Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201627925 nr. 597

27 925 Bestrijding internationaal terrorisme

Nr. 597 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN BUITENLANDSE ZAKEN, VAN DEFENSIE EN VOOR BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 september 2016

In overeenstemming met artikel 100 van de Grondwet, en met verwijzing naar de artikel 100-brieven van 24 september 2014, 19 juni 2015 en 29 januari 2016 (Kamerstuk 27 925, nrs. 506, 539 en 570), informeren wij u hierbij, mede namens de Minister van Veiligheid en Justitie, over het besluit van het kabinet de Nederlandse bijdrage aan de strijd tegen ISIS te verlengen tot en met 31 december 2017. In deze brief wordt uw Kamer tevens geïnformeerd over de voortgang die de afgelopen periode is geboekt in de strijd tegen ISIS. Een volgende voortgangsrapportage zal uw Kamer begin 2017 toegaan.

Essentie

De anti-ISIS coalitie voert nu twee jaar strijd tegen ISIS. In Irak is de opmars van ISIS in het najaar van 2015 een halt toegeroepen. Sindsdien hebben de Iraakse strijdkrachten, inclusief de Peshmerga, een tegenoffensief ingezet. In minder dan een jaar tijd is ISIS verdreven uit Tikrit, Sinjar, Ramadi en Fallujah. De trainingsinspanningen en de luchtacties van de coalitie zijn hierbij belangrijk gebleken. Momenteel trekken de Iraakse strijdkrachten op naar Mosul, de stad waar ISIS-leider Abu Bakr al-Bagdhadi in juni 2014 het «kalifaat» uitriep. In dit laatste Iraakse bolwerk van ISIS oefent de terreurorganisatie haar gezag nog steeds op brute wijze uit. ISIS wordt ook teruggedrongen in Syrië, bijvoorbeeld in Manbij en Jarablus, al heeft de terreurorganisatie de stad Raqqa nog stevig in handen. De onthoofdingen, massaslachtingen, slavernij en terreuraanslagen van ISIS roepen nog dagelijks wereldwijd afschuw op. Ook elders in Syrië is het humanitaire leed schrijnend, vooral in Aleppo, waar mensen door het gebrek aan toegang al lange tijd verstoken blijven van enige vorm van hulp.

De internationale anti-ISIS coalitie, waar Nederland sinds oktober 2014 deel van uitmaakt, bereidt zich momenteel voor op de operatie ter bevrijding van de Iraakse stad Mosul. Dit is terug te zien in de trainingsinspanningen. Zo is, op basis van opgedane ervaring, in het trainingscurriculum steeds meer aandacht voor aanvullende trainingen op het gebied van militair optreden in verstedelijkt gebied en het plannen en uitvoeren van offensieve operaties. Deze trainingen worden waar mogelijk dicht bij gevechtslocaties gegeven. Daarnaast worden voorbereidingen getroffen op het gebied van stabilisatie van op ISIS heroverde gebieden. Snelle uitrol van basisvoorzieningen, evenals inclusief bestuur en verzoening tussen lokale bevolkingsgroepen, acht het kabinet noodzakelijk voor duurzame stabiliteit en het wegnemen van een voedingsbodem voor extremisme. Op humanitair vlak moeten de VN en het Internationale Rode Kruis veel capaciteit inzetten om, in het kader van de bevrijding van Mosul, tijdig voldoende capaciteit gereed te hebben voor de opvang van grote aantallen vluchtelingen.

Het verder terugdringen van ISIS in Irak en Syrië zal niet zomaar het einde van de terreurorganisatie betekenen. ISIS functioneert als een globaal terreurnetwerk, dat wereldwijd met terroristische aanslagen chaos en instabiliteit creëert. Het «digitale kalifaat» tracht met valse propaganda moslims uit de hele wereld te radicaliseren en hen aan te zetten tot geweld tegen onschuldige burgers. ISIS gedijt vooral in conflictregio’s in het Midden-Oosten en Afrika, maar onderhoudt ook netwerken in Azië, zoals in Bangladesh en de Filipijnen. Ook in het Westen oefent ISIS aantrekkingskracht uit op mensen, waaronder uit Nederland, die nog steeds naar Irak en Syrië reizen om zich daar bij ISIS aan te sluiten. Tevens inspireert ISIS hen tot het plegen van aanslagen in hun thuisland.

Er is consensus onder coalitiepartners dat, om ISIS wereldwijd te verzwakken, het kerngebied van ISIS in Irak en Syrië militair verder moet worden bestreden. Daarnaast is de inzet van de coalitie gericht op het tegengaan van propaganda, financiering en aanwas van buitenlandse strijders voor ISIS wereldwijd, ook in Libië. Het kabinet is ervan overtuigd dat de bestrijding van ISIS een geïntegreerde aanpak vergt op het gebied van diplomatiek optreden, militair handelen en stabilisatieactiviteiten in de regio, geflankeerd door preventie- en repressieactiviteiten om radicalisering tegen te gaan. ISIS kan alleen duurzaam worden bestreden als er ook een gedragen politieke oplossing komt voor Irak en Syrië.

De Nederlandse inzet in de strijd tegen ISIS zal zich blijven richten op al deze vlakken. Op militair gebied heeft het kabinet besloten om de inzet de Nederlandse trainers te verlengen tot en met 31 december 2017, waarbij de inzet van trainingsteams verder wordt geflexibiliseerd naar gelang de behoefte van de coalitie. Dit betekent dat de Nederlandse trainingsteams op verschillende locaties in Irak kunnen worden ingezet ten behoeve van missie-specifieke trainingen. Er wordt nog onderzocht of de training door de SOF-trainers kan worden uitgebreid met taken op het gebied van adviseren en assisteren (Advise & Assist – A&A) in voorbereiding op, en tijdens gevechtsperiodes. Ook zal de door Nederland verzorgde force protection voor het Belgische F-16 detachement worden voortgezet met ongeveer 35 militairen. Tot slot zal Nederland de nog beschikbare tankercapaciteit voor air-to-air refueling aanbieden aan de coalitie.

Met inachtneming van het toetsingskader wordt hieronder ingegaan op de gronden voor deelname, politieke aspecten, samenhang, mandaat, militaire aspecten, humanitaire hulp, financiën en nationale veiligheid.

Gronden voor deelname

De ring van instabiliteit aan de buitengrenzen van de EU en het NAVO-bondgenootschap en de aantrekkingskracht van ISIS op ingezetenen van de EU, zorgen ervoor dat de dreiging van ISIS ook binnen Europa blijft bestaan. Die dreiging uit zich onder andere in door ISIS aangestuurde of geïnspireerde terroristische aanslagen. De dreiging die van jihadgangers (waaronder terugkeerders) uitgaat raakt ook onze nationale veiligheid. Om deze dreiging het hoofd te bieden moet zowel de slagkracht als de ideologische aantrekkingskracht van ISIS verder worden teruggedrongen. ISIS vormt nog steeds een bedreiging voor onze fundamentele waarden, in de regio, maar ook daarbuiten, tot in Europa.

Nederland steunt de Iraakse regering in de verdediging tegen de terreurorganisatie ISIS, die nog steeds ernstige internationale misdrijven en schendingen van het humanitair oorlogsrecht begaat in Irak en Syrië. Vrouwen en minderheden zijn daarbij specifieke doelwitten. De Nederlandse inzet is gericht op het verslaan van ISIS en het voorkomen en beëindigen van deze schendingen en het beschermen van de burgerbevolking.

De druk op de buurlanden, met name Jordanië, Libanon en Turkije, is onverminderd groot. Dit is onder andere het gevolg van het grote aantal vluchtelingen uit Irak en Syrië en de oplopende etnisch-religieuze spanningen. De Nederlandse inzet blijft erop gericht om, in het kader van de bevordering van de internationale rechtsorde, een bijdrage te leveren aan het de-escaleren van de situatie in de regio.

Politieke aspecten

Een overzicht van de meest relevante politieke ontwikkelingen sinds de voortgangsrapportage van 29 april jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 590) wordt hieronder weergegeven.

Irak

De afgelopen maanden werd het beeld in Irak, naast de bevrijding van Ramadi en Fallujah evenals de enorme aantallen ontheemden, in politiek opzicht vooral bepaald door de impasse rond de voorgenomen wisselingen in de regering Al-Abadi. Het verenigen van de verschillende politieke blokken in het parlement om tot een meer bestuurlijke in plaats van partijgeoriënteerde ministersploeg te komen verloopt moeizaam. Desalniettemin was er op 15 augustus jl. overeenstemming over vijf van de zestien kandidaten voor ministersposten. Tegelijkertijd blijft de onenigheid tussen de verschillende politieke blokken onverminderd groot, en houdt de politieke onrust in Irak aan. Door de voortdurende politieke impasse blijven beslissingen uit over belangrijke onderwerpen zoals verzoening en de hiervoor noodzakelijke wetswijzigingen, waaronder de debaathificatiewet, de amnestiewet, de wet voor de Nationale Garde en het vergroten van de autonomie van de gouvernementen.

De relatie tussen Bagdad en de Koerdische Autonome Regio (KAR) blijft koel, waarbij de betwiste gebieden tussen Centraal-Irak en de KAR en de oliedeal (Koerdische olie in ruil voor 17 procent van het nationale budget aan de KAR) de grootste twistpunten zijn. Tijdens zijn bezoek aan Irak op 9 augustus jl. heeft Minister-President Rutte in zijn gesprekken met premier Al-Abadi en regionaal Minister-President Barzani opgeroepen tot het intensiveren van de dialoog tussen Bagdad en Erbil.

In de KAR duurt de impasse voort over de opvolging van de president van de KAR tussen politieke partijen Kurdish Democratic Party (KDP) enerzijds en Patriotic Union of Kurdistan (PUK) en Gorran anderzijds. Achter de schermen wordt geprobeerd tot een oplossing te komen. PUK en Gorran kondigden in mei jl. wel een alliantie aan, waardoor ze samen een sterk blok vormen tegenover de KDP. Nederland neemt deel aan consultaties in EU-verband met de vijf grootste Koerdische politieke partijen om hen tot dialoog te bewegen.

De economische voorspellingen voor Irak blijven zorgwekkend. Wel is de olieprijs recentelijk is gestegen van het dieptepunt van 28 tot circa 45 dollar per vat. Het IMF steunt Irak sinds begin juni 2016 met een Stand-By Arrangement. Het pakket bestaat uit 3,6 miljard dollar aan zachte leningen. Hiervoor moet Irak de begroting met 10 procent verlagen en nieuwe belastingen doorvoeren, waaronder een verhoging van de inkomstenbelasting voor ambtenaren in de hoogste rangen. Ook komt er een sociaal programma om de lasten voor de armsten te verminderen. De Wereldbank steunde Irak reeds in december 2015 met een pakket van 1,2 miljard dollar en Duitsland zegde een lening toe van 500 miljoen euro, vooral gericht op de eerste wederopbouw van heroverde gebieden. Ook de EU steunt Irak met een pakket aan noodhulp, stabilisatie en ontmijning.

Op het gebied van mensenrechten blijft de situatie in Irak zorgelijk. Er zijn regelmatig berichten over meldingen van schendingen van het humanitair oorlogsrecht door vooral ISIS, maar ook door andere strijdende partijen: sjiitische milities, Koerdische Peshmerga of Iraakse eenheden. Het blijft echter moeilijk om deze berichten te verifiëren, mede omdat er een sterke propagandaoorlog gaande is tussen de verschillende groeperingen. Minister-President Rutte heeft, in zijn gesprek met premier Al-Abadi op 9 augustus jl., opgeroepen om de vermeende mensenrechtenschendingen in Fallujah te onderzoeken, in lijn met het verzoek van de VN.

De tenuitvoerlegging van de doodstraf baart eveneens zorgen. In EU-verband heeft Nederland op 25 juli jl. de Iraakse Minister van Binnenlandse Zaken opgeroepen af te zien van uitvoering van de doodstraf. Ook Minister-President Rutte heeft zijn zorgen hierover uitgesproken.

Syrië

De politieke situatie in Syrië is onderwerp van intensieve besprekingen op drie verschillende niveaus. In de Internationale Steungroep voor Syrië (ISSG), waar Nederland deel van uitmaakt, wordt hierover wekelijks gesproken in twee werkgroepen, één voor humanitaire zaken en één voor de wapenstilstand. In deze werkgroepen worden landen ook aangespoord de invloed die zij hebben op de conflictpartijen aan te wenden om verbetering in de situatie te bereiken. Dit leidde de afgelopen maanden tot enig resultaat. Zo werden tussen februari en juli 2016 alle achttien door de VN als belegerd aangemerkte gebieden minimaal één keer met humanitaire hulp bereikt. Het doel is echter volledige en ongehinderde humanitaire toegang. Ondanks de inspanningen van de internationale gemeenschap is het geweld de afgelopen weken – na een periode van relatieve rust – weer opgelaaid. Het perspectief op herstel van de wapenstilstand is somber.

Naast de besprekingen in de ISSG is er ook regelmatig overleg over Syrië tussen de Verenigde Staten en Rusland. Rusland heeft een cruciale rol bij het beïnvloeden van het regime. Het kabinet ziet de geïntensiveerde Amerikaans-Russische besprekingen dan ook als een noodzakelijke stap op weg naar een politieke oplossing voor het conflict. Betere coördinatie tussen de Verenigde Staten en Rusland kan ook de strijd tegen ISIS ten goede komen, maar een focus op terrorismebestrijding mag de bredere politieke dimensie van het conflict niet verdringen. Het kabinet is van mening dat ISIS alleen duurzaam bestreden kan worden als er ook een oplossing komt voor het conflict in Syrië.

Verder heeft VN-Gezant voor Syrië, Staffan De Mistura, de afgelopen maanden gesprekken gevoerd met zowel het Assad-regime als met de in de High Negotiations Committee (HNC) verenigde vertegenwoordigers van de oppositie.

Ook binnen diverse «track II»-sporen zet Nederland in op het samenbrengen van de verschillende conflictpartijen en het maatschappelijk middenveld om in een informele en vertrouwelijke setting te spreken over onderdelen van een politieke transitie. Hierbij moet worden gedacht aan zaken als hervorming van de veiligheidssector, overgangsjustitie en een toekomstige Grondwet. De uitkomsten van deze track II-processen voeden ook het formele proces onder leiding van De Mistura.

Op dit moment zijn de Syrische vredesonderhandelingen onder leiding van De Mistura opgeschort in afwachting van een akkoord tussen de Verenigde Staten en Rusland. Het regime en zijn bondgenoten proberen ondertussen munt te slaan uit de politieke impasse en streven ernaar om de meest dichtbevolkte gebieden van Syrië in handen te krijgen. Partners van het Syrische regime zullen de druk op het regime verder moeten verhogen om compromissen te sluiten met de oppositie die kunnen leiden tot een politiek transitieproces.

Zoals bekend steunt het kabinet de verdere versterking van gematigde gewapende groepen opdat deze zich niet aansluiten bij extremistische groepen en een rol kunnen blijven spelen in besprekingen over de toekomst van Syrië. De in de aanvullende artikel 100-brief van 29 januari 2016 (Kamerstuk 27 925, nr. 570) aangekondigde extra middelen worden onder meer voor dit doel ingezet. Nederland kan dankzij deze steun de dialoog aangaan met deze groepen over het politieke proces en een toekomstige transitie. Sinds 2015 is een pakket van 21,4 miljoen euro beschikbaar gesteld, waarvan recent 5 miljoen euro is geïnvesteerd in de medische capaciteiten van gematigde gewapende groepen en in hun vermogen om smokkel en de invloed van extremisten tegen te gaan. Ook steunt het kabinet het behoud of herstel van basisvoorzieningen (ziekenhuizen, scholen, nutsvoorzieningen en infrastructuur) en het bieden van burgerbescherming in gebieden die onder controle staan van gematigde oppositiegroeperingen. Onlangs werd de steun aan het Access to Justice and Community Security-programma met 8 miljoen euro uitgebreid.

Regionale ontwikkelingen

Iran gebruikt de religieuze overeenkomsten met de sjiitische meerderheid van Irak om invloed uit te oefenen op het beleid in Bagdad. Daarnaast steunt het ook sjiitische milities in Irak in hun strijd tegen ISIS. Hierbij lijkt Iran vooral te streven naar stabiliteit aan zijn landsgrenzen. Er is echter ook sprake van rivaliteit tussen Iran en Irak. Premier Al-Abadi houdt veel meer afstand tot Iran dan zijn voorganger Al-Maliki.

De regionale machtsstrijd tussen Saoedi-Arabië en Iran blijft een belangrijke factor in de regio. In Irak wordt ISIS door vrijwel alle regionale spelers bestreden, inclusief Saoedi-Arabië (als deelnemer aan de coalitie) en Iran, ook al is er sprake van wantrouwen tussen regionale partijen. In Syrië resulteren de verschillende belangen van de landen in de regio in uiteenlopende posities die voortgang van het politieke proces belemmeren. In het licht van regionale spanningen, en de gepercipieerde dreiging van Iran in de regio, heeft Saoedi-Arabië een regionale leiderschapsrol genomen in de overwegend soennitische wereld. Voorbeelden hiervan zijn de militaire operatie van een brede Arabische coalitie in Jemen en de plannen voor een Arabische coalitie tegen terreur. Het tegengaan van de invloed van Iran is hierbij een belangrijke overweging.

Een andere belangrijke regionale speler is Turkije. De eerste uren na de mislukte couppoging in Turkije op 15 juli jl. sloten de Turkse autoriteiten de luchtmachtbasis Inçirlik, die door de coalitie wordt gebruikt. Een dag later konden de coalitie-activiteiten weer worden hervat. De luchtcampagne tegen ISIS heeft hiervan geen noemenswaardige hinder ondervonden. Tijdens de ministeriële bijeenkomst van de coalitie op 21 juli jl. in Washington verzekerde Turkije coalitiepartners van blijvende Turkse inzet in strijd tegen ISIS. Turkije stelde daarbij dat ISIS ook een grote dreiging voor Turkije zelf vormt, gezien de aanslagen eerder dit jaar in Istanbul en Ankara. Op woensdag 24 augustus jl. lanceerde Turkije operatie «Euphrates Shield». Grondacties van het Turkse leger en het Vrije Syrische Leger, ondersteund door Turkse luchtaanvallen, hebben ISIS uit Jarablus verdreven. Nederland heeft Turkije verzocht de acties toe te lichten, onder andere in de NAVO en tijdens het bezoek van Minister Koenders aan Ankara op 29 augustus jl. Turkije stelde dat het militaire optreden is ingegeven door de recente aanslagen en de noodzaak de eigen grenzen en grondgebied te beschermen. Nederland is van mening dat Turkije deze militaire operatie in Noord-Syrië in nauwe afstemming met aanwezige partners op de grond moet uitvoeren, om zo de gezamenlijke strijd tegen ISIS zo effectief mogelijk te houden. De acties van Turkije in Syrië dienen zich bovendien te beperken tot het bestrijden van ISIS. De Turkse premier Yildirim verklaarde op 4 september jl. dat de door Turkije gesteunde rebellen van het Vrije Syrische Leger de 90 km grensstrook (Azaz tot Jarablous) hebben veroverd op ISIS en hiermee de toegang tot de Turkse grens definitief is afgesloten voor ISIS.

Het bezoek van president Erdogan aan president Poetin op 10 augustus jl. is een teken van het herstel van betrekkingen tussen Rusland en Turkije. De toenadering lijkt vooral te zijn gericht op economisch terrein. Het kabinet ziet bij beide landen geen fundamentele verschuiving in de benadering van het conflict in Syrië.

Samenhang

In coalitieverband wordt in de werkgroepen gewerkt aan de bestrijding van ISIS. De vijf sporen, waaraan Nederland allemaal bijdraagt, betreffen zoals bekend:

  • 1) Het militaire spoor: de luchtcampagne tegen ISIS en het trainen van Iraakse strijdkrachten, inclusief Peshmerga;

  • 2) De aanpak van Foreign Terrorist Fighters (FTF);

  • 3) Het stoppen van financieringsstromen naar ISIS en daaraan gelieerde individuen;

  • 4) Het delegitimeren van ISIS;

  • 5) Stabilisatie van bevrijde gebieden.

Hieronder wordt ingegaan op ontwikkelingen sinds de voortgangsrapportage van 29 april jl. (Kamerstuk 27 925 nr. 590).

Ontwikkelingen militaire spoor

ISIS is in Irak in het defensief gedrongen door zowel de luchtaanvallen van de coalitie als het grondoptreden van lokale troepen die door de coalitie zijn getraind en uitgerust. Het campagneplan bevindt zich momenteel in fase 2, het aanpakken van het voortzettingsvermogen van ISIS. In Irak heeft ISIS nauwelijks nog bewegingsvrijheid en treedt als gevolg daarvan hoofdzakelijk via asymmetrische oorlogsvoering op. Voor de start van fase 3, het verslaan van ISIS, zal eerst Mosul moeten worden bevrijd, evenals andere gebieden die onder controle van ISIS staan. De laatste fase (4) zal zich hoofdzakelijk richten op het ondersteunen van stabilisatie van op ISIS heroverde gebieden.

Na het stoppen van de opmars van ISIS in 2015 zijn Iraakse eenheden, inclusief de Peshmerga, effectiever geworden in hun militair optreden en boeken zij successen met offensieve operaties tegen ISIS. De militaire ondersteuning en training door de coalitie hebben hier een belangrijk aandeel in. Iraakse eenheden, inclusief de Peshmerga, hebben het afgelopen jaar gecoördineerd opgetreden in aanloop naar het geplande offensief op Mosul. Deze ontwikkelingen zijn het militair vermogen in de strijd tegen ISIS ten goede gekomen. Ook lokale soennitische strijdgroepen worden ingezet bij de bevrijding van Mosul. Zij zullen mogelijk een deel van de holding force vormen. De holding force zal worden ingezet om een stabiele situatie in en rond de stad te creëren en bestaat bij voorkeur uit (politie-)eenheden die een goede verstandhouding hebben met de lokale bevolking.

Ook in Syrië wordt ISIS steeds verder onder druk gezet. Onlangs hebben oppositiegroepen, ondersteund door gevechtsvliegtuigen van de coalitie, ISIS verdreven uit de stad Manbij. Naast terreinwinst op ISIS, wordt door close air support en air interdiction van coalitievliegtuigen het voortzettingsvermogen van ISIS verder beperkt. ISIS heeft in Syrië meer bewegingsvrijheid dan in Irak, maar ook in Syrië moet ISIS zich als gevolg van de luchtcampagne steeds verder aanpassen. De aanvoerlijnen in Oost-Syrië zijn ernstig verstoord. Dit heeft bijgedragen aan het inperken van het voortzettingsvermogen van ISIS in Irak.

Tijdens de vergadering van defensieministers op 4 mei jl. in Stuttgart is gesproken over de behoefte van de coalitie om de militaire campagne verder te brengen. Hierbij gaat het vooral om enablers, medische ondersteuning en het breder en flexibeler kunnen inzetten van trainers. Deze behoeften werden herhaald tijdens de militaire planningsconferentie eind mei jl. in Tampa en tijdens de Defensieministeriële in Washington op 20 juli jl. In Tampa was ook aandacht voor het verbeteren van de civiel-militaire structuren in hoofdkwartieren ten behoeve van een snellere stabilisatie na het militair verdrijven van ISIS uit steden.

De NAVO gaat indirect bijdragen aan de strijd tegen ISIS door middel van capaciteitsopbouw van regionale partners, waaronder Irak, middels het zogeheten Defense Capacity Building-programma. Tijdens de NAVO-top in Warschau op 9 juli jl. werd voorts besloten dat de NAVO AWACS-radarvliegtuigen informatie mogen delen met de anti-ISIS coalitie.

Civiele sporen anti-ISIS coalitie

Tijdens de ministeriële (Defensie en Buitenlandse Zaken) coalitiebijeenkomsten in Washington op 20 en 21 juli jl. werd ingegaan op de toekomstige operatie ter bevrijding van Mosul. Nederland heeft het belang van civiel-militaire coördinatie bij de operatie expliciet benadrukt; het militaire spoor moet worden afgestemd op de mate van «gereedstelling» op humanitair en stabilisatievlak. Daarnaast heeft Nederland, in lijn met de toezegging aan uw Kamer op 7 juli jl., het belang benadrukt van een lange-termijn post-ISIS strategie. De Iraakse overheid moet het voortouw nemen om verzoening en politieke en economische hervormingen tot stand te brengen. Dit is van groot belang om te voorkomen dat er, na het verslaan van ISIS in Irak, een voedingsbodem blijft bestaan voor terrorisme. Ook werd ingegaan op de operationele aspecten van de bevrijding. De operatie zal worden geleid door de Iraakse strijdkrachten, ondersteund door de Peshmerga.

Tijdens de genoemde bijeenkomsten was ook aandacht voor het verder aanpakken van ISIS als internationaal terreurnetwerk. Een deel van de oplossing ligt in intensievere informatiedeling tussen coalitiepartners, tussen landen onderling, maar ook tussen nationale instellingen die veelal nog te verkokerd werken. Alleen op die manier kan de veelheid aan dreigingen vanuit ISIS het hoofd worden geboden. Verder werd ingegaan op ISIS in Libië. Daar staat ISIS onder toenemende druk van Libische milities die ISIS, met steun van de Verenigde Staten, uit de havenstad Sirte verdrijven. Nederland stelde dat de aanwezigheid van ISIS in het zuiden van Libië een bedreiging vormt voor de fragiele staten in Sub-Sahara Afrika.

De meest recente bijeenkomst van de foreign terrorist fighters-werkgroep, voorgezeten door Nederland en Turkije, waaraan ook militaire vertegenwoordigers deelnamen, vond plaats op 9–10 mei jl. in Brussel. De werkgroep besteedde aandacht aan het delen van trends en analyses, ook met het militaire spoor, van FTF-stromen die op gang komen na het bevrijden van gebieden op ISIS. Ook werden FTF-stromen van en naar Libië geïnventariseerd, evenals mogelijkheden om informatie-uitwisseling te bevorderen tussen de coalitie en internationale organisaties, zoals Interpol en de VN. Het kabinet verwelkomt de recente toetreding van Interpol tot de coalitie. Tijdens de eerstvolgende werkgroep dit najaar zal worden bezien welke boodschappen het beste ingezet kunnen worden om rekrutering en verdere radicalisering zoveel mogelijk te belemmeren.

Ook op het gebied van counter-messaging (bijeen in Washington op 20 juli jl.) zet Nederland in op civiel-militaire samenwerking. Zo heeft Nederland een medewerker gedetacheerd bij de Strategic Communications Cell van de coalitie, die zich onder meer richt op het delen van successen van de coalitie en het opbouwen van capaciteit in landen om gemeenschappen en individuen weerbaarder te maken tegen terroristische ideologieën. In dit licht zal het kabinet zich de komende maanden inzetten om waar mogelijk, via capaciteitsopbouwprogramma’s, strategische communicatiecapaciteit in landen buiten Europa verder op te bouwen.

De samenhang tussen het militaire spoor en de civiele sporen van de coalitie is een steeds belangrijker aandachtspunt in coalitiebijeenkomsten. De militaire operaties rond de bevrijding van Ramadi en Falujah brachten grote stromen ontheemden op gang. Bij volgende operaties zijn voldoende humanitaire corridors en opvang op de juiste plek van levensbelang. Tegelijkertijd willen ontheemden na de bevrijding zo snel mogelijk terug, ook als de situatie door onontplofte explosieven en zwaar verwoeste infrastructuur nog niet veilig is. De stabilisatiewerkgroep (27 mei jl. bijeen in Berlijn) benadrukte dat voorlichting aan ontheemden over de gevaren van explosieven en snelle ruiming essentieel is, naast een snel eerste herstel van basisinfrastructuur. Voor 2016 draagt Nederland met 25 miljoen euro bij aan het Funding Facility for Immediate and Extended Stabilization van het United Nations Development Programme in Irak, dat zich richt op snel herstel van ziekenhuizen, scholen, nutsvoorzieningen en infrastructuur in op ISIS heroverde gebieden. Ook steunt Nederland verschillende programma’s op het gebied van ontmijning in Irak met 10 miljoen euro.

Mandaat

De rechtsgrond voor de Nederlandse militaire bijdrage wordt gevormd door het Iraakse verzoek aan de VN tot militaire steun van 25 juni 2014 en 20 september 2014. Met de gastlanden waar Nederlandse militairen zijn gestationeerd, zijn afspraken gemaakt over de juridische status van deze militairen.

Deelnemende landen

De internationale coalitie tegen ISIS, onder leiding van de Verenigde Staten, bestaat uit 67 partners, waaronder landen uit de regio, die uiteenlopende (militaire en niet-militaire) bijdragen leveren aan de strijd tegen ISIS. Recentelijk is ook Interpol tot de coalitie toegetreden. In de coalitie trekken westerse landen en landen uit de regio gezamenlijk op. Deze samenwerking is en blijft van groot belang.

Invloed

Nederland heeft via diplomatieke, politieke en militaire kanalen op verschillende niveaus contacten met de coalitiepartners. De meest actieve landen binnen de coalitie, waaronder Nederland, zijn georganiseerd in de Small Group, met als doel de overkoepelende aansturing en strategiebepaling voor alle sporen. De Small Group komt ongeveer elke twee maanden bij elkaar op ministerieel, commandant der strijdkrachten (CDS) of hoogambtelijk niveau. Nederland is lid van alle civiele coalitiewerkgroepen en tevens covoorzitter van de foreign terrorist fighters-werkgroep.

De coördinatie van de militaire bijdragen van de verschillende coalitiepartners is belegd bij CENTCOM en deels gedelegeerd aan het Combined Joint Task Force (CJTF) hoofdkwartier in Koeweit. Voor de speciale eenheden bestaat een separate bevelslijn met de Combined Joint Special Operations Task Force. De Nederlandse stafofficieren bij CENTCOM en CJTF dragen bij aan de strategische planning van de operatie. De evaluatie van de voortgang en de advisering over de benodigde bijsturing van de militaire operatie en het campagneplan is belegd bij de Coalition Strategic Plans Group (CSPG). De CSPG, waar Nederland twee stafofficieren heeft geplaatst, werkt daarnaast aan de uitwisseling van informatie over de militaire operatie en de resultaten op de andere, niet-militaire, sporen. Nederland heeft tevens liaison- en stafofficieren geplaatst in operationele hoofdkwartieren in Koeweit (CJTF-OIR, SOJTF-OIR), Bagdad (CJFLCC, CJSOTF-I), Qatar (CFACC, COAC) en Erbil (KTCC). In deze hoofdkwartieren vindt de planning en coördinatie plaats van operaties en activiteiten waarbij Nederland betrokken is.

Militaire aspecten

Haalbaarheid

Zowel Iraakse eenheden als de Peshmerga blijven gebaat bij materiële ondersteuning, en gerichte training en advies in gevechtstechnieken en commandovoering. De eenheden zijn dankzij de trainingen en door praktische gevechtservaring beter gaan opereren. Verdere verbetering van de kwaliteit van de bevelvoering, gevechtskracht, coördinatie tussen de verschillende actoren en logistieke organisatie is van belang. Daarnaast leidt het optreden tegen ISIS tot uitputting en slijtage van het materieel. Op het slagveld gelden de Iraqi special forces (Counter Terrorism Service – CTS) als de meest capabele Iraakse eenheden (zij worden in Bagdad getraind door de SOF-coalitie, waaronder door Nederlandse SOF-trainers). De overige eenheden van de Iraakse strijdkrachten, inclusief de Peshmerga, bestaan voornamelijk uit lichte infanterie-eenheden.

Het verder terugdringen van ISIS in Irak en Syrië zal de aard van de strijd veranderen. Indien de Iraakse strijdkrachten, inclusief de Peshmerga, er met steun van de coalitie in slagen om ISIS in Irak steeds verder te verslaan, dan zal de situatie op de grond logischerwijs wijzigen. Het is mogelijk dat ISIS andere manieren gaat zoeken om de resterende militaire capaciteiten in te zetten om Irak vergaand te destabiliseren met bijvoorbeeld asymmetrische oorlogsvoering en terroristische aanslagen. Frontlinies en een zichtbaar optredende tegenstander, zoals nu nog het geval is, zullen in dat geval verdwijnen waardoor de Iraakse strijdkrachten met steun van de coalitie, met andere tactieken (counter insurgency) en deels met andere middelen deze dreiging het hoofd moeten bieden. De coalitie zal in de nabije toekomst bezien op welke manier en met welke capaciteiten de Iraakse veiligheidsinstanties dan het meest geholpen zouden zijn.

Nederlandse trainingsmissie Irak

Voortgang training Peshmerga

In Noord-Irak geven Britse, Duitse, Finse, Hongaarse, Italiaanse, Nederlandse en Noorse mobiele trainingsteams training aan de Peshmerga. Italië heeft in juni 2016 voor een half jaar de coördinerende rol op rotatiebasis overgenomen van Duitsland. Het Kurdistan Training Coordination Center (KTCC) verzorgt in samenspraak met het Ministry of Peshmerga (MoP) de coördinatie, ontwikkeling, opzet en evaluatie van de trainingen. Zo komen trainingen tot stand die goed aansluiten bij de behoefte van de Peshmerga. Daarbij worden de trainingen toegespitst op het materieel dat via de equip programma’s van de coalitie, met name het Amerikaanse modern brigade equipment programma, wordt aangeboden. Het trainingscurriculum wordt continu verder ontwikkeld. Zo is afgelopen jaar aandacht gekomen voor het trainen van compagnies- en bataljonsstaven, schietvaardigheid op langere afstand en het opsporen van improvised explosive devices (IED’s). Nederland verzorgt de trainingen altijd samen met coalitiepartners. De Nederlandse chef staf van het KTCC is tevens de Nederlandse Senior National Representative (SNR) in het missiegebied.

De verwachting is dat eind 2016 twee brigades Peshmerga zullen zijn getraind. In maart, april en mei 2016 gaf Nederland samen met het Verenigd Koninkrijk en Finland training aan vrouwelijke Peshmerga. Het betrof basisinfanterietrainingen, waaronder aan (onder)officieren. Eind mei jl. ontvingen alle vrouwen die meededen aan de Female Peshmerga Leadership Training hun certificaat. Over de niet-lethale steun voor de Peshmerga is uw Kamer geïnformeerd in de brief van 19 augustus jl. (Kamerstuk 27 925, nr. 596) in lijn met de toezegging aan uw Kamer op 7 juli jl.

De inzet van het Nederlandse Mobile Support Team (MST) sinds april jl. verloopt goed en wordt zowel door de coalitie als de Peshmerga zeer gewaardeerd. Het trainingsprogramma wordt eveneens vooraf afgestemd met het KTCC, waardoor het goed aansluit bij de behoefte. Aangezien de getrainde eenheden relatief klein in aantal zijn en het trainingsprogramma is toegespitst op een specifieke behoefte, is de duur van de trainingen relatief kort in vergelijking met de huidige reguliere basistrainingen. Ze variëren van enkele dagen tot enkele weken.

Het MST kan op verschillende locaties worden ingezet voor training van eenheden, ook op korte afstand van de gevechtslocaties. De eenheden hoeven daardoor niet ver te reizen en worden derhalve minder lang onttrokken aan hun gevechtsopdracht. Ook kan in de trainingen direct worden ingespeeld op missie-specifieke situaties. De flexibele inhoud van de trainingen kan direct worden aangepast als gevolg van geleerde lessen en geconstateerde tekortkomingen.

Voortgang training Iraakse speciale eenheden

De Nederlandse Special Operations Forces (SOF) werken nauw samen met onder andere de Belgische SOF als onderdeel van een SOF-taakgroep. De trainingen ten behoeve van de Iraakse SOF in Bagdad ontwikkelen zich voortdurend. Het resultaat van de in 2015 opgezette Commando Instructor Course en het Train-the-Trainer programma is dat Iraakse instructeurs de instructietaken inmiddels van de coalitie overnemen. Hierdoor kunnen de Nederlandse SOF-instructeurs zich samen met andere coalitiepartners richten op zogenoemde re-fit trainingen. Hierbij krijgen eenheden die eerder een basisopleiding hebben gevolgd een vervolgopleiding nadat zij in het veld zijn ingezet.

Tevens zijn op dit moment drie Nederlandse en drie Belgische SOF-operators op verzoek van de Combined Joint Special Operations Task Force (CJSOTF) in Noord-Irak ontplooid waar zij bijdragen aan trainingen voor Tribal Resistance Forces, afkomstig uit de regio.

In de voortgangsrapportage van 29 april jl. bent u geïnformeerd over de Nederlandse bijdrage aan het Ministerial Liaison Team (MLT)(Kamerstuk 27 925, nr. 590). De Nederlandse kolonel die als adviseur border police onderdeel uitmaakt van het MLT is inmiddels in Bagdad begonnen met zijn werkzaamheden. Het team, onder leiding van een Canadese generaal, zal de Iraakse autoriteiten en strijdkrachten op strategisch niveau adviseren over militaire planning en uitvoering van operaties.

Voorziene inzet trainers na verlenging

De behoefte aan verschillende soorten trainingen is niet statisch en ontwikkelt zich steeds verder. Het train-the-trainer principe leidt er bijvoorbeeld toe dat de lokale eenheden steeds meer zelf de zorg voor de basistraining op zich kunnen nemen. De trainingsbehoefte richt zich vervolgens steeds meer op specifieke vervolgtrainingen. Het kabinet is voornemens de inzet van Nederlandse trainers verder te laten aansluiten bij de veranderende behoeftestelling van de coalitie. Als gevolg daarvan kunnen de Nederlandse trainers flexibeler worden ingezet en zullen bestaande trainingsteams in toenemende mate gaan werken zoals dat reeds wordt gedaan door het bestaande Mobile Support Team. Hiermee ontstaan vier flexibele teams die beter kunnen inspelen op de bovengenoemde veranderende behoefte aan kortere missie-specifieke trainingen, dichter bij de gevechtslocaties.

Daarnaast zullen de trainingen van de Nederlandse teams breder beschikbaar worden gesteld. Bij de keuze van de te trainen eenheden blijft Nederland invulling geven aan de wens om de steun aan Bagdad en Erbil in balans te houden. Een verhoging van het aantal Nederlandse militaire trainers is hiervoor niet nodig. Deze verandering in werkwijze sluit aan bij de voortgang in de strijd tegen ISIS, waarbij de geografische inzet verschuift richting Mosul. Tijdens de trainingen blijft aandacht voor humanitair oorlogsrecht en mensenrechten onverminderd van kracht.

Het uitgangspunt blijft dat deze teams vanuit de huidige basislocaties, Erbil en Bagdad, tijdelijk worden uitgezonden naar een trainingslocatie waar eenheden worden getraind die op dat moment actief zijn in de strijd tegen ISIS. Na de training, tijdens zogenaamde gevechtspauzes, worden deze eenheden weer ingezet tegen ISIS en keren zij terug naar de gevechtslocaties. Voor iedere inzet van een flexibel team worden, conform de huidige werkwijze van het MST, alle (veiligheids-)aspecten en voorwaarden gewogen die noodzakelijk zijn voor een veilige en effectieve inzet.

Voorziene inzet Special Operation Forces

Gelet op de ontwikkelingen in de strijd tegen ISIS, en het feit dat het niveau van de basistrainingen met succes wordt bereikt, heeft de coalitie behoefte aan zogenoemde Special Operation Forces (SOF) Advise & Assist (A&A) teams. A&A behelst het adviseren en ondersteunen van door de coalitie geselecteerde eenheden bij de voorbereiding en uitvoering van gevechtsacties, onder meer op het gebied van operationele planning, leiderschap, het coördineren van vuursteun, en het analyseren en verwerken van geleerde lessen uit operaties. Ook in dezen wordt aandacht besteed aan humanitair oorlogsrecht. De teams geven training en advies aan eenheden dichtbij, maar niet op, gevechtslocaties. De A&A-teams nemen dus niet zelf fysiek deel aan daadwerkelijke gevechtsacties. Een voorwaarde voor de inzet van deze teams is het beschikken over eigen inlichtingencapaciteit met een Intelligence, Surveillance en Reconnaissance (ISR) middel in de vorm van een Unmanned Aerial Vehicle (UAV). Enerzijds dient dit middel om zicht te hebben op de gevechtslocatie zodat de Iraakse eenheden kunnen worden geassisteerd bij de voorbereiding en uitvoering van acties. Anderzijds stelt ISR de A&A-teams in staat de veiligheidssituatie in hun directe omgeving te blijven monitoren en zo ook de eigen veiligheid te borgen. In tegenstelling tot de trainingen van de mobiele teams richt A&A zich dus op ondersteuning, op afstand, tijdens een specifieke gevechtssituatie. Inmiddels leveren zeven SOF-coalitiepartners dergelijke A&A-teams. Op dit moment wordt bezien of en op welke wijze Nederland en België gezamenlijk invulling kunnen geven aan de inzet van A&A-teams. Voordat hiertoe wordt overgegaan zal uw Kamer vanzelfsprekend nader worden geïnformeerd.

Inzet van F-16’s / Force Protection

België heeft met ingang van 1 juli 2016 de inzet van F-16’s tegen ISIS van Nederland overgenomen voor de duur van één jaar. Nederland verzorgt sindsdien de force protection van het Belgische F-16 detachement, conform de afspraak met België die reeds is aangekondigd in de brief aan uw Kamer van 19 juni 2015 over de verlenging van de Nederlandse bijdrage aan de strijd tegen ISIS (Kamerstuk 27 925 nr. 539).

Thans zijn bij het Belgische detachement Nederlandse militairen aanwezig van het Force Protection Middle East detachement (FPME) en de ATFME Redeployment Eenheid (RDE). Ongeveer 35 militairen zullen overblijven voor het verzorgen van force protection voor het Belgische F-16 detachement. Daarnaast wordt nog één stafofficier ingezet in het Combined Air Operations Command (CAOC) in Qatar. Het personeel van de RDE zal op korte termijn, na voltooiing van de redeployment, naar Nederland terugkeren. Tot slot heeft Nederland een stafofficier geplaatst in de Coalition Target Development Cell in het hoofdkwartier van CJTF in Qatar. Met deze functionaris vergroot Nederland de bijdrage aan het targeting proces van de coalitie.

De inzet van Nederlandse F-16’s boven Irak heeft onder meer een belangrijke bijdrage geleverd aan de ondersteuning van de grondtroepen in de provincie Anbar en in Noord-Irak. Sinds het begin van de inzet zijn zeven detachementen ingezet en werden ruim 2.100 vluchten uitgevoerd waarbij meer dan 1.800 wapens zijn ingezet. Zoals toegezegd aan uw Kamer op 7 juli jl. wordt op de inzet van F-16’s nader ingegaan tijdens een vertrouwelijke briefing.

Tankervliegtuigen

Een dringende behoefte van de coalitie betreft tankervliegtuigen voor air-to-air-refueling. Om deze capaciteit werd in november 2015 ook door Frankrijk verzocht op basis van artikel 42.7 Verdrag inzake de Europese Unie. Nederland zal, rekening houdend met andere verplichtingen, de nog beschikbare tankercapaciteit aanbieden aan de coalitie. De coalitie zal bezien op welke wijze de Nederlandse capaciteit kan worden ingezet. Als tot deze nieuwe inzet wordt overgegaan, zal de Kamer hier uiteraard in een voortgangsrapportage nader over worden geïnformeerd.

Bevelsstructuur

De bevelsstructuur van de missie is ongewijzigd sinds de vorige artikel 100 brief van 19 juni 2015. Vanuit het eerder genoemde CAOC in Qatar wordt de luchtcampagne aangestuurd. Het overkoepelende hoofdkwartier van Central Command (CENTCOM) bevindt zich in Tampa, Florida (Verenigde Staten).

De algehele leiding van de trainingsmissie berust bij het Combined Joint Task Force hoofdkwartier in Koeweit. Dit hoofdkwartier heeft een vooruitgeschoven hoofdkwartier in Bagdad, het Combined Joint Forces Land Component Command Iraq (CJFLCC), stuurt meerdere trainingsinspanningen aan en houdt het overzicht over de diverse militaire operaties in Irak. Vanuit het Kurdish Training and Coordination Centre (KTCC) worden de trainingen van de Peshmerga gecoördineerd, in samenwerking met het Ministry of Peshmerga.

(Na)zorg

Op alle uitgezonden Nederlandse militairen zijn de geldende regelingen van toepassing. Indien noodzakelijk of gewenst, kunnen leden van een sociaal medisch team (SMT) in het operatiegebied toezien op het welzijn van de militairen. De verlenging van de inzet van Nederlandse trainers in de strijd tegen ISIS leidt niet tot inbreuk op uitzendbescherming van militairen.

Risico’s

Dreiging trainers

In Noord-Irak voert ISIS, weliswaar in afnemende mate, acties uit langs de gehele frontlijn, onder meer met indirect vuur, IED’s en zelfmoordaanslagen. Incidenteel zijn buitenlandse coalitie-eenheden, die zich dicht aan het front bevonden, betrokken geraakt bij gevechten. Dat geldt echter niet voor de Nederlandse Mobile Support Teams. Achter het front vormen (zelfmoord-)aanslagen en inzet van IED’s een blijvend, maar beperkt gevaar omdat de Koerdische veiligheidstroepen hier een grote mate van controle hebben op de veiligheidssituatie. In de omgeving van Bagdad vormen de dagelijkse aanslagen van ISIS een blijvend gevaar, vooral buiten de beveiligde zones en rond verbindings- en toegangswegen. Dit geldt in mindere mate voor de Nederlandse militaire trainers en stafpersoneel in Bagdad, aangezien zij trainingen verzorgen in de beveiligde zone. Voor iedere mogelijke toekomstige inzet van Nederlandse trainers of eventuele advise & assist-teams zullen alle (veiligheids-)aspecten worden gewogen om tot een veilige en effectieve inzet te komen.

Een risico van een andere orde vormen onderhuidse spanningen tussen Iraakse actoren. In veel gevallen komen deze spanningen naar boven wanneer terrein op ISIS wordt heroverd. Het is mogelijk dat buitenlandse eenheden in Irak (ongewild) betrokken raken bij conflicten die uit die spanningen voortkomen. Bovendien staan verschillende milities wantrouwend tegenover een grootschalige westerse militaire presentie in Irak. Hoewel de aanwezigheid van westerse militairen uit pragmatische overwegingen wordt gedoogd, kan dit op termijn veranderen indien de perceptie ontstaat dat de westerse militaire presentie in Irak te lang aanhoudt of groter is dan noodzakelijk. Het risico hierbij betrokken te raken is kleiner in het door Koerden gecontroleerd gebied.

Mitigerende maatregelen

Bij flexibilisering van de inzet van de trainingsteams zullen dezelfde voorwaarden gelden als voor het huidige Mobile Support Team dat samen met coalitiepartners trainingen verzorgt. Een internationaal samengesteld trainingsteam bestaat doorgaans uit ongeveer twintig trainers, aangevuld met specialisten en medisch personeel. Met deze capaciteit is het trainingsteam in staat te voorzien in de eigen force protection en directe medische hulp. Alle militairen van het trainingsteam beschikken voor zelfverdediging over persoonlijke bewapening en maken gebruik van gepantserde civiele voertuigen. Bij calamiteiten wordt voor quick reaction-capaciteit teruggevallen op eenheden van de coalitie die in de regio actief zijn, of op de Peshmerga. Ook de beschikbaarheid van deze capaciteit wordt getoetst alvorens het team wordt ingezet.

Gevolgen gereedheid en geoefendheid

De Nederlandse bijdrage van F-16 jachtvliegtuigen aan de strijd tegen ISIS leidde tot verdere kwalitatieve en kwantitatieve beperkingen in het reguliere opleidings- en trainingsprogramma van de F-16 vliegers. Door de relatief eenzijdige inzet in de anti-ISIS coalitie nam de algehele geoefendheid van de vliegers verder af. Daarnaast resteerden onvoldoende vlieguren om deze afname van geoefendheid te compenseren. Om meer vlieguren voor opleidingen en trainingen beschikbaar te maken, is Defensie het vliegurenplafond van CLSK toen verhoogd.

De huidige inzet van Defensie vereist veelal specifieke expertise. Aangezien deze experts vaker worden ingezet, kampen de organieke eenheden van deze militairen met een beperktere instructeurscapaciteit en een extra belasting van de experts. Indien de veranderende vraag om trainers zou resulteren in een grotere belasting van schaarse enablers of specialisten, zullen de gevolgen voor de gereedstelling en eventuele invloed op andere inzet of activiteiten zorgvuldig worden afgewogen.

Duur van de deelname

Nederland stelt vanaf oktober 2016 155 militairen beschikbaar ten behoeve van training tot en met 31 december 2017). Daarnaast zijn thans militairen ingezet voor het Force Protection Middle East detachement (FPME) en de ATFME Redeployment Eenheid (RDE), waarvan ongeveer 35 militairen van het FPME detachement zullen overblijven voor het verzorgen van force protection voor het Belgische F-16 detachement tot 1 juli 2017. Het personeel van de RDE zal uiterlijk begin september 2016 naar Nederland terugkeren.

Humanitaire hulp

Irak

Meer dan 85.000 mensen zijn Fallujah ontvlucht ten tijde van de operatie ter bevrijding van de stad in juni jl. De operatie verliep sneller dan verwacht waardoor humanitaire organisaties versneld moesten inspelen op de hoge noden. Momenteel zijn er door de VN 66 kampen rondom de stad opgezet waar ontheemden zijn opgevangen. De verwachting is dat zij over enkele maanden terug kunnen naar Fallujah, dus nadat de stabilisatiewerkzaamheden voldoende voortgang hebben geboekt.

De militaire operatie voor de bevrijding van Mosul zal naar verwachting eveneens grote humanitaire consequenties hebben. Het verwachte aantal ontheemden is tussen de 300.000 en – in het ergste scenario – 800.000 mensen. Er zijn vooralsnog te weinig kampen om dergelijke aantallen ontheemden op te vangen. Ook zijn er onvoldoende hulporganisaties in dit deel van Irak actief, omdat de meeste organisaties de veiligere Koerdische regio kiezen. Ook daar zijn de kampen overbevolkt. Wel zijn onder andere de VN en het Internationale Rode Kruis bezig met de voorbereiding op een potentiële toename van het aantal vluchtelingen. Zij doen dit door middel van adequate planning en, mede op initiatief van Nederland, in afstemming met de militaire planning om te bevorderen dat humanitaire inspanningen goed aansluiten op militaire operaties. Dit betekent dat er contact is tussen militairen en humanitaire organisaties over de vorderingen van de strijd tegen ISIS, zodat humanitaire organisaties kampen en basisvoorzieningen kunnen voorbereiden voor de mensen die Mosul zullen ontvluchten voordat de militaire operatie voor bevrijding van Mosul begint.

Een ander belangrijk zorgpunt is de behandeling van (jonge) mannen die voor screening op ISIS-sympathieën van de rest van de ontheemden worden gescheiden. Bij Fallujah is gebleken dat hieruit mensenrechtenschendingen kunnen voortkomen. Verbeterde toegang tot opvangkampen voor de internationale gemeenschap is een belangrijk aandachtspunt bij de planning van de toekomstige bevrijding van Mosul.

In Irak is het VN Pooled Fund versneld ingezet bij de hulpverlening direct na de bevrijding van Fallujah. Middelen uit het Pooled Fund zullen ook zoveel mogelijk worden ingezet bij de voorbereiding op de bevrijding van Mosul. Nederland heeft voor 2016 een bedrag van 10,3 miljoen euro extra bijgedragen aan dit fonds.

Mochten er meer middelen nodig zijn, dan zal een extra bijdrage uit het noodhulpbudget overwogen worden.

Syrië

Humanitaire toegang tot belegerde gebieden blijft in Syrië een groot probleem. Toegang is vergeleken met vorig jaar weliswaar verbeterd, mede door de inzet van de ISSG, maar het doel van volledige ongehinderde humanitaire toegang is nog niet bereikt. In augustus zijn bijvoorbeeld alleen Al Waer en Harasta bereikt met een konvooi en hebben een twintigtal medische evacuaties plaatsgevonden in Foah, Kafraya en Madaya. Door de slechte humanitaire toegang, die gegeven moet worden door het regime, blijven mensen verstoken van onder andere voedselhulp en medische hulp. Er zijn schrijnende beelden van mensen die gras eten om in leven te blijven.

De situatie in Aleppo is zeer zorgelijk. Het Syrische regime, met hulp van Rusland, belegert het oosten van de stad waardoor 300.000 inwoners van humanitaire hulp zijn verstoken. Rusland heeft tegelijkertijd vier corridors ingesteld om mensen de stad te laten ontvluchten. Mensen moeten niet worden gedwongen de stad te verlaten. Bescherming van mensen en neutrale hulp in Aleppo zijn cruciaal. Nederland wil dat de VN de leiding neemt in de hulpverlening en heeft de VN in onder andere de ISSG opgeroepen een plan op te stellen om deze hulp te bieden. Het kabinet is van mening dat het plan van UN OCHA, om een 48-uurs wapenstilstand in te stellen, cruciaal is om daadwerkelijk hulp te kunnen bieden. Een staakt-het-vuren van drie uur per dag, zoals voorgesteld door Rusland op 10 augustus jl., is niet voldoende. Inmiddels zijn de VS, de VN en Rusland overeengekomen een wekelijks staakt-het-vuren van 48 uur in te stellen voor Oost-Aleppo zodat de VN daar hulp kan leveren. Dit staakt-het-vuren is echter nog niet gerealiseerd, omdat de oppositie van mening is dat het staakt-het-vuren voor heel Aleppo moet gelden en niet alleen voor Oost-Aleppo Daarbij wil de oppositie dat hulpgoederen ook via oppostiegebied worden geleverd. VS en like-minded landen respecteren de eisen van de oppositie. Rusland wijst met de vinger naar de oppositie, en zegt geen 48-uurpauze voor heel Aleppo te kunnen garanderen als gevechten in Zuidwest-Aleppo doorzetten. Het doel van volledige ongehinderde humanitaire toegang tot alle gebieden in Syrië is dus nog lang niet bereikt.

Daarom vluchten veel Syriërs richting onder meer de grens met Jordanië, die sinds half juni gesloten is vanwege veiligheidsrisico’s. Hierdoor zitten veel Syriërs vast in «de berm» (grensgebied tussen Jordanië en Syrië ten noordoosten van Jordanië). Onder hen zijn veel vrouwen en kinderen. Hulporganisaties hebben beperkte tot geen toegang tot de berm waardoor mensen daar onder erbarmelijke omstandigheden verblijven. WFP heeft met Nederlandse steun (400.000 euro) op 2 augustus jl., voor het eerst sinds een zelfmoordaanslag in de berm op 21 juni jl., voedsel kunnen leveren aan deze kwetsbare groep mensen in zowel Hadalat als Rukban. Door de Nederlandse bijdrage heeft WFP de geleverde hulp kunnen verdubbelen. Er vindt continu overleg plaats met de Jordaanse autoriteiten om vaker en liefst structureel toegang te krijgen tot de berm.

Nederland doet er alles aan om de vele mensen in nood bij te staan. Nederland heeft op 4 februari jl. tijdens de Syrië-conferentie in Londen een toezegging gedaan van 75 miljoen euro aan extra humanitaire hulp. Hiervan is 25 miljoen euro ingezet voor steun aan de belegerde gebieden in Syrië, voornamelijk via de VN Pooled Funds. De bijdragen aan de Pooled Funds zijn belangrijk voor de flexibiliteit van de uitvoerende partijen. Door deze flexibiliteit kan het geld ook cross border worden ingezet en wordt sneller ingesprongen op crisissituaties zoals momenteel in Idleb, Aleppo en Manbij.

De belegering van Deir ez-Zor houdt aan waardoor het nog steeds onmogelijk is om humanitaire hulp via de grond te leveren. Om deze reden worden er voedseldroppingen uitgevoerd door het Wereldvoedselprogramma (WFP). Sinds april jl. heeft WFP meer dan honderd succesvolle voedseldroppingen kunnen uitvoeren in Deir ez-Zor. Nederland steunt de airdrops met 3,3 miljoen euro. Voedseldroppingen worden als laatste redmiddel altijd in overweging genomen zodra hulp over de grond onmogelijk blijkt.

Financiën

Voor de Nederlandse missie ter bestrijding van ISIS was initieel 66 miljoen euro geraamd tot het einde van het mandaat in oktober 2016. De realisatie in 2016 tot en met juli bedroeg in totaal 79 miljoen euro. Deze overrealisatie van 13 miljoen euro komt deels voort uit een rekening voor munitie uit 2015 die in 2016 is verrekend. Daarnaast is meer munitie verbruikt dan geraamd en zijn in januari 2016 de prijzen voor munitie door de fabrikant bijgesteld, waardoor de kosten hoger uitvielen. De dekking hiervoor is gevonden binnen het Budget Internationale Veiligheid (BIV).

De additionele uitgaven voor de verlenging van de Nederlandse bijdrage aan de strijd tegen ISIS tot en met eind 2017 zijn geraamd op in totaal 26,5 miljoen euro. Dit is voor de trainingsmissie in Irak en de force protection van de Belgische F-16’s. Voor 2016 betreffen de uitgaven 5,5 miljoen euro en voor 2017 21 miljoen euro. De inzet van Nederlandse tankercapaciteit zal, afhankelijk van de duur en wijze van inzet door de coalitie, ongeveer 2 miljoen euro extra kosten. De additionele uitgaven voor de totale militaire bijdrage worden gefinancierd uit het BIV, post crisisbeheersingsoperaties. De specifiek aan deze missie gerelateerde additionele uitgaven voor nazorg worden gefinancierd uit de bestaande voorziening voor nazorg in het BIV.

Nationale veiligheid

De actieve houding van de Europese Unie en een groot aantal lidstaten tegen ISIS heeft de dreiging jegens Europese instellingen, haar lidstaten en Europese burgers verhoogd. ISIS heeft gewaarschuwd dat het aanslagen zal plegen in landen die deelnemen aan de anti-ISIS coalitie. Sinds 2014 zijn meer dan 1.200 slachtoffers gevallen bij aanslagen buiten Syrië en Irak die door ISIS zijn aangestuurd dan wel geïnspireerd. Tegelijkertijd is het kabinet ervan overtuigd dat het verdrijven van ISIS uit de veilige haven in Syrië en Irak, waartoe de VN-Veiligheidsraad oproept (VNVR 2254 en VNVR 2249), de capaciteit van ISIS om elders aanslagen te plegen zal aantasten.

Naarmate de coalitie ISIS in Irak en Syrië verder in het nauw brengt, kunnen meer buitenlandse strijders, onder wie Nederlanders, Syrië en Irak proberen te verlaten. Een deel van de terugkeerders kan vervolgens uit eigen beweging dan wel door ISIS aangestuurd aanslagen plegen in het thuisland of een ander land. Om deze reden beziet het kabinet per terugkeerder de maatregelen die genomen moeten worden, om de mogelijke dreiging voor zover mogelijk te minimaliseren. Omdat het aantal terugkeerders mogelijk zal stijgen, is het voeren van effectief beleid rond terugkeerders een topprioriteit van het kabinet, zoals uiteengezet in het «Actieprogramma Integrale Aanpak Jihadisme».

Om rekrutering te voorkomen en mogelijke dreigingen tegen te gaan, heeft het kabinet meerdere maatregelen genomen dan wel geïntensiveerd, waaronder praktische beveiligingsmaatregelen, strafrechtelijke vervolging, bestuurlijke maatregelen en beleidsmaatregelen gericht op het voorkomen van uitreizen, het tegengaan van radicalisering en de aanpak van uitreizigers en terugkeerders, binnen het Global Counterterrorism Forum (GCTF) en de anti-ISIS coalitie. Maatregelen worden voortdurend tegen het licht gehouden en de mix van maatregelen biedt het kabinet de mogelijkheid om de inzet bij te stellen op basis van ontwikkelingen in de dreiging.

Het dreigingsniveau in Nederland is sinds maart 2013 vastgesteld op substantieel, het op een na hoogste dreigingsniveau. Dit houdt in dat de kans op een aanslag in Nederland reëel is. Zoals begin juli jl. aan uw Kamer is gemeld in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland, leiden de internationale ontwikkelingen niet tot een aanpassing van het dreigingsniveau (Kamerstuk 29 754, nr. 390).

De Minister van Buitenlandse Zaken, A.G. Koenders

De Minister van Defensie, J.A. Hennis-Plasschaert

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, E.M.J. Ploumen