Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-2008nr. 63, pagina 4517-4522

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 28 februari 2008 over jeugdbescherming.

De heer Çörüz (CDA):

Voorzitter. Het Nederlands Dagblad van vanochtend schrijft over een ernstig bedreigd kind en stelt de vraag wat men nu moet ondernemen. Er komen twee professionals aan het woord. Het duo twijfelt of het gezin moet worden gebeld voor een afspraak, maar besluit een brief te sturen met de datum waarop men komt. "Dan staan wij direct op de stoep", staat in het bewuste artikel.

Dat is volgens mij niet de juiste wijze van opereren. Met name bij dit soort probleemzaken moet de Raad voor de Kinderbescherming onaangekondigd binnenkomen, juist bij het eerste bezoek, en kijken hoe de daadwerkelijke situatie van het kind is. Als je schrijft dat je komt, zul je de Savannahs niet in een trapkast aantreffen. Wij hebben hierover nadrukkelijk de argumenten gewisseld, zonder tot elkaar te komen. Vandaar de volgende moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de gangbare praktijk is dat in verreweg de meeste gevallen de Raad voor de Kinderbescherming op een van te voren afgesproken moment op huisbezoek komt;

constaterende dat uit een aantal recente incidenten een problematiek naar voren komt (waaronder het opgesloten zijn van kinderen in delen van de woning, zoals trapkast, zolder of tuinhuisje), die zich niet laat constateren middels een aangekondigd huisbezoek;

constaterende dat bij een aangekondigd huisbezoek niet de werkelijkheid van alledag wordt aangetroffen;

overwegende dat de informatie die in het kader van een kinderbeschermingsonderzoek wordt ingewonnen zo veel als mogelijk de werkelijke leefsituatie van het kind dient weer te geven omdat een rechter op grond van deze informatie een uitspraak dient te doen;

verzoekt de regering enerzijds om representatief onderzoek te doen op dossierniveau hoe een onaangekondigd huisbezoek door de Raad voor de Kinderbescherming sneller tot adequate informatie had kunnen leiden waardoor bijvoorbeeld een beslissing tot uithuisplaatsing eerder zou zijn genomen en anderzijds om te entameren dat bij wijze van pilot in 100 zaken een eerste huisbezoek onaangekondigd zal plaatsvinden, en de Kamer hierover te informeren voor de zomer van 2008,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Çörüz, Bouchibti en Voordewind. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 27(31015 /31001).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat thans de situatie zo is dat de duur van een ondertoezichtstelling (ots) maximaal geldig is voor één jaar en zo nodig ieder jaar verlengd kan worden of dat gekozen dient te worden voor een gezagsbeëindigende maatregel;

overwegende dat deze beperkte mogelijkheden geen recht doen aan de veelheid en complexiteit van situaties waar kinderen in verkeren;

overwegende dat dit vraagt om tussenvormen en maatwerk naar de duur en de inhoud van een kinderbeschermingsmaatregel (de zogenaamde flex-ots);

verzoekt de regering om de genoemde overwegingen nadrukkelijk in het wetgevingstraject kinderbeschermingsmaatregelen in te passen,Çörüz

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Çörüz. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 28(31015 /31001).

Mevrouw Langkamp (SP):

U doelt in de laatste motie op de mogelijkheid om een ots van meer dan een jaar te kunnen uitspreken. Welk doel hebt u daarmee voor ogen? In welk opzicht schieten de huidige mogelijkheden wat u betreft tekort?

De heer Çörüz (CDA):

Ik geef het concrete voorbeeld van een verslaafde moeder. Het kind is uit huis geplaatst bij een pleeggezin. De moeder heeft anderhalf tot tweeënhalf jaar behandeling nodig. Nu moet men na elk jaar bij het doorlopen van een traject naar de rechter om een verlenging te vragen. Ik zou willen dat in dit geval een ots wordt uitgesproken van bijvoorbeeld van anderhalf of tweeënhalf jaar. Dan is er rust voor het kind, rust voor de pleegouders, rust voor de hulpverleners en rust voor de moeder, zodat zij die periode aan zichzelf kan werken. Het scheelt volgens mij ook nog eens administratie.

Mevrouw Langkamp (SP):

Ik durf te bestrijden dat dit bureaucratie scheelt. Ik meen dat dit niet het geval is omdat er sowieso door de gezinsvoogd verslaglegging moet worden verricht. Was is er mis met jaarlijks toetsen? De periode van een jaar is goed te overzien. Hoe kun je voorafgaand aan een periode van twee of tweeënhalf jaar al volledig overzien dat de situatie tussentijds niet zal veranderen?

De heer Çörüz (CDA):

Het zal zeker bureaucratie schelen. In de oude situatie moet je driemaal naar de rechter. Nu wordt dat eenmaal. Hij spreekt dan een vonnis uit voor tweeënhalf jaar. Dat scheelt. Er is altijd een gezinsvoogd aangesteld voor het gezin. Als er daadwerkelijk zaken misgaan, kan hij altijd bij de Raad voor de Kinderbescherming of bij de rechter aan de bel trekken. Er kan altijd worden ingegrepen. Wij geven dus geen vrijbrief voor tweeënhalf jaar. Het is niet zo dat wij niet meer omkijken en over tweeënhalf jaar nog wel eens terugkomen. Dat is niet de werkelijkheid. Er is zeker sprake van checks and balances. Maar het scheelt naar mijn mening enorm veel bureaucratie.

Mevrouw Dezentjé Hamming (VVD):

Voorzitter. De VVD-fractie wil op het terrein van de huisbezoeken een stapje verder gaan dan het CDA. Een onderzoek is ons iets te voorzichtig. Naar mijn mening kunnen wij een stapje verder zetten. Ik hoop de steun van de Kamer te krijgen voor de motie die ik daartoe zal indienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de gangbare praktijk is dat in verreweg de meeste gevallen de Raad voor de Kinderbescherming op een van te voren afgesproken moment op huisbezoek komt;

overwegende dat bij een aangekondigd huisbezoek niet de werkelijkheid van alledag wordt aangetroffen, waardoor belangrijke informatie niet kenbaar wordt bij de Raad voor de Kinderbescherming;

van mening dat onaangekondigde bezoeken van groot belang zijn voor het inwinnen van informatie om een realistisch beeld van de alledaagse gezinssituatie te krijgen;

verzoekt de regering, in het kader van een beschermingsonderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming het uitvoeringsbeleid dusdanig aan te passen dat ieder gezin ten minste tweemaal onaangekondigd wordt bezocht en in ieder geval het eerste huisbezoek onaangekondigd is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Dezentjé Hamming. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 29(31015 /31001).

Mevrouw Langkamp (SP):

Voorzitter. De SP-fractie wil vasthouden aan de bestaande praktijk waarin een ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing voor maximaal een jaar kan worden uitgesproken en dus ieder jaar opnieuw moet worden bekeken of verlenging nodig is. Een jaar is voor mensen te overzien. Een gezinsvoogd moet toch periodiek rapporteren. Voor de toetsing door de kinderrechter hoeft hij dus geen extra werk te verrichten. Het komt vaak voor dat de toetsing door de kinderrechter zonder zitting plaatsvindt. Als iedereen het met elkaar eens is, kan de zaak zonder zitting worden afgedaan.

Als een gezinsvoogd van mening is dat de ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing kan worden beëindigd, kan de gezinsvoogd in de huidige praktijk zelf beslissen om geen verlengingsonderzoek in te stellen. Ouders zijn het meestal met die beslissing eens. In dat geval doet de gezinsvoogd hiervan mededeling bij de Raad voor de Kinderbescherming onder overlegging van zijn verslag. Dat loopt dus niet via de kinderrechter. Je kunt je afvragen of een gezinsvoogd, die soms langdurig bij het gezin is betrokken, nog wel een objectief oordeel kan vellen. Gezinsvoogden zijn immers ook maar mensen. Soms ontstaat een te hechte band tussen ouders en de gezinsvoogd. Wij hebben daarvan voorbeelden gezien.

De SP-fractie is van mening dat het, gezien vanuit het belang van het kind, een goede zaak zou zijn dat niet de gezinsvoogd maar de kinderrechter objectief de beslissing neemt, ook over het niet verlengen van een ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing, na iedereen te hebben gehoord. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,Langkamp

van mening dat de kinderrechter dient te beslissen over het al dan niet verlengen van een ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing;

verzoekt de regering, de wetgeving op dit punt aan te passen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Langkamp. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 30(31015 /31001).

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Voorzitter. Na het vorige debat is er bij mijn fractie een punt blijven hangen. Tot op de dag van vandaag krijgen wij hierover mailtjes toegestuurd van ouders. Zij vragen ons wat de verifieerbare en objectieve criteria zijn voor de afwegingen en het oordeel van de gezinsvoogd bij de beslissing om over te gaan tot een uithuisplaatsing. Om aan dit proces meer duidelijkheid te geven, dienen wij de volgende motie in. Aan het bieden van meer duidelijkheid wordt al gewerkt, maar met onze motie willen wij proberen dit proces te versterken.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering het van belang vindt dat betrouwbare instrumenten worden gebruikt om de beoordeling van de situatie van een kind te objectiveren en te verifiëren, zodat niet enkel op de waarneming en interpretatie van één persoon wordt geoordeeld;

constaterende dat Bureaus Jeugdzorg landelijk werken aan de invoering van één set criteria voor het uitvoeren van onderzoek en het nemen van besluiten bij vermoedens van kindermishandeling;

constaterende dat in het kader van diverse projecten van het programma Beter Beschermd besluiten bij vermoedens van kindermishandeling moeten worden besproken in een multidisciplinair casusoverleg;

overwegende dat daarmee al veel gebeurt om het oordeel van de gezinsvoogd, dat ten grondslag ligt aan beslissingen die de ouderlijke macht inperken, te objectiveren;

overwegende dat echter na de instelling van een ondertoezichtstelling (ots), bij een besluit tot uithuisplaatsing het oordeel van de gezinsvoogd en daarmee de afhankelijkheid van de waarneming en interpretatie door één persoon, kwetsbaar kan zijn;

verzoekt de regering, na te gaan of naast de ingezette trajecten nadere inspanningen nodig zijn om te komen tot meer objectieve en verifieerbare motivering door gezinsvoogden van een verzoek tot omzetting van een ots in een uithuisplaatsing en de Kamer hierover te informeren voor de zomer van 2008,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Voordewind, Çörüz en Bouchibti. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 31(31015 /31001).

Mevrouw Agema (PVV):

Voorzitter. Ik dien de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er AMK's (Advies- en Meldpunt Kindermishandeling) zijn met een gemiddelde onderzoeksdoorlooptijd van acht weken in plaats van de huidige dertien en dat de minister daarom besloten heeft tot een maximale doorlooptijd van acht weken;

van mening dat dit een subjectieve afweging is om te komen tot een verlaging van het aantal weken en er wellicht een nog kortere maximale doorlooptijd mogelijk is;

verzoekt de regering, te onderzoeken of de maximale doorlooptijd bij AMK's korter kan zijn dan acht weken en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Agema. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 32(31015 /31001).

Minister Rouvoet:

Voorzitter. Wij hebben over dit onderwerp reeds een algemeen overleg gevoerd en daarom zal ik met mijn antwoord vooral ingaan op het gestelde in de zes moties. De meeste zijn met een korte toelichting ingediend. De overwegingen die daarbij zijn gegeven, hadden betrekking op het onderwerp van de moties.

Met de eerste motie vragen heer Çörüz, mevrouw Bouchibti en de heer Voordewind mij om een representatief onderzoek op dossierniveau te doen naar de mogelijkheid van het onaangekondigd huisbezoek. Verder vragen zij om met een pilot in honderd gevallen het eerste huisbezoek onaangekondigd te laten plaatsvinden en de Kamer daarover te informeren. In aansluiting op wat wij daarover in het debat hebben besproken, wil ik hierover het volgende opmerken.

Zoals is vastgesteld is het zeer goed voorstelbaar dat zich situaties voordoen waarin het goed is dat de Raad voor de Kinderbescherming onverwacht bij gezinnen op bezoek gaat om te zien onder welke omstandigheden de kinderen opgroeien. De heer Çörüz heeft met een voorbeeld geïllustreerd dat een onaangekondigd bezoek te verkiezen kan zijn boven een aangekondigd bezoek. Een ander voorbeeld maakt duidelijk dat, als de ouders eenmaal weten dat een maatregel in aantocht is, zij met de kinderen op de vlucht gaan. In dat soort situaties is een onaangekondigd optreden natuurlijk van groot belang. In de praktijk komt een onaangekondigd optreden dan ook voor. Daarover hebben wij reeds met elkaar gesproken. In dit soort situaties gaat de raad vaak met twee medewerkers tegelijk naar het gezin en, als dat nodig lijkt, met assistentie van de politie.

Vanwege het belang van het welslagen van een jeugdbeschermingsmaatregel kiest de raad ervoor om zo veel mogelijk met de ouders in gesprek te komen. Dat brengt de algemene werkwijze van de raad met zich mee. De ouders zijn immers nodig voor het welslagen van het vervolg van de hulpverlening aan het kind, waarbij ik ook denk aan de mogelijkheid van een beschermingsmaatregel. Weliswaar is voor het verkrijgen van een maatregel bij de rechter de medewerking van de ouders niet doorslaggevend – als zij weigerachtig zijn, is dat een probleem – maar voor een onbedreigde opvoeding van het kind is het wel belangrijk om, als dat kan, de ouders bij die opvoeding te betrekken en om die betrokkenheid zo groot mogelijk te maken. Om die reden is de raad in de praktijk terughoudend met het onaangekondigde bezoek en wil de raad niet te snel van dat middel gebruikmaken. De raad doet dat in ieder geval niet standaard. Dat zou de effectiviteit van het werk in heel veel situaties, waarin dat middel dus niet voor de hand ligt, eerder schaden dan goed doen.

Naar aanleiding van de inbreng van de heer Çörüz in het algemeen overleg heb ik, zoals bekend, de raad gevraagd om na te gaan in hoeverre de uitvoeringspraktijk gebaat zou zijn bij een eigen binnentredingsbevoegdheid. Die consultatie is nog niet afgerond.

Met zijn motie vraagt de heer Çörüz nu om in dat kader te onderzoeken in hoeverre het onaangekondigde bezoek leidt tot betere informatie over de thuissituatie. Het gaat dan met name om het eerste bezoek. Daarop heeft ook de motie van mevrouw Dezentjé Hamming betrekking. Bij de discussie daarover moeten wij wel goed nagaan wat deze mogelijkheid betekent voor de werkwijze van de raad. Daarover heb ik zojuist het een en ander gezegd.

Ook van de kant van de raad is al eerder aangegeven dat er goede redenen zijn om in ieder geval niet in alle gevallen een onaangekondigd huisbezoek aan een gezin te brengen. Ik wil dat illustreren. Wij moeten niet onderschatten hoe groot de impact is van een onaangekondigd huisbezoek. De raad heeft nu al vaak de reputatie van een boeman die de kinderen weghaalt. Voor ouders en kinderen kan het optreden van de raad enorme angstgevoelens teweegbrengen, terwijl uit de ervaring blijkt dat het voor die raad van belang is om met de ouders in gesprek te blijven. Dan zijn namelijk de beste resultaten te boeken.

Dit geldt temeer als wij straks de gronden voor de ondertoezichtstelling gaan verruimen. Daardoor kunnen dan ook in relatief lichtere gevallen, bij minder ernstige zaken, maatregelen worden getroffen en dan zou een onaangekondigd huisbezoek al gauw buitenproportioneel kunnen zijn. Ik breng dit de heer Çörüz en de andere ondertekenaars van de motie onder de aandacht en geef een voorbeeld.

Er zijn via de school aanwijzingen dat een meisje via internet allerlei dubieuze contacten met mannen aangaat. Bureau Jeugdzorg ontmoet ontkennende ouders. Die ouders zien geen probleem, maar Bureau Jeugdzorg schakelt de raad in, omdat die met meer gezag kan spreken. In zo'n geval zal de raad op een normale manier met de ouders contact willen en moeten kunnen hebben. In dergelijke gevallen kon de raad wel met de ouders indringend spreken en actie in gang zetten. Dan fungeert de raad dus als een soort breekijzer om de hulp binnen het gezin te krijgen, zonder dat meteen een maatregel hoeft te worden gerekestreerd. Als in de motie wordt gevraagd om op basis van dossieronderzoek na te gaan wat aangewezen situaties zijn om onaangekondigd binnen te komen, lijkt mij dat goed. Dat sluit namelijk aan bij datgene wat nodig is om wat dit betreft verder te komen. De heer Çörüz heeft hierover in het overleg gezegd dat vaak eerst een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken en dat kort daarna een uithuisplaatsing plaatsvindt. Ik zal de raad vragen om op basis van dossieronderzoek na te gaan in welke concrete gevallen uitsluitend om ondertoezichtstelling werd gevraagd en het kind korte tijd later door het Bureau Jeugdzorg uit huis moest worden geplaatst. Dat kan nuttige informatie opleveren over de typen situaties waarover wij nu spreken. Daarnaast ben ik bereid om de raad te vragen in kaart te brengen op basis van welke criteria het eerste bezoek het best onaangekondigd kan plaatsvinden. Op basis daarvan zou daarvoor landelijk beleid kunnen worden ontwikkeld.

De motie gaat een stapje verder. Daarin wordt namelijk gevraagd om een pilot te doen die inhoudt dat in ieder geval in honderd gevallen het eerste bezoek onaangekondigd plaatsvindt. Ik verzoek de heer Çörüz om dat element uit zijn motie te schrappen. Dat zou namelijk in een aantal van die gevallen tot schade kunnen leiden en dat hebben wij niet voor ogen als wij spreken van een zorgvuldige procedure voor beschermingsmaatregelen. Ik hoop dat ik de heer Çörüz met de gedane toezeggingen in voldoende mate tegemoet kom.

De heer Çörüz (CDA):

De raad is geen hulpverlener, zoals de minister dat stelt. Hij is een toezichthouder: een soort civiel OM. Elke willekeurige toezichthouder kan onaangekondigd ergens binnen komen. Zodra het om kinderen gaat, maken wij er weer allerlei bewegingen omheen. Er worden duizenden raadsonderzoeken gedaan. Waarom is het dan zo moeilijk om er honderd situaties uit te lichten om onaangekondigd te werk te gaan? Dan komt er ook vergelijkingsmateriaal. In het eerste gedeelte wordt natuurlijk achterom gekeken. Wij hebben geen getallen om dat kenbaar te maken. De minister heeft het voorbeeld van internet gegeven. Daar zal dat natuurlijk niet spelen. De mensen van de raad zijn professioneel genoeg om dat te weten. Er zijn dertien regio's en een behoorlijk aantal teams. Kunnen wij dan niet honderd dossiers bij de hand nemen en in die gevallen het eerste huisbezoek onaangekondigd doen? Volgens mij is dat niet veel gevraagd.

De voorzitter:

Wij hebben te maken met een VAO. De standpunten zijn dus in het algemeen overleg al uitvoerig met elkaar gewisseld. Ik verzoek de minister en de Kamerleden dan ook om zich zo veel mogelijk te beperken tot de ingediende moties.

Minister Rouvoet:

Ik denk dat de heer Çörüz en ik ongeveer hetzelfde voor ogen hebben. Wij vragen ons allebei af of wij situaties kunnen beschrijven waarin naar verwachting het meeste succes wordt geboekt met een onaangekondigd huisbezoek. Vandaar dat ik heb gezegd dat ik de raad graag vraag te omschrijven in welke typen situaties dat het beste mogelijk is. Naar mijn idee wil de heer Çörüz ook niet dat wij tegen de raad zeggen dat hij de eerstvolgende honderd zaken moet nemen, ongeacht of het situaties betreft die vergelijkbaar zijn met de situatie die ik noemde. Ik doel op het voorbeeld van internet. Als men in een dergelijke situatie onaangekondigd binnen ging, zou dat contraproductief werken. Als dat met een pilot wordt bedoeld, stel ik voor om de raad eerst te vragen te definiëren in welke typen situaties daarmee resultaat zou kunnen worden geboekt. Als wij over die gegevens beschikken, ben ik bereid om de raad te vragen dat inderdaad in honderd vergelijkbare situaties te doen. Daarmee kom ik naar mijn idee materieel tegemoet aan de inhoud van de motie.

Mevrouw Dezentjé Hamming (VVD):

Ik betreur het dat de minister toch niet een stapje verder gaat. Laten wij eerlijk zijn. In dit soort ernstige situaties treft men de kinderen niet in de bezemkast aan als er vooraf een afspraak wordt gemaakt. En dat gebeurt toch maar al te vaak. Waarom wordt er dan niet voor gekozen om het beleid nu aan te passen door een paar keer per jaar een dergelijk onaangekondigd bezoek vast in te voeren? De minister kan natuurlijk later nagaan wat er moet gebeuren, in welke situatie en wanneer, maar waarom zet hij niet nu al een stap?

Minister Rouvoet:

Ik ben zojuist tegemoetgekomen aan de wens van de heer Çörüz.

Mevrouw Dezentjé Hamming (VVD):

Nu nog mijn wens.

Minister Rouvoet:

Ja. Mevrouw Dezentjé Hamming ging met haar motie inderdaad nog een stap verder. Ik meen dat zij in ieder geval twee keer een onaangekondigd bezoek wil. In ieder geval het eerste huisbezoek zou onaangekondigd moeten plaatsvinden. Ik begrijp wel de emoties en de gevoelens waaruit dit voortkomt, de schrijnende voorbeelden die wij allen kennen. Tegelijkertijd weten wij niet hoe vaak dat op de willekeurig honderd zaken voorkomt. De raad vreest dat in die minder ernstige situaties een onaangekondigd huisbezoek juist schadelijk kan werken bij de uitvoering van een effectieve jeugdbeschermingsmaatregel. Tegen die achtergrond moet ik aanvaarding van de motie van mevrouw Dezentjé Hamming op nr. 29 ontraden. De motie-Çörüz c.s., nr. 27, wil ik wel positief tegemoet treden. Ik heb mijn toezegging gedaan over de dossierinformatie en ik heb toegezegd ten aanzien van de voorbereiding van een pilot in honderd zaken eerst criteria op te vragen voor verschillende typen situaties. Als ik de motie zo mag verstaan, ga ik ermee akkoord. Misschien moet ik het dictum nog eens goed bekijken, zodat er geen misverstand kan bestaan over wat ik toezeg.

De heer Çörüz (CDA):

Voor de duidelijkheid: ik wil beide. Ik wil een pilot in honderd zaken, waarbij het gaat om ernstige zaken als mishandeling, en ik wil een onderzoek op dossierniveau.

Minister Rouvoet:

Mijn eerste toezegging betreft het doorlichten van dossiers, waarbij het gaat om de uithuisplaatsing kort na de ondertoezichtstelling. Mijn tweede toezegging betreft de pilot. Wij zijn het er met elkaar over eens dat je eerst moet weten in wat voor type situatie dat in ieder geval goed is. Daar gaan wij de raad over consulteren. Wanneer dat omschreven is, zal dat in honderd zaken worden toegepast.

De heer Çörüz heeft een motie ingediend over de flex-ots, waarin hij mij vraagt de overwegingen uit deze motie nadrukkelijk in het wetgevingstraject kinderbeschermingsmaatregelen in te passen. Ik vind met de heer Çörüz dat de ondertoezichtstelling niet automatisch voor de duur van één jaar moet worden opgelegd. Wij hebben erover gesproken dat het niet nodig is. Het kan korter. In de praktijk gebeurt het vaak standaard één jaar. Meer maatwerk is dus echt nodig, zowel wat type maatregel als wat de duur betreft. Bij maatwerk denk ik eerder aan korterdurende ondertoezichtstellingen dan aan langerdurende. Een deel van de overwegingen die mevrouw Langkamp gaf zijn ook de mijne. Ik ben wat huiverig voor het zo maar introduceren van de mogelijkheid van langerdurende ondertoezichtstellingen, omdat het de deuren openzet naar langdurige trajecten zonder tussentijdse verantwoording. Ik ben echter graag bereid aan het verzoek in de motie te voldoen. Vervolgens kan bij de behandeling van het wetsvoorstel de discussie over de flex-ots gevoerd worden.

Mevrouw Langkamp heeft een motie ingediend waarin zij de regering verzoekt, de wetgeving aan te passen op het punt van de beslissing door de kinderrechter over het al dan niet verlengen van een ondertoezichtstelling of een uithuisplaatsing. Een besluit over een uithuisplaatsing moet evenals een besluit over een ondertoezichtstelling altijd heel zorgvuldig worden genomen. Voor het kind zijn stabiliteit en continuïteit heel belangrijk. Om die reden zal in het wetsvoorstel dat ik in voorbereiding heb de huidige toetsende taak van de Raad voor de Kinderbescherming bij beëindiging van de uithuisplaatsing worden aangescherpt. Een kind mag dan pas worden verplaatst nadat de raad toestemming heeft gegeven. Dat in plaats van de raad de rechter die toestemming zou moeten geven, is ook een optie. Daarvoor is tot nu toe niet gekozen, omdat die procedure omslachtiger is. Principieel verzet zich niet zo veel daartegen. Ik laat het oordeel over deze motie aan de Kamer. Ik zal de uitkomst daarvan graag betrekken bij het wetgevingstraject.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik heb nog een vraag over de motie van de heer Çörüz. De minister zegt dat hij eerder een kortere ots zou willen dan een langere ots, zoals de heer Çörüz die voorstaat. Hij zegt echter ook er geen bezwaar tegen te hebben om de overwegingen te betrekken bij het wetstraject. Wat is nu het uiteindelijke oordeel over deze motie?

Minister Rouvoet:

Ik heb gezegd dat ik deze motie kan uitvoeren. Daarin wordt van mij gevraagd om de overwegingen rond een meer flexibele ondertoezichtstelling uitdrukkelijk te betrekken bij het wetstraject. Dat verschaft de Kamer de gelegenheid om, als ik mijn beslissingen uiteindelijk in de vorm van een wetsvoorstel naar de Raad van State stuur, te bezien wat die overweging heeft opgeleverd. Dan zal daar het debat over kunnen plaatsvinden.

De voorzitter:

Bedoelt u dat u het oordeel van de motie aan de Kamer overlaat? Of vindt u de motie een ondersteuning van beleid?

Minister Rouvoet:

Ik kan de motie uitvoeren.

De voorzitter:

Betekent dit dat de indiener de motie intrekt?

De heer Çörüz (CDA):

Nee.

De voorzitter:

Dan kan de minister zijn betoog vervolgen.

Minister Rouvoet:

In de motie van de heer Voordewind wordt de regering verzocht na te gaan of naast de geschetste trajecten nadere inspanningen nodig zijn om te komen tot een meer objectieve en verifieerbare motivering door gezinsvoogden van een verzoek tot omzetting van een ots in een uithuisplaatsing en de Kamer daarover voor de zomer te informeren. Ik kan het van harte eens zijn met de oproep van de heer Voordewind dat zorgvuldig moet worden overwogen wat in het belang van het kind is. Dat betekent niet alleen dat degene die beoordeelt professioneel handelt. Daar heb ik veel vertrouwen in. Het betekent ook dat vanuit diverse disciplines wordt bezien wat de juiste handelwijze is. Instrumenten helpen bij het objectiveerbaar maken van besluiten, maar de onderzoeksresultaten moeten altijd geïnterpreteerd worden door de mens. Dat blijft toch lastig voor de individuele hulpverlener, beslisser of gezinsvoogd. Dat je bij ingrijpende beslissingen anderen consulteert, vind ik evident. Dat gebeurt in de praktijk dan ook nagenoeg altijd, zo heb ik mij laten informeren. In de nabije toekomst zullen lopende trajecten, waarvan de heer Voordewind er een aantal heeft genoemd, dat nog versterken. Ik noem de Deltamethode, een werkwijze voor gezinsvoogdijwerkers, die overigens voor het einde van dit jaar overal in het land zal zijn ingevoerd, waarbij een voorstel van een gezinsvoogdijwerker om een kind uit huis te plaatsen wordt ondersteund door de uitkomsten van een systematische risicoanalyse – dat zit daarin – en wordt voorgelegd en besproken in een multidisciplinair team. Met de nieuwe kinderbeschermingswetgeving voor een besluit tot uithuisplaatsing van de gezinsvoogdij zal altijd een machtiging van de kinderrechter nodig zijn. Dat is althans het voorstel dat daarin is opgenomen. Met die wetswijziging wordt dus een extra toets door de kinderrechter op het voornemen tot een uithuisplaatsing gewaarborgd. Niettemin, gelet op de noodzaak van grote zorgvuldigheid ben ik graag bereid om vanuit het perspectief van de motie van de heer Voordewind te laten nagaan of met de maatregelen die wij in gang hebben gezet of gaan zetten voldoende objectief en geverifieerd wordt besloten tot uithuisplaatsingen. Ik zal de Kamer daarover uiteraard graag nader berichten.

Dan ga ik in op de motie van mevrouw Agema. Zij verzoekt de regering om te onderzoeken of de maximale doorlooptijd bij AMK's korter kan zijn dan acht weken en de Kamer daarover te informeren. Ik heb daarover een- en andermaal mijn mening gegeven. Wij maken al een hele slag als wij de huidige dertien weken doorlooptijd weten terug te brengen tot acht weken. Dat vergt een heleboel van de AMK's. En dat niet alleen, naast snelheid en voortgang in het proces zijn zorgvuldigheid bij de beoordeling van meldingen en het doen van onderzoek van belang. Ik wil het aannemen van deze motie daarom echt ontraden.

De heer Çörüz (CDA):

Ik heb de minister nog niet gehoord over de motie-Dezentjé Hamming. Hij zei dat de motie ver ging, maar hij gaf geen oordeel.

Minister Rouvoet:

Ik heb het aannemen van deze motie ontraden omdat deze motie nog een stap verder ging.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor de antwoorden. Over de moties zal volgende week dinsdag worden gestemd.

De vergadering wordt enkele minuten geschorst.