Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-2010nr. 79, pagina 6754-6762

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 15 april 2010 over het toezicht en de handhaving van de kwaliteit van kinderopvang.

De voorzitter:

Ik heet de minister van harte welkom. Er is een spreektijd vastgesteld van twee minuten per fractie, inclusief het indienen van moties.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Voorzitter. Helaas staan wij hier vanavond omdat het algemeen overleg enigszins teleurstellend is verlopen. Mijn conclusie naar aanleiding van dat debat was dat het toezicht op en de handhaving van de kwaliteit zoals die zijn opgetuigd, schromelijk verkeerd lopen en zijn verworden tot een bureaucratisch circus. Dat blijkt ook uit het feit dat 60.000 kinderen afscheid hebben moeten nemen van hun gastouder door de eenlokatieregel. Dat is een heel slechte zaak. Het is – ik heb dat al eerder gezegd – net alsof je als overheid tegen automobilisten zegt dat zij maar twee dagen in de week mogen rijden omdat er niet genoeg politie is om ze op de snelheid te controleren. Zo gaat het in de gastouderopvang. Dat is heel slecht.

De vraagouders wiens gastouder geen diploma haalt, zoals nu wordt verlangd, moeten bovendien de kinderopvangtoeslag terugbetalen. Dat is ook een grote ellende. Ik vind dat teleurstellend voor een minister voor Jeugd en Gezin. Ik stel vast dat deze gastouderwetgeving meer kapot maakt dan je lief is.

Ik wil twee moties indienen om wederom een poging te doen om deze wet te verbeteren.

De voorzitter:

De minister is hier in zijn hoedanigheid als demissionair minister van OCW.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Daar hebt u gelijk in, voorzitter. Dat is waar. Ik ben er zo aan gewend na die drie jaar, dat ik even moet omschakelen. U hebt gelijk, het is de minister van OCW. Dat is reden temeer om goed voor de kinderen op te komen. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat vraagouders van dit kabinet hun ontvangen kinderopvangtoeslag moeten terugbetalen als de betreffende gastouderopvang niet voor 1 januari 2011 aan alle kwaliteitseisen voldoet;

van mening dat het financieel risico voor ouders en de extra bureaucratische last voor de Belastingdienst die hierdoor ontstaan, onacceptabel zijn;

verzoekt de regering, de terugbetalingsplicht voor vraagouders uit de regeling te schrappen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dezentjé Hamming-Bluemink, Langkamp en Van Gent. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 75(31322).

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Mijn tweede motie zal de demissionair minister van OCW bekend voorkomen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat gastouders vanaf 1 januari 2010 nog maar op één locatie mogen werken, omdat controlecapaciteit voor meerdere locaties bij de GGD ontbreekt;

overwegende dat veel gastouders hierdoor afscheid moeten nemen van meerdere adressen waar zij al jarenlang naar veel tevredenheid oppassen;

van mening dat bureaucratie nooit boven principe mag gaan;

verzoekt de regering, de eenlocatiebeperking uit de regelgeving te schrappen en de controle door de GGD op dit principe aan te passen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dezentjé Hamming-Bluemink, Langkamp en Van Gent. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 76(31322).

Mevrouw Langkamp (SP):

Voorzitter. Wij hebben een debat gevoerd over de kinderopvang, over zowel het toezicht op als de handhaving van de kwaliteit van de kinderopvang. Het ging met name over de gastouderopvang. Ik wil dit VAO gebruiken om specifiek aandacht te vragen voor twee punten. Daarover wil ik ook moties indienen. Het eerste punt is het handhavingsadvies van de GGD. Dat wordt door veel gemeenten, zeker een kwart op dit moment, niet opgevolgd. Daarover dien ik een motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat begin 2010 nog 165 Langkampgemeenten onvoldoende scoorden op handhaven van de kwaliteit kinderopvang;

overwegende dat een kwart van de gemeenten het handhavingsadvies van de GGD niet opvolgt;

verzoekt de regering, gemeenten te verplichten het handhavingsadvies van de GGD op te volgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Langkamp. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 77(31322).

Mevrouw Langkamp (SP):

Ik kom op de gastouderopvang. Dat onderwerp blijft voor de nodige ophef zorgen. Zeker deze Kamer maakt daarover steeds ophef. Dat gebeurt in het bijzonder als er wordt gesproken over de eenlocatiebeperking. Ook op dat punt dien ik dus een motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat controle door de GGD bij de ouders thuis onnodig en bevoogdend is, omdat men van ouders mag verwachten dat hun huis aan de gestelde eisen voldoet;

van mening dat door de eenlocatiebeperking de gastouderopvang bij de ouders thuis in gevaar is;

verzoekt de regering, de eenlocatiebeperking en de controle door de GGD op gastouderopvang bij de ouders thuis te laten vervallen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Langkamp. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 78(31322).

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Voorzitter. Ik spreek vandaag over de gastouderopvang. Daarover hebben wij al heel vaak gedebatteerd. Je zou kunnen concluderen dat de gastouderopvang het kind van de rekening is van dit kabinet. Evenals andere sprekers merk ik op dat hierover veel ophef is ontstaan. Er zijn heel grote problemen. De GroenLinksfractie is uiteraard ook tegenstander van fraude en wantoestanden, dus ook in relatie tot de gastouderopvang. Die problemen moeten dan ook echt worden aangepakt, maar het lijkt erop dat de gastouderopvang om zeep wordt geholpen als gevolg van de bureaucratische regelgeving. Mevrouw Dezentjé Hamming noemde al de eenlocatiebeperking. Uiteraard heb ik de motie daarover mede ondertekend, want ook de GroenLinksfractie heeft daarvoor vaker aandacht gevraagd. Sterker nog, zij heeft bij de wet daarover een amendement ingediend. Dat heeft het helaas niet gehaald.

Ook het amendement over de risicotoeslag heb ik mede ondertekend. Ouders lopen immers het risico dat zij enorme bedragen moeten terugbetalen als gevolg van de regelgeving van het kabinet. Dat is een staaltje van slecht beleid.

Wij zijn nog steeds van mening dat het beter is om ten halve te keren dan ten hele te dwalen. Ik ben van mening dat deze minister moet kijken naar de grote problemen die er zijn. Hij is weliswaar demissionair, maar daardoor is hij niet minder verantwoordelijk. Hij moet niet halsstarrig vasthouden aan de evaluatie die voor de zomer zal worden gehouden en pas daarna nagaan of er eventueel iets zal worden opgelost. Dat is voor de GroenLinksfractie niet aanvaardbaar. We hebben te maken met wachtlijsten en met wanhopige ouders. Er is sprake van een bureaucratische puinhoop. Daarvoor is dit kabinet toch niet ingesteld? Ik heb de twee moties mede ondertekend en dien graag zelf een motie in over de standaard huisbezoeken. Dat is ook zoiets. Die kosten heel veel geld en de vraag is of die nodig zijn.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het van belang is dat de GGD gastouders thuis kan inspecteren indien daar aanleiding toe is;

constaterende dat er naar verwachting 55.000 gastouders zullen zijn;

constaterende dat het voor de GGD een hele kluif wordt om al die gastouders op locatie te inspecteren en dat het bovendien een kostbare operatie wordt voor gemeenten van minimaal 27,5 mln. in 2010 en 2011;

van mening dat de meerwaarde van een verplichte inspectie van elke locatie niet is aangetoond;

overwegende dat er beter gekozen kan worden voor een steekproefsgewijze inspectie en een inspectie indien daar een concrete aanleiding toe is;

verzoekt de regering, af te zien van het verplichten van het toetsingskader deel B,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Gent, Dezentjé Hamming-Bluemink en Langkamp. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 79(31322).

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Voorzitter. Ik mag vanavond mevrouw Van Toorenburg vervangen. Zij was vorige week aanwezig in het AO met de minister over de kinder- en de gastouderopvang. Het laatste onderwerp en alles wat daarmee samenhangt en -hing, stond in dat overleg centraal.

Vanavond spreek ik over één aspect, waarvoor wij al in meerdere debatten aandacht hebben gevraagd. Ik doel op de EVC-trajecten en de opleidingstrajecten voor de gastouders. In de wet is opgenomen dat men voor 1 september 2010 de EVC-trajecten moet hebben afgerond om ervoor te zorgen dat vraagouders de kinderopvangtoeslag te zijner tijd terug kunnen krijgen. We hebben hier wat zorgen over gehad; we hadden nog wel wat vraagtekens bij het EVC-traject. Wij hebben één vraag gesteld over gastouders in opleiding. Zou dat eventueel voor een halfjaar ook nog meegenomen kunnen worden? Daarover heeft mevrouw Van Toorenburg in eerste termijn een vraag gesteld, maar zij heeft daar geen antwoord op gekregen.

Op een andere vraag heeft zij tot haar genoegen wel antwoord heeft gekregen. Deze vraag ging over de zogeheten crepeergevallen. Stel nou voor dat iemand zijn EVC-traject of zijn opleiding door overmacht niet kan afronden, dan mogen vraagouders daarvan niet de dupe worden. Het probleem is echter iets anders. Er was namelijk een EVC-aanbieder die erkend leek te zijn, maar wiens accreditatie is ingetrokken met ingang van 23 april 2010. Dit leidt ertoe dat 84 gastouderbureaus die zich bij de aanbieder hebben aangesloten nu met een probleem zitten. Daarover dien ik een motie in, mede namens mevrouw Van Toorenburg.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat 84 gastouderbureaus zich hadden aangemeld bij een erkende EVC-aanbieder;

constaterende dat de erkenning van deze EVC-aanbieder met ingang van 23 april 2010 is ingetrokken omdat de onderwijsinspectie de kwaliteit van de aanbieder als onvoldoende heeft beoordeeld;

overwegende dat de intrekking van de erkenning van deze EVC-aanbieder voor de aangesloten gastouderbureaus betekent dat zij buiten hun schuld om helemaal van voren af aan kunnen beginnen en nog maar vierenhalve maand hebben om hun gastouders door het EVC-traject te loodsen;

overwegende dat vraagouders met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2010 geen aanspraak kunnen maken op kinderopvangtoeslag indien hun gastouder niet voor 1 september 2010 het EVC-traject goed heeft doorlopen;

verzoekt de regering om, indien blijkt dat de capaciteit van de overige EVC-aanbieders onvoldoende is om de gastouders van de gedupeerde gastouderbureaus voor 1 september 2010 het EVC-traject te laten doorlopen, passende maatregelen te nemen, opdat de vraagouders de kinderopvangtoeslag niet zullen verliezen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jan Jacob van Dijk en Van Toorenburg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 80(31322).

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA):

Ik heb even contact gehad met mevrouw Van Toorenburg. Zij en ik hebben het onderwerp dat in de motie verwoord wordt samen verwoord tijdens het AO. Ik spreek mijn steun uit voor de motie van de heer Jan Jacob van Dijk. Dat had ik ook aan mevrouw Van Toorenburg doorgegeven. Ik zeg dit voor de mensen die meeluisteren. We hadden dit punt samen opgebracht. Ik steun de motie.

De voorzitter:

Betekent dit dat mevrouw Kraneveldt deze motie medeondertekent?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Ik zorg ervoor dat er een motie wordt ingediend, medeondertekend door mevrouw Kraneveldt.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA):

Voorzitter. In het AO zijn vele onderwerpen aan de orde gekomen. Ik wil nu even inzoomen op het Waarborgfonds Kinderopvang. Op dit moment zijn 130 aanvragen door kinderopvangondernemers bij het Waarborgfonds neergelegd. Deze kinderopvangondernemers willen uitbreiden of aan hun kwaliteit werken. Er kunnen echter maar tien aanvragen gehonoreerd worden. Dat vinden wij jammer, omdat het gaat om een totaal van 100 mln. aan investeringen, waaraan het Waarborgfonds door een borgstelling een flinke push kan geven. Dat doet het al een hele tijd; dit wordt in het veld zeer gewaardeerd. Met name door het Waarborgfonds hebben heel veel ondernemers de afgelopen jaar zoveel kunnen investeren in de capaciteit. Ik heb de minister gevraagd of hij bereid is om afspraken met het Waarborgfonds te maken, zodat het aanwezige tijdelijke vermogen kan worden ingezet als structureel garantievermogen, waardoor de aanvragen gehonoreerd kunnen worden. De minister heeft volgens mijn fractie niet afdoende beargumenteerd waarom dit niet zou kunnen. Ik weet dat hij nog in overleg is, maar ik wil toch graag dat dit bedrag vrijkomt. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de omvang van het huidige borgstellingskapitaal van het waarborgfonds Kinderopvang niet toereikend is om in de behoefte aan borgstellingen voor financieringen ten behoeve van groei en kwaliteitsontwikkeling van de kinderopvang te voorzien;

van mening dat het waarborgfonds Kinderopvang Kraneveldt-van der Veeneen wezenlijke rol vervult in het versterken van de kwaliteit van het financieel beleid van ondernemers in de kinderopvang en bijdraagt aan beperking van de kostenontwikkeling binnen de sector;

van oordeel dat de borgstellingsaanvragen op korte termijn niet belemmerd mogen worden door de besprekingen over de vormgeving van het borgstellingsbeleid voor de lange termijn;

verzoekt de regering, ervoor te zorgen dat het bij het waarborgfonds Kinderopvang aanwezige tijdelijke vermogen wordt omgezet in structureel garantievermogen, waardoor de capaciteitsproblemen voor een langere periode kunnen worden opgelost,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kraneveldt-van der Veen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 81(31322).

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

De PvdA heeft als slogan "iedereen telt mee". Ik zou het fijn vinden als dat ook voor de gastouderopvang telt. Tot nu toe hebben al 60.000 kinderen afscheid moeten nemen van hun gastouder. Ook zijn 25.000 gastouders gestopt. Er zijn problemen met de eenlocatieregeling en met het terugbetalen van de kinderopvangtoeslag. Kan mevrouw Kraneveldt de verbeteringen steunen die ik voorstel voor deze wet? Als zij dat niet kan, waarom dan niet?

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA):

Ik heb de moties van de diverse collega's op de diverse punten nog niet goed kunnen doorlezen. Ik ga er dus ook nog geen toezeggingen over geven. Bovendien wil ik graag eerst van de minister horen wat de gevolgen zijn van de diverse moties die door mevrouw Dezentjé Hamming maar ook door mevrouw Langkamp en mevrouw Van Gent zijn ingediend. Ik doe dus nog even geen uitspraak. We hebben dit onderwerp trouwens uitgebreid gewisseld in het debat tijdens het AO. Ik wil wel weten waar de financiële consequenties van de voorstellen zijn.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Mijn motie heeft helemaal geen financiële consequenties. Sterker nog, uitvoering ervan levert geld op bij de gemeenten. We hebben uitgebreid over de toeslagen, de twee locaties en de verplichte bezoeken van de GGD gesproken tijdens het algemeen overleg. Ik mag toch aannemen dat mevrouw Kraneveldt inmiddels haar gedachten erover heeft laten gaan. Zij is een vrij mens op dit moment en ook haar fractie is vrij! Zij vond dit ook geen prettige regeling voor de gastouderopvang. Dit is een van de laatste mogelijkheden voor de verkiezingen om een aantal verbeteringen aan te brengen. Is de PvdA daartoe bereid?

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA):

Dat is eigenlijk dezelfde vraag als die mevrouw Dezentjé Hamming stelde. Verkiezingen of niet, je moet wel achter ingrijpende inhoudelijke veranderingen in de wetgeving staan. We staan wellicht ook weer – ik hoop van harte van niet – voor een voorjaarsnota met nare berichten over overschrijdingen in de kinderopvang. Iedere wijziging die je in wet- of regelgeving wil aanbrengen, zal ook daarvoor gevolgen hebben. Ik wil dus graag eerst het antwoord van de minister horen. De motie van mevrouw Van Gent betreft het schrappen van deel B. Ik wil deel B niet voor altijd schrappen. Omdat de GGD nog zo veel capaciteitsproblemen heeft, vind ik het echter wel belangrijk dat gastouders die deel A hebben gewoon kunnen starten of doorgaan. Ik heb dit in het AO al gezegd. De minister heeft volgens mij ook al toegezegd dat in dergelijke gevallen ouders in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag voor geheel 2010. Ik ga echter niet akkoord met een motie waarin staat dat we deel B voor altijd moeten schrappen. Dat is volgens mij de strekking van de motie van mevrouw Van Gent en met die strekking ben ik het niet eens.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Minister Rouvoet:

Voorzitter. Ik ga graag in op de ingediende moties. Afgelopen donderdag hebben wij een algemeen overleg gehad. Mevrouw Dezentjé Hamming zei dat dit teleurstellend was, misschien alleen al omdat wij er door de uitvoerige stemmingen in de Kamer – ik heb daar alle begrip voor – niet aan zijn toegekomen om het debat volwaardig af te ronden. In goede samenspraak met de Kamer heeft dat ertoe geleid dat ik mij werkelijk tot de hoofdpunten heb beperkt. Vanmorgen heb ik een brief gestuurd waarin ik op alle overige vragen ben ingegaan.

Er is een flink aantal moties ingediend, ik dacht zeven. In het algemeen overleg heb ik al aangegeven dat uit de inbreng van een aantal woordvoerders blijkt dat zij nog steeds van mening zijn dat hun stem destijds tegen het wetsvoorstel een goede keuze was. Dat is op zichzelf legitiem. Ik heb daar verder geen oordeel over. Ik wil de fracties dat recht niet ontzeggen, maar ik hoor nu een aantal woordvoerders zeggen dat zij nog steeds van mening zijn dat, waarna de al tijdens de behandeling van het wetsvoorstel bekende bezwaren volgen. Ik wijs er dan wel op dat ik gehouden ben aan de uiteindelijke keuze van de wetgever.

Mevrouw Dezentjé Hamming heeft gezegd dat zij met de door haar ingediende moties de wet wil verbeteren. Dat is natuurlijk lastig. Moties zijn verzoeken aan de regering om binnen de wettelijke kaders eventueel tot aanpassingen te komen. Dat kan, maar het verschijnsel amenderende moties in een VAO zou voor mij nieuw zijn. Zo wil ik ze ook maar niet verstaan. In dat licht bezien, kan ik over een aantal moties betrekkelijk kort zijn, omdat daarin eerder ingenomen standpunten worden herhaald. Nogmaals, dat is legitiem en een keuze van de indieners, maar bijvoorbeeld in de motie van mevrouw Dezentjé Hamming waarin wordt gesteld dat vraagouders van dit kabinet moeten terugbetalen ...

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Ik heb een vraag over de algemene opmerkingen van de minister. Wij hebben inderdaad een intensief wetgevingstraject gehad. Er was veel kritiek op de wetgeving. Het parlement is niet doof en blind en ik moet vaststellen dat wij in de praktijk op een aantal cruciale punten gelijk krijgen. Wij hebben dit besproken in het algemeen overleg. Ik vraag om een uitgebreidere reactie daarop van de minister. Wij zitten hier toch niet om wetten aan te nemen en vervolgens net te doen alsof de wereld stilstaat. Er komen uit de praktijk veel signalen dat wij hierin zullen vastlopen. Ik laat mij hier de mond dan ook niet snoeren, en de samenleving zeker niet.

Minister Rouvoet:

Deze opmerking heeft mevrouw Van Gent ook in het debat gemaakt. Daar is echter geen sprake van. Ik heb niet voor niets al twee keer gezegd dat het legitiem is dat fracties de positie die zij bij de wetsbehandeling innamen, hier herhalen. Uiteraard loop ik de moties straks langs, dus ik ga in op de opmerkingen en vragen, maar ik meen welgemeend aan te moeten geven dat ik op een aantal punten niet veel nieuws te melden heb, omdat wij nog steeds met dezelfde feiten en ook de voorziene ontwikkelingen te maken hebben die ten tijde van de wet bekend waren. Dat mag verschillend gewogen worden. Ik kom daar bij de verschillende moties op terug.

Naar aanleiding van de motie van mevrouw Dezentjé Hamming waarin staat dat vraagouders van dit kabinet hun kinderopvangtoeslag moeten terugbetalen, hecht ik eraan, erop te wijzen dat wij te maken hebben met een aantal keuzes van de wetgever, en dat zijn Kamer en regering. Ik houd dat wel staande. Natuurlijk staat het de fractie van mevrouw Van Gent vrij om te zeggen dat zij nog eens goed heeft rondgekeken en dat zij zich gesterkt voelt in de opvatting die zij indertijd had. Ik heb echter niet alleen als nieuwe minister op dit onderwerp, maar sowieso als wetgever te maken met het feit dat het debat, inclusief de door een aantal fracties verwachte ontwikkelingen, bijvoorbeeld op het punt van één locatie en terugvordering, die allemaal zijn benoemd en uitvoerig bediscussieerd, is afgesloten met een wet waarin bepaalde keuzes zijn gemaakt. Daar heb ik mee te maken. Ik ben dus niet blind en doof voor ontwikkelingen, maar ik houd mij wel aan de toezeggingen die destijds zijn gedaan. Ik kom daar bij de behandeling van de verschillende moties kort op terug.

De voorzitter:

Wij gaan het debat niet overdoen, mevrouw Van Gent.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Ik heb nog één aanvullende vraag hierover.

De voorzitter:

Kort dan graag. Heel kort.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Toen het kabinet begon ging het 100 dagen het land in, maar nu, op het eind, lijkt het niet meer uit te maken wat het land zegt of wat voor signalen er uit de praktijk komen. Er blijkt door deze wetgeving gewoon zand in de machine te komen bij de gastouderopvang. We hebben meerdere malen geschetst dat er grote problemen optreden. Ik vraag aan de minister, die de portefeuille heeft overgenomen, om op de signalen in te gaan. Dat bedoel ik met "doof en blind".

De voorzitter:

Dat punt is helder; dat hebt u net ook gemaakt.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Ik krijg er steeds geen antwoord op.

Minister Rouvoet:

Ik heb daar natuurlijk wel antwoord op gegeven. Niemand is doof en blind, maar laat ik het zo zeggen. Of het nu gaat over de eenlocatiebeperking of over de terugvordering, ik neem als minister de toezeggingen die aan de Kamer zijn gedaan serieus en ik hoop dat de Kamer dat ook doet. Ik praat vanuit de toezeggingen die zijn gedaan. Mevrouw Van Gent vraagt van mij om toezeggingen die eerder zijn gedaan nu los te laten en alsnog te concluderen tot het standpunt dat zij indertijd heeft ingenomen. Dat is legitiem en dat mag zij van mij vragen, maar er zijn geen ontwikkelingen die mij ertoe nopen om een toezegging die door mijn voorgangers op dit dossier aan de Kamer is gedaan, terzijde te schuiven. De Kamer mag mij houden aan de toezeggingen. Het zou wat merkwaardig worden als mevrouw van Gent nu zegt: nu ja, de minister hoeft zich niet meer te houden aan de toezeggingen, waarom de Kamer bij motie heeft verzocht bij de behandeling van het wetsvoorstel. Ik heb het nu specifiek over de eenlocatiebeperking. Dan krijgen we namelijk een heel ander speelveld.

De voorzitter:

Ik heb hier voor mij de toezeggingen die in het AO van 21 april zijn gedaan. Er zijn vier toezeggingen gedaan, ook met betrekking tot een uitgewerkte mogelijke wijziging van het klachtrecht.

Minister Rouvoet:

Dat zijn de toezeggingen van vorige week, voorzitter. Het is vandaag 21 april. Maar het zijn inderdaad toezeggingen die ik heb gedaan. Ik doel in de richting van mevrouw Van Gent en mevrouw Dezentjé Hamming echter in het bijzonder op de toezeggingen die bij de wetsbehandeling zijn gedaan, waaronder, op verzoek van de Kamer, een evaluatie. Ik heb er moeite mee dat nu vanuit de Kamer wordt gezegd dat ik me niet zo krampachtig moet vasthouden aan een evaluatie, terwijl daarom door de Kamer is gevraagd.

De voorzitter:

Uw punt is helder.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Als ik de uitleg van de minister hoor, begrijp ik precies waarom zo veel mensen hun vertrouwen in de politiek verliezen. We krijgen hier eerst een college staatsrecht. Het verschil tussen een motie en een amendement was ons echter al bekend. Nog erger is dat de minister zich erachter verschuilt dat de wet nu eenmaal is aangenomen in de Kamer en dat de wetgever het bij meerderheid zo heeft gewild. Er was overigens ook een grote minderheid tegen en daarmee moet volgens mij ook rekening worden gehouden in een democratie. En nog erger is het dat, nu de wet is aangenomen, blijkt dat die op een aantal punten helemaal verkeerd uitpakt en dat de problemen die zijn gesignaleerd ook praktijk zijn. Dan moet de minister ook zo ver kunnen gaan dat hij zegt: ik zie het ook, ik ben niet blind en doof en ik zorg ervoor dat een aantal regelingen worden versoepeld. Daar pleiten wij hier voor.

De voorzitter:

Oké, maar daarvoor zijn ook de moties ingediend. De minister mag nog eenmaal reageren op mevrouw Dezentjé Hamming.

Minister Rouvoet:

Ik noteer in ieder geval uit de mond van mevrouw Dezentjé Hamming dat zij het belangrijk vindt dat ook altijd met minderheden rekening wordt gehouden. Dat is altijd goed om te horen van haar fractie. Die opmerking is in dankbaarheid genoteerd. We hebben hier echter wel te maken met wetgeving. Het is niet maar een besluit of een regeling; het gaat om een wet die door de Kamer is aangenomen. Het is ook een goed democratisch principe dat we dan niet terugkijkend zeggen: ja, maar ik was daartegen! Mevrouw Dezentjé Hamming mag er nog steeds tegen zijn, maar het is wel een wet. De minister is een nationale wethouder. Mevrouw Dezentjé Hamming zegt dat ze geen behoefte heeft aan een college staatsrecht. Daar heb ik over het algemeen ook geen behoefte aan. Ik acht mijzelf ook niet de eerst geroepene om een college staatsrecht te geven. Ik vind het echter wel correct dat ik, als we spreken over de uitwerking van toezeggingen die zijn gedaan bij de parlementaire wetsbehandeling en mevrouw Dezentjé Hamming in haar motie suggereert dat het kabinet nieuwe dingen doet, de Kamer er nog eens op wijs dat het een gezamenlijke keuze is geweest, ook al waren er fracties tegen. Nogmaals, niemand is doof en blind, maar alles moet op zijn tijd. Toezeggingen die zijn gedaan, worden keurig nagekomen. Ik mag hopen dat de Kamer de toezeggingen waarom zij zelf heeft gevraagd net zo serieus neemt als ik.

In dat licht kan ik kort zijn over een aantal moties. De motie-Dezentjé Hamming-Bluemink c.s. op stuk nr. 75 ziet op de terugbetalingsplicht. Daarvan heb ik aangegeven dat die voortvloeit uit de systematiek van de wetgeving als het erom gaat wie op een bepaald moment in aanmerking komt voor registratie, wanneer men aan de eisen daarvoor voldoet en hoe het zit als een gastouder er niet aan voldoet. Het mag dus duidelijk zijn dat ik deze motie, die ook uitvoerig onderwerp van debat is geweest bij de wetsbehandeling, in dat licht wil en moet ontraden. Ik kom straks nog even terug op het punt van de schrijnende gevallen naar aanleiding van de vraag van de heer Jan Jacob van Dijk. Deze motie haalt in feite een element uit de wetgeving weg en zoals bekend kan daarvan geen sprake zijn. Ik ontraad dus deze motie.

Hetzelfde geldt voor de motie van mevrouw Dezentjé op stuk nr. 76. In het licht van wat ik al heb gezegd, ook in het algemeen overleg, over de eenlocatiebeperking, moet ik deze motie kortheidshalve ook ontraden. Dat kan geen verrassing zijn. Mevrouw Van Gent merkte geloof ik op dat het betreffende amendement in het debat helaas is verworpen. Dat klopt. Daar is een motie van de CDA- en de ChristenUniefractie voor in de plaats gekomen. Daarin werd de regering gevraagd om een evaluatie van de eenlocatiebeperking te geven. Dat is toen toegezegd door de toenmalige staatssecretaris, mevrouw Dijksma. Die toezegging kom ik na. Wij hopen voor de zomer met die evaluatie te komen. Ik heb in het AO in antwoord op mevrouw Van Toorenburg aangegeven dat wij goed naar die evaluatie zullen kijken, gegeven alles wat zich nu voordoet. Dat geldt ook voor de eenlocatiebeperking. Ik heb de Kamer laten weten dat wij in de loop van juni opnieuw bestuurlijk overleg hebben met de VNG en GGD Nederland, ook over het aantal gastouders en wat dat betekent voor de toets op locatie op B en de papieren toets op A. In dat licht zullen wij in juni naar aanleiding van de evaluatie bekijken of er ruimte is. Ik denk wel dat het lastig zal worden, want als er bij de GGD capaciteit vrijkomt door verschuiving van een deel van de toets op B naar 2011, moeten wij die ruimte niet meteen wegnemen door te zeggen dat er op alle locaties moet worden getoetst. In juni weten wij meer over aantallen, waartoe bestuurlijk overleg heeft geleid en of wij überhaupt die knip tussen A en een klein stukje van B in 2010 en de rest in 2011, aanbrengen waar mevrouw Van Toorenburg in het overleg naar vroeg. In dat licht is deze motie prematuur omdat zij vooruitloopt op de uitwerking van de toezegging van die evaluatie die op verzoek van de Kamer is gedaan.

Mevrouw Langkamp verzoekt de regering in haar motie op stuk nr. 77 de gemeenten te verplichten het handhavingsadvies van de GGD op te volgen. Hier geldt dezelfde argumentatie. Daar komt bij dat ik het merkwaardig vind om in deze fase tegen gemeenten te zeggen: gij zult het advies van uw GGD opvolgen. Dat is een gemeentelijke dienst. Een democratisch gekozen instantie en een bestuurslaag moeten dan het advies van een uitvoerende dienst opvolgen. Het past slecht in onze bestuurlijke verhoudingen om dat met terugwerkende kracht in onze systematiek van toezicht en handhaving in te lezen en in te voegen. Het lijkt me bestuurlijk ook niet erg zorgvuldig. Ik ben natuurlijk wel voortdurend met gemeenten in overleg, laatst nog op 7 april en in juni weer. Daarin ga ik in op de vraag wat adviezen van de GGD en eventueel een andere manier van feitelijk toezicht per eind juni betekenen voor de handhaving. Ik ben het zeer eens met mevrouw Langkamp dat een gemotiveerd advies van de GGD door de gemeenten goed moet worden bekeken. Een gemeente moet goede argumenten hebben om daarvan af te wijken. Die discretionaire bevoegdheid moet wel blijven. Mocht die verkeerd worden toegepast, dan is het aan de gemeenteraad om de controle uit te voeren. Ik wil dat niet als verplichting opleggen.

Ik denk dat er nog iets achter het verhaal van mevrouw Langkamp zit en ik voel daarin wel met haar mee. Het is namelijk wel zaak dat er rap wordt gehandeld als de gemeente vindt dat er gehandhaafd moet worden op basis van een advies van de GGD. Er moet geen enorm gat vallen. Dat is onderwerp van bestuurlijk overleg en dat zal in juni ook zeker in het overleg terugkeren. Tegen deze achtergrond wil ik deze motie dus ontraden.

De motie van mevrouw Langkamp op stuk nr. 78 gaat over de eenlocatie-eis. Daarover heb ik zojuist uitvoerig gesproken. Uiteraard treft haar motie hetzelfde oordeel als de eerder over dit onderwerp ingediende motie.

Mevrouw Van Gent vraagt in haar motie op stuk nr. 79 af te zien van het verplichten van het toetsingskader deel B. Met de wijziging van de Wet op de kinderopvang en de nieuwe regels voor gastouderopvang wilden wij naar kwaliteitsverbetering en oneigenlijk gebruik, misbruik en fraude tegengaan. Dat waren belangrijke argumenten voor de wetswijziging die 1 januari van kracht is geworden. Mevrouw Van Gent stelt in feite voor terug te gaan naar alleen de papieren toetsing van de belangrijkste eisen voor kwalificatie als gastouder en de hele toets op locatie te laten vallen, als ik het zo mag samenvatten. Dat staat haaks op de parlementaire behandeling waarin anders is besloten en ook op de inhoudelijke argumentatie rondom de gastouderopvang: als wij daarin investeren, willen wij er ook basiskwaliteitseisen aan stellen. Die zijn van een andere orde dan bij de kinderdagverblijven of BSO, maar niet voor niets hebben wij bij deze wet gezegd: het is in belangrijke mate een markt, maar als wij er als overheid geld in steken en ouders in staat stellen om er gebruik van te maken, willen wij er ook basiskwaliteitseisen aan stellen. Het zou wat tegendraads zijn om nu te zeggen dat er helemaal niet meer op de locatie hoeft te worden getoetst en dat wij het beperken tot een administratieve toetsing, nog los van het feit dat je daarmee de realisering van de doelen van het tegengaan van oneigenlijk gebruik, misbruik en fraude alleen maar problematischer maakt. Overigens is het een dringende wens van GGD Nederland zelf om ook op deel B te toetsen. Dat is toch niet onbelangrijk. Ook deze motie wil ik graag ontraden.

De voorzitter:

Hebt u de motie meeondertekend, mevrouw Dezentjé Hamming? Ja? Dan geef ik u eenmaal het woord en daarna mevrouw Van Gent.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Kan de minister mij nog een keer de relevantie en het belang uitleggen dat de GGD gaat controleren in mijn eigen huis, als ik een gastouder in mijn eigen huis ontvang om mijn kinderen op te vangen?

Minister Rouvoet:

Dat heeft te maken met de basishouding bij de wijziging van de Wet op de kinderopvang: als wij als overheid via de bemoeienis met kinderopvang ook bemoeienis willen hebben met de gastouderopvang, willen wij er basiskwaliteitseisen aan stellen. De keuze is nadrukkelijk gemaakt om daar bemoeienis mee te hebben en niet alleen op papier te kijken of de gastouder gekwalificeerd is. Ik ken de hele discussie: is dat logisch? Wij hebben er wel voor gekozen, omdat wij de gastouderopvang een basiskwaliteit willen geven. Als je je huis openstelt voor het opvangen van kinderen, niet zijnde je eigen kinderen, dan ligt daar de ratio dat de overheid daaraan kwaliteitseisen stelt. Er is lang over gesproken welke dat moeten zijn en hoeveel het er moeten zijn. Er is een beperkt aantal kwalificatie-eisen gesteld. Daarnaast hebben wij gezegd dat er ook een soort basisveiligheid moet zijn. Als je je kinderen niet bij een kinderdagverblijf maar bij een gastouder onderbrengt, moet je er zeker van zijn er aan bepaalde basisveiligheidseisen en andere eisen wordt voldaan. Dat wordt gecontroleerd door de GGD, want die voert dat toezicht uit.

De voorzitter:

Wij zijn nu aan een verheldering van de motie toe. Mevrouw Van Gent, eenmaal.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Voorzitter. Laat ik eerst zeggen dat ik er echt bezwaar tegen maak dat ik voor fraude zou zijn of dat ik geen controle zou willen. Dat is nergens gesuggereerd.

Minister Rouvoet:

Wie zegt dat nou?

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Ik snap best dat de minister nog een beetje worstelt met deze portefeuille. Ik had gehoopt op een beetje frisse wind, maar het wordt alleen maar steeds erger.

De voorzitter:

Uw vraag.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Wij krijgen nu een soort GGD-politie bij mensen thuis. Als je in je eigen huis bij je eigen kinderen een gastouder hebt, moet er controle plaatsvinden. Kan de minister overleggen dat de GGD dit vindt en dat gemeenten blij zijn met deze regeling? Dat is helemaal niet waar! Wij krijgen hier informatie van de minister die gewoon niet juist is, die niet onderbouwd is en waarmee onze moties worden weggeschoven. Dat zijn moties die uit de praktijk zijn ontstaan, omdat dit nu voor geen meter werkt. Ik word toch een beetje boos. Ik wil gewoon een beter antwoord en niet: het kan mij verder niks schelen, wet is wet, ik ga het evalueren en klaar!

De voorzitter:

Uw punt is helder.

Minister Rouvoet:

Ik begrijp de opwinding van mevrouw Van Gent niet. Zij is het debat vorige week ingegaan met de stelling: een nieuwe ronde, nieuwe kansen. Ik heb haar toen al gezegd: dit wordt een teleurstellend debat voor u, want wij hebben te maken met de uitvoering van door de Kamer aangenomen wetgeving. Ik weet dat mevrouw Van Gent daar niet voor was, maar het is ook een kwestie van democratische volwassenheid: dit is de wet, er zijn toezeggingen gedaan over het bewaken en de vinger aan de pols houden bij de uitvoering. Mevrouw Van Gent is daar niet tevreden over. Zij denkt: een nieuwe bewindspersoon, kom, ik ga de amendementen die toen niet gelukt zijn bij motie opnieuw indienen ...

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Ik maak hier echt bezwaar tegen!

Minister Rouvoet:

Nu wil ik graag een keer uitspreken.

De voorzitter:

De minister heeft het woord en wij zijn met een motie bezig.

Minister Rouvoet:

Er worden verschillende dingen in mijn richting geschoven waarvan ik afstand neem. Ik heb niet gezegd dat iemand voor fraude is; dat is natuurlijk flauwekul. Mevrouw Van Gent weet dat ook wel. Ik heb alleen nog eens aangegeven wat de argumenten voor de wetgever indertijd waren om voor deze wetswijziging te kiezen. Mevrouw Van Gent was daartegen en is daartegen. Dat is haar goed recht, maar zij moet van mij niet verwachten dat ik, nu de punten die bij de wetsbehandeling door de Kamer zijn afgewezen, bij motie opnieuw worden voorgelegd, opeens sta te applaudisseren, alleen omdat er een nieuwe bewindspersoon is. De Kamer mag van mij continuïteit in het kabinetsbeleid verwachten en zeker een consequent denken vanuit de wetgever. Daar hoeft mevrouw Van Gent het niet mee eens te zijn, maar zo ligt het wel.

De voorzitter:

Mevrouw Van Gent, ik stel u in staat om nog één korte vraag te stellen.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Er wordt hier "wet is wet" gezegd en de signalen uit de samenleving worden genegeerd. Ik ben niet halsstarrig. Ik zou willen dat ik hier kon zeggen: ik heb ongelijk gehad met mijn kritiek. Maar helaas heb ik enorm gelijk gehad met mijn kritiek. Dat blijkt uit de praktijk. Waarom gaat de minister niet in op zaken die zich in de praktijk afspelen? Er is veel commotie omdat het niet goed werkt. Dat wordt door deze minister totaal genegeerd. Dat is toch geen besturen?

Minister Rouvoet:

Ik geloof niet dat ik mevrouw Van Gent kan overtuigen van mijn standpunt. Zij staat daar volgens mij ook niet echt open voor. Ook dat is haar goed recht. Laten wij de rust bewaren. Er is geen enkele reden voor opwinding. Uit mijn mond is niet de stellingname "wet is wet" gekomen. Mevrouw Van Gent heeft dat gezegd, ik niet. Ik heb haar wel geconfronteerd met de opvatting dat ik te maken heb met een door de Kamer vrij recent aangenomen wet, die in januari in werking is getreden. Wij zitten nu in april. De wetgever mag niet zo wispelturig worden, dat wij drie maanden na inwerkingtreding van een wetsvoorstel zeggen: kom, wij gaan de boel weer eens overhoop halen, wij gaan de dingen die indertijd door de Kamer zijn afgewezen, alsnog een keer proberen onder het motto – in de woorden van mevrouw Van Gent – nieuwe ronden, nieuwe kansen. Met zorgvuldige wetgeving heeft zoiets weinig te maken. De toezeggingen staan. Wat de eenlocatiebepaling betreft komt er een evaluatie. In het spoor van mijn voorgangster heb ik toegezegd dat er een regeling komt voor schrijnende gevallen in geval van overlijden. Die toezeggingen komen wij gewoon na. Er is dus geen enkele reden voor de opwinding bij mevrouw Van Gent.

De voorzitter:

Ik geef mevrouw Langkamp eenmaal het woord ter verduidelijking van de motie.

Mevrouw Langkamp (SP):

Wet is wet, maar de praktijk verandert. Niet voor niets is op dit moment een gesprek gaande. Gaan wij die controle op locatie door de GGD allemaal wel halen? Er vinden gesprekken over plaats. De minister verwijst daarnaar en wil het even afwachten. Als het in die korte tijd niet allemaal wordt gehaald, zal een deel van de huisbezoeken misschien in 2011 worden afgelegd. Dat is nog niet besloten, maar het zit er wel aan te komen. Daarmee wordt afgeweken van wat eerder is afgesproken in de wet, namelijk dat het allemaal vóór 1 januari 2011 rond zou zijn. De minister moet het ons dus niet verwijten als wij, kijkend naar de praktijk, zeggen dat bepaalde dingen misschien wel bijgesteld moeten worden.

Kan de minister mij uitleggen waarom het nodig is dat de GGD controleert bij ouders waar de gastouder in huis komt, dus op de plek waar de kinderen wonen?

Minister Rouvoet:

Ik heb geen argument toe te voegen aan wat ik eerder heb gezegd over de ratio van de basiskwaliteitseisen die wij hebben gesteld, ook aan de gastouderopvang. Mevrouw Langkamp was er toen niet van overtuigd, zij is er nu ook niet van te overtuigen. Zij kan mij vragen of ik nog één keer wil uitleggen waarom hiervoor gekozen is. Ik zou willen zeggen: dat lijkt mij eigenlijk wel een goed plan. Maar dat had indertijd ook bij de wetsbehandeling kunnen gebeuren.

Mevrouw Langkamp heeft natuurlijk gelijk dat er een moment kan komen waarop de ontwikkelingen zodanig zijn, dat wij nog eens goed moeten bekijken of de uitvoering van wat eerder is vastgesteld, adequaat kan verlopen. In de motie op stuk nr. 79, met mevrouw Van Gent als eerste ondertekenaar, wordt echter niet verwezen naar allerlei problemen in de praktijk. Nee, er worden overwegingen in naar voren gebracht. Ik loop ze even langs. Er staat dat er naar verwachting 55.000 gastouders zullen zijn. Wij weten dat dus nog niet. Er wordt geconstateerd dat het voor de GGD een hele kluif zal worden om al die gastouders, waarvan wij dus nog niet weten hoeveel het er zijn, op locatie te inspecteren. Bovendien is dat heel kostbaar, zo staat in de motie. De mening wordt uitgesproken dat de meerwaarde van verplichte inspectie niet is aangetoond. Het loopt nog maar net. Wij hebben juist regelmatig overleg om de vinger aan de pols te houden. Als er aanleiding zou zijn om wijzigingen aan te brengen in de vorm en uitvoering van het toezicht doen we dat in ieder geval niet nu, nu we nog niet weten hoeveel het er zijn. Niet voor niets heb ik tegen de Kamer gezegd: in juni bekijken we met GGD-Nederland en de VNG hoeveel gastouders we kunnen verwachten en wat dat betekent voor het toezicht, waarna we altijd nog kunnen kijken of we die knip gaan aanbrengen om een deel van toets B naar 2011 te schuiven. Maar dan is het geen oplossing om daarover nu beslissingen te nemen. Hier wordt meer ten principale aangegeven dat je moet afzien van het verplichten van toetsingskader deel B. Daarvoor heb ik het overleg van juni niet nodig. Dat is een keuze die je kunt maken, maar dat doen we niet, ook niet in het wetsvoorstel.

Ik kom toe aan de motie van de heer Jan Jacob van Dijk, ingediend mede namens mevrouw Van Toorenburg en mevrouw Kraneveldt. De motie ziet op de EVC-aanbieder waarvan de accreditatie moest worden ingetrokken. Ik heb in het algemeen overleg de achtergronden daarvan kort geschetst. Het was onvermijdelijk om die beslissing te nemen, gelet op de bevindingen van de inspectie bij de betreffende EVC-aanbieder. Dit is natuurlijk heel vervelend. Terecht is vastgesteld dat dat wel een inspanning vergt van alle andere gastouderbureaus om zoveel mogelijk de mensen die de certificaatroute volgden, te accommoderen. Wij zitten daar bovenop. Ik heb het dictum van de motie goed gelezen. Ik kan er goed mee uit de voeten als wordt bedoeld: volg nu goed wat er gebeurt, want het kan niet zo zijn dat gastouders straks echt de dupe worden. Mijn beeld is – goed nagevraagd bij het veld – dat de capaciteit zodanig is dat we niet in de problemen hoeven te komen, ook niet waar het gaat om de datum van 1 september. Als ik de motie mag verstaan als: houd de vinger goed aan de pols en kom zo nodig terug naar de Kamer als je problemen aan ziet komen, kan ik daarmee uit de voeten.

De motie van mevrouw Kraneveldt is wat ingewikkelder. Ik begrijp de overwegingen wel, maar ik heb de schriftelijke vragen die zij daarover heeft gesteld niet voor niets beantwoord zoals ik ze heb beantwoord. In het algemeen overleg heb ik daarover het een en ander gezegd. De motie zoals ze nu luidt, zal ik echt moeten ontraden. Het tijdelijke vermogen bedroeg in totaal 30 mln. Daarvan is 5 mln. overgeheveld naar het structurele vermogen van toen 15 mln., zodat het waarborgfonds toen de beschikking kreeg over 20 mln. structureel vermogen voor de borgstellingen waarvoor het functioneert. Van dat tijdelijke vermogen – toen 30 mln. en nu nog 25 mln. – is destijds vastgesteld dat dat in 2012 terug moet naar het Rijk. Dat is dus incidenteel geld. Het is heel lastig om dat structureel toe te voegen aan het structurele vermogen, met het oog op de borgstellingen. Dat is eenmalig gebeurd in de aanloopperiode, en die 5 mln. was te overzien, maar de vraag is wel of het verstandig is om incidenteel geld, waarvan je weet dat het terugmoet, te gaan toevoegen aan het structureel vermogen van het waarborgfonds. Dan gaat het in de borgstellingen zitten. Zo'n 66%, dus twee derde van de investeringen in capaciteitsuitbreiding in de kinderopvang, is gedaan zonder financiële steun van het waarborgfonds. Daarbij is sprake van financiering door kinderopvangbedrijven, met uitsluitend eigen vermogen. Het is niet zo dat, als er geen borgstelling van het waarborgfonds is, er geen capaciteitsuitbreiding kan zijn. De praktijk wijst anders uit. Kinderdagverblijven en kinderopvangorganisaties met minder dan 250 fte's kunnen ook terecht bij de borgstellingsregeling van EZ voor het mkb. Kortom, tegen die achtergrond, plus het feit dat wij in gesprek zijn met het waarborgfonds over hoe het op lange termijn moet gaan functioneren – dat wil ik niet onderbreken door tussentijds deze ingrepen te doen – wil ik deze motie ontraden.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA):

Het gaat om 130 aanvragen die er liggen. Het Waarborgfonds geeft aan er maar tien te kunnen honoreren, terwijl de ondernemers wel voor 100 mln. willen investeren. Het aantal aanvragen blijkt steeds maar te blijven toenemen. Als we dit laten liggen, blijven we ook met die wachtlijsten zitten en kunnen die kinderopvangondernemers niet verder, maar we hebben die capaciteit zo ontzettend hard nodig! Wat kan de minister deze ondernemers dan bieden zodat zij die 100 mln. wel kunnen gaan investeren? Door de kredietcrisis staan de banken namelijk ook niet te springen en de ondernemers hebben het Waarborgfonds echt nodig. Het is toch zonde om 120 of meer aanvragen te moeten afwijzen terwijl we dat geld wel in kas hebben?

Minister Rouvoet:

Ik kan hiervandaan niet helemaal overzien in hoeverre de betreffende kinderopvangbedrijven ook een beroep zouden kunnen doen op de door mij genoemde MKB-regeling van Economische Zaken. Ik weet namelijk niet precies welke aanvragen daar liggen. Het is in ieder geval de moeite waard om dat gesprek met het Waarborgfonds op korte termijn te hebben. Ik begrijp uw punt van zorg aangaande de capaciteit. Misschien mag ik het volgende met u afspreken. U zou mij een plezier doen als u deze motie op zijn minst wilt aanhouden. Ik ben best bereid om te kijken of ik op korte termijn dat gesprek met het Waarborgfonds op dit punt kan hernemen, ook met de cijfers die u nu aanreikt. Direct daarna zal ik u van de bevindingen op de hoogte stellen. Mocht er nu echt een heel urgent en prangend probleem komen, dan kan ik altijd nog eens kijken, maar daarbij heb ik dan wel de minister van Financiën nodig. Zoals ik al aangaf, moet het geld terugvloeien naar het Rijk. Dat is destijds afgesproken. Dat geld gaat gewoon terug naar de minister van Financiën en ik kan niet zomaar besluiten om dit toe te voegen aan het structureel vermogen van het Waarborgfonds; dat zou dan hooguit over een beperkt gedeelte daarvan kunnen gaan. Daarmee hangt ook samen dat ik het Waarborgfonds op langere termijn niet in de problemen wil brengen. Les 1 voor iedere minister en voor iedereen die bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt, is dat het altijd heel onverstandig is om met tijdelijk geld structureel dingen te financieren. Dat zou dus mijn lijn zijn: eerst met het Waarborgfonds praten op korte termijn, daarna de Kamer van dat gesprek op de hoogte stellen en dan bekijken of de problematiek zo urgent is dat een gesprek met de minister van Financiën daarop snel moet volgen. U zou mij dienen als u de motie tot dat moment wilt aanhouden.

De voorzitter:

Dat was een verzoek; mevrouw Kraneveldt overweegt dat verzoek nog.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Wij zullen morgen over de zeven ingediende moties stemmen.