Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2010-2011nr. 27, item 9

9 Waterwet/Waterschapswet

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Waterwet en de Waterschapswet en intrekking van de wet van 18 december 1985, houdende enige voorzieningen ten behoeve van de inzet en bekostiging van muskusrattenvangers, tot regeling van de zorgplicht voor de muskusrattenbestrijding en van financiële bijdragen aan verbetering van primaire waterkeringen van de waterschappen (32474).

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van harte welkom in de Eerste Kamer.

De beraadslaging wordt geopend.

De heer Tiesinga (CDA):

Mijnheer de voorzitter. In januari 2011 behandelden we in commissieverband voor de eerste keer de Spoedwet 100 miljoen euro. De memorie van antwoord naar aanleiding van dit voorbereidend onderzoek was niet bevredigend. Enerzijds gaf deze geen antwoord op de vraag waarom de spoedwet als element van een bredere ontwikkeling, actie Storm, reeds gecodificeerd moest worden. Anderzijds waren veel antwoorden van procedurele aard en werd daarin verwezen naar akkoorden die in voorbereiding waren dan wel afhankelijk waren van adviezen van commissies die nog moesten bevallen van hun rapportage.

De CDA-fractie is blij dat met het toegestuurde Bestuursakkoord Water een bredere, integrale behandeling van de spoedwet mogelijk is. We gaan er vanuit dat het Bestuursakkoord Water binnen het kader van de spoedwet bespreekbaar is, omdat de inhoud van deze wet daarin opgenomen is. Na een algemene reactie op het Bestuursakkoord Water richten we ons, voor zover relevant, op enkele van de opeenvolgende hoofdstukken.

Het is een knap staaltje werk om in een relatief korte periode het Bestuursakkoord Water, naast vier andere deelakkoorden en het hoofdlijnenakkoord, uit te onderhandelen en ondertekend te krijgen door het Rijk, het IPO, de VNG, de Unie van Waterschappen en de Vewin. De CDA-fractie feliciteert de staatssecretaris hiermee. Na een periode van landjepik is het nodig om duidelijkheid te verschaffen over wie ergens wel of niet over gaat. De CDA-fractie is voorstander van decentralisatie om het bestuur zo dicht mogelijk bij de burger te houden c.q. te brengen. Dat ontslaat ons echter niet van de plicht om de eenheid in ons gedecentraliseerde-eenheidsbestuur te bewaken en om aandacht te schenken aan efficiëntie en doeltreffendheid. Wij herkennen deze aspecten in het voorliggende bestuursakkoord en dat stemt ons tevreden.

De CDA-fractie beklemtoont dat dit bestuursakkoord goed laat zien dat het Huis van Thorbecke drie bestuurslagen en vier bestuursorganen kent. De lokale bestuurslaag is gesplitst in een territoriaal deel, de gemeente, en een functioneel deel, het waterschap, met ieder hun eigen taak en begrenzing. Het Bestuurakkoord Water legt bij deze partners een grote verantwoordelijkheid neer wat betreft efficiëntie en effectiviteit.

In het Bestuursakkoord Water worden, als ik het goed geteld heb, ongeveer 50 vervolgacties genoemd die voor het merendeel in 2011 en 2012 uitgewerkt moeten worden. Is de staatssecretaris met ons van opvatting dat het Bestuursakkoord Water daardoor deels een intentieverklaring is? Welke maatregelen heeft hij in petto als deze intenties niet tot resultaten leiden?

Het Bestuursakkoord Water incorporeert een heel aantal onderdelen van ons waterbeleid, zoals het Nationaal Bestuursakkoord Water uit 2003, het stroomgebiedbeheerplan van de Kaderrichtlijn Water, het OverstromingsRisicoBeheerPlan van de Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR) en het Bestuursakkoord Waterketen. Daarnaast richt het de planvorming in en stemt het deze af met de in wording zijnde Deltawet. Deze integrale aanpak werkt verhelderend, en dat is winst. De CDA-fractie vreest echter dat deze winst gemakkelijk kan verdampen als deze waterwetgeving geïntegreerd wordt met het in het hoofdlijnenakkoord aangekondigde, nieuwe stelsel van het omgevingsrecht. Graag horen we de opvatting van de staatssecretaris hierover.

Met betrekking tot een beheersbaar programma voor de waterkeringen heeft het kabinet gebruik gemaakt van de analyse en aanbevelingen van de taskforce Ten Heuvelhof. Daartoe zijn op acht punten systeemaanpassingen voorgesteld en afspraken gemaakt en vastgelegd in dit Bestuursakkoord Water. Het is verstandig om meer stabiliteit in het systeem aan te brengen wat betreft structuur, processen en organisatie en governance, in het bijzonder door meer gezamenlijke verantwoordelijkheid van Rijk en waterschappen en door de verlenging van de toetsfrequentie.

De CDA-fractie heeft echter de volgende vragen, waarop we graag een reactie horen van de staatsecretaris. 1. Wat wordt bedoeld met de zinsnede: "Hiermee wordt een perspectief neergezet waarin op den duur de aanleg, verbetering, onderhoud en financiering van de primaire waterkeringen die niet in beheer van het Rijk zijn, geheel voor rekening komen van de waterschappen?" Wanneer is op den duur? 2. Hoe wordt het uitgangspunt georganiseerd dat er geen onevenwichtige verschuiving van de lokale lasten optreedt, vooral in gebieden met veel primaire waterkering en relatief weinig inwoners? 3. Wat is de reactie van de staatssecretaris op de aanbeveling van de taskforce om de spoedwet achterwege te laten en de afspraken in het bestuursakkoord te verankeren? Dat is nu toch feitelijk het geval?

Een volgend thema is het doelmatig beheer van de waterketen c.q. de afvalwaterketen. In financiële zin zijn de te verwachten revenuen door een centralere aansturing van de waterketen de contramal van de extra uitgaven voor het Hoogwaterbeschermingsprogramma door de regionale waterbeheerders, de kern uit het aanvankelijke actieplan Storm die eenzijdig opgenomen is in deze spoedwet. Het is dus zaak om deze twee ontwikkelingen zo goed mogelijk gelijk op te laten lopen.

Volgens het Bestuursakkoord Water is dat een verantwoordelijkheid voor de regio. Ik citeer het akkoord: "de regio's zijn nu aan zet om invulling te geven aan de afspraken in dit bestuursakkoord!" Het akkoord meldt ook dat belemmeringen daartoe in 2011 geïnventariseerd worden en dat zo nodig in 2012 wetgeving ter voorkoming van belemmeringen wordt voorbereid, die dan in 2013 in procedure gebracht zal worden. De CDA-fractie vraagt of de staatssecretaris, rekening houdend met ervaringen uit het verleden, van mening is dat deze vrijblijvendheid de gewenste resultaten zal opleveren. Moet er niet eerder een stok achter de deur staan voor onwillige partners, om suboptimalisatie te voorkomen?

Wij zijn het eens met de acties tot het behalen doelmatigheidswinst door het slim combineren van werkzaamheden. Gepleit wordt onder andere voor samenwerking op het gebied van vergunningverlening en handhaving door Rijkswaterstaat en de waterschappen. In de volksmond wordt al over RUD's-nat gesproken. Wij vragen de staatssecretaris hoe hij deze ontwikkeling plaatst ten opzichte van wat ik nu maar even de RUD's-droog noem.

Als laatste onderwerp het waterschapsbestuur. Als institutioneel onderwerp is dit een beetje een vreemde eend in de bijt, maar ook als we lezen dat hierover door partijen geen overeenstemming bereikt is. Waarom moet dit onderwerp dan in dit akkoord worden opgenomen? Nu het echter toch is opgenomen, legitimeert het onze fractie daarover een aantal opmerkingen te maken. Allereerst constateren we dat het desbetreffende wetsvoorstel "beleidsarm" zal worden vormgegeven. Dat betekent dat het systeem van geborgde zetels en het lijstenstelsel zal blijven bestaan en dat het verkiezingsstelsel voor waterschapsbesturen vooralsnog blijft geregeld in de Waterschapswet. Bij de behandeling van die wet in deze Kamer is toen uitgebreid stilgestaan bij artikel 4 van de Grondwet in relatie tot de geborgde zetels.

In het advies van de Commissie van Advies inzake de Waterstaatswetgeving van april 2009 daarna, getiteld Belangenrepresentatie in het Waterschapsbestuur, concludeert de commissie op basis van de tekst van artikel 4 van de Grondwet, zijn geschiedenis en de staatsrechtelijke literatuur dat dit artikel niet van toepassing is op het functioneel bestuur, het waterschapsbestuur. Met andere woorden, geborgde of gereserveerde belangenzetels – we kunnen het ook kwaliteitszetels noemen – zijn in het functionele bestuur toegestaan.

Nu wordt voorgesteld dit bestuur indirect te kiezen via de gemeenteraden in het desbetreffende waterschapsgebied. De Unie van Waterschappen heeft de staatssecretaris schriftelijk kenbaar gemaakt – we kunnen het ook in dit bestuursakkoord lezen – dat zij voor directe verkiezingen van de categorie ingezetenen zijn. Zij weten zich daarbij gesteund door een stevige onderbouwing in een advies van prof. mr. Elzinga en inmiddels ook door LTO Nederland.

De CDA-fractie vraagt de staatssecretaris in overweging te nemen, alvorens de directe verkiezingen af te schaffen, eenmaal de verkiezingen van gemeentebestuur en waterschapsbestuur gelijktijdig te houden als "de dag van de lokale overheid". Het sluit aan bij de geest van het bestuursakkoord. Daarna kan via een evaluatie worden besloten of we daadwerkelijk terug moeten naar indirecte verkiezingen, zoals in het regeerakkoord is vastgelegd.

De CDA-fractie heeft de staatssecretaris gefeliciteerd met dit bestuursakkoord, heeft een aantal algemene opmerkingen gemaakt en is op onderdelen dieper op de materie ingegaan. Zij wacht met belangstelling de reactie van de staatssecretaris af.

De heer Schaap (VVD):

Ik heb een vraag, of misschien wel een punt van zorg. Het bestuursakkoord is zeer gericht op de inhoud en een aantal slagen die met die inhoud te maken hebben, zoals efficiency. Er is ook iets in opgenomen over verkiezingen. Bent u niet bang dat de hele focus op inhoud verloren gaat als we het systeem van directe verkiezingen weer introduceren? Bent u niet bang dat de zaak zich weer helemaal toespitst op een stelseldiscussie? Ik herinner me nog maar al te best de vorige verkiezingen. Die hele week kwam er alleen maar cynisme uit het land. Het ging alleen nog maar over het voortbestaan van de waterschappen en niet meer over bestuur of inhoud. Bent u niet bang dat dit, door het opnieuw aan te durven, weer een stelseldiscussie oplevert, terwijl het net een beetje van de baan was?

De heer Tiesinga (CDA):

Er is wetgeving met betrekking tot de verkiezingen die in aantocht zijn. Een hoofdstuk in het bestuursakkoord is hieraan gewijd. Dat betekent dat het niet weer door de CDA-fractie of deze Kamer ter discussie wordt gesteld, maar door de regering. Het ligt dus sowieso op tafel en we zullen erover moeten spreken.

De heer Schaap (VVD):

Het bestuursakkoord is vrij helder. Er staat een noot in van de Unie van Waterschappen. Ik ken de discussie die in de achterban wordt gevoerd ook wel. U rakelt nu zelf eigenlijk ook weer een beetje deze discussie op. Bent u dan niet bang voor het onheil van weer een stelseldiscussie?

De heer Tiesinga (CDA):

Nee, ik ben niet bang voor het onheil van een stelseldiscussie. We hebben nog maar eenmaal een verkiezing gehad op een manier die door het parlement via wetgeving is vastgelegd. Het verzoek aan de staatssecretaris is, in overweging te nemen of er al voldoende informatie en ervaring is om nu al weer te wijzigen.

De heer Koffeman (PvdD):

Voorzitter. De bestrijding van muskus- en beverratten is onnodig kostbaar, ineffectief en wreed. Het is onbegrijpelijk hoe een complete bestrijdingssector in het leven geroepen kon worden naar aanleiding van een door de bontfokkerij veroorzaakt probleem. We mogen niet vergeten dat de huidige populaties in ons land een erfenis zijn van bontfokkers, die dieren hebben vrijgelaten nadat hun bedrijfsvoering niet langer rendabel bleek. Het is goed dat hier en nu te memoreren omdat de bontfokkerij zich keer op keer als slachtoffer presenteert, terwijl keer op keer blijkt dat de sector vooral slachtoffers maakt.

Nu niet meer de bestrijding van muskusratten het uitgangspunt zal vormen, maar het beschermen van dijken, zal er een fundamenteel ander beleid moeten worden gevoerd met betrekking tot de middelen die nu worden uitgetrokken voor de bestrijding van muskusratten. Kan de staatssecretaris uiteenzetten hoe de overgang van dit beleidsonderdeel naar de waterschappen in zijn werk zal gaan, op het gebied van de aanstelling en de financiering van muskusrattenbestrijders?

Een reactie op de motie van de Tweede Kamerfractie van de Partij voor de Dieren, waarin de regering werd verzocht op korte termijn een onderzoek te starten naar de effecten van de bestrijding van muskus- en beverratten op de veiligheid van waterstaatswerken en de schade aan oevers, schrijft de staatssecretaris dat sinds 2005 meer onderzoek is uitgevoerd en dat een veldproef wordt overwogen. De staatssecretaris ziet daarom geen reden om zelf een onderzoek te starten. Allereerst heeft de Partij voor de Dieren de staatssecretaris erop gewezen dat er sinds 1990 geen veldproef meer is gedaan. Er zijn weliswaar verschillende alternatieve en preventieve maatregelen ontwikkeld, maar juist het uitblijven van onderzoek heeft ertoe geleid dat deze maatregelen veel te weinig worden gebruikt. Het belang en het nut van een veldproef met betrekking tot de effecten van de bestrijding van muskusratten worden door alle betrokkenen onderschreven. Deelt de staatssecretaris daarom de mening dat het zinvol is als de veldproef plaatsvindt met onderlinge afstemming tussen de partijen? Zo ja, is hij dan bereid hierin een ondersteunende en faciliterende rol te spelen? Op welke manier en op welke termijn is hij daartoe bereid? Zo nee, waarom niet?

De leden van de Tweede Kamerfractie van de Partij voor de Dieren hebben erop gewezen dat er in de aangenomen motie duidelijk wordt gevraagd een onderzoek te starten. Daarbij is aangetekend dat er bij een dergelijk onderzoek in elk geval de populatieontwikkeling in kaart moet worden gebracht. In de praktijk betekent dit een veldproef. Ook wanneer een andere bestuurslaag van de rijksoverheid een dergelijk onderzoek start, kan dit worden gezien als een uitvoering van de motie, maar dan moet de proef wel op korte termijn worden uitgevoerd. Bovendien moet worden voldaan aan de omschrijving zoals die in het dictum van de motie is geformuleerd, zoals het in kaart brengen van de populatieontwikkeling. Kan de staatssecretaris toezeggen dat hij het in de Tweede Kamer gevraagde onderzoek zelf zal starten of er zorg voor zal dragen dat een andere bestuurslaag, in overleg met het ministerie, dit op korte termijn uitvoert, conform het verzoek in de motie? Mogen we ervan uitgaan dat het ministerie in dat laatste geval een faciliterende en ondersteunende rol op zich zal nemen? Is de staatssecretaris bereid de Eerste Kamer inzicht te bieden in de opzet van het experiment?

Gedegen onderzoek is ook in het belang van de uitvoering van de motie over een verbod op dieronvriendelijke verdrinkingsvallen. De staatssecretaris heeft in de Tweede Kamer aangegeven dat er pas sprake kan zijn van een verbod als er een alternatief is. Daar wordt in de motie ook om gevraagd. De leden van de Partij voor de Dieren hebben aangegeven hier goede mogelijkheden voor te zien, gelet op de aankondiging van de provincie Zuid-Holland, in 2009 al, dat zij stopt met het gebruiken van verdrinkingsvallen, omdat zij alternatieven voor handen heeft. Kan de staatssecretaris aangeven of en hoe hij uitvoering wil geven aan die motie? Hoe beoordeelt hij de alternatieven van de provincie Zuid-Holland?

De Partij voor de Dieren vindt iedere vorm van muskusrattenbestrijding onnodig, duur en dieronvriendelijk. We worden graag geïnformeerd over de voortgang rond de uitvoering van de Tweede Kamermotie waarin wordt gevraagd om preventieve maatregelen tegen muskusrattengraverij, waarbij rekening wordt gehouden met het ontwerp en de aanleg van waterkeringen en het groot onderhoud aan bestaande waterkeringen. Kan de staatssecretaris die toezegging doen?

Kan de staatssecretaris ook helder aangeven wanneer de testfase naar een diervriendelijker vangmethode voor muskusratten, gasdoding, als alternatief voltooid zal zijn? Is hij bereid de Kamer hierover op de hoogte te houden? Kan hij bevestigen dat er geen empirisch vastgestelde relatie is tussen de populatieomvang van muskusratten en het optreden van schade? Zo ja, op basis van welke onafhankelijke wetenschappelijke informatie stelt de staatssecretaris dat preventieve maatregelen onvoldoende effect zouden hebben? Zo nee, waarop baseert de staatssecretaris zich dan?

De staatssecretaris heeft per brief aan de Tweede Kamer laten weten de ingediende motie die de muskusratten bescherming biedt ook onder de aandacht te brengen van LTO Nederland, aangezien niet alleen Rijkswaterstaat maar ook de primaire sector wordt geconfronteerd met de gevolgen van een onevenredig groot aantal muskusratten bij watergangen. Ik citeer hier de staatssecretaris. Kan de staatssecretaris aangeven wat die verstaat onder een onevenredig groot aantal muskusratten? Hoeveel is dat? Is de staatssecretaris met mij van mening dat sprake is van een onevenredig grote besteding van geld uit rijksmiddelen om ongemakken voor de primaire sector weg te nemen? Het is toch de private verantwoordelijkheid van elke burger om zijn gazon in de gewenste conditie te houden? Geldt dat ook niet voor iedereen die actief is in de primaire sector bij het onderhoud van zijn slootkanten? Kan de staatssecretaris aangeven hoeveel er in het afgelopen jaar is uitgegeven aan de bestrijding van muskusratten? Hoeveel kost de dood van één muskusrat? Hoeveel van de gemaakte uitgaven hangen daadwerkelijk samen met de verdediging van essentiële waterkeringen? Hoeveel van de gemaakte kosten hangen samen met, zoals de staatssecretaris het noemt, de bestrijding van ongemakken voor de primaire sector? Wij hebben het dan over het heel houden van slootkanten en taluds die op geen enkele wijze essentieel te noemen zijn voor onze primaire waterkeringen. Of ziet de staatssecretaris dat anders? Graag een reactie van de staatssecretaris.

De heer Slager (SP):

Voorzitter. Het toeval wil dat mijn huis gebouwd is in de voet van het binnentalud van een primaire waterkering. Mijn buurman, die 300 meter verder bovenop de zeedijk woont, is een gepensioneerde muskusrattenvanger. Nog weer 100 meter verder werd dit voorjaar de kwaliteit van de zeedijk getest met een zogenaamde golfoverslagsimulator. Die test heeft bij mij twijfels opgeroepen over de verbeteringen die in de laatste tijd zijn uitgevoerd. Daarover straks meer.

Feit is dat ik in mijn dagelijks leven veelvuldig geconfronteerd wordt met de zaken die in deze spoedwet aan de orde zijn. Dat een goede primaire waterkering van groot belang is, daarvan hoeft niemand mij te overtuigen. Wie februari 1953 heeft meegemaakt in het rampgebied en daarna een paar boeken over die ramp heeft geschreven, is er diep van doordrongen dat betere dijken toen misschien wel veel mensenlevens hadden kunnen redden. De vraag die wat de SP betreft dan ook voorop moet staan, is of met de overdracht aan de waterschappen van de verantwoordelijkheid voor het verbeteren en onderhouden van de primaire waterkeringen, de veiligheid eigenlijk wel gegarandeerd blijft.

Ik ben mij er daarbij van bewust dat deze wetswijziging niet is ingegeven door de behoefte van het kabinet om de veiligheid nog verder te verhogen, maar om te bezuinigen op de rijksuitgaven voor de veiligheid tegen overstromingen. De waterschappen hebben daar heel slim op ingespeeld. Nog maar kort geleden vonden steeds meer partijen dat die als zelfstandig bestuursorgaan beter konden worden opgedoekt en ondergebracht worden bij de provincie.

De Unie van Waterschappen zag de bui al hangen en deed het kabinet toen het aanbod om 100 mln. bij te dragen aan de bezuinigingsoperatie door a. de muskusrattenbestrijding voor eigen rekening te nemen en b. een flink deel van de kosten van het waterveiligheidsprogramma te betalen. Het kabinet nam het aanbod in dank aan. Als beloning wordt met deze wetswijziging het takenpakket van de waterschappen uitgebreid. De provincie is niet langer verantwoordelijk voor de muskusrattenbestrijding. Het Rijk draagt zijn taken op het gebied van aanleg en verbetering van de primaire keringen in de toekomst helemaal over aan de waterschappen. Schuift het Rijk daarmee alle verantwoordelijkheid van zich af? Nee. In het Nationaal Bestuursakkoord Water staat op bladzijde 13 dat het Rijk de normen blijft stellen waaraan de primaire waterkeringen moeten voldoen. Maar de waterschappen zullen zelf toetsen of zij ook aan de normen voldoen. Dat lijkt mij een voorbeeld van de slager die zijn eigen vlees keurt. Ook al beoordeelt het Rijk de resultaten van die toetsing, hoe weet het Rijk dat het waterschap die toetsen goed en nauwgezet uitvoert?

De argwaan die de staatssecretaris ongetwijfeld in deze vraag hoort doorklinken, is ingegeven door de proef met de golfsimulator die ik kortgeleden op mijn eigen primaire kering meemaakte. Bij het testen van het buitentalud met oplopende golven vlak boven de steenglooiing bleken daar na korte tijd al gaten in de grasdijk te vallen. En die gaten onthulden hoe dat kon gebeuren. Vlak onder de weinig florissante grasmat zat niet de dikke kleilaag die daar behoort te liggen. Nee, daar lagen puin en stenen.

Ik ben ter plekke van mijn geloof afvallen dat de dijkbeheerders veel – ik dacht weleens overdreven veel – aandacht besteden aan onze bescherming tegen het water. Want hoe is het nu mogelijk dat het grastalud van een zeedijk, waar nog maar drie jaar geleden een nieuwe steenbekleding op is aangebracht, geen kwalitatief voldoende afdeklaag heeft? Een van de belangrijkste lessen van de ramp van 1953 is toch dat de afdekkende kleilaag minstens een halve meter dik moet zijn, zodat zich daar een goede en dichte grasmat op kan hechten? Helaas hoorde ik na die onthullende proef op de zuidkust van Tholen van twee andere Zeeuwse eilanden, Beveland en Schouwen-Duiveland, dat zich daar dezelfde zaken voortdoen. Geen voldoende dikke afdeklaag van klei dus, maar een mengsel van grond en stenen.

Als uitvoering en toezicht kennelijk al hebben gefaald terwijl de kosten voor 100% door het Rijk werden betaald, dan vrees ik voor de toekomst. Ik heb ergens gelezen dat in 2030 alles, dus niet alleen aanleg, verbetering, beheer en onderhoud, maar ook de financiering, geheel voor rekening komen van de waterschappen. Nu wordt soms wel erg gemakkelijk een verbeteringswerk aangedragen want ach, je kunt alle kosten toch bij het Rijk declareren. Die situatie blijft, zo heb ik begrepen, in feite gehandhaafd tot in 2014. Daarna kan zomaar het tegenovergestelde gebeuren. Wij zijn daar niet gerust op. Wij vinden dat het Rijk niet alleen de normen moet stellen, maar ook moet controleren of het werk volgens die normen wordt uitgevoerd. Pas dan maakt het waar wat het bestuursakkoord pretendeert. Ik citeer: de kwaliteit van het beheer vergroten tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. Wij horen graag van de staatssecretaris of hij bereid is om alsnog de controle op het werk niet langer over te laten aan alleen maar de waterschappen. Ik weet dat in het bestuursakkoord staat dat Rijk en waterschappen voor 1 november van dit jaar een richtlijn uitwerken over de wijze van beoordeling van de waterkeringen. Dan gaat het over de twaalfjaarlijkse toets of de dijken nog wel voldoen. Ook daarbij vinden wij overigens dat het Rijk verder moet gaan dan alleen kaders stellen. Los daarvan zijn wij het principieel oneens met de afspraak in het bestuursakkoord, op bladzijde 19, dat de waterschappen verantwoordelijk zijn voor de toetsing van de keringen. Als je de waterschappen verantwoordelijk maakt voor de uitvoering van aanleg en verbetering, moeten die niet ook verantwoordelijk gemaakt worden voor de toetsing ervan. Of je moet die toetsing op een afdoende manier, en dus niet alleen op papier, controleren. Daarover lees ik echter niets. Wie weet kan de staatssecretaris mij geruststellen.

Wij hebben het al gehad over de financiering, maar nog niet over de vraag wie uiteindelijk de financiën moet gaan opbrengen als die in de toekomst in het geheel voor rekening van de waterschappen komen. Het mag dan waar zijn dat er honderden miljoenen bezuinigd kunnen worden in de afvalwaterketen en dat daarvan een deel gebruikt gaat worden voor de waterveiligheid. Dan nog is niet te ontkomen aan tariefstijgingen als gevolg van deze extra taak van de waterschappen. Zeker omdat wij nog moeten zien of die besparingen op korte termijn allemaal bereikt worden. Hoe het gaat uitpakken, zal pas in de loop van dit jaar blijken. De regering spreekt in het bestuursakkoord al de wens uit dat "de lokale lasten zich gematigd ontwikkelen". "Gematigd" is een mooi, maar helaas nogal vaag begrip. Als het dan ook nog om een wens gaat, moeten wij het ergste vrezen. Kan de staatssecretaris aangeven wat hij maximaal een gematigde tariefsverhoging vindt? Wat voor machtsmiddelen heeft hij als de waterschappen meer willen dan wat in zijn ogen gematigd is?

De SP is overigens content met het plan om de lasten van het waterveiligheidsprogramma te verdelen over alle waterschappen, zodat ook zij die geen primaire keringen hebben, toch meebetalen aan het veilig houden van ons hele land. Met de voorgenomen herziening van het belastingstelsel van de waterschappen wordt gelukkig niet teruggekeerd naar het middeleeuwse uitgangspunt "elc sinen dike", dat al voor zo veel rampspoed heeft gezorgd. Toch – zo begrijp ik – worden niet alle kosten gelijk verdeeld, omdat er een zogeheten "efficiencyprikkel" nodig is voor de waterschappen met primaire keringen. Ik kan me daar wel iets bij voorstellen, maar dat heeft dan wel tot gevolg dat de bewoners van de waterschappen met vele primaire keringen misschien toch extra gaan betalen. Daarom hoor ik graag wat de regering bedoelt met het "evenwichtig verdelen van de lasten onder de bewoners". "Evenwichtig" is alweer zo'n mooi, maar vaag begrip. Wij vinden dat het vertrekpunt moet zijn dat de waterschapslasten in het hele land hetzelfde moeten zijn voor alle bewoners, zodat niet de bewoners uiteindelijk de efficiencyprikkels gaan betalen. Dat lijkt ons dus het meest evenwichtig en solidair. De vraag is, of de staatssecretaris van plan is om daarop in te zetten. En zo niet, waarom niet?

Tot slot de muskusrattenbestrijding. In de memorie van toelichting lees ik dat de bestrijding van die beestjes in het belang is van de waterveiligheid. En ook in zijn recente antwoord op vragen van de SP en de PvdD in de Tweede Kamer over de weinig diervriendelijke manier van vangen, schrijft de staatssecretaris over het gevaar dat ze zouden opleveren voor de waterkeringen. Nu had ik al eens eerder, tijdens een praatje op de dijk van mijn buurman, de oud-rattenvanger, gehoord dat hij nog nooit een muskusrat in een zeedijk was tegengekomen. De veiligheid van onze zeedijken wordt veel meer aangetast door mollen. Bij de proef met de golfsimulator spoot het water via vele mollengaten naar buiten. En kort na de ramp van 1953 bleek uit onderzoek van het Laboratorium voor Grondmechanica dat in het hele rampgebied de zeedijken verzwakt waren, niet door muskusratten, maar door mollengangen. Hoe kan het dat er niet stelselmatig op mollen wordt gejaagd maar dat er wel 400 muskusrattenvangers in touw zijn? Om onze veiligheid tegen het water te garanderen? Ik geloof het helemaal niet.

Omdat ik bezig was met de voorbereiding op de behandeling van dit voorstel tot wetswijziging, kreeg ik van mijn buurman zijn exemplaar van het Handboek Muskusrattenbestrijding te leen. Dit is uitgegeven door het Ministerie van Landbouw en Visserij en komt dus uit onverdachte bron. Ik heb er gefascineerd in zitten lezen. Zo weet ik nu dat de allereerste muskusrat, afkomstig uit Amerika, op 21 mei 1941 – deze week dus exact 70 jaar geleden; wij vieren een jubileum – in ons land werd gesignaleerd en hoe de diertjes zich over het waterrijke deel van ons land hebben verspreid. Ik las in het handboek ook de bevestiging van het verhaal van mijn buurman over het gevaar voor de dijken: "De zware dijken langs de grote rivieren en de kust zijn zo robuust, dat de muskusrat daar weinig kwaad kan doen." En verder: "Tot nu toe is de schade te overzien; een ingestorte slootrand, gekantelde landbouwwerktuigen, koeien met gebroken poten, leeggelopen vijvers en hier en daar een klein doorgebroken dijkje zijn de belangrijkste schadegevallen."

Kortom, zo dacht ik te mogen concluderen, de muskusrat is helemaal geen serieus gevaar voor onze waterveiligheid. Hij zorgt voor heel veel ongemak voor de boeren. Maar dan is de vraag gewettigd of de samenleving daar tientallen miljoenen per jaar voor moet ophoesten en daarbij ook nog eens verantwoordelijk wordt voor de langzame verdrinkingsdood van die diertjes via vangkooien, die de staatssecretaris maar niet wil verbieden. Waarom vindt dit kabinet, dat de terugtredende overheid zo hoog in het vaandel heeft staan, dat bestrijding van muskusratten een overheidstaak is? Nu weet ik wel dat de rijksoverheid de bestrijding vanaf dit jaar niet meer betaalt, maar dat de waterschappen dat gaan doen, maar ook dan draait de burger via de waterschapslasten op voor een boerenprobleem, dat verkocht wordt als veiligheidsrisico voor ons allemaal. En ik vrees dat, zolang de boeren de baas blijven in de waterschappen, dit ook zo zal blijven.

Dat is voor ons een extra reden om de staatssecretaris te vragen om bij de aangekondigde wijziging van de waterschapsverkiezingen een einde te maken aan het verschijnsel van de "geborgde zetel". De staatssecretaris weet dat de SP het waterschap als bestuursorgaan liever ziet verdwijnen, maar nu daar nog geen meerderheid voor is, maak het dan in elk geval democratisch en schaf die "geborgde" extra zetels voor met name boeren en bedrijven af. De regering wil de waterschapsbesturen gaan inkrimpen. Dan ligt het toch voor de hand om dat te doen door die geborgde zetels af te schaffen? Toch blijkt uit het bestuursakkoord dat men dat niet van plan is. Kan de staatssecretaris ons duidelijk maken waarom hij die middeleeuwse relikwieën in de 21ste eeuw wil handhaven? Ik wacht zijn antwoorden met veel belangstelling af.

De heer Van den Berg (SGP):

Voorzitter. Ik voer het woord mede namens de fractie van de ChristenUnie.

Laat ik in de stukken voor de commissie nu net een notitie hebben gezien waarin een voorstel stond om een extra belasting te heffen voor mensen die in de primaire waterkering wonen. Het kan nog wat worden, voorzitter. Ik had het ook nooit verklapt.

Het voorliggende wetsvoorstel, deze spoedwet, is bedoeld als een tijdelijke maatregel. Het is een beproefde wijsheid dat niets zo blijvend is als een tijdelijke maatregel. De beoogde tijdelijkheid is een extra stimulans voor onze fracties om het voorstel zorgvuldig te wegen. Ik wil de staatssecretaris danken voor zijn uitvoerige beantwoording van de vragen van onze fracties. Inmiddels hebben wij het Bestuursakkoord Water toegezonden gekregen. Op een aantal onderdelen hebben wij daarover nog enkele vragen. Die zal ik in mijn bijdrage aan de orde stellen.

De doelstelling van het wetsvoorstel is om op korte termijn een besparingsdoelstelling voor het Rijk van 100 mln. te realiseren. De besparing wordt gerealiseerd door taken over te hevelen naar waterschappen, althans een deel van de financiering van die taken. De waterschappen hebben zich bereid getoond bij te dragen aan de besparingsdoelstelling van het Rijk, maar daar wel voorwaarden aan verbonden. In essentie komen die voorstellen erop neer dat de waterschappen de besparingen per saldo kostenneutraal kunnen realiseren. De kostenneutraliteit moet worden geborgd door waterschappen in staat te stellen hun tarieven voor afvalwater structureel te verlagen. Juist op dit punt bestaat er bij onze fracties de nodige zorg.

Onze zorg betreft niet de vraag of deze besparingen in de afvalwaterketen haalbaar zijn. Inmiddels zijn alle deskundigen – en dat zijn er nogal wat – het erover eens dat voor afvalwater structureel 400 mln. tot 450 mln. kan worden bespaard. Sla het feitenonderzoek van de wateroverheden uit het voorjaar van 2010 er maar op na. Wanneer ik het feitenonderzoek en de daaropvolgende documenten van de koepelorganisaties lees, ontstaat bij mij het beeld dat de besparingen heel dichtbij zijn. Wat nodig is, zijn twee dingen. In de eerste plaats moeten gemeenten en waterschappen op bestuurlijk niveau de handen ineenslaan. Ze moeten een nieuwe invulling geven aan het begrip "regie" in de afvalwaterketen. In de tweede plaats moeten gemeenten en waterschappen op werkniveau hun bedrijfsmatige activiteiten op afstand zetten. Opschalen in zelfstandige afvalentiteiten is het sleutelwoord. Ik stel vast dat, afgerond, 0,5 mld. veel geld is. Toch zie ik het nog steeds niet gebeuren.

De zorg van onze fracties gaat daarom over de vraag of de besparingen er echt gaan komen. Ik begin met de vaststelling dat besparen in de afvalwaterketen niet gemakkelijk is. Dat leid ik onder meer af uit het feit dat de tarieven nog steeds oplopen, zowel voor riolering als voor zuivering. Als besparen voor afvalwater zo gemakkelijk was, was het volgens ons allang gebeurd. Kennelijk is er weerstand. Dat komt vaker voor bij veranderingen, zeker wanneer zowel bestuurders als uitvoerders een stap moeten zetten.

Nu ligt het bestuursakkoord er. Dat is goed nieuws, zo vinden wij. De staatssecretaris en de lagere overheden hebben veel werk verzet. Ik zie dat er belangrijke afspraken zijn gemaakt over de toekomst van het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Ik kom daar straks nog op terug. Het gaat mij nu om de waterketen. Ik heb daar het akkoord op nagelezen. Het is mij opgevallen dat je ver moet doorbladeren voordat je de waterketen tegenkomt in het bestuursakkoord. Ik ga er maar van uit dat dit geen symptoom is voor de bestuurlijke aandacht voor die besparingsmogelijkheden. Het gaat mij om de inhoud van het akkoord. En ik moet zeggen: ik ben daarover niet gerust.

Vanaf het verschijnen van de brief van de unie in het najaar van 2009 tot en met vorig jaar, is duidelijk gesproken over de noodzaak van zelfstandige organisatieonderdelen voor afvalwater met een grotere schaalgrootte dan de afzonderlijke gemeenten. Toch mis ik dat eindbeeld helaas in het akkoord. Daarin wordt gesproken over samenwerking. Dat is vanzelfsprekend, maar er werd al samengewerkt. Dat gebeurde echter helaas zonder het beoogde resultaat. Maar er is meer nodig. Dat meer is een helder gedefinieerd einddoel, met inbegrip van een termijn. Ik sluit mij dan ook aan bij de vele deskundigen die pleiten voor zelfstandige organisatieonderdelen voor afvalwater. Op dit moment voorziet de Waterwet zelfs al in dat doel. Ik verwijs naar artikel 3.8 van de Waterwet, waarin gemeenten en waterschappen worden verplichten te werken aan het zelfstandige beheer van inname, inzameling en zuivering van afvalwater. Wat alleen nog maar ontbreekt, is een duidelijke termijn. Ik lees in het akkoord dat de staatssecretaris straks wetgeving gaat voorbereiden voor de waterketen. Hij wil het wetsvoorstel daarover medio 2012 af hebben. Ik heb daarbij twee vragen, die ik met vertrouwen aan de staatssecretaris stel. Ik ken hem namelijk als iemand met ambitie en daadkracht. Is hij in staat het wetsvoorstel voor de waterketen eerder af te ronden, liefst al in 2011? Mijn tweede vraag is, of hij bereid is om die termijn voor de komst van afvalwaterbedrijven in de wet op te nemen. Ik overweeg hierover een motie in te dienen. Of ik dat doe, zal afhangen van het antwoord van de staatssecretaris.

Ik kom nog terug op het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Dit als tijdelijke maatregel bedoelde wetsvoorstel geeft een verdeelsleutel voor de bijdrage van afzonderlijke waterschappen in dat programma. Kan de staatssecretaris zeggen hoe de definitieve verdeelsleutel eruit zal komen te zien? Verwacht hij dat die zal aansluiten bij deze systematiek? In de nu voorgestelde opzet gaan alle belastingplichtigen voor de watersysteemheffing bijdragen aan de extra taken. Immers, de kosten worden versleuteld via de watersysteemheffing. Blijft dat zo? Gaan de categorieën natuur en ongebouwd ook in de toekomst meebetalen aan het Hoogwaterbeschermingsprogramma?

Ten slotte heb ik een vraag over de verhouding tussen het voorliggende wetsvoorstel en de Deltawet. In de memorie van antwoord geeft de staatssecretaris aan dat de bijdragen van de waterschappen ten goede komen aan het Deltafonds. De vraag van onze fracties is, hoe het zit met de bijdragen van het Rijk in dat fonds. Blijft het Rijk doteren aan dat fonds, ook als het Hoogwaterbeschermingsprogramma in de toekomst mogelijk helemaal voor rekening van de waterschappen komt?

Met grote belangstelling wachten wij het antwoord van de staatssecretaris af.

Mevrouw Meindertsma (PvdA):

Voorzitter. Als ik mij niet vergis, opereert staatssecretaris Atsma vandaag voor het eerst in de Eerste Kamer. Als dat zo is, wens ik hem veel succes toe in dit debat en met zijn ambt. Misschien vergis ik mij echter, want geen van mijn collega's heeft hierover iets gezegd.

De voorzitter:

De staatssecretaris is al eerder in onze Kamer geweest, maar mevrouw Meindertsma mag hem altijd alle succes toewensen.

Mevrouw Meindertsma (PvdA):

Dat mag altijd.

Voorzitter. In dit wetsvoorstel wordt de overdracht van muskusrattenbestrijding van de provincies naar waterschappen geregeld, maar er staat ook een gewijzigde regeling in van financiële bijdragen aan verbetering van primaire waterkeringen voor de waterschappen. Dit wetsvoorstel heeft al even geleden in de Tweede Kamer een uitvoerige behandeling gehad. Die behandeling moeten wij in de Eerste Kamer niet over willen doen. Toch bestond ook in deze Kamer nog een aantal vragen, die deels te maken hebben met de vraag of dit wetsvoorstel niet te vroeg komt. Zeker ook mijn fractie heeft daarover vragen. Wordt er niet onnodig vooruitgelopen op een omvattender visie op de uitwerking van het door wisselende regeringen beoogde doel om in de nabije toekomst te komen tot een doelmatiger organisatie en bestuur van het waterbeheer, zo vroegen wij ons af. Wij zien immers maar al te vaak dat bij voorgenomen stelselwijzigingen onomkeerbare stappen worden genomen zonder dat de discussie over het gewenste einddoel is gevoerd. Vanuit democratisch oogpunt is dat niet handig en vanuit een langetermijnperspectief is dat onverstandig.

Bij dit wetsvoorstel speelt dat punt minder voor wat betreft de inhoud van de grote wateropgave. Daarover is met het Deltaprogramma in aanzet voldoende duidelijkheid, ondanks de discussies die daarover zeker nog zullen worden gevoerd. Het speelt wel bij het vinden van een antwoord op de vraag naar een doelmatige uitvoering en de daaraan gekoppelde verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de verschillende bestuurslagen. De discussies in de samenleving, bij alle politieke partijen – ik wijs in dit verband op de verkiezingsprogramma's door de jaren heen – en ook Kamerbreed in de Eerste Kamer – ik wijs op de behandeling van de Wabo, de veiligheidsregio's, de Wro, om maar een paar voorbeelden van wetgeving te noemen – over de noodzaak om tot beperking van de bestuurlijke drukte in ons land te komen, hebben helaas in de afgelopen 40 jaar nooit geleid tot ingrijpende wijzigingsvoorstellen. Ook over de toekomstige rol, functie en inbedding van de waterschappen bestaat tussen politieke partijen, maar ook binnen de partijen zelf, geen overeenstemming. Toch begon er zich de afgelopen jaren een meerderheid af te tekenen voor het onderbrengen van de waterschappen bij de provincies, als uitvoerende dienst van de provincies.

Zover is het niet gekomen. De vlucht naar voren is genomen door de bezweringsformule in het regeerakkoord dat slechts twee bestuurslagen verantwoordelijk zijn voor een gedefinieerde taak. Ook in het verkiezingsprogramma van de PvdA wordt daaraan meegedaan. Twee bestuurslagen gaan erover, en niet meer. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan, maar het is het proberen op zijn minst waard. Misschien zal het de Tweede Kamer nog wel de meeste moeite kosten. Het Bestuursakkoord Water geeft ons inzicht in de uitwerking van deze voornemens wat betreft de wateropgave. Dat wilden wij graag weten en dat was ook de belangrijkste reden om de plenaire behandeling van dit wetsvoorstel te laten plaatsvinden na het uitkomen van deze bestuursovereenkomst.

Zonder vooruit te willen lopen op de discussies die hierover ongetwijfeld eerst in de Tweede Kamer en daarna pas hier zullen worden gevoerd, zeg ik dat wij van mening zijn dat het Bestuursakkoord Water er goed uitziet, in tegenstelling tot andere onderdelen van ditzelfde bestuursakkoord. Waarom vinden wij dat? Omdat er een gedeelde visie op de wateropgave uit spreekt, en het document de oprechte ambitie uitstraalt dat die opgave een gezamenlijke opgave is. De taken moeten onderling verdeeld worden op een zo doelmatig en zo efficiënt mogelijke manier. Die verdeling van verantwoordelijkheden is in dit akkoord sterk gekoppeld aan de verdeling van verantwoordelijkheden, zoals geregeld in de WRO en de Waterwet. Dat is prima en hoopvol voor de rol die ruimtelijke ordening en het daarbij behorende instrumentarium naar het oordeel van mijn fractie uitdrukkelijk en niet afgeleid ook in de toekomst horen te spelen. Het weglaten van ruimtelijke ordening uit de benaming van het departement betreurt mijn fractie dan ook zeer. In het verlengde daarvan sluiten wij ons oprecht aan bij de vraag van college Tiesinga naar de nieuwe voornemens met het omgevingsrecht en wat ons betreft het definitief maken van de Crisis- en Herstelwet. Hij vraagt zich af of de waterbelangen daarin wel voldoende zullen worden geborgd. Ook wij maken ons daar zorgen over. Wij horen graag wat de inspanning van de staatssecretaris op dit punt is.

Een derde reden waarom wij dit akkoord er in aanleg goed vinden uitzien, is de nadruk op professionaliteit, gecombineerd met onderling vertrouwen. Het lijkt alsof de opgave als belangrijker gezien wordt dan de vraag naar de macht. Hopelijk is dat geen cosmetiek. Als dat echt zo is, dan past naar ons oordeel de laatste alinea van pagina 31 van het bestuursakkoord niet. Daar wordt namelijk dreigend gesproken dat, als de uitvoering van de afspraken in het bestuursakkoord onvoldoende – naar het oordeel van wie en op grond van welk uitgangspunt overigens? – resultaat en voortgang oplevert, er afzonderlijke wetgeving in procedure gebracht wordt uiterlijk 1 januari 2013. Dat is een veel voorkomende reflex, niet alleen bij de regering, maar meer nog bij de Tweede Kamer. Als niet gebeurt wat wij vinden dat moet gebeuren, dan maken we een wet om dat af te dwingen. Dat schaadt het vertrouwen en belangrijker nog, het is weinig effectief. Het stapelt toezicht op toezicht en wekt de suggestie dat landelijk toezicht effectiever is dan het toezicht op andere bestuursniveaus, wat zwaar te betwijfelen valt, om nog maar niet te spreken over de onmogelijkheid van handhaving op uitvoeringsniveau.

Het is beter, zoals juist ook in dit akkoord wordt afgesproken, om hulp te bieden via kenniscentra en onderlinge hulpverlening. Als er in een enkel geval echt sprake is van onwil en onmacht, zijn er dan binnen de bestaande wetgeving niet voldoende instrumenten aanwezig, zoals de aanwijzings-, verordenings- en inpassingsinstrumenten in de WRO? Kan de staatssecretaris daar op ingaan? Voor incidentele gevallen hoeft toch geen nieuwe wet toegevoegd worden, daar waar er volgens velen al te veel wetten en regels zijn? Er zijn met en in dit bestuursakkoord wel een aantal overblijvende discussiepunten, die nog een zware wissel op de ogenschijnlijk goede verhoudingen kunnen trekken, zoals de financiering en daarbij vooral het verdelingsvraagstuk tussen de overheden en de mogelijke afwenteling naar de portemonnee van de burgers.

Een tweede discussiepunt gaat over het voornemen in het regeerakkoord om de directe verkiezingen van het waterschapsbestuur te vervangen door indirecte verkiezingen. De waterschapsbestuurders zijn daar niet blij mee en prof. Elzinga heeft daarover een advies uitgebracht, op verzoek van de Unie van Waterschappen. Daarin brengt hij vanuit verschillende invalshoeken, zoals representativiteit, deskundigheid, politiseringgraad en organieke inbedding een aantal punten naar voren, waarover een interessante discussie te voeren is, zonder dat de uitkomst daarmee van te voren vaststaat. De belangrijkste tegenwerping van prof. Elzinga tegen indirecte verkiezingen is de ingewikkeldheid van het kiessysteem waarbij de vergelijking met de onuitlegbare Eerste Kamerverkiezingen wordt getrokken. Daar kunnen wij ons wat bij voorstellen, maar niet ondenkbaar is dat het systeem van indirecte verkiezingen verbeterd kan en moet worden. En dan zou het belangrijkste bezwaar van indirecte verkiezingen wegvallen. Wat ons betreft wachten we af op elke wijze de regering dit voornemen uit het regeerakkoord en dit bestuursakkoord gaat uitwerken en willen we daar in dit debat niet op vooruitlopen.

Terug naar het voorliggende wetsvoorstel. Wij zijn van mening dat hoogwaterbescherming zowel in natte als in droge tijden voor ons land topprioriteit is en hoog op de politieke agenda moet blijven staan, ongeacht de financieel-economische omstandigheden. Natuurlijk kan en moet onderzocht worden of beleid en beheer efficiënter en doelmatiger georganiseerd en uitgevoerd moeten worden, maar er kan en mag niet bezuinigd worden op de kwaliteit van de beschermingsmaatregelen. Uit de financiële vertaling van het bestuursakkoord kan niet afgeleid worden dat die kwaliteit onvoldoende is. Wat ons betreft daarom het voordeel van de twijfel, ook voor dit wetsvoorstel.

Waar dit wetsvoorstel concreet ingaat op beschermingsmaatregelen ten behoeve van waterstaatswerken middels de bestrijding van muskusratten zijn wij van mening dat het aangenomen amendement in de Tweede Kamer, waar de muskusrattenbestrijding van doel naar middel getransformeerd is, een terechte verbetering van de wet is. Dat betekent echter ook dat die onderzoeken waaruit blijkt dat de muskusrattenbestrijding mogelijk anders kan of op sommige plekken zelfs minder effectief is, ook daadwerkelijk bijgesteld moet worden. Kan de staatssecretaris op dat punt een toezegging doen? Als wij het goed gelezen hebben, dan wordt er in de provincie Groningen een pilot gedaan met een andere wijze van muskusrattenbestrijding. Kunnen wij ervan uitgaan dat deze uitkomsten betrokken worden bij het treffen van maatregelen tegen behoeve van adequate beschermingsmaatregelen van de primaire waterkeringen? Want als muskusrattenbestrijding op sommige plaatsen niet effectief bijdraagt aan bescherming van de primaire waterkering – als ik collega Slagter mag geloven, dan is dat zo – dan zou het inefficiënt zijn wanneer de formatie van de muskusrattenbestrijders in dezelfde omvang blijft bestaan.

Ten slotte vragen wij aandacht voor de betekenis van innovatie en ontwikkeling in de waterketen. Dat is van belang voor de maatregelen in eigen land, maar heeft ook een ongekende betekenis voor de kennisbijdrage die Nederland kan hebben in de wereld, waar waterproblemen in toenemende mate levensbedreigend zijn. Ook economisch is deze kennis geen verkeerd exportmiddel. Wij wachten de antwoorden van de staatssecretaris met belangstelling af.

De heer Schaap (VVD):

Voorzitter. De VVD-fractie is ermee ingenomen dat dit wetsvoorstel over de wijziging van de Waterwet en de Waterschapswet thans rijp is voor behandeling. Voorwaarde hiervoor was de ondertekening van het Bestuursakkoord Water door het Rijk en de Unie van Waterschappen. Wat dit laatste betreft, de VVD-fractie beschouwt dit akkoord als een degelijke vertaling van wat door de waterschappen aangeboden werd in de zogenaamde stormbrief. Dit bestuursakkoord is duidelijk een verwerking van het voorstel dat de waterschappen najaar 2009 aan het Rijk deden naar aanleiding van de uitdaging van het toenmalige kabinet aan de regionale waterautoriteit. Het valt toe te juichen dat Rijk en waterschappen elkaar zo goed hebben weten te vinden in de herziening van de formele verantwoordelijkheden in het waterbeheer, de financiering daarvan, het opzetten van efficiënte vormen van samenwerking tussen de verschillende overheden en het formuleren van een groot aantal ambitieuze doelstellingen. Het terugdringen van tijdrovende procedurele drukte – dit begrip gebruik ik liever dan de zogenaamde bestuurlijke drukte – levert veel tijdwinst op in de uitvoering van de beheerstaken en tijd is ook geld. Het bijeenbrengen van verwante verantwoordelijkheden in een hand leidt tot eenzelfde winst. Het is ook goed dat de waterschappen zich als functionele overheid in hun verantwoordelijkheid strikt blijven beperken tot de aloude kerntaken, maar zich voor het overige openstellen voor zo veel mogelijk samenwerking: ook dat levert maatschappelijke winst op.

Het wetje dat wij vandaag behandelen, zie ik dan ook als de ouverture voor verdergaande wetsvoorstellen. Ik verwijs hierbij naar de Deltawet. Opvattingen die hierover gaan, houd ik vandaag achter; die komen te zijner tijd aan de orde. Op het huidige wetsvoorstel is wel een en ander aan te merken, maar ik wil benadrukken dat het bestuursakkoord dit commentaar enigszins relativeert. De VVD-fractie wil in dit debat drie punten aanroeren die helderheid vragen: de organisatie en bekostiging van de bestrijding van muskusratten, de financiële bijdrage aan de primaire waterkeringen en de integratie van de afvalwaterketen.

Het is voor de VVD-fractie een uitgemaakte zaak dat de organisatie en financiering van de muskusrattenvangst geheel naar de waterschappen moeten gaan. Met de overdracht is al veel en goede ervaring opgedaan. Het is evident dat met de integratie in de waterschapsorganisatie efficiencywinst valt te boeken. Het gaat hierbij om een uitgesproken waterschapseigen taak, in deze zin is de overdracht meer dan welkom. De VVD-fractie betreurt wel het effect van het amendement-Jacobi: de vereiste sociale zekerheid ondermijnt een deel van deze winst. Het amendement is daarenboven een inbreuk op de eigen verantwoordelijkheid van de waterschappen voor het uitvoeren van deze taak. Daar hoort de rijksoverheid af te blijven. Je kunt de waterschappen niet met een onnodige kostenpost opzadelen en tegelijk eisen dat er efficiencywinst wordt geboekt. Dat de onderhavige wetswijziging met terugwerkende kracht wordt ingevoerd is niet fraai, maar de waterschappen hebben de volledige financiering zelf aangeboden en het tijdstip voldoende tijdig zien aankomen om begrotingsmaatregelen te treffen. Nu de provinciale bijdrage voor deze taak al uit het Provinciefonds is verwijderd, zou het oncollegiaal zijn, alsnog rekeningen naar het provinciehuis te sturen. Kortom, dit deel van de wetswijziging mag wat ons betreft onverkort worden ingevoerd.

In dit verband zeg ik nog enkele woorden over de uitvoering van de bestrijding van deze dieren. Dit is nu eenmaal een onderwerp dat, ook in dit huis, de gemoederen voortdurend bezig houdt; ook in de Tweede Kamer heeft het voor de nodige discussie gezorgd. Het doden van muskusratten is geen diervriendelijke bezigheid. Dit is onvermijdelijk zo en dit wijkt niet af van soortgelijke ongediertebestrijding. Dat er gezocht wordt naar de minst bezwaarlijke methoden uit het oogpunt van dierwelzijn, moet worden toegejuicht. De vangst van deze dieren is noodzakelijk vanwege de schade die ze aanrichten en het risico voor de veiligheid van ons land. Het verbieden van de vangst van deze dieren is dan ook hoogst onverantwoord. Het door emoties gestuurde gelegenheidsargument dat het niet vangen van deze dieren vanzelf een natuurlijk evenwicht geeft en dat de schade wel zal meevallen, is een drogredenering. Ik verwijs hierbij naar ervaringen in de polder Mastenbroek en de Krimpenerwaard. Daar was de vangst door omstandigheden een tijd onmogelijk en zijn binnen korte tijd enorme populaties ontstaan, aantallen die bijna niet meer in toom zijn te houden. Diervriendelijk is deze emotionele vlucht dan ook allerminst. Juist de zinloze uitweg van het zogenaamde natuurlijke evenwicht zal een grotesk dierenleed tot gevolg hebben, namelijk als daarna over een zeer lange periode veel grotere aantallen dieren moeten worden gedood dan anders nodig zou zijn geweest. De meest diervriendelijke oplossing is dan ook het zo snel mogelijk tot een minimum terugbrengen van de aantallen dieren. Dan hoeven veel minder dieren gedood te worden dan thans nog noodzakelijk is.

Ik kom op het deel van de wetswijziging dat handelt over de financiering van de primaire keringen. Hier bevat de wet een onverkwikkelijkheid. De stelling in de memorie van antwoord dat de ontlasting van de rijksbegroting door de waterschappen ter grootte van 100 mln. een uitwerking is van het waterschapsaanbod in de Stormbrief van november 2009, is niet juist. Wat zich toen voordeed, is dat de waterschappen werden geconfronteerd met een opdracht van het kabinet om zelf 100 mln. op te brengen ter verlichting van de rijksbegroting.

De heer Koffeman (PvdD):

Ik heb de heer Schaap het woord "emotievol" horen bezigen. Daarbij past ratio om die stelling te onderbouwen. De heer Schaap zei dat wij het aantal muskusratten zo snel mogelijk tot een minimum moeten terugbrengen. Kan hij aangeven wat in zijn beleving zo snel mogelijk is? Wij zijn namelijk al een hele tijd bezig met het bestrijden van muskusratten. Wij besteden er tientallen, honderden miljoenen euro's aan, maar het minimum dat de heer Schaap voor ogen heeft, wil maar niet bereikt worden. Op welke termijn denkt hij daaraan toe te komen?

De heer Schaap (VVD):

Een gedegen inzet levert zeker een reductie van de aantallen op. Bijvoorbeeld rond de MKZ hebben wij echter situaties meegemaakt waarbij de vangers het veld niet in konden; dat was in de polder Mastenbroek het geval. Toen zijn de populaties enorm snel toegenomen. In mijn ogen heeft dat extra dierenleed tot gevolg, omdat die aantallen moeten worden teruggedrongen.

De heer Koffeman (PvdD):

Is de heer Schaap op de hoogte van het feit dat er in Duitsland en in Polen situaties zijn geweest waarbij de bestrijding langdurig is gestaakt? Daarbij werd inderdaad een piek in de populatie bereikt, maar die piek stortte vanzelf in. Dat hebben wij in de polders die de heer Schaap noemde niet afgewacht.

De heer Schaap (VVD):

Ik heb hier nog nergens pieken vanzelf zien instorten. Ik heb ze alleen door vangst gereduceerd zien worden.

De heer Koffeman (PvdD):

Dat betekent dat de heer Schaap een heilig vertrouwen heeft in het vangen van dieren, maar dat de voortdurende inspanning om die dieren te vangen tot nu toe niet het door hem gewenste resultaat heeft. Het is toch interessant om te weten dat – zoals collega Slager zo-even ook meldde – de muskusratten niet worden aangetroffen in de zeedijken maar dat alleen het ongemak voor de primaire sector moet worden weggenomen. Dat heeft de staatssecretaris bevestigd in zijn brief. Hoeveel wil de VVD subsidiëren om het ongemak van de primaire sector weg te nemen?

De heer Schaap (VVD):

Wij subsidiëren niets. De vangerij wordt straks gewoon betaald uit heffingen van de waterschappen. Dit wordt dus direct opgebracht door de belanghebbenden, zoals de verdeelsleutels dit thans aangeven. Het gaat mij niet alleen om de veiligheid maar ook om de schade en om alle gevaar dat ermee verbonden is. Ik zou tegen de heer Koffeman willen zeggen: kom daarvoor maar eens in de polder Mastenbroek kijken. Dan kan hij zien wat de dieren kunnen aanrichten.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Slager (SP):

Voorzitter. Mag ik nog heel even iets zeggen?

De voorzitter:

Ik had u zien zitten, mijnheer Slager, maar u maakte te laat de beweging om mij erop te attenderen dat u nog iets wilde zeggen. Dat is mijn fout. U hebt het woord.

De heer Slager (SP):

De heer Schaap zei: als je deze dieren niet vangt, neemt hun aantal een enorme vlucht. Ik heb in mijn Handboek muskusrattenbestrijding allerlei rapporten gelezen waaruit blijkt dat de vrouwtjes van de muskusrat vaak drie worpen per jaar opbrengen als de dieren worden bestreden, en dat zij dat niet doen als je ze niet bestrijdt. Kortom, is wat de heer Schaap zei wel zo?

De heer Schaap (VVD):

Dat zou bewijzen dat die vrouwtjes een goed gevoel voor humor hebben: als je mij pakt, pak ik jou terug. Maar daar geloof ik niet in. Zo gaat het niet.

De heer Slager (SP):

Volgens mij heeft het gewoon met overleving te maken.

De heer Schaap (VVD):

Zij hebben altijd de gewoonte om drie en soms nog meer worpen per jaar het leven te doen zien.

Voorzitter. Dat de waterschappen 100 mln. moesten opbrengen, is door het Rijk opgelegd, zo zei ik. Het Rijk, het toenmalige kabinet, heeft daaraan de stelling verbonden dat dit bedrag door efficiencymaatregelen wel weer buiten de tariefstijgingen zou kunnen blijven. Die verwachting van de zijde van het Rijk was nergens op gebaseerd. Wat zich dus voordeed, is dat het Rijk eigen budgettaire problemen afwentelde op een lagere overheid en daaraan een welluidende redenering toevoegde. Anders gezegd, de waterschappen werd opgedragen belastingen te heffen voor het Rijk. Dit is een ondeugdelijke manoeuvre. Toch hebben de waterschappen hierop gereageerd en aangeboden om eigen geld op te brengen voor de aanleg van primaire keringen. Voorwaarde was dan wel – dat stond in de Stormbrief – dat investeringen, beheer en onderhoud in één hand zouden worden gebracht. Aan deze voorwaarde voldeed de opdracht van het vorige kabinet niet, en hieraan voldoet ook de huidige wetswijziging niet.

De systematiek in dit wetsartikel is nog steeds zo dat de waterschappen bijdragen aan de rijkskas en het Rijk vervolgens een subsidiebijdrage aan de waterschappen verstrekt voor investeringen in de primaire keringen. Op deze wijze komt er van een efficiencyprikkel niets terecht, en dus blijft staan dat een belastingheffing van een lagere overheid voor het Rijk een vreemde, ongewenste figuur is. De VVD-fractie wil desalniettemin meegaan met deze vreemde oplossing, en wel omdat het bestuursakkoord deze werkwijze aan een tijdhorizon bindt en de geïntegreerde wijze van werken daarna wel zal worden gerealiseerd. De VVD-fractie hecht eraan dat door nadere wetgeving deze tijdhorizon beperkt zal blijven tot 1 januari 2014. Graag hoor ik van de staatssecretaris dat hij hiermee instemt. Wat er daarna aan de orde is, is een gezamenlijke financiële verantwoordelijkheid van Rijk en waterschappen. De rijksbegroting voldoet al jaren niet aan deze verplichting van de zijde van het Rijk, ook niet als de waterschappen bijspringen. Ik kan me voorstellen dat het geplande Deltafonds hiervoor kan worden ingezet. Dat vraagt echter wel dat dit fonds exclusief zal worden besteed voor de bedoeling van het Deltaprogramma, inbegrepen het daarin opgenomen Hoogwaterbeschermingsprogramma. Wil de staatssecretaris bevestigen dat het fonds hiervoor inderdaad zal worden besteed en dat daaruit geen andere watertaken zullen worden gefinancierd? Ik wacht de reactie met spanning af.

Om de beoogde efficiency te bereiken is echter meer nodig dan het bijeenbrengen van investeringen en onderhoud. Er is meer nodig dan het voorkomen dat waterschappen de kosten van de aanleg van waterkeringen afwentelen op de subsidieverlener. Het beheer van de primaire keringen zal sterk aan creativiteit moeten winnen. Rijk en waterschappen zullen dan ook veel meer aan innovatie moeten doen om op een zo efficiënt mogelijke wijze veilige keringen aan te leggen en te beheren. Daartoe zullen het toetsregime en de daaraan verbonden verplichting van dijkherstel nog eens flink onder de loep moeten worden genomen. Vereist zijn meer dynamiek en een wat minder rigide aanpak bij tekortkomingen. Wil de staatssecretaris duidelijk maken welke initiatieven hij op dit terrein voorstaat?

Ook dit is echter nog niet voldoende. Een ander punt is namelijk dat efficiency in de technische aanpak van de aanleg en het onderhoud van de keringen de nodige aandacht behoeft. Dit is onmogelijk zonder gedegen en op innovatie gericht onderzoek. De experimenten in de IJkdijk zijn wat dit betreft uiterst welkom, maar er is meer nodig. Rijk en waterschappen zouden veel meer moeten investeren in praktijkgericht onderzoek, waarbij ik ervan uitga dat fundamenteel onderzoek door bijvoorbeeld universiteiten wordt verzorgd.

Innovaties in het aanleggen en beheren van waterkeringen dienen overigens een tweeledig doel. Ze zullen er niet alleen toe bijdragen dat de kosten voor de veiligheid tegen overstromingen in Nederland in relatieve zin dalen; ze kunnen ook bijdragen aan het exporteren van waterstaatkundige kennis vanuit Nederland. Anders gezegd: een welkome input voor het topgebied water. Innovatie via praktijkgericht onderzoek mag geen vrijblijvende zaak zijn. Wil de staatssecretaris toezeggen dat Rijk en waterschappen zich verplichten een substantieel deel van het gezamenlijke fonds voor de hoogwaterbescherming te besteden aan praktijkgericht onderzoek? De VVD-fractie denkt aan een minimum van 3% van het totale jaarlijkse budget. Ik wacht uiteraard het antwoord van de staatssecretaris af, maar overweeg ook een motie over dit onderwerp.

In dit verband ook nog een waarschuwing. Het is een volstrekt onzinnige gedachte dat overheveling van kosten van het Rijk naar de waterschappen onmiddellijk door deze geleding kan worden opgevangen zonder tariefstijging. Zoiets is alleen op de langere termijn mogelijk, als namelijk de efficiencyresultaten kunnen worden ingeboekt. Nu al moord en brand schreeuwen dat de waterschapstarieven stijgen als gevolg van de medefinanciering is een vreemde reactie, zeker als dit commentaar ook nog van de zijde van regering en parlement komt. Een ander opzadelen met lasten en daaraan ook nog een onhaalbare claim toevoegen is hypocriet. Ik heb er het volste vertrouwen in dat de waterschappen voldoende zullen bijdragen aan efficiencymaatregelen om op den duur wel aan de eerder gedane toezegging te voldoen. Tot zolang zal de afwenteling door het Rijk onvermijdelijk lastenstijgingen voor de waterschappen met zich meebrengen.

Het is ook onjuist dit tariefseffect weg te willen schrijven door de efficiencywinst die er bij integratie van de afvalwaterketen valt te halen. Ook deze, overigens relatief grote, winst is alleen op een langere termijn te behalen, ook nu weer via veel onderzoek en een succesvolle afstemming van het beheer tussen gemeenten en waterschappen. Maar ook dan valt deze winst binnen de heffingen voor het zuiverings- en rioleringsbeheer en dus niet binnen de watersysteemheffing. De som van deze heffingen is uiteraard interessant, maar egalisatie van deze heffingen is niet toegestaan. Het zij nogmaals gesteld dat de efficiencywinst in de afvalwaterketen alleen kan worden opgebouwd als beide beheerders veel energie willen steken in samenwerking en maatwerkoplossingen. Dit vraagt ook om samenwerking binnen beide geledingen: men moet van elkaar kunnen leren en gezamenlijk expertise opbouwen. Uitbreiding van het systeem van branchevergelijkingen door het instellen van een verfijnde benchmark voor de afvalwaterketen kan hierbij helpen.

Een groot knelpunt in de samenwerking is de gescheiden heffing van gemeenten en waterschappen, te weten een zuiveringsheffing en een rioolheffing. Dit kan tot veel discussies aanleiding geven, als bijvoorbeeld op elkanders territoir moet worden geïnvesteerd en rekenslagen nodig zijn voor het verdelen van de kosten en de winst. Een geïntegreerde afvalwaterheffing zou aan dit knelpunt een einde kunnen maken. Wil de staatssecretaris zijn opvatting kenbaar maken over de integratie van beide heffingen? Een geïntegreerde heffing sluit immers naadloos aan op het integrale beheer in de afvalwaterketen. Is de staatssecretaris bereid hiernaar onderzoek te doen? De VVD-fractie wacht graag zijn antwoord af.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 15.50 uur tot 18.00 uur geschorst.

Voorzitter: Van den Berg