Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201131980 nr. 52

31 980 Parlementair onderzoek financieel stelsel

Nr. 52 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 juni 2011

In deze brief informeer ik u nader over de verkenning van een mogelijke publiekrechtelijke status van het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) zoals aangekondigd in mijn brief van 15 maart 2011 (kamerstuk 31 980, nr. 38 vergaderjaar 2010–2011). Zoals ook benadrukt richting de Kamer tijdens het mondelinge vragenuur d.d. 31 mei 2011 (Handelingen II 2010/11, nr. 87, item 2, blz. 2–3), is hierbij het uitgangspunt dat de ombudsman een onafhankelijke borging moet hebben, zodat hij zijn taak volledig onafhankelijk uit kan voeren. Alvorens in te gaan op de resultaten van de verkenning zal ik eerst kort ingaan op de huidige vorm van buitengerechtelijke geschillenbeslechting in de financiële sector, Kifid in het bijzonder en de rol die Kifid vervult.

Opzet en rol van Kifid zelf

De geschillenbeslechting ten aanzien van burgerlijke zaken is opgedragen aan de rechterlijke macht (artikel 112 Grondwet). Buitengerechtelijke geschillen-beslechting is een vorm van zelfregulering en in beginsel gebaseerd op vrijwillige deelname van de betrokken partijen. In de financiële sector worden daarbij wel randvoorwaarden gesteld. Deze zijn opgenomen in de Wet op het financieel toezicht (Wft) en het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (BGfo). Financiële ondernemingen dienen een interne klachtenprocedure te hebben en zijn verplicht zich aan te sluiten bij een externe door mij erkende geschilleninstantie. Een geschilleninstantie kan slechts erkend worden indien deze aan wettelijke eisen voldoet.

Het Kifid is in 2007 opgericht als klachteninstituut voor klachten van consumenten op het gebied van financiële producten en diensten. In het instituut werden de eerdere sectorale geschillenbeslechters (Klachtencommissie en Commissie van Beroep DSI, Geschillencommissie Bankzaken, Ombudsman Verzekeringen en (deels) Raad van Toezicht Verzekeringen) samengebracht.

Naast het Kifid is er op dit moment één andere geschilleninstantie door mij erkend, de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ). Deze instantie houdt zich bezig met de behandeling van klachten en geschillen betreffende zorgverzekeringen ingevolge artikel 114 van de Zorgverzekeringswet. Aanvullende zorgverzekeringen worden aangemerkt als financiële producten in de zin van de Wft. Gelet hierop heeft SKGZ een erkenning van mij voor wat betreft de behandeling van klachten aangaande aanvullende zorgverzekeringen. Het is onder de huidige erkenningsvoorwaarden niet uitgesloten dat er meerdere geschilleninstanties erkend zouden worden.

De taak van Kifid kan worden samengevat als het bieden van een laagdrempelig alternatief voor de consument, tegen lage kosten, voor de behandeling van klachten over financiële producten en diensten. Deze vorm van geschillenbeslechting dient voor de consument als alternatief voor de gang naar de rechter. De consument heeft dus altijd de keuze of hij met zijn klacht naar Kifid stapt of naar de rechter. Het Kifid heeft momenteel een bestuur bestaande uit vertegenwoordigers van branche organisaties (Verbond van Verzekeraars, Nederlandse vereniging van banken en Adfiz), consumentenorganisaties (Consumentenbond en Vereniging van Effectenbezitters) en het Dutch Securities Institute (DSI), met een onafhankelijke voorzitter.

Binnen het Kifid zijn er drie organen die klachten behandelen: een Ombudsman, een Geschillencommissie en een Commissie van beroep. De ombudsmanfase is de eerste fase van de klachtenbehandeling, nadat een interne klachtenprocedure bij een onderneming niet naar tevredenheid is doorlopen. De Ombudsman is een onafhankelijke en onpartijdige geschillenbeslechter. De Ombudsman is noch belangenbehartiger voor de belangen van de consument noch belangenbehartiger voor de belangen van de marktpartij. In de ombudsmanfase werd tot een paar maanden geledenmet name getracht een schikking te treffen tussen de onderneming en de consument. Indien de partijen daartoe niet bereid bleken, werd het geschil in de meeste gevallen «onbemiddelbaar» verklaard, zonder daarbij een oordeel te geven over de vraag in hoeverre partijen in hun recht stonden.

Naar aanleiding van het rapport van mr. A. Van Delden (dat door Kifid aan uw Kamer is gestuurd) en het aantreden van een nieuwe Ombudsman, mr. N. Monster, zijn inmiddels aanpassingen in de ombudsmanfase doorgevoerd. De Ombudsman tracht weliswaar nog steeds een schikking tussen partijen tot stand te brengen, maar indien partijen niet willen schikken, geeft hij een niet-bindend oordeel of een klacht terecht is en voor wiens rekening eventuele schade komt. De praktijk wijst uit dat de onderneming dit oordeel vrijwel altijd volgt. De Ombudsman verwerkt circa 8000 klachten per jaar en wordt ondersteund door ongeveer twintig medewerkers.

Mocht de consument het niet eens zijn met het (niet-bindende) oordeel van de Ombudsman, dan kan hij zijn klacht vervolgens voorleggen aan de Geschillencommissie. De consument en de financiële onderneming spreken samen af de uitspraak van de geschillencommissie als bindend te aanvaarden.

Als één van de partijen het vervolgens niet eens is met een bindende uitspraak van de Geschillencommissie kan de zaak in bepaalde gevallen worden voorgelegd aan de Commissie van Beroep. De Commissie van Beroep doet in laatste instantie een definitieve, bindende uitspraak.

Naast de aanpassing van de positie van de Ombudsman voert Kifid ook op andere vlakken veranderingen door. Er wordt op dit moment een onderzoek uitgevoerd naar de werknemerstevredenheid, mede naar aanleiding van berichten in het Financieele Dagblad waarin onder meer werd aangegeven dat (oud)medewerkers vinden dat er in het verleden onvoldoende financiering is geweest voor de behandeling van klachten.

Onderzoeksresultaten

In het kader van deze verkenning heb ik drie opties nader onderzocht. Het uitgangspunt bij de opties is dat de Ombudsman, de Geschillencommissie en de Commissie van Beroep volledig onafhankelijk hun taak uit moeten kunnen oefenen. De eerste optie is dat Kifid een private stichting blijft, waarbij aanpassingen worden gedaan om de onafhankelijkheid van het bestuur te borgen. De tweede optie bestaat uit een private vormgeving met een aantal publiekrechtelijke waarborgen, hierbij zullen significante aanpassingen worden gedaan om de onafhankelijkheid van het bestuur te borgen, alsmede adequate financiering. De derde optie is een volledige publiekrechtelijke vormgeving. Ik heb de verschillende opties beoordeeld aan de hand van onderstaande criteria:

  • 1. Onafhankelijke geschillenbeslechting: onafhankelijk van zowel sector als politiek

  • 2. Concentratie geschillenbeslechting: het tegengaan van versnippering

  • 3. Doelmatigheid: laagdrempelige adequate geschillenbeslechting

  • 4. Transparantie: transparant over functioneren en een goede informatie-uitwisseling met toezichthouders

  • 5. Borging belangen van de consument

  • 6. Financiering: uitgangspunt is dat de sector zoveel mogelijk zelf financiert

  • 7. Termijn waarop veranderingen kunnen worden doorgevoerd

  • 8. Administratieve lasten en passend in overheidsbeleid

Hieronder beschrijf ik eerst in het kort de verschillende scenario’s en vervolgens zal ik aaangeven hoe de verschillende opties zich verhouden tot de bovenstaande criteria.

Optie 1: Private vormgeving

In dit scenario blijft Kifid een vorm van zelfregulering in de juridische vorm van een stichting, maar worden aanpassingen gedaan zodat de onafhankelijkheid van de geschillenbeslechting beter wordt geborgd en meer controle van overheidswege vast wordt gelegd. In dit scenario zal ik de erkenningsvoorwaarden van geschilleninstanties in het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen aanscherpen. Bovendien zal het bestuur van Kifid zelf haar statuten aanpassen op de volgende onderdelen:

  • De vormgeving van een onafhankelijk bestuur: op grond van de nieuwe statuten dient er een evenwichtige samenstelling te zijn van het bestuur (neergelegd in een profielschets), waarbij bestuursleden niet werkzaam mogen zijn, of in de drie voorafgaande jaren zijn geweest, bij financiële ondernemingen of diens brancheorganisatie. Ook vervallen de bestaande benoemingsrechten van de brancheverenigingen. Voor de samenstelling van de profielschets en de benoeming van de voorzitter van het bestuur dient Kifid voortaan mijn goedkeuring te hebben..

  • Benoeming van de Ombudsman, voortaan zal ik geraadpleegd dienen te worden voor de benoeming van de Ombudsman.

  • Transparantie: Op diverse punten zal meer transparantie gegeven worden door Kifid. Zo zal de profielschets voor het bestuur worden opgenomen in het jaarverslag en zal hierin meer verantwoording worden afgelegd over het gevoerde beleid.

  • Kifid laat periodiek extern en onafhankelijk onderzoek uitvoeren naar de kwaliteit en onafhankelijkheid van de klachtenbehandeling.

  • Er wordt een onafhankelijke Remuneratiecommissie en Auditcommissie ingesteld, die onder meer jaarlijks rapporteren over hun werkzaamheden.

  • In de statuten zal bovendien geregeld worden dat deze niet aangepast kunnen worden zonder mijn toestemming.

Zoals gezegd zal ik hierbij de erkenningsvereisten in de regelgeving op verschillende punten aanpassen. Zo zal ik in de regelgeving eisen stellen voor de erkenning aan de onafhankelijkheid van het bestuur en de deskundigheid van diegenen die de geschillen behandelen.

Optie 2: Publiek/private vormgeving

In dit scenario zal ik indien nodig de Wet op het Financieel Toezicht en de erkenningsvoorwaarden van geschilleninstanties in het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen aanscherpen. Bovendien zal het bestuur van Kifid zelf haar statuten aanpassen, waarbij deze aanpassingen een stap verder gaan dan in optie 1, zodat de onafhankelijkheid van het bestuur en de ombudsman, en de controle daarop door de minister van Financiën en de Tweede Kamer nog beter geborgd worden. De onderdelen waarop het bestuur van Kifid de statuten in deze optie dient aan te passen zijn:

  • De vormgeving van een onafhankelijk bestuur: net als bij de private variant dient er een evenwichtige samenstelling te zijn van het bestuur, neergelegd in een door mij goed te keuren profielschets, waarbij bestuursleden niet werkzaam mogen zijn, of in de drie voorafgaande jaren zijn geweest, bij financiële ondernemingen of diens brancheorganisatie. Ook vervallen de benoemingsrechten van de brancheverenigingen. Daar komt in deze variant bij dat ik voortaan dien in te stemmen met de benoeming van álle leden van het bestuur en niet alleen met de voorzitter van het bestuur.

  • Benoeming van de Ombudsman: in deze optie ben ik van plan te regelen dat de Ombudsman van Kifid pas benoemd wordt na mijn goedkeuring en na raadpleging van de Tweede Kamer. De precieze vormgeving van deze bevoegdheid dient nog uitgewerkt te worden. Kifid zal de statuten ook op dit punt dienen aan te passen.

  • Begroting: in deze variant zal de begroting alleen na mijn goedkeuring kunnen worden vastgesteld door het onafhankelijk bestuur, na raadpleging van de brancheorganisaties. Deze goedkeuring wordt alleen verleend als gebleken is dat de begroting een adequate behandeling van het te verwachten aantal klachten mogelijk maakt. In de begroting wordt door het bestuur bepaald welke bijdragen door de aangeslotenen moeten worden betaald. Het bestuur dient zich daarbij te houden aan een kostenreglement waarin de systematiek van de begroting en de onderlinge verdeelsleutel over de aangeslotenen zal zijn geregeld. Het spreekt vanzelf dat in het kostenreglement geen afspraken worden gemaakt over de hoogte van de begroting, direct en indirect. De onafhankelijke besluitvorming en mijn goedkeuring waarborgen dat de financiering van Kifid niet langer bepaald wordt door de branche.

  • Ik kan een waarnemer naar de bestuursvergaderingen sturen.

  • Voor de overige punten, geldt hetzelfde als bij de privaatrechtelijke optie: ook in deze optie worden de statuten aangepast ten aanzien van transparantie, periodiek extern en onafhankelijk onderzoek en een onafhankelijke renumeratiecommissie en auditcommissie.

  • Uiteraard geldt ook in deze optie dat mijn instemming is vereist met aanpassing van de statuten.

In dit scenario zal ik zoals hierboven genoemd de Wet op het financieel toezicht indien nodig en de erkenningsvereisten in de regelgeving op verschillende punten aanpassen. Zo zal ik in de regelgeving neerleggen dat mijn goedkeuring nodig is voor de benoeming van de bestuursleden en dat ik de Ombudsman benoem na raadpleging van de Tweede Kamer. Bovendien zal ik de erkenningseisen aanscherpen ten aanzien van de onafhankelijkheid van het bestuur, de deskundigheid van diegenen die de geschillen behandelen, en een adequate financiering.

Het bestuur van Kifid heeft mij laten weten reeds op een groot aantal van bovenstaande punten wijzigingen in de statuten in conceptvorm gereed te hebben. Over de punten die thans nog niet zijn voorzien door Kifid zal ik uiteraard met het bestuur in gesprek treden. Voorwaarde bij zowel optie 1 als optie 2 is dat Kifid haar statuten uiterlijk 1 oktober as. gewijzigd heeft langs de gestelde lijn. De periode oktober-december van dit jaar kan dan gebruikt worden door het zittende bestuur om een profielschets op te stellen, die door mij goedgekeurd dient te worden. Hierna zal op basis van de profielschets per 1 januari 2012 een nieuw bestuur worden gevormd, waarbij het de onafhankelijke thans zittende bestuursleden uiteraard vrij staat om zich opnieuw kandidaat te stellen.

Optie 3: Publiekrechtelijke vormgeving

Het is mogelijk dat het Kifid een rechtspersoon met wettelijke taak (RWT) wordt. Kern van een RWT is dat dit een instelling betreft die op afstand geplaatst is van het Rijk – en dus zelfstandig opereert – maar waarbij wel vereisten kunnen worden gesteld van overheidswege waaraan moet worden voldaan. Op deze manier kan de onafhankelijkheid van Kifid worden geborgd.

Het is niet wenselijk dat Kifid en diens geschillenbeslechtingsorganen zelfstandig bestuursorganen (ZBO) worden met openbaar gezag, omdat zij geen bindende beslissingen nemen die bindend zijn op grond van het publiekrecht. Het is bij de vormgeving van de publiekrechtelijke status van Kifid niet de bedoeling dat de beslissingen openbaar gezag hebben, omdat ik wil voorkomen dat tegen de beslissingen van de Ombudsman, Geschillencommissie en Commissie van Beroep bezwaar en beroep bij de bestuursrechter open staat. Het betreft immers geschillen tussen financiële ondernemingen en consumenten, dus geschillen in de private sfeer. Beslissingen over dergelijke geschillen lenen zich niet voor de bestuursrechter. Bij een RWT constructie kan ik bovendien vergelijkbare bevoegdheden regelen voor de overheid als bij een ZBO. De onafhankelijkheid wordt daarmee op een vergelijkbare wijze geborgd.

Het omvormen van Kifid tot een RWT stelt mij in staat om extra bevoegdheden te creëren ten aanzien van de benoeming, schorsing en ontslag van bestuursleden, alsmede ten aanzien van de benoeming van de ombudsman. Eventueel kunnen ook eisen worden gesteld aan de goedkeuring van een bestuursreglement, de bedrijfsvoering en het bezoldigingsbeleid, en kan een instemmingsrecht met de begroting worden gecreeërd (waarbij deze instemming overigens alleen kan worden onthouden wegens strijd met de wet of het algemeen belang). Het is hierbij echter uitdrukkelijk niet de bedoeling dat ik invloed heb op de taakuitoefening door de ombudsman, geschillencommissie en commissie van beroep en dus op de behandeling van individuele klachten. Immers, de kern van een RWT is dat deze op afstand is geplaatst van het rijk, om zo de onafhankelijkheid te borgen.

In eerste instantie heb ik aan uw Kamer aangegeven dat ik zou onderzoeken of de ombudsman een publiekrechtelijke status kon krijgen. Uit dit onderzoek volgt dat het in dat geval wenselijker zou zijn om het hele Kifid (ombudsman, geschillencommissie en commissie van beroep) een publiekrechtelijke status te geven. De verschillende geschillenbeslechtingsfasen dienen namelijk een integraal geheel te vormen. Deze doelstelling wordt het beste bereikt, indien wordt gekozen voor een publiekrechtelijke vormgeving van heel Kifid. Ook wordt op deze manier beter geborgd dat buitengerechtelijke geschillenbeslechting aan één geschillen instantie wordt toegewezen. Wanneer alleen de ombudsman een publiekrechtelijke status zou krijgen, zou namelijk een regeling moeten blijven bestaan voor erkenning van de Geschillencommissie en de Commissie van Beroep van Kifid en eventuele andere geschilleninstanties, wat de mogelijkheid van het bestaan van meerdere geschilleninstanties openlaat (zie hiervoor ook de volgende paragraaf).

Analyse van de verschillende opties

In deze paragraaf geef ik mijn beoordeling weer van de verschillende opties aan de hand van de eerdergenoemde criteria.

Onafhankelijkheid

Onafhankelijkheid is mijns inziens in alle drie de opties voldoende geborgd. In alle drie de opties wordt een onafhankelijk bestuur en een onafhankelijke ombudsman gegarandeerd, met op cruciale punten controle door de minister van Financiën. Daarbij is het wel zo dat in de publiekrechtelijke vormgeving en in de combinatie van publiek- en privaatrechtelijke vormgeving er verdergaande bevoegdheden voor de minister en de Tweede Kamer voorzien zijn.

Concentratie

Een voordeel van een publiekrechtelijke constructie is dat ik de taak van buitengerechtelijke geschillenbeslechting exclusief toe kan wijzen aan één instantie. In dit scenario zal er dus in beginsel geen versnippering optreden van de plaatsen waar de consument terecht kan met zijn klacht. Zoals eerder gesteld, ben ik wel van plan een uitzondering te maken voor SKGZ, zodat de buitengerechtelijke geschillenbeslechting op het gebied van aanvullende zorgverzekeringen verzorgd kan blijven worden door SKGZ.

Bij de (publiek/)private opties ben ik op dit punt voornemens te regelen dat een geschilleninstantie open dient te staan voor klachten betreffende alle financiële producten en diensten. Dit om versnippering van de plaatsen waar de consument terecht kan met zijn klacht zoveel mogelijk tegen te gaan. Er bestaat dus een goede kans dat versnippering ook in deze scenario’s kan worden voorkomen. Ik ben van plan nadere voorwaarden voor de erkenning te introduceren, zoals dat een geschilleninstantie voortaan alleen voor erkenning in aanmerking komt als zij openstaat voor de behandeling van alle financiële producten en diensten en ook op al deze terreinen actief zal zijn. De precieze vormgeving van de bepaling moet nog verder worden uitgewerkt. Ook hier ben ik van plan een uitzondering te maken voor SKGZ.

Financiering

Bij de privaatrechtelijke variant blijft de financiering zo geregeld als dit voorheen het geval was, namelijk door afstemming tussen de sector en het bestuur van Kifid. Echter er is wel een waarborg dat de begroting meer onafhankelijk wordt vastgesteld, doordat er sprake zal zijn van een onafhankelijk bestuur.

De begroting wordt bij de private vormgeving met publiekrechtelijke waarborgen vastgesteld door het onafhankelijke bestuur van Kifid, na raadpleging van de brancheorganisaties en na mijn goedkeuring.

Het uitgangspunt van een publiekrechtelijke status voor Kifid is dat Kifid volledig gefinancierd blijft worden door de sector. Daarom zal ik bij de eventuele verdere uitwerking van deze optie bezien op welke wijze ik de begroting van Kifid kan omslaan naar de sector middels heffingen.

Termijn

De privaatrechtelijke en de publiek/ private optie kunnen beiden op relatief korte termijn worden gerealiseerd. Voorwaarde bij zowel de privaatrechtelijke als de publiek/private optie is zoals gezegd dat Kifid haar statuten uiterlijk 1 oktober as. gewijzigd heeft langs de gestelde lijn, en dat per 1 januari 2012 een bestuur is aangetreden dat voldoet aan de profielschets. Verder kunnen de meeste wijzigingen worden doorgevoerd op het niveau van het BGfo. Ik streef er naar deze wijzigingen op 1 januari 2013 in werking te laten treden. Een eventuele wijziging van de Wft kan in werking treden op 1 januari 2014. Wijzigingen in het BGfo die gebaseerd moeten worden op de wetswijziging, kunnen tegelijkertijd met diezelfde wetswijziging in werking treden. Voor publiekrechtelijke vormgeving zijn uitgebreidere wetswijzigingen nodig, hetgeen gepaard gaat met een geruime doorlooptijd van ongeveer 2 jaar.

Administratieve lasten en overheidsbeleid

Bij het aanmerken van Kifid als een RWT zijn een aantal factoren die in ogenschouw genomen dienen te worden. Zo zal dit scenario gepaard gaan met een toename van administratieve lasten. Deze optie staat bovendien op gespannen voet met het algemene beleid om tot afslanking van de overheid en een compacte rijksdienst te komen. (Publiek/)private vormgeving staat niet op gespannen voet met het algemene beleid om tot afslanking van de overheid te komen en kent ook een significant kleinere verhoging van de administratieve lasten.

Transparantie

Ten aanzien van het criterium transparantie geldt dat de informatie-uitwisseling met de toezichthouders in alle drie descenario’s op dezelfde wijze geborgd wordt. Het gaat hierbij om informatiedeling van Kifid met de toezichthouders, zodat deze misstanden in de markt tijdig signaleren en actie kunnen ondernemen. Kifid houdt tweemaal per jaar een overleg met de toezichthouders, waarin zij de trends die waargenomen worden in de ontvangen klachten bespreken. De toezichthouders kunnen hier vervolgens rekening mee houden bij het bepalen van hun prioriteiten. Bovendien wordt algemene informatie over alle klachten die binnenkomen bij de ombudsman toegezonden aan de AFM en DNB (met goedvinden van de consument die de betreffende klacht heeft ingediend).

Doelmatigheid

Voor het criterium doelmatigheid geldt dat in alle scenario’s sprake is van laagdrempelige geschillenbeslechting die op adequate wijze kan worden uitgevoerd.

Waarborg belang consument

De belangen van de consument zullen in de drie beschreven scenario’s op vergelijkbare wijze worden geborgd. Dit wordt gedaan door de hierboven omschreven opstelling van de Ombudsman. Deze probeert niet alleen meer te bemiddelen, maar ook een advies te geven of de klacht terecht is. Zo weet de consument eerder waar hij aan toe is. Ook de opstelling van de Ombudsman, Geschillencommissie en de Commissie van Beroep bij de behandeling van klachten waarborgt de belangen van de consument. Zij zijn weliswaar onafhankelijke en onpartijdige geschillenbeslechters, maar houden rekening met de ongelijkheid tussen partijen. Want de consument heeft vaak een kennisachterstand. Hiermee wordt rekening gehouden door bijvoorbeeld kritische vragen te stellen aan de financiële onderneming waar de consument niet op gekomen is.

Conclusie en vervolg

Op basis van het bovenstaande en de verschillende voor- en nadelen afwegende, ben ik voornemens om in te zetten op de private optie met publiekrechtelijke waarborgen, onder de voorwaarde dat Kifid voor 1 oktober 2011 overgaat tot aanpassing van de statuten in de hierboven beschreven zin.

Deze keuze is gebaseerd op het feit dat dit scenario het snelst vruchten kan afwerpen, niet op gespannen voet staat met het streven van een compacte rijksoverheid en met significant minder administratieve lasten gepaard gaat, terwijl tegelijkertijd de onafhankelijkheid op even adequate wijze als bij de publiekrechtelijke variant wordt gewaarborgd, onder meer door mijn vergaande bevoegdheden ten aanzien van benoeming van bestuursleden, de Ombudsman en goedkeuring van de begroting.

Het tegengaan van versnippering van de plaatsen van geschillenbeslechting kan weliswaar in het publiekrechtelijke scenario beter worden geborgd (taak kan in zijn geheel aan één instantie worden toegewezen), maar dit nadeel van de private vormgeving vind ik niet opwegen tegen de voordelen.

Om evenwel zeker te stellen dat de op de derde pagina genoemde criteria daadwerkelijk worden gerealiseerd, zal ik de verbeteringen na twee jaar evalueren. Daarbij zal ik met name focussen op de doelstellingen van onafhankelijke geschillenbeslechting en tegengaan van versnippering. Mochten de uitkomsten daar aanleiding toe geven dan kan alsnog worden gekozen voor een publiekrechtelijke oplossing.

Ik zal in het vervolgtraject de verschillende belanghebbende partijen betrekken, waaronder de AFM. Gelet op het zomerreces en de drukke agenda’s staat het de Kamer uiteraard vrij om schriftelijk te reageren op deze brief.

De minister van Financiën,

J. C. de Jager