Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-2019nr. 62, item 12

12 Personen- en Familierecht

Aan de orde is het VAO Personen- en Familierecht (AO d.d. 24/01).

De voorzitter:

We gaan verder met het VAO Personen- en Familierecht. Ik geef de heer Van Gent namens de VVD het woord.

De heer Van Gent (VVD):

Dank u wel, voorzitter. De minister heeft ons naar aanleiding van het algemeen overleg een brief gestuurd over kinderalimentatie. Ik wil hem daarvoor dankzeggen. Als we het over kinderalimentatie hebben, dan betrek ik daar vooral de evaluatie van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen bij. Het goede nieuws is dat het aantal meldingen van wanbetalingen terugloopt, maar tegelijkertijd zijn er altijd nog 2.300 gevallen waarbij er wel problemen zijn met het innen van de kinderalimentatie. Een ander cijfer dat ons opvalt, is dat twee derde van alle scheidingen waar minderjarigen bij betrokken zijn, vroeg of laat toch tot inningsverzoeken bij het LBIO leidt. Daarom willen wij samen met de PvdA een motie indienen die de berekeningssystematiek voor kinderalimentatie onderzoekt en ook kijkt of die verbeterd kan worden. Want op het moment dat die transparantie beter is, zo hopen wij, zal ook de maatschappelijke aanvaarding toenemen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Mevrouw Van Toorenburg heeft nog een vraag. Het gaat snel.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Omdat het hierbij past: zouden we, wanneer we daar nadere duiding van vragen, niet ook iets helderder moeten krijgen wat de preferentie van die kinderalimentatie nou is? De minister zegt daar wel iets over, maar het is onduidelijk. Hij gaat daar meer onderzoek naar doen, maar kan hij iets duidelijker maken wat voor onderzoek dat dan is? Als hij dat dan meeneemt in de analyse die u wilt, dan hebben we volgens mij één mooi pakket.

De heer Van Gent (VVD):

Geen probleem.

De voorzitter:

Goed zo. Zo kan het ook: heel kort en krachtig. Dank u wel. De heer Van Nispen namens de SP.

De heer Van Nispen (SP):

Voorzitter.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er veel behoefte is bij geadopteerden om uit te vinden waar ze vandaan komen, maar dat die zoektocht in veel gevallen zeer moeilijk is, omdat bijvoorbeeld in het verleden officiële documenten vervalst zijn;

overwegende dat volgens het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind ieder kind het recht heeft om te weten wie zijn of haar ouders zijn;

van mening dat het redelijk én moreel juist is als er vanuit de overheid geld beschikbaar komt voor alle geadopteerden om hen bij te staan in de zoektocht naar hun roots;

spreekt uit dat het verzoek van de regering aan geadopteerden om hiervoor met één gezamenlijk plan te komen niet onbegrijpelijk is, maar dat dit dusdanig ingewikkeld is dat het niet van de totstandkoming van een gezamenlijk plan moet afhangen of de overheid geadopteerden hierin tegemoet gaat komen;

verzoekt de regering om geadopteerden met praktische hulp, maar ook met een financiële tegemoetkoming bij te staan wanneer zij behoefte hebben om te achterhalen waar zij vandaan komen of wie hun ouders zijn,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Nispen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 36 (33836).

De heer Van Nispen (SP):

Dan een heel ander onderwerp, namelijk uithuisplaatsing.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat naar schatting 50% van de broers en zussen die gezamenlijk uit huis worden geplaatst niet in hetzelfde pleeggezin of gezinshuis worden geplaatst, terwijl zij daar op grond van internationale wet- en regelgeving wel recht op hebben;

overwegende dat het in het belang van broertjes en zusjes is dat zij zo veel mogelijk met elkaar opgroeien en dat het in dat kader niet wenselijk is dat zij (ver van elkaar) in verschillende gezinnen geplaatst worden;

van mening dat het goed zou zijn om bijvoorbeeld wettelijke verankering van het "samen, tenzij"-beginsel nader te onderzoeken;

verzoekt de regering te onderzoeken hoe nog beter dan nu het uitgangspunt gehanteerd kan worden dat broertjes en zusjes waar mogelijk samen geplaatst worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen en Hijink. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 37 (33836).

De heer Van Nispen (SP):

Voorzitter, tot slot. Wij hebben gesproken over het fenomeen ouderverstoting, het verdrietige fenomeen dat sommige kinderen één van beide ouders niet meer zien en het contact daarmee verliezen. Daarover zijn in het verleden al moties aangenomen. Eerst was er een motie van D66 en de SP waarin stond dat er een uitgebreid onderzoek zou worden verricht. Daar hebben we gisteren een interessante briefing over gehad. Daarna was er ook nog een aangenomen motie van SP, VVD en D66 die de regering ertoe opriep om met voorstellen te komen. Ik zal op dit moment dus geen motie indienen. We hebben wel allerlei ideeën, maar ik geef de minister op dit moment de ruimte om met zijn reactie te komen. Dan komen we hier zeker nog uitgebreid over te spreken.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Nispen. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Bergkamp namens D66.

Mevrouw Bergkamp (D66):

Dank u wel, voorzitter. Ik sluit me aan bij de laatste woorden van de heer Van Nispen. Voor D66 is waarheidsvinding een belangrijk onderwerp. Mijn vraag aan de minister is dan ook de volgende. Er is een actieplan. Hij komt hier nog op terug in de voortgangsrapportage. Maar wat is nu zijn indruk van al die aanbevelingen en hoe gaat het nu met die waarheidsvinding?

Voorzitter. Ik heb één motie, mede namens de heer Van der Staaij, om dit punt te bekrachtigen, gezien de discussie die we hadden in het AO.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de huidige rechtsnorm "ernstig bedreigd in zijn ontwikkeling" van artikel 255 Burgerlijk Wetboek Boek 1 door sommigen als vaag wordt beschouwd en dit mogelijk tot onterechte beschuldigingen kan leiden;

constaterende dat is toegezegd de normering van feitenonderzoek en het toetsingskader voor rechters in de jeugdbeschermingsketen met verschillende partijen te verkennen;

van mening dat het voor een goede verkenning van belang is dat diverse relevante partijen worden gehoord en dat de rechtsbescherming van burgers bij jeugdbescherming wordt vergeleken met die in andere rechtsgebieden;

verzoekt de regering om bij de verkenning ook de Kinderombudsman, LOC Zeggenschap in zorg en Stichting Vader Kennis Centrum, evenals wetenschappers van de Erasmus School of Law uit te nodigen en de resultaten van deze verkenning voor het einde van dit jaar aan de Kamer te sturen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bergkamp en Van der Staaij. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 38 (33836).

Mevrouw Bergkamp (D66):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Bergkamp. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Van Toorenburg namens het CDA.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Voorzitter. We kijken terug op een tamelijk beladen AO, waarin we spraken over hele gevoelige onderwerpen, die veel mensen hebben geraakt. Ook adoptie was een belangrijk onderwerp. We hebben daarbij ook gesproken over signalen van misbruik terwijl mensen nog in de adoptieprocedure zitten. Nu is het een beetje onduidelijk of die signalen kunnen worden meegenomen of niet. Ik heb daarom een motie. Maar misschien kan de minister duiden wat er nu precies speelt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat gedurende een procedure om in aanmerking te komen voor adoptie, wel eventuele veroordelingen worden betrokken bij de screening, maar niet verdenkingen van strafbare feiten;

verzoekt de regering te onderzoeken of ook verdenkingen van ernstige strafbare feiten, zoals zedenzaken, kunnen worden meegenomen bij de beoordeling of een aspirant-adoptieouder daadwerkelijk mag adopteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Toorenburg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 39 (33836).

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Misschien is een van de overwegingen niet juist, want er is dus discussie over of het nou wel of niet kan worden meegewogen. Als het wel kan, trek ik de motie in. Zo niet, dan moet het worden gedaan. Maar het is een belangrijk en actueel onderwerp.

Voorzitter. Ik heb verder nog één onderwerp. De heer Van Nispen gaf terecht aan hoe schrijnend ouderverstoting is. Mede namens hem wil ik ook markeren dat het niet alleen voor ouders maar ook voor grootouders geldt. Er zijn zo veel grootouders die met pijn in het hart hun kleinkinderen niet meer mogen zien. Ik weet dat daar een onderzoek naar loopt, maar mag dit er echt bij betrokken worden? Ouders zijn soms hun kinderen kwijt, maar voor grootouders geldt dat evenzeer.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Van Toorenburg. Ik geef tot slot het woord aan mevrouw Kuiken namens de PvdA.

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Voorzitter. In de Eerste Kamer zal een wetsvoorstel over aanpassing van de partneralimentatie worden behandeld. Eerlijkheidshalve moet ik bekennen dat wij ook hebben gekeken of je dan ook iets met de kinderalimentatie zou moeten. De berekeningssystematiek roept namelijk discussies op, evenals de wijze waarop je eraan gecommitteerd wordt. Tegelijkertijd is het ongelooflijk ingewikkeld en heel erg lastig. Daar moeten we wel wat mee. We vragen dus de hulp van het kabinet. De heer Van Gent kondigde het verzoek om daarmee aan de slag te gaan, al aan. Daarom de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat de berekeningssystematiek voor kinderalimentatie niet altijd helder en transparant is en dat daardoor het draagvlak voor het betalen van kinderalimentatie verzwakt kan worden;

van mening dat op dit moment niet duidelijk is of een wettelijke aanpassing van deze berekeningssystematiek wel de benodigde helderheid en transparantie kan geven;

roept de regering op te onderzoeken of de berekeningssystematiek voor kinderalimentatie verbeterd kan worden en, zo ja, of hiervoor een wetswijziging dan wel een andere aanpassing van regelgeving noodzakelijk is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kuiken en Van Gent. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 40 (33836).

Mevrouw Kuiken (PvdA):

Wat mevrouw Van Toorenburg suggereerde om mee te nemen, wil ik graag omarmen en hier ter plaatse ook meegeven.

Voorzitter. We hebben de motie over Sektesignaal medeondertekend. Ook daarover is genoeg gewisseld. Veel voorstellen die hierin en in het algemeen overleg zijn gedaan, ondersteun ik graag en van harte.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Kuiken. Ik kijk naar de minister. De laatste moties worden gekopieerd en rondgedeeld, maar ik zie dat de minister alvast kan antwoorden. Het woord is aan de minister.

Minister Dekker:

Voorzitter. Ik begin met de motie van de heer Van Nispen op stuk nr. 36. Ik ontraad die motie, omdat die mijn oproep aan de betrokken organisaties heel erg ondergraaft. Ik zie grote voordelen van een gezamenlijk plan. Eigenlijk zegt deze motie: dat heeft misschien wel voordelen, maar we achten het niet reëel dat het gaat lukken. Dat vind ik eigenlijk niet goed. Mijn oproep aan alle organisaties is, nogmaals, dat we echt proberen — ik heb toegezegd om me daar actiever mee te bemoeien, als een soort regisseur, en om mijn mensen daarvoor beschikbaar te stellen — om tot één gezamenlijk plan te komen. Dan kunnen die organisaties elkaar ook versterken.

Dan de motie op stuk nr. 37 over broertjes en zusjes. Hier zijn de heer Van Nispen en ik het niet met elkaar oneens dat je broertjes en zusjes zo veel mogelijk bij elkaar moet zien te houden. Maar ik ontraad deze motie, omdat ik niet geloof dat het opnemen van dat beginsel in de wet het probleem oplost. Het ligt namelijk gewoon aan de praktijk: een chronisch tekort aan goede plekken in pleeggezinnen. De basishouding, ook van alle mensen die in de jeugdbescherming werken, is dat die broertjes en zusjes bij elkaar worden gehouden.

De motie op stuk nr. 38 gaat eigenlijk over waarheidsvinding.

De heer Van Nispen (SP):

Voorzitter.

De voorzitter:

U krijgt zo het woord, meneer Van Nispen. O nee, uw moties zijn al behandeld. De heer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):

Ja, ik ga nadenken of ik de motie over de financiële regeling voor geadopteerden ga aanhouden. Ik vind die wel belangrijk. Daarom zeg ik ook tegen alle geadopteerden die mij benaderen dat ze moeten proberen met een gezamenlijk plan te komen. Daarover dus geen misverstand; dat zou goed zijn. Maar ik weet ook dat het ingewikkeld is, vandaar toch deze motie. Ik denk erover na.

Dan ook nog het samenplaatsbeginsel. In het dictum staat uitdrukkelijk niet dat onderzocht moet worden of het per se in de wet moet worden opgenomen. Ik weet dat het niet alleen een kwestie is van een tekort aan pleeggezinnen. Dat is het ook; het is een belangrijke reden, maar het is niet de enige reden. Dat weten we dankzij het onderzoek van Defence for Children. Aangezien de minister en ik het hierover niet oneens zijn, verzoek ik hem dus toch om iets bereidwilliger naar deze motie te kijken. Ik vraag namelijk niet per se om een wetswijziging. Ik vraag niet eens alleen maar om te onderzoeken of het in de wet moet worden gewijzigd. Ik vraag, wetende dat we te weinig pleeggezinnen hebben, om te bekijken wat er in de praktijk kan gebeuren om toch sterker te verankeren dat broers en zusjes niet onnodig uit elkaar worden gehaald. Dat gebeurt nu in de praktijk wel.

Minister Dekker:

Misschien mag ik de heer Van Nispen dan vragen of hij de motie wil aanhouden. Dan ga ik nog even goed kijken naar wat Defence for Children stelt en schrijft. Alle betrokkenen vanuit de jeugdbescherming met wie ik spreek, zeggen: dit is ons uitgangspunt, maar we lopen tegen praktische dingen aan, niet tegen juridische bezwaren. Dan vind ik tijd steken in het creëren van allerlei wettelijke regels ... Dan krijgen we een soort juridische ... Dat is volgens mij wat we allebei niet willen bereiken.

De voorzitter:

Nee, maar dat is niet het verschil van mening, dus daar hoeft u ook niet uitgebreid op in te gaan. De heer Van Nispen, tot slot.

De heer Van Nispen (SP):

De minister zegt dit toch te gaan bekijken. Misschien is dat "onderzoeken" in de motie wat zwaar. Als de minister zegt "ik ben bereid om hier nog eens naar te kijken en om bijvoorbeeld met Defence for Children, maar ook met anderen daarover te spreken", dan doet hij bijna wat ik wil. Om die reden zal ik de motie inderdaad aanhouden. Heb ik dat zo goed begrepen?

Minister Dekker:

Dan stel ik voor dat ik daar in de eerstkomende voortgangsrapportage over het Actieprogramma Zorg voor de Jeugd op terugkom. Dit ligt op het snijvlak van wat ik samen met Hugo de Jonge doe.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Van Nispen stel ik voor zijn motie (33836, nr. 37) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Dekker:

De motie op stuk nr. 38 ging vooraf aan de vraag hoe het staat met het plan dat er ligt. In mijn optiek gaat het goed. Dit plan wordt breed onderschreven door zowel de raad als de gecertificeerde instellingen. Die zijn daar ook hard mee aan de slag gegaan. Het gaat om praktische verbeteringen, trainingen en aanpassingen in hun organisatie. Er was minder enthousiasme over de juridische kant van het verhaal, maar ik heb echt de indruk dat de organisatie de opgave die er voor haarzelf ligt, serieus oppakt.

De vraag van mevrouw Bergkamp en de heer Bisschop is of ik ook nog eens naar de juridische kant wil kijken. Ik kan ermee uit de voeten, dus ik kan het oordeel over deze motie aan de Kamer laten.

Mevrouw Bergkamp (D66):

Voorzitter, het is een motie van de heer Van der Staaij.

Minister Dekker:

O, sorry.

De voorzitter:

Ja, maar u bent de eerste ondertekenaar.

Mevrouw Bergkamp (D66):

Zeker, maar de minister zei Bergkamp en Bisschop. Dat moet zijn Bergkamp en Van der Staaij, voor de Handelingen.

De voorzitter:

U hebt gelijk.

Minister Dekker:

Allebei SGP'ers, maar ik haal ze nog weleens door elkaar.

Dan vroeg mevrouw Van Toorenburg hoe het precies zit met de screening van toekomstige ouders bij adoptie. Ik denk dat daarover een misverstand is gerezen in het algemeen overleg. Daarvoor steek ik de hand in eigen boezem. Het is nu al mogelijk om te kijken of iemand verdachte is in een strafrechtelijk onderzoek. Dat is een contra-indicatie in het toekennen van adoptie. Wat mevrouw Van Toorenburg via deze motie vraagt, kan dus al en gebeurt al.

De voorzitter:

En dus, wat is uw oordeel?

Minister Dekker:

Nou ja, dan is die overbodig, denk ik. En mevrouw Van Toorenburg had al aangekondigd dat ze in dat geval haar motie in zou trekken.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):

Ja, voorzitter, want het was blijkbaar een misverstand. Ik begreep van de minister dat het niet kon, en nu kan het dus wel. Dat is helemaal fijn en dan hoef ik de motie ook niet in te dienen. Zo gaan die dingen soms.

De voorzitter:

Aangezien de motie-Van Toorenburg (33836, nr. 39) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit.

De volgende motie.

Minister Dekker:

Ook oordeel Kamer op de motie van mevrouw Kuiken en de heer Van Gent op stuk nr. 40. Daar kan ik goed mee uit de voeten. Ik zal dat parallel laten lopen met het onderzoek naar hoe we omgaan met preferentie. Daarover werd de vraag gesteld: wat ga je dan precies onderzoeken? Daarin zijn twee dingen belangrijk. Stel dat je wat zou doen in het preferent verklaren van die vorderingen. Leidt dat dan ook tot beter betaalgedrag? Of is er gewoon ook sprake van betalingsonmacht? Ik denk dat we daar meer zicht op moeten hebben om te weten wat het effect is van zo'n maatregel. En twee is: wat zijn de eventuele negatieve en onbedoelde effecten? Als je dit preferent verklaart, heb je namelijk ook niet-preferente schuldeisers, en ook die zitten soms in kwetsbare posities. Ik heb weleens het voorbeeld gebruikt van iemand die nog een schadevergoeding krijgt naar aanleiding van een misdrijf. Dat moeten we goed kunnen wegen en daar weten we nu te weinig vanaf. Ik wil dat graag meenemen in datzelfde onderzoek.

Dan ben ik klaar.

De voorzitter:

Dan zijn we aan het eind gekomen van dit VAO.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Over de ingediende moties zullen we volgende week dinsdag stemmen. Ik dank de minister en ik schors de vergadering.

De vergadering wordt van 17.38 uur tot 18.42 uur geschorst.