Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-2010nr. 74, pagina 6335-6340

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 18 februari 2010 over afval en verpakkingen.

De voorzitter:

Ik heet de minister van harte welkom.

De heer Boelhouwer (PvdA):

Voorzitter. Er zijn afspraken gemaakt tussen VROM en het bedrijfsleven om meer plastic te recyclen. Deze afspraken zijn gemaakt omdat grootschalig recyclen beter is, een beter milieurendement heeft dan statiegeld alleen om kleine flesjes uit de afvalstroom te halen. In het AO van drie weken geleden liet de nieuwe, nu demissionaire minister van VROM veel ruimte voor het geval de gemaakte inzamelafspraken niet gehaald zouden worden. Dan moeten wij opnieuw overleggen, zei ze. Dat laatste lijkt geen goed idee, want afspraak is afspraak. Daarom wil ik een motie indienen die het invoeren van statiegeld in beeld brengt, als aan de inzamelafspraken niet wordt voldaan.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de doelstelling voor materiaalhergebruik van kunststof verpakkingen op grond van de Raamovereenkomst over de aanpak van de dossiers verpakkingen en zwerfafval voor de jaren 2008 tot en met 2012 voor 2009 32% bedraagt en oploopt tot 42% in 2012;

overwegende dat deze doelstellingen uit de Raamovereenkomst via een wijziging van het Besluit beheer verpakkingen en papier en karton naar verwachting nog dit jaar een wettelijke basis krijgen;

overwegende dat realisatie van deze doelstellingen van belang is, zowel vanuit een oogpunt van milieuwinst als een vermindering van het beslag op schaarse grondstoffen;

overwegende dat het statiegeldsysteem voor de inzameling van grote drankverpakkingen met een retourpercentage van meer dan 95 bewezen heeft effectief te zijn en tot hoogwaardige recycling leidt;

overwegende dat een statiegeldsysteem voor kleine drankverpakkingen ook effectief zal zijn en tot aanzienlijk hogere inzamelpercentages zal leiden dan nu het geval is;

overwegende dat de inzameling van kunststof verpakkingsafval in de loop van 2009 is opgezet, waardoor in 2010 sprake is van een (nagenoeg) landelijke inzameling, zodat voor 2010 verwacht mag worden dat de doelstellingen met betrekking tot materiaalhergebruik van kunststof verpakkingen worden gerealiseerd;

overwegende dat een aantal gemeenten de inzameling via voor- of nascheiding nog niet op orde heeft en dat het daarom redelijk is, de 32%-afspraak slechts te betrekken op die huishoudens waar een gescheiden plasticinzameling functioneert;

verzoekt de regering om, indien de doelstelling voor materiaalhergebruik van kunststof verpakkingen over het jaar 2010 niet wordt gehaald, een verplichting tot statiegeld op alle kunststof drankverpakkingen in te stellen, teneinde op die manier bij te dragen aan realisatie van de doelstelling voor kunststof verpakkingsafval van 42% in 2012,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Boelhouwer, Wiegman-van Meppelen Scheppink en Vendrik. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 55(30872).

Mevrouw Neppérus (VVD):

Ik denk dat de motie in ieder geval qua lengte in de top tien aller tijden staat.

De heer Boelhouwer (PvdA):

Ja, goed hè?

Mevrouw Neppérus (VVD):

Of je er blij mee moet zijn, laat ik over aan de heer Boelhouwer.

Ik raak toch wat in verwarring. Ik hoor de heer Boelhouwer nu pleiten voor een systeem met statiegeld; dat staat ook in zijn motie. Ik dacht dat juist een minister van zijn partij een paar jaar geleden een heel systeem heeft ingevoerd met apart inzamelen, waardoor allemaal kosten zijn gemaakt. Wat wil hij nu?

De heer Boelhouwer (PvdA):

Dat is natuurlijk duidelijk. Er zijn afspraken gemaakt om apart in te zamelen, maar aan die afspraken zijn ook percentages verbonden. Als die percentages niet worden gehaald, komt automatisch dat statiegeld als aanvullende maatregel in beeld.

Mevrouw Neppérus (VVD):

Heb ik nu goed begrepen dat eerst door het bedrijfsleven en gemeenten een hele organisatie wordt opgezet met alle kosten van dien en dat, terwijl zijn partij dat eerst ferm verdedigde, de heer Boelhouwer nu zegt: er mag nog wel even een systeempje bij als het niet lukt? Is dat precies de bedoeling?

De heer Boelhouwer (PvdA):

De PvdA zegt altijd: een man een man, een woord een woord. Als je een afspraak hebt gemaakt over een inzamelingspercentage en als het bedrijfsleven, dat die afspraak heeft meeondertekend, die niet nakomt, dan komen er andere maatregelen. De maatregel die dan in beeld komt als stok achter de deur, is statiegeld op kleine petflesjes.

De heer Poppe (SP):

Ik steun de motie. Ik heb nog Boelhouwerwel de opmerking richting mevrouw Neppérus dat de kleine flesjes maar een beperkt deel vormen van het totaal aan kunststofinzameling. Daarnaast heb ik een vraag aan de heer Boelhouwer. Ik mis eigenlijk in de overweging van de motie dat het zwerfvuil voor een belangrijk deel uit petflesjes bestaat. Zo'n toevoeging zou de motie sterker maken. Zodra er statiegeld zit op die flesjes, is het geen zwerfvuil meer.

De voorzitter:

Maar die motie was al zo lang.

De heer Poppe (SP):

Maar het zou de motie wel krachtiger maken. Als de heer Boelhouwer zegt dat dit er ook mee bedoeld wordt om het probleem aan te pakken, dan is dat mooi meegenomen. Dan staat het in de tekst en hoort het bij de motie.

De heer Boelhouwer (PvdA):

Het is natuurlijk duidelijk dat een neveneffect van dat statiegeld zal zijn, dat het zwerfafval zal afnemen. Ik was het inhoudelijk met mevrouw Neppérus oneens, maar op een punt had zij overigens wel gelijk: de motie was al lang genoeg.

Dan heb ik nog een tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de voor 2009 afgesproken doelstelling is om 32% of meer van het kunststof verpakkingsafval als materiaal her te gebruiken;

overwegende dat, hoewel door het Besluit verpakkingen het verpakkende bedrijfsleven sinds 1 januari 2006 verantwoordelijk is voor de gescheiden inzameling en recycling van hun verpakkingen, de uitvoering mede afhankelijk is van gemeenten;

constaterende dat een aantal gemeenten de inzameling via voor- of nascheiding nog niet op orde heeft en daarmee een belangrijke factor is in het al dan niet behalen van de 32%-doelstelling;

constaterende dat voor de inzameling van verpakkingen gemeenten een vergoeding uit het Afvalfonds ontvangen en er dus geen financiële belemmeringen voor de uitvoering van het gescheiden inzamelen van kunststof verpakkingsafval voor en door gemeenten bestaat;

verzoekt de regering, concrete maatregelen te nemen waardoor het niet langer mogelijk is dat gemeenten geen uitvoering geven aan het gescheiden inzamelen van kunststof verpakkingsmateriaal,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Boelhouwer en Wiegman-van Meppelen Scheppink. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 56(30872).

Mevrouw Neppérus (VVD):

Voorzitter. Mijn eerste punt betreft de verwijderingsbijdrage en de volle fondsen. In het AO heeft de minister tot tevredenheid van de VVD gezegd dat per 1 februari 2011 er een stop komt op die bijdrage. Vervolgens constateer ik dat allerlei organisaties proberen deze zaak te heropenen. Ik ga ervan uit dat de minister opnieuw zal verklaren dat die fondsen te groot zijn en moeten worden afgebouwd en dat er dus sprake is van een stop.

Mijn tweede punt gaat over de dubbele heffing. Wij betalen voor afval verpakkingsbelasting. Ook zijn er gemeenten die tevens de afvalstoffenheffing in rekening brengen. Een- en andermaal is door verschillende collega's gewezen op die dubbele heffing. Wij willen dat daar een punt achter wordt gezet. Daar het kennelijk moeilijk is voor de minister om de gemeenten zo ver te krijgen – sommigen doen het wel – wil ik hierover een motie indienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat mensen zowel verpakkingsbelasting als afvalstoffenheffing betalen;

overwegende dat deze belastingen voor hetzelfde doel zijn en dat er dus dubbel wordt geheven;

verzoekt de regering, de verpakkingsbelasting te schrappen omdat veel gemeenten de afvalstoffenheffing niet verlagen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Neppérus. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 57(30872).

De heer Poppe (SP):

Deze motie is eigenlijk een voortzetting van de al bestaande motie-Poppe, die de regering oproept ervoor te zorgen dat de gemeenten datgene wat ze uit de verpakkingsbelasting krijgen – ik meen dat dit € 450 per ton is – in mindering brengen op de lokale afvalstoffenheffing. Die motie van mij is kennelijk nog niet uitgevoerd. Moet ik uw motie zien als een ondersteuning van die oude motie van mij?

Mevrouw Neppérus (VVD):

Die oude motie onderschrijf ik volledig. Ik zie alleen dat de uitvoering blijkbaar nog steeds onvoldoende is. Dus dit is een vervolgstap om het via de andere kant aan te vliegen. Ook in het AO zei de minister tot mijn spijt opnieuw dat zij de gemeenten op dat punt onvoldoende kon bereiken en dat zij de juridische bevoegdheden ervoor zou missen.

Tot slot het punt van de nascheiding. Ongeveer twee jaar geleden hebben mevrouw Vietsch en ik een motie ingediend die ook is aangenomen door deze Kamer, die ertoe strekt om voor nascheiding meer mogelijkheden te bieden, ook financieel. Als ik nu weer zie wat er allemaal loopt, zeg ik: ga nu echt verder op de weg van de nascheiding en probeer nog meer te doen en geef dit punt bij de evaluatie die komt heel nadrukkelijk ruimte. Als wij dat gaan doen, zijn wij verlost van de onzin als statiegeld voor een heel klein deel van het zwerfafval.

De voorzitter:

De spreektijd van twee minuten is inclusief het oplezen van de moties. Ik zeg dit uiteraard in het algemeen, maar het kan nooit kwaad om het te zeggen voordat de heer Poppe het woord krijgt.

De heer Poppe (SP):

Dank u wel voor de waarschuwing, voorzitter.

Er is al gesproken over de verwijderingsbijdrage van onder andere wit- en bruingoed, koelkasten en wasmachines. Ik heb daar een motie over, omdat het geld dat daarmee ingezameld wordt, tegen de plinten op klotst bij de organisaties die het geld innen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat:

  • - consumenten bij de aanschaf van wit- en bruingoed vanaf 1999 een verwijderingsbijdrage betalen;

  • - deze bijdrage bedoeld is om de kosten van inzameling en recycling van de historische voorraad aan wit- en bruingoed van voor 2005 te betalen;

  • - er momenteel 220 tot 230 mln. in de reserves van het NVMP zit;

overwegende dat:

  • - over 2008 er aan aluminium 1800 ton, koper 2100 ton en ijzer 35.400 ton is ingezameld, volgens de huidige metaalprijzen voor een totaalwaarde van 87 mln.;

  • - aan gemeenten voor vergoeding aan inzamelkosten € 79 per ton is overeengekomen;

  • - wit- en bruingoed, na verrekening van de kosten, aan secundaire grondstoffen in 2008 een positieve waarde vertegenwoordigde van 13,7 mln.;

van mening dat, gezien de huidige reserves en de jaarlijkse opbrengst aan positieve waarde, de verwijderingsbijdrage gezien kan worden als een bijdrage aan de opbrengst;

verzoekt de regering, met de producentenorganisaties en het NVMP overeen te komen om de verwijderingsbijdrage per direct op nul te stellen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Poppe. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 58(30872).

De heer Poppe (SP):

Ter versteviging van de motie wil ik nog wijzen op een artikel in de Volkskrant van vandaag, waarin staat dat de grondstofprijzen van koper en ijzer omhoog vliegen. De winsten worden dus alleen maar groter.

Mevrouw Vietsch (CDA):

Voorzitter. In het convenant over verpakkingen hebben wij afgesproken dat er eind 2010 een evaluatie komt en dat de resultaten daarvan in de Kamer worden besproken. Omdat wij uitgaan van – de heer Boelhouwer citeerde het al – een man een man, een woord een woord vinden wij het ongepast om vooruit te lopen op een evaluatie en daarmee in te breken in een convenant. Dit juist omdat de bespreking van de evaluatie door de Kamer na de verkiezingen plaatsvindt.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Voorzitter. Ik zit twaalf jaar in de Kamer en soms gebeuren er bijzondere dingen. Ik heb hier voor mij liggen een motie van 20 december 2001 van collega Van Gent over een statiegeldsysteem. Die motie is verworpen door de Tweede Kamer. De fractie van de Partij van de Arbeid stemde tegen. Ik heb hier verder een motie van 4 oktober 2007 van collega Duyvendak, ook over een statiegeldsysteem. Ook die is verworpen door de Tweede Kamer. Wie stemde tegen? De Partij van de Arbeid. Nu is er vandaag het moment dat de Partij van de Arbeid zelf komt met een motie voor invoering van een statiegeldsysteem.

Mevrouw de voorzitter. Hier staat een blij man. Dit is een grote stap voor de mensheid en een kleine stap voor de Partij van de Arbeid.

De voorzitter:

Mijnheer Boelhouwer wil hierop reageren, zie ik aan hem.

De heer Boelhouwer (PvdA):

GroenLinks geeft aan dat het zo langzamerhand klaar is om regeringsverantwoordelijkheid te dragen. Dat was GroenLinks niet op het moment dat het die moties in 2001 en 2007 indiende. Die waren zo ongenuanceerd dat, als ze waren aangenomen, het inzamelen van kunststofmateriaal in Nederland nooit van de grond zou zijn gekomen.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Ik houd het er maar op dat goede inzichten niet bij iedereen in hetzelfde tempo landen. Verschil moet er zijn.

Mijn tweede en laatste punt betreft een grote zorg voor de fractie van GroenLinks: de concurrentie die de recyclingindustrie in Nederland ondervindt vanuit de verbrandingssector. Het verbranden van afval in afvalverbrandingsinstallaties is de laatste maanden en jaren goedkoper geworden. Dat hindert de recyclingindustrie. Wij willen een dam opwerpen tegen afval dat goed recyclebaar is. Dat moet ook daar terechtkomen waar het gerecycled kan worden. En dat hoort niet thuis in een verbrandingsoven. Hoe wij dat doen, dat laat ik aan de minister, maar het is mij duidelijk dat hier het beleid op gecorrigeerd moet worden. Daartoe strekt de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat maximale recycling van Vendrikafvalstoffen gewenst is;

constaterende dat de term "nuttige toepassing" zowel gebruikt wordt voor hergebruik van stoffen als voor verbranding in AVI's met een R1-status;

verzoekt de regering, met maatregelen te komen die het hergebruik van materiaal aantrekkelijker maken dan verbranding ervan in AVI's met of zonder een R1-status,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Vendrik. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 59(30872).

De heer Vendrik (GroenLinks):

Voorzitter. Ik reken op steun van de PvdA-fractie.

Minister Huizinga-Heringa:

Voorzitter. Ik begin met de motie die is ingediend door de heer Boelhouwer. Daarin wordt voorgesteld om statiegeld op alle kunststof drankverpakkingen in te stellen als stok achter de deur. Wij hebben daarover gesproken in het algemeen overleg. Er is een convenant gesloten om kunststof verpakkingsmateriaal in te zamelen. Zoals de heer Boelhouwer ook zegt: het gaat om veel meer dan alleen de kleine flesjes, het gaat eigenlijk om al het kunststof afval. Hopelijk kan daar in 2012 42% van hergebruikt worden. Ik heb er in het algemeen overleg voor gepleit om die afspraak een kans te geven. Er zijn gemeenten die natuurlijk nog wat op dreef moeten komen. Wij kunnen echt pas in 2011 zinvol spreken over de kans dat wij de cijfers die wij ons tot doel hebben gesteld, kunnen halen.

De heer Boelhouwer loopt daar al een beetje op vooruit en zegt: stel nu dat die cijfers tegenvallen, dan wil ik wel dat daar direct een goede reactie op komt en dat wij dan in elk geval met statiegeld op die kleine petflesjes beginnen. Ik laat het oordeel over deze motie over aan de Kamer als ik de motie zo mag lezen dat het convenant eerst echt de volledige kans krijgt en dat wij wachten totdat wij echt betrouwbare cijfers hebben om te kunnen zien of we inderdaad uitkomen op die 42% in 2012 en op 38% in 2010. En als dat onverhoopt niet lukt – daar ga ik niet van uit – zou zonder veel praten eigenlijk automatisch het statiegeld als stok achter de deur tevoorschijn moeten komen.

De heer Boelhouwer (PvdA):

Ik denk dat de motie duidelijk is. Ik ben echter een beetje bang dat de interpretatie die de minister er nu aan geeft, ertoe leidt dat wij pas in 2012 überhaupt gaan denken over statiegeld als in 2010 geen verplichting wordt ingesteld tot statiegeld op alle kunststof drankverpakkingen om bij te dragen aan het halen van die 42%. Als dat in 2010 niet wordt gehaald, komt het statiegeld in beeld om daarmee en met de andere afspraken in 2012 aan die 42% te geraken. Als de minister dat anders interpreteert en dit tot 2012 uitstelt, ben ik het dus niet met haar eens.

Minister Huizinga-Heringa:

Nee, ik zou het niet tot 2012 willen uitstellen, maar ik zou iets meer cijfers willen hebben dan nu. We hebben nu nog alleen de cijfers over 2009. Toen was er de opstartfase. Ik zou dus wel willen wachten totdat wij de cijfers van 2010 hebben. Dan kunnen we de discussie pas in 2011 voeren, maar we wachten dus niet tot 2012. In 2011 hebben wij meer zicht en als de uitkomsten niet voldoen aan wat wij mogen verwachten, wordt het statiegeld zonder al te veel poespas doorgezet. Zo zou ik de motie willen lezen en dan laat ik het oordeel aan de Kamer over.

De heer Boelhouwer (PvdA):

Akkoord. Die interpretatie neem ik over, want in mijn motie gaat het over de cijfers van 2010. Die zijn er natuurlijk pas eind 2010.

Mevrouw Neppérus (VVD):

Ik luister met verbazing. Zegt de minister nu dat wij eventueel al voor de evaluatie gaan nadenken over dat statiegeld? Daar krijg ik een heel raar gevoel bij. Wat is het nu? Als de minister deze motie steunt of het oordeel aan de Kamer overlaat, kan ik dat echt niet anders uitleggen dan dat de minister de deur openzet voor statiegeld. Ik krijg daarover dus graag duidelijkheid.

Minister Huizinga-Heringa:

Ik wacht de evaluatie af, zoals ik zojuist heb besproken met de heer Boelhouwer. Ik wil de afspraken echt een kans geven. Ik ga ervan uit dat wij eind 2010 mooie cijfers hebben en dat wij dat percentage gaan halen, maar ik kan mij voorstellen dat de heer Boelhouwer een stok achter deur nooit verkeerd vindt. Ik laat het oordeel over de motie dus aan de Kamer over, maar dit is pas aan de orde na de evaluatie van de afspraken die wij nu gemaakt hebben.

Mevrouw Neppérus (VVD):

De minister zegt enerzijds dat zij op de evaluatie wil wachten, maar anderzijds laat zij het oordeel over de motie aan de Kamer over. Daarin staat duidelijk dat de start met statiegeld als stok achter de deur er veel eerder moet zijn dan in het jaar van de evaluatie. Hoe zit het nu?

Minister Huizinga-Heringa:

Nee, het is zoals ik u net zei. De evaluatie zal niet gaan over de cijfers uit 2009, want dat zijn geen betrouwbare, goede cijfers. Toen zijn de gemeenten hier net mee gestart. Ik wil de cijfers afwachten voor 2010, waarin de gemeenten echt volledig aan de slag zijn. Die cijfers gaan wij evalueren. Ik ga ervan uit dat die cijfers zodanig zijn dat er niet gesproken hoeft te worden over statiegeld, maar sommigen in de Kamer hebben daar weinig vertrouwen in. Zij willen de evaluatie natuurlijk afwachten – zo lees ik de motie – maar willen wel alvast weten welke maatregelen wij gaan nemen als het tegenvalt. Dat doet volledig recht aan de afspraken die nu gemaakt zijn.

Mevrouw Vietsch (CDA):

Ik hoor de minister zeggen dat wij "dan" maatregelen gaan nemen, maar ik zou het correct vinden als wij de beslissing over wat wij op basis van de evaluatie gaan doen, dan bespreken. Die bespreking vindt dan dus plaats tussen de opvolger van de minister en onder anderen mijn opvolger. Er kunnen immers ook allerlei andere feiten naar boven komen. Wij moeten niet vooruitlopen op wat anderen in de toekomst moeten vinden.

Minister Huizinga-Heringa:

Dat is de reden waarom ik het oordeel over de motie aan de Kamer laat.

De heer Poppe (SP):

Ik heb een aanvullende vraag voor de minister. Wat de cijfers betreft, wij moeten 42% halen qua inzameling. Uit de gegevens blijkt echter dat van het ingezamelde materiaal uiteindelijk toch nog circa 20% in de afvaloven terechtkomt. Is de staatssecretaris bereid om datgene wat niet werkelijk voor hergebruik geschikt gemaakt wordt, af te trekken van het inzamelingspercentage? Het doel was namelijk hergebruik.

Minister Huizinga-Heringa:

Het doel van dit percentage is dat dit deel van het afval wordt hergebruikt. Er wordt niet gekeken wat wordt ingezameld, maar welk deel van het afval werkelijk wordt hergebruikt.

De heer Poppe (SP):

Tot nu toe is mij gebleken dat in die berekeningen en die cijfers het gedeelte dat alsnog, in Duitsland in dit geval, in de afvaloven verbrand wordt, niet afgetrokken wordt van wat ingezameld is. Zal de minister dat nu wel doen?

Minister Huizinga-Heringa:

Als wij zeggen dat het om een bepaald percentage hergebruik gaat, dan gaat het om hergebruik. Dan gaat het niet om iets wat over onze landsgrenzen verdwijnt en waarop wij geen zicht meer hebben. Wat de heer Poppe zegt, is staande praktijk. Alleen wat ook werkelijk wordt hergebruikt, wordt meegerekend en wat wordt verbrand, wordt niet meegenomen in het percentage. De heer Poppe wordt dus op zijn wenken bediend.

De heer Poppe (SP):

Nog een opmerking ...

De voorzitter:

Mijnheer Poppe, dit is een VAO. Wij gaan het debat nu niet overdoen. Iedereen zegt wat hier.

De heer Poppe (SP):

Ik wil duidelijk van de minister horen: datgene wat niet hergebruikt wordt, tellen wij niet mee. Wat in Duitsland – daar gaat het afval namelijk naartoe – de oven ingaat, telt dus niet mee. Dat is tot nu toe geen staand beleid. Dat wil ik even gezegd hebben!

Minister Huizinga-Heringa:

Dan ga ik in op de tweede motie van de heer Boelhouwer, waarin de regering wordt verzocht concrete maatregelen te nemen waardoor het niet langer mogelijk is dat gemeenten geen uitvoering geven aan het gescheiden inzamelen van kunststofverpakkingsmateriaal. De gemeenten hebben allemaal een deelnemersovereenkomst met Nedvang getekend, op Rotterdam na, maar wij weten dat Rotterdam dat ook zal doen en zich via nascheiding zal bezighouden met inzameling. Volgens mij is het dus niet nodig, want er zijn geen gemeenten waarvoor die concrete maatregelen op dit moment nodig zijn. Daarmee sta ik voor de lastige keuze die een bewindspersoon altijd moet maken tussen overbodig beleid of ondersteunend beleid en in dit geval kies ik ervoor om de motie als ondersteuning van beleid te beschouwen. Als zich toch nog gemeenten terugtrekken, waarvoor ik overigens geen enkele aanwijzing heb, zullen wij daar natuurlijk direct bovenop zitten.

Dan kom ik op de bijdrage van mevrouw Neppérus. Zij heeft een motie ingediend waarin de regering wordt verzocht de verpakkingsbelasting te schrappen omdat veel gemeenten de afvalstoffenheffing niet verlagen. De afvalstoffenheffing is in veel gevallen wél omlaag gegaan, maar niet zoveel als de belasting opbrengt, aangezien er voor de inzameling van plastic kosten gemaakt moeten worden. Er is overleg geweest met de VNG die de gemeenten erop wijst dat die de belasting moeten verlagen als daartoe reden bestaat.

In het debatje tussen mevrouw Neppérus en de heer Poppe kwam de motie van de heer Poppe aan de orde. Die motie over de vermindering van de afvalstoffenheffing is uitgevoerd. De Kamer is hierover gerapporteerd in een brief van juli 2009. De motie van mevrouw Neppérus ontraad ik om de redenen die ik eerder heb gegeven.

Mevrouw Neppérus heeft nog gevraagd naar het stopzetten van de verwijderingsbijdrage. Ik herhaal dat ik afspraken heb gemaakt met de producenten. De verwijderingsbijdrage stopt in 2011, maar de bijdrage voor groot witgoed stopt in 2013. De Kamer heeft de rapporten ontvangen waarin de kosten van de verwerking van de historische voorraad worden onderbouwd. In 2020 zullen alle fondsen leeg zijn.

Dat brengt mij ook op de motie van de heer Poppe waarin staat dat we de verwijderingsbijdrage per direct moeten stoppen. Ik heb de Kamer rapporten gestuurd met een onderbouwing waarom de fondsen nog wel nodig zijn voor de verwerking. Ik wijs de heer Poppe erop dat we per 2011 en voor een enkel geval per 2013 stoppen met die verwijderingsbijdrage. Dat lijkt me een mooi resultaat en ik vraag de heer Poppe dan ook daarmee tevreden te zijn. Ik ontraad daarom deze motie.

De heer Poppe (SP):

Wat de minister in het AO heeft gezegd, was al staand beleid: stoppen in 2011 en in enkele gevallen in 2013, zodat in 2020 de potten leeg zouden zijn. Dat was vier jaar geleden al het beleid. Ik stel nu vast en omschrijf in de motie dat de opbrengstwaarde van de apparaten alleen maar toeneemt doordat de prijzen van de grondstoffen koper, ijzer en aluminium omhoogvliegen. Gezien de voorraad die er al is, is de verwijderingsbijdrage nu meer een bijdrage aan de opbrengst dan aan de verwijderingskosten. Daarom is de verwijderingsbijdrage niet meer nodig en die moeten we dus ook niet meer laten innen door de producenten, want zij vullen daarmee alleen maar de potten.

Minister Huizinga-Heringa:

De heer Poppe onderstreept nog eens waarom hij de motie heeft ingediend en de achtergrond van die indiening. Desalniettemin blijf ik bij mijn oordeel en het lijkt mij dat de Kamer zal moeten beslissen hoe zij met deze motie omgaat.

De heer Poppe (SP):

Ik blijf nu toch met een vraag zitten. De minister zou nu toch moeten zeggen dat dit niet waar is en dat de verwijderingsbijdrage nog nodig is vanwege de kosten?

Minister Huizinga-Heringa:

Ik heb u de onderliggende rapporten gestuurd.

De heer Poppe (SP):

Ja, en daaruit heb ik die cijfers gehaald.

Minister Huizinga-Heringa:

Daaruit blijkt dat de fondsen nog nodig zijn en dat ze leeg zullen zijn per 2020. Het geld dat ook nu nog door de verwijderingsbijdrage wordt opgehaald, wordt dus gebruikt voor het verwijderen en in 2020 is er niets van over. Het probleem dat de heer Poppe ziet, is er niet. We stoppen met deze afspraken per 2011 en in een enkel geval gaan we er nog mee door tot 2013. Dat lijkt me een goede manier om daarmee om te gaan en ik zie geen reden om nu weer andere afspraken te maken. Laat de heer Poppe blij zijn met wat er is afgesproken.

De voorzitter:

Mijnheer Poppe, ik zie dat u nogmaals het woord wilt, maar ik heb voor u geen apart reglement. Ik heb voor u hetzelfde reglement als voor iedereen. Dit is een VAO. De minister heeft antwoord gegeven en nu is het klaar.

De heer Poppe (SP):

Maar het antwoord van de minister klopt niet en dat wilde ik even rechtzetten.

De voorzitter:

Ja, maar dat gaan we nu niet doen. Dat moet u straks dan maar aan de minister uitleggen.

Minister Huizinga-Heringa:

Vervolgens kom ik bij de laatste motie, die van de heer Vendrik. Deze motie verzoekt de regering om met maatregelen te komen die het hergebruik van materiaal aantrekkelijker maken dan verbrandingen ervan in AVI's met een R1-status. Wij hebben hierover tijdens het algemeen overleg vrij langdurig gesproken en ik heb toen gezegd dat herbruikbaar afval niet mag worden verbrand, ook niet in een R1-afvaloven. Zoals ik de Kamer heb toegezegd, zal ik daar waar hierover onduidelijkheid bestaat, door middel van communicatie maatregelen nemen. Het probleem dat de heer Vendrik op wil lossen met deze motie is een probleem dat er niet is. Daarom voldoe ik in feite al aan deze motie, want wat hergebruikt kan worden gaat niet in de afvaloven, ook niet in de R1.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Ik dacht dat wij hadden afgesproken dat de minister hier nog naar zou kijken. Zo nodig zou zij het staande beleid nog een keer uitleggen aan het veld. Zou het echter toch niet mogelijk kunnen zijn dat er afvalstromen in een verbrandingsoven terechtkomen die beter gerecycled hadden kunnen worden? Als dat niet uitgesloten is, is het dan niet wijs om het oordeel over deze motie aan de Kamer te laten? Dan zou er immers wel degelijk reden zijn om te onderzoeken of wij ervoor kunnen zorgen dat er meer afval wordt gerecycled in plaats van verbrand? Kunnen wij dat niet met elkaar afspreken?

Minister Huizinga-Heringa:

De motie vraagt de regering om maatregelen te nemen. Die maatregelen zijn echter niet nodig, omdat in het LAP al wordt voorgeschreven dat materiaal dat kan worden hergebruikt, niet mag worden verbrand. Ik denk niet dat hierover onduidelijkheid bestaat bij de verbrandingsovens, maar dat geldt niet voor alle producenten. Ik heb de Kamer daarom toegezegd dat ik mij ervoor zal inspannen dat het iedereen duidelijk wordt wat precies de regels zijn. Dat wil ik doen, maar verder is het dus niet nodig om maatregelen te nemen. Alle nodige maatregelen zijn al genomen: het mag niet!

De heer Vendrik (GroenLinks):

Dat er wellicht waterdichte regels zijn, is één ding. Ik heb daar mijn twijfel over, maar ik heb nog meer aarzeling over de staande praktijk. Ik heb zelf gezien hoe recyclebaar materiaal in de afvaloven verdwijnt. Kennelijk mag dat. De regels zijn zo te zien niet sluitend of ze worden ontdoken. De marktwerking gaat wellicht de verkeerde kant op, want verbranden is vaak veel goedkoper dan recyclen. De minister moet dit verder uitzoeken, maar ik maak mij grote zorgen daarover. Mijns inziens kan meer gerecycled worden en mag er minder verbrand worden dan op dit moment gebeurt. Ik vraag de minister om dat te onderzoeken. Als dat het geval is, vraag ik haar via deze motie om nadere maatregelen te overwegen. Welke dat zijn, laat ik aan de minister over. Gesteld dat er een probleem is – en daarvan ga ik uit – vraag ik aan de minister om dat uit te zoeken. Ik vraag haar bovendien om dan maatregelen te nemen, want wij willen dit niet.

Minister Huizinga-Heringa:

Na twaalf jaar Kamerlidmaatschap was dit een van de laatste AO's van de heer Vendrik. Het is goed om dit VAO daarom ook mooi beëindigen. Ik ga uitzoeken wat de heer Vendrik nu vraagt en kom daarop terug. Mocht het nodig zijn om nog meer maatregelen te nemen – ik denk het niet – kom ik daarop terug. Ik heb die communicatie naar de Kamer toe toch al toegezegd. Ik lees de motie op die manier en laat het oordeel daarover verder aan de Kamer.

De voorzitter:

De heer Vendrik knikt instemmend.

Mevrouw Vietsch (CDA):

Juist omdat deze toezegging geheel in lijn is met wat de heer Vendrik wenste te bereiken zoals ik begreep uit het korte debat, vraag ik hem of hij de motie niet gewoon intrekt.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Ik heb in de afgelopen twaalf jaar een heleboel moties ingetrokken. Ik vind het fijn als deze motie mag blijven staan in het kader van de nalatenschap. Het is misschien ook goed om mijn afspraak met de minister goed vast te leggen voor de opvolging.

De voorzitter:

De heer Vendrik handhaaft zijn motie, dat is duidelijk.

Mevrouw Vietsch (CDA):

Deze toezegging is dus onvoldoende en blijkbaar zit er wat ruimte. Ik vraag daarom toch het oordeel van de minister over deze motie.

De voorzitter:

Het spijt mij, dit sta ik niet toe. Het is schering en inslag dat mensen hun motie handhaven, ook als zij volledige toezeggingen krijgen. Dit gebeurt bij alle partijen.

Ik dank de minister voor haar antwoorden.

De beraadslaging wordt gesloten.