Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-2019nr. 62, item 6

6 Discriminatie

Aan de orde is het VAO Discriminatie (AO d.d. 14/02).

Mevrouw Özütok (GroenLinks):

Voorzitter. We zien helaas dagelijks dat discriminatie nog veel plaatsvindt in onze samenleving. Deze week nog kwam er een onderzoek over antisemitisme naar buiten en ook andere vormen van discriminatie zijn helaas maar moeilijk te bestrijden. We hebben een goed overleg gehad met de minister, maar ik wil graag nog twee voor mijn fractie belangrijke onderwerpen in een motie aan de Kamer voorleggen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het huidige Meldpunt Internetdiscriminatie (MiND) na 31 december 2019 ophoudt te bestaan;

overwegende dat voor handhaving van het verbod op discriminatie bij online-uitingen een onafhankelijk meldpunt essentieel is;

verzoekt de regering te garanderen dat mensen ook na 31 december 2019 melding kunnen maken van onlinediscriminatie bij een onafhankelijk meldpunt en daarvoor een voorziening te treffen, en de Kamer hier uiterlijk voor de begrotingsbehandeling van 2020 over te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Özütok. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 163 (30950).

Mevrouw Özütok (GroenLinks):

Mijn tweede motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet nog geen standpunt heeft ingenomen over het ondertekenen of ratificeren van facultatieve klachtenprotocollen horende bij een drietal internationale verdragen waaronder het VN-Gehandicaptenverdrag;

overwegende dat het kabinet in april 2016 heeft toegezegd nog voor de zomer van dat jaar met een standpuntbepaling te komen, maar dat dit sindsdien niet is gebeurd;

overwegende dat diverse andere Europese landen, waaronder onze buurlanden, al wel zijn overgegaan tot ondertekening en/of ratificering van de facultatieve protocollen;

verzoekt de regering om voor de zomer van 2019 een standpuntbepaling met de Tweede Kamer te delen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Özütok en Van den Hul. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 164 (30950).

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Den Boer, namens D66.

Mevrouw Den Boer (D66):

Voorzitter. D66 was heel erg ingenomen met het AO over discriminatie. Omdat discriminatie helaas nog steeds breed leeft in de maatschappij vindt mijn fractie dat we dit regelmatig met elkaar moeten bespreken in de Kamer. Daarbij streeft D66 naar een integrale, rechtsstatelijke aanpak. Tijdens het AO werd ook gesproken over toename van het antisemitisme hier en elders in Europa. Wij kijken daarom ook uit naar de initiatiefnota van collega's Yeşilgöz-Zegerius en Segers om het antisemitisme beter te beheersen. Zelf dien ik graag de volgende moties in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het College voor de Rechten van de Mens jaarlijks zijn jaarrapportage over de mensenrechten in Nederland naar de minister van Binnenlandse Zaken stuurt, die binnen 60 dagen een reactie naar de Tweede Kamer stuurt;

overwegende dat het College voor de Rechten van de Mens in de evaluatie "Vijf jaar College voor de Rechten van de Mens" constateert dat de kabinetsreactie op die jaarrapportages en de bespreking in de Tweede Kamer nog weinig concrete resultaten in de zin van beleidsverandering teweeg heeft gebracht;

van mening dat de Tweede Kamer jaarlijks een substantieel en inhoudelijk debat zou moeten voeren over de stand van zaken als het gaat om mensenrechten in Nederland;

verzoekt het Presidium er zorg voor te dragen dat er jaarlijks, na het verschijnen van de kabinetsreactie op de jaarrapportage van het College voor de Rechten van de Mens, een plenair debat plaatsvindt tussen de minister van Binnenlandse Zaken en de Kamer over deze rapportage en mensenrechten in Nederland,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Den Boer en Özütok. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 165 (30950).

Mevrouw Den Boer (D66):

Mijn tweede motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het tegengaan van discriminatie gepaard gaat met de bevordering van inclusiviteit en diversiteit in politiek en openbaar bestuur;

overwegende dat diverse gemeenten het Charter Diversiteit hebben ondertekend;

overwegende dat Nederland diverse regenboogsteden en regenboogprovincies kent;

verzoekt de regering zowel het Charter Diversiteit als de regenboogsteden onder de aandacht te brengen van alle lagen van het openbaar bestuur in Nederland,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Den Boer. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 166 (30950).

Mevrouw Den Boer (D66):

Dank u wel, voorzitter. Dat laatste is uiteraard ook een oproep aan de waterschappen.

De voorzitter:

Over de laatste motie, de heer Öztürk.

De heer Öztürk (DENK):

Nee, over het begin van het verhaal. Ook wij vinden aanpak van antisemitisme heel belangrijk. Er wordt ook heel veel aandacht aan geschonken. Bij godsdienstdiscriminatie gaat het voor 88% met name om discriminatie van moslims. Vindt u dat we antisemitisme en moslimdiscriminatie op gelijke voet moeten bestrijden en daarbij gelijke middelen moeten inzetten?

Mevrouw Den Boer (D66):

In mijn inleidende woorden heb ik gepleit voor een integrale rechtsstatelijke aanpak van alle vormen van discriminatie, waaronder antisemitisme maar uiteraard ook moslimdiscriminatie.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Öztürk (DENK):

Dus de middelen die beschikbaar worden gesteld om antisemitisme aan te pakken, zouden in principe ook beschikbaar moeten worden gesteld om moslimdiscriminatie aan te pakken?

Mevrouw Den Boer (D66):

Er zijn nu allerlei middelen, onder andere algemene antidiscriminatievoorzieningen in de gemeenten. Die voorzien nu al in een brede toegankelijkheid voor alle klachten over discriminatie.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Den Boer. Dan ga ik nu naar de heer Öztürk namens DENK.

De heer Öztürk (DENK):

Voorzitter. Ik heb drie belangrijke moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat antisemitisme en moslimdiscriminatie onwenselijk zijn;

constaterende dat uit het rapport Discriminatiecijfers in 2017 blijkt dat van alle godsdienstdiscriminatie 88% tegen moslims is gericht;

verzoekt de regering antisemitisme en moslimdiscriminatie te bestrijden, met gelijke voortvarendheid en middelen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Öztürk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 167 (30950).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat dr. Umar Ikram van de Universiteit van Amsterdam in 2016 de Volksgezondheidsprijs kreeg voor zijn onderzoek Social determinants of ethnic minority health in Europe;

constaterende dat dit onderzoek voorspelt dat de gezondheid van Nederlanders de komende 30 jaar vrijwel stabiel blijft, terwijl die van etnische minderheidsgroepen sterk verslechtert;

verzoekt de regering met een plan te komen om de voorspelde verslechtering van de gezondheid van etnische minderheidsgroepen te bestrijden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Öztürk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 168 (30950).

De heer Öztürk (DENK):

De laatste motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat discriminatie strafbaar is, bijvoorbeeld middels artikel 137c en 137d van het Wetboek van Strafrecht;

constaterende dat het op sociale media wemelt van de haat- en discriminatieberichten;

constaterende dat er in 2017 slechts 291 verdachten van discriminatie zijn ingeschreven bij het OM;

van mening dat het technisch mogelijk moet zijn om een discriminatiedetector te ontwikkelen die sociale media scant op haat- en discriminatieberichten waarvan het OM vervolgens kan beoordelen of ze strafbaar zijn;

verzoekt de regering een discriminatiedetector te laten ontwikkelen waarmee het OM en/of de politie op een uiterst zorgvuldige wijze een pilot kunnen doen om discriminatie beter op te sporen en te bestraffen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Öztürk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 169 (30950).

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Gijs van Dijk namens de PvdA.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb vandaag de eer om mijn collega Van den Hul te vervangen. Dat doe ik graag, zeker als het om dit onderwerp gaat. Nog iedere dag is er veel discriminatie in Nederland. Dat moeten we bestrijden.

We hebben twee weken geleden denk ik met de minister van Sociale Zaken, die over integratie gaat, een stevig debat gehad. Daarin heb ik gepleit voor een kabinet dat zich actief opstelt op het moment dat er dingen in de samenleving gebeuren. We moeten het nog checken of de informatie klopt, maar neem wat er gisteren in Urk is gebeurd of neem wat er met de Dokwerker is gebeurd. Bij al dat soort incidenten verwachten wij een kabinet dat dit actief bestrijdt en zich daar ook over uitspreekt. Het is heel erg van belang dat de politiek zich uitspreekt.

Voorzitter. Ik heb één motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in de discriminatiecijfers over 2017 88% van alle incidenten op basis van godsdienstdiscriminatie verband houdt met het islamitisch geloof;

van mening dat de aanpak van alle vormen van discriminatie een gezamenlijke verantwoordelijkheid is;

van mening dat naast een integrale aanpak, specifiek beleid van toegevoegde waarde is bij de bestrijding van discriminatie;

verzoekt de regering in gesprek te gaan met vertegenwoordigers uit de islamitische gemeenschap met als doel specifiek beleid te ontwikkelen dat bijdraagt aan het tegengaan van discriminatie van moslims, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Gijs van Dijk en Van den Hul. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 170 (30950).

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Dan heb ik nog een vraag aan de minister. Mijn collega Van den Hul heeft tijdens het algemeen overleg gevraagd hoe de minister uitvoering geeft aan haar coördinerende rol bij het bestrijden van geweld tegen vrouwen. De minister zei dat ze dat eerst met haar collega van JenV wilde overleggen. Is dat inmiddels gebeurd? Zo ja, kan zij dan aangeven wat daar precies uit is gekomen? Zo nee, wil zij ons daar dan nog per brief over informeren?

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geeft ik nu het woord aan de heer Van der Molen namens het CDA.

De heer Van der Molen (CDA):

Voorzitter, dank. We hebben het in het algemeen overleg met de minister over van alles en nog wat rond discriminatie gehad. We hebben het onder andere gehad over allerlei zaken buiten deze Kamer: een werkgever die discrimineert, werknemers die zich gediscrimineerd voelen, mensen die tegen discriminatie aanlopen. Maar als CDA vinden we dat we ook gewoon de hand in eigen boezem moeten steken. Wat als wij nou in dit huis zien dat wij collega's hebben die andere collega's via sociale media aanvallen op het enkele feit dat zij een andere afkomst hebben? Wij zien partijen, bijvoorbeeld DENK, dat doen. Het NRC — de heer Bosma zou het het lijfblad van D66 noemen — heeft een uitgebreid artikel gepubliceerd waarin heel helder naar voren komt dat mevrouw Yeşilgöz-Zegerius, mevrouw Özütok, de heer Özdil — collega's — gehinderd worden ...

De heer Öztürk (DENK):

Voorzitter, een punt van orde! Een punt van orde!

De voorzitter:

Niet schreeuwen, meneer Öztürk.

De heer Öztürk (DENK):

Ik heb een punt van orde.

De voorzitter:

Nee, niks punt van orde. De heer Van der Molen heeft het woord en hij maakt eerst zijn verhaal af. Gaat u verder.

De heer Öztürk (DENK):

Een punt van orde gaat voor.

De voorzitter:

Gaat u verder, meneer Van der Molen.

De heer Van der Molen (CDA):

Dank u wel, voorzitter.

De heer Öztürk (DENK):

Dit is dan weer discriminatie.

De heer Van der Molen (CDA):

Als ik als Kamerlid in de krant lees dat ik collega's heb die zich geïntimideerd voelen, die niet in bepaalde wijken van Amsterdam durven te komen, die er op een luchthaven in Turkije door Nederlandse jongeren op worden aangesproken dat ze daar eigenlijk opgepakt zouden moeten worden, dan worden er parlementaire normen overschreden. Op het moment dat deze Kamer niet het goede voorbeeld geeft aan de Nederlandse samenleving van hoe wij zelf met mensen met een niet-Nederlandse afkomst omgaan, dan kunnen we hier niet overtuigend en met gezag van andere mensen vragen dat ze deze mensen wel op een juiste manier bejegenen. Het wordt wat het CDA betreft dus tijd dat wij tegen deze verachtelijke praktijken van DENK ook gewoon zeggen: ...

De heer Öztürk (DENK):

Voorzitter!

De heer Van der Molen (CDA):

... zo kan dit niet langer.

Voorzitter, in de paar seconden die nu overblijven, zou ik dan toch graag nog een motie willen indienen.

De voorzitter:

Dan stel ik voor dat u eerst uw motie voorleest.

De heer Van der Molen (CDA):

Goed.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat discriminatie een maatschappelijk probleem is en dat de volksvertegenwoordiging bij het bestrijden daarvan een voorbeeldfunctie heeft;

constaterende dat het in toenemende mate voorkomt dat collega-Kamerleden, niet op basis van hun inhoudelijke standpunt maar primair op basis van hun afkomst, door of namens andere collega-Kamerleden via filmpjes op sociale media worden aangevallen;

constaterende dat zij door de bewuste wijze waarop zij door collega's tot doelwit worden gemaakt, haatmails, intimidaties en bedreigingen ontvangen en daarmee worden aangetast in hun functioneren;

spreekt uit dat zij de handelswijze om Kamerleden vanwege hun afkomst uit te kiezen en hen gericht via sociale media te intimideren ten stelligste afwijst,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Molen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 171 (30950).

De heer Van der Molen (CDA):

Het gaat dus om een uitspraak van de Kamer. De motie is door mijzelf namens het CDA ondertekend, maar alle Kamerleden die hier hun naam aan willen toevoegen, zijn van harte welkom.

De voorzitter:

De heer Öztürk.

De heer Öztürk (DENK):

Voorzitter. Ik heb aangegeven dat ik een punt van orde heb. Dit is theater. Dit is van tevoren met elkaar afgesproken. De heer Van der Molen heeft meer dan twee minuten mogen spreken. U grijpt bewust niet in. U laat mij niet uitpraten. Ik zie dat als discriminatie. Dit is precies waar de burgers in de samenleving moeite mee hebben. Wij kunnen hier ons woord niet uiten. Er wordt hier een uitzondering gemaakt voor de heer Van der Molen. Hij mag langer praten, terwijl ik mijn zin niet mag afmaken. Als er een Kamerlid is dat in dit parlement is bedreigd, dan ben ik dat wel. Als u in uw motie ook dat had benoemd, had ik u een fair Kamerlid genoemd, maar dit is een bewuste scène om voor de verkiezingen een motie in te dienen om DENK te bashen. Daar trapt DENK niet in en daar trapt heel Nederland niet in.

De voorzitter:

Over bashen gesproken: zelf doet u dat nooit, hè?

De heer Öztürk (DENK):

U bent ... U moet ...

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van der Molen.

Ik ga tot slot naar de heer Jasper van Dijk namens de SP. Nee? De minister heeft behoefte aan een korte schorsing van vijf minuten.

De vergadering wordt van 12.45 uur tot 12.50 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik geef de minister het woord.

Minister Ollongren:

Dank, voorzitter. Ik kan vrij snel overgaan tot het beoordelen van de moties. Eén opmerking: ik sluit me graag aan bij de positieve bejegening door mevrouw Den Boer van het feit dat we dit onderwerp met enige regelmaat met elkaar bespreken. Ik doe dat graag vanuit mijn coördinerende verantwoordelijkheid. Er zijn natuurlijk ook tal van collega's in het kabinet bij betrokken. Daar zal ik straks ook bij de moties nog wat over zeggen.

De Partij van de Arbeid had bij monde van mevrouw Van den Hul in het AO gevraagd naar de stand van zaken op het punt van bestrijding van geweld tegen vrouwen. Dat klopt; ik heb die toezegging gedaan. Ik zeg hier graag toe dat ik daar bij brief nog op terugkom. Er zijn meerdere ministeries bij betrokken; daar heb je al zo'n geval. Ik noem de ministeries van SZW, VWS, JenV en BZK. De toezegging zal dus leiden tot een schriftelijke update voor de Kamer.

Voorzitter. Dan de moties. De motie op stuk nr. 163 is van mevrouw Özütok en ziet op het meldpunt. Ze heeft dat punt ook gemaakt in het AO. Daarna is er contact geweest met het ministerie van JenV, dat hierover gaat. We zien het punt. We staan er dus positief tegenover om ervoor te zorgen dat er inderdaad geen gat valt. Om die reden zou ik de motie oordeel Kamer kunnen geven, met een positieve grondhouding.

De tweede motie, de motie op stuk nr. 164, is ook van mevrouw Özütok, samen met mevrouw Van den Hul. Daarin wordt, kort samengevat, gevraagd om een standpuntbepaling inzake de facultatieve protocollen. Ik zeg graag toe dat daar een brief over komt en ik laat het oordeel over de motie aan de Kamer.

Voorzitter. Ik denk dat het niet aan mij is om de derde motie, op stuk nr. 165, te beoordelen, want hierin gaat het om een verzoek aan het Presidium.

De vierde motie van mevrouw Den Boer, op stuk nr. 166, vraagt om het Charter Diversiteit en de Regenboogsteden onder de aandacht te brengen van alle lagen van het openbaar bestuur in Nederland. Hierover laat ik het oordeel aan de Kamer. Ik zou bereid zijn om dat te doen.

De motie op stuk nr. 167, van de heer Öztürk, vraagt de regering om antisemitisme en moslimdiscriminatie te bestrijden. De regering wil alle vormen van discriminatie bestrijden. Het oordeel over deze motie kan dus ook aan de Kamer worden gelaten.

De motie op stuk nr. 168, van de heer Öztürk, ziet op een kwestie rondom gezondheid. Het raakt vanzelfsprekend aan mijn collega van VWS. Maar in algemene zin is beleid ten aanzien van de volksgezondheid generiek beleid. Hier wordt een specifieke minderheid eruit gelicht. Dat verhoudt zich niet goed met dat generieke beleid, dus ontraad ik deze motie.

De motie op stuk nr. 169, van de heer Öztürk, gaat over een onderwerp waar hij ook in het AO aandacht voor heeft gevraagd. Er zijn natuurlijk allerlei online-initiatieven. De techniek verandert. Er wordt bijvoorbeeld gewerkt aan het ontwikkelen van een algoritme om onlinehatespeech te detecteren, maar het is niet eenvoudig. Altijd is de context van belang. Altijd is er toch een menselijke beoordeling nodig om het echt te beoordelen. Dus een detector zoals hierin wordt voorgesteld, is vooralsnog niet een optie die ik mogelijk acht. Daarom ontraad ik de motie.

De heer Öztürk (DENK):

Als de minister de motie goed doorleest, ziet ze dat ik zeg dat een detector moet detecteren. Het OM en de politie kunnen dan als menselijke factor de beoordeling doen. De detector doet dus niet de beoordeling. De detector bespaart heel veel geld, tijd en moeite, waardoor we nog meer mensen die discrimineren en haatzaaien op internet kunnen vangen.

Minister Ollongren:

Ik geloof dat ik dat wel begrijp. Ik heb de motie goed gelezen. Ik heb ook geluisterd naar de heer Öztürk in het AO, toen hij deze suggestie deed. Ik zie er wel veel in dat we ervoor zorgen dat mensen, als er sprake is van discriminatie, weten waar ze zich moeten melden, zodat er ook actie wordt ondernomen op het moment dat dit gebeurt. Er zijn verschillende manieren voor om dat te doen. Denk aan de meldpunten bij de politie, et cetera. Ik geloof dat dat de manier is waarop we dit moeten aanpakken. Ik denk dat we vooralsnog niet op deze wijze met digitale applicaties kunnen werken. Dus met dank voor de suggestie acht ik het nu niet aan de orde. Daarom ontraad ik de motie.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Öztürk (DENK):

Die detectie bestaat, minister. Onze diensten maken daar gebruik van als het gaat om radicalisering en andere zaken. In principe bestaat het. In principe maken we er gebruik van. Het enige wat wij willen, is dat discriminatie en haat eraan toegevoegd worden, zodat wij nog meer haat en discriminatie kunnen bestrijden. In principe vraag ik om hetgeen we al hebben, in te zetten tegen discriminatie- en haatberichten.

Minister Ollongren:

Ik kan herhalen wat mijn argumenten zijn, maar ik blijf bij mijn oordeel over de motie.

De voorzitter:

Dank u wel. Nog één motie, volgens mij. Of twee?

Minister Ollongren:

Nog twee. Ik kom op de motie op stuk nr. 170, van de heer Van Dijk en ook namens mevrouw Van den Hul. Er vinden al heel veel gesprekken plaats. Ook hierbij geldt de betrokkenheid van de minister van SZW en de minister van JenV. Eigenlijk ziet dit op goed weten wat er speelt, om preventief te kunnen optreden. Het gaat dus niet om specifiek beleid over repressie, maar om preventief beleid. Met die uitleg zou ik het oordeel aan de Kamer kunnen laten.

Voorzitter. Tot slot de motie op stuk nr. 171. Ik meen dat ik er verstandig aan doe om die aan de Kamer te laten.

De voorzitter:

Zo is dat. De heer Van der Molen.

De heer Van der Molen (CDA):

Inderdaad, het is aan de Kamer. Ik heb ondertussen van een heel aantal Kamerleden het verzoek gekregen om hun naam toe te voegen aan de motie die ik heb voorgesteld. Ik meld alvast maar even dat ik de motie aan de hand van die namen nog zal wijzigen voor de stemmingen van aanstaande dinsdag. Als er nog andere Kamerleden zijn die de motie willen ondersteunen, staat die er tot die tijd voor open.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van der Molen. De heer Jasper van Dijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Mag ik nog aan u vragen, voorzitter, wat u vindt van de motie op stuk nr. 165? Die motie is namelijk aan het Presidium gericht.

De voorzitter:

Dat vind ik ingewikkeld, omdat ik als Voorzitter niet deelneem aan het debat, maar in principe kan ik zeggen dat de Kamer gaat over welke debatten gepland worden. Dus als een meerderheid dat vindt, dan organiseren wij een debat. Misschien is het een idee — ik kijk naar mevrouw Den Boer en mevrouw Özütok — om voor de stemmingen een brief vanuit het Presidium te sturen over hoe wij hier tegen aankijken; tenminste, ik hoop dat dat lukt.

Mevrouw Den Boer (D66):

Voorzitter. Als dat helpt om dit op deze manier structureel jaarlijks op de agenda te krijgen, dan wil ik dat graag doen met mijn collega Özütok.

De voorzitter:

Dan verzoek ik u om de motie aan te houden, zodat wij ons er als Presidium over kunnen buigen en we u een uitspraak kunnen voorleggen.

Mevrouw Den Boer (D66):

Dan doen we dat, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel.

Op verzoek van mevrouw Den Boer stel ik voor haar motie (30950, nr. 165) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor haar antwoord.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Over de ingediende moties zullen we volgende week dinsdag stemmen.

Ik schors de vergadering. Daarna beginnen we met de regeling en vervolgens is er het debat over de bedreiging van burgemeesters.

De vergadering wordt van 12.58 uur tot 13.33 uur geschorst.