Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-2010nr. 74, pagina 6350-6353

Aan de orde is de behandeling van:

het verslag van een schriftelijk overleg over onderzoek vrijwillige bewonersbijdrage in AWBZ-instellingen (29689, nr. 286).

De voorzitter:

Ik heet de minister van VWS wederom welkom. De spreektijd is twee minuten per fractie, inclusief het indienen van moties.

De beraadslaging wordt geopend.

Mevrouw Leijten (SP):

Voorzitter. De minister krijgt vandaag van alles om de oren, namelijk de Q-koorts, de zorgboerderijen, en de vrijwillige en de "echte" eigen bijdrage van bewoners in AWBZ-instellingen. Op verzoek van de SP-fractie houden wij hierover dit VSO. Het leek ons te veel om een en ander af te ronden in een AO, maar we hebben er wel behoefte aan om een motie in te dienen die raakt aan de eigen bijdrage. Ik doel op de "gewone" eigen bijdrage. Er gaan echter ook dingen mis bij het CAK, dus ik zag geen andere mogelijkheid tot het vragen van een Kameruitspraak dan in dit VSO.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het CAK doet aan broninhouding voor het innen van de eigen bijdrage in de AWBZ;

van mening dat het inhouden van de eigen bijdrage op de Wajonguitkering, de AOW of de WIA-uitkering instemming behoeft van degene die het geld toekomt;

verzoekt de regering, het CAK op te dragen om voor broninhouding toestemming te vragen van degene die het geld toekomt of zijn of haar wettelijk vertegenwoordiger,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Leijten. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 293(29689).

Mevrouw Leijten (SP):

In het kader van het vaststellen van de verplichte eigen bijdrage is steeds gesproken over een zak- en kleedgeldgrens. Daarmee werd gedoeld op het minimum dat mensen over moeten houden voor het kopen van kleding, het doen van iets leuks en het betalen van een abonnement. Sinds het instellen van die grens zijn er verschillende veranderingen opgetreden: de Zorgverzekeringswet is ingevoerd, het leven is duurder geworden en ook de zogenaamde vrijwillige eigen bijdrage voor mensen in de zorginstellingen zijn enorm verhoogd. Daarom vindt de SP-fractie dat de zak- en kleedgeldgrens in ieder geval omhoog moet. Zij legt dan ook de volgende motie aan de Kamer voor.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat veel mensen niet rond kunnen komen met de zak- en kleedgeldnorm die nu gehanteerd wordt;

van mening dat mensen die een eigen bijdrage voor zorg moeten betalen, financiële ruimte moeten overhouden voor basale zaken als ontspanning, kleding of het lidmaatschap van een vereniging;

verzoekt de regering om in overleg met patiëntenorganisaties en ouderenbonden, de zak- en kleedgeldgrens te verhogen, zodat mensen meer financiële armslag hebben en de Kamer hierover voor het zomerreces te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Leijten. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 294(29689).

Het woord is aan de heer De Vries. In overleg met de leden houdt hij zijn inbreng in een andere volgorde.

De heer Jan de Vries (CDA):

Voorzitter. Ik dank de collega's voor hun soepelheid.

De CDA-fractie constateert dat er nog veel verwarring is over de vrijwillige bewonersbijdrage. Die verwarring komt voort uit onhelder beleid, een gebrek aan transparantie en een tekortschietende betrokkenheid van de bewoners. Wij hebben eerder de vrijwilligheid onderstreept, alsmede de noodzaak om hierover overeenstemming te bereiken met cliëntenraden. Uit de reactie van de voormalige staatssecretaris op onze opmerking dat instellingen in te weinig gevallen advies vragen aan cliëntenraden over aanvullende diensten, maakten wij op dat de branche- en de cliëntenorganisaties in december met elkaar in gesprek zouden gaan over meer transparantie en de invloed van cliëntenraden. De CDA-fractie vraagt de minister nu wat er concreet uit dat overleg is gekomen.

We hebben in het schriftelijk overleg ook voorgesteld om te komen tot een gedragscode, zoals ook het onderwijs die kent voor de vrijwillige ouderenbijdrage. De voormalige staatssecretaris zou dit voorstel bij de betrokken organisaties ter sprake brengen. Wij herhalen ons eerdere pleidooi voor het instellen van een niet-vrijblijvende gedragscode voor een vrijwillige bewonersbijdrage en dienen daartoe de volgende motie in.

De Jan de VriesKamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er bij zorgvragers nog veel verwarring en onvrede bestaat over de inning van bewonersbijdragen door zorginstellingen;

van oordeel dat bewonersbijdragen alleen op basis van vrijwilligheid geïnd kunnen worden;

van oordeel dat het instellingsbeleid op het gebied van aanvullende diensten en bewonersbijdragen samen met cliëntenraden ontwikkeld moet worden en volledig transparant moet zijn;

overwegende dat het de voorkeur verdient dat de zorgsector komt tot een niet vrijblijvende zelfregulering en dat daarbij geleerd kan worden van de gedragscode schoolkosten in het onderwijs;

verzoekt de regering, actief te bevorderen dat vertegenwoordigers van zorgaanbieders en zorgvragers nog dit kalenderjaar samen tot een gedragscode voor vrijwillige bewonersbijdragen komen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jan de Vries, Wolbert, Wiegman-van Meppelen Scheppink en Van Miltenburg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 295(29689).

Mevrouw Van Miltenburg (VVD):

Voorzitter. Ik zal geen eigen motie indienen. De motie van de heer De Vries heb ik meeondertekend. Dat wil ik graag toelichten, want ik heb lang geworsteld over de vraag of ik dat zou doen. Eigenlijk vind ik namelijk dat instellingen en de overheid niets te maken hebben met aanvullende diensten. Wij moeten echter ook erkennen dat mensen die wonen in een instelling die € 60 waskosten per maand vraagt, op zo'n punt afhankelijk zijn van een monopolist. De bewoner heeft weinig in te brengen. Daarom heb ik de motie meeondertekend. Als er één bewoner een individuele afspraak over een aanvullende dienst wil maken met zijn aanbieder, dan moet dat echter volgens mij altijd mogelijk zijn. Dat moet kunnen gebeuren buiten de collectieve regeling om waarover afspraken zijn gemaakt.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Voorzitter. Het schriftelijk overleg biedt meer duidelijkheid over de vrijwillige bewonersbijdrage. Ook volgens de fractie van de ChristenUnie is het echter goed om tot een gedragscode voor deze vrijwillige bewonersbijdrage te komen. Daarom staat mijn naam onder de motie van de heer De Vries.

De fractie van de ChristenUnie constateert dat veel mensen onder het bestaansminimum uitkomen door alle kosten die zij hebben. Dat geldt zowel voor ggz-cliënten als voor cliënten met een bescheiden inkomen in de verpleegzorg en de thuiszorg. In het verslag meldt de voormalige staatssecretaris dat gemeenten vrijheid hebben om maatwerk te leveren, met ondersteuning via bijvoorbeeld de bijzondere bijstand. Dat is in theorie inderdaad zo, maar vaak blijken de muren tussen de AWBZ, en de Wmo en de Wet werk en bijstand torenhoog. Daarom hoor ik tijdens deze plenaire afronding graag een antwoord van de minister op mijn vraag of hij bereid is om met gemeenten in overleg te treden, om deze theorie waarover in het schriftelijk overleg wordt geschreven, ook werkelijk praktijk te laten worden.

Mevrouw Wolbert (PvdA):

Voorzitter. Op verschillende momenten en in verschillende debatten is in de Kamer geconstateerd dat er te veel ongelijkheid is tussen mensen die in vergelijkbare situaties verkeren. Het verschil in wat men uiteindelijk van het zak- en kleedgeld overhoudt, wordt veroorzaakt door drie zaken. Het verschil heeft in de eerste plaats met een verschil in leeftijd te maken. Het maakt nogal wat uit of je nog vol in het leven staat, wilt uitgaan en mensen wilt ontmoeten, of dat je intensieve verpleegkundige zorg krijgt. Iemand in de eerste situatie zal moeilijker kunnen rondkomen van het zak- en kleedgeld dan iemand in de tweede situatie. Jonge mensen die nog van alles willen, komen eraan tekort. In de tweede plaats ontstaat het verschil doordat de ene gemeente wel aanvullende bijstand of subsidie verleent en de andere niet. In de derde plaats wordt het verschil veroorzaakt door de verschillende hoogtes van de bijdragen die instellingen vragen. Sommige instellingen vragen een hoge bijdrage, andere vragen voor dezelfde diensten een lagere of helemaal geen bijdrage.

Aan het eerste punt kunnen we in de Kamer weinig doen. Met het tweede punt kunnen we wel wat. Mevrouw Wiegman sprak daarover zojuist al. De fractie van de PvdA wil graag dat de minister toezegt dat hij met gemeenten hierover in overleg treedt, om te onderzoeken waar de verschillen bij gemeenten zitten en waarom die verschillen er zijn. Dat is namelijk steeds niet duidelijk. Over het derde punt, de inkomenspositie van mensen die de vrijwillige bijdrage moeten betalen, heb ik een motie opgesteld. Zij luidt als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de inkomenspositie voor mensen die slechts zak- en kleedgeld krijgen ernstig onder druk staat;

van mening dat mensen die alleen zak- en kleedgeld hebben te besteden niet verder belast moeten Wolbertworden door toenemende vrijwillige eigen bijdragen;

van mening dat normbedragen en inkomensafhankelijke maxima kunnen bijdragen aan het voorkomen van uitsluiting van een bepaalde groep in het maatschappelijk leven;

verzoekt de regering, te onderzoeken op welke wijze het totaal van eigen bijdragen dat mensen moeten betalen aan een inkomensafhankelijk maximum kan worden gebonden en de Kamer hierover voor 1 oktober 2010 te berichten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Wolbert. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 296(29689).

Minister Klink:

Voorzitter. Ik zal eerst ingaan op de moties. Vervolgens plaats ik nog een enkele opmerking over de vraag en de opmerking van mevrouw Wiegman.

De motie van mevrouw Leijten houdt het verzoek in om het CAK op te dragen om voor broninhouding toestemming te vragen van betrokkenen. Ik kan de voor- en nadelen op dit moment niet overzien en wil deze graag met het CAK verkennen. Ik zou mevrouw Leijten dus willen vragen om haar motie aan te houden tot die verkenning is geweest en er een schriftelijke reactie van ons over deze motie in de richting van de Kamer is gekomen.

Mevrouw Leijten (SP):

Dat vind ik prima. Datgene waar het mij vooral om gaat, is wel bekend bij het CAK, denk ik, want ik heb hierover vaker vragen gesteld. Het gaat mij specifiek om nieuwe gevallen die opeens worden geconfronteerd met broninhouding zonder dat zij het weten.

Minister Klink:

Gaat het dan om toestemming dat broninhouding plaatsvindt of om het in kennis stellen van het feit dat deze plaatsvindt?

Mevrouw Leijten (SP):

Ik zou het wel toestemming willen laten zijn.

Minister Klink:

Wij kunnen beide vragen, natuurlijk.

Mevrouw Leijten (SP):

Uiteindelijk moet je het CAK betalen, maar het komt wel eens voor dat het CAK een broninhouding doet met een verkeerde rekening, waardoor mensen hun hele inkomen kwijt zijn. Dan zitten zij vast aan zo'n grote rompslomp, dat je eigenlijk vooraf even zou moeten vragen: vindt u het goed dat wij het automatisch inhouden? Ik denk dat 90% dat oké zal vinden, maar men is dan wel op de hoogte dat het gebeurt.

Minister Klink:

Met deze toelichting zullen wij langs deze lijnen het CAK vragen om hierop te reageren. Ik versta het zo, voor alle duidelijkheid, dat betrokkenen op de hoogte worden gesteld van het feit dat er een bedrag van x verschuldigd is, met het verzoek of zij dit automatisch willen laten afschrijven.

De voorzitter:

Op verzoek van mevrouw Leijten stel ik voor, haar motie (29689, nr. 293) van de agenda af te voeren.

Daartoe wordt besloten.

Minister Klink:

In de tweede motie van mevrouw Leijten wordt de regering verzocht om in overleg met patiëntenorganisaties, ouderenbonden enz. het zak- en kleedgeld te verhogen. Daarbij wil ik aantekenen dat voor de bijdrageregeling wordt aangesloten bij de normen die zijn vastgesteld door het ministerie van SZW en bij de Wet werk en bijstand. Bewoners in AWBZ-instellingen hebben ten minste recht op zak- en kleedgeld. Daarnaast heeft er, zoals men in de schriftelijke antwoorden in het kader van het VSO heeft kunnen zien, een korting op de eigen bijdrage plaatsgevonden. Daarvoor heeft de voormalige staatssecretaris gezorgd. Ook is er een WTCG-tegemoetkoming gekomen en mogen 65-plussers een deel van de ouderenkorting houden en Wajong'ers een deel van de jonggehandicaptenkorting. Dat totaal zou toereikend moeten zijn om in elk geval voldoende middelen te hebben om invulling te geven aan het eigen leven. Gemeenten kunnen dat via de bijzondere bijstand, waarover ik zo meteen nog kom te spreken, nog opplussen. Tegen deze achtergrond zou ik deze motie willen ontraden.

Ik kom op de motie van heer De Vries c.s. In de stukken is vrij uitvoerig stilgestaan bij het feit dat op dit moment wordt gewerkt aan tweezijdige algemene leveringsvoorwaarden binnen de sector. Ook is gewezen op het leereffect aan onze kant dat inderdaad kan uitgaan van de gedragscode voor schoolkosten. Wij zijn in het kader van het wetsvoorstel inzake cliëntenrechten zorg bezig om deze paden te verkennen, met name de tweezijdige algemene leveringsvoorwaarden. Tegen die achtergrond zie ik deze motie als een ondersteuning van het beleid. Ik zou het oordeel erover graag aan de Kamer willen overlaten.

In de motie van mevrouw Wolbert wordt de regering verzocht om te onderzoeken op welke wijze het totaal van eigen bijdragen dat mensen moeten betalen inkomensafhankelijk kan worden gemaakt. Over die eigen bijdragen is natuurlijk vrij uitvoerig gesproken. Dat is ook de reden waarom wij op dit moment werken aan de algemene tweezijdige leveringsvoorwaarden teneinde een zekere uniformiteit te bewerkstelligen in de eigen bijdragen en mensen in kennis te stellen van de eigen bijdrage en de hoogte daarvan. Tegelijkertijd blijven het eigen bijdragen die op basis van vrijwilligheid al dan niet worden betaald voor de diensten die al dan niet worden afgenomen. Gegeven het toch wel strakke onderscheid dat ik zou willen maken tussen aan de ene kant betalingen die voortvloeien uit wettelijke verplichtingen zoals een verzekeringsplicht en aan de andere kant de diensten die op vrijwillige basis al dan niet kunnen worden afgenomen, zou ik het introduceren van inkomensafhankelijkheid bij eigen bijdragen willen ontraden. Daarmee zou ik ook deze motie willen ontraden.

Mevrouw Wiegman had nog een punt over de bijzondere bijstand. Bijzondere bijstand is natuurlijk niet voor niets bijzondere bijstand en we hebben dat niet voor niets aan de gemeenten gedecentraliseerd. Die kunnen uit eigen hoofde afwegingen maken. Dat past nu eenmaal ook bij het decentrale karakter van ons staatsbestel en van deze regeling. Dat neemt niet weg dat ik dit punt graag een keer aan de orde stel in het overleg met de VNG en de Kamer daarover zal berichten. Deze kanttekening over de bevoegdheden en het feit dat we het niet voor niets hebben gedecentraliseerd, wil ik daar op voorhand wel bij maken.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Ik dank de minister voor zijn toezegging om het mee te nemen in het overleg. Graag hoor ik nog van de minister wanneer de Kamer daarover bericht wordt. Het is goed om het te bespreken, want ik hoor nog te vaak dat mensen van de gemeente horen: u zit in een AWBZ-instelling, dus u hoort niet bij ons. Zo wordt men toch een beetje van het kastje naar de muur gestuurd. Het is dus echt belangrijk om die helderheid over en weer te krijgen.

Minister Klink:

Wij gaan het agenderen.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor de beantwoording.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Volgende week dinsdag wordt over de ingediende moties gestemd.

De vergadering wordt van 17.24 uur tot 19.00 uur geschorst.

Voorzitter: Kraneveldt-van der Veen