Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 54, item 18

18 Verruiming fouilleerbevoegdheden

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Gemeentewet, de Wet wapens en munitie en de Politiewet 2012 (verruiming fouilleerbevoegdheden) ( 33112 ).

De voorzitter:

Ik heet de minister van harte welkom. Zo ook de collega's die vanavond het woord voeren, de mensen op de publieke tribune en de mensen die thuis meekijken.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

Mevrouw Helder (PVV):

Voorzitter. Ter bestrijding van wapengeweld en verstoringen van de openbare orde is in 2002 het preventief fouilleren ingevoerd. De burgemeester kan door middel van een verordening van de gemeenteraad de bevoegdheid krijgen om veiligheidsrisicogebieden aan te wijzen waarbinnen gefouilleerd kan worden op wapens na een bevel van de officier van justitie. Voorwaarde is dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees voor het ontstaan van verstoring van de openbare orde. Vervolgens kan iedereen in het aangewezen gebied gefouilleerd worden. Er is dus geen aanwijzing, vermoeden of verdenking voor nodig. Dit is effectief gebleken.

Wel is er behoefte aan verbeteringen om het middel slagvaardig te kunnen inzetten. Daarom bespreken wij vandaag dit wetsvoorstel. Er wordt een aantal voorstellen gedaan. Zo kan het bevel van de officier van justitie in een spoedeisende situatie mondeling worden gegeven met een schriftelijke vastlegging achteraf. Als sprake is van een incident dat onmiddellijke inzet van preventief fouilleren rechtvaardigt zonder dat een veiligheidsrisicogebied is aangewezen, dan kan de burgemeester direct een gebied aanwijzen voor een korte duur, namelijk twaalf aaneengesloten uren. Verder wordt de veiligheidsfouillering uitgebreid met de bevoegdheid om voorwerpen te onderzoeken die de betrokkene bij zich draagt of met zich meevoert. Geregeld wordt dat elke persoon die door de politie wordt vervoerd, gefouilleerd mag worden, dus ook personen die vervoerd worden in het kader van de hulpverleningstaak, de zogenoemde vervoersfouillering. Ten slotte wordt een fouilleerbevoegdheid gecreëerd voor personen die in een politiecel worden ingesloten, de zogenoemd insluitingsfouillering. Het betreft een standaardbevoegdheid tot onderzoek aan kleding en onderzoek van voorwerpen, en een voorwaardelijke bevoegdheid tot onderzoek aan het lichaam en in het lichaam.

De PVV-fractie is het eens met de voorgestelde wijzigingen. Ook is het goed dat feitgecodeerde afdoening mogelijk wordt gemaakt. Treffen agenten iemand aan met een bepaald wapen, bijvoorbeeld pepperspray of een boksbeugel, dan hoeven zij niet meer eerst naar het politiebureau om daar een proces-verbaal van op te maken. Agenten kunnen nu op straat blijven, en daar is de PVV voorstander van.

Mijn fractie is het ook eens met de vervoersfouillering. Zij is het echter niet eens met de redenering van de Nationale ombudsman dat de vervoersfouillering ertoe kan leiden dat er geen reden meer is om handboeien aan te leggen bij een aangehouden verdachte. Dit zou fijn zijn voor de verdachte, omdat fouilleren wordt ervaren als een lichtere maatregel dan het aanleggen van handboeien. Hoe beoordeelt de minister deze redenering? Het niet bij zich dragen van wapens is toch niet altijd een reden om geen handboeien aan te leggen? Zonder wapen kan iemand nog altijd gevaarlijk zijn. Dat wordt met zoveel woorden erkend in de memorie van toelichting, maar toch graag nog een bevestiging van de minister.

De PVV wil toch ook ingaan op de afgewezen vormen van verruiming. Zo mag op de perrons van de NS niet preventief gefouilleerd worden, omdat dat geen openbaar gebied is. Volgens de regering is dat ook niet nodig, omdat de stationshal wél een openbaar gebied is en dus als veiligheidsrisicogebied aangewezen kan worden. In het verleden heeft de NS ook verzet geboden tegen het aanwijzen van de perrons als risicogebied. De reden daarvoor is dat het bedrijf bang is dat mensen aan de fouillering willen ontkomen door te dreigen op het spoor terecht te komen. De regering heeft deze argumentatie overgenomen. Wij vinden dat geen doorslaggevend argument. Iemand kan bijvoorbeeld ook de snelweg op rennen om aan fouillering te ontkomen. Op stations is ook sprake van wapenbezit. Doordat het niet mogelijk wordt gemaakt om ook op perrons preventief te fouilleren, wordt er aan personen die een wapen bezitten, een vluchtroute geboden. Door nou net daar niet te fouilleren, ontstaat naar de mening van de PVV juist een groter risico. Mensen zullen in de regel via het spoor het station verlaten en niet via de stationshal, omdat daar wel gefouilleerd mag worden. Mijn fractie overweegt dan ook een motie in te dienen om ook de perrons van de NS als veiligheidsrisicogebied te kunnen aanwijzen zodat ook daar preventief op wapens gefouilleerd kan worden. Graag een reactie van de minister.

Daarnaast is niet ingegaan op het preventief fouilleren in het openbaar vervoer wat betreft de bussen, trams et cetera die door het aangewezen veiligheidsgebied gaan rijden. Worden deze bussen, trams et cetera voorzien van agenten die preventief fouilleren?

Ook preventief fouilleren op het bezit van drugs wordt niet mogelijk gemaakt. De regering meent dat het bezit van drugs eerder de bezitter schaadt en niet de openbare orde. De PVV is het hier niet mee eens, want drugsrunners bijvoorbeeld kunnen wel degelijk een gevaar voor de openbare orde zijn. Daar komt bij dat ze in duidelijk waarneembare gebieden actief zijn en dat hiertegen dus eenvoudig actie kan worden ondernomen. Weliswaar gebeurt dit in de regel via het strafrecht maar het optreden via de bestuursrechtelijke weg kan toch ook een stok achter de deur zijn.

Ook wordt aangegeven dat er in de praktijk geen behoefte bestaat aan preventief fouilleren op drugs en men genoeg heeft aan bevoegdheden die geboden worden door de Opiumwet. Om op basis van de Opiumwet iemand te mogen fouilleren, moet in tegenstelling tot bij preventief fouilleren wel sprake zijn van een verdenking. Kan de minister hier nader op ingaan? Het argument in de memorie van toelichting dat hiervoor het lichaam afgetast moet worden, is niet doorslaggevend. Drugsrunners vervoeren de drugs in de regel niet in de lichaamsholten maar in de kleding. Dus graag een nadere motivering van de minister en ook op dit punt overwegen we een motie in te dienen.

Tot slot nog een vraag aan de minister in de hoop dat hij deze kan beantwoorden. De staatssecretaris heeft in zijn hoedanigheid van Kamerlid ooit gezegd dat preventief fouilleren altijd en overal mogelijk zou moeten zijn. Waarom is dat dan niet in het wetsvoorstel opgenomen? Heeft de staatssecretaris hier weer een draai gemaakt?

Ondanks de aangevulde opmerkingen vindt de PVV dit wetsvoorstel wel een verdere stap in de goede richting en kan zij er dan ook mee instemmen.

De heer Oskam (CDA):

Voorzitter. In het verslag bij het wetsvoorstel hebben we reeds aangegeven dat we positief staan tegenover dit wetsvoorstel. Verboden wapenbezit is zeer ongewenst en kan tot ernstige aantasting van de openbare orde en veiligheid leiden. In het uitgaansleven bijvoorbeeld heeft geweld met messen en vuurwapens al veel te vaak geleid tot verschrikkelijke aflopen; steek- of schietpartijen met dodelijke afloop willen we in Nederland niet.

Tien jaar geleden heeft de CDA-fractie in de persoon van Wim van de Camp het initiatief genomen om de mogelijkheid tot preventief fouilleren in de wet op te nemen. Inmiddels is gebleken dat preventief fouilleren werkt en dat het draagvlak geniet onder de bevolking. Wel blijkt er in de politiepraktijk behoefte te zijn aan de mogelijkheid om het instrument op onderdelen flexibeler in te zetten, met name als het om spoedsituaties gaat. De CDA-fractie staat daar in beginsel positief tegenover. De vragen die we in het verslag hebben gesteld, zijn overwegend bevredigend beantwoord. We hebben er kennis van genomen dat bij nota van wijziging het voorstel om in spoedgevallen het bevel voor de concrete fouilleeractie te laten geven door de hulpofficier van justitie, is geschrapt. We vinden dat een verstandige beslissing van de minister want het is nogal een ingrijpend middel en dan is het misschien beter om er een magistraat naar te laten kijken. Het Openbaar Ministerie zal in de praktijk de piketmodule aanvullen met een adequate instructie voor preventief fouilleren zodat daadwerkelijk altijd een officier van justitie beschikbaar is om met de burgemeester en de politie te overleggen, desnoods telefonisch, om een spoedaanwijzing te geven om een gebied als veiligheidsrisicogebied aan te wijzen. We zijn het ermee eens dat er geen wetswijziging nodig is om die praktijk dan te wijzigen. Wel zijn we benieuwd hoe die spoedprocedure in de praktijk gaat uitwerken. Te zijner tijd willen we dus wel van de minister daarover een terugkoppeling krijgen.

We hadden gevraagd waarom er niet voor is gekozen om de burgemeester standaard de bevoegdheid te geven om ook zonder voorafgaande toestemming van de raad, de raadscommissies of -fora een veiligheidsrisicogebied aan te wijzen en of in democratische legitimatie door de raad niet reeds afdoende is voorzien door de plicht voor de burgemeester om de gebiedsaanwijzing zo spoedig mogelijk ter kennis van de raad te brengen. De minister heeft op dat punt aangegeven dat hij afgezien van spoedsituaties, geen aanwijzingen heeft dat die huidige bevoegdheid van de gemeenteraad bedoeld in artikel 151b van de Gemeentewet in de praktijk op bezwaren stuit en dat daarom rechtstreeks de bevoegdheid van de burgemeester op grond van het voorgestelde artikel 174b beperkt kan blijven tot incidentele spoedsituaties. Als dat zo is, dan nemen wij daar kennis van.

Onderzoek in het lichaam gaat nog een stap verder. Op onze vraag daarover geeft de minister enkele voorbeelden van onderzoek in het lichaam als noodzakelijk sluitstuk op de reeds bestaande bevoegdheden die nodig zijn om de verantwoordelijkheid te kunnen dragen voor de orde en de veiligheid in een cellencomplex of een politiebureau, alsook voor de gezondheid van de gedetineerden zelf. Onderzoek in het lichaam is natuurlijk zeer ingrijpend, maar de voorbeelden die de minister heeft gegeven, zijn voor ons voldoende overtuigend.

Bovendien zijn wij gerustgesteld omdat de zorgvuldigheid is gewaarborgd door de bepaling dat zulk onderzoek alleen mag worden verricht door een arts of in diens opdracht door een verpleegkundige. Deze beslissing mag alleen worden genomen door het hoofd van de territoriale eenheid van de politie of bij afwezigheid door zijn plaatsvervanger. De vraag is wel hoe dat in de praktijk zal werken, zeker in de grote steden, omdat daar vaak meerdere bureaus tegelijk open zijn. Het kan zo zijn dat meerdere verdachten in hun lichaam onderzocht moeten worden. De vraag is dan of er met dit systeem een goede werkwijze is.

Op onze vraag of een bezwaar tegen een besluit tot aanwijzing van een veiligheidsrisico in veel gevallen pas behandeld kan worden nadat dit na verloop van tijd is opgehouden veiligheidsrisicogebied te zijn, heeft de minister geantwoord dat in zulke gevallen een bestreden besluit kan worden herroepen, terwijl de gevolgen van dat besluit niet ongedaan kunnen worden gemaakt. In zulke gevallen kan de indiener van het bezwaarschrift schade hebben geleden. De vraag aan de minister is of bekend is hoe vaak dergelijke zaken zich hebben voorgedaan. Is er schadevergoeding uitgekeerd? Zo ja, hoeveel?

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Voorzitter. Dat veiligheid op straat van groot belang is, dat wapenbezit moet worden teruggedrongen en dat het voorkomen van gewelddadige incidenten prioriteit heeft, daar zijn we het allemaal over eens. Voor D66 gaat de discussie vanavond over een groot goed, namelijk onze grondrechten, een belangrijk liberaal uitgangspunt, waar de partij van deze minister ook ooit voor stond. Maar die grondrechten verruilt de minister keer op keer voor zijn veiligheidsutopie. Hadden we 40 jaar geleden Joop den Uyl met zijn maakbaarheid van werkgelegenheid, nu hebben we minister Opstelten en zijn maakbaarheid van veiligheid. Preventief fouilleren breekt in op de privacy en lichamelijke integriteit van onschuldige burgers. Natuurlijk, wie niets gedaan heeft, hoeft niets te vrezen, maar evenzeer geldt: wie niets gedaan heeft, hoeft geen inbreuk op zijn fundamentele rechten te accepteren. Langs die meetlat kijkt D66 kritisch naar het instrument preventief fouilleren.

Dat een bezinning op het doel en de inzet van preventief fouilleren wenselijk is, dat ziet ook mijn fractie, maar wat D66 betreft wel met een gewaarborgd evenwicht tussen veiligheid en burgerrechten. Het instrument is bedoeld als aselectief; zonder aanzien des persoons.

De heer Marcouch (PvdA):

Ik hoor collega Berndsen spreken over grondrechten. Is D66 ook van mening dat veiligheid ook een grondrecht is?

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Zo zou je het kunnen noemen, maar dat betekent niet dat alles ook maar gerechtvaardigd is om toe te passen. Je kunt niet makkelijk het ene grondrecht inruilen tegen het andere grondrecht. Daarom zei ik net ook dat er een balans moet zijn tussen grondrechten en veiligheid.

De heer Marcouch (PvdA):

Ja, maar dan moet het collega Berndsen toch tevreden stemmen dat hier een voorstel ligt dat juist dat doet; het beschermen van die grondrechten. Het is helemaal niet zo dat het ene ten koste van het andere wordt ingevoerd. Dat is toch niet wat hier ter tafel ligt?

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Daarover verschil ik dus van mening met de heer Marcouch, want ik vind wel degelijk dat de burgerrechten worden ingeleverd. Ik zal dat met mijn verdere betoog ook onderbouwen.

Het instrument is bedoeld als aselectief, zonder aanzien des persoons; bij fouilleeracties dus geen discriminatie op basis van huidskleur of afkomst. In de praktijk zien we echter dat er wel degelijk selectie wordt toegepast. De professionele intuïtie van politieambtenaren speelt een belangrijke rol. De Ombudsman constateert zelfs een nadrukkelijk gevaar voor willekeur en voor ongeoorloofde selectie, terwijl wij ethnic profiling juist nadrukkelijk willen voorkomen bij de toepassing van dit instrument. Het voorstel van de minister beoogt niet om het non-discriminatiebeginsel opzij te schuiven, maar hoe waarborgt hij dit principe nadrukkelijk in de praktijk? Volgens mijn fractie mag de burger meer verwachten van deze minister dan alleen vertrouwen op briefings en controle door leidinggevenden.

Preventief fouilleren verschuift van een algemeen preventief middel met grootschalige acties naar een kleinschaliger instrument dat op een zogenaamde slimme manier wordt ingezet op hot times en hot places. Het strafrechtelijk doel krijgt steeds meer de overhand. Natuurlijk is er iets voor te zeggen om een ingrijpend middel als preventief fouilleren gerichter en effectiever te kunnen inzetten, maar laten we wel duidelijk houden dat preventief fouilleren geen strafvorderlijk dwangmiddel is. We hebben het nog steeds over onschuldige burgers. We moeten er dus nadrukkelijk voor waken dat dit instrument wordt gebruikt als gemakkelijk alternatief als strafvorderlijk optreden niet mogelijk is. Mijn fractie vindt dan ook dat bij ieder verzoek tot preventief fouilleren ook afgevraagd moet worden of het instrument niet als achterdeurtje wordt gebruikt. Deelt de minister deze opvatting en hoe voorziet het voorstel daar volgens hem in?

Ik zei al dat preventief fouilleren ingrijpend is. We moeten dus waarborgen dat correcte toepassing plaatsvindt. Mensen moeten erop kunnen vertrouwen dat hun rechten in het hele land in gelijke mate zijn gewaarborgd. Mijn fractie hecht dus zeer aan de toets door de officier van justitie. De hulpofficier kwam even om de hoek kijken, maar is terecht geschrapt door de minister. Daarmee is de minister er wat D66 betreft echter nog niet. D66 deelt de opvatting van de Ombudsman dat de toets van de officier van justitie meer gewicht behoeft. Het moet een volwaardige toets zijn van de proportionaliteit en subsidiariteit, juist om een inbreuk op rechten en oneigenlijk gebruik te minimaliseren. De minister vindt de motivering op basis van feiten en omstandigheden voldoende. Wij dringen aan op harde sturing door deze minister; dat moet hem aanspreken. Laat de officier nadrukkelijk toetsen op doel, methode, selectiecriteria, alternatieven, hoe rekening wordt gehouden met de privacy van gefouilleerden, hoe stigmatisering wordt voorkomen en hoe met gefouilleerden en omstanders over de actie wordt gecommuniceerd. Als de minister deze aangeklede toets niet wettelijk wil regelen, wil hij dan wel bij het Openbaar Ministerie erop aandringen dat dit onderdeel wordt van de vaste uitvoeringspraktijk, bijvoorbeeld door een dwingende instructie?

D66 hecht ook zeer aan de rol van gemeenteraden bij het aanwijzen van risicogebieden. Het handelen van de burgemeester behoeft immers democratische legitimatie. In het huidige systeem informeert de burgemeester vooraf de veiligheidsdriehoek en de gemeenteraad voordat hij een veiligheidsrisicogebied aanwijst, maar in het voorstel van de minister kan de burgemeester straks ook op eigen houtje handelen in gebieden die niet zijn aangewezen als risicogebied en wordt de gemeenteraad pas achteraf gekend. Is de rol van de gemeenteraad juist niet iets waarover de gemeenten zelf willen en moeten beslissen bij het toepassen van deze bevoegdheid? En klopt het dat dit in de praktijk ook al gebeurt, bijvoorbeeld hier in Den Haag? Waarom meent de minister dan op de democratische controle op de lokale politiek te moeten ingrijpen? Kan hij die inspanning niet beter plegen op waarborgen bij de diensten die onder zijn gezag vallen, namelijk de politie en het Openbaar Ministerie? Deelt de minister onze opvatting dat het ook bij een spoedaanwijzing in ieder geval steeds de driehoek moet zijn die beslist en niet alleen de burgemeester?

De bevoegdheid tot preventief fouilleren speelt zich af op gemeentelijk niveau, maar hoe groot is eigenlijk de behoefte van de gemeenten aan de voorgestelde verruiming van deze bevoegdheden? De burgemeester van Den Haag, geen onbekende van deze minister, laat weten dat hij de winst van de voorgestelde procedure marginaal vindt. Hij stelt dat het in alle beschreven situaties nu al mogelijk is om preventieve fouilleeracties te houden. Heeft het voorstel van de minister eigenlijk wel draagvlak onder de gemeenten? Ook andere gezaghebbende instanties hebben kritiek op het voorstel, maar die wordt opzij geschoven ten faveure van de maakbaarheid.

Ik maak namens mijn fractie ook een opmerking over de insluitingfouillering. D66 onderschrijft onderzoek aan het lichaam bij ingeslotenen in een politiecel, maar hoe proportioneel is het voorgestelde onderzoek in het lichaam? Hoe groot is de gevaarzetting bij ingeslotenen in een politiecel? De minister verwijst naar een ernstige brand in een arrestantenhuis in Den Haag in 1987. Dat is welgeteld een kwart eeuw geleden. Toen was de minister nog burgemeester in Delfzijl. Heeft de minister recentere voorbeelden die de noodzaak hiervan onderbouwen, vraag ik hem dan ook.

Wat niemand kan horen is dat de minister volgens mij zegt dat hij toen directeur was in Delden.

Minister Opstelten:

Ik was directeur-generaal. Ik zeg het maar even, want wij moeten precies zijn.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Zelfs directeur-generaal. Dan hebben wij ons misschien een jaar vergist, dat zou kunnen. In ieder geval moet de geschiedenis goed genoteerd worden.

Desalniettemin hoor ik toch graag wat recentere voorbeelden van de minister die de noodzaak hiervan onderbouwen. Heeft de minister dit voorstel ook getoetst aan internationaal recht? De minister volgt de juridische grondslag voor penitentiaire inrichtingen. Wij hebben het echter niet over veroordeelde gevangenen. Hoe verhoudt dit voorstel zich tot het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens?

De implicaties van preventief fouilleren zijn ingrijpend; ik heb dit al een paar keer gezegd. De voorgestelde verruiming gaat verder dan de huidige bevoegdheid en dus worden de rechten van burgers te grabbel gegooid. Het is noodzakelijk dat deze wet na drie jaar wordt geëvalueerd op de toepassing in de praktijk. D66 heeft daar reeds in de schriftelijke ronde om gevraagd. De minister houdt de boot af en verwijst naar de gemeenten. Onzin, aldus mijn fractie. Een wettelijke regeling met een ingrijpend karakter moet worden geëvalueerd. Laat de minister daar dan ook wettelijk en dus dwingend op sturen. Ik overweeg op dit punt een amendement in te dienen.

De heer Dijkhoff (VVD):

Als ik hoor dat er burgerrechten te grabbel worden gegooid, moet ik toch een vraag stellen. Mevrouw Berndsen begon heel mooi met liberale waarden. Nu weet een liberaal dat die burgerrechten op papier één ding zijn, maar dat het in de praktijk nodig is om veilig over straat te kunnen gaan om van je burgerrechten te genieten. Vervolgens kwam zij met een veiligheidsutopie. Het klonk als een fantastisch verhaal en verzonnen zaken, maar zijn al die duizenden wapens die in de afgelopen jaren zijn gevonden met preventief fouilleren en die zijn afgepakt van criminelen, ook verzonnen? Zijn die soms niet echt? Vertrouwt mevrouw Berndsen niet op de professionaliteit van de mensen die zij noemt zoals de burgemeesters, de officieren van justitie en de politie die hier professioneel mee omgaan en waarvoor wij allemaal waarborgen inbouwen? Kan zij zo veel schokkende voorbeelden uit de afgelopen tien jaar noemen waarin die mensen hun boekje te buiten zijn gegaan? Tot slot. Zou mevrouw Berndsen de indruk willen wegnemen dat zij de politie discriminatie bij de toepassing van haar bevoegdheden verwijt?

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Dit zijn een heleboel vragen. Om direct een antwoord te geven op die laatste vraag: dat heb ik helemaal niet gezegd. Ik heb niet gezegd dat er discriminatie wordt toegepast. Ik heb alleen gezegd dat op dit moment al wordt gekeken naar bepaalde uiterlijkheden en verdachte omstandigheden, dus als je dat nog specifieker gaat maken ... In feite wordt er in het wetsvoorstel wel degelijk rekening mee gehouden dat er op basis van selecties kan worden gewerkt. Dat wil mijn fractie niet. Het is nu een aselectief instrument, dat ook aselectief moet worden gebruikt, maar het lijkt erop dat het een selectief instrument gaat worden. Dit is wel degelijk een voorbeeld van aantasting van burgerrechten.

Ik heb geen pen bij me, dus ik heb uw vragen niet kunnen noteren, meneer Dijkhoff. Dat spijt me zeer, maar u had dan ook drie uitgebreide vragen. De laatste vond ik nog het meest indringend. Dat snapt u wel, gezien mijn achtergrond.

De heer Dijkhoff (VVD):

Dan zijn we nu in ieder geval zo ver dat mevrouw Berndsen niet zegt dat er wordt gediscrimineerd, maar dat het daarop lijkt; een marginaal verschil, maar goed. De andere punten waren de volgende. Zouden, nu we het toch over een utopie hebben, die andere gevonden wapens er ook maar bij verzonnen zijn, of hebben we die bij het fouilleren echt wel gepakt? En kan mevrouw Berndsen zo veel schokkende voorbeelden noemen waarin de politie, de officier van justitie en de burgemeester, die het allemaal niet zouden kunnen waarborgen, hun boekje te buiten zijn gegaan op dit punt?

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik maak zeker tegen dat laatste bezwaar. Ik heb nadrukkelijk aangegeven dat ik vind dat de driehoek – en dat zijn het Openbaar Ministerie, de burgemeester en de politiechef – gedrieën een besluit moet nemen om een veiligheidsgebied aan te wijzen. Ik heb alle vertrouwen in hen. Nu wordt voorgesteld dat slechts één iemand uit de driehoek dat besluit kan nemen. Dat vind ik geen goede ontwikkeling. Nee, het zijn er geen twee, want de officier van justitie kan ook achteraf beschrijven waarom het noodzakelijk was. Dat is dus geen driehoeksbesluit. Ik vraag om een driehoeksbesluit.

Over de veiligheidsutopie is een heel mooi boekje geschreven. Natuurlijk zijn er veel wapens ingeleverd, maar die zijn ook niet allemaal gebruikt. Nederland is nog nooit zo veilig geweest. Alleen, als wij maar blijven roepen dat het zo onveilig is en dat het nog strenger moet en er met nog meer instrumenten moet worden ingegrepen, dan houden wij onze eigen utopie toch wel in stand.

Mevrouw Helder (PVV):

Ik hoorde mevrouw Berndsen spreken over de insluitingsfouillering. Zij zei dat de minister slechts één voorbeeld uit 1997 heeft aangehaald. Ik wil haar vragen of zij wel weet hoe vindingrijk verdachten zijn. Als zij dat niet weet, zou ik haar het volgende adviseren. Ik ben op werkbezoek geweest in de Penitentiaire Inrichting Middelburg. Die penitentiaire inrichting verkeert in de unieke omstandigheid dat ze een arrestantencomplex heeft. De mensen daar zitten te springen om een verruiming van de insluitingsbevoegdheid. Weet mevrouw Berndsen wel hoe vindingrijk verdachten zijn?

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Dat weet ik heel goed. U zegt het goed. Nu wordt gezegd dat de bevoegdheden die in de penitentiaire inrichting worden gebruikt, ook zouden moeten worden gebruikt bij verdachten; dus niet alleen bij veroordeelden of mensen die in voorlopige hechtenis zitten. Mensen die op straat als verdachten worden aangemerkt, worden meegenomen naar een arrestantencomplex, waar ze niet alleen aan het lichaam maar ook ín het lichaam zouden kunnen worden gevisiteerd. Dat is toch wel een heel verregaande maatregel voor verdachten. Voor veroordeelden geldt een volstrekt andere situatie.

Mevrouw Helder (PVV):

Er zijn ook voorwaarden. Er kan niet zomaar in het lichaam worden gevisiteerd; dat gebeurt op bevel van de officier van justitie. Er zijn dus voorwaarden, die ook even zouden moeten worden genoemd. Iemand wordt niet zomaar als verdachte van de straat geplukt. En je bent niet zomaar verdachte; ook daarmee gaat u een stap te snel. Dus één: je bent verdachte. Twee: de officier van justitie meent dat er ernstige bezwaren zijn, waardoor een onderzoek in het lichaam nodig is. Dat wordt overigens uitgevoerd door een arts, dus niet iedereen kan maar gaan zitten wroeten. Hier wordt iets te snel gezegd dat we het vooral niet moeten doen.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik kijk kennelijk anders aan tegen lichamelijke integriteit dan mevrouw Helder. Ik vind het wel degelijk een enorme ingreep als dit gebeurt alleen op basis van het feit dat iemand verdachte is.

De voorzitter:

Gaat u verder met uw betoog, mevrouw Berndsen.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik kom tot een afronding. Het zal ondertussen wel duidelijk zijn dat D66 kritisch staat ten opzichte van dit wetsvoorstel. De veiligheid staat voorop, maar het net zo belangrijke burgerrechtelijke been wordt hier niet bijgetrokken. Het voorstel hinkt daardoor ongemakkelijk. D66 vraagt de minister om terug te gaan naar zijn liberale roots, en grondrechten evenzeer te koesteren als zijn droom van de maakbare veiligheid.

De heer Dijkhoff (VVD):

Voorzitter. Preventief fouilleren is vooral bedoeld om wapens uit verkeerde handen te houden en van de straat te krijgen. De maatregel voor preventief fouilleren is een groot succes. Het is zelfs zo'n groot succes dat wij nu aan flexibilisering en herziening van de maatregel toe zijn. In het voorliggende wetsvoorstel wordt volgens de VVD een prima balans gevonden tussen enerzijds wat nodig is om de straten veilig te houden, en anderzijds de burgerrechten die iedere liberaal uiteraard aan het hart gaan.

Preventief fouilleren is dus vooral een succes. Dat is uiteraard vooral de verdienste van degenen die de maatregel uitvoeren, van de mensen uit de praktijk. Het is echter ook een succes voor de samenleving dat het is gelukt om aan te tonen dat deze bevoegdheid in de praktijk goed en op een goede manier kan worden gebruikt. Over de invoering van dit instrument was veel te doen. Toen de maatregel werd ingevoerd, deden vele schokkende verhalen de ronde. In de praktijk is echter gebleken dat de bevoegdheid niet is misbruikt en dat het preventief fouilleren leidt tot een effectievere aanpak van het probleem van wapens op straat. In de gebieden waar het instrument is ingezet, blijkt het aantal incidenten met wapens te dalen.

Het instrument heeft inmiddels ook een groot draagvlak onder de bevolking. Dat is een goede zaak. Het rapport van de Ombudsman werd al even genoemd. Volgens mij heeft de Ombudsman erg zijn best gedaan bij het zoeken naar mensen die last hebben gehad van deze maatregel. Er was zelfs sprake van een speciaal meldpunt. Het is echter bij een zeer overzichtelijk aantal klachten gebleven. Een en ander geeft geen aanleiding om te denken dat dit middel op een slechte manier wordt ingezet.

Met dit wetsvoorstel ontstaan nieuwe bevoegdheden. Mijn fractie is daar blij mee. Het wetsvoorstel zorgt ervoor dat de zaken die al mogelijk waren, wat gemakkelijker worden en wat praktischer kunnen worden toegepast. Met het wetsvoorstel proberen we de problemen op te lossen waar de politie, het OM en de burgemeesters in de praktijk tegenaan liepen. Dat is een goede zaak. Op deze manier kan men zich meer focussen op het echte werk en hoeft er minder aandacht uit te gaan naar het voldoen aan bureaucratische eisen.

Je kunt niet alles voorzien en je wilt maatwerk. Straks zal daarom de burgemeester samen met de gemeenteraad de gebieden aanwijzen die het meest voor veiligheidsrisicogebied in aanmerking komen. Daarna zit je in het oude systeem redelijk klem. Er bestond de kans dat de gemeenteraad uit voorzorg maar heel veel meer gebieden dan per se nodig was, zou gaan aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Daarmee wilde men ervoor zorgen dat er, in het geval er ergens iets gebeurt, toch snel kon worden overgegaan tot preventief fouilleren. Die keerzijde van de zaak kunnen wij nu wegnemen. Immers, met het nieuwe wetsvoorstel krijgt de burgermeester een nieuwe eigenstandige bevoegdheid voor "onvoorzienbare gevallen". Mijn fractie vraagt zich wel af of "onvoorzienbaar" een term is waarmee juridisch gezien kan worden gewerkt. Ook de professoren Brouwer en Schilder vragen zich dit af in hun artikel in het Nederlands Juristenblad. In principe zijn de scenario's wel voorzienbaar. Voorzienbaar is in welke situaties een burgemeester een gebied snel en tijdelijk als veiligheidsrisicogebied moet kunnen aanwijzen, maar je heb daarbij misschien niet voorzien dat zich dit scenario in één bepaald gebied zou voordoen. Is het niet werkbaarder als in het wetsvoorstel het woord "onvoorzienbaar" wordt vervangen door het woord "onvoorziene"? Ik wil graag een reactie van de minister op dit punt, ook omdat ik overweeg hierover een amendement in te dienen.

Los van het preventief fouilleren gaat het wetsvoorstel over het uitbreiden van de reguliere fouilleerbevoegdheid. Als er nu nog geen sprake is van een verdachte, dan mag de politie fouilleren bij gevaar voor leven of veiligheid van personen. Dat lijkt mij een goede zaak. De politie mag dan ook in meegevoerde goederen kijken. Dan is voor mij de vraag wat er allemaal valt onder meegevoerde goederen. Ik neem aan dat een handtas of een rugzak daar zonder meer onder vallen, maar valt een auto daar ook onder? Het lijkt mij al wat lastiger dat een voertuig onder een meegevoerd goed valt waar de politie in zo'n geval ook in zou mogen kijken. Hoe moeten wij dit interpreteren?

Voor de VVD-fractie zou het overigens een acceptabele interpretatie zijn als je wel in een voertuig mag kijken. De douane mag bijvoorbeeld al veel meer en wij weten dat daar ook vaak dingen in worden gevonden. De concrete reden waarom ik het vraag, is de volgende. Ik denk niet dat de politie straks, als zij die bevoegdheid heeft, in de rij voor De Efteling gaat staan, bij iedereen de koelbox uit de kofferbak trekt en gaat inspecteren, maar het voorkomt wel dat criminelen die door agenten worden aangetroffen met een smeulende slijptol en een gestolen kluis in de achterbak, zoals laatst in Uden gebeurde, vrijuit gaan. Dat was zo omdat agenten na de melding eerst in het pand hadden moeten kijken of er inderdaad een kluis miste en daarna achter die auto hadden moeten aanrijden waar die kluis in lag. Graag wil ik opheldering van de minister over de vraag hoever deze interpretatie reikt. Wat zou hij ervan vinden om dit wellicht hiernaar uit te breiden?

Is het criterium "gevaar voor leven of veiligheid van personen" ruim genoeg? Zou hier ook niet de veiligheid van goederen bij moeten? Ik zal het concreet maken. Wellicht blijkt uit het antwoord van de minister dat dit een overbodig punt is en mag het al. Maar stel je voor dat ik op straat loop, mijn telefoon wordt gestolen en ik een agent degene aanwijs van wie ik denk dat hij hem gestolen heeft en nog steeds bij zich draagt, kan de agent dan fouilleren? Ofwel, zijn mijn aanwijzing en beschuldiging van die persoon nu in juridische zin genoeg voor de politie om deze persoon als verdachte te bestempelen? Als dat wel zo is, dan kan de agent fouilleren, is dit punt opgehelderd voor mij en is er verder geen actie nodig. Maar als dat niet genoeg is om iemand als verdachte aan te merken, zouden wij de algemene fouilleerbevoegdheid hier dan niet naar moeten uitbreiden?

Wij vinden het voorstel zoals het nu is goed. Wellicht dien ik nog wat amendementen in. Dan hoop ik dat ik daar steun voor krijg. Al bij al is het echter een goede manier om verder te gaan met de aanpak en is het een juiste mix van het stimuleren van veiligheid en de openbare orde enerzijds en het niet lastig vallen van mensen die niemand iets kwaad doen anderzijds.

De heer Marcouch (PvdA):

Voorzitter. Wij hebben het vanavond over het uitbreiden van het preventief fouilleren in de Gemeentewet, de veiligheidsfouillering en de insluitingsfouillering. Wat mijn fractie betreft, regelt de regering met dit wetsvoorstel dingen die allang praktijk zijn. Insluitingsfouillering en veiligheidsfouillering doen agenten elke dag. Al gebeurt dat weliswaar onder een andere titel, een heel vage titel. Deze wetgeving dient de professionals op straat. Ik kan voor een deel uit eigen ervaring vertellen hoe belangrijk het is dat je gesterkt wordt in wat je doet en dat er helderheid is over je bevoegdheid als je als agent iemand meeneemt in de auto, zodat je hem bevoegd kunt onderzoeken en fouilleren aan de kleding. Dat is in het belang van zijn veiligheid en die van anderen die mee vervoerd worden, maar zeker ook in het belang van de veiligheid van de agenten in de auto en op het politiebureau.

Dat geldt ook voor de insluitingsfouillering: wanneer wel en wanneer niet, wat wel en wat niet? In dit wetsvoorstel wordt die in alle helderheid geregeld. Het is duidelijk dat je iemand kunt onderzoeken en fouilleren aan de kleding alvorens hem in te sluiten op het politiebureau. Als er verdenkingen zijn – dus niet zomaar – kan dat ook aan het lichaam. Als het noodzakelijk is en er argumenten voor zijn, kan dit ook in het lichaam gebeuren door een bevoegd arts. Volgens mijn fractie is dit wetsvoorstel dienstbaar aan de professionals op straat. Bovendien is het in het belang van de veiligheid van de professionals en van alle mensen die ingesloten worden.

Ik kom nu op het preventief fouilleren. In Amsterdam is een aantal gebieden aangewezen als risicogebied. Dat duurt altijd heel lang. Er gaat heel veel tijd overheen om dat te kunnen doen. In de afgelopen jaren hebben wij ervaren dat het soms ontzettend moeilijk is om heel snel te reageren op situaties in bepaalde uitgaansgebieden, bij voetbaltoestanden of kickboksgala's. Bij die laatste evenementen wordt wel civiel gefouilleerd om toegelaten te worden tot de wedstrijd, maar in die context zijn er geen mogelijkheden om preventief op te treden, hoewel er allerlei signalen zijn. Vaak is het wachten totdat er iets gebeurt. Dit wetsvoorstel regelt dat dit niet hoeft. Het dient de veiligheid en dat is een grondrecht. Het wetsvoorstel tast de andere grondrechten niet aan, omdat het in balans is. De maatregelen uit dit wetsvoorstel worden bovendien in handen gegeven van mensen die nu al beschikken over heel veel bevoegdheden die de vrijheden van burgers kunnen aantasten. Wij realiseren ons namelijk heel goed dat dit wetsvoorstel een inbreuk op grondrechten maakt, maar dat dit wel van belang is voor de adequate bescherming van de veiligheid van burgers en dat laatste is ook een grondrecht.

Ik heb een aantal vragen aan de minister. Ik zie dat de risicogebieden een opbrengst hebben, maar tegelijkertijd zie ik dat het vaak met hagel schieten is. Kan de minister aangeven in hoeverre er mogelijkheden zijn om wat specifieker te zijn bij de algemene fouilleringen? Wat mij betreft hoeven we een dame met een rollator niet te onderwerpen aan zo'n fouillering omdat dit nu moet en om maar te voorkomen dat mensen zouden kunnen denken dat wij selectief zijn bij het fouilleren. In hoeverre kunnen wij objectieve gegevens toepassen om veel specifieker te fouilleren en te zoeken bij de mensen bij wie volgens ons, op basis van feiten en omstandigheden, het risico zit in plaats van iedereen maar te fouilleren?

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

De heer Marcouch geeft enkele voorbeelden uit Amsterdam. Hij zegt dat het lang duurt voordat de gemeenteraad instemt met het aanwijzen van veiligheidsgebieden. Vervolgens zegt hij dat men, omdat het zo lang duurt, van andere instrumenten moet kunnen gebruikmaken. Hij geeft als voorbeeld horecagebieden. Die gebieden blijven echter altijd hetzelfde, dus men had die allang als veiligheidsgebied kunnen aanwijzen. Betoogt de heer Marcouch dat hij dit veel zwaardere instrument, dat nog een grotere inbreuk is, zou willen toepassen op veel meer situaties, omdat de gemeenteraad kennelijk niet snel genoeg veiligheidsrisicogebieden aanwijst?

De heer Marcouch (PvdA):

Mijn betoog is juist dat het aanwijzen van die veiligheidsrisicogebieden een grotere inbreuk op de rechten van burgers maakt dan deze flexibele aanwijzing die een begin en een einde heeft, namelijk twaalf uur, en die heel gericht is op een acute situatie. Dat is heel anders dan een heel gebied aan te wijzen als risicogebied, doordat er een aantal van die situaties ontstaat. Ik zie dit dus als een verbetering die wat mij betreft moet voorkomen dat je elke keer weer gebieden als risicogebied moet aanwijzen om maar de mogelijkheid te hebben om preventief te fouilleren.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Pleit de heer Marcouch ervoor om het preventief fouilleren, zoals het was, dan maar af te schaffen en het nu voorliggende wetsvoorstel de maat der dingen te laten worden?

De heer Marcouch (PvdA):

Ik heb gezegd dat het bevoegdheden betreft die een behoorlijke inbreuk maken op de grondrechten van burgers. Dan moet je dus heel zorgvuldig zijn. Volgens mij is die balans hierbij gevonden. Dat geldt ook voor de uitwerking, de inzet van bevoegdheden. Die waarborgen zitten ook in dit wetsvoorstel; je kunt niet zomaar een gebied aanwijzen om eventjes twaalf uur te fouilleren. Maar bij bepaalde feiten en omstandigheden vind ik dit een betere manier dan een heel gebied als risicogebied aan te wijzen. Wat mij betreft moet dit ertoe leiden dat wij minder grote gebieden als risicogebied gaan aanwijzen.

Voorzitter. Collega Berndsen sprak al over de bejegening van en de communicatie met burgers. Het is ontzettend belangrijk dat wij burgers meenemen bij dit soort acties. De inbreuk op goedwillende burgers is vaak heel groot. Het is dus van belang dat we burgers uitleggen wat wij doen bij fouilleringen. Wij kunnen burgers ook vragen om bijvoorbeeld te helpen om wapens van de straat te halen. In hoeverre worden politieagenten en de mensen die hiervoor ingezet worden, opgeleid om dit soort dingen te doen? Ik zie het namelijk niet terug in de reguliere opleiding. Het betreft heel specifiek werk. Alle mensen onderwerpen aan een fouillering, vraagt iets van de houding, attitude, van politieagenten die dit werk doen.

In hoeverre denkt de minister na over de inzet van technologie? In het gevangeniswezen worden een aantal technische vernuften gebruikt. Ik wijs op detectiepoorten en dergelijke. Dergelijke middelen helpen mensen om dingen heel snel te detecteren in plaats van dat men het alleen maar met de hand moet doen. Als we veiligheid belangrijk vinden, pleit ik ervoor om ook politiebureaus te voorzien van technologie om op een betere en effectievere manier dingen te kunnen achterhalen. Misschien kunnen wij daarmee voorkomen dat we in het lichaam moeten zoeken, want dat kost ook weer tijd en geld.

De VNG pleitte ervoor om preventieve fouillering niet alleen toe te passen voor het zoeken naar wapens, maar eventueel ook voor het zoeken naar andere dingen. Kan de minister aangeven hoe met dit pleidooi van de VNG is omgegaan? Ik verwijs bijvoorbeeld naar het mogen zoeken naar drugs. Ziet de minister daarvoor in het strafrecht mogelijkheden en, zo ja, is die mogelijkheid daarom niet in dit wetsvoorstel meegenomen of zijn er andere bezwaren om dat niet te doen? Wapens en drugs gaan namelijk vaak samen.

Mevrouw Kooiman (SP):

Voorzitter. Het is al gezegd: we bespreken vandaag een wetsvoorstel dat de mogelijkheid om preventief te fouilleren verruimt. In geval van nood kan de burgemeester met toestemming van de officier van justitie ingrijpen en dit middel inzetten. De verantwoording komt achteraf, zoals mevrouw Berndsen al aangaf. De politie mag in zo'n acute situatie niet alleen preventief fouilleren, maar ook tassen mogen dan preventief worden doorzocht. Wanneer maken we daar dan gebruik van? Wanneer is er zo veel spoed en is de situatie zo acuut dat de burgemeester het verzoek niet eerst voorlegt aan de gemeenteraad, het verzoek niet eerst op schrift stelt en naar de officier van justitie stuurt, maar dat direct moet worden ingegrepen?

Toen ik het wetsvoorstel voor mij had, heb ik lang nagedacht over de vraag op welke momenten burgemeesters hier gebruik van kunnen maken. Ik kan me goed voorstellen dat dit middel bij Project X in Haren toegepast had kunnen worden. Het kan ook gebruikt worden als je doorkrijgt dat er een groep vuurgevaarlijke mensen in je stad is. Ik wijs ook op een soortgelijke situatie als waar de heer Marcouch over sprak: na een evenement kunnen we dit middel bijvoorbeeld inzetten omdat er acuut noodzaak tot ingrijpen bestaat. De SP is daarom niet per se tegen dit wetsvoorstel. Ik snap ook wel dat het met deze voorbeelden een heel mooie oplossing kan bieden. Ik schets nu echter twee voorbeelden waarin heel duidelijk is waarom de burgemeester ervoor kiest om gebruik te maken van de mogelijkheden van de wet. Alleen, ik snap niet waar de scheidslijn ligt. De minister zegt in zijn antwoorden dat het alleen in zeer bijzondere situaties mag worden gebruikt. Kan de minister ook aangeven wat deze bijzondere situaties zijn? Wanneer mag de burgemeester wel en wanneer mag hij niet gebruikmaken van de mogelijkheden van deze wet? Preventief fouilleren is namelijk een heel ingrijpend middel. Je hebt geen keuze. Alle, en meestal ook onschuldige burgers worden gefouilleerd. Op vragen van de VVD gaf de minister in de nota naar aanleiding van het verslag terecht aan dat preventief fouilleren de persoonlijke levenssfeer en de vrijheid van beweging aantast. Zorgvuldigheid en voorzichtigheid zijn dan ook geboden. Kan de minister aangeven hoe hij dit gaat bewaken, zodat preventief fouilleren niet te snel en niet te gemakkelijk wordt ingezet? Een goed voorbeeld zijn bijvoorbeeld de mondelinge vragen die collega Van Tongeren heeft gesteld over de preventieve-fouilleeractie op de A2. Die werd ingezet om twee boeven te vinden. Wij weten niet of die twee boeven gevonden zijn, maar dit middel is wel grootscheeps toegepast. Om bekeuringen uit te schrijven is dit middel niet noodzakelijk. Maar hoe gaat de minister er dan voor zorgen dat dit niet nog een keer gebeurt? De SP heeft daarom gevraagd om landelijke gegevens, maar de minister kon deze niet geven.

Inhoudelijke gegevens over de toepassing van preventief fouilleren ontbreken. Het is nog onduidelijk hoeveel gemeenten het gebruiken, hoe vaak het wordt ingezet, wat er precies wordt gevonden en hoeveel politiecapaciteit het kost. De VVD zegt net dat het een enorm succesverhaal is en dat daarom dit wetsvoorstel voorligt. De SP in Amsterdam heeft onderzocht hoe effectief dit middel is. Men zegt dat voor het vinden van één vuurwapen 500 uur nodig is. Dat is ongeveer een kwart van een dienstjaar van een agent. Dat vergt dus een behoorlijke politiecapaciteit. De minister en ik hebben vaak discussies over de effectiviteit en de capaciteit bij de politie, dus ik vraag de minister om daar specifiek op in te gaan.

De heren Dijkhoff en Marcouch zeggen dat juist dit wetsvoorstel ervoor kan zorgen dat het niet heel breed wordt ingezet, zodat niet vooraf de gemeenteraad toestemming geeft om een heel gebied te onderzoeken. Juist dit wetsvoorstel zou ervoor moeten zorgen dat je het heel gericht kunt toepassen. Dat is precies wat de minister aangeeft, maar waarop stoelt hij deze gedachte? Kan hij mij daar wat meer in meenemen, want dat vind ik wel heel erg belangrijk.

Ik vat het samen. De SP ziet zeker de voordelen van dit wetsvoorstel. Wij zijn alleen voorzichtig, omdat je dit middel niet zomaar moet inzetten. Ik hoop dat de minister daarop wil toezien, dat hij mijn zorgen wil wegnemen en wil aangeven hoe hij dat gaat doen.

De voorzitter:

Daarmee is een eind gekomen aan de eerste termijn van de zijde van de Kamer. De minister heeft aangegeven tien minuten na te willen denken over zijn antwoorden.

De vergadering wordt van 20.25 uur tot 20.35 uur geschorst.

Minister Opstelten:

Voorzitter. Ik dank de geachte afgevaardigden voor hun inbreng in eerste termijn bij de behandeling van dit wetsontwerp. Ook dank ik hen voor de constructieve en veelal positieve wijze waarop dit wetsontwerp en de voorbereiding daarvan zijn behandeld.

Een aantal leden hebben gevraagd hoe het staat met de effectiviteit, het rendement, de feiten en de cijfers en zij vroegen waar die uit blijken. Laten wij zo zeggen dat dit niet een idee van mij in persoon is. Ik heb niet gezegd: wat er ook gebeurt, dit moet worden veranderd. Gelet op mijn ervaring had ik daar natuurlijk wel de wens toe, omdat ik de politiepraktijk, de praktijk van vele burgemeesters en het Openbaar Ministerie ken op dit domein. Wij hebben gewoon een onderzoek gedaan en hebben een ronde gemaakt langs een aantal steden. Ook hebben wij vertegenwoordigers van de politie benaderd. Daaruit is naar voren gekomen dat men echt behoefte heeft aan het voorliggende instrumentarium.

Een aantal leden hebben iets gezegd over de procedure. Op zichzelf is dat heel begrijpelijk. Ik denk echter dat ik de geschiedenis van dit wetsontwerp veel beter ken dan ieder van de aanwezige leden, omdat het stadhuis van Rotterdam aan de basis van dit wetsontwerp staat en van wat nu vigerende wetgeving is. Het is heel begrijpelijk dat je, als je met een nieuw instrument werkt, de flexibiliteit weleens over het hoofd ziet en dat je een langzame en zware procedure moet zien. Ik ben het eigenlijk ook met iedereen eens, zelfs met mevrouw Berndsen, want zij tast mijn geloofwaardigheid niet aan door mij zo te benaderen.

Het is natuurlijk een inbreuk op de persoonlijkheid van mensen, als je preventief fouilleert. Dat is ook zo. Daarom is er uiteindelijk langdurig en op basis van veel praktijkervaring besloten tot dit wetsontwerp. Er mag nooit een tegenstelling bestaan, ook niet in dit huis, tussen het ene en het andere. Mevrouw Berndsen heeft dit gelukkig teruggenomen na die interruptie. Dit is een keuze tussen de aantasting van grondrechten en de veiligheid. Het is natuurlijk een balans die hier continu wordt gezocht. Naast de vigerende, bestaande wet en de wijze waarop die wordt toegepast, is er nu een aanvullend wetsontwerp. Daar wil ik wel een paar dingen over zeggen.

De voorzitter:

Ik kom er bijna niet tussen, maar mevrouw Berndsen wil heel graag een vraag stellen.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Nou, ik maak eerst de opmerking dat ik niets heb teruggenomen. Het stond gewoon letterlijk in mijn tekst. Ik hoefde dus ook niets terug te nemen.

Ik hoorde de minister spreken van een aantal gemeenten. In 2011 is er door Bureau Beke bij 34 gemeenten een onderzoek gedaan naar het gebruik van preventief fouilleren sinds 2005. Van de 34 gemeenten hebben 29 gemeenten de mogelijkheid tot preventief fouilleren opgenomen in de APV. Daarvan hebben 9 het instrument nog nooit ingezet, 9 anderen gebruiken het instrument actief en 11 gemeenten maken geen gebruik meer van het instrument, omdat er een enorme daling van het wapengeweld in de aangewezen veiligheidsrisicogebieden was. Waar haalt de minister dan toch de overtuiging vandaan dat dit zo'n waardevol instrument is?

Minister Opstelten:

Ik ben daarvan overtuigd op basis van hetzelfde onderzoek. Een van de aanbevelingen uit dit rapport is om de regeling van preventief fouilleren zo aan te passen dat het instrument flexibeler kan worden ingezet. Met dit wetsvoorstel wordt het mogelijk om het instrument preventief fouilleren flexibeler in te zetten. Ik ga het niet herhalen; iedereen heeft het in zijn bijdrage samengevat. Dat neemt niet weg dat 40 gemeenten – ik zeg het even uit mijn hoofd – nu al op de een of andere manier het instrumentarium hebben om preventief fouilleren in te zetten. We zijn langs de steden gegaan. Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Enschede en Almelo – ik noem maar een paar voorbeelden – willen dit. De politiepraktijk wil het. Die wilde het ook al bij de behandeling van de vigerende wet. Het is voor u onverwacht en misschien verrassend, maar ook de Ombudsman pleit in zijn onderzoek voor wetgeving waarmee het mogelijk wordt gemaakt om korte snelle fouilleeracties te kunnen houden. Dit zou de grofmazige toepassing van preventief fouilleren kunnen beperken, waardoor minder mensen op straat er last van hebben. Ik wil niet zeggen dat hij heel enthousiast is over het instrument preventief fouilleren, maar naar ik heb begrepen is dit in ieder geval een instrument dat hij wel zou willen steunen.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik wilde nog even bij de gemeenten blijven. Als de minister toch gebruikmaakt van een onderzoek, wil ik hem nadrukkelijk vragen om na drie jaar opnieuw te evalueren en om te bekijken of het instrument nog steeds zo goed werkt als hij zegt, of dat het ondertussen zo bot is geworden dat we die wet niet meer hoeven te gebruiken.

Minister Opstelten:

Op dit punt is er altijd iets van afstand tussen mevrouw Berndsen en mij. Dat respecteer ik natuurlijk. Dat mag ook best zichtbaar zijn. Dat hoort ook in de politiek. Ik vind echter dat we eerst deze wet moeten invoeren en dat we niet direct al over de evaluatie moeten spreken. Dat is normaal. Daar hebben we normale termijnen voor. Ik weet uit ervaring dat de grote steden elk jaar in de gemeenteraad een evaluatie bespreken van de resultaten en de wijze waarop is omgegaan met het instrument preventief fouilleren. In die verhouding hoort het thuis. Ik stel voor dat we nu niet hier de "gemeenteraad van Nederland" aan het woord laten zijn, die met de "burgemeester van Nederland" spreekt. Ik ben niet de burgemeester van Nederland en de Kamer is niet de gemeenteraad van Nederland.

Voorzitter. Dit is wat ik wilde zeggen over de effectiviteit. Er zijn op dit punt dus echt facts and figures. Natuurlijk gaan we door met het in de gaten te houden. Als minister die verantwoordelijk is voor de Nationale Politie, heb ik dat instrument. Ik heb het overleg met de VNG. Ik heb op grond van artikel 19 overleg over het beheer van de politie met de regioburgemeesters. Daarbij kunnen we het laten doen.

Ik zal de vragen niet themagewijs beantwoorden, want de thema's zijn verschillend. Ik doe het echter per woordvoerder, want dat is effectiever, denk ik. Ik probeer dat zo snel mogelijk te doen.

Mevrouw Helder stelde een aantal vragen. Is het inderdaad zo dat de vervoersfouillering ertoe leidt dat personen bij wie geen wapens zijn aangetroffen niet meer hoeven te worden geboeid? De Nationale ombudsman lijkt dit te betogen. Dat klopt. Ook ongewapenden kunnen uiteraard nog steeds gevaarlijk zijn. Het is beslist niet zo dat iemand die eenmaal is gefouilleerd, geen handboeien meer omgelegd kan krijgen. Maar dat betoogt de Nationale ombudsman ook niet. Hij geeft slechts aan dat de vervoersfouillering ertoe kan leiden dat wellicht minder hoeft te worden geboeid, omdat de fouillering dan kan plaatsvinden voordat de persoon zal worden vervoerd, en niet pas op het politiebureau. Dat dit minder belastend is voor de vervoerde personen, ben ik eens met de Nationale ombudsman.

Mevrouw Helder vroeg ook waarom preventief fouilleren niet ook standaard is toegestaan op de stations en perrons. Bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel is echt door niemand de behoefte geuit aan meer mogelijkheden om op NS-stations preventief te fouilleren. Zo nodig kan het gebied waarin het station zich bevindt, worden aangewezen als veiligheidsrisicogebied. In dat geval kan in de hal van het station preventief worden gefouilleerd. Bovendien kan met het voorgestelde incidentele fouilleren binnen zeer korte tijd een openbaarvervoerstation worden aangewezen als veiligheidsrisicogebied. Ten slotte wijs ik erop dat enkele grote stations, van de grootste steden, al permanent zijn aangewezen als gebied waar iedereen kan worden gefouilleerd in geval van aanwijzingen van bijvoorbeeld een terroristisch misdrijf, en wel op grond van het Wetboek van Strafvordering. Een perron is geen openbare ruimte. Dat is ook duidelijk. Een aanwijzing kan gevaar opleveren als mensen het spoor op vluchten.

De volgende vraag van mevrouw Helder was: waarom wordt de wet niet verruimd naar preventief fouilleren op drugs? Mevrouw Helder weet dat de kern het wapenbezit is. Tijdens gesprekken met de drie stakeholders van de lokale driehoek werd aangegeven dat er geen behoefte is aan fouilleren op drugs. Preventief fouilleren wordt ingezet bij verstoring van de openbare orde. De relatie tussen drugs en handhaving van de openbare orde is te indirect om in de wet op te nemen. Iemand die drugs inneemt, is vooral een gevaar voor zichzelf, niet voor de mensen om hem heen. Daarnaast voorkomt fouilleren op drugs niet dat iemand drugs inneemt en onder invloed daarvan voor overlast zorgt. Tevens kan drugs bij preventief fouilleren als bijvangst in beslag worden genomen. Ten slotte kan de politie op basis van de Opiumwet al fouilleren op drugs, zoals mevrouw Helder ook al zei. Daarom is het niet nodig om deze regeling in de Gemeentewet uit te breiden.

Tot slot verwees mevrouw Helder naar een uitspraak van de staatssecretaris van lang geleden. Ik volsta met de opmerking dat de heer Teeven zich uitstekend kan vinden in dit wetsvoorstel. Mevrouw Helder zei ook dat het overal en altijd moet kunnen. Als dit door de Kamer komt, kunnen de autoriteiten die op dit terrein bevoegdheden krijgen, die bevoegdheid overal en altijd gebruiken daar waar zij die bevoegdheid hebben. Wat dat betreft zal het Kamerlid van toen zeer tevreden kunnen zijn. Dat gunt mevrouw Helder hem ook wel, haar kennende.

Mevrouw Helder (PVV):

De minister is nog één vraag vergeten. Het was de vraag over het preventief fouilleren in het openbaar vervoer dat door veiligheidsrisicogebieden gaat. Ik vroeg of deze vervoersmiddelen dan worden voorzien van agenten die preventief fouilleren.

Minister Opstelten:

Ik dacht dat ik daarover al iets heb gezegd toen ik sprak over het station. Met het voorgestelde incidentele fouilleren kan binnen zeer korte tijd een openbaarvervoerstation worden aangewezen als veiligheidsrisicogebied. Dat is wat ik hierover wil zeggen. Zo nodig kan het gebied waarin het station zich bevindt, worden aangewezen als veiligheidsrisicogebied. Dat is de omgeving natuurlijk.

Mevrouw Helder (PVV):

Daar ging het niet om. Het ging over de vervoersmiddelen die door die veiligheidsrisicogebieden gaan rijden, de bussen en dergelijke. Het gaat dus niet over het station, maar over de vervoersmiddelen die door het aangewezen gebied rijden.

Minister Opstelten:

En wat is de vraag?

Mevrouw Helder (PVV):

Of die worden voorzien van agenten die aldaar preventief kunnen fouilleren. Ik kan het mij voorstellen dat iemand daar de bus neemt. Die moet je dan toch kunnen fouilleren?

Minister Opstelten:

Nee, daar is niet in voorzien. Dat kan niet.

De heer Oskam vroeg om een terugkoppeling van de werking van de spoedprocedure. Zo'n terugkoppeling zeg ik toe voor over een aantal jaren. Wij blijven dat natuurlijk in goed overleg volgen. Ik heb geen behoefte aan een verplichte wettelijke evaluatie. Het zal met de partners gebeuren.

Hoe vaak heeft zich schade voorgedaan door preventief fouilleren? Is in die gevallen een schadevergoeding uitgekeerd? Bij mij zijn geen aantallen bekend. In de schorsing ben ik dat nog even goed nagegaan. Het is mij niet bekend hoe vaak er schade is geleden door preventief fouilleren en hoe vaak er in zulke gevallen schadevergoeding is uitgekeerd. Dat wil niet zeggen dat het zich nooit heeft voorgedaan, maar bij mij noch bij mijn staf zijn hierover aantallen bekend.

Ik kom op de inbreng van mevrouw Berndsen. Over de algemene uitgangspunten heb ik daarnet al iets gezegd. Over de verhouding met artikel 8 van het EVRM zeg ik nog eens nadrukkelijk dat er altijd een afweging is tussen enerzijds de veiligheid en anderzijds de inbreuk op de privacy en de lichamelijke integriteit. Dat is vanzelfsprekend. Bij het geven van mogelijkheden en bevoegdheden, bij het voorstel van wet en bij het toepassen van de wet, moet dat in alle zorgvuldigheid een toetssteen zijn. Het wetsvoorstel levert geen grondrechtelijke problemen op. In de adviezen is daar ook door niemand op gewezen. Er zijn evenmin problemen met artikel 8 van het EVRM. Dat moet helder zijn.

Is er draagvlak bij de gemeenten voor de incidentele fouillering? Ja. Men zegt: schiet eens op. Zo wil ik het kort en bondig aangeven. Het kan niet helderder. Recente voorbeelden onderstrepen dat het ingrijpende middel van onderzoek in het lichaam gerechtvaardigd is. Ik herinner mij het arrestantenhuis in Den Haag nog heel goed. Ik weet nog heel goed wanneer dat gebeurde. Ik was woonachtig in Delfzijl en had een functie hier in Den Haag. Ik was er net. Ik denk ook aan de brand in het cellencomplex op Schiphol-Oost in 2005. Een arrestant beschikte toen over een brandveroorzakend attribuut. De jaarverslagen van de regionale Commissie van toezicht politiecellen in Haaglanden geven regelmatig aan dat "de beperkte mogelijkheden tot fouilleren door de politie niet de brandveiligheid ten goede komen." Telkens weer blijkt dat arrestanten voorwerpen weten mee te smokkelen door deze in lichaamsholten te verbergen, aldus een van deze jaarverslagen. Ik noem ook het VROM-rapport naar aanleiding van de Schipholbrand: "De brandveiligheid van politiecellen laat te wensen over, onder meer omdat de politie te weinig bevoegdheden heeft om arrestanten te onderzoeken aan of in het lichaam. Het risico blijft nu bestaan dat ongewenste zaken mee de cel in worden gesmokkeld." Een wens tot verruiming van de bevoegdheid blijkt ook uit de inventarisatie in 2009 onder regionale politiekorpsen en uit gesprekken met arrestantenverzorgers van de vier grootste regiokorpsen.

Gevraagd is of de driehoek ook niet bij incidentele fouillering een rol moet spelen. Bij incidentele fouillering gaat het om spoedsituaties waarin het noodzakelijk is dat er snel en nu preventief gefouilleerd kan worden. Het gaat om kortdurende acties van maximaal twaalf uur. Voorafgaand overleg in de driehoek vind ik een zware eis voor een kortlopende gebiedsaanwijzing voor een plotseling incident. Daarnaast is er nog altijd de eis bij de incidentele fouillering dat de burgemeester voorafgaande aan de aanwijzing overlegt met de officier van justitie. De aanwijzing is dus niet het besluit van de burgemeester alleen. In de praktijk en ook vanuit mijn eigen praktijk kijkend, is het zo dat men vaak bij elkaar zit. Ik ben er erg voor in zo'n situatie dat uiteindelijk één autoriteit de verantwoordelijkheid neemt dat dit gebeurt en daarvoor ook direct in de eigen gemeenteraad verantwoording moet afleggen. Dat is een heel heldere, normale, goede lijn.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik vind toch dat de minister de rol van de officier van justitie marginaliseert in zijn beantwoording. Eigenlijk vind ik dat het wetsvoorstel daardoor nog slechter wordt dan ik het al vond. Met moderne middelen is een officier van justitie onmiddellijk aan de telefoon te krijgen. Ondertussen weten alle officieren van justitie wel hoe ze met deze wetgeving om moeten gaan en de politie wordt automatisch al betrokken omdat die de uitvoerder is. Dus waarom nu niet toch die waarborg van die driehoek inbouwen?

Minister Opstelten:

Ik heb al gewezen op de praktijk van hoe dat kan ontstaan en waardoor je die flexibiliteit moet hebben. Het wordt ook besproken met driehoeken. Het is dan ook totaal geen wens van het Openbaar Ministerie om dit zo te waarborgen. Uiteindelijk wordt er een afweging gemaakt in een rechtstreeks contact tussen politie en burgemeester; er moet dan dus heden en nu een besluit worden genomen. Het gaat daarbij dan over de kortlopende gebiedsaanwijzing. Vervolgens is er natuurlijk altijd de eis bij de incidentele fouillering dat de burgemeester voorafgaand aan de aanwijzing overlegt met de officier van justitie. De aanwijzing is dan dus niet het besluit van de burgemeester alleen. Ik denk dat daarin voldoende waarborgen zijn gecreëerd. Ik vind het ook belangrijk dat je hierbij dan de burgemeester de bevoegdheid geeft om dat te doen.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Er wordt nu toch een onderscheid gemaakt tussen de huidige wetgeving en de nieuwe wetgeving. In de huidige wetgeving is er wel degelijk sprake van een besluit van de driehoek om een veiligheidsrisicogebied aan te wijzen dat door de gemeenteraad bekrachtigd moet worden. De minister wijkt met dit wetsvoorstel daarvan af. Ik snap echt niet waarom het nou zo lastig is om op dezelfde manier te blijven acteren.

Minister Opstelten:

Ik zeg het dan nog een keer. Het gaat om situaties waarin er afgeweken wordt van de zware en heel gedegen procedure die er is. Er is flexibiliteit nodig. Op dit moment is die aanwijzing nodig. Ik kan er nog aan toevoegen – misschien stelt dat mevrouw Berndsen gerust – dat artikel 174b overleg eist met de officier van justitie. Bovendien geeft de officier van justitie het bevel. Zonder fouilleerbevel wordt er niet gefouilleerd. Het gaat inderdaad om de aanwijzing van het gebied, maar als er alleen een gebied wordt aangewezen, gebeurt er nog niets. Het bevel om op te treden gebeurt door de officier van justitie. Dat is mevrouw Berndsen even ontgaan, denk ik. Ik denk dat we daar op die manier wel uitkomen.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Hier protesteer ik toch echt tegen. Ik kom met een serieuze vraag over de positie van de officier van justitie. De minister zegt dat de burgemeester een besluit neemt. Ja, inderdaad, de burgemeester neemt een besluit, in principe na overleg met de gemeenteraad, om een veiligheidsrisicogebied aan te wijzen. Daar is de driehoek nadrukkelijk bij betrokken. Op het moment dat we met deze wetgeving aan de gang gaan met dat preventief fouilleren, moet de officier van justitie natuurlijk een aanwijzing geven, alleen dat gebeurt soms pas achteraf. In ieder geval moet de afweging gemaakt worden op basis van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat gebeurt onvoldoende op het moment dat dit door de burgemeester wordt besloten.

Minister Opstelten:

We komen dichter bij elkaar als mevrouw Berndsen gewoon luistert, net als ik heb gedaan. Mag ik dat zeggen, voorzitter? Ik zeg namelijk dat artikel 174b wel overleg eist met de officier van justitie. Dat gebeurt. Punt binnen, mevrouw Berndsen. Bovendien geeft de officier van justitie het fouilleerbevel. Punt. Zonder fouilleerbevel wordt er niet gefouilleerd. Weer een punt. Drie punten voor mevrouw Berndsen. Ik zou zeggen dat dit niet altijd voorkomt.

Ik ga verder. Er is gevraagd of ik het ermee eens ben om de toets van de officier van justitie zwaarder te maken en of ik het OM ertoe wil aanzetten om de officier van justitie daartoe instructie te geven. Ik denk dat het na mijn betoog niet nodig is om die nog zwaarder aan te zetten.

Waarom is de gemeenteraad uit de procedure gehaald bij incidentele fouillering? Ik denk dat ik hier al voldoende op in ben gegaan. De burgemeester mag van zijn incidentele fouilleringsbevoegdheid alleen in bijzondere situaties gebruikmaken. Het gaat om spoedsituaties. In de Gemeentewet staat dat de gemeenteraad minimaal zes keer per jaar bij elkaar komt. In veel gemeenten is dat twee keer per maand of soms een keer per maand, gelukkig, maar het gaat om het moment waarop iets zich afspeelt. Het is totaal onmogelijk om in die situaties de gemeenteraad nog bij elkaar te roepen, en tel de zegeningen daar ook van.

Mevrouw Berndsen vroeg nog hoe ik waarborg dat preventief fouilleren alleen aselect plaatsvindt. Ik heb dat zwaar beschreven in de memorie van toelichting. Ik weet uit mijn praktijk en uit de onderzoeken die bij alle gemeenten zijn gedaan, dat dit een absolute voorwaarde is. Ook de Nationale Ombudsman vindt dat dit moet. Het preventief fouilleren hoeft niet per se aselect plaats te vinden. Daar zijn natuurlijk ook voorbeelden van. Je mag wel gericht preventief fouilleren. Het voordeel daarvan is dat minder mensen ermee te maken krijgen en dat de effectiviteit groter wordt. Gedacht kan worden aan het gebruikmaken van een bepaald daderprofiel op basis van politie-informatie en analyses. Daarnaast kan het instrument gericht toegepast worden aan de hand van de profielschets op basis van de modus operandi en het plaats delict, bijvoorbeeld een omstander die zich verdacht gedraagt. Het mag natuurlijk niet selectief plaatsvinden op basis van de herkomst, etnische achtergronden en al dat soort zaken. Dat gebeurt ook niet.

Hoe kan misbruik van het instrument worden voorkomen? Gelukkig hebben we krachtige gemeenteraden. Daar heb ik veel vertrouwen in. Die laten een keer per jaar rapporteren over de wijze waarop er gewerkt wordt. Iemand die gefouilleerd is, kan ook een klacht indienen bij de politie en de Nationale ombudsman. Tot slot kan de rechtmatigheid van het fouilleren aan de orde worden gesteld bij de rechter. Met dit alles kan misbruik van het instrument worden voorkomen. Daar zijn voldoende waarborgen voor.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik ben het spoor een beetje bijster. Ik heb gevraagd op basis waarvan er geselecteerd zou worden, terwijl het aselectief zou moeten gebeuren. Dat is ook getoetst bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en dat is goed bevonden in het andere wetsvoorstel, dat nu vigeert. De minister heeft het echter over selectief handelen, bijvoorbeeld op basis van een daderprofiel. Dan denk ik: dan zoek je dus één persoon Dit instrument is toch niet bedoeld om strafvorderlijk gebruikt te worden tegen één persoon? Het gaat om het handhaven van de openbare orde of om een bedreiging van de openbare orde, maar dat kan toch nooit op basis van één persoon zijn? Aan wat voor soort daderprofiel denkt de minister dan?

Minister Opstelten:

Bijvoorbeeld bij wapensituaties of bij bedreiging van de openbare orde kan wel worden gezegd: we kijken even bij mensen van een bepaalde leeftijdsgroep, dus bijvoorbeeld niet bij ouderen. Ik noem maar wat: bij mensen van 20 tot 34 jaar. Er wordt op dat terrein ook heel gericht geëxperimenteerd. In alle kringen wordt erop aangedrongen om dit te doen, omdat je daarmee geen overlast veroorzaakt voor andere mensen. Je bent ook veel effectiever. Binnen die groep moet je dan natuurlijk wel iedereen meenemen. Dat is de kern van wat ik daarmee bedoel. We zijn hier niet aan het opsporen. Daar ben ik het helemaal mee eens. We hebben het niet over een verdachte, maar bij het inzetten van het instrument kun je, gelet op de ervaringen tot nu toe, wel zoeken naar figuren die voldoen aan bepaalde kenmerken, bijvoorbeeld wat de leeftijd betreft.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Een daderprofiel geeft al aan dat je een verdachte zoekt. Ik blijf het dus een wat merkwaardige formulering vinden. Ik denk dat het belangrijk is dat in ieder geval helder wordt omschreven wat de bedoeling is. Het aselectieve karakter moet er wat mij betreft gewoon in blijven. Als het selectief zoeken wordt, denk ik dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens daartegen bezwaar zal hebben. Maar goed, daar komen we dan vanzelf wel achter.

Minister Opstelten:

Laten we het daarop houden. Ik ben al mijn hele leven heel gevoelig voor dit punt en ik heb ook altijd aarzelingen gehad, maar vele deskundigen hebben ook mij ervan overtuigd dat je daar naartoe moet, omdat je daarmee het instrument juist meer waarde geeft en omdat minder mensen er last van hebben. Dat is terecht op basis van de kennis die je nu hebt. Laten we niet vergeten dat we hier nu langzamerhand heel veel jaren ervaring mee hebben. Dat moeten we dan ook kunnen zien. We zijn met elkaar mans genoeg om dat te toetsen op validiteit en dat doen we dus ook. Ik dank mevrouw Berndsen voor haar vasthoudendheid, want die geeft mij de kans om hierop in alle scherpte te antwoorden en om de duidelijkheid te geven die zij vraagt. Op pagina 21 van de memorie van toelichting staat een voorbeeld waarbij op grond van de daderprofielen alleen mannen van rond de 20 met een kaal hoofd en een bepaalde kleur jas worden gefouilleerd. U vindt dat dit niet meer zonder aanzien des persoons is en veel te gericht is op specifieke individuen, maar bijvoorbeeld bij eerdere gewapende overvallen of straatroven in een bepaalde wijk kan telkens sprake blijken te zijn van dezelfde daderkenmerken, omdat meldingen en getuigenverklaringen tot een bepaalde omschrijving leiden. Op basis van een aantal kenmerken kan dan een daderprofiel worden bepaald. Dit profiel kan vervolgens bij het fouilleren een hulpmiddel zijn voor de politie om uit te gaan van een verhoogde kans op de aanwezigheid van wapens in het veiligheidsrisicogebied, want daar gaat het uiteindelijk om. Deze personen worden dan gecontroleerd.

Het een na laatste punt van mevrouw Berndsen heb ik al besproken, evenals de vraag hoe misbruik kan worden voorkomen, ook in antwoord op vragen van andere leden.

De heer Dijkhoff van de VVD heeft een aantal vragen gesteld en een interessante bijdrage geleverd. Hij heeft gevraagd: zou het niet goed zijn als in artikel 7 van de Politiewet ook dreigend gevaar voor goederen een reden kan zijn om betrokkenen te fouilleren. De voorgestelde formulering van artikel 7 Politiewet houdt al rekening met gevaar voor het leven of de veiligheid van personen. Ik zie eigenlijk geen meerwaarde in de toevoeging van gevaar voor goederen als reden voor fouillering. Als algemene grond voor het fouilleren van personen vind ik gevaar voor goederen onvoldoende zwaarwegend. Als goederen in gevaar zijn, zal er in de gevallen die er echt toe doen, ook gevaar zijn voor het leven of de veiligheid van personen. In andere gevallen zal sprake zijn van een verdenking van een strafbaar feit en dan is dat voldoende reden om te fouilleren in het belang van de opsporing.

Mag de politie tijdens een preventief-fouilleeractie ook in voertuigen kijken? Ja, tijdens een preventief-fouilleeractie mag de politie in een veiligheidsrisicogebied naast personen ook de voertuigen van die personen doorzoeken.

Is "onvoorzienbaar" niet te streng? Is "onvoorzien" niet beter? Dat is iets om goed over na te denken. Dank daarvoor, want ieder wetsvoorstel kan toch ook verbeterd worden. Ik moet de heer Dijkhoff gelijk geven, al kost het me moeite, dat de eis van onvoorzienbaarheid wel erg streng is. Wij moeten voorkomen dat wij straks voortdurend discussies krijgen over de vraag of de burgemeester de spoedeisende situatie had kunnen of moeten voorzien. Ik verwelkom een eventueel amendement op dit punt. Ik zal bij mijzelf nagaan waarom ik dit niet zelf heb kunnen bedenken.

Dan kom ik bij de voorgestelde wijziging van de artikelen 50, 51 en 52 van de Wet wapens en munitie. De eis van schriftelijkheid die volgens de memorie van toelichting en het nadere rapport duidelijk alleen bedoeld is voor het fouilleerbevel van de officier van justitie, lijkt ook te slaan op de andere bevelen in die artikelen. De eis van schriftelijkheid is inderdaad alleen bedoeld voor het bevel tot preventief fouilleren en niet ook voor de andere bevelen in de artikelen 50, 51 en 52 van de Wet wapens en munitie. Ik verwelkom een eventueel amendement op dat punt. Ik moet echter wel zeggen dat ik niet veel verder wil gaan.

De heer Dijkhoff heeft ook gesproken over onderzoek van de voorwerpen die personen bij zich dragen of met zich meevoeren. Dit omvat in ieder geval tassen en rugzakken, maar de vraag is of dit bijvoorbeeld ook voertuigen omvat. Niet bij artikel 7 van de Politiewet, maar in de Wet wapens en munitie is er een aparte bepaling over voertuigen, namelijk artikel 51.

De heer Dijkhoff vroeg of de politie kan fouilleren als een burger een ander aanwijst die hij verdenkt van diefstal. Het zal duidelijk zijn dat de politie altijd een eigen verdenking moet hebben. Alleen de aanwijzing van een burger is niet voldoende. Daarbij spelen alle feiten en omstandigheden een rol. De verklaring van een burger is er daar een van.

Ik ga naar de vragen van de heer Marcouch. Kan in het veiligheidsrisicogebied specifieker op personen worden gefouilleerd? Preventief fouilleren is een controlemiddel en dient inderdaad zonder aanzien des persoons worden ingezet; daarover zijn wij het volledig eens. Dat wil zeggen dat de selectie van de te fouilleren personen niet is gebaseerd op slechts één uiterlijk kenmerk, bijvoorbeeld iemands huidskleur, nationaliteit, afkomst of religie. Dat laat onverlet dat in bepaalde praktijksituaties preventief fouilleren wel gerichter kan worden toegepast. Ik heb daar net een voorbeeld van gegeven. In de eerste plaats kan worden gebruikgemaakt van een bepaald daderprofiel, van analyses, van politie-informatie. Daarnaast kan het instrument gericht worden toegepast aan de hand van een profielschets op basis van de modus operandi en het plaats delict. Ik heb al tegen mevrouw Berndsen gezegd dat dit voldoende is.

Gaat de politie meer gebruikmaken van technologie bij fouilleren? Dat is een goed punt. Medische apparatuur zou onderzoek in het lichaam overbodig kunnen maken. Inderdaad kan het gebruik van bijvoorbeeld röntgenapparatuur een alternatief zijn voor manueel inwendig onderzoek. Maar ook deze behandeling, ofschoon minder belastend voor de gefouilleerde, kan schadelijk zijn voor het lichaam. Op dit moment beschikken politiebureaus en politiecellencomplexen niet over dergelijke apparatuur. Overigens biedt technologie niet altijd uitkomst. Apparaten voor bodyscans bieden bijvoorbeeld geen alternatief voor manueel inwendig onderzoek; radiogolven tasten alleen de buitenkant van het lichaam af. De ontwikkeling van de techniek staat natuurlijk niet stil. Dit signaal is wel helder bij mij overgekomen.

Wat is er gedaan met het pleidooi van de VNG? Ik heb al iets gezegd over het fouilleren op drugs. Op basis van de uitkomst van het onderzoek Bestuur, recht en veiligheid is bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel aan de praktijk gevraagd of daar behoefte is aan het preventief fouilleren op drugs. Er is gesproken met ambtelijke vertegenwoordigers van de lokale driehoeken. Men gaf aan geen behoefte te hebben aan fouilleren op drugs. De Opiumwet heb ik volgens mij net genoemd. Daarnaast voorkomt fouilleren op drugs niet dat iemand drugs inneemt en onder invloed daarvan voor overlast zorgt. De bijvangst heb ik zo-even ook genoemd; dat kan op dit moment wel.

Het laatste punt van de heer Marcouch ging over de politieambtenaren. Natuurlijk is de kwestie van de bejegening van mensen door politiemensen heel belangrijk. Deze worden geïnstrueerd over de inzet van deze nieuwe bevoegdheden. Alle politieambtenaren worden jaarlijks verplicht getraind op de juiste toepassing van de beroepsvaardigheden. Zij krijgen instructie voor het juiste gebruik van de wet- en regelgeving met betrekking tot geweldsgebruik, fouilleren en dergelijke. Het gaat daarbij om de zogeheten "IBT", de Integrale Beroepsvaardigheden Training. Deze training en het initiële onderwijs aan de Politieacademie zullen worden aangevuld met instructies over de verruimde fouilleerbevoegdheden.

Tot slot van mijn betoog zal ik de vragen van mevrouw Kooiman beantwoorden. Zij vroeg waarom preventief fouilleren met dit wetsvoorstel effectiever zou worden. Ik grijp de kans om dit nog een keer te benadrukken, want ik wil de stem van de SP natuurlijk ook graag binnenhalen. Verder was dit een goede vraag. De noodzaak tot verruiming van het instrument van preventief fouilleren zit in de zwaarte en de lange duur van de procedure van de huidige regeling. De wetsgeschiedenis is daar natuurlijk ook een onderdeel van. Uit de praktijk komt de wens naar voren om deze procedure te versnellen in situaties waarin onverwacht snel en direct handelen is geboden. Men moet snel preventief kunnen fouilleren, maar dat is met de huidige procedure niet mogelijk. Er is behoefte aan meer snelheid en gerichte inzet bij incidenten die zich plotseling voordoen. Die snellere inzet is nodig zowel binnen als buiten een al aangewezen veiligheidsrisicogebied. Bij de mensen die in de praktijk met dit instrument werken, leeft een grote wens om sneller gericht preventief te kunnen fouilleren. Om aan die wens tegemoet te kunnen komen, moet de wet worden aangepast. Met de voorliggende wetswijziging wordt de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het instrument vergroot.

Mevrouw Kooiman vroeg ook hoe de zorgvuldigheid kan worden gewaarborgd. Er zijn verschillende waarborgen ingebouwd. De burgemeester en de officier van justitie moeten het eens zijn over de noodzaak en de wenselijkheid. Dit is het punt van mevrouw Berndsen. Verder moet zowel de aanwijzing van het gebied als het fouilleerbevel na afloop op schrift worden gesteld en worden onderbouwd. De gemeenteraad kan de burgemeester ter verantwoording roepen. Iemand die is gefouilleerd, kan een klacht indienen bij de politie en bij de Nationale ombudsman. De rechtmatigheid van het fouilleren kan verder aan de orde worden gesteld bij de rechter.

Verder vroeg mevrouw Kooiman wanneer een situatie voldoende acuut is. Het gaat hierbij om artikel 174b. Het moet gaan om plotselinge incidenten buiten een op dat moment al aangewezen veiligheidsrisicogebied. Ik noem als voorbeeld een situatie bij een disco waarbij de sfeer op straat dreigend is en men vreest voor wapengebruik. Een ander voorbeeld is een situatie waarbij rivaliserende hooligans elkaar treffen buiten een gebied dat al was aangewezen vanwege een risicowedstrijd.

Voorzitter, dit is mijn antwoord in eerste termijn. Ik dank u zeer.

De voorzitter:

Mevrouw Kooimans wil nog een vraag aan u stellen, minister.

Mevrouw Kooiman (SP):

De minster stelt dat het wetsvoorstel dat nu voorligt, een verbetering is ten opzichte van de wet die eronder ligt. Er hoeven niet langer heel grote risicogebieden te worden aangewezen waarbij langdurig de mogelijkheid bestaat om te fouilleren. Met het wetsvoorstel kan men incidenteel en kort dit instrument gebruiken. Dat spreekt mij aan. De minister stelt echter in de memorie van toelichting dat hiermee mogelijk ook minder gebruik of minder langdurig gebruik zal worden gemaakt van dit instrument van preventief fouilleren. Hoe komt de minister tot deze conclusie? Wat ligt daaraan ten grondslag?

Minister Opstelten:

Het oude instrumentarium blijft natuurlijk bestaan. Het instrument wordt echter soms niet toegepast. Dat is duidelijk en dat blijkt. Verder is het instrument nodig bij een acute situatie. Dan kun je het instrument inzetten en dan hoef je het niet nogmaals te doen. Het kan ook zijn dat een burgemeester die gebruik maakt van dit instrumentarium, vindt dat hij door deze wetswijziging niet meer altijd de langdurige veiligheidsrisicogebieden hoeft aan te wijzen. Ik zeg erbij: ik ben geen burgemeester. Die afweging moeten de driehoek, de burgemeester en de gemeenteraad samen maken. Daarbij is men vrij. Het is echter voorspelbaar en voorstelbaar dat men dit zal doen.

Mevrouw Kooiman (SP):

Dit is een heel mooie aanname van de minister, maar we weten de onderliggende cijfers niet. De SP heeft daarom specifiek gevraagd naar de effectiviteit van het middel. Hoe vaak worden er vuurwapens gevonden? Hoeveel politiecapaciteit zijn wij hiermee kwijt? Hoe effectief is dit middel daadwerkelijk? Hoe gaat de minister deze cijfers boven tafel krijgen als wij deze wet mogelijk gaan evalueren?

Minister Opstelten:

In de eerste plaats weet mevrouw Kooiman dat sinds 1 januari de Nationale Politie bestaat. Vóór 1 januari ging de minister niet over de regionale korpsen. In de tweede plaats hebben de steden waar een en ander heeft plaatsgevonden, uiteraard wel degelijk de effectiviteit van het middel gemeten. Dat hoeven wij toch niet altijd ook nog eens te meten? We hebben gewoon gedaan wat onze taak is. We hebben met een aantal driehoeken gesproken. We hebben gevraagd: OM, wat heb je nodig? We hebben gevraagd: politie, wat heb je nodig? We hebben gevraagd: burgemeesters, wat hebben jullie nodig? Daar kwam dit uit. Wij hebben ook niet altijd alles gehonoreerd wat men vroeg. Men vraagt veel meer instrumenten dan in dit wetsvoorstel staan, maar dit vinden wij voldoende. Het gaat om de flexibiliteit. Dat wordt ook door anderen onderschreven: Bureau Beke, zoals aangegeven door mevrouw Berndsen en door mij. De Nationale ombudsman heeft daar iets over gezegd. Bedien ze! Dat is onze taak ook.

Mevrouw Kooiman (SP):

Het gaat hier wel om het proportioneel inzetten van dit middel. Het is een zeer zwaar middel. Daarom is onze fractie daar zo terughoudend in. Daarom wil ik graag inzicht hebben in de vraag hoeveel capaciteit de politie daarmee kwijt is. De minister zegt terecht dat hij strakjes de baas is van de Nationale Politie. Althans, hij is inmiddels de baas van de Nationale Politie, maar hij heeft ook iets te zeggen over de gemeenten. Ik wil graag dat de minister inzichtelijk maakt hoe vaak dit middel wordt ingezet.

Minister Opstelten:

Ik wilde er niet direct mee beginnen, want ik vind het altijd een straf die je uitdeelt aan degenen die het gezag dragen over de politie. Maar ik kom wel met een wijziging van de instrumenten, die zij ook willen. Ik ben er niet zo voor om daarbij dan meteen te zeggen: wij gaan het ook even stevig evalueren. Zij hebben hun eigen verantwoordelijkheid. Zij moeten afgerekend worden in hun gemeenteraden en daar ter verantwoording worden geroepen. Mijn kennis op basis van alle onderzoeken is dat het een instrument is met veel draagvlak, niet alleen in de politiek ter plaatse. De heer Oskam heeft dat treffend gezegd. Er vinden natuurlijk allemaal debatten plaats in de gemeenteraden, ongeveer in dezelfde verhoudingen als hier. Daar kan ik mij iets bij voorstellen, maar onder de bevolking is dit draagvlak er ook. Die metingen zijn gedaan. Dus laten wij de instanties die erom vragen, nu even helpen. Ik zal zeker nagaan hoe dat loopt. Ik ben niet gek. Ook al zou mevrouw Kooiman het niet vragen; ik ben nieuwsgierig van aard en wil dat gewoon weten. Maar laten wij nu niet iedereen belasten met bijna onmogelijke vragen om optelsommen van hoeveel politie-inzet plaatsvindt bij al die acties. Laat ze gewoon actie voeren en resultaten geven. Ik wil nog wel kijken of ik in de rapportages kan aangeven hoeveel wapens er gevangen zijn met dit instrumentarium. Dat aantal kan wat mij betreft niet hoog genoeg zijn.

De voorzitter:

Daarmee is er een einde gekomen aan de eerste termijn van de regering. Wij gaan gelijk door met de tweede termijn.

Mevrouw Helder (PVV):

Voorzitter. Dank aan de minister voor de antwoorden. Dan kom ik gelijk met mijn kritiek. Zo gaat het dan ook weer. Helaas geeft de minister geen nadere motivering voor het niet willen fouilleren op het bezit van drugs, terwijl ik die wel gevraagd heb. De minister lepelt gewoon de argumenten op die in de memorie van toelichting staan. Die hadden wij zelf ook al gelezen. Daardoor waren wij niet overtuigd. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat preventief fouilleren op drugs niet mogelijk wordt gemaakt;

overwegende dat drugsrunners een gevaar voor de openbare orde kunnen zijn;

overwegende dat zij in duidelijk waarneembare gebieden actief zijn en er tegen hen dus eenvoudig actie ondernomen kan worden door die gebieden als veiligheidsrisicogebieden aan te wijzen;

overwegende dat, in tegenstelling tot bij het preventief fouilleren, voor het fouilleren op basis van de Opiumwet is vereist dat sprake is van een verdenking;

verzoekt de regering, preventief fouilleren ook mogelijk te maken in gebieden die te kampen hebben met ernstige drugsoverlast,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Helder. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 9 (33112).

Mevrouw Helder (PVV):

De minister gaf aan dat de staatssecretaris zich uitstekend kan vinden in het wetsvoorstel, omdat je na het aanwijzen van een veiligheidsrisicogebied – ik citeer – overal en altijd preventief kunt fouilleren. Dat is dus niet helemaal waar. Dat is namelijk niet het geval op perrons van de NS. Dat is jammer, want in het kabinet-Balkenende II, waar de VVD ook deel van uitmaakte, was men er allemaal voor, mede gezien de positieve ervaringen in de grote gemeenten. Wij hebben de minister net horen zeggen: ik ben niet gek, ik luister naar wat er leeft. Er moet draagvlak bij de gemeenten en bij de bevolking zijn. Waarom hoeft dit er voor dit punt dan weer net niet te zijn? Daarom dien ik hierover een motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de perrons van de Nederlandse Spoorwegen (NS) niet kunnen worden aangewezen als veiligheidsrisicogebied en er dus ook niet preventief kan worden gefouilleerd op wapenbezit;

constaterende dat de NS hier in het verleden ook verzet tegen heeft geboden omdat de NS bang is dat mensen die aan fouillering willen ontkomen op het spoor terecht dreigen te komen;

overwegende dat dit geen doorslaggevend argument mag/kan zijn daar dit ook kan gelden voor gebieden die bijvoorbeeld vlakbij een snelweg liggen en personen die aan fouillering willen ontkomen, ook op de snelweg terecht dreigen te komen;

verzoekt de regering, het mogelijk te maken dat ook de perrons van de NS als een veiligheidsrisicogebied kunnen worden aangewezen, zodat ook op die perrons preventieve fouillering op wapenbezit mogelijk is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Helder en De Graaf. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 10 (33112).

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Voorzitter. Ik dank de minister voor de beantwoording. Wij worden het op een heleboel punten niet eens, maar dat is niet erg, want dat scherpt ook mij. Ik herhaal in dit verband de woorden van de minister.

De minister zei dat de verwachting is dat er wellicht minder gebruik wordt gemaakt van de vigerende wet op preventief fouilleren. Die wet blijft echter wel bestaan. Daar komt een nieuw instrument naast, namelijk het nu ter tafel liggende wetsvoorstel. Er kunnen dus twee instrumenten ingezet worden. Dit is een dubbele belasting. Als de minister van mening is en de verwachting heeft dat de huidige wet minder gebruikt zal worden en de nieuwe wet effectiever en minder belastend voor de burger is, vraag ik hem waarom hij de huidige wet niet intrekt en volstaat met het nu voorliggende wetsvoorstel. Misschien kan mijn fractie dat dan wel steunen, want dan hebben wij niet en-en, maar slechts één wet.

Ik kom nu op de evaluatie. De minister zegt dat de Tweede Kamer niet de nationale gemeenteraad moet zijn. Dat ben ik volstrekt met hem eens. Als er een persoon is die dit altijd met verve verdedigt in deze Kamer, ben ik dat wel. Wij zijn echter medewetgever. Wij hebben het hier over een wet die gemaakt wordt als instrument voor gemeenten. Als wetgever behoor je de effectiviteit van je eigen wetgeving te meten. Daar is een evaluatie voor. Daarmee gaan wij dus niet op de stoel van gemeenteraden zitten, maar bekijken wij of de wetgeving waartoe wij hier besluiten, in de praktijk effectief is of niet. Daarom pleit ik er toch voor om een evaluatie in de wet op te nemen. Dat is niet ongebruikelijk. Ik overweeg nog steeds om hierover een amendement in te dienen.

De heer Oskam (CDA):

Ik schrik af en toe van wat mevrouw Berndsen zegt. Wij hebben lang gedaan over het veiligheidsrisicogebied. Daar hebben wij goed over nagedacht. De aanwijzing van een dergelijk gebied moet je goed onderbouwen. Daar is namelijk heel veel gedoe. Aan de mogelijkheid om dit aan te wijzen, moet dan ook een soort onderzoek ten grondslag liggen. De minister heeft uitgelegd dat de toepassing flexibel moet zijn en dat wij adequaat moeten kunnen inspelen op bijvoorbeeld een voetbalwedstrijd waar snel iets gebeurt en je snel moet kunnen fouilleren. Dat vind ik goed. Het zou echter te gek zijn om het veiligheidsgebied af te schaffen. Ik vraag daarom aan de minister of hij dat met mij eens is.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Voorzitter. Dit is geen vraag aan mij, maar aan de minister.

De voorzitter:

Ja, dat klopt. Het is een vraag aan de minister naar aanleiding van een opmerking die u maakte.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik hoef daar nu dus geen antwoord op te geven.

De minister zegt zelf dat hij verwacht dat de wet weinig gebruikt zal worden. Ik denk dat je daar consequenties uit moet trekken of dat je dat in ieder geval kunt doen.

De heer Marcouch (PvdA):

Ik heb er een beetje moeite mee dat collega Berndsen een soort tegenstelling creëert die er niet is. De werkelijkheid is namelijk dat in sommige gebieden in het land continu of vaker sprake is van risico's. Die gebieden kun je als risicogebied aanwijzen, waar vaker preventief gefouilleerd wordt. De werkelijkheid is ook dat je soms heel veilige, rustige wijken hebt waar nooit wat gebeurt, maar waar ineens wel een aantal dingen achter elkaar gebeuren. Dan biedt dit wetsvoorstel uitkomst. Ziet collega Berndsen dit ook in? Is dit wetsvoorstel dan ook niet een oplossing voor dat probleem?

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik heb de voorbeelden ook in de memorie van toelichting gelezen. Dit voorbeeld hoorde daar inderdaad bij. Het gaat mij erom dat wij iedere keer met nieuwe instrumenten en nieuwe wetgeving komen. Er verdwijnt nooit eens een instrument. Als wij nu eens alle instrumenten en bevoegdheden van burgemeesters op een rijtje zetten, dan denk ik dat wij daar bijna van schrikken. Er wordt niet adequaat gebruikgemaakt van de voetbalwet. Als daar wel adequaat gebruik van wordt gemaakt, heb je dit wetsvoorstel misschien helemaal niet nodig. Dat is mijn grote bezwaar omdat we iedere keer maar "en, en" doen. Daardoor komt de balans tussen veiligheid enerzijds en burgerrechten anderzijds steeds verder onder druk te staan.

De heer Dijkhoff (VVD):

Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn beantwoording en reactie op de aangekondigde amendementen. Ik zal ze indienen en ik hoop dat de Kamer daar net zo goed mee kan leven als de minister.

Er staat nog een punt open. In eerste termijn heb ik aangekaart of er een uitbreiding moet komen voor gevaar van goederen en het kunnen doorzoeken van voertuigen bij standaardfouillering. Ik worstel nu een beetje met dit punt. Ik zie in dat het misschien een voorbeeld is van met een kanon op een mug schieten als ik het nu snel in de Politiewet probeer op te nemen, als ik daar al een meerderheid voor krijg. Dit is daarvoor niet de juiste gelegenheid en het is zo breed, algemeen, niet nodig. Ik begrijp uit de antwoorden van de minister dat een agent een eigenstandige afweging moet maken. Hoe specifieker de aanwijzingen van de bestolen burger uit mijn voorbeeld echter zijn, hoe groter de kans dat er sprake is van een serieuze verdenking en toch even gekeken mag worden of een bepaalde persoon inderdaad een gestolen goed bij zich heeft.

Ik wil later nog eens terugkomen op het doorzoeken van voertuigen, want volgens mij wringt het dat bijvoorbeeld de douane wat dat betreft veel meer mag. De politie vindt in heel praktische gevallen daadwerkelijk zaken, maar op een moeilijk uitlegbaar en klein vormfoutje gaat het dan toch de mist in. Daardoor gaan criminelen waarvan iedereen weet dat ze een smeulende slijptol en een gestolen kluis achterin de auto hadden liggen toch vrijuit. Het is misschien iets meer dan een mug, maar het kanon van de algemene fouilleerbevoegdheid van de Politiewet is dan wellicht wat veel. Ik hoop dus dat de minister in een andere context wil meedenken over de vraag hoe we dit kunnen repareren zonder een heel zware bevoegdheid toe te kennen.

De heer Marcouch (PvdA):

Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn antwoorden. Ik ben ervan overtuigd dat wij over een wetsvoorstel spreken, of eigenlijk over drie wetswijzigingen, waarmee het veld juist niet in de weg wordt gelopen maar waarmee het werk juist wordt vergemakkelijkt. Dat geldt zowel voor de insluitingsfouillering als de preventieve fouillering die burgemeesters voor bepaalde gebieden kunnen instellen. Los van de voorbeelden uit de memorie van toelichting ken ik een voorbeeld uit Amsterdam-Zuid. In een heel rustige woonwijk vonden daar rondom een aantal horecagelegenheden ineens een aantal schietpartijen achter elkaar plaats. Uiteindelijk is dat gebied als risicogebied aangewezen terwijl dit wetsvoorstel uitkomst had kunnen bieden om dat voor een bepaalde periode te doen en de wijk daarna gewoon weer te laten zijn zoals zij hoort te zijn.

Ik wil nog wel iets benadrukken. Als we politiemensen deze bevoegdheden geven, moeten we ook regelen dat zij instrumenten krijgen om die bevoegdheden op een eigentijdse manier te gebruiken. Ik denk dan niet meteen aan allerlei ingewikkelde apparatuur waarmee je in het lichaam kunt kijken. Er zijn andere instrumenten, bijvoorbeeld uit het gevangeniswezen, die toegepast kunnen worden in politiebureaus en die misschien ook meegenomen kunnen worden door agenten, zodat zij geholpen worden bij het handwerk. Ik heb de minister ook horen zeggen: ik heb u gehoord en ik zal dat erbij betrekken.

Als een gebied wordt aangewezen, is dat heel stigmatiserend en is de impact op de wijk vaak heel groot. In de praktijk wordt er dan te weinig gebruikgemaakt van de kennis van burgers, bijvoorbeeld van buurtbewoners. Ik zou graag willen regelen dat burgers massaal betrokken worden bij het verschaffen van informatie over wie wat doet. Daardoor kunnen we de daders of de wapendragers veel specifieker opsporen of aanpakken. Dat werkt beter dan dat we blijven aftasten en hopen dat we ze op deze manier te pakken krijgen. Er zijn andere manieren om veel scherper en specifieker te zijn, bijvoorbeeld door de burgers te betrekken bij de opsporing van wapens. De boodschap zou bijna kunnen luiden: als u niet wilt dat in uw wijk preventief wordt gefouilleerd, moet u ons helpen te achterhalen wie hier wat met wapens doet.

Tot slot steun ik de oproep van collega Berndsen. Zij zegt: als wij dit regelen, laat de burgemeesters die bevoegdheden dan ook aanwenden om ervoor te zorgen dat de openbare orde en veiligheid georganiseerd en geregeld wordt. Laat het dus geen vrijblijvendheid zijn om dit instrument in te zetten. Wij rekenen de minister erop af dat de wapenincidenten afnemen, doordat aangetoond wordt dat de mogelijkheden ook benut worden om de veiligheid maximaal te organiseren.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Als burgemeesters die instrumenten dus moeten gaan gebruiken, zoals de heer Marcouch wil, dan zal toch ook bekeken moeten worden of dat gebeurt. Steunt hij dan mijn amendement om deze aanpassing van de wet te evalueren?

De heer Marcouch (PvdA):

Wat mij betreft moet geëvalueerd worden of de wapenincidenten al dan niet afnemen. Dat staat dus los van de bevoegdheid. Ik vind de bevoegdheid namelijk niet meer dan een mogelijkheid, een middel, om die veiligheid uiteindelijk te organiseren. Zo is het goed om te toetsen wat een burgemeester bijvoorbeeld doet aan wapenincidenten. Het is natuurlijk de vraag of wij dat moeten doen of dat de gemeenteraad dat moet toetsen, maar een burgemeester kan dan niet meer zeggen dat hij geen bevoegdheden of mogelijkheden daartoe heeft. Daarom ben ik tevreden met het wetsvoorstel in de huidige vorm.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik ben het eens met de heer Marcouch dat het een taak van de gemeenteraad is om te kijken of de burgemeester zijn bevoegdheden gebruikt, maar wij maken hier wetgeving. Wij moeten dan toch ook op enig moment kunnen constateren of een wet al dan niet effectief is.

De heer Marcouch (PvdA):

Ik begrijp wat u zegt, maar tegelijk denk ik: er zijn zo veel bevoegdheden die ingrijpender zijn en die wij ook niet evalueren. Wat mij betreft is het van belang dat wij regelen dat het gebruik van een dergelijke bevoegdheid wordt verantwoord, maar dat die bevoegdheden ook gebruikt worden om de veiligheid te organiseren. Dat lijkt mij evident. Op het moment dat er een situatie ontstaat – wij zullen in de toekomst moeten bekijken of het een kickboksgala, een voetbalevenement of welke situatie dan ook betreft – en er niets gebeurt, kan een burgemeester zich in ieder geval niet verschuilen achter het feit dat hij die bevoegdheid niet heeft. Dat is volgens mij het moment om te verantwoorden.

Mevrouw Kooiman (SP):

Voorzitter. Ik blijf vandaag met de vraag zitten wanneer het zo acuut is dat wij het middel van preventief fouilleren gebruiken. De minister geeft een aantal voorbeelden. Ik denk dan bij mezelf: ja, ik kan mij goed voorstellen dat wij het preventief fouilleren op zo'n moment inzetten en dat wij de gemeenteraad niet vooraf maar achteraf informeren. Ik vraag mij alleen af of de burgemeesters dit ook weten. Krijgen zij een handleiding, een richtlijn? Kan de minister daarop ingaan?

Ik vind het zelf heel belangrijk dat deze wet effectief is. Daar ging net het interruptiedebatje tussen mevrouw Berndsen en de heer Marcouch natuurlijk over. Wij hebben een wet gehad. Onze fractie heeft vaak de vraag gesteld hoe effectief het preventief fouilleren nou is. Ik wijs nogmaals op het onderzoek dat de SP in Amsterdam heeft gedaan. Daaruit bleek dat een politieagent 500 uur moet fouilleren, voordat hij een vuurwapen heeft gevonden. Ja, het moet wel proportioneel en effectief zijn. Ik kan mij niet voorstellen dat de minister daar niet goed naar wil kijken.

Daarom heb ik de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er geen landelijke gegevens beschikbaar zijn over de inzet van het middel preventief fouilleren, de hoeveelheid wapens die bij dergelijke acties wordt onderschept en de inzet van politiecapaciteit bij dergelijke acties;

van mening dat landelijke registratie van genoemde gegevens noodzakelijk is om te beoordelen hoe effectief de inzet van het middel preventief fouilleren is, afgezet tegen de inzet van politiecapaciteit;

verzoekt de regering, ervoor te zorgen dat landelijke cijfers beschikbaar komen over de inzet van het middel preventief fouilleren, de politiecapaciteit die hiermee gepaard gaat, alsmede de opbrengst van preventieffouilleeracties, zonder dat deze registratieplicht (slechts) bij de politie wordt gelegd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kooiman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 11 (33112).

Mevrouw Kooiman (SP):

Ik zeg met name niet bij de politie neergelegd, want die registreert vaak al wat zij heeft gevonden, maar de gemeente heeft hier natuurlijk ook een taak in. De minister zei dat hij de mensen niet wil afstraffen, maar ik zeg dat een goede evaluatie en een goede reflectie geen straf zijn. Leren is namelijk geen straf. Ik hoop dat de minister dat met mij eens is.

Tot slot, de minister heeft positief geantwoord op de suggesties van een amendement van de heer Dijkhoff. Hoewel ik zijn betoog heb gevolgd, zie ik graag hoe de amendementen er uit komen te zien. Ook hoor ik graag het oordeel van de minister op de uitwerking van de amendementen. Ik kan nu namelijk niet overzien wat voor uitwerking die hebben op de wet. Aangezien ik heel veel waarde hecht aan een goede behandeling van een wet, wil ik nadat de amendementen zijn ingediend, graag een brief van de minister.

De voorzitter:

Het blijft altijd mogelijk om een heropening te vragen, als het debat wat u betreft nog niet afgerond is.

Mevrouw Kooiman (SP):

Mogelijk hoeft dat niet, als er een goede brief komt van de minister.

De voorzitter:

Oké. De minister wil snel gaan antwoorden, maar hij wil even overleggen, omdat hij geen fouten wil maken. Ik zal heel even schorsen, maar ik verzoek de leden wel in de zaal te blijven, zodat ik daarna heel snel kan beginnen.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Minister Opstelten:

Voorzitter. Ik dank de geachte afgevaardigden voor hun inbreng in tweede termijn. Ik loop iedereen weer even langs.

Ik denk niet dat mevrouw Helder verrast is dat ik haar motie op stuk nr. 9 over het preventief fouilleren op drugs moet ontraden op grond van dezelfde argumenten die ik in eerste termijn heb aangegeven. Ik vind het niet nodig. De wet is daar niet voor bedoeld. Er is daarvoor een ander wettelijk instrumentarium.

Ik kom op de motie-Helder/De Graaf op stuk nr. 10. Het is jammer, maar mevrouw Helder en ik kunnen elkaar op dit punt niet vinden. Ik heb aangegeven dat niemand erom gevraagd heeft. Dat is een teken, anders was het wel gebeurd. De NS wijst dit af. Dat vind ik niet onbelangrijk. De spoorwegpolitie vraagt er niet naar. Daarom ontraad ik die motie.

Ik kom op de inbreng van mevrouw Berndsen. Laat ik er duidelijk over zijn dat ik een groot voorstander ben van dit instrumentarium. Ik waardeer de poging van mevrouw Berndsen om mij op het verkeerde been te zetten, maar dat lukt haar niet. Ik blijf recht overeind staan. Beide instrumenten, beide wetten hebben we hard nodig. Het is echter mogelijk dat een aantal gemeenten minder gebruik zullen maken van het zwaardere middel van veiligheidsrisicogebieden voor een lange termijn. Dat is een heel zware procedure. Men zou dat middel minder noodzakelijk kunnen achten, omdat men het nieuwe instrumentarium heeft. In een enkel geval vind ik dat niet onlogisch. Dat betekent echter niet dat we het eerste wetsvoorstel intrekken. Dat ga ik dus niet doen. Ik ben een groot voorstander van dit instrumentarium. Hiermee geef ik helder antwoord op de vraag van de heer Oskam. Wat mij betreft kunnen de veiligheidsrisicogebieden ten volle en langdurig hun werk doen, als dat nodig is, en effectief zijn.

Een evaluatie van de wet is niet nodig. Daar blijf ik bij. Laten we het elkaar niet aandoen dat we alles wat we met elkaar als wetgever en medewetgever, als kabinet en Kamer, in het Staatsblad krijgen, zelf ook weer moeten evalueren. Dat is helemaal niet nodig. Hetzelfde zeg ik straks nog even in reactie op de motie-Kooiman op stuk nr. 11. Dan kan mevrouw Kooiman daar alvast mentaal op rekenen. Wij hebben ook de plicht om niet alles meteen te vragen. Een goede bestuurder wordt ook weleens gekenmerkt door het niet stellen van vragen. Hij laat mensen ook weleens gewoon hun werk doen.

Ik kom op de vragen van de heer Dijkhoff. Hij heeft nadrukkelijk een vraag gesteld over de voertuigen. Ik ga de argumenten niet nog een keer op een rij zetten, maar ik ben zeer genegen om in een andere context mee te denken over het doorzoeken van voertuigen. Dat is wel een punt dat ik herken.

Datgene waar mevrouw Kooiman om heeft gevraagd, wil ik wel toezeggen. Ik kan daarop ingaan als ik de amendementen van de heer Dijkhoff heb gezien. Terecht heeft mevrouw Kooiman gezegd dat de Kamer recht heeft op een schriftelijke reactie van het kabinet. Die zal ik zeker op tijd sturen. De grondgedachte van die twee was echter toch verrassing bij mijzelf. Ik ben er nog steeds niet uit waarom ik er zelf niet op ben gekomen. Ik kan die gedachte dus zeer wel ondersteunen.

Ik ondersteun de oproep van de heer Marcouch om burgers er optimaal bij te betrekken. Het is op dit moment ook een tendens bij de burgemeesters om bij het veiligheidsbeleid veel meer aan de burgers te vragen wat de politie moet doen. Ook bij het inzetten van een dergelijk instrumentarium is het gewenst om dat te doen. Ik denk dan trouwens meer aan het instrumentarium bij de al vigerende wet dan aan een plotseling opkomend instrumentarium, want dan heb je geen tijd meer om de burger erbij te betrekken. Je kunt dan wel zeggen dat je dat doet. In Rotterdam – ik kan er niets aan doen dat ik daarbij terechtkom – speelt Buurt Bestuurt. Daar is het elke dag aan de orde.

Het toepassen van de kennis die bij de politie aanwezig is en het inzetten van eigentijdse middelen, een eigentijds instrumentarium en eigentijdse technologie is vanzelfsprekend, evenals het eigentijds optreden van de politie daarbij. Dat signaal is duidelijk. Ik heb dat goed begrepen. Ik ben het daar ook mee eens. Ik weet zeker dat dit ook geldt voor de politie zelf.

Er is gezegd dat het voor burgemeesters geen vrijblijvendheid mag zijn om dit instrumentarium in te zetten. Inderdaad, dat zal zeker moeten worden ingezet. Men moet het inzetten op het moment dat het nodig is. In het overleg met de burgemeesters zal ik hen daarop zeker aanspreken. Ik zal deze situatie met hen bespreken. Zij hebben daarin natuurlijk hun eigen verantwoordelijkheden, net als het Openbaar Ministerie en de politie.

Ik kom tot slot bij mevrouw Kooiman. Ze vroeg: waarom zo acuut? Ik zal mijn twee voorbeelden niet herhalen. Die zijn ook niet beter aan te geven. Ik denk, mevrouw Kooiman aankijkend, dat ze het daar ook wel mee eens is. Ze vroeg wat we gaan doen ten aanzien van de burgemeesters. Handleidingen en dikke boeken werken niet altijd. We zullen in overleg treden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en vragen wat men wil. Desnoods beleggen we een sessie met gemeenten waar dit aan de orde is, om hen daarover te informeren. We zullen daarin passend opereren.

Ik kom bij het laatste punt van mevrouw Kooiman, de motie op stuk nr. 11. Ik kijk even of die toch anders is geformuleerd dan ik dacht. Nee, dat is niet het geval. Ik heb mevrouw Kooiman er halverwege mijn betoog in tweede termijn al op voorbereid dat ik die motie zal moeten ontraden. Mijn wens is echt dat we niet weer opnieuw aan de politie of anderen gaan vragen om te registreren wat er is gebeurd. Natuurlijk komt de aanpak van de illegale wapenhandel er. Illegaal wapenbezit is als zodanig een fenomeen, maar ik wil het niet toespitsen op één instrumentarium. Dat is niet onze taak. Verder weet ik – laten we nu ook eens het vertrouwen in de gemeenteraden en burgemeesters in ons land uitspreken – dat elke gemeente die het instrumentarium van preventief fouilleren toepast, één keer per jaar een objectief, openbaar verslag uitbrengt waarin staat wat men heeft gedaan, waarom men dat heeft gedaan en wat de resultaten zijn en dat men daarover in de gemeenteraad een goed debat voert. Daar houdt het wat mij betreft mee op. Ik moet de motie, er nog eens over nadenkend, echt ontraden.

Mevrouw Kooiman (SP):

Ik ben een groot fan van de volgende uitspraak van deze minister: wij moeten doen wat werkt. Dan leg ik een motie op tafel om de effectiviteit te meten, om te weten of datgene wat wij doen ook werkt, en dan ontraadt de minister de motie. Dan zegt hij: wij moeten vertrouwen hebben. Maar hij vraagt mij ook om hem blind te vertrouwen. Dat zou ik graag willen doen, maar ik zou liever inzicht hebben in de effecten van de wetgeving die wij hier maken. Waarom ontneemt de minister mij dit inzicht?

Minister Opstelten:

Heb ik het recht om mevrouw Kooiman dat inzicht te ontnemen? Dat doe ik helemaal niet. Ik vind wel dat ik het qua wet en qua verantwoordelijkheden daar moet laten waar het thuishoort. Dat hebben wij goed geregeld. De wet heeft het Staatsblad nog niet gehaald. Laten wij eerst eens aan de slag gaan. Ik ben de hele dag voor de Kamer beschikbaar, als er geen andere debatten zijn, om hier te verschijnen en het over dit onderwerp te hebben. Laten wij de driehoeken nu eerst maar eens de kans geven om hiermee aan de slag te gaan. Het is een extra instrument waar als zodanig helemaal geen aarzelingen over bestaan. Hier en daar is er meer of minder enthousiasme, maar laten wij gewoon aan de slag gaan. Als er iets is, kunnen wij altijd bezien of er nog iets moet gebeuren. Ik vraag om het vertrouwen van mevrouw Kooiman om met de burgemeesters het overleg te hebben.

De voorzitter:

Mevrouw Kooiman, tot slot.

Mevrouw Kooiman (SP):

Wij hebben al een wet die het preventief fouilleren regelt. Omdat het wetsvoorstel van vandaag voortbouwt op die wet, heb ik gevraagd naar de effectiviteit ervan, maar zelfs die is onbekend. Ik vraag de minister met klem of wij geen inzicht kunnen krijgen in de vraag of datgene wat wij doen ook werkt. Ik wil zicht hebben op de effectiviteit van het wetsvoorstel waar ik voor of tegen moet stemmen.

Minister Opstelten:

Het is effectief. Het heeft een groot draagvlak onder de bevolking; dat telt ook. Je kunt altijd vragen: hoeveel uur heb je nodig om één wapen te vinden? Zo kan ik het ook, maar het is niet zinvol om nu 40 rapportages van 40 gemeenten op te vragen, daar een nietje doorheen te doen en dat aan de Kamer te sturen. Dan zijn wij de gemeenteraad van Nederland aan het worden. Geef nou het vertrouwen aan die lokale driehoek die het werk doet. En vraag mij van tijd tot tijd hoe het gaat.

De voorzitter:

Daarmee is een eind gekomen aan de tweede termijn van de regering.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor zijn komst naar de Kamer. Wij zullen aanstaande dinsdag stemmen over het wetsvoorstel, de nog in te dienen amendementen en de moties.

Sluiting 22.03 uur.