naleven van humanitair oorlogsrecht en het nastreven van een inclusieve politieke oplossing, ook was operationele samenwerking met extremistische groeperingen uitgesloten. Daarnaast werd meegewogen hoe relevant de groep op de grond was, of de groep onderdeel was van een overkoepelende organisatie- en overlegstructuur en of zij een rol voor zichzelf zag in een toekomstig inclusief Syrisch bestuur. De monitoring werd uitgevoerd door het Syrië-team en de respectievelijke uitvoerders die in wekelijkse updates verslag deden over de gesteunde groepen, de gebieden waarin zij actief waren en hun activiteiten. Alle uitvoerende partijen hadden monitoringscapaciteit met veel kennis van het veld die bestond uit teams in Jordanië, Turkije en Syrisch oppositiegebied. De medewerkers «op de grond» voerden regelmatig bezoeken uit aan opslagplaatsen van de ontvangende groepen, monitorden leveringen en interviewden strijders, commandanten en burgers om de effectiviteit van de steun te evalueren.

362

Welke positieve resultaten zijn merkbaar van het NLA-programma?

Zie antwoord op vraag 108 en 182.

363

Door welke groep donoren werden de projecten van het NLA-programma gesteund?

Voor zover het kabinet bekend hebben de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland en Turkije non lethal assistance geleverd aan groepen in Syrië

364

Op welke manier heeft non lethal steun het gematigde bestuur en het uitvoeren van reguliere stabilisatieprogramma’s in Syrië beïnvloed?

Door middel van NLA-steun aan gewapende gematigde groepen werd bijgedragen aan enige mate van leefbaarheid in oppositiegebied en het voorkomen van nieuwe machtsvacua en invloed van extremisten. Hiermee werden de effecten van de oorlog op de burgers verkleind en de instabiliteit in het land verminderd op lokale schaal. De relatieve veiligheid die deze groepen boden aan de lokale bevolking zorgde ervoor dat meer reguliere stabilisatieprogramma’s uitgevoerd konden worden en dat enige mate van lokaal bestuur kon opereren. Voorbeelden van zulke programma’s zijn AJACS, White Helmets en het Local Development and Small Projects Support (LDSPS)-programma.

365

Acht het kabinet het logisch dat Buitenlandse Zaken en het OM zo verschillend beoordelen of een organisatie wel of niet als terroristisch moet worden aangemerkt?

Er bestaan verschillende kaders van waaruit naar strijdende groeperingen wordt gekeken en beoordeeld wordt of een groepering als terroristisch dient te worden aangemerkt. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken kijkt primair naar internationale terrorismelijsten (VN en EU) voor de beoordeling van organisaties. Bij de beoordeling of iemand kan worden vervolgd voor deelneming aan een terroristische organisatie (art. 140a Wetboek van Strafrecht) geldt een ander kader. Het Openbaar Ministerie legt gedragingen ten laste, in een omschreven periode en omschreven plaats. Van belang is voorts tot welke organisatie een verdachte behoorde. Als is vastgesteld tot welk onderdeel een verdachte behoorde, wordt aan de hand van de inhoud van het dossier en open bronnen getoetst of dát onderdeel van dié strijdende partij in dié periode was aan te merken als een organisatie met een terroristisch oogmerk. Het Openbaar Ministerie doet geen algemene uitspraken over strijdende groeperingen, ook omdat in het jihadistisch strijdgebied de samenstelling van de groepen snel veranderde en verandert. Welke organisaties door de VN, de EU of Nederland op een sanctielijst geplaatst zijn speelt bij de beoordeling door het Openbaar Ministerie geen rol.

366

Waarom vermeldt u niet dat de volkenrechtelijk adviseur in 2013 oordeelde dat wapenleveranties, maar ook andere vormen van steun aan Syrische rebellen, strikt genomen in strijd zijn met het non-interventiebeginsel en dus in strijd met het internationale recht? Op welke wijze is met dit advies omgegaan bij de besluitvorming over de latere «non lethal aid» aan Syrische rebellen? Op basis van welke rechtsgrond heeft het kabinet deze steun gegeven? Kunt u daarbij gemotiveerd aangeven in welk opzicht het kabinet van mening verschilde met de volkenrechtelijk adviseur?

De zienswijze van de EVA is, naast tal van andere volkenrechtelijk relevante bronnen, meegenomen in de interne juridische advisering. De interne advisering ging ook in op het door de EVA genoemde non-interventiebeginsel. Met de interne volkenrechtelijke advisering is terdege rekening gehouden in de politieke besluitvorming over het NLA-programma. De Directie Juridische Zaken (DJZ) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft vanaf het begin van het NLA-programma volkenrechtelijk geadviseerd ten behoeve van de besluitvorming hierover. DJZ heeft daarbij de volkenrechtelijke risico’s geschetst die samenhingen met de verlening van steun aan gematigde gewapende oppositiegroepen in Syrië, waaronder het risico van strijdigheid met het non-interventiebeginsel. Daarbij is aangegeven dat de civiele aard van de steun het risico op strijdigheid kon beperken.

Zie ook het antwoord op vraag 123.

367

Waarom heeft u de broodnodige hulp aan de White Helmets gestopt voor het aanstaande offensief in Idlib? Zijn monitoringsrisico’s belangrijker dan het redden van mensen?

De activiteiten onder de huidige Nederlandse bijdrage aan de White Helmets lopen tot eind 2018. Over de uitbetaling van het uitstaande eindbedrag worden gesprekken gevoerd met de uitvoerder. Het projectmatige einde van de Nederlandse bijdrage en de verbeterpunten ten aanzien van de monitoring doen niet af aan het dappere werk van de White Helmets.

368

Kunt u aangeven welke andere landen steun hebben gegeven aan de gematigde Syrische oppositie? En waar de steun van deze landen uit bestond?

Zie antwoord vraag 363. Over de inhoudelijke bijdrage van deze landen kan het kabinet vanwege de vertrouwelijkheid van de NLA programma’s geen uitspraken doen.

369

Is het, gezien de risico’s van de uitvoering van steunprojecten aan Syrische rebellen, waarbij monitoring vaak sterk stoelt op de rapportages en de mate van medewerking uit het veld, niet juist van groot belang om eigenstandig te monitoren en informatie in te winnen over de door Nederland gesteunde strijdgroepen en hiervoor voldoende capaciteit voor beschikbaar te stellen? In hoeverre is dit internationaal, binnen het departement van Buitenlandse Zaken, met de VN-vertegenwoordiging en interdepartementaal voldoende gebeurd? Bent u bereid hierop te reflecteren?

De uitvoerders van het NLA programma onderhield intensief contact met Nederlandse diplomaten in de regio en rapporteerden wekelijks, maandelijks en op ad-hoc basis over het programma, bijvoorbeeld over leveringen aan de groepen en ontwikkelingen in het veld. Nederland beschikte ook over eigenstandige informatie doordat de Nederlandse diplomaten en vertegenwoordigers in de regio regelmatig gesprekken voerden met de commandanten van de gesteunde gematigde gewapende groepen en de ontwikkelingen in de regio nauwgezet volgden. Het kabinet deelt de conclusie van het IOB dat informatie-uitwisseling met de partner waarmee Nederland het programma in het Zuiden uitvoerde, het Verenigd Koninkrijk, meer diepgaand had kunnen zijn door bijvoorbeeld het inbouwen van frequentere contactmomenten.

370

In hoeverre heeft het NLA-programma bijgedragen aan de positie van de gematigde oppositie bij de Geneefse vredesonderhandelingen?

Eén van de doelen van het NLA programma was het versterken van de positie van de gematigde oppositie aan de onderhandelingstafel in Genève. Een aantal van de door Nederland gesteunde groepen waren vertegenwoordigd in het politieke proces. Nadat Rusland besloot zich militair te mengen in het Syrische conflict heeft het Assad-regime militair de overhand genomen en was er weinig bereidheid bij het regime om te onderhandelen over een politieke oplossing. Het NLA-programma was echter ook van belang in Syrië zelf. Zo vergrootte het de mogelijkheden tot uitvoering van stabiliteitsprogramma’s in gebieden onder controle van de gematigde oppositie en bood het Syriërs een alternatief voor aansluiting bij extremistische groepen.

371

Hoe gaat de Minister opvolging geven aan de aanbeveling van het IOB zoveel mogelijk openheid en het delen van informatie tussen uitvoerende partijen en donoren te stimuleren?

Het ministerie beziet of verdere informatiedeling tussen uitvoerende partijen en donoren mogelijk is. Opties die daarbij worden overwogen zijn het belang van informatiedeling benadrukken binnen internationale fora, beschikkingen met uitvoerende organisaties aanpassen en digitale platformen ontwikkelen die het delen van informatie tussen partijen vergemakkelijken.

372

Wat zijn de gevolgen voor het voortbestaan van het White Helmets-project als de subsidie in 2019 afloopt?

De White Helmets ontvangen steun van meerdere donoren. De toekomst van de Witte Helmen zal in de praktijk vooral afhangen van de ontwikkelingen van het conflict.

373

Wat is de inzet van de politieke oplossing die Nederland voor ogen heeft voor Syrië?

Nederland zet zich in voor een inclusieve, duurzame politieke oplossing binnen de kaders van VN-Veiligheidsraadresolutie 2254. Nederland levert een financiële bijdrage aan het kantoor van de Syrische oppositie in Geneve en VN-gezant Staffan de Mistura. Daarnaast steunt Nederland ook zogenaamde track II-initiatieven gericht op het bevorderen van dialoog tussen de het bijeen brengen van verschillende partijen in het conflict waarbij buiten de schijnwerpers wordt gesproken over mogelijke oplossingen van het conflict.

374

Kunt u per de door Nederland eerder gesteunde programma's aangeven waarom de steun is gestopt?

De steun is in de meeste gevallen gestopt vanwege het aflopen van het programma. Uitzonderingen hierop zijn het NLA-programma, Local Development and Small Projects (LDSPS) en het White Helmets programma. Bij het LDSDP-programma is gebleken dat de impact die het programma nog zou kunnen hebben, vanwege de krimpende ruimte voor de gematigde oppositie, beperkt en waarschijnlijk niet duurzaam zou zijn. Er is daarom besloten, in overleg met de uitvoerende organisatie, de steun aan dit programma stop te zetten. De steun aan de White Helmets loopt door tot eind 2018.

375

Hoe beoordeelt u de bevinding dat er een negatieve prikkel was voor rebellengroeperingen om mensenrechtenschendingen te melden, aangezien dit de aan hen geboden steun in gevaar kon brengen? Heeft u dit op voorhand voorzien en/of maatregelen genomen? Was het daarom niet te meer van belang om andere bronnen te raadplegen, zoals VN mensenrechtenrapportages en rapporten van mensenrechtenorganisaties over de door Nederland gesteunde rebellengroeperingen? (IOB-rapport)

Het ligt in de rede dat groepen niet met graagte zelf rapporteerden over incidenten die mogelijk hun ontvangst van assistentie in gevaar zouden kunnen brengen. Daar is rekening mee gehouden en de uitvoerders voerden bijvoorbeeld onaangekondigde checks en controles uit. Daarnaast werden uiteenlopende bronnen van informatie gebruikt om zo goed mogelijk vast te stellen wat er in de praktijk van het conflict gebeurde. Sociale media, rapporten van de uitvoerders en andere waarnemers, als ook meldingen van (internationale) ngo’s en VN-organisaties zijn alle gebruikt om een zo betrouwbaar mogelijk beeld te vormen.

376

Klopt het dat er, behalve met de VS, geen donorcoördinatie was binnen het NLA-Noord programma, aangaande het type en hoeveelheid steun die gegeven werd, en dat er geen enkele informatie-uitwisseling plaatsvond? Zo ja, hoe beoordeelt u dit? (IOB-rapport)

Meer donorcoördinatie was de effectiviteit van de steun ten goede gekomen. Gezien de aard van het programma, met vertrouwelijke aspecten, zijn donoren niet bereid (alle) informatie over hun steun (in het openbaar) te delen. Wel spraken de medewerkers van het Syrië-team zeer geregeld met internationale partners, ook over de situatie in het veld en de ontwikkelingen bij de oppositiegroepen. Voorts waren de militaire coördinatiecentra in Turkije en Jordanië betrokken bij de coördinatie van oppositiegroepen in het veld, waarin ook bondgenoten zaten.

377

Kunt u uitleggen waarom er in zijn geheel geen onafhankelijke monitoring was? (TPM is not employed by the MFA or by the implementing organisation)

Zowel het AJACS-programma als het NLA-programma zijn geëvalueerd door een onafhankelijke externe organisatie.

378

«The project’s risks are higher than in the North because the equipment provided can be used as auxiliary material in military operations»

Welk materiaal is geleverd dat gebruikt kan worden voor militaire operaties?

In Zuid-Syrië droeg Nederland financieel bij aan een NLA-programma dat zich richtte op capaciteitsopbouw van een grensbewakingseenheid van gematigde groepen, die werd ingezet om wapen- en drugssmokkel en grensoverschrijdend extremisme tegen te gaan. Hiermee werden ook Jordaanse en Israëlische veiligheidszorgen geadresseerd. Onderdeel van de afspraken met de uitvoerder was dat er geen goederen geleverd zouden worden die onder een vergunningplicht vallen. Als onderdeel van het programma werden warmtecamera’s, rolstangen en ijzeren staven ter bevestiging op pick-up trucks geleverd aan de gematigde groepen. De geleverde warmtecamera’s waren particulier verkrijgbaar en werden gebruikt om ook ’s nachts te kunnen controleren op smokkel en bewegingen van extremisten. Op de ijzeren staven kunnen camera’s en wapens gemonteerd worden. In mei 2017 bleek dat aan dit materieel door de uitvoerder Nederlands geld is besteed. Hierop heeft Nederland aangegeven dat er geen Nederlandse financiering naar dit type materieel mag. Dat is sindsdien ook niet meer gebeurd. Niet alle goederen met een dual-use karakter die ook militair kunnen worden gebruikt, zijn vergunningplichtig in het exportcontrolestelsel. Zie ook antwoord op vragen 203 en 216.

379

There is no central place in the MFA where all project documents are available and archived. In addition, it is not clear who is responsible for archiving project documentation. As a result, several key project documents took much time to locate, or could not be located at all.

This severely impacts the ability of the MFA to respond to new developments and crisis situations in a timely and efficient manner

Is het archief nu wel op orde gebracht? Welke stukken ontbreken er nog in het archief?

Zie antwoord op vraag 70. Er is sinds de IOB-evaluatie digitaal een map met alle stukken betreffend het AJACS- en NLA-programma aangemaakt.

380

Is het waar dat sommige belangrijke projectdocumenten geheel onvindbaar zijn? Zo ja, hoe beoordeelt u dit? (IOB-rapport)

Zie antwoord op vraag 70 en 379.

381

Hoe beoordeelt u de kritiek van het IOB dat:

  • Er geen centrale plaats is binnen het Ministerie van Buitenlandse Zaken waar alle projectdocumenten beschikbaar zijn en gearchiveerd worden, dat er niet duidelijk is wie er verantwoordelijk is voor de archivering van projectdocumentatie

  • Sommige belangrijke projectdocumenten geheel onvindbaar zijn

  • Dit het vermogen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken ernstig belemmert om tijdig en op efficiënte wijze op nieuwe ontwikkelingen en crisissituaties te reageren? Welke maatregelen gaat u nemen? (IOB-rapport)

Een aantal projectdocumenten van de geëvalueerde programma’s ontbreekt vanwege onvoldoende archivering. Dit heeft ertoe geleid dat de evaluatie van het programma deels bemoeilijkt werd. Dit is een duidelijk verbeterpunt, ook voor de toekomst. Zie ook antwoord op vraag 70 en 379.

382

Hoe beoordeelt u de informatiepositie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als het gaat om het implementeren van risicovolle programma’s zoals de steun aan rebellen in Syrië? (IOB-rapport)

Het uitvoeren van grote stabilisatieprojecten in conflictgebied is per definitie risicovol. Dit geldt in het bijzonder voor Syrië vanwege de complexe en fluïde situatie. Juist daarom zijn de risico’s voor de activiteiten in Syrië van tevoren in kaart gebracht en zorgvuldig afgewogen. Om deze risico’s zoveel mogelijk in te perken werd samengewerkt met bondgenoten en organisaties die een zo goed mogelijk beeld hadden van de situatie in het veld.


X Noot
1

De vertrouwelijke antwoorden en bijlagen zijn, alleen voor de leden, te raadplegen via de griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken conform de werkwijze van de Kamercommissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD) tot en met 2 oktober 2018.

X Noot
2

Ter vertrouwelijke inzage gelegd, alleen voor de leden, bij de griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken t/m 2 oktober 2018.